Paoromuflhíxcnsn a Mo-r-ru. ÀMST: s A '. âïë«&ì*»’ î- g‘ j ï zjjà u evìÉìTWtDumm ‘I 4 ‘ ' 4 ‘ ‚ ‚ “I ‚ë V r “o f1," 6x ‚ ./ u x /\ z’ q: \ ‚ ä. ‚ 1 r-‘Sí - 0 ‚ + 0 „ 7 A ‚ v ‚‚„. _ H’ v . f‘ ‘ 3 ‚:2‘? . \ _ v; « 3;‘; ‘*>.‚\ ' - l I ( l i - —' 7 ' . ,4 ‘ ' — ' ' ‚. -. ‚ „me. . ä _" u’; ‘ -l<' z‘ ' À . t \ ‚/ ‘ Í‘ ‚ ‚ - . . „ â ' à ' ' I „ ‘ x j . . : ’ - U . s M\ w,‘ '- ' “i” y . . . ‚V? I . _ "I í —; A ëììäâfäì? Ëagcijeuôe gelaat. Freude‚ schöner Götterfunken, Tochter aus Elysium, — . Wir betreten, feuertrtinken, Himmlische! dein Heiligthum. —— Het feest van den dag heeft zijn gebreken. — De zon zelve heeft vlekken, — maar de gemoedelijkheid van den een en de spitsvondigheid van den ander dichten het fouten toe, die het met bezit. Zegt men niet dat het ongepast is, feest te vieren waar duizenden in nood verkeeren en hoe de juichtoon daarbinnen aandruist tegen den lijdenskreet ginds? Stille, bescheidene Weldadigheid, die haar werk verbergt, zietdaar de ware! — en zij, die ter markt gaat en pronkt met haar werk is slechts ostentatie en schijn. De traan is het waardig offer, dat fijngevoeligheid brengt aan het lijden; maar lagchen en feestvieren zijn wanklanken. Ik spreek niet‘ tot hen, die de openbaarheid en vrolijk- heid met verontwaardiging afwijzen, maar die vergeten in stilte offers te brengen en voor wie de deftigheid het masker is voor onverschilligheid en eigenbaat, —— maar tot de waarlijk welmeenenden, die tot motto de‘ schoone spreuk kiezen: dat de linkerhand niet mag weten wat de rechter schenkt. Zeker‘, het is eenlieflijker toon, die, welke zacht en innig wegsmelt, dan die schelklinkend trilt, maar toch vormen zij beiden bestanddeelen van het volle akkoord der liefdadigheid. De eene verbergt zich schuchter, de ander toont haar werken als voorbeeld en aanmoediging; de eene is de heilige dochter des hemels die wij vereeren, '-—-de ander de levendige en opgewekte dochter der aarde, die met‘ volle borst het lied der vreugde zingt, maar de bewondering) tot munt slaat en daarmede laaft en troost. Lagchen is zoo verkwikkend, ‘als het niet is het ruw gebrom van zelfzuchtig genieten, niet de uitdrukking van minachtenden .spot, niet het doorzichtig masker van onwe- tendheid en fingemanierdheid, — maar die geestige, vrien- delijke glimlach, die verstand en hart in ééne liefelijke uitdrukking vereenigt; die de vrolijk glinsterende oogen tot luchters heeft, en die het gelaat verlicht zooals de zon- straal het landschap. GEDRUKT BIJ C. A. SPIN & ZOON. De poësie is niet in denlvorm ‘maar in het wezen, en‘ naar mate dat wezen méér waar, méér oprecht, méér humaan is, met de gebreken en eigenschappen aan _, het menschelijke verbonden, naar die mate zal de menigte het beter begrij- pen, wellicht assimileren. Als de ‘Weldadigheid engelen-vormen aanneemt, wordt zij voor ons eene geheimzinnige mythe; maar als zij troont in helverlichte zalen en vertolkt wordt door lieve, smaak- volle, schoone en geestige vrouwen, door aanminnig blozende meisjes; —— als ze de dwaasheden der opgewondenheid, door haar tooverstaf omzet in voedsel, kleeding, huisraad, hulp, —— als zij geloof aan het leven en vertrouwen op God terug- brengt in de harten der noodlijdenden, — dan is zij wel de werkelijkheid, maar omstraalt door ‘hooger glans; het kind der aard, maar de goden-bruid. En bovendien, het lagchen is zoo gezond — het ge- neest ons van die Duitsche ziekte, die men “Weltschmerz” noemt; van haar Engelsche zuster “het spleen” en haar Hollandsche nicht “het land.” Wij zijn opgewekter, toege- vender, meêwariger, als wij eens goed gelagchen hebben. DIKCENS en BEETS hebben méér tranen gedroogd dan hon- derd goedhartige maar vervelende filantropen, en meer levens- wijsheid doen ingang vinden dan duizend wijsgeeren, en het “lagchende de waarheid zeggen” was reeds de gulden les van den Latijnschen dichter. Weldoen, (dat is wegschenken, wat ons zelf lief is ter wille van anderen die het méér behoeven dan wij) -— is reeds een gelukkig begin; maar het te verrichten met een vrolijk gezicht en een opgeruimd gemoed, zie, dat voltooit de goede daad, omdat het haar het neêrdrukkende der zelfverloochening ontneemt. Of vindt gij het werkelijk zoo zelfzuchtig dat wij ge- nieten voor ’tgeen wij geven? Het is de zelfzucht vanpden nijveren landman, die het zaad neerlegt, dat niet alleen hem, maar duizenden dóór en met hem zal voeden; de zelfzucht van den bezielden kunstenaar, die zich zelf den roem koopt met de schepping van ’tgeen ons hart treft, onzen smaak en onze verbeelding veredelt, onzen geest» verheft. O En daarom! —— verachting voor de farizeesche deftig- heid der sehijnheiligen; eerbiedige waardeering van de schroom- vallige terughoudendheid der gemoedelijke kniesooren; maar laat ons kinderen zijn van het jonge, frissche, bruischende- leven, met den zonneglans der vreugde op het gelaat en den gloed der Weldadigheid in het hart! . Il rêmei hint in teer 3. Âítmeriìjk ‚diesels. Ëflfiäääîîïéäe "Ëonsonmá DE VOLMLLE ËGECHEES A LA BÉCHAMEL ÍÈLLET DE BOEUF CHAUFRGIJ) i ËoeLARoEs EN GELEE äaLanE nE HGMARDS Champagne Wijn, per Flesch. . . l. . . . . . ‚,7. essence; „ÈALAEE DE HOMARDS ‘ËRÊME BELLE EELENE gogcgáss A LA BECEAMEL ËWLET DE soLEs A LA RUSSE {ÈESSERT ijEssEm‘ . Petaaaannna. 3 Bier, per Glas. . . . . . - - - - f 358 Broodjes met Vleesch, Zalm of Kaas. . . . . n 30 Koffíj en Thee, per Kop . ,_ - - - - - j - - - M 050 Grog en Punch, per Glas . . . . . j- - - - - 7a O- REÏËTAÜRÄWEE. ' Koffij en ‘Thee, per Kop . . . . . . . n gëg .Gr0g en Punch, per Glas . . 71 -— v Engelsche Bieren, per halve. Flesch 79 0gb Mineraal Water, per Fleschje . . n 0-50 Broodjes met Vleesch, Zalm of Kaas. _ . - „ - 79 Û- O Oesters, per g Doz1jn f r.-—, per DOZIJI’) . . . - - a» 2-- ËEWËNTEËNIJE ÊËUWEGËEË KWËËÊ Gewone Bordeaux- en Ríjnwijn, per Flesch. - - 99 3 — Fijne Bordeaux- en Bourgogne Wijn, per Flesch . . . „ 5 IJs-Sorbets, per Portie en Glas . . . ‘ . . . . . „ I-- Marasquirl, per Glas. . p. . . . . . —. . n 05° j GHAMF&GWE BÀR. Champagne per Glas _ . . . . ‘ . . - - - - 99 h" . Bordeau)? e}, Rjjnyvijn, Likeuren, als: (cognac, enz. p. Glas „ 0.52 Sandwiches, per btuk”. . . . . . . . . . . a9 0-2 Oesters, per half DOZIJH . . . . . . . . . . 7a 1-’- Het Comité van Uitvoering: Ma. W. VAN DER. VLIET, Voorzitter. W. J. DE BORDES, 151° Secretaris. 31m. Ma. J. E. HUYDEGOPER, Mn. H. ZILLESEN, C. E. DE CORDES, JOAN H. SCHMITZ, j Penninsmeeters. j 24° Secretarissen. x lî ureaun a: u Lav/‚aau-„y „I: ‚ . í _l C W /»/. VER .rre‚e__‚í'4 ‚i G. Wisseùêavaioren,‘ A. Êovenzaal: Varia. . W7, Ï/Vìinke-Zíjes. B.