Deze film is beschikbaar gesteld door het KITLV, uitsluitend op voorwaarde dat noch het geheel noch delen worden gereproduceerd zonder toestemming van het KITLV. Dit behoudt zich het recht voor een vergoeding te berekenen voor reproductie. Indien op het originele materiaal auteursrecht rust, dient men voor reproductiedoeleinden eveneens toestemming te vragen aan de houders van dit auteursrecht. Toestemming voor reproductie dient men schriftelijk aan te vragen. Thi fibn is supplied hy the KlTLV only Oll cOflditioll that neither it nor part of it is ft/rther reproducel[ without first ohtaining tlle pennission of the K/TL whic" reserve the right to lnake a charoe for suclz reprodllction. If the Illaterial fililled i itself in copyright, the pennission of tlle oJVners of that copyrioht wil! a/so be requiredfor sllcll reproductiofl. Application for pennissiofl 10 reproduce ShOlild he made in Jvriting, giving details of Ille proposeli reprodllctiol1. SIG ATUUR OVORM: M SHELF NUMBER MIe OFORM: M META 0475 (' H. VAN WERMESKERK N SUIKERFREU E - 1I I I I I I I I Inrl'~~mmll]@]1 1 1 1 1 I 1 1I 00201002 SUIKERFREULE ( SUIKERFREULE EEN VROOLI}KE INDISCHE ROMAN VAN HENRI VAN WERMESKERKEN FILM EDITIE MET 6 FOTO'S NAAR HET SCENARIO VAN HENRI VAN WERMESKERKEN EN HARO VAN PESKI Hl. RIV A 1\ \\ I-. R ~ I ( 'i K (R K [ :-: I) JJ.1rurrr ,,,, , 1.111 (I !'flJ~ en I;." \/~ J,r nlJlt L, J. AMSTERDAM VEEN'S UITGEVERS~MIJ. N. V. \~ ., :. \\~ K '/IS/O't/. ~I' . Co' ", ,(,1 "-o.n"~G\·.. "C' • .,.a J:ll1UGaTCJUAc.c -, SUIKERFRE ULE EEN VROOLI}KE INDISCHE ROMAN VAN HENRI VAN WERMESKERKEN FILMEDITIE MET 6 FOTO'S NAAR HET SCENARIO VAN HENRI VAN WERMESKERKEN EN HARO VAN PESKI AMSTERDAM L. J. VEE N'S UITGEVERS-MIJ. N. V. ,\,UO-l K 'hSTIl'(/, '$i ~I' De fllm-foto's in dIt boek. genomen door D. an Maarseveen. zijn welwIllend afgestaan door de Majestic Film MIj. N.V. en Tobis FIlmdistributie N. V . te Amsterdam. I Het scheen of een angstkreet zich uit haar keel zou persen ... Zij rekte den hals, als om lucht te scheppen, slikte eenige malen snel en haastig ... - Instappen dames en heeren, klonk achter haar de stem van den piloot van de Douglas, zoo gewoon, als was hij de conducteur van haar lijn 9. En op hetzelfde oogenblik schrok ze nog meer. De motoren die na proefdraaien even hadden gezwegen werden aangezet, de schroeven wentelden en een krachtige wind woei om haar been en, deed haar grijpen naar den hoed, die bijna afwoei. Nog even dacht mevrouw Van der Kooy eraan terug te keeren, niet in dat groote monster te stappen dat dadelijk de lucht in zou gaan. D an wist ze niet hoe het kwam, zonder nog Marie de afscheidszoen te hebben kunnen geven, die ze te lang had uitgesteld, liep ze gedecidee -d het kleine trapje op en zag het interieur van de cabine en eenige gezichten die haar verbaasd schenen aan te staren .... een uniformpet dicht bij haar, die haar een plaats wees .. . Als een droom ging het langs haar heen. Nog eens kwam iets als een angstkreet in haar keel zwellen, dan realiseerde zij: ... Zij zat nu in de vliegmachine die haar naar Indië zou brengen. Iemand achter haar sprak het woord "Lijster" uit. Er kwam snel een visioen van haar kleinen achtertuin, waar iederen morgen vroeg de lijster sloeg, - en dat geluid leek haar van een verren weemoedigen vrede in de chaos van droom, waarin 5 zij nu leefde. Snel ging zij naar het raampje om te wuiven .•• Te wuiven naar de vriendinnen, die haar hadden gebracht in den vroegen Amsterdamschen morgen en die achteruit geblazen door de razende motoren, met zakdoeken stonden te wuiven, terwijl de Douglas al in den wind draaide. - Dag! dag! dag... probeerde ze door de dichte ramen en boven het motorgeronk te roepen, m a:1f daar achter zag ze alleen nog maar een groep figuren, die zij niet eens meer goed herkennen kon. " De machine had het luchtruim gekozen ... - Me parapluie! dacht ze ineens, want die had Jeanne even voor haar vastgehouden. Maar meteen voelde ze die nog aan haar pols hangen. Dan trachtte ze de plaats te vinden, die haar was aangewezen. Er zat iemand anders op. Nee het was aan dezen kant ... Daar bij de deur stond nog de piloot, die beûg was deze veilig en goed te sluiten. Het was als sloot hij haar leven af. En meteen heesch van angst sprong ze weer op ... - Ik - ik wil eruit - ik doe niet mee .. . Ineens die wilde drang tot zelfbehoud, ... drang om bij en op de aarde te blijven, waarop ze altijd geleefd had. Maar door de ramen heel laag Z:'lg ze de gebouwen van Schiphol. En ze pakte alleen maar den arm van den piloot, die haar voorbij ging ... - Meneer de chauffeur, zult u niet te hoog vliegen asjeblieft '? Het klonk als een smeekbede ... - Gaat u maar rustig zitten, mevrouwtje, we vliegen niet te hoog hoor, bij de K.L.M. gaat veiligheid voor alles. - H-h-heusch niet. .. 0 dank u. En om dan nog eens te vragen ... wat ze al had willen vragen voor ze instapte, maar weer vergeten was: - Hebt u wel genoeg benzine bij u, chauffeur '? Maar de man knikte goedig lachend als tegen een kind, dat te veel vragen stelt en ging naar de cockpit, om zich bij den gezagvoerder te voegen. 6 En dan kwam meteen weer dat afgrijselijke over haar, wat ze gekend had, vroeger, toen ze kort na haar huwelijk haar man was gaan voorstellen bij haar familie in Sneek. Op die bootreis naar Stavoren waarvan ze niets geweten had, omdat ze ziek lag in de kajuit, ziek zooals ze nooit geweest was, ziek tot ze dacht erin te stikken. De zeeûekte, die haar jaren lang zoo afschrikwekkend voor den geest had gestaan dat ze, toen Dirk naar Indië wilde terugkeeren, zich angstig verzet had en hem ten slotte alleen liet gaan. De luchtziekte was niet minder, maar gelukkig korter. Eerst hield ze haar zakdoek voor den mond, toen de papieren Z3k, die de passagier voor haar onder haar kin hield. En nu zat ze al uren lang, terwijl de machine in de onderste wolken zich door de roerige nimbuslaag werkte, waar de lucht in schommeling stond, met dien zak voor zich. En later nog een nieuwe. Een leege ... Dan lag de machine al rustiger ... Het gevoel van ziekte verdween en maakte plaats voor een vreemde berusting waarin ze zich zat te verwonderen, dat ze toch eigenlijk heel geen angst meer voelde. Alleen een vreemd gevoel van verstomping, alsof alle werkelijkheid ineens uit haar leven verdwenen was en plaats maakte voor iets onbegrijpelijks. Als werd ze nu door anderen geleefd en zelf uit de hoogte zat toe te zien, wat er met haar gebeurde, nu deze groote machine haar naar Indië droeg. Eigenlijk begreep ze niet hoe het dan toch gebeurd was en hoe het kwam, dat akelige besluit ... Dadelijk, dadelijk en zoo snel mogelijk naar Indiè. Nadat ze toch vijftien jaar lang, bij elk verlof van haar man het vertrek had afgeweerd, uitgest Id, teruggewezen. Vanwege de angst voor zeeziekte, vanwege dat verre apenland, vanwege haar goede zaak .. , En nu zat ze dan toch hier. Voorzichtig poogde ze voor het eerst uit te zien, nadat ze uren lang samengekrompen had gezeten van angst en verbijstering met dat nare gevoel in haar maag. Maar me teen trok ze het hoofd terug . D aar beneden, 0 nee 7 was het boven? ... had ze wolken gezien. Een dik pak wolken als voor een onweer. Ronde wattige wolken, die voorbij dreven ... onder haar weg. Ja, het was toch onder! Ze zat wel degelijk in de Lijster, die haar nu wegdroeg. Weer keek ze even ... Er staken punten uit op. Bergen. Nooit in haar Hollandsch leventje had ze bergen gezien. Maar nu zag ze die, zooals ze die in de bioscoop had gezien, maar enger, scherper en heelemaal grijs. En de bergen dreven weg met de wolken, er kwamen nieuwe bergen, grootere, kleinere. " 0, 0 ••• en vanavond zou ze in Athene zijn. Het was maar een vage klank voor haar, slechts een woord: Athene. Maar het was iets schrikwekkends. Alleen die piloot zag er zoo netjes en fatsoenlijk uit, die zou h3ar toch niet laten vallen, die zou toch wel weten dat het veilig was. Misschien had hij vrouwen kinderen. Die zou toch niet vliegen als het gevaarlijk was. Ministers-presidenten, had ze gelezen, vlogen egenwoordig allemaal. Mussolini had gevlogen, iedereen vloog, waarom zij dan niet. Maar al die vreeselijke ongelukken van den laatsten tijd. De stoel was makkelijk. Iemand had haar een beker koffie gebracht. Vreemd stond die beker voor haar. Maar de smaak was nog als iets van thuis. Die smaak van koffie maakte haar kalm. De beker stond er zoo veilig en viel niet eens om, zoo hoog in de lucht. Ze nam wat eau-de-coJogne op haar zakdoek, wischte zich het voorhoofd. D at knapte op. Dan dronk ze nog eens en bleef in gedachten met beker en eau-de-cologneflesch in haar twee handen zitten. Ze keek nu eens nieuwsgierig naar de vier passagiers die voor haar zaten. Allemaal heeren. Ze Z3t lekker veilig achterin. In den trein moest je ook nooit de eerste wagon kiezen, de tweede of derde op zijn minst. Voor geval van botsingen. Ja, ze zat hier goed. Twee passagiers keken in die enge die te omlaag, één scheen te lezen, één te slapen. Ook zoo vroeg op geweest vanmorgen. Ze zag oml ag, maar trok snel het hoofd weer 8 terug. Daar zat ze nu hoog in de lucht. Als ze niet op bezoek was gegaan naar nicht Jeanne, waar die dame uit I ndië komen zou om de groeten te brengen van haar zoon, dan zat ze nu niet hier, maar lekker thuis in haar achterkamer. Dan had ze nog haar eigen zaak. Die had van Indië verteld, zulke leelijke dingen, dat je der naar van werd. Mevrouw van der Kooy zei ze, ze hoorde het haar nog zeggen ..., dat is geen land voor fatsoenlijke menschen. Ja als je moet! Maar een vrouw heeft er geen leven. Het is, dat je man er zijn brood heeft. .• maar anders bleef ik hier. Er was zooveel meer verteld, waar ze nu niet eens aan wilde denken. Alle mannen hadden er Minas, dat waren Inlandsche vrouwen en die droegen alleen een sarong en kebaja, niet eens kousen. En je kon je man er eigenlijk nooit alleen laten ... Het was nu omdat ze ziek was geweest, maar anders ..• - Nou mijn man niet, had ze fel geantwoord. Die dame had met een vreemd lachje iets gezegd van uitzonderingen. Zoo, is uw man al vijftien jaar alleen in Indië? Ze had haar aangekeken met een medelijdenden en tegelijk een zuinigen trek om haar vervelenden mond, 2;ooals alleen vrouwen andere vrouwen kunnen aankijken, als ze het over mannen hadden. Vrouwen waren gemeen. Van Dirk wist ze wel beter. Ze loog het, dat nare mensch. Laat haar maar praten. Na een half uur was ze al heengegaan. Maar dit bezoek was de oorzaak geweest van zeer veel wat later kwam. Ze was gaan zitten denken. In den trein naar huis. Later thuis. Dagen, weken, maanden. Ze was gaan vragen bij kennissen. Het wilde niet meer uit haar gedachten. Ze droomde er 's nachts van. Dirk, die goeie, lieve beste Dirk, een man van goud en dan zooiets over hem te vertellen. Nou ja, het was over andere mannen, over mannen-alleen in Indië, haar Dirk was ook een man! Een man uit duizenden. Ja ze was niet meegegaan toen ze, in zijn eerste verlof uit Indië in Amsterdam, getrouwd waren. 9 Nee, nooit meer zeeziek zijn. Hij had immers ook eerst in Holland willen blijven. Ze had toch een goede zaak. Die had de oorlogsjaren doorstaan, die ging toen ter tijd ook nog goed. Hij kon toch ook in Holland werk vinden. Maar hij had naar Indië terugverlangd, waar hij tweede machinist was op een suikerfabriek. "Anders nemen ze me mijn plaats af." Zijn plaats was hij kwijt, maar hij had een nieuwe gevonden. Een betere. Met een ruk van afschuw nam ze ineens het eau-de-cologne fleschje van haar mond weg, waaruit ze inplaats van uit den beker koffie een slokje had willen nemen. Ze nam snel een slok koffie vanwege den naren smaak. Rrrrrr rrrrrrrrr loeiden de motoren. Ineens merkte ze dat ze geslapen had. •. Ze schrok wakker uit een droom. De werkelijkheid van groote hoogte was nog veel erger. Ze keek weer uit. Daar beneden geen wolken meer, een grijs landschap, waarover zonlicht viel. En weer ging haar leven haar voorbij. Het scheen even snel te gaan als de Lijster nu. Dat eerste afscheid aan de boot .. . vijftien jaar geleden. Volle zes jaar alleen. Vaak brieven .. . soms weer minder. Soms begreep ze die niet hee1emaal, vanwege de Maleische woorden, die erin stonden, als soeda, habis perkara en andere dingen, die wel vloeken leken. Hij legde ze later bij zijn tweede verlof uit. Na vijf jaar kwam zijn derde verlof. Elke keer als hij vertrok, deed het haar meer verdriet. Het leven begon steeds eenzamer te schijnen nu de zaak minder druk liep en onder de algemeene malaise leed. - Ga mee, zei hij telkens. Mee, na alle verhalen die hij over Indië vertelde? Juist voor vijf maanden was zijn laatste verlof om geweCi>L. Weer dat afscheid aan de boot. Daar stond hij op dek. En ze huilde. - Zal je je wolletje niet te vróeg uittrekken, Dirk, en voor je gezondheid oppassen '? Hij kon je zoo echt hartelijk in zijn armen nemen. Het ergste was geweest die thuiskomst, alleen in het huis, Ia waar ze weer zes maanden samen waren geweest... Daar stond zijn kopje nog op tafel. Nee, nee, niet wasschen, wegzetten zooals hij er het laatst uit gedronken had. Pas drie weken later had ze het aarzelend gewasschen. Daar zou het weer zes jaar staan ... De gezagvoerder kwam door de cabine en leidde haar gedachten af. Ook een nette man. Die legde iets uit aan de passagiers, waar ze waren. Die vlekken daar beneden, dat waren steden. En dàt waren rivieren. Ze hoorde namen die ze nooit gehoord had. Wat was de wereld groot. Hij kwam een hand geven en zich voorstellen ..• 0 ja, wat wilde ze hem ook weer vragen. - Zijn we er gauw, meneer? - Goed vijf daagjes, mevrouw, en dan pooten we u in Indië, ~anavond zijn we in Athene, morgen in Bagdad, overmorgen ln ••• De andere namen verstond ze niet. Bagdad bleef in haar hangen. Daar waren kaliefen met veel vrouwen. Wat had mevrouw Verduin ook weer verteld? Sommige mannen leven in Indië als sultans, als hun vrouwen er niet zijn. Haar man, die meneer Verduin was gelukkig anders, maar over het algemeen ... Weer stond dat valsche gezicht voor haar. Nee, Dirk was óók anders. Wat was hij elke keer blij geweest weer in het Hollalldsche leven te staan. Maar na maanden steeds weer dat sterke verlangen naar Indië. Wat was er toch in Indië geweest, dat hem dan weer trok? Die mooie avonden, vrouw, die stilte, die maannachten. En dan het leven zelf daar. Als hij op het eind van zijn verlof over Indië vertelde, was het toch altijd mooi en goed. - 0 wat was dat? Viel het toestel ineens. Nee, net als straks. Maar een hoe heette dat ook weer, remous of zoo iets. Was ze toch maar nooit ... Toen die mevrouw Verduin dat verteld had, toen wisten ineens in Amsterdam de vriendinnen ook zooveel te vertellen. Dirk was toen pas een paar maanden weer weg. Van die Minas was wààr, zeien ze allemaal. Een vrouw moest een man nooit 11 alleen in Indië laten. En zij had het vijftien jaar gedaan. Het scheen of alle vriendinnen nu ineens over niets anders meer te praten wisten, dan over Indië, waar ze allemaal familie hadden, van wie ze brieven kregen. Keken ze haar allemaal nu meewarig aan, met van die zuinige mondjes, die ze soms moesten afvegen, als ze weer iets verteld hadden ... Van zoo'n geval van een meneer, die ... En van een man die door zoo'n Indische vrouw heelemaal betooverd was. Ze hadden hem naar Holland teruggebracht en in Meerenberg opgesloten. Als Dirk ... nee die stond veel te vast met zijn voeten op den grond, die schreef elke veertien dagen ... Toen was er op een keer in drie weken geen brief gekomen. Er kwam er een van Schuit, zijn vriend, waarover hij vaak schreef. Die was zoo iets als een tuinemployé en woonde steeds met hem samen. Die schreef dat hij ziek was geweest, maar nu al veel beter. En den volgenden brief zou Van der Kooy zelf wel schrijven. Maar na twee weken kwam er weer een brief van dien Schuit ... Toch nog ziek. Wat er toen over haar gekomen was, wist ze niet. Ze had nooit willen gaan naar dat apenland. Nu was Dirk ziek en daar heelemaal alleen. Of had hij Minas? Nee nee .•. Maar wie zou er zijn om hem te verplegen en hem de oogen dicht te drukken als hij daar in dlt verre land alleen stierf? Man en vrouw hoorden bij elkaar. En van die Minas wilde ze ook weten, dat meest ze weten. Die tergende gezichten van de vriendinnen ... die eigenlijk jaloersch op haar waren, omdat haar manufacturenzaak toch nog goed ging. Ze had het ineens gezegd op een laten middag, toen ze bij haar waren en ze juist een juffrouw had afgewezen, die haar zaak wilde koopen voor drie duizend gulden. - Dan ga ik naar Indië, ik wil eens zien of jullie geklci waar is. Ik vaar met de volgende boot naar Indië! Ze was het heelemaalniet van plan. Nooit meer zeez·ek. Nee echt niet, maar toen ze het haar afrieden, toen wou ze juist. Ze wou ineens en snel. Wanneer er een boot ging? Ze infol meerde. Eerst met den trein naar Malseille of Genua en dan op de boot. Maar hoe wist zij den weg n.lr Genua? Toen las ze van de 12 K.L.M., een artikel van een meneer, die ook naar Indië was gevlogen. Allemaal zoo veilig. Ze had haar hoed opgezet en was naar de Reguliers Breestraat gegaan, waar de juffrouw, die haar zaak wilde overnemen in betrekking was. Vierduizend, of nee! Een uur later was de zaak niet meer van haar. Met heel de inventaris. Een half uur daarna had ze plaats besproken in de Lijster. De vriendinnen zouden opkijken. Ze keken op. Ineens waren ze anders ... Mensch, wat begin je. Voor geen goud. Voor geen màn. Dat zijn ze niet waard. Zij voelde zich heldin. Ze ging vliegen. Ieder deed het. Toen ze met de boot naar Indië wilde gaan, had ze D irk geschreven, dat ze erover dàcht om te komen. Nu wilde ze telegrafeeren. De vriendinl1en zeiden als je nu toch vliegt, doe dan eens wat wij zeggen, telegrafeer niks en je staat ineens voor hem. Dan weet je, van ja of van nee! Met die Minas! Dat was drie dagen geleden ... Nu zat ze in de Lijster en dreef over Macedonië, duizend meter hoog. En had spijt. En toch ... over vijf dagen zou ze bij Dirk zijn. Wat zou hij opkijken. Wat zou hij blij zijn. Want ze logen het allemaal. En dat zou ze ze schrijven ook! II Hoog door den tropischen hemel raast een klein stipje voort. In dat kleine stipje zit een heel klein menschje, met een heel groot warm hart, dat steeds maar sneller is gaan kloppen. Het heeft eenige dagen in angst geklopt, toen ze opsteeg in Amsterdam. Nog sneller toen het zich ineens in Athene be- 13 vond, een vreemde wereld voor haar, die ~uiver rasechte Hollandsche is en alles wat daarbuiten ligt, als vreemd beschouwt en vijandig. Blijer is ze weer opgestegen. Nu uit een Grieksche wereld, die de hare niet is. Ze heeft Bagdad gezien, dat eigenlijk alleen maar in de sprookjes heeft bestaan. Maar nu griezelige tastbare werkelijkheid werd in één enkelen nieuwen dag. Jodhpur, Rangoon, Bangkok en Singapore ~ijn in chaotische herinneringsverwarring voorbij gegleden. Alles eng vreemd. De dagen zijn rustiger voor haar geworden. Nu nadert de Lijster Batavia. Onderweg heeft ze driemaal een telegram geschreven. Dat ze op weg was. Driemaal heeft ze het verscheurd. Dirk zou ~oo schrikken, ~ijn vrouw in een vliegmachine. Eigenlijk lijkt het haar al zoo gewoon in die vijf dagen. Maar ze voelt wel dat hij schrikken zal. Hij was altijd ~oo bezorgd. Hij hoeft het niet te zijn. Ze zit daar veilig in haar stoel, even veilig als in den trein naar Zandvoort. De laatste brief hield in, dat hij weer geheel hersteld was, maar men kan ook weer instorten. Het glanzende stipje wordt grooter, het daalt. Het nadert de aarde. De kleine vrouw heeft nu nog meer over Indië gehoord. Een paar oudgasten aan boord hebben haar zoo als eIken totok, verhalen gedaan van tjitjakshagedissen, die altijd maar aan den wand zitten, van mieren, die zoo maar in je suikerpot komen, van tijgers, die 's avonds om het huis loopen, van kakkerlakken die 's nachts, zonder dat je het merkt het eelt van je teenen afeten en van vliegende honden, die leven van vruchten, die ze uit de boomen vreten. Nog veel meer ••. Ze heeft gelachen. Voor het eerst weer gelachen. - Jullie mogen me veel van Indië vertellen, maar van honden die vliegen kunnen, och kom heeren, ~oo dom zijn we toch niet, wel '? En welke hond eet nou vruchten. Me zuster heeft een hond gehad die veel van meloen hield, maar dat was dan toch ook een uitzondering en die is onder een auto ge14 komen. Nee, ik zal zelf wel zien hoe het in Indië is. Ik heb geen eelt onder me teenen en willen de honden er vliegen'? Nou, dan vliegen ~e maar ... - Daar is de Salak en de Gedeh wordt haar vertelt, en ze gelooft het niet heelemaal, evenmin dat die toppen boven een wolkendek vuurspuwende bergen zijn. Ze ziet daar door een opening in groote regenwolken een stuk van Indië en het is slechts een vage plek van ~uiver diep doorzichtig smaragd der tropen. Ze had zich Indië anders voorgesteld. Ze wij~en haar Weltevreden ... Als ze getelegrafeerd had, dan zou Van der Kooy daar nu misschien staan •.. Maar die is meer dan dui~end kilometer ver van hier. Op Toeloeng Baroe, waarheen ~e alle brieven adresseerde. Die weet niets van haar komst. Als ze de laatste duik door het wolkendek maken weet ze ineens, dat Indië een ander land is, dan men dit haar beschreef. Dat verhaal van die koperen ploert, die altijd op je bol schijnt, kan niet waar ~jn, want hier is nu alles grijs. Men kan in de Douglas gelachen hebben over de parapluie, die ~e altijd bij zich hield, maar nou zie je ... het is er als in Holland. Het regent ... dat het giet. Een oogenblik te voren is het haar om het hart geslagen toen een medepassagier haar weer vertelde, dat de gezagvoerder nu blind vloog door de wolken. Driftig heeft ze gezegd, dat dit niet mocht voorkomen. - Laat hij zijn oogen opendoen, ik hou niet van die spelletjes, het is zonde zoo met menschenlevens te spelen. Nu ze door het wolkendek heen zijn, heeft Batavia haar volle aandacht. Is Indië anders dan Athene 1 Dan Singapore 1 De zee is ook net eender. En daar scheen overal de ~on. De Douglas cirkelt ... staat na een zachte ground-loop op het vliegveld Tjililitjan .. . En zij is hier de eenige passagier, die rustig een parapluie kan opsteken als ze uitstapt en blij is haar mantel aan te hebben, terwijl de anderen in witte pakken doornat regenen. 15 De gezagvoerder neemt afscheid. Hij vliegt door naar Bandoen g. En het eenige wat ze vraagt aan de employé van de K.N.I.L.M. is: - M eneer, waar zijn hier de apen nou? Ze heeft geconstateerd, dat er op het vliegveld eenige Europeanen zijn en meer Inlanders, net zooals ze die zag op de booten wanneer Dirk vertrok. Dat is niets nieuws. Het land is vlak als in Holland, de regen is precies zoo... maar ... waar zijn de apen nou. En ze ûet geen enkelen vliegenden hond rondloopen. Wel een zonder vleugels. Nee nee, ze hebben maar wat van Indië vertelt. Een klapperboom in de verte zegt haar niets. Er zitten ook geen apen op het dak van de loods. Wel een gewone musch, precies als in Holland, een doodgewone musch, die sjilp zegt, sjilp. En tegelijk zou ze nu bijna kunnen schreien bij het idee, dat ze hier is in het land waar Van der Kooy altijd heeft gewoond, dat hij soms aan het begin van zijn verlof een pestland noemde, maar aan het einde daarvan zijn eigen mooie land. Op het bureau van de K.N.I.L.M. laat ze zich gewichtig inlichten. Op Toeloeng Baroe in den Oosthoek komt ze het snelst, als ze de machine neemt naar Soerabaja, en vandaar een auto, dan is ze nog tegen donker op Toeloeng Baroe. Zóà wil ze het hebben. Ze is aan het reizen gewend geraakt, ze heeft geen rust meer voor ze bij Van der Kooy is. Daar is haar thuis. Ze kan per trein gaan ook. Nee, per vliegmachine! Ze is het reizen door de lucht al even gewoon gaan vinden als het reizen per autobus door Nederland. Ze verschilt daarbij in niets met andere reizigers, die zich het reizen per vliegtuig tot gewoonte maken. Ze begrijpt eigenlijk zelf niet wat er over haar gekomen is. De vrouw die jaren geleden opzag tegen een spoor re is naar Rotterdam, die altijd een half uur te voren aan den trein was, die als iets vijandigs de herinnering blijft bewaren aan zeeziekte op weg naar Stavoren, handelt hier met bijna bazige ernst in het bespreken van haar plaats in 't vliegtuig naar 16 Soerabaja. Ze spreekt op haar gemak Hollandsch tegen de Inlandsche koelies, die haar bagage zullen overbrengen. - Hier meneer, vergeet u die doos niet en wilt u die koffer niet onderste boven houden? D aar zitten me reukfleschjes in weet u en die kunnen leegloopen. Zeg haast u wat, zoo'n vliegmachine wacht niet op iedereen ... Ze zit in de nieuwe machine al weer rustig uit te kijken naar de vulkanen, die in de verte voorbijtrekken, ziet in Sema rang passagiers uitstappen en nieuwe binnenkomen, laat zich kalm aan den grond zetten in Soerabaja en als de behulpzame employees van de K.N.I.L.M. voor haar onderhandelen wiilen met een autoverhuurder, die haar naar Toe1oeng Baroe zal brengen, schuift ze den man rustig van de telefoon weg, dingt nog vijf gulden af, is boos, dat het haar niet lukt er tien af te krijgen en stapt weer in de auto, alsof ze in Amsterdam in een taxi stappen zou ... ofschoon er toch twee Inlandsche chauffeurs voorin zitten die geen woord Hollandsch tegen haar spreken. Nu en dan onderweg probeert ze een discours aan te vangen. - Zeg chauffeur, wilt u alsjeblieft niet wat langzamer rijden, we komen er langzamer óók wel. - Apa, Njonja? - Langzamer! ... Làng ... zà .•. mèrI Zeg bent u oostindisch doof? Langzamer ... niet zoo hàrd, hà-r-d! Het laatste schreeuwt ze ongeveer aan zijn oor. En de wagen rijdt ook langzamer. Zie je, denkt ze, als je maar hard tegen ze praat, dan verstaan ze je wel in Indië. Anders een raar land, waar ze niet eens onze eigen taal spreken. En meteen schieten haar de tranen in de oogen, als ze eraan denkt, dat ze Van der Kooy over nog maar twee uur in levende lijve voor zich zal zien staan. Die goeie Dirk ... En tegelijk knijpen de lippen zich even samen tot een smallere spleet. - M aar het mijne wil ik er van hebben. Ze hebben het me gezegd, dat de mannen in Indië leven als sultans. Als Van der Kooy? .. Dan ... Maar weer komen er tranen, nee 17 Suikerfreule :2 dan gaat ze niet terug, dan gooit ze ze allemaal de straat op. Nee dat kan Dirk nooit gedaan hebben. Toen ze hem vroeger had' gevraagd, hoe hij daar dan in z;ijn huis bediend wer~, zei hij: We hebben een huisjongen en een kebon voor d~n tw.n en een chauffeur; en voor de keuken een oude kokkle, dle .. h k k ? pruimt. _ Jakkes wat vies ... tabak'/ En zoo maar bl) e~ 0 en, _ Nee, sirih, dat doen ze daar allemaal. D at vmden ze lekker. . . _ Nou, maar ik vind het niet lekker, 't IS v1es! Enfin, ze zal het nou zelf zien. Over een uur nog maar. Over een half uur. Beurtelings zit ze zich kwaad te maken. ~? dan is het ineens weer zoo oneindig goed in haar, zoo bh)~ dat ze op de bank bijna zit te wippen van verlangen en al driemaal tegen de chauffeur gezegd heeft: - Z.eg mene~r, nu kunt u toch wel wat harder rijden, hàr-der! lk ben met bang meer hoor I Rij dan hàrder ... U schiet niet op, chauf1 feur.. . f Maar nu zal ze toch weten. Als ze Dirk gezoend he~ t, za ze ... nee niet eerst zoenen ... Of wel'/ Waarop wacht dle auto nu weer. " 0 weer zoo'n ossenkar op den weg, hebben ~e dan hier geen paarden. En wat wordt het al donker, de zon lS toch maar net weg, daarnet zag ze hem nog en nu al nacht? En zoo gebeurt het, dat terwijl twee .!llannen rusti~ in de lichtkring van de lamp in de voorgalen) hun kra.~t Zltten t.e lezen, dat daar ineens een auto het donkere erf opflJdt, wa~rwt als een bal een nog geheel Europeesch gekleede vrouW sprmgt, die een enkel oogenblik aarzelend blijft staan ~oor de tre~en van de voorgalerij als overmande haar de ~motl~ en als wilde ze poolshoogte nemen ... dan de armen uitspreidt ... - D irk! . De grootste van de twee mannen springt eerst op. Rusuger volgt de andere ... 18 Van der Kooy staart naar haar, als naar een spookverschijning. - Eh-eh? stottert hij. - Dirk, ik ben het! Er zijn twee armen om zijn hals, voor hij werkelijk begint te realiseeren, dat hij niet d roomt, dat alles werkelijkheid is, wat er om hem gebeurt. Ze ziet zijn geweldige verbazing voor schrik aan, houdt de zoen die zij hem geven wil in, laat hem los, kijkt ineens argwanend de voorgalerij door ... - Nèè, èèrst wil ik zien ... Twee mannen staren in hoogste verbijstering het figuurtje na, dat gedecideerd de haar vreemde binnengalerij inloopt, speurend rondkijkt, verdwijnt in de zijgalerij dan de achtergalerij dwars oversteekt, omdat ze daar in de slaapkamer iets ziet bewegen. Daar staat voor het groote bed met tule omhangen een Inlandsche vrouw met een sapolide de muggen uit de klamboe te jagen. Nu kijkt die verschrikt om. Twee vrouwen staren elkaar aan. West en Oost. Een, die zoo uit Holland komt, een dikke oude l nl:mdsche, wier gezicht zich trekt tot breeden sirih-rooden grijns en die teemerig vraagt: - Tabee Njonja besar, mao apa? En deze oude kokkie begrijpt niet, waarom die njonja blanda ineens groote tranen in de oogen heeft, waarom die zich meteen snel omdraait en op een klein drafje de binnengalerij weer doorloopt en daar m de armen vale van toewan Pander · kooi, waarachter toewan Skuit met wijd open mond en oogen in hoogste verbazing staat toe te zien. " Hoe twee menschen elkaar omhelzen. - Dirk, mijn goeie lieve Dirk ... daar ben ik, ze hebben het allemaal gelogen ... - Wat gelogen, hoe kom je hier? .. - Van die Minas en van nog zooveel meer, Dirk. - Ben je dààrvoor gekomen? 19 - D aarvoor en... nee en om jou Dirk, man en vrouw hooren immers bij elkaar. Voor jou ben ik gekomen. Ik blijf nou altijd bij je. - Betje . .. kind, ik begrijp het allemaal nog niet. - D at zal ik je allemaal wel vertellen. Ik ben zoo blij dat je er zoo goed uitziet ... god, in wat een mooi huis woon je maar wat een èng huis ... wat groot is alles hier en ... Op dat oogenblik laat de tokkee die tegen het plafond geplakt zit, zijn stem hooren. Eerst even een rochelen, dan: - Gèkkoo... gèkkoo. .. gèkkoo .•. Zeven maal, telt Schuit af. - Dat breng geluk I En als in een hees eh rochelen het laatste "gekko" versterft en dit even een stilte achterlaat in de binnengalerij, voelt Betje voor het eerst na de groote roes van reizen, een droeve weemoedige angst over zich komen voor het vreemde land, waarin zij zoo plotseling verzeild is. En ze drukt zich haastig tegen haar man aan ... als om bescherming te zoeken. - Dirk, ik ben zoo blij dat ik ... bij je ben I Ik zal het naar ze schrijven in Holland hoor ... enne ... dat beest, dat enge beest dat zoo schreeuwt, moet eruit hoor ..• Vanuit de verre kampong druppelen de klare geluiden van de gamelang ... III - AmatI Oessin! Het blijft stil in de voorgaleriJ. - Oessin! I Maar weer blijft het stil. Stil in het huis, stil op het erf, vanwaar Oessin's: - Nja I altijd als antwoord klonk. Stilte zoo beklemmend, dat mevrouw Van der Kooy in scherper 20 luisteren even omkijkt, het huis door, dat in contrast met fel zonlicht over het erf nu bijna donker schijnt. - Waar blijft dan die nare jongen toch weer, bazigt ze voor zich heen en staat op om langs den hoek der voorgalerij over het achtererf te zien. En weer roept ze, nu voor de derde maal en zeer luid: - AmatI Oessi-ién! De roep eindigt in hoog uithaalt je, dat ver klinkt door de tropische middagstilte ... over het verlaten erf, over den stofgrijzen weg, tot ver in de kebon ... Maar als antwoord hoort ze alleen de vage echo, die bijna hoonend Si-ién! nabouwde, weerkaatst tegen de witte fabrieksgebouwen aan verre overzijde, die te blakeren liggen in schroeiende kenteringszon. Maar terwijl die echo naar haar over klinkt, schrikt ze. Van der Kooy had haar toch gevraagd niet zoo te gillen ... dat kon-je niet doen in Indië, had hij gezegd, in Indië riep je zoo niet. Als hij het op de fabriek gehoord had? Het i zoo stil in die groote gebouwen nu de machines niet werken, omdat de maaltijd voorbij is. Ze tuurt scherp naar de overzijde, als verwachtte ze hem uit een deur te zien komen. Maar als het groote fabriekserf verlaten blijft, zinkt ze terug in haar stoel en neemt zich voor gelaten te wachten. Die lamme jongen, altijd als ze riep was hij weg... Naar de kampong... of baden. .. of wat anders doen. Nu kwam hij wéér niet. Met matten, reeds Indisch-Ioomen middagblik zocht ze het erf over en den weg langs ... Ze hoopte er eenig bewegen te bespeuren, dat haar zich nu minder eenzaam zou doen voelen. Geen mensch cn geen dier was te zien. Bijna vijandig stond daar de fabriek, die ... dat wist ze ..• in haar muren toch nog vele levende wezens sloot, maar ze torgvuldig verborgen hield. Vijandig stonden daar de enkele klapperboomen, met loom hangende bladeren, vijandig lag het zonlicht als kokend lood 21 over de erven gegoten. Nog meer vijandig, bijna geheirru;innig stond daar ver tegen de lucht de wazige vulkaankegel. Daarboven een grauw wolkgevaarte, in dreiging van onweer. Als iederen dag nu. Zij voelde de onzegbare vijandigheid van het tropische landschap. In alles wat zich daar nu in slaperige middaghitte aan haar toonde. M aar het meest vijandige leek haar de stilte. Even sloot ze mat de oogen ... maar dan hief ze zich met een ruk op, schokte zich moedwillig wakker. Nee, al had Van der Kooy het haar nu gezegd ... slapen ging ze toch niet. Welk fatsoenlijk mensch lag nou 's middags in bed ... En dan zóó'n bed bovendien, waarin je je niet eens fatsoenlijk kon toedekken. Tjik-tjik-tjik ... snerpte een tjitjak. Ze schrok van het geluid dat fel de stilte reet. Maar dan bleef ze kijken naar het diertje, dat roerloos op muggen loerende, tegen den muur kleefde. Ze herinnerde zich, hoe ze geschrokken was, den eersten avond, dat ze hier de tokkee tegen den muur had gezien. En hoe die riep ... Nu kon ze er al rustig naar kijken, ook naar de tjitjaks •.. Kwade beestjes waren dat niet. En het was tenminste leven ... bewegen en geluid, in die angstig stille roerloosheid van tropischen middag. Waar bleef die jongen nou ... Weer wilde ze roepen, maar als voorlaatst geluid hing nog in haar ooren de echo van hoogen stemgalm en ze zweeg. Ze voelde zich zoo verlaten, midden in dit heete verre tropische binnenbnd, waar ze bijna te plotseling gekomen was en al tien dagen leefde temidden van schokkende en onverwachte indrukken, die ze te moeilijker verwerken kon, na het oude bekende leven V:lO een Amsterdamsche straat ..• - Si-ién! bouwde de echo nog in haar ooren ... Als 10 droom voerde die haar weldadig even terug naar de Kerkstraat waar die klank gewoon was, waar ze zèlf riep, en waar men hààr riep met dien nagalm ... Waar men 's avonds de stemmen van moeders hoorde, die haar kinderen binnenriepen door de schemerende straat... Mientjé-é. .. ]ans-sié. Binnekommé... Boterham ete!. .. 22 En in weemoed zat ze te luisteren . . . de handen gevouwen in den schoot naar de reeds zoo verre herinneringen. Die ze nu weer bijna verwezenlijkt hoorde ... De geluiden van straat ... Een klapperende bakkerskar, de bel van hààr eigen zaak en die van den groentewinkel aan de overzijde... Het voorbijdreunen van een wagen. De gillende stemmen van ruûënde jongens. De roep van een koopman ... Rooie kool, beste kwaliteit. .. Roepen, waarin de seizoenen leefden... Varsche aarebij ! . .. Mooie kerse! ... Peere, sappige peere! ... Kanteloep! ... Kwaliteit dalia ... Appelesiene ... Terugkeerende elk ja::}r weer. Geluiden die doordrongen tot in haar huis zelfs van den Amstelkant waar booten toeterden voor de Magere brug en motoren driftig tuften tot zelfs in den nacht ... zoodat ze zelfs in den winter met gesloten ramen het rumoer meeleefde ... en er nooit eenzaam was. En hier ... hier enkel die stilte, het zwijgen. Die vreemde vijandige eenzame verlatenheid. Haar huisje in de smalle straat, met uitzicht zijwaarts op het altijd woelige Amstelwater. " Steeds wat te áoen. Nu ging ze koppiesspoelen in haar eigen kleine keukentje... In haar eigen vatenbak, met lekker warm schuimend sop, dat over je handen spoelde. Was nog te heet, even wat koud bijdoen. Werk dat ze het daghitje altijd zelf uit handen nam ... Zóó, ja zóó was het lekker. .. Zoemerig snorde de kaduke waterkraan. Rook ze wat, daar walmde het petroleumstel weer. Moest noodig een nieuwe pit hebben. He-he ... wat rook die koffie lekker. En in den ketel begon het water al weer te neuriën. Zangerigbabbelend geluid dat gezelligheid was. Nou nog even de kachel oppoken .•. en dan de aardappelen opzetten ... En die waren best ... fijn blommig ! - Tjiek-tjiek-tjiekJ sneed de schelle roep van tjitjak haar peinzen af... rukte haar cru weg uit het kleine keukentje, waar ze in gedachten druk bezig was met afstrijken van pit ... kwakte haar weer terug in de Indische werkelijkheid, die geheimzinnig haar bleef beloeren. Met een kramp in den keel herdacht ze al de verloren levensdingen, achtergebleven in het 23 land, waar nu misschien de regens door de boomen zwiepten. - Saja, Njonja I Met een schok vloog ze overeind ... Vlak achter haar had die stem geklonken ... Van Oessin, die, op bloote voeten, geruischloos door de binnengalerij achter haar gekomen was. - Leelijke lammeling I Mot-je me zoo late schrikke? Goeie got, me hart staat stil. .. is dat een manier om ineens vlak achter iemand te komen en je de doodstuipen op 't lijf te jagen •.. Nog hijgend met beide handen aan haar hart stond ze voor den jongen. - Njonja pangkil ? - Wa seggie? Ik waarschuw je, lap me dat nogeres. Dat loop maar op derlui bloote voeten ... 