—l1<1;_.
Ien de Nederlandsche kolonisten een politiek waagstuk heb- ben uitgehaald. De risico zij dan op hun rekening. Ik zou ‘de verantwoordelijkheid niet Willen dragen, ‚al was ik ook
een Nederlander.
Als ik Nederlander was, nu op dit moment, dan zou ik protesteeren tegen het denkbeeld dezer herdenking. Ik zou in alle couranten schrijven. dat het verkeerd is, ik zou mijn mede—kolonisten waarschuwen, dat het gevaarlijk is in dezen tijd vrijheidsfeesten te houden, ik zou alle Nederlanders af— raden, om het ontwakende, vrijmoedig geworden volk van Neêrlandsch lndië voor het hoofd te stooten en het mogelijk tot brutaliteit te brengen. Waarachtig, ik zou protesteeren met alle kracht, die in me is.
Doch . . . . . . ik ‘ben geen Nederlander, ik ben slechts een bruine zoon Van dit tropisch land, een inboorling van deze Nederlandsche Kolonie, en daarom ook zal ik niet protesteeren.
Want als ik protesteerde, zou het mij kwalijk worden ge— nomen. Ik zou immers het Nederlandsche Volk, dat hier in mijn land regeert, beleedigen en van mij afstooten. En dat wil ik niet, dat mag ik niet. Als ik Nederlander was zou ik immers het inlandsche volk niet voor het hoofd willen stooten?!
Ook zou men mij brutaal kunnen noemen tegenover Hare Majesteit, onze geëerbiedigde Koningin, en dat zou onvera geeflíjk zijn, want ik ben Haar onderdaan, die Haar steeds trouw moet blijven, l
En daarom protesteer ik nietl
Integendeel, ik zal aan de feesten deelnemen. Als straks een collecte wordt gehouden, dan zal ik mijn bijdrage doen, al moest ik daardoor mijn huishoudelijke begrooting tot op 'de helft terug brengen. Het is mijn plicht als inlander Van Neerlands Kolonie, om den onafhankelijkheidsdag van Ne— derland, het land van onze meesters, met luister mede te „herdenken. Ik zal mijn landgenooten en medewnderdanen Van het koninkrijk der Nederlanden allen vragen, om aan 't feest deel te nemen, want al is dat feest Van zuiver Neder- landsche beteekenis, dan nog hebben we daarin de beste gelegenheid, om onze trouw en ons medevoelen aan Nederland
—«l5_.
te betuigen. Àlzoo zullen we houden een „aanhankelijkheids- demonstratie". Wat een genot zal het mij wezen. Goddank, dat ik geen Nederlander ben.
Alle ironie terzijde thans. g
Zooals ik in den aanhef van dit opstel reeds gezegd heb, pleit het meervermelde 100—jarig jubileum van Neerlands onafl hankelijkheid voor de overal zoo hoog verheven trouw aan het vaderland, in ons geval van de Nederlanders. Ik gun dezen dan ook ten volle de vreugde, die ze zullen genieten Van hun nationale herdenking. Wat mij en velen mijner land— genooten echter tegen de borst stuit, is hoofdzakelijk het feit, dat thans weder ‘de inlanders hebben mede te betalen voor een zaak, die hun niet het minst aanbelangt. Wat zal het feest, dat wij helpen tot stand komen, ons wel brengen?
Niemendal, hoogstens een herinnering aan ons adres, dat wij ‘
geen Vrij volk zijn en dat „Nederland ons nimmer onafham kelijkheid zal schenken", voorzoolang althans de heer Idenburg de landvoogdij blijft voeren, en dan —— raar toch — de les, die wij uit de feesten zullen trekken: dat het n.l. een plicht moet zijn van een ieder, om den dag der onafhankelijkheid» verklaring zijns volks op waardige wijze te herdenken.
Ik voel dan ook veel meer voor het denkbeeld, dezer dagen het eerst in het inlandsche dagblad „Kaoem Moeda" en in „De Expres" ontvouwd, om te Bandoeng, vanwaar het idee der herdenking is uitgegaan en waar ook het hoofdcomite gevestigd is, een commissie, van ontwikkelde inlanders te vormen, welk lichaam op den dag der herdenking eenvtele— gram van gelukwensch aan de Koningin zal zenden, waarbij echter tevens aangedrongen wordt op de buitenwerkingstelling van artikel lll R. R, en op spoedige instelling van een Indisch Parlement.
Het resultaat van het verzoek——vooral wat betreft het laatste gedeelte daarvan —— laat ik liever buiten beschouwving; de beteekenis daarvan alleen kan ons reeds van groote waarde zijn, Houdt zulk een verzoek niet reeds een protest in zich, dat ons, ten ‘eerste, alle recht wordt en blijft onthouden om over politieke zaken te spreken, dat ons m; a. w. alle „vrijheid"
\