l i \

y V itinniijeiîi. Hoe Nederland zich tegen ’t woeden. kantte

Der golven, en haar aanval wist te weren, Werd roemvol in de Hel vermeld door Dante. 1)

Hoe veel te grootscher moet door ’s hemels sferen De faam dan niet der edelen weêrklinken,» Die, liefdevol, thans nood en rampspoed keeren

Der armen, die gered zijn van verdrinken; Maar bij het tweegevecht van dood en leven Het dierbaarst soms in ’t water zagen zinken.

De naam Van elk, ver boven lof verheven, Die zich grootmoedig hier ter hulpe haastte, Verdient tot eer zijns lands met goud geschreven,

Want groot is elk, die goed is voor den naaste!

/Í“__“ËÍ_’_

Wien de wijsbegeerte niet baat, dien schaadt zij.

I) Inferno Z XV.

De overtuiging, die men ‚vermag te verdedigen, „volge men, kan het, met, moet het, tegen den stroom. De kracht der menigte bestaat in haar aantal en Valt daarmede. Het zijn de eenheden, die hare waarde bepalen.

Boven het voorschrift staat de wet; boven de wet, het recht; boven het recht, de Idee; boven de Idee, het Ideaal. Naar dit laatste te streven is ’s menschen plicht. Het nooit te bereiken, zijn noodlot.

Niet lang geleden waren gvoor- en tegenstanders der nieuwe spelling het oneens. Recht met een ch of met een g —— genen wilden het eerste, dezen het laatste. Van de schijnw bare verwarring maakte eene oude jufvrouw gebruik, door recht met een d te schrijven. En niemand kon het goede mensch aan het verstand brengen, dat ham schrijfwijze zeker fautief is.

Aldus, onze materialisten.

Waar Wijsheid verzuimde te voorkomen, Snelt Liefde toe om te helpen“.

Waar duizenden in stille smart of dër‘ felste wanhoop ter prooi naar uitkomst smachten en hun n0od„ ten hemel schreit,‘ daalt-de engel der barmhartigheid neder om lafenis te brengen en hulpe. Het menschelijk vernuft spitst zich op de middelen, om den jammer en de ellende te verzach- ten. Wèl hem, die uit onweêrstaanbaren aandrang des ge- moeds, zich aangordt om- naar vermogen aan het liefdewerk deel te nemen.

/

o/Éé/Îävà...

Ter nagedachtenis des Vaders dien men eert,

Wiens warme dichtertaal zoo menig hart deed gloeien, Werd van der dochter hand een enkel woord begeerd, Waar, door den nood gedrukt, zoo vele tranen vloeien: Zij hoort des Vaders stem, die in haar harte leeft,

v En roept tot Neêrlands volk:

“Gezegend Hij die geeft.”

w? wame/‚eáá/zz/

De roepstem van Liefdadigheid, dat machtig tooverwoord, Is in het Hollandsch hart nog nooit vergeefs gehoord.

ìieít suuìi ínel lniilen nat men raeìJt sebafte om 11e heîiillern int ìJe ínereiìr te helpen, ìiie niet heelen meugijt Dat IJe lnerelìJt heer gang gaet; inant kIeeìJt men siei) net en juist, ’t is terstnnîit: hars een kermispnp. ìäast men op ìie hoegijiiiekijeih ban siin persoon niet, ’t is: siet hars een siuìwerijnos, IJais een sultus. Qlìaet men stil en seijirìteiiieít‘, ’t is: nerts ìJe hruiìit. QEaet men haerìiig: ijn loopt te post. âpreeki men lneinigi): m; meet niet een inuorn een 11e merels te brengen; spreekt men heel: 't is een ratfelaer. (äaet men ter kereíten: ’t is een pplaerhiiter; blijft men er haan IJaen: in; ramt in keren iwcijt in kluis. ilflnent men ijem met anìierlni sakenz. 't is een. heseijitkai, hemoenal, nnìierìninìits . heel. iíflneit men siebîmet niemannts siinaerig- ijeiìn: "t is geen man ban ìJïe hrienîJen.... äi inorìrt het heìiilt en herisnt. . .. gsuix Iiat mocht iet: beleven Dat 11e lnereit eens gesunhert meer hun sulrke heìiilallen, itensmiisen en

betweters, ieít sou lier met hermaekt inesen. (P. Cz. Hoorr.)

lâhìaier- äigmjenie.