0 ja, waar blijft nou d~ wagen, ik moet ommers inkoopen doen? - Apa, Nja? vroeg de jongen. - Waar of nou de auto blijft. De wà-gen! Ik moet uit! Met haar handen als aan het stuur, toonde ze den jongen wat haar bedoeling was en herhaalde nu wat luider, omdat ze meende, dat hij haar Hollandsch beter zou verstaan, als ze harder sprak •.. - Ik zit hier te wachten op de wàgen. Ik zou toch naar de passar, om in te koopen ... ik heb zeep noodig en boenders en nog véél méér. Of dacht-je, dat ik nog lang in die vuile rommel kon zitten... Er mot schoongemaakt worde ... Versta-je me, schoon-gè-mààkt, en de wage mot direct voor komen ook! En omdat Oessin haar met half open mond vragend bleef aanstaren, nam zij hem ineens met goedige maar tegelijkertijd gedecideerde bazigheid bij een slip van zijn mouw, trok hem als iets vies voort door binnengalerij naar achtererf en garage en wees hem daar eerst de auto ... - Njonja, Amat pigi di kampong! Betje Van der Kooy keek hem even aan ... als trachtte ze uit zijn oogen te lezen, wat hij mocht hebben bedoeld •.• Nog eens trachtte Oessin haar aan het verstand te brengen, dat de chauffeur Amat naar de kampong was. En hij enkel huisjongen was ... 24 Voor mevrouw Van der Kooy zou het geen verschil hebben gemaakt, indien ze hàd begrepen ..• Oessin was een "zwarte" en Amat was ook een "zwarte", of ze den een of den ander aan het stuur had, maakte voor haar geen grein verschil. Ze kon ze zelfs nog niet eens goed uit elkaar houden ... Het standsbewustzijn van een huisjongen tegenover een chauffeur zou bij haar niet zijn opgegaan ... Dus zette ze met één enkel resoluut gebaar al zijn onverstane argumenten ter zijde en besloot: - Ik heb je de wagen al eens zien rijden, dan moet jij maar sturen ... ik wil me borstels zelf uitzoeken en me dweilen moet ik ook eerst zien. Het huis moet grondig schoongemaakt. In zoo'n vuile rommel wil ik nu niet langer zitten ... Vooruit en haast je wat. Oessin was van plan een beleedigd gezicht te zetten. Zelfs te weigeren. Maar de korte gebiedende toon deed hem aarzelen. Het feit, dat hij nu een Njonja had, die zooals al die dwaze blandas niet eens moeite deed zijn taal te spreken, die niet gebrekkig iets tegen hem stotterde, maar rad haar eigen taal sprak, alsof het haar dóódkoud liet, of hij haar verstond of niet, indien haar bevel maar werd uitgevoerd, overtuigde hem radicaal van haar volkomen superioriteit boven andere blandas. Hij ging gedwee zijn jasje aandoen. En mevrouw Van der Kooy haastte zich weer het huis in .• sloot nog snel eenige deuren af, waarvan ze den sleutel veilig in haar taschje stopte, ging in de slaapkamer het briefje halen, waarop Schuit om haar te helpen, toch eenige Maleische namen van de gewenschte ingrediënten had geschreven en liep dan naar de garage om te zien of Oessin zich werkelijk wel haastte, terwijl ze overlegde ... twee nieuwe bezems moesten het zijn, drie handschrobbers, een paar goeie linnen dweilen, en zeep ... vooral héél veel goeie vette zeep ..• 25 IV Van der Kooy kijkt nog eens met tevreden blik naar den molen, dien hij had nagezien, geeft den mandoer eenige opdrachten over smeren en invetten. Het was een van de molens die sinds de crisis buiten werking waren gesteld. Maar ze moesten onderhouden worden. Bij de minste opleving in de suikerwereld moesten ze gereed staan. Dan loopt hij moe, na zware lichamelijk inspanning in heeten dag, de machinehal uit naar het kantoor, om te zien of Schuit nog niet komt. Maar deze komt al achter uit de machine-kamer. Samen staan ze even bij de machine, terwijl Van der Kooy nog een laa ste opdracht geeft aan den Madoereeschen mandoer. Dat was zoo zijn gewoonte, altijd op Schuit te wachten, voor hij naar huis ging. Maar meestal was het Schuit, die daar reeds bij hem in de fabriek k-wam. Waarom hij het deed wist hij zelf niet, evenmin als Schuit wist, waarom hij altijd op Van der Kooy wachtte. Het was tegelijk sleur en sympathie. Van der Kooy ging nooit naar huis zonder Schuit en Schuit nooit zonder Van der Kooy, ook al was de af te leggen afstand ma.:!r enkele minuten. Vijftien jaar geleden had hij Schuit leeren kennen op een onderneming in het Besoekische, waar ze samen geëmployeerd waren . . . Toen hij naar Toeloeng Baroe ging als tweede machinist had hij Schuit meegenomen . " Het was een der condities geweest. " Schuit mee I Hij wist weer niet waarom. Schuit was aan hem gehecht, zooals Van der Kooy gehecht was aan Schuit. In vijftien Indische jaren waren ze als samengegroeid. Bijna als hoorden ze bij elkaar. Vijftien jaar hadden ze samen in één huis gewoond, één kokkie gehad, aan één tafel gegeten. Ze waren van denzelfden leeftijd, bijna vijftigers nu, ze hadden als oudwordende jonggezellen het Indische leven doorgescharreld, met al zijn wel en wee. En het was bijna ondenkbaar, dat ze ooit van elkaar zouden gaan. 26 Nooit hadden te elkaar gezegd, dat ze vrienden waren ... Ze hadden eenvoudig samen gewoond en geleefd... En op een dag, dat Schuit ernstig ziek was, had Van der Kooy plotseling het gevoel, of hij op het punt stond een eigen broer te verliezen. Schuit was een stil ingetogen mensch, eenigszins verlegen van aard. Hij sprak nooit veel en wat hij sprak was meestal een echo van hetgeen Van der Kooy zeide. Omdat jaren van Indische hitte ook Van der Kooy zwijgzaam hadden gemaakt, heerschte er dus meestal stilzwijgen tusschen beiden. Maar ook dat stilzwijgen was in het eenzame vrijgezellen leven gp.zelligheid geworden ... De wetenschap, dat er een hoewel onuitgesproken genegenheid bestond, was voor beide mannen een behoefte geworden, die ze niet konden ontberen. En vooral Schuit's liefde voor Dolly. Dolly was geboren in de eerste periode van Van der Kooy als vrijgezel in Indië. Hij had, als zoovele andere, op eenzame ondernemingen een huishoudster gehad, stil Soendaneesch meisje, dat hem uit den Preanger naar den Oosthoek was gevolgd en dat kort na de geboorte van Dolly stierf. Het moederlooze kind, dat nu door de oude kokkie werd opgevoed, bleef hem als een herinnering aan de stille gedweeë opofferende Marijem, die hij toch zeer had liefgehad, die zijn leven mooi had gemaakt voor hij in Holland trouwde. Overdag, als Van der Kooy op de fabriek was, scharrelde Nonnie altijd rond in de bijgebouwen ... spelende met een kleinkind van kokkie, dat deze tot zich genomen had. Bruingebrand door de zon, dartelend in de tjilana monjet, verschilde Doll y weinig van het Inlandsche meisje. Maar iederen avond weer kleedde kokkie het kind Europeesch aan. En als Van der Kooy van de fabriek terugkeerde, stond ze al wenkend met het kleine handje aan het hek ... en <;peelde met hem tot het uur van slapen gaan gekomen was. In die dagen leerde hij Schuit kennen, die als tuinemployé op de onderneming in het Besoekische kwam. En toen hij eindelijk van Toeloeng Baroevoor het eerst met 27 verlof zou gaan, betrok Schuit zijn eenzame woning en met de zorg voor die woning, nam hij ook op zich die voor het kind. Daardoor was het Van der Kooy mogelijk geworden met verlof te gaan. De vijf en dertig jarige Van der Schuit was toen reeds een stille ingetogen man ... die automatisch het hem opgedragen werk deed en voorbeschikt scheen om zijn leven lang employé te blijven. Hij had geen vrienden, maar ook geen vijanden. Hij leefde zijn tropische leventje als een plant, die men ergens had neer-gepoot, groeide, oud werd, en sterven zou op die plaats . Bijna gedachteloos had hij de taak op zich genomen, te zorgen voor huis en kind. Maar dat driejarige kind bracht in zijn leven een ongekende emotie. Reeds den eersten dag, dat hij moe, komende van de fabriek het wuivende handje zag, werd er iets, wat hij nooit gekend had, warm in zijn hart. Nooit had iemand op zijn komst staan wachten ... Nu stond daar een kind, nog met tanen in de oogen over het heengaan van vadertje. Hij vergat dien avond te mandiën, nam het op schoot, luisterde naar de half Maleische kinderbabbels, voelde zachte armpjes om zijn hals. " Dlen avond was de eerste volmaakt gelukkige in zijn leven. Hij hoorde voor het eerst lieve woorden tegen zich zeggen, die hij zich alleen nog maar vaag herinnerde van zijn moeder. En zoo leefden ze samen voort. Uren voor het sluiten der fabriek kwam er reeds zachte ontroering in zijn eenzame hart bij de gedachte, dat daar een kind zou staan wuiven bij het hek ... dat zich nu reeds liet baden en opknappen voor zijn komst .•. Dat er een wezentje was, dat verlangend naar hèm uitzag. In die groote vreemde, eenzame Indische wereld ... en hartje, dat voor hèm klopte. En hij leerde het de Hollandsche sprookjes, welke hij zich herinnerde uit zijn jeugd, verteld door zijn goede moeder in Holland, die even eenzelvig geweest was als hij ... En er eenzaam was gestorven. Moedwillig aan leerde hij het goed Hollandsch praten, de- 28 zelfde woordjes zeggen, die zijn moeder hem eenmaal had toegefluisterd en die in zijn ziel waren blijven voortklinken als de weemoedige melodie van een oud lied. En iederen avond weer wenkte van verre het kleine handje ... sloegen mollige armpjes zich om zijn hals, fluisterden kinderlippen woorden, die de echo schenen van zijn verre maar dierbare jeugd. Zijn leven kreeg ineens nieuw doel ... H et kind ... de kleine Dolly. Op een avond had zij hevige koorts. Den volgenden dag liep hij drie maal uit zijn werk om naar het kind te zien ... waaraan kokkie met Inlandsche obatjes dokterde. Hij zond om r.en Europeeschen dokter... Die schudde het hoofd ..• scheen hem op iets oor te willen bereiden, maar zei het toch betrekkelijk cru, toen hij hoorde, dat Schuit de vader niet was. H et kind zou het niet halen, dysenterie, malaria ... 's Morgens ging Schuit nog, maar moeilijk, naar de fabriek. Toen hij er een uur was, kon hij het niet meer uithouden, liep bijna in draf naar huis. En bleef daar. Hij zette zich bij het bedje, vertelde alle oude sprookjes, die hij kende, zong liedjes met door tranen verstikte stem, ook al wist hij, dat het kind hem niet altijd meer hoorde. Boodschappen uit de fabriek met bedreiging tot ontslag raakten hem niet. Hij bleef bij het kinderbedje, bij het eenige mondje, dat lieve dingen tot hèm had gefluisterd, het eenige hartje, dat hem toegenegen was. Soms voelde hij niet meer, dat het klopte ... Dan was het of hij zelf sterven zou, scheen het leven doelloos, als hij dit niet meer zou kunnen wijden aan de kleine Dolly ... Maar na een week van doodstrijd gingen de oogjes minder mat open ... keken stil rond, zagen hem bij het bedje zitten. En om de dorre lippen kwam een week lachje. Dat 1 chje was het hoogste geluksmoment in :<:ijn leven geweest. " Lachje, bevredigd, rustig, omdat zij hem daar bij zich zag. De kleine was daarna stil ingeslapen. Maar Schuit had twee uur liggen huilen. Huilen als een kind, huilen van geluk. 29 De eenige keer in zijn leven, na ûjn kinderjaren, dat hij gehuild had. Daarna nog eenmaal toen Van der Kooy na zijn jaar verlof terug zou keeren, toen hij meende van Dolly weer heen te moeten gaan. Hij leed er nog meer onder dan in de dagen, dat hij meende het kind door den dood te zullen verliezen. Van der Kooy kwam, dankte hem ontroerd voor alle zorgen en vroeg hem of hij nu al weer een huis had. Schuit had vergeten daa;:-naar te zoeken. Samen keerden zij uit de fabriek terug. Bij het hek wuifde het h andje .. . Wat was dat? De armpjes sloegen zich eerst om zijn hals. En de oogjes keken verbaasd naar den vreemden man, die er naast stond. Toen dien vond het kind haar cude plaats op Schuit's schoot zocht en samen met hem de oude liedjes zong, zei Van der Kooy alleen met iets vreemds in zijn stem, dat ontroering wild verbergen: - Je bent je carrière misgeloopen. " je hadt kindermeisje moeten worden. - Ja, ja ... kindermeisje worden, had Schuit gelachen, en zong dan weer voort: Er zaten zeven kikkertjes, al in een boèrensloot .. . Bij boèren ... sloeg zijn stem over. Sindsdien had Van der Kooy nooit meer gesproken over een ander huis. V Loom, doezelig van hitte binnen fabrieksmuren, slenteren ze nu samen naar huis. Het groote fabriekserf af, den weg over en het eigen erf op. 30 Zwijgend gaan ze naast elkaar, de weinige af te leggen schreden. Het Indische zwijgen na schroeiheeten dag. Binnen het hek trekt Van der Kooy snel de knoopen van zijn toe toep los, maakt herademende halsbeweging van ruimte, schuift de kree opzijde en loopt de voorgalerij door, in weldadige verheuging dadelijk te kunnen mandiën. Die is leeg. - Vrouw! roept hij, even gedempt. Maar dan herinnert hij zich, dat ze naar de passar zou gaan ... en loopt de gang in naar zijn kamer. De deur is gesloten. Nooit is die deur gesloten geweest. Verbaasd keek hij eens naar Schuit, die ook stond voor eigen kamerdeur en beteuterd naar Van der Kooy omzag. - He? zei Van der Kooy ... gesloten? - Ja, geslot n, mijne ook. Van der Kooy voelde nog eens... keek dan weer vragend naar Schuit. - Schoonmaak! Schuit knikte. En als begreep die ineens, echo-de hij: Schoonmaak? - Schoonmaak? Moet me kamer daarvoor op slot? - Ze zal direct wel komen, dan kunnen we erin. S huit zei het gelaten, als had hij ûch reeds geheel aangepast bij den nieuwen toestand en verdween in het achterhuis. M aar op Van der Kooy's voorhoofd zwollen de aderen, telkens als hij naar de deuren zag. - Is ze be ... Hij hield zich in, probeerde nog eens aan de deur, als kon hij niet gelooven... Dan hoorde hij Schuit zeggen: - Het gaatje is veel te klein. Ik kan hem er niet inkrijgen. Hij h d in de goedang oude sleutels gezocht. Maar ze pasten niet. Verdrietig zagen de mannen elkaar aan. Dan klonk door de voorgalerij een schaterlach. Daar stond Hans Nittel, de fabricage chef. - Daar boffen jullie bij! 31 - Ja, daar boffen we bij'? herhaalde Schuit met nog e~ni~s­ zins vragende intonatie in de stem •.. we kunnen der ruet 10. - Wist ik al, zei Nittel, die juist uit zijn paviljoen was komen aanloopen. Sarina vertelde 't me, mevrouw heeft ~e sleutels meegenomen. Er is vanmorgen schoongemaakt 10 die kamers ••• - Maar mag ik dan niet in die schoongemaakte kamer? vroeg Van der Kooy, ze lijkt wel gek, Wilt zijn dat nou weer voor kuren. - Niks als schoonmaak ... trek het je niet aan, kalmeerde Nittel. " dat hebben alle vrouwen als ze pas in den Oost komen schoonmaakmanieën, slijt wel. Zij willen nog alles op zij~ Hollandsch doen en op zijn ~olla~~sch z.ien ..• Slijt wel ... In den Oost slijt alles .•. Kom hIer bIJ me ZItten. Maak je niet dik. - Ja maar ik wil mandiën ..• ik wil me pyama's hebben. . En nog eens, ongeloovig, voelde hij aan de deur. Nittel schaterlachte. Hij was een van die oersterke hoog wtgegroeide Hollandsche ras-types, waarop zonnehitte noch tropen vat schenen te hebb n, die, jong in den Oost gekome.~, zich met breede onverschillige schouders even gemakkehJk door de vreugde, als de moeilijkheden van 't tropenleven heensloeg. Onverstoorbaar humeur, kalme energie, onverwoestbare gezondheid ... was hij, na den suik rcursus, op een dag in Indië geland met het vaste plan er zijn weg te banen. Moeilijke opdrachten, lastige en soms treiterende chefs hadden hem koud gelaten. Hij ging zijn weg. En was nu op dertigjarigen leeftijd reeds fabricagechef op Toeloeng Baroe en feitelijk de spil waarom alles dr aide. Het personeel en vooral de Inlanders zagen door de tactvolle prettige wijze waarop hl; met hen omging, in hem eigenlijk meer den toewan besar d n in Jhr. van Wielandt, die alleen door familierelaties aan het hoofd van de onderneming was gekomen, maar het meest van zijn tijd in Soerabaja of in de bergen doorbracht ..• b1i~. de verantwoording op andere schouders, sterker dan de ZIJne, te kunnen laden. Als jonggezel was Hans Nittel in het leegstaande paviljoen naast Van der Kooy getrokken. Eerst tijdelijk, maar omdat het hem cr beviel, was hij gebleven en huisgenoot geworden. Hier had hij, als hij 's avonds moe van de fabriek kwam, tenminste aanspraak, hier behoefde hij geen huishoudster te nemen. Wie kon beter rijsttafel klaar maken dan de oude Sarind? Hier zaten ze met hun drieën aan tafel •.• hier dronken ze gezamenlijk thee. Het deed de doodende eenzaamheid van ondernemingsleven vergeten. Het maakte de lange avonden korter. En als hij er eens uittrok ... naar Soerabaja, dan liet hij hier niets achter. Nu stond hij met zijn groote staalblauwe oogen in verbruinden kop lachend naar de twee mannen te zien. En de schaterlach, waarin hij weer uitbarstte omdat hij hen beiden zoo beteuterd voor hun deuren zag staan, werkte zoo aanstekelijk, dat Schuit ook weer in den lach schoot en de laatste woorden van Nittel herhaalde ... nu tot Van der Kooy: - Maak je niet dik! - Ik maak me niet dik, maar ik wil erin. Dat zijn toch geen manieren, neem me niet kwalijk ... Kom je warm en bezweet van de fabriek ... wil je je lekker in je kebaja steken .•. mandiën. Deur op slot! Slaapkamer op slot! Schuit zijn kamer op slot. Op slot omdat-ie schoongemaakt is. En me vrouw uit. Dat heet nou s-c-h-o-o-n-m-a-a-k ... echte Hollandsche schoonmaak!. .. - Als we •.• zei Schuit ... eens door het raam gingen. - Door het raam? - Ja, door het raam. - Hoeven jullie niet te probeeren, lachte Hans Nittel, de luiken zijn ook stijf toe, heb ik al gezien. Kom nu rustig hier zitten, elk oogenblik kan mevrouw terugkomen. - Kom we gaan rustig daar zitten ... echode Schuit gelaten, elk oogenblik kan je vrouw terugkomen. Het is een gek geval. - Nee, viel Van der Kooy nijdig uit, het is heelemáál geen 32 33 Suikerfreule 3 gek geval, 't is schoonmaak, echte petitenge, krenterige Hollandsche schoonmaak, anders niks, anders mks, .. _ Nee anders niks, viel Schuit snugger bij, zette een genoegelijk gezicht en liet zich op een stoel in de voorgalerij neer. _ We zullen der maar bij gaan zitten... we kunnen der nu eenmaal niet in. Maar de berusting van Schuit, het joviale van Nittel, werkte op Van der Kooy irriteerend. Hij voel?e, zich eenigsz;in~, schuldig, omdat het zijn vrouw was ... D nftlg herhaalde hiJ,: _ We kunnen der nu eenmaal niet in .... Dat zegt-Ie daar met een gelatenheid. Zou je zoo'n deur nou niet intrappen 1 Schuit schrok. Zijn naïeve geest nam de gedachte voor de daad en kwam tegen zulk een vernieling in opstand. Ernstig zei hij: _ Dan moet je hem weer laten repareeren ook. _ Kom, kalmeer, wees bedaard, man... meende Nitt~l JOViaal .•. wacht nu rustig af. Zoo dadelijk i~ ze thuis. Als Je je vrouW uit Holland laat komen, dan weet J~ van t~, voren, dat ze nog Hollandsche begrippen heeft .•. Hier, en hiJ drukte Van der Kooy in een stoel, ga nou zitten, man. Maar Van der Kooy glng niet zitten. D e Tropen hadden hem opvliegend gemaakt, de sittutie waarin hij z;ic~ b~von~, vooral tegenover Nittel, ma kte hem kriegel: En hiJ Viel u~t: _ Ik haar laten uitkomen'? Ze heeft Zichzelf laten Ultkomen ... Ik ben er onschuldig aan, als een pasgeboren ki nd. Schuit, eensdeels om hem te verdedigen, anderdeels om :z;ijn vriend te troosten, knikte bevestigend ... - Ja, als een pasgeboren kind... , ' _ Maar je vertelde mij toen ik verleden week Uit SoerabaJa kwam toch, dat je je vrouw, .. Van der Kooy wenkte af. - Ja, zat zei ik, iederc~n zeit wel eens wat om geen flater te slaan, om ziJn figuur te redden. Maar nou loopt het de spuigaten uit. Zelf laten uitkomen'? •.. Zal je overkomen ... Het geeft nou niks meer om er ~egenover jou doekjes om te winden, Nittel ... maar de zaa~ IS ande~s. Ik zit kalm in den Oost, ik weet van niks, waar of met, Schwt'? Ja, hij weet van niets, hij zit kalm in den Oost. 34 - Ik doe mijn werk en mijn vrouw zit kalm in Holland .•. vijftien jaar lang. - En nooit geen ruzie ook ... viel Schuit nuchter bij, als zei hij iets verstandigs. - Nittel, ik zal je nu eerlijk zeggen hoe de zaken staan ..• bij mijn eerste verlof heb ik haar ontmoet ... vijftien jaar geleden, lieve goeie vrouw ... niet piepjong meer ..• mijn eigen leeftijd, toen aanvang dertig zoowat. Een paar maanden samen gegaan. Toen maar getrouwd. Waarom ook niet. Bij zoo'n verlof denk je niet diep na. We harmonieerden best. Jij weet wat het leven van vrijgezel in Indië is. - Ik voel me der best bij, man, zei Hans droog. - Nou ja, maar ik voelde me er niet best bij .•. het zat me tot hier. Mijn huishoudster M arijem was gestorven, de moeder van Dolly, weet je, dat zat me nog dwars. Ik denk zoo'n vrouw bij je, een echte Hollandsche vrouw, zoo heelemaal een Hollandsch huishouden in Indië, is toch maar beter. Maar hoe het kwam weet ik niet, tegen den tijd dat mijn verlof opraakte, zat ik toch weer over onze Dolly te piekeren. Met haar verstard-degelijk Hollandsche begrippen, je weet hoe klein ze daar soms :z;ijn, zou misschien de kleine Dolly een struikelblok worden. En het kind ontkennen? In de kampong laten opgroeien nee, •.. kon ik ook niet. Op een keer maakt iemand h~ar Indië tegen. Mijn vrouw meen ik. Ze begon te aarzelen, Wilde nu eens wel mee, dan weer niet. Ze had zelf een zaak die goed ging, die ze liever niet verkocht ... Ze zegt iets va~ ook wel daar blijven kunnen en pas meegaan als de zaak eens voordeelig verkocht is. Om het kort te maken, ik ging alleen terug ... En dacht ... het is eigenlijk beter zoo. Want ik had ook nog niets van Dolly verteld. - Ja eigenlijk veel beter zoo, zei Schuit overtuigd. Maar kromp dan meteen in zijn schulp, geschrokken van eigen te openhartige eerlijkheid. - Noul Dolly wordt grooter ..• ik hecht me meer en meer aan het kind ... wil je wel ge1ooven, dat ik soms vergat in Holland getrouwd te zijn. Het scheen me zoo dwaas. En zoo ver. H ans knikte, stak met gezicht van aandachtig luisteraar een sigaret op. De oude Sari na bracht het theeblad, schonk in, zette als vanouds, toen er nog geen vrouw des huizes was, een kop n eer voor elk der heeren. Als ze heen was, vervolgde Van der Kooy: _ Toen kwam de tijd dat DoUy hier niet kon blijven. Wat was dat voor opvoeding ... Ik zond haar naar het pensionaat in Soerabaja. Een heel gemis .zoo'n vroolijk kind om je heen, .ze was het zonnetje in huis. . - Ja het zonnetje, glimlachte Schuit, met iets afwezigs 1D de oogen, als herinnerde hij zich die vroegere jaren, dat Dolly nog kind was, en thuis. - En dan ineens die leegte. Ik hield het niet uit. En waar het mijn tijd voor verlof was, ging ik nog eens naar Holland. Het is moeilijk om het te zeggen, ik meen er niets kwaads mee tegenover mijn vrouw, maar jongen ... ruim zes jaar weg .zijn. .. zes Indische jaren voor mij, .zes Hollandsche voor haar, in dat veel kleinere milieu van goede burgerlijkheid, hetwelk je vergeet, als je in Indië bent. Jongen, ik schrok toen ik haar terug zag. Had Indië mij opgevoed? Was :z;ij veranderd? Ik weet het niet. Maar ze scheen me ... nou ja, het doet er niet toe, ik wende er na een paar weken al weer aan. En we hadden geen ènprettigen tijd samen. Hart van goud heeft :z;e, hart van goud, een vrouW gesneden uit één stuk. Geen grein kwaad bij. Wil je wel gelooven dat ik heilig overtuigd ben, dat ze al die jaren, dat ik haar alleen in Holland liet, nooit n~ar een anderen man heeft getaald ••. Bij haar was getróuwd .zIJn ... nou dat was "getróuwd!" En daarmee uit. Maar ik praatte weinig meer van mee naar Indië ga n. Ook alom DoUy, maar om nog veel méér niet. En zij praatte er ook zelden over. Ik had haar van Dolly moeten vertellen voor wij trouwden. Die principes. Voor ons huwelijk had ik het al gehoord. Ze zou nooit met een weduwnaar met kinderen of met een zeekapitein willen trouwen. Ze wou me graag in Holland houden. Kijk, we schelden op Indië als we hier zitten, 36 maar als je dààr bent, in dat Hollandsche milieu, fatsoenlijkdegelijk, dat zeg ik erbij, maar toch ..• Verlegen keek hij Nittel even aan ..• - Laat maar, ik begrijp je. En Van der Kooy ging voort: - En dan dat klimaat die wind, die koude. En het begint weer te sneeuwen!. .. Man d.~n krijg ie zoo'n .wild verlangen naar die zon, naar een goei; ClJsttafel, Je mandiekamer ..• Ik was blij, dat ik weer op de boot zat. Ik voelde me pas weer senang, toen we lekker warm in de Roode Zee waren. Ik erken ook graag, dat Indië me weer wat te warm op me dak viel... maar dóórbijten jongen. Een mens eh kan het nu eenmaal niet zoo hebben' als hij het graag wil. Indië is toch een mooi en een heerlijk land ..• Even zat hij in gedachten uit te kijken naar de palmen, waarover reeds late zonnestralen gleden, naar een loodgrauwe lucht achter de fabriek met belofte van onweer en verkoelende regenbuien. - Ga voort, zei Hans. - Op een goeien, nee, laten we zeggen op een onzaligen dag, komt er iemand uit Indië bij een nicht van haar aanzeilen die vertelt over het Indische leven! En dat alle mannen hie: Minas hebben ..• Hans schoot in den lach ... - Kan ik m~.voorstellen 1 De gewone verhalen van tempoe doel oe. 1 Ik be~nJP het al. Dus . ineens naar Indië. En nogwel per vheg~achlOe. Anders k~101g hoor. Maar geen kleinigheid voor zoo n vrouw. - Ook niet voor mij. Want je begrijpt ... - Dolly, hè? - Ja Dolly, echode Schuit. - Ze weet van haar bestaan niet af. - Je had het haar moeten zeggen, dat was toch vóór je trouwde. ..- Later, als die klein burgerlijke principes wat gesleten zIJn. Als ze meer Indisch is. Ik dankte de hemel d t Dolly 37 haar ook zoo niet zag • •• Die hoeft haar pas te zien, als ze tenminste wat verindischt is ... - Dat gaat gauw genoeg, troostte Hans. ' t Zit hem toch hier niet in, dat ze duurdere japonnen koopt. - Als ze maar eenmaal een pikol rijst opheeft, d an is ze misschien al indische r d an je lief is, vulde Schuit aan. - Ja, maar nou eet z e die nog met boter en suiker, dat is Hollandseh. Het klonk zoo hopeloos en tegelijk zoo komisch in die indische voorgalerij, rijst met boter en suiker . .. d at ze alle d rie in den lach schoten. - Komt wel, troostte H ans goedig. Het deed hem zeer, den anders zoo ronden opgewekten man nu zoo terneergeslagen te zien. En hij vond het noodig hem een hart onder den riem te steken. - Kom kerel ... pleitte hij. zoo erg is het toch werkelijk niet .. . Ik vind dat jij overdrijft. Jc ziet h t zwaard er in, dan het werkelijk is .. . Je vrouw is nu wel niet met je, hoe zal ik het noemen, met je méé-gegroeid in een Indisch e maatschappij, ze is wel niet heelemaal, wat jij hier wèrd, maar honderden manne~ is dat overkomen. Bij jou is het alleen iets moeilijker, omdat Je vrouw zoo I "'t In Indië kWlm Zoover ik h~ar nu ken, is het werkelijk e 11 vrouw met een gouden hart. Een pit met wat ruwen bolster. Ma reen gàve pit. Ze is nu wat uit haar gewone doen geslagen. Gcen kleinigheid om zoo vanuit een Amsterdamsche straat ineens midden in de Indischc rimboe te staan ... Wat jou nu het meest irriteel t is dic kwestie van Dolly ... Toen je trouwde h. d je haar toch moeten zeggen, d at je een voorkind hadt, d n was het niets geweest. - Maar jongen ik ZJg er niet dat in ... Je weet hoe wij Jat hier in Indië beschouwen . " En dan, ik wist ook nict, dat ik zóóveel van dat kind zou gaan houden. Ik pro eerde het haar nog eens langs een omweg te vertellen ... van een v.iend van me, in Indië, die een voorkind had. Ze zei, dat het een schande was van dien man. I k meende toen, ik vertel het haar wel aan boord . .. Toen ze niet meeging werd het eigenlijk een 38 opluchting . . . Zoo heb ik het haar nóóit verteld. En nu .• . - Wil ik het haar zeggen ? vroeg Nittel. Van der Kooy sprong op. - Nee, nee asjeblieft niet. Nou niet! Je ziet hoe Hollandsch ze nog is. Zelfs aan d ie kamers. Enkel omdat ze schoongemaakt zijn worden ze afgesloten. - Neem haar nu voorloopig zooals ze is, denk dat je ook schuld heb. Tracht haar làngzaam te veranderen. D at gaat gauw genoeg. Vrouwen hebben een groot aanpassingsvermogen, alleen al uit instinct ... En zeg haar zoo gauw mogelijk dat van je dochter. - Nee eerst breeder van opvattingen zijn .. . - Dat ben je niet enkel aan haar, maar ook aan Dolly verplicht. Van der Kooy schrok, vergoelijkte dan: - Dolly blijft voorloopig in Soerabaja. Ze wilde al komen voor een weekend ... ik heb haar geschreven, dat we het nu erg druk hebben met de nieuwe inrichting van het huis .. . Later komt dat allemaal wel terecht. Gisteren heb ik nog eens geprobeerd het mijn vrouw te zeggen . •. tenmins te iets dergelijks te vertellen langs een omweg. " maar wat denk je dat ze zei ? .. - Daar komt ze aan! Het W1S Schuit, die met zijn gezicht naar den weg gekeerd, het Fordje herkende, d at in den door snel opkomend onweer vroegvallenden schemer, over den weg hotste. - En vraag je h.:lar dircct de sleutels, Van der Kooy '? Ik wou me zoo graag verkleeden. - Natuwlijk! zei hij energiek ... moest er nog bij komen . .. Maar dan aarzelde hij . - Of, kijk ... , zou het niet beter zijn, als jij erom vroeg. Jij bent een vreemde, jou geeft ze die misschien eerder. Vreemde oogen dwingen, û e je! - Nec, zei Schuit onthutst, jij bcnt de man •. . En jij wou de deur intrappen. Reeds zwenkte de uto het erf op. 39 VI Met bijna bazig sprongetje staat mevrouw Van der Kooy naast het wagentje, knikt in ronde hartelijkheid naar de heeren, die haar uit de voorgalerij tegemoet komen. - Ziezoo, daar zijn we weer. Maar dan keert zij zich boos tot den toegeschoten chauffeur. - Zoo, most jij weer is na je kampong, wist je weer niet, dat ik most rije? - Apa Njonja? - Da'k na de passer most'? Zeg, Van der Kooy, nou wou ik vanmiddag uit en Amat was er natuurlijk weer niet ... toen heb ik Oessin laten sturen. Maar die jongen ken-nie rije •.• Ik was er nog banger in, dan in de vliegmachine. En dan keert zij zich meteen naar de anderen, als had Van der Kooy niet voor haar bestaan ... - Toe helpen jullie effe een handje ... en waar blijft die Oessin nou weer ... Net stond-ie nog hier ... nee, die neem ik wèèr mee, vanwege de gezelligheid, zegt den heelen weg geen boe of ba. " Toe neme jullie effen an. " da's zeep, meneer Nittel, nee, u zal der geen vuile handen van krijgen. " zit in een blik en Schuit neem jij die boenders effe ... Zoo. Maar da's eens en nooit weer ... het is niks gedaan bij zulk een hitte ..• wat een land, wat een lànd' En de boosheid om zijn opmerking van zooeven alweer vergeten, keert zij zich tot Van der Kooy. - Gelijk hê-je toch eigenlijk wel, dat is geen weer voor een fatsoenlijk Europeesch mensch om 's middags over straat te gaan. Och ik zal 't welleeren, ouwe. Hierzoo, daar ligt n~g een pakkie met zemeleerelappe en sponse ... Neem jij dat effies .•. En dan. " zeg, Schuit, ken jij M leisch? - Of ik Maleisch kcn. .. Of ik Maleisch ken? - Ja ... ik stond daar in de toko van die gele Chinees· en ik zeg tegen ' m Sahoen1. .. sahoen!... Ze stoppen me ~an alles in me h:mdc, maar geen zeep. En toe kijk ik zelf de winkel 4° door. .. en daar stond een heele stapel blikken. En weet je wat erop stond'? . ..Jij met je sahoen ... Groene zeep, stond erop, heel gewoon, groene zeep. - Maar ik heb ~aboen geschreven, saboen ... - Dat is ook niet goed, der stond zeep op • .. niks anders als zeep. En dan boenders ... siekàt .•. siekàt' - Sfkat, mevrouw, verbeterde Hans. - Nou dat zeg ik toch, sfkat of sikàt .•. zal wel hetzelfde wezen. Of ik nou bórstel zeg of borstèl . .. D at verstaan ze net zoo goed. Maar die gele chinees verstond me weer niet. .. en zei tiedà-aadàa ... dat beteekent zooveel as "Hebbe-we niet '" Dat weet ik al. Jij met je siekàt. Ze hingen der bij bosse ... ze begrepen me direct, toen ik ze aanwees ... nee ik heb je briefjes niet meer van noode, ik zal mezelf wel helpen, as 't moet. En dan draait zij zich lachend weer naar Oessin, die langzaam kwam aanloopen .. . - Zoo ben je daar ... leelijke roetmop, hier pak eens aan van meneer Nittel .•. nee versta je me weer niet, hier dat blik met zeep... aáanneéeme, van meneeeer Nittel... Die zet je in de kast. - Njonja maoe apa '? - Njonja mouw apaa, 't is me een taal, ik heb geen ape in me mouw. In de kàst, jongen, kàààst en op de bovenste plank zette. De jongen keek van de zeep naar zijn meesteres, met vragende uitdrukking op het onnoozelste gezicht. En Hans sprong bij. - Didalem lemari ... diatas, ja' - Diedalèm lemarie. " op die jàtas, ja'? Zie je, ik leer het wel ••. als ik maar tijd van leven heb ... maar wat een taal ... moet je ook maar wete, dat een plank hier jatas heet. Je reinste Hottentotsch ... Indertijd op de tentoonstelling in Amsterdam in negentig, toen had je er ook zwarten, uit de duisternissen van Afrika ••. nog veel griezeliger menschen as deze, met zulke dikke lippe om van te droome, maar dat's waar ook, wat zijne die Chineeze hier een fzetters, de zeep kost twaalf stuivers 41 duurder dan in de Bijenkorf. " en weet je wat ze me voor me boenders vroege'? Goeie got, waar benne me boenders nou weer? - De jongen heeft ze al mee naar achteren genomen, zei Van der Kooy, maar ik wou je vragen, waarom heb je die kamers ... - Och zoo, ik schrik me dood ... dacht da'k ze bij die Chinees had laten liggen ... Dan kon ik weer gaan ... We kennen toch niet in die vuile bende blijven zitten. Stel je voor, in al die jaren de vloeren nooit opgeschrobd ... enkel met carbol gedweild. Ik heb een gevoel of ik overal aan blijf vastkleve, je zou der een besmettelijke ziekte van krijgen. He-je gezien hoe die kamers benne opgeknapt .. . een heel andere kleur gekregen. Van der Kooy, die driftig heen en weer was gaan loopen, had slechts die gelegenheid gewacht om den woordenstroom te onderbreken, welke nog altijd plaats had op de trappen van de voorgalerij: - Nee, ik heb niets gezien, die zijn op slot. - Ja, ja, die zijn op slot, vulde Schuit aan. - God da's waar ook, had je dat niet eerder kenne zeggen? - Nee, met geen mogelijkheid ... jij sprak! Zij begon d 1delijk in een tasch te zoeken. Hier zijn ze ... j:t weet u, meneer Nittel, die heb ik gesloten vanwege de ediendes, dat loopt zoo ma r met hun zwarte voete over me pas geschrobde vloeren en nou denk ik, sluit ik me deuren maar af ... Ik dacht d1t ik veel vroeger thuis zou weze als jullie, maar zeg as je der in gaat, doe je dan je schoenen even uit Je vind 't toch zelf prettig als de boel zoo lekker opgeschrobd is, niet? Moet je der heusch in wezen? - J nawurlijl', om ons te verkleeden. - 0 ja, alweer verkleeden . " dat verkleedt zich hi r 7(11)wat den heelen dag, 's morgens in een pyama, dàn een toetoepie. " dan weer een py1ma ... 't is of de wasch geen geld kost. En het goed lijdt er zoo van. Wacht, nu moet ik je toch effies late zien, hoe schoon het er geworden is ... Druk stak ze de sleutel in de deuren ... ging ze voor de kamer in ... 42 - Nou, wat zeg je'? Dat's de oorspronkelijke kleur, en kijk eens hier hoe je waschtafel is opgeknapt ... en nou moet je je scheergerei altijd daar legge, Van der Kooy, anders geeft het zoo'n rommel ... Wacht ik zal een lichtje make. Wat wordt het ineens donker .. . Een hevige donderslag sloeg knetterend om het huis en brak haar woordenstroom af. Hulpeloos van schrik bleef ze staan, dan zochten haar oogen angstig naar Van der Kooy, strekte nog verblind van licht de handen zoekend naar hem uit. - 0 God, zei ze zacht, da's raak, da's ingeslage. Ik heb niet eens kunnen tellen. Maar als ze hen lachen zag ... herademde ze. - Elk onweer is hier raak, zei Van der Kooy. Maal' inslaan doet het zelden. Hoor, daar begint het al te regenen ... - Nou, gelukkig net voor de bui thui-uis!. .. Een fel alles doordringend licht ... een ratelende donderslag deden haar opnieuw zwijgen en ineens pakte ze Van der Kooy's handen, trok hem tegen zich aan. Het scheen of ze hem, als een kloek haar jongen, beschermen wilde tegen een gevaar, dat dreigend om hem was. Hans Nittcl schoof Schuit, die met half open mond van den een naar de andere keek de deur uit, naar zijn kamer en gaf hem daar jolig een duw, dat hij tot bij het bed terecht kwam. - Zeg ouwe snoeper ... wou jij het jonge paartje in hun zoet minnekoozen staan begluren en met wijd open mond staan afloeren? Je moest je schamen. En ijk eens hoe netjes je vloer is opgeschrobd. Ga gauw mandiën ... en kom dan bij mij een borrel drinken. Wij hoo en niet hier. Onder een plasregen wipte hij naar zijn pavil joen, legde zich in de krossimalas. - D;ongos, kassi pait! En terwijl hij wachtte op den jongen, nam hij stil uit zijn zak een portefeuille, waarin een kiekje lag van twee jonge menschen, die samen tennisten en bleef er lang naar zien, als een remedie van hetgeen hij daareven meegemaakt had. 43 VII In snelle vaart schiet de groote wagen door den nacht. Nu en dan slaat met zware tik een groot insect te pletter tegen de voorruit ... in een stuk oerwoud moet Hans Nittel tweemaal haastig stoppen ... omdat een groote tak over den weg was gewaaid, die hij opzij moet sleepen, andermaal omdat een wild zwijn met vier jongen, fel belicht door de schijnwerpers, schichtig oversteekt. Maar de tweehonderd kilometer van Soerabaja naar Toeloeng Baroe werden in vier uur tijd door de wielen achter zich weggemaaId. De lichte stofj as over het korte witte Sing:lpore-jacquet, heeft hij die tweehonderd kilometer nu in een enkelen nacht reeds tweemaal afgelegd. Direct om vier uur na kantoortijd is hij in den wagen gesprongen, om negen uur was hij te Soerabaja. Toen reden er nog te veel grobaks op den weg, om snel te kunnen rijden. Nu tusschen twee en vijf in den morgen is de nacht doodstil en verlaten. Alleen nu de dag in de verte daarachter begint te gloren zijn al vele passargangers op de been. Ze stuiven haastig opzij voor de loeiende signalen. Over een kwartier zal hij in T oe1oeng Baroe zijn, zich snel verkleeden en om zes uur al weer te paard de kebon in rijden om de velden te inspecteeren. Maar hij heeft gehad, wat hij in Soerabaja zocht. Hij heeft het feest in de Simpangclub meegemaakt, W'lar ook het pensionaat genoodigd was. En daarmee Dolly. Ze had hem getelefoneerd dat ze er zijn zou. - Zeg, je moet ook komen, een dol leuk feest en ik wil weer met je dan:,~n. Je danst zoo goed. Terwijl hij zei dat hij onmogelijk weg kon, wist hij reeds dat hij gaan zou. Al moest hij er een volle nachtrust tusschen twee drukke werkdagen voor missen. De fabriek stond wel stil, in de tuinen ging alles zijn gewonen gang en de administratie wachtte ook niet. 44 VII In snelle vaart schiet de groote wagen door den nacht. Nu en dan slaat met zware tik een groot insect te pletter tegen de voorruit ..