‘ Êgoeganàr Bierhalle. D. Îìcnrenzaal: _}asSe;/L/aa—mer„ Zaai 7,200? ‚Sázspar \\ voor \ \\î\\ ‘Íîozsper. ‚Kasmervmz uzi eÎe Tooneel Hippodrome Ífuns t: INGANG =HIHHIH X V17 - eeuwsche kneíp (Îâyvoä (' 52,1%»? F REDERIKSPLEIN. aaasìraemáoemummû. 18 Februari 1881. Concert-Promenade. \ Moîíbpoiorama. Fancy-Fair. l Aooouetíque Voorstellingen. ' Champagne-Bar. ‚ Hippodrome - Clowns, i Concert. Comique‚ Muziek, enz.’ Varia. ' eTableaux - Vivants. ‚ Kermis — Tír de Salon, Souper. . «Koekhakken, enz. Ten 12 ure Surprise.‘ íËONCEiìTàKÍËROMENADE VanS-‘Qure. Marche de (‘Opera la Reine de Saba‚_ . . . . . . . GOUNOD. Ouverture Michel Angelo . . v NIELS GADE. Ofìertoire pour Orgue z . . . . "LEFEBURE WELY. Balie? Muàik . i . . . . . . . . . .‚ . .‚. . . RUBINSTExN. ik U3 N} 1m‘ Van 9 - 9 z ure Kamermuziek. Van 9 yg: 10% ure Tableaux met "begeleiding van Orchest. I’. De Loreley bij maneschijn.’ Ì 3. Èeerenjacht op Nova-Zembla. 2. De Loreley bij ondergaande zen. 4.? Het gebed bij opkomende zon‘. Vanîloz - 11 ure Kamermuziek. LOUISE PIIJK, Zang. MEJUFFR. SARAH BENEDICTS, Piano. MEJUFFROUW ij ' AAFKE KUIPERS, Zang. DEN HEER SERVAIS, Violoncelle. u 93 Een Mannenkwartet heeft zijne medewerking toegezegd voor de Kamermuziek. Van 11 — 12 ure. \ 1. Jawel-Ouverture. . . . . _ . . . .. -\ e - ï - - VON WEBER- V ‚ 2. Retraite Militaire . . . . . . . . . KIELER. ‚BELA. / ' 3. Hocìizeits Marsch . . . . . . . MENDELSSOHN- áìeszùj e C-ÜYofIJtfijäeÄw ’t cibíijfflïaù fitacijt aan te ëlltïî/ bie áïîlìgetüz ‚ìâeen! 3e íá met meer kan filneáennûïaän/ 505e. 1881. met 1100p, maar nnït met hulp gekomen. “Zij giet uná fitíenaùïijït-hragenùe aan: nu De moetten. C Î/Í/Î/‘z’. V5e.rr5‚e_,j&_ fltflzflzädtsí/flzw MHKHKKIJKPKHKKK gkgkyzsuww NÍWKÍBPK 91x11x41 ÏKÏFÄKW‘ gkww 7K7IK m 71‘ 4413491 7W7K m M4 W m%< m 7( 7'!‘ Jxww mak W H‘ 71K 71K mwwwmww Km 3k 7F Wflnijtflwflz w; „‚ 341 ï‘ i‘ t‘ t‘ À l ui‘; WATERSN®©mWHLHELMUS„ Wilhelmus van Nassouwe, Ben ick van Dietschen bloet, Den Waterlant ghetrouwe Blijf ick tot in den doedt. Oranjevorst met eere Ben ick vrij onverveert, Want plassen groot als meiren Heb ik geannexeert. voor mijnen volck te leven Heb ick altijd betracht, Had ’t water éen verdreven Om landt, om luyd’ ghebracht —— (Godt wilde mij regeren Als een goet instrument) — Ick deed hem wederkeeren In sijnen regiment. lijdt u mijn ondersaten, Die oprecht zijn van aert, Ick zal u niet verlaten Al zijt ghij nu bezwaert; Die bly begheert te leven Weet, dat ick nacht en dach Mijn goet en cracht wil gheven, Dat ick hem helpen mach. 19 Februari 1881. Lijf en goet al te samen Heb ick u niet verschoont, Mijn broeder, hooch van name, Heeft het u oock vertoont: Prins Henrick is ghevallen Helaas, vóór desen dach; De stercke steun van allen Die hij in lijden zach. Als David moeste vluchten Voor Saul den tyran, Heeft eenmaal moeten suchten De brave Geldersman; Toen ben ick uitghetoghen Door sneeuw en storm en ijs Om traenen af te droghen, Te brenghen broot en pais. Niet doet mij meer erbarmen In onsen wederspoet, Dan dat men siet verarmen Der braven landlui goet. Dat u de watren crencken, O, edel Brabant soet! "Als ick daer aen ghedencke, Mijn edel hert, dat bloet. Ëoo het den wil der Heeren Voor dezen had gheweest, Had ick gheern willen keeren Van u dit swaer tempeest; Maer Zij, ten Binnenhove, Die alle dinck regeert, Die men altijt moet loven, En heeftet niet begheert. Doch mochten uwe Staten, Te slaep’rich van ghemoet, De watren heerschen laten En spelen met uw goet; Mocht door haer anghstig dralen Verdrinken stadt en lant, De Coninck zal niet falen Die u zijn trouw verpant. Wilhelmus sal verschijnen, Als lant- en watervorst, En swemt aen ’t hoofd der sijnen, Waer Triton komen dorst; Den waterleeuwe-heere Gheen storm of vloet geneert, Daer golven obedieeren Aen ’t quispelen van sijn steert. ' l Y is r r + er r i‘ 3% . ie r ï er í r i‘ is er r t. r r i‘ í er i‘ r r ï er ar + er i‘ ar r r r r ï r r r er r r r 9?‘ À l Wie klaagt over‘ vermeende miskenning, vrage zich af ‚ hoe weinig hij anderen waardeert. De reus Antaeus putte onophoudelijk nieuwe krachten uit de aanraking van de aarde. Z00 ontleent Nederland steeds frissche krachten aan de aanraking met het water: steeds nieuwen moed om de zeeën te bezeilen, steeds scherper vernuft om de rivieren te leiden en. . . .. steeds warmer‘ @„/'‚/V Q/Wütet „„„ ‚_ 44' ‚/„‚„„‚Ä4_Î' liefde om de lijdenden te helpen. [en % WCÏÌPÂC ‚eí/ Watet Á/ M444 Zaáen ‚ «uá/í/û/éaä/e, i’/ %‚4„ % Á/ Watee 44/44 Äíw/ ijzád 74/ e/ez/aé ,/ WQ/Îeï /€64’1 4444/ %« U meraz/ ÁM fiflVí/‘Ü / íâ/áz/p-prp-pp/Äyyxx/o/í 1/» 9962/ äij é macÄ/y en JZÎMÄ a4? eawe/ Äae/{erz 5120 ara/aal {Ëam/ mezeÄ/fexij en 44424450 c/mz wel’, te 5/7 arzeeâzaábij meezderén/eedfl a yî/ ‚ / / Í 6/000 we/ Ááíeede/K c/éâfil/á/Efl e/ä weed/a 44e” fee/j ec/eear 0a ‚een aan (4? Áee/eÄ/%;/.aIzáa//en‚ enen Mare/Äwzm (É/ j (Äed ara/Ä en arme/d ?fi, wee‘: ra eÏ/‚e: Hooge waat’ren in den lande Maakten menigwerf te schande Ook den felsten diehtergloed. Zangen hoor ik die ’t vergoeden, Waar Homeer de watervloeden In zijn verzen klaat’ren doet: (DC Ëvfmò ÄaíÄam näaa KEÄaIJnì Bëfiptàs XÈLÌJIJ îi/IJIT’ Ôrwptvcij, 37a Àafipórarov xéu 3301p Zsî/g . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . n31) ÊÉ re mívrsg ‚uèv 7rora‚u0ì IJÀÚÙOUIJL jôêovreg, vroÀÄâg Êê KÀLTÜQ 761’ ‘awormjyovat Xapá3paL‚ ‚Es‘ gäÄa tòpgínupênv yayáÄa arsváxouac fiêovaar éË òpëwv ë7rì Kàp, pruÚ-Ùsc 36' ‘ra îípy’ àvâpówwy. ‘ j d/a Ja %a„eJÄeË/‚' e/a wee/éà/‚á/ %í%e/ 05242 am jeáaw, aan fi/a/Ëué’, áz/a wew i eemz. ‚ey/ ‚,7‘ „e; naam jmá é/m/ á‘ Wad ‘een ec/aam/ je/MÁ/‚z, ÁA MÄ/ ere «me. e „ze/á „e e/„err aay/w/ „ex „ma. waar a4? 4/242 yj/gr/ e/P/ áíeríen aan e/eaz reu/zeez- (í/áyî/ mzeÁ Ja eÁnen/eíz ' Veel namen, eens door iedereen genoemd, zijn reeds vergeten. Niemand kent ze meer. De tijd gaf and’re weêr.’ Maar menig naam leeft voort 00k na den dood van hem, die eens hem need’rig droeg op aard, en blijft nog lang bewaard. Wel hem, wiens naam als God hem tot zich roept, Een teed’re klank voor velen wordt bevonden. Hij heeft zijn 10011 gevonden! ________....—-— / Walen 3%‘). 8. «i. ‚Î/Ë Uit het water is Nederland opgekomen. Door het water is Nederland rijk geworden. l Door het water heeft Nederland geleerd zich zelf te besturen. Door het water heeft Nederland zijne onafhankelijkheid behouden. Moge het bondgenootschap ‘tusschen Nederland en het water eeuwig duren. Moge Nederland in. geen enkel opzicht Gods water over Goals akker laten loopen. j Mijn naamfl... wel waarom niet‘? '\ O, mocht ik, als eertijds, door mijn zang iets kunnen bijdragen tot leniging van den nood; ’t ware licht iets beters dan dit klank- en kleurlooze wit op zwart. Al zei ik Y- en Aemstelkant Vaarwel, voor ’tHilversu1nsche zand, Toch ben ik, in den geest‘ o Aemstel! op uw feest. et/î/ìíjâmfl \ Ik kan dien heel mijn leren, Daar ben ik zeker van, p v Tot bezer doel nooit geven. A forse de jâerzser à eetíe fêíe, Ïaí perdu aujourd/Luí la íêíe; Maís je was promets paar demazär, Quelgues Zzjgnes de ma maar. g/fiî DIEN ’r WATER DEERT Lezer! Zend mij s. v. p. Een Gulden, enkel- of meer- voud, en ik bezorg Amsterdam in 1881 een ìîjîïgíaímììm} (älfièïâîläfíïìîë Sijfiflísîäïìlïîi). Jeeáá /í_.