Ëagcijeuôe gelaat.

Freude‚ schöner Götterfunken, Tochter aus Elysium, . Wir betreten, feuertrtinken, Himmlische! dein Heiligthum. ——

Het feest van den dag heeft zijn gebreken. De zon zelve heeft vlekken, maar de gemoedelijkheid van den een en de spitsvondigheid van den ander dichten het fouten toe, die het met bezit. Zegt men niet dat het ongepast is, feest te vieren waar duizenden in nood verkeeren en hoe de juichtoon daarbinnen aandruist tegen den lijdenskreet ginds? Stille, bescheidene Weldadigheid, die haar werk verbergt, zietdaar de ware! en zij, die ter markt gaat en pronkt met haar werk is slechts ostentatie en schijn. De traan is het waardig offer, dat fijngevoeligheid brengt aan het lijden;

maar lagchen en feestvieren zijn wanklanken.

Ik spreek niet‘ tot hen, die de openbaarheid en vrolijk- heid met verontwaardiging afwijzen, maar die vergeten in stilte offers te brengen en voor wie de deftigheid het masker is voor onverschilligheid en eigenbaat, —— maar tot de waarlijk welmeenenden, die tot motto de‘ schoone spreuk kiezen: dat de linkerhand niet mag weten wat de rechter schenkt. Zeker‘, het is eenlieflijker toon, die, welke zacht en innig wegsmelt, dan die schelklinkend trilt, maar toch vormen zij beiden bestanddeelen van het volle akkoord der liefdadigheid. De eene verbergt zich schuchter, de ander toont haar werken als voorbeeld en aanmoediging; de eene is de heilige dochter des hemels die wij vereeren, '-—-de ander de levendige en opgewekte dochter der aarde, die met‘ volle borst het lied der vreugde zingt, maar de bewondering) tot munt slaat en daarmede laaft en troost.

Lagchen is zoo verkwikkend, ‘als het niet is het ruw gebrom van zelfzuchtig genieten, niet de uitdrukking van minachtenden .spot, niet het doorzichtig masker van onwe- tendheid en fingemanierdheid, maar die geestige, vrien- delijke glimlach, die verstand en hart in ééne liefelijke uitdrukking vereenigt; die de vrolijk glinsterende oogen tot luchters heeft, en die het gelaat verlicht zooals de zon- straal het landschap.

GEDRUKT BIJ C. A. SPIN & ZOON.

De poësie is niet in denlvorm ‘maar in het wezen, en‘ naar mate dat wezen méér waar, méér oprecht, méér humaan is, met de gebreken en eigenschappen aan _, het menschelijke verbonden, naar die mate zal de menigte het beter begrij- pen, wellicht assimileren.

Als de ‘Weldadigheid engelen-vormen aanneemt, wordt zij voor ons eene geheimzinnige mythe; maar als zij troont in helverlichte zalen en vertolkt wordt door lieve, smaak- volle, schoone en geestige vrouwen, door aanminnig blozende meisjes; —— als ze de dwaasheden der opgewondenheid, door haar tooverstaf omzet in voedsel, kleeding, huisraad, hulp, —— als zij geloof aan het leven en vertrouwen op God terug- brengt in de harten der noodlijdenden, dan is zij wel de werkelijkheid, maar omstraalt door ‘hooger glans; het kind der aard, maar de goden-bruid.

En bovendien, het lagchen is zoo gezond het ge- neest ons van die Duitsche ziekte, die men “Weltschmerz” noemt; van haar Engelsche zuster “het spleen” en haar Hollandsche nicht “het land.” Wij zijn opgewekter, toege- vender, meêwariger, als wij eens goed gelagchen hebben. DIKCENS en BEETS hebben méér tranen gedroogd dan hon- derd goedhartige maar vervelende filantropen, en meer levens- wijsheid doen ingang vinden dan duizend wijsgeeren, en het “lagchende de waarheid zeggen” was reeds de gulden les van den Latijnschen dichter.

