57 "Kom, kom, moeder," zei Christine troostend, "U weet niet hoe goed de Heer het nog met ons vóór heeft, - U hebt ons geleerd op God te vertrouwen, en zou U nu zelf den moed laten zakken?" De weduwe glimlachte door bare tranen heen. "Je hebt gelijk, kind I" zei ze. "Bij God zijn alle dingen mogelijk, indien we Hem bidden .... Het is al wel laat, maar laten we nog maar aan een brief voor Jan beginnen, al hebben we minder te vertellen dan bij I" Wat na onderling overleg op het papier kwam laten we bier volgen: t I Beste jongen! Van avond ontvingen we je eersten brief, en moeder wil bem nu maar dadelijk gaan beantwoorden. Natuurlijk moet ik nu wel -voor baar schrijven, al weet ik niet veel nieuws meê te deelen. We zeiên al tot elkaar: de brief van ons zal wel heel wat kleiner zijn dan die van Jan, maar hij ziet ook aHemaal vreemde dingen, en wij zitten hier in ons stille dorpje, waar niets bijzonders gebeurt. Het deed moeder, en mij ook, dan veel genoegen je brief te lezen, waarnaar we al zoo lang hadden uitgekeken, want de meester vertelde ons, dat je ook op zee brieven kunt verzenden. Nu ben jij wel niet zoo erg vlug met de pen, maar je badt ons vast beloofd zoo gauw mogelijk wat van je te laten hooren. We hebben nu uit je brief opgemaakt, dat het je voorloopig nog al bevalt en dat het je goed gaat, - geve de Heer, dat dit niet alleen naar 't lichaam, maar ook naar de ziel zoo zij. Want, beste Jan, het zal je dikwijls heel moeilijk vallen je in alles te schikken, en als je dan niet weet dat God voor je zorgt, dan komen er heel moeilijke oogenblikken. Dan kunnen je ook je vrienden niet helpen, weet je wel? Toch vindt moeder bet nog al prettig dat je gezelschap gevonden hebt, or het KITLV, Deze film is beschikbaar gesteld do het geheel noch uitsluitend op voorwaarde dat noch toestemming delen worden gereproduceerd zonder het recht voor van het KITLV. Dit behoudt zich reproductie. een vergoeding te berekenen voor teursrecht rust, Indien op het originele materiaal au den eveneens dient men voor reproductiedoelein uders van dit toestemming te vragen aan de ho auteursrecht. dient men Toestemming voor reproductie schriftelijk aa n te vragen . ly on condition This film is supplied by the KITL V on ther reproduced that neither it nor part of it is fur n of the KI TL V without first obtaining the permissio charge for such which reserves the right to make a ed is its elf in reproduction. lf the material film owners of that copyright, the permission of the h reproduction. copyright will also be required for suc uce should be Application for permission to reprod the proposed made in writing, giving details of reproduction. SIGNATUUR MICROVORM: SHELF NUMBER MICROFORM: M META 1 2 0 6 .. . . " . , . Î . - ' " . . . • 1 " . . . . " I • . . , . . . , • . , ' , . .. ~ , . ' I • ," \~ ' .' "'" • . ... " I I i I "" cIgO.t.J ~ .... . . ~ .. IN VEILI G HAVEN : E DOOB G. VAN AS. NIJXERK, 'G. F. CAL~ENBACH. C IJo.t] (:y ,j r I. JAN BRlNXHÀN's JEUGD• . Toen vader Brinkman nog leefde, was 't met Jan, zijn zoon, nog al welletJes gegaan, hoewel de jongen dikwijls »vreemde kuren" had, zooals de menschen zeiden. Vader Brinkman was een eerzaam timmerman van het platteland, die voor een man uit den arbeidersstand goed zijn brood had. De verdiensten waren wel niet bijzonder groot, doch Brinkman en zijn vrouw waren niet alleen met weinig tevreden, doch verston. den een kunst, die velen maar al te zeer missen, n.l. om de tering naar de nering te zetten. De verhooring van de bede: nGeef ons heden ons dagelijksch brood I" was hun genoeg, en zoo leefden ze bescheidenlijk heen van 't geen Brinkman als »timmerman voor eigen rekening" verdiende, en van de opbrengst van een klein stukje grond, dat achter hun lieve woning gelegen was. De Hemelsche Vader, die weet wat Zijne kinderen behoeven nog vóór zij , Hem bidden, liet het hun aan geen ding ontbreken en vader en moeder Brinkman dankten Hem daarvoor uit den grond huns harten. 4 Doch ze hadden te àanken voor meer. God had hun ook twee kinderen geschonken, die hun trots waren, en op wie ze hunne hope bouwden voor den ouden dag. Jan en Christine waren tweelingen en een paar gezonde kinderen, aan wie de zorgen der ouders niet verspild waren. Beiden groeiden voorspoedig op, en werden, overeenkomstig de. belofte bij hun Doop ' door vader en moeder afgelegd, opgevoed in de vreeze. en de vermaning des Heeren. Hoe hoopten de ouders er op, om, als eenmaal de avond huns levens zou gekomen zijn, te kunnen rusten aan den gezelligen huiselijken haard van zoon of dochter, misschien wel zich mede te kunnen verheugen in den zegen die God in kinderen on kindskinderen schenkt r Hoe verheugden zij zich in 't vooruitzicht van een rustigen ouden dag, waarin geen zorgen des dagelijksehen levens - want die waren er zeker 6ók overgebleven! - meer zouden kwellen, en zij zich gedragen zouden weten door de liefde der kinderen, die nu hun zorgen nog zoo zeer behoefden. Maar - de mensch wikt, God beschikt. Al vroeg bleek, dat het spreekwoord: »De appel valt niet ver van den boom", ten opzichte van Jan Brinkman, den jongen, geen wáár woord was. Dikwijls wordt het gezien, dat vrome, Godvreezende ouders 't verdriet ondervinden hun kinderen den verke'erden weg te zien opgaan. Helaas, zoo zou 't ook hier zijn I Jan bezocht evenalsChristine de Christelijke school in het dorp, maar nam al bitter weinig mee van hetgeen daar werd verhaald van Gods liefde voor zondaren. Zonder twijfel leerde hij goed, ja, was hij een der besten van de klasse, maar aan de Bijbelsche Geschiedenis had hij een hekel, en liever dan ter catechisatie te komen, liep hij langs velden en wegen om met anderen van zijn leeftijd allerlei jongenskwaad ui~ te voeren, dat niet altijd slecht, maar evenmin altijd verschoonbaar was. Jan kreeg daardoor in dijn ) 5 omtrek een minder goeden naam, wat zijn ouders niet weinig verdriet deed. Vader Brinkman poogde op allerlei wijzen den jongen 't verkeerde van zijn gedrag onder 't oog te brengen, en er waren werkelijk oogenblikken, waarin 't scheen alsof het goede woord op den boozen geest de overhand behouden zou. D:m, - als vader met Jan 't kleine bovenkamertje bötreden en de deur gesloten had, als hij hem zoo hartelijk en met liefde gevraagd had, of hij nu toch niet langer door allerlei ondeugd hem 't hart breken wildo, _ dan, als hij met Jan was neergeknield geweest, om God in ootmoed vergeving en behoudenis voor den jongen te smeeken, - dil,n hield Jan zich weer een paar dagen goed. Doch lang duurde 't niet, of vaders woorden en vaders gebed, zoo wel als eigen beloften en goede voornemens waren vergeten, en Jan zwierf 's avonds weer door 't dorp en langs de velden om hier allerlei kattekwaad te bedrijven, dMr, ildstrikken uit te zetten om een onnoozel konijn te verschalken, maar in beide gevallen om aan de lusten van het booze hart den teugel te vieren. Niettemin, - toen Jan op twaalf·jarigen leeftijd de school verliet had hij daar z66veel geleerd, dat hij als werkman, gelijk zijn vader was, den weg door 't dagelijksch leven wel zou kunnen vinden. Hij was, zooals we zeiden, niet een van de slechtste leerlingen en had het, bij een weinig goeden wil, wellicht verder kunnen brengen dan menigeen. Maar Jan scheen weinig lust te hebben om wat te worden. Zijn vader koos voor hem - want hij zelf koos nietl, - 't beroep van timmerman en deed hem in de leer.... bij zichzelf. Wat vak·bekwaamheid aangaat kon de oude Brink. man dat met volle gerustheid doen, doch voor Jan ware het wellicht beter geweest, indien hij dadelijk hadde te doen gekregen met een misschien minder bekwaam, maar gestrenger patroon dan Jan Brinkman 6 I \ voor zijn zoon ' was. De vader vergat, dat» vreemde oogen dwingen", en Jan de jongere had heusch strenge tucht noodig. Moeder bedierf hem ook wel een weinig thuis, en vader kon niet altijd hard tegen hem zijn. Een ouderhart is teer, - liever in zachtheid dan in toorn leert het den jongen de eerste beginselen. Maar liefde en zachtheid waren aan Jan verspild. Hij werd met den dag ruwer en was bovendien dikwijls te lui om geregeld het werk te doen dat hem opgedragen werd. Noch vaders ernstige woorden, noch moeders tranen, noch zuster Christine's smeekbeden vermochten iets op hem. Hij lachte hen uit. Wat zanikten ze toch? Hij deed toch niets ergers dan anderen van zijn leeftijd, en werken, dag in dag uit aan de schaafbank staan, dat kon altijd nog. Een jongen is een jongen, en die wil wel eens wat hebben, zeide hij. Twee jaar bleef hij in vaders timmerwerkplaats. Toen was 't geduld van Brinkman ten einde, en niet. tegenstaande de smeekingen van moeder ging hij er op een goeden dag op uit, om in de stad een patroon voor den jongen te zoeken. Gelukkig slaagde hij nog al wel, al was 't moeilijk om voor den knaap een behoorlijk onderkomen te vinden. Met Jans patroon, een eenvoudige goedhartige man, werd ten laatste overeengekomen, dat Jan kost en inwoning zou ge. nieten voor den arbeid dien hij verrichtte, en het pleit wel voor 's mans goede hart, dat hij geen bezwaar maakte tegen dat beding, terwijl vader Brinkman toch niet verzwegen had, dat Jan gedurende de eerste leerjaren na zijn schooltijd van het timmervak nog niet veel meer kendl:: dan de eerste beginselen. Brinkman kwam vrij wat opgeruimder thuis, dan hij weggegaan was, want hij was overtuigd, dat Jan, .. nu hij onder vreemden ging, »veranderen" en "verbeteren" zou. Zijn blijdschap werd echter allerminst gedeeld door zijn vrouw, die in stilte den wensch gekoesterd bad, dat vader in de,stad niet slagen mocht .~ . en zij "haar jongen" dus niet zou behoeven te missen. Toen ze dus vernam dat Brinkman wèl klaar gekomen was met een baas voor Jan, stonden de tranen haar nader dan het lachen, vooral omdat ze niet overtuigd was dat "de stad" en een vreemde baas den jongon goed zouden doen. Maar't hielp niet veel of ze beo zwaren opperde, want ze wist even goed als Brinkman zelf dat er thuis met Jan "geen land te bezeilen was", gelijk men zegt. En daar ze toch de trouwe en hulp. vaardige Christine nog bad, zette zij zich ten slotte over de onaangename gedachte der naderende scheiding heen, zich troostende met de wetenschap, dat "de stad" toch niet zoo heel veraf was, en dat Jan van tijd tot tijd weer terug zou komen. Jan ging dus naar de stad. Vader en moeder en Cbristine te zamen brachten hem, en overlaadden hem met al de liefde en zorgen die trouwe ouders en een liefhebbende zuster maar kunnen uitdenken. En al schreide moeder, toen ze thuis kwam heete tranen, en al spraken vader en Chris ti ne dien a vond ook heel weinig - één ding troostte hen - God de Heere is gebonden aan tijd noch plaats, en in de stad was Jan evenzeer door Hem bewaard als thuis. Als nu alles maar goed ging I Er was nogal hoop op. Jan was met veel lust gegaan, en meende zelf ook dat 't nu wel beter zou worden. Want z6óveel begreep hij wel van den loop van zaken, dat niemand tevreden over hem was. Waarlijk, Jan méénde het, toen hij zijn vader goedendag zeide aan het station in de stad en beloofde "dat hij 't nu eens goed pro. beeren zou." Maar och, met goede voornemens is de weg naar de hel geplaveid. Het ging in de eerste dagen, de eerste weken zelfs, uitstekend. Jan werkte met plezier en zijn baas had werkelijk schik in den jongen. Maar een stad is voor een jongen van het platte. land een gevaarlijk ding. Aan alle kanten lokt de ver. leiding, de zonde. Slechte vrienden, de kroeg, het dans- 8 huis, - 't zijn alle slechts schakels in den keten, waaraan Satan, de aartsverleider, zijn slachtoffers vastklinkt. Er waren, behalve Jan, nog drie andere werklieden op den winkel van baas Schreiners. Een hunner was getrouwd, en een man op wien niets te zeggen viel. Hij was stil van aard en bemoeide zich weinig met de anderen; dan volgden twee jongelieden van even boven de twintig, die "gezworen" vrienden waren en wier gezelschap op Jan allerverderfelijkst werkte. Zoo jong als ze waren, had de kroeghouder aan hen goede klanten, en 't gebeurde soms wel, dat ze jenever op 't werk brachten. Natuurlijk mocht de baas er niets van weten, en liever ook de oudste knecht niet (want deze dronk hoogst zelden iets), maar de vrienden wisten steeds wel een oogenblikje te vinden, waarin ze onopgemerkt een "halfje" konden nemen. Dat ging zooveel beter nu er een jongen gekomen was, die, als jongste, voor allerlei boodschappen werd gebruikt en dus, naar ze meenden, ook uitstekend geschikt was om voor hen jenever te halen. Jan had er de eerste maal wel een beetje tegen opgezien, want nooit voor zoover hij wist, was bij vader Brinkman jenever in huis gekomen, maar hij meende niet te kunnen weigeren, en haalde den drank. Het spreekt wel van· zelf dat de knechts het plichtmatig achtten, den jongen ook eens te laten proeven. Jan had de eerste maal . den moed om te weigeren, maar moest het duur beo koopen. In de eerstvolgende dagen was hij herhaal· delijk het mikpunt. van allerlei plagerijen, waaraan hij geen weerstand durfde bieden uit vrees bij het twee· tal in nog slechter blaadje te komen. Dus verdroeg hij die geduldig, zeide er den oudsten knecht evenmin iets van als den baas, en weigerde niet weer, toen men hem, een week later, opnieuw eens wat te proeven aanbood. Te meer niet, wijl hij nieuwsgierig was hoe dat goed, waartegen vader en moeder hem .altijd zoo 9 I f [ . , " gewaarschuwd hadden, wel smaken zou. Nu, om de waarheid te zeggen viel de eerste proefneming hem bitter tegen. Hij zei ronduit dat 't afschuwelijk smaakte . en dat hij er niets meer van hebben wilde. "Och kom, - je weet niet wat je zegt I" gaf Jan de Boer, de oudste van het tweetal hem tot bescheid. "Als je er eerst den smaak maar van beet hebt, dan lust je elk oogenblik wel een wippertje. Daar heb je Klaas hier, - en hij wees op zijn jongeren gezel, hij was vroeger net zoo'n suffert als jij nou bent. Maar nou lust ie 'm ook wel, wat jij Klaas?" Klaas van Doorn knikte bevestigend en klapte met de tong. "Weet je, 't is het eenige wat een werkman hebben kan," zeide hij. "We zijn niet als de groote heeren, die wijn kunnen drinken. Daar verdienen wij niet , .naar, en we moeten dus maar nemen wat we krijgen kunnen." Na een paar keer de proefneming, hoewel half ge· . dwongen, herhaald te hebben, getuigde Jan, dat 't , hem nou toch wel wat beter smaakte als in 't eerst, maar hoe de anderen er zoo veel van drinken konden, dat begreep hij niet. Het spreekt haast van zelf, dat een jongen als Jan van deze ondervindingen niemand uit het ouderlijk huis deelgenoot maakte. Hij was er zeker van dat 't hem een moeilijk uur zou berokkenen, en er was niets, waaraan hij zoo hartgrondig het land had als aan een "preek" van vader of "gehuil" over dit of dat, van moeder. Zoo leerde Jan dus in stilte wat het was een ge· regeld gebruiker van den drank te worden. Wellicht ware hij op dien weg niet voortgegaan, - want doordat hij thuis om de veertien dagen een bezoek bracht zou er ten slotte wel iets van uitgelekt zijn, - indien niet een zeer treurige gebeurtenis het gezin van Br~nkman in diepen rouw hadde gedompeld. 10 Aan het kerkdak in het dorp moesten reparaW\n worden gedaan. Sinds lang lekte de goot erbarmelijk, waarvan de sporen op de oude kerkmuren duidelijk te ziell waren. Het onderzoek door den loodgieter maakte uit dat een geheel nieuwe goot de oude vet· sletene zou moeten vervangen, om het gebrek af· doende te verhelpen, en Brinkman was de aangewezen man om die zoo hoog noodige verbetering aan te brengen. Met behulp van twee losse knechts onder· nam hij het werk. Op een Zaterdag middag - hij zou er de laatste hand aan leggen, - beklom hij weder de aanmerkelijke hoogte van het Kerkdak. 't Had ge· regend en alles was glibberig. Plotseling werden de beide knechts door een doordringenden kreet opge· schrikt en bijna op hetzelfde oogellblik hoorden ze een doffen slag. Op de straatsteen en nabij de kerk lag vader Brinkman bewusteloos, schijnbaar dood. In allerijl werd de geneesheer ontboden, die bedenkelijk het hoofd schudde. Heel voorzichtig werd de bewuste· looze huiswaarts vervoerd, waar moeder Bl'inkman en Christine, die door den predikant voorzichtig waren ingelicht, handenwringend den droeven stoet zagen naderen. Helaas, er was geen hoop meer op behoud van het hun zoo dierbaar leven. Nog voor de nieuwe Sabbath aanbrak, was vader Brinkman ingegaan in de eeuwige Sabbathsrust. Slechts een enkel oogenblik, even vó6r zijnen dood, had hij het bewustzijn herkregen. In dat oogenblik stamelde hij: "Moeder.... zeg . aan Jan .... dat ik hem daarboven wacht .... God zij met je, moeder.... en jou, Christine..... Be· houden, behouden door het bloed .... van Christus I" ..... ....... .... En zoo was hij ingesluimerd. 11 H. HOE HET JAN VERDER GING. " ., Moeielijke dagen kwamen nu aan voor de weduwe Brinkman. Niet allereerst moeilijk uit stoffelijk oog. punt, maar 't eerst en 't meest om de diepe wonde, die het verlies van ' een lief hebbend echtgenoot en vader in de harten van moeder en kinderen geslagen had. Met onbeschrijfelijken schrik had Jan de droeve tijding vernomen, en hij was dadelijk naar huis ge, gaan, diep terneergeslagen door de onverwachte vreose. lijke gebeurtenis, die Christine en hem op eenmaal tot· halve weezen had gemaakt. Bij het lijk van zijnen vader schreide hij heete tranen, en onophoudelijk verweet hij zich zelf dat hij zijn goeden vader zoo dikwijls verdriet aangedaan had, en nu niet <3ens de gelegenheid had gehad hem v6ór zijnen dood nog eenmaal vergeving te vragen. Tevergeefs trachtte hij moeder en zuster te troosten, want hoewel de wetenschap, dat vader "wel thuis" was, hun smart dragelijker maakte, toch vitll het leed zwaar te torsen. . 't Was een droeve morgen, toen de baar voor do gesloten woning werd gebracht, en de dorpelingen in hun zwarte kleed ij binnenkwamen om hun vriend naar zijn laatste rustplaats te dragen. Het regende, de lucht was grauwen somber, somber als het was in de harten van hen, die achterbleven, alleen met hun smart. Doch neen, niet alleen I God de Heere, die een Vader der weezen is, was hun nabij en Zijn Woord was den rouwdragenden tot vertroosting. Jan volgde I achter de baar naar het eenvoudige 12 kleine dorpskerkhof, waar de dominee aan de groeve een kort, eenvoudig gebed deed, weduwe en kinderen aan de hoede des Almachtigen aanbevelend. Toen Jan met sidderende. hand een schepje aarde in de groeve wierp, en de kluitjes hol en zwaar op de houten kist hoorde neerploffen, dacht hij dit oogen· . blik nooit te kunnen vergeten, en weder beloofde hij, in stilte, anders te zullen worden dan vroeger, hij poogde zich op te dringen, dat hij nu niet meer het zondige leven van voorheen zou kunnen leiden, . en dat hij nu doen zou, wat zijn vader bij zijn leven gewild had, dat hij zou doen. En z'oo ging hij huis· waarts, waar hij, moeder en zuster troostend, zijn goede voornemens meedeelde. "Misschien," zeide hij, "wil God mij wel helpen om, nu nog niet, maar later, vaders plaats te vervullen?" De dominee had het gezin van den timmerman in de vriendschap der dorpelingen aanbevolen, meer uit een gevoel van plicht dan wel omdat het noodig was, want aan liefde en sympathie ontbrak het der weduwe niet. Er moest raad geschaft worden om haar voor gebrek te vrijwaren. Gelukkig was Brinkman een zorgzaam en zuinig man geweest. Niet alleen had hij gezorgd, dat na zijn overlijden een klein bedrag aan zijn weduwe werd uitgekeerd, maar hij had boven· dien nog een sommetje overgespaard, waarvan in de eerste behoeften kon worden voorzien. De hoofdonderwijzer van de Christelijke school, die als vriend in va.der Brinkman's gezin verkeerd had, nam op zich om uit te zien naar iets, dat aan de weduwe blij vende inkomsten kon verstrekken, en met hulp van den dominee en den notaris slaagde hij daarin vrij goed. Hij wist te bewerken, dat de weduwe Brinkman in het dorp een depöt van koffie, thee en andere dagelijksche behoeften verkreeg, waarvoor ze geen groot kapitaal noodig bad en, wat bet voor· naamste was, weinig kans op schade leed. Wel moest 13 zij daarvoor haar huisje, dat op eenigen afstand van het dorp stond, vaarwel zeggen, maar daarin moest ze berusten, da.nkbaar dat God haar in deze moeilijke dagen op deze wijze ter hulpe was. Zoo was dan, ruim een maand na vader Brinkman's dood, zijn weduwe winkelierster in het dorp. En Jan? Jan was naar de stad gegaan en had het gereedschap weer ter hand genomen. Vaders dood had op hem grooten indruk gemaakt, doch hij was van te luchthartigon aard, om dien indruk blijvend te doen zijn. Niettemin vonden de maats op het werk hem in de eerste veertien dagen niet meer den zelfde van vroeger. Meestal zat hij, indien er niets te doen was, stil in een hoekje, terwijl hij voorheen altijd wat te praten en te vertellen had, of ook wel luisterde naar de dikwijls nog al opgeschroefde verhalen van de pret, die de anderen genoten hadden. "Zeg ereis, jongen," zei Klaas van Doorn een paar weken na de boven beschreven gebeurtenis, "denk je misschien, dat het je wat helpen zal, of je met zoo'n begrafenisgezicht blijft rondloop en ? Je vader is er niet meer, en dood is dood, - daar is niks aan te doen. 'k Zou me er maar een beetje overheen zetten." . 't Was beter gemeend, dan gevoelig gezegd, zonder twijfel, - maar Jan gaf niet veel antwoord. "'t Is jou vader niet I" merkte hij enkel op, alsof hij zeggen wilde: "Jij kunt er natuurlijk niets van weten, wat ik voel I" "Nee, dat weet ik wel, 't is mijn vader niet I Maar ik heb ook een vader gehad, of dacht je van niet, zeg? En een moeder ook, en nou zijn ze allebei dood, maar daar raak je ten slotte wel overheen. Da's 't wereldsch beloop z66, ten slotte gaje zelf ook 't hoekje om. Weet je wat ik deed toen mijn moeder, - die een goeie ziel voor me was, dat moet ik zeggen - d'r tusschen uit ging? Wel, op de begrafenis was er een bittertje natuurlijk, en als de anderen er één namen, 14 nam ik er 'twee, en op den duur heb ik zoo mijn verdriet weggespoeld." "Ik weet zeker, dat vader niet willen zou, dat ik jenever gebruikte," zei. Jan, die zich over van Doorn'g ruwe woorden geërgerd gevoelde, en zich herinnerde welke beloften hij zichzelf en zijne moeder gedaan had. "Och wat I Dood is dood, zeg'k nog eens, - ' en nou moet je maar om je zelf denken. Een mensch kan niet eeuwig treuren." De komst van den baas maakte een einde aan het geprek, dat Jan niet beviel, maar waarvan niettemin de laatste woorden hem in de gedachten bleven. Neen, een mensch kon niet eeuwig treuren, en - vooral een jongen niet, - dat vond Jan zelf ook. En bijna drie weken is al een heele tijd. Zeker, hij zou vader niet vergeten, en 't speet hem nog altijd, dat hij hem niet meer had mogen spreken voor hij voor altijd heenging, maar wat was er aan 't ge. beurde nu te veranderen? Hij zou dus beproeven weer wat opgeruimder te kijken, beproeven weer de oude te worden. En helaas, hij werd weer de oude. Zes weken na Brinkman's begrafenis ging Jan voor 't eerst mee, met de maats, naar een "café billard". Hij had nog nooit biljarten gezien, dan zoo in 't voorbijgaan als de deur van "de societeit" op 't dorp toevallig eens open stond, en 't vooruitzicht van nu eens rustig een heelen avond naar dat afleidende spel met de ballen te kunnen zien, lachte hem zeer toe. 