• in een stuk oerwoud moet H ans Nitte1 tweemaal haastig stoppen ... omdat een groote tak over den weg was gewaaid, die hij opzij moet sleepen, andermaal omdat een wild zwijn met vier jongen, fel belicht door de schijnwerpers, schichtig oversteekt. Maar de tweehonderd kilometer van Soerabaja naar T oe1oeng Baroe werden in vier uur tijd door de wielen achter zich weggemaaId. De lichte stofjas over het korte witte Singapore-jacquet, heeft hij die tweehonderd kilometer nu in een enkelen nacht reeds tweemaal afgelegd . Direct om vier uur na kantoortijd is hij in den wagen gesprongen, om negen uur was hij te Soerabaja. Toen reden er nog te veel grobaks op den weg, om snel te kunnen rijden. Nu tusschen twee en vijf in den morgen is de nacht doodstil en verlaten. Alleen nu de dag in de verte daarachter begint te gloren zijn al vele passargangers op de been. Ze stuiven haastig opzij voor de loeiende signalen. Over een kwartier zal hij in Toeloeng Baroe zijn, zich snel verkleeden en om zes uur al weer te paard de kebon in rijden om de velden te inspecteeren. Maar hij heeft gehad, wat hij in Soerabaja zocht. Hij heeft het feest in de Simpangclub meegemaakt, waar ook het pensionaat genoodigd was. En daarmee Dolly. Ze had hem getelefoneerd dat ze er zijn zou. - Zeg, je moet ook komen, een dol leuk feest en ik wil weer met je dansen. Je danst zoo goed. Terwijl hij zei dat hij onmogelijk weg kon, wist hij reeds dat hij gaan zou. Al moest hij er een volle nachtrust tusschen twee drukke werkdagen voor missen. De fabriek stond wel stil, in de tuinen ging alles zijn gewonen gang en de administratie wachtte ook niet. 44 ;,; ~ c: '" ~ ~ QI) - o .-e c: ... "0 os '" c '" ... ... ..c: c "" o - Ik kan onmogelijk! - Jij kan alles, Hans. Hoe ze dat gezegd had. - Ja maar je komt toch spoedig voor een weekend hier? En daarna met vacantie . - Is het je te moeilijk? Weet je, wie ik denk dat er ook komt? Van Wie1andt. - Dans dan maar met hèm! Hij kon het makkelijk zeggen, omdat hij wist dat Van Wie1andt de hoofdadministrateur, naar Semarang was geweest en dien zelfden avond terug werd verwacht. En hij het minst van allen dien mallen gek vreesde, ook al was hij een vrouwenjager. - Je wilt me plagen niet, Dolly? - Ik dans alleen met jou, jongen, dat weet je, maar als je er niet bent, kan ik moeilijk den hee1en avond blijven zitten. Er zijn ook officieren van de "Sumatra". - Ik zal er zijn, DalI. Het was vol in de soos geweest, stampvol. Heel Soerabaja, alle officieren van de oorlogschepen, hoogere Inlandsche ambtenaren. En hij had er den geheelen avond met haar gedanst, zooveel, dat de directrice, die met haar lorgnon steeds alle bewegingen der meisjes volgde, hem eenige malen scherp had aangeûen en pas milder gestemd werd, toen hij haar naar de champagnebar gevoerd had. - Als jullie niet zoo'n mooi paar waren, zou ik bijna verbieden, dat jullie altijd maar samen dansen en Dolly de anderen weigert. Niet comme il faut, mijn waarde. En doe mijn hartelijke groeten aan Van Wielandt, très bon ami à moi. En een mooi paar vormden die twee jonge menschen. Hij hoog en slank, te slanker in het korte Singapore-jacquet, zij nog niet reikende tot aan zijn schouder, heel rank en sierlijk, met smal ovaal geûchtje en peinzende groote, blauwe oogen, die zoo graag naar hem opzagen. De oogen van Van der Kooy, dacht hij. Je zou niet zeggen dat haar moeder een Inlandsche was. 45 • - Ik kan onmogelijk I - Jij kan alles, Hans. Hoe ze dat gezegd had. - Ja maar je komt toch spoedig voor een weekend hier? En daarna met vacantie. - Is het je te moeilijk? Weet je, wie ik denk dat er ook komt? Van Wielandt. - Dans dan maar met hèm! Hij kon het makkelijk zeggen, omdathijwistdatVan Wielandt de hoofdadministrateur, naar Semarang was geweest en dien zelfden avond terug werd verwacht. En hij het minst van allen dien mallen gek vreesde, ook al was hij een vrouwenjager. - Je wilt me plagen niet, Dolly? - Ik dans alleen met jou, jongen, dat weet je, maar als je er niet bent, kan ik moeilijk den heden avond blijven zitten. Er zijn ook officieren van de "Sumatra". - Ik zal er z;ijn, DoU. Het was vol in de soos geweest, stampvol. Heel Soerabaja, alle officieren van de oorlogschepen, hoogere Inlandsche ambtenaren. En hij h ad er den geheelen avond met haar gedanst, zooveel, dat de directrice, die met haar lorgnon steeds alle bewegingen der meisjes volgde, hem eenige malen scherp had aangezien en pas milder gestemd werd, toen hij haar naar de champagnebar gevoerd had. - Als jullie niet zoo'n mooi paar waren, zou ikbijna verbieden, dat jullie altijd maar samen dansen en Dolly de anderen weigert. N iet comme il faut, mijn waarde. En doe mijn hartelijke groeten aan Van Wie landt, très bon ami à moi. En een mooi paar vormden die twee jonge menschen. Hij hoog en slank, te slanker in het korte Singapore-jacquet, zij nog niet reikende tot aan z;ijn schouder, heel rank en sierlijk, met smal ovaal gez;ichtje en peinz;ende groote, blauwe oogen, die zoo graag naar hem opzagen. De oogen van Van der Kooy, dacht hij. Je zou niet zeggen dat haar moeder een lnlandsche was. 45 Hij had bijna reeds geweten, toen ze hem opbelde, dat dit zijn geluksavond zou zijn. Toen de rumba, die ze zoo graag dansten, werd gevolgd door een ouderwetsche wals, had hij haar meegetrokken in den tuin, ... een paar donkere lanell door, en daar onder een oude tjemara had hij haar ineens in zijn armen genomen en dien kleinen ronden mond gekust, haar wangen en hals en haar zoo vast gehouden in zijn armen, dat ze zich niet weeren kon. En ze had zich niet geweerd. Met den vollen drang van haar jonge liefde, die hij alleen maar vermoed maar niet geweten had, gaf ze hem zijn kussen weer, even warm en even gloeiend als de zijne. En toen hij voelde dat zij te hoog reiken moest naar zijn mond, had hij haar opgetild en in zijn armen hoog gehouden als een klein kind, dat zich al te graag koesteren liet. En toen hij haar weer neerzette, omdat er iemand langs kwam, had hij ineens gelachen, heel blij en overmoedig gelachen. - Kindje nu ben je van mij, voor altijd van mij. - Hoe wist je, dat ik van je hield Hans. - Dat wist ik heelemaal niet, maar ik wist dat ik van jou hield en dat was me genoeg. Grappig zeg, dat sommige menschen elkaar hun liefde verklàren. Ik zou niet weten hoe ik het zèggen moest. Dat komt vanzelf. Je zoent ... zóó, z;óó en je wèèt 't. En ze had alleen en steeds maar weer het kleine kopje met de donkere lokken naar hem opgeheven en gelachen: - En nou zoen je niet èèns meer. In een dolle gelukstemming reed hij terug. Ze hadden afgesproken dat ze wachten zouden, tot zij over e~nige weken met vacantie kwam en dat hij Van der KOI)Y mets zou zeggen. - Maar geen woord hoor, vader is wat ouderwets weet je en ik wil het vader zelf zeggen. Zeg en hoe is de Hollandsche mama, ik ben zoo blij voor v.1der. Hoe is ze? Daar had je het ... Allerliefst, zei hij snel, opdat ze geen aarzeling in zijn stem zou hooren, werkelijk allerliefst, een hart van goud, je moet haar zelf zien, nee, ik vertel niets meer ... - Ja, maar vader schreef me, dat ik nog niet komen moest. - Je komt wanneer je kunt en wilt, je telefoneert maar en ik haal je met den wagen. Mag ik nu werkelijk niets zeggen? Van der Kooy is zoo'n beste kerel, ik mag hem zoo. Wij zijn toch vrienden. - Maar Schuit mag je ook, hè, hij is mij bijna even lief, hij is altijd mijn tweede vader geweest en bijna een moeder ook . .. Hij dacht terug aan die gesprekken, terwijl de wagen voortjoeg. Hij had nu een gevoel dat hij bergen zou kunnen verzetten, omdat Dolly van hem was en altijd zijn zou. Dat wat hij gehoopt had, toen ze bij haar laatste vacantie samen tennisten, was daar in Soerabaja werkelijkheid geworden. De wagen joeg het erf op, juist toen de djongos voor de derde maal aan zijn deur klopte en: - Poekoel anam toewan riep. - AH, lekas, saja boleh mandiel En tegen kebon riep hij om zijn paard, dat deze reeds stond te roskammen. Hij klopte de jonge Australiër op den mooien hals. Het dier hinnikte blij. Snel een kop sterke koffie dIe Ali al klaar had en hij rijdt de tuinen in. Hans houdt van de Indische morgens. Zij schijnen het leven te ademen. Zij herinneren aan de Europeesche stemmingen van ochtenden in belofte van zwoelheeten Augustusdag. Al het mooie, wat later op den dag sterft in zonnegloed en stof, ligt dan nog in vol leven over de aarde. De van d uw bestoven erven rondom ... de palmen ... en in de verte de kebon glanzen in millioenen flonkeringen als zuiver juweel. De aarde demt geur. Geuren opgezogen door den morgen, en den nog koelen bergwind. Dat is het mooiste oogenblik van den Indischen dag, het maar even gerezen zijn van de zon boven de tuinen, het nog weife- 47 'T lende licht, vaag brekende door uit vochte aarde dampende misten. De Australiër danst onder hem. Zoo trekken ze iederen morgen vroeg samen de tuinen in. De tanden fel op elkaar, bijt Hans een verlangen weg, lachend bleef hij even zien in twee groote oogen ... die nu voor hem de wereld zijn. D an zet hij het paard in galop. Niet meer denken ... nu alleen maar doen, handelen, werken. Al was het geen maaltijd nu, er was nog zooveel te doen ... eigenlijk allemaal werk dat feitelijk het zijne niet is, maar dat hij doet, omdat het zonder hem niet gedaan zou worden .•. omdat de hoofdadministrateur Van Wie1andt alles aan hèm overliet ... Nu weer veertien dagen weggeweest ... gisteravond laat teruggekomen. Rijdende maakt hij notities ... Wat zien de wegen eruit, tot poeder of modder gemalen door de zware rietkarren. Dat moet alles hersteld worden op kosten van de onderneming, in een tijd dat de wereld onder een crisis gebukt gaat en al drie jaar geen dividend was uitgekeerd. En dividend moet er zijn. Anders deugt de administrateur niet. En mèt hem zijn fabricagechef. Klachten genoeg van de directie in Holland. Iedere mail weer. Hij ziet even de lijst door van de nieuwe plant-plannen voor de volgende campagne. Er komt toch weer opleving in de suiker. Inspecteert jonge proefvelden ... Kijk, nu begint de zon het te winnen van de nevelen. Van daar ginds over de jonge aanplant drijven de laatste nevelfIarden weg ... Hier zal Dolly spoedig weer zijn. Hij zal met haar uitrijden dezelfde wegen, die zij toch al weer veel langer kent dan hij. Maar alles zal nieuw zijn. Langs de rivier keert hij terug. Daar bij de kampong dartelen kleine kat jongs en meisjes door het donkere water, poedelnaakt de kleinsten. De ouderen het saronkje al kuis eh om de slanke lijfjes. Een klein meisje ziet hem daar hoog op den oever staan. Zij wuift kinderlijk het handje ... Tabeh, t'wanl - Tabeh M ina! Hij kent ze allen bij naam, de kleine kleuters waarover de ouders zoo ontroerend teer konden spreken. Nu wuiven ze allen, die flonkerende bruine lijfjes in het glanzende water. Zoo gezien, lijken ze bronzen kaboutertjes in een vreemde tooverwereld van glans. - Ahi .•• ahi ••• ja ja ja dat dacht ik wel ... staat te kijken naar de meiskes ... dacht ik wel. Hans wendde langzaam zijn paard om. - Morgen, meneer Van Wielandt. .. Hij had de hooge stem, die nu en dan scheen over te slaan, dadelijk herkend. Zooals Van Wielandt daar voor hem stond, deed die hem onwillekeurig denken aan een operette-planter, of een zooals afgebeeld op de Amerikaansche Javasongs. Een nauwsluitend palmbeachpak om het slanke hooge lichaam. Rijbroek, lichtbruine schoenen... mooi gestrikt vlinderdasje met moesjes ..• Een geweer over den schouder en een zware helmhoed op de altijd welgesoigneerde haren. - Hoe stèt-ie mij, vroeg Jhr. van Wielandt op zijn Haagsch toontje, preetisch he, zoo in de zon. Pas in Semarang gekocht. - Schitterend, meneer ... zei Nittel, half ironisch, omdat dit het eerste was, waar Van Wielandt naar vroeg. Van Wielandt voelde het ironische in den toon ... ging daarom dadelijk tot ander chapiter over ... - Euverigens alles in eurde? .• - Volkomen in orde, meneer. Van Wie1andt haatte Nitte1. Hij haatte hem om zijn jeugd, om zijn stoere wezen, maar om zijn houding tegenover hem, den hoofdadministrateur, haatte hij hem het meest. Die houding van koele beleefdheid, die een ironie inhield, bijna alsof hij zich superieur voelde. En toch kon hij h!m niet missen, hij was een kracht zooals hij er zelden een gekend had, ging geheel in het werk op, zag er niet tegen op in den maaltijd 49 Suikerfreule 4 I vijftien, zestien uur in touw te blijven ... En aan wie moest hij anders den boel overlaten~ als zijn gez~ndheid hem dwong er weer eens uit te breken. Uit dat eentoOlge leven van onderneming. Als er nu nog maar een:s éér:t. jaar goede :~nti~mes konden worden uitbetaald, dan het hl) den boel zoo Zitten. Enfin volgend jaar misschien, als men geluk had. Er was kentering in de suikercrises. . _ En is die molen nu ook weer 10 curde? - Kant en klaar, meneer. _ Heb jij die molen nagezien? Wat mankeerde eraan? _ Nee, Van der Kooy deed het. . .. - Brouwers nog ziek? _ Ja malaria, hij komt er niet af, Ik geloof dat hl) met verlof zal moeten gaan, de man gaat eraan ten gronde •.. _ Gezàllig. .. en wie moeten we dan nemen, aluJd dat verdemde wisselen van personeel. - Van der Kooy. Eenvoudig! _ Heur eens ik kan toch Van der Kooy niet als hoofdmachinist aanst:Uen op een fabriek als deze ... det gèt niet, det gèt niet, daar moeten we in ie~er geval iemand voor nemen, die meer theoretisch onderlegd IS. _ Van der Kooyis iemand van de prac~~jk, een kerel ~aarop je kan bouwen. En vande machines weet~l) meer af dan w.leook. Terwijl hij het zeide, speet het Nlttel .... Van ~lelandt verbeeldde zich dat hij een groot talent had 10 het kiezen van zijn menschen ... door het zoo fel v.oor y an der Kooy op te nemen bedierf hij diens kansen mIsschien. Zij ;eden nu naast elkaar door de tuinen, die, ofschoon nog geen acht uur, reeds lagen te tinte~en van g~?ed .. En omdat Nittel bleef zwijgen en met naar ZIJn rpl~ vroeg, begon hij er zelf van te vertellen ... _ Patente reis gehad, zàg, gisteravond pas terug ... Verdraèide gezellige dagen in de soos in Semarang ..., d~o~ge­ lachen om die makelaar Donkersloot. Der was nog zoo n Jong employétje van een Besoekische onderneming, die zat ~e geuren met verhèlen over tijgers ... Twee aangeschoten, drte 50 gelegd ... En hij wou net wèèr een verhaal beginnen ... toen zegt die Donkersloot ..., hij zat vroeger op Medan . .. meneer zeit-ie, we vinden het heel gezàllig, dat je al die verhèlen doet maar laet ze waarschijnlijk blijven. Toen ik nog op Medan zat, kwam daar ook iemand, net als u, pas een blauwe Maandag in Indië, en die doet ons een verhaal van een koningstijger die vlak voor zijn deur in de voorgalerij zat. Hij heeft geen geweer thuis ..• gooit de deur toe, en wil vluchten door de achtergalerij. Maar met dat hij de deur opendoet, ziet hij daar ook een koningstijger zitten, die zich wascht als een poes. Hij weer terug, gaat op zij van het huis naar het raam. Toen zei een oude planter ineens ... Wees voorzichtig, meneer ..• als daar toevallig ook nog een koningstijger mocht zitten, dan donder ik u de soos uit •.. Hoe vind je die mop? Hihihihihihi. - Kon ik al, meneer. - Kon je 'm? Nou ik kon 'm nog niet. Nou je begrijpt, die jonge blaaskaak vertelde geen enkel verhaal over zijn koningstijgers meer. Apl epos ... apropos ... wat hoorde ik daar van mijn mandoer, die Van der Kooy heeft zijn vrouw laten uitkomen? - Jawel meneer, al tien dagen. Van Wielandt zweeg even, als wachtte hij nadere explicaties. .. en toen die niet kwamen, vroeg hij: - Enne? - Ze is er. Goed aangekomen! Nittel wist wel wat Van Wielandt bedoelde, maar hij zweeg moedwillig, deed of hij er verder niet aan dacht. En Van Wielandt die niet dadelijk wilde vragen, begon weer over de reis. - 0 ja, waar was dat ook weer, in Tosari, sàg. Dat geheugen in Indië. Nog een weekje in de bergen geweest zeg, allerdoddigste vrouwtjes waren er. Snoepjes ... met h el dwaze echtgenooten, die allemaal rustig op hun kantoren in de stad zaèten, terwijl hun vrouwtjes... ahi... ahi... tje tje tje tje tje ... nou maar der zijn ezels onder, heur ... Enne ... apropos ... dat vrouwtje van die Van der Kooy ... is det wat? - Jazeker, meneer. 51 Hans zei het kort, liet den ander onwetend. - Ik bedoel. .. aèrdig'? Jong'? En toen Nittel geheimzinnig bleef zwijgen: ... - Sàg, die Van der Kooy schijnt nog een oude snoeper te :.:ijn ook, op zijn laten dag, zóó maer een jong vrouwtje uit te laten komen ... gevaèrlijk ... sàg, gevaerlijk I En dan zoo'n Don Juan als jij in de buurt ... jij boft, sàg, jij boft geweldig ••. - Van der Kooy moet zelf weten wat hij doet. Dat is zijn zaak. - Jawel, zeg maar zijn :.:aèk ... maère als je der niet op past, dan wordt zooiets wel eens het :.:aekje van een ander, he . .. ik ga strekjes toch eens even kennismaken. +. even het jonge paertje gelukwenschen ... Er kwam een twinkeling in N ittel's oogen en Van Wielandt, Ja die dit meende te zien, maar verkeerd uitlegde :.:ei. ja ... ahi, ik houd van de vrouwtjes ... ik zie graag wat jongs om me heen ... het leven is hier al saai genoeg ... apropos ... wat wou ik ook weer zeggen .•. det gehèugen in Indië! Is me weer ontschoten ... Het was toch zeer belangrijk ... ik zie je streks dan wel op kantoor, Nittel. En hij rijdt het breede gazon voor zijn groote woning op, waar Amin zijn paard overneemt. Andere bedienden snellen toe, dragen de toast aan voor het ontbijt, dat hij altijd op het terras neemt nu de zon nog achter het huis staat. Daar is het 's morgens altijd koel. Maar het is vanmorgen laat geworden, daar komt die koperen ploert al opdringen. Dat terras is altijd zijn trots geweest, evenals zijn huis, dat hij bouwen liet toen de crisis nog niet algemeen geloofd werd en naar men meende slechts enkele maanden zou aanhouden. Indië had dubbel zijn portie gekregen. En terwijl Jhr. van Wielandt ontbijt, peinst hij. Zal in dien stoel tegenover hem nog eenmaal de kleine Dolly zitten'? Als klein meisje zat ze er graag. Maar sinds ze in Soerabaja is en grooter werd, schijnt ze hem te ontwijken. Och, de kuischheid van jonge vrouw die ontwaken gaat. +. 52 Dan komt de zon in wreede schijn op zijn tafel, en hij beveelt zijn thee in zijn werkkamer te brengen. D aar, met uitzicht op het terras, zit hij te denken. Eenmaal zal misschien daar in een koelen vooravond het verlovingsfeest plaats vinden met Dolly. In die donkere werkkamer, waar het zelfs 's middags altijd koel is, zal zij hem misschien later de thee inschenken. Och hij is nog jong, pas vijf en veertig ... Mystiek kijkt het Boeddhabeeld vanaf het voetstuk op hem neer. Het beeld dat Dolly zoo mooi vond, zijn geheele ehineesche en Indische collectie, waar ze zoo gaarne naar kwam kijken. Ze is er in maanden niet geweest... En dan tennist ze veel met Nittel. .. Van Wielandt is moe ... dat verdraaide klimaat in Indië ... moordend! Straks dat vrouwtje! - Nittel gaat naar huis om te ontbijten. In de voorgalerij van het hoofdgebouw ziet hij niemand, maar in zijn paviljoen zitten Van der Kooy en Schuit. - Wordt er hier ontbeten '? - Ja ... schoonmaak in huis ... lacht Van der Kooy goedig, och laat ze ook maar haar gang gaan, het huis wordt ééns wel schoon. - Het huis wordt ééns wel schoon, echo-t Schuit ... dat zeg ik ook, laat ze maar stil haar gang gaan. 1 / VIII Haastig, als had hij iets heel gewichtigs mede te deel en, komt Jhr. van Wielandt het erf over loopen .• + Hij vindt de voorgalerij leeg. 53 Verbaasd kijkt hij rond, dan ûet hij nog eens van buiten het huis aan of hij zich niet vergist kan hebben •.. - Sepada! En als er geen antwoord komt, met een zeker gewicht als chef, die dat wel roepen mag: - Van der Kooy!. .. Van der Kooy en Schuit, die nog in het paviljoen zaten, kwamen haastig aanloopen ... - Verdomme, de baas, zei Van der Kooy ... knoopte haastig zijn toetoepjas toe, liep het erf over naar het hoofdgebouwen stond voor zijn chef. Schuit twee passen achter hem. - Ahi, ahi Van der Kooy, ik steur toch niet? Ik kwam je eens even zeggen ... hm ... Wat was het ook weer? Dat geheugen in Indië ... 0 ja ... d-t van die molen, dat is perfect heur, dat heb je perfect in orde gekregen. Onder alle omstandigheden zou dit compliment Van der Kooy goed hebben gedaan. Nu dacht hij aan zijn vrouw. Het meest van alles had hij opgezien tegen het voorstellen van zijn vrouw, zooals ze nu nog was! Het had juist zoo goed getroffen, dat Van Wielandt op reis was, toen ze kwam. Nu stond hij voor het pijnlijk oogenblik. - Sàg, die molen ziet er keurig uit, vervolgde Van Wielandt, zich neerlatend in een stoel, dien Schuit haastig uit de binnengalerij had aangesleept ... dat heb je patent veur elkaar gekregen ... Je bent een man van de practijk, net als ik. Al die theoriemenschen. Ja Brouwers zou het zeker ook wel voor elkaar hebben gekregen ... maar zeker niet beter dan jij. Maar wat zie ik, zijn jullie aan het verhuizen? - Eh eh ... niet hee1emaal, zei Van der Kooy, ik bedoel, we ••• Maar Schuit had al gezegd, tegelijk met hem: in de schoonmaak, meneer. 54 We zitten - Ahi ahi... hij zegt niet heelemaal verhuizen, en hij zegt schoonmaak. - Ja ziet u, trachtte Schuit zijn openhartigheid te verbeteren, hij bedoelt... verhuizen van kamers... omzetten van meubelen en dat gaat tegelijk met de schoonmaak, ziet u! - Ik zie het al, ja menschen, jullie jonggezellenleventje is nu uit, dat heb je ervan als je je vrouwtje uit Holland laat uitkomen. Die Van der Kooy, nooit geweten, sàg, dat hij daar nog eens een vrouwtje uit Holland zou nemen, zoo'n stiekemerd .•. sàg Schuit?! Hij gaf Schuit een knipoogje en lachte dan zelf zoo luid en hoog om zijn eigen geestigheid, dat Schuit het zijn plicht achtte even luid mee te lachen. En Van Wielandt in de verbeelding werkelijk een goede mop te hebben getapt, herhaaldenogeens:-Zoo'nstiekemerd, zoo'n ouwe snoeper! - Och ziet u ... aarzelde Van der Kooy. - Nee, nee, kerel, geen excuses, we zijn immers m:ler meisjes onder elkaar. - Hihihi! lachte Schuit. Die meneer Van Wielandt! - Je bent nog jong kerel. " pas vèftig. Ik begrijp, dat wil nog wel wat jongs om zich heen hebben. En jij Schuit. .. huisvriend? Van der Kooy pas op, hij is een verkapte Don J uan in schaapskleeren. - Ik meneer, zei Schuit goedig, die schrok, het bijna ernstig nam en snel omzag naar Van der Kooy, wat die ervan dacht. Die kon hem toch wel beter. Maar Van Wielandt, die zich zelf graag hoorde, begon hetzelfde verhaal gehoord op de soos in Se ma rang ... van de koningstijgers en den totok. Tegenover hem bleven stil zijn beide ondergeschikten staan, luisterend, zooals het hoort tegenover een administrateur, de god op zijn onderneming... die hun nog bovendien de eer aandeed een mop te vertellen. .•. Toen zei een oude planter ineens, pas op, vriendje, als 55 daar bij het raam ook toevallig een tijger mocht zitten, trap ik je de soos uit ... Van der Kooy en Schuit schaterden ... te makkelijker omdat de mop nieuw voor hen was ... - Goed, he? Hoe vin-je hem? Niet prachtig? - Prachtig, echode Schuit ... Als daar toevallig ook een tijger zit .. . hahahaha trap ik je de soos uit. " goed is ie! - Apropos, ahi... ahi... waar kwam ik ook weer voor, o ja die molen, dat is in orde ... enne apropos, mevrouw is zeker nog niet bij de hand '? - Nog niet, nee, nog niet ... aan haar toilet beûg. - Ja aan haar toilet bezig ... herhaalde Schuit goedig, om het duidelijker te maken. - Nou, wat zei ik je. Van der Kooy ... die weet ook al dat ze aan haar toilet bezig is. Wat heb jij daarmee te maken, het is jouw vrouw toch niet'? .•. Schuit voelde zich als employé weer verplicht mee te lachen. - Hahaha, mijn vrouw toch niet, die meneer Van Wielandt, mijn vrouw toch niet, nee gelukkig niet. - He'? Schuit voelde dadelijk weer een onhandigheid te hebben begaan, trachtte het goed te maken door te zeggen: - Ik bedoel, ik voel niets voor het huwelijk. - Nou, het is zoo erg niet, ik beheur werkelijk niet tot die tyranieke administrateurs, die alleen ongehuwde employés willen hebben. Integendeel ik mèg dat wel. Ik zal me menschen er nooit van afhouden. Het brengt leven in de brouwerij ..• die vrouwtjes J Hij poogde daarbij eens door het huis te zien of hij niet iets van de nieuwaangekomene kon gewaar worden, vervolgde dan: - Die vrouwtjes, ahi •.• jullie kennen me, hè. Zonnetjes, dat is anders de fout van veel mannen in Indië, laèt trouwen en dan zoo'n piepjong vrouwtje ... wees voorzichtig Van der Kooy. - Och, zei Schuit, hij hoeft niet bang te wezen. 56 Hij schrok weer, wilde wat zeggen .•. maar zweeg toch liever •.. - Zoo jong is ze ook niet, merkte Van der Kooy zuurzoet op, we zijn al vijftien jaar getrouwd, ziet u. - Hè'? Heel het gezicht van Van Wielandt drukte teleurstelling uit. - Wat zàg-je'? Al vijftien jaar getrouwd '? •• Daar heb je me nooit wat van verteld. Wat jàmmer 1 Eh eh , ik bedoel voor jouw, Van der Kooy, maar apropos wat wild e ik ook weer zaggen ... Dan gè ik maer weer. Van die molen, heb ik al gezegd he'? Ja ja dat geheugen in Indië. Die molen daar heb ik schik in ... Hij zweeg. Zeer luid door de gang had een half bevelende en half spottende vrouwenstem geklonken. - Vooruit aap, doe nou niet net of je geen twee emmers tegelijk kan dragen ... of mot ik het je voordoen ... kijk zoo .•• Twee emmers in de handen, een blauw schort voor, de haren door bukken wat over het hoofd gevallen verscheen mevrouw Van der Kooy in de voorgalerij .•. En drie gestalten ûende, begreep ze niet dadelijk, dat er bezoek was en ging door. - Dat weet we ra eh tig ook niet eens hoe je een borstel moet vasthouden. Ik zal em leeren schrobben 1 Hij zal der zeker geen zwarte knietjes meer van krijgen, kijk zoo doe je het ... zoo en nou hier beginnen. Sini I Sini I . . . Dan keek ze op ... zag recht van Wielandt in het gezicht. Bijna had deze... Gètverderie I. .. gezegd, maar hij slikte het in, stond op ... en maakte een buiging. Van der Kooy, die op het hooren van haar stem een beweging van wanhoop maakte, keerde zich bij dit onindische entree gelaten af ... hij voelde de hopeloosheid van het geval. Schuit voelde het ook, wilde iets zeggen, zweeg maar liever weer, omdat het toch weer verkeerd zou zijn. Alleen mevrouw Van der Kooy voelde het niet. - Oh perdon ... Is der bezoek? Dat had je me toch wel es even kenne segge ... Van der Kooy ... Ziet u me heer, we zitten midden in de schoonmaak en dan ••• vooruit jongen, neem 57 die emmers weer mee. " zie je dan niet dat er bezoek is'? In zoo'n schoonmaak moet u het zoo nauw niet nemen .•. Ze droogde haar handen aan haar schort af, wierp die den jongen na en kwam dan aarzelend met uitgestoken hand naar Van Wielandt toe ... 0 ik zie het al, zeker Jonkheer Van Wielandt, ja net zoo hebben ze verteld hoe u er uitzag, aangenaam kennis te maken. - Ja .•. Van Wielandt, administrateur! Hij strekte voornaèm-hoog zijn hand uit. Mevrouw greep er een paar maal onder ... dan schudde zij die hand en herhaalde nog eens: - Aangenaam! - Engenèm! - Aardig dat u ons eens komt opzoeken, blijft u toch zitten •.• ik zeg net al tegen me man, wanneer komt meneer van Wielandt nou eens. - Perdon mevrouw, ik steur toch niet, ik kom een andermaal weer. Zoo midden in uw huiselijke besognes ... - Welnee, u steurt heelemaal niet, het huis is al zoo lang vuil geweest. We hebben er den tijd mee ... Nee, blijft u gerust zitten ... en hoe noemt u dat? U zei: besognes'? Nou, segt u maar gerust een zwijnepan. Maar we zulle de boel wel opknappen, stel u voor, in al die jaren de grond niet opgeschrobd, enkel met kerbool gedweild ... en met zoo'n sapolietje gedaan. Van Wielandt, die een lachje vergeefs had pogen te onderdrukken begon nu ineens. " - Hihihihihihi! ... Schuit, in herademing na zooveel spanning, lachte dadelijk mee - Hihihihihihi. En mevrouw die meende, dat met karbol dweilen inplaats van schrobben ook werkelijk iets grappigs was, lachte eVf>neens gul, terwijl ze van den een naar den ander goedmoedig knikte. - Ja, zei ze, verheugd dat ze in Van Wielandt en met hem Schuit, geestverwanten had gevonden, die een vloer nooit opschrobben even ongerijmd vonden als zij • •• Het is toch maar soo ... Ik noem de dingen persies zooals ze zijn. 58 - Mevrouwtje, ik zie direct dat hier de reinigende vrouwelijke hand is over gegaan, werkelijk opgeknept. En daarbij keek Van Wielandt met een lichte ironie door de ledige voorgalerij. - Welnee?! ... Hier mot ik nog beginne. Daar wou ik de jongen net zoo aan zette. Maar de slaapkamers benne al op orde hoor, wil u ze soms even zien? - Goeie-got, vrouw! Van der Kooy kermde het bijna. Maar Van Wielandt redde: - 0 neen, dank u, een ènder maal gaerne ... maar ik moet nu gaen. - Gut wat spijt 't me, dat u op zoo'n ongelege oogenblikkie komt, zoo midden in de schoonmaak, za-k maar zeggen ... Maar daar staat elke huisvrouw voor, niewaar. Je zou wel ànders wille, maar dan komt de boel nooit an kant. Nee, dan komt de boel nooit aan kant, echode Schuit. - Zeer zeker, mevrouwtje, à la guerre comme à la guerre. - Nou en of. .. Aleker kom áleker, ja, ik schiet al aardig op met me Maleiseh. Maar crimineel lastig is het ... sini dat is hier . •• en sikat benne boenders . •. U moet toch heusch es ankome jonkheer, als alles an kant is ... want dan zal het er ànders uitzien! Der komt een nieuw kleed over de vloer. Ze zag dan Van Wielandt nu werkelijk aanstalten maakte om heen te gaan. - Jammer meneer, as ik dat nou geweten had ..• - Perdon mevrouw, trekt u zich daèrvan niets aan ... in Indië loopen we wel meer zoo onverwèchts bij mekaer binnen. •. ahi ... de huizen zijn zoo open, nietwaar '? - Zeg-u dat wel ... de huize zijn zoo ope. Je leeft hier compleet op straat en altijd onder je werande. Van Wielandt strekte de hand tot afscheid. - Mevrouw het spijt me geweldig, mèr nog veel droktes vandaag ..• mag ik de eer hebben u nu te groeten. Het was me heel èngenèm. - Engenèm jonkheer, zei Betje en ze vond dat ze het heel mooi zei. 59 - Morgen heeren ... Betje leidde hem zelf uit tot aan de balustrade, boog nog eens na ... - Dag me heer ... komt u gerust maar weer es anloope, hoor. Dan wendde ûj ûch tot Van der Kooy, die met saamgeperste lippen het tooneel had aanschouwd. - Zeg, wat een aardige man en wat een nette maniere. Van der Kooy wilde wat antwoorder.. Maar zijn woede niet meer meester, bracht hij er enkele korte hikken uit, haalde ineens hoog de schouders op, draaide ûch met een ruk om en ging heen. Vragend keek Betje Schuit aan. - Dat is van de warmte, zei deze, om het goed te maken. IX Schuit loopt zenuwachtig op het erf heen en weer. Hij denkt erover de Ford te nemen en eens in de tuinen te gaan ûen, waar Van der Kooy blijft. •. Maar eigenlijk was dat hopeloos. Den heelen dag al weg. Deze kon evengoed naar Tanah Abang zijn gegaan als naar Kebon Ketjil ... en, och, hij zou dadelijk ook wel weer thuis komen. Hij had dat meer gedaan, als hij buiten zichzelf was van drift, vooral op de vorige onderneming, waar de administrateur altijd wat aan te merken had. Dan ging hij uren in de barre zon loopen, kwam badend in zijn zweet terug, was ook weer'heel kalm, nam het leven meer • • philosofisch op. Hij had nu innig medelijden met zijn vriend. Hij voelde Zoo mee welk een figuur deze vanmorgen geslagen had tegenover die Jantje Precies ... Jhr. van Wielandt ... 60 Wat een figuur. In Indië! Vooral in Indië. Zijn vrouw, die daar met geruit schort naar voren was gekomen, der handen aan dat schort had afgedroogd. Nu begreep hij pas duidelijk het verschil van Indië met Holland. De Hollandsche wereld en de Indische.. . De Hollandsche... waar een vrouw zulk hard meewerken in het huis tot eer kon strekken ... de Indische waar zooiets schande, in ieder geval belachelijk was. Waar je zulk koeliewerk ook aan bedienden overliet. Jammerlijker had de eerste kennismaking niet kunnen zijn ... een totale mislukking. Een paar avonden te voren had Van der Kooy het haar al gezegd, een dame in Indië werkte niet méé in haar huis, een dame in Indië liet het door haar bedienden doen. - Dan maar gèèn dàme, had ze gezegd. " wat is dat voor een land, waar de vrouwen zich voor werk geneeren. Van der Kooy had haar gezegd: - Kijk en hier praten ze ook niet zoo, van benne .•. en effe en toe ... Ze had hem toen alleen maar stil en droef aangezien, en een traan ingehouden. 't Was alles zoo vreemd in dit wreede Tropenland. En nu die onverwachte ontmoeting... Geheel onvoorbereid. Schuit voelde dat hij moest trachten nu iets voor Van der Kooy te doen. Als hij eens rustig met haar sprak. Maar nee, dat had Van der Kooy toch zelf ook gedaan .. . en hij zou toch weer iets verkeerds zeggen. Alles wat hij zei, was altijd verkeerd. Hij liep heen en weer en dacht. .. dacht. In zijn weinig gecompliceerde gedachtengang stuitte hij telkens weer op den vorm. Het was niet aan te zien geweest, hoe ze daar vandaag in de open voorgalerij met opgesjorden rok zelf den vloer had opgeschrobd, terwijl de jongen toekeek .•. Of emmers water aandroeg. De andere bedienden waren zelfs om een hoekje komen loeren, terwijl mevrouw Brouwers kwasi over het erf iets scheen te zoeken en meesmuilend door 61 de pagger keek. Het was goed dat Van der Kooy weg was Nu stonden de meubels tenminste weer op hun plaats. Het was waar, de tegelvloer blonk, de stoepsteenen waren wit opgedroogd, het grint dampte nog van vocht ... Maar die arme Van der Kooy, waar moest dat heen. Dàt hij iets doen moest om zijn vriend te helpen, was zeker. Het was reeds na vieren ... de zon stond laag. En hij ging mandiën. Terwijl hij het koude water over zich uitpletste, meende hij den besten vorm gevonden te hebben. Maar toen hij in pyama tegenover haar zat, aan de theetafel, wist hij het weer niet. Dat was tenminste iets, ze had een nette jurk aangedaan, en keek welgedaan en tevreden door de voorgalerij. .. en nu en dan onrustig het erf over. - Waar blijft Van der Kooy nou, vroeg ze ten laatste ... hij is zoo ineens wegge loop en vanmorgen, en niet aan de rijsttafel gekomen ook. Hij kan toch geen ongeluk gekregen hebbe? Dan flitste iets door Schuit's brein ... Een ongeluk. Als hij haar eens in angst liet zitten. " Een klein beetje maar .•. Hij zette een eenigszins ongerust gezicht. - Vanmorgen zei je, dat-ie wegliep vanwege de warmte, niet? Maar as-tie niet in de febriek is, waar kan-ie dan zijn, buiten is het toch nog veel warmer geweest dan in huis. En ineens haastig, vroeg ze weer. - Je denkt toch niet, Schuit, dat-ie een ongeluk kan gekregen hebbe? - Waarvan? - Van de warmte of zooiets, het is zoo'n raar land hier. Waar zag je aan, dat-ie het zoo warm had. - Nou ... zei Schuit aarzelend om een begin te zoek!"n, een inspanning die hem moeilijker viel dan dagen lang in de fabriek te staan. - Nou, aan die gezwollen aderen, op zijn voorhoofd. Dat is een teeken ... - Ja, die zag ik ook ... maar ken dat kwaad? - Dikwijls. Als ik hem zoo aanûe, moet ik altijd aan die arme ... Hilverding denken. 62 - Wie is dat nou weer? Ook van de fabriek? - Nou ... zei Schuit, en hij peinsde haastig, wie die arme Hilverding wel kon geweest zijn. Maar zij liet hem geen tijd. - Wat was er met die Hilverding? ... - Die-je, die-je Hilverding? Nou die heeft een oogenblik ruzie met ..• met ... - daar had hij het -, met zijn vrouw ..• hij loopt blauw van woede weg, de tuinen in, den volgenden dag hebben ze hem gevonden, toen lag-ie ... dood! .• Hij zei het met een grafstem, werd er, terwijl hij aan Van der Kooy dacht, zelf beroerd van. .- Dood? Mevrouw Van der Kooy schrok. - Dood? Maar waarvan? Van de hitte? En ik had toch geen ruzie met 'm. Wat bedoel je? - Ja, van de hitte hier in Indië. Daar krijg je een tropenhart van. Mevrouw bleef hem met open mond aanstaren . - Een wat? - Een tropenhart, bevestigde hij, zelf bleek van eigen nooit gekende fantasie en durf. Maar het was immers om Van der Kooy te helpen. - Je wilt toch niet zeggen, hijgde ze, dat Van der Kooy daaran lijdt. Aan een tropehart ? Kan-je daar op slag dood van blijve? Hij heeft het toch niet, wèl? Ze zag Schuit zoo ongelukkig aan, dat deze er reeds spijt van had en terug wilde krabbelen. Maar dan zei ze: - Schuit, zeg me eerlijk, ik ben sterk, ik ben heel sterk. Schuit deed weifelend en tegelijk geheimzinnig. - Hebben ... hebben? Dat weet ik niet. Maar soms denk ik het, u moet rekenen vijf en twintig jaar in den Oost, dat gaat je niet in je kouwe kleeren zitten. Soms meen ik symptomen op te merken ... - En de simmetome ook nog? Is dat een erge ziekte? Schuit, ik vind het nobel van je, dat je me waarschouwt ... gotogot wat een land, wat een land. - Als u dat allemaal wist! Maar doet u me een plezier, zeg 63 niet dàt u het weet, dat zou het nog erger maken, ze moeten het zelf niet weten, anders wordt het nog veel erger. En ziekten hebben zoo'n kort proces hier .•. ZÓÓ leef je en zoo leg je deronder . .. Ze begraven je hier binnen vier en twintig uur. Schuit had een vaag gevoel dat hij toch eigenlijk te ver was gegaan en bovendien wist hij eigenlijk niet goed meer, waar hij oorspronkelijk heen had gewild. Dus had hij het gesprek door de begrafenis willen afieiden. Maar dat scheen het nog erger te maken ..... . - Wàt-seg je'? Binnen vier en ... - Ja, zei Schuit ... blij iets te kunnen vertellen wat wààr was, dat is een printa hier ... Binnen vier en twintig uur moet je hier begraven zijn. Ik weet van een geval in Soerabaja, daar zat iemand 's middags nog rustig thee te drinken met zijn vrouw. .. nee toch niet. .. 