__ EER AAÍV DE DAMES Haar steun verzekert de overwinning. De mensch, heer der schepping, is geroepen de natuur te beheerschen, en buitensporigheden van deze te beletten. Heeft hij di_t verzuimd, zoo beijvere hij zich althans om de wonden, door de natuur geslagen, te heelen. ' Water is Neerlands oudste vriend en trouwe bondgenoot. Water is Neerlands nooit rustende vijand. J. Waakt dan Nederlanders! en zorgt dat de gelegenheid ‘ niet verloren laat gaan de goede gaven van dien vriend te ontvangen; dan zult gij zeker dien vijand met vrucht kunnen weerstaan. ‚ /' 7/1/ 04/04] 1/"6444 Lí DIE ‚T WATER KEERT, — DE STAATSPRUDENTIE; á äânelbetn het ÍÍÌIPIÍJBÏJBn —í)vt is alles ijnelijem, PREDIKER 1 Vers 2. BIJ WATERSNOOD GEEN errr TE GROOT! ‚S VOLKS INTERVÊNTÌE- Laat men te laat de Overlaten laten, dan laat men op ons, tenzij onveîlaten, om met gelaten gelaat ons te laat te laten laten. / Een Zaatdunkende. « ‘t wensten IJìeuwfiunk, na de ramp van Iâeoembetì 1880.- N ieuw-Kuik ,' eeuwen lang verscholen , Ja, vergeten door den Staat, Kwam als Neêrlandsch dorp tot welvaart, Won in opbrengst: vee en zaad. ’t Stroomnatkwam dat heil verstoren, Sohond èn huis, èn- hof, èn land, Overstelpte er ‘weide en‘ akker’ l Voetenhoog met heidezand. ’t Vee ging in den poel verloren, De oogst dreef weg met‘ stal en schuur, Nauw borg de arme ’t veege leven ‘ l In dat bittre lijdensuur.‘ Doch, nu wordt gij niet vergeten, Dorpjen in uw droeven stand, ’t Gansohe volk biedt u zijn hulpe, ’t Weldoend volk van Nederland. uflqocmteekewiwg. “Vergeten door den Staat.” Dikwijls spreekt men van een vergeten hoekje, van eene vergeten plaats. Van geen kan men het ten onzent met grooter recht zeggen dan van Nieuw-Kuik. Het behoorde namelijk sinds de middeleeuwen, met enkele andere ‚Wijduiteengelegen dorpen aan de Neder-Maas, tot het verwijderde Prins-Bisdom Luik, ingeklemd gelegen tusschen de Hollandsohe Heerlijkheid Heusden en de Brabantsche Meierij van ‘s Hertogenbosoh. Na eeuwen in dezen stand gebleven te zijn, werd het na den vrede van Münster door onze Staten aan de Republiek verbonden. Men vergat het echter bij Holland of bij Brabant in te lijven. Zóó bleef Nieuw-Kuil: een vergeten hoek tot na de groote omwenteling van 1795. ' wee %/2.%% 740% j_ De nieuwste strafrechtsleer in wetten neergeschreven Zoekt de allerzwaarste straf in ’t eenzaam cellen-leven; En heeft daarmee erkend als het gevoeligst kwaad Waarmede ’t lot bestraft: —— het eenzaam celibaat. De straf voor eigenwaan of ijdel zelfbeminnen: Straf ‘voor een ijskoud hart; straf voor verdorde zinnen; Straf voor de sehuchterheid die ’t faalt aan vragensmoed; Straf voor een zuur gezicht of gemelijk gemoed. En, mocht er onverdiend een deze lijfstraf dragen — Dan worde op ’s Konings feest hij gratielijk ontslagen. í ‚uw «MVVMLD Ífeureux celui, guí sur la íerre, Ïoyeux du óím, gz/í/ a „m faire, Dit à sou Izeure demíère: Paríons/ Man cmge me 30u72?! ìâïxìthnkkrni îijmlìthrirynnlning. I. De gelukkigsten zijn, zij, die niet geboren worden. II. De bestemming vanvden menschpis: het leven zijner medemenschen te verbitteren. lII. Genialiteit is een vloek voor idengeen, die er mede behebt is, tenzij karakter haar verhooge, of liever, tempere. IV. Gewiehtige deftigheid of deftige gewichtigbeid is meer waard dan talent. V. Een der treurige gevolgen van een watersnood is de watersnoodslitteratuur. VI. Zeebaden zijn in den regel zout, enrivierbaden zoet. VII. Koude baden zijn die, welke ons door onze naasten worden toegediend; aangenaam lauw en juist van pas ‘zijn de baden, die wij voor ons zelven toebereiden. VIII. Het mooiste in een vrouw is, dat zij vrouw‘ is. IX. De meeste mensohen eten slechts het kommiesbrood, der dagelijksche zorgen; enkele eten ook oesters.‘ X. Verloren is een staatsman, die geest bezit en geestig is niet geoorloofd. w In Aquam. Projice, quaeso, in aquam quanto-cius haec mea verba. “Cur ?” Nonne ipse Vides? Soripta fuere in aquam. 77M ‘já/w‘. is, vooral ‚alsghij _ nog geniaal is daarenboven. Zulke luxe Een geestig woord —— een kloeke raad - Een warm gevoel zij niet versmaad, Goed hollandsch is: een flinke daad! Men noem’ het Vrij de hoogste prijs Als kunst ons tranen perst uit de oogen. Hier werkt men op eene andre wijs, Hier ligt de kunst in ’t tranen droegen. kunst. Geven is dikwijls een opwelling, goed À Wat zal ik nu, en hier beter met mijne naamteekening doen, Dat men toch éérst voor de dijken zorge, en dan ‘aan dan den vurigen wensch onderschrijven, dat de Regeering door het maken van Spoorwegen denke Het behoud ga vóóro) beleid en kracht rampen, als die ons Vaderland zoo herhaaldelijk ' l treffen zoo mogelijk, immers zoo veel mogelijk, vóórkome? eez/„w/a, geven een en dan mogen ontwikkeling en vooruitgang volgen. /°a‚„ Vrengd geeft aan “het leven, als zonnesohijn aan het landschap, kleur en gloed. ' ‘La eharité nîest pas le privilege de la fortune ; ce n’est pas une vertu de luxe — interdite aux pauvres, Mais, en face des grandes misèijes, y’ a-t-il une plus douce joie que de pouvoír secoùrir ‘eeux que Ponplaint, —— que de pouvoír jDegodsdienst vande „eene eeuw ‘is dikwijls de poëzijderu 7 — daaropvolgende. Godsdienstenvsterven als dezonìde laatste? stralen ‚geven weinig hitte, maar des te meer tinten en" kleuren”. l Tandem fit surculus arbor, was de zinspreuk van ‘Prins MAURITS. Hoevelen-zijn er niet, die nog loten zijndepzich; verbeelden al boornen te wezen? ' " ' kgujju j 1u w] ‘ i) IJIIJM) . ) ‘ I _ lh 1 Va‘ ) l I „mij“ I’ t) v’ l l ju 1) 1 l . ‘u lI| ) . ‘ ‘ ‘j ’ 1u J‘ ._1 egen ‘Wee”! — opgest gen. — ar: “V akke Vreêz” tarren tegen Iillend meê. — weiden zwelgt, i être utile après avoir été compatissant? mmer wrokt bij Hollands 'n Wangunst, het onzalig os waterwak lach 7 j 7 GEIJACHTE [N DEZE 0A GEN. . 