De physische toestand van do perskoeken volgens de oude wijze behandeld, week sterk af van dien der koeken met de nieuwe me thode verkregen. Terwijl de eerste vast en droog waren en zich ge makkelijk uit de ramen der persón lieten verwijderen, waren de andere steeds voch'ig en lieten moeilijk van de doeken los, zoodat het ledigen veel tijd kostte en de doeken meer leden dan door de oude werkwijze. Daar het mogelijk was, dat het verschil bij de proeven was toe te schrijven aan de wijze waarop de monsters genomen waren, het geen bij het persvuil juist zoo bijzonder zorgvuldig moet geschie den, werd nog een reeks onderzoekingen gedaan met doorsnee mon sters van het gezamenlijk vóór het ledigen afgevloeide water. De afloopgoot, die ongeveer 350 L. kan bevatten, werd mei het afzoet water gevuld, en nadat de watertoevoer afgesloten was. de inhoud der goot onderzocht, met de volgende resultaten. Ook hier blijkt weer. dat het totale afzoetwater bij alle proe ven volgens de nieuwe methode minder suiker bevat dan volgens Diverse mededeelingen 426 de oude en daar liet vuil in de persen oorspronkelijk dezelfde che mische samenstelling had en een zelfde hoeveelheid water voor het uitzoeten gebruikt was, moet ook het volgerts de nieuwe werkwijze uitgezoete vuil het rijkste aan suiker zijn. Deze laatste resultaten stemmen dus met de eerste volkomen ovei een. Deutsche Zuckerindustrie IS9S. bh. 99. In zijn jaarlij ksch verslag over den vooruitgang, die de suiker fabrikatie in het laatst verstreken jaar op Hawaii maakte, zegt Prof. Maxwell aangaande het per-en van het riet. dat tegenwoordig weder meer waarde wordt gehecht aan sterken druk dan vroeger, terwijl de imbibitic niet meer zoo op den voorgrond treedt. En dat door persing onder zeer hoogeu druk resultaten worden verkregen, die moeilijk door imbihitie te evenaren zijn, bewijst wel het rende ment uit het riei verkregen op de Ewah-plantage, tijdens door breuk in plaats van met negen slechts met zes cylinders geperst kon worden. Met negen cylinders werd 93,28 % van de totale hoeveelheid suiker uit het riet verkregen, terwijl toen met zes cylinders gemalen werd, het rendement 89,73 % bedroeg en dit niettegenstaande in het laatste geval de imbibitie veel sterkei- was. Met betrekking tot de klaring van het sap. werden de proeven, die reeds in het vorige jaar door Dn. Pohlman en Mc. Quaid be gonnen werden, voortgezet. Vooral de behandeling van het schuim en het restant der bezinkbakken, eerst met een overmaat kalk en daarna met zuur superphosphaat om de overmaat kalk weer te neutraliseeren, gaf aanhoudend goede resultaten; Mc. Quaid verkreeg o. a. de volgende uitkomsten : Bij behandeling op de gewone wijze: Biïx Suiker Zuiverheid P Serie proeven 14,3 12,5 87,4 2« » » 14,5 13,2 91,U en bij behandeling met zuur phosphaat: Brix Suiker Zuiverheid 1 B Serie proeven 15,1*2 13,7 90,6 2? » * 15,05 13,9 92,3. Verder wordt van verschillende zijden aanbevolen, het sap van het laatste paar cylinders direct naar de schuimbakken te voeten en tegelijk met het schuim te verwerken, zoodat het zich niet met de sappen van de eerste paren cylinders vermengen kan. Diverse mededeelingeri 427 Door de dan volgende ruimere behandeling piet kalk en zuur superphosphaat wordt een veel betere reiniging vnn liet sap ver kregen; er werd toch geconstateerd, dat de zuiverheid van het sap der laatste cyiinders somtijds 10 graden lager was dan dal dei' eerste cyiinders. In de wijze van verdamping kwamen in het afgeloopen jaar geen verbeteringen van beteekenis voor, ook de verdamptoestellen bleven vrijwel onveranderd. Dr. Mawvki.i. maakt echter opmerk zaam of) een fout. bij de berekening der te verdampen hoeveelheid water, die licht te begrijpen is en aanleiding tot groote misreke ningen kan geven. Indien men b. v. imbibitie toepast en men ver dunt het sap hierdoor bij de molens met 20 pet. water, zoodat bij 100 K. G. sap '20 K. G. water komen, dan zou men meenen, dat hierdoor de te verdampen hoeveelheid water 20 pet. grooter is ge worden. Dit is echter niet zoo, want het sap bestaat behalve uit water ook uit vaste stoffen en voor deze laatste kan men gezamen lijk 20 pet. van het sapgewicht aannemen. Nu wordt bij bet verdampen van sap en bij bet verkeken op vulmassa het sap wel zeer sterk ingedikt, doch niet geheel en al tot droog toe verdampt, zoodat men kan aannemen, dat de masse-cuite ten slotte toch nog 8 pet. water zal bevatten. Voegt men dus water bij het sap dan moet men deze hoeveelheid niet berekenen ten opzichte van sap, maar ten opzichte van de hoeveelheid vaste stoffen en men vindt dan de volgende cijfers: 100 K. G. sap verminderd met -20 K. G. vaste stoffen en 8 K. (t. water, die in de massa-cuite achterblijven, geven voor de te verdampen hoeveelheid water 7-2 K. G. zoodat indien het sap per 100 K. G. met 20 K. G. imbibitie-water verdund wordt, de ver -20 X 100 damping met —-— —= 27,/ pet. zal toenemen. Venier wordt zeer uitvoerig melding gemaakt van de verschil lende oorzaken, die aanleiding kunnen geven, dat de suiker gedu rende het opslaan en het verschepen belangrijk in polarisatie ach teruitgaat. Vrij algemeen wordt dit nu toegeschreven aan een gis tingsproces dat in liet leven geroepen wordt bij suikers, die te wei nig kalk bevatten, zoodat zij na korten tijd zuur worden. Duide lijk weid dit onder anderen aangetoond door eenige partijen sui ker, die bij verscheping een suikergehalte bezaten van 97 pet., doch bij aankomst in New-York nog slechts 93,5 polariseerden, idj onderzoek bleken deze suikers zuur geworden, terwijl het kalk- 428 Diverse meitedeelingen gehalte zeer gering bleek te zijn. Eéhijge andere suikers, die daaren tegen niet in polarisatie waren teruggegaan, maar door uitdroging zelfs iets gewonnen hadden, bleken een aanzienlijke hoeveelheid kalk een ook een stérke alkalileit te bezitten. Van belang zijn ook dè opmerkingen aangaande het watergehalte der ruwe suikers, in verband niet boVè'ngehoëmdé kwestie. Indien liet teruggaan der polarisatie werkelijk door gisting teweeggebracht wordt, dan zal deze in naÜW verband niet het Watergehalte der suiker slaan, want de gisting is slechts mogelijk in de stroop, die de kristallen omgeeft. Door uitdroging der suiker moet dan ook de gisting en het, terug gaan der polarisatie ticheel en al ophouden, en moet daarentegen het suikergehalte ten gevolge van het waterverlies toenemen. Dui delijk wordt dit aangetoond in eenige proeven dom- Tries genomen. Van een zelfde hoeveelheid suiker werd telkens een gedeelte in goed gesloten fleèschen bewaard, terwijl men een ander gedeelte aan de lucht liet uitdrogen. De volgende resultaten werden hierbij verkregen. Polarisatie op: 20 Mei 18 Juli 17 Sopt. Suiker in een gesloten flesch bewaard . 96,4 93,6 92,6 Dezelfde suiker aan de lucht gedroogd . 96,4 97,3 97,6 Sterk gecentrifugeerd, in flesch . . . 97,4 94,7 94,6 » » luchtdroog. . . 97.4 98,0 98,1 Ook bij andere monsters werd dezelfde ondervinding opgedaan, de in flesschen bewaarde monsters gingen sterk achteruit, terwijl de aan de lucht blootgestelde suiker zonder ontleding zijn water gehalte verloor en daardoor in polarisatie vooruitging. Indische Mercuur 1808, bh. 88. De statist. sprekende over de tegenwoordig aangewende pogingen tot verkrijging der intrekking van de suikerpremies door verschil lende landen uitgekeerd, wijst erop. dat de Fransche premies ƒ54, — per ton bedragen, tegen /' 15,— en /' -21, — per ton in Duitsch land en ongeveer ƒ 18, — en f 27,— per ton in Oostenrijk. Wanneer men in het oog houdt, dat beetsuiker tegenwoordig in Londen verkocht wordt tot ongeveer ƒlOB, — per ton, blijkt duidelijk hoe groot de steun is aan de Fransche telers verleend door eene premie van f 54,— en men kan verwachten, dat de Fransche pro ducenten de premie niet zonder strijd zullen loslaten. Doch zoowel Frankrijk als Duitschland moeten overwegen, dat hoe hooger de premie, des te lager de prijs, en dat het voortduren van het tegen woordige systeem rampspoedig zal zijn voor allen die er bij betrokken Diierse m»dedeelingen 429 zijn. hi' premies hebben sedert langden bande) der West-Indische koloniën veil i nul. die I• ij de tegenwoordige prjjien niet met voordeel kiiuiu'ii prodoceeren. Mochten de premies verdwijnen dan zou on getwijfeld nieuw leven komen in de West-Indische koloniën. In t\r eerste plaats is het feit, dat zij gelijk slaan mei andere landen bij levering aan de Vereenigde Staten, een reeds bestaande gunstige factor; doch zoo zij zeker waren van nok gelijk te staan bij leverinu aan Itritscbe en andere vrije markten, daq is het waarschijnlijk dat krachtiger pogingen aangewend zouden worden om zich te handha ven. Tegenwoordig is het, met het oog op de wijze waarop de kolo niën bezwaard zijn, praktisch onmogelijk nieuw kapitaal te vinden tot ontwikkeling der industrie, doch zoo het zeker ware dat de Euro - peesche productie niet langer den broeikasgroei der laatste jaren zou toouen. dan zou waarschijnlijk versch ka itaal voor den dag komen, en die koloniën, die nu met ondergang bedreigd worden, zouden nogmaals een redelijken voorspoed kunnen genieten. Indische Mercuur IX'JS, blz. 4. Maanhkuikscij overzicht van dk Regenwaarnemingen vaniikt Algemeen Syndicaat van Suikkrfabrikanten oi' Java. Februari 18»8. 430 l'ivffso meilfiloelingen Europa 25 Maarf . Duitschland. De weersgesteldheid is sederl het einde «ler vorige weck aanmerkelijk verbeterd, in plaats fan vochtigheid is thans droogte ingetreden. Nn en dan viel er nog wel een weinig regen, doch ilit was van weinig beteckcnis, zotidat hier en daar met den veldarbeid begonnen is; meerendeels wacht men echter tot de weersgesteldheid meer bestendig zal zijn. Ooslewryk. Ook hier is het weder belangrijk verbeterd. Hel veldwerk is goed gevorderd. Enkele fabrieken zijn reeds met het verstrekken van biétzaad begonnen. In Frankrijk is het weef in den laatsten tijd bevredigend 'ge weest. Men is van meening. dat trots het stijgen der graan- en alcoholprijzen. ongeveer een even groote oppervlakte als verleden jaar met bieten zal beplant worden. In Hunkind heerseht nog steeds felle koude. <lie den aanvang van den veldarbeid vertraagt. De met biet beplante oppervlakte zal dit jaar belangrijk grooter zijn. Nederland en Behjiê hadden betrekkelijk gunstig weer, wanneer dit blijft aanhouden zal met het uitzaaien binnen kort een aanvang gemaakt worden. Koloniën. Louisiana. Gedurende de laatste week was het weer niet bijzonder gunstig voor de vcldwcrkzaamhedcn. Er viel bijna overal regen. Op Cuba bedraagt de voorraad in de zes hoofdhavens thans 104760 ton tegen 72136 ton in 1897, Op Trinidad gaat de verwerking van het riet geregeld door. het weder is zeer gunstig. In Demerara maakt het riet goede vorderingen. Soerabaia 28 April. Geen enkele transactie in den Oosthoek. In den Westhoek ongeveer 30000 pikol tot /' 6 3 / 4 11/14. Huidige waarde f&U 11/14, f 7— 7'/ 8 voor 15/17. 432 Statistiek, oogst- en marktberichten, eoz De hoogste productie per bouw werd verkregen doori Tandjongsarie 1331 pik.rietea ias,9<pik.suiki<p.b;(llsB37em 10953 K.ü |>. MA.) Rogodjampie 1207 » » » 113,8 » » » » (110208 » 9904 »» » i») Pradjekan 1033 i > » 110— i » »» ( 8J902 i 0573 »9 » 11 ) pROBOLINGGO. Dertien der veertien fabrieken gaven de gewen inlichtingen, alleen Maron ontbrak. De totale aanplant dezer Fabrieken bedroeg 7058 bouw (5017 11. A.) bruto = 7180 (5100 IT. A.) netto, aan riet werd hiervan verkregen 6,855110 pikol (423379 ton), terwijl 038233 pikol (39418 ton) hoofdsuiker en 58564 pikol (3017 ton) zaksuiker geproduceercl werden of gemiddeld: prod. per K.G. per prod. per K.G. per bruto bouw lI. A. netto bouw 11.A. riet 861 75933 954 83027 boofdsuiker 80,2 0980 88,8 7722 zaksuiker 7,4 044 8,1 705 Zes fabrieken, die 295491 pikol boofdsuiker produceerden, hiel den 310i8 pikol onverwerkbare stroop over, of 8,9 pikol per bouw en 1 deel op 9,5 deelen hoofdsuiker. De volgende fabrieken maakten de hoogste productie: Soekodono 1257 pik. rieten 120,- pik suik. p. b. (109307 en 10900 K.G. p. H. A.) Gending 1106 » » » 100,6 » » »1 ( 96256 » 9277 »»»»») Padjarakan 1030 » » * 106,- » » »» ( 89612 » 9225 » » 1 » 1 ) Pasoedoean. Vijftien fabrieken dezer residentie verstrekten volledige opga ven, alleen Kloerahan en Babat ontbraken. De aanplant was groot 7319 bouw (5215 11. A.) bruto =6505 bouw (4680 11. A.) netto en bracht 5,192307 pikol (320(j8G ton.) riet, 512120 pikol (31029 ton) hooldsuiker en 51085 pikol (3492 ton) zaksuiker op, Dus werd gemiddeld verkregen: prod. per K.G. per prod. per K.G. per bruto bouw 11. A. netto bouw lI. A. riet 706 01143 787 68193 boofdsuiker 09,7 6066 77,0 6751 zaksuiker 6,8 592 7,8 679 Op 12 fabiieken niet een hoofdsuikerproductie van 408750 pi- 434 W. C. DickliofT. De suikiTpimhirtic der versehflleada residenties kol en 0011 netto aanplant van 5202 bouw, werd 32510 pikol on vcrwei kbaro stroop overgèhpuden of 0 pikol por bouw on een deel np 12,5 doelen höofdsiiiker. De griiötste proilndio maakten: Pandaiin 928 pik. rieten 119,6 pik.suik.p.b. (80764en 10408 K.u.p. lI.A ) Sempalwadak 949 » » » 100,8 » » »» (82592 » 9294 »»» » » ) S'OEUABAIA. Van de 40 fabrieken, welke in deze residentie gewerkt hebben, gaven 5 geen inlichtingen {Kar'ah, Ketdnen, Ngagel, Soemengko, Tjandt). De aanplant der overige X» fabrieken had een uitgestrektheid van 22781 bouw (16166 11. A.) bruto = 20134 bouw (14283 11. A.) netto en bracht op 20,107037 pikol (1,241832 ton) riet, 1,971932 pi kol (121780 ton) noofdsuikèr en 175078 pikol (10813 ton) zaksuiker. Gemiddeld werd du* verkregen: pruil, per K.G. per prod. per K.G. per bruto bouw lI.A. netto bouw lI.A. ri'el 883 70848 999 86944 hoofdsuiker 86,5 7528 07,0 8520 zaksuiker 7,7 070 8.7 757 Op 20 fabrieken met een aanplant van 11838 bouw netto en oou hoofdsuikerproductie van 1,128733 pikol werd aan onverwerk bare stroop 147311 pikol overgehouden. Dit maakt 12,4 pikol per bouw of 1 deel stroop op 7,7 deelen hoofdsuiker. De hoogste productie maakten : Tjoekir 1274 pik. riet en 128,3 pik. suik. p.b. (110877 on 11166 K.G. p. 11.A.; kaliwoengocl3o9 » i » 124,- » » » » (113923 » 10792 »» » »» ) Gempolkrep 1111 » » » 122,6 t » »» ( 96691» 10609 »» » »» ; Socmobito 1000 » » » 122,0 » » »» ( 95385 » 106G9 »» » »» ) BrangkaJ 1175 » » » 122,4 » » » » (102201 » 10052 »» » »» ) ftrembooüg 1230 » » » 120,4 » » » » (1°7570» 10478 »» » »» ) Blimbing 1288 » » » 119,8 » » » » (112095» 10420 »» » »» ) Djombang 1079 » » » 115,2 » » »» ( 93900 > 10025 »» » »» ) Kkiuri. Slechts een fabriek (Koedjongmanis) verstrokte geen opgaven. de overige haddon oen aanplant vao 8778 bouw (0229 11. A.) bruto = 7847 bouw (550.J 11.A.) netto. Geoogst werd 8,397405pi- \V. O. Dickhoiï. Di' -aiikprptviiliK rii' der Torßchillende residenties 435 kol (518037 ton) riet, terwijl geproduceerd werden 725100 piko] (44789 ton") hoofdsuiker en 50392 pikol (311*2 ton) zaksuiker. Gemiddeld word derhalve verkregen : prod. per K.G. per prod. por K.G. per bruto bouw lI. A. netto bouw lI. A. riet 957 83288 1070 03023 hoofdsuiker 82,0 718!) 