't was koffie, enne den volgenden middag droegen ze hem het huis uit. .. Dood. - Och gut nare vervelende kerel, wat zit je een beroerdigheid te vertellen. Ik word er koud van in die hitte. Maar wat zei je nou van Van der Kooy Hij krijgt geen koffie meer van me. Schuit sloeg om tijd te winnen een mug dood, die op zijn enkel zat. - Waar is-ie dan nou, is-ie kwaad geweest'? Wat moet ik doen om hem te kalmeere ? Schuit bedacht zich even. - Och ... doen hoeft u niets. Of toch wel. Maar u moet eigenlijk wat nalaten, zal ik maar zeggen, vermijden. Vermijden om hem driftig te maken. Hij is zoo driftig, weet u. - Ja, dat weet ik, maar hij meent het zoo niet. Is gauw weer goed? Maar wie maakt hem driftig? Dat doe ik toch niet '? Er kw::tm een zachte blik in haar oogen. - Ik doe toch alles om het hem in huis prettig te maken, ik kom heelemaal naar Indië voor hem. Ik maak het heete huis gezellig, zoo'n stakkert, die altijd in zoo'n vuile rommel heb gezeten. Ik weet het wel, u meent het goed, mevrouw. Kom, we kennen mekaar nou al zoolang, Schuit, zeg nou gerUSt maar jij en jou tegen me ... én hOem me bij me naam, dat heb ik tegen Van der Kooy ook al gezegd. - Dat is heel goed, zei Schuit, zacht-aangedaan over dit blijk van vertrouwen. - Betje, heet ik. Schuit schrok weer. Na eenige aarzeling vroeg hij heel timiede: - Hoe heet u eigenlijk. - Elisabeth Marie .. . - Als ik nou eens ... hij durfde het bijna niet te vragen, Elisabeth tegen u zei ... je zei... Kijk... dat is nou zoo' n Indisch geval ... In Indië heet je geen Betje. Als het mag? .. Elisabeth. - Ik zal niet weten tegen wie je het hebt... maar ga je gang. Maar wat zei ik ook weer, ja .•. ik doe alles om het hem aangenaam hier te maken ... èngènèm zei Van Wielandt. Kan ik nou heusch meer doen? - Ja, Indisch worden. Het leven is hier anders dan in Amsterdam, Van der Kooy heeft een stand op te houden, voor zijn promotie te zorgen, u zou bijvoorbeeld iemand in Amsterdam kunnen ontvangen, zooals u dat van morgen meneer Van Wielandt deed, maar hier gaat dat niet. Hier kan je niet naar voren komen en je handen aan je schort afdrogen. Daar is hij van geschrokken ... Hier kan je niet zoo spreken als in Amsterdam. - Het is hier een groote poppekasterij, bedoel je. - Hoe u het noemen wilt doet er niet toe, maar het is zoo ..• Je wordt hier beoordeeld naar wat je verdient allereerst ... dan naar de manier, waarop je het verteert en je gedraagt ... Het is gek. Ik ben maar een heel gewone burgerjongen, me vader had een schoenmakerij ... maar stierf vroeg. Me goeie moeder heeft hard moeten werken om me groot te brengen ... Wat ze daarvoor deed, zeg ik liever niet Al ben ik el' zelf trotsch op ..• Maar hier zouden ze minachtend op haar neer kijken. En dat zou ik niet kunnen velen. Indië heeft gemaakt dat ik me ervoor schamen zou, het te zeggen. En ik vlieg toch werkelijk 65 Suikerfreule S niet hoog. Ik ben tevreden, zooals ik het hier heb. Tegen jou kan ik het wel zeggen ... ze was werkster op een kantoor. Met haar handen ploeterde ze den heel en dag voor ons brood ••. om mij te eten te geven en op school te laten gaan. Ik zal haar daarvoor me leven lang dankbaar blijven. Het deed Schuit goed, in Indië, iemand bij zich te hebben, waartegen hij zoo eerlijk zeggen kon, dat zijn moeder werkster was. Toen zij zei - Dat strekt haar tot eere, Schuit .•. sprongen de tranen van ontroering in zijn oogen. Samen ~ten ze even stil bij elkaar, ieder in gedachten. Dan vervolgde hij - Och zoo is Indië nu eenmaal. Beste Elisabeth, zoo is het, maar tracht je er bij aan te passen ..• zooals je bijvoorbeeld in Duitschland Duitsch zoudt leer n praten, zoo moet je probeeren hier Indisch te praten, Indisch dat is deftig. - Maar hoe dan? Hoe dan? - Nou door bijvoorbeeld het grove werk door Inlanders te laten doen, nooit over je familie praten, wat zachter en wat stiller te spreken .•. met de manieren mee te doen, die ze hier hebben. Schuit probeerde het zoo ~cht mogelijk te zeggen ..• van verlegenheid stotterde hij half: . - Van der Kooy, zie je, die is... al vijf en twmtlg J ur hier, die is Indisch geworden. Jij bent dat nog niet en d~ar lijdt hij onder, daarom is hij ineens weggeloopen. Om met tegen je uit te vallen. Hij bedwong zijn drift ... maar hij was razend. - Omdat ik met me schort kwam? Ik wist toch niet dat er bezoek was. - Och daarom en om wat je zei, over die schoonmaak, over Maleisch, wat Fransch was. Mevrouw Van der Kooy luisterde, terwijl zij het erf en de tuinen over~g, om dadelijk als hij kwam haar man te zien. Ze begreep het. En tegelijk begreep ze het niet. Maar ze deed moeite om het te begrijpen ..• ze voelde zelf dat de ontvangst 66 van den chef niet zoo was geweest, als ze het wel zelf gaarne had gewild. Maar haar gezond conservatisme ... haar beperkt maar stevig levensbegrip verzette zich tegen iets, wat haar vreemd was. Dan sprong ze ineens op ... - Dààr is-ie. Met haastigen stap ging Van der Kooy de tuinen door, stak het erf over. Hij scheen rustig. Maar tusschen zijn oogen lag een rimpel. En met iets droogs in zijn stem, als had hij dien ûn lang bedacht en als was die slechts een begin van een reeks van zinnen, die hij zeggen wilde, viel hij zonder te groeten uit: - Vrouw, ik moet je even spreken, allèèn spreken ... ik ••. ja Schuit, ga jij weg. Ik moet eens ernstig met je spreken ..• ik ... Mevrouw was hem al half tegemoet geloop en, sloeg haar armen om hem heen, als was hij een kind geweest .•. en tegelijk als was ze zelf een kind, dat om vergiffenis smeeken wilde. - Och beste Dirk ... wees nou maar kalm, wees nou maar kalm. Ik weet het al, ik zal Indisch worde ... ik ... zal heusch ... Er kwamen tranen in haar stem, die haar het spreken moeilijk maakten. Maar haar oogen bleven hem bezorgd gadeslaan. - Ik zal heusch probeere, anders te worde. Ik zal alles doen wat je wilt. Van der Kooy bleef verbaasd eerst naar haar, dan naar Schuit zien. En ze vervolgde zacht: God, Dirk, wat ben je rood in je geÛcht ... als ik eraan denk dat ik je ... 0 nee •.. 0 ik ben der zoo naar van. Toe Dirk, geloof me maar, ik zal doen wat ik kan en jij moet me daarbij helpe. Schuit wenkte iets, wat Van der Kooy niet begreep. Maar hij begreep, dat zijn vrouw verdriet had. En hij zag haar oogen vochtig. Alle boosheid zonk uit hem weg. - Goed, goed, goed, vrouw, zei hij, en wist dat hij toch heel veel van haar hield. - En toe, ga nou gauw mandieje - het was de eerste maal dat ze dit woord gebruikte - ... ga je opknappen. Er klonk moederlijke zorg in haar stem: - Weet je wat je 67 doet, Dirk . .. ga nou gauw een schoone pyama aantrekken ... En kom dan lekker bij me zitten, he? Ze schoof hem de binnengalerij door naar de slaapkamer, dan de achtergalerij uit, naar de mandikamer ... kwam dan terug naar voren, waar Schuit, ongerust over het effect van zijn woorden nog wachtte. - Niks zeggen, hoor? smeekte hij haastig. - Och niks zegge as je hart ervan overloopt. Betje keek ongelukkig de voorgalerij door, waar ze alles voor ûjn komst had voorbereid. - Nou heb ik niks geen zin in me s hoonmaak meer ook. Die goeie Van der Kooy ... een tropenhart. Vijf en twintig jaar in zoo'n land ... ik had het nooit moeten toestaan. Enne ... ga jij nou maar bij Nittel zitten, als Van der Kooy zoometeen komt. Het is goed dat je het me gezegd heb, Schuit, maar ... ûe je, we kennen je nóu missen as kiespijn ... Ga jij nou óók maar mandieje. In goedige haast ging Schuit naar zijn kamer. Blij wreef hij zich de handen. Hij had h t tenminste gezegd. Goeie deugd, hoe kwam hij eigenlijk aan dat tropenhart ? ... Maar hij zou het Kooy strakjes wel uitleggen. En in de voorgalerij wachtte Betje bij het theeblad ... keek nog eens de galerij door, om te zien of alles wel op orde stond, ging dan weer naar de achtergalerij om te zien of Dirk nog niet kwam. Dan hoorde ze zijn sandalen over de tegels klapperen en schonk in. Het duurde even, voor hij kwam. Haastig stond ze weer op, ging de gang in en riep zijn naam. - Jal Wat is er? - 0 niks, ik wou je maar even hooren. Het was zoo stil, kom je gauw? En ineens dempte ze haar stem, riep zacht: Ik heb ingeschonken, hoor. 68 Zij schoof haar stoel naast zijn krossimalas ... - Zoo nou kom ik lekker bij je zitte, weer zoo gezellig als vroeger he, toe-we pas getrouwd waren, wàt? Ze nam zijn hand en drukte die, hield die in de hare. Hij keek eens verbaasd naar haar om. Dronk dan zijn thee. - Ik moest je even voelen, zie je. Ik ben toch blij, dat ik bij je ben gekomen, man en vrouw hooren bij mekaar, nietwaar? Vooral als we zoo'n dagje ouwer worden. Stel je voor dat ik in Holland onverwacht het bericht van je overlije had gekregen _.. Ik zou het niet o'Jerleefd hebben, van gewetenswroeging dat een ander je de oogen dicht had moeten drukken. - Kom moeder, niet zoo somber ... hoe kom je in zoo'n bui. - Och niks ... Zoo, en je niet meer zoo opwinden, het is zoo slecht voor je. - Voor mij? - Nee, nee, voor een mènsch bedoel ik ... die hitte ook. 't Benne. .. 't zijn ... compleet hondsdagen. - Ja, och in Indië is het goed je kalm te houden I Hij begreep niet goed waar ze heen wilde. Kijk ik ben altijd kalm, als je maar niet van die vervloekte Hollandsche dingen gaat invoeren, zoo'n schoonmaak, later als je meer Indisch bent, lach je erzelf om, hier maken we nooit schoon. - Dat hoef je me niet te vertellen. Maar wat zeg je van me voorgalerij? Niet gezellig nou? Van der Kooy keek om zich heen. Hij moest erkennen dat alles nu als een spiegel glom, dat er werkelijk iets huiselijks gekomen w s in de anders zoo leege galerij. In vreemde ongekende bI uwheid staarden de potten met planten op de standaards hem aan. Die waren vroeger groezelig-geel. Het personeel hie d er de hand niet aan. - Meer kon ik er nou nog niet aan doen, verontschuldigde ze. Hij zag eens naar haar om. Haar oogen zagen in de zijne met iets bezorgds en liefkoozends. Om hem iets prettigs te zeggen, vervolg ze: Ik zal wel In- 69 disch worde... hoor 7 Maar een beetje geduld met me hebben. Hij knikte en sloeg een muskiet weg, d ie zich op haar arm vastzoog. En peinzend poogde hij zich in te denken, hoe zielig ze zich nu voelen moest, gerukt uit haar Hollandsche sfeer en ineens geworpen midden in de onbarmhartige Indische. Nee, het zou toch niet gaan, haar nu reeds te vertellen van Dolly ze zou het niet begrijpen ... en het zou haar verdriet doen. En toch moest het, en zoo spoedig mogelijk. Wanneer begon de vacantie ook weer 7 x Betje Van der Kooy kijkt moe op van den brief. .. dien ze heeft geschreven. Als bij alle menschen, die zeldzaam schrijven, had dit haar zeer ingespannen. Ze had gepoogd nicht Jeanne, die toch iedereen van de familie kende, zoo duidelijk mogelijk de lotgevallen te beschrijven, die ze nu in drie weken in den Oost had ondergaan. Maar de hoofdzakelijke reden was wel geweest ... Van der Kooy te zuiveren van de blaam, die men op hem geworpen had. Bijna physiek uitgeput door de ongewone inspanning, richtte ze zich op en keek naar het landschap. Duizenden dingen, die ze ook had willen zeggen, maar die ze ondpr het schrijven vergeten was, kwamen haar weer in den geest. Grepen uit de chaos van impressies, die haar in de nieuwe omgeving hadden overrompeld, en die ze moeilijk uit elkaar kon houden. Zij had een gevoel of haar hersenen als een weeke brei in haar hoofd lagen. Elk concentreeren van gedachten, hoe scherp ze zich daar ook op instelde, bleek vruchteloos ... 70 En nu na d ie inspanning, bleef ze maar stil mat zitten uitkijken, met haar gedachten meer in Holland dan in Indië. Bij het oude leventje, dat achter haar scheen te liggen als een gladde baan ... Terwijl het haar hier voorkwam als een hooge eindelooze trap, vol kronkels en wendingen, die ze ademloos alsmaar beklom en die steeds weer nieuwe en moeilijke treden had. Maar ineens leidde iets haar gedachtengang af. Als een veelgeplaagd dier in de wildernis, dat onraad ruikt, hief ze het hoofd op, en snoof herhaaldelijk diep met den neus. Ja ... jazeker, ze rook het ... Daar brandde iets. Ze vloog uit haar stoel op. En keek snuivend rond om zich. Ze rook het duidelijk, een scherpe brandlucht. Nee uit het huis kwam die niet ... misschien van de bijgebouwen 7, Snel ging ze naar achteren ... terwijl ze luid riep: - Oessin, Oessin. Amat, Kokki, baboe. Maar achter gekomen werd ze dadelijk rustig. Hier rook ze het hoegenaamd niet. In hààr huis kon het dus niet zijn. De bijgebouwen lagen in late nàmiddagzon... Oessin en Amat stonden loom tuinbladeren te vegen, de baboe die ze aangenomen had, was met de wasch bezig. En ze spoedde zich weer naar voren om te zien, bij wie het dan wel kon zijn. Dan zag ze een sluier rook, die langzaam over het erf dreef en scherper dan te voren, drong de stank prikkelend in haar neusvleugels. - Bij Brouwers! schrok ze en trachtte over de hooge pagger tot in hun voorgalerij te zien. Dan was ze meteen gerustgesteld. In den tuin werd een hoop droge bladeren verbrand. In ieder geval trachtte de kebon er een vuurtje van te maken. Vuur was niet te zien. Wel een dikke rookzuil, die traag opsteeg en schuins naar haar erf dreef. - Boe. .. wat een stank, weerde ze dadelijk af, en bleef even vijandig kijken naar de wolk. De huizen lagen ver van elkaar, maar in de roerloosheid van atmospheer dreef de rookkolom betrekkelijk laag voorbij. Dan, op een bijna onmerkbare luchtschommeling, week 71 die af, naar haar voorgalerij en vulde die tergend langzaam met een grijsblauwe ijle wolk en een scherpe lucht van geschroeide bladeren. - Zijn ze nou gek daar? bitste ze nijdig. Blaren te gaan branden, terwijl de wind deze kant op is, poeh poeh ... goeie got, wat een lucht. Wat een stank. De lucht was zoo scherp, prikkelde zoo fel in haar keel, dat ze begon te hoesten. Nee maar, dat ging toch zóó maar niet. Een mensch uit te rooken. Uit zijn eigen voorgalerij ..• Het was toch geen palingrookerij hier? - Oessin! Oessin! Amat! Oessin, wijs door opgedane ervaring, kwam zeer haastig aanloopen. - Zeg Oessin, ga jij es even naar hiernaast en zeg dat ze ophouden met die rookerij. Ze lijken wel gek. Zeg dat ze ophouden. Zeg ... bren ti tegen ze, ophouden! De jongen verstond weinig van haar driftig Hollandsch, maar de gebaren naar den rook zeiden hem meer dan de woorden. Hij ging dus haastig het erf af. " liep den weg langs naar het erf van Brouwers en praatte met den kebon. In doodelijke gemoedsrust keerde hij dan terug, zei: - Soedah bren ti. - Wat soedah brenti ... al voorbij? Zeg, ben jij blind ... En kijk dan eens daar. Nog dikker dreef de wolk aan, begon het gansche huis te vullen. Proestend week ze ervoor terug en liep dan het erf op. Bij de pagger gekomen, vanwaar ze meende het huis wel goed te kunnen beroepen, stond ze even stil om op adem te komen en riep dan, eerst zacht maar dan luider: - Mevrouw!... Mevrouw! Het ging haar moeilijk af. Ze wist nog niet goed waarom, maar ze kon dat mensch van hiernaast niet "zien". Van der Kooy had haar gezegd, dat ze, zoo ze haar ooit ontmoette zeer beleefd tegen haar moest zijn. Ze was de vrouw van den eersten machinist, daar moest je beleefd tegen zijn. Die was 72 Njonja Satoe, mevrouw eerste, en zij was maar Njonja Doea, mevrouw tweede, hij had zeshonderd in de maand, met tantièmes, en hij maar vierhonderd met een gratificatie ... dat maakte een verschil in Indië ... - Nonja Satoe, Nonja Doewa. Had ze nagebouwd. Nou maar ik voel me niks beneden haar hoor en dan al die Maleische woorden gratificatie, doewa... Ik wor der naar van. Wat is dat dan eigenlijk voor een land hier, dat je om een paar centen meer beleefd moest zijn. En bovendien, ze is een zwarte. - Wie? - Die mevrouw van hiernaast. Van der Kooy had gelachen. - Het is een nonna! - En net zeg je, dat ik dat ook ben, ik ben alleen maar nonna doewa. - Dat is weer Njonj:ll Nonna is een halfbloed, en Njonja is een getrouwde dame. - Goeie god, houd het m:lar uit elkaar, ik zal het opschrijven. Wacht effe. En zoo is dat dan een halfbloed? Waar ken je dat nou weer aan zien, ze is veel zwarter dan kokkie. Ze draagt d'r haar net zoo en net zulke kleere ook, een sarong en een kebaja, en ze loopt met bloote voeten. Mot-ik daar nou zoo beleefd tegen wezen. En tegen kokkie weer niet? - Ja. En we moeten haar een bezoek gaan brengen ook, ik heb het nu nog kunnen uitstellen, omdat haar man ziek was en naar ik haar zei, omdat je moet acclimatiseeren. - Wat moet ik doen? - Acclimatiseeren... aan het klimaat wennen. - Oh! As ik 't maar weet. .. .klimaniseere I Dus had ze haar nog nooit gesproken. Wel gezien, schommelend over het erf en ook gehoord, met schelle stem schreeuwend tegen de bedienden in het Maleisch. En weer riep ze, nu met een hooger uithaalt je, opdat haar stem ver over het erf zou klinken: 73 - Mevrouw! Ze meende achter de kree in de voorgalerij de helk1eurige sarong van mevrouw Brouwers te zien bewegen. Dan zag ze niets meer. De rookwolk dreef om haar heen en proestend week ze terug. Dus dat mensch wou niet te voorschijn komen, dat bladerbranden deed ze dan zeker expres. En omdat zij Njonja Satoe was, kon het haar niet schelen dat Njonja Doewa erin stikte ••. Maar moest zij, omdat .?;e maar Njonja Doewa was zich zoo maar laten uitrooken. Kijk toch eens aan. Het leek wel een vulcaan. En driftig holde ze naar de bijgebouwen, greep een emmer, vulde die met water en dribbelde weer naar voren. Dan bedacht ze zich even, riep nog eens "Mevrouw!" en toen het stil bleef in het huis daarnaast, kletste ze den emmer wate over de heg, op de bladeren die er achter lagen te smeulen ..• Terwijl ze luid tegen zichzelf haar meening zei: - Neem me nie kwalijk, maar da's niet uit te houwen ... ik ben net zoo goed een mensch als een ander met net zoo goed recht om te ademen .•. Dan had ze ineens een hand gevoeld, die haar pols greep en Van der Kooy had haar naar binnen getrokken, de voorgalerij door tot in de slaapkamer. Daar klonk zijn stem zeer luid en zeer hard. De hare niet minder. - Dat doet geen dame. - Dan maar geen dame... as jij het damesachtig noemt om je te laten uitrooken. - En jij heb je mond te houden. - Voor zoo'n roetmop niet. Maar' s avonds in de voorgalerij, terwijl reeds weer een kenterings-onweer aandreef, legde ze zacht haar hand op de zijne. En van terzijde keek hij haar eens aan, zag haar vol bazigheid en gezonde eerlijkheid... zag haar in gedachten weer 74 loopen met den wateremmer en dien kletsen over de heg en barstte ineens in een vroolijken schaterlach uit. Nee, heelemaal kwalijk kon hij het haar niet nemen, je kan van een musch niet dadelijk een lijster maken en als een lijster laten slaan. Dan ratelde de eerste donderslag. Angstig schoof ze haar stoel naar Van der Kooy. - 0 God, daar begint het weer. Zoo bazig-boos als ze dien middag geweest was, zoo klein was ze nu. Ze haatte die onweers, die bijna iederen avond over Toeloeng Baroe losbarstten. Indië zou haar dragelijker geweest zijn, indien die onweers er niet waren. Van der Kooy had haar gezegd, dat ze na de kentering zeldzamer zouden komen, maar ze geloofde het niet ..• hoe kon hij nu weten wanneer er een onweer kwam of niet. De eene lichtstraal na de andere verlichtte fel de voorgalerij. De eene slag na de andere rolde aan, en de donder volgde telkens bijna onmiddellijk op den straal. Schuit en Nittel kwamen bij hen zitten. - Da's raak, zei ze telkens, en begreep maar niet waarom de drie mannen lachten. - Toe, la-we binne gaan zitten ... ik ben zoo bang hier. En haastig nam ze de lepeltjes mee naar binnen: Dat trok aan. Als een waterval gutste de regen uit de zwarte wolken, regen die dampend opsloeg uit den gloeiheeten bodem. Het was of de aarde rookte. En haastig trok ze Van der Kooy mee naar de binnengalrzoij, waar ze alle jaloeûën ging sluiten en de gordijnen er nog voortrok, opdat ze maar zoo weinig mogelijk van het lichten zou zien. Nog eenmaal scheen het huis te dreunen, dan zakte het onweer langzaam af ... de slagen klonken ver en vaag. Alleen kletterde hevig nog de regen neer. Maar plotseling hield die op... Het was ineens doodstil. Een angstige stilte, waarnaar ze te luisteren zat, nog steeds dicht bij haar man, die nu met Nittel en Schuit bridge speelde. Ze hoorde de laatste droppelen neerruischen uit den waringgin ... 75 1.' Dan was het opnieuw stil. Zoo stil, dat ze blij was dat de mannen spraken. Hoorde ze daar wat ritselen buiten'? Liep er iemand over het grint'? - Gek-koo ... gek- koo ... riep ineens de tokkee weer, die uit een naad tusschen plafond en muur te voorschijn kroop en zijn rochelenden roep deed hooren. Huiverig keek ze naar de groote hagt:dis, die met zijn zuignappen gekleefd aan den muur naar haar te loeren scheen. Ze verafschuwde dat dier ... Voor de kleine tjitjaks was ze nu niet bang meer, maar dat groote beest, dat zeldZlam te voorschijn kwam, dat ineens met luide stem door het huis riep, ook als ze alleen was, dat zou ze graag met den bezem willen doodslaan. - Nooit doen, nooit doen, had Schuit haastig gezegd ... dat brengt ongeluk aan, alle bedienden zouden wegloopen, die zijn bijgeloovig. Dus moest ze maar machteloos dat vieze dier tegen den muur laten zitten. Maar de tokkee kroop langzaam weer boven de deur langs, naar buiten. Ingespannen luisterde ze weer. Wat haar stilte geschenen had, bleek nu vol geluiden, vreemde griezelige geluiden. Werd daar geklopt? Nee het was het een of :lndere nachtelijke dier, dat op den ketapanstam klopte ... Wat was dat vreemde zangerige geluid. " als huilde er klagelijk een kind. Het klonk heel ver ... en heel droef. Nu waren er meer. - Gladakkers, zei Van der Kooy, jij geeft, Nittel! Als bij afspraak begonnen ineens alle krekels te sjirpen ... een was aangevangen met zijn tssie, tsiee. " tsieee, en nu wprd het een eindeloos koor ... duizende, millioenen krekels in de paggar, die weemoedig droomerig neurieden - Oek! oek! oek!!! Het klonk spookachtig, een luide lange roep. Het gaf haar een schok. - Niks! zei Van der Kooy, boomkikvors eh, die roept vaak na regen... menseh, maak je toch 76 niet zoo overstuur, het zijn gewone beesten, speel mee. Zij poogde het. Maar luisterde gespannen. En liet het dan weer aan de heel'en over. Eenigen tijd bleef zij zitten kijken naar een groote tor, die om de lamp snorde. Telkens wanneer het insect dicht bij haar kwam, trok zij het hoofd weg, telkens sloeg zij er met een zakdoek naar. Maar de mannen sch nen niets van het dier te merken. Snel sloeg ze een mug dood, die zich weer op haar kous zoog. De zooveelste dien avond. Het scheen haar zoo onbegrijpelijk, dat die mannen zich in dit vreemde land thuis voelden, als waren ze in Holland geweest. Hoorden ze dan niet die nare geluiden? Zagen ze de tor niet? Ze vonden het heel gewoon, dat een groote hagedis langs de muren liep, dat er vaak lange strepen van mieren door de kamers kropen, dat er mieren dreven in hun soep. Ach, wat huilde die gladakker nu weer lang. Ze zaten met bloote voeten rondom de tafel, de binnengalerij zwermde van muggen! Maar hun beenen waren blank, terwijl de hare vurige wonden droegen van muggen, die beten door haar kousen heen. - Omdat je nog een totok bent, had Van der Kooy gezegd, die lusten ze liever, zoet bloed. - Hoe kunnen muggen nu aan mij zien, dat ik zoo'n totok ben. - Dat ruiken ze, vrouw ... weet je dan niet, dat de groote heeren in den tijd van de Compagnie, als ze langs de Bataviasche grachtjes klimaat zaten te schieten, een versch aangekomen scheepsjongen huurden, om vrij van de muskieten te zijn. Alle muskieten gingen dan op dien jongen zitten. En zij hoefden niet te krabben. Nu kunnen wij ons verbeelden, dat we deftige grooten van de Compagnie zijn ... en jij onze scheepsjongen. Sinds jij hier bent, heeft er geen mug meer naar me getaald. Schuit schaterde. - Geen mug naar hem getaald. Nee, naar mij ook niet, nou weet ik pas waarom. : 1 I I I I : I I 77 - Kom eens kijken, wat een maan! Schuit en Nittel volgden. - Nee vrouw, jij ook ... kijk eens. Zóó moet je Indië zien. Om een groote koperkleurige maan dreven droomerig kleine transparante wolkjes. Zij dreven zoo langzaam ..• dat het was, als wilden zij uit dien maneglans niet wijken, als trachtten ze daar bijeen te blijven, doorgloeid van het zilveren licht. Licht dat ook glansde over het landschap. Enkele bergcontouren waren heel vaag in glans geteekend. De heuvelen aan hun voet lagen er als schakeeringen van licht en duister, met hier en daar een pinkend oog, van kampong-lichtje, dat tegen de glooiing stond als zacht-rood sterretje. Geen zuchtje in de klapperboomen. De groote bladeren hingen roerloos langs den stam. De andere uitstaand als een waaier. De breede pisangbladen, overglansd van maanlicht, stonden roerloos in den fluweelen nacht. - Zeg nu nogereis dat Indië niet mooi is? Ja, zei ze zacht ... En huiverde. Er ging een vreemde beklemming van dat landschap uit, badend in zilveren maan ... van dien tropennacht, zoel en warm, vol van geheim, vol van onverklaarbare geluiden ... Een nacht, waarin alles deed of het sliep... m3ar vanuit elken boom, elke heg de stemmen klonken van millioenen beesten, die toch waakten. - Ja, zei ze zacht en huiverde weer. Een seconde scheen de maan plotseling als gebltlScht ... Dan nog eens ... - Kalongs, zei Van der Kooy ... vliegende honden. Vliegen die heusch? Ze bleef angstig even naar de lucht kijken, naar de groote zwarte schaduwen, die trokken langs het doorhchte wolkenIand. - Wak ... wak, zei ineens een pad, vlak naast haar in de voorgalerij. - Toe, Van der Kooy, la-we naar binnen gaan, ik word koud, ik heb het allang gezien. 78 - Hoor je de gamelang ? - Nee, ik geloof het weIl Wat kenne me al die beesten schelen, kom nou! Dien avond in bed ligt ze nog lang te luisteren naar de geluiden van tropennacht, het kloppen, steunen, klagen, sjirpen en huilen. Angstig hoort ze het heen en weer rennen over het billik-plafond van een loeak. En ze tast met de handen naar het laken, trekt dit over het hoofd, in een vreemden angst, dien ze alleen gekend had als kind, angst, voor iets dreigends, dan toen in de kamer moest zijn, maar nu om haar is. Overal ... Heel zacht begint ze te schreien. Voor het eerst in Indië voelt zij zich allen moed en allen sterken wil ontzinken. Voelt zij zich heel klein, als kind klein, in dat groote vijandige, geheimzinnig-dreigende land. Terwijl ze ligt te wentelen op het lauwe vochte ruime bed en smeekend uitziet naar den nog zoo eindeloos verren dag. XI Oessin komt met het theeblad naar voren. Om de Njonja niet te storen, die schrijft, wil hij stil het blad op de hoektafel zetten, maar laat het meteen van schrik bijna uit de handen vallen. Achter hem heeft een rauwe kreet geklonken. En de Njonja staat naar adem hijgend voor haar tafel. De inktpot was omgevallen, de pen staat nog in het papier. - Christeneziele is dat schrikken .. . beroerde aap van een jongen, zoo zachies achter iemand an te sluipe. Zeg, as je het op mijn voorzien hebt, nee krijg dan eens géén tropehart. 79 't Slaat werachies als een hamer. Ke-je niet effe zegge dat je deran komt. Dat loopt maar op derlui bloote voeten door het huis en staat zoo maar ineens achter je ... Maar je zal het laten in het vervolg, versta je? Oessin verstaat. - Minta ampon ... Njonja. - Niks te amponne. Lamme beroerling, nare aap. Ik zal jou sandale geven ... dan kan ik je hoort: aankommen, kijk nou me brief eens an, nee kijk es ... - Apa, Njonja ... - Ja, apen zijn jullie, zeker, niks anders, nou kan ik hem nog eens overschrijve. Kijk, óverschrijvè. Sta me niet zoo aan te gape, óverschrijve! En haal een doek voor die inkt. Me hee1e marmere tafel bedorreven. Een doek J Doè-óek! Voor die inkt ... Ik zal het aan Van der Kooy zeggen, versta je? De jongen begrijpt dat de inkt moet worden weggeruimd, neemt de doek van zijn schouder en wil de zwarte vlek wegvegen. Maar een stevige hand grijpt zijn arm. - Zeg lammeling, ben je nou heelemaal van lotje getikt, met me goeie nieuwe theedoeke? Die ook nog bederve. Gauw, haal een dweil, een dweil! Van der Kooy, waar zit je. Kijk die aap nou weer eens gedaan hebben. Van der Kooy had even bij Nittel gezeten in het paviljoen om met dezen te rade te gaan ... - Zèggen, meent Hans, niet wachten, ronduit zeggen. - Ik ben zoo bang dat ze het zich aantrekt. We hebhp.n nog een mJand den tijd voor Dolly komt. In dien tijd zal ze meer Indisch zijn, meer begrijpen. - Als je het dadelijk zegt, kJn je haar zóó laten komen. Ik zal haar wel halen. Dat is allemaal gebeurd vóór je haar kende, ze zal het heel gewoon vinden. - Dan ken je de Hollandsche vrouw niet meer en Betje 80 nog minder ... Ik moet het haar langzaam bijbrengen. Langs een omweg .•• Dan klonk haar roep. - Ja, ja, ik kom. Hij hoort het verhaal over den jongen aan, begint te schateren. En omdat hij schaterde, lachte ze mee, keek naar den jongen, die ijverig te dweilen stond en gaf hem dan een jovialen douw, de gang in ... - In het vervolg zeg je 't, as je der an komt, verstaan? Leelijke reep chocolade. Oessin lachte mee, hij kende zijn Njonja reeds. - Je moet zoo'n jongen geen douw geven. Dat doe je niet in Indië. - Weer niet in Indië. Heb jij in Holland dan bedienden gehad? Jij altijd met je Indië. Kom nou maar gezellig bij me zitten. - Later als je meer Indisch ben, lach je der zelf om. - Nou ik wor toch al Indisch, ik doe toch me best, ben ik al niet veel beter? Ik heb toch al rijsttafel meegegeten ... - Ja één hapje en de rest met boter en suiker. - Ik at toch mee. Je eischt ook ineens alles van een mensch. brrr, die smurrie, je moet zien hoe kokkie die sambels klaar maakt, je hart draait je om in je lijf. En met der zwarte vingers zit ze overal an. Maal' ik heb er toch van gegeten? - Ja, ja, je wordt al veel beter. Maar maak nu nooit geen ruz;ie meer met dat canaille van hier naast, dat doet een dame niet. - Is zij dan een dame? - Ze doet tenminste alsof en dan ben je het in Indië al lang. - Een mooi land om dame te zijn, waar je aldoor an je beenen moet krabbelen, omdat de muskiete je opeten. Wat je maar dame noemt ... Hij aarzelde even en gooide het over anderen boeg, begon 81 Suikerfreule 6 uit te leggen: - Hier is eigenlijk iedereen mevrouw. Hier tennis je en doe je of je nooit een mattenklopper in de handen hebt gehad. Al hebben de meesten door de mattenklopper hun handigheid in het tennissen geleerd. Je moet hier ook leeren tennissen. We hebben hier een tennisclub. Ken je tennissen? - Hoe kom je derbij ... maar wel mattekloppe. - Je zou me heusch een plezier áoen, als je het ook gauw kon. Mevrouw Brouwers gaf je gisteren geen antwoord, kijk zoo doet nou een dame. Je weet, dat ze die bladeren niet brandt om jou en mij te plagen, maar alleen om ze op te ruimen en de muskieten te verjagen. De bedoeling was om den rook over eigen erf te krijgen. En als je toch wat hadt willen zeggen ... kijk dan zal ik je zeggen hoe een dame dat hier zou hebben gedaan: Mevrouwtje, wat doddig van u om al die nare muskieten van mijn erf te verjagen, er is er géén een meer ... als de wind eens draait, zal ik het voor u ook doen! Begrepen? Mevrouw begreep de ironie ... bouwde met pruimemondje na: "Wat doddig van u, om al die nare muskieten van ons erf te jagen." - Precies, precies, zoo moet je spreken hier. Dan vindt ieder je voornaam ... dàftig. - Nou aan mijn zal 't niet liggen, als ik niet Indisch word, laten we daar nou geen ruzie om maken ... kom eens hier bij me zitten en drink je thee leeg. " Ik wou je wat voorlezen. Ik heb na Holland geschreven, en as die beroerde jongen me niet zoo had laten schrikken, dan kon ik hem zoo wegzenden. Wacht hier is-ie, ... ze hebben me nou zoo lang an me kop leggen zanikke, dat jij een Mina had... nou heb ik ze geschreve .•. hier, waar staat het nou. 0 ja: "Niks als een ouwe leelijke kokkie, die pruimt. Daar zitten jullie nou met je praatjes en ik ben blij dat ik me zelvers in eigen persoon op de hoogte ben gaan stellen ... Overigens een merake1 van een land. De menschen verbeelden zich hier allemaal dat ze deftig benne ..• - Zijn, en als jij dat nou ook maar doen gaat. - Doen ik toch al ... hoor maar ... nee, moet je hooren. Waar ben ik ook weer gebleven ... 0 ja ... hier: "zoo als je aankomt ben je hier mevrouw... en de bedienden zeggen Njonja tegen je. En ruim behuisd dat we :ûjn ... je zal ervan ophooren. Maar de kurkedillen zitten hier zoo maar tegen de wand en het zit vol met andere beesten. We hebben een voorgalerij en daar zitten we altijd. Een binnengalerij ... een achtergalerij, om in te eten, twee groote slaapkamers, in een daarvan woont Schuit en dan nog een logeerkamer. Naast het huis staat een paviljoen, dat is zooveel als een apart villatje, maar kleiner dan ons huis ... en daar woont meneer Nittel. - Maar nou moet je ook zeggen, wie dat zijn. - Da's waar, nou ik mot 'm toch overschrijve en hoor nou: en we houwen een huisknecht, die heet Oessin, en een tuinman voor de tuin en een chauffeur Amat. - Nou, nou, zeg... zeg 1 - Hebbe we 't of hebben we 't niet. En dan een keukenmeid en die heet Kokkie en een baboe voor mijn kamer en voor de wasch. Maar de groote wasch is hier buitenshuis, hoor, bij een Chinees .•. - Zeg jij kan anders opsnijden. - Och as je an je ferrnilie in Holland schrijft d n SOl) je ommers altijd op. En we hou we autos. - Dat ook nog. - Het is toch waar ... "een auto om in te rije, als ik boodschappen doe. En Dirk is een bovenste beste man." He wat zeg je daarvan? "En hij heb het rijk hier ... Als de crisis voorbij is worden er schatten verdiend met de suiker, van daar dat ze ons suikerlords noemen ... - Zoo noemen ze de hoofdadministrateurs, de aandeelhouders, ons toch niet! - Weten zij daar veel! Wij noemen dat daar suikerlords. La me nou even doorleze. "Als me man later administrateur van de plantage wordt, dan zie je mij nog eens als suikerfreule naar Holland komen ... " - Wat is dat voor een ding? - Nou, jij suikerlord en ik .•. suiker-freule. - Maar ik kan nooit administrateur worden. - Dat hoef ik hun toch niet an der neus te hangen, 0 ja waar was ik ook weer. "Suikerfreule naar Holland komen ... We ~itten nou midden in d e schoonmaak"... 0 ja dat zal ik er maar weer afkrabbe, tIen daarom ben ik maar kort. En dat ook .•. "maar je kan aan allemaal zeggen, dat er niks van an was .•. van jullie leelijke praatjes" ... - Zou je dat allemaal nou wel schrijven '? - Als het toch waar is, je doet werachies of het niet waar was. Ze hebben me goeie naam aangerand. - Me goeie naam! Wat kan het je nou schelen wat die menschen daar van je denken ... - Me eigen fermilie. - En dan ... goeie naam. En in HoUand. Kijk eens aan, wat dààr nou zoo heel erg schijnt ... is hier niks. Van der Kooy keek scherp, wat voor uitwerking zijn woorden op haar zouden hebben. D aar was de gelegenheid, waarop hij al lang aanstuurde. Als hij nu doortastte. En omdat de indruk gunstig was en ze als begrijpend knikte, vervolgde hij: - Iedereen heeft hier in zijn jeugd wel eens bruine meisjes aangekeken, dat is hier heel gewoon, we zijn hier breed van opvattingen, hebben hier een anderen maatstaf van fatsoen, zal ik maar zeggen. Zooi ets vinden we zoo erg niet ... En zoo breed moet jij ook worden. Mevrouw zat hem stil vragend aan te kijken. Er kwam zooveel nieuws in Indië tot haar, dat ze dat niet dadelijk verwerken kon. Maar omdat ze de gewoonte had snel te antwoorden, herhaalde ze: - Breed van opvattingen'? Ze kunnen hier zoo breed van opvattingen wezen as ze willen, lllJar daarom sta ik toch niet toe, dat ze iets van jou zeggen. Van een jonge jongen, nou vooruit. Soedaa! Maar ze zeien het van jou, een getrouwde man. Wees dan eens breed. Mijn goeie naam is der toch ook mee gemoeid. En ik ben trotsch, da'k ze dat schrijve kan. Daar ben ik werachies hoofdzakelijk voor naar Indië gekomen. 84 - Och het is of je leven ervan afhangt, wat ze daar van je denken. - Dat is ook zoo. Meer dan ooit voelde Van der Kooy hoe ze nog leefde in dat Hollandsche milieu, waarin ze was groot gebracht. - En je vraagt daar of ik dat zoo heel erg vind? Wat ben jij toch een nare kerel. Het eene oogenblik stel je iemand gerust en het andere jaag je me de stuipen op me lijf. Ik zal ze schrijven wat de waarheid is. Wat andere gedaan hebben, kan me niets schelen. Het gaat hier om jou ••. - Ik bedoel alleen maar, je doet, of je leven van zoo'n kleinigheid afhangt, wat een man vroeger .. . - Zeker hangt je leven ervan af. Zij altijd met hun geklets daar, ik sjeneerde me geregeld. Ik ... Wat's-dat'? Daar he-je de post al, dat is vroeg vanavond. Een postlooper liep het erf op, reikte Van der Kooy een telegram. - Telekram, toewan I XII Betje Van der Kooy schrikt hevig. - Wat zeit-ie? Telegram? Wat ken dat weze? Zeker een dooie. Van der Kooy teekent kalm af, reikt den jongen het reçu en mlakt geen haast het te openen. - Nou maak dan open, je weet nooit wat erin staat. Als alle menschen, die zel~am telegrammen krijgen, kan voor haar een telegram niets anders zijn dan een ongelukstijding. - Och niets ... het zal over een machine-onderdeel zijn, waarom ik getelegrafeerd heb ... - Dat kan je der toch van buiten niet an zien, toe maak nou voort, een telegram, da's over een dooje. Laat kijken nou ... gauw. Tante Mede ken wel dood wezen. Nog denkend aan de mislukking van zijn inleiding van zooeven, maakte Van der Kooy het telegram kalm open, wilde het onverschillig even doorzien, maar bleef dan met groote oogen op de woorden staren. D e aderen zwollen op zijn voorhoofd, hij herlas het nog eens en nog eens en scheen verward naar iets te zoeken. - Nou, vooruit dan I - Wanneer is dat verzonden? vroeg hij, om tijd te winnen. Hij deed alsof hij den datum zocht. Hij zag 10 v.m. schrok nog meer, keek ineens den weg langs ... dan weer op het telegram. - Eh ..