't Spreekt wel van zelf, dat hij ook iets gebruikte. Jenever wilde hij, gedachtig aan vroegere voornemens, niet hebben, maar een "onschuldig glaasje bier", zeiden de maats, "dat zou hem geen kwaad doen. Je kon trouwens niet in zoo'n koffiehuis komen of je moest er wat gebruiken," beweerden ze. Of hij dan niet wat anders kon krijgen, koffie misschi.en? Dat vonden de maats 15 al heel onnoozell Iedereen weet tegenwoordig toch wel, dat je in een koffiehuis maar zelden koffie kunt krijgen. Boo~e tongen beweren, dat de koffiehuishouders daaraan te weinig verdienen, omdat de g'e bruikers er hun verstand niet bij verliezen, maar aan die praatjes moet men niet al te veel geloof slaan, - er zijn nu eenmaal menschen, die 'n ander niets gunnen, niet waar? Bovendien brachten de maats Jan in een heel fatsoenlijk koffiehuis, waar men niet anders komen kon dan fatsoenlijk gekleed, dat wil zeggen: niet in een arbeiderspak, want dat zou de klandisie, die het koffiehuis van de "heeren" had, omdat 't er niet duur was, hebben doen verloopen. 't Was dus zoo'n inrichting met iets tweeslachtigs, voor heeren en arbeiders tegelijk, mits de laatsten ook maar 'n hoeu '. opzetten en liefst ook een boordje omdeden. Jan had er dus zijn Zondagsche plunje bij moeten aantrekken, en al die omslag, geplard aan de aantrekkelij ' beid van 't nieuwe, maakte dezen uitgaans-avond voor hem tot een bijzonder genot. Terwijl hij met langzame teugen het bier opdronk, dat hem niet lekker smaakte, volgde hij met belangstellend oog alle bewegingen der biljartspelers, die met goeçl gemikte stooten de ballen over het groene laken dedrn rikketikken. Hoewel hij er niets van begreep, had hij in 't begin geen oogen voor iets anders in zijn omgeving dan voor den loop van het spel, en zijn bewondering voor de kundige spelers, die hun overigens zwijgend spel door hun uitroepen : Caramböle I vier en twintig I acht en twintig londer· braken, steeg met iederen balstoot. -. Dat was nu eens een prettig spel, heel wat anders dan wat hij vroeger op 't dorp had gedaan met zijn knikkers. En dan de omgeving zoo gezellig - helder brandende lichten in een ruim lokaal, met schilderijen en platen aan de wanden, en dan het mooie, van 16 ) allerlei glaswerll schitterende buffet. Hij las de namen op de flesschen : Liqueur .... 't woord was niet om uit te spreken .... Anizette, Port, Vermouth .... Zou je dat nou allemaal kunnen drinken? Als hij ópslag kreeg zou hij eens wat uitleggen om van dat alles eens te proeven. Ja, maar wanneer zou hij opslag krijgen? Pas, na vaders dood, had de baas hem bóven inwoning een gulden in de week gegeven - dat 't meer uit goedhartigheid was, dan wel omdat hij het verdiende, wist Jan niet, maar dat hij nu alweer opslag zou krijgen, ook al vroeg hij het, dàt geloofde hij allerminst. En nu hij voor zich zelf zorgen moest, voor z'n overklêeren tenminste, zou er van één gulden in de week niet veel overblijven voor al dat vreemde met die mooie namen. Klaas van Doorn wou hem vroeger nog wel eens een glaasje bier presenteeren, maar toen Jan een gulden van den baas kreeg had Klaas gezegd: "Nou kun je mij wel eens vrijhouden \" Dat kostte ook wat natuurlijk, en 't spreekt van zelf dat Jan niet weigeren kon. Als Klaas hem nu 't biljarten ook maar eens wou leeren \ "Hoe gaat dat spel eigenlijk, dat van gisterenavond?" vroeg hij den volgenden dag onder 't werk. ,,0, heel gemakkelijk I Maar dat kan ik je bier niet zeggen natuurlijk \ Biljarten moet je leeren aan 't . biljart \" Dat viel Jan tegen, en nog méér toen hij . boorde, dat er voor elk "potje" betaald moest worden · aan den kastelein. Dan zou er van 't proeven van Port en zoo wel niet veel komen, want dit stond bij Jan vast: biljarten wilde hij leeren. En Jan leerde, ten koste van zijn heele zakgeld bijna, biljarten \ De weduwe Brinkman wist van dit alles niets. Jans baas bad de belofte, aan Brinkman Sr. gedaan, om eens een oogje op den jongen te houden, vergeten toen de oude man overleden was, en de meesterknecht 17 " .' " .. was een te eenzelvig man om zich met anderen te bemoeien. nleder moet maar weten hoe hij zijn zaken redt I" was zijn lijfspreuk. Als Jan eens een enkelen keer naar huis ging, ver· telde hij dat hij aardig vooruit kwam. Inderdaad was dit waar. Hij leerde 't timmeren goed, en had wellicht een uitstekend werkman kunnen worden, indien hij niet tegelijkertijd zijn zinnen op het spel had gezet. Hij ondervond, dat het hem heel W[l..t Kostto. Want hij verloor, vooral in den beginne, heel wat, en als hij won moest er getracteerd worden. nDat hoorde zoo I" zei Klaas. Jan tracteerde dus en dronk mee. Hoe Port en Vermouth smaakten wist hij nog niet, maar over den tegenzin tegen jenever en brandewijn was hij, de zeventien-jarige jongen, al lang heen. In het koffiehuis kreeg hij bovendien meer vrienden, jongelui van dat halfslachtige soort, in de week loopjongens of loopknechts, 's Zondags halve heeren. Met hen ging hij nuit". Hij werd zoo ook Zondagsruiter, d. w. z, op de fiets, - hij raakte in een tooneelclubje verzeild, besteedde daaraan zijn laatste centen, en toen hij niet meer had, leende hij. Moeielijke dagen, waarin hij nog wel eens dacht aan de onbezorgde tijden toen vader nog leefde, bracht hij door. Zijn kleeren moesten vernieuwd worden en hU had geen geld, hij moest zijn vrienden en den kastelein betalen en hij had geen geld, hij vroeg een voorschot aan zijn baas, maar deze weigerde en dreigde, als hij nog eens vroeg, aan Jans moeder te zullen schrijven - hij klaagde zijn nood aan de kameraads en die lachten hem uit, ' zeiden dat hij 't nooit zoover had moeten laten en toen was Jan ten einde raad. komen, II '. 18 lIl. JANS ONDERGANG. ) "'k ZOU wel graag willen weten waar ik mijn kleine schaaf gisteren gelaten heb!" zei Jansen de oudste knecht op een ochtend, eenige dagen na het hier· boven beschrevene. ,,'k Weet zeker, dat ik het ding hier neergelegd heb, op déze plank I" Wanneer Jansen zei, dat hij iets zéker wist, dan was dat meestal wel zoo, want Jansen was een secure baas, die niet over één nacht ijs ging. ,,'t Zal in de krullen gevallen zijn I" zei Jan de Boer. "Heb jij niks gezien bij 't opruimen, jongen?" "Ik, nee.. .. ik heb gisteren niet geveegd IJ Dat doet Arie nou I" antwoordde Jan, terwijl hij schuw van zijn werk opkeek. "Dat had ik toch niet gezegd, dat Arie 't alle dagen moest doen!" zeide Jan sen bedaard. "Nee, - maar Arie is nou toch de jongste; toen ik pas kwam moest ik 't alleen doen I" "Ja, dat heb je er van, als werkjongens heeren willen zijn," merkte Jansen op. "Dan beginnen ze zich te schamen voor 't krullenwerk I - Dus, jij hebt m'n schaaf niet gezien?" "Nee," zei Jan kortaf. "Vraag 't maar 's aan Ariel" Maar Arie, de nieuwe krullenjongen, was niet op den winkel, en kon dus geen opheldering geven. Dat zou hij trouwens toch niet gekund hebben, want de eenige die opheldering geven kon was vast besloten over de vermiste schaaf eigener beweging nooit een woord te spreken. Toen Arie dan ook thuis kwam moest hij bekennen 19 ~ het stuk gereedschap niet in de krullen gevonden te hebben. "Heb je gisteren avond nog krullen bezorgd?" vroeg Jansen. "Ja, - twee zakken" Eén bij Verheul, in de water· en vuurwinkel, en een bij mevrouw De Vries." "Ga dan dadelijk vragen of ze misschien een schaaf in de krullen gevonden hebben." Arie kwam onverrichterzake terug. Bij mevrouw De Vries had hij zelf den heelen zak leeggeschud - tot groote ergernis van de werkmeid, die nu opnieuw in de keuken beginnen kon, en in den water· en vuurwinkel was de helft 's morgens gebruikt, om het vuur onder den grooten waterketel aan te maken, en in wat er nog overig was, werd evenmin een schaaf gevonden als in de krullen van mevrouw De Vries. "Dan zal die al wel verbrand zijn I" zei Jan de Boer. "Dat is een dure dag voor je, Jansen I" Jansen was uit z'n humeur en gaf geen antwoord. Het is dan ook geen kleinigheid voor iemand, die er van zijn verdiensten maar even komen kan, om op eens een paar gulden voor een nieuwe schaaf te ,moeten uitgeven. Was hij nooit bijzonder spraakzaam, dien dag hoorde men zijn geluid niet, dan alleen brommende over "stommiteiten van die jongens." Klaas van Doorn wist, toen hij op den winkel kwam, al evenmin iets van de vermiste schaaf als de anderen, maar was toch van meening, dat zoo'n ding maar niet verbrand wordt, zonder dat je er iets van merkt, - en in elk geval moest er toch nog een stuk ijzer gevonden worden. "Nou zeg 'k net als jij, weg is wég," merkte .Jan de Boer op. "Vraag aan Jansen of hij dat mooie stuk ijzer hebben wil dat jij denkt dat van zijn schaaf - overgebleven is 1"- En hij lachte hartelijk, evenals Klaas, tot groote ergernis van Jansen natuurlijk. 20 ) Er werd dien dag over de scbaafniet meer gesproken. Jansen vond bet niet noodig baas Scbreiners iets van het voorgevallene te zeggen, - den volgenden dag kocbt bij een nieuw stuk gereedschap en hij vergat ten slotte de beele geschiedenis. Jan Brinkman echter vergat baar niet. Hij was de eenige die er 't recbte van wist, want bij had het werktuig met eigen handen, hoewel met angstig klop· pend hart, weggenomen I Hij kon niet anders! meende hij. Later zou hij 't ding wel teruggeven, of het ergens weer neerleggen, want verkocht had hij 't niet, eenvoudig beleend. Zijn vrienden, die hem geld hadden voorgeschoten, hadden hem al dikwijls aangeraden zijn borloge in de lommerd te brengen als hij geld hebben moest, maar Jan hield zorgvuldig verborgen, dat bij inplaats van een horloge een sleuteltje aan den ketting droeg, die op zijn vest bengelde. Het middel was zeker uitstekend, indien men maar voorwerpen bezat die der beleening waard waren. . Wilde hij dus geld hebben, - en dat bad hij bepaald noodig om te voldoen wat hij zijn vrinden en den kastelein schuldig was, dan moest hij er wat op vinden. En in 't schaft-halfuurtje was zijn oog gevallen op de kleine schaaf van Jansen I Niemand was in de werkplaats, niemand zag hem I Geen mensch althans, en aan God dacht Jan nietl Wel klopte zijn hart onstuimig, toen hij 't stuk gereedschap onder zijn werkkiel naar boven, naar zijn slaaphokje bracht, doch bij trachtte zich gerust te stellen met zich op te dringen, dat hij heelemaal niet van plan was te stelen j het was hem eenvoudig om beleening te doen. Later zou hij wel zuinig zijn, - 't geld wel weer terugbetalen en 't ding ergens neerleggen. Het stelde hem bitter te leur,' dat hij voor de zoo kostelijke schaaf nog geen gulden ontving. Men moet niet vergeten dat Jan nog nooit met een lommerd, ./ 21 of een "Bank van Leening", of 'n "huis van verkoop met recht van wederinkoop" zaken had gedaan en hij kende dus de daar heerschende gebruiken niet. Niet. temin, - hij moest genoegen nemen met wat Clen hem bood. Werktuigelijk nam hij 't geld en 't beo leenbriefje aan en bracht het eerste bij den kastelein, die gedreigd had baas Schreiners met de schulden van zijn jongsten knecht in kennis te stellen. Kasteleins behooren tot dat eigenaardig slag van menschen, wier gemoeds'gesteldheid steeds wisselende is. Op het ge· zicht van klanten en geld verkeeren ze steeds in de beste stemming, maar 0 wee, wanneer het blijkt dat klanten geen geld hebben I Zoo kwam het ook dat Jan nu vrij goed ontvangen werd, en, hoewel hij zijn schuld niet hf:lelemaal afdeed, de "baas" hem uitnoodigde er nu eentje op nieuwe rekening te nemen. Jan echter bedankte en begaf zich naar huis om te gaan slapen. Maar in den nacht stond hij op, zocht het beleenbriefje uit zijn vestzak en borg het in 't uiterste hoekje van zijn koffer. Toen trachtte hij weer te gaan slapen, maar 't beeld van zijn vader stond hem gedurig voor de oogen. Wat zou hij wel gezegd hebben van 't geen Jan nu ge· daan had? En zijn moeder dan? Zou hij haar schrijven? Neeu, dat kon niet I Zij mocht het niet weten! En 't behoefde ook niet want hij zou zich wel weer redden. Als hij Za.terdag zijn gulden ontving zou hij 't ding dadelijk inlossen! Maar dat duurde nog vijf dagen! Hoe Jan die vijf dagen doormaakte behoeven we nauwelijks te zeggen. Hij beschuldigde zich voortdurend een dief te zijn, doch trachtte zich vervolgens weer diets te maken, dat leenen geen diefstal is! En hij had immers maar geleend I Hij haastte zich Zaterdags naar den lommerd met den pas ontvangen gulden. . Maar hij was niet weinig verwonderd te hooren ) 22 dat hij nu {l.1O in plaats van een gulden moest beo talen, en zijn tegenpruttelen hielp niets - hij kon geld en briefje houden maar de schaaf kreeg hij niet · terug. . . Boos en uit zijn doen zocht hij troost in de herberg, waar hij zijn vrienden vond, en verstrooiïng in het glas. Van den gulden werd nu natuurlijk een geheel ander gebruik gemaakt, dan oorspronkelijk de bedoeling was geweest, en toen Jan laat naar huis ging, - 't was bijna middernacht, - voelde zijn hoofd zwaar en zijn portemonn&.ie licht, hij wankelde en zeilde over de straat, en met veel moeite vond hij 't poortje van de werkplaats, vanwaar hij ongemerkt naar zijn slaap· hokje komen kon. Zijn vrienden gingen naar huis in de overtuiging dat Jan een "goed kalf van een jongen" was, die wel wat los liet, alleen nog erg "groen". Jan had ten slotte, van boosheid in dolle goedge· humeurdheid overslaande, verbazend gul getracteerd, en veel meer uitgegeven dan hij betalen kon. Dat stond hem heel duidelijk voor d9n geest toen hij Zondags wakker werd, en 't stemde hem allesbehalve prettig. De kans om de schaaf in te lossen was nu in de eerste weken geheel verkeken, tenzij hij ergens anders geld kon krijgen. Hij lleproefde het bij al zijn vrienden, ten slotte zelfs bij den kastelein, maar overal te ver· geefs. Deze dreigde zelfs opnieuw met naar Schreiners te zullen gaan als hij niet spoedig zijn schulden afdeed. Jan had lust om hem een slag in 't brutaalronde roode gezicht te geven, maar hij bedacht zich gelukkig en liep de kroeg uit, zonder te weten waarheen. Wat zou hij beginnen? Naar huis - naar zijn moeder, durfde hij niet gaan. Nooit zou hij haar hebben willen bekennen, hoe ellendig het thans met hem stond. Hij moest het nog maar eens bij den baas probeeren, dacht hij, - en hopende op eep gunstigen uitslag 23 f ,' i,.' \' ' ! I, l /" ' I' J I I, 1, I liep hij naar de woning van baas Schreiners. Doch toen hij thuis kwam, vond hij Schreiners en zijn vrouw uit; er was niemand thuis dan de half· . doove meid, die in de keuken zat te dutten, en hem niet eens hoorde binnenkomen. Alles scheen hem tegen te loopen. "Was ik maar ,dood I" zei hij hard op, toen hij mistroostig in de ledige huiskamer zat rond te kijken. Plotseling viel zijn oog op iets dat op den schoor· steenmantel lag. Onwillekeurig stond hij op, en nam een oud zwaar zilveren horloge met ketting in de handen. Het was een mooi stuk, maar dat niettemin Zondags op non·activiteit werd gesteld, omdat de baas dan zijn gouden uurwerk droeg. ' Het zilveren klokje brandde Jan als 't ware in de handen. Dàt moest wel wat waard zijn, zoo'n zwaar ' stuk! dacht hij. Wat zou men daarvoor kunnen krijgen? Toch minstens wel vijf gulden! Dan kon hij al zijn schulden afdoen. Hij? Maar 't was niet van hem, wèl? Neen, maar hij had het nu toch in zijn handen I Wie zou ooit weten dat hij 't had gehad? Als hij zoo'n ding nu eens beleenen kon, - dan was hij klaar! En waarom kon dat niet ? Ja, - de baas zou 't natuurlijk missen, maar niemand wist dat hij thuis gekomen was, - hij had wel goed gezien dat Si en in de keuken sliep. Dus .... ? Hij bekeek het ding nog eens en nog eens .•.• "Kom," zeide hij halfluid, als om zijn 'geweten gerust te stellen, "ik kan 't later wel teruggeven immers .... " En met sidderende hand stak hij het sieraad in zij n zak. Hij beefde toen hij de kamer sloot, en een oogen· blik dacht hij er aan om 't horloge weer neer te leggen waar het gelegen had, maar dan zou hij niets verder zijn, en nu wel .... 1 Ja .... wél verder! Maar steeds verder van den goeden weg af. ,,0, de jongen I" mompelde oude SientJe, toen ze den grendel van 't poortje hoorde afschuiven. "Dat 24 gebeurt niet veel dat hij Zondags thuis is I Kijk, daar gaat ie al weer I" .. ... .. .... ......... .. . . \ / Jan vloog als een haas over de straat, en bang om bespied of nagezien te worden, sloeg hij bij voorkeur de kleine steegjes in van de onaanzienlijke buurt waarin de Bank van Leening gevestigd was. De "zaak" was natuurlijk gesloten, maar de eigenaar er van zat in zijn hemdsmouwen op de stoep een pijp te rooken. "Meneer!" zei Jan schuchter toen hij vlak voor den man stond, die hem reeds had zien aankomen, doch gedaan had alsof hij hem niet zag. "Wat is er?" vroeg hij toen, zonder op te staan. " Wou je lossen?" "Lossen? Wat bedoelt u?" vroeg Jan. "Nou? Of je vandaag komt om wat terug te halen? Heb jij geen schaaf bij me staan?" "Ja," zei Jan die alles behalve op zijn gemak was . hier buiten op de stoep, in gezelschap van zoo'n lom· merdbaas. "Maar ik kwam wat brengen I" ,,'t Is Zondag vandaag. :Maar allo, laat 's kijken I Als er wat te verdienen valt zijn alle dagen gelijk I" "Vader zou dat nooit gezegd hebbeni" dacht Jan in stilte, maar dat was slechts een oogenblik, - toen dacht hij weer aan de reden van zijn komst. Hij nam het horloge uit den zak en reikte het den man in de hemdsmouwen over. "Kijk dit I" "Oud prul - niet veel waard I" zei de man. "Van je vader zeker nog?" "Ja," loog Jan. "Wat geef je er voor?" "Niks. 'k Beleen het ding niet. Wat geef ik om zoo'n oud stuk zilver? Je zou 't nooit lossen, -' ik ken dat, en dan ben ik er zuur aan I Nee - dankje I" Jan stond als versuft te kijken. Hoe? Dit schijn· baar kostbare stuk was den lommerdbaas niets waard? "Maar 't is oud zilver I" stamelde hij. 25 I ! . .: . .. "Jawel, oud zilver. 't Is wat waard voor 'n bank 'k Wil 't koopen van je, maar geld schieten doe ik er niet op." Jan aarzelde. 't Verkoopen zou, zoo redeneerde h~, diefstal zijn. En hij wou toch geen dief worden toen hij 't wegnam. Zou hij 't maar niet stilletjes weer op den schoorsteenmantel gaan leggen? Maar als de baas nu al eens thuis was, wat dan? Dan zou hij zeker 't horloge al gemist hebben, en dan zou Jan 't in zijn zak dragen. En dan was hij nog verder van huis Geen geld dan 66k I En hij had zoo veel noodig .. .. "Verkoopen? Waarom ?" vroeg hij. "Mijn zaak I" antwoordde de vriendelijke sjacheraar. "Nou, verkoopen of niet? .ok Heb niet veel zin om . me voor niks druk te maken I" "En wat wou u er dan voor geven?" . "Rijksdaalder, en geen cent meer I" ,,0 nee," zei Jan, "dat doe 'k niet I 't Is veel duurder" "Geweest ja t Als je niet wilt, - nou, dan g'ndag Drie gulden, is dat goed?" ,,'k Mag - 'k durf 't eigenlijk niet verkoopen," mompelde Jan. De lommerdbaas stond op en zag Jan scherp in (ÎI' oogen. "Màg jij 't niet verkoopen, ventje? En wèl beleenen Als je 't beleen en mag, dan is 't toch van jou, niet? Waarom dan niet verkoopen? Heb je 't soms gestolen?" Jan sidderde. De man met zijn scherpe hoekige ge· laatstrekken herinnerde hem aan een plaatje, waarop . hij den duivel eens had afgebeeld gezien. De scherpe oogen, die nu van een boosaardig genoegen glinsterden, schenen hem te willen doorboren. Jan werd beurtelings bleek en rood. "Gestolen?" stamelde hij, - "hoe kom je er aan?" "Hoe kom jij er aan?" ging de man voort, en hem - voorgaande: "Kom eens binnen I" Jan volgde hem in het donkere portaal. 26 ) "Zeg eeJs," zei de sjacheraar, "'k zie het all Je hoeft er geen doekjes om te winden. Dat horloge is evenmin van jouw vader geweest als van den mijne. Nou zal 'k je de keus laten: Je kunt 't me verkoopen, en dan zal 'k je op slag vijf gulden geven, Of je kunt 't houën, maar dan geef ik je aan I en als je 't verkoopt, dan mond dicht, hoor I" "Hier, neem 't maar 1" fluistert de jongen. "Geef maar op, en - asjeblieft - zeg er nooit wat van I" "Kan je begrijpen - dan was 'k er zelf ook bij 1 Hier heb jij je centen, en geluk er mee. Geen woord er meer van gekikt, hoor I" Jan beloofde het en stormde met zijn vijf gulden zijn vijf gulden? _ . de deur uit. Jan had zich voorgesteld met de opbrengst heel wat gelukkiger te zullen zijn dan hij nu ~n werkelijkheid was. Hij durfde niet naar huis gaan, uit vrees dat de.... d.... ver· dwijning van het horloge zou bemerkt zijn. Wat had hem toch gedreven tot die onzalige daad! Zijn schulden en.. •. de schaaf. En nu had hij zelfs vergeten de schaaf in te lossen. Dat moest maar eerst uit de wereld zijn, dacht hij, dan zou hij wel weer verder zien. En plotseling besloten aanvaardde hij den terugtocht naar den lommerdbaas. "Heb je je bedacht?" vroeg deze. "N een, maar 'k vergat de schaaf, die moet ik terug bebben. Wat krijg je?" "Nou, twee gulden omdat jij 't bent," zeide de woe· keraar, - want hij. en de meesten zijner standgenooten verdienen dien naam ten volle - ntwee gulden, en een dubbeltje, omdat je me in mijn Zondagsrust stoort." "Twee guldenI" riep Jan uit. "Maar da's veel te veel I" "Zoo? Nou dan hou jij j3 geld en ik de schaaf, hé? En dan moest ik de politie dat borloge maar eens laten keuren, vindt je niet?" Op 't hooreIf' van 't woord politie voer Jan een ril- ,. .. r- .1. 27 ling door de leden. Dat de gevolgen van zijn daad misschien van zoo ver strekkenden aard hadden kunnen zijn, vermoedde hij tevoren geenszins. "Kan ik 't horloge nog terug krijgen? - Hier heb je 't geld dan I" en hij haalde de twee rijksdaaldera uit zijn beursje. "Een guldentje winst asjeblieft, jongeheer I Dat mag ik toch wel hebben voor mijn moeite." Jan zweeg, hoewel hij had kunnen huilen van woede en hij den kerel in stilte schold voor afzetter en wat dies meer zij. Maar dit veranderde niets aan het feit, dat hij onmogelijk zes gulden kon maken van de vijf die hij ontvangen had. , "Is 't goed als 'k je den gulden morgen breng?" vroeg hij met een flauwe voorstelling van de moge· lijkheid dat hij ergens een gulden zou kunnen leenen. "Dank je wel. 't Is hier alles Jantje contantje, jongeheer I Moet ik de schaaf opzoeken of niet? Hoe langer je 't ding laat staan, zooveel te hooger wordt de rente." "Hier I" riep Jan, een rij ksdaalder neerleggend. "Houd er maar twee gulden af! Maar je zet me af, en dat vind ik gemeen!" "Zooals u wilt 1 U moet me anders niet boos maken, want daar houd ik niet van. Ik heb geen twee ' kwartjes voor je, en jij hebt waarschijnlijk geen dubbeltje voor 'n dubbele. 1) Hier heb je een kwartje - de rest krijg je later wel eens." Bijna schreeuwend van boosheid pakte Jan het geld en de schaaf op, en het ding in zijn zakdoek knoopende, zeide hij: ,,'k Zal nooit weer bij jou komen, gauwdief. . Ik loop er niet meer in, hoor I" "Dief en diefjesmaat dan, hé?" grinnikte de kerel. "Nou, bij gelegenheid asjeblieft I" Er was Maandagmorgen, volgende op dezen Zondag, I) "Een dubbele" IH': twee borrela. ;. 