92,4 HOV2 zaksuiker 5,7 i'.lii 0.4 557 Twee fabrieken met een aanplant van 1224 bouw en een pror ductie van 120070 pikol hoofdsuiker hielden volgens opgave 18300 pikol onverwerkbare stroop over of 15 pikol per bouw (1305 K. (i. per H. A.) on 1 deel op 0,5 doelen hoofdsuiker. De meeste suiker werd gemaakt op de fabrieken: Bogoh-kidoel 1404pk. riet en 130,3 pk. suik. p.b. (122101 en 11340 K.G. p 11. A.) Poerwoasrie 1325 » » »,119,3 » » » » (115315 » 10383 »»» » » ) Mingiran 1352 » » » 118,7 » » » » (117005 » 10330 »»» » » ) Madioen. Even als altijd verstrekten thans ook weer alle fabrieken de gevraagde inlichtingen. De totale aanplant der 0 fabrieken bedroeg 3410 bouw (2420 11. A.) bruto = 3034 bouw (2153 11. A.) netto. Hiervan werd verkregen 2,662418 pikol (164434 ton) riet, 283312 pikol (17408 ton) hoofdsuiker en '27303 pikol (1000 ton) /aksuiker. Dit maakt dus gemiddeld: prod. per K.G. per prod. per K.G, per bruto bouw 11. A. netto bouw 11. A. riet 781 07971 877 70320 hoofdsuiker 83,1 723'2 93,4 8129 zaksuiker 8,0 696 9,0 783 Van twee fabrieken werd opgave ontvangen van de hoeveelheid onverwerkbare stroop. Deze bedroeg 13050 pikol, terwijl dezelfle fabrieken vaneen aanplant van 1001,5bouw 108892 pik. hoofdsuiker produceerden. De hoeveelheid onverwerkbare stroop bedraagt dus per bouw 13 pikol of 1 deel op 8,3 deelen hoofdsnikcr. De hoogste productie werd verkregen op: Kanigoro9s9pik.rieten 109,0 pik. suik pb. (83462en 9539 K.G. p H.A.) Redjosarie 923 » » » 101,- » » » » (80329» 9051 »»»»») Rembang. De cenige in deze residentie nog werkende fabriek verstrekte 436 W. C. Diokhoff. De suikerproductie ci>T verschillende residenties volledige opgaven, zij had een aanplant van 208 bouw (148 H.A.) bruto =188 houw (133 11. A.) netto, waarvan geoogst werd 105Ü88 pikol (6490 ton), terwijl aan riet werd opgekocht 27574pik0l (1703 ion) 'ƒ. Aan hoofdsuiker weid verkregen 11348 pikol (701 ton) eu aan zaksuiker 2000 pikol (123 ton) of gemiddeld: prod. per K.G. [ter prod. per K.G. per. bruto bouw H.A. netto bouw 11. A. riet 37-2 3237,") 413 35944 höofdsüiker 40,3 3E07 44,7 3890 zaksuiker 7,1 018 7,8 b79 *; Uier is aangenomen, ,la,'. liet opgekochte riet evenveel per bouw opgebracht heeft als de fabrieksaanplatit. Japara. Van de elf fabrieken zond een geen opgaven (TandjongmodjoJ. De overige hadden een aanplant van 5053 bouw (3580 IJ. A.) bruto = 4848 bouw (3086 11. A.) netto, de rietproductie was 4,119755 pikol (254441 ton.) terwijl aan hoofdsuiker 444956 pikol (27481 ton) gewonnen werden aan zaksuiker 32724 pikol (2021 ton), dus gemiddeld: prod, per K.G. per prod. per K.G. per. bruto bouw H.A. netto bouw H.A. riet 815 70930 047 81418 hoofdsuiker 88,0 7059 102,3 8903 zaksuiker 6,5 566 7,5 653 Op 5 fabrieken met een aanplant van 2541 bouw netto en een hoofdsuikerproductie van 275176 pikol werd overgehouden 41980 pikol onverwerkbare stroop of 1 7 ,7 pikol per bouw (1540 K. G. per H. A.) en een deel op 6,1 deelen hoofdsuiker. De grootste productie maakten: Pakkies 1108 pik. riet en 124,6 pik.suik. p. b. (96430 en 10844 K.G. p. 11. A.) Majong 986 » » » 116,- » » » » (85812 » 10104 » » » »» ) Sem \rang. Drie fabrieken van de vier verstrekten de noodige opgaven, alleen Poegoe ontbrak. De aanplant van deze fabrieken bedroeg 2168 bouw (1539 11. A.) bruto = 1889 bouw (1341 H. A.) netto. Hiervan werd verkregen 1,630405 pikol (100096 ton) riet, 158591 pikol (9795 ton) hoofdsuiker en 3900 pikol (241 ton) zaksuiker of gemiddeld: 437 W'. C. Dickhoff. De suikerproductie der verschillende residenties prod. per K.G. pet prod. per K.G. per bruto bouw lI. A. netto bouw 11. A. Plet 752 05447 803 75108 hoofdsaikèr 73,1 0362 83,9 73<iiï zaksuiker 1,3 113 2,1 183 Op ecu fabriek mot ecu aanplant van 713 bouw netto en ecu productie aan hoofdsuiker van 62088 piko] werd overgehouden 3300 pikol onverwerkbare stroop "l' 4,0 pikol per bouw (400 K. G. poi- 11. A.) en een deel op IS.B doelen hoofdsuiker. De grootste productie maakte.' GemoeOll pik. riet en 90,5 pik. suiker p. b. (79585 en 7876 K. G. p. 11. A.) SoKUAKARTA. Alle fabrieken versohaften de gewensebte inlichtingen. De aan plant was groot 7907 bouw (5011 H. A.) bruto = 7177 bouw (5063 11. A.) netto, waarvan verkregen werd0,684098 pikol (412817 ton) riet, aan hoofdsuiker 683238 pikol (42198 ton) en aan zaksui ker 43969 pikol (2716 ton), dus gemiddeld: prod. per K. G. per prod. per K. G. per bruto bouw 11. A. netto bouw 11. A. riet 845 73541 931 81026 hoofdsuiker 80,4 7519 05,1 8277 zaksuiker 5,0 487 6,1 531 Op vijl' fabrieken bleef 36050 pikol onverwerkbare stroop over, met een aanplant van 2210 bouw en een hooldsuikerproductie van 221612 pikol, dus U>,3 pikol per bouw (1427 K. G. per H. A.) en een deel stroop op 6,1 deelen hoofdsuiker. De hoogste productie verkregen de volgende fabrieken: Gond.winangoen 1087 pik. riet en 125,0 pik. suik. p.b. (94602 en 10131 K.G. p. Il A) Delangoe 1052 » » » 120,3 » » » » (91550 » 10i70 » » »» » ) Tjokro 1122 » » » 110,3 » » » » (970i9 » 10121 »»» » » ) Djocja. 13 fabrieken gaven de gevraagde opgaven, alleen Sedajoc ontbrak. De aanplant was groot 6879 bouw (4882 H. A.) bruto = 6403 bouw (4544 11. A.) netto, waarvan 7,083996 pikol (437515 ton) riet, 700002 pikol (43641 ton) hoofdsuiker en 36750 pikol (2270 ton) zaksuiker verkregen werden. Gemiddeld dus: 438 W. ('. Oickhoff. De suikerproductie der verschillende residenties prod. per K. G. per pxod. j»cr K. G. per bruto bouw 11. A. uetto bouw H. A. riet 1031) 89642 1106 96246 hoctf(lsSker 102,7 8938 110,3 9599 zaksuiker 5,3 461 5,7 496 Op drie lubrieken met een aanplant van 1387 bouw en een hoofdsuikerproductie van 145848 pikol bleef 24500 pikol onver wrikbare stroop over of 17,6 pikol per bouw (1531 K. G. per 11. A.) en een deel op 5,9 deelen hoofdsuiker. De grootste productie maakten : Bftrongno 1857 pik rieten 1-29.5 pik. suik p.b.(118100 en 11270 K.G. p. lI. A. Padokan 1271 » » » 128,3 » » » » (110616 » 11166 »» » » 9 Goud. lipoero 1096 » » » 127,9 » » »» ( 05385 » 11131 »» » » » Tandjong tirto 1250 » » » 125,- » » » » (108788 » 10878 *» » »* ' Bantoel 1287 » » » 12i,3 » » » » (112008 » 10817 »» » » » Klatjie 1033 i » » 119,0 » » »» ( 89903 » 10i08 »» » » » Danjoemas en Baüelen. Vijf van de zes fabrieken deden ons de gewenschte opgaven toekomen, alleen Klampoh ontbrak. De totale aanplant van die fabrieken bedroeg 3183 bouw (2259 H. A.) bruto = 2853 bouw (2024 11. A.) netto, waarvan een productie verkregen werd van 3,23i338 pikol (199756 ton) riet, 317875 pikol (19632 ton) hoofd suiker en 24000 pikol (1482 ton) zaksuiker, dus gemiddeld: prod. per K. G. per prod. per K.G. per bruto bouw lI.A. netto bouw H.A. riet 1010 88423 1134 98693 hoofdsuiker 99,8 8686 111,4 9695 zaksuiker 7,5 053 8,4 731 400 pikol onverwerkbare stroop werden overgehouden door 1 fabriek met een aanplant van 596 bouw en een hoofdsuikerproductie van 73353 pikol, dus 0,06 pikol per bouw (57 K.G. per H.A.) en een deel op 18,3 deelen hoofdsuiker. De hoogste productie maakten : Kalibagor 1433 pik. rieten 145,6 pik. suiker p.b. (124715 en 12672 KG. p H.A Poerwokerto 1183 » » » 126,4 » » »» (102957 » 11001 » »» » Pekalongan. Als gewoonlijk gaven al de Pckalongansche fabrieken volledige opgaven. De totale aanplant der 5 fabrieken was 2825 bouw (2005 439 W. C. Dickhoff. De Buikerproductie dor verschillende residentie» 11. A.) bnifo = 2518 bouw (4808 JI.A.) netto, vmaj+vtan2,6B93o4 pikol (16Ö0D4 ton) riet, «68849 pikol fcts9B7 t-n) eta '23*200 pikol (1433 ton) zaksuiker gewonnen werd. Gemiddeld dttS: piod. per K.(i. per prod. per K.G. per bruin lionw JI.A. netto bouw II.A. riet 952 82853 1055 91817 hobtósuiker 91,(3 7972 -101,0 P843 zaksuiker 8,2 714 9.1 7UÏ '2 fabrieken mol oen aanplaüt van 940 houw en ecu pro ductie van 97929 pikól hoofdsuiker hielden 28145 pi kul nn verwerk bare siroop over, dus 29,(5 pikol per bouw (2570 Ki G. per 11. A.) ot' 1 deel op 3,5 declen hoofdsuiker. He grootste productie maakte de fabriek : Kalimatie 1043 pik. riet en 109 pik suik. p.h.(90773 eu'l4Bo K.G. p.11.A.i Tegat. . Van de elf fabrieken dezer residentie zonden Dockoewringin. KemüngUn, Adiwerna en Ketanggoengang West geen opgaven. De overige 7 beplantten gezamenlijk 4932 bouw (3500 11. A.) bruto = 4335 bouw (3076 11. A.) netto en oogstten daarvan 4,310593 pikol (206598 ton) riet, 413581 pikol (25543 ton) hoofd suiker en 50000 pikol (3159 ton) zaksuiker of gemiddeld: prod. per K. G. per prod. per K. G. per bruto bouw 11. A. netto bouw 11. A. riet 875 76152 99 ü 80683 hoofdsuiker 83,8 7293 95,1 8303 zaksuiker 11,3 983 12,9 1123 Op 4 fabrieken bleef 47900 pikol onverwerkbare stroop over of 20,1 pikol per bouw (1749 K. G. per H. A.) en een deel stroop op 4,3 declen hoofdsuiker. De meeste suiker per bouw maakte: Tjomil 1182 pik. riet en 125,9 pik. suiker p.b (102870 en 10957 K.G. p. II.A. Halapoelang 1143 » » » 118,6 » » »»( 99176 » 10322 » » » » » Cheribon. Vijf fabrieken verstrekten geen inlichtingen (Karang soewoeng , Gempol, Parongdjaja, Djatiwangie ca KalimuruJ. De overige had den een totalen aanplant van 5809 bouw (4105 11. A.) bruto =- 440 W . O. I'ieklioft'. Do suikerj ruciiti l if ilcr versuliillt nilr- residenties 5025 bouw (3566 11. A.) netto, waarvan verkregen werd 4,694242 pikol (289922 ton) riet, 4875768 pikol (-37037 ton) boofdsuiker en 35904 [>ikol ('2-217 ton) zaksuiker, dus gemiddeld: |irud. per K<i per prod per K. G. per bruto bouw lI. A. netto bouw H. A. riet 800 69325 931 81287 hoofdsuiker 71.5 G484 87,1 7581 zaksuiker 6,1 531 7,1 018 0[» drie fabrieken met 1543 bouw aanplant en een productie van 164781 pikol hoofdsuiker werd overgehouden 32300 pikol onver werkbare stroop, dus '21 pikol per bouw (1827 K.G. per 11.A.) en 1 deel op 5,1 doelen hoofdsuikcr. De grootste opbrengst werd gemaakt door de fabriek: Sindanglaut 1070 pik. riet en 119,— pik. suiker p. b. (936'»5 en 10357 K .G. p. H.A ) Tot beter overzicht voeg ik de gemiddelden bij elkaar en voeg daaraan toe het gemiddelde over 1890 en het verschil der beide jaren. Wij zien hier een vermeerdering in rietproductie van bijna 100 pikol per bouw, met een rendement van 0,48% minder. Moet dit toegeschreven worden aan de slechte sappen veroorzaakt door het te vroeg afsterven van het riet? Dit jaar werd weer iets minder zaksuiker afgeleverd dan ver leden jaar. In 1896 bedroeg dit 1 deel op 11,'24 deelen hoofdsuiker in 1897 was dit 1 deel op 11,80. De nu opgegeven gemiddelden zijn berekend uit een aanplant van 80097 netto bouw (61093 H.A.), die 84,532907 pikol (5,220865 ton) riet, 8,102890 pikol (501149 ton) hoofdsuiker en 693629 pikol (42839 ton) zaksuiker opbrachten. Door 69 fabrieken met een aanplant van 30987 bouw (20248 H.A.) en een hoofdsuikerproductie van 3,482342 pikol (215073 ton) werd 508203 pikol (31387 ton) onverwerkbare stroop overgehouden, derhalve 1 deel op 6,8 deelen hoofdsuiker en 13.8 pikol stroop per bouw (1201 K.G. per H.A.), volgens de lijst op blz. 383 bedroeg de totale hoofdsuikerproductie 9,004985 pikol. De fabrieken waarvan wij opgaven ontvingen, produceerden, 8,162896 pikol hoofdsuiker; volgens de opgave op blz. 376—382 zou de dit cijfer zijn 8,072249. Rekenen wij, dat de 22 fabrieken, waarvan wij geen opgaven 441 W. C. üicklmff. De suikerproductie dor verschillende residenties 442 W. ''. Dickhofï. I) : ialkerpïdditoUa chw versrliillcnl» residenties 443 W. C'. DiokhoK. De suikerproluoüu iler verschillende residenties ontvingen in dezelfde verhouding meer produceerden, dan is de totale hoofdsuikerproductie: 8162896 X 900i985 n , Ai .. ftß 8072249 -9,10010b Hierbij komt een zak suikerproductie van 693629 X M)94P85 _ 77 0 7 *« 8Ü72249 <■ Twee jiikid zaksuiker voor één pikol hoofdsuiker berekenend, vinden wij ten slotte een productie van 9,492994 picol == 586299 ton. De taxatie van midden December was 9,483634 pikol (585720 ton) dus een verschil van nog geen 0,1%. De volgende fabrieken maakten een suikerproductie van meer dan 10000 K. G. per H. A. pikol per bouw K. G. per il. A . Kalibagor , 145,6 12672 Bogoh-kidoel 130,3 11310 Barongan 129,5 11270 Tjoekir 128,3 11166 Padokan 128,3 11100 Gondanglipuero 127,9 11131 Poerwokerto 120,4 11001 Soekodono 126,0 10966 Tandjongsarie 125,9 10957 Tjomal 125,9 10957 Gond. winangocii 125,0 10931 Tandjong tirto 125,0 10878 Pakkies 124,6 10844 Bantoel 124,3 10817 Kaliwoengoe 124,0 10792 Gempolkrep 122,6 10069 Soemobito 122,6 10069 Brangkal 122,4 10652 K rem boon g 120,4 10178 Delangoe 120,3 10470 Blimbing 119,8 10420 Pandaün 119,6 10408 Klatjie 119,6 10408 Poerwoasrie 119,3 10383 Sindanglaut 119,0 10357 Mingiran 118.7 10330 444 W. C. I>ickhoff. Do suikerproductie der verschillende residenties pikol per bouw K. G. per H. A. Balapoelang 118,6 *ÖBM Tjokro 116,3 10121 Miijong 116,1 10104 Djombang 11">,2 40026 Er zijn dus 30 fabrieken, welke deze grens overschrijden terwijl gemiddeld per bouw meer suiker geproduceerd werd dan ooit te voren. n.l. 98,88 pikol. Wel is He productie in bet gun stige jaar 1893 schijnbaar iets grootcr n. I. 100,1 pikol, maar toen verstrekten een veel grootcr aantal der minder fortuinlijke fabrieken geen inlichtingen, /onder het plotseling afsterven van riet in üost .l iva zoude zeker 100 pikol als gemiddelde productie bereikt zijn. REFERATEN. The diseases of the Sugar cane by C. A. Barrer. M. A. Sugar Cane ISOI, 512, 569. 1898, 6'i. Onder «lo vele ziekten, die in de verschillende productielanden de rietaanplafrtttngen teisteren, behooren in de eerste plaats ge noemd te worden de serehziekte op Java, de gomziekte in Queens land en Nienw Zuid-Wales en de ziekte, veroorzaakt door den „rind fuogus", Trichosphaeria sacchari, in West-Indië. De andere riet ziekten, hoewel zeer groot in getal, hebben niet zulk eene uitbrei ding en veroorzaken niet zooveel schade als de dre zooeven ge noemde. Behalve hierdoor wordt bet riet bedreigd door tal van vijari lea uit het dierenrijk, waarvan er alleen op Java 70 soorten bekend zijn '). Hieronder zijn zes kevers, zes hoorders, vijfentwin tig andere rupsen, verschillende sprinkhanen, vier thrips, een aan tal luizen, vier of vijf cicaden enz. Deze blijkbare vatbaarheid van het suikerriet voor de aanvallen van parasitaire schimmels en van insecten is niet te verwonderen. Wanneer men toch planten op groote schaal cultiveert dan kan men er zeker van zijn vroeg of laat daarin ziekten te zien optreden. bier- en plantensoorten, die tot nog toe voor onschadelijk ge houden werden, veranderen plotseling in gevaarlijke parasieten, terwijl zij, die andere planten aanvielen, hunne verwoestingen ook op het nieuw gecultiveerde gewas uitstrekken. Verder maken de voor waarden, waaronder cultuurplanten zich bevinden, ben bijzonder *| Volgens de tabel Tan Zkhntser Archief 1897, 525, is dit aantal reeds tot 98 gfstfgen. [Ref.] 445 W. C. D'nkhol'f. De suikerproductie der verschillend" residenties. vatbaar voor <fe aanvallen timmer vijanden. Zij worden in grooten getale en dicht opeen geplant, waardoor de verspreiding eèner ziekte ongehinderd kan voortgaan. Bij de teeltkeus door de cultuur verkregen, zijn sommige eigenschappen der planten aanzienlijk ont wikkeld, zooals eene sterke vergroeiing van sommige deelen (rapen), eenc vermeerdering van vlecseliaclitigheid van eenige organen (bloemkool) of een ophooping van oplosbare stoffen in liet eelvocht (beetwortels, suikerriet). Al deze oorzaken dragen er toe bij bet evenwicht der plant te verstoren, zoodat zij gemakkelijker een prooi van ziekten wordt. Aan den anderen kant wordt er met de keus van tegen de een of andere ziekte bestendige variëteiten natuurlijk niet begonnen voor dat deze ziekte uitgebroken is, zoodat bet niet te verwonderen is. dat, wanneer er nieuwe ziekten uitbreken, deze in het begin bet gevaarlijkst zijn en herhaaldelijk groote aanplantingen tegelijk verwoesten. Het suikerriet bezit eigenaardigheden in groei en in samenstel ling, die het zeer vatbaar voor de genoemde aanvallen maken. In plaats van den drogen stengel en de zachte bladeren der meeste kruidachtige planten, bezit bet een sappigen stengel en harde, droge bladeren. Knagende en borende dieren dringen door den barden bast en banen daardoor den weg voor de sporen der parasitaire schim mels. De voortplanting van het riet geschiedt op vegetatie ven weg door stekken van het oude riet te nemen, op welke wijze na tuurlijk de daarin bevatte ziekten ook gemakkelijk kunnen worden overgebracht. Verder is er in de meeste streken, waar riet geplant wordt, geen tijdperk van rust, evenals in koudere klimaten, waar door het gebrek aan voedsel gedurende een deel van het jaar vele parasieten in grooten getale te gronde gaan. Ten slotte worden de netplanten zoo dicht opeen geplant, dat er geen andere gewassen tusschen kunnen opschieten, zoodat de ziekten en insecten onge hinderd van de eene rietplant op de andere kunnen overgaan. De Heer Barber geeft nu in zijn artikel een overzicht van da litteratuur over ziekten van het riet, waarin hij met den meesten lof spreekt over het op Java op dit gebied verrichte werk. Daar het meeste van hetgeen hij in dit litteratuuroverzicht geeft aan het Archief ontleend is, kunnen wij dit als bekend veronderstellen en willen er alleen op wijzen, dat volgens Barber, wat de studie en de kennis der