• eh ... vrouw, weet je wat we ... - Geen dooje? drong zij angstig aan. - Nee, nee, niks bizonders. Hij deed of het een heel gewoon geval was. Ja, ja zoo moest hij het zeggen. - Niks bizonders, herhaalde hij ... alleen maar, zeg weet je wat we krijgen? Groote parelen zweet stonden op zijn voorhoofd. - Nee, nou wat dan, doe toch niet zoo geheimzinnig, laat lezen. Zij nam hem het telegram uit zijn handen, las het luidop voor: - "Kom vanavond vierhonderd twintig zend wagen station Dolly" . - Ja... hahaha .•. Dat staat er... kom vanavond 4.20, zend wagen station, Dolly. - Wat is dàt nou? Wie is die Dolly? Wat doe je zenuwachtig. Dat is een vrouw! - Ja ja een vrouw ... Een meisje. " We krijgen een logee. - Ja dat schrijft ze, maar wie is die logee? - Zie je, een vrouwelijke logee ••. Goeie got, dat die post het ook zoo laat brengt, het is al over vijven, nu is de wagen niet aan het station geweest. - Wat voor een logee? vraag ik je ..• Wie ... ? 86 - 0, die logee? Van der Kooy aarzelde, zette zijn verlegenheid om in geheimzinnig doen •.. keek eens om zich heen en boog zich dan naar zijn vrouw over, als vertelde hij haar een geheim ... - Dat is Dolly ... - Ja. Ja, maar wie is Dolly? - Een... een... dochter... een vrouwelijke dochter. Van Schuit, zie je? Dat leek hem de beste oplossing .•. voor het oogenblik, nu ze elk moment aan kon komen. - Van Schuit? Heeft die een dochter? Hij heeft me niet eens verteld, dat hij getrouwd was. Weer boog Van der Kooy zich zenuwachtig naar haar over ... - Nee, dat is-ie ook niet ... nooit geweest. " maar dat is, zie je ... een voorkind. - Wat voor een kind? Een voorkind? Ik ken wel achter ... Kinderen wilde ze zeggen, maar ze verbeterde: achterkleinkinderen ... achternichten ... en zelfs nakomertjes, maar voorkinderen? - In Indië heb je ook voorkinderen. - Weer wat nieuws in den Oost ... Wat zijn dat nou weer voor kinderen? - D at is een kind uit zijn jeugd. - D aar heeft-ie me óók niks van verteld. - Dat komt ... dat komt ... Ja, daar had hij het ... Dat komt omdat hij je nog zoo kort kent, dat doet hij niet zoo gauw zie je. Hij schaamt zich er een beetje voor, ja zie je, hij schaamt zich ervoor. Daarom zegt hij dat ook niet tegen iedereen ... heel aardig meisje geworden, achttien geweest. Op kostschool in Soerabaja. Hij zag de groote verbazing op het gezicht van zijn vrouw .. . en om het wat te verduidelijken, praatte hij haastig door ... : - Och dat moet je begrijpen. Vroeger zoo'n soort van liefde gehad met een Inlandsche vrouw. - Schuit? Het leek haar zoo onmogelijk, die goedige, stille Schuit. 87 - Begrijpe ? Ik leer veel begrijpe in den Oost. N ou ben ik een paar weken hier. N iem and die der een mond van tegen me open doet. .. nou heeft Schuit ineens een kind en nou moet je het ineens maar begrijpe ook. Van der Kooy voelde het onwaarschijnlijke. Hoe was hij ook op dien Schuit gekomen. Hij dacht er een oogenblik over, om nu ineens met de waarheid voor den dag te komen, maar een blik op het van eerbare verontrusting druipende gezicht van zijn echtgenoote, deed hem de woorden in den keel besterven .•. Zoo iemand kon je zóèiets nooit zeggen. Nu maar volhouden I En Schuit waarschuwen en dan Dolly dadelijk weer wegzenden. Hoe kon ze nu ook komen, terwijl hij haar geschreven had nog een maand in Soerabaja te blijven, tot zijn vrouw wat gewend zou zijn aan haar nieuwe omgeving. - Ja begrijp je niet? zei hij haastig om de ontstane leemte te vullen in zijn antwoorden. - Die Schuit I - Och, dat moet je zoo erg niet nemen. Hij is een nobele man. Hij heeft voor haar opvoeding gezorgd, hoevelen doen dat heelemaal niet, laten hun kinderen in de kampong opgroeien, trekken zich er niets van a::ln. En waarom hij het niet zei? Van de week zei hij nog tegen me: ... zeg niks aan me ... aan je vrouw, ze is pas uit Holland, ze kent de Indische opvattingen nog niet, de breede opvattingen. In zijn nerveusheid duidde hij het breed met beide armen aan en ging nerveus voort: - D at zei die. En als ze dan langer hier is, meer Indisch ... dan zeggen we het haar. D at zei-die. En doe nou niet gek tegen hem. Hij houdt zooveel van het kind, heeft haar al zoo dikwijls moeten missen. - Zoo! Nu, reeds weer op adem, begon hij meer op zijn gemak te spreken. Met pathos voegde hij eraan toe: - Het is zelfs mooi van hem, dat hij het kind niet in de steek liet, heel mooi, bizonder mooi. Het is nobel. Iedereen vindt het mooi. Wij zijn hier zoo breed van opvattingen. Dat moet jij ook worden. Je 88 moet er hem om achten, en dan ... dan ... je moet ook heel lief tf>gen haar wezen . . . het is een heel lief zacht m eisje. Hij wilde verder pleiten om de ontvangst tenminste dragelijk te doen zijn, maar ze zei ineens: - 0 , zat je daarom daarstraks zoo te draaien ... met je breed van opvattingen. J e dacht zeker aan dat geval van Schuit. - Eh ... eh ... straks? 0 ja, dat was om dat geval van Schuit, ik wilde je voorbereiden. Je moet er niet boos om op hem zijn en ook niet tegen haar. Het is heel nobel, we zijn hier breed van opvattingen. Hij heeft haar opgevoed . Van der Kooy trachtte overtuiging in zijn stem te leggen. - Hoe kom je der bij. Ik ben ook breed van opvattingen, hoor, ik vind het niets meer dan natuurlijk dat hij haar heeft opgevoed, zijn bloedeigen kind. Van der Kooy zat haar met groote oogen aan te kijken! Had hij nu maar. Doch nee, als hij het van zichzelf verteld had. De brief naar Holland lag nog op tafel. Met een dikke inktvlek erop. - Die goeie Schuit, zei zijn vrouw zacht, bijna aangedaan, wat zal hij blij zijn. Ze herlas het telegram nog eens. Vanderkooy, Toeloeng Baroe kom vanavond vierhonderd twintig ... en keek hem scherp aan: - Van der Kóèy, staat er. Hij had het verwacht. - Ja, zei hij als heel gewoon. " dat doet ze altijd ... Schuit per adres Vanderkooy, kost drie woorden meer, he, en het is al duur genoeg, telegrafeeren. - Nou tegenswoordig in Holland anders ook zeg, ik heb nicht Dora in Zaandam toe 'k wegging nog een telegram gezonden. Maar daar komt Schuit al a:)O, wat zal die blij wezen. Natuurlijk zal ik lief voor der zijn. Hoe laat kan ze hier wez;en? - Elk oogenblik, zei Van der Kooy, geschrokken door de nadering van Schuit over àen weg ... Ga jij nou gauw de logeerkamer in orde maken. - Ja ik ga al, een logee, en een vrouw. Ik zit hier zoo alleen tusschen drie mannen. Een vrouw wil ook wel eens vrouwelijke aanspraak hebben. Maar niet met die mevrouw Brouwers. 89 - Maar ga dan toch... Ik zal Schuit wel voorbereiden. Hij zou anders schrikken. Hij schaamt zich, tegenover jou, zie je ... hij is zoo verlegen van aard. - Nu dat hoeft toch niet, za'k 'm direct bewijzen. Schuit! Schuit! een verrassing voor je. Van der Kooy duwde haar bijna de binnengalerij in, maar Schuit was reeds in de voorgalerij gekomen en zij liet zich het mededee1en van de verrassing maar zoo niet ontnemen. Half omgewend, zei ze nog: - Goeie Schuit ... een verrassing voor je ... raai-es, raai-es ... En hierbij zwaaide ze het telegram. - Wat zeg-je'? Een verrassing voor mij '? Het leek hem zoo vreemd ... in zijn eentonige leventje. Een verrassing! Voor hem! - Ga nou, drong Van der Kooy, ik zal het hem wel zeggen. Maar mevrouw wilde 't zelf zeggen. Waar zou die arme Schuit ook verlegen voor moeten zijn. - Je hoeft je niet te schamen, hoor ... ik begrijp veel in den Oost. We hebben hier breede opvattingen. - Ga nou ... het is al halfzes. Zij greep Schuit's hand. - We vinden het nobel van je hoor, ik zal lief voor der wezen. Had je me toch wel eens even kenne zeggen, ik ben toch ook een vrouw van breede opvattingen ... - Maar wat... wat is er '? Schuit stond beteuterd van den een naar de andere te zien .•. - Ze komt dadelijk. Een verrassing, jongen! - Wat ... komt ... dadelijk ... - Je dochter, Schuitje, je dochter •.. Kom, doe nou maar niet net of je van niks weet, we vinden het niks erg, hoor. We vinden het heel gewoon. Blij, goedig lachend bleef ze naar het effect van haar woorden zien ••. Dan had Van der Kooy haar de voorgalerij uitgewerkt. Maak de logeerkamer klaar, of ik doe het! go XIII Onbeholpen, naïef, verbaasd gaapt Schuit Van der Kooy aan, die vuurrood van opwinding uit de binnengalerij terugkeert en in een stoel valt. - Goeie god, wat zegt ze'? Me dochter'? Heb... ik ... een ... dochter? Van der Kooy wenkte angstig af. - Sssscht I en dan zachter: - Ze komt direct. - Wie komt direct, ik weet van niks. Een dochter'? Ik een dochter'? Wat bedoelt ze eigenlijk'? Het kan bijna niet. .• van zoo'n kind. Van der Kooy trekt hem de voorgalerij uit, het erf op, kijkt tegelijk angstig over den weg, of Dolly misschien al niet naderde. - Kerel, zei hij, vijftien jaar lang, bijna zestien jaar hebben we samen gewerkt. - Ja, ja .•. maar van een kind ... daar weet ik niet van. - Vijftien jaar, dat is een half menschenleven. We hebben vreugde en leed samen gedeeld. Wil je me helpen'? Dolly komt. " telegram ... te laat hier om nog wat te zeggen, niet eens de wagen kunnen zenden. Schuit keek verlicht, en tegelijk heel blij op. - 0 Dolly ... jouw dochter! Zeg dat dan. Nou die vindt wel een wagen. Komt ze heuseh? En weet ze het nu? Je vrouw'? - Ze weet nou van een kind, van een dochter, ik heb haar alleen maar gezegd van een dochter. - Nou je heb er toch maar een? - Ja, van een dochter •.. maar om haar niet al te plot5cling op het lijf te vallen, hcb ik maar gezegd, zoolang maar, zie je ... dat het jouw dochter was. Het duurde eenige seconden voor Schuit kon realiseeren, wat wel de bedoeling van die woorden was. Moeilijk herhaalde hij - Jouw dochter was? Mijn dochter was'? Voor zoolang? Maar dat is toch niet zoo? 91 - .Ik h eb het maar gezegd om de situatie te redden. Juist voor Ik het telegram kreeg, poogde ik het haar al te zeggen. Maar ze deed of haar leven ervan afhing. Toen heb ik dát maar gezegd, later helder ik dat allemaal wel weer op. We sturen D olly morgen weer weg ... Hoe kan ze me dat ook aandoen, zoo onverwacht te komen. Schuit, wil Je me nou een dienst doen... mij en mijn arme vrouw? Schuit blijft beteuterd staan. - Jou ... en mijn arme vrouw? - Nee, blijf niet staan, we moeten Dolly tegemoet, loop mee, haar spreken voor ze aankomt. Ze is nu tegen mijn zin gekomen, nu moet ze maar mUd oen ook. Kijk Schuit, doe voor een paar dagen of jij de vader ben. - Maar dat ben ik toch niet? - Je moet doen alsOf je de vader was. - Maar zie ik danrnaar uit? Goedig l aat Schuit zich bekijken ... - Precies kerel... je lijkt sprekend op een vader... Ik bedoel alle vaders lijken op mekaar. Schuit, vijftien jaar hebben we samen gewerkt. 't Moet kerel. - Ja, samen gewerkt. - Je weet Van der Kooy, ik ga voor je door het vuur ... zooals jij het voor mij wel deed, als ik moeilijkheden met de chefs had... mare... een dochter? - Je moet het doen om mij, om mijn vrouw, om Dolly ... om alles. Nu moeten we doorgaan ... mijn vrouw zou . .. het anders besterven, dat geloof ik zeker. En je bent altijd een vader voor Dolly geweest. Schuit keek ongerust op. - Die arme vrouw ... zou ze 't heuseh? Besterven? En ze zei net tegen me, dat ze breed van opvattingen was. - Ja voor jou is ze breed, voor mij zou ze maar zóó smal zijn. Daar komt ze al aan. Doe 't dan om Dolly. Om den hoek van den grijzen weg kwam juist een auto, waaruit een hand blij woof. - Als dat zoo is ... ja voor Dolly. 9~ Van der Kooy wachtte niet meer af, drukte zijn hand zoo vast, dat Schuit blauw van pijn werd, maar toch zijn zin afmaakte: - Ik ga voor je door het vuur, zelfs van het vaderschap. En dan lachte hij luid, omdat hij zijn antwoord zelf mooi vond en omdat hij in zijn hart innig blij was zijn vriend voor het eerst eens een wederdienst te kunnen bewijzen. En om de komst van DoU y. Samen snelden zij den weg op, Schuit stond nog goedig te knikken, .. . toen lenig uit den wagen een meisje sprong, dat met open armen op Van der Kooy toeliep. - Dag goeie lieve vader, dag beste ouwe Schuit. Zeg jullie zijn mooie, hoor, niet eens een wagen te zenden en wat zijn dat voor manieren, om te schrijven nog m aar niet te komen, wou je me weghouden? Nee hoor, ik ben veels te nieuwsgierig om de Hollandsche mama te zien. •• ik denk, nou ga ik hun verrassen. - Ja we zijn wel erg verrast, zei Schuit, terwijl hij zacht haar hand streelde ... erg verrast. Lieve kind. - Maar wat staan jullie daar allebei van Lotje getikt. - Ik van Lotje getikt? vroeg Schuit verbaasd. - En wat een gezicht, vadertje, wat doen jullie ernstig. Van der Kooy vermande zich. Het gaf niets om het uit te stellen. - Kindlief, je had niet moeten komen, zei hij met zacht verwijt, ik heb het je duidelijk geschreven, ik had liever niet d t je kwam. En nu kom je toch. Het is een bIzonder geval ... Een heel moeilijk geval. Hot zal ik het je zeggen. Kijk de zaak zit zoo ... zij, mijn vrouw, de Hollandsche m ma, zooals je zei, 1S nog een echte totok, echte baal'. Pas uit Holl nd. En nu wist ze nog niet dat ik ... zoo'n lieve dochter heb. Ik heb het vroeger niet gezegd ... en nu nog niet. Ik was bang, dat de verrassing, de schok ineens te groot zou zijn. Ze heeft nog 93 zulke echt Hollandsche opvattingen. En kindje wees niet boos, maar nu wilden we net doen ... net doen ... Hij wachtte, keek Schuit aan en dan weer naar zijn dochter. - Wat vadertje, net doen ... wat? - Alsof Schuit... het is maar voor eenige dagen, tot ze je beter kent, alsof Schuit je vader was. Dat was hij toch altijd ook! Over het fijne broru:en geûchtje trok een schaduw, de groote blauwe oogen kregen een droeve uitdrukking, zochten dan verwijtend die van haar vader. - Maar vadertje .. . meen je dat? - Och het is maar voor enkele dagen. Schuit is toch evengoed altijd een vader voor je geweest als ik. Misschien wel meer ... Je had eigenlijk altijd twee vaders. Ik heb je toch geschreven, dat je niet komen zou. Nu kom je toch. Ineens wendde het meisje zich om. Tranen sprongen in haar oogen. Om haar jongen energieken mond kwam een besliste trek. Met resolute schreden ging ze naar de auto terug, en beval om te keeren ... - Poeter! Maar Van der Kooy was al naast haar ••. - Wat ga je doen? - D an ga ik liever dadelijk weer weg. Hij greep haar hand. - Lieve kind, wil je nu niet eenmaal iets voor je vader doen? Ik weet, dat het je niet prettig moet ûjn, maar kind, het is maar voor enkele dagen, voor vandaag alleen, dan mag je desnoods morgen al weer heengaan, of ik bereid er haar vanavond nog op voor. Doe het nu alleen voor mij. Vader en dochter bleven elkaar even aanzien. Ze .zag hoe nerveus angstig haar vader was, hoe de beide mannen daar eigenlijk als stoute kinderen voor haar stonden. Ineens moest ze lachen. Het was toch ook wel grappig, die goeie ouwe vader, die kinderlijke Schuit. En kwam zij niet voor Hans? - Jullie moeten het zelf weten, vooruit dan maar. - Vooruit dan maar, herhaalde Schuit blij .•. laten we dan 94 gauw gaan. En angstig om het vooruitzicht vroeg hij onderweg tweemaal. - Dus ik ben de vader, he? De vader? En jij, wat ben jij? - Ik ben niks ... ik ben Van der Kooy, meer niet ... Weer lachte Dolly triest ... en de beide mannen lachten wrang mee. Maar bij het huis gekomen, aarzelde Dolly toch weer ... - Wat is ze voor iemand, va ... Ze vermeed snel het woord vadertje. - 0, wat een goed mensch, zei Schuit dadelijk, je .zal ûen, wàt een goed mensch. Van der Kooy was blij, dat Schuit voor hem antwoordde. Dan zag deze opeens Dolly's gezichtje betrekken, heel droef worden. Hij nam snel haar hand. Voor hem zou die vader-rol niet moeilijk zijn. Hij was het immers altijd geweest. En de voorgalerij leeg vindende, trok hij haar haastig mee naar ûjn kamer, om de komende waterlanders te drogen en toch even het noodige van zijn nieuwe positie met haar te bepraten. - Komt wel in orde, zei hij zacht, terwijl ze even tegen hem uit snikte. Het is maar voor één dag, hoogstens twee. En hij zette nog eens de situatie uiteen, onhandig, omdat hij die zelf niet begreep. - Het is niks, alleen die kromme Hollandsche begrippen. Ze moet er even inkomen. In Indië. Als ze maar één pikol rijst opheeft. D an is ze Indisch. - Maar dààr moet ik toch niet op wachten. Eet ze veel rijst? Er brak al weer een guitig lachje door de trieste wolk. - Ja ... rijstebrei ... 95 XIV - Vrouw? Vrouwtje'?! Van der Kooy roept het zoo onnatuurlijk vroolijk .•. en tegelijk zoo rauw, dat Betje geschrokken uit de logeerkamer komt aanloopen. Maar hij staat quasi nonchalant met t:.en sigaartje in de voorgalerij, en vraagt heel gewoon: - Laat je nog een versch kopje thee zetten'? Maar als hij ziet dat ze vragend de voorgalerij doorkijkt, vult hij laconiek aan: - 0, zoek je Dolly? Ja, die is gekomen, even bij haar vader in de kamer... och, aandoenlijk oogenblik, elkaar weer in lang niet gezien. Even alleen laten. Ze ..• houden .•.zooveel van elkaar! En meteen van toon veranderend, vervolgt hij: - Maar zeg, doe nou in godsnaam niet gek tegen het arme kind, doe of je alles héél gewoon vindt. Verbaasd keek mevrouw hem aan : - Maar wat dacht je nu eigenlijk wel van me ... da'k ge n ziel in me lijf had? - Ja, he? Het arme schaap, 't is al ongelukkig genoeg, zoo'n situatie ... - Ja, wat een situatie. 't Schaap. Ik zal as een eigen moeder voor der weze, d t is de phcht VJn elke vrou '. - Doe dat. Doe dat ... Aangedaan keek Betje haastig de gang in, naar de kamerdeur van Schuit. - Zijn ze daarbinne? vroeg ze geheimzinnig. Och, wat zal die goeie Schuit blij weze. - 0 ja, die is blij •.. die is heel blij ... die is dolblij ... - D t kan ik me begrijpe ... M ar wat doe je zenuwachtIg, wat sta je te draolie. Ben je niet lekker? Je h rt? - Niet lekker? Waarom zou ik niet lekker zIjn ... heel lekker zelfs. Maar zie je, ik ben Mk heel blij, voor Schuit. Beste goeie kerel. Enne zenuwachtig'? Nee ... ik ... of j1 ... Ik was bang dat jij zoo meteen wat geks zou zeggen. En als je der nou ziet, he, doe dan niet zoo echt Amsterdamsch joviaal . .• Doe als een dame ... Zeg bijvoorbeeld: "Aangenaam kennis te maken," of zoo iets. Dat zeggen ze altijd hier in Indië ... Zet haar op haar gemak, dat ze zich thuis voelt •.• Even zenuwachtig keek Betje op •.. Ze trachtte de woorden aan te voelen, maar meteen ging de deur open •.. De oogen nog vochtig, maar om den mond een gedwongen lach, kwam Dolly achter Schuit naar voren •.. En mevrouw Van der Kooy wilde iets zeggen van aangenaam. Haar lippen bewogen zich. Maar dan breidde zij ineens wijd de armen uit en zei alleen: - Daar he-je der ... kom in mijn armen, kind! Aarzelend keek Dolly even van de een naar den ander. Ze zag voor het eerst de IIvrouw-van-haar-vader". Goedig burgerlijk vrouwtje, maar met iets innig ha rtelijks, iets rond joviaals in den blik. En wijd gespreide armen, die ze, om Dolly's reserve, als in verlegenheid al weer wilde laten zakken. Ze zag haar vader staan met iets hulpeloos in de oogen, dat hem klein maakte. D an schoten er weer tranen in haar oogen. Haastig boog ze zich over naar de armen, die zich naar haar uitstrekten. - Da-ag mevrouw, zei ze met een snik. - Dag kind ... god, maar wat is dàt nou'? Huil je'? De emotie, he? ZÓÓ lang je goeie vader niet gezien! Ze kreeg er nu zelf tranen van in de oogen ... - Welkom in ons huis... 0 ja ... da's waar ook, aangenaàm kennis te màke. Maar meteen keerde ze zich boos naar Van der Kooy. - Zeg, dat slaat nou net als een tang op een varken, jij met je aangenaam kennis te maken. Zoo, kom maar hier, hoor kind, zet je maar op je gemak, doe maar net of je thuis ben, bij je eigen moeder. En niet huilen, meid .•. hier. .. Zeg ... waarom huilt dat kind nou zoo. - De ... de aandoening, raadde Van der Kooy droog. - Ja enne... de situatie, vulde Schuit onhandig aan. Maar nu werd Betje echt boos ... - Wat Beginne jullie 96 97 Suikerfreule 7 11 der nou zellef over? Het arme kind. Trek je der niks van an hoor, wij zijn hier breed van opvattingen. - Ik ga maar liever .•. weer... weg, snikte Dolly ineens droef. - Wat zeg je? Zie jullie wel, leelijke nare mirakels! ... Betje keerde 2;Ïch ernstig boos naar de mannen... daar he je het al .•. nee hoor, je blijft bij ons, ik ben veels te blij, dat je der bent. Ik altijd alleen tusschen enkel mannen! En je vader ook, niewaar Schuit? Maar wat een lieve dochter he-je, Schuit, als ik het zeggen mag, ze keek van de een naar den ander, krek je evenbeeld. Die neus, zelfde mond, zeg kind, wat lijk jij op je vader. Schuit bleef haar met groote ronde oogen aanûen, stotterde dan ... - Krek mijn evenbeeld? - Ja I Maar sprekend. Ik zal maar zeggen, de karaktertrek leit er heelemaal in. Dan schoot Dolly van trancn ineens in een zenuwachtig lachen, die bijna op Schuit dreigde over te slaan, terwijl Van der Kooy haastig een kree liet zakken. Maar Betje zag alleen Dolly lachen. - H a, zie je wel, nou lach je weer. Kijk Schuit, daar lacht ze al weer ... Wij zullen het samen best vinden, meid. Je blijft hier, ik kan wat vrouwelijk gezelschap en hulp best gebruikLn, maar ... wat stane jullie daar all eb i het schaap nou aan te gapen? - Gapen? Gaap ik? vroeg Van der Kooy om zijn eigen stem eens te hooren. - Nee, je gaapt niet, zóó'n mond, zulke ooge, en dat noem je nou iemand op zijn gemak zetten . Zoo Schuit, nou gaan wij je dochter eens naar der kamer brengen. Ze zal ûch wel willen opfrisschen na die reis. Ik heb hem fijn voor je in orde gemaakt enne d:tn ... nee nee, Van der Kooy, jij hoeft niet mee te gaan. Dat kunnen Schuit en ik wel alleen af hoor en d n kan Schuit even bij der blijven, jullie zalle wel heel wat te beprate hebbc, dat kan ik me indenke. Dan komen we strakkies allemaal gezellig in de voorgalerij zitten, bij meka:lr. 98 Van der Kooy aarzelde. - Maar dat gààt toch niet? - Wat gaat niet. - Dat Schuit zoomaar bij der blijft, als ze zich verkleedt. - Wat is dat nou weer, der ei ge v. der niet? En wat he-jij daarmee te make. - Ja, maar hier in Indië gààt dat niet. - Nee, echode Schuit, verlegen, hier in Indië gaat dat niet. - Zoo, gaat dat ook al weer niet in Indië. Nou dan n iet. Ik begrijp niet, Van der Kooy, dat jij niet voelt, dat vader en dochter wel eens alleen willen zijn. Maar wat weet jij nou ook van het v:ldel'schap. Blijf jij nou daar en laat ons maar gaan, ik kom direct terug. Snel schoof ze Dolly en Schuit de gang in. Nog ietwat versuft door de plotselinge emoties zat Van der Kooy te denken. Jonge, jonge wat was dat goed afgeloopen, wat was hij d aar voor het oogenblik doorgerold. En wat had ze het breed opgenomen. Hij had nu spijt het niet van zichzèlf te hebben verteld, heel gladjes voor zijn neus langs, alsof het iets heel gewoons was in Indië. Hlj zag Nittel het erf op komen loopen, ongewoon haastig. - Dolly gekomen? vroeg hij snel. - Ja ze is gekomen, onverwacht, die bliksemsche meid, heeft me daar in een mooi parket gebracht, wil je wel gelooven, dat ik etter en bloed gezweet heb. En bij Nittel in het paviljoen vertelde hij hoe de ontvangst was geweest ... als dochter van Schuit. - Ze heeft het opgenomen, alsof je haar verteld had, dat de aardappelen twee centen waren afgeslagen. Ze is in haar nopjes, blij met vrouwelijk gezelschap. 99 It I,' I - En je vertelt haar nu vanavond natuurlijk dadelijk hoe de vork eigenlijk in de steel zit. - Van... avond... al? Nee, we hebben nu een paar daagjes tijd, ze moeten nu even aan elkaar wennen. - .Neem ~e ?ou niet kwalijk. Hans was verontwaardigd, v?el Je nu met m wat voor een parket je Dolly brengt, dat k~nd daar maar zoo mee te laten liegen ... alleen omdat je zelf met voor de waarheid durft uit te komen. - Ik niet durven, dan heb je het toch heus eh mis. Maar voel je nu niet mee •.. een vrouw die haar geheele Hollandsche leventje heeft opgegeven, die speciaal naar Indië is gekomen om ... - Om de waarheid te hooren. . - Nee, je bent te lang in Indië en te jong om je nog goed 10 haar toestand te verplaatsen. Ze kwam om de zekerheid te he~be~, d.~t al die praatjes daar in Holland leugens waren. FeltehJk ZlJn ze het ook. Ik trouwde pas, toen Marijem allang dood was. Maar van Dolly had ik het moeten zeggen. Het leek me toen zoo onbelangrijk. Maar als ze nu ineens hoort, dat er toch wel iets van waar is ..• Jij kent de vrouwen niet ... en nog minder het kleine milieu, waaruit ze nu regelrecht hierheen komt. Nog eenige weken, dan is ze er boven uitgegroeid. Ik kan het haar misschien al eerder zeggen, maar het goede moment is er nu niet, terwijl ze toch ook weer prachtiae gelegenhei~ krij?t om Do~!y te leeren kennen. Het heele verioop, goed bez1en, 1S werkehJk nog zoo kwaad niet. Alleen... waarom kwam die bliksemsche meid ineens hierheen. Hans begreep iets, deed onschuldig. Voor hem waren vrouwen altijd een groote puzzle geweest. - Ja •.. het leven heeft veel moeilijke dingen. Wat ~egt Dolly? - Ze doet mee. Maar ik heb haar maar heel kort gesproken. Nittel knikte. ... -: Dan zal.het wel goed zijn, ga jij je gang, man, alleen J1J hever dan ik ..: .Daar komt S~huit ook aan ..• Dag papa, neem gauw een pa1tJe voor de schnk, laat me je zelf inschenken. 100 Toen ze later gezamenlijk naar het huis gingen, vonden ze Betje van der Kooy en Dolly ••. gezamenlijk aan de theetafel, in knus gesprek over huishoudelijke dingen. Een zilveren schaterlach van Dolly ging telkens op, ... wanneer Betje haar vertelde van haar eerste Indische impressies. Och, ze had in enkele minuten al zooveel verteld. - Och, lieve kind, je weet niet hoe blij ik ben, eindelijk weer eens met een vrouwelijk wezen te kunnen praten! En nou moet je hier minstens veertien dage blijve, dan leer je me Maleisch ook en ook hoe ik zoo'n beetje Indisch kan worden, he? Me man, wil dat zoo graag. Dien avond stond lang een jonge man aan een vensterbank, waarop een meisje zat, dat hem toefluisterde dat ze alleen om hem te zien naar Toeloeng Baroe was gekomen. XV Reeds den volgenden morgen riep Dolly den klontong het erf op en liet dezen op de treden van de voorgalerij al zijn sarongs en stukken katoen uitstallen. - Kijk eens, babbelde ze leuk. U moet Indisch worden? Wacht, we maken u eens een sarong en kebaja. U zult eens zien hoe aardig het u staan zal. En dan zullen we eens kijken wat .•. ze aarzelde even ... uw man daarvan zeggen zal. Het is maar voor een aardigheid. Hij wil u Indisch! Goed I - Zoo lieve kind, zou je denken? 0 kijk eens hier, da's een mooie, zoo heb ik bij kennissen er een boven de schoorsteen zien hangen ... 101 Ze hield het voor zich uit. - Maar dat is geen echte, zei Dolly, d ze is waarschijnlijk in Holland gedrukt, ik zou liever zoo'n Djokjasche nemen, of anders deze. - Goed, zei ze, goed kind, jij doe maar, ik geef me heelemaal in jou handen, ik moet immers Indisch worden, nou aan mij zal het niet liggen. - O ch, maar dat is maar tijdelijk ... later wil hij u zeker weer ineens Hollandsch hebben. Zoo zijn m:mnen! - Noem het maar tijdelijk, Dirk zegt het me den heelen dag. Ik moet Indisch zus en ik mot Indisch zoo... Ik hoor niet a~ders . Anders sta ik zijn permotie in den weg. En ik mag nog met eens wat zeggen als dat mensch hiernaast me uitrookt. Moest ik daarvoor nou na Indië komen? Ze hoorde toe, hoe Dolly met den klontong ta warde ... telkens tida zei, wat ze zich beijverde met veel nadruk te herhalen, ofschoon ze de prijzen niet had verstaan... Tida ..• tida! ••. En daarbij keek ze zoo kwaad naar den klontong, dat die gedwee eindelijk de sarong voor de helft van den prijs liet, dien hij had gevraagd. - Zie je, ik leer het al. " En wat kost-tie nou? - Negen gulden, het is werkelijk een spotkoopje, mevrouw. - Ja, duur is het niet voor zoo'n stuk goed, en heb je nou een patroon? - Niet noodig, dat naaien we hier dicht ... en dan doet u het om! - Als een zak om me lijf? - Laat u het maal' aan mij over. - Pas op zeg, daar komt Van der Kooy ... hij mlg het pas zien, als ik het aan heb. Van der Kooy kwam haastig van de fabriek aanloopen. - Ik moet met den trein van elven nog naar Soerabaja, deelde hij met nadruk mede, ben morgen weer terug. Ben je er dan nog, Dolly? 102 H ij vroeg het met nadruk. Dolly keek hem aan, zij begreep dat het een moedwillig op gezet reisje was. - Naar Soerabaja? vroeg mevrouw geschrokken. - Ja, ik moet bij Lindetevis zijn, voor een machineonderdeel. - Maar zij gaat toch nog niet weg, welnee kind, ik ben veels te blij dat je hier bent, hoor. Het is of ik je al jare ken. " nee Van der Kooy, Dolly blijft hier, die laat ik nog niet gaan . Die blijft minstens veertien dage logeeren. Wat heeft der vader er anders ook aan gehad ... pas gekomme en nou al weer WE'g ... Van der Kooy ging zich verkleeden. Hij had inderdaad de noodzakelijkheid van een reis naar Soerabaja voorgewend, om tenminste twee dagen te ontkomen aan de benauwenis der verwarring. Zood ra hij heen was, begon de naaimachine te snorren ... - Als hij nu thuis komt, mevrouw, dan zit u in uw sarong en kebaja. Nu stikt u deze naad nog even, dan begin ik de kebaja vast te knippen. Terwijl Dolly knipte, vertelde mevrouw van haar leven in Holland, van haar knusse huisje, van alle familieleden. Ze vergat, dat ze in Indië was en voelde zich bijna voldaan. - Zeg kind, je moest hier blijven, je hebt nu toch je school afgeloopen, . .. het zou zoo gezellig zijn, voor je vader ook. Die goeie stakkerd is altijd zoo alleen. Ik mag hem erg graag. Ijverige man, hoor. Van der Kooy wil je weg hebben, maar dat meent hij zoo niet, weet je, 't is werkelijk een beste man, je kent hem zoo niet. Er trok even een vaag glimlachje om Dolly's lippen, dan zei ze als in gedachten - Nee:ll - Ik zal wel met hem praten, dat je nog wat blijft, alleen houdt een vrouw het hier niet uit. En Nittel zal het ook prettig vinden. - Waarom meneer Nittel? Dolly keek snel op: hoe bedoelde ze dat? Ze zag mevrouw Van der Kooy haar, het hoofd wat schuin, blijven aankij ken. Dan zei deze met iets heel goeds en moederlijks in haar stem: - Denk je, lieve kind, dat ik geen oogen in me hoofd heb '? Dolly boog het hoofd wat dieper. Een felle blos schoot naar haar wangen. - Och lieve kind. Dacht je dat ik niet zag, hoe je meneer Nittel hebt nagezien, vanmorgen toen hij wegreed'? Je keek maar tweemaal, maar een vrouwen oog ziet veel, mijn lieve schat. En als ze het niet ziet, dan voelt ze het. Er kwam een koppig trekje om Dolly's mond. - Ik begrijp niet, waar u op doelt, mevrouw, zei ze kort. Betje aarzelde... Ze bedoelde het zoo goed ••• die plotselinge stugheid deed haar pijn. - Jij keek maar tweemaal Dolly. Weet je hoeveel maal hij zoo heel toevallig omgekeken heeft '? DoU y zag haar even recht aan .•• - Wel zes, wel tien keer! Het werd zoo zacht en innig gezegd, met iets moederlijks, dat Dolly, die zich geen moeder herinnerde, een vreemde, ongekende sensatie beleefde. Er kwam een blijde d rang in haar, iets over Nittel te zeggen, van deze vrouw iets over hem te hooren ... maar dadelijk bedwong zij zich. - Nu nog de mouwen, zei ze alleen. En mevrouw begreep de wenk ..• - Het is me net, zei ze, na een pauze, of ik je al jaren ken, en het is alsof Indië nu ineens een heel ander land is, nu je hier zoo gezellig bij me zit . •. Och ik was daar ook wel altijd alleen, maar ik had toch nog me kennissen ... En as we nou nog kindere hadde gehad . . . Dikwijls heb ik gehuild hoor, halleve nachte lang omdat we geen kinderen h:tdde. W, t is een vrouw die geen kinderen heeft. Maar me m:ln was ook altijd weg. Maar daar komt je vader aan ... Ik mag Schuit ook erg graag. En zeg, je hoeft voor mij nu niet altijd maar bij me te zitten. Als je ook eens wat aan hem hebben wilt, dan zeg je het maar hoor. Nou ik ga vast effe na me ete kijke. En wil je dan ook nog 1°4 eens wat voor me doen'? Ze hebbe me bij de rijsttafel telkens zoo voor de gek ge hou we, allemaal van die brandende dinge laten eten ... Der zijn ommers zooveel dingen bij, die heelemaal niet heet zijn, ken je me daar niet eens mee helpe, da'k tóch rijsttafel mee kan ete, zonder da'k blare op me tong krijg en da'k een gevoel heb, of de vellen aan me lippen hangen! Nee, lach er niet om! Wil je mijn-es helpe daarbij? Dolly's lach schaterde zoo zilver door het huis, dat Hans, die lLlet de juist aangekomen luchtmail een uiterst belangrijken brief uit Den Haag had gekregen, dezen een oogenblik geheel vergat ... opzag en luisteren bleef .•. eerst naar dien lach, dan naar haar stem. Maar dan dook hij gretig weer in den brief, die vele getikte zijden lang was, sprong na het lezen op, liep eenige malen heen en weer, ging nog eens lezen ... stond wéér op en toen hij den brief uit had ... liep hij snel zijn kamer binnen, keek eens in den spiegel, knikte zich verbaasd toe, nam dan een sprong over een stoel, wilde naar voren wippen om daar iets te zeggen, maar hield zijn vaart in de voorgalerij in .•. kneep de lippen stijf toe. - Nee, mondje houden ... niks zeggen. Dien middag aan tafel trachtte hij heel gewoon te doen. Alleen zag Dolly hem nu en dan eens lachen. Ze wist zeker, dat hij niet enkel lachte om de goedige wijze, waarop mevrouw Van der Kooy haar rijsttafel lekker trachtte te vinden. Dien avond"zei Betje als terloops: - Wat een mooie avond, Indië is toch een mooi land. Als het tenminste niet onweert. En ze rilde ... Kom kinderen, weet je wat je nou doen most, ga jullie nou die brief eens voor me in het busje steken. Die ligt hier nou al twee dage, in de consternatie hee1emaal vergeten, dan blijven wij oudjes, niewaar 1°5 Schuit, een beetje rustig bij mekaar zitten. En j hoeft je niet te haaste ... vooruit kindere, ga een laantje om! - Dat is te zeggen, meende Schuit. - Prachtidee, viel Hans onmiddellijk uit ... kom Dolly, dat doen wij . Dolly stond al half op. - Ja maar, zei Schuit, terwijl hij onrustig om zich heen keek ... zal Van der Kooy dat goed vinden? - Wat heeft die daar nou mee te maken. Schuit schrok, maar Nittel redde hem door hoogst verbaasd te vragen: - Ja, wat heeft die er nou mee te maken of wij wandelen? - Nee, da's waar, die heeft er niets mee te maken. - Nou d:m, vóóruit kinderen, wat staan jullie daar nog, daar legt de brief, het is een mooie droge avond, profiteer ervan ... ! XVI Schuit blijft ze nastaren, zooals ze daar 1 ngs den weg in den vallenden schemer verdwijnen. En verbaasd denkt hij voor 't eerst in ûjn leven ... Nittel? Dolly? Dan voelt hij duidelijk, dat mevrouw Van der Kooy naar hem zit te kijken en schrikt wakker uit zijn mijmering. De blik dien hij ontmoet is spottend en tegelijk zacht. - Dacht je niet, he Schuitje? - Wat. .. wat dacht ik niet? - Die twee ... d:lt het een paartje worden zal. Nee man, dat heb jij niet geûen. Dat zie je nu pas. Maar ik zag het dadelijk, ik zag het vanmorgen al. Heb je gezien hoc gelukkig haar oogen straalden, toen ik ze zoo in de gelegenheid stelde eens rustig samen te zijn? 106 - Nee ... zegt hij aarzelend en verûnkt dan in gepeins. Die kleine Dolly? ... Ja het was waar, ze was ook niet klein meer, ze werd vrouw, wat was die tijd snel gegaan. Nittel was dertig. Gek, dat hij het niet eerder had geÛen. En dat Dolly er tegen hem niet over gesproken had. Altijd had ze hem alles gezegd, aan hem alleen, niet eens aan haar vader. En dit niet. J a, ze W.:lS dan zeker heel verliefd. - Zie je, dat is nu het verschil tusschen een vader en een moeder, zei Betje. Daarom heb ik zoo'n medelijden met h et kind, altijd alleen met mannen geweest. " Zoo vroeg haar moeder verloren. Een man kan nooit vader en moeder tegelijk zijn. Je had moeten hertrouwen, Schuit, d an had ze misschien nog een goede moeder gevonden. Schuit schrok. Het kwam op gevaarlijk terrein. Hij wilde liefst alle gesprekken, die op Doll y konden slaan, vermijden. - Ik her •..trouwen ? - Ja natuurlijk. Och beste Schuit, je behoeft je der werachtig niet voor te schamen, voor zoo'n lieve dochter. Een schàt is het. Iedereen zal der mee gezegend worden, zoo'n kind. Ik zit er maar naar te kijken, als je wist hoeveel ik nou al van dat kind hou. Altijd opgewekt, altijd vroolijk, zoo zacht in haar manieren. En d n denk ik, hoe is ze nog zóó geworden, altijd zonder moeder. - Ja ... hoe? - En ik denk, kind ik wou, dat ik je moeder had kenne weze. - Jal Zoo? Denk je dat? Er schoot hem iets door het brein. Was dat nou niet de gelegenheid om ineens alles te zeggen? Maar zou Van der Kooy het willen? Die wou toch eerst dat ze Indischer was .. Breeder v::m opvattingen. Nee, hij durfde toch niet, morgen was Van der Kooy er weer, dan kon hij het hem vertellen, wat zij daar nu had gezegd. En om af te leiden zei hij: - U houdt zeker veel van kinderen. - Ik ben der dol op. Ik heb er zelfs wel eens aan gedacht een kind ààn te nemen, toen er in de Kerksttaat een meisje zonder I07 ouders achterbleef. Maar och, je weet nooit wat je in je huis haalt. En dan Van der Kooy houdt niet van kinderen, zie je. - Zoo? Zoo ... houdt die niet van kinderen? - Nee heelemaal niet ... - Jullie hebben dus nooit kinderen gehad. - Nee, nooit ... maar ... Ze zocht weer een verdediging ..