28 in baas Schreiners' woning en werkplaats verwondering over drie dingen. Ten eerste over het terugvinden van de schaaf van Jal1sen, ~p dezelfde plek waar die altijd moest gelegen hebben, - ten tweede over de niet·verschijning van Jan in huis en op den winkel, en ten derde over de verdwijning van 't zilveren horloge van den baas. Geen wonder dat deze drie geheimzinnige dingen in onderling verband werden beschouwd. Jan de Boer verzekerde aan Klaas van Doorn, dat hij er alles van begreep, en Klaas van Doorn vond dat 't zoo duidelijk als de dag was, terwijl Jansen Diets zeide, maar in stilte overlegde, wat hij nou met de oude schaaf doen moest; hij had er, zooals we weten, een nieuwe bijgekocht. Baas Schreiners was in deze dingen geen man van weifelen. Nog voor 9 uur 's morgens bevond hij zich aangekleed en wel aan 't bureau van politie om aangifte te doen van de verdwijning van zijn zilveren kleinood. "Hebt u ook verdenking op iemand?" vroeg de commissaris, nadat Schreiners hem nauwkeurig beschreven had hoe 't horloge er uitzag. Een weegschaaltje stond in de binnenkast gegraveerd met de letters - J. S, - de voorletters van Schreiners' vader. "Wel degelijk I" antwoordde Schreiners. "Want niet alleen dat mijn horloge weg is, maar mijn jongste knecht is er ook tusschen uit, hij is tenminste van · a : gisterenmiddag niet thuis geweest. Hij woont bij me in huis, ziet ui" "Wacht eens I" zeide de commissaris en hij schelde. "Heb je dien jongen nog in bewaring die van nacht wegens dronkenschap opgepakt is?" "Jawel meneer - in cel no. 41" antwoordde de man. "Weet je hoe hij heet?" ,,'k Heb geen woord uit 'm kunnen krijgen, meneer. J 29 Hij was stoI!ldronken toen we hem hier brachten ," "Hij is gefouilleerd, hè? En wat is er op hem ge· vonden?" "Wat klein geld, een paar sleutels, en een paar touwtjes." "Geen horloge?" "Neen meneer. Aan z'n ketting zat een sleuteltje." "Zou bij al uitgeslapen zijn?" "Best mogelijk, meneer. De commandant dacht hem om 10 uur te ontslaan." "Nu, - breng hem maar eens hier." Een oogenblik later stond Jan Brinkman voor het hekje, en een paar passen van hem af zat zijn patroon, die hem met doordringende oogen aanzag. Toen beo greep hij, dat het mis was I En al had hij dit niet begrepen, de eerste woorden van den commissaris maakten hem dit overduidelijk. "Is dat de jongen, m'neer Schreiners ?" "Jawel, meneer '" gaf de baas ten antwoord. "Gis· teren is ie nog thuis geweest, zegt Sien, - gisteren· middag, maar daarna .... "Goed, goed!.... En, jij, Brinkman, hebt van je baas een horloge gestolen?" Daar wàs het I Nu moest hij spreken I Zou hij beo kennen? Zou hij alles vertellen en vergiffenis vragen? Hij keek schuw naar Schreiners, maar diens gelaat zeide niets, zijn oogen bleven den jongen al maar aanstaren. Neet\ - dacht Jan, - ze raden er maar naar, niemand heeft het gezien I Als ik 't zeg stuurt hij me weg, - en dan ben ik er toch bij I" "Neen meneerI" gaf hij toen ten antwoord. "Niet? Zool - Nu, we zullen dat ~ens onderzoe· ken I" De commissaris sch~lde, - eEln agent verscheen. "Laat rechercheur Wijnveld hier komen I" Een man, half heer, half werkman, in wien men volstrekt geen politieman vermoeden zou, kwam binnen. I ,. , [. o . '. 30 "Wijnveld," zeide de commissaris, "deze meneer vermist een oud· zilveren horloge, waarschijnlijk gestolen. Weet je ook of er zoo iets opgespoord is? ..•" ,;Een oud· zilveren horloge - _. - in de binnen· kast een weegschaaltje met twee letters, J. S?" "Juist zoo, meneer lil riep Schreiners uit. "Dan zullen wij 't wel verder uitzoeken, en u krijgt van ons bericht, mijnheer Schreiners," zeide de com· missaris. "Wijnveld, laat meneer maar even uit I" "Maar :leg u me nu toch eens," sprak Schreiners verwonderd, terwijl Wijnveld hem den weg wees, "zeg u me nu toch eens, hoe kon u weten, dat er een weegschaalt~e in de binnenkast staat en de letters?" "Politiegeheimen, meneer I" fluisterde Wijnveld ge· heimzinnig, en toen Schreiners op straat stond was hij nog niet van zijn verbazing bekomen. Hij vertelde de geschiedenis later altijd indien er ooit iemand twijfel opperde aan den machtigen invloed der politie. De zaak was echter vrij eenvoudig. Wijnveld was een zeer handig speurder met wat men noemt "een fijnen neus." Hij had in 't bijzonder toezicht op de pandjeshuizen, omdat de politie weet dat daar niet altijd zaken worden gedaan, die het daglicht mogen . zien. Op den bewusten Zondagmiddag nu was hij, als een eerzaam kruidenier op z'n Zondagsch, met een helder wit jasje aan, de stadswijk eens doorgewandeld waarin behalve vele kroegen, andere huizen waren gevestigd, waarop politietoezicht geen overbodige weelde mocht heeten. Het bezoek van den knap gekleeden jongen aan den lommerdhouder had zijn aandacht ge· . trokken, en zoo had hj~ ook gezien, dat Jan iets, wàt wist hij niet, ter boleening of te koop aanbood. En toen hij Jan voor de tweede maal had zien weggaan, was hij bij den pandjesbaas binnengeloopen, aan wien hij niet onbekend was, en hem toen gevraagd wat hij voor dien ring betaald had, dien hij straks van dien jongen had gekocht. " " , :' ' 31 De pandjesbaas, hoe geslepen ook, liep er in. ,,'t Is geen ring," liet hij zich ontvallen, en moest toen na· , tuurlijk verklaren wat het dan wel was. Hij had het horloge gezien, het nauwkeurig bekeken en toen den pandjesbaas bevolen het niet te verkoopen, vóór hij, Wijn veld, hem bericht had gezonden. Het spreekt wel van zelf dat het erfstuk een uur na Schreiner::;' vertrek van het politiebureau, in beslag genomen en op het bureau aanwezig was. Jan had . het bureau niet mogen verlaten, en onder verdenking van diefstal was tegen hem proces-verbaal opgemaakt. Nog meenende zich wel te zullen kunnen redden, ontkende hij iets van het gestolene te weten, en dien, tengevolge werd hij voorloopig in hechtenis gehouden. 't Was een diep-treurige mededeeling, die de weduwe Brinkman dien dag ontving, en die haar noodzaakte den winkel aan Christine over te laten en naar de stad te gaan. Toen zij op het politiebureau aankwam, vernam zij eerst daar de geheele toedracht van de zaak, Jan barstte in hevig snikken uit, toen hij zijne moeder zag zitten, op een stoel schreiende inéén gezonken. Hij had nu niet meer den moed zijn misdrijf te ontkennen, - van zijn bekentenis werd natuurlijk nota genomen en hij werd voorloopig op vrije voeten gesteld. Schreiners wilde "den dier' niet meer in zijn huis hebben. Jans kleeren en wat meer van hem was, werd hem gebracht, en met zijn moeder ging hij naaf 't dorpje terug. Een dorp is te klein dan dat een zoo belangwekkend voorval verborgen kan blijven. Hoe men er aan kwam wist noch de weduwe, noch Jan zelf, doch het is een feit, dat hij een paar dagen later door iedereen aan· gewezen werd als "de jongen die gestolen had." Van de rechtszitting zullen wij geen uitvoerige bijzonderheden mededeelen. De getuigen, Schreiners, de lommerdbaas en doove Sientje, konden de be- 32 ). kentenis van Jan slechts bevestigen, en Jan werd, verzachtende omstandigheden nog in aanmerking ge· nomen, veroordeeld tot één maand gevangenisstraf. 'l'oen Jan in den somberen gevangeniswagen stapte om zijn straf te ondergaan, zakte de arme moeder op de hardsteenen trappen van het Gerechtsgebouw bewusteloos ineen. En Jan? In de cel gevoelde hij wel wroeging over het leed, zijne moeder aangedaan, doch meer nog haat tegen Schreinors, die, als hij gewild had, de zaak had kunnen sussen en vervolging voorkomen. Dit stemde hem niet beter, en deed hoe langer hoe meer het besef van de zonde, die hij bedreven had, wegzinken. Het spreekt wel van zelf, dat, toen hij ontslagen werd, Schreiners hem niet meer in dienst nemen wilde, en dàt niet alleen, maar ook de andere timmermansbazen in de stad wilden geen knecht hebben, die nvoor dief gezeten" had. Dat gaat zoo, - wie eens steelt is altijd een dief! zegt het spreekwoord. Niettegenstaande de smeekingen zijner moeder wilde hij ook niet terugkeeren naar het dorp, waar de meesten hem trouwens met den vinger !iel.wezen. Hij bleef in de stad en nam zijn int.rek, van de enkele stuivers die zijn moeder hem kon afstaan, in een soort volkslogement, waar lieden van allerlei slag een onderkomen zochten. Als losse knecht verdiende hij wel enkele dagen hier en daar wat klein geld, maar toch was 't meestal armöe lijden, - totdat hij in kennis kwam met een man die van beroep "ziele· verkooper" was, - een zeer eigenaardig, maar dikwijls helaas juist teekenend woord voor 't bedrijf dat hij uitoefende, het aanwerven van jongelui en in orde maken der papieren voor hen, die als koloniaal naar ' Indiê wilden. Deze schoot hem geld voor, en wel zooveel, dat bij Jan ten slotte geheel in zijn macht had, toen hij bem 't voorsteliJeed om nvoor koloniaal te gaan." En Jan verzette zich niet. Dàt was een . 33 leventje dat hem aantrok I En misschien kon hij dáár nog wel eens wat worden, waartoe hij hier geen kans zag. , Natuurlijk moest hij de toestemming van zijn moeder hebben. Zij raadpleegde met den dominee en den , meester, en toen:' dezen van oordeel waren dat strenge tucht hem misschien nog redden kon, - toen gaf z~i met een bloedend hart hare toestemming en ... Jan werd koloniaal I ' IV. NAAlJ. INDIË. Stoomend en puffend rammelde de sneltrein uit Harderwijk het station te Utrecht binnen. Dikke . wolken van stoom doften tegen de overkapping, het licht onderscheppend, dat door de glazen op de drukke perrons viel, waar een buitengewoon gewoel heerschte, en een groote menigte, reizigers en wachtenden, dooreenstommelde. Het geratel der goederenwagens, het gestamp der machines, het fluiten van aankomende of wegrijdende treinen, het geluid der seinbellen, 't geroep van conducteurs en reizigers, dat alles was in één woord oorverdoovend. Op het tweede perron was het wel het drukst van menschen, meest mannen en vrouwen, sommigen ook met kinderen, en de meesten er juist niet op gekleed alsof ze op reis moesten, en er evenmin uitziende als luidjes die het in de wereld nog al goed hebben. 't Waren, , . IA veUige haven s 34 ) dat kon men hen aanzien , meest manschen uit de volksklasse, en voor 't overgroote deel ook geen reizigers - al hadden velen pakjes bij zich - maar wachtenden. De daar juist binnengekomen Harderwijksche trein is het doel van hun komst op het perron, of eigenlijk de passagiers van dien trein, militairen, - "kolonialen", die naar Rotterdam worden gebracht, waar een stoomschip gereed ligt om hen naar Oost· Indiê te voeren. Hoor eens, welk etJn geschreeuw er opstijgt uit de menigte, en hoeveel uitroepen van herkenning uit de volgeladen wagens . Het is een geloop en gedraaf van den eenen waggon naar den anderen, men zoekt, roept, schreeuwt, sommige vrouwen weenen. Daar gaan de portieren open, een halfuu r hebben de "kolonialen" den tijd om afscheid te nemen van hun beminden I Zien we daar onder de menigte niet een paar bekende gezichten? Daar bij die rustbank, die weenende en met de oogen zoekende vrouw, die zich zoo krampachtig aan de bank vastkle mt, - kennen wij haar niet? Wel zijn de trekken van de weduwe Brinkman in kort veel verouderd, maar we zien toch wel dat zij het is, die daar rondkijkt, - in gezelschap van haar dochter Christine, die er op dit oogenblik ook allesbehal ve vrooJijk uitziet. Zie, - een oogenblik laat zij de weduwe alleen, en loopt dan snel de verschill6nde rijtuigen langs, waaruit de kolonialen, sommigen zingende en schreeuwende, andere n stil en ernstig te voorschijn komen. Onderzoekend kijkt zij den een na den ander aan, niet lettend e op de spottende woorden en blikken die haar worden toegeworpen, - hoe moeilijk is het iemand te herkennen tusschen al die gelijkgekleeden I Nog is Jan niet gevonden - want we begrijpen dat Christine haar broeder zoekt, - en reeds keert ze terug, opnieuw de wagens langs loopende. Kijk, daar zitten er nog twee, drie I Dapper stapt ze op d~ trêe- 35 plank om naar binnen te zien, ja waarlijk, daar is Jan I Maar hij siaapt. - ze schudt hem bij den arm en roept. Doch Jan hoort niets, totdat een van ziju kameraads hem ruw dooréén schudt: "Hé, kerel, kijk eens uit I Je meisje staat je te wachten I" "Hé ...• Wat?" ... bromt de slapende, terwijl hij zijn roode oogen uitwrijft. "Waarvoor laten jullie me niet liggen?" "Och .... " en het tweede woord is een verwensching van den kameraad. Doch Christine laat hem nu niet los, hoewel ze met smart bemerkt, dat Jan den jenever weer aangesproken heeft. "Kom nou even, Jan, - kom nou, jongen. Moeder zit ginds, - ze wou je nog wat geven I" En met . ingehouden snik keert ze zich om en wijst naar de zwarte vrouwengestalte. Jan is opeens bijkans geheel ontnuchterd. "Ik wist niet, dat we al hier waren I" zegt hij, als om zich te verontschuldigen. "Hoe gaat hot, Christien 1" "Och, jongen I" snikte het meisje" die zich nu niet kon goed houden. "Vraag me ' maar niets I" Wankelend begeeft Jan zich naar de bank, en gaat stom, zonder spreken, naast zijn moeder en zuster zitten, die hevig bedroefd, snikkend, bijna geen woord kunnen uiten. IIMoeder," zegt Jan, haar hand vattend, "wees nu niet kwaad meer op me I" "Kwaad jongen 1" zegt ze, en met een blik vol moederliefde en zorgzaamheid, half glimlachend door hare tranen heen, ziet ze den flinken knaap, naast Jan, leefde je haar aan. "0, ik ben zoo bedroefd I vader nog maar I" "Ja, dan was 't misschien nooit zoover gekomen I" zeide Jan met gedempte stem, door de verwarring en de drukke omgeving thans geheel ontnuchterd. "Maar ° 36 't is nu eenmaal z66ver, moeder I Ik heb geprobeerd om niet al m'n geld uit te geven. De dominee in Harderwijk heeft een goede tweehonderd gulden van me bewaard, hij zal ze u sturen. Dan doe ik toch wat voor u, niet waar?" En pogend haar met zijn lot te verzoenen, greep hij haar hand en streelde .die. "Och, spreek liever niet over dat geld I Hadt je het maar niet behoeven te ontvangen I Hier, - ik heb een en ander ingepakt voor je.... een paar boeken ook, mooie nieuwe, en een paar oude van thuis, . lees die vooral goed I En nog wat meer, dat je wel gebruiken kunt 1" "En ik heb je een tabakszakje gebreid, Jan I" zei Christine. "Ik kou niet meer doen, hoor I" "Wel .•.. dat .•.. hoefde immers .... nietI" zei Jan verslagen en met tranen in de oogen. "Je bent eigenlijk veel te goed voor me I" De bel luidde alweer, en de meeste kolonialen stapten in. Wij zullen niet pogen het afscheid van Jan en zijn moeder en zuster te schetsen. 'Jan gevoelde nu voor 't eerst hoa erg hij 't gemaakt had, en terwijl hij herhaaldelijk om vergeving vroeg, verwenschte hij zichzelf om zijn lafhartig gedrag, dat hem zoo laag had doen zinken. Wat de weduwe tot Jan fluisterde in de laatste omhelzing, vó6r hij instapte, weet God alleen. "Moeder, bid voor mij I" fluisterde hij. En hartelijk omhelsde hij nogmaals haar en zijn zuster. Toen was het hoog tijd. De portieren werden dichtgeslagen, en langs den geheelen trein klonken de afscheidsroepen. Jan had het kleine valiesje van zijn moeder aangenomen en dankte haar nogmaals. Opnieuw luidde de bel, de conducteur floot, en de locomotief antwoordde. Toen de eerste schok, - een opgewonden gejoel binnen in de wagens, en buiten een verwarring van namen en stemmen. Toen zette de trein zich zuchtend in beo -.,._ ....... 37 weging, nug lang zwaaiden de meeste kolonialen met mutsen en zakdoeken, en de menigte op het perron staarde den trein na, totdat er niets meer dan de achterste wagen in de verte van te zien was. Langzaam gingen de menschen huiswaarts. Zouden we hem nog ooit weerzien? Deze vraag leefde in veler hart, en "God geve hetI" zal bij meer dan een de stille bede geweest zijn. Onder hen behoorden de weduwe Brink:nan en Christine. Jan zat in den trein eenige oogenblikken ' in gedachten verzonken voor zich uit te staren. Hij hoorde niets van het regelmatig stooten der wagens op de rails, nbch van het puffen der machine, - evenmin de luidruchtige gesprekken en het onbeschaafd, joeligschreeuwerig gezang van zijn makkers. Hij zag, al voor zich starende, in werkelijkheid niets. Het land· schap, dat toch waarlijk het zien wel waard was, vloog voorbij zonder dat hij er acht op sloeg, - het gestoei zijner reisgenooten, baldadig uit baloorigheid, trok zijn aandacht niet. Hij dacht aan wat voorbij was, - thans voorgoed voorbij. In gedachten bevond hij zich weer in het kleine dorpje, waar hij geboren en opgevoed was, waar hij onderwijs genoten en zijn kwa,jongensstreken uitgevoerd bad, waar hij bij vader aan de schaafbank bad gestaan. Bij vader I En nu was vader dood, en hij ..•. Jan was, wat vader toch zoo graag zou ~ezien hebben, geen . timmerman geworden in dezelfde streek, - de stad had hem misleid. En waartoe was bij gekomen I Hij was een drinker, een dief geworden I Hij had in de gevangenis gezeten, en nu was bij koloniaal! Maar koloniaal I Hoe laag zagen de menschen op hen neer, op de kolonialen I - Zegt men niet dat zij zijn het uitvaagsel der maatschappij? En tot dat uitvaagsel behoorde hij nu I ) / En wat zou er nu van hem worden? Zou hij in dienst hoogerop komen? Zou hij geroepen worden om de wapenen op te nemen in Indiê? Of zou hij, na. een zes-ja'fig kazerneleven nog even ver zijn als nu? En . indien er gevochten moest worden, zouden de pijlen der Inlanders, of hunne kogels, hem treffen? Zou hij Holland ooit weer zien? En zoo hoopten de vragen zich op in zjjn verward brein. Hij kwam eenigszins tot bezinning toen de trein onderweg even stopte. Het geroep aan het tusschenstation riep hem als 't ware wakker uit zijn droomen met open oogen. Hij begon weer aan zijn omgeving te denken, en vroeg aan zijn buurman waar ze nu al waren. "Kan mijn 't schelen I" anti\Toordde deze ruw, en legde zijn hoofd weder tegen den wand dar coupé, geen bijzonder zachte rustplaats, maar iemand die in een roes verkeert, bemerkt daarvan niet veel. Jan keek naar buiten. De trein had zich al weer in beweging gezet, zoodat hij juist nog den tijd had om te zien dat men Gouda voorbijreed. Straks zou hij in Rotterdam zijn, - een stad die geheel nieuw voor hem was, - en dan lag daar de stoomer gereed voor de zeereis. Met èen gevoel van grooten angst ging hij die tegemcet. De zee I Dat groote, voor hem geheel vreemde, - dat bevaren van de zeeen, die hij niet dan bij name kende, - maakte hem tegelijkertijd bevreesd en nieuwsgierig. Geen wonder dus, dat, toen hij de plaats van bestemming naderde, de gedachten aan vroeger dagen plaats maakten voor die aan de omstandigheden waarin . hij zich thans bevond, en aan de vreemde omgeving die hem wachtte. De "jongens", - eerst uitgelaten en dol, waren thans, voor zoover ze onder den invloed van jenever Diet in slaap waren gevallen, bedaard geworden en praatten samen over hun vrienden, sommigen over 39 het ouderlijk huis en over wat ze geweest en uit· gevoerd hadden, - "twaalf ambachten, dertien onge· lukken" dikwerf I - anderen, die niet voor de eerste maal naar Indiê gingen, gaven hoog op van 't leven daar~ meestal op een wijze~ die den toehoorder geen groote verwachtingen kon doen koesteren omtrent de toekomst van de nieuwelingen. Een enkele zat, als Jan, stil in zijn hoekje, - één had een oud krantje opgeslagen, en twee rommelden te zamen in een tascbje, waarin van allerlei opgeborgen bleek: Gel· dersche worst, sigaren, hand~choenen, en andere dingen, waarvan de bezitters als Indische soldaten maar heel weinig gebruik zouden kunnen maken. Terwijl Jan naar hen keek, dacht hij opeens aan het kleine valiesje, dat zijn moeder hem te Utrecht gegeven had. Het stond boven hem in het bagage· netje. Benieuwd wat het bevatten mocht, nam hij het er af en opende bet. Bovenop la.g het door Christine gebreide tabakszakje, dat er werkelijk aardig uitzag, en daarnaast een ferme zak tabak, die naar Jans meening, - en hij was een liefhebber van een pijp heerlijk moest zijn I En waarlijk, daar was ook vaders pijp, - de mooie nooit gebruikte doorrooker, die vader eens van een vriend cadeau gekregen had, en die in de huiskamer aan den wand steeds een eere plaat,je had ingenomen. En terwijl Jan zich voornam er eens een mooi kleurtje in te brengen, zocht hij verder. Daar waren nog meer bekenden, - boeken van vader. Dikke, stevige boeken. »Alexander Comrie" stond op den rug. . »Ba I" mompelde Jan. - »Die vervelende boeken allemaal prêeken I" Uit zijn humeur, kregel om 't idee dat moeder hem zulke boeken meêgegeven had, - wat had hij daar nou aan? - sloeg hjj 't koffertje dicht. Het was trouwens precies bijtijds. Een langgerekt gefluit suisde door de lucht, en een oogenblik later 40 stoomde de trein het station te Rotterdam binnen. Daar opende zich dus voor Jan 't nieuwe leven. Weer dezelfde drukte op bl3t station als in Utrecht. Hier eGhter dadelijk na 't uitstappen de korte, krachtige commando's der officieren, - het in gelid stellen, 't afgeven der bagage en pakjes, en dadelijk den marsch naar de aanlegplaats van de booten der .Nederland". Wat keek Jan vreemd rond op die wandeling door de drukke straten van de tweede koopstad des Rijks I Wat een wagens en wat een menschen I Welk een hoogte van huizen, en wat een beweging op de kaden I Het was maar goed dat er onder den marsch niet , mocht worden gesproken, - Jan zou zijn nieuwe indrukken niet onder woorden hebben kunnen brengen. Hij vergat zelfs waarheen hij op 't oogenblik op weg was, - hij wist alleen dat hij zich de drukte van zoo'n stad nooit had kunnen voorstellen I En bij de bekoring die dit nieuwe tafereel op hem uitoefende, voegde zich nu ook het gevoel van spijt, dat hij dat nooit eerder gezien had, dat hij dat alles nu niet eens op zijn gemak bekijken kon, - spijt ook, omdat hij nu koloniaal was, terwijl hij hier misschien gemakkelijk werk had kunnen vinden. Niet voor de eerste maal, maar wel voor de eerste maal zoo heftig als thans, verfoeide hij den zieleverkooper die hem zoo ver geb!"acht had. "En moeder ook nog I" bromde hij in zichzelf. "Waarom hebben ze me dan laten gaan? D'r was toch nog wel werk te vinden?" Of.... zou men overal zoo spoedig weten dat hij eens .... gestolen had? .. Het gezicht der groote driemasters in de havens gaf aan zijn gedachten weer een andere richting. Dat alles was nieuw voor hem, en boeide zijn aandacht in de hoogste mate. Wie onzer lezers ooit een bezoek aan Amsterdam of Rotterdam bracht, zal dit begrijpen. Toch, voor wie steeds in een stad, zij het dan ook van kleiner ... . " 41 I " l omvang, hbeft gewoond, is de aanblik van de bedrijvigheid eener handelsstad en van de kolossale afmetingen der aankomende, vertrekkende en lossende stoomers, niet zulk een groote aantrekkelijkheid als het dit was voor den jongeling, die wel een paar jaar in de stad geweest was, maal' wiens plattelandsche opvoeding toch haar stempel op hem gedrukt had. Doch er bleef Jan niet heel veel tijd over voor 't bekijken dier zeekasteel en. Zijn troep marcheerde in geregelden pas voort naar de haven waar het stoomschip »Nederland" gereed lag om de passagiers te ontvangen. Al spoedig werd "halt" gecommandeerd, de bruggen van den stoomer werden uitgelegd op de kade, en de inscheping begon. Met kloppend hart betrad Jan de loopbrug. Dit was dan het einde van zijn leven in Holland I Straks zou de groote machine, wier stampend geluid uit het ruim van het schip tot hem doordrong, zich in beweging zetten, en bij elke schroefwenteling zou het schip hf:m verder voeren van Holland, verder van het dorp waar hij geboren was, van zijn moeder en zijn zuster Christine. Verwondert het 'u, lezer, dat Jan, toen hij een uur daarna wat uitgerust van de eerste werkzaa~heden, over de verschansing stond te leunen en naar de stad tuurde, een traan uit zijn oogen wegpinkte? Nu eerst gevoelde hij, dat zijn scheiden ernst was, voor zes jaren minstens had hij, nu reeds, den Hollandschen bodem verlaten I Moeder en Christine bleven alleen, en vroeger had hij zich zoo gaarne voorgesteld voor haar te zullen zorgen als vader er eens niet meer was. Het troostte hem, nu hij met geheel onbe· nevelde hersenen dacht aan 't geen gebeurd was in de laatste maanden - het troostte hem, dat hij althans 't grootste deel van zijn handgeld voor zijn moeder had afgegeven, en hij was er den Harderwijkschen predikaI1t, die voor allen zoo recht hartelijk 42 was geweest, dankbaar