ziekten en plagen, die het riet bedreigen, betreft, Java Réferfttetl 446 bovenaan stunt,. Vorder zijn or in Kew en in N. Z. Wales riot ziekten bestudeerd en ook in Lonisiana, boewei <la;ir dboc hettéjd perk van rust in don winter fle toestanden geheel anders zijn dan in do Ironische landen, zoodat de daar verkregen resultaten volstrekt. niet voor andere landen van toepassing kunnen zijn. Belialve genoemde plaatsen of landen, waar de ziekten goed onderzocht zijn. komen er van vele andere productielanden berichten van het optreden van kwalen, terwijl het aan geen twijfel onder hevig is, of er zullen, nu de vietaanplantingen van Fidsji on llawaii nauwkeuriger onderzocht worden, ook vui daar tot nog toe onbe kende rietziekten worden gemold. Met het oog op de zoo zeer algemeen voorkomende ziektever schijnselen heelt men dikwijls beweerd, dat de rietsuikcrindnstrie in gevaar verkeert haar grondstof geheel te zullen verliezen en ook dat men tegenwoordig veel meer van ziekten hoort dan vroeger. Nu is het zeker, dat men er nu meer op let, want voorheen in de goede dagen kon de planter met een gerust hart geheelc karren vrachten doodc, verrotte en door ratten aangevreten rietstokken op het veld achterlaten, «laar hij van de andere nog winst genoeg maakte, terwijl hij nu geen rietstok kan verliezen, (tnze kennis van den toestand der rietaanplantingen van vroegere tijdon is zeer beperkt. Toen de suikerfabrikanten in vollen voorspoed verkeerden, werd de herinnering aan enkele jaren van misoogst spoe dig uitgewischt, door opvolgende jaren van overvloed. Desniettegen staande lezen wij van geweldige epidemiën in het rietgewas, die veel erger schijnen te ziju geweest dan de ergste, waarvan wij nu liooren. Zoo verhaalt Patiuck Browne in 1750 van een bladluizenplaag (aphis blight), dat deze zeer noodlottig was voor elk gewas, dat zij aantastte, en dat daardoor een paai' jaren achtereen geheelc rietaanplantingen verwoest Werden. Als deze luizen talrijk voor kwamen was men verplicht alle rietaan planten, zelfs de nieestbelo vende, in den omtrek te verbranden. In het jaar 1760 vernielden groote scharen van mieren (Formica omnivora) de riettuiuen in de Fraüsche en Engelschè West-Indische koloniën. De daardoor aangerichte verwoestingen waren van dien aard, dat er sprake van was het voorheen (en ook later Ref.) zoo bloeiende eiland Barbados te verlaten, in 177ö loofde de regeering van Martini que een millioen van hun munt uit voor een middel tegen deze kwaal, terwijl het Bestuur van Grenada £ 20000 voor datzelide doel beschikbaar stelde. Tti-iVriitiii 447 In 1771 schreef Sampf.i. Martin over de „biast" '), dat het eiland Antigua daardoor Waarschijnlijk geheel geruineerd zou worden. Misschien was dit hetzelfde als de aanval der bladluizen, waarover BrowNE schreef, daar die dieren nog al en toe op Antigua gevon- don worden. In 1814 klaagde Lunan op Jamaica over de „blast," waardoor dikwijls geheele riettninon worden vernield en die veroorzaakt wordl door ontelbare menigten van kleine insecten, waartegen geen af doend middel kon worden gevonden. De planters op het eiland Mauritius ondervonden in het jaar 1848 veel nadeel door het optreden van een groot aantal larven. die geheelc gangen in het midden der rietstokken vraten. Wij lezen, dat de invoering van het Bourbonriet in In Hè" in de jaren 1857 en 1858 gevolgd werd dooi' zulke hevige ziekten, dat de rietstokken geheel in de tuinen wegrotten, waardoor de cul tuur van deze veelbelovende variëteit geheel verlaten werd. Gedurende deze zelfde jaren had men in Looisiana ook veel te lijden van vernielingen door keverlarven, die vooral aan de Bene den Mississippi veel verwoesting aanrichtten. De rietstokken braken op het veld midden door en konden niet geoogst worden. Ju de jaren na Ls7-2 vertoonde er zich in Queensland een ont zettende aanval van roest, die zoo hevig was, dat de riettuinen er geheel kaal door werden. Ongeveer terzelfder tijd lezen wij van groote epidemiën op Mauritius, de Gezelschapseilanden en Bahia. Wanneer wij ons een denkbeeld willen vormen van de betrek kelijke veelvuldigheid van het voorkomen van ziekten nu en vroe ger, dan stuiten wij op verschillende moeilijkheden. De betrouw bare gegevens van vroegere tijden zijn zeer schaars en onvolledig, verder heeft de vooruitgaande wetenschap meer licht verspreid over de in de tuinen voorkomende parasieten en is daardoor de aandacht der planters er meer op gevallen dan vroeger. Boven dien kan de planter in deze benarde tijden het verlies van zoovele aangetaste en doode rietstokken niet meer dragen, die nu zoowel als vroeger bij het oogsten voor den dag komen, en daardoor be klaagt hij zich luider dan in de dagen van voorspoed. Er bestaan vele redenen om aan te nemen, dat de zoo dikwijls besproken vermeerdering der netziekten in de laatste jaren meer denkbeeldig dan waar is. In het algemeen genomen is de toestand der rietaanplantingen over de geheele wereld vrij wel normaal. *) Een algemeene naam voor een verwoestende ziekte. [Ref.J 448 Referaten Op .lava, waarvan de meeste rietzickien bekend zijn, schijnt men ze goed in bedwang te kunnen houden. Het is voornamelijk op de West-dndische eilanden; waar de wetenschap niet in tel is, dut de riet/dekten zoodanig de overhand nemen, dal /ij >le laatste overge bleven planters, die den strijd tegen de beetworteisuiker nog vol houden, niet geheel&n ondergang bedreigen. Onze kennis van de levensvoorwaarden van het riet is iu de laatste jaren met groote stappea vooruitgegaan en daardoor zijn wij beter in staat de uitwerking der verschillende parasieten na te gaan, dan toen men alles op ~misgevas" schoof. Echter schijnt, nu er vele soorten van ziekten bekend zijn, hunne uitwerking niet noodlottige* te zijn dan voorheen. Zoowel in dit als in andere opzichten herinneren de rietziekten van vroeger tijden aan de verwoestingen door de pest in de middeleeuwen Sedert dien tijdis de lijst der bekende ziekten, waara in de meneert bloot stant. door den vooruitgang der medische wetenschap aanmerkelijk uitgebreid, doob 'Ie methoden hunner bestrijding zijn nog in veel sterker mate verbeterd, waardoor ten slotte een veel gunstiger gezondheidstoe stand verkregen is. Moge < I Lt ook voor de rietaanplantingen liet geval worden! Een vluchtig onderzoek der op het oogenblik heerschende ziek ten is voldoende om de overtuiging 1c vestigen, dat de meeste, zoo niet alle kwalen, die vroeger bestonden, nog even goed gevonden worden, al is het ii. een minder gevaarlijken vorm. De bladluizen van de ~blast", de mieren van Barbados, de ~zwarte brand" en bet „koekoekspuug" worden even goed als de gevreesde „roest" van Queensland allerwege in de riettuinen gevonden, maar kwaad van eenige beteekeais doen zij niet. Hiertegenover staat. dat. even als ireuwe en onbekende ziekten den mensen aantasten, er bewijzen genoeg voorbanden zijn van beginnend parasitisme van voorheen onschade ijke dieren en schim mels, Saprophyten zijn parasilair geworden, terwijl tamelijk on schadelijke parasieten zich tol gevaarlijke en verwoestende plagen hebben ontwikkeld. Hiervan is de ~rind fungus" uit Wes'-lndiëeen goed vooi-beold. De Tricbospaeria sacchari werkt zonder eenden twijfel op deze eilan len als een gevaarlijke parasiet. Ofschoon zij gewoonlijk het riet bij een boordergat binnendringt, is het herhaaldelijk op Barbados gebleken, dat dit niet een noodza kelijk vereischte is: daar er naarmate de oogst vordert meer en meer door «leze schimmel aangetaste rietstokken werden gevonden, ttuturaten. 449 waarin, zelfs na het meest nauwgezette onderzoek, gren spoor van boorders kou worden geconstateerd. *) In Queensland bleek liet bij infectieproeveo, dat deze zelfde schimmel parasitisch leven kan, hoewel zij zeer algemeen als een saprophyt op doodo rietstokken en bladeren gevonden wordt. Op Mauritius waar deze zelfde schimmel veel voorkomt, is het twij felachtig of zij ook parasitisch kan optreden, terwijl op .lava de daarmede verrichte infectieproeven totaal mislukten en daar dus de Trichospaeria alleen saprophytisch leeft. Dit alles schijnl er dus op te wijzen, dat deze Humus, die oorspronkelijk onschadelijk was. langzamerhand een parasitairen vorm aanneemt. Van gelijksoortigen aard als boven genoemd verschijnsel is de nu en dan voorkomende verandering in levenswijze van insecten, die men in riettuinen aantreft. Dit is zeer duidelijk bet geval met een kevertje, de Xylohorus perforans, dat in de laatste jaren in ongeloofelijk aantal het riet in West-Indié' aantastte. Dit is daarom zeer van belang, omdat deze kever vroeger niet in bet riet gevonden werd. maai' in de duigen van oude wijnvaten leefde en daarin gaten boorde, zoodat de verandering van levenswijze en van voedsel, van droog bout tot sappig riet, wel een der uitersten der bekende gevallen vormt. Verder is er eene dergelijke verandering in gewoonten opge merkt bij een kevertje tot het geslacht der schorskevers behoorende, de Hypothenemus eruditus, dat eerst gevonden werd in den band van een boek en later in andere droge, levenlooze voorwerpen. Op bet eiland Nevis schijnt het tot een ander voedsel te zijn over gegaan, want bet boort daar gaten in de jongste, nog opgerolde rietbladeren en veroorzaakt daar veel schade, hetgeen des te merk waardiger is, omdat kevers, die tot die familie behooren, gewoonlijk geene groene plantendeelen aantasten. Wij zien dus uit de boven aangehaalde voorbeelden, dat er nog zoowei in bet planten- als in het dierenrijk verscheiden vij anden verscholen zijn, die hun tijd afwachten om het riet aan te vallen, zoodra hunne krachten daartoe voldoende worden of bet weerstandsvermogen van het riet op de eene of andere wijze ver zwakt wordt. Met het oog op deze feiten krijgen wij een gezicht op een grooten cirkelgang der ziekteverschijnselen. De netplanten weten zich ) Dit/elfde is op Java bel geval geweest mei liet Rood Snot, waarvan de schimmel ver moedelijk vroeger een onschadelijke «apiopliyt «»», toni alleen in openingen in den bast binnendrong en na ook in riet met geheel gaven luist te Tinden is, waarin het waarschjjnljjk uit de bibit is voortgekomen. [Hef.] 450 Referaten langzamerhand tegen de aanvallen hunner parasieten te beschutten, waardoor vele der vroegere liet/.ielden, hoewel nög steeds aanwezig, Ininiie verwoestende kracht verloren hébben. Daarentegen verkrij gen vele saprophyten de kracht om van de doode weefsels, waarin zij lot nog toe verkeerden, op de nabij gelegen levende rellen over te gaan, terwijl vele vrij onschadelijke parasieten zoodanig in kracht toenemen, dat zij nagenoeg alles dooden, wat zij bereiken kunnen. Langzamerhand ontstaat er uit de planten, die de aanvallen hebben weerstaan, eenè variëteit, die meer tegen die ziekten bestand is, om later weer op haar beurt een prooi te worden van cen of andere nieuwe ziekte of plaag, en zoo gaat de cirkelgang voort. Wanneer dit gezichtspunt het juiste is, dan ligt daarin veel bemoedigends voor ons. Het eerste optreden en de voortgang van nieuwe ziekten wordt door de nieuwere hulpmiddelen der wetenschap veel spoediger be merkt dan vroeger en daardoor kunnen die ziekten dan ook ge makkelijker bedwongen worden, waarvan de voorbeelden gelukkig niet ontbreken. Waar de West-Indische planter in berusting of uit wanhoop de handen in den schoot legde, plukken nu de rietplanters np .lava de vruchten van hun meer verlichte politiek. Op dat eiland worden de rietziekten met zorg bestudeerd en hunne oorzaak zoo mogelijk nagegaan. Kr worden geregeld berichten verspreid overhel optreden van nieuwe verschijnselen, terwijl de regeering bijzondere wetten uitvaardigt tegen overbrenging der besmetting. Alleen door al deze maatregelenis het hun mogen gelukken cene zoo vreeselijke ziekte als de sereh, zoo al niet geheel uit te roeien, dan toch in zeer voldoende mate te bedwingen. De tegenwoordige methoden «ler bestrijding van ziekten ver schillen veel van die, welke vro ger in gebruik waren. Inden beginne schonk men uitsluitend de aandacht aan dierlijke vijanden en de bestrijdingsmiddelen berustteD uitsluitend op het ver Jel gen daarvan; maar toen men later bemerkte, dat velschillende schimmels evenzeer met gevaar dreigden, zocht men daarin de voor naamste vijanden en bespuiten en besproeien van het riet met desinfectiemiddelen, zoowel als uitroeien en verbranden der aan getaste exemplaren werd nu het wachtwoord der bestrijders. Evenwel heeft zich langzamerhand de overtuiging gevestigd, dat het lastiger is een reeds uitgebroken epidemie te bestrijden dan haar te viorkomen en daarom let men meer op de geaardheid van den bodem en van het klimaat bij de keuze der rietvariëteiten, Ëefératëtl 451 <lie men aanplant. Men kiest nieuwe variëteiten uit, die beter tegen de een e of andere ziekte bestand zijn dan die, welke men gewend is te planten en ten slotte doet men veel moeite tot het verkrijgen van gezond plantmateriaal, zoowel pp vegetatieven als op geslacht e -lij ken weg. Bestonden volgens oudere mededeelingen de bestrijding&wijzen van vijanden uit liet dierenrijk oudtijds uit zeer ruwe middelen ui, vergiftigen en verbranden, zoo berusten in den laatsten lijd die methoden meer op de studie der levenswijze der gevreesde insecten. Door die studie heeft men het juiste tijdstip hunner ontwikkeling leeren kennen, waarop de bestrijding de meeste kansen up .succes heeft. Zoo kan men de hoorders het beste verdelgen in den toestand van ei of van rups, do luizen als zeer jonge insecten, de sprinkha nen in den eitoestarid, de wawalan als volwassen insect enz. Een nog beter middel van bestrijding bestaat in de invoering ol bescherming der natuurlijke vijanden der parasieten, hoewel men daarmede voorzichtig moet zijn om niet het paard van Trpje in te halen. Zoo weiden er in Jamaica ter verdelging der ratten eenige paren ichneumons *) ingevoerd, die zich snel vermenigvuldigden en ook de ratten sterk in aantal deden verminderen. Hierbij bleef het echter niet, want de ichneumons doodden ook het pluimgedierte, de meeste vogels, hagedissen enz. zoodat de natuurlijke vijanden der vele insecten, die het riet beschadigen evenzeer verdwenen en men nu op maatregelen zint om de ichneumons op hun beurt te ver delgen en nieuwe vogelsoorten, die hunne nesten in hooge boomen maken, in te voeren. Pogingen in het werk gesteld om de parasieten door middel van besmettelijke ziekten te deeimeeren zijn nergens met succes bekroond. Üe vele proeven met den muizetyphusbacil, zoowel als met de sporen van Isaria Barberi en Botrytis tenella, zijn alle zonder ge volg gebleven, terwijl het groote moeite schijnt te kosten de sluip wespen, die de boordereieren aansteken in het groot aan te fokken. Deze bestrijdingsmiddelen schijnen dus voorloopig nog niet veel toekomst te hebben. De onderlinge verhouding tusschen de verschillende levende wezens in een zelfde landstreek, de wetten volgens welke som mige soorten in een enkel jaar zich buitensporig kunnen vermenig vuldigen en volgens welke zij zonder uiterlijk waarneembare oorzaak *) Een soort aan rte louwuk Ter want. (Rel.) Referaten 452 plotseling flöór |i;ii';isiclcii worden moeten nog veel beter bekend zijn. eet wij er aan kunnen denken ziekten en epide iniën ónder de vijanden te verspreiden, die ons riet bedreigen. Een goed voorbehoedmiddel tegen de verspreiding van ziekten is hel verbod van invoer van zekere planten uit streken, waar ziekten onder de bedoelde planten heersenen. De invoer van planten van de eenc streek in de andere is daardoor zoo ge vaarlijk, omdat ziekten die cultuurplanten in eene landstreek aantasten in de andere onschadelijk zijn en omgekeerd. Een zeer leerzaam voorbeeld van de schade, die door den invoer van besmette planten kan worden veroorzaakt, is de Phylloxera vastatrix, die in zijn vaderland, Amerika, als een onschadelijken bladluis op de daar inheemsche wijnstokken voorkwam, maar na toevallig in Europa te zijn overgebracht inde wijngaarden van Frankrijk zulke verwoestingen teweeg bracht, dat de daardoor aan dat land be rokkende schade op eenige malen het bedrag der aan Duitschland betaalde oorlogsschatting wordt begroot. In dit