• Ja zie je, Van der Kooy was der ook nooit. - Ja, dat zie ik. - 't Is heel wat als je vrouw bent, en je hebt geen kinderen, en je man altijd afwezig. Een kinderloos echtpaar ûe je, is altijd wat anders dan een gewoon echtpaar. - Dat zal wel zoo zijn, ik kan me dat moeilijk indenken. Snel peinsde hij. Ja, ja, zoo moest hij het nu toch probeeren. En snel zei hij: - Als Van der Koo y nu maar kinderen had gehad! Mevrouw begon te I chen. - Nee toe Schuit, spot er niet mee ... je kan je niet voorstellen wat een vrouw lijdt, die geen kinderen heeft. Jij bent een man. - Ja, ja knikte Schuit overtuigend, ik ben een man, ik ben geen vrouw. Ik kan me zooiets niet voorstellen. Ik wou alleen maar zeggen, nee ik wou niets zeggen. Ik bedoel het anders, ik bedoelde ... hier in Indië heb je gevallen ... ik bedoel, ik ken een geval, dat was nog veel harder, een m:ln die een kind had, en zijn vrouw altijd afwezig! - Dat ben jij .•• Schuit had in zijn verbeelding handig ergens op aan gestuurd, maar het was Betje, die nu precies was, waar ze wezen wilde. Nu ze Dolly had leeren kennen, brandde ze van verlangen te weten, wat voor vrouw de moeder was geweest. - Ik ..• ik ... ? stotterde Schuit verward. - Ja jij ... toe Schuit ... zeg me eens, wat was der moeder voor een vrouw •.. Nee, ik wil je niks vrage, wat je niet vertellen kan, maar ..• - Der moeder? De moeder van DoU y? - Ja, vertel me eens wat van:haar. Maar, hoe kan ik nou ... 108 Hij slikte de woorden weer weg. Wat moest hij nu zeggen ... Hij had de moeder van Dolly nooit gezien of geken~. ~ie was dood lang voor hij Van der Kooy ontmoette . .Hl} g.lOg nu door voor den vader en zou moeten vertellen ... hoe die moeder er uit zag. _ Die moeder? herhaalde hij als om tijd te winnen. _ Ja, was ze ook zoo blank als Dolly ••. of was ze zoo zwart als dat mensch van hiernaast? _ Die moeder? D ar ... d:lt weet ik niet, dat ben ik vergeten. Terwijl hij het zei, voelde hij de onhandigheid. - Wat zeg-je? Ben je dat vergèten? _ D at beteekent, ik weet het natuurlijk wel, maar ... het is al zoo lang geleden .•. ik weet 't alleen nog maar vaag. - Wat zeg je daar? Nee, maar, wat zijn jullie mannen toch krengen, alleen nog maar vaag. Je moest je schamen, een vrouw, waar je een kind bij hebt en dan niet meer weten? Ze zag de hulpeloosheid in zijn oogen. Hij scheen op te willen staan. Ze nam zijn hand, hield hem terug. - Nee, je wilt zeker liever niets zeggen, he, toe blijf nou bij me zitten, zeg me nou alleen maar, was ze een zwarte? . Schuit putte met wanhopige energie in zijn te arme fantaSie. Hij wist geen uitweg ... - Een zwarte? Nou .•. laat es kijken? Of ze? Was ze? - Weet je dat óók niet meer? - Jawel, jawel, zei hij haastig, jawel maar ik weet niet of ik . het zeggen mag, of ik. . . - Zeg maar gerust hoor, wij zijn hier breed van opvattlOgen in Indië. Dus was het geen zwarte? - Eh eh, zoo tusschen beide, zal ik maar zeggen. Ja zoo tusschen beide. Uit de Preanger, daar zijn ze blanker, dan hier. Schuit vond dat hij zich daar aardig had uitgered .•. Die Preanger was een vondst. Daar wàren veel vrouwen bijna bla?k, in ieder geval ook van mooier ras. En omdat er even een suite viel, meende hij die te moeten aanvullen met een verhaal. - Ja zie je in Indië heb je veel kleuren ... Je hebt heel donlOg kere vrouwen, heel lichte. Die vrouwen uit de Preanger zijn heel mooi. Eens is er een met een generaal getrouwd. Maar ze heeft niet lang geleefd. Die vrouw bedoel ik. Maar die generaal wel en die is nog veel malen getrouwd. Hij had vier soorten kinderen, eerst van die Soendaneesche, toen drie van twee Hollandsche vrouwen, en toen nog kinderen van een ehineesche. - Wat een blauwbaard, wat griezelig ••. vier soorten kinderen. Maar is Dolly dan van zoo'n Preangersche '? - Ja, die zijn erg blank. Schuit zat zijn gesternte te danken, dat Van der Kooy niet in de buurt was, hij liep kans den heel en boel te bederven, als hij al te zeer in details trad. - Ja dat kan je zien, beaamde mevrouw beslist, want zoo te ûen zou je werachies niet zeggen dat ze Indisch bloed in der aderen had. Ze heeft ook het meeste van der vader gekregen, krek je evenbeeld, Schuit. Die blauwe oogen ... - Krek mijn ... evenbeeld? Ja, ja, dat zeggen ze meer. - Enne, die moeder, wa r is ze '? - Eh eh ... die moeder'? Hij zat te piekeren waar die moeder nu weer kon zijn, en of hij het wel mocht zeggen, dat ze allang dood was. Nam dan een gedecideerd besluit, om er finaal af te zijn: - Bij de geboorte gestorven. - Kassian, zei mevrouw. 't Arme menseh. Je hebt haar toch christelijk laten begraven '? Nou dat weer I - Ja ja, zei hij snel ... heel christelijk, met een dominee derbij. Wat waren de vragen van een vrouw toch gecompliceerd. - Waar is ze begraven? Hier in de buurt '? Wèèr wat! Schuit's h:\ren rez;en te erge. Waar was die moeder nou in hemelsnaam begraven, waar kon zoo'n vrouw nou begraven zijn? - In Bandoeng, zei hij, snel een buitenplaats opnoemende. Mevrouw zat even te peinzen over dat arme eenzame graf in Bandoeng. Schuit meende al dat het gesprek afgeloopen was, nu ze zoo precies alles wist en hoopte in stilte dal de IlO jongelui spoedig terug zouden komen, om over itts anders te praten. Maar meteen kwam een nieuwe vraag: - En heb je Dolly toen laten echten '? - Laten wàt? 0, ja ... ik heb er laten echten, echt laten echten ... wat zal je anders doen. - Da's netjes van je Schuit, heel netjes. Dat zei Van der Kooy ook al tegen me, 't is heel netjes van Schuit. - Zoo, zei Schuit droog, zei hij dat?1 - Ja, dat zei hij, en hij zei dat je der zoo'n goeie opvoeding heb laten geven ook. Nou dat kan 'k wel zien. Alleen je hadt beter gedaan nog eens te trouwen, dan had ze een moeder gehad. - Ja, maar dat kind ... zie je ... Daarom deed ik het niet. D at zou een andere vrouw misschien niet hebben willen erkennen. Nu kwam hij goed terecht. - En z;e zijn hier ZOO breed van opvattingen . . . Net of dat nou erg is. Het was toch voor je der kende. - Ja maar ... als ik nou een Hollandsche vrouw had genomen, polste hij nu slim. - Nou, die kon er toch niks tegen hebben. Een vrouw, die het daarop af zou late springen was geen knip voor der neus waard. En ze knipte zoo heftig met de vingers, dat Schuit geschrokken zijn neus wegtrok. - M aar je heb eer van je dochter, dat moet ik zeggen. Een schat van een meissie. En omdat ze zag, dat Schuit zoekend den weg langs keek, vervolgt dez;e : - Laat die twee nou ... wie weet, wat ze mek:lar te zeggen hebben en ik zal je wat vertellen, het mag nou niet prettig voor je wezen, om dadelijk je dochter te verliezen ... maar je zal voor je kind altijd nog zoo' n jongen vinden, zeg. Laat mij nou der moeder eens even wezen, dan zou ik zeggen, ûet dat je'm houdt. De man ne legge tegeswoordig ook niet zoo dik gezaaid. En ik 2<11 je wat vertellen. Ik zie jou dan nog eens grootvader ook. - Ik ... ik ... ik ... grootvader '? III - Ja da's nou eenmaal voorbeschikking, eerst vader, dan grootvader. Opa Schuit, klinkt toch goed? Maar zeg, as die twee eenmaal getrou.wd zijn en der zoo'n lekker doddepoessie van een kleintje komt, mag ik het dan bakeren? Och ze zijn zoo lief, die diertjes. Ik zie jou al met zoo iets op je schoot! - Nou ... dat beloof ik, zei Schuit, terwijl hij op zijn horloge zag en opstond, dat kan ik je nou alvast beloven. Als er zoo'n doddepoessie van een kleintje komt ... dan mag jij me kleinkind bakeren. Haastig ging hij heen, liet haar alleen in stil zoete overpeinzingen, wiegend met de schoot en de armen. In zijn slaapkamer hoorde hij hoe ze een wiegeliedje neuriede. En hij dacht eraan, hoe hij die eens voor Dolly zong, hoe hij haar op zijn schoot hield tot ze insliep met beertje in de armen. En er kwamen tranen in zijn oogen bij de herinnering aan dien mooien verren tijd. Zou dat nog ooit terugkeeren? Terwijl in stil laantje, niet ver vandaar, onder donkere ketapan twee jonge menschen dicht aaneen stonden, een rank klein meisje en een slanke jonge man, die zich moest neerbuigen om haar te kussen. En toen zij speels zich aan zijn borst nog kleiner maakte, haar ineens opnam, hoog in zijn armen hield, en den mond en de armen kussen bleef, tot zij moe, niet meer poogde zich los te maken en zacht met de handen door zijn bruine haren streek. - Weet je wel, dat ik al jaren op je verliefd ben geweest, Dolly, zei hij, als een bekentenis, toen ze langzaam naar huis terug liepen. Al toen je nog zoo'n klein meisje van zestien was. Zij dacht het zich eerst even in, kon het nog moeilijk begrijpen ... en zei dan, ook als eerlijke bekentenis: - En weet jij, dat ik heelemaal niet verliefd was op jou. En toch,... misschien ook wel. Ik vond je zoo groot en zoo mannelijk. Maar toen ik een meisje van zestien was en je hier in de vacantie ontmoette, vond ik je heusch .•. toch een ouden man. Bijna even lief als die goeie trouwe Schuit. - Je tijdelijke vader. - In ieder geval mijn echte tweede vader. Maar ik moet je nog wat zeggen, ik begreep heusch niet, dat ik werkelijk verliefd op je was. En nog minder jij op mij. Als kind zoende je me dikwijls. En ik vond dat prettig .•. De laatste jaren heb je het heelemaal niet meer gedaan. En toen je mij daar in Soerabaja ineens zoo heel anders kuste, werd ik ineens heel koud en toen heel warm. Ik voelde me duizelig, ik had zoo wel heel stil in een hoekje willen kruipen en heel hard huilen. En het was toch ook zoo héél prettig ... En ze drong zich heel dicht tegen hem aan. - Mag ik nu alles tegen je zeggen wat ik denk? Precies zooals ik het denk? Haar stem werd zacht en diep: - Nu geloof ik, dat ik altijd op je verliefd ben geweest, altijd ••. maar dat ik het niet geweten heb. Ik vond alle jongelui pas knap als ze .•. op jou leken. - Mijn kleine zoete Dolly ... Wat ben je lief als je zoo nieuwsgierig naar me opkijkt ... Doe het nog eens, nee het is te lief, die groote zoekende vragende oogen, kijk die maan eens boven die bergen, heb je ooit zóó'n maan gezien, zoo groot, zoo hee1emaal van goud. Stil, stil ... ik geloof dat ik poëtisch worden zou... terwijl ik juist zoo heel zakelijk zijn moet nu. - Jij zakelijk? Waarom nu? - Dat vertel ik je toch nog niet en dan bovendien ... 't is over de onderneming. - Zeg het d an nog maar niet, Hans, jongen. 't Zal wel alles heel goed zijn bij en met jou. Gek, ik was zoo verdrietig onder alles en nu kan me alles ineens niets meer schelen, maar ook heelemaal niet meer. Want jij bent er. Jij bent er, jij! En de... maan... Hij kijkt naar je. Alles is nu zoo goed, Hans, alles is nu zoo heel goed. II2 Suikerfreule 8 Uit het huis van Jhr. van Wielandt klonk door den stillen nacht radiomuziek. Moderne jasz uitgezonden door Holland. In Hans' armen wiegde zij een paar maten mee en lachte. ~ls die arme Van Wielandt die altijd zoo verliefd keek, eens Wist dat ze met H ans nu danste, op zijn muziek. XVII Van Wielandt loopt driftig heen en weer. Hij heeft ellendig geslapen, na een moordende migraine den gJ?schen vorigen dJg. 's Morgens, toen hij op het punt stond Zich te kl~eden voor een bezoek bij de Van del' Kooy's, was de luchtm::ul gekomen met dien brief. Juist nu hij op het punt stond in ieder gevJl 't volgend jJ::Ir redelijke tantièmes te maken, nu riepen ze hem naar Den Haag. Aandeelhoudersvergadering, ontevredenheid, crisis. M en was niet tevreden met het rendement. De oogst, hoezeer ook reeds ingekrompen vanwege het beperkte. afzetgebied, W:lS onder de verwachtingen gebleven en opmeuw beneden vroegere, ook al niet gunstiger resultaten. Kon hij het helpen, dolt Japan nu ook suiker maakte? Zijn vertrek h:ld tenminste ecn goede zijde z;ijn gezondheid. In vijf jaar niet in Europa geweest. DJt l1ad je met die kleine mJatschappijtjes. En de aandeelhouders een drukte of ze de H.V.A. w ren. lIet was goed, d. t hij het ze daar in D en HJag eens persoonlijk onder de oogen kon brengen. - Dat hij bijna nooit op de onderneming was, durfden ze te schrijven, en alles aan Nittel hJd overgelaten, en dezen toch ook weer nooit voldoende de vrije h.:ll1d liet. Dat w.'s nota bene de indruk, dien Van Rentighem de presidentcommissaris hJd gekregen, die hier drie dagen had rond- II4 geboemeld, bij hem hJd gelogeerd, zijn wijn had gedronken, aan zijn tafel had gegeten en die hem nu daar in Den H aag had beklad. M aar hij zou ze te woord staan in D en Haag en zijn zuster ook, die toch de grootste aandeelhoudster was en hem d e hand boven het hoofd had moeten houden! Een rietproductie van 1376 quintalen per H.A. was geen slecht resultaat. Vermalen waren 48 H.A. en de suikerproductie (kristal) was 174.15 per H.A. Wie deed het beter? Allemaal ergernis over de crisis. En hij zou het dien Nittel zeggen ook. Driftig sloeg hij op tJfe!. Hem zeggen, dat hij een dienstklopper was, en daardoor had geprobeerd bij de directie een wit voetje te krijgen, om een ander een beentje te lichten. Of beter ... nee niets zeggen, Nittcl kon wel grof worden. En dat was fataal. Net doen of hij, ja hem niet het pleûer gunnen, net doen of hij zelf ontslag had gevraJgd, en of hij, Van Wielandt, dien Nitlel zelf ::lanstelde. Waarnemend ad ministrateur! Phh, nogal een figuur om w.1arnemend admini trateur te zijn. Dat had je erV~lJ1, ::lIs je goeie krachten kweekte. Dan zat hij voor zich uit te ûen, naar de Boeddhabeelden, de gebeeldhouwde Chineesche stoelen die hij in zijn verzameling had. Daar stonden eeuwen ••. De toekomst behoort aan de jeugd, had zijn zuster geschreven. Wat nu met Dolly? ... Van der Kooy, die niet wilde. Die hem bij een officieel aanzoek gewoonweg met een kluitje in het riet h d gezonden, dat zijn dingen die u mJJr met haar zelf moet uitmaken. Te jong ... Eerst nog verder 1eeren. Wat had een vrouw te leeren. HJar mee naar Holland nemen? ••• Hij was nog jong genoeg, begon pas te leven. Vijf en veertig ... En zij toch al bijna negentien. Inlandsche Vlouwen trouwden soms op hun tWJalfde. Net een kindje voor hem. Om zelf weer jong te wordcn. Ja de toekomst hoorde aan de jeugd. Alleen, ze keek hem niet aan. Alle pogingen tot toenadering lict ze bij z;ich neerglijden. Heel vriendelijk en charmant. Op een amoul'etje liet ze zich zeker niet in. Maar als hij nu eens direct met een huwelijksaanzoek kwam. Voor iemand II5 ·r - 11 iets wist van zijn ontslag. Een man met zijn positie, oude adel. En zelfs nu nog goed gefortuneerd ... Van der Kooy was gisteren naar Soerabaja gegaan. Mooie gelegenheid Dolly nu eens een bezoekje te brengen. Ten minste als dat nare mensch er niet bij zat. Waarom was hij gisteren al niet gegaan'? Dat geheugen in Indië. Maar nu zou hij gaan ... dadelijk gaan ... En spijkers met koppen slaan. Dat kleine nest deed of ze nooit iets merkte. Spijkers met koppen I ! ! Onder het aankleeden zei hij zich de woorden precies voor, zooals hij die aan Dolly zeggen wou. Altijd liefgehad. Liefde op het eerste gezicht.. . onuitwischbare indruk bij elk bezoek. Hij strikte de butterfly met zorg, keek in den spiegel naar het effect op shantoeng pak, legde de weinige haren zorgvuldig over den schedel, bekeek zich nog eens, poederde zich na scheren nog eens extra. Wie zou nu zeggen dat hij al vijf en veertig was ... veertig hoogstens. Dan zat hij even te rusten, half buiten adem zich in te denken. Dolly zijn vrouw. Dat jonge slanke kind, zijn vrouw! Haar de liefde leeren. Zoo'n kind, wat wist dat eigenlijk van liefde. Een jong vrouwtje maakte jong. Zelf weer l:eelemaal j0Il:g. Een huwelijksreis;e naar Holland, van Genua leuk door ZWItserland, eerst de Riviera ... of ook via Amerika. Wat zou dat kind een oogen opzetten. Leuk zoo'n kind alles te Ieeren en 't laten zien. Kurzalen, concerten, leuke intieme hotelkamers ... Dat was toch nog wat anders dan het leven hier in een woning die hij zich toch eigenlijk veel t: groot had 1 ten bo~we~~ om zijn Indische collectie een plaatsje te geven, en waann hiJ zich nu verveelde. De grootheid VJn administrateurs was sinds de malaise toch voorbij. Die employés begrepen el' de schoonheid toch niet van. Als ze zich van zijn veertiendaagsche avondfeestjes onttrekken konden deden ze dat geregeld. Ja, nu dadelijk gaan. Wat had hij nu ook weer vergeten, dat geheugen in Indië, die verdemde hette, een zakdoek? Nee, het was iets anders ..• II6 o ja, die bloemen, waar bleef de jongen er nu weer mee, passiebloemen, toepasselijk. - Djongosl - Ziezoo, die is klaar, zei Dolly, terwijl ze de kebaja voor zich uit hield, die gaan we u nu dadelijk even aantrekken, en dan zullen we eens zien, hoe Indisch u er ineens uitziet en hoe prettig va - ze verbeterde snel - en Van der Kooy dat vinden zal, als hij u ineens in sarong en kebaja ziet. - Zou je denken, me lieve kind? - U zult eens zien. En uw haar moet u ook anders doen, ik zal u wel helpen, kijk net als ik. Wat heeft u nog een mooi haar, heelem:lal niet grijs, wacht, kom maar mee ... Samen gingen ze naar de slaapkamer. Dan klonk in de voorgalerij een voornaam, fijn: - Sèpèdèl En toen er niemand kwam, nog eens, nu hooge I' : - Sèpèdè!!l De jongen kwam naar voren. Tegelijk met hem Dolly. Zij had de kabajaspelden vergeten. - 0 ... is u het, meneer Van Wie1andt. - Dag juffrouw Dolly, hoe maèkt u het, allerleukst je weer hier te zien. Ik hoorde van Van der Kooy, dat je gekomen was. Zou gisteren al zijn :langeloopen, maèr zoo'n affreuse migraine. - Ja, dat is vreeselijk. - Maar je ziet er petent uit... schitterend, elke keer dat je komt, denk ik dède1ijk, het is het eerste wat ik dan denk ..• nu is die juffrouw Dolly weer mooier geworden. - Kwam u om vader'? viel ze zacht in. D ie is naar Soerabaja. - Nee, dat weet ik. Hij is er voor die molen. Uw vader gaat heelemaal in molens op. Die loopt gewoonweg met molentjes. .. heelemaal naar Soerabaja... hihihihihi. Omdat Dolly niet meelachte, excuseerde hij snel: 117 - H et is maar een aèrdigheid, een grappige woordspeling, molens, molentjes. Een petente vent heur. Ik mag hem grèg. Maar ik kwam . .. ik kwam ... ja ja feitelijk kwam ik om u een bezoekje te brengen. - En dat op zoo ongelegen oogenblik, heb het juist ontzettend druk met iets. - 0 perdon . .. mag ik weten? - Nee, vrouwengeheimen, dat m<.!g u niet weten, lachte ze jolig en bleef dan zwijgen ... Uit het veld geslagen bleef Van Wielandt staan. In de hand hield hij de groote bos passiebloemen. Om iets te zeggen en de ineens pijnlijke stilte te breken, vroeg hij: - Is ... is... mevrouw er niet '? - Zooals u ziet. Ze is bezig met haar toilet. - Alweer met haar toilet. Maar dat treft ook weer petent, ik ben blij dat ik u alleen tref, ik ben heel blij. - D an ben ik blij, dat u blij bent. Hij keek haar aan. Hield ze hem nu wéér voor den gek'? Hij werd een oogenblik kriegel. Dat zou hij haar wel afleeren, als ze eenmaal getrouwd waren. Om het gesprek weer op dreef te brengen zei hij, na eenige aarzeling: - Wat was het weer affreus wèrm vennaecht. - Niets van gemerkt, ik heb heerlijk geslapen. - En heeft u dan den regen niet geheurd '? - Ook niet gehoord, als ik het kussen zie, sl.lap ik. - De jeugd! Maer nu is het gelukkig weer droog .•. - Ja, zei Dolly en keek naar buiten, heelemaal droog. - Meg ik er even bij gaen zitten, of is u zeer gepresseerd '? - 0 éven heb ik wel tijd, ... waar kan ik u mee helpen? - Nou heel grJag, apropos, \'Vat wilde ik ook weer zee-gen, dat geheugen in Indië. " 0 ja, maar det i 'curig hoor. - Wat is keurig. - Die jurk, staat je petent, petent heur. Zoo lief, zoo jong, zoo ... - Maar dat is een strand-pyama. Weet u het verschil niet tusschen een jurk en een pyama! Stijl Juan les Pins. IIS - Jawel. Hij zat even te denken aan de Rivièra ... met haar aan het strand en in zulke pyama's. Het gesprek stokte even. D an hielp ze, zijn verlegenheid ziende, hem zèlf. Met een fijn lachje, dat iets spottends had, maar hem een aanmoediging scheen, vroeg ze: - Had u een boodschap '? - Een boodschap'? Ja, ook eigenlijk niet heelemaal. - Wil ik u eens helpen '? En zij wees hem de bloemen, die hij in de hand hield . - 0 ja det is waer, die bloemen, mooie bloemen nietwaer, passiefleurs, passiebloemen. Ik dacht, die zei ik even aan Doll y brengen, ik dacht. .. die passen zoo bij haer. Ik moet altijd aan deze bloemen denken, als ik u zie, daarom liet ik ze ook kweeken; die mooie blauwe oogen. Allerliefst. - Blij dat ze u bevallen. - M ag ik je die geven ..• nee toe, houd u je kopje nu eens even naast die bloemen, een schilderij . Ik heb u nog nooit zoo aanbiddelijk gezien. Wat zou u een fureure maken in Holland, exotische bloem in het kille Noorden. Zou u niet graèg Holland eens zien? Dolgraag, maar vader .!;egt, dat dit voor veel later is, veel later. - En Londen en P.lrijs en Zwitserland. U op een Zwitsersche berg zoo midden in de sneeuw. - Ik zou dadelijk kouvatten, denk ik. - Maar ik zou je heel warm inpakken, kind, prachtig bont. - U? Zij lachte hoog en schaterend. Dat zou ik toch heusch wel eens willen zien, hoe u iemand inpakte. En weet u, bont 1 duur, verleden jaar is een vriendin van mij na, r Holland gegaan, midden in den winter. Haar vader heeft haar in Marseille toen een bontmantel gekocht van vierhonderd gulden. Mijn vader zou daar geen oogenblik aan denken. En ik ook niet. Wij blijven nog vijf jaar hier, dan gaan wij Holland eens zien, zegt vader. - Maar a s ... ik nu eens naar Holland ging. lIg - Wat zegt u? Gaat u naar Holland 1 - Ja ... ik denk er hard over. Het wordt tijd dilt ik eens repatrieer, die hitte heeft 't me weer aangedaan. Je hersens smelten weg. Je wordt hier absoluut kindsch. Heeft u dat ook wel eens? - U bent niet complimenteus: of ik kindsch word? - Zoo bedoelde ik het toch niet. Je hebt alleen het gevoel of je het zou worden en daarom en ook andere redenen. Heelemaal entre nous, he, want u bent de eerste die ik het zeg ... een kleine affaire met de directie in Holland, die zich echter dadelijk oplost, als ik er even zelf ben. Die moet natuurlijk de aandeelhouders zoet houden. En dan die bevolking tegenwoordig I Ze houden liever communistische vergaderingen dan te geulen en ploegen. En het is altijd weer de schuld van den administrateur. 0 die directies in Holland, die moesten onder curateele gesteld worden, mijn zuster en zwager net zoo goed als de anderen. Mij ter verantweurding roepen, maar het kan me geen ûer bommen. Geen zier, ik ben binnen. Ik ga wat reizen door de wereld en Nittel kan het vuile zaakje verder opknappen. Ze denken toch met dat zoo'n idioot als een Nittel het beter lapt? Dolly kreeg een schok. Een schok van vreugde en tegelijk een van boosheid. Maar de eerste veel sterker dan de tweede. - Nütel? herhaalde ze zacht. Moet die hier? .. Hij knikte: - Ja wat zegt u ervan, waar halen ze de dwaasheid vandaan. Ondanks de blijdschap, die haar doorschokte, kon zij toch niet verdragen, wat hij nu van Hans had gezegd. - En vindt u meneer Nittel een idioot? Hij begreep de strekking van haar vraag niet: - Ebsoluut, heelemaal een man van de theorie, bovendIen een verkdpte ethicus, gaet gotdorie met Inlanders om alsof het wezenlijke menschen zijn, stel je veur. Dat is het beste wat je kunt doen om een suikerfabriek na er den blIksem te helpen. En nou schrijven ze mij, hem tot waarnemend administrateur te benoemen, ja kijkt u maar niet zoo verbaesd, je I:iaO staet voor de gekste dingen tegenwoordig. Moeten zij weten I Ik ga reizen. Maar apropos ..• hij merkte ineens dat hij meer had gezegd, dan hij oorspronkelijk van plan was... spreek er met niemand ove-, ik had hem eigenlijk morgen al bij me willen roepen, maer ik dacht, ik ga eerst even naar Dolly, het blijde nieuws mededeelen. Houdt u van reizen, juffrouw Dolly? - Ik ben er dol op. - Ik ook! Mijn ideaal is altijd geweest met een lief vrouwtje de wereld door te trekken. Maar dat werk heeft me altijd hier gehouden, nooit gelegenheid gehad dames te leeren kennen en nu ... nu ... hoopte ik ... Hij viel over zijn woorden ... Dolly nam snel de bloemen op: - Maar wat een heerlijke kleuren hebben uw bloemen. Je kal! zien, dat ze met toewijding gekweekt zijn. - Met meer dan toewijding ... Liefde, juffrouw Dolly ... - Dolly!?! Op ûjn Dolly was dadelijk een ander "Dolly" gevolgd, komende uit de slaapkamer ... Verbaasd keek hij om. - Er is hier een echo geloof ik, hoorde je dat, Dolly? - Dolly? klonk weer de stem. Zeg toe heli ep me effet;es, der zitte geen knoopies an de kebaja. Hoe moet zoo'n ding dicht en breng me eaudeklonjeflesch;e ook effet;es mee, ik staan hier nakend. Over Van Wielandt's gezicht kwam een trek van afgrijzen. - Ze staat. .. naekend. Goeie god. Het is mevrouw. En ze staet ... wat een zegen dat er kleeren zijn uitgevonden. - Mag ik even? zei Dolly snel en reikte hem de hand, ze heeft me noodig, maar komt u een andermaal nog eens aanloopen, we vinden het altijd erg gezellig als u komt. - Ja maer, ... ik had u nog, ik wilde je iets zeggen. - Komt u dan een andermaal eens langs. Jhr van Wielandt aarzelde. Hij voelde de afwijzing, en I~I I i ! ! I, I I i I I I· I wilde die tegelijk niet voelen. De dochter van een ondergeschikte •.. - M aere .• . ik ben wat nerveus. En dat geheugen in Indië, je kunt je gedachten niet bij elkaar houden met die hette. M aar wacht, ja ik wil het je schrijven. Moet je serieus lezen. D an ga ik nu maer, anders ... Dag juffrouw Dolly. Hij nam haar hand, deed een mislukt-elegante poging die te kussen, omdat ze die haastig wegtrek. - D ag meneer Van Wielandt, tot ziens. Er was een tragisch-vragende blik in zijn oogen, die deze iets zwenunerigs gaven. Zij lachte hem vriendelijk toe. Maar in de gang zei ze zacht: Dàg idioot ... En bleef ontdaan even staan ••• Die H ans ... dus dàt was zijn geheim .•. en hij had niets gezegd! XVIII In de slaapkamer vindt zij mevrouw Van der Kooy op zijn Indisch. Die ziet cr zoo koddig uit, met de sarong als een zak sa3mgebonden om de heupen, de armen ongelukkig uitges rekt in de kebaja, dat Dolly buiten. dem V3n het lachen op een stoel valt en pas na eenige minuten in staat is haar te helpen. - Ben ik cr gek in, dat je zoo lacht? Mevrouw yan der Kooy keek nu w rkelijk bits en was op het punt, toen de lachbUI niet indigde, de kebaja weer uit te gooien. - Ne(', nee, neemt u me heusch niet kwalijk, u hebt het zoo koddig aangetrokken, alles zit verkeerd, ik zal u dadelijk helpen? Zoo, nu gaat het al weer. Maar wat heeft u eronder? Een rok? Nee een onderrok. - Maar mijn lieve mevrouw, die draag je er niet onder. En u heeft er nog meer onder, een corset. Weer begon Dolly te schateren. Nu lachte mevrouw zelfs mee. Maar dadelijk hernam ze: - Je wilt toch niet zeggen, me kind, dat je niks onder zoo'n lap dragen moet, nee daar denk ik niet aan, wat een onzedelijk land, nee zóó Indisch ben ik nog niet hoor. Eén rok hou ik er zeker onder. Dolly was te zeer vervuld van het nieuws, dat Jhr. van Wielandt haar had verteld, dat het haar eigenlijk totaal onverschillig liet, wat mevrouw Van der Kooy er wel of niet onder droeg. Zij begon de sarong eng om de breede heupen te plooien, legde de band strak om de taille, spelde dan de kebaja dicht, en trad een paar schreden achteruit om het effect te bezien. Het was werkelijk frappant. Zij was er een andere vrouw in. - Mevrouwtje, nu is u een echte Indische Njonja, loopt u nu zoo eens naar de keuken, u zult eellS zien wat een respect de bedienden dadelijk voor uh bben. Mevrouw bekeek zich zelf in:den spiegel. Het was een critische blik, die lang onderzocht. - As ik het voor 't zeggen heb, neem me niet kwalijk kindlief, het staat me wel he? En wat had nou meneer Van Wielandt weer? Die was er toch? - 0 niets, ... die kwam een bezoek brengen, maar ik zei hem, dat hij ongelegen kwam, mag ik u nu even alleen laten? I I i I I i I I I I I I Dolly brandde van verlangen om Hans te ontmoeten. Zoo'n jongen ... zóó iets belangrijks te weten en het niet te zeggen. Snel liep zij naar voren en keek dan om den hoek der voorgalerij, naar het paviljoen. Hij was er niet. M lar daar zag ze hem juist van de fabril!k komen en het erf oversteken. Toen hij haar zag, liep hij sneller, trok haar de binnengalerij van zijn paviljoen in en wilde haar kussen. - Hans, ik moet jou eerst eens even spreken ... I ! ! i I I 122 123 I " ,I 1 H ij legde zijn armen om haar been. - Nee, daar kwam ik niet voor. - Toe nu, één kusje, kijk zoo ... en nóg een, zoo! ... - Nee ik ben heel boos op je. Hij plaagde: - Dus je houdt niet meer van me? - Nee .•. nee ..• heelemaal niet. - Zeg, zeg, vertel eens, zijn dat kuurtjes, of is het echt? - Volkomen echt, heel echt. - En waarom dan? - Jij leelijkert, jij verzwijgt iets voor me. Wat heb je daar voor een brief geschreven? - Aan mijn moeder. - En wat schreef je? - Wat zou ik nu schrijven, kun je je dat niet voorstellen? Denk eens na? 't Is over een sprookje. Ze keek even lief naar hem op, lachte verlegen, kuste zijn mond en duwde hem dan meteen weer weg. - Zoo, dat was nu enkel, omdat ik je toch lief vind, maar nu dat andere. Ze nam zijn hoofd tusschen haar handen, keek hem recht aan. - Weet je dat er zooiets bestaat als gedachtenlezen ? - Ja, ik lees de jouwe, dat je erg veel van me houd. - M aar ik lees de jouwe, en dat is veel erger. Wacht laat eens kijken, daar staat in jouw oogen, ik kan me niet begrijpen dat je me zóóiets niet verteld hebt, wou je nu heusch dat ik geloofde, dat je echt van mij houdt? - Nou, wat staat er dan? - Daar staat, laat eens goed kijken, ja, ik moet goed lezen, dat jij waarnemend administrateur wordt op Toeloeng Baroe. H ans sprong een stuk terug, bleef haar verbaasd aankijken. - Nee maar dat is sterk. Dat is stille kracht. Werktuigelijk greep hij naar zijn borstzak, waarin papier kreukelde. DoU y had het al gezien. - Nee, ik lees nooit andermans brieven, maar wel in jouw oogen, ontken het nu maar verder niet. I24 ; - Nou breekt me klomp, neem me niet kwalijk, nu begrijp ik er hee1emaal niets meer van. - Hoeft ook niet, want ik kijk je nooit meer aan. Het is uit tusschen ons .•. En omdat hij haar rustig bleef aankijken, met iets rail1eerends in de oogen, vroeg ze: - En zeg me gauw, het is dus waar? - Volkomen waar, liefste. - En dat weet je, allang 1 Je zei me gisteravond ... Ze bleef half bedroefd even voor zich uitzien. - Ja kleintje, ik wist het sinds gisteren, gistermorgen I En nu schreef ik aan mijn ouders, dat wij gaan trouwen, en ik schrijf Zt>, dat alle kosten, die ze aan me gemaakt hebben, jaren lang, en heus eh het was niet heel makkelijk voor ze, niet vergeefsch zijn geweest. Is dat ook verkeerd? - En mij zei je niets? - Mijn ouders zullen het weten over een week. Morgen gaat de luchtmail. Jij zou het weten, zoodra Van Wielandt het me zelf gezegd had. Men vroeg mij nadrukkelijk, om Van Wielandt te sparen, het geheim te houden, tot deze het me zelf had gezegd. En ik heb nog meer gedaan, ik moest voorloopig enkel seinen of ik in principe genegen was, nou dat was ik, en ik heb geseind, ... accoord I - Zonder er mij in te kennen? - Moest ik zooiets aan jou vragen? Wat ik zelf wilde? Hoor eens, mijn kleine lieve schat, laten we dat meteen afspreken, van jou hou ik, maar juist omdat ik van je hou, doe ik mijn zaken zelf. Dat heb ik altijd g\!daan en dat blijf ik doen ook. Alleen mag ikhangen,alsikweethoejij eraan komt. Niemand weet het nog. - Dan weten vrouwen het allang. Je hebt dus durven seinen, zonder mij er ook maar zooveel in te kennen, weet je wel, dat dat een reden tot echtscheiding is. - En we zijn nog niet eens getrouwd. - Dat maakt het zooveeJ te erger, maakt het gewoonweg vreeselijk. - Arme kleine Dolly, lachte hij ... iets wat je bereiken wil, daar moet je nooit met een ander over praten, want dan be- 1·5 reikt die andere het. M aar van wie weet je het nou? Biecht op! - Van de baas zelf. Nittel floot verbaasd tusschen de tanden ... - Heb je hem gesproken? - Hij kwa m op bezoek. Mij begroeten, bloemen brengen net als altijd. - Wat heeft die vent met jou te maken. - Verliefd. - Laat hij oppassen. Dus ... Zoo? En vanmorgen zag ik hem, en hij zei niets, was zelfs buitengewoon vriendelijk. Wat zei-die wel? - Dat hij werd opgevolgd door een idioot. Hans keek even jongensachtig beteuterd, lachte dan luid. - Niet erg vriendelijk. Maar te begrijpen. AI je het zelf bent, denk je dat iedereen het is. - Maar ik vind hem heelemaal geen idioot, kijk eens wat een mooie bloemen hij me bracht, passiebloemen. Ze sleepte hem mee naar het huis en liet hem de bloemen zien, die acht loos nog in de voorgalerij lagen, op den stoel, WJ:lr ze die h:lastig hdd neergeworpen, deed of ze die liefkoozend streelde. - Attent, 11 ? - Ja alJem:Jchies attent. Net ias voor hem. Weet je waarom c1imatis hier passiebloemen heeten? Omdat ze in gloeiende passie maar éi!n d ag bloeien en dan uitvall n. Machtig complimenteus tegenover een meisje, ik zou zeggen een beetje heel erg idioot. - Zoo vin je? •. Maar zoo'n erge idioot is hij toch niet, weet je wat hij wil gaan doen? Met een lief jong vrouwtje r izen, gróóte reizen m3ken. Wie zou dolt nu wel zijn? Zij keek hem plagerig aan. Hans knipte met de vingers. - Jij niet! - Ben je daar zoo zeker van? - Ja, absoluut, want voor hij biljetten nam, zou ik hem nek en twee beenen tegelijk breken. 126 - Nou d at heb je al gedaan! Maar maak je niet kwaad ik wilde alleen m aar weten of je jaloersch bent. En dan of je me alle geheimpjes, die je later hebt, ook vertellen zal. - Dat hangt heelemaal van de geheimen af. Als ik er me eigen nek niet over kan breken, mag je ze allemaal weten. En kom nou eens hier ... Ze wipte weg, rondom de tafel. Hij zette de tafel opzij en ving Dolly in zijn armen ... - Ziezoo en verder geen kuurtjes, hier een zoen en daar een, en op je oogen, en op je mond. - En op jouw mond, lachte ze ... en op jouw oogen. Dan maakte ze ûch nog kleiner tegen hem aan. - Weet je dat je een onhandige jongen ben. Wil ik jou eens een geheimpje vertellen? Hoe je met vrouwen moet omgaan? La:lt een vrouw altijd in het idee, dat ze al je zakengeheimen kent, en vertel ze h:tar nooit. Als ze erg prettig zijn, kunnen we ze toch nooit voor ons houden en als ze nààr zijn, dan hebben we verdriet. 0 vent, je hadt de baas moeten zien, zo031 hij daar s kwam aanzetten, met zijn ruiker en zooals hij draaide, om me ens ten huwelijk te vragen. Zoo'n engerd. Apropos. Ik steur toch niet? Dat geheugen in Indië. En dat gezicht telkens als ik ineens over w t :lnders begon. En toen hij direct V3n wal wilde steken, riep zij, hierachter . .. en toen poeierde ik hem af. - Als hij nog eens komt, d;1n roep je mij, d:ln zal ik hem eens afpoeieren, zoo;1ls hij nog nooit gepoeierd is, zoo'n ouwe pruik, zoo'n ... - Nou, je hoeft je heusch niet kwaad t mJken, maar la3t me nu die brief van de directie eens zien ... hier. Ze zocht in zijn binnenzak, terwijl ze hem kuste. - Wat is dat, nog een brief? En een Ansicht? Dan kwam Schuit v:lnuit het felle zonlicht de donkere binnengalerij in. Hij meende ze op de hoekbank te zien maar deed meteen of hij niets had gezien, wijdde alle aandacht aan een bord met doerianvla, ging bij de tafel zitten, die nog op127 zijde gezet stond, en doende alsof hij tot zichzelf sprak, mompelde hij: - He, da's lekker ... dat is heel lekker ... - Wat is lekker? vroegen beide geschrokken. Schuit deed ook of hij geschrokken was. - Zeg waren jullie hier? Ik bedoel dit. Die doerian. Niemand die zoo lekker kintja doerian kan klaar maken, als onze Sarina. - Oh, zei Hans droog en keek eens naar Dolly, die verlegen naar Schuit keek, om te weten of hij iets had gezien. - Daar zal je zoometeen hààr over hooren, die kent het nog niet en als ze het ruikt ..• - Geen heerlijker vrucht Dolly, in Indië dan doerian, de lucht moet je op den koop toe nemen. Als je het eet, ruik je het niet meer, we zullen het haar eens laten eten. Ze wil immers Indisch worden? Het is ermee als met Limburgsche kaas, daar ruik je toch niet aan, die eet je alleen. Hoe kwamen jullie zoo ineens hier? - Nittel liet me een Ansicht zien, we zaten hier in de hoek, babbelde Dolly handig naïef. - God zaten jullie daar? Hij lachte goedig. Niks van gezien. Een Ansicht? Wat intressant. Een échte Ansicht? Is Nitlel zoo dol op Ansich en. D at heb je me nooit verteld, zeg. Maar dan zeker alleen op mooie Ansichten, niet? Verzamel je ze? - Kijk maar, Schuit. Uit Zandvoort. Van mijn broer. Hier is-ie. - Wat? Is-ie er ook? Jok je niet eens, kleine Dolly. Ik dacht of nee ik dacht niets... En nog wel uit Zandvoort. Laat me eens zien. Hij keek naar het duinlandschap, de rij hotels, neuriede zacht voor zich heen: "Als je van de duinen glijdt." Maar werd déln ineens heel ernstig. Ja, ja Z ndvoort. Maar wat is dat veranderd, daar was ik, ûe je, ook eens. Maar dat is lang geleden. Twintig jaar. Laat eens kijken dertig jaar bijna ... god wat gaat die tijd ••• Op een Zondag met me oude moeder. I~8 't Goeie menseh. Als ik geweten had, dat ik hier nooit meer weg zou komen, dan was ik toch wel bij haar gebleven. Eenmaal was ik klaar om naar Holland te gaan. Dan kwam de brief, dat ze dood was. Toen ben ik verder maar hier gebleven, wat zou ik ook nog in Holland hebben gezocht. Dolly keek snel naar Nittel op. Ze was bang dat hij misschien lachen zou. Schuit had heel zeldzaam zijn weemoedige buien. En ze stonden hem niet. Bij hem paste het goedige opgewekte gezicht, dat hij altijd toonde. Maar Nittel keek stil voor ûch heen, als dacht ook hij aan iets in Holland. Het vreemde, voor Dolly zoo verre Noorderland, waarvan zij de aantrekkingskracht niet begreep, maar die ze zag, dikwijls gezien had bij haar vader, bij allen, die ze kende en die naar Indië waren gekomen. Het deed haar pijn, dat niet te kunnen meevoelen, ze zag schuw naar de beide mannen, die een oogenblik zwegen, ieder in eigen gedachten. Dan legde ze snel haar arm om Schuit. - Lieve goeie Schuit, heb maar geen verdriet meer •.. Schuitje, ik ben toch bij je! Dadelijk kwam er een lach. - Och wat •.. nee ik heb geen verdriet, lieve kindje ... Ik zoek niets meer in Holland. Ik ben nu eenmaal een van de velen geweest, die nooit rijk worden in den Oost. Net als de meesten. Ik had het goeie mehsch anders zoo graag nog een makkelijke ouwe dag gegund, had haar zoo graag nog eens goed gedaan en nou zit en nou sterf ik onder de palmen. Het is een goed land en ik heb hier alles wat ik hebben wil. Jou heb ik en Van der Kooy. Indië is geen land voor vrienden, maar Van der Kooy, dàt is me vrind, me echte vrind. En vooral jou, jou, aan jou heb ik heel veel gehad. En zacht, terwijl hij Nittel aanzag herhaalde hij: - Gehàd! Dan klonk in de voorgalerij een kreet van afgrijzen .