voor. Die deed toch nog wàt voor henl De "Nederland" vertrok eerst den volgenden dag én de 600 kolonialen brachten den eersten nacht in hunne kooien door, terwijl ze nog in Rotterdam waren. Het zal velen wel gegaan zijn als Jan, die in zijn ongemakkelijke ligplaats bijna geen oog sloot. Dit was niet alleen de schuld van het voor hem nieuwe bed, noch van de vermoeienissen van den dag, maar daarvan, dat gedachten over alles door zijn hoofd warrelden, en hem den slaap uit de oogen hielden. Gaarne ware hij opgestaan, maar de duidelijkheid van het gegeven bevel: niet opstaan voor de reveille, liet niets te wenschen over. De behoeften des lichaams zijn ten laatste sterker dan de werking van den geest, hoe overspannen die ook zij - eindelijk sluimerde Jan in. Een paar uren kon hij geslapen hebben toen het sein weerklonk, dat hem wekte. Thuis, en een enkele maal bij den baas ook, had hij zich nog eens omgedraaid als de wekker afliep, of wanneer doove Sientje op den wand van zijn slaaphokje stond te bombardeeren. Doch nu was het dienst. Jan wi;;;t dat hij onmid· dellijk gehoorzamen moest. Snel kleedde hij zich aan, en na den ochtendmaaltijd in de eetvertrekken met honderden anderen te hebben gebruikt, begaf hij zich op het dek. Ze hadden natuurlijk niets te doen dan hun klem'en in orde te houden hier aan boord, en voorts te praten en rond te kijken. Nu, van dat laatste vooral werd druk gebruik gemaakt. Het ge· zicht op de ontwakende stad; die als uit een lichten nevel scheen op te duiken, was schoon genoeg om veler oog te boeien. Weer stond Jan over de ver· schansing gebogen, en weer hield hij zijn oogen onaf· gebroken op de kade gericht. Daar werd het hoe langer hoe drukker. Groote 43 vrachtwagens werden te voorschijn gebaald uit de pakhuizen, waarb~ zich natuurlijk tal van arbeiders ophielden, - aan de kranen begon het lossingswerk, uit de verte klonk het gefluit der ochtendtreinen, enkele wandelaars en kijkers liepen langs bet water, en over dit alles speelden, toen de nevel wat opgetrokken was, blijde, schitterende zonnestralen. Dit alles zag Jan voor 't eerst en voor 't laatst. Want reeds werden toebereidselen voor 't vertrek van" den grooten stoomer gemaakt, en tenvijl die vorderden werd het ook drukker op de kade. Van tijd tot tijd bleven groepjes menschen op "de aanlegplaats staan, onderzoekende blikken op het stoomschip werpende, waarmede hun kennissen, familieleden wel· licht, straks zouden vertrekken. Jan wist dat moeder en zuster daar niet zouden zijn, de reis was te duur. Bovendien had de meester haar afgeraden dààr afscbeid te nemen, om dit afscheid niet nog pijnlijker te maken dan 't reeds was. Hoe gaarne bad Jan, als velen zijner makkers, eens met zijn zakdoek gewuifd, maar er zou niemand zijn die zijn groet beantwoordde, hij stond van nu aan alleen I Mismoedig wendde hij zich af van bet steeds levendiger wordend tooneel op de kade. Ook aan boord was alles in beweging. De militairen hadden niets te doen en verdreven den tijd met 1uidrucbtige gesprekken, spelletjes, en opmerkingen over de neerslachtig· heid van vele der nieuwbakken kolonialen. Want er waren er velen onder de zeshonderd, die in 't zelfde geval verkeerden als Jan, en ook zoo gaarne terug hadden willen gaan, indien dat mogelijk geweest ware I Ook ging bet verscheidenen hunner als onzen jeugdigen vriend: zij hadden toe te zien, terwijl anderen hun bekenden, vrienden, ouders, broers en zusters nog eenmaal konden vaarwel zeggen. Naast Jan had een flinke, uit de kluiten gewassen jongen ovex: de verschansing staan leunen, en toen 44 ) Jan zich omkeerde en aanstalten maakte om naar beneden te gaan, vroeg hij: nVerveelt het je?" nOch," - was 't antwoord, "'k heb er geen kennissen bij. M'n moeder en zuster konden niet heerheen ~ komen, en omdat me dat spijt, zie ik 't afscheid van de andere lui liever niet I" "Ik heb geen moeder en geen zuster, en ook geen vader meer, die me zouden kunnen vaarwel zeggen," zeide de jonge man langzaam en een droevige trek gleed over zijn welgevormd gelaat, dat van een ruim twintig·ja,rige. "Ben je zoo alléén op de wereld?" vroeg Jan, blijde een gesprek te kunnen aanknoopen. "En waarvoor ben jij dan hier?" "Dat zie je," - antwoordde de ander, op zijn uniform wijzende. "Voor't zelfde als jij zou ik denken." "Ja, - dàt begrijp ik. Maar 'k meende eigenlijk, .... dat, .... waarom .... voor je plezier wordt je toch geen koloniaal, zou 'k zeggen I" "Neen - voor je plezier zeker niet. Maar als je geen andere keus hebt, - en niemand wil je helpen, wat dan?" "Sta je d'r z66 voor?" riep Jan uit. "Wel, dan schelen ' wij niet veel 1 Ik kon ook nergens terecht ...." Hij zweeg. Een blos kwam op zijn aangezicht, toen hij bedacht, dat hij nu misschien de reden zou moeten zeggeIi, waarom hij nergens terecht kon. De ander echter scheen niet nieuwsgierig, maar ging, als in gedachten verzonken, en meer tot zichzelf dan tot Jan sprekend, voort: "Dat heb je er van, als je ouwelui je aan je zelf overlaten I Hadden ze me vroeger maar nooit m'n zin gegeven, .... behalve in dat ééne I" "Welk ééne?" vroeg Jan, meer om wat te vragen, dan wel uit nieuwsgierigheid. "Wèl, kom mee," - en hij nam Jan vertrouwelijk onder den arm, - "ik geloof dat jij een fatsoenlijke jongen bent, laten we samen naar de kajuiten gaan; " -------------- " . ~. , 45 hier hebben wij toch niks te maken, en dan praten we wat. Willen we kameraad zijn? - Dan kunnen we misschien wat aan elkaar hebben! Zoo op je zelf is 't geen leven I" Jan was verrast. Hij had niet verwacht dat de jonge man, die eerst wat een zei vig scheen, en goede manieren, zelfs een zekere trotsche houding had, hem zou vragen vriendschap te sluiten. Doch zijn ver· rassing was een blijde, en hij antwoordde dan ook zonder eenige terughouding: "Graag, als u dat wilt I" "Mijn naam is Paul Therville, en 'k ben uit Am· sterdam I" "Ik heet gewoon Jan Brinkman I" "Nu Jan, - 'k zal je maar bij je voornaam noemen, - vertel me eens hoe je hier gekomen bent, en dan zal ik je ook zeggen, hoe ik hier kwam." Paul Therville had iets in zijne manieren, dat Jan onwillekeurig achting voor zijn nieuwen vriend in· boezemde. "Die reden is nu juist zoo heel mooi nieti" zeide hij aarzelend. "Van de meesten niet, die koloniaal worden I" zeide Therville met een spottend glimlachje. "Van mij ook niet I" voegde hij er aan toe. "Je kon geen werk krijgen I Wat was je vak?" "Ik was timmermansknecht," zei Jan. "En ik goudsmid, maar ik kende het vak nog maar half, want 'k deed het niet met mijn zin. Als ze maar gewild hadden .... Maar toe, vertel jij eerst maar!" . Nog aarzelend, maar toch met meer vertrouwen, begon J a.n de treurige geschiedenis van de beleende schaaf, de oorzaak en de ernstige gevolgen ervan. "En toen 'k daarvoor een maand gezeten had, kon 'k nergens terecht," eindigde Jan. "Iedereen wist het." "Dat kèn ik," zei Paul Therville. "Ongeveer even· zoo is 't mij gegaan. Mijn ouders hadden wel een 46 . duitje om mij, die eenig kind was, te laten leeren. Vader had de moppen in de goudsmederij verdiend en ik moest en zou hetzelfde doen. Maar Paul had daar niot veel zin in, hoor I Ik had van mijn jeugd af altijd gezeurd om kunstschilder te worden. Naast ons woonde er een, - een van de knapste Hollandsche schilders. Die had mij eens zien teekenen, en verzocht vader om mij les te mogen geven; 'k was er dol mêe inge· ;nomen. Maar vader wilde zijn lievelingsdenkbeeld, mij eenmaal eigenaar van den goudsmidswinkel te zien, niet laten varen. Daar mocht niets van komen, van dat teek enen I Wat zou ik er aan hebben als ik 't goud vak eenmaal kende? Neen, niets natuurlijk, maar 'k was er volstrekt niet op gesteld om 't goud vak te leeren. 'k Zei het rondui t, ik weigerde naar mijn patroon terug te gaan, maar Diets hielp: vader was onverzettelijk. En misschien zou ik bij moeder op den duur wel mijn zin doorgedreven hebben, - in stilte liet ze mij althan s nog teekenlessen geven, als vader niet plotseling al zijn geld in speculatie verloren, en als gevolg daarvan, door den schrik, een beroerte gekregen had, die binnen twee dagen een einde aan zijn leven maakte. Nu kwamen er moeilijke dagen I Onze familie sprong wel bij, maar voor zoolanJ als 't duurde. Moeder was ziekelijk, er was veel noodig, en dus moest ik hard werken. Maar ik kende niets van 't vak, en OUS leden we bijna gebrek. Ook moeder stierf vrij plotseling, en toen keek naar mij niemand meer om. Familie te hebben is heel prettig als je in goeden doen bent, - anders laten ze je in den steek. En vrienden, - och, hé, vrienden, die kun je ook gemakkelijk vinden als je een nogal gevulde portemonnaie hebt, maar anders is 't ook mis I Geld is de ziel van alles I Geloof maar niet dat er nog wat goeds in de wereld is, dat niet vastgeklonken is aan geld. Er 47 .' is geen mensch op de wereld die wat op heeft mot 'n ander tenzij uit eigenbelang .... " "En u dan?" merkte Jan vragend op, niet durvenda den gemeenzamen toon aannemen, die onder lotgenooten toch niet kwalijk zou te nemen zijn . • Ik? Jij en ik hebben niets te verliezen, jongen 1 Wij staan daar eigenlijk buiten, zijn er buiten gezet. Is 't jou schuld dat je een dief geworden bent? Neen jongen, _ de omstandigheden maakten je zoo 1 Zoo ging 't mij ook I" "Ja, maar," zei Jan, "als 'k niet telkens bij 't biljart had willen zijn, dan .... dan was er misschien nooit iets van gekomen! ..• van die geschiedenis met 't horloge I" "Nou ja, - dat denk je nou wel, maar dat is toch werkelijk anders 1 Ik kwam tot hetzelfde, en voor mij waren de omstandigheden toch heel anders. Enfin, ik maakte ook schulden, verloor mijn patroon, kwam toen op 'n kantoor, en 'k beging de stommiteit om in de kasboeken te knoeien, - ook al omdat ik geld noodig had. Natuurlijk kwam 't uit en 'k beb drie maanden in de gevangenis doorgebracht. Na. diön tijd keek letterlijk niemand naar me om. 'k Heb wezenlijk gebrek geleden, en mijn laatste toevlucht was dit," - en hij wees op zijn uniform, - "voor schipbreukelingen als wij is geen ander middel over om niet geheel te gronde te gaan. Als 'k nou in Atjeh een kogel in mijn kop krijg, dan verbeeld ik me tenminste voor 't vaderland gestorven te zijn, en misschien is dat ook wel zoo, hoewel niemand om je heengaan een traan laten zal. Zoo is 't nu eenmaal I" En met een · bitteren lach eindigde hij het relaas van zijn wedervaren, dat werkelijk van niet veel • anders dan van overgroote moedeloosheid, bitterheid en onverschilligheid getuigde. "Misschien wordt 't nog wel weer eens goed I" merkte Jan . op, alsof hij behoefte had om de onaan- 48 dit oogenblik beziggename godachten, die beiden op st te verdrijven. hielden, door eenig woord van troos nieuwe vriend. zei Jan "Geloof dat maa r nietI" r aan je den kt en "Denk maar dat er niemand mee als je kun t. Als neem er 't leven maa r zoo goed van ben je weg, en er eenmaal een einde aan komt, dan is." ter in 't land waa r geen land meer ach meer, en daarom n moeder en zuster "Jij hebt gee ik wel, en ik weet zeg je dat I" meende Jan. "Maarover mijn heengaan." hebben dat ze heel wat gehuild drie maanden "Nou ja, - vrouwentranen lOv er ijft, zal je uit schr zijn ze je vergeten, en als jij niet ren I . . .. Maar 'k Holland ook zooveel niet meer hoo nog eens op 't we verveel me hier beneden. Willen pen van de machine en? Me dun kt, aan 't stam dek kijk liggen." zou je zeggen dat we op vertrekr boven. Inderdaad begaf zich naa Het twe etal aakt. De beman· werden de laat ste toebereidselen gemte nemen, - de gen weg ning was bezig de loopbrug kolonialen hadden laatste familieleden van enkele menschen stonden het schip juis t verlaten. Honderden detachement bij op de kade om het vertrek van het de bevelen van ken te wonen. Boven 't geraas uit, klon duurde nie t lang, en de officieren, en het den kapitein het groote gevaarte o' de eerste trillende beweging in uit de menigte, en werd gevoeld. Hoera's stegen op aten beantwoord, werden door de bemanning en de sold menig "hoera I" klonk in doch van den grooten stoomer e zich langzaam in een trillende toon. Het schip zett en stoom vlogen beweging, dikke wolken van rook ken de tonen van uit de pijpen, en van den wal klon 't voorgeschreven 't :) Wien Neerlandsch bloed", als meestal vergeten I volkslied. Ons "Wilhelmus" wordt nd aan den achter· Jan stond met zijn nieuwen vrie en kade langzaam steven. Ze zagen hoe menschen onbestemder vorm wegdeinden, de huizen een steeds reedde. De muziek aannamen, en 't vaa rwa ter zich verb 49 nog enkele hoerazweeg, en sl~chts flauw klonken den zwarten klomp waren uit roepen. Doch nog lang erscheiden, die tot menschen de witte doeken te ondook dat verdween, afscheid werden gewuifd. Doch werden groot0r en de golven van den riviermond n de kiel. wit te schuimkoppen dansten tege n zee I Nieuw was Daar was de zee, de groote ope aandacht, lang ge· dit schouwspel voor velen, en devestigde zich nu op spannen gehouden op de stad , grauw·grijze golven de groote vlakte, boven welker gen wiekslag onver· de wit te zeemeeuwen met vlug moeid heen en weder vlogen. langer, en niets "Dat zie je nu een maand of nog e Paul Therville. er I" zeid anders, niets dan lucht en wat aasd. "Een maand lang?" vroeg Jan verb doorbrengent tijd dien hij ·op zee zou Van den rstelling gevormd. had hij zich niet de flauwste voo st je dat nie t?" "Ja , - 't zal wel langer zijn I Wi rig wendde Jan "Heelemaal niet I" en onwillekeuop het land. zijn blik zich weer om en vestigde r I" zeide Paul "Ja, kijk er nog maar eens goed naa r 't laatstI" voo glimlachend. "Misschien zien we 't hij twee, hem zooHet afscheid van Holland, waa r iet, werd Jan te innig liefhebbende harten achterl keerde hij zich af machtig. Met tranen in de oogen hem. en ging naar· beneden. Paul volgde ging werktuigelijk, Jan zocht zijn valiesje op, en om wat te doen te . zonder aanleiding, doch alleen vond meer dan één hebben, aan 't uitpakken. Hij e, - sigaren, een pakje, welks inhoud hem ver rast l onderin nog een pijpje, nog een paar boeken en hee de hij een por tret enveloppe. Die openende, aanschouw klaarblijkelijk pas w, . zijner moeder met Christine, nieu vertrok. . gemaakt vóór hij Hij liet ze Paul zien. der en m'n zuster. "Zie eens, - daar heb je m'n moe vader, - maar hier is ook een por tret van m'n . En In nilig . haven , 60 dat is een oud, want hij is al een paar jaar dood, zooals ik je verteld heb." "Wel, dat ziet er niet kwaad uit '" zei Paul glim· lachend, terwijl hij de vrouwenportretten bekeek. Dat zusje van jou moet een lief meisje zijn I Hoe oud is ze?" "We zijn tweelingen. Ze is ook negentienI" "Nu, 'k feliciteer je met zoo'n zuster, 'k mag voor jou lijden, dat je ze nog terugziet I" "Ik ook '" zei Jan met een zucht. "Maar ik ben al vast heel blij, dat ik de portretren heb I" "Ik heb niets van dien aard," zei Paul. "Ja, een heel klein familieportretje, dat zal ik je bij gelegen· heid ook eens laten zÎE.lD. En wat zit er in dM pakje?" "Dat? - - Dat heb ik nog niet eens gezienI" En Jan wikkelde het papier van een vierkant pakje, - het was een Bijbeltje, nieuw, en op het schutblad stond geschreven: Aan mijn lieven zoon J A.N BRINKMAN ! Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders en verlalJt de wet uwer moeder niet . ... Als gij wandelt, :lal dat u geleiden, als gij nederligt, zal het over u de wacht houden, als gij wakker wordt, zal het met u spreken. Spreuken 6 : 20 - 22. Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelven I Jan was een oogenblik verrast en onder den indruk van de woorden die daar stonden. Doch terstond kwam zijn oude onverschilligheid aangaande deze dingen weer boven, hij klapte het boekje dicht en legde het weer in 't koffertje. "Nu, wat heb je?" vroeg Paul Therville, die niet gezien had wat er in het boekje geschreven stond en 51 , er evenmin acht op had geslagen welk een boekje Jan in de handen had. "Wil je 't zien 1" vroeg Jan, met elm onwillige . beweging het Bijbeltje weer te voorschijn halend. Paul Therville schonk blijkbaar meer aandacht aan het geschenk van Jans moeder dan Jan zelve. Een oogenblik bladerde bij er in; hier en daar wat lezende, alsof de inhoud hem boeide. "Ik heb dáárvan bij mij thuis nooit iets gehoord. Vader en moeder leefden alleen voor de zaak en voor zichzelf, natuurlijk ook om mij een positie te geven. Maar met godsdienst hadden ze niets op." "Ik ook niet," zei Jan, die meende hier een aanknoopingspunt te hebben. "Da's toch verkeerd van je", hernam Therville. "Als ik godsdienstige ouders had gehad, zooals jij, dan was het misschien heel anders geloopen. Maar 'k heb bet je al gezegd, een mensch is een product van de omstandigheden." "Hoe zoo?" vroeg Jan, die van deze voor hem vreemde uitdrukking weinig begreep. ,,'k Zal 't je nog duidelijker uitleggen," antwoordde Paul Therville. "Ik had in Amsterdam een kameraad die heel godsdienstig was en zich heel gelukkig daarbij gevoelde. Ik heb er hem wàt dikwijls om benijd .... Hij heeft alles gedaan wat hij kon om mij ook zoo t.e maken, 'k ben zelfs nog een poosje bij een dominée op catech~atie geweest, maar wat die zei was heel wat anders dan de godsdienst van mijn vriend, veel te preekerig. En zie je, nu had mijn vrind me misschien wel verder kunnen helpen, maar .... hij stierf heel plotseling; op een mistigen avond raakte hij in 't water en verdronk. 'k Stond weer alleen, thuis sprak ik maar niet eens over godsdienst, daarvan wil~en ze niet hooren. Ware mijn vrind niet verdron· ken, dan had hij me misschien op den goeden weg kunnen brengen. Je ziet dus hoe alles maar afhangt 52 ) van de omstandigheden waarin je verkeert." Een oogenblik- zwegen beiden . Op het dek der boot werd druk heen en weer geloopen, een bel luidde, en de kolonialen riepen elkaar toe: "oorlam 1" Pa.ul en Jan begaven zich naar boven, Paul om zich een weinig te verzetten, Jan uit nieuwsgierigheid wat die drukte toch wel beteekenen mocht. Hij werd spoedig ingelicht. Het was de tijd voor 't uitdeelen van den "oorla m" aan de bemanning, en tot zijn verbazing zag Jan hoe aan ieder een glas jenever werd uitgereikt. De scherpe alcohollucht prikkelde zijn reukzenuw en, en aarzelend, maar toch begeerig, nam hij het glas aan dat hem toegereikt werd. "Kost dat geld 1" vroeg hij Therville. "Wel neen," antwoordde deze, "dat krijg je van de Regeering cadeau. In Indie gaat dat ook zoo, heb 'k gehoord." "Da's een goed leven," zei Jan half lachend. "Ik wist niet dat we 't zoo goed zouden hebben." En gretig leegde hij het glas. Sinds twee dagen had hij geen jenever geproefd, en misschien had bij 't gebruik er van wel kunnen afwennen, als hij 't op zee niet gekregen had. 't Is echter een feit dat hij de volgende dagen steeds weer verlangde naar 't uur, waarop de "oorlam" word uitgere ikt, en dat hij die telkens met meer smaak naar binnen sloeg. De dagen van de lange reis gingen in de gewone eentonigheid voorbij. We zullen daarover dus niet uitweiden, evenmin over de ellendige uren, die hij doorbracht toen hem de zeeziekte te pakken had, doch waarbij hem de troost bleef, dat hij niet de eenige was, die daaraan leed, - ook Paul, en het meerendeel der kolonialen trouwens, bleef daarvan niet vrij. Toen hij weer wat in orde was, begon hij een brief aan zijn moeder te schrijv en;' men had hem gezegd, 53 dat hij die op zee zou kunnen verzenden. Er kwam echter niets van, want toen hen een schip passeerde dat de brieven kon meênemen, was Jans epistel nog niet klaar, en het kwam ook niet klaar zoolang de zeereis duurde. v. BB.lEli'W.1S8ELING. Lieve moeder en zuster! Daar men mij gezegd heeft, dat je va.n hier op het schip brieven kunt verzenden ben ik maar aan deze begonnen. Nu moeder, u zult wel nieuwsgierig zijn hoe of 't mij gaat. Ik kan er op 't oogenblik niet over klagen, maar dit is maar een begin, zeggen ze hier aan boord, de lui die al eens in lndiê geweest zijn, - daar zul je 't zonnetje anders voelen branden, is zoo'n gelief· koosde uitdrukking van hen. Nu moeder en zuster, toen ik weer in den trein zat in Utrecht, toen gingen we naar Rotterdam recht· door en we stopten maar één keer. En 'k kan U zeggen, dat ik er toen heel erg spijt van had dat 't zoover gekomen was, maar nou ben ik er alweer wat overheen. Ook heb ik een vriend hier aan boord gekregen, het is nog al een deftige jongen, zooals je hoort. Hij is ook koloniaal en 't is hem al net gegaan als mij. Toen hij ook iets had gehad met de justitie, zooals hij dat noemt, wouên ze'm nergens meer hebben. 54 ten min ste geweest. ,En hij is toch een meneer, of Christine, toe n vond En toen hij uw por tret zag met ben we 't koffertje hij Christine heel knap. Samen heb u wei voor al de uitgepakt en moeder, ik bedank tretten, die zal ik geschenken en vooral voor de por , ja iederen dag, altijd bij me houden. Op den dagjenever, "oorlam" krijgen we hier aan boord een glas wat bet er dan in l zooals ze dat noemen. Ze is hee g er maa r één per café's. Maar 'k krij Holland in de voor me te wezen, dag, uus U behoeft nie t bang hoor moeder. wel drie weken Ik heb alles wat hierboven staa t al r 'k was net 't schip. Maa geleden geschreven, op mer naa r Holland - zoover gekomen, toen een stoo . passeerde, die de brieven meenam r, dus kon die ook Ik had er nog geen een klaa in de kazerne te niet meegeven. En nou zit ik hier is dat een heel schrijven, in Batavia. 0, maar wat r kun t u geen daa ander land als Nederland! Neen, hier alles is. De gen, zoo vreemd als begrip van krij dan in Nederland, kazerne is hier ook heel wat anders en, en heelemaal te gebouw hoor. Lang niet zulke groo veel breed er dan in niet hoog. De stra ten zijn hier n en in, dat is toch Hol'and, maar er liggen geen steemaal van die grintzoo'n gek gezicht I Het. zijn allestoepen, maa r langs wegen. En dan zijn er hier geen n en de weg loopt de huizen zijn greppels gegrave pels is zink heeneen beetje rond, - en over die grep binnen wil gaan. gelegd, waarover je loopt als je een huis is toch een heel Batavia is een Ulooie stad, maar 't en in Holland. sted verschil met Utr ech t en andere rin onze kazerne uw-Batavia, waa Ik bedoel dan Nie jk leelijk en smerig. staat, wan t de oude stad is vreeseli me t veel hutten stra ten, Daar zijn maar heel smalle van bamboe of van van inlanders, die gebouwd zijn hè? Zoo praten ze gabba-gabba. Wa t een gek woord, binnensteel, de nerf hier allemaal. Gabba·gabba is de komt. Die moeten van een blad, dat van de sagopalm verteld dat die hier veel groeien. Ze hebben me lang worden, - ik blaadjes soms wel dertien Meter rville zegt altijd: kan het haa st niet gelooven. The ziet, - en daarom Je moet nie t gelooven wat je niet blaren. geloof ik nie t veel van die groote ik, zoodat we hier Paul is in dezelfde kazerne als vind 'k erg prettig, kameraden kunnen blijven. Dat t. Erg gul ook, al ven wan t hij is een aardige t ons trac tem ent heeft hij nie t veel te missen, wan noodig, wan t je veel is klein. We hebben wel niet en, die kan je in de alles, behalve ext ra ding krijgt oopen ze daa r toch kan tien krijgen. Maar 't meest verk t, meer dan ééns jenever. Maak u maar nie t ongerus neem niet meer ik per dag kom ik er niet, ten min steenant zegt, dat een dag. Onze luit dan één glaasje per ral in Indië, maar borrel goed is voor een soldaat, ,voo daar heeft ie ge· den en dat men zijn maat moet hou en 'k hoor, dat 011S lijk in. Als we te velde gaan, - t.en - dan krijgen regiment gauw naar Atjeh zal moe groot glas jenever we iederen dag twee maal over een't hier nie t uit te voor niemendal. Zonder dat moet dat het Indische t, houden zijn. Paul Therville zeg is. medicijn die inlanders. Op Het is hier een rare boel met zwarten woonden. school leerden we altijd dat hier de ook, maa r toch erg Ze zijn wel donker, en sommige zou er van schrikken in. En leelijk, - neen moeder, u bru zoo leelijk als ze zijn. ws: meer. Van Nu lieve moeder, weet ik geen nieuhij ken t u wel hebben, Therville moet u de groeten hij. Wil u ook de niet, maa r dat hindert niet, zegt dominee? Wees zelt groeten doen aan den meester en zich noemt ook hartelijk van mij gegroet, die liefhebbende Uw JAN . 