geval, evenals in andere dergelijke gevallen, werd een parasiet ingevoerd in eene vegetatie, die in het geheel niet door natuurlijke teeltkeus op den aanval daarvan was voorbereid en daarvan dus onherroepelijk het slachtoffer werd. Ten einde de verspreiding der serchziekte tegen te gaan heeft men op Java den invoer van riet uit andere streken in serehvrije kringen verboden, zonder dat het schijnt, dat deze maatregel afdoende hulp heeft verschaft. Omdat nu directe bestrijdingsmid delen evenmin als afsluiting en quarantaine bij machte waren rietziekten uit te roeien, is het niet te verwonderen, dat planten pathologcn ook hun aandacht hebben geschonken aan de vraag of het niet mogelijk zou zijn de omstandigheden voor de plant zoo danig te maken, dat zij de aanvallen der parasieten met goed gevolg kan doorstaan. Dit kan op twee manieren geschieden en wel door de keuze der variëteit, die voor iedere streek het beste geschikt is onder de omstandigheden waaronder zij in de cultuur verkeert of door eigenschappen in de plant te ontwikkelen, die haar beter tegen de parasieten beschutten kunnen. In de natuur zorgt de plant er wel voor zich op deze beide manieren op den langen duur tegen hare vijanden te vrijwaren, laten wij dan zorg dragen dit door de cultuur niet tegen te werken! Het spreekt van zelf, dat wanneer wij eene plant culti- Referaten 453 veeren op ecu grondsoort, die voor hare ontwikkeling en groei niet gunstig ii, die plant nooit krachtig zal zijn en dus gemakke lijk door ziekte zal worden aangetast. Om die reden moet ©ok ieder snikerrietplanter door proeven uitmaken, welke rietstooh in ieder bijzonder geval voor de door hem beplante gronden de beste resultaten zal opleveren, -j-) Wat de bemesting aangaat, zoo hoort men ook dikwijls eene eenzijdige of te sterke bemesting als oorzaak van de eene of an dere ziekte noemen. lets zekers is hieromtrent nog niet te zeg gen, hoewel liet voor de hand ligt, dat meststoffen, die het riet opdrijven, zonder tevens bet noodige voedsel voor do groote hoe veelheid riet te verschaffen een aanplant zullen doen ontstaan, die daardoor zwakker en meer aan ziekten onderhevig is dan wanneer dit niet zoo sterk was opgedreven. Behalve deze uiterlijke omstandigheden van klimaat, bodem en bemesting, waardoor men liet riet min of meer tegen de ziekte kan harden, is het tweede genoemde punt, id. het bezitten van eigenschappen, die het riet tegen de parasieten beschermen, nog wel zoo belangrijk, daar dit de reien is. waarom de eene rictvariëteil goed slaagt op dezelfde plaats, waar eene andere aan ziekte be zwijkt. In het algemeen genomen zijn de rijke, sappige rietsoorten veel meer onderhevig aan ziekten dan de houterige, halfwilde. Nu is het niet waarschijnlijk, dat dit verschil juist gelegen is in de sappigheid van den stengel of in de hardheid van den bast, maar men kan toch veUig aannemen, dat deze eigenschappen in verband met vele andere een groote factor zijn voor de meerdere of min dere vatbaarheid voor' aantasting door insecten of schimmels. Op Java is het Cheribonriet uiterst vatbaar voor de sereh, op Mauritius wordt het ,Bamboeriet" het sterkst door de gomziekte aangetast, terwijl in West-Indië voornamelijk bet zon boog geachte Bour bonriet door den „rind fungus" wordt bedreigd. In al deze drie gevallen is het in die landen het meest 'geplante, /eer sap- en suikerrijke riet; het spoe ligst en liet sterkst door de ziekten aan getast, terwijl zoowel in Indië als op Java de veel meer houterige, halfwilde soorten aan de heerschende ziekten weerstand boden. Zeer waarschijnlijk zijn de suikerrijke soorten het product der eeuwenlange cultuur door den mcnscli. waardoor steeds de sappigste en zoetste soorten werden uitgekozen. Dom die eultuur en een zijdige teeltkeus evenwel is bet weerstandsvermogen dier varië- +) Zie ook hierover Anhiul J ÖUf>, 294. (Kol.). Referaten 454 teitcn achteruit gegaan en staan zij hierin ten achter met de niet gecultiveerde soorten, die nooit verwend werden en die aan zich v.i-\\' overgelaten iu de noodzakelijkheid bleven verkecren aich zon der liiil|» van den rnensch tegen de aanvallen van parasieten, te verweren. Zeer waarschijnlijk zal bij veredeling dier halfwilde rietsoorten ook weer dat weerstandsvermogen verzwakken, hoewel lud natuur lijk ons doel meet zijn een variëteit te vinden, die een grooten suikerrijkdom met een groote immuniteit verecnigt. Hiernaar wordt reeds sedert jaren gezocht en aan dit streven hebben wij dan ook de tallooze rietvariëteiten te danken; maaralleen in de laatste jaren geschiedt dit op meer wetenschappelijken voet. EnsoN in Louisiana houdt zich sedert jaren bezig met het uitzoeken der meest suikerhoudende stokken van een zelfde veld in de hoop dat de nakomelingen daarvan die eigenschap zullen overerven om zoo doende een suikerrijke soort te verkrijgen. Op Java heeft men beproefd eene rictvariëteit te kweeken, die bestand is tegen de sereh, door in een door die ziekte aangetasten tuin bibit van die stokken te nemen, die door de ziekte gespaard waren en dus eene grootere immuniteit hadden bezeten. Ook hier wordt op erfelijkheid dier ei genschap gerekend. Het verkrijgen van een gewenschte nieuwe soort door de voortplanting van eene toevallige knopvariatie eener ge cultiveerde rietsoort is vrij wisselvallig, want vooreerst komt zulk eene variatie tamelijk zeldzaam voor en verder zou het al zeer toevallig zijn als deze nu juist in de door ons gewenschte richting varieerde. Een veel betere weg tot verkrijging van nieuwe variëteiten, die men dan later in de cultuur beproeven kan, is het zaaien van riet, dat sedert eenige jaren op elke plaats der aarde, waar het riet groeit, beproefd wordt. Over het algemeen zijn de daarmede verkregen resultaten ze ker bevredigend te noemen, maar daar de periode tusschen het zaaien en het oogsten een geheel jaar duurt en daar het vaststellen der eigenschappen en der waarde voor de praktijk nog veel meer tijd wegneemt en eindelijk als men eene uitstekende plant heeft daarvan betrekkelijk weinig plantmatcriaal kan verkregen worden, is deze manier van nieuwe variëteiten te verkrijgen zeer langzaam. Men moet toch niet vergeten, dat het doel niet alleen is eennieuwe soort te krijgen, maar eene, die bij den suikerrijkdom, het groote gewicht enz. der reeds gekweekte variëteiten nog de goede eigen schap van een groot weerstandsvermogen tegen ziekte bezit. Referaten 455 Het is gebleken, dal het in het wilde uitzaaien van rietplui n zeer slechte resultaten oplevert, maar op Java verkreeg men reeds voor de praktijk zeer waardevolle nieuwe soorlen dooreen stelsel matige kruizing van twee rietsoorten, die beide tritst» kende eigen schappen bezaten. 11. C. PRÏNSEN GeERL'TGS. DIVERSE MEDEDEELINGEN Aan het verslag over 1897 van liet proefstation vuur suikerriet in West Java te Kagok-Tegal, ontleenen wij het navolgende. Verslag ov e r d e cl/emi s c h <■ werkzaa m h e <l s n / door 11. C. Prinsen Geerligs. (Groens bemesting. Reeds herhaaldelijk zijn er proeven gepubliceerd, waarbij vlinder bloemige gewassen zijn uitgezaaid en na eenigen tijd het verkregen plautenproduct gewogen en geanalyseerd word. De in dien oogst aanwezige hoeveelheid stikstof werd dan gewoonlijk aangemerkt als uitsluitend uit de atmospheer opgenomen als een door die planten verkregen winst, zonder dat weid nagegaan of die stikstof niet oorspronkelijk in den grond aanwezig was geweest en door de plant aan dien stikstofvoorraad was ontleend. In dat geval is dat stik stofgehalte in het geheel geen winst, ja zelfs gedeeltelijk als verlies te beschouwen, want in dat geval is de stikstof, die ineen opneem baren vorm in den bodem aanwezig was, nu in de plant opgene inen en moet na het onderbrengen der plantenmassa in den grond weder in opneembaren vorm worden overgebracht, hetgeen steeds met verlies gepaard gaat, zoodat in dat geval de groene bemesting eerder na-dan voordeel zou opleveren. Om dit na te gaan, zaaide ik zaden van soja en aardnoot in bloempotten volgens hetzelfde model als Wagneb voor zijne proef nemingen gebruikte en waarin goede, vette sawahgrond was ge bracht, waarop genoemde planten reeds jaren hadden gegroeid. üc hoeveelheid grond werd voor iedere pot gewogen en ge- 456 Referaten analysecrd, zoodat de absolute boeveellieid stikstof, die in teder geval véór de proef aanwezig was, bekend was. De bloempotten (boog 40, diam. 33 c.M.)s'onden op ren bank onder een beweegbaar afdak, dat gewoonlijk weggeschoven was, maar zoodra het regende weer aangebracht werd, terwijl de aarde met gedistilleerd water begoten werd. Ten einde ,na te gaan of ecne grootere hoeveelheid voedingsstoffen, dan reeds in den bodem aanwezig was, de plant tot grootere bladproductie en daardoor krachtiger stikstofassimilatie kon dwingen, m. a. w. of men om het zoo uit te drukken, practisch gesproken, kali en phosphorzuur in stikstof kan omzetten, werden eenigc der potten niet oene extra bemesting van kali en phosphorzuur voorzien, zoo lat het plan werd: Vette sawahgrond, 5 sojaplanten per pot, waarvan 1 onbemest, 1 met 5 tir. KjiO (als kaliumsulfaat) 1 met 5 Gr. PkOs (als super phosphaat) en 1 met 5 tir. KjO en 5 Gr. P>o;, samen en verder dezelfde proef in dezelfde volgorder niet aardnoten, van elk 4 planten. Na '2 maanden, toen de planten vrucht begonnen te zetten, werden zij uitgetrokken, gewogen en geanalyseerd en de grond van iedere pot evenzeer gewogen, gemengd en geanalyseerd met dezen uitslag: Diverse mededeclingen 457 De bemesting verhoogde dus de plantenproductte ea Ipl to tale stikstofgehalte in bijna alle gevallen, behalve bij de grondaoten, waar eene enkele kalibemesting zelfs nog wat minder opbraöht dan in den pot, waar geen mest was toegevoegd. Er was daa in de meeste gevallen werkelijk stikstof' uit de atmospheer geassimileerd, hoewel deze cijfers door het groote aantal bronnen van fouten op geene absolute nauwkeurigheid aanspraak maken en nog eene nadere bevestiging verdienen. Het wortelstelsel was goed ontwikkeld en de wortels van beide soorten van gewas sen waren ruim voorzien van de bekende wortelknolletjes. Die aan de sojawortels voorkwamen werden geanalyseerd met dit gevolg: 135 knolletjes wogen 3,106 Gram of gemiddeld '23 m.Gr. per stuk en bevatten 26,53 % vaste stof, waarvan 1,52 % stikstof. Dezelfde proef werd herhaald met een zeer onvruchtbaren zandgrond, die geënt werd met een weinig grond, waar grondnoten en soja hadden gegroeid. Verder werden de potten evenzoo bemesl en gezaaid als voren beschreven is en na 2 maanden de planten onderzocht. 458 Diverse mededeelingen liet gewichl der plantjes was in < 1 i.mi onvruchtbaren grond zeer gering, het w*>rt/?l*telse] was niet zeer ontwikkeld en de war telknolleljes waren spaarzaam en zeer klein. Het gewichl der planten was: Soja. Grondnoten. 5 plant on i per plant. 4 planten. pet' plant. Ünbemest 40 (ir. 8 Gr. 112 Gr. 28 Cr. Kali 38 » 7,6 » 70 » 20 » l'hospliorz. 53 » 10,0 » 113 » 28 » Kali -f- pliosplntrz. 50 » 10 » 100 » 25 » Het stikstofgehalte der soja plant en was 0,837% en dat der grüiidnotenplantcn 0,770, terwijl de vaste stofgehalten respectieve lijk 23,75%, 25,5% 25.71% 25,'25% en 10,30%, i0,34% -19,88% en 20,19% bed ï'oegen. Hoewel dus in de met phosphorzuur en kali ter dege bemeste potten alle voedingsstoffen voor de planten behalve stikstof ruim schoots voorhanden zijn en er ook eene grootc hoeveelheid stikstof in de atmosphecr disponibel is. zoo beeft de plant, gelijk in Europa herhaaldelijk opgemerkt is, eene zekere hoeveelheid stikstof in den grond noodig om tot wasdom te komen en zoo zijn de theoriën om oen onvruchtbare woestijn door middel van beplanting met legumi nosen en enting met wortelknollenbacteriën van stikstof ie voor zien, nog niet voor verwezenlijking vatbaar. Met het oog op de zeer spaarzame vegetatie in de potten is dan ook van eene bepaling van het stikstofgehalte in den grond afgezien, daar de onvermijdelijke fouten in de analyse al grooter zijn dan de te verwachten hoeveelheden stikstol. De voor de eerste proef' gebezigde planten hadden gedurende twee maanden gegroeid in een zeer goeden grond in den regentijd; dus alles onder zoo gunstig mogelijke factoren en daar deze. wanneer de groene bemesting als mest voor den rietbouw zal wor den gebruikt, niet zoo gunstig zijn. werd er eene proef in de praktijk genomen. In een volgens Reynoso op 4 vuet pas opengemaakten tuin werd in de gaten op 3 rijen in elke goot op afstanden van 1 voet tel kens 3 sojaboontjes geplant op den sden5 den Juni, waarna de tuin bego ten werd. De zaden kiemden goed en werden na 6 weken, toen de bloemen reeds ontloken waren, op 23 Juli ondergepatjold, nadat eerst in een gedeelte van den tuin de productie aan planten was bepaald. Deze bedroeg per bouw 6,4 pikol planten met 28,68% Diverse meilodeelißgen 459 vaste stof en 0,9% stikstof óf nog geen Okatttes stikstof péV bouw. Rekenen we nu uog, dat evenals op pag. 457 gemiddeld op i?.7PB Gr. inde planten 9,515 Gr. totaal stikstof werd gewonnen, dan geeft dit op 5,7(3 kattie ongeveer'2o kattie stikstof per bouw of ecne vrij spaarzame voorbemesting. Om die te krijgen heeft men den bodem steeds vochtig en beschaduwd moeten houden, het eerste om de soja niet te doen sterven, het andere door de jonge plantjes zelve, zoodat de bodem niet kan verweeren (uitzuren) en de daardoor geleden schade zal waarschijnlijk veel grooter zijn dan door die 20 kattie stikstof per bouw zal worden goed gemaakt, waarbij de kos ten van zaad, planten, onderpatjollen enz. nog niet eens zijn me degerekend. De andere plant, die zeer voor de groene bemesting in aan merking komt, de orok-orok (Crotallaria laburnifolia), is daartoe aan een zijde veel beter geschikt, daar zij een groot bladproduct oplevert, vrij veel stikstof bevat en zelfs tegen zeer langdurige droogte bestand is, zoodat de bodem niet veel vocht behoeft te blijven behouden. Met deze plant worden nu proeven genomen met het doel na te gaan of zij haar stikstof voorraad uit den grond of uit de atmospheer verkrijgt, welke proeven nog niet afgeslo ten zijn. Evenwel kan nu reeds gezegd worden, dat de orok-orok in den aanvang zeer langzaam groeit en lang klein blijft, zoodat zij zeker meer dan twee maanden en wellicht nog langer moet groeien, wil de stikstof productie eenigszins van belang zijn. Wanneer men, zooals in Archief 1897, 1076 beschreven staat, reeds in Januari de orok-orok plant orn die in Mei onder te pat jollen, dan zal men wel een ruimer stikstofoogst hebben, maar men heeft dan ook vooreerst den grond een half jaar braak liggen en mist dan ook het slib, dat er anders bij sawahbewerking opgekomen zou zijn. De proefnemingen omtrent groene bemesting zijn nog niet afgeloopen, maar waarschijnlijk zal deze bewerking in streken, waar men den grond laat ter beschikking krijgt en vroeg moet planten, om niet in de tweede helft van den Oost-moesson door waterge brek al te zeer belemmerd te worden, geen resultaten hebben. Kan men zeer vroeg openmaken en de stikstofverzamelaars geruimen tijd laten staan, dan is het misschien, wanneer men niet vreest, dat de grond onvoldoende uitzuurt, een klein voordeel de groene bemesting toe te passen. 460 Diverse mededeelingen "■2. PerclilornalgehaUe van CfciliSalpeter. Als een bewijs hoezeer de verontreiniging van Chilisal peter met nalriumperchloraat in de enkele zakken van eene zelfde partij verschillen kan,geef ik hier de pearcbloraatgehalten op van 12 mon sters Chilisalpeter uit verschillende zakken eener partij genomen, waarbij ecu enkele zak een gehalte van 15,5% iiatriumpeirhloraat bad ingehouden. (5,30% ('I als NaClo 4 ). De bepaling geschiedde door de vergelijking der chloorgehalten van den salpeter voor en na langdurige gloeiing en de cijfers druk ken uit chloor in den vorm van chloruur, van gezamenlijk chloor en het door aftrekking gevonden cijfer voor chloor als percbloraat. 