12)) Rìî/Ìlíûy de) deeä) älàm) eöeed)’ làìàm) Aìem/zm)’ lÍIJìRNà)’ h} em) l) emeöaìuhhlfi) eoäd)’ hemd? deeä) d/zm) MRÁMÀ) Rmdeìm/{NÙJ el) làexìnm) elk/dal“ d/zm) moed) mkhràemhlû) en) hemxpz) Memdò). m) ÌÌ) demIJlcd) exx) deel) Aìeem)’ me) d) auerzlalleíedlxelhr dan) IJàeìmem“): J in“) neem) ‚d/zm) hìlh) km)‘ wlí) hemd): gene) heáflllh/al) eedijeìdfik ‘p . @ ÌKMMÌ) ijlcdm)’ Helm) en) Weel)’ . deed hlàhx) KM) Nadere) Aìemkrvû). ' j eek) emìecìd) de) halen hflewû} Mjìdzdí) me) ' RÀÀÁXRÀ/flhgílfilflàh" ‘ ma) äeîhìcunde Nwzme/zhflkàhflxixldk. Meen) ìlí) ae/{Jvzìdìxendûj : . gnuìxbxhc) pel/elzen.) de) Awän/nlòlí) dan) ìlxìïd/Ô) lam) äeîìxìeìvxdìxxàh) Alheîxl)’ na)» geen „ E. 09.. o 5-4 a: IË, 42 Is. h der, d -. woe, V ÊËeu scljtíjn’ een prijsvraag uit an _ j p “If we „:exce1î>t_ pindustrial ‘matters whioh‘ appertain » p _ ' towthegîstlbsistence of individuals ‘and family, there‘ ' v H are no pthers that vaffect‘ mankind in soflseriousand N V O . _ _ , . genenaìlîaxvwayîas ‘íthose relating tojrnarriagez‘ i p.” - . v ’ Een volk, dat zijne grootemannen eert," van gisteren en heden, eert zichzelven, toont zich "bewust te zijn vanìzijne _ kracht en roeping, en handhaaft zijnpreehtvan bestaan. zelfs het heden Wat wi tegentreden, ’t Morg n, e schijngetoover er we omzien, over n stervenszucht! ímá‚n‚tngn._‘;i;àjt:menÌmèíîîl l '_ j l v. ‘thans Iìèyîijtiìjïîürfint» _' l ' " l r .p:.HQoÊT‘_e " ‚ l ‘ \ 1 H Ä h ‘ì))H ‘ ‘ . ' U “aam. ‘U l - 'i ' '" m . . I " l l i‘ i ' . V ‚ . n v ‘ ‘hij j ‘ p i . l p p ‚ l _ J > i f „m“ j“ ‘Nu M e w ' e ' = l x v ' v U 1 p g?‘ _V ‘ M, w u uw; t l j p _ na nat 4\e'm\s„ nacht kxehknavws ‚p en h“ ‘lìoosp het stofi. "m g‘ ) lnímîs m“ ‘M N“ ‘m’ 99W“- ) . Le Inonarque prudent et sage Qíhmmin m5 De mígìüaaü mag De lnzlùaaû naatnztgzlhziijk De 595 moîndïes Buìetfl Saìt me? quelque “Sage: hznrag lnnrbzn heuntnzzíü; De zenzîfilìz maart: ÜEIJHHÍÎÍZ Baat E‘ “ma” 1°‘ dwerg talen” 52113 enfin in umgehzztnz tzùzn tut na furruiai n25 mzíuuznztg. Il n’est rien d’inuti1e aux personnes de sens. . ífíî 2 Drijf in vlotte lucht. Zoove Graat, r Eenheid zonder verscheidenheid is reenzijdigheid, en verscheidenheid ijzonder eenheid is. „verwarring; zoowel 111 het hoofd als in de maatschappij. En ook in zaken van watergtaaty s ‘e E p — WERËÜGËÏIÍMG. “’t Vervroegde beursuur” was weleer Des handels shibboleth; Thans dringt de roepstem meer en meer “De beurs moet zelf verzet”! Och, of de Raad van Amsterdam Wat vroeg tot die beslissing kwam! of wij ecnôeti wanen, 960i: Walen Ôeeúle ono niet; Bezweken was de dam. De felle stroom en winden Herschiepen dorp en veld in kille woestenij. Luid klonk de jammerkreet: “waar zullen we uitkomst vinden l” Daar sprak de Stedemaagd van Amsterdam: “bij mij l” Aan een Watersnood-Feest-Commissie-Lid na zgjne aanvrage om eene bijdrage van mijne lzana’ voor liet Proymmma, ene. “Gij vraagt van mij een dienst, en grijpt mij bij de keel, “Wees snedig” zegt gij, “of gemoeddijk naar Verkiezing; wand; onze Ôtjlìen bouten Ûno einöetooes oetôriet. Cntmow wij, zijn mannen, meen (Deo voedzame nwgeàllwltt‚_ 63m 3e laatste Öijlàgzettlâ. wetôux Öoot 0u43 hetöoccbt. “Wees, kan het zijn oorspronklijk daarenboven; “Maar bovenal: Wees kort! en spreek op staanden voet!” Ik zwicht voor ’t machtgebod der Watersnood-Commissie; Hier is mijn Woord, noch snedig, noch gemoed’lijk‚ Zelfs niet oorspronklijk, naar ik Vrees; maar kort: “Ai Vrinden! gunt den tijd me om kort te zijn!” Smet staet niet boete etsen, 11e taken, biet of neer; -/ÀÈÓ7A® De pers is de Koningin der aai/de, of jnisíei/ gezegd, de Banen van net fine/zee. Ïevi/edennezd is mijn ge/nè. ge?) „ge! eánne deá;z”%díáfláäd/ fleàe/ n‘ ‘e. ?’% meer noeste mochten etsen, meer peìïetre menseíjen meer. HUYGENS , Koren-Bloemen. Aan Ízet Comité voor defeestoíeríng op 18 Feór. 1881. Vergun een medicus, u van Zijn hulde blijk te geven Voor het systeem, door u gevolgd Bij uw menschlievend streven. In u begroet hij broed’ren toch, Onwrikbare allopathen, i Die met geen homoeopathie Zich wenschen in te laten. En wordt met water ’t vuur gebluscht, Uw kloekheid zij geprezen, Nu gij met vuur de wonden Van Het Water gaat genezen! Er bloeit een bloem in Hollands gaarde Het hart verkwikkend door haar gloed. Gelukkig ’t volk dat haar bewaarde En blij haar kweekt in ’t vroom gemoed. ËÍÌEXÎÎÊBBEOÊÊÍIÊHÌQ Wat schouwspel biedt ge, 0 Land, door ’t stroomgeweld bedolven? Een waterwoestenij, bar, dor en zonder groen. Toch bloeit ook die woestijn: waar stroom en stormen woên‚ Strooit Liefde weldaan als stroomlelies langs de golven. want °V9ra1 is zij ten Zeâen Waar zij haar geuren heeft verspreid, Zelfs in de feestzaal lacht z’u tegen, De naam dier bloeml. .. WELDADIGHEID! En zwelgt, met wijd gesperde kaak, _De dorpen, ofi°ers van zijn wraak, —— Dan komt dat zelfde kind van ’t land, En ’t vuur, waar ’t eigen hart van brandt, Slaat met zijn vlam van ’t Noord naar ’t Zuid En droogt de wilde plassen uit, En zaait weer op de ontluikende aard, Die, lachend, nieuwe welvaart baart. J ////‚„ In ‘t wonderbare Nederland, Waar ’t kind zijn eigen moêr verbrandt, Slaat dit den Watervorst in band, En noodzaakt hem om vloot bij vloot Te torsen op zijn breeden rug, En langs die gladde, blanke brug Ons goud te storten in den schoot. Maar heeft de dolle ídwingeland Weer hier of ginds zijn vaan geplant, Men Öyáiäáenoeán/ op 18 Febr. 1881. Hoe milder ínands uw gond-acîi/ vloeit, Hoe noogei/ ’z‘ gond nws nar/Zen g/oeiz‘. Noem niet ’s lands rampen enkel smarten, Een liefdeband zij meê hun naam; Of binden niet broederharten Door Woord en ofïerhechter saâm? Waar lijden drukt, houdt Nederland Door broedertrouw zijn roem in stand. Maer staegh vol-horden %4„0«/ 0a... g4‚‚‚_‚4_‘ S00 sal ’t eens werden. (Care) êehmtkt het wutherzaal, eentlutsterh, üruef herladen! afláw Met wysheyt te kiesen, Geen inoedt verliesen: 4x ‚I. 8m jttziôiech-oneétbctiàcfae «waag. De schilderkunst en de beeldhouwkunst zijn — zoo leeraart men — de dochters der bouwkunst. Zoude het niet overweging verdienen, om den bekenden rechtsregel, die betrekking heeft op het vaderschap, eenige uitbreiding te geven, en deze uit te strekken tot het moederschap ader kunsten? Al ware het alleen om het’ schrikbeeld '— de schoonmoeder der schilder- ärz jî/eaz m m kunst, — te vermijden. Of was de bouwkunst wellicht niet gehuwd? Zoo ja, en met wien? (Beschrijvingsbillet der belasting op het Personeel). II. 8m cotmttwcttcjZ-oteobtaetiàefae optuexliiaag. mlù Onder alle stijlen, die men verdedigt g? plundert, gebruikt Ë? aanvalt, (Gothiek, oud-Hollandsch, Neo-grec, allerlei Henri’s en Louis’) is er een, die mij altijd even deugdelijk en betrouwbaar is gebleken (zooals men ‘in de Tweede Kamer zegt). Daarover is. geen verschil van meening. Zij is de eenige, de ware, de onveranderlijke, voor ieder klimaat, voor iedere godsdienst, voor ieder gebouw, van ’t paleis tot de hut. Wie heeft niet geraden, dat het de deurstijl is? ‘ ‘Maal III. gel/t eomstmette -mowete‚ . ‘c e?