XXII.
Wat mij betreft, ’k beken het gaarne, dat
Mij de- Amsterdamsche pers vooral doet dwepen‚ Met name op ’t Algemeene Handelsblad
Had ik het sedert lang en heb ik ’t nog begrepen; Ik teekende steeds aan, wat mij getroffen had,
V Met heele dikke, vette potloodstrepen.
Mijn exemplaar ziet dan ook zwart als roet, Zóózeer spreekt dat orgaan tot mijn gemoed.
XXIII.
Mais revenons ‘a nos moutons! ’k dwaalde af. Ik houd u op —— en gij wilt binnentreden. Och! dwalen is ons lot tot aan het graf, Vandaar dan, dat het feestbestuur met reden ’t Plan van ’t Paleis bij het programma gaf, Want anders zocht nù boven -—— dan beneden, Elk naar wat aan zijn smaak het beste past: ’t Zij kunstzaal, fancyfair —— of poppenkast.
XXIV.
Ja, 00k een poppenkast — en niemand schame
Zich deze pret. Ze is niet van Sampimon.
De taal is er gekuischt, zoodat een dame
Haar veilig zonder blozen hooren kon.
Ja, meisjes zelfs van achttien jaar, — versta me
Ik bid u wel, want ’k hoor uit goede bron,
Dat Hoon tout-pur, (wat voor haar jeugd verkeerd is) Hier, als op ’t Leidsche plein —— gestreng geweerd is.
XXV .
’t Is u te flauw dan — zegt ge, wat meer kleurs Behaagt me. O! zie door deez’ gekleurde glazen! “Wat massa’s daar beneên !”— neen! maar de beurs Zoû om haar volte u dan nog meer verbazen,
Of wel de Rechtbank, als de Procureurs
Conclusies nemen of op uitstel azen;
De Procureurs, voorheen bij ’t stuk benoemd —
En thans. . . .. een teelt, ten hongerdood gedoemd.
XXVI.
Bedenk vooral, voor — dat ge omlaag wilt keeren, Dat gij nog eventjes den beer bekeekt,
Die ergens rondwaart in de bovensfeeren
En ‘de’ ezel Bileams nastrevend — spreekt. Mevrouwtje! ’k hoor, dat hij van uw verteren (Wat hem in ’t leven riep), ’t geheim verbreekt. Uw naaisters onbetaaldî’. . . in Februari!
Mijn verontwaardiging stijgt boven pari!
. XXVII.
Zoo is er dan van alles hier besteld,
Wat maarlgenoegen aan een mensch’ kan geven; Hier wordt u, wenscht g’et‚ à. contant voorspeld Het lot, dat u de schikgodinnen weven; ' En daar bewijst gij, voor heel weinig geld, Hoever gij in het hakken zijt bedreven,
Op koek, wel te verstaan, niet —- zooals vaak, Op andrer overtuiging, godsdienst, smaak!
XXVIII.
Och! of men de’ afstand die de menschen scheidt, Niet onbedacht veel grooter nog wou maken Door hartstocht, die zich uit in haatlijkheid,
En scherpte, die men niet genoeg kan laken. —
Zie, wat deTram een zegening verspreidt,
(Althans zoo niet de sneeuw haar dienst deed staken) Omdat langs hare kromme of rechte lijn,
Wij Amsterdammers allen buren zijn!
XXIX.
Het leven worde eens, zij ’t na weinig jaren,
Een lange tramway-rit van wieg tot graf!
Reeds stond het vijftal hechte steunpilaren
Der Tramway-Maatschappij, zijn krachten af
Aan de Vereeniging, 4 die zorg en vlijt wil paren, Opdat ze een waardige uitvaart ons verschaf! Och! wierd ook Volewijk in ’t net verbonden, Opdat per tram we in ’t leven komen konden!
XXX.
Maar wat heeft dit te maken met het feest,
Dat ons op ’t rijk programma werd beschreven? Gij hebt gelijk, ’k ben lang van stof geweest,
’k Heb uw geduld een zware proef gegeven. Geduld is anders eene zaak, die ’t meest
Te pas komt in het Vaderlandsche leven.
Waar blijft, ik ‚noem één voorbeeld slechts uit veel,
Van “Lsvifls Ideëele” ’t Tweede Deel?
XXXI. En kon de erinn’ring overbodig heeten Dat, van wat ons verdeelt, en wat ons bindt, Het laatste alleen herdacht, het eerste dient vergeten? Nu gij weldra u op een feest bevindt, Waar Liefde en Eendracht, beide zijne peten ‚ U zullen tooien met de keten, Hem toegedacht, die zijne broedren mint! -
Maar ’k zie ’t‚ — de drang naar zulk een feest verteert u! Een woord nog slechts: geeft veel en amuseert u!
‘ De Naamlooze Vennootschap “Begrafenis-Vereeniging te Amsterdam.”
«u: —-'R'î"‘.;=_. *