56 ) r het Bijbeltje, n'En nu staa t er geen woord in ove uit, toen haa r an Christien I" riep de weduwe Brinkmten brief geêindigd rlezing van Jan s eers dochter de voo had. istine. nHij pra at nDat is hoolemaal Ján I" zei Chr boel onbeduidende le over alles en nóg wat, over een hee ng is vergeet hij I" maar wat van 't grootste bela dingen, r hem," zei de nOordeel nu maar nie t zoo har d ove nu heeft ...• n hij weduwe. nAls ik denk hoe'n naa r leve komen: ik bid zal nog wel eens tot inkeer Och, hij hem ,.... wie weet, God alle dagen om zegen voor . op een verborgen vin dt een goed woord nog eens plekje een goede plaats I" minder luchtig nNu, dan zal hIj toch eer st wat is," meende eurd moeten denken over hetgeen geb brief niets I" nEn daarvan blijkt uit zijn Christine. nals Jan zichzelf nu nWel," zei moeder Brinkman, dan is het voor hem nie t een beetje weet te troosten, is maar een vriend, heelemaal geen doen. Een vriend in gezelschap vau en hij zal God eer vinden als hij ." zichzelf is dan in dat van anderenzoo luchthartig over al nVooral als die vrienden ook jnt te doen I" dingen denken als die Therville schi die hernam Christine. els," verontschuldigde n 't Zijn jonge, onervaren scheps otspraak van jongens in de weduwe. "En dan die gro daar in dat land wel dienst, - gunst ... . Hè, ik zou .... De Heer wee t eens om een hoekje willen kij ken weerzien I" voegde of we den jongen wel ooit zullenze hen nu naar Atj eh ze er weemoedig bij. nVooral als 'k hem nie t zoo sturen. Als ik dát geweten had, zou I" gemakkelijk hebben laten gaan t hier hebben kun nen nU zou hem toch ook nie aan een lijntje te houden. Jan is geen jongen om gebeurd is I" er houden, en dan .... U wee t wat gebleven dan war e n nWa s je vader maa r in leve in orde gekomen I" alles misschien nog 57 "Kom, kom, moeder," zei Christine troostend, "U weet niet hoe goed de Heer het nog met ons vóór heeft, - U hebt ons geleerd op God te vertrouwen, en zou U nu zelf den moed laten zakken?" De weduwe glimlachte door bare tranen heen. "Je hebt gelijk, kind I" zei ze. "Bij God zijn alle dingen mogelijk, indien we Hem bidden .... Het is al wel laat, maar laten we nog maar aan een brief voor Jan beginnen, al hebben we minder te vertellen dan bij I" Wat na onderling overleg op het papier kwam laten we bier volgen: t I Beste jongen! Van avond ontvingen we je eersten brief, en moeder wil bem nu maar dadelijk gaan beantwoorden. Natuurlijk moet ik nu wel -voor baar schrijven, al weet ik niet veel nieuws meê te deelen. We zeiên al tot elkaar: de brief van ons zal wel heel wat kleiner zijn dan die van Jan, maar hij ziet ook aHemaal vreemde dingen, en wij zitten hier in ons stille dorpje, waar niets bijzonders gebeurt. Het deed moeder, en mij ook, dan veel genoegen je brief te lezen, waarnaar we al zoo lang hadden uitgekeken, want de meester vertelde ons, dat je ook op zee brieven kunt verzenden. Nu ben jij wel niet zoo erg vlug met de pen, maar je badt ons vast beloofd zoo gauw mogelijk wat van je te laten hooren. We hebben nu uit je brief opgemaakt, dat het je voorloopig nog al bevalt en dat het je goed gaat, - geve de Heer, dat dit niet alleen naar 't lichaam, maar ook naar de ziel zoo zij. Want, beste Jan, het zal je dikwijls heel moeilijk vallen je in alles te schikken, en als je dan niet weet dat God voor je zorgt, dan komen er heel moeilijke oogenblikken. Dan kunnen je ook je vrienden niet helpen, weet je wel? Toch vindt moeder bet nog al prettig dat je gezelschap gevonden hebt, 58 , / je tot je vrienden maar je mo et goed toezien wie slechte vrienden je ben kif.st, wan t in Nederland heb olpen. In moeilijk. ook een heel eind in de ellende geh t, - zooals jo wan heden is de Hee r de beste helper, Bijbeltje lezen kunt, in je agen, . . .. de Hee r betoont Zijn welbeh d'rig naa r Hem vragen. aan hen, die nee ervonden, jongen I Wij hebben dat hier ook zoo ond tijden voor ons de Wa nt je kun t wel begrijpen dat t dat de winkel nog ilijk waren. Je wee eerst heel moe net zoo'n winkel op maar nie t bes t ging, doordat er Janselaar. Wij verkochten baa st het dorp was, van dagen. Maar toen niets en we beleefden moeilijke uit Harderwijk, dat kwam 't geld van den dominee Dank je wel, hoor t. jij hem voor ons gegeven heb l nut geweest. We geld is ons van vee jongen, - dat in 't dorp nemen, konden een and er huisje midden begonnen de klanaan, en toen en wat mee r goed insl Wa s eerst suk kelen ten ook wat har der te loop en. 't wel, hé? Maar nu je en erg bekrimpen, dat begrijp orden, ook al door is 't langzamerhand al beter gew sela ar nu een dag het ongeluk dat den kruidenier Jan Midden in den ft. of vee rtie n geleden getroffen hee r de brandklok, en eschrikt doo nacht werden we opg idenier I Het werd jawel, 't was 't huis van den kru e man ston d er de 'arm heelemaal in de asch gelegd, was niet verzekerd, schreiênd en jammerend bij . Hij r alles wat hij veren krij gt dus geen cent teru g voo l. Wa nt er werden loren hee ft, en dat is veel, heel vee van den winkel en slechts een paa r meubelj es gered, s zijn eigendom, en was ook 't hui niets. Bovendien opgebouwd worden. dat mo et heelemaal opnieuw voor. Hij is hier in den Jan sela ar hee ft er geen geld en heeft zelfs een eersten nood wel wat geholpen, opnieuw beginnen r paar dagen bij ons gegeten, maa jd helpt, zelfs in hij niet . Gelukkig, dat God alti kan 59 ft in de stad een den bitt erst en nood I Janselaar hee r. Hij kan daar este betrekking gekregen als pakhuisme ft toch een heelen wel goed van komen, maar hij hee wel het eenige in t slag gehad. Zijn huis - je weegeveltje, is voor af· t dat ouderwetsche ons dorp me braak verkocht. was ? Natuurlijk Maar wa t er nu 't gevolg van r zoover ze niet voo kregen wij Janselaar's klanten, 'n paa r uitg ezonderd, de stad gingen, en dan nog naar chelarij Janselaar die meenden dat wij uit pure hui op zijn klandisie. oog bij ons gevraagd hadden, met het enblik aan dachten. t, dat we daar geen oog God wee dt voor de brand· Wonder, dat men ons ook niet hou mij, Christien). van stichters I (Dat is een gedachte 'k dat zei. Maar 'k was er boos over, toen Moeder hen zulke slechte kon 't nie t helpen, '- als de 'mensc alti jd vriendelijk t gedachten hebben, dan kan ik nie we dan nu nog al denken. En zoo zitt en over hen ts geen klagen. God wel in de klanten, en hebben nie heeft alles voor ons wèl gemaakt! voor jou ook zoo Nu, bes te Jan, - dat moge s bij je, en eIken wezen. Onze gedachten zijn dagelijk sparen moge, en je dag bidden we tot God, dat Hij en moge Hem te en, maar dat Hij te gev dat niet alle troo st in leven en leeren ken nen als den eenigen ,sterven I , dat, als we je Jan, de dominee hier heeft gezegd om de Militaire je aanraden schreven, dan moesten we je kun t toch vooral. Tehuizen te bezoeken. Doe dat alsndelijk en hartelijk Dominee zegt, ze zullen je vrie voorlichting vinden ontvangen, en je kunt er raad en in moeilijkheden. groeten hebben, Vau den meester moet je ook de cht zal komen, f nie t tere hij is ech ter bang, dat de brie boeknummer op te omdat je vergeten hebt je stam me r daar, zegt hij. geven. Jelu i hebt allemaal een numwel terecht komt, ls dat zoo, Jan ? Als de brief nu 60 wij uit de onge· schrijf 't dan maar gauw, dan zijn 111stheid. orden, hè? Nu, ik . Wa t is het nu nog een stu k gewdig gehad. Hou je uur op noo heb er ook een paar goed, Jan I Vertrouw op God. . Uw liefh. Moeder en Zuster, MAN. Wed. J. BRI NK1 lAN en CHR. BRINK Java, - nat uur De brie f ging van Holland naar r daar kwam hij lijk, en kwam in Batavia aan . Maa ie, waarbij Jan nter nie t terecht, want de bataljons infa Atjeh vertrokken, reeds naar behoorde, waren vandaar den. De reis van waa r hun diensten gevorderd werd dus wat langer. het epistel uit het moederland wer op de enveloppe, Al ont bra k het stamboeknummercbt in handen van de brief kwam toch eindelijk tere Jan al beel wat den geadresseerde. Maar toen was we omgeving, van veranderd . De bekoring van de nieu hem verloren ger de Indische natuur, was reeds voo Indiê vertoefde. bijna zes maanden in gaan nu bij en beiden meêge· Jan Brinkman en Therville war van het Indische en sleurgang . dreven in dien ellendig lonialen" zoo nood· soldatenleven, die den meesten "ko t voor hun har t, lnch lottig is. Ze kenden geen toev voor niets mee r wan nee r bet gevoel, dat ze. eigenlijk ere toevlucht aland deugden, hen bekroop, - geen was in overvloed te den drank, - en die tha ns dan wist. En dien weg krijgen, als men den weg maar die langer in Indiê leerden ze wel van kameraden, waren dan zij. 17e bataljon, een Beiden waren ingedeeld bij het rs bestond, doch nde afdeeling die hoofdzakelijk uit Inla n waren geplaatst. een honderdtal Europeane waarbij ook mdelingen, en Voor Jan en Paul waren het vree ze meer aan begrijpelijk dat het is dus eenigszins de boot en kor t na elk äar hechtten dan vroeger, op was . Therville· de aankomst te Batavia, het gevalellige en joviale gez toonde zich voor Jan altijd een st het toeliet waren kameraad. Voor zoo ver de dienkazerne, 't zij in de ze meestal samen, 't zij in de spel in de Indische cantine, waar ze met het gewone en. cantines, het kaarten, den tijd slet l; we hebben het Jan hield nu eenmaal van spe hem zoo'n noodop vroeger gezien toen het biljartenwaren het de kaarten invloed oefende, - nil lottigen en. die hem naar de cantine drevrten, jenever, eu andere hij spelers, kaa Daar vond verschaften . Als hij "genoegens", die hem afleiding met de grappon der te hij zich niet speelde, vermaak n zij zeI ven het, ouderen. Althans "grappen" noemde naar het hoofd kommen als ze elkaar drinkglazen en zelden het gevolg wierpen, waarvan vechtpartijen niet anderen, als bij waren. Hij vermaakte zich met de de buffetchef of zulk een gelegonheid de mandoer, vergeefsche pOCl'ingen gen, kastelein, zouden wij 7.eg - en niet heel deed om de vechtenden te scheiden, den en tierden , raas lang duurde het, of ze deden meê oegen in eens een , en vonden er een bijzonder gen kloppartijtje te houden. tandigheden en Ge begrijpt, dat Jan onder deze oms het vierkante r dacht aan in deze omgeving niet mee lagen goed opge·· pakje in zijn koffertje. De portretten ze nog had, hij hij borgen, en al wist hij wel, dat daar neer te zetten, vond het belachelijk om ze hier of tot spot aanleiding wat in de kazerne trouwens enkel zou gegeven hebben. mocht hij zich Het ruwe leven had hem ingepakt, en ook al eens in stille oogenblikken in den eersten tijd baas in de stad toch bekennen, dat zijn hokje bij dendan zijn verblijf hier, nog verkieselijker geweest was ten aan Holland ver· - weldra waren oOK die gedach die hem eerst nog ' dwenen, de brief van zijn moeder, ord, en er kwam. . al verblijd had, bleef onbeantwo 62 heelemaal niets meer van, toen hij opnieuw verplaatst "Rerd. Zoo gingen er meer dan vijf jaren voorbij. VI. DE ZIIiVEBEN RING. 't Is een echt tropisch zonnetje, dat de roode dakpannen van het Militaire Tehuis te Kotta·R,adjah, en trouwens de geheele omgeving van het vriendelijke gebouW beschijnt. Stil is het in den omtrek; op 't warmst van den dag worden de werkzaamheden gestaakt, daar de zon zich in al hare kracht doet gevoelen. 't Is het uurtje van rust en stilte, en wie 't eenigszins doon kan, gaat in de schaduw van een kokospalm of onder de galerij van de Indische woning kalmpjes zitten uitblazen. in de lange waranda, die langs de groote zaal Ook van hot Tehuis loopt, vinden we twee mannen in rustig gesprek bijeen. Den een herkennen wij al spoe· dig. Al is ook zijn gelaat heel wat verbruind sedert we hem de laatste maal ontmoetten, al heeft zijn knevel aan dikte en donkere kleur gewonnen, al is .ook zijn gewone uniform in die van een korporaal veranderd, we zhm toch dadelijk dat we Paul TherviUe voor ons hebben. En die ander is dan zeker .... Raadt maar niet, want tien tegen een dat ge mis· raadt. Dat zult ge wel bemerken uit den loop van 't gesprek, als we dat even afluisteren. . "Dus je denkt dat na den dood alles afgeloopen is?" "Ja meneer, - ik heb 't nooit anders geloofd. Men 63 zal mij trouwens het tegendeel moeten bewijzen als ik 't gelooven moet I" : "Hoe zal iemand je dat bewijs leveren?" "Dat weet ik niet. ~ .. en daarom geloof ik 't niet. Wat ik niet kan zien, daar geloof ik niet aan, dat is er niet I" "Heb je misschien wel eens gehoord van Esser, den Haagschen straatprediker?" "Neen. Heeft die 't bewijs geleverd?" vroeg Paul spottend. De ander verloor zijn bedaardheid niet. "Dat niet I" a.ntwoordde hij. "Maar hij heeft eenmaal iemand, die vroeg wat jij vraagt, een zeer bevredi· gend antwoord gegeven. De man vroeg tenminste niet meer." "En wat was dat dan?" "Wel, er werd aan Esser gevraagd of hij 't bewijs kon leveren voor 't bestaan van 's menschen ziel. En . toen Esser antwoordde, dat hij dit bewijs niet z66 geven kon, dat hij een ziel aan den vrager kon too· nen, hernam deze: Dan is er ook geen t Wa.t ik niet zien kan, daaraan behoef ik niet te gelooven. Ei, vatte Esser zijn vrager weer bij zijn antwoord, - ik heb uw verstand nooit gezien, en u kunt het me ook niet laten zien, - dus moet ik aannemen, dat gij geen verstand hebt? - De vrager gaf geen antwoord meer, maar ging besch"amd weg." Een oogenblik zwegen beide mannen. Paul Therville draaide peinzend aan zijn knevel. Eindelijk hernam hij: "Dat was een ander geval I Ik zeg niet dat de mensch geen ziel heeft ...." "Dat heb je toch wèl gezegd ...." "Nu ja .•.. maar dat was meer. . .. enfin, ik geloof wèl dat de mensch een ziel heeft. Maar waarom zou ik aannemen dat die onsterfelijk is?" "Waarom zou je 't tegendeel aannemen? Wat ge· beurt er als je sterft? Dan staakt het hart zijn arbeid. 64 Dan weigert het geheele lichaam verder zijn dienst. Alles wat geschiedt is lichamelijk. Maar je ziel is dit niet I Is het nu aannemelijk dat die ziel tegelijk en even als het lichaam zou gedoemd zijn om te sterven?" "Ik weet het niet. Misschien .... het is niet onmogelijk dat u gelijk hebt. En als dat zoo was .... nu, dan zou een mensch niet veel rust hebben ...." "Juist niet.... En die onrust moet ons, mij en jou, drijven naar Hem, die g@zegd heeft: Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven!" "Ik zal er eens over denken.... Ik weet wel, dat 'k niet graag zó6, zoo als ik nou ben, zou sterven .•.. Ik zou niet graag in plaats van dien armen jongen zijn, in 't hospitaal. Zou hij sterven, denkt u?" "Brinkman is ernstig ge'wond," antwoordde de Evangelist, de huisvader uit het Militair Tehuis. "Ik heb al meer slachtoffers gezien van Atjehsche pijlen .... Ze vergiftigen de punten, en die geraakt wordt komt er niet licht van op .... " "Dus zou u denken dat hij er meê heengaat?" "Ik vrees van ja . . .. de dokter denkt het ten minste. Hij werd trouwens voor dood opgenomen." Paul Therville wendde zich zonder spreken om, en veegde met zijn mouw langs de oogen. Toen, zich weer herstellende, vroeg hij: "En wat zou u van hem denken als hij eens stierf?" "Daarover mogen wij niet oordeelen I "Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt," zegt de Schrift," "Zoudt u hem nog niet eens opzoeken?" "Dat is mijn plan. Van avond, na de samenkomst, zal ik naar het hospitaal gaan." "Dan ga ik met u mee, als u voor mij verlof kunt krijgen. Want, naar ik hoor, moeten we weer naar Batavia terug voor garnizoensdiensten, - en dus blijf ik graag tot 't laatste bij hem. Hij was een goede, trouwe jongdn. We kwamen :samen in dienst. 'k Dacht niet, dat hij nog eer gaan zou dan ik .. . ." "Kom, Therville, loop God niet vooruit," zeide de ander, "gij weet niet wat er nog gebeuren kan!" De huisva der had met Paul Therville, die een der samenkomsten in het Tehuis was gaan bijwonen met het doel daar eens "den boel in 't honderd te gooien", doch onder den indruk van 't gesprokene heel rustig was blijven luisteren, - reeds menig gesprek gehad. Paul Thervi lle had in de vijf jaren van zijn verblij f in Indiê, evenal s Jan, er ruw op los geleefd. Goddelijke wetten bestonden voor hen niet meer, en als ze aan de menschelijke nog gehoorzaamden, dan was dit alleen uit vrees voor de straf, die op de overtreding onmid· dellijk volgen zou, en trouwens reeds meer dan eens gevolgd was, zoodat hun register allesbehalve blank kon genoemd worden. Een jaar geleden was Paul echter met het voornemen bij Jan Brinkman gekome n om er nu "met dat beestenleven eens uit te scheide n." "Hoor eens, Jan," had hij gezegd, "ik weet niet hoe 't komt, maar 'k heb zoo 't-gevo el, dat we aardig op weg zijn 0I!s heelemaal naar den kelder te helpen. Jij weet zoo goed als ik, dat wij allesbehalve gunstig aangeschreven staan hij de chefs, dat verscheidene lul ons met den nek aankijken. We moeste n eens probeeren weer fatsoenlijke kerels te worden ," Jan Brinkm an had zijn vriend harteli jk uitgelachen. ."Loop heen, - wat begin je nou 1" riep hij uit. "Dat w eet ik niet precies, wat ik begin!" ant· woordde Pau!. "Maar waarmee we eindigen moeten is me heel helder. Met drinken, weet je. We wouên allebei wat worden in dienst, - we dachten nog wel voor iets goed te zijn, toen we in Batavia pas aan· kwamen, niet? En wat zijn we nou? Dronkelappen, en de verschoppelingen van 't bataljon I" "Jongen, jongen, wat bang jij den vrome uit I" spotte Jan. "Neen, Jan, neen 1 Ik wil a.llesbehalve den vrome In TeW,. haven 15 66 ,uithangen, ik wil niet 'vroom zijn ook, maar er zijn ook onder de niet·vromen fatsoen lijke lui en bij hen zou ik me gaarne voegen." nIk hou je niet vastt" zei Jan. nMaar wat mij betreft ga je maar alleen t Ik heb geen lust in wat anders, en ik geloof ook niet dat we voor wat, anders dan verschoppelingen bestemd zijn I" Tevergeefs had Therville beproefd zijn kameraad tot andere gedachten te brengen. Hij zelf nam echter het kloek besluit met het oude leven te breken. en voorta an standvastig voor den jenever te bedanken. , Maar .... Paul Therville kende niet den machtigen invloed van den alcohol op zijn dienaren, en bovenal, Paul Therville kende dien Eénen niet, die alleen kracht geeft om moedig en beslist met de zonde te breken. In eigen kracht wilde hij den nieuwen weg bewandelen, en al gelukte dit aanvankelijk wel, zoo zelfs dat zijn supérieuren wellicht om hem aan te moedigen, hem bevorderden - hij ondervond dat het gaan op dien nieuwen weg zonder stel:ln dan eigen wil, struikelen doet. En Paul, de korporaal, struikelde van tijd tot tijd. Hij hield den jeneve r tot vriend bij enkele gelegen· heden, en al was hij niet meer neen der verschoppelingen van het bataljo n", toch kwamen er opnieuw uren, waarin men Paul weer kon zien als vroeger, zich overgevend aan den drank en aan allerlei zingenot. In een van deze uren was het, dat hij op het onzalig denkbeeld kwam een der bijeenkomsten in het Militair Tehuis te verstoren. Doch suf en half ontnuchterd bleef hij zitten, ook toen de anderen weggingen. n Wil je niet even binnenkomen?" had de huisvader hem toen vriendelijk gevraagd. En toen was hij overrompeld. Hij had toen een lang gesprek gehad met den huisvader, een gesprek, dat hem al spoedig geheel uit zijn beneveling ontwaken deed, waarin hij 0nwillig en boos allen goeden raad I I I j I .1 l\ " I, I \ I i I I 67 -. : . rd den spot dreef, maar verwierp en met elk goed wooe dagen zijn gezegende volgend dat niet ualiet in de uitwerking te doen gevoelen. er voor het hierboven Dit was een maand ongeve medegedeelde gesprek. bevordering meer Jan Brinkman had zich na PaurlsPauls vriendenhll.rt en meer van hem afgekeerd, maaen. Nu was er voor vergat hem niet, gelijk we zag ere reden. zijn bp.langstelling ook een bijzond pje, waarbij Paul Eenige dagen te voren was een troeing uitgetrokken en Brinkman behoorden, op verkenn tseling was het naar een der Atjehsche kampongs. Plo ge overmacht troepje overvallen door een zoo geweldi h onder hen , Doc dat het in allerijl vluchten moest. overval, behoorde taan bij den die vooraan hadden ges g ter hulp op· Jan Brinkman, en toen een afdeelin dood, in een meende daagde vond men Jan, naar men gezonden troep had boschje liggen. De op verkenning bemerkt, omdat men zijn vermissing niet zoo spoedig geloofde dat hij gevlucht was. dood, doch tengevolge Jan was gelukkig echter niet verwondingen vcr· van de hem toegebrachte zwarewekkenden toestantl. keerde hij niettemin in deernis toen hij de wonden , De officier van gezondheid hadfä geschud en het ver· enkelijk het hoo onderzocht, bed spoedig volgen moeden uitgesproken, dat de dood wel zou. t en bezorgd. Paul Therville was daarover ongerus het er voor orden, dat Reeds was het hem duidelijk gew kman waarschijnlijk hen, die heengingen als Jan Brin e des grafs slecht been zou gaan, aan de andere zijd uitzag. dat hij zichzelf of Er was echter geen sprake van,wilde doen - zijn den huisvader deze bekentenis n, zijn niets·meertrotsche hart was nog niet gebroke schen had nog men willen-verwachten van God en ts gemaakt. ~aar 'n oelens plaa niet voor betere gev 68 ) onbestemd gevoel van onveiligheid omving hem èn voor zichzelf en nu vooral voor Jan Brinkman. Want diens toestand - de dokter had het immers gezegd, was hoogst ernstig. Arme jongen t Alleen, verlaten van iedereen, te sterven in een vreemd land, ver van het moederland, ver van het. ouderlijk huis, - welk een diep treurige gedachte I Dáár, in Holland, wachtte een oude, trouwe moeder, een beminnelijke zuster op tijding van zoon en broeder, en die tijding zou nu een doodsbericht zijn! In hoe langen tijd had Jan al niet geschreven I Na den eersten brief was er, voor zoo ver Paul wist, nog één weggegaan, van Atjeh, maar het scheen wel dat die niet terechtgekomen was, er was tenminste geen antwoord gekomen. 't Gebeurt wel eens meer, dat brieven, die per zeepost komen moeten, wegraken I Jan wist dus niet eens of zijn moeder nog leefde, of Christine haar nog ter hulpe was 1 Hoeveel kan er in vijf jaar tijds niet gebeuren I .... Dat waren de gedachten die Paul bestormden. Meer dan om eigen onrust, dacht hij aan Jans toestand ... , Wie zou, als hij, Paul, naar Batavia ging, voor 't bericht aan Jans moeder zorgen,' wie zou Jans erfenisje, het valiesje, de portretten en het Bijbeltje, - in ontvangst nemen? 't Gouvernement zeker, en 't zou bij den grooten hoop gaan, als 't adres van de nabe· staanden niet of niet gemakkelijk gevonden werd en niemand zou er meer naar omzien .... 