Weldoen, (dat is wegschenken, wat ons zelf lief is ter wille van anderen die het méér behoeven dan wij) -— is reeds een gelukkig begin; maar het te verrichten met een vrolijk gezicht en een opgeruimd gemoed, zie, dat voltooit de goede daad, omdat het haar het neêrdrukkende der zelfverloochening ontneemt.

Of vindt gij het werkelijk zoo zelfzuchtig dat ge- nieten voor ’tgeen wij geven? Het is de zelfzucht vanpden nijveren landman, die het zaad neerlegt, dat niet alleen hem, maar duizenden dóór en met hem zal voeden; de zelfzucht van den bezielden kunstenaar, die zich zelf den roem koopt met de schepping van ’tgeen ons hart treft, onzen smaak en onze verbeelding veredelt, onzen geest» verheft. O

En daarom! —— verachting voor de farizeesche deftig- heid der sehijnheiligen; eerbiedige waardeering van de schroom- vallige terughoudendheid der gemoedelijke kniesooren; maar laat ons kinderen zijn van het jonge, frissche, bruischende- leven, met den zonneglans der vreugde op het gelaat en den gloed der Weldadigheid in het hart! .

Il

rêmei hint in teer 3. Âítmeriìjk ‚diesels.

Ëflfiäääîîïéäe "Ëonsonmá DE VOLMLLE ËGECHEES A LA BÉCHAMEL ÍÈLLET DE BOEUF CHAUFRGIJ) i ËoeLARoEs EN GELEE äaLanE nE HGMARDS

Champagne Wijn, per Flesch. . . l. . . . . . ‚,7.

essence;

„ÈALAEE DE HOMARDS

‘ËRÊME BELLE EELENE

gogcgáss A LA BECEAMEL ËWLET DE soLEs A LA RUSSE

{ÈESSERT ijEssEm‘

. Petaaaannna. 3 Bier, per Glas. . . . . . - - - - f 358 Broodjes met Vleesch, Zalm of Kaas. . . . . n 30 Koffíj en Thee, per Kop . ,_ - - - - - j - - - M 050 Grog en Punch, per Glas . . . . . j- - - - - 7a O-

REÏËTAÜRÄWEE.

' Koffij en ‘Thee, per Kop . . . . . . . n gëg .Gr0g en Punch, per Glas . . 71 -— v Engelsche Bieren, per halve. Flesch 79 0gb Mineraal Water, per Fleschje . . n 0-50 Broodjes met Vleesch, Zalm of Kaas. _ . - - 79 Û- O Oesters, per g Doz1jn f r.-—, per DOZIJI’) . . . - - 2-- ËEWËNTEËNIJE ÊËUWEGËEË KWËËÊ Gewone Bordeaux- en Ríjnwijn, per Flesch. - - 99 3 Fijne Bordeaux- en Bourgogne Wijn, per Flesch . . . 5

IJs-Sorbets, per Portie en Glas . . . . . . . . I-- Marasquirl, per Glas. . p. . . . . . —. . n 05° j GHAMF&GWE BÀR.

Champagne per Glas _ . . . . . . - - - - 99 h" . Bordeau)? e}, Rjjnyvijn, Likeuren, als: (cognac, enz. p. Glas 0.52 Sandwiches, per btuk”. . . . . . . . . . . a9 0-2 Oesters, per half DOZIJH . . . . . . . . . . 7a 1-’-

Het Comité van Uitvoering:

Ma. W. VAN DER. VLIET, Voorzitter. W. J. DE BORDES, 151° Secretaris.

31m. Ma. J. E. HUYDEGOPER, Mn. H. ZILLESEN, C. E. DE CORDES,

JOAN H. SCHMITZ, j Penninsmeeters.

j 24° Secretarissen.

x

ureaun a: u Lav/‚aau-„y „I: .

í

_l

C W /»/. VER .rre‚e__‚í'4 ‚i