•• - Ajakkes wat een lucht. Wat is er nou weer aan de hand •.• Staat er iets open '? 12 9 Suikerfreule 9 "o.Jt ..~G IC:U> "4.'" IU'!UCAUIUA" 't Goeie mensch. Als ik geweten had, dat ik hier nooit meé weg zou komen, dan was ik toch wel bij haar gebleven. Eenmaal was ik klaar om naar Holland te gaan. D an kwam de brief, dat ze dood was. Toen ben ik verder maar hier gebleven, wat zou ik ook nog in Holland hebben gezocht. Dolly keek snel naar Nittel op. Ze was bang dat hij misschien lachen zou. Schuit had heel zeldzaam zijn weemoedige buien. En ze stonden hem niet. Bij hem paste het goedige opgewekte geûcht, dat hij altijd toonde. Maar Nittel keek stil voor zich heen, als dacht ook hij aan iets in Holland. Het vreemde, voor Dolly zoo verre Noorderland, waarvan zij de aantrekkingskracht niet begreep, maar die ze zag, dikwijls geûen had bij haar vader, bij allen, die ze kende en die naar Indië waren gekomen. Het deed haar pijn, dat niet te kunnen meevoelen, ze zag schuw naar de beide mannen, die een oogenblik zwegen, ieder in eigen gedachten. Dan legde ze snel haar arm om Schuit. - Lieve goeie Schuit, heb maar geen verdriet meer ••. Schuitje, ik ben toch bij je! Dadelijk kwam er een lach. - Och wat .• . nee ik heb geen verdriet, lieve kindje •.• Ik zoek niets meer in Holland. Ik ben nu eenmaal een van de velen geweest, die nooit rijk worden in den Oost. Net als de meesten. Ik had het goeie mensch anders zoo graag nog een makkelijke ouwe dag gegund, had haar zoo graag nog eens goed gedaan en nou zit en nou sterf ik onder de palmen. Het is een goed land en ik heb hier alles wat ik hebben wil. Jot! heb ik en Van der Kooy. Indië is geen land voor vrienden, maar Van der Kooy, dàt is me vrind, me echte vrind. En vooral jou, jou, aan jou heb ik heel veel gehad. En zacht, terwijl hij Nittel aanzag herhaalde hij: - Gehàd! Dan klonk in de voorgalerij een kreet van afgrijzen ..• - Ajakkes wat een lucht. Wat is er nou weer aan de hand ..• Staat er iets open? 129 Suikerfreule 9 XIX Het is mevrouw Van der Kooy, die met opgestoken zeil, maar stevig toegeknepen neus, vanuit haar slaapkamer schiet, de binnengalerij doorloopt en in de voorgalerij haastig naar het huis van haar buurvrouw gaat zien, of daar soms weer een rookwolk kringelt, die ditmaal een onaangename geur verspreidt. Maar dat erf ligt vredig en verlaten in de heete fellichtende zon en niets wijst erop, dat vandaar die afgrijselijke stank komen kan, die voor haar nog noordelijke reukorganen onverdragelijk en walgingwekkend is. - Ik dacht dat zij weer bezig was met haar palingrookerij, maar ... Je kan het snije. Waar komt zooiets nou weer ineens vandaan ... Vragend kijkt ze naar het drietal, dat met eenigszins schuldige geûchten naar haar kijkt. Maar dadelijk wijkt zij weer terug: - Goeie gut, jij bent het Schuit. - Ik geloof het ook! zei deze, terwijl hij van den een naar den ander keek en dan weer in het bord, dat hij nog in de hand hield. - Maar Schuit, ik zal maar niet zeggen waar het naar ruikt, wat he-je gegeten '? - Dit. .. doerian! - Het is kintja doerian, mevrouw, zei Dolly, het ruikt niet lekker, maar het smaakt heel goed, als je er aan gewend bent. Betje sloeg van afkeerige verbaûng de handen in elkaar ... - Doere Jan'? Stinkt dàt zoo'? En ete jullie dat hier? Me hart draait me om in me lijf. Het slaat me direct op me keel. Wat een land! Met de linkerhand aan den neus, greep zij met de andere gedecideerd Schuit het bord uit de h nden eq riep dan naar achteren. - Hier, djongos, omkat, ankat. Gauw, gooi dat bord in de kali. Joe joe joe! En dat éte ze hier. Dan moet je toch al een heel eind heen wezen ook. Ze kon niet verder spreken, 130 zij poogde te slikken en liep dan haastig de voorgalerij uit. Hans viel schaterlachend in een stoel. Dolly deed vergeefsche pogingen haar lachen terug te houden. Alleen Schuit keek ongelukkig waar zijn bord gebleven was, waaraan hij pas was begonnen. Maar meteen kwam Betje terug, ... een zakdoek met eau de cologne voor den neus. - Het is gewoonweg, buh ... buh ... wat een lucht. Een boldootwagen is der niks bij. 0 Schuit, dat je zooiets in je mond, buh, kan steken. Dan zag ze Schuit haar met groote oogen van onder tot boven bekijken ... Oogen die steeds groot er en steeds vroolijker werden, met een mond, die wijd open stond van verbazing. - Zeg, wat heb jij aan'? Kijk-es. Hihihihi... een sà ... rong ... heeft ze aan! - 0 ja, da's waar ook. Daar heeft die beroerde Schuit met zijn doere Jan, a, ik ruik het nog, me het heele plezier bedorven. Buh. Ja me sarong en kebaja, hoe ,staan ze me? - Mevrouw, het staat u schitterend, zei Hans, hoogst ernstig. - Snuitig mevrouw, snuitig. Wacht even, zei Dolly, die speld moet toch nog iets hooger. - Enne ... wat zeg jij, Schuit'? Zeg ook eens wat? Schuit echode haastig na: - Snuitig, heel snuitig ... ik zei toch al: Wat heb jij aan? Je bent ineens Indisch. Heelemaal Indisch. Je zou van Indischen bloede kunnen zijn ... - Zoo vin je dat. Zeg, dat goedje eet je me niet meer in mijn huis ... 0 buh. En heb je weer niet wat, 't is niet zoo, hoor, ik ben volbloed. Dolly keek snel op. Het woord striemde haar. - En zoudt u dat zoo erg vinden, mevrouw'? Maar Betje zag haar goedig lachend ... en tegelijk geschrokken aan. - 0 ja da's waar ook. Wel nee hoor kind. Maar je eige vader zei wat. Hoe kom je der bij. Ik zou der trotsch op weze. Zij begon te hoesten. - Nee niet op zoo'n vader, maar op 't bloed. Zeg Schuit, doe me een plezier en ga een beetje van 13 1 I me vandaan staan, 't is niet uit te houden. Ik word zoo misselijk. Je ruikt nog heelegaar naar die vieze doere Jan. Schuit trok zich haastig in een hoek van de voorgalerij terug. - Het staat u om te stelen, m evrouwtje, meende Hans ertusschen te moeten gooien, werkelijk om te stelen. En hij ging op een afstand staan, als om het effect te bewonderen. Tevreden knikte mevrouw hem toe. - Ja jullie zeie ommers, da'k Indisch worde most. Nou de kleere maken de man ... en de vrouw vok. Nou ben ik Indisch. Het lijkt anders wel carneval ... of maskerade. - Geen groot er maskerade, meende Schuit, nog voorzichtig op een afstand en langs zijn neus weg. - Geen grooter maskerade in Indië dan een wit pakkean, of een sarong en kebaja ... Alles ineens gema keerd. Een sjouwerman en een aristocraat, eenmaal in een wit pakkean, lijken precies evenveel op mekaar als een geplukte gans op een geplukte zwaan ... en die ken een leek niet meer uit mekaal . Maar Betje had het nog lang niet op Schuit begrepen, ..• zag hem vijandig aan en hield hem met haar oogen op behoorlijken afstand: - Je zou zeggen dat jij poelier geweest was. Ik had liever dat jij gans had gegeten inplaats van die doere Jan .•. djongos .•• djongos!! Zeg jonge ..• kassi sini eens een glasie water, ja ajer ... lekkas ! En geef dat aan meneer! Daar spoel jij je mond dereis mee uit Schuit en kijk de andere kant op as je tege me spreekt. - Makan klaar! kwam de jongen zeggen. - 0 het eten is klaar, zegt ie, toe Schuit, doe me een plezier, ik wou rijsttafel eten. Zoo met me nieuwe sarong aan. Maar ke-jij nou niet in je kamer eten'? Het is heusch niet te harden. Ik ben niet boos op je Schuit, maar zeg nou zelf. Schuit knikte goedig. - Ik zal het wel doen, hoor. Hij wees den jongen af die met water kwam, zei hem in - de voorgalerij te dekken... en ging demonstratief reeds aan het marmeren tafeltje zitten, terwijl hij de anderen lachend nakeek. - Wil ie niet liever met je vader voor eten, kindlief'? - Och nee mevrouw, hij zal het zelf niet willen. - Ja, maar moet-ie daar nou, zoo moederziel alleen .•. En ineens liep mevrouw naar de voorgalerij terug. - Nee Schuit, dat wil ik toch ook niet, jij daar zoo moederziel alleen zitten, kom maar bij ons, ik zal me der wel overheen zette, ik moet nou eenmaal Indisch worde en aan de rijst tafel met al die rare rommel, ruik je het toch niet. Kom maar mee. Dien middag proefde zij voor het eerst, heel voorzichtig .•• sambal trassi. - Smaakt zoo'n beetje naar bedorve mossele met zeepwater, maar dan an de heetige kant. Als ze dat nou 10 Indië graag lusten, mijn een zorg, ik zal mèèluste! xx Schuit was naar het station gegaan om Van der Kooy af te halen. Dat was altijd zijn glorie, alleen met het Fordje uit te zijn, langs de wegen te rijden en zich te verbeelden dat hij rijk was. De Ford behoorde aan de fabriek, stond hoofdzakelijk ten dienste van het personeel. De anderen lieten zich rijden. Schuit reed zelf. Met zijn handen om het stuur, poogde hij zich zoo ver mogelijk achterover te vlijen, zooals hij Van Wielandt in zijn Studebaker zag doen. Hij kwam daarvoor wat te ver naar voren zitten, schoof weer rechtop, maar voelde zich toch rijk ••. heel rijk. Auto133 I mobilist. Hij vergat dat het een Ford was... Hij lag glimlachend zoover mogelijk achterover en neuriede een liedje op het snorren van den motor en vond dat het leven schoon en vol afwisseling was. Als el' een grobak op den weg was, liet hij de claxon lang te voren schallen, enkel om het geluid te hooren. Was er niets op den weg, dan deed hij het ook. Nu en dan remde hij sterk om te voelen, hoe de wagen weer aantrok. Soms reed hij met zestig-kilometersvaart en verbeeldde z1ch dat het er honderd waren. Dat was zoo zijn kinderlijk genoegen. Mevrouw had meegewild. Maar hij had haar overtuigd thuis te blijven. - Je hebt gelijk. Ik zal hem verrassen met me nieuwe kleeren. - Daar kan je niet mee in een auto zitten. - En mevrouw hiernaast loopt ermee op straat. - Ja, hier, maar je kan er ook moeilijk mee aan het station staan. Dat deed men vroeger. Tempo doeloe. Nu niet meer! Hij wilde alleen met Van der Kooy ,djn ... Hij wilde hem het gesprek mededeelen, dat hij over Dolly's moeder had gehad. - Maar je verraait me niks van me sarong! had mevrouw hem nog op het hart gedrukt. Hij zou zeker niets verraden. Hij verheugde zich al op het gezicht, dat Van der Kooy zetten zou. Ze viel werkelijk mee in zoo'n sarong, al droeg ze die nog wat stijf en al hield ze krampachtig vast aan haar busen en de vilten pantoffels, die ze had meegebracht uit Holland. Zoodra Van der Kooy uitstapte, begon Schuit zijn verslag. - Nog wat gemerkt? - Niets gemerkt. - Dolly zich niet versproken f 1~ - Nee, Dolly ook niet versproken ... Schuit zette den motor weer aan. Onderweg vertelde hij de gebeurtenissen, hoe zijn vrouw rijsttafel had meegegeten... met trassi. Dat zij doerian geroken had en zich nog steeds verbeeldde het overal te ruiken. Maar van de sarong vertelde hij niets en ook niet van Dolly en Hans. Hij voelde dat Van der Kooy opzag tegen het naar huis gaan, hoorde hem vragen: - En is Dolly nog gebleven? - Die mag de eerste weken nog niet weg ... - Gezellig! zuchtte Van der Kooy. Maar ze gààt! Dit was voor Schuit een aanleiding om erover te beginnen. Hij liet den wagen wat zachter loopen en zei: - Zeg! - Ja? - Als je het haar nou eens zei. Ik heb haar voorbereid, over Indische toestanden veel verteld. Van een generaal die vier soorten kinderen had, van een Chineesche moeder, een Hollandsche, 0 nee twee Hollandsche en een Inlandsche, van allerlei meer. Ik zocht het maar in het hooge, dat maakt altijd meer indruk. - Zoo! meende Van der Kooy kriegel. Hij kende Schuit's onhandigheid en vreesde, dat die iets te veel zou hebben gezegd. - Nee ik heb juist weinig gezegd, maarre ... zeg, die moeder van Dolly, wat was dat voor een vrouw? - Ga :lt het je wat aan? - Nee ... ik hcb er je toch nooit naar gevraagd. Maar ik wilde haar voorbereiden. Over Dolly en toen vroeg ze er ineens naar en moest ik een verhaal doen van die vrouw. Van der Kooy schrok. Hij had maar matig vertrouwen in de diplomatieke talenten van zijn vriend. - Je hebt toch niets gezegd? - Nee, net gedaan of ik de V.ldel was, zal ik maar zeggen. Ze vindt het heelemaal niet erg. Ze zei ... we zijn hier breed van opva tingen. Niks erg vond ze het. 135 - Ja maar wat ze van jou niet erg vindt, zal ze van mij vreeselijk vinden, dat is altijd zoo met vrouwen. - Zie je dat niet te zwaar in? - Ben jij getrouwd geweest? - Nee, erkende Schuit timiede. - Nou, oordeel dan niet als een kip zonder kop. Van der Kooy werd naarmate men Toe1oeng Baroe naderde steeds meer kriegel. Schuit zweeg, maar vond het toch noodig te zeggen: - Ik heb haal' anders prachtig voorbereid, ik heb haar zoowat alles gezegd en als jij wijs wil zijn, profiteer dan van de gelegenheid. Je hebt enkel de zaak maar om te draaien, te zeggen, dat niet ik maar jij de vader ben. M aar denk erom, ik heb gezegd, die moeder van Dolly, die was zoo tusschen beide, niet bruin en niet blank. - Wat een fantasie heb jij tegenwoordig ..• het is of je der gekend heb. Ja, ze was bizonder blank, zelfs voor een Soendaneesche. Och, ik zou het haal' ook wel zeggen .•. maar ... jongen het is geen kleinigheid. Als jij er nu eens bij bleef, als ik het zei. - Ik dank je, ik heb al zooveel bij elkaar moeten liegen, dat ik er draaierig van ben en nu zou ik er zelf bij moeten zijn, als je haar zei dat al die verhalen leugens waren. - Ja maar ik zal het doen langs een omweg ... langs een grooten omweg. - H eb ik niets tegen ... maar me dunkt, dat mijn omweg nu alom genoeg was ... Het wordt nu tijd dat je wat zegt. Ik kan niet eeuwig vader blijven. Hoe langer het duurt, in hoe maller parket we komen. Je riskeert nog dat ze het van buitenaf hoort. En kerel, de gelegenheid is zoo mooi, ze houdt heel veel van Dolly. Voor het eerst keek Van der Kooy blijder op. - Houdt ze zoo van Dolly? - Ik zeg je, ze is dol op er. Zij wilde hol", geloof ik, als kind aannemen of nee, dat zei ze toch niet, ze had graag een kind aangenomen. Als ik jou was, zei ik het. De auto draaide het erf op. Stralend trad Betje naar voren. 136 - Zeg, wat heb jij an!?! Betje bleef met wijd gespreide armen staan. - Nee, nou wordt ie goed. - We worden Indisch! antwoordde Betje plechtig. Maar is dat nou alles wat je ervan te zeggen hebt, hoe staat het me? Van der Kooy bekeek haar critisch. Ze viel hem werkelijk mee. Het is of al het Hollandsche nu in eens uit haar weg· gevallen was, of ze jaren in Indië was geweest. Al is de dracht hier niet meer modern, het is of er een andere waas over haar gekomen is. - Ik moet zeggen ... je bent er een ànder mensch in. - Pas op, Schuit begint zoometeen weer over zijn geplukte gans .•. En ruik je niks? Zij keek daarbij scherp naar Schuit. - Ja doerian, zegt hij luchtig, krijgen we dat vanmiddag? - Je zegt doere Jan alsof het boschviooltjes waren, wil jewel geloove, de lucht hangt nog door het heele huis. En aan Schuit ook. Dat goedje komt niet meer in mijn huis ..• D ie bedorven mossele van de sambal·trassi waren er heilig bij. - En je wou Indisch worden. - Moet je, om Indisch te worde, naar doere·jan ruike? Maar hoe vin je me nou, krijg ik nou niet een extra zoen ... Hier op allebei me wangen? Nou maar ik ben wat blij dat je er weer bent, hoor. En je mag Schuit zen dochter ook wel eens een zoen geven. Die heeft alles voor me gemaakt. Van der Kooy nam zijn dochter in de armen en kuste haar blij op beide WJngen. De eerste kussen die hij geven kon na haar aankomst. Dolly verlegen, wendde het hoofd af en mevrouw meende dat ze haar te hulp moest komen. - Nou, nou ... zeg jij ken der wat mee, ouwe snoeper. Zoo is het genoeg hoor. Zoo'n jong meisje wil liever door wat jongers gekust worden. En omdat Dolly ineens angstig smeekend haar aankeek, gooide ze het snel over anderen boeg. - Zoo was hij nou altijd, toen hij jong W1S. Van kussen kon hij nooit genoeg krijgen. 137 - Kijk eens wat ik voor je mee heb gebracht, interrumpeerde Van der Kooy, wat denk je dat dit is? Hij hield een boek in de hoogte. - In Soerabaja gekocht, over vormen. - Over wormen? Zijn er hier dan nog geen beesten genog? - Vormen. Je wilde weten hoe men in Indië deftig doet? Nou hierin vind je alles wat je weten wil. En weet je soms eens iets niet, dan neem je dit maar, je sia:J.t het erop na. Lachend nam zij het aan, bekeek het half nieuwsgierig, half ongeloovig. - Staat er ook van in, ik zal maar zeggen, wat je zeggen moet, als je buurvrouw je uitrookt? - Lees het maar na, maar nou wou ik mandiën, die treinreis heeft me weer duchtig vuil gemaakt. - En jij zal morgen eens zien hoe ik rijsttafel eten kan. Kom nou maar mee, ouwe. Oessin heeft je handdoeken al klaar gelegd. Het is toch een merake1 met die jongens. 't Is of ze ruike wat je hebbe mot. Gisteren morgen sta ik op, 's avonds heb ik gedacht, ik laat die jonge morgen de deuren effe aflappen, er staan alweer zooveel vingers op, ... laat-ie me nou de deur staan aflappen, als ik in de voorgalerij kom? Ze zijn nog zoo kwaad niet, al zijn ze van onder tot boven zwart en al benne het nog maar heidenen. XXI Terwijl Van der Kooy zich mandiet, verdiept zijn vrouw zich dadelijk in het boek. Vormen leest ze ... door Johanna van Woude. " D aar staat ge nu aan den ingang van die wondere wereld, waarvan ge tot dusver nog maar om een hoekje hebt durven kijken." 138 Zeer toepasselijk dacht ze. Dat slaat op mij. Maar verd er lezend: "En nu moet ge zelf die groote poort binnen van het paleis der vermaken, gij schuchtere achttienjarige. - Waarom koopt Dirk nou zoo'n boek, het is voor meisjes. Maar bladerende in den inhoud ûet ze toch diugen, die haar wel in tresseeren. .. Verliefd en vedoofd ... Bruidsdagen ... De ideale vrouw. Visites en contravisites. Plichten der bezoekster. Het discours. Brieven. Geboorte. Allerlei ... Ze leest met lispelende lippen passages en maakt ze steeds dadelijk toepasselijk op zichzelf. Soms trekt om haar oogen een scherpe rimpel, kijkt ze bang in de binnengalerij rond, voelt ze den last van geheel een conventioneel leven zwaar op zich rusten, dan weer lacht ze vroolijk op ... "Als een kind dood geboren is, dan gaat men condoleeren ..." Hoe heb ik het nou? Moet je dat uit een boek lezen? .. Nee, zou je dan moeten feleciteere? .•. Ze hoort niet dat Van der Kooy uit de badkamer komt, en langs het huis naar de voorgalerij gaat. Hij vindt er alleen Schuit, die ijverig in een kop koffie zit te roeren, die Oessin naar voren heeft gebracht ... - Zeg het nou toch dadelijk, zegt hij zacht... Man, de gelegenheid is zoo mooi, ze houdt al van DolI y ... Van der Kooy was lekker opgefrischt, hij voelde zich door de makkelijke ontvangst en de goede wijze waarop alles in zijn afwezigheid verloopen was, in zijn beste humeur en zag onaangenaam op, toen Schuit hem nu ineens herinnerde aan de moeilijkheden, die nog voor hem lagen. - Begin je der nou alweer over? - Maar man, je ken het toch zóó niet laten? - Dat zal ik toch wel weten? - Ja maar ik ben nou lang genoeg vader geweest, als je nou eerst eens een verhaal deed van iemand in Indië, die zal ik maar zeggen, die een voorkind had ... enne ... Ze houdt heusch veel van je... mijn dochter. 139 - Houdt ze van haar? Blij drukte hij Schuit de hand. - Zóó, ben je lekker opgeknapt, heb je lekker gemandiet ? Het was mevrouw Van der Kooy, die onverwacht kwam aanloopen en hen midden in hun gesprek stoorde. Snel liet Van der Kooy de hand schieten, maar Betje had het al gezien. - Zeg, is er iemand jarig? - D ie machine, die machine .•. stotterde Van der Kooy haastig voort, ik ben. " blij ... dat dat dat nou in orde is. - Wat in orde? vroeg mevrouw belangstellend. - 0 we hadden het over een machine, een machine zie je, en de zuigers. Ik lei hem uit, de zuiger staat zoo ... de cylinders zoo ... die glijden langs elkaar, bewegen op en neer ... En weer nam hij Schuit's hand als om dat alles uit te leggen. - Ja de cylinder zoo, de zuiger zoo, dat snap ik, hielp Schuit nu mee. Maar mevrouw was al bezig koffie in te schenken. - Jij ook nog een koppie, Schuit .•. - Gebruikt u suiker en melk? vroeg Betje ineens met een pruimenmondje, ofschoon de kopjes al waren ingeschonken. - Wat hebben we nou'? vroeg Van der Kooy verbaasd. -Ik repeteer. " hier in dit boek staat: "Gebruikt u thee met suiker en melk? Ja heel graag ... een wolkje!" - Er staat een massa in, dat een dame in Indië weten moet, vond Van der Kooy, die het boek in den trein had doorgebladerd. Waar is Dolly? - Uit rijden met Nittel. - Wat zeg je? Met Nittel? Met de auto? Ben je gek? - Zie ik er zoo uit? Zij zijn te paard uitgereden, ddt doet Dolly 7.?0 graag. En W,1t is dat nou voor een vraag ... ben je gek? Hier staat, en r tig sloeg zij de pagina op ... "De bel~~fdheid en wèllevendheid van den m:m tegènover dè vrouw, ZIJn de beste waarborgèn voor den onderlingèn vrede en het echtelijk geluk." I4° - Dat vraag ik je niet ••. waar zijn ze heen I _ Een laantje om en nou moet je hier lezen, want der staat ook een heeleboel in, dat jij ook eens leer en mag: " Juist in het gewone huiselijke leven en de dagelijksche gesprekken, moet gij u wachten voor onnoodige harde woorden, voor onaangenàme op- en aanmerkingèn." En nou zeg je tegen me: "Ben je gek?" - Zoo staat dat daar '? - Ja het staat er gedrukt. Ben je gek, dat is een onaangename op- of aanmerking. - Goed ... wie heeft Dolly gezegd, dat ze met Nittel kon gaan rijden '? - Wel, ik. - Nou maar dat komt in Indië niet te pas. - Nou nog mooier, niet te pas, waarom niet te pas? Op klaarlichten dag ... - En ik wil het niet hebben. Verbaasd keek mevrouw hem aan. - Wat gaat dat jou eigenlijk aan. Haal' vader vindt het goed, en wat heb jij er dan in mee te praten. Je zou zeggen, dat je de zon niet in het water kan zien schijnen. Ik moet eens op jou letten, Dirk. Je zoende haar straks zoo lang en vaak. Van der Kooy schrok op. Daar had hij zich zèlf bijna verpraat. Ja het werd tijd dat hij voor de waarheid zou uitkomen. Nu had hij niet eens meer iets over zijn eigen dochter te zeggen en die lamme Schuit zat daar maar stom te grinniken. Hij trachtte het goed te maken: - Ja maar ze pràten hier zoo gauw in Indië. En ze kan er wel afvallen. - En ze zijn hier zoo breed van opvattinge, he-je me al wel tienmaal gezeid. - Met die dingen is het wat anders. - Ja, heel anders, hielp Schuit ijverig. - Je moet weten, ze woont bij ons in huis, zie je. - Nou dan pràten ze derover .• . wat kan jou dat schele '? - De naam van een jong meisje in Indië, in zoo kleine kring van een suikerfabriek. - Maak je niet dik, als ze weggereden is, zal ze ook wel weer terugkomen hoor. En wat moeten ze anders uitvoeren ,t 1S me een raar land, den heelen dag zitten de manne thuis, ze' . werken op een fabriek, waar ze suiker maken maar ze zitten ili~. ' - Jawel ... da's waar, zei Schuit, maar het is nu pas na den maaltijd ... we .hebben ons maanden lang krom gewerkt, nou kunnen we eemge weken rust nemr.n, ûe je? Maar je moet in de campagne eens zien, nacht en dag in touw. - Ik mag het lijen ... zoo den halven dag manne over de vloer is niks gezellig voor een huisvrouw. Van der Kooy zag dat Betje weer ging lezen. Het werd nu werkelijk noodzakelijk om een goede inleiding te zoeken. Schuit zat er ook bij. Dat ging zoo niet met die Nittel. Van Wielandt was ~ol op Dolly ... als hij ze samen zag, kon er de grootste last Uit voortkomen. Hij, als administrateur kon hem in allerlei moeilijkheden brengen. En al kon Dolly de~ vent niet luchten of zien, hij behoefde dat tenminste niet te weten en mocht vooral niet merken, dat een ander avances maakte. Meteen schrok hij op. Betje had gevraagd: ... - Wat ûjn dat voor gevallen? Penibéle gevallen. - Hoe zeg je? - Het staat hier: Penibéle gevallen doen zich in elk huishouden voor, bij onverwacht bezoek en ... - 0 penibele gevallen! - Nou maar der staat penibéle. - Dat zijn moeilijke, onaangename gevallen, maar het doet me plezier dat je zoo ijverig studeert. - Ik moet toch Indisch worden. Van der Kooy keek eens naar Schuit. Deze maakte chter Betje's rug om bewegingen tegen Van der Kooy, die op penibéle gevallen schenen te slaan. J3 een penibel geval was dàt zeker en ze deden zich in elk huishouden voor, dat las ze zelf net. En weer wees Schuit: ... làngs een omweg. Nu schoot ze in een luiden lach. Geschrokken keken de heeren, als waren ze op iets betrapt, haar aan. 142 - Doorspek uw woorden niet met vreemde talen, ons Hollandsch is rijk genoeg, schrijven ze hier ... Nou dat zeg ik ook, en nou hier doorspekke ze alles met Maleisch ... Maar terwijl ze weer uit haar boek opzag, betrapte ze werkelijk Schuit erop, dat hij een beweging tegen haar man maakte. - Wat hebben jullie toch, vroeg ze achterdochtig, om het bizonder onnoozele gezicht, dat Schuit dadelijk trok. - Eh ... der ... der zat een muskiet op zijn hoofd, stotterde hij snel. Ja hier, hielp Van der Kooy, maar nou is ie al weg. - Lastig die muskieten toch, he en je raakt al zoo'n beetje door je hare? Mij steke ze alleenig maar in me beenen. 0 zeg, daar had je strakkies moeten lezen, waar stond het ook weer ... o hier ... ik heb het al ... hoor es ... "Als een kind doodgeboren is, dan moet men condoleeren ... hoe vinj-je 'm ... o zeg heb ik je dat verteld van nicht Merie, die heb ook een doodgebore kindje gekrege. Wat die stakkert daaronder geleden het ... acht j3ar hebben ze er op gewacht en toe was het een doodgeboren wicht. - Och I Er ging Van der Kooy ineens een licht op ... Ze had het van zelf over kinderen. - Och, herhaalde hij diep medelijdend, een dóód... doodgeboren kind? Kassian I - Ja kassian he? Zeg Dirk, doorspek je taal niet met vreemde woorden. Naar, he? - Was het een dochter? vroeg Van der Kooy met veelzeggende blik naar Schuit. - Nee, een zoon ... ja, da's geen kleinigheid. - Vooral als je er zoo lang naar verlangd heb, beaamde Schuit veelbeteekenend. - Apropos Schuit, hoe is het toch met die zoon van Dinges ... van Pietersen? waagde Van der Kooy nu langs zijn neus en keek Schuit opnieuw veelbeteekenend aan. Schuit kende geen Pietersen en stotterde dan ook even: - Die zoon van wie? - Van Pietersen! Je weet wel. En snel maakte hij beweging van "omweg". 143 - Oooh, ja, die zoon van die Dinges ... Pietersen, Ja ... o goed, heel goed ... die groeit als kool. Voldaan over zichzelf herademde Schuit. Omdat mevrouw doorlas en niets vroeg, begon Van der Kooy ... - Ja weet je vrouw ... die Dinges, die Pietersen, zie je, dat is iemand van een naburige onderneming... die heeft een... voorzoon. - Een wat? - Een voorzoon, dat is een zoon van voor zijn huwelijk, uit zoo'n Inlandsch huwelijk. - 0... net zooiets as hij? Met haar duim wees ze naar Schuit. - Ja juist, net zooiets als hij, als Schuit. - Ja juist, beaamde Schuit verlegen, zooals ... Schuit! Ik I En omdat Betje in die voorzoon ditmaal niet belangrijks scheen te vinden en iets in het boek zocht, vervolgde Van der Kooyweer. - Zie je ... de kwestie is .•. nu is hij kortelings getrouwd .•. - Wat een gemeene vent •.. met zóó'n verleje. En weer las ze. Van der Kooy keek geschrokken naar Schuit. Het begin was niet erg bemoedigend. Schuit vond het ook, en hoopte nu maar dat Van der Kooy er vandaag toch maar niet mee door zou gaan. Maar Van der Kooy was koppig. - Ja, maar ... zijn vrouw weet eigenlijk nog van niks. - Nou dat is maar goed ook. Wat niet weet wat niet deert. Gemeen benne die manne toch. - Och, hier in Indië. - Jij met je hier in Indië, ik zeg dat ze gemeen benne ... Zoo'n arme vrouw. Nee Schuit, zet maar niet zoo'n gezicht. Ik bedoel jou niet, jij bent niet getrouwd, maar zoo' n man, waar hij van vertelt, te gaan trouwen, als je al een zoon hebt ... je zei toch een zoon niet? Met veel nadruk bevestigde Van der Kooy, dat het een zoon was. Nou weet je wat ze met zoo'n vent, die al een zoon heeft, 144 - Oooh, ja, die zoon van die Dinges... Pietersen, ja ••. o goed, heel goed ••• die groeit als kool. Voldaan over 2:ich2:elf herademde Schuit. Omdat mevrouw doorlas en niets vroeg, begon Van der Kooy ••. - Ja weet je vrouw ... die Dinges, die Pietersen, ûe je, dat is iemand van een naburige onderneming.. . die heeft een. •. voorzoon. - Een wat? - Een voorzoon, dat is een zoon van voor zijn huwelijk, uit zoo'n Inlalldsch huwelijk. - 0... net zooiets as hij? Met haar duim wees ze naar Schuit. - Ja juist, net zooiets als hij, als Schuit. - Ja juist, beaamde Schuit verlegen, zooals .•. Schuit! Ik! En omdat Betje in die voorzoon ditmaal niet belangrijks scheen te vinden en iets in het boek zocht, vervolgde Van der Kooy weer. - Zie je ••. de kwestie is .•. nu is hij kortelings getrouwd •.• - Wat een gemeene vent ... met zóó'n verleje. En weer las ze. Van der Kooy keek geschrokken naar Schuit. Het begin was niet erg bemoedigend. Schuit vond het ook, en hoopte nu maar dat Van der Kooy er vandaag toch maar niet mee door zou gaan. Maar Van der Kooy was koppig. - Ja, maar ... zijn vrouw weet eigenlijk nog van niks. - Nou dat is maar goed ook. Wat niet weet wat niet deert. Gemeen benne die manne toch. - Och, hier in Indië. - Jij met je hier in Indië, ik zeg dat ze gemeen benne ..• Zoo'n arme vrouw. Nee Schuit, zet maar niet zoo'n gezicht. Ik bedoel jou niet, jij bent niet getrouwd, maar zoo'n man, waar hij van vertelt, te gaan trouwen, als je al een zoon hebt ••• je zei toch een zoon niet? Met veel nadruk bevestigde Van der Kooy, dat het een zoon was. - Nou weet je wat ze met zoo'n vent, die al een zoon heeft, 144 ~G cu"" cu ~ ~ CIÓ ~~ a. c -c '" .. on cu -c c .'":< c a. " .§~ .0 " -.; cu c .9 ë " > c . o c u~ cO;:; :~~ ~o.o ... ~ ::Ö Cl ë ... Ci o -E > " o c ~ 'f; on C " E .~ ::> o N I ~ ~ > - " . v~ ~ ~ c " 1! " Cl. " " "" " N -" " .~::t :; ê o " ""Cl) -'" c :::- ~ ~..c tt,- o " :; ~ .' " ~ " =§ c Cl en dan trouwt met een vrouw zonder der haar iets van te zeggen, moesten doen? En omdat niemand iets vroeg, vervolg deze:, - Kielhaken ! ! ! - Geen halve maatregel, zei Schuit zacht en keek naar zijn vriend. - Nee, dat is' een heele maatregel. Zou jij zoo'n vent ook niet kielhaken, Van der Kooy? - Ik .•. ik hem kielhaken ? Och dat hangt van de omstandigheden af ... - 't Is hier, vergoeilijkte Schuit, een heel ander land dan Holland, we zijn hier breed van opvattingen, weet u. Betje keek hem oprecht verontwaardigd aan. - Och jullie altijd met je breed van opvattingen. Ik begrijp er niks meer van. Daareven mag Dolly niet eens met Nittel uitgaan. Op de naam van een jong meissie zijn ze niet breed. Paardrijden mogen ze in Indië niet, maar als iemand doet zooals die meneer ••. hoe heet-ie ook weer? - Ja ja ... Dinges, eh ... Jansen! En daareven zei je Pietersen. - 0 ja, bedoel je die'? Ja Pietersen! - En als je doet zooals die firma Jansen en Pietersen en je trouwt zonder dat je dat arme mens eh vertelt, dat je al een voorzoon heb, dan mag dat wèl, zijn ze wel breed van opvattingen. Jullie neme hier de breedheid van opvattingen ongeveer net zoo as het uitkomt .•• Breed, smal ... Een voorZoon dat is breed. Met een meisje gaan rijden dat is weer smal. En aan mij, die pas uit een fatsoenlijk land komt, vraag je dat allemaal uit mekaar te houwen. Zoo'n vent zou ik nooit meer ankijke! Van me leven niet! Maar wat praat ik, waar was ik ook weer? 0, hier ... het jonge meisje in gezelschap. Nou dat is niks meer voor mij. Hier, dat is misschien wat, over de zorgen voor de huishouding. D an zag ze dat Schuit weer iets wenkte. - Weer zoo'n muskiet op zijn hoofd'? Jij schijnt een aantrekkelijk hoofd voor muskieten te hebben. Zeg, en wat zijn jullie stil. - Je wou toch lezen, meende Van der Kooy. 145 Suikerfreule 10 en dan trouwt met een vrouw zonder der haar iets van te zeggen, moesten doen '? En omdat niemand iets vroeg, vervolgdeze:,-Kielhakenl!! - Geen halve maatregel, zei Schuit zacht en keek naar zijn vriend. - Nee, dat is een heele maatregel. Zou jij zoo'n vent ook niet kielhaken, Van der Kooy? - Ik .•• ik hem kielhaken '? Och dat hangt van de omstandigheden af ... - 't Is hier, vergoeilijkte Schuit, een heel ander land dan Holland, we zijn hier breed van opvattingen, weet u. Betje keek hem oprecht verontwaardigd aan. - Och jullie altijd met je breed van opvattingen. Ik begrijp er niks meer van. Daareven mag Dolly niet eens met Nitte\ uitgaan. Op de naam van een jong meissie zijn ze niet breed. Paardrijden mogen ze in Indië niet, maar als iemand doet 2;ooals die meneer .•. hoe heet-ie ook weer '? - Ja ja .•• Dinges, eh ... Jansen! - En daareven zei je Pietersen. - 0 ja, bedoel je die'? Ja Pietersen! - En als je doet zooals die firma Jansen en Pieters n en je trouwt zonder dat je dat arme mensch vertelt, dat je al een voorzoon heb, d1n mag dat wèl, zijn ze wel breed van opvattingen. Jullie neme hier de breedheid van opvattingen ongeveer net zoo as het uitkomt ..• Breed, smal. .. Een voorZoon dat is breed. Met een meisje gaan rijden dat is weer smal. En aan mij, die pas uit een fatsoenlijk land komt, vraag je dat allemaal uit mekaar te houwen. Zoo'n vent zou ik nooit meer ankijk ! V. n me lev n niet! Maar wat praat ik, waar was ik ook weer? 0, hier ... het jonge meisje in gezelschap. Nou dat is niks ml:er voor mij. Hier, d:lt is misschien wat, over de zorgen voor de huishouding. Dan zag ze dat Schuit weer iets wenkte. - Weer zoo'n muskiet op zijn hoofd? Jij schijnt een aantrekkelijk hoofd voor muskieten te hebben. Zeg, en wat zijn jullie stil. - Je wou toch lezen, meende Van der Kooy. I45 Suikerfreule 10 - Hij denkt aan Pietersen, probeerde Schuit toch nog even ... Het zou toch goed zijn, als hij het zijn vrouw d"delijk zei. Beter laat dan nooit. - Praat me niet over die kerel, je zou 'm zijn oogen uit zijn hoofd moeten halen. Ik ga eens naar mijn eten kijken. - D aar staan we nou, zei Schuit droog, toen ze weg was. - Zeg het nu zoo iemand eens. Nou begrijp je ook beter, waarom ik meende te moeten wachten tot ze Indisch werd. Is goed op weg. Ze draagt al een sarong en studeert vormen ..• Dien avond toen de heeren naar de kleine soos van de suikerfabriek waren, vroeg Betje: - Zeg Dolly, ze zijn heel moeilijk die vormen, zou je me eens willen overhooren en me helpen '? Wat zijn conventioneele begrippen'? Is dat wat anders dan penibee1e gevallen'? Wat moet je nu zeggen'? Heel aangenaam kennis te maken, en hoe hoog moet je dan je hand houden '? Van Wielandt greep zoo hoog .•• - Alles wat u natuurlijk en gewoon doet is goed, mevrouw 1 - Zeg ik ook kind, maar is het Indisch'? Zeg, je laat me man maar praten, hoor. Als je rijden wilt met Nittel d n doe je wat je goed dunkt. Ik zie er niets penibeels in. We kunnen het best samen vinden, hè '? XXII De volgende dag ging rustig voorbij. Niets wees erop, toen men na de rijsttafel even in de voorgalerij uitblies, d t het conflict zich vandaag zou toespitsen. Juist toen Van der Kooy naar de fabriek wilde gaan, zag hij hoe zijn vrouw plotseling de lucht opsnoof en dan ge146 decideerd het erf opliep en naar de heg snelde. Dan klonk haar stem in vinnig afgestemde vriendelijkheid: - Mevrouwtje! Mevrouwtjéee Brouwers. Heel aangenaam kennis te maken ... Ja ik bedoel u, mevrouw Brouwers. Wat ruiken uw blaren weer lekker. Je zou der Boldoot van maken en we hebbe heelemaal geen muskieten meer op het erf . •. geen enkele. We zijn wat blij, dat de rook nou onze kant uitkomt, ja heel blij . .. Wacht u maar af tot de wind es de andere kant opdraait, dan zullen we der u van late profiteeren, dat uw muskieten stervend op de vloer legge te rollel Daar ken u van opaan. Dan zelle we uw muskiete eens uitrooke ..• hoort u mevrouwtje? H et antwoord kwam prompt.. . De stem was niet minder schel. - Ik u toch niet geroepen, mevrouw? Ik toch niet helpe, dat die wind zoo raarr, nu eens deze dan weerr die kant op, ja, gaat u ook ruks niet an ja, wat ik doe, ja! - Och kom I Betje teemde het treiterig, met nabootsing van haar Indisch accent, ik zei toch dat we het prettig vinden, ja? We genieten ja ... laat die wind maarrr gerrrust zoo rrraarrr, ja, laterrr komt-ie rrraarrr bij u, op visite ... Ja! - Als wij niet blJarrre rrrooke, wij ziek ... Brouwers toch I zoo maIarrria, maar totok begrrijpt niet, ja'?. - Wie zegt er nu wat van dat rrrooke en de malarrria ..• ik ::ei alleenig maar dat we Boldoot make, al twee halleve flessies, foor op onze zakdoeken... ja? Ze stonden nu ieder aan een kant van de heg. Mevrouw Brouwers, als een woedende hond, blafte venijnig: - Ik zal u eens wat zegg'n mevrrrouwtje ... voor u veel beterrr ja, niet zoo schrrreeuwen als magerrr speenvark, ik ben Njonj Satoe hier •.• en ik wil niet, dat zoo'n ruzie .•• En u heb te gehoorzamen, ja I - Ik Wie gehoor rzamen? Aan jou. Wel nou nog mooier ..• - En ik zeg, ik wil niet ZOO ruzie, ja ••. kwe totok kerot ..• - Wà-seit-u '? - Niet zoo schreeuw, zeg ik. Djam sadja ... 2;oo'n Njonja 147 Doewa. .. en nu zwijgen, anders zeg ik u opbrreken, ja! - Zwijg jij liever ... waarvoor mot ik zwijgen, wie schreeuwt er ... ik of jij ... En je schreeuwt niet eens in fatsoenlijk Hollands eh. Onze taal is rijk genoeg ... Doorspek uw taal niet met vreemde woorden ... Van der Kooy 1 Dirk kom es hier ... - Gotv ... vloekte deze. Hoor je nou die vrouw van me? Maakt ze daar ruzie met mevrouw Brouwers. Nee, ik ga er niet heen. Me positie is ermee gemoeid. Als die vent me er uit pest. Ga jij, Schuit. Maar wat moet ik zeggen. Zeg, dat ze hier komt. Maar zij hebben samen het woord. 