't Bijbeltje! Als Paul dàt nu eens lezen kon, daar zou wel meer instaan over wat hij met den huisvader besproken had. Maar hij kon hém ook wel een Bijbel vragen! "'k Zou je danken I" mompelde Paul halfluid, _ ,,'k wil er geen praats over hebben. Als 'k nu stil dat van Jan krijgen kon 1 Maar dat zal niet gaan, of hij moest 't me geven I Nu, - waarom niet? Als hij toch dood gaat zal hij 't wel willen In elk geval kan ik 't probeeren I" missen I 69 Dien avonj bezocht hil met den huisvader Jan in het hospitaal. Onze vriend verkeerde werkelijk in hopeloo zen toestand, en de dokter had gezegd, dat hij, tenzij er een wonder gebeurde, zeker geen week meer leven zou. Doodsbleek lag hij, met de oogen gesloten, in de verbanden! Ternauwernood bemerkte bij, dat zijn vriend met den heer Kremers aan zijn bed stond. Paul stootte hem zachtjes aan den arm. "Ken je me nog, Jan 'r' "Jawel Paull" klonk heel zwak 't antwoord, terwijl de zieke de oogen even opende. "Hier is mijnheer Kremers ook, van 't Tehuis, bij kwam eens naar je kijken." Geen antwoord. Blijkbaar was de zieke niet in een toestand om een geregeld gesprek te kunnen voeren. De dokter ried dan ook af om verder te gaan. "Kom morgenochtend maar eens terug, ge kunt van mij een bewijs van toegang krijgen," zeide hij tot Paul, toen hij zag hoe teleurgesteld deze hem aankeek. graag, dokter," antwoordde Paul Therville. "Heel "En voor u is de toegang altijd vrij, zooals u weet," zeide de dokter tot den heer Kremers. "Daar ben ik dankbaar voor, dokter 1" antwoordde de heer Kremers. "Maar morgenochtend zal ik er geen gebruik van kunnen maken I"~ Voor het oogenblik liet het tweetal den zieke dus alleen. Hij bemerkte blijkbaar hun vertrek niet eens. Avonds kwam voor Paul Therville de lang · ver's wachte order: voor garnizoensdiensten terug naar Batavia. Therville en Brinkman behoorden tot hetzelfde bataljon, maar er was natuurlijk geen denken aan, dat de laatste mee kon. Therville bedacht, dat Brinkman wel spoedig een andere reis aanvaarden 70 \ ) n sprake, en het zou, waarbij van terugkeeren gee zijn I zou aankomen onzeker en onbestemd toch ste llig 't 't? Mijnheer Kremers verzekerde in den hemel Zou men, 't zij dan tegendeel. Aankomen deed er niet. Zoo had of in de hel, een tusschending was ger ook ove r ge· zijn Amsterdamsche vriend er vroeden, - wa t was sproken I Wa t was dat al jare n gele veel bedorven, wat er veel voorgevallen na dien tijd, viel I Pauls geheele t meer te herstellen waaraau nie ns schuld wr. s't? leven, - tot op dit oogenblik I Wie aan zijn ouders, consciêntievraag Paul dac ht bij die te beschuldigen. En maar hij had niet den moed hen n verwoest! leve toch had hun opvoeding zijn sde, in de stil te Toen hij dezen avond daarover pein bespied, weende and van het nachtelijk uur, door niem l Therville. Pau jaar misschien, Straks, na een week, een maand, een n, dan zou hij kma - zou 't hem gaan als .Tan Brin dood. En dan zou rliggen, worstelende me t den ook nee hij verliezen en heengaan! ag: Wá árh een ? En weer drong die onverbiddelijke vra bad onbewust, . Hij zich op aan zijn ziel. En hij bad I" toen hij uitriep: "0, God, help mij alleen naa r het Den volgenden ochtend ging hij zeer goeden toe· schijnbaar hospitaal. Hij vond Jan in e zonder pijn, al· stand, opgewekt en naar hij zeidlaatste dagen. Hij thans zonder de hevige pijnen der die veel stil ler was sprak vrij vroolijk met Therville, dan de zieke zelf. kman op eens. "W aar treu r jij over?" vroeg Brin l me nie t zoo· 'k Voe nOch kerel, - weet ik het! t rustig, zoo onbe· als 'k wel wou dat ik was! Nie har t!" vredigd, 't is zoo leeg hier, in mijn nHoe kom je aan zulk en onzin I" hier zoo ernstig je "Onzin? Zeg jij dat, Jan , terwijl ngaat?" jij nu waa r je hee ziek ligt ? We et ..... .......... ....... .. 71 "Als 'k oeter ben naar Batavia, net alsjij, denk ik I" "Maar als je nu eens niet beter werd?" "Wie zegt dat?" "Dat zegt niemand, maar 't kon toch \" ,,0, alles kan I Nou ja, dood is dood, "7 dat heb jij zelf me altijd voorgepreektI" "Ja, da's waar. Maar 'k denk er nu toch een beetje anders over I" Dat heeft je die Kremers zeker aan"Och kom? gelepeldis een man, die 't goed met ons meent, Jan I" "Hij 1" "Een zeur, een zemelaar op zijn best, als 't geen huichelaar is. Houd je met dien onzin niet op I" "Dat moet je niet van hem zeggen, Jan. Hij houdt van ons, van jou ook. Ernstig heeft hij over je ge· sproken, en over ie toekomst. 'k Hoop dat hij zelf nog eens komt .... ' "Laat hem maar wegblij ven I Wat heb ik er aan?" "Ja, dat je onverschillig bent, kan ik je niet ver· wijten. Ik heb 't je zelf geleerd, maar 'k wou dat ik nou anders was, dat we wat meer in jou Bijbeltje badden gekeken dan in 't jeneverglas ...." "Als je dominé wilt worden, kan je dat Bijbeltje voor mijn part als studieboek krijgen .... Ik .... heb er toch niks aan \" ,,'k Had het je willen vragen, Jan, - als een souvenir. Als we elkaar niet meer zien, wat heel waarschijnlijk is, dan hoop ik het aan je moeder terug te brengen." "Mij wel, maar ik ben er zoo zeker niet van, dat ik je nog niet weer eens ontmoeten zal. ·Ik ben taai, boor. Daarom, voor wat hoort wat I Wat krijg ik er voor van jou 1" "Ik heb niet veel.... Maar wacht ... , hier, neem dezen ring dan in ruil. Voor een paar weken, bij dien eersten overval, hebben we nog al wat buit gemaakt. Ik heb de lui bun gang laten gaan, en een 72 hunner gaf mij dat ding. Je ziet, veel waarde heeft 't niet, 't is gewoon zilver, maar op Inlandsche manier bewerkt, wat nog al merkwaardig is." "Och, om de waarde is 't me niet te doen, 't is maar een aardigheid. Dankje, 'k zal hem tot aan m'n dood bij me dragen, hoor I Als je nou den oppasser roepen wilt, dan kan die uit m'n valies het Bijbeltje geven." . Zoo geschiedde het. De ruil had plaats, en Therville verliet, na van zijn vriend voor goed afscheid te hebben genomen, het hospitaal. In de galerij ontmoette hij den officier van ge· zondheid. "Is Jan Brinkman niet heel wat beter vandaag, dokter ?" vroeg hij, het militair saluut makende. "Ik vrees dat het de laatste opflikkering is, korpo· raal !'.' antwoordde de dokter welwillend. "De jongen heeft een heele knauw gehad. Met 'n paar dagen zal 't wel gedaan zijn I" "Dank u dokter !" stamelde Therville. "Arme jongen I" Voor hij weggin g bezocht hij den heer Kremers tot afscheid. Over het Bijbeltje sprak hij niet, alleen ver· zocht hij hem nog eens naar Jan te gaan zien en . voor zijn nalaten schap te willen zorgen als hij stierf. De huisvader beloofde dit, en nam van Therville hartelijk afscheid. Paul vortrok met zijn regiment naar Batavia, in 't bezit van Brinkman's bijna nieuw, ongebruikt BijbeltJe. Een half jaar was verloopen. Van Brinkman noch van den heer Kremers had Therville iets vernomen. Voor hem zelf was de tijd gekomen om zich te beo denken of hij al of niet bijteek enen zou. Hij was.wel voornemens dit te doen, maar had nog geen besluit genomen, toen hij op zekeren dag op het bureau van zijn kapitein geroepen werd, en uit diens handen een 73 groot, verzegeld couvert van een advocaat uit Amsterdam, ontving, hetwelk tot Therville's groote verbazing het bericht inhield, dat zijn oom George, aldaar kinderloos overleden, bem tot erfgenaam had gemaakt van diens goudsmidszaak, huis en goederen, benevens van een kapitaaltje in geld. Therville stond als van den bliksem getroffen. Dát had hij geen oogenblik verwacht, - want tijdens zjjn leven had die oom zich van Paul nooit iets aangetrokken. Maar hoe ook, - Pauls besluit was nu genomen, hij teek ende niet bij, en ging na afloop van zijn diensttijd in burgerkleeding naar Holland terug. • VII. m HOLLAND TERUG. Het stoomschip "Burgemeester den Tex" naderde de Nederlandsche kust. De vuurtorens van IJmuiden waren in 't zicht, en in · 't blijde vooruitzicht binnen eenige uren voet aan wal te zetten, hoopten de passagiers op den grooten stoom er bijeen, in blijde verwachting starend naar 't geliefde land, waar "hun wieg eens stond", - wat althans ·van 't grootste deel der passagiers kon worden gezegd. Slechts enkelen waren er, die in lndiê geboren, Hollands duin en en Hollands vlakke land nog nooit hadden aanschouwd, . en die van Holland alleen iets wisten uit de gesprekken in lndiê en op de booten, en door 't geen ze over het Moederland hadden gelezen.. , 74 - , hoog gespannen Hunne verwachting was nie t minder de Hollanders. En toch, 't dan die der terugkeeren hts teleurstelling was wa_~rschijnlijk, dat hun slec r de natuur één waa wachtte. Komende uit een land, rd in den nat ten rlijkheid is, waar, uitgezonde plantengroei bijna hee moeson (regentijd) zonneschijn en waa r men geen een aardsch Paradijs scheppen, als hier, moet de steden me t kazernehuizen ken t nvallen. kennismaking met Holland wel tege uitzien naar het 't zij, - verlangend Maar hoe splaats, doen allen. einde der reis, naar de landing hun ner beteekent "voet aan Wa nt voor de meesten n en vrienden. 'wal zet ten ": wederzie.p van geliefderug tegen de verden Helaas nie t voor alren. Met ken zat Paul Therschansing en de handen in de zak , druk-pratende lijke ville te kijken naar de bewege vreemde, verwarde zigers. Hij was in een mederei tormden hem, toe n stemming. Allerlei gedachten bes maakte tusschen hij onwillekeurig een vergelijking terugkomst op dit zijn vert rek uit Nederland en zijn oo~enblik. nialen soldaat, Toen in de uniform van den kolo lang soldateneen met geen ander vooruitzicht dan rijken, misschien leven, of een spoedigen, misschien roem eden dat tege n verl gansch roemloozen dood, en een als andere pas saigde. Nu in burgerkleeding hem getu een sinds jaren goed giers, eigenaa r van een zaak, die hts wachtte op den bekenden naam had en die slec van een kapitaaltje, rechtmatigen eigenaar, bez itte r dus schooner geworden en een ver led en. ... dat, ja, nie t nu met al zijn zonwas in Indischen dienst, maa r dat e en smaad, uitgeden en vlekken, met al zijn schand in het bloed van wischt en schoongewasschen was reinigt. Wa nt in Jezus Christus, dat van alle zonden nde en zoekende leze de eenzaamheid van zijn kaj uit, le vergeving zijn er s Woord, had Paul Thervil in God Kruises I zonden gevonden door het bloed des . , 75 Hoe ze~ende hij nu het oogenblik waarop de heer Kremers hem voor het eerst over den weg tot behoud gesproken had. En hoezeer betreurde hij het, dat hij niet met Jan van hart tot hart over deze dingen had kunnen spreken. Ja, vooral met Jan I Want Paul ver· gat niet hoeveel hij te danken had aan diens Bijbeltje I Eenerzijds betreurde hij het, dat hij Jan van dien grooten troost had beroofd door hem de ruiling met den ring voor te stellen, aan de andere zijde erkende bij daarin Gods genadige leiding, die hem, den ver· latene, den eenzame van hart, dit boekske had willen doen kennen, hem had willen bepalen bij het eeuwig en waarachtig Woord des Vredes en van verzoening. Ja, hij had voor deze bestiering God den Heere uit den grond zijns harten gedankt, toen hij, na moeilijke en droeve dagen, dagen van vertwijfeling en wanhoop, eindelijk de rust voor zijn ziel gevonden had, eindelijk de hoop in zijn hart had voelen worden tot zekerheid, dat de Heiland ook voor hem was gestorven I Vreemd en wonderlijk nog was hem die nieuwe toestand, en hij voelde grootelijks behoefte aan dezul· ken, die meer wisten dan hij van het nieuwe leven, dat in hem was geopenbaard. Maar hoe zou hij die aan boord vinden? Daarom verlangde ook hij naar Holland, naar de weinige bekenden, die hij nog had, en naar de onbekenden, die hij zoeken wilde. . .. J ans moeder en zuster. Want hij begreep, dat zij, die haar zoon zulk een heerlijk geschenk bij het droevig afscheid medegegeven had, ook zelve den Troost des eeuwigen , levens moest deelachtig zijn I En denkende aan haar, bepaalden zijn gedachten zich bij de taak die hij op zich genomen had. Hij zou Jans moeder tijding van haar zoon brengen I Maar welke tijding I Dat Jan doodziek, bijna stervende, neerlag toen hij hem, nu eenige maanden geleden, verliet? En wat kon hij anders zeggen? Hij had, hoewel hij vóór zijn vertrek nog inlichtingen g~vraagd 76 ) had, - die niet meer bekomen I Mocht hij de moeder vleien met de hoop, dat haar zoon nog in leven was, waar hij zelf er van overtuigd was, dat Jan reeds lang het tijdelijke met het eeuwige verwisseld had? Het was voor Paul Therville een moeilijk geval. Maar dan bedacht hij weer, dat de moeder, indien Jan gestorven was, daarvan wel bericht zou hebben ontvangen, en in elk geval zou 't voor hem het bestezijn haar te bezoeken om te hooren of zij er meer van wist dan hij. Hoe - 't zij .... hij wist nu, op dit oogenblik, dat niemand hem verwelkomen zou. Zijn oude bekenden uit Amsterdam? Van geen hunner had ttij ooit weer gehoord, na zijn vertrek naar Indiê. Wisten zij dat hij terug kwam, wisten zij waarom en hoe? Immers neen I Hij behoefde op geen welkom bij het betreden van den vaderlandschen bodem te hopen. Daarom hield hij zich achteraf. Maar eindelijk, toen de groote menigte wachtenden reeds te onderscheiden was, werd de verzoeking om ook te kijken, hem te . sterk. Hij stond op, ging naar zijn kajuit om zijn kleine koffertje, waarin zich zijn weinige bezittingen, o. a. het Bijbeltje, bevonden, te halen, en voegde zich toen bij de andere passagiers. De stoomer naderde de aanlegplaats. Steeds langzamer ging de machine om de vaart te verminderen. Eindelijk lag het- gevaarte voor den steiger. Een hoera ging op uit de menigte, gewuif en geroep van passagiers en van wachtenden, blijde uitroepen van herkenning. De passagiers gingen, na den kapitein en de bemanning gegroet en enkele bevelen voor de bezorging van hun goed aan de sjouwers gegeven te hebben, over de loopbrug aan wal. Paul pakte zijn koffertje op en verliet eveteens het schip, waar hij den grootsten schat gevonden had. Met de eerstvolgende gelegenheid begaf hij zich naar Amsterdam I Hoe vreemd kwam hem de stad voor, 77 " met zijn aanbouwen zijn verbouwde huizen. Toch wist hij den weg nog wel, want de hoofdstad was Pauls geboorteplaats, en hij had er ongeveer twintig jaren van zijn leven doorgebracht. Na voor logies gezorgd te hebben bezocht hij allereerst den notaris op de Keizersgracht, die hem geschreven had over de erfenis van oom George. Gelukkig vond hij dezen op zijn kantoor, en in een . zeer welwillende stemming, zoodat hij Paul al heel spoedig op streek hielp. Een zijner bedienden verge· zeIde Paul naar aet gesloten huis van zijnen oom, om een en ander in oogenschouw te nemen. De zaak van wijlen den heer George Therville was ge· vestigd in een der oude straten, hoewel niet in een hoofdstraat, en was na den dood van den eigenaar sinds eenige maanden gesloten geweest. In het oude, maar vriendelijke huis, hing een onaangename lucht, 't gevolg van in lang niet geopende ramen en deuren. De bediende vertelde Therville, dat een en ander vooreerst in denzelfden toestand moest blijven, totdat enkele formaliteiten vervuld waren, waarna de over· dracht aan den rechtmatigen eigenaar zou kunnen plaats hebben. "Hoelang kan dat nog duren, mijnheer?" vroeg Pau!. "Op z'n minst nog een dag of veertien, mijnheer Therville", zeide de bediende beleefd. Paul had er al lang over nagedacht, wat hij eigen· lijk zou moeten doen als hij eenmaal stond voor het feit zijne erfenis te moeten aanvaarden, doch tot een vast besluit was hij nog niet gekomen. Toch had hij wel een plannetje gemaakt, dat naar hij noopte, slagen zou. Hij had, zooals we weten, in het goudsmidsvak zich slechts half bekwaamd, en in Indiê had hij veel van het geleerde vergeten. Hij begreep dus, dat hij niet zelf de leiding der zaak, die hij wenschte voort te zetten, hebben kon, en vroeg daarom: "Weet u ook, met welk ·personeel mijn oom werkte?" 78 "Eén chef, zoo'n soort meesterknecht, en twee an· dere knechts. Mijnheer zelf was meest in den winkel." "En waar zijn die menschen nu?" "Ze hebben, meen ik, werk gevonden bij een juwe· lier op den Nieuwendijk. Van Zalingen, de chef·meester· knecht, is er niet beter op geworden, hij moest het handwerk als knecht voortzetten." "Hoe oud is hij?" ' "Een man van een goede dertig jaar, denk ik." "U ~oudt me een genoegen doen met mij 't adres van dien juwelier even te geven." De bediende voldeed aan dit verzoek, en nadat ze het gesloten huis verlaten hadden, begaf Paul zich naar den Nieuwendijk. Hij vond daar gelegenheid met van Zalingen kennis te maken,' inderdaad een ge· schikte, flinke man, die hem goed te woord stond, en niet weinig ophoorde, toen hij vernam, dat hij met den neef en erfgenaam van zijn vroegeren patroon sprak. "Ik kwam u vragen," zeide Therville, "of gij ge) negen zoudt zijn uw oude betrekking weer op te vatten als ik de zaak in handen heb. Hebt ge er zin in, dan bespreken we later, van avond of morgen, zooals ge wilt, de voorwaarden." Het is te begrijpen, dat. van Zalingen geen oogen· blik aarzelde, ook al kende hij zijn nieuwen patroon nog niet. Hij was een rechtschapen man en bemerkte spoedig, dat hij met een eerlijk, maar onkundig vakman te doen had. Over de voorwaarden werden ze het dien avond nog eens, en in dit opzicht goed ge· slaagd, blijmoedig ~estemd, begaf Paul zich in zijn logement , ter ruste, na God te hebben gedankt voor de hulp en de goedheid t hem ook dezen dag weer bewezen. I 79 VIII. DROEVIGE EN BLIJDE DAGEN. i \. Het was heerlijk weder, toen Paul Therville den volgenden dag naar het Centraal·station wandelde om den trein naar Utrecht te nemen. Amsterdam baadde zich in vroolijk zonlicht en leverde een onbeschrijflijk schoonen aanblik, met zijn tallooze torenspit.'ien, die zilver-schitterend boven de hooge huizen-rijen uitstaken. De menschen liepen met blije gezichten naar hun werk, de vogels tjilpten op de daken en witte meeuwen schoten over het IJ·vlak. De drukte op de kaden en aan het groote water achter het Station lokte uit om er naar te kijken. Maar Paul had op dit oogenblik weinig oog voor de bekoorlijkheid van de groote stad in het zonlicht. Zij was nu zijn woonplaats weer, nog lang kon hij van haar schoon genieten. Voor 't oogenblik waren zijne gedachten meer dan ooit vervuld van 't doel zij ner reis. Hij wenschte hoe eer hoe liever kennis te maken met Jan's moeder, in wie hij een vriendin en eon goede raadgeefster op den pas door hem ingeslagen weg hoopte te vinden. Vandaar dat hij zulk een haast maakte om haar te bezoeken. Even goed had hij dat een dag of acht of nog langer kunnen uitstellen, maar zijn hart liet hem geen rust. Het Bijbeltje, dat hij door den ruil van den geroofden ring had verkregen, kwam hem, zoo meende hij thans, eigenlijk niet toe, 't was het eigendom der moeder, die dezen gids haren zoon had meêgegeven, en aan haar wilde hij haar eigendom teruggeven. Paul bezat de middelen om 80 zichzelf ee;I exemplaar aan te schaffen van het heerlijke Boek, waarin de Woorden des Levens waren. Het Bijbeltje droeg hij in een taschje, dat nog enkele reisbenoodigdheden bevatte, en, klein als het was, nam het maar weinig plaats in. Paul was half blijde, half droevig gestemd, en dit laatste vooral als hij dacht aan den armen jongen, dien hij st~rvende op Sumatra had achtergelaten, en aan de moeder, wie hij de droeve tijding brengen of bevestigen moest. Doch het gezicht op het heerlijke landschap dat, in den trein gezeten, aan zijne oogen voorbijgleed, vaagde die droevige gedachtell weer weg. "Hoe schoon is toch de aarde I" dacht hij. "En hoe groot moet toch wel haar Schepper zijn, de Schepper niet alleen van die aarde, maar van de gansche wereld, van zon, maan, sterren. En welk een vreeselijke gedachte, dat door de zonde die geheele aarde ligt onder den vloek Godsl Maar Gode zij dank, er was, - hij had het ervaren, - ontkoming aan dien vloek. "Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon", ) herhaalde hij in stilte, "reinigt van alle zonden." En zijn oogen glansden, toen hij weer gevoelde die blijde verzekerdheid, dat ook zijn hart vernieuwd en een tempel des Heiligen .Geestes geworden was. Ongestoord kon hij zich aan deze gelukk,ig makende gedachten overgeven, want hij was de eenige rei7.iger in dezell coupé, en hoewel hij in Nieuwersluis gezelschap kreeg, was dit toch niet zoo luidruchtig als men het nog al eens in spoorwagens aantreft, en dat dikwijls al het genot van een reisje vergallen kan. Te Utrecht aangekomen informeerde hij, geheel onbekend met de streek, naar den kortsten weg naar D. Men hielp hem spoedig terecht, en een half uur later zat hij in de tram, die hem naar ' Z. bracht, vanwaar uit hij te voet of per rijtuig D. gemakkelijk bereiken kon. Hij besloot den verderen 'Yeg te voet af te leggen. r 81 Het was prachtig weer, dat tot een wandeling uitlokte. En Paul was zoowel een liefhebber van wandelen als van de natuur. Met schaamte bekende hij zichzelf thans, dat hij in ons schoone Indiê aan de heerlijkheid der Oostersche natuur maar weinig aandacht geschonken, ja, die dikwijls zelfs met anderen door ruwe dronkemanstooneelen ontwijd had. Doch, Gode zij dank, dit alles was voorbij. Hij was een nieuw leven ingetreden, geestelijk zoo wel als maatschappelijk. Hij mocht weder verkeeren onder de menschen, zonder dat zijn verleden en zijn positie hem afstootten, - en, wat méér beteekende, hij wist, dat hij niet alleen bij dO menschen, maar ook e bij God een geopenden weg vinden zou, en bij Hem kon klagen allen nood van lichaam en ziel. Onder dergelijke opwekkende en vertroostende gedachten vervolgde hij zijnen weg. Het was nog een aardige wandeling, doch Paul was in den Indi· schen dienst aan vermoeiende marschen gewend. Doch eindelijk, na een goede anderhalf uur, zag hij de spits van een kerktoren boven het geboomte uitsteken. "Van welk dorp is die toren?" vroeg Paul aan een tuinman, die, op zijn schop geleund, in een der tuinen van de vele aan den weg gebouwde villa's naar den voorbijganger keek. "Van D., om u te dienen I" zei de man bl'lleefd, terwijl hij aan zijn pet tikte. "Nog een stief ketierke I" "Dank je weIl" zeide Paul, den man een sigaar aanbiedend. "Verplicht, meneer I" hernam de tuinman en ging weer aan zijn werk, terwijl Paul doorstapte. "Het "stief ketierke" werd nog een klein halfuurtje, maar toen ook bevond Paul zich midden in het lief· gelegen plaatsje. De vrij lange dorpsstraat maakte een prettigen indruk, afgebroken als de rij winkels hier en daar werd door een kleine, met een tuintje ID veilige baveD , 6 82 omgeven villa, en het nette Raadhuis met postkantoor in het midden. Hier moest dus de weduwe Brinkman wonen. Hij zou dezen of genen maar eens naar haar vragen. Wacht eens, - zij had een kruidenierswinkel, zooals ze voor eenige jaren aan Jan geschreven had. Hoewel, in een paar jaar tijds kan er veel veranderen. "Toch kon ik eerst wel eens zoeken zonder naar hen te vragen, dat geeft in een dorp zoo licht opspraak," dacht Paul, en begon de omgeving eens wat nauw· ke~riger op te nemen. Hij had nog geen vijftig passen gedaan toen zijn aandacht viel op een sierlijk ijzeren uithangbord: 1) E ~ G E1) E TC GGp. Wed. J. BRINK MAN. ) Paul was dus terecht . Hij keek het nette, blijkbaar voor een paar jaren pas gebouwde huisje eens aan. De kruidenierszaak "De Goede Hoop" was ontegenzeggelijk een der netste winkels van 't dorp. Wel had zij geen spiegelruiten zooals de naastaangelegen manufactuur-affaire, maar toch, in de heldere door geen spatten bemorste vier· kante ruiten, had men zich met een beetje goeden wil wel kunnen spiegelen, evenals in de flesschen en tromm els, die in de uitstalling stonden achter de twee ramen aan de eene zij de van de deur j aan den anderen kant was één raam, waarvoor helderwitte gordijnen in strakk e plooitjes neerhingen, en even zoo zag het kleine venste r in den schuin oploopenden gevel er uit. "Wat een aardig huisje I" dacht Paul. "Doch met er v66r te blijven staan kom ik niet verder. Ik zal maar eens binnen gaan." 83 Hij opende de winkeldeur en trad binnen. Op het geluid van de schel kwam uit de zijkamer, kl aar· blijkelijk die, welke met het eene raam op de straa.t uitzag, een jong meisje in stemmig zwarte kleeding te voorschijn, dat eenigszins onthutst den bezoeker aankeek j het was duidelijk dat ze aan dergelijke winkelklanten niet gewoon was. Paul herkende onmiddellijk Jans zuster Christine, want hij herinnerde zich haar portret nog zoo duide· lijk, alsof hij het gisteren gezien had. Wat was zij weinig veranderd I Nog datzelfde vriendelijke, welbesneden gelaat met die sprekende oogen. Doch Paul had niet veel gelegenheid om dergelijke bespiegelingen voort te zetten, want hij moest antwoord"geven op haar vraag: "Wat blieft u, meneer?" . "Ik. ..