'ó. Invloed van eone overdreven bemesting op suikerriet. Het plan bestond om riet in potten te planten, waarbij dan afgewogen hoeveelheden van zekere meststoffen werden gevoegd, ten einde op deze wijze, volgens da methode van Went te werk gaande, den invloed van iedere meststof op liet gewas na te gaan. Het bleek evenwel, dat het riet in de potten, hoewel die zeer groot waren, niet krachtig genoeg groeit, zoodat de daaruit ge trokken conclusie natuurlijk niet op riet, dat onder normale om standigheden is opgegroeid, kan worden overgebracht. Dit v»crd pas bemerkt, toen allerwege de tuinen reeds bemest waren. Om echter niet een geheel jaar verloren te laten gaan, werden in eenige tuinen op drie verschillende, ondernemingen, die reeds op de gewone manier bemest, maar nog niet voor het laatst aan geaard waren, een gedeelte, 25 rijen groot, bij de laatste aanaar ding met groote hoeveelheden zwavelzure ammonia en superphos phaat beieeld en wel van elk der beide meststoffen het equivalent 461 Uiveisn mededeelingetl van 8 pikol ]ior bouw. ledere (Waartfl word uit deze tuinen een stoel genttmefl uit een gëvróön bemost, ééri mikteen overmaat stik stof en é"éö uit een met ovorm int pbosphorzuiir bemest vak on daarvan eeniue der primaire stengels op de door Went aangegeven methode lid voor lid op géwïeht, lefi'gtc, saöcharöfce, glucose en water. Het bleek al spoedig, dat bet niet öröödig is den gebeden stok te onderzoeken, daar de samenstelling van de bovengrondscné geïedrngert tot op zekere hoogte toe, (toevallige beschadigingen óf ziekteverschijnsels uitgesloten), nagenoeg dezelfde is. Voor proeven als deze, waai' bet niet te doen is den invloed van beschadiging of abnormale omstandigheden na te gaan, maai' waar deze juist bui tengesloten worden, is bet dus voldoende van boven en van onderen zoovele geledingen te onderzooken, totdat men aan de lange reeks der ouderling gelijke komt, die dan alleen gemeten en gewogen, doch niet geanalyseerd behoeven te worden, hetgeen den arbeid buitengewoon verlicht. De hierbij verkregen cijfers zullen in eene latere publicatie worden opgenomen, maar als algemesne uitkomst kan hier reeds worden vermeld, dat in dit geval, waar de plant roods genoeg stikstofhoudende mest had gekregen, zelfs eene ruime hoeveelheid phosphorzuur nagenoeg geen invloed had op bet suikergehalte of den groei; bet suikergehalte was in alle gevallen een weinig minder dan bij het gewoon bemeste riet. Evenmin kon er iets bespeurd worden van de werking, die men dikwijls aan phosphaatmest toeschrijft van do rijpheid te bespoedigen ofhet sap zuiverder te maken, want zoowel de glucosecijfers als de tijd, waar op bet maximum aan suiker en het minimum aan glucose in het grootste gedeelte van het riet aanwezig waren, waren bij het riet, dat veel phosphaat gekregen had, vrijwel dezelfde als bij het gewoon bemeste riet. De groote overmaat ammonia bij riet, dat reeds op voldoende wijze bemest was, had gelijk te verwachten was, een sterkeren groei, maar ook eene vermindering van suikergehalte ten gevolge, dat reeds onmiddellijk na de bemesting begon en gedurende den ge beelen wasdom voortduurde, terwijl, wat gemiddeld gewicht betreft, de gewoon en excessief bemeste stoelen bij de volle rijpte niet zoor uiteenliepen. Zoo was op eene fabriek het gemiddelde gewicht van alle rietstokken uit een gewoon bemest gedeelte 3156 Gr. met een gewicht per d.M. lengte van 90,i Gr. terwijl deze cijfers respectie- Diverse mededeelinjen 462 vel ijk 3148 en 93,4 Gr. w.iron voor het gedeelte, dat,bovenden veel ammonia had gehad, Het maximum suikergehalte was voor eerst genoemde 17,8% suiker en het minimum glucose benedei) O,'2Ü vour de rijpe geledingen en deze cijfers waren vu ir het /waar bemeste 15,7% en 0,38%. Natuurlijk hebben deze cijfers gecne beteekenis voor de praktyk, daar zij toestanden representeeren, zooals zich nooit in den aan plant zullen voordoen, maar met dat doel zijn zij dan ook niet genomen, maar alleen als cene voorproef om te zien of er op do uu gevolgde wijze werkelijk een inzicht kon verkregen worden over de werking der meststoffen op het riet. Nu dit bevestigend is uitge vallen zullen verschillende mestproeven in den loop van IBQH worden genomen. 1. Invloed van het bloeien van riet op de suikerproductie. Werd reeds in 189 i (Mededeel iugen No. 17) door middel van eenige veldproeven geconstateerd, dat het bloeien van riet van zeer weinig invloed was op het suikergehalte en de productie van het riet, zóo werd deze uitkomst bevestigd door ecne proef, waarhij herhaaldelijk twee primaire stokken van een zelfden stoel, waarvan de eene gebloeid had en de andere niet, lid voor lid werden onder zocht, liet resultaat was, dat bij het bloeiende riet de samenstel ling der gekleurde geledingen geheel dezelfde was in beide gevallen, terwijl voor de nog ongekleurde leden het suikergehalte van het gebloeide riet een weinig minder was. I . Diverse mededeeliagefe 463 Hierdoor wordt het dus bevestigd, dat het bloeien van het riet slechts weinig suiker aan de plant onttrekt. 5. Gehalte van riet aan sap van «Ie samenstelling als het eerste molensap. Vroeger werd er reeds op gewezen, dat men voor het gehalte van riet aan voorperssap niet don fact'ir IÜU — cellulose nemen mag, en orn een beteren factor te vinden, die op de prakt ijk ge grond is. werden er op mijn verzoek op de fabriek Pagongan eenige proeven genomen om proefon ler vindelij k na te gaan. hoedanig de verhouding tusschen het suikergehalte van het riet en het voor perssap was. Dat kan daar zeer goed gebeuren, daar de fabriek Pagongan in liet bezit is van een cane cutter, zoodat er zeer gemakkelijk een goed monster kan genomen worden van hetzelfde riet, waarvan het sap geperst was. Aan de onderzoekingen, waarvoor ik den admi nistrateur en den labrikaliechef v. n. RovAART en 11. \Y . KuYPER van Harpen mijn dank betuig, ontleen ik de volgende cijfers: Behalve bij No. 2, toen er volgens opgave een partijtje half •lood riet vermalen werd, was de factor ongeveer 85, hetgeen wil zeggen, dat in den regel 100 deelen riet dier fabriek evenveel suiker bevatten als aanwezig is in 85 deelen voorperssap geperst met eene persing van ± 7~2 %. II 464 Divcrsu raadedeelingAn, Het practische belang hiervan is, dat men het suikergehalte van liet riet niet op allerlei omwegen behoeft te berekenen of uit een zeer onbetrouwbaar gemiddeld monster analyseeren, maar men kan het gemakkelijk vinden, door het zeer een voudig te bapalen gemiddelde suikergehalte van het voorperssap te vermenigvuldigen met den factor '■--, welke factor ook reeds geheel 100 onafhankelijk van deze proefnemingen door den Heer Carp in de met mij samen geschreven methode voor de fabricatie-contróle enz. was voorgesteld, daar hem dit cijfer ook uit de praktijk als het juiste was gebleken. Ik hoop deze proeven nog op uitgebreider schaal te herhalen, en zal ze dan tegelijk met deze publiceeren. 6. Beweerde nadeelige werking van tamarinde-zaden op suiker sappen. Herhaaldelijk hoort men beweren, dat het werpen van een paar tamarindepitten in een bak met diksap reeds voldoende is om het tot grein koken daarvan te beletten, zoodat een Chineesche koker, wieneen konksel mislukt is. zich er spoedig weet uit te redden door een hem vijandigen mandoer te beschuldigen uit kwaadwilligheid zijn diksap met tamaridepitten te hebben bedorven, welke pitten dan ook gewoonlijk door den Chinees, die ze verwonderlijk vlug weet te vinden, uit den bak worden gehaald en als corpora delicti vertoond. Hoewel het a priori onwaarschijnlijk is, dat in eene heete sui keroplossing deze zaden zulk eene noodlottige werking uitoefenen, verhitte ik eene kleine hoeveelheid diksap met I'2 versche tamarin dezaden gedurende 2 uren bij 80°, onderzocht het diksap vóór en na de verwarming en dampte het verder in. Het diksap bleek na de verwarming met de zaden niets in samenstelling Ie zijn ver anderd en leverde ook na indamping goede kristallen op. zoodat het boven aangehaalde verhaal ongetwijfeld een verdichtsel is. 465 IHvers» niededeelingen 7. Terhoudiug- tusschen Brix en werkelijke vaste stof bij kook sels en stropen van rietsajt. Bij kooksels en stropen van beetwortelsap heeft men gemeend cene goede regelmaat tusschen de werkelijke (door indamping verkregen) en de schijnbare (uit do Brix berekende) vaste stof gehalten te hebben opgemerkt. Ik beproefde of dit ook hier het geval zou zijn en analyseerde te dien einde een aantal kookscls en stropen, waarvan Brix, pol,, R. Q. en watergehalte wer den bepaald. Ik meende, dal zou die verhouding niet altijd constant was, er toch eene zekere correctie of factor kan gevonden worden, die voor ieder zuiverheids-coëfficient kan worden aangebracht om uit de Brix aangifte bet werkelijke vaste stofgehalte te kunnen vinden. Dit bleek echter niet liet geval te zijn, daar de cijfers ook na eene met de meeste nauwkeurigheid herhaalde bepaling zoodanig uit elkander liepen, dat er geen regelmaat te ontdekken is. Ik geel' hier de uitkomsten evenwel, vooreersl < mdat misschien anderen er wel eene zekere regelmaat in kunnen ontdekken en verder om andere onderzoekers, die ditzelfde werk zouden willen beginnen, door het medcdeelen van mijn negatief resultaat van het aanvangen van zulk een tijdroovend onderzoek terug te houden. Diverse raededeelingen 466 8 Hoeveelheid stroop, die nog tusschen de kristallen van ioor oversmelting gecentrifugeerde siroopsuiker voorhanden 1?. Men hoort dikwerf zeer uiteenloopende cijfers noemen voor de hoeveelheid hoofdsuiker, die men uit eene gegeven hoeveelheid stroopsuiker bij oversmelting kan verkrijgen. Een groote factor, waarop echter bij deze opgaven niet veel gewicht gelegd wordt, is natuurlijk de samenstelling der oversmeltsuiker, daar deze van de eene fabriek met de andere grootelijks verschillen kan. Uit de glucosegehalten van een aantal stroopsuikers en die van de stropen, waaruit zij gekristalliseerd zijn, werd op de wijze van Sidersky nagegaan hoeveel percent van de«e smeltsuikers kristal was en hoeveel minderwaardige stroop nog aan de kristallen aanhing. Deze cijfers zijn hier in een tabelletje vercenigd en geven duidelijk het groote verschl aan der suikers, die onder den alge meenen naam smeltsuiker begrepen worden en verklaren gevoegelijk de groote verschillen in rendement bij het verwerken daarvan verkregen. 9. Eene gemakkelijke manier om het bereikbare rendement vau eene pas gekookte stroopsuikermasse-cnite te bepalen. Het is dikwijls, vooral tegen het einde van den maaltijd, wen schclijk te weten hoeveel stroopsuiker men nog uit de niet geheel afgekoelde en uitgekristalliseerde stroopkookscls na volledige uitkris tallisatie zal kunnen winnen, om zoodoende te weten of men nog veel suiker zal hebben over te smelten. Door eene kleine kunst greep kan men zonder veel analyses tot die wetenschap komen, doordat de oplosbaarhcid van suiker in water in een afgekoeld en uitgekristalliseerd kooksel afhankelijk is van de verhouding tusschen Diverse mededeelingen 467 glucose en asch. Zoo lang deze niet verandert zul «Ie oplosbaar heid ook niet veranderen, dus zal, als men de oplosbaarheid der suiker in het water der ongekookte stroop kent, diezelfde oplos baarheid voor de gekookte stroop ook bekend zijn, zoodat men uit het verschil in watergehalte derzelfde stroop voor en na het koken de uitkristalliseerende suiker kan berekenen. Stel, dat het suiker- en watergehalte van een uit de centiifuge komende stroop, die ter wering van medegesleepte kristalletjps voor de analyse even door een propje asbest of glaswol wordt gefiltreerd, bekend zijn, dan is de oplosbaarheid van de suiker in die stroop ook bekend en deze verandert niet na het koken, zoodat men als men het watergehalte der gekookte stroop direct na het koken on derzoekt, men ook weten kan hoeveel suiker na da uitkristallisatie nog in oplossing zal blijven, dus ook hoeveel er uitkristalliseert. Uit de vorige onderzoekingen bleek het, hoeveel stroop nog bij die snicltsuiker is, dus ook met hoeveel van die suiker de hoeveel heid kristal overeenkomt. Wanneer er eene goede, vaste verhou ding bestond tuschen Brix en werkelijke vaste stof, zoodat het wa tergehalte uit de Brix-bepaling kan worden afgeleid, dan was de zaak al bijzonder eenvoudig en zou niets meer dan - 2 Brix bepalin gen en 2 polarisaties vereischi n. maar nu moet men als men een weinig nauwkeurig te werk wil gaan, ook het werkelijke waterge halte bepalen. Als voorbeeld diene het volgende: Watergehalte ongekookte stroop 25,78, polarisatie 54, — » » gekookte » 12,68, » 63,4. Van 100 deelen ongekookte stroop met 54 % polarisa.tie zijn verkregen" 4 * 4 10 " _= 85 deelen stroopkooksel, zoodat er 15 deelen water zijn verdampt. Dit komt overeen met het nog overgebleven watergehalte nl. - = 10,78, zoodal wij krijgen: 100 deelen stroop bevatten '25,78 dln. water en 74,12 dln. vaste stof 85 j kooksel » 10,78 » » » 74,12 » » » verdampt 15. — deelen water. '25,78 deelen water bevatten 54 deelen suiker dus 15 deelen ' ,4 „. 7S ' 3 = 31,4 deelen suiker op 100 deelen stroop dus op 85 dln. kooksel, daarom op 100 deelen kooksel 38,1 deelen kristal. Nemen wij aan, dat in de smeltsuiker 70% kristal en 30% aanhangende stroop aanwezig zijn, dan wordt het rendement van dat stroopkooksel aan droog gedraaide smeltsuiker U,i * '° 0 = 54,4%. Dl Ter se me ledeelingcn 468 Dit gaat natuurlijk alleen op als de samenstelling der onge kuoktc stroop niet door verdunning met dekwater gewijzigd is en waaneer alle uitgekristalliseerde suiker ook werkelijk gewonnen wordt, zoudal het cijfer hei bereikbare maximum voorstelt. Rij zeer onzuivere stropen, waar het grein zeer fijn wordt, is de wer lijkc opbrengst voel minder, anders zou er volgens deze berekening bij iedere Indamping uit elke uitgewerkte melasse nog suiker kun nen worden gewonnen. In het „Zeitschrift l'ür Pfanzenkrankheiten" worden een paar nieuwe middelen tegen planteuvijnnden, zoowel van dierlijken als van plantaardigen aard, geanuonceerd. Vooreerst is hel aan de firma Ermanns Bredemeijer te Pal lanza (Noord-Italië) gelukt om zwavelkoolstof tot 30 en zelfs tot 40 percent in water op te lossen. Misschien is deze vinding van veel belang, daar de zwavelkoolstof oone groote rol speelt bij de bestrijding der Phylloxera. De vloeistof kan in alle verhoudingen met water verdund worden en schijnt voor de planten niet nadeelig te zijn. Proeven, met eene oplossing van o percent genomen tegen bladluizen op Greranium's, Hyacinthen, Heliotropen en andere planten, hebben goede resultaten opgeleverd. Verder brengt de fabriek van Zimmer te Mannheim een prepa raat in den handel onder den naam van Cuprocalciet, dat in sa menstelling de bekende „bouillie bordelaise" vrij nabij komt en op plaatsen, waar moeilijk veel water te krijgen is, in drogen toe stand over de blaren kan gestoven worden, als deze door den dauw bevochtigd zijn. Waai' men het als voorbehoedmiddel gebruikt, inoet bet driemaal ineen zomer worden aangewend, als besproeiings middel wordt hel met de 15-voudige gewiehtshoeveelheid water vermengd . Hel middel moei tegen allerlei schimmelziekten doeltreffend zijn. terwijl de prijs 1' IS de 100 kilo bedraagt.. Ter verdelging van insecten en ander schadelijk gedierte benzoline aanbevolen. Men kan het, mei de 3—4 voudige hoeveel heid water verdund, gebruiken om stammen af te wrijven (tegen bload- en schild!uis: sterker (1: 15) verdund, wordt het tegen bladluizen en rupsen aanbevolen en in de verdunning '1: 30 kan men bet gebruiken om den bodem te begieten en het ongedierte daarin te dooden. Diverse meJedeeliugen 469 Bij zeer gevoelige planten (wijnstok, perzik, roos e. a.) is het beter sulfurine te gebruiken, eene oplossing van B—lo percent zwavel (waarin? Ref.) die voor het gebruik met de 20-voudige hoeveel heid water wordt verdund. De prijs van beide laatstgenoemde stoffen is 90 et. per Liter. De redactie van het bovengenoemde tijdschrift maakt de door ons gaarne onderschreven opmerking, dat betrouwbare proeven met deze stofien zeer gewenscht zijn. Teysmannia 1898, bh. 582. Volgens opgave van 13i fabrieken was de stand van liet riet op Java in de maand Februari: Fabrieken. Aantal bouw Goed Middelmatig Slecht. Bezoeki 10 3539 = 74,8 % 1095 = 23,0 % 102 = 2,2 % Probolinggo 12 5130 = 73,0 » 1774 = 25,4 » 68 = 1,0 > Pasoeroean 11 3088-01,9 » 1722 = 34,5 » 180 = 3,0 i Soerabaia 29 l'.Otë = 76,2 » 3747 - 20,3 » 047 = 3,5 » Kediri 13 0955 = 87,2 » 790 = 9,9 » 215 = 2,9 » Madioen 5 2104 = 75,3 » 007 = 21,1 » 103 = 3,0 » Japara 7 2721 = 73,2 » 077 = 18,2 » 320 = 8,0 » Semarang 2 1137 = 87,5 » 150 = 11,5 » 13 = 1,0 » Solo 13 5915 = 80,7 » 1018 = 16,9 » 152 = 2,4 » Djocja 11 4494 = 81,3 » 818 = 15,4 » 181 = 3,3 » Bagelen 1 527 = 90,0 » 55 = 9,4 » 4 = 0,0 » Banjoemas 4 2247 = 90,1 » 220 =8,8 » 27 = 1,1 » Pekalongan 5 1599 = 59,3 • 949 = 35,2 » 1 M = 5,5 » Tegal 6 3065 = 75,4 » 961 - 23,6 » 40 = 1,0 » Cheribon 5 2449 = 75,9 » 679 =21,0 » 101 = 3,1 » 13i 58194 = 70,8 % 15322= 20,2 % 2303 = 3,0 % Een ordonnantie is vastgesteld tot regeling der restitutie van het betaalde uitvoerrecht op suiker, die uitgevoerd is op of na den datum van de inwerkingtreding der wet van 1 Februari 1898 (Ind. Staatsblad No. 65) waarbij het uitvoerrecht op suiker is afgeschaft. leder jaar worden in Engeland op steeds ruimer scliaal proeven genomen, ten einde te bewijzen, dat het klimaat en de grondge steldheii van Engeland zich wel tot den bietenbouw leenen. 