't Kan me ook niks verdommen, wacht even! Met een sprong was Van der Kooy het erf opgeloopen, daar greep hij door het dolle heen zijn vrouw bij een pols en trok haar met een vaart mee naar binnen ... - Vrouw, siste hij, vrouw, hier vrouw! Hou je bek! Doch eenmaal in haar vaart gestuit, bleef mevrouw in de binnengalerij woedend stJJn. - Wel nou nog mooier ... Nou wordt ie goed. Scheldt dat wijf me in zeven talen uit, die ik niet ken verstaan, en zal ik bij jou nog ongelijk krijgen ook? En ze vervolgde woedend: - Ik zeg Mevrouwtje, wat ruike die blaren weer lekker, precies zooals je me gezegd heb en nou scheldt ze me uit voor speenvarken en voor . .. - Gila se kali ! klonk heesch vanaf het erf de stem van mevrouw Brouwers. - Hoor je het, en nou weer voor gila skai ie, wat beteekent dat. Maar de stem ging door . - Brouwers! Hoor jij d n toch, die Njonja DoewJ, weer bezig ja. DJar he je der weer. Jullie bent allebei mijn getuigen ... heeft ze het gezegd of niet ... Ik zal der aanklage, me twee getuige heb ik. Wat beteekent gila skalie ... - Dat je gek bent, heelemaal gek! - Zij is gila skai ie en wat een taal, 't is of ze met vischhakies in der keel gorgelt, gila skalie . .. Zij zal nog zoo gek wezen as ik. En we zulle haar ... - Vrouw!!! - We zulte hààr nummere, Njonja Satoe, Njonja Doewa, mevrouw een en mevrouw twee ... Vanwaar ben ik maar twee. Zoo zwart as me Zondagscbe laars. " God weet of ze zelf niet een voorkind is, of ze wel met hem getrouwd is ... Ze zijn hier zóó erg breed van opvattinge. En meteen driftig weer het erf opdravend, riep ze terug. - Jij bent zelf gila skalie, en waarvoor wou je zoo'n drukkie tegen me hebben met je swarte snoet ... Ia-me liever je trouwboekie eens zien .. . Of hebbe jullie hier in dit breeje land niet eens een trouwboekie noodig? Met geweld trok Van der Kooy haar weer de voorgalerij en daarna de binnengalerij in. Nou hou je Je bek, we zijn hier niet in Amsterdam ... - Bedaar toch Elisabeth, suste Schuit verlegen. - Schuit, wil je ons even alleen laten, vroeg Van der Kooy met klem. Dikke aderen stonden gezwollen op zijn hoofd. - Ja ... graaaJag, graag hoor ... heel graag. Ik heb er niets mee te maken. Haastig ging Schuit na.:lr zijn kamer. Over het erf hoorde hij de woedende stem van mevrouw Brouwers, die telkens hoog oversloeg ... en de kalmeerende stem van haar man, moe-zoemerig daartegen in. En in huis die van Van der Kooy. 149 - Vrouw, zei d eze .•. bevend van drift, nou eens en vooral •.• ja of nee ... Je hebt te kiezen, wil je je fatsoenlijk gedragen ? Zoo niet, dan ga je subiet naar Holland terug, met de eerste boot. .. Daar in Amsteldam kan je verder schelden, zoo hard als je wilt, hier in Indië hoort zooiets niet thuis. - Heb jij watjes in je oore ? - Watjes? In me oore? - Hoort hier niet thuis, heb je hààr gehool d of niet? Wie heeft er gescholden, zij of ik, die gila skalie. - Doet er niet toe wie gescholden heeft, jij hadt je als dame moeten gedragen. Jij hadt je mond moeten houden, zoo doet een dame. - Docht ik het niet, dat ik weer de schuld zou krijge? - Begrijp je niet, dat je me op die manier op straat gooit, vierkant op straat, dat haar man nu Van Wielandt zal overhalen me mijn ontslag te geven en dat in deze malaisetijd. - Kan me niks schele, moet ik da, rvoor me mond houwen? Moet ik, om I ndische dame te zijn, van me hart cen moordkuil maken? - Je hebt rekening te houden met mijn promotie. - Goed, haal der de pe motie 00 maar bij. - En ik zeg je, je hebt dat varken hiernaast beleedigd, zij is nu eenmaal de vrouw van de eerste machinist, jij van de tweede ... en nu ga je op staande voet naar der toe en maakt je excuses, zegt dat je overspannen was van de hitte, dat je niet precies weet, wat je gezegd heb, maar het niet zoo bedoelde •.• Hier in Indië ..• Met verbazing hoorde Betje hem Joln. Ze z_tte haar handen in de zijde op haar kebaja, die scheef hing over de afgeza ·te sarong. - Vooruit maar, weer hier in Indië ... En dacht j.: nou heusch, dat ik zoo weinig karakter in me ziel had, dat ik tegen zoo' n gila skaI ie nog excuses zou make. Jij met je permotie, welke kerel laat zijn vrouw zeo op der kop zitten ... Hier in Indif. - Je doet het dadelijk, of anders ••. ik zweer je, ik stuur 15° je terug met de eerste boot, ik laat me van je scheiden. - Wat scheie? Wou jij scheie ? Ik wil scheie, dat is wat anders. Is't niet erg genoeg da'k hier in Indië moet komen om te merke dat ik een man heb, die zijn eigen vrouw vernegligeert, der d~or een zwarte op der kop laat zitten . . . Ik wil scheie ... - Jij bent vrij, ga je gang! . - Ja maar jij ben nog niet v1'Ïj. Je zal er geen plez1er van hebben ... M aar scheie kan je ... zoo direct as je wil. - Toe menschen, maak nu geen ruzie, kwam Schuit sussen, voorzichtig met het hoofd om de deur. - Maak ik ruzie, bitste mevrouw, ik? . .. Heb ik wat gezegd? Schuit kwam langzaam naar voren. - Toe nou •.. geen van beiden meenen jullie het zoo .. . Ik weet wel, jij zei niks, en hij zei niks, het eene woord haalde het andere uit en toen kwam er zwijgend ruzie. Jullie meenen het niet. .. - Ik wel, donderde Van der Kooy woedend en waar bemoei jij je mee, Schuit. Betje zag dat Schuit zich geschrokken wilde retireeren. - Nee blijft hier. " ik zal je zeggen hoe het kw<,m. Hij bemoeit zich er voor ons eigen bestwil mee ... die Schuit heeft tenminste nog een hart. - Ik wou alleen maar zeggen . .. - Ben jij getrouwd geweest, Schuit? vroeg Van der Kooy. Nou hou dan je mond. Ik ga naar kantoor. Naar de fabriek. En ik blijf erbij, ik kan dat niet uithouden. En jij Betje, je kan met de eerste kist weer naar Holland gaan. Ik groet jullie ... Met groote schreden ging hij het erf over naar de kantoren. Gelukkig m JJr, zei Schuit zacht. - Wat gelukkig? Dat we scheie gaan? - Och nec, natuurlijk niet ... Als hij nou strakjes van de fabriek terugkomt... wees dan kalm ... Bits wees meV10UW hem af ... - Ik heb je niks gevraagd, Waar bemoei je je eigenlijk mee. Laat me alleen ... Hij wil scheie, goed, hij 2;.11 scheie, ik ga meteen naar me zuster schrij:ve. dat ik kom met de eerste vliegmachine. En ga nou weg, JOU ken ik ook niet meer zien. 15 1 XXIII Driftig zoekt ze naar papier. Schrijven 2;.11 ze ... en dadelijk. Haar logica is vrouwelijk en gaat ondoordacht recht op een doel af. Welk is haar onverschillig! Hij wou scheiden. Hij had het duidelijk gezegd. Zij hoorde zijn woorden weer,> in woedende drift geuit. Dat was nou zijn dank. Zij kwam naar Indië om hem. En hij wil scheiden enkel en alleen, omdat ze die roetmop van hiernaast haar welverdiende vet heeft gegeven. Zoo waren de mannen. Ze overwoog niet, dat zijn woorden enkel in driftige dreiging waren geuit. Ze wàren geuit! ..• Dus gemeend. Geestelijk moegeslagen door tropisch klimaat, geïrriteerd door hitte en emoties, konden haar hersens des te moeilijker realiseeren . Als Dolly er nu maar geweest was, dan had ze haar alle nood kunnen klagen, maar die was weer met Nittel uitgereden. Gelijk had ze ... Jeugd zoekt jeugd. Nu was ze alleen. Van der Kooy wou scheiden. In haar vrouwelijke fantasie zag ze de gebeurtenis reeds als feit. De scheiding was uitgesproken .•• Ze zat weer in de lucht naar Holland. Ze kwam weer 10 haar straat terug als gescheiden vrouw. Haar winkel nu in andere handen. Oude bekenden zouden bij haar komen, ze zou ze alles precies zeggen zooals het gebeurd was, dan konden ze oordeelen, aan wie de schuld lag. Ze zouden haar gelijk geven en tegelijk beklagen. Ze zouden lachen ook. Stilletjes lachen. Nu haatte ze ineens haar kennissen, vriendinnen, en verwanten, die lachen zouden. Ze zouden zeggen ... twee kijven, twee schuld. Maar had zij nou schuld? Mocht je nit:t eens wat terugzeggen, als je uitgescholden werd. De fantasie galoppeerde met haar weg. Ze hadden het haar wel gezegd •.• Haar voor dat ellendige land gewaarschuwd. Heel heel alleen stond ze. Was Dolly nu maar hier ... dan zou ze Dolly alles zeggen, maar die was I52 nog uit. Als dat kind maar geen ongeluk häd gekregen, zoo boven op die groote paarden. Er kwam een jongen het erf op ... Zijn geûcht had ze toch al eens gezien, al was hij een vreemde. Wat leken ze toch op mekaar, die menschen in Indië. Wat moest hij hier? D e jongen kwam regelrecht naar de voorgalerij. Nu zag ze het. De huisjongen van meneer van Wielandt. Zij rukte hem driftig den brief uit handen, las: "Mejuffrouw Van der Kooy. In handen" en scheurde hem open. - He? hoe heb ik het nou? Een brief voor mij. En mejuffrouw? Netjes. Had Mk best Mevrouw kenne zette ... Hier in Indië waren geen juffrouwen. Alles was mevrouw. Mevrouw Brouwers .•• Wat wou die Van Wielandt nu weer van haar? Dnftig zocht ze naar haar bril en las. Haar oogen werden groot, haar mond rondde zich van verbaûng. - He? Wat hebbe we nou? Met nerveus meelispelende lippen las ze •.• half overluid, op haar eigen wijze den brief. Hooggeachte Mejuffrouw, Er zijn momenten in het leven dat men zijn gevoelens beter op schrift kan brengen dan ze persoonlijk uit te spreken. De helaas te zeldzame gelegenheiden dat ik uw nabijheid mocht genieten .•• - Nee, die is goed, stamelde ze onthutst en keek nog eens naar de onderteekening . " En haar oogen werden zoo mogelijk nog grooter: uw liefhebbende Hendrik van Wielandt ! - lc;-ie stapel? Of ben ik het? Ze tastte met de hand achter zich naar de rieten bank, viel er op neer en las verder: .. •dat ik uw nabijheid mocht genieten, deden mij het leven als nieuwe openbaring voelen. U heeft een onuitwischbaren in- !53 druk op mij gemaakt. Noem het zooals u wilt, een liefde op tt eer$te gezicht, voor mij is het een groote, een onwankelbare liefde. - Goeie griet. Ze wischte zich het zweet van het voorhoofd, waar het in groote druppelen te parel n begon. Mij ontbrak den moed het u ronduit te zeggen, omdat ik niet zoo jong meer ben, al is mijn hart ook heel jong. Maar leeftijd kan immers geen bezwaar zijn voor geluk. Wilt u mijn vrouw worden? U zoudt mij de gelukkigste aller $tervelingen maken en ik weet het zeker, mij ook leeren liefhebben. Ik zou u meenemen op een huwelijksreis naar Europa en daar op de handen dragen. - Wat overkomt me ... is-ie gek? Dus heeft Dirk hem nou al gezegd, dat we scheiden gaan? En opnieuw las ze •.. Ik zal, als u het mij niet schriftelijk verbiedt, om vijf uur persoonlijk uw antwoord komen halen. Inmiddels met de innigste gevoelens van liefde en hoogachting, zal ik steeds zijn, wat ook uw antwoord zij uw liefhebbende HENDRIK VAN WIELANDT . Betje zat met de oogen te knippen. Indien nu alle boomen van di t tropische vreemde landschap plotsding met de takken of palmbladeren op den grond en met de wortels in de lucht waren gaan staan, indien de tafel plotseling onder hJar handen was weggewandeld ... of indien ze ineens in hJar eigen straat was ontwaakt, waar bleek dat alles slechts droom was, zij zou niet zoo verbaasd in deze omgeving hebben rondgezien als thans. Zij zat naar adem te hijgen, steeds maar rond te kijken, eerst het erf op, dan naar de fabriek. Zij keek de voorgalerij 154 door, bevoelde zich aan de armen en dan uitte zij eindelijk weer haar verbazing met een: - Is ie stapel? Of ben ik het? Ze herlas den brief en herlas dien nog eens, bekeek van alle zijden het papier, om te zien of de oplossing van het raadsel misschien achterop zou geschreven staan. Het was gewoon dik luxe-papier met een kroontje en in een gewone enveloppe gesloten geweest. D e jongen van Van Wielandt had het zelf gebracht, haar adres stond duidelijk buiten op die enveloppe geschreven. En dat schreef die meneer van Wielandt aan haar, aan een getrouwde vrouw. D at was nu de breedheid van opvattingen op zijn breedst. Nog niet eens gescheiden en voor dat je gescheiden was, werd je in Indië al weer gevraagd. Van der Kûûy had hem zeker in de fabriek of op kantoor meteen gezegd, dat hij scheiden zou. En nou kwam Van Wielandt over een half uur. Met oogen groot van verontrusting bleef zij om ûch heen zitten kijken, voelde nu en dan eens aan den brief om zich te overtuigen dat het lIes werkelijkheid was. Nee, in Indië, in dat vreem e Indië schenen ze voor niks te staan, maar ook voor niets . Wat een verdorven ... wat een onzedelijk land. Maar nu kon Van der Kooy eens zien. Hij wou scheiden omdat ze zijn permotie in den weg stond ... en nou werd ze meteen door een suikerlord gevraagd, een jonkheer. Zijn promotie in den weg? Nee maar, die was goed, daar zou die van ophooren. D n zat ze weer met groote oogen voor zich uit te staren, naar dat vijandige landschap. Een fabriek, een laan, witte kantoorgebouwen, een erf, die zij te zamen Indië dacht. En zag in dit landschap op den weg ineens voor zich opduiken de gestalten van Nittel en Dolly, te paard, stappende naast elkaar. De jeugd. Verli fd. Wat toch niet mocht in Indië. Terwijl in haar hand de brief was van Van Wielandt, die vroeg ... Haar gedachten werden een chaos, die onontwarbaar scheen en haar den brief haastig deed weg frommelen in haar kebaja ... 155 - Goed, zeg jij het haar dan, zei Dolly zacht, als je het dan persee wilt. Zoo kan het toch ook moeilijk blijven. Als jij denkt het op een goede manier te kunnen zeggen. Mogelijk doe je er vader en haar een dienst mee. Waar is Amat nu, ik zal de paarden wel even naar stal brengen, ga jij maar vast. Ze zagen nog hoe mevrouw Van der Kooy ha3stig in de binnen galerij verdween, schichtig naar hen omziend. xxrv Met twee sprongen was N ittel in de voorgalerij. - Hallo, mevrouw één oogenblikje! Betje bleef staan. - Wat is er, vroeg ze nerveus. En weer doorvoer haar de angst als straks bij het ontvangen van den brief. Wat zou er nu weer zijn in dit vreemde Indië. Ze zag Dolly met de paarden om het huis loopen, Nittel alleen in de voorgalerij staan en kw m haastig na:l1' voren met kloppend hart. Als er eens iets met Dirk gebeurd was ... hij had een tropen hart. - Wa-wat is ... er? - Ik wilde u even spreken. - .. To-och n-n-niets met Van der Kooy? Ze vroeg het snel! HlJ begreep haar even niet en omdat zijn taak nict aangenaam was, maar moest worden doorgebeten, bleef hij even aarzelen. - Nee, niets met Van der Kooy, m3ar ••. Nog niet precies wetend hoe aan te vangen bleef hij toch be~remmeld voor haar staan. Het was eigenlijk geen kleinigheid lets te vertellen, wat van zoo groot belang was en zoo ingrijpend 156 kon werken op een huisgezin. Maar de positie die Dolly hier innam, was meer dan ergerlijk. Het moest. .. en hij zocht een inleiding. - U heeft, mevrouw, zei hij zacht ... misschien wel ge merkt, dat Dolly en ik van mekaar houden. Mevrouw herademde. Weer een aanzoek, dacht ze, 't zat in de lucht. Maar nu gelukkig om een ander. - Zou ik niet, zei ze, met goedigen humor ineens, ja ik heb daar mijn oogen in mijn zak. - We zijn van plan met elkaar te trouwen. Betje tastte naar den brief in haar keba;a. - Ja, beaamde ze met een zenuwachtig lachje. Dat is gewoonlijk zoo, wanneer menschen van elkaar houden. Tenminste ... Hier in Indië misschien niet. 't Is zoo'n raar land. Als ze van mekaar houden, er kwam een pijnlijk-wrange bitterheid in haar stem ... willen ze wel eens scheiden ook. Maar dat zeg ik erbij vóór je nog gescheiden bent, willen ze al weer met je trouwen, daarzal Van der Kooy van opkijken ... Opkijken zal ie. - Hoe bedoelt u? vroeg Nittel totaal verbaasd over de wending, die het gesprek ineens nam. - Ik st niet te liegen. Van der Kooy wil scheiden . Hij heb het me strakkies zelf gezegd. " M ar dàt zal-ie weten, ik ken direct weer trouwen. Nittel stond te kijken alsof iem nd hem een klap op zijn hoofd had gegeven. Hij was zoo vervuld van zijn eigen huwelijk, dat dit hem onzin scheen. - Dat zal hij weten, d, t je nooit te oud bent om te trouwen. Zij was weer geheel vervuld met haar wraak. - Te oud? Ik? .. bedo..!!t u soms, d.t ik ... - N\.e, jou bedoel ik niet. Nitte1 poogde zich in te denken, wat de zin van haar woorden zou kunnen zijn . Van der Kooy wou scheiden, zei ze. Men was noolt te oud om te trouwen. Hij floot tusschen de tanden .•. er W,lS ruzie gekomen .. . Van der Kooy had zelf al iets gezegd? Ze bleven elkaar even aan zien, dan vroeg Nittel, eigenlijk nog niet volkomen ingelicht, doelende op Van der Kooy. 157 -Heeft hij het u d an zelf gezegd, , , - Nee, ze tikte met nadruk op den brief ... hij heeft het me geschreven! Hier, zwart op wit. Ze ston~en tegenover elkaar, ieder vervuld van eigen gedachten, dIe elkaar tot~a l niet raakten. En voor Nittel weer begrijpen kon wat de strekking van haar woorden was, vulde ze aan, in behoefte van toch aan iemand haar geheim toe te vertrouwen: die er bovendien al iets van scheen al te weten: - Zwart op wit. " hier , '. lees maar! Ze vouwde den brief plechtstatig open en viel meteen driftig uit: ' - Maar ik, wil ,niet!: ., Ik denk er niet aan, " Alleen kan je lezen, dat als Ik WIlde, Ik geen vinger hoefde om te draaien en zoo de vrouw van een suikerlord kon worden, .. Het staat er duidelijk. Ik wou 'liet scheie! Hij wou .. . Ze kon niet doorgaan. Tranen schoten haar in de oogen, .. Hans bleef haar vragend aanzien", Maar mevrouw commandeerde : - Lees, H ans las, Zijn oogen werden grooter. Het handschrift, dat hij toch zoo goed kende., Las weer en nog eens, " eerst met open mond, d an zacht flUItende door de tanden. Hij keek naar de ~nveloppe, dan naar het groote mooie administrateurshuis d t In de verte door de boomen schemerde. Zijn handen balden zich tot vuisten. - Nou zie je, het staat er, het staat er, bewees mevrouw met breed gebaar. - Zoo'n ploert, zoo'n ouwe bok, siste Hans. Mevrouw begreep hem weer niet geheel. .. Ze voelde toch meer het compliment, dat er lag in den brief. Voor haar! Ze had behoefte den schrijver te vergoeilijken: , - Och dat moet je nou zoo niet zegge, .. je weet niet of het met waarachti~e liefde is. " 't is hier zoo'n raar land. En hij is ook zoo oud met. Je moet denken, er is hier in Indië gebrek aan vrouwen. Dàt is bekend. Hans moest haastig een lach bedwingen, herhaalde werk158 tuigelijk haar laatste woorden ... - Ja er is gebrek aan vrouwen, dat is bekend! En dan die frissche Hollandsche kleur ... die u nog hebt. " misschien heeft die het hem aangedaan. En nu hield hij met uiterste moeite een schaterlach in. Betje bloosde even: - Toe nou ... Maar zeg me eens Nittel, en ze kwam dicht bij hem staan, als zocht ze in het geheim bij hem raad ... - Wat moet ik nu doen'? ... Dat is nu een penibéel geval. Ik denk er niet aan .. . Van der Kooy is altijd goed voor me geweest, ook al heeft hij zijn drift-buien. Maar je moet denken, hij heeft een tropenhart. - E en wat'? .. - Een tropenhart, hij zou erin kunnen blijven. Zeg jij me nou eens, hoe moet ik hem afschrijven . .. zonder, zal ik maar zeggen, zonder dat van Wielandt kwaad wordt. Nittel keek eens naar haar, " Eigenlijk begon hij nu pas goed de situatie te realiseeren, begreep hij de vergissing, die ont staan was doo het adres: mejuffrouw van der Kooy. Hij knikte, een jolige gedachte schoot door zijn hoofd. - Mevrouw I zei hij heel serieus ... wat u doen moet'? U moet niet afschrijven. Ja, zoo moet het. Een brief zou hij niet dadelijk begrijpen, volg u nu mijn raad eens, t1 moet het hem zelf zeggen. - J a. Zacht zeggen ... dat ie niet kwaad wordt, he? De promotie van me man .. . - M aak u nu daar weer niet heelemaal bezorgd over ..• dan komt in orde .•. Volgt u dan mijn raad, zeg op mijn verantwoording, niemand iets ... tegen niemand ... L aat Van Wielandt strakjes rustig komen en zeg het hem dan .. . zacht! Als een begrafenis, dacht hij in een lach, die nauwelijks te bedwingen was, .. hij moest het onderhoud snel beeindigen. - Wat een penibeel geval, hè Nittel '? Hij drukte haar de hand ... - Sterkte, mevrouw, stt:rkte, rust alleen kan het hem doen, zeer penibel, u hebt uw man lief. Zeg dat, tegen van Wielandt. dat zal hij billijken. 159 - Maar Van d er Kooy zal weten, weten zal-ie, wat ik voor hem heb afgeslagen. - Ja, d at moet hij weten. M aar nà afloop ... nà afloop. Haastig ging N ittel heen. Bijna te haastig. Op den weg voor het huis reeds stikkend in den lach om Van Wielandt, die strakjes komen zou ... Dolly, die in het paviljoen gewacht had, zag hem lachen, begreep niet .•. keek geschrokken vragend. - Dolly laat mij even bekomen, ik heb niets gezegd ... Ik durfde niet, D olly, er hoort een moedig man toe, om zooiets te zeggen . Een zeer moedig man. Een held. Jouw held ... Van Wielandt. Tegelijk held en idioot. Die komt straks bij haar. Hij zal het haar zeggen . " Blijf uit de buurt. Kom mee, mijn wagen staat nog voor. " wij gaan rijden in vliegende vaart rijden, dwars door het djattibosch, dat de stukken eraf vliegen. Daar heb ik behoefte a:m. XXV Eigenlijk heeft ze nog een vage hoop.Dat Dirk terug komen zal voor Van Wielandt. Nerveus, telkens bijna struikelend over haar sarong, loopt ze in de voorgalerij heen en weer ... Als Dirk nu kw. m, zou ze hem toch alles ::eggen ... Ze kijkt naar hem uit, zonder het zelf te willen ... Maar het blijft leeg op het groote fabriekserf. Vijandig schijnt alles haar a:m te loeren. De palmen, de zon, de indelooze kebon tegen de hellingen. ZÓÓ eenzaam is ze in haar lev n nooit geweest. Nu moet zij handelen, alleen handelen. Ja Nitt I heeft haar goed en eerlijk geraden. Goed dat hij kwam. Zij voelt de hitte nu drukkender dan ooit, Indië is een wreede vijand. .. Amechtig zinkt ze in een stoel. - Njonja besar! Met een kreet van schrik springt ze op. Achter haar was de huisjongen gekomen, die, neergehurkt, het met een zacht bescheiden stem had gezegd: - Njonja besarl - Ellendige beroerling, wat laat je me weer schrikken ... Wat is er, wat moet je . .. àppà! - Saja minta perskot, njonja besar. D e ontsteltenis voorbij, is die afleiding haar eigenlijk bijna welkom. Alleen is ze niet gerust over het doel van die komst en het ongewone van dat nu heel beleefde neerhurken . •. - Wat m oet-je? Appà!! - Saja minta perskot, njonja besar. - Gut, wat nou weer, ik mag hangen as ik er een woord van versta. En Oessin, die Hollandsch beter verstaat d an zij Maleiseh, lichtte nog eens toe: - Saja minta perskot. Limabias roepia. D oet dan een lang Maleisch verhaal over zijn moeder, die gestorven is en begraven moet word en. - Zoo! Jawel Oessin, knikt ze kordaat ofschoon ze niets begrijpt. Oessin, reeds dankbaar om het jawel, buigt het hoofd bijna ter aarde van respect voor zulk een N jonja besar, die voorschot geven wil. Maar nu schrikt ze hevig. Ze ziet den jongen voor haar neergehurkt, eenige malen het hoofd in sembah buigen en begrijpt niet. - Nou mag ik hangen. " denkt ze koddig, als die ook niet bezig is een liefdesverklaring tegen me af te steken. Oók op het eerste gezicht ... - Trima kassi banjak, '" teemt de jongen en buigt opnieuw, heel beleefd en diep het hoofd ter aarde. Met een preutsehen ruk trekt ze de sarong nauwer om de beenen, duwt met haar voet den jongen terug ... 161 160 Suikerfreule I I Er is een diepe verontwaardiging in haar. Meer tegen Indië dan tegen dezen bediende. - Zeg kijk vóór je ... leelijkert, hoor es, wat denk je eigenlijk wel. Goeie hemel, wat een land ... dat is de tweede op één dag. Je bent hier je eer niet zeker! Ben je nou heelemaal stapel, leelijke zwarte roetmop, aap! Zeg pas op, ik roep me man .•• - LimabIas roepia ... saja poenja Mah mattie ..• - Dirrèk! gilt mevrouw opeellS heel luid. De jongen wijkt verschrikt terug voor de kreet die hem een amok-roep schijnt. Schuit komt snel uit de mandikamer aanloopen. - Wat is er? Wat heb je? - Kijk! Ze wijst naar den jongen aan haar voeten. - Nou? - Hij doet me een liefdesverklaring of zoo iets .•. - Een liefdesverklaring of zoo iets? Schuit schiet nu werkelijk in den lach... Lach, die met blik van diepe verontwaardiging door mevrouw Van der Kooy wordt beantwoord. Daar lacht hij om ... dat vindt hij niets in Indië .•• - Apa boleh Oessin? vraagt Schuit rustig. - Saja minta perskot, toewan besar .•. limabIas roepi saja poenja Mah mattie ..• - Hij is geloof ik wèèr beug! - Maak je niet ongerust, licht Schuit in ... hij vraagt alleen maar voorschot ... - Voorschot? Op wat? - Op zijn loon... En zich tot Oessin keerende : - Jij beroerde vlegeL •. alweer voorschot? Kwee gila, ja .•. Kwee belon bajar !ain perskot, dan sekarang soedah minta lagi? .• En Betje die voelt dat het een schrobbeering is, omdat ze gila heeft verstaan ... scheldt mee: - Twee kilo!... Sodaminmin toelaki... twee kilo. De jongen wijkt steeds meer terug. 162 - Hij wil vijftien gulden voorschot hebben, zijn moeder is dood. Om haar te begraven. Mevrouw kijkt snel naar Oessin. Een golf van medelijden welt in haar op. - Je moeder dood? Arme-.jongen, had-dat dan dàlik gezegd, kassian, zijn moeder dood? - Nee heelemaal niet kassian ... die jongen liegt, een paar weken voor je kwam, ging zijn moeder óók al dood, toen heeft hij van mij vijftien gulden gehad om haar te begraven. Nou wou hij z'! nog eens van jou trachten los te krijgen. Ik zou werachies wel eens willen weten, hoeveel moeders die jongen gehad heeft. Nou hebben we hem vijf jaar bij ons ... en hij heeft al driemaal gevl"aagd om voorschot om een vader te begraven ... - Wat seg-je, heeft -ie drie vaders gehad? - Nou dat zou ik me kunnen begrijpen, maar je hebt maar één moeder. En nou wil hij jou geld aftroggelen om de tweede te begraven, die vlegel! Pigi lek as . .. andjim! ..• Oessin glijdt geluidloos als een schaduw uit de voorgalerij weg ... - Pilde lekas, twee kilo, roept ze ijverig mee ... en dan tot Schuit: - Wat zeg je ... drie vaders, en ... hoeveel zei je ook weer, twee moeders? Wat een familieschandaal. .. Ik wil die jongen geen dag meer in me huis houden ..• Hij moet eruit, hij moet dadelijk pikie lekassen. - Nou ja, maar dat moet je niet zóó opnemen ... hij is een Inlander, het is alleen maar om medelijden op te wekken. Je moet ze kennen, dat laat gemoedereerd een stel vaders en moeders doodgaan om aan geld te komen ..• - Dan wil ik hem ook niet meer in huis hebben ... als ik 'm zie zou ik altijd a1n zijn drie dooie vaders moeten denken ... - Och daar maken wij ons niet dik over in Indië .•. Nu wordt Betje werkelijk boos... Dat hier in Indië heeft haar ineens weer herinnerd aan wat haar wacht. En wat dat "hier in Indië", haar reeds aan misère gebracht heeft. - Hier in Indië, valt ze uit, maken jullie je geloof ik over 163 niets dik. Wat een ander mensch z'n fetsoen en eer is, vinden jullie hier gewoon! Drie vaders, twee moeders ..• da's niks! Vrijen met een meisje da's wel wat. Maar onderwijl staat Dirk haar af te z~enen. Uitgerookt worden is niks ... der wat van zeggen, is wèl wat. .. Een voorzoon hebbe is niks, vier soorten kinderen hebben is ook niks ... zoo ineens willen scheie is ook niks ... en voor je goed en wel gescheie bint, dan ... Ze zwijgt plotseling, kijkt Schuit vijandig aan, als is hij er de schuld van, dat ze zich bijna ~erspreekt ... Ze knijpt de lippen opeen, kijkt vinnig over den weg of Van Wielandt misschien nog niet in aantocht is en zegt twee maal achter elkaar, als een bedreiging •.. - Nou, ik zal het onthouwe ... Onthouwe zal ik het .•. En valt dan geagiteerd uit, omdat ze hem weg wil hebben ... - Wat doe je hier eigenlijk? Waarom sta je zoo te draaien, ben je niet goed? - Ja heel goed ... heel goed ... ik ... Schuit zwijgt. Hij had willen probeeren iets te zeggen over de ruzie met Van der Kooy. Hij zou alles willen doen, om het weer goed te maken ... - Zeg ... begint hij aarzelend. Bazig valt ze uit: - Heelemaal niets te doen vandaag? Schuit schrikt: - Och jawel. .. maar je weet na den maaltijd. Als we weer gaan malen, dan ... - Nou dan wou ik dat jullie gauw gingen malen ... anders ga ik malen. Altijd die mannen over den vloer. - Ik wou alleen maar zeggen ... - Niks te zeggen, je mag je wel eens gaan scheren. - Ik ben vanmorgen pas geschoren. - Dat zal dan gisteren wel zijn geweest, je bent zoo zwart als die Njonja Sàtoe van hiernaast. - Nee, 't was vanmorgen ... maar het haar groeit zoo hard in Indië. - Weer wat nieuws in Indië ... Nou groeit het haar der weer hard. En ... wou je gaan zitten 1 Ze heeft zijn beweging naar een stoel gezien... Dan zal ik je maar ronduit 164 zeggen: Ik kan je nou niet hebben, je moet ook pikie lekassen. - Maar ik wou nog zeggen ... - Zoo wou je wat zeggen • . . nou dan zal ik je eens wat zeggen ... ' ik heb wel over wat anders te praten, als ~i~k straks terugkomt. Daar zal je van ophooren ! Alleen zal 1k Je dit zeggen . •. als ik wou ... nee, ik zeg niks I En met 'n ruk klemt ze de lippen op elkaar. Schuit krijgt een gevoel of het ineens heel koud is in Indië. Zijn kwade geweten zegt hem iets ... Weet ze wat1 ... Waar zal hij van ophooren 1 ... - Je hebt toch gelijk, stottert hij haastig .•. vallende over zijn eigen woorden .•. Het was gisteren, ik ga me even scheren. Nou voel ik het ook, het is hoog tijd... Ik ben heelemaal zwart. .. Meteen komt de Amsterdamsche humor weer in haar op: - Zal je je goed overscheren, Schuit? Ik wil je het eerste uur niet zien. Maar snel dempt ze haar stem. Ze heeft Van Wielandt gezien, die den weg oversteekt. XXVI Hij heeft zich gestoken in donker pak, de butterfly fleurig gestrikt onder dubbel staand boord, de haren liggen aandoenlijk verzorgd over den doorschemerenden schedel, in de hand houdt hij een nieuwe ruiker passiebloemen ... Hij loopt wat links het erf op, poogt door de crees en palmen in de voorgalerij te zien ... en wil juist Sèpèdè roepen, als hij in een stoel in den hoek mevrouw Van der Kooy ontdekt. In zijn stem is duidelijk de teleurstelling: - Goeden middag mevrouw ... ik steur toch niet 1 Dolly had hem niet geantwoord. Dat beteekende, dat ze hem 165 ontvangen zou ... Hij wilde haar nu ook alleen spreken. Nu zat dat mensch er. Hij als hoofd van de onderneming, had er recht op, dat die machinistenfamilie hem niet in den weg stond. Hij keek nog eens rond of Dolly er misschien óók was, keerde zich dan weer tot haar en zei toch iets vriendelijker: - Steur ik niet? Betje .•. geschrokken, nu ze hem voor zich zag . .. geheel in het zwart, zoo erg officieel, poogde zoo deftig mogelijk te spreken. - Nee! Gaat u Ûtten. " nee zeker niet, u steurt niet ... ik zat, zoo gezegd, eigenlijk al op u te wachten. - Maer-re!. .. - Laten we meteen met de deur in huis vallen, meneer van Wielandt. - Jae, .•. jae, ik begrijp ... - Nou, ik heb uw brief gelezen! Van Wielandt zette groote oogen op. - U hebt mijn brief gelezen '? Betje van der Kooy begreep niet den nadruk, dien hij op U legde .•• ging al rustiger voort, als menschen, met levensdurf die gewoon zijn zaken onder de oogen te zien. - Ja ... ik heb hem gelezen! Verlegen draaide Van Wielandt met de passiebloemen. Wat had dat verdraeide mcnsch met ûjn brieven te maken, brieven van den administrateur. Maar hij achtte het beter bonne mine te maken. Mogelijk dat Dolly... ja ... dit was nu ook haar moeder. Hij rilde even bij de gedachte ... zei d. n: - Zoo. " dèt is goed, dèt is petènt ... Mag ik een stoel nemen? Oeff wat is het weer werm, mevrouw. Pann1s ... Echt kenteringweer .•. "Dus-se ... dus ... u h bt mijn brief gelezen, zeker, zek~·.. - Ja, u schreef ... liefde op het eerste gezicht. Van Wielandt meende tegelijk met eenige meewarigheid, ook iets als spot in haar stem te ontwaren, antwoordde scherp: - Ja juist, li fde op het eerste geûcht, dat is het .•. Ik ben nog jong .•. pas vijf cn veertig. 166 - Zoo-zoo, zei mevrouw met een uithaalt je ... is u vijf en veertig'? Zou je niet zeggen •.. Ze zweeg even en vroeg dan: - En hoe oud schat u mij '? Daar had ze het, ze zou het op den leeftijd gooien. Gevleid had Van Wielandt haar woorden aangehoord. Ze viel hem toch mee, misschien zou ze een bondgenoot kunnen zijn tegen die Van der Kooy. - Een goede veertiger, zei hij charmant. - Nee ... ik ben al ver over de veertig ... Och, ziet u, zei ze, zelf ook gevleid, dat doet die Hollandsche kleur zeker. Die hebben ze hier in Indië niet zoo. - Ja, 'die Hollandsche kleur ... Al over de veertig? Ik ben pèff. - Wa-zeit-u'? - Ik ben pHf pHf ..... . - 0, zoo, ja. En ik zie er nog jong uit voor me jaren ... Dat zijn misschien ook die sarong en kebaja, die maken je zoo jong. En ook Indisch. Ik moet Indisch worde ••. Kijk, ik heb nou me kousen ook al niet meer aan. .. echt Indisch, niet '? En veel koeler ... - Ja, ik geloof het wel ... rilde Van Wielandt, moedwillig den anderen kant opÛende. - As er maar niet van die lamme muskieten waren, die bijten me toch zoo. Kijk es .. . hier en daar, ik ût vol plekken. Van Wielandt week rillend terug ... - Hebt u het koud'? vroeg mevrouw goedig. Zit u misschien op de tocht '? - Nee ... ik heb het warm I - U zet een gezicht as een kat die aan de peper geroken heeft. Van Wielandt werd kwaad. Wat dat mensch hem al niet zei. Waarom bleef ze nu niet ter zake. Inplaats daarvan liet ze hem die akelige bleeke Europeesche oude beenen zien ... - Nee, nee, ik heb heelemaal niet aan de pepu geroken... 't zijn zenuwen. Een moeilijk moment, nietwaar? Is Dolly thui '? Nee, wees gerust, we zijn alleen ... Me man is naar de 16 7 fabriek en Schuit is zich aan het scheren. Ik wou u zeggen •• u bent dus vijf en veertig. - U vindt me toch niet te oud? Ik voel me nog bizonder jong, jonger-zelfs, dan toen ik dertig was. - Nee ik wou juist zeggen, wel èrg jong. - Ahi ... ahi ... jae. Het is waer. Men moet niet al te jong huwen, u heeft gelijk, volkomen gelijk mevrouw ••. sommigen schatten me veertig. Een mensch is zoo jong als hij zich voelt. - Ja maar juist dààrom, ik heb over uw voorstel nagedacht ..• - 0 zoo, 0 juist. .. 0 zèèr zeker. - En om nou maar kort te wezen, want me man kan elk oogenblik thuis komen... ik moet u zegge... het is ... nee u moet niet boos worden. " het is ... - Mon dieu, toch geen directe weigering? - Zoo moet u het niet beschouwen .•. Het is zeer vereerend, maar als ik aan die arme Van der Kooy denk. Nee ik kan er niet inkome. Hij zal het gemis zoo voelen. - Maer hij kan toch niet eeuwig .•. begon van Wielandt verbaasd. Maar ze viel hem kort in de rede: - Me besluit staat vàst! Van Wielandt bleef haar een oogenblik aa~ien. Hij haatte deze vrouw die ineens uit Holland gekomen was om zich met zijn zaken te bemoeien, die vergat dat hij administrateur van de onderneming was ... in ieder geval nog was .. . Maar hij begreep ook dat ze nu niet weg te cijferen viel, dat hij misschien door haar voor zich te winnen, zijn kansen verbeterde .•. Een weinig neerbuigend nam hij haar hand ..• zei met een poging iets weeks in zijn stem te leggen: - Mevrouw, verwoest u mijn geluk niet. Snel trok zij haar hand terug. - Asjeblieft geen handtastelijkheden, he, daar ben ik nog niet van thuis, ik ben pás in Indië. Hij begreep de plotselinge wending niet. " keek verbouwereerd eerst eens naar het plafond, dan weer huiverend naar haar voeten, witbleek in gebloemde muilen ... Nee, ik hou er niet van, jullie kunne hier in Indië zoo 168 breed van opvattingen wezen as je wilt •• . ik mot er niks van hebben. En dan een man als Van der Kooy, met een hart van goud, zoo maar ineens alleen te laten. - Maerre ... die heeft u toch ook nog? - Mij? - Ja u ... u!. .. - Nee! ... Ze sprong op. Nou word-ie werkelijk goed .•. Dàt is nou de breedste opvatting, die ik hier heb hoore verkondigen ... wou u dan dat ik óók nog bij hem bleef? - Jae!. .. U ... bij ... hem bleef! Ik ... begrijp u niet. .. Ik wou heel grààg, dat u bij hem bleef. .. Er begon Van Wielandt een licht op te gaan. - Fatael misverstand, geleuf ik •.. een heel fatael misverstand ... Vijandig stonden ze tegenover elkaar. - Zeg... hoe he 'k het nou met je ? Je schrijft me in je brief liefde op het eerste gezicht ... en wou je me dan met Van der Kooy deelen? Van Wielandt begreep. - Ik wil heelemaal niet deelen... fatael misverstand, mon dieu, u dacht toch niet, dat ik hier kwam ..• kwam .•. om u. " mon Dieu. Betje van der Kooy zag duidelijk merkbare afkeer in zijn blik. Ook zij begreep nu. Ze zette stevig haar handen in de zijde, legde het hoofd scheef op een schouder en keek hem aan. Ze keek zóó lang en zóó doordringend, dat Van Wielandt onder dien blik ineenkromp. - Ik kwam om Dolly .•. voegde hij er haastig aan toe, met een poging om heel flink en kordaat te schijnen en aan het misverstand een direct einde te maken. - Zoo'? ... zoo! ... Kwam je om Dolly'? •. En dat noem je een fataal misverstand, een mondjeu. Ik geloof dat jijzelf een fataal misverstand bent, om dan zoo'n brief direct aan mij te adresseeren. Nou dan kom je met de nachtschuit, ouwe, en je bent heelemààl aan het verkeerde kantoor. Wacht effe, nee die is goed .. . dat is om over te vertellen ... 169 Met groote ~tappen, de sarong hoog opgenomen, liep ze naar de deur, nep de gang in: . - ~chuit, Schu-it! ... Zeg kom eens eventjes hier ... Het IS om Je dochter ... , nee direct, der is haast bij. - Maar ik ben me aan 't overscheren, klonk het benauwd van achteren. - Niks over te scheren, kom maar zoo, en gauw asjeblieft. - Maer dat is weer een fatael misverstand, interrumpeerde Van Wielandt verbaasd. - Ja, fatàel is het, en mondjeu ook ... het is kila sekali .•• wacht, kom je nou haast Schuit. .. XXVII Schuit ?eeft zich dienzelfden morgen pas geschoren. Maar hij scheert ZIC~. opnieu~, omdat hij angst heeft. Dat zuivert zijn geweten. Hij heeft zIJn leven lang geen complicaties met vrouwen gehad, ?U ~jt hij er midden in. Door Van der Kooy. Hij voelt het dUI?ehJk. Ze wce~ iets ..Hij snijdt zich tweemaal. Ja, het ~aar groeIt toch harder 10 IndIë. En Van Wielandt is er, die zal ZIch zeker verspreken. " En nu ineens haar half bevelende half dreigende stem. Hij veegt haastig het bloed van zijn ge~ zicht ... schiet de toetoep aan en komt naar voren met de afwerende woorden, waarmee hij zich onhandig ook weer verraadt: - Ik ••. ik heb er niks mee te maken ... ik ... Dan ziet hij Van Wielandt, begint even te buigen. De: ba