• ik.... U is zeker juffrouw Brinkman, juffrouw?" stamelde .hij. "Ja, mijnheert" antwoordde het meisje verwonderd over de eenigszins vreemde vraag van haar nieu wen klant. "Is uw moeder, de weduwe Brinkman, ook te spreken?" "Kan ik u niet helpen, meneer? Moeder is vandaag juist naar Utrecht." "Dat spijt me geducht," hernam Pau!. "Nu, dan zal ik toch moeten zeggen wie ik ben. Mijn naam is Paul Therville I" "Paul Therville I" . riep Christine uit. "Paul Tber· ville, de vrind van Jan?" "Ja, die ben ik t Hij heeft vroeger eens over mij geschreven t" "Ja ééns. En zegt u eens, - leeft hij nog? Hebt u, - ben u er bij geweest toen ..•• och, meneer, wij hebben een doodsbericht van hem, maar moeder wil het maar niet gelooven t Daarom vroeg ik zoo ' vreemdi" - - .Het meisje barstte in snikken uit. Paul kon in 't eerst geen woorden vinden om baar I • ) 84 te troosten, doch eindelijk stamelde hij: "Nu juf. frouw .... toen ik hem 't laatst gezien heb . . . . toen leefde hij nog I" . Dat ';vas zeker geen afdoende troostgrond, maar het had toch tengevolge dat Christine wat bedaarde, en hem toen uitnoodigde binnen te komen. "Dat zal ik graag doen I Dan kan ik u rustig en ongestoord, voordat uw moeder thuis komt, zeggen wat ik van Jan weet, en u kunt mij zeggen wat u weet!" . "Och meneer," zeide Christine, toen Paul tegenover haar in de kleine, gezellige huiskamer zat, "wij hebben zulk een droevigen tijd doorleefd. Ik ben er zeker van dat we Ján nooit meer zullen zien, maar moeder wil er niet van hooren. Ze zegt, dat we dan wel zekerheid zouden gekregen hebben .... " , "Wat hebt u dan eigenlijk gehoord 1" vroeg Paul, die 't raadzamer vond zelf eerst te onderzoeken welke tijding hier aangekomen was, dan dadelijk voor den dag te komen met wat hij wist, wat trouwens al heel weinig was. . Christine zocht in een lade van de mahoniehouten kast, die als een spiegel glom, en haalde een oude courant, een Handelsblad van ongeveer acht maanden geleden te voorschijn. . : r.Ziet u eens! Dat is hetgeen we gehoord hebben." En zij wees het volgend bericht aan: ATJEH. Bij een verkenning in de VII 'Moekims werd de troep onder bevel van den luitenant • • • door een groote meerderheid Atjehers uit een benting in de nabijheid overvallen. Een verwoed gevecht volgde, waarin van den vijand ondorscheidene dooden vielen. Aan onze zijde sneu velde een Inlandsch fuselier, stamboeknummer 35681; en een · Europeaan, stamboeknummer 29156, {hij 85 word voor dood in het hospitaal opgenomen), e drie minderen werden lichter gewond. Dat is Jans stamboeknummer. Hij zelf heeft het ons nooit geschreven, maar voor een paar jaar heeft de meester op verzoek van moeder eens naar den Minister geschreven, en toen kregen we na een paar maanden het antwoord dat aan het Ministerie van Koloniën omtrent den fuselier Jan Brinkman, stam· boeknummer 29156, niets naders bekend was, dan dat hij was ingedeeld bij een der. • .. ik weet niet meer welk bataljon, te Padang I" , "Ja, daar waren , we samen I" viel Paul het jonge meisje in de rede. "En toen kwam op eens dat vreeselijke nieuws in de krant I 0, 't was een slag voor moeder, dat kunt u begrijpen, hoewel de dominee ons heel voorzichtig voorbereidde. Maar er was weinig te twijfelen, dunkt mij .... " "Nu, juffronw.... zoo heel zeker staat er in dat bericht toch niet, dat Jan dood is .... hij werd voor dood opgenomen.... staat er. En dat is de waarheid, want zooals ik u zei leefde hij nog, toen ik van Kotta-Radjah naar Batavia terugkeeren moest. Echter, ik mag u niet de minste hoop geven: Ik geloof dat Jan toen stervende was .... en dat was ook de meening van den dokter. Hij was inderdaad doodelijk gekwetst, hoewel hij dit zichzelf niet bewust was hij meende dat 't zoo erg niet was .... " "En toen .... hebt u toen niets meer van Jan gehoord?" vroeg Christine in spanning. ' :,Neen, ik schreef nog ééns, van uit Batavia aan den huisvader ,van het Militaire Tehuis te Kotta·Radjah, dje zich zeer voor hem - voor alle militairen trouwens - interesseerde, maar ik heb van dezen geen antwoord gehad. Zoo gaarne had ik iets.... ik had zoo graag u iets goeds willen zeggen omtrent zijn toestand,. - 86 . . ) niet wat zijn lichaam betreft , maar zijn ziel, maar .ik vrees .... Wie weet? Ik had zoo vee) hoop op den heer Kremers, van het Militair Tehuis, die zulk een gezege nJ werk daar doet. Door Gods genade heeft hij mij op mijn zondigen weg tegengehouden, en ben ik nu die ik ben. Jans Bijbeltje, juffrouw Christine, dat ik bij me heb, om het uw moeder terug te geven als haar eigendom, is daarna mijn gids op den weg ten leven geweest. Heerlijke uren heb ik aan boord doorgebracht, als ik daarin lezen kOD, en het mij duidelijk werd hoe groote genade God aan zondaren bewijzen wilde, aan zondaren zooals ik ...... Christine had zwijgend, met een droevigen trek op haar schoon gelaat, toegeluisterd. "Dat is nog het ergste van alles, mijnheer Therville," zeide ze weemoedig, "te denken dat Jan heengegaan is zonder de hope des eeuwigen levens. 0, wat zal dat moeder een bittere smart zijn 1" "Laat ons God niet vooruitloopen, juffrouw Christine 1 Als Jan gestorven is, dan weten we immers nog niet of God niet ter elfder ure zijne oogen geopend heeft. Hij is immers de Vrijmachtige, die zelfs bij het naderen van den dood volkomen uitkom st geven kan 1" "Waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade overvloediger 1" sprak Christine, zacht, als voor zict.zelf. "Laat dat ook de troost voor uwe moeder zijn I" hernam Paul, die haar woorden opgevangen had. "Wanneer kan zij terug zijn?" vroeg hij verder. "Dat kan wel tegen den avond worden, mijnheer Therville. Moeder is bestellingen doen, en dan blijft ze meestal wat lang weg I" "Ik had gaarne met haar kennis gemaakt, maar ik zal dat nu niet kunnen doen. Mag ik u dan Jans Bijbeltje afgeven 7" "Heeft hij u dat verzocht?" vroeg Christine. "Neen. Ik verzuimde 't u te vertellen. Ik: zou '., 87 .'. misschien kunnen zeggen, dat het Bijbeltje nu van mij is, maar 'k wil het niet houden, het komt veeleer uw moeder toe." En nu vertelde Paul, dat hij 't Bijbeltje geruild bad en wat hem daartoe had bewogen. "Maar dan moogt u 't ook houden I" meende Cbristine. "Neen, al mocht ik 't ook, ik zou uw moeder niet van zulk een herinnering willen berooven. Het moge haar tot blijdschap strekken, dat het althans één ziel ten zegen geweest is. Mag ik 't weergeven?" "Maar mijnheer, waarom zoudt u nu vertrekken ? U kunt toch evengoed hier blijven en op haar wachton?" "Ik moet weer naar Amsterdam terug, juffrouw Christine." En hij vertelde haar op welk een bijzondere wijze God hem gezegend had. "In elk geval is u toch niet zoo gehaast, - sinds een paar .maanden hebben we een kamertje gereed staan voor Jan.... indien hij terug mocht komen. Maar nu er iemand komt, die zijn beste vrind was in het verre land, waarom zou die het niet voor een enkelen keer betrekken?" Zij glimlachte terwijl niette · min de tranen haar in de oogen stonden. Paul ging op het vriendelijk aanbod niet dadelijk in. Hij praatte over zijn nieuwe omgeving in Amster· dam, over het leven in Indiê, over alles en nog wat, maar zorgvuldig vermeed hij toespelingen op Jans wedervaren. "U hebt het goed getroffen," zei Christine, toen hij verteld had dat hij nu weer in het goudvak wilde gaan. "Zeker beter dan ik verdiende of ooit had durven hopen," antwoordde hij. "En toch is het me zoo vreemd, zoo erg vreemd, - net alsof het niet zoo moest wezen, eigenlijk ofik verdwaald ben in die omgeving. 's Avonds, als ik in de bOtel·kamer zit, en ik denk er dan aan '. dat ik over een korte poos zoo in mijn eigen huis zitten zal, ·alleen en ongezellig, dan ...• dan wensch 88 ik wel eens, dat .... ik weet eigenlijk niet wat. Maar bevredigd ben ik niet I" "We zullen het hier op aarde wel nooit krijgen precies zooals we 't hebben moeten naar 6nzen zin, - en dat is maar goed ook, want we hebben hier ng een blijvende plaats", zooals de Apostel Paulus zegt." Ze had onderwijl gezorgd dat hij kon blijven eten, en hij had beloofd te zullen blijven tot haar moeder thuiskwam. Gelukkig duurde dat niet zoo heel lang, en toen ze kwam vond ze den maaltijd klaar. Maar die bleef bijna' onaangeroerd staan. Want, gelijk begrijpelijk is, was zij buitengewoon verrast, toen zij in haar anders zoo stille woning een gast vond, en nog meer, toen die aan baar bekend gemaakt werd als Paul Therville, de vriend van Jan. Zij overstelpte hem met vragen, waarop 'rherville echter niet meer kon mededeel en dan wat hij aan Christine reeds verteld had, doch dat wekte bij de weduwe nieuwe hoop. nO, neen," riep ze uit, nik kan nu nog minder dan ooit gelooven, dat ik mijn jongen voor goed verloren ) zou hebben. Want zie eens als hij nu toch werkelijk weggenomen was, zou u er dan niets van gehoord hebben, heelemaal niets? En kan dat nummer geen vergissing zijn, mijnheer Therville?' En zouden ze ' in Den Haag dan zoo slordig zijn, dat ze ons geen bericht zouden sturen als bij dood was? 0, neen, ik geloof er niets van, niets I" "'t Is natuurlijk wel mogelijk, dat u gelijk bebt, juffrouw I" zeide Therville. "Maar ik geloof toch dat we ons daarop niet al te veel moeten verlaten 1 Hoe 't ook zij, 't is Gods weg, waarin we zijn, en .... wat God doet, dat is wèlgedaan! , "Goddank, ja. Gelukkig dat wij menschen ons eigen lot niet in handen hebben I" antwoordde de weduwe. "Hoe zouden we 't zonder Hem gesteld hebben, nu al meer dan zes jaren lang, na vaders dood I - Maar 89 I nu zal ik in elk geval nog eens i]lformeeren. De meestor wil dat wel voor ons doen, denk ik I 0, ik ben blij, dat u gekomen is. We zijn dus niet heelemaal vergeten I" nMijnheer kwam" - Paul had over het Bijbeltjo nog niet gesproken - nom U iets dat aan Jan beo hoord heeft, terug te geven," - merkte Christine nu op. nJa, juffrouw, maar bovendien wilde ik toch gaarne met u kennismaken. 't Is Jans Bijbeltje, dat u hem medegegeven hebt. Ik ruilde met Jan voor een zilver ringetje, toen .... toen .... ik meende, - en de dokter ook zei, dat Jan sterven ging. Ik had toen behoefto aan meerdere kennis, aan meer licht, en dat meende ik in dat Bijbeltje te zullen vinden. En och, - er wordt, als men als soldaat sterft, met wat men nalaat, zoo raar omgesprongen, dat ik meende geen kwaad te doen met het hem te vragen. Ik kon niet anders denken, dan dat Jan heen zou gaan. Waarlijk, ik hob er licht en vertroosting in gevonden, maar ik zie nu in, dat ik verkeerd deed met alleen aan mij zelf te denken en niet aan hem, voor wien, wellicht, het Bijbeltje toch ook nog een woord van troost worden kon .... Hier is het, u zi~t dat het, helaas! - niet al te veel is gebruikt I" Op het zien van het haar zoo welbekende boekje barstte de moeder, die in de eerste oogenblikken van spanning en opwinding nieuwe hoop gekoesterd had, in tranen uit. "M'n arme jongen I" snikte ze. nAls het toch eens wáár was, dat hij was heengegaan, en dan zonder God I" nLieve moeder," zei Christine, haar hand op heur moeders schouder leggende, "ik geloof dat het God verzoeken zou zijn, nu nog te blijven gelooven dat Jan in leven is. Dat zou u later- opnieuw bittere teleurstelling geven. Maar kan God, die toch zoo dik- werf dàn het meest nabij is, als de dood nadert, kan God Jan nog niet op het laatste oogenblik: de oogen hebben geopend?" 90 ' De weduwe antwoordde niet. Met het Bijbeltje in de handen staarde ze naar buiten. "Ja", zeide ze eindelijk. nJe hebt gelijk, Christien, God kan dat, maar we blijven toch in onzekerheid achter. En juist dat is zoo pijnlijk I" "Gods wegen zijn voor ons verborgen I" merkte Therville op. "We kunnen beproeven of we nog iets te weten komen. We zijn het in elk geval verplicht." Op uitnoodiging van de weduwe bleef Pa.ul dien nacht in D. 's Avonds werd gevraagd of de meester niet even zou kunnen komen, en toen deze gehoord had, 'wat Paul van Jan wist, verklaarde hij zich gaarne bereid om nog eens naar het Ministerie te schrijven. nIk vrees echter dat het niet veel geven zal, juf· frouw I" zeide hij bij 't afscheidnemen. . nGelooft u werkelijk dat Jan dood is?" vroeg de moeder, die hem uitliet. nIk kan wel niet anders denken I" gaf hij ten ante woord. "Nu, welterusten juffrouw Brinkman. God trooste u I" Paul was weer naar Amsterdam terug gegaan, na in D. twee voor hem buitengewoon verkwikkende dagen doorgebracht te hebben. Nog nooit had hij de behaaglij kheid van een gezin, waarin de vreeze des Heeren woont, leeren kennen, en nu voelde hij zich hier buitengewoon gelukkig. Hij kon dan ook, bij het af· scheid, niet nalaten te beloven spoedig terug te komen. "Kom bij ons uw Zondagen doorbrengen," noodigde de weduwe toen hij afscheid nam. "Dan hebt u toch niets te doeD, en ge kunt Zaterdags nog laat naar hier." Die gulle uitnoodiging had Therville gaarne aan· genomen. Het was hem een heerlijke gedachte een huis te kennen waar hij steeds welkom zou wezen, en met verlangen zag hij den komenden Zondag steeds . tegemoet. ", 91 , ' In Amsterdam huurde hij, het advies van zijn nieuwe kennissen opvolgende, een eenvoudige kamer, en liet, voorloopig, zijn meesterknecht Van Zalingen, met diens kleine gezin, het winkelhuis bewonen, om· dat het te veel waarde bevatte, om het 's nachts zonder bewaking te laten. 's Zaterdagsmiddags liet hij de heele zaak aan Van Zalingen over, wat dezen best toevertrouwd was, en begaf hij zich naar D. Zijn verblijf aldaar gaf hem rust en verademing v n de vermoeienissen der week. Want zijn nieuwe bezigheden boden hem druk en lastig werk, zooveel te moeilijker, waar hij er zich grootendeels weer geheel nieuw inwerken moest. De Zaterdagmiddag was hem dan ook steeds een aangenaam vooruitzicht. Nu ging hij reeds voor de zesde maal naar D. om er den Zondag door te brengen, en meer dan ooit verlangde hij naar zijn vrienden, en niet het minst na.ar Christine, die hij telkens meer had leeren hoog· achten om haar degelijk, Christelijk karakter, haar vast vertrouwen op God, en de onbeschrijfelijk hartelijke liefde, die zij voor hare moeder koesterde. Als hij dacht aan de ongezelligheid van zijn een· zame kamer, benijdde hij die in de huiskamer van den D.-schen kruidenierswinkel, en in stilte koesterde hij reeds den wensch die naar zijn "tehuis" te kunnen overpla nten. Om de waarheid te zeggen had hij daar· voor ook reeds een middel gevonden, welks uitvoering echter afhing van ééne omstandigheid, de moeilï kste van het heele geval, die n.1. of Christine bereid zou zijn tot de verwezenlijking ervan mee te werken. Want, al was de kennismaking ook van niet zeer langen duur, Paul Therville had zijn jaren en zijn verstand, en al spoedig had hij zichzelf bekend, dat als één zijn huishouding besturen zou als vrouw, dat die éénige dan Christine zou moeten zijn. Een steeds sterker wordende, innige genegenheid voor de dochter van de weduwe had hij in zijn hart 92 voelen opkomen, en het was slechts een wel verklaarbare schroomvalligheid, die hem er van terug hield aan zijn gevoelens jegens haar uiting te geven. Wel was hij er zeker van dat Christine hem gaarne . 'zag komen, maar hij wist niet of hij dit aan de haar eigene vriend elijkheid jegens iedereen of aan een bijzondere geneger.heid voor hem moest toeschrijven. Er waren nu ongeveer twee maanden na hun eerste kennismaking verloopen, en Paul gevoelde zich bij de weduwe als kind in huis. Zij van haar kant beo toonde hem zooveel liefde en vriendschap als hij niet had kunnen hopen ooit nog te zullen genieten. Het was ook daarom, dat hij vreesde, door een verklaring ,van zijn zijde dezen vl'iendelijken omgang te verstoren. Niettemin zou deze verklaring eerder komen dan hij zelf zich had voorgesteld. Laat in den avond van Zaterdag bereikte hij ,D. en trad als huisgenoot en bekende den winkel binnen, waar Christine bezig was de klanten te helpen. Het bevreemdde hem dat hij de weduwe niet zag, terwijl zij meestal Zaterdagsavonds present was, en het scheen hem bovendien toe, dat Christine er zeer terneergeslagen uitzag. "Ga maar naar binnen, Paull" zeide zij vriendelijk. "Ik kom straks wel, als ik even k~n I" De weduwe Brinkman zat in vaders· armstoel, en tuurde, met den bril voor de oogen op een gedrukt papier, blijkbaar uit de enveloppe die op de tafel lag, en waarvan het stempel: "Ministerie van Koloniên" de herkomst verried. Zij bemerkte Paul niet voor hij haar goeden avond wenschte, en haar vroeg hoe 't ' ging. Met betraande oog en zag ze op en antwoordde: "Niet al te best, mijn jongen. Lees maar eens, en zeg dan of me dit niet droevig stemmen moet." Mèt reikte zij hem het papier over, en Paullas het gewone berichtenformulier van "Koloniên", waarop medegedeeld werd, dat omtrent den fuselier Jan Brinkman; 93 van het Leger in Ned. Oost-Indië, stumbo eknum Wf 29156, gerapporteerd was, dat hij bij een verkenning op. ..• 18 .... nabij Kotta-Radjah doodelijk gewond en in het hospitaal overleden was. Paul las het droevige bericht met ontsteltenis. Hij had wel niet veel anders verwacht, maar de zekerh eij va.n Jans dood trof hem vooral omdat hij begreep, dat deze tijding aan de verwachtingen der weduwe wel op eenmaal den bodem zou inslaan. nEr blijft dus nu voor ons niets te hopen over, juffrouw I" zeide hij. "Neen, jongen ... . tenzij er een vergissing mocht begaan zijn!" antwoordde zij, zich vastklemmende aan de meest vage verwachting, als een drenkeling aan . een strooh alm. "Maar . . .. juffrouw I" kon Pa.ul niet nalaten te zeggen. "Dat is toch niet te denken. Ik geloof, dat we nu moeten berusten in wat de wil Gods schij nt te zijn. Wat God doet, dat is welged aan ... .. zegt gij zelf. En al had ik, 0 zoo gaarne, vernomen, dat \\"e Jan nog eens zouden kunnen ontmoeten, nu het niet zoo is, nu .. ,. ".Ja, ja, - Paul," snikte de weduwe, "je hebt gelijk, ik weet het. Maar met al die troostgronden heb ik mijn jongen niet terug I" . "Neen, dát is wáá!', Maar als de Heer hem nu niot had weggenomen, waart gij er dan wel zoo zeker van gewee st of hij ooit nog terugk eer en zou? Nu blijft ons nog de hoop te denken, dat God misschien den invloed van meneer Kremers heeft willen gebruik en om hem, in 't aangezicht van den dood, den weg der bekeering te wijzen," De weduw e zweeg. "Ik had er over gedacht," ging . Paul voort, "dat was althan s vast mijn plan toen ik de vorige week van hier ging, om aan den heer Kreme rs te schrijven, wijl het antwoord van den doch zie, hoe wonderl~k Minister zoo lang uitbleef, 94 is toch God& raad, - juist heden ochtend las ik in een courant dat wegens het overlijden van den heer Kremers, huisvader van het Militair Tehuis te Kotta· Radjah een plaatsv ervang er voor hem benoemd is. God snijdt ons dus verder den weg af om meer te weten, dan Hij ons zeggen wil. Dunkt u .dat geene aanwijzing om in den weg Gods te berusten?" "Ja. Ik weet wel dat dit alles waar is, maar het is zwaar. Een verloren leven, en een verloren ziel mis&chien. Had ik hem maar hier gehouden ...." "Ik dank God," zeide Paul ernstig, "dat ge dit niet hebt gedaan. Nooit zou ik, menschelijkerwijs gesproken, den weg des levens hebben leeren kennen, ware Jans Bijbeltje mij niet ten gids geweest. En ..•• ja, gij hebt een zoon verloren, - maar als ge wilt, - laat mij dan zijn plaats innemen. Ik wil voor u zorgen, zooals een goed zoon voor zij n moeder zorgen kan. Is dat goed .... moeder?" En vriendelijk legde hij zijn hand op haar schouder. "Ik had u reeds lief in Jans plaats I" zeide zij. "Weln u, God geve mij te berusten, en Hij zegene u voor uwe liefde. Maar ik weet niet of ik wel zou mogen aanvaarden wat gij mij aanbiedt, en me niet toekomt." "Moeder," zeide hij fluisterend, "mijn aanbod - geen aanbod eigenlijk maar een verzoek - is minder on· baatzuchtig dan 't u toeschijnt. Ik bedoelde u moeder te mogen noemen in werkelijkheid. Ik.... ik heb Christine lief, - ik verlang er naar haar en u in mijn woning te kunne n opnemen .... " Het groote woerd was gesproken, misschien eerder dan hij zelf wel gewild had. Want plotseling zweeg hij, en staarde haar in het vriendelijk gelaat, thans, door de tranen van zooeven heen, door een glimlach verhelderd. "Ik heb wel goed gezien, mijn jongen I" antwoordde zij toen, terwijl ze zijn hand greep. "Ik heb Christine 95 reeds gezegd, dat ik het verwachtte. Maar zij •..• zeide, dat ik over onwaarschijnl~ke dingen praatte, en dat ik daarover toch niet denken moest, want dat gij er nooit toe komen zoudt ...• gij die een zaak hebt , en u heel en al redden kunt ...." "Maar, wat zou ze er van denken?" vroeg Paul. "Vraag het haar zelf!" antwoordde de weduwe, want Christine trad juist binnen. Toen Paul 's avonds voor zijn bed op het logeerkamertje de knieën boog dankte hij God voor een zogen te meer boven alle andere zegeningen, wijl hij wist dat daar beneden een liefhebbend hart voor hem klopte, dat Christine haar lot aan het zijne verbinden wilde. Twee maanden later werd de winkel "De goede hoop" te D. aan een anderen eigenaar overgedaan, het huwelijk van Paul Therville en Christine Brinkman werd in allen eenvoud voltrokken, en de weduwe n m " haar intrek in het gezellige Amsterdamsche huis achter het magijn der firma. nGeorge Therville". IX. NA VIJF JAREN. Het was een koude, stormachtige avond op het einde van November. Een gure snerpende wind joeg van tijd tot tijd met kletterend geraas de grimm ige jachtsneeuw tegen de vensterruiten van de vele win· 96 kels in de hoofdstad. Hij gierde langs de telefoon· draden, fluitend hoog in de lucht, en sneed dan weer, op eens, op den hoek van een plein of een straat, de menschen in 't gezicht met nijdige scherpte. Die trokken hun dikste jass~n aan, en zetten de kragen op . tot aan de ooren, terwijl de hoeden ver over het gelaat getrokken, de oogen zoo veel mogelijk bescherm· den. Wie niet strikt noodig had op straat bleefthuiR . De meeste straten waren dan ook stil en verlaten. Het ging trouwens reeds tegen het sluitingsuur van de winkels . Hier en daar zakte een jalouzie of gordijn met i-itsend geluid naar beneden, en de lichtstroom, die zooeven nog naar buiten op de witbeplekte straat viel, was verdw('nen. Ineengedoken zaten hier en daar in een nis, of bij de inspringende deur van een pakhuis, donkere ge· stalten, met de armen vast tegen het dun bekleed lichaam gedrukt - armen en ellendigen uit de groote hoofdstad, zonder in- en onderkomen, van tijd tot tijd opgejaagd door een politieman. Met loomen tred, blijkbaar onverschillig voor de barbaarschheid van het weder, schreed in een der hoofdstraten een magere gestalte voort. Zijn plunje bestond uit armoedige, versleten zeemanskleeding, en de leeren pet op hét hoofd gaf aan het aangezicht, donker en ba:.lrdig, niet de minste beschutting. Hij bleef staan voor de spiegelruiten van een groot restaurant, waarachter welgekleede mannen zaten te schertsen, en zich te goed deden aan een fijn souper. De man balde de vuisten. "Wateenellendigewereldl" mompelde hij. "Hier, wil je een sigaar?" zei er binnen een tot den stumper, een sigaar omhoog houdend. Doch met een gebaar van verachting keerde de arme den vrager den rug toe en liep door. "Een sigaar, - als je van honger bijna niet meer voort kunt. 