470 Diverse mededeelingen Er is sedert jaren een commissie hiervoor werkzaam, die zooveel mogelijk door kostelooze verschaffing van het benoodigde zaad, de landbouwers tot het nemen van proeven op eenigszins ruime schaal zoekt over te halen; een gedeelte van de geoogste bieten moet dan worden afgestaan voor het onderzoek. Verder zoekt, de heer Milward, die zich bijzonder voor deze kwestie interesseert, het verbouwen van bieten ain te moedigen, door het uitloven van prijzen voor zulke, met het Inog-te suikergehalte en van de groot ste opbrengst per acre. Ook door Mc. Coman, Biggeht, Nüavlands en andere is door honderde proefnemingen, waarvan sommigen gedurende acht jaren onafgebroken voortgezet werden, en die in verschillende gedeelten van Engeland, Schotland en lerland genomen werden: op afdoende wijze de mogelijkheid van eon eigen beetwortelsuikerindustrie voor zooverre de landbouw betreft, bewezen, zoodat nog meer proefnemin gen in deze richting als geheel overbodig beschouwd kunnen worden . Door de oprichting van een bietsuikerfabriek, zou nu alleen bewezen kunnen worden, dat men in Engeland even goed en even goedkoop de suiker uit de bieten verkrijgen kan, als in Duitschland en elders Van een theoretisch standpunt valt dit natuurlijk niette betwijfelen, maar het is zeer waarschijnlijk, dat de arbeidsquaestie, zoowel op landbouwkundig als industrieel gebied, de rentabiliteit van de fabriek vrij wel onmogelijk zou maken. Zonder datten slotte tot de oprichting van een fabriek besloten kan worden, hebben de proefnemingen op landbouwgebied verder geen waarde meer, ook voor den landbouw, daar de verkregen bieten toch grootendeels waardeloos zouden zijn. En dat het oprichten van een fabriek onder de bestaande toestanden vrij wel onmogelijk is, bewijst de heer Schak-sommer, door de volgende eenvoudige berekening. Voor het maken van een ton suiker zijn ongeveer 8 ton bieten noodig, terwijl van een acre onder goede omstandigheden 15 ton bieten geoogst kunnen worden. Neemt men de prijs van een ton bieten in verband met de hooge arbeidsloonen in Engeland op f 12 aan, dan bedragen de kosten aan grondstof alleen reeds f PO per ton suiker; rekent men verder de productiekosten op f24 per ton suiker dan zou een ton ruwe suiker in Engeland ap f 120 komen Nu bedraagt de gemiddelde marktprijs van een ton ruwe suiker van 88° rend. f 105 of f 15 minder dan de ruwe suiker in Engeland gefabriceerd. Zoolang dus het tegenwoordige premie- Diverse mededeelingen 471 stelsel blijft bestaan, waardoor de suiker op de Engelserie markt zoo bijzonder laag is, valt er aan het oprichten van een suikerfabriek in Engeland niet te denken, terwijl ook bij het afschaffen der premiên, de rentabiliteit van een dusdanige fabriek, tengevolge van de höoge arbeidsloonen, zeer twijfelachtig zou zijn. Indische Me re nu e 1898, blz. T2. Op de eilanden Réunion en Mauritius zegt Ed. Rordage, di recteur van liet museum van natuurlijke historie van Réunion, komen onder de talrijke rietvijanden twee vlindersoorten voor, Diatraea striatalis *) en Sesamia nonagrioides **) waarvan de rupsen onder den naam van booniers bekend zijn. I. Diatraea striatalis. Wij zullen ons eerst bezig bouden met de soort aangeduid met de namen Proceras sacchariphagus, door den natuurkundige Bajer van Mauritius (1856), Borer saecharellus, door Guenée (18ö2) en Diatraea striatalis, door den Nederlander Snel len (1891). Deze soort werd op de volgende wijze ingevoerd. In 1848 liet William Gom.m, gouverneur van het eiland Mauritius, rietstekken komen van Ceilon, om de verschillende rietsoorten in de kolonie, die door een scbimmelziekte, welke sedert 1841 op Mauritius en Réunion heerschte, met vernietiging bedreigd werden, te vervangen. Voor de aankomst dezer stekken, vernamen de autoriteiten van genoemde eilanden, dat het riet van Ceilon door rupsen, zoogenaamde hoorders, was aangetast. Ken commissie constateerde de juistheid van deze bewering op het oogenhlik van de rietontscheping en gelastte alles te vernietigen liet is echter zeer goed mogelijk, dat eenige van deze rietstok ken, welke gedurende eenige dagen te .Port houis bleven liggen, weggenomen en uitgcplant zijn. Het is ook mogelijk, dat de vlin ders al den tijd gehad hebben om tot ontwikkeling te komen, uitgevlogen zijn en zich in de riettuinen verspreid hebhen, waar zij zich konden vermenigvuldigen. Twee jaren later (1850) deed de kapitein West mededeeling aan de „Société des Sciences et Arts de Maurice" van de schade in zijn rietaanplantingcn, veroorzaakt door een insect, dat als de hoorder van Ceilon herkend weid. *) De Stengelboorder. tR.-d.) **) De Paursroode boorder. (Red.) 472 Diverse mededeclinfren. In 1855 pas werd deze parasiet op Réunion gevonden, in riet afkomstig van het eiland Mauritius. Dadelijk werd de invoer van riet van dit eiland afkomstig verboden; het was echter reeds te laat,. In 1857 weiden, door de Kamer van Landbouw op Réunion. die in het bezit gekomen was van hoorders, verzameld in de aan plantingen te Sainte Suzanne en te la Rivière des Pluies, deze insecten vergeleken met de teckeningen behoorénde hij debeschrij ving, door Ma.if.ti in 1850 gepubliceerd. Zij constateerden dat in. o met hetzelfde insect 1e doen bad. In November 1802 ontving het eiland Réunion een lading bi bit, welke te Cheribun(Java) was ingescheept. Het bleek, dat dit riet zwaar door hoorders was aangetast, hetgeen zoo het schijnt een toenemen van de plaag ten gevolge bad. Ilrt is wel aardig te constateeren tot hoeveel verwarring D. striatalis aanleiding heeft gegeven. Guenke is eigenlijk de schuld van deze wanorde. Hij meende in 186*2, in het in 1848 ingevoerde in sect van Ceilon, het insect te berkennen, dat Fabiucius onder den naam Pvralis saccharalis (Diatraea saccharalis, Zeiler) beschreven had. De voorwerpen, die Fabricius voor zijn beschrijving gebruikt bad, waren hem te Kopenhagen toegezonden door Rorii, die opgaf, dat het insect de rietaanplantingeii in Zuid-Amerika en op de An tillen verwoestte. De korte latijnsche hesebrijving door den deen scben geleerde gegeven, was van geen teekening vergezeld, zoodat. verwarring licht mogelijk was. Guenêe was overtuigd, dat bij met Pvralis saccharalis te doen had. Hij verving dezen naam door dien van Horcr saccharellus. Voor li; in het insect, <lat hij zoo noemde en dat bij uit Réunion ont vangen had, geen ander dan Proceras sacebariphagus (Bojer) van Mauritius; en daarin had bij gelijk. Maar bij vergiste zich, door zijn Buréf saccharellus als identiek met Pvralis saccharalis Kabri cius te beschouwen. Zijne meening was, dat deze vlinder van de Antillen in Ceilon en vandaar op Mauritius in 1848 ingevoerd was. Deze verkeerde verondeistelling bleef tot 1891 bestaan, toen Snel len de door Guenêe begane vergissing ontdekte en kon herstellen. 11. Sesamia nonagnbides var. albiciliata. De tweede boorder is de rups van den nachtvlinder, waaraan Lefkbre in 1827 boven staanden naam gaf. Deze rups leeft gewoonlijk op het jonge riet, maar wordt ook veel op mais en op zekere gramineën, die in het wild groeien, gevonden. Diveiso mededeelingeii 473 Dit insect werd het eerst in Europa waargenomen. Lefkbre vond het in het Zuiden van Frankrijk op maïs. Daarna werd de aanwezigheid van deze vlinderrups door Ramhur in 1839 in Spanje geconstateerd, eveneens op dezelfde plant. De naturalist van het museum te Parijs, H. Lucas, ving den vlinder in 4850 in Algiers, waar hij in 1857 door Eversmaw op sorghum aangetroffen werd. Hier kon Rivikre, directeur van den tuin te Hanima, de verwoestingen in de suikerrietvelden con stateeren (1875), terwijl KuxcKELde belangrijke schade, in de maïs velden veroorzaikt, onderzocht (1896). De vlindersoort, welke op de reeds genoemde eilanden gevon den wordt, is een variëteit van de soort door Lefèvre bepaald. Deze variëteit komt eveneens voor op Madagaskar, Celebes en Java. Snellen gaf dezen vlinder den naam Sesamia albiciliata. Pas sedert de jaren 1858 —1861 heeft men zekerheid omtrent het bestaan van deze vlindersoort. Men is van meening, dat deze variëteit uit Java op deze eilanden is ingevoerd en van hier uit op Madagaskar. De importatie heeft plaats gehad door middel van rietstekken of door een plant, welke op Java als veevoeder ge bruikt wordt (Panicum javanicum).*) De verwarring, welke met D. striatalis plaats had kwam ook bij S. nonagrioides voor. Voor enkelen waren deze twee insecten slechts twee variëteiten van de soort Borer saccharellus (Guenée), die later verschillende namen kregen. Voor anderen waren er wel twee verschillende soorten, doch die men dan den naam Borer saccharellus, dan weer dien van Diatraea saccharalis gaf; twee verschillende soorten kregen dus twee namen, die eigenlijk een en hetzelfde insect aanduiden. Comptes rendus. Sucrerie indigène et coloniale 1898, hlz. iWi. *) Een Grassoort 474 Diverse mededeelingen Regen-waarnemingen, Maart 1898 Diverse mededeelingen 475 1897/98 1896/97 1895/96 Mexico 2000 2000 2000 Centraal Amerika San Salvador (pogat) 500 500 500 Nicaragua id. 500 500 500 Britsen-Honduras (Be\he-oogsi) 200 200 200 Zuid- Amerika Britsch-Guyana (Dcmerara uilvoeren) 10000 IOUOOO 105000 Nederl.-Guyana (Suriname) ooqst 6000 0000 0000 F ransch- Guyana — — — Venezuela — — — Peru- oogst 70000 70000 08000 Argentijnsche Republiek oogst 140000 150000 130000 Brazilië uitvoeren 205000 210000 225000 Totaal in Amerika 1,6005001,403000 1,401220 Azië Biitsch- Indië- uilvoeren 50000 50000 50000 Siam oogst 7000 7000 7000 Javar uitvoeren 515000 507000 613038 i) Japan consumptie (meest ingevoerd) — — — Philippijnschc eilanden 210000 190000 240000 Cochin- China 30000 30000 30000 Totaal in Azië 812000 784006 940638 Australië en Polynesië Queensland 75000 75000 75000 Nieuw - Zuid - Wales 35000 35000 35000 Sandwichs- eilanden 210000 200000 201632 Fidsji uitvoeren 30000 30000 30000 Totaal in Australië en Polynesië 350000 340000 341632 Afrika Egypte 95000 95000 92000 Mauritius en andere Üritsehe bezittingen 110000 155000 140000 Réunion en andere Fransehe bezittingen 45000 45000 44700 Totaal in Afrika 250000 5:90000 276700 Europa Spanje 20000 '20000 20000 Totale rietsuikerproductie 3,032500 2,837006 2 980190 » beetsuikerpródüctie (Licht) 4,805000 4,900929 4,285429 Totaal rieten bietsuikerproductie 7,837500 7,737935 7,205619 Deutsche Zuckerindustrie 1897, blz. 016. 1) Volgen» ilc opgayen v/h marktbericht der tlandeUvereeoiging te Batavia. Statistiek oogst- en marktberichten, enz. 477 Overzicht van den Rietsuikeruitvokr en uk Bietsuiker productie van Juli t/ra. Decemuer 1897. 478 Statistiek, oogst- en marktberichten, enz Europa, 7 April. Duitschland. liet weer liet de laatste week met hel oog op den landbouw veelte wenschen over. Er kwamen ver scheidene regenachtige dagen voor. De droge dagen worden zoo veil mogelijk benut voor den veldarbeid; do vorderingen hiervan zijn echter van weinig beteekenis. De temperatuur was over het algemeen zeer laag en daalde 's nachts meermalen boneden het vriespunt. Uit e?n voorloopige rondvraag aan de fabrikanten geiaan, blijkt, dil de beetwortel-ianplant dit jaar, voor zooverre daar nu over geoordeeld kan worden, s—b% kleiner zal zijn dan verleden jaar. Oostenrijk. Du weersgesteldheid dezer weck was zeer veran derlijk, droogte on regen, koude en warmte wisselden elkander af: de laatste dig-m viel er sneeuw en was de temperatuur gedurende den nacht vrij hui*. Trots dit ongunstige weet' gaan de veldwerk za imheden over het algemeen goed vooruit. Naar alle waarschijnlijkheid zal dit jaar minder aangeplant worden dan het at'geloopen jaar. Frankrijk. Het weer was niet alleen voor den tijd van het jaar zeer koud, docb er viel ook veel sneeuw en regen. Men meent midden in den winter te zijn. Wat de uitbreiding van den bietaanplaut betreft, daar is op het oogenblik nog weinig van te zeggen. Nederland en België. Ojk hier was de weersgesteldheid zeer onbestendig, hoewel het niet aan schoone dagen ontbroken heeft; 's nachts was de temperatuur zeer laag. De met bieten beplante op pervlakte zal in Nederland waarschijnlijk 5% minder dan het vorige jaar bedragen. Kolonie}),. Op Cuba zijn thans nog 87 fabrieken in werking, tot nu toe werd 217000 ton suiker geproduceerd. De voorraad in de 6 hoofdhavens bedroeg op 1 April 1'2090i ton. Trinidad. liet weer is hier regenachtig en onbestendig; de maaltijd gaat echter onafgebroken door. De suikerafschepingen bedragen van af 1 Januari 7157 ton. Brüsch-Guijana. Gedurende de beide laatste weken, was de weersgesteldheid voor het riet uitstekend. De laatste dagen viel er echter te veel regen: afgescheept werd '27083 ton. Quecnsland word door een storm geteisterd, waardoor veel riet is omgevallen; de schade is echter van weinig beteekenis. Er viel veel regen en het riet maakt goede vorderingen. Af gescheept van 1 Juni tot einde Januari 57511 ton. Statistiek oogst- en marktberichten, enz 479 In Louisiana is bet weer zeer «mistig, het jonge riet begint zieli goed te ontwikkelen. Soombaia, 12 Moi. Sedert laatste bericht werd alleen verkocht een restant oogst (Seroenie) + .'5OOOO pikol tot 1' 6 3 /< —11/14. Seconds werden bij kleine hoeveelheden afgedaan tut i' ti 5 /s. Nominale waarde f 7 15/17. » Ö s /8 11.14. » u 5 /s seconds No. 14. Zaksuiker (oude) naar gelang van qualiteit f3 — 3'/s. Suikerverkoopen, Oogst 189S. tot 24 April 1898 voor zooverre die bekend zijn geworden. 2,608500 pikol totaal vorige lijst. 10000 » Malangdjiwan f Bs, B sup. I' 8»/s No. '20 10000 » Karanganjar 8;</s » 8 » » 5000 » Soerawinangoen 7i/j No. 15 — 10 5000 » Soekodono 7 3 /8 » » » 4000 » Kandang djatie 7'/a » 15 —17 2000 » » 7 » 11 —14 1500 » Modjopangoeng 7j/j » 16 10000 » Sragie &n » 11 —14 5000 » Loewoenggadja » » » 5000 » üjatipiring » » » Totaal 2,666000 pikol. 480 Statistiek oogst- en marktberichten, enz schimmels, bï slechts enkele byphen aan de reeds Langen tijd zieke plaatsen vertoonden, zoo is liet vermoeden gewettigd, dal de/e gistsoort de bedoelde ziekte veroorzaakt. Het is wel is waar eenigs zins vreemd in de tot no» tue als zeer onschuldig bekende, overal verspreide gistsoort zoo schadelijke eigenschappen aan te treffen, maar incn moet ook in het oog honden, dat de rietstekken met hunne breede wondvlakten niet zooveel weerstand aan ziektekiemen kunnen bieden als het groeiende riet zeil' en daardoor meer van aanvallen van vijanden uit de groep der schimmels te lijden heelt. Er werden dan ook alleen met reinenltnren van deze gist verdere proeven genomen. 