Eeuwige vlakte, Levenloos, machteloos monster, Hoe stil ligt ge tusschen rotsen en strand. Meeuwen bespotten U, als zij krassend en zwierend Moêd’ U geleund zien op ’t stuivende zand.

Schrikbare vijand, Woeste verderver, zeg weet ge Wel waar uwe kracht en uw zwakheid begint? Zephyrs verschijnen, Die met vleugleir U kitt’len, Machtige zee, en gij lacht als een kind.

Kil zijn uw watren, Fletser dan flets nog uw konen, Dof blikt ge langs ’t eindloos verre verschiet. Stralen der zonne, Zilveren sterrekens strooiend, Drenken met licht haar die zelve niet ziet.

Schuimende heuvlen,

Buldrende baren, wegschìetend

In afgronden, dondren een dreunende klacht: Wagglende kinderen

Wanend zich schrikbare reuzen:

d’Indruk der kus van Boréas, die lacht.

Glinstrende beekjes,

—— Lachjes der bergen en wouden Hoe dartlen zij, klaterend, zingend hun lied! Zangtoon en stemme,

Vroolijke en droevige wijsjes Leert hun de bergrug‚ zij‘ kenden ze niet-

Lustlooze zeeën, Droomrige plassen, gij Vvaiïeìl, Onnoozlen! mist alles. .. behalve gewicht,- Wijken de dammen, Dalen, vervloeien en zinken Zult ge tot waar ge ten bodem weer ligt.

Sterwlingen echter Minnen uw aanschijn, de menschheid

Beschouwt U als ’t beeld van haar eigen bestaan:

Wijken de Zephyrs ,

Geesten en Goden, —— bewustloos Ligt zij ter neder: —— haar kracht 1s vergaan. ' RANA.

j_‚AF— OF FEESTIGHEDEN.

BOUTADE.

Als mannen van het vak

Den stroomgod konden leeren

Zich telken jare niet

Van ’t rechte pad te keeren, Dan hield de stroom zich bij zijn vak, En ik —— de duiten in mijn zak!

NOG EEN.

Ik heb het land aan het water. EEN SCHIEDAMMER.

WATERSNOOD-ASSONANTEN.

Was ’t water snood door watersnood, Ons koningrijk was steeds ’n koning rijk, die redding bood.

Maar zij bij watersnood het water snood Ons menschlijk hart zij niet onmensohlijk hard, voor d’armen landgenoot.

Al blijft het water snood, och! tegen watersnood Zorg dra de waterstaat; zoo hij het water staat, i wordt hij ons reddingboot.

AAN DEN DRUKKER VAN DIT FEEÉTNUMMER.

Druk, drukker dra dees druk, Opdat de druk niet drukker drukke!

or DE wÁrERsNooD-POËETEN.

Wie zich onbedreven Op het ijs begeven, Vallen vóór ze staan Op de gladde baan. —— Wilt dat niet vergeten, Watersnood-poëeten !

NOG EEN.

Munnichhausen blies zijn deuntjes, maar de koude vroor ze vast, Tot ze ontdooid in ’t huis weêrklonken, waar ’s avonds was te gast. Na de watersnood-ellende, zijn we ’t water-dicht ten prooi.

Welk een dooi !

ÍDUNTDICHTEN OP GRATIS-LEVERANTIËN.

Op Bicker en Modderman, den Overste der Schenkeren.

Men giet maar al te vaak veel water in den wijn,

Waar ’t andersom geschiedt, mag Neerland dankbaar zijn.

Op Van Laar.

Ook ziet men —— hoe het zilt met tal van oesterschelpen

Den zoete-waters-nood recht zusterlijk komt helpen.

Op Zomerdijkgmissínk, den Overste der Bakkeren.

Die, waar het water wast, het brood ons niet onthoudt,

Dat hij in sneê bij snee tot fijne sandwichs vouwt.

Op . . . . .. A l’eau mousseuse inondant la campagne, Répond Hébe en versant du Champagne! Op de Heeren de Bruyn & Zonen. Men leest in ’s lands Historieblaân Jlfeer Zicht, zegt HAFFMANS ’t werd verstaan, DE BRUYN gebiedt “ontsluit de kraan” En voert om niet zijn lichtglans aan! Op de I-Ieeren Bonnike & Zoon. De- Liefde zit haar draad te spinnen En schenkt ons kost’loos kostbaar linnen.