‘ Zorg, dat wat gij construeert, “nergens heen kan”. Zorg echter, dat —— als hetgeen gij geconstrueerd hebt, ergens heen kòn, gij niet nergens meer heen kunt. _ -— Moge de goede uitslag van het feest voor de noodlijdenden gegeven, bewijzen, dat een onzer i . dichters terecht van de Hollanders gezegd heeft : y “Van buiten ijs, “Van binnen gloed!” ÎIJÎTÌIÍIAË IDUlIaCGJIo Liefdadigheidsbals en fancy-farrs zijn het krachtigste middel, om vromen en onvromen te verbroederenzde eersten nemen er deel aan, om “blijmoedige gevers” te zijn; de laatsten zijn gelukkig, waar zij ’t gevoel van ’t zalig weldoen van ’t hart overbrengen naar de voeten; bij ’t licht van duizend gasvlammen de ellende hunner medemenschen weg- dansen en met een. feestdronk de rampen van een dozijn lijdende medebroeders wegspoelen. i xzmaml/î ÈIJBËWÊREENEGENGË HET NEEËEPWÀNEËQE “MÛNEEÈ EN IJE "E@@NËELKE»EETHEK. Het Nederl. Tooneel en de Kritiek zijn als een minnend paar. —— Ze kibbelen voortdurend met elkander, ze verzoenen zichook, natuurlijk achter de coulissen, maar het publiek ziet slechts de krabben op beider aangezicht, uit wederkeerige liefde elkander toegebracht. Zij ‘wisselen ook soms de rollen, — wantals het Nederl. Tooneel het al te kritiek maakt, speelt de kritiek de comedie der verontwaardiging, en als de kritiek prijst.dan . . . . . .. maar verdiepen wij ons niet in onwaarschijnlijke hypothesen. Toch zou ik u niet raden u met het twistend paar te bemoeijen; want het zou u gaan als MR. ROBERT in de “Medecin malgré lui” —— gij zoudt tot uw schade leeren: “qu’il ne faut pas mettre Ie doigt entre l’arbre et l’écorce.”i En te recht! want gescheiden hebben beide onvoldoende beteekenis; maar aaneengesloten, vormen zij den g stam —— oorsprong en drager van blad en van vrucht. áp/„aagm/«Ä maan/na? lama/z „Ä íaawe/«aad «iâí/áeâ/«z/ 44444 árzavúw/ i %„a/ ' Q/z ma/ í/flMfl ÄÉ/ 00/ úaúw/Mnô‘ ‚gij/â/í yà/Zá 2/ ma, Q/g/ waíêz 4m?!‘ 44%”: Ûáwááím/ Kan NeerlandslLeeuw‘ een schoonre zege smaken, Dan met dien waterwolf onschadelijk te maken? Medelijden heet het sieraad van een hart, dat deelt in pijn, En dat feestviert, als ’t der smarte kan tot troost en hulpe zijn; "t Leeft totdat het juicht: “het lijden is geen heer meer van ’t gebied!” ’t Lijden doodend, doet, al dankend, ’t medelijden zich te niet. Zandt Gàa’ a ‚érazk, írefz‘ a zzfa roe‘: V raag azîez‘ waarom? maar vraag: Waartoe? Besteed uw zorg, o Waterstaat, Aan wien het land dit overlaat, Aan dijk en sluis en overlaat, En maak dat. dus het water staat. Laat nimmermeer te Nieuw-Kuyk en te Vlijmen Van watersnood de‘ rampen ’t hart doorvlijmen. ' "Maardenk ook om den Bommïerwaard, ' Eerst dan acht ’k u miljoenen waard. / ‚ Waar’ vóór den watersnood gedigt, Nooit waar’ voor watersnood gedicht. En dit bewijst weer, naar ik meen: i „Een ongeluk komt nooít_ alleen. Gelukkig ‘de staat, waar hetregt „niet slechts in de wet- _boeken ligt opgesloten, maar-eeIJe levende kracht is, die alle burgers bezielt. i - Onvruchtbaar water werd in vruchtbaar land en onvrucht— baar land in vruchtbaar water herschapen. Redevoering bij de opening van het Noordzee-kanaal 1 November 1876. á Hebt gij een waarlijk goed doel‘, ‘kies het middel dan vast ter bereiking; Doch kies het zoo. dat het middel de tweelingzuster van ’t doel zij. Snelle denkers en trage denkers hebben dit gemeen, dat zij slechts’ een enkele zijde der waarheid raken — of niet raken. . y _ Biedt straks een schaar van d’ êelste vrouwen uit den lande, Veel kostbre handelswaar in ruime keus U aan, Uw mildheid maak’ de wet te schande, Dat hooge prijs en ruim debiet niet samengaan. Men kan op verschillende wijzen. weldoen; doch vergeet niet, dat zonder liefde, de meest kostbare ook deminst kostelijke wordt. ’ KUNST, wunsioon u TBANSVAAL. E@E RIJMT DAT @Ë MËËAÀB? ’k Schrijf daarom,’ dankbaar voor deez’ eer De Kunst toont Holland op zijn smalst, Geen woord in uw courantje meer. Een Watersnood het op zijn malst, ' Transvaal de Britten op hun valscht, . Zóó rijmt" dat op mekaar. n ä Het is mijn oprechte wensch dat Amsterdam —‚ de starì Toch lenigt Kunst een Watenamp u _ flflh á die ik liefheb, waar ik geboren en opgevoed werd — niet. äìlîëìdíwäéààììk . a7, ‚m. n... nannaz, u om „m „e. "_ „enen ‚we Maandag/- „Me een jxmzefja/ ineen 24m wezen. " gen wmée/maáeíe 4M, zaandam we om „n. ‚de/Men, nnz‚..„i„„n. ‚me; wa/e/áae/oout n. en». ‘g 7404x222 n17 naar „Qámzâe/m ma} Aan ‘ Aan de Redactie J e ' ‘ F siurgoemmm ' . . ' u DE REDACTIE VAN m” E?“ ‚ ' “Een aap, die m den Bijbel leest‚” Hoe kan de ondergetcekende aanluwe vraag voldoen? P35‘? Zeker niet ÒP Zulk een feest, - wanneer" niemand minder dan Gonwnn zeide: fl/líezn ers! Gesetz in der Welt, Die Frager ‚en vermezden.” En mengen wij ons in den kamp, alleen op moreel en intellectueel gebied, maar ook bij het Dan likt het Engelsch vee de lamp, verleenen van hulp aan hen die daaraan behoefte hebben, ook dat Slaat op mekaar‘ . steeds blijk moge geven in den volsten zin des woords de De schoone levenstaak der vrouw is te inspireren tot hoofdstad Van Nederland te zijn ' ’t Groepje, dat het feest bereidt. Kittelt onze ijdelheid: “Om der wille van het smeer “Likt de kat dien kandeleer.” nobele daden, treedt zij zelve in het openbaar op, dan trilt en breekt een snaar in haar gemoed, de reine zachte klank is voor altoos verloren. Wanneer de rijéen te znznzg leven, sterven de armen van honger. ‚.‚./_: %/<@ Geniet men dankbaar al het goede Dat zoo vaak hier is ons deel; Dan lenigt men ook andrer smarten, En geeft graag den armen veel. Alles is regeeringszaak. ———.Niets is regeeringstaak, . UW bijdraag zij òf snedig òf ‘gemoedelijk, als wat in het openbaar belang uitsluitend of het best __‚_—— Maal‘ b°V°n31 Wch kom _ door de re eerin kan worden verricht. Ziedaar de vraag, die, bij abuis vermoedelijk, g g — g Îémmó m, M %J ‘mimi’ "l "ÁIJËÎÎM; zee dat? al máma %Áa gX/g] /}9‚1l’ %9ia‚/ 40„ Aan mij gezonden wordt. Gemoedlijk is te lang, en snedig —— ’]; Werd licht scherp, m‘ ‘ A . ‚ / . ‚„ „ ’k Zal daarom kort slechts zijn, wat ik het minst verwerp. . De groot‘? kunst Van de Opl/Oedlng bestaat Í“ het Vinden %é % “M” 7M “z” Je!" u ‘m J m” Het regt is geen kwikzilver. Daarom raadplege de justitie den thermometer der open- bare meening niet dan met groote behoedzaamheid. LEEKEDICHTJE. Tempora mutantur. Vroeger, bij volksramp‚ is er hier Bid-dag en Geef-dag geweest; Overvloed schaadt. ‚_ __ - Nu, bij den dljkbreuk, viert hier Menschlievenheid een Watersnoodfeest. Ouders en onderwijzers, zonder paedagogische kennis zijn ‘brievenbestellers, die niet lezen kunnen. der middelen om van volstrekte afhankelijkheid op te voeren è 50m1- — getinte flauwe. tot volkomen zelfstandigheid. Welke verschillende middelen c p. "r 1 „„...._‚ « ‚ ‚Q0! nÓneze men /amxeed‚ jeíé w‘ De ware rijkdom ligt in de tevredenheid met hetgeen men heeft. Van tien menschen die het niet goed gaat, hebben minstens negen het zichzelf te