3. Beschrijving van den parasiel. Het organisme, dat in de zieke gedeelten der bibits voorkomt, gelijkt, wanneer daarvan reinenl tnren gemaakt zijn, in ieder opzicht op Saccharomyees apiculatus. Het bestaat uit afzonderlijke cellen, van ovalen vorm. doch aan beide uiteinden een weinig spits uitloopend; hunne lengte bedraagt tot 4 mikron, hunne breedte tot 2 mikron. Zij vermeerderen zich door deeling, doordat iedere cel aan hare uiteinden geheel aan haar zelf gelijke cellen kan afsnoeren. Deze dochtercellen blijven zeer zelden in rijen van 3 —5 cellen tezamenhangen. maar gewoon lijk laten zij onmiddellijk, nadat zij geheel uitgegroeid zijn, los. In geen geval worden de dochtercellen aan andere plaatsen dan aan de uiteinden gevormd, terwijl liet in het geheel niet is kunnen gelukken de gist tot sporenvorming te brengen. Zooals men weet vormt ook de Europcesche S. apiculatus geene sporen. De gist groeit goed op agar-agar met rietsuiker of me glu cose als koolstofhoudend voedsel en ook op agar-agar met pepton en vormt dan op de oppervlakte een weinig verheven, vlakke, grijs achtig witte kussens met gegolfden rand, die echter niet zoo dicht zijn als bij de meeste andere gistsoorten. In zeer oude culturen verandert de vorm der cellen, die nu eens ronder dan weer lang werpiger worden, zonder de kenmerkende spitse uiteinden te ver toonen. Fig. 1 der hierbij gaande afbeeldingen toont de normale cellen op bet oogenblik der decling: fig. 2de cellen cener oude cultuur en fig. 3 eenige parenchymcellen van riet met den para siet, die eerst tusschen de cellen groeit, maar in eene cel reeds is binnengedrongen. Volgens deze beschrijving is de uitliet zieke riet gekweekte gist soort geheel identiek met Saccharomyees apiculatus. Evenwel heeft Prof. Hansen uit Kopenhagen mij levend mate- 482 Dr. M Raciborski. Over hit afsterven Tan jonge rietplanteii, veroorzaakt door eene gifitsoort. riaal van den Saccharomyces apieulatus toegezonden, waarover hij zijne bekende onderzoekingen heeft gepubliceerd; Jlet gelukte mij niet met de Euröpeesche gistsoort riet te infeetccren en wij zien dus, dat de op Java voorkomende, niet de Euröpeesche Dr. M. Raoib»rski. Over liet afsterven van jorg-e netplanten, veroorzaakt door eene gistsoort. 483 morphologisch geheel overeenkomende soort, in hare levenswijze dus physiologisch daarvan afwijkt en daarom S. apieulatus v. sacchari kan worden genoemd. Wij zijn wel gewend alleen die gistsoorten, die door crue bij - zondere wijze van sporenvorming gekenmerkt zijn. Saccharomyces te noemen, terwijl de Saccharomyces apieulatus genoemde gist in het geheel gecne sporen vormt, maar het is hier niet de plaats om veranderingen in de soortnamen aan te hrengen. Infeclieproeveu. In verschillende stukken van gezonde riet stengeis, die vooraf' met sublimaatoplossing waren afgewasschen, werd met een lancet eene kleine opening gemaakt, waarin de Saccharomyces, uit oene reincultuur afkomstig, werd gebracht. Na 4 dagen werden zij onderzocht en zij vertoonden alle op do overlangsche doorsnede een zich uitbreidende)) vlek met een roodachtigen rand en het mikroskopisch onderzoek gaf'aan. dat de cellen van den Saccharomyces niet alleen in de met lucht gevulde intercellulaire ruimten van het riet voortgroeien, maar in een tal van cellen zijn binnengedrongen, welke dientengevolge gedood werden. Daarna werden er nieuwe proeven ingroote, breede potten aan gezet. In de helft daarvan werden bibits geplant, die reeds eenige dagen te voren gesneden waren en in de andere pas gesneden bibit; waarna de grond, waarmede deze stekken bedekt waren, met eene in water verdeelde leincultuur van den Saccharomyces werd begoten. De pas gesneden bibits kiemden veel spoediger dan die, welke reeds eenigen tijd gelegen hadden en verloren geen enkele jonge spruit tengevolge der infectie, daarentegen bleven van de kiemplanten uit de oude bibits alleen die gezond, welke het eerst uitgesproten zijn, andere verdroogden juist zoo als die, waai uit de reincultuur bereid is, terwijl nog eenige oogen in het geheel niet kiemden. Bij mikroskopisch onderzoek bleken alle bibits, zoo wel die, welke gezonde als die zieke kiemplanten voortbrachten, door den Saccharomyces geïnfecteerd te zijn, maar dat deze zich alleen in laatstgenoemde sterk had uitgebreid en alleen daar de jonge plant dooden kon, waar de infectie door de knoop was heengedrongen, voordat de oogen ontkiemd waren en nieuwe, eigen wortels hadden voortgebracht. Ten slotte werd een op dezelfde wijze ingerichte proef genomen met een oude bibit, die echter voor het planten met bouillic bor deluise behandeld was; hierbij bleven de kiemplanten gezond. 484 Dr. M. RaciborsUi, Overliet afsterven Tan jongs netplanten, veroorzaakt door eene giatgoort. De bier beschreven ziekte herinnert, wat den aard vanhaar op treden aangaat, eenigszins aan de ananasziekle, maar is daarvan zeer goed te onderscheiden, zoodat eene verwisseling van die twee niet. te vreezen is. Wanneer eene bibit zeer onlangs door de ana nasziekle aangetast is, dan is de overeenkomst vrij groot, daar de zwarte sporen van den Thielaviopsis nog niet gevormd zijn. Laat men evenwel zulke verdachte bibits onder een glazen klok of bckerglas nog eenige dagen liggen, dan ziet men, zoo de bibit ananasziek was. spoedig de bekende zwarte strepen opdagen en later blijven van liet inwendige van de bibit nog slechts de vaat bundels over, terwijl bij deze nieuwe door de gist veroorzaakte ziekte de sneevlakte sappig blijft en grijs gekleurd wordt met een roedachtigen rand. 5. Conclusie. Saccharomyces apiculatus is gewoonlijk geen parasiet maai' komt steeds zouwei in den grond als aan rottende vruchten en op doode voorwerpen als een saprophyt voor. De bier aangegeven waarnemingen bewijzen evenwel, dat hij onder gunstige omstandigheden door de niet gedesinfecteerde sneevlaktcn in de bibit kan binnendringen en de cellen kan dooden, hetgeen dientengevolge een afsterven van jonge kiemplanten tengevolge kan hebben. Voor zoover tot nog toe bekend is. is de daardoor veroorzaakte schade vrij onbeduidend, maar ook deze kan verme den worden door het teren der snijvlakten van bibit of door die met bouillie bordelaise of met kalkmelk te behandelen; zou nuk dooi' planten van zoo min mogelijk ingedroogde bibit. De hier beschreven ziekte van het riet, wordt evenals de mees te, waaronder de meest schadelijke rietziekten, als rood snot, ana nasziekte, marasmhisziekte djamoer oepas, rood rot, zuurrot en toprot niet door echte (obligate) parasieten veroorzaakt, maar door een saprophvt, d.e slechts onder de hem hier aangeboden gunstige voorwaarden als parasiet kan leven. Het is zeer kenmerkend voor de suikerrietc iltuur op Java, dat de door echte parasitische schim mels Veroorzaakte ziekten (b. v. brand of roest) ten gevolge der eultuui methode zeldzaam zijn geworden en weinig schade teweeg brengen. Dr. M. Raciuorski. Over hot afsrVrven van jonge r'mtplanton, veroorzaakt iloor eene gistsoort. 485 dat groote overeenkomsl heeft met dat van rood snot. Kort daar op komen evenwel dikke, samengedrongen witte bundels schimmel draden door de opperhuid naar buiten, bij voorkeur op de plaats, waar de afgevallen bladscheeden waren ingehecht De/e schimmel draden zijn de toekomstige vruchtdragers, waaruit zich dan ook, als de atmospheer niet al te vochtig is. de gewone vuchten van den Schizophyllum omwikkelen. In dit jaar vond ik dezen Schizophyllum op verscheidene plaat sen in West-Java op nog groeiend en overigens gezond riet, om welke reden ik hier eene kurle beschrijving dezer ziekte geef. In het eerste stadium bemerkt men aan het uiterlijk voorkomen van het riet niets van deze ziekte. Later beginnen de bladeren vroegtijdig te verdiogen en tevens bemerkt men. dat eenige gele dingen niet meer hard en rond zijn. doch een weinig verschrom peld, alsof zij uitgedroogd waren, maar nog is er van huilen niets van eene schimmel te zien. Op eene overlangsche doorsnede zijn zulke rietstokken gewoonlijk boven en beneden geheel normaal, hoogstens vertoont het bovenste deed ten gevolge der uitdroging een op vlierpitmerg gelijkende witte streep, die overigens ook ten gevolge van talrijke andere ziekten optreedt. De door de ziekte aan getaste en de daaraan grenzende in het midden gelegen geledingen daarentegen hebben op de overlangsche doorsnede bontkleurige plekken, die sterk aan de door rood snot veroorzaakte verkleuring herinneren. Wij zien namelijk licht en donker rood gekleurde, af geronde plekken parenchym met op wolken gelijkende omtrekken en ook roode strepen, die 1-3 m.M. breed zijn en van de etne knoop naar de andere de geheele geleding doorloopen. In het midden dier aangetaste geledingen vormen zich groote, wankleurigc holten, die gedeeltelijk met eene dichte witte schimmellaag bekleed zijn. Zoowel in de geledingen als in de knoopen zijn er eenige vaat bundels afgestorven en rood gekleurd, maar dit verschijnsel heeft vooral in niet vergevorderde stadiën niet veel te beteekenen, daar de besproken ziekte voornamelijk de parenchymcellen aantast. Bij mikroskopisch onderzoek ziet men talrijke hyphen, die voornamelijk in de intercellulaire ruimten tusschen de paren chymcellen woekeren. Deze hyphen zijn dik en eenigszins onre gelmatig, op groote afstanden door tusschenschotten verdeeld en met eigenaardige gespvormige verbindingen voorzien; zij vertakken zich in talrijke dunnere draden. De in de intercellulaire ruimten of in de parenchymcellen groeiende hyphen hebben of over geheele t)r. M. ltaclborski. Oïer het voorkomen van een srliizophyllmnscliinimil op suikerriet. 487 afstanden in liet geheel geene, of slechts zeer weinige klierachtige aanhangsels, die volgens Went met de zwavelkoolstofvorming in verband slaan, en die in culturen op agar-agar zeer rijkelijk gevormd worden. In de hyphen worden vele dteelen van het plas ma duur jodium evenzoo geklemd als glycogeen, liet is zeer interessant, dal er op de grens der zieke deelen in In 1 riet zeer kleine zetmeelkorrels gevormd worden, soms zeü's in groote hoeveelheden en dit nog in oude geledingen, waar in normalen toestand in het geheel geen zetmeel meer te vinden is. Uitgaande van eene aangetaste geleding verspreidt de schim mel zich zoowel naar boven als naai' beneden in de nog gezonde. Ik heb gevallen waargenomen, waar zij tot bijna in Int boven einde van ecu r iets tok was doorgedrongen. Daarna, komen, zooals boven reeds vermeld is, de reeds be schreven vruchten door de opperhuid naar buiten. Ite door de schimmel geheel verwoeste geledingen zijn zoo zwak geworden, dat zij reeds tenggevolge van een gciingcii druk dooi' midden breken. Wanneer wij het hierboven medegedeelde resumeeren dan zien wij het volgende: De op .lava gewoonlijk als Schizophyllum lobalum beschreven, schimmel, die echter kleiner is dan de door l.iu-i-Ki.n met dien naam bestempelde, kan als saprophyl op doode rietstokken leven, maar ook als facultatieve wondparasiet gezonde ïietstenpels doeden, Evenzoo nam ik voor eenige jaren in den botanischen tuin te Krakau waar. dat de Europeesche soort (Schizophyllum commune) nog levende takken van Virgilia aantastte en deed veidrogen. De ziekteverschijnselen herinneren sterk aan die, welke door Colletotrichum falcatum worden teweeggebracht (lood snot). Men kan evenwel deze ziekte in een vergevorderd stadium zeer gemakkelijk daardoor herkennen, doordat de witte paddenstoelen naar buiten komen en doordat de zieke geledingen zoo zwak zijn geworden, dat zij gemakkelijk doorbreken. De ziekte komt slechts sporadisch en niet epidemisch voor. Als een voorbehoedsmaatregel zou men de rietstokken, waaraan men de fructificeerendc paddenstoelen ziet, kunnen wegnemen en verbranden. 488 Pr. M. Racibnrski. Over het voorkomen Van een scliizopliyllumscliimmet op suikerriet. Polyporus, waarvan ik eenige vertegenwoordigers op dood riet aantrof. Gelijk reeds boven is gezegd, wensch ik deze soort Tra inetes pusilla te noemen. Op een overlangsche doorsnede van door deze schimmel aangetast riet zien wij, dat een paar der middelste geledingen ziek zijn, terwijl de bovenste en onderste geledingen nog hun gezond uiterlijk heb ben behouden. Het ziektebeeld fier aangetaste geledingen heeft veel overeenkomst met dat, hetgeen dooi' rood snot wordl teweeg gebracht; alleen zijn de bij deze ziekte voorkomende zwarte plek ken in ons geval niet aanwezig. Het aan den rand gelegen gedeel te der zieke plekken is rood gekleurd, welke kleur naar het midden toe zwakker en zwakker wordt, terwijl er in het midden dezer vlekken groote, droge holten ontstaan, die met eene dichte witte droge myceliumlaag zijn bekleed. De vaatbundels worden niet rood gekleurd en blijven onaan getast, terwijl de parenchymcellen opgelost worden en geheel verdwijnen. Zoo bemerken wij, voornamelijk zeer duidelijk in de knoopen het skelet der vaatbundels van het riet geheel vrijliggend, evenals dit bij het toprot met de vaatbundels der bovenste gele dingen het geval is, echter met dit verschil, dat waar deze bij bet toprot in eene breiachtige, onaangenaam riekende vloeistof lig gen, zij bij de aantasting door den Trametes geheel droog blijven. Onder den mikroskoop zien wij talrijke, regelmatig vertakte, zeei' dunne myceliumdraden, die op korte afstanden van el knar van tusschenschotten zijn voorzien en gespvormige verbindingen bobben. Zij zijn zoo dun, dat men ze niettegenstaande hun groot aantal moeiel ijk zien kan en zij bevatten glinsterende droppels. Eerst groeit dit mycelium tusschen de parenchymcellen, dringt daar echter spoedig binnen en desorganiseert ze volledig. Tengevolge der desorganisatie van het parenchym verliezen de aangetaste geledingen hunne stevigheid en breken bij eene ge ringe beweging gemakkelijk af, in tegenstelling met de door rood snot aangetaste rietstokken, die er vah binnen ongeveer zoo uitzien, maar die hunne stevigheid blijven behouden, üe stokken echter, die niet breken, drogen ten slotte aan het boveneinde geheel uit, tengevolge van don afgesneden watertoevoer uit den grond. 490 Dr. M. Kaoiborski. Trametes pusilla op suikerriet eeno kleverige vloeistof gevuld zijn, terwijl bij het nu besproken riet de holten geheel ontbreken en de ziekte in een tijd optreedt, waarop men gewoonlijk geen toprot meer aantreft. Onder den mikroskoop iiczien bemerkt men tussehen de zieke bladscheeden en aan de oppervlakte der aangetaste geledingen zeer duidelijk geheele lagen van witte hyphen, die zeer dun, kleurloos, van vele tussehen* chotten voorzien en zeer vertakt zijn. Op ver schillende plaatsen vormen de zijtakken korte uitloopers, die even als deze organen hij Veriicillium ook weer verlakt zijn. Deze uit loopers snoeren aan hun top zeer dunne, kleurlooze, aan beide uiteinden eenigszins toegespitste, een weinig gebogen spoelvormige conidiën af, die veel op die van Colletotrichum faleatum (de schim mel van het rood snot) gelijken, maar veelal door 1 of'2tusschen schotten verdeeld zijn. De hier beschreven schimmel behoort tot liet geslacht Fusisporiurn. Terzelfder tijd zien wij in vele cellen der zieke geledingen g*- hee'e koloniën (Zoögleae) van kleine bacteriën (Mikrococcns), die sommige dier cellen geheel vullen. Welke der twee organismen, de schimmel (Fusisporiurn) of de bacterie (Mikrococcus) de oorzaak der ziekte is, kan ik door een eenvoudig onderzoek der aangetaste strikken niet uitmaken. Merkwaardig «enoeg kwam deze ziekte alleen op het riet voor, de daarnaast groeiende andere rietvariëteiten waren daarentegen volkomen gezond. Bovendien was de aanplant van datzelfde riet m den vaiiéteitentuin van het Proeftation ook gezond, zoodat de ziekte eerst op de door mij bezochte onderneming ontstaan moet zijn. Ik wil deze gelegenheid niet voorbij laten «aan zonder een ziekte in het Godong.iet te vermelden, dat op eene andere Tegal sche onderneming aangeplant is. Onder dezen naam vindt men er twee soorten, eene gele, die gezond is en niets abnormaals vertoont en eene groene, die zeer vroeg afsterft. Bij deze groene soort ko men zeer veelvuldig overlangsehe spleten in de geledingen voor, waardoor er een zeer ruim veld voor de aanvallen van allerlei wond parasieten geopend woidt. De stokken waren dan ook aangetast door Colletotnehum (rood snot), Sckizophyllum en eindelijk door bacteriën, en wel door eene lange, zeer dunne, endoor eene breede ovale soort. Men vindt deze aantasting*-n zoowel door elkaar in denzelfden stok. ja soms in eene zeilde geleding, als in verschillende geledingen van verschillende stokken. 