agw „h: .—„a„.e—..—:+‚—.a;îne;: :_‚—‚e" a.“ ; ‚a- _‚.;z.—.‚—gu.—‚.

j! u l

EESEIJVÍETÜREËJQ

Amsterdamsche Causerie.

I.

De negentiende Februari is ’t,

Dat WILLEM III, de veelbeminde Koning

Van Nederland, wien niemand de eer betwist, Dat Hij; van de’ aanvang af Van Zijne kroning —— In de stad, (Amsterdam zoo men ’t niet wist) ‘Op ’t Dam-, thans Tram-plein, in de heilge Woning Der Nieuwe Kerk —— tot op den huidgen stond; Door woord en daad Zijn volk aan zich verbond,

II. ' r

’k Herzeg, ’t is op dien dag van Sprokkelmaand, Dat wij des goeden Konings jaardag vieren;

Dat elk van vreugd zich geleen jarigwaant,

En door de Kalverstraat, die vlaggen sieren, Boer, burger, militair en schutter baant.

Ja, schutter ook, e dat goedigste aller dieren, Den hemel dankend, mits de kolonel

Parade om ’t slechte weder afbestel.

III.

Maar in het jaar des Heereneén en tach-

tig, viert men reeds den avond van te voren

Een feest zoo éénig in zijn soort, zoo prach- tig, als nog nooit aan d’ Amstel werd geboren; Een feest, waaraan We lange nog gedach-

tig zullen zijn waarvan ons naneefs ooren

Nog zullen toeten, zoolang zon of maan

Te harer tijden óp en ondergaan.

IV.

Meld, Muze! de reden van dit feest, Verklaar, wat in ’t gemoed der Amstelaren

Tot zulk een daad de drijfveer is geweest.

Ik dacht, dat in ons land geen burgers waren, Zoo deftig, zoo fatsoendelijk van geest

Als zij, die aan den Ystroom zich vergaren;

Zeg, wend niet de Amstelmaagd haar blooden blik Van zooveel vrij- en losheid af, met schrik?

V.

Ontzettend klonk de maar door Hollands steden, Dat dijk noch dam aan ’t water weerstand bood; Dat de oude ellend, zoo dikwijls reeds geleden, Zich weêr op nieuw op Brabants dorpen goot.

En als van ouds werd daar om hulp gebeden, Maar, ook gelijk van ouds, was Holland groot

In redden, helpen, steunen, onderschragen

Van ongelukkigen, die bijstand vragen.

1 De dichter hoopt, dat dit couplet Professor AL- /

BERDINGK THYM om ’t enjambement behagen zal.

Vergelijk o. a. het opstel van Mr. BOHL, ln het J anuari-nummer van zijn Dante-orgaan. '

VI.

Maar stroomt het geld en goed van alle zijden, Nog sterker wast de stroom in Brabants veld. Mocht men zich kort geleden nog verblijden In ’t saldo, dat haast twee ton guldens telt, De Heeren, die zich aan ’t versaamlen wijden, Zij roepen: zend ons have en kost en geld.

_ Nood zegt niet ’tzelfde in geld- of watersnooden,

Van ’t ééne wordt te min, van ’t ander veel geboden.

VII.

Wanneer de filosofen waarheid spreken,

En ‘wie die hunne waarheidsliefde wraakt?

Dan is het vast en onbedrieglijk teeken

Van onzen tijd, dat elk van hartstocht blaakt Voor wat men, zonder zich het hoofd te breken, Genieten kan en slechts de zinnen raakt,

Of dit aan ’t hart een weelde ooit konde schenken, Gelijk de vrucht van strijden, bidden, denken.

VIIl.

En daarom —— schoon men ’t dus niet formuleert, (Wat soms den stillen burger t’huis deed blijven,) Wordt tot een monsterfeest geconcludeerd,

Tot hulp van allen, die in ’t water drijven.

Een feest, dat met ‘beleid gearrangeerd,

De Watersnoods-Commissie-kas moet stijven;

Mijn hemel! wat een lang en lastig woord, _

En dat in vaers! ——— ’t is waarlijk ongehoord.

IX.

Kon ’t zijn, dat zich geschikter avond bood

Voor zulk een plan, dan als we ’t feest bereiden Voor Hem, die in een andren watersnood

Naar ’s onheils plek de redders woû geleiden;

Voor Hem, de kloeke en onvervalschte loot

Van ’t fier geslacht, dat nooit naar zich deed beiden, Maar aan de spitse alomme zich bevond,

' Waar rampspoed dreigde op Neerlands dierbren grond?

X.

Kon ’t zijn, dat zich een meer gepast gebouw

Dan ’t fraai Paleis voor Volksvlijt uit liet denken, Waar men de kunst verstaat, om goed en gauw

’t Publiek iets nieuws, iets ongehoords te schenken? ’t Publiek, zie Multatuli! als een Vrouw

Gewoon, bediend te worden op zijn wenken

Wordt hier gestreeld, getroeteld en verwend

Soms Voor niet meer dan vijf-en-twintig cent.

MOTTO: Hans oeniam petimzis Daïnusque vicissizn ——f

XI. Maar heden is de entree niet zoo goedkoop; En daarom, voor ‘wij hier nu binnentreden, Vergun me een teedre vraag, die naar ik hoop, Uw grampschap niet zal wekken zonder reden, Want inderdaad ’t is hier een storrem-loop Op uwe beurs en geld-hoedanigheden. Mijn vraag is dus: of ’t u wel conveniëert Dat gij van avond zooveel geld verteert?