wijten. HET GOEDE EDELE HEEFT VOOR ONS DES TE MEER AANTREKKING, NAAR MATE HET IN EEN AANGENAMER VORM IS GEHULD. MOGE DE WAARHEID DEZER STELLING DOOR DEN UITSLAG VAN HET FEEST VAN HEDEN OVERTUIGEND WORDEN nnwnznN. Wij weten niets! — Maar toch, wat plicht is, Dat weten wij; En ’t blijkt hoe die der liefde licht is Bij noodgetij! men ook aanwende om tot dit doel te geraken, -— één gouden draad moet ze allen samen hechten, en dat is — de Liefde. Casper Robles liet de Friesche vrijbrieven in de dijkbreu- ken werpen, en toen dit niet hielp, nam hij een praktischer middel te baat en deed stevige dijken tegen de zee opwerpen en onderhouden. Wij offeren geen vrijbrieven maar bank- briefjes, als het water zijn verwoestingen aanricht. Dat verdient allen lof en wij zijn als Nederlanders trotsch op onzen weldadigheidszin. Maar zou het toch niet meer praktisch zijn, als we het voorbeeld van den Spaanschen landvoogd volgden? ' 7 . Q___j Wífiîfi‘) Quisquis hoc sustulerit Ultimus suorum moriatur! Interpone tuis interdum gaudia curis! Olim meminisse juvabitl Claudite jam rivos, pueri; sat prata biberunt!!! Uit mijne schooljaren, I . — » v. ————————. ..‚_.__ r‘ —-' >—— -—— ——————__..__.__/‚.. ‚_ 1 Wanne z} í/Áe nz/ nwa/ Áeáeaf ná/áen /ezee z} ./Î. l i \ y V itinniijeiîi. Hoe Nederland zich tegen ’t woeden. kantte Der golven, en haar aanval wist te weren, Werd roemvol in de Hel vermeld door Dante. 1) Hoe veel te grootscher moet door ’s hemels sferen De faam dan niet der edelen weêrklinken,» Die, liefdevol, thans nood en rampspoed keeren Der armen, die gered zijn van verdrinken; Maar bij het tweegevecht van dood en leven Het dierbaarst soms in ’t water zagen zinken. De naam Van elk, ver boven lof verheven, Die zich grootmoedig hier ter hulpe haastte, Verdient tot eer zijns lands met goud geschreven, Want groot is elk, die goed is voor den naaste! /Í“__“ËÍ_’_ Wien de wijsbegeerte niet baat, dien schaadt zij. I) Inferno Z XV. De overtuiging, die men ‚vermag te verdedigen, „volge men, kan het, met, moet het, tegen den stroom. De kracht der menigte bestaat in haar aantal en Valt daarmede. Het zijn de eenheden, die hare waarde bepalen. Boven het voorschrift staat de wet; boven de wet, het recht; boven het recht, de Idee; boven de Idee, het Ideaal. Naar dit laatste te streven is ’s menschen plicht. Het nooit te bereiken, zijn noodlot. Niet lang geleden waren gvoor- en tegenstanders der nieuwe spelling het oneens. Recht met een ch of met een g —— genen wilden het eerste, dezen het laatste. Van de schijnw bare verwarring maakte eene oude jufvrouw gebruik, door recht met een d te schrijven. En niemand kon het goede mensch aan het verstand brengen, dat ham schrijfwijze zeker fautief is. Aldus, onze materialisten. Waar Wijsheid verzuimde te voorkomen, Snelt Liefde toe om te helpen“. Waar duizenden in stille smart of dër‘ felste wanhoop ter prooi naar uitkomst smachten en hun n0od„ ten hemel schreit,‘ daalt-de engel der barmhartigheid neder om lafenis te brengen en hulpe. Het menschelijk vernuft spitst zich op de middelen, om den jammer en de ellende te verzach- ten. Wèl hem, die uit onweêrstaanbaren aandrang des ge- moeds, zich aangordt om- naar vermogen aan het liefdewerk deel te nemen. / o/Éé/Îävà... Ter nagedachtenis des Vaders dien men eert, Wiens warme dichtertaal zoo menig hart deed gloeien, Werd van der dochter hand een enkel woord begeerd, Waar, door den nood gedrukt, zoo vele tranen vloeien: Zij hoort des Vaders stem, die in haar harte leeft, v En roept tot Neêrlands volk: “Gezegend Hij die geeft.” w? wame/‚eáá/zz/ De roepstem van Liefdadigheid, dat machtig tooverwoord, Is in het Hollandsch hart nog nooit vergeefs gehoord. ìieít suuìi ínel lniilen nat men raeìJt sebafte om 11e heîiillern int ìJe ínereiìr te helpen, ìiie niet heelen meugijt Dat IJe lnerelìJt heer gang gaet; inant kIeeìJt men siei) net en juist, ’t is terstnnîit: hars een kermispnp. ìäast men op ìie hoegijiiiekijeih ban siin persoon niet, ’t is: siet hars een siuìwerijnos, IJais een sultus. Qlìaet men stil en seijirìteiiieít‘, ’t is: nerts ìJe hruiìit. QEaet men haerìiig: ijn loopt te post. âpreeki men lneinigi): m; meet niet een inuorn een 11e merels te brengen; spreekt men heel: 't is een ratfelaer. (äaet men ter kereíten: ’t is een pplaerhiiter; blijft men er haan IJaen: in; ramt in keren iwcijt in kluis. ilflnent men ijem met anìierlni sakenz. 't is een. heseijitkai, hemoenal, nnìierìninìits . heel. iíflneit men siebîmet niemannts siinaerig- ijeiìn: "t is geen man ban ìJïe hrienîJen.... äi inorìrt het heìiilt en herisnt. . .. gsuix Iiat mocht iet: beleven Dat 11e lnereit eens gesunhert meer hun sulrke heìiilallen, itensmiisen en betweters, ieít sou lier met hermaekt inesen. (P. Cz. Hoorr.) lâhìaier- äigmjenie. Eeuwige vlakte, Levenloos, machteloos monster, Hoe stil ligt ge tusschen rotsen en strand. Meeuwen bespotten U, als zij krassend en zwierend Moêd’ U geleund zien op ’t stuivende zand. Schrikbare vijand, Woeste verderver, zeg weet ge Wel waar uwe kracht en uw zwakheid begint? Zephyrs verschijnen, Die met vleugleir U kitt’len, Machtige zee, en gij lacht als een kind. Kil zijn uw watren, Fletser dan flets nog uw konen, Dof blikt ge langs ’t eindloos verre verschiet. Stralen der zonne, Zilveren sterrekens strooiend, Drenken met licht — haar die zelve niet ziet. Schuimende heuvlen, Buldrende baren, wegschìetend In afgronden, dondren een dreunende klacht: Wagglende kinderen Wanend zich schrikbare reuzen: d’Indruk der kus van Boréas, die lacht. Glinstrende beekjes, —— Lachjes der bergen en wouden — Hoe dartlen zij, klaterend, zingend hun lied! Zangtoon en stemme, Vroolijke en droevige wijsjes Leert hun de bergrug‚ — zij‘ kenden ze niet- Lustlooze zeeën, Droomrige plassen, — gij Vvaiïeìl, Onnoozlen! — mist alles. .. behalve gewicht,- Wijken de dammen, Dalen, vervloeien en zinken Zult ge tot waar ge ten bodem weer ligt. Sterwlingen echter Minnen uw aanschijn, de menschheid Beschouwt U als ’t beeld van haar eigen bestaan: Wijken de Zephyrs , Geesten en Goden, —— bewustloos Ligt zij ter neder: —— haar kracht 1s vergaan. ' RANA. j_‚AF— OF FEESTIGHEDEN. BOUTADE. Als mannen van het vak Den stroomgod konden leeren Zich telken jare niet Van ’t rechte pad te keeren, Dan hield de stroom zich bij zijn vak, En ik —— de duiten in mijn zak! ‘ NOG EEN. Ik heb het land aan het water. EEN SCHIEDAMMER. WATERSNOOD-ASSONANTEN. Was ’t water snood door watersnood, Ons koningrijk was steeds ’n koning rijk, die redding bood. Maar zij bij watersnood het water snood — Ons menschlijk hart zij niet onmensohlijk hard, voor d’armen landgenoot. Al blijft het water snood, och! tegen watersnood Zorg dra de waterstaat; zoo hij het