._12._‚
malen dag van zoo groot gewicht te kunnen herdenken. Ik ‘wilde, dat ik voor een oogenblik Nederlander kon wezen, niet een Staatsblad-Nederlander,«doch een zuiver onvervalschte ‚zoon van Groot Nederland, geheel vrij van vreemde
'smetten. Wat zou ik dan jubelen als straks in November
de lang verbeide dag komt, de dag der vrijheidsfeesten. Wat zou ik dan juichen bij het vrijelijk zien wapperen der Nederlandsche vlag met het strookje Oranje daarboven. ÌIk zou tot heesch wordens toe medezingen het „Wilhelmus" en het „Wien Neerlands bloed", als straks de muziek zou inzetten. Ik zou verwaand kunnen zijn van al die mani— festaties, ik zou God danken in de christelijke kerk voor zijn goedheid, ik zou een wensch, een smeekbede ten hemel zenden om 't behoud van Neerlands macht, ook in deze Koloniën, opdat ähet ons mogelijk zou blijven, onze groot— heid te handhaven met deze kolossale macht achter ons Ik zou alle Nederlanders hier in Insulinde vragen om finan— cieelen steun, niet alleen voor het feest zelf, doch ook voor «devlootplannen van Colijn, die zoo ijverde voor het behoud ‘van Neerlands onafhankelijkheid, ik zou ‚ . ‚ . . . . . . . . . . . . . ik weet waarlijk niet, wat ik dan verder zou doen, als ik Nederlander was; want ik zou tot alles in staat zijn, geloof ik.
Neen, toch nietl Als ik Nederlander was, zou ik nog niet ‘tot alles in staat zijn. Ik zou inderdaad wenschen, de komende onafhankelijkheidsfeesten zoo uitgebreid mogelijk te organi— seeren, doch ik zou niet willen, dat de inboorlingen dezer landen aan die herdenking mee deden, ik zou hen verbieden mee te jubelen bij de festiviteiten, ik zou zelfs het feest— ‘terrein wenschen af te zetten, opdat geen inlander wat zoude kunnen zien van onze uitgelaten vreugde bij deze herdenking van onzen vrijheidsdag.
‘Daar ligt, dunkt me, zoo iets van onwelvoegelijkheid in, het’ lijkt me zoo ongegeneerd, zoo ongepast, indien wij —ik ben nog altijd Nederlander in verbeelding——den inlander laten mede juichen bij de herdenking ònzer onafhankelijkheid. Wij kwetsen hen eerstens in hun fijn eergevoel, doordat wij hier in hun geboorteland, waar wij overheerschen, onze eigen
————13_
vrijheid herdenken. Wij jubelen thans, omdat we honderd jaren geleden verlost werden van een vreemde heerschappij, en dit alles zal nu plaats hebben ten aanschouwe van hen, die nu nog steeds onder onze heerschappij staan. Zouden wij niet denken, dat die arme geknechten ook niet snakten naar het oogenblik, dat ze evenals wij nu, eenmaal zulke feesten zouden kunnen vieren?! Ûf meenden wij soms, dat wij door onze lang doorgezette, geestdoodende fnuik-politiek. den inboorlingen alle menschelijke zielsgevoelens hadden ge» dood? Dan zouden wij toch zeer zeker bedrogen uitko- men, Want zelfs de onbeschaafdste volken verwenschen allen Vorm van overheersching. Als ik Nederlander was, zou ik dan ook geen onafhankelijkheidsfeest vieren in een land, waar wij het volk zijn onafhankelijkheid onthouden.
Geheel in de lijn van dezen gedachtengang is het onbillijk niet alleen, maar ook ongepast, om de inlanders te doen bij» dragen ten bate van het feestfonds. Beleedigt men ze reeds door ’t idee der feestelijke herdenking zelf van Neerlands vrijheid, thans maakt men ook hun beurzen ledig. Voorwaar
> een moreele en stoffelijke beleediging!
Wat denkt men toch met al dat feestgevier te kunnen be— reiken, hier in Indië? Àls het een uiting van nationale vreugde moet beduiden, dan is het wel onverstandig, om het hier in. een overheerscht land te doen. Men stoot het volk hier voor het hoofd. Of wil men daarmede een grootheids—betooging in politieken zin? Dan moet zulke politiek al zeer onpolitiek Wezen. Vooral in deze tijden, waar het Volk van Indië bezig is zich te vormen en nog in een slaapdronken periode van ontwaking verkeert, is het een tactische fout, om dat volk het voorbeeld te geven, hoe het eventueel zijn vrijheid moet vieren. Men prikkelt zoo de hartstochten, men ontwikkelt onbewust den vrijheidszin, de hoop op een komende onafz hankelijkheid. Zonder opzet roept men het inlandsche volk toe: „Kijkt, menschen, hoe wij onze onafhankelijkheid herden— ken; hebt de Vrijheid lief, want het is een waar genot, om een vrij volk te ‘wezen, vrij van alle overheerschíngl"
Als de maand November dezes jaars Voorbij zal zijn, zul»