X[I.

Mijn woord er op! dat ik ’t u niet zou vragen

Had slechts de Raad nauwkeuriger gelet,

Of liever, met meer’ eerbied acht geslagen

Op ’t stellig voorschrift der Gemeentewet,

Die, sluiers hatend als Egypte-plagen,

’t Kohier, voor wie maar lust heeft, openzet.

Thans wordt de wet en schriklijkste aller zonden! De Kamer met een kluitje in ’t riet gezonden.

XIII.

’k Waar anders al eens naar ’t Stadhuis gegaan, Om mij met stipte zorg te vergewissen,

Door de kohieren even op te slaan,

Hoeveel zoowat van avond kunt missen.

Thans ! (’k wensch die wettenschenners naar de maan!) Blijft het een zaak van raden en van gissen,

Op hoeveel ge uw verdienste wel bepaalt,

En wat ge aan renten jaarlijks binnenhaalt.

XIV.

Thans kan"men ’t u slechts zeggen en herhalen, Met ernst en heilig overtuigingsvuur,

Waar ’t u ook lusten moge rond te dwalen, Waarheen ’t programma of uw smaak u stuur,

Pas op uw zakken! Gij zijt tot betalen,

In ons Paleis van Volksvlijt. —— ’t Is er duur. 1

’t Woord geldt er, dat weêrklonk van Dante’s snaren: “Wie binríentreedt, late alle hope varenf“?

XV. Want ziet! nog zijt ‘gij nauwelijks hier binnen,

Daar treft uw oog een breede vrouwenstoet,

Van welke een ieder U voor zich wil wi11ne11,. . .. U? maak u geen íllusie’s, arme bloed!

De! Vraag is maar, wat Van u valt te innen!

Het geldt. uw beurs! in ‘t minst niet uw gemoed, Uw beurs of portmonnaie is haar vergode,

En heden avond goud slechts in de mode.

_ XVI. Gij wist het en bleeft op een afstand staan, Gij zegt geen woord tot alle die Sirenen, Die om en voor u op en nedergaan.

Gij weigert aan haar lokstem ’t oor te leenen, 1 De Redactie heeft deze rz-njuriste bewering omtrent

overdreven duurte in het Paleis niet geschrapt, omdat zij

overtuigd is, dat niemand een humoristisch lied tot zijne

kenbronnen der waarheid rekent.

n’ Variant: Wie binnentreedt, denk’ langer niet aan

sparen.

AVv.

Maar ziet van vèr haar wondre schoonheid aan,’ En durft u dus volkomen veilig meenen; Rampzaalge! de betoovring smake u zoet! Ontgoochling echter volgt haar op den voet!

XVII.

Nooit tegelijk zaagt ge op dit ondermaansche,

Zoo rijk kostuum en schoonheid bij elkaar,

Uw oogen gaan te gast op dïtaliaansche,

Straks op der Elzas dochter goudgeel haar,

U boeit der Rùssin kloeke leest —- der Spaansche Gitzwarte hoofddos wordt uw blik gewaar,

Hoe gij haar vriendelijkheid (’t is enkel toeval!) zegent, Als ook haar donker oog uw oog bejegent.

XVlII.

O, Byrons harp was eens uw ideaal.

En zijt ge zijn Ohilde Harold soms vergeten, Nog heugt u de verheven dichtertaal

Die Cadiz’ dochter ’t wellekom mocht heeten. 1 The girl of Oadiz! zij was duizendmaal Veel schooner, naar het oordeel diens poëten, Dan al de maagden van het Noorderstrand, Hoe zacht, hoe blond ook en hoe languissant!

XIX.

En nu, die girl of Oadiz moogt ge aanschouwen, Zou ’t waarheid wezen of een ijdle droom?

Gij viert, vergeefs gepoogd haar te weêrhouen,

Uw schoonheidszin den vollen‚ vrijen toom,

Gij roemt haar oogen straks , helschijnende flambouwen En aanstonds eenen spiegelklaren stroom,

Verdiept in weelden, die uw ziel vervulden,

Wordt ge opgeschrikt door: As je blieft tien gulden!

XX.

Tien gulden? zegt gij, ik heb niets besteld! Tam,‘ pis! is ’t antwoord, zoo hebt gij gestolen Dien blik, als trouwens uw ontroering spelt, Dien gij nog in uw ooglid houdt verscholen; Zoo zijt ge een dief, maar heden avond geldt De regel anders in de strafrechtscholen

Een ketterij : “wie ’t dubbele wil voldoen,

Is Van vervolging vrij en Van rantsoen.”

XXI.

Gij ‘onderwerpt u, gij betaalt en zucht,‘

Schoon bleek van drift en blakende van tooren. Wel had van de’ aanvang af ’t publiek de lucht Van hooge prijzen, maar zie, kort te voren Weersprak de krant dat lasterlijk gerucht;

En spitst niet ieder reedlijk mensoh zijn ooren, Wanneer de pers: de koningin der aard,

Wat waar en oud, ’k meen nieuw is, openbaart?

1 Zie: Ohilde Harold, Canto I bij Strofe 84.