water staat, i wordt hij ons reddingboot. AAN DEN DRUKKER VAN DIT FEEÉTNUMMER. Druk, drukker dra dees druk, Opdat de druk niet drukker drukke! or DE wÁrERsNooD-POËETEN. Wie zich onbedreven Op het ijs begeven, Vallen vóór ze staan Op de gladde baan. —— Wilt dat niet vergeten, Watersnood-poëeten ! NOG EEN. Munnichhausen blies zijn deuntjes, maar de koude vroor ze vast, Tot ze ontdooid in ’t huis weêrklonken, waar hij ’s avonds was te gast. Na de watersnood-ellende, zijn we ’t water-dicht ten prooi. Welk een dooi ! ÍDUNTDICHTEN OP GRATIS-LEVERANTIËN. Op Bicker en Modderman, den Overste der Schenkeren. Men giet maar al te vaak veel water in den wijn, Waar ’t andersom geschiedt, mag Neerland dankbaar zijn. Op Van Laar. Ook ziet men —— hoe het zilt met tal van oesterschelpen Den zoete-waters-nood recht zusterlijk komt helpen. Op Zomerdijkgmissínk, den Overste der Bakkeren. Die, waar het water wast, het brood ons niet onthoudt, Dat hij in sneê bij snee tot fijne sandwichs vouwt. Op . . . . .. A l’eau mousseuse inondant la campagne, Répond Hébe en versant du Champagne! Op de Heeren de Bruyn & Zonen. Men leest in ’s lands Historieblaân Jlfeer Zicht, zegt HAFFMANS — ’t werd verstaan, DE BRUYN gebiedt “ontsluit de kraan” En voert om niet zijn lichtglans aan! Op de I-Ieeren Bonnike & Zoon. De- Liefde zit haar draad te spinnen En schenkt ons kost’loos — kostbaar linnen. agw ‚ „h: .—„a„.e—..—:+‚—.a;îne;: ‚ ‚ :_‚—‚e" a.“ ; ‚a- _‚.;z.—.‚—gu.—‚. ‚ — j! u l ‚ EESEIJVÍETÜREËJQ Amsterdamsche Causerie. I. De negentiende Februari is ’t, Dat WILLEM III, de veelbeminde Koning Van Nederland, wien niemand de eer betwist, Dat Hij; van de’ aanvang af Van Zijne kroning —— In de stad, (Amsterdam — zoo men ’t niet wist) ‘Op ’t Dam-, thans Tram-plein, in de heilge Woning Der Nieuwe Kerk —— tot op den huidgen stond; Door woord en daad Zijn volk aan zich verbond, II. ' r ’k Herzeg, ’t is op dien dag van Sprokkelmaand, Dat wij des goeden Konings jaardag vieren; Dat elk van vreugd zich geleen jarigwaant, En door de Kalverstraat, die vlaggen sieren, Boer, burger, militair en schutter baant. Ja, schutter ook, e dat goedigste aller dieren, Den hemel dankend, mits de kolonel Parade om ’t slechte weder afbestel. III. Maar in het jaar des Heereneén en tach- tig, viert men reeds den avond van te voren Een feest — zoo éénig in zijn soort, zoo prach- tig, als nog nooit aan d’ Amstel werd geboren; Een feest, waaraan We lange nog gedach- tig zullen zijn — waarvan ons naneefs ooren Nog zullen toeten, zoolang zon of maan Te harer tijden óp en ondergaan. ‘ IV. Meld, Muze! de reden van dit feest, Verklaar, wat in ’t gemoed der Amstelaren Tot zulk een daad de drijfveer is geweest. Ik dacht, dat in ons land geen burgers waren, Zoo deftig, zoo fatsoendelijk van geest Als zij, die aan den Ystroom zich vergaren; Zeg, wend niet de Amstelmaagd haar blooden blik Van zooveel vrij- en losheid af, met schrik? V. Ontzettend klonk de maar door Hollands steden, Dat dijk noch dam aan ’t water weerstand bood; Dat de oude ellend, zoo dikwijls reeds geleden, Zich weêr op nieuw op Brabants dorpen goot. En als van ouds werd daar om hulp gebeden, Maar, ook gelijk van ouds, was Holland groot In redden, helpen, steunen, onderschragen Van ongelukkigen, die bijstand vragen. 1 De dichter hoopt, dat dit couplet Professor AL- / BERDINGK THYM om ’t enjambement behagen zal. Vergelijk o. a. het opstel van Mr. BOHL, ln het J anuari-nummer van zijn Dante-orgaan. ' VI. Maar stroomt het geld en goed van alle zijden, Nog sterker wast de stroom in Brabants veld. Mocht men zich kort geleden nog verblijden In ’t saldo, dat haast twee ton guldens telt, De Heeren, die zich aan ’t versaamlen wijden, Zij roepen: zend ons have en kost en geld. _ Nood zegt niet ’tzelfde in geld- of watersnooden, Van ’t ééne wordt te min, van ’t ander veel geboden. VII. Wanneer de filosofen waarheid spreken, En ‘wie die hunne waarheidsliefde wraakt? Dan is het vast en onbedrieglijk teeken Van onzen tijd, dat elk van hartstocht blaakt Voor wat men, zonder zich het hoofd te breken, Genieten kan en slechts de zinnen raakt, Of dit aan ’t hart een weelde ooit konde schenken, Gelijk de vrucht van strijden, bidden, denken. VIIl. En daarom —— schoon men ’t dus niet formuleert, (Wat soms den stillen burger t’huis deed blijven,) Wordt tot een monsterfeest geconcludeerd, Tot hulp van allen, die in ’t water drijven. Een feest, dat met ‘beleid gearrangeerd, De Watersnoods-Commissie-kas moet stijven; Mijn hemel! wat een lang en lastig woord, _ En dat in vaers! ——— ’t is waarlijk ongehoord. IX. Kon ’t zijn, dat zich geschikter avond bood Voor zulk een plan, dan als we ’t feest bereiden Voor Hem, die in een andren watersnood Naar ’s onheils plek de redders woû geleiden; Voor Hem, de kloeke en onvervalschte loot Van ’t fier geslacht, dat nooit naar zich deed beiden, Maar aan de spitse alomme zich bevond, ' Waar rampspoed dreigde op Neerlands dierbren grond? X. Kon ’t zijn, dat zich een meer gepast gebouw Dan ’t fraai Paleis voor Volksvlijt uit liet denken, Waar men de kunst verstaat, om goed en gauw ’t Publiek iets nieuws, iets ongehoords te schenken? ’t Publiek, zie Multatuli! als een Vrouw Gewoon, bediend te worden op zijn wenken Wordt hier gestreeld, getroeteld en verwend Soms Voor niet meer dan vijf-en-twintig cent. MOTTO: Hans oeniam petimzis Daïnusque vicissizn ——f XI. Maar heden is de entree niet zoo goedkoop; En daarom, voor ‘wij hier nu binnentreden, Vergun me een teedre vraag, die naar ik hoop, Uw grampschap niet zal wekken zonder reden, Want inderdaad — ’t is hier een storrem-loop Op uwe beurs en geld-hoedanigheden. Mijn vraag is dus: of ’t u wel conveniëert Dat gij van avond zooveel geld verteert? X[I. Mijn woord er op! dat ik ’t u niet zou vragen Had slechts de Raad nauwkeuriger gelet, Of liever, met meer’ eerbied acht geslagen Op ’t stellig voorschrift der Gemeentewet, Die, sluiers hatend als Egypte-plagen, — ’t Kohier, voor wie maar lust heeft, openzet. Thans wordt de wet en — schriklijkste aller zonden! De Kamer met een kluitje in ’t riet gezonden. XIII. ’k Waar anders al eens naar ’t Stadhuis gegaan, Om mij met stipte zorg te vergewissen, Door de kohieren even op te slaan, Hoeveel zoowat van avond kunt missen. Thans ! (’k wensch die wettenschenners naar de maan!) Blijft het een zaak van raden en van gissen, Op hoeveel ge uw verdienste wel bepaalt, En wat ge aan renten jaarlijks binnenhaalt. XIV. Thans kan"men ’t u slechts zeggen en herhalen, Met ernst en heilig overtuigingsvuur, Waar ’t u ook lusten moge rond te dwalen, Waarheen ’t programma of uw smaak u stuur, Pas op uw zakken! Gij zijt tot betalen, In ons Paleis van Volksvlijt. —— ’t Is er duur. 1 ’t Woord geldt er, dat weêrklonk van Dante’s snaren: “Wie binríentreedt, late alle hope varenf“? XV. Want ziet! nog zijt ‘gij nauwelijks hier binnen, Daar treft uw oog een breede vrouwenstoet, Van welke een ieder U voor zich wil wi11ne11,. . .. U? maak u geen íllusie’s, arme bloed! De! Vraag is maar, wat Van u valt te innen! Het geldt. uw beurs! in ‘t minst niet uw gemoed, Uw beurs of portmonnaie is haar vergode, En heden avond goud slechts in de mode. _ XVI. Gij wist het en bleeft op een afstand staan, Gij zegt geen woord tot alle die Sirenen, Die om en voor u op en nedergaan. Gij weigert aan haar lokstem ’t oor te leenen, 1 De Redactie heeft deze rz-njuriste bewering omtrent overdreven duurte in het Paleis niet geschrapt, omdat zij overtuigd is, dat niemand een humoristisch lied tot zijne kenbronnen der waarheid rekent. n’ Variant: Wie binnentreedt, denk’ langer niet aan sparen. AVv. Maar ziet van vèr haar wondre schoonheid aan,’ En durft u dus volkomen veilig meenen; Rampzaalge! de betoovring smake u zoet! Ontgoochling echter volgt haar op den voet! XVII. Nooit tegelijk zaagt ge op dit ondermaansche, Zoo rijk kostuum en schoonheid bij elkaar, Uw oogen gaan te gast op dïtaliaansche, Straks op der Elzas dochter goudgeel haar, U boeit der Rùssin kloeke leest —- der Spaansche Gitzwarte hoofddos wordt uw blik gewaar, Hoe gij haar vriendelijkheid (’t is enkel toeval!) zegent, Als ook haar donker oog uw oog bejegent. XVlII. O, Byrons harp was eens uw ideaal. En zijt ge zijn Ohilde Harold soms vergeten, Nog heugt u de verheven dichtertaal Die Cadiz’ dochter ’t wellekom mocht heeten. 1 The girl of Oadiz! — zij was duizendmaal Veel schooner, naar het oordeel diens poëten, Dan al de maagden van het Noorderstrand, Hoe zacht, hoe blond ook en hoe languissant! XIX. En nu, die girl of Oadiz moogt ge aanschouwen, Zou ’t waarheid wezen of een ijdle droom? Gij viert, vergeefs gepoogd haar te weêrhouen, Uw schoonheidszin den vollen‚ vrijen toom, Gij roemt haar oogen straks , helschijnende flambouwen En aanstonds eenen spiegelklaren stroom, Verdiept in weelden, die uw ziel vervulden, Wordt ge opgeschrikt door: As je blieft tien gulden! XX. Tien gulden? zegt gij, ik heb niets besteld! Tam,‘ pis! is ’t antwoord, zoo hebt gij gestolen Dien blik, als trouwens uw ontroering spelt, Dien gij nog in uw ooglid houdt verscholen; Zoo zijt ge een dief, maar heden avond geldt De regel — anders in de strafrechtscholen Een ketterij : “wie ’t dubbele wil voldoen, Is Van vervolging vrij en Van rantsoen.” XXI. Gij ‘onderwerpt u, gij betaalt en zucht,‘ Schoon bleek van drift en blakende van tooren. Wel had van de’ aanvang af ’t publiek de lucht Van hooge prijzen, maar zie, kort te voren Weersprak de krant dat lasterlijk gerucht; En spitst niet ieder reedlijk mensoh zijn ooren, Wanneer de pers: de koningin der aard, Wat waar en oud, ’k meen nieuw is, openbaart? 1 Zie: Ohilde Harold, Canto I bij Strofe 84. XXII. Wat mij betreft, ’k beken het gaarne, dat Mij de- Amsterdamsche pers vooral doet dwepen‚ Met name op ’t Algemeene Handelsblad Had ik het sedert lang en heb ik ’t nog begrepen; Ik teekende steeds aan, wat mij getroffen had, V Met heele dikke, vette potloodstrepen. Mijn exemplaar ziet dan ook zwart als roet, Zóózeer spreekt dat orgaan tot mijn gemoed. XXIII. Mais revenons ‘a nos moutons! ’k dwaalde af. Ik houd u op —— en gij wilt binnentreden. Och! dwalen is ons lot tot aan het graf, Vandaar dan, dat het feestbestuur met reden ’t Plan van ’t Paleis bij het programma gaf, Want anders zocht nù boven -—— dan beneden, Elk naar wat aan zijn smaak het beste past: ’t Zij kunstzaal, fancyfair —— of poppenkast. XXIV. Ja, 00k een poppenkast — en niemand schame Zich deze pret. Ze is niet van Sampimon. De taal is er gekuischt, zoodat een dame Haar veilig zonder blozen hooren kon. Ja, meisjes zelfs van achttien jaar, — versta me Ik bid u wel, want ’k hoor uit goede bron, Dat Hoon tout-pur, (wat voor haar jeugd verkeerd is) Hier, als op ’t Leidsche plein —— gestreng geweerd is. XXV . ’t Is u te flauw dan — zegt ge, wat meer kleurs Behaagt me. O! zie door deez’ gekleurde glazen! “Wat massa’s daar beneên !”— neen! maar de beurs Zoû om haar volte u dan nog meer verbazen, Of wel de Rechtbank, als de Procureurs Conclusies nemen of op uitstel azen; De Procureurs, voorheen bij ’t stuk benoemd — En thans. . . .. een teelt, ten hongerdood gedoemd. XXVI. Bedenk vooral, voor — dat ge omlaag wilt keeren, Dat gij nog eventjes den beer bekeekt, Die ergens rondwaart in de bovensfeeren En ‘de’ ezel Bileams nastrevend — spreekt. Mevrouwtje! ’k hoor, dat hij van uw verteren (Wat hem in ’t leven riep), ’t geheim verbreekt. Uw naaisters onbetaaldî’. . . in Februari! Mijn verontwaardiging stijgt boven pari! . XXVII. Zoo is er dan van alles hier besteld, Wat maarlgenoegen aan een mensch’ kan geven; Hier wordt u, wenscht g’et‚ à. contant voorspeld Het lot, dat u de schikgodinnen weven; ' En daar bewijst gij, voor heel weinig geld, Hoever gij in het hakken zijt bedreven, Op koek, wel te verstaan, niet —- zooals vaak, Op andrer overtuiging, godsdienst, smaak! XXVIII. Och! of men de’ afstand die de menschen scheidt, Niet onbedacht veel grooter nog wou maken Door hartstocht, die zich uit in haatlijkheid, En scherpte, die men niet genoeg kan laken. — Zie, wat deTram een zegening verspreidt, (Althans zoo niet de sneeuw haar dienst deed staken) Omdat langs hare kromme of rechte lijn, Wij Amsterdammers allen buren zijn! XXIX. Het leven worde eens, zij ’t na weinig jaren, Een lange tramway-rit van wieg tot graf! Reeds stond het vijftal hechte steunpilaren Der Tramway-Maatschappij, zijn krachten af Aan de Vereeniging, 4 die zorg en vlijt wil paren, Opdat ze een waardige uitvaart ons verschaf! Och! wierd ook Volewijk in ’t net verbonden, Opdat per tram we in ’t leven komen konden! XXX. Maar wat heeft dit te maken met het feest, Dat ons op ’t rijk programma werd beschreven? Gij hebt gelijk, ’k ben lang van stof geweest, ’k Heb uw geduld een zware proef gegeven. Geduld is anders eene zaak, die ’t meest Te pas komt in het Vaderlandsche leven. Waar blijft, ik ‚noem één voorbeeld slechts uit veel, Van “Lsvifls Ideëele” ’t Tweede Deel? XXXI. En kon de erinn’ring overbodig heeten Dat, van wat ons verdeelt, en wat ons bindt, Het laatste alleen herdacht, het eerste dient vergeten? Nu gij weldra u op een feest bevindt, Waar Liefde en Eendracht, beide zijne peten ‚ U zullen tooien met de keten, Hem toegedacht, die zijne broedren mint! - Maar ’k zie ’t‚ — de drang naar zulk een feest verteert u! Een woord nog slechts: geeft veel en amuseert u! ‘ De Naamlooze Vennootschap “Begrafenis-Vereeniging te Amsterdam.” «u: —-'R'î"‘.;=_. *