't Zijn ellendelingen. Nergens helpen ze je. Overal snauwen ze je 97 ma ar nie t meer zoeken, en af. - - Ik zal ma ar ar ze me morgenochtend dood ergens gaan zitt€.n, waaf!" vinden. Dan ben 'k er n zijstraatje in, en ze tte zich schut Hij liep doelloos ee ort, waar hij althans be in den hoek van een po nd en de jachtsneeuw. Van wi was voor den guren kon hij de drukte op den Dam uilplaats ui t zijn sch gen, de menschen. zien, de trams, de rijtui illeerde voor de poort, liep Een politieagent surve een of andere gelegenheid De hem telkens voorbij. n. Nu, wat zou 't? Hi j zou hij hem wel zie hien _moest n brachten ze 'm missc h laten oppakken I Da n was hij toch onder dak. zic da na ar de Schans, ma ar je 'm all t Daar had hier, hoor I" klonk he om, niet blijven zit ten der wet. De ma n stond "K man ui t den mond van den- r wil je me heen he bb en ?" llig op. "W aa ha lf onwi vroeg hij norsch. hier?" I,Heb je geen ko sth uis "Neen I" "Geen familie?" sterdam." "Hier niet. Niet in Am "Waar dan?" "In D." n niet heen?" "Waarom ga je da ar da or I" "Ik heb er geen geld vo" " W at wou je da n no u?l zoeken. Ik vind wel ergens "Ik zal m'n fortuin we et je een plaatsje." ar niet hier, anders mo "Nou, vooruit dan, ma mee naar meneertje." j begreep niet wie "meneertje" De man stond op. Hi l te vatten, da t hij na ar 't we was, maar scheen te n. En niettegenstaande hij moete itt e 't politiebureau zou hans gesproken had, stu straks zelf over de Sc . Hij liep dus doelloos voort, hem nu tegen de borst in zijne zakken. nd en woelde met zijn ha 7 In vellige haveR 98 "Geen cent meer I" mompelde hij. "Hoe kom ik aan geld vOl)r de reis naar D.? Hoe kom ik aan een nachtverblijf? Ik· heb niks meer. Zou ik dtlt er maar aan wagen?" En hij bekeek zijn ruwe hand, aan een der vingers waarvan een zilveren ringetJe zat. "Wat zou 't waard zijn? Een gulden misschien? Dan had ik nog niet genoeg, maar dan zou ik ten· minste fatsoenlijk kunnen slapen van nacht. - Kom, vooruit, 'k zal 't maar eens probeeren I" . Hij verhaastte zijn tred en stak de straat over naar den goudwinkel, waarvan de gordijnen juist waren neergelaten en alleen in het midden een vlam van de gaskroon nog licht verspreidde. Voor de glazen deur hing de gordijn met het woord "gesloten" naar beneden, en daarachter was blijkbaar, naar de schaduw op de gordijn te oordeelen, juist iemand bezig om met · een ijzeren hekwerk de glazen deur te beveiligen. De arme zwerver morrelde aan de knop, - de deur . was gesloten. Hij tikte tegen 't glas, - nu moest hij maar doorzetten en 't uiterste beproeven. Er volgde geen antwoord. Hij draaide nogma.als de knop om, juist toen de deur van binnen voorzichtig geopend werd. "Wel?" vroeg een mannenstem. "Wat is er nog zoo laat?" Wat was het dat den zwerver zoo verschrikt bijna· deed opzien? Waren de woorden zoo barsch en on· vriendelijk gesproken wellicht? Geenszins. Maar in den toon der stem was iets wat den zwerveling verraste, - waar had hij dien meer gehoord .••• ? Maar hij moest antwoorden. "Ik wou .... " zaide hij aarzelend, - "ik heb geen nachtverblijf en geen geld, en nou wou ik dit .... verkcopen I" En hij trok het zilveren ringetje van zijn grove hand. "Je bent vrij laat, vriend I" zeide de winkelier, die hoewel niet onvriendelijk, de storing toch niet zeer 1YP. t . C. CAI..I,.l ....CH .. ~K"UC.. 99 aangenaam vond. Maar de man zag er zoo treurig uit, dat men wel een hart van steen moest hebben, om hem weer henen te zenden zooals hij gekomen was, in het ruwe weer daar buiten, en dan zonder uitzicht op een rustig bed 1 "Kom er maar even in I" vervolgde hij. "Hoe heet je? We moeten een register bijhouden van onze inkoopen, daar is 't voor, weet je?" De man keek hem opnieuw aan, en draalde met het antwoord. 'Veer dat bekende in die stem 1.... De winkelier had ondertusschen het ringetj e bij het licht der lamp bekeken. Plotseling verbleekte hij, en verrast zag hij zijn laten bezoeker opmerkzaam aan. "Kom eens mee 1" zei hij met beving in zijn stem, niet verder op antwoo rd aandringend. "Kom eens mee I In 't atelier kan ik beter zien wat 't waard is I" En terwijl hij den langen gang doorging, riep hij, tot de personen die blijkbaar in de huiskamer zaten: ,;Vrouw, doe 't licht in den winkel even uit! Ik moet nog achter zijn I" In het atelier bood hij zijn bezoeker een stoel, juist zoo dat het volle licht op 's mans gelaat viel. Het was verwilderd en ingevallen, de slordige baard maakte het uiterlijk niet aangenamer. Nogmaals bekeek hij den ring met a.andacht, en legde hem toen neer. "Jan Brinkman," zeide hij toen ernstig , "ken je Paul Therville niet meer? " De man sprong op alsof een electriscbe schok hem door de leden voer. Met schrik en ontzet ting staarde hij den goudsmid aan. "Ja, - ja", stamelde hij toen, "ik had het wel goed - jij bent het I" En toen - vermoeienis, honger, schrik, werkten te zamen daartoe mede, - viel hij in zijn stoel terug en bleef als een doode liggen. Hij was blijkbaar bewusteloos. De goudsmid zelf was evenzeer ontstel d als zijn bezoeker, doch begreep niettemin dat er gehandeld 100 glas wat er en begaf . moest worden. Hij dronk een zijn vrouw Christine, r zich toen naar binnen, waa jaa r of drie, vier, me t een aanvallig jongske van een op den schoot zat. e? Nu, geef hem "Ja ntje nog niet naa r bed, Christin even helpen. - jij moet me moeder dan maar even ier flauw gevallen. Een arme stumper is in het atel de war mte heeft en Hongerig en doodmoe kwa m hij, eau de cologne mee J" hem zeker bevangen I Breng wat g op den schoot der Eer nog Christine haa r lievelin naast het haardvuur oude vrouw met grijze lokken dierville reeds weder in l The zat, had geplaatst, was Pau uw op. de gang. Daar wachtte hij zijne vro Ik heb een groote , zeide hij, "schrik niet. "Christine" Hoe dikwijls hebben. verrassing voor je en voor moeder. s te wonderlijk is? voor God niet we nie t ervaren dat dood wanen .... " Hij geeft ons zelfs terug die wij hem bij den arm. Sidderend greep zijn vrouw "Ja n .... " stamelde zij. "Ja n is achter in 't atelier J" verloren zoon, Het duurde geruimen tijd eer de zijn bewustzijn bracht was, maa r die weder terugge en op in de vreemde herkreeg. Wa t zette hij grooto oog , zonder te spreken, ngs omgeving J Schuw zag hij beurteli . Paul Therville en Christine aan. met eau de cologne zijn voorhoofd Deze verfrischte niet meer? Ken en fluisterde: "Jan, Jan, ken je me t?" je je zuster Christine nie e man het hoofd Als eenig antwoord boog de gebaard nde. en wee op den schouder van zijn zuster vrouw J" sprak "W e moeten moeder inlichten, Therville. . "Ze leeft dus "Moeder?" vroeg de teruggekomene nog?" uit. ,,0, wat zal "Goddank, ja, ja I" riep zijn zuster zij jubelen over zooveel geluk I" r alles z~gen," "Maar niet op eens, niet op eens baa 101 - \ vermaande Paul. "Dat zou wellicht te veel voor haal' zijn. Blijf jij hier, Christine, ik zal haar zachtkens voorbereiden \" Uiterlijk zoo kalm mogelijk, begaf hij zich naar de huiskamer, t!'lnvijl Christine haar broeder onderwijl het beste voorzette, wat ze in de keuken voorhanden hadden. De hongerige at eerst, van ontroering versuft, met veel moeite, doch de natuur had haar rechten, en een weinig hersteld, bleek het brood en de melk hem best te smaken. "Hoe is 't met den man?" vroeg de weduwe Brinkman, toen haar schoonzoon binnentrad. "Beter dan ooit, geloof ik moeder I" antwoordde hij. "Christine is nog bezig hem van brood en vleesch te voorzien. De stumper heeft in lang niet gegeten en is dooJvermoeid. Hij was op weg naar huis '" "Waar woont hij?" "Ja, hij heeft, geloof ik, geen vaste woonplaats, maar zocht zijn fa.milie, u moet hem misschien wel kennen, - 't is een jongen die in D. grootgebracht werd I"oude vrouw zag hem opmerkzaam aan. "Wie De kan dat zijn?" zei ze als tot zichzelf. "Ik weet el' niets van, dat er jongens uit D. zoover van huis gegaan zijn. Mijn Jan was de eenige .... en hij is nooit teruggekomen' Was het mijn jongen maar, - maar God nam hem weg I" "U hebt het nooit geloofd '" zei Paul. "Neen, - dat heb ik niet. In mijn hart niet, hoewel ik weet dat alle hoop tevergeefs is ," "Misschien niet. Onze vriend echter weet el' meer van I" bedoel je Paul? Wat bedoel je toch?" vroeg "Wat de weduwe, die onrustig was opgestaan, na haar kleinzoontje in zijn bed gelegd te hebben. "Ik bedoel, moeder, .... dat .... God .... zelfs on'" mogelijke .... voor ons onmogelijke dingen -doet, vol- 102 brengt. Jan, - we dachten immers dat ,bij al lang dood was, en ...." De weduwe had bet begrepen. "Hij leeft, en hij is achter \" riep ze uit. "Nietwaar?" "Ja' moeder \" zei Pau!. De oude vrouw was de kamer al uit. Zoo snel als baar beenen haar vennochten te dragen, liep ze naar het atelier. Naast Cnristine zat Jan, de teruggekeerde. "Jan, Jan, mijn jongen!" riep de moeder uit, en viel den armoedigen man snikkend om den hals. Ze bad bern dadelijk herkend, en bij baar .... Jan sprak niet, bij snikte slecbts. x. JAN BRINlO4AN'S LOTGEVALLD. De ruwe winterstormen waren voorbij. Kerstfeest en Nieuwjaar waren reeds gevierd, 'de eerste maand w"n een nieuwen jaarkring was reeds verloopen, en enkele dagen, zoo schoon alsof de lente voor de deur stond, vervroolijkten het meestal nog somber aange· zicbt der Februari·maand. In eon der ruimste kamers van bet groote huis achter den goudwinkel der firma Therville vinden we den verloren, maar weergevonden zoon op zijn ziekbed. Nog altijd is hij de gevolgen van de doorgestane ellende en vermoeienissen niet geheel te boven, hij is nog doodzwak, maar de' dokter beeft nu toch de ver· wacbting uitgesproken dat hij Jan over een maand of 103 '. anderhalf zal kunnen vergunnen de buitenlucht weer in te gaan. Sedert den gedenkwaardigen avond, beschreven in het vorig hoofdstuk, is Jan niet weder buiten de deur geweest. Een ernstige ziekte hield hem aan zij n legerstede gekluisterd, een ziekte, waartegen de kostelijke verpleging van moeder en zuster en de beste medicijnen eerst niet schenen te baten. De eerst zoo innig gelukkige weduwe had, in vreeze van haar pas hervonden jongen weer te zullen moeten verliezen, angstige dagen doorgebracht, dagen van lijden en hopen, dagen waarin zij "bad zonder ophouden". Doch God is een God van goedertierenheid en liefde, een God die wondt, maar ook heelt, die Zijn kinderen kastijdt, maar omdat Hij ze lief heeft. En nu blonk het heerlijk schijnsel dier liefde ook in de ziekenkamer, en 't was alsof de vriendelijke zonnestralen die door de ruiten vielen op de rein witte lakens, van die liefde de blijde boden waren. Jan Brinkman's gelaat is heel wat veranderd. De verwilderde baard is met zorg geknipt en zijn gelaat heeft niet meer die bruine tint van voor eenige maan· den, toen hij als een arme zwerver in den. sneeuwstorm voortgejaagd werd. Moeder, zuster en broeder, - want een broeder had niet trouwer en liefderijker zich voor Jan kunnen betoon en dan Paul Therville verkeerden nog altijd in de onzekerheid over de lot· gevallen, die Jan hadden getroffen in de meer dan vijf jaren die verloopen waren sedert het bericht van zijn dood hen bereikte. De dokter had uitdrukkelijk verboden den zieke door vragen te vermoeien, en da enkele woorden, die hij zoo nu en dan over het gebeurde zich had laten ontglippen, hadden hen slechts kunnen doen gissen naar sommige dingen, die voor hen nog duister waren. Manigmaal had de vraag hun op da lippen gebrand: "Hoe ben je toch hier gekomen? Wat is 'ar toch in 104: al dien tijd met je gebeurd?" - doch de liefde was sterker dan de nieuwsgierigheid, al werd die laatste op een harde proef gesteld. »Moeder," - had Jan dezen morgen gezegd tot zijn grijze verpleegster, die met onuitputtelijk geduld en liefderijke zorg voor hem waakte, "moeder, nu gevoel ik me zoo wel, z66 gerust, - en ik ben bijna beter. Zoudt u nu niet eens willen luisteren, - ik zou nu gaarne alles vertellen. Ik heb vroeger dikwijls met God gespot, maar nu begin ik toch te gelooven, dat als Hij mij niet bewaard had, ik zeker hier niet zou .geweest zijn. En .... soms is het net, alsof alles maar een droom is, alsof ik ijl, alsof ik u en Christine en Paul zie in mijn verbeelding, en het is toch alles werkelijkheid, niet waar?" "Zeker mijn jongen! Maar vermoei je nu maar niet, - spreek maar niet te veel als het je hindert I" "Neen moeder, ik voel me heusch heel goed. Is Christine beneden? En Paul?" »Wil ik ze roepen?" »Ja, ze mogen 't ook hooren, - hoe vreemd ik gedwaald heb, en hoe ik nu weer thuis gebracht ben!" En de zieke ging rechtop zitten, terwijl de weduwe hem met een paar kussens in den rug steunde. Paul en Christine kwamen op zjjn verlangen boven, en toen verhaalde de zieke, tusschenbeiden even rustende: "Zooals je weet, Paul, dacht de dokter in Kotta· Radjah niet, dat ik er van opkomen zou, van die vreeselijke wonden, die ik bekomen had,.... maar ik zelf geloofde niet dat ik dood zou gaan. Toch was 't maar op 't kantje af, geloof ik nu.... Ik heb, nadat jij weggegaan was, nog een paar weken zoo gelegen, bijna dood. Ik wist eigenlijk niet wat er om me heen gebeurde. Mijnheer Kremers kwam een paar maal, en sprak tot me, maar· ik herinner me alleen nog maar, dat ik geen antwoord gaf. Op een nacht .... 'k was den geheelen dag rustig geweest, .... sc~ijn 105 ik in koorts uit het hospitaal weggeloopen te zijn. De hospitalen in Indiê, moeder, zijn anders dal1 hier, 't is niet alles zoo gesloten, en niet zooveal bewakers als hier.... hoe 't zij, - ik ben er, hoe weet ik zelf niet, - uitgekomen, en weggegaan j ik verbeeldde me dat de vijand er was, en dat ik die . verjagen moest. Zooal8 ik later begreep, werd ik door Atjehers gevonden, ver van ons kamp, en natuurlijk gevangen gehouden. Doch de menschen behandelden mij buiten verwachting niet slecht, zelfs verzorgden ze mijn nog niet geheelde wonden zoo goed, dat jk beter en vlugger genas, dan anders in 't hospitaal misschien het geval zou geweest zijn. U moet weten dat de inlanders uit kruiden allerlei geneesmiddelen weten te bereiden die aan de blanken onbekend zijn. Wat zij eigenlijk met mij voor hadden heb ik nooit goed begrepen, waarschijnlijk hebben ze van mij ge~ bruik willen maken om de kameraads in een val te lokken. Doch toen ik wat op streek kwam, voelde ik me tusschen al die vijanden allesbehalve veilig. Ik beduidde hun, dat ik hun den weg zou willen wijzen naar ons kamp, en ik nam me voor, onderweg zoo spoedig mogelijk te ontsnappen, om dan onze mannen weer op te zoeken. Doch zelf wist ik op geen stukken na den weg. Echter, de menschen schenen mij te vertrouwen, en op een goeden dag ging ik met vier inlanders weg, - de rest zou een dag later volgen. Voor de eerste maal zou ik '8 nachts bij 't vuur de wacht houden. De inlanders, van den reeds afge· legden weg vermoeid, vielen, op mij vertrouwend in slaap, en daarvan maakte ik gebruik om hun geweren onbruikbaar te maken, terwijl ik hun krissen in een riviertje wierp. Mijn eigen wapen behield ik, ik pakte mondkost mee zooveel ik kon, en verliet hen in alle stilte. Een vreeselijk vermoeienden tocht heb ik toen gemaakt, een tocht van dagen lang, terwijl ik bijna. 106 niet anders dan vruchten at. Er scheen geen einde aan den weg te komen, - nergens zag ik een spoor van onze troepen, zelfs vond ik maar op een enkele plaats inlandershutten, die ik steeds zooveel mogelijk uit den 'weg bleef. Het werd me eindelijk duidelijk dat ik verdwaald was. Langs moeilijk begaanbare wegen vond ik eindelijk een uitweg, maar waarheen ...• dat wist ik niet I Nachten en dagen bracht ik echter in het bosch door voor het zoover kwam, en toen ik eindelijk water zag, zag ik ook dat de oever met hutten van inboorlingen was bebouwd. Weer moest ik een omweg maken. Ik wist niet meer wat te doen. Ik begreep dat ik mijn kameraden niet weervinden zou, en een onverklaarbaar gevoel deed me wenschen, ze ook niet meer te ontmoeten. · Ik weet niet wat me dreef, maar nu wilde ik ver weg zijn. Het was alsof zich een nieuw leven voor mij opende; ik was weer gezond, ik was nog jong, ik wilde avonturen hebben. Nu, moeder, - ik heb ze gehad! Ik bleef aan het strand slechts een halven dag, om uit te rusten, verscholen in een soort grot van zandachtige rots. In de verte zag ik een prauw, dat is een klein vaartuig van inlanders, meestal uit een of meer boomstammen vervaardigd, liggen, en ik nam mij voor, mij die toe te eigenen. 't Was ternauwernood licht, den volgenden dag, toen ik me naar het kleine vaartuig . begaf, dat vrij gemakkelijk was, en me er in neerzette. Waarheen? Ik wist het niet. Ik wist zelfs niet op welk water ik me bevond, of het een rivier of dat het de zee was! Ik stak er mijn hand in en proefde. . .. het was zout. Ik dreef de zee op, of minstens een gedeelte van den Oceaan. Wonderlijk is het, als ik er nu aan denk, dat ik toen zonder vrees zulk een waagstuk volbracht heb. Want had ik de Amerikaansche bark niet ontmoet, die .... Maar laat ik geregeld voortgaan. Nauwelijks was ik ~en mijl 107 van het strand afgeroeid of ik zag dat de dieM·al beo merkt was. Groote troepen van iulanders stonden, allerlei gebaren makende, onder luid geschreeuw aa.n den oever. Ik zag dat andere prau wen uitgezet werelen, en een vervolging begon. Men zou mij zeker heb bon ingehaald, had ik mijn geweer niet bij mij gehad. Het eerste schot miste door hun snelle bewegingen, maar . 't tweede was raak en bracht hen in verwarring. Hals over kop vlogen de aan wal staanden hun hutten in, en de vervolging in de andere prauwen werd gestaakt. Ik was gered. Maar toen? Gelukkig had ik nog wat proviand, en sterk door mijn zucht naar veranderingen roeide ik den heelen dag flink door. Nergens deed zich land op ; ik bevond mij alleen op de groote vlakte in een zwak yaartuig. Wat was ik begonnen? De nacht viel, ik kreeg slaap doch durfde mij niét neerleggen. Niettemin moest ik eindelijk de roeiriemen laten rusten, ik was me zelf niet meer. Ik denk dat ik een uur of vier, vijf geslapen heb, maar 't kan evengoed langer ge· weest zijn. Een stoot, die mijn prauw kreeg, - t.enminste zoo scheen het mij toe, maakte mij wakker. Ik zag rond, nog nergens eenig spoor van een kust I En steeds dreef het vaartuigje naar het Noorden. Doch plotseling draaide de wind, het hielp niet of ik naar de roei· spanen greep, - ik werd Zuidwaarts gedrevell, een geheelen dag lang. Ik was in volle zee en vermocht niets tegen de sterke strooming. Weer viel de avond. Ik gebruikte de rest van mijn proviand; water had ik niet meer. Met het duister viel ook een sterke wind op de groote watervlakte neer. Mijn vaartuigje danste op de golven, ik werd gedurig heen en weer ge.c;chud en verloor mijn roeispanen, - vermoeidheid en daarna honger maakten den nacht voor mij tot een dubbel lijden, en toen tegen den ochtend een. storm opstak, lag ik bewusteloos in de prauw. 108 Tenminste, ik werd bewusteloos gevonden door de manschappen van de Amerikaansche bark "NorthStar", die mij op'pikte. Toen ik ontwaakte, lag ik in een goede scheepskooi onder behoorlijk beddegoed, en aan mijn bed stonden twee mannen, waarvan er een in een vreemde taal - ik bemerkte later dat het Engelsch was - iets aan mij vroeg. . "De dokter vraagt waar je vandaan komt I" verklaarde de tweede, die de hofmeester bleek te zijn. Ik gaf geen antwoord, want ik wist niet, of ik goed zou doen met te vertellen vanwaar ik kwam. ;,Kom, verzwijg het maar niet," zei de hofmeester, "ik heb aan je ondergoed en aan je geweer wel gezien, dat je een weggeloopen Hollander bent, - is 't niet zoo?" "Ik ben een Hollander, maar niet weggeloopen I" zeide ik. "What?" vroeg de dokter. De hofmeester vertaalde mijn antwoord, en met diens hulp ',erd bet gesprek voortgezet. Ik verhaalde wat mij overkomen was, en de hofmee~ter zeide: "Nu, dit schip is een Amerikaansche bark. We gaan eerst naar Singapore, en zullen je daar aan wal zetten. Zoo wil het de kapitein. Maar je zult je passagiersgeld moeten betalen! Geld heb je niet, maar armen wel. Kun je werken?" "Ik was vóór ik in dienst ging timmerman !" zeide ik. "Dat treft I" zei de hofmeester. Twee weken geleden is onze timmerman over boord geslagen. Pak jij dan zijn werk maar aan, en als 't je bevalt, - wel, dan zou je er in Singapore ook niet af behoeven te gaan." U kunt begrijpen moeder, - dat deze voorslag mij leek. Kort en goed, ik bleef op de "North·Star", tot die weer in New-York terugkeerde. Ik kreeg de gereedschappen van mijn voorganger, die John Knowies bleek geheeten te hebben, en in zijn koffertje vond ik zijn papieren verborgen. In New·York ~on ik op de "North·Star" blijven of 109 heengaan. Maar ik wilde weer naar Holland terug on verkoos dus te gaan. Ik zocht en vond een plaats op een Duitsch schip, dat op zijn reis naar Hamburg Rotterdam zou aandoen. 't Was toen anderhalf jaar na mijn vlucht van Sumatra, - binnen drie maanden dacht ik hier te zijn met een klein kapitaalL e, dat j ik door zuinigheid op de "North-Star" bespaard had. Alles ging goed aan boord van de "Germania" gedurende twee dagen na de afvaart. M aa.r toen, 0 moeder, ik vergeet de verschrikkingen van dien nacht nooit I - toen kregen we brand aan boord, in een lading katoenbalen, geloof ik. Met vijftien man ont· kwamen we aan de schipbreuk. Het heele schip werd uit elkaar geslagen, en - passagiers waren er niet . op - bijna de helft der bemanning vond zijn dood in de golven. Onze boot werd gelukkig opgemerkt door een Noorweegsche graanbark, en we werden in New-York weer aan land gezet. Vreeselijk heb ik daar moeten armoe-lijden. Mijn klein kapitaaltje was verloren, en tevergeefs zocht ik een nieuwe plaats aan boord. Ik werkte twee·en·een·halfjaar voor weinig geld op een knoopelJfabriek in New·York, ik span.rde weer een kleinigheid om een zeemanspak te koopen dat dragelijk was, en werd eindelijk, nu een maand of twee geleden, als sjouwer op een groote Engelsche boot voor den overtocht naar Europa aangenomen. Zoo kwam ik in Londen. Daar verkocht ik mijn plunje en nam een plaats op een der booten naar Holland. Zonder geld kwam ik hier aan, ik wilde naar D., ik had niets; ik leed koude en honger, - eindelijk zou ik 't Indische ringetje verkoopen, en zie .... toen vond ik u, en Christine, en Pau!. Ik was gered, gered I" "God doe je nu ook den besten Vriend, den Redder uit allen nood vinden, Jan I" zeide de weduwe met tranen in de oogen. "Ik bid er Hem allen dág om.!" "Amen I" fluisterde Christine. 110 Paul stonà voor het venster, de zon scheen naar binnen, 't straalde in de kamer van licht en leven ..•. En de verloren zoon weende .... maar 66k van blijdschap omdat de veilige haven in 't zicht was, waar zijn, levens-scheepje rustig ankeren zou. , ," : I N HOU D. Hoofdet. D1adz. I. Jan Brinkman's jeugd Il. Hoe het Jan verder ging. . 3 11 lIl. Jans ondergang 18 )V. Naar Indiê . 33 V. Briefwisseling . .. 53 . VI. De zilveren ring. 62 VII. In Holland terug. 73 VIII. Droevige en blijde .d agen. IX. ' Na. vljf jaren . . . X. Jan Brinkman's lotgevallen. 79 95 .102 /