492 t)r. M. Kaciborski. Over itek Tergenrtet Daar vulpens berichten de door bacteriën veroorzaakte Aus tralische gomziekte veel verwoestingen teweeg brengt en er op Java nu en dan riet door bacteriënwoekering afsterft, zoo scheen het mij van groot nut toe als er een gemakkelijk middel was urn uit te maken oi' wij in een verdacht geval al of niet met de Australische gomziekte ie maken bebben of met cene meer on schadelijke bacteriënziekte. Daartoe «tel ik voor dunne schijfjes liei van de aangetaste rietstokken in alcohol te brengen. Op deze wijze behandeid ziet men bij doof de Australische gomziekte aan getast riet witte gestolde slijm massa's aan de oppervlakte der schijfjes, hetgeen ik tot heden toe bij geen enkel der op Java door bacteriën aangetaste rietstokken opmerkte. OVER DEN GROEI VAN RIET OP ZOUTHOUDENDEN GROND. Op vele suikerondernemingen op Java strekken zich de riettui nen tot aan de zee toe uit, zoodat er bij hoogen waterstand brak wa ter in de goten dringt en het riet dus gedwongen wordt in een zout boudenden grond te groeien. Op zulke plaatsen bereiken de riet stokken niet de normale hoogte, maar overigens kon ik bij hen gecne afwijkende verschijnselen constateeren en daarom was het mij van veel belang, dat ik op de onderneming Klidang riet kon onderzoekón, dat op door zeewater bevochtigde plaatsen zeer slecht groeide. Wij bezitten cene rijke litteratuur over de welke planten vertoonen, die op zeer zouthoudenden grond groeien; daaronder heelt het klassieke werk van Schimper ~Die indo-Ma layische Strandflora" in het bijzonder betrekking op de toestanden op Java. SCHIMPEH toonde aan, dat men op .lava al naar gelang van den aard van den grond en van zijn zoutgehalte, vier ver schillende plantengehiedèn kan onderscheiden. Teze zijn de eigen lijke mangrovebosschen in het bereik van den vloed, de Nipah formalie in brakwatermoerassen, de formatie van Ipomoea pes caprae op het droge, zandige strand en de zoogenaamde Bar ringtonia-formatie, die op dezelfde zandige gronden bosschen vormt. De bedoelde zoute plekken op de onderneming Klidang liggen in de zoogenaamde Nipah formatie. Op weinige meieis afstand daarvan verrijzen groote bosschages Nipahpalmen, afgewisseld door Dr. M. Raeiborgki. Over ziek Tsrgenriet 493 den Lieualapalm en Acanthus ilicifolius. In de goten, tusschen het riet vindt men Acrostiehum aureum en Conyza indica, typische zoutminnende planten uit de Nipahforraatie, Riet, dat op meer vochtige plaatsen in deze streek geplant was en tijdens mijn be zoek een leeftijd van 9 maanden had bereikt, had een zeer vreemd voorkomen, De stengels zijn zeer kort gebleven, de geledingen zijn niet uitgegroeid, terwijl daardoor de bladeren dicht opeen staan en den waaiervorm aannemen. Van de bibit tot aan het vegetatiepunt meten de stengels niet meer dan 0,3 —0,5 M., bunne dikte bedraagt 20 — 30 m.M. terwijl de afzonderlijke gele dingen de volgende afmetingen hadden: De onderste 12 geledingen, van de bibit af gerekend, waren te samen 60 m.M. lang, dan volgen geledingen respectievelijk lang 15, 23, 12, 8, 10, 10, 10 (nog alle onderden grond) 21, 22, 19, 10, 15, 17, 18, 18, 19, 13, 10, 5, m.M. (dit laatste zijn de paar laatste geledingen tot aan het groeipunt te zamen). Deze netplanten met hunne korte dichtopeenkomende geledingen en te zamen gedrongen bladeren doen levendig denken aan het ziek tebeeld van hevig door sereh aangetast riet. Deze gelijkenis wordt nog versterkt, doordat de bladscheeden lang blijven zitten, waardoor de korte stengel geheel in de bladscheeden ingehuld blijft. Hy een nauwkeurig onderzoek blijkt het echter, dat de planten van Klidahg, niettegenstaande hunne uiterlijke overeenkomst met sereh volkomen gezond zijn. De wortels zijn goed ontwikkeld en groeien normaal; alleen de onderste zijn afgestorven. In den stengel treft men geene op sereh wijzende kenmerken aan, de zeefvaten zijn gezond en de vaatbundels ongekleurd. Daarentegen zijn onder den mikroskoop gezien de parenchyrncellen kleiner dan bij het normale riet. De bladeren van zulke netplanten zijn gewoon ontwikkeld en hebben eene normale, groene kleur; maar reeds bij het aanraken met den vinger kan men bemerken, dat zij eene andere structuur hebben dan bij onder gewone omstandigheden gegroeid riet. De meer dere stevigheid der bladeren schijnt alleen veroorzaakt te worden door de eenigszins sterkere ontwikkeling der cuticula; d. i. het dunne huid je, dat de plant tegen uitdroging beschermt. Waarom de bladscheeden bij deze planten tegen verwachting lang tegen den stengel aangedrukt blijven en nog lang in het leven blijven nadat de bladschijf reeds verdroogd is, kon ik niet nagaan. Tusschen de bladscheeden trof ik rood rot aan, maar deze schimmel kan natuurlijk niet de oorzaak van het genoemde verschijnsel zijn. 494 Dr. M. Raciborski. Over den gtoei van riet op zouthoudenden grond De resultaten van dit onderzoek zijn in het kort: I. Suikerriet; kan nog in het leven blijven op een grond, die duur zijn hoog zoutgehalte geschikt is voor de ontwikkeling der zoogenaamde Nipahformatie. '2. Bij den groei op zulke gronden blijven de planten, hoewel gezond, zeer klein, waaruit volgt, dat het suikerriet de eigenschap bezit ziel: aan dergelijke omstandigheden aan te passen. 3. De verminderde strekking der parenchymcellen en daardoor der geledingen is als een gevolg van deze aanpassing te beschouwen. In dit opzicht komt het riet volkomen overeen met andere planten, die in die richting (o. a. door Esciieniiagen, den schrijver en an deren) experimenteel onderzocht zijn. 4. Be stijfheid der bladeren, die door de sterkere ontwikkeling der cuticula veroorzaakt wordt, is eveneens een der gevolgen van de genoemde aanpassing. Hierin komt ook weer het riet van Kli daug overeen met vele andere planten, welke bij cultuur in zout houdend water eene sterke ontwikkeling vertoonen van die inrich tingen, welke de transpiratie kunnen verminderen. Het is namelijk in de biologie der planteneen opmerkelijk feit. dat de planten, die ineen zouthoudend medium groeien, meer moeite met de waterverzorging hebben dan andere en zich dientengevolge meer tegen te sterke verdamping weten te beschutten dan gene. MEDEDEELINGEN UITEN VOOR DE PRAKTIJK BUITEN VERANTWOORDELIJKHEID DER REDACTIE EENE CONTROLEBEREKENING TOEGEPAST OP DE NIEUWSTE RESULTATEN VAN RENDEMENTSVERMEERDERING. leder die da berichten van Dk. Winter (Archief 1898 No. 1) vluchtig inzag, moet getroffen zijn door de waarlijk prachtige resul talen op Bogoh kidoel en Pobdjedjer verkregen. De zuiverheid der Ie afloopstroop tot 36 " teruggebracht, zoodat die als melasse beschouwd en als zoodanig verwijderd kon worden, waardoor het ge hecle station der naproducten eenvoudig verviel! Een geldelijk voor deel, daaruit voortvloeiende, dat voor één campagne /'40045 bedroeg. Ik kwam onwillekeurig er toe te trachten, voor zoover de gepubliceerde gegevens dit toelaten, de opgegeven cijfers aan eene contróleberekening te onderwerpen. Ik nam daarvoor de resultaten op Bogoh kidoel, die het vol ledigst zijn. Dr. M. Raoiborski. Over den groei van riet op zouthoudendeu grond. 495 Uit die berekening, die ik hieronder laat volgen, blijkt dat er gens eene fout of althans een abnormaliteit moet Ffhuilen en wel: 1° of de geproduceerde hoeveelheid suiker is in werkelijkheid be langrijk kleiner geweest dan opgegeven, bf 2° de reinheid der resul teerende afloopstroop is nog veel geringer geweest dan volgens opgave, of ',i° de hoeveelheid in het sap ingevoerde saccharoseis t° laag opgegeven, öf i° het reinheidsquotiënt van dat sap iszperveel hoojjer geweest, öf eindelijk 5° er is gewerkt met sappen van eene geheel abnormale geaardheid. Het sub 1° genoemde geval is niet aannemelijk, liet gewicht der afgeleverde suikers toch is een der meest vertrouwbare gege vens ecner saecharosebalans. Blijven dus de vier overige mogelijk heden. Ten einde eene controle toe te passen berekende ik. zoo wel van het ingevoerde sap als van de uitgevoerde suiker dr daar in totial bevatte vaste stol' (Brix), suiker (Pol.) en niet-suiker (Brix — pol.) in pikols. Het verschil van beide hoeveelheden, nog verminderd met het onvermijdelijke fabrieksveilies. geeft de res pectieve hoeveelheden vaste stof, suiker en niet-suiker, waaruit het residu, de me'asse, bestaat. De verhouding waarin drose stof (Hrix). en suiker (Pol.) daarin voorkomen is, zooals men inziet, het rein heidsquotiënt der melasse. Ik heb voor (leze berekening Ürix = vaste stolen Pol = saccharose genomen en wel zoowel in het sap als in de producten endeafloop stroop, waardoor de fout (Br. is n. 1. niet = vaste stof, noch Pol. = saccharose) geëlimineerd wordt. Contróleberekên ing. Ingevoerd werden 622232 pikols fabr. sap a 15,1 Brix 12,43 pol. 82,3 R. Q. vaste stof suiker niet-suiker R. Q. Er is dus totaal ingevoerd pik. Ü3P57 77343 16614 82.3 Hiervan gaan af de totalefabrieks verliezen, aaogenomen =4% '*) 3758 : J 094 R64 82,3 Blijft dus in prod. + residu 90199 74249 15950 82,3 *) Volgens de opgave vso Prisskx GieeLIOS (zio de voordracht over onbekende verliezen op hot.jongste congres) bedragen de fabricksvorliczen, bekend en onbekend, tot en met M.C. Bemid del,! totaal 4,98'/o der ingevoerde saccharose (voor defecatie fabrieken). Volgens ''»i;e (Archief 1X97) is 4°/„ als lier min.mum der verliezen te beschouwen. Nu zou hierbij in dit geval nog moeten komen het verlies bij centrifugeren, drogen en stampen en het verlies door bot herhaal delijk inkoken der bijg-trokken BTOOp. Vooralle zekerheid neem ik echter(a prori aannemende «lat op liogoli kidoel met buitengewone zorg is gewerkt) bet door Cabp opgegeven minimum aan als totaal fahrieksverlies. l>aarbjj tevens onderstellende, dat de verliezen geen invloed op de reinheid hebban en dus suiker en niet-suiker treffen in de verhouding waarin zij iu het sap voorkomen . Mededeelingen uit en voor de praktijk 496 Geproduceerd weiden: 15917 pikols H. S. No. 15 en 5612i pikols muscovado. Van de suikers is geene polarisatie opgegeven, maar wanneer wij die van de lI. S. op 98 en die van de muscovado op 96,5 stellen, is dat zekef niet te boog. We nemen verder aan, dal, de muscovado verzonden is met 1% water (09° Brix:) de H. S. droog (100 Brixh We verkrygen tlan als uitgevoerd aan droge stol', suiker en niet sniker: pikols droge stof suiker niet-suik. H. Q. Uitgevoerd in de 11. S. 15917 1559'* 328 98,0 » » » musc. 55504 541G1 1402 97,5 Totaal in liet product 71481 69755 1725 97,6 lu prod. + residu vonden wc 90199 74249 15950 82,8 In het product 71481 69755 1725 97,6 Blijft dus in het residu 18718 4494 14225 24,0 We vinden dus, dat wanneer alle overige gegevens juist, zijn, de afloopstroop op Bogoh kidoel in plaats van 360 een reinheidsquo tié'nt van 24° moet gehad hebben, wat echter niet aannemelijk is. Zelfs een oogenblik voor de volledigheid aannemende, dat de totale fabrieksverliezen *) op Bogoh kidoel slecht 2% bedragen hebben, wat trouwens m. i. zeer onaannemelijk is, komt men tot het volgende schema: vaste stof suiker niet-suik. lt. Q. Totaal ingevoerd pikols 93957 77343 16614 82,3 Af fabrieksverlies a 2% 1879 1547 332 82,3 Blijft in prod. + residu 92078 75796 16282 82,3 In het product 71481 69755 1725 97,6 20597 6041 14557 29,3 En eindelijk ook het onmogelijke geval stellende, dat er geen fabrieksverliezen geleden zijn, komen we tot het volgende. Totaal ingevoerd pikols 93957 77343 16614 82,3 In het product 71481 69755 1725 97,6 22476 7588 14889 33,8 Dus zelfs zonder eenig verlies zou de reinheid der afloopstroop niet onbelangrijk lager geweest zijn dan opgegeven. Passen we nu nog eens eene dergelijke berekening toe, maar nu van de onderstelling uitgaande dat 36° R. Q. in het iesidu juist *) Daar bij bet samenstellen van saccharosebalansen tot nu (be uitgegaan 1* .van eenvondjge polarisatie, dus van bet ithijnbaar Buikergehalteder tappen, i> ook een deel dor verliezen sleeht schijnbaar. Is op lïogoh kidoel uitgegaan vnn werkelijk dan zijn de resul ihlcii niet vergelijkbaar met die vau andere fabriekeu. (zie verh. van P. O. op het congres,) 497 Mededeelingen uit en vonr de praktijk is, evenals de reinheid van het ingevoerde sap a 82,3, maar dat de fout kan gelegen hebben in <le meting van bet sap, waardoor de absolu te hoeveelheid ingevoerde saccharose te klein zou zijn gecon stateerd. Dan verkrijgen we, de nu onbekende boeveelheid droge stuf in prod. + residu = x stellende, het volgende schema: droge stof suiker niet-suiker 11. < v >. Aanwezig in product 4-residu x 0,823 \ 0,177 x 82,3 » » product 71481 69755 1725 97,6 Blijft dus in het residu: x—71481 0.823x—69755 0,177 x—1725 30 Dus de waarden x—71481 en 0,823 x—09755 verhouden zicb als 100: 30 of 100 0.8-23 *-<ffiss — 86 of x — ..ir.oSO. x—71481 Daar we het fabr. verliest4% aangenomen hebben, stelt 95080 pik. dus 90% voor van de totaal in bet sap ingevoerde droge stof. Deze bedraagt dus 99042 pikols in plaats van 93957, eenc fout bij de meting dus van 5,13% van de werkelijk aanwezige of 5.41% van de geconstateerde boeveelheid, dus eene zeer belangrijke. Nu de vierde mogelijkheid n.l. dat in werkelijkheid de reinheid van het fab. sap veel hooger geweest is dan de opgegevene. Hier nemen we aan, dat de ingevoerde hoeveelheid saccharose juist is opgegeven, maar dat de analysefout slechts de Brix betreft en dus de ingevoerde niet-suiker. Daartoe nemen we weer boeveelheid vaste stof in prod. -j- residu = x en stellen dan weer hetzelfde schema: droge stof suiker niet-suiker ïI.Q. Aanwezig in product -|- residu x 74249 x—74249 100 9 » «product 7» 481 69795 1725 97,0_ lilijft dus in het residu x—71481 4494 75974 36 dus x—71481 verhoudt zich tot 4494 als 100: 36 of 100 —tSt,- = 36, of x - 83961 x—71481 ' R. Q. in residu -f- prod. (= R.Q. fabr. sap) wordt dus = '100 74249 -(jojv,, = 88,4 in plaats van 82,3. Eene zeer belangrijke fout in de analyse voorwaar. Blijft eindelijk de laatste mogelijkheid n. 1. dat we met een abnormaal sap te doen hebben, dat de eigenschap beeft (b.v. door sterke links draaiing van de oorspronkelijk in bet sap voorkomende 498 Medsdeelingen u'l en vuur de praktijk glucosen?) tijdens de verwerking zeer sterk in polarisatie toe te nemen in plaats van zooals normale sappen niet onbelangrijk al', (eene afname die meestal ongeveer gecompenseerd wordt door de eliminatie van niet-suikcrbij desapzuivering, waardoor het ver scliijnsel verklaard wordt, dat R. Q. in de M. C. meestal weinig verschilt van die in het sap). Daar het hier niet geldt een proef met een beperkte hoeveelheid sap, maar het gemiddelde van een geheelen maaltijd, terwijl Dr. WrNTER nergens melding maakt van abnormale verschijnselen bij de verwerking (eene stijging in reinheid van 82,3 t0t88,4 ware anders wel de moeite eener afzonderlijke aanteekening waard geweest) is ook dit geval moeilijk aan te nemen. Bovendien zou de waarde voor de praktijk van cijfers onder zoo buitengewone omstandighe den verkregen zeer problematisch worden. Resumeerende komen we schier onweerstaanbaar tot het be sluit, dat er onjuistheden in de opgaven van Bogoh kidoel zijn, (waar is bij gebrek aan gegevens niet met zekerheid te zeggen, maar met het oog op het feit, dat een rekenmethode tot het bepalen van de saphoeveelheid nog niet gevonden is, is de conclusie dat de fout daar schuilt wellicht nog de meest plausibele), dit zoo zijn de verliezen ze ongetwijfeld een groot deel van, om niet te zeggen, al hun waarde als record op het gebied van rendementsverbetering. We kunnen niet anders doen dan de resultaten der a.s. campagne afwachten, wellicht wordt het raadsel daardoor opgelost. Tanggarang, April '98. M. C. Hoogvliet. EEN PRAKTISCHE METHODE TER CONTROLEERING VAN DE WERKING VAN HET IMRIBITIE-WATER OP DE AMPAS. Naar aanleiding van de voordracht van den Heer MüLLER von Czernioki over de voordceligste sapwinning door molens, gehouden op liet suikercongres te Djoeja, kan ik niet nalaten aan Heeren fabrikanten een middel aan de hand te doen om het bovenstaande goed te kunnen nagaan. Sinds de laatste jaren wordt door mij het imbibitie-water mét een sodaoplossing of wel met kalkhvdraat vermengd, waardoor ik de volgende voordeden bekomin heb. I°. dat de ampas, die daarmede geïmbibëerd wordt, zich geel kleurt, waardoor een praktische methode aan de hand gedaan Mededelingen uit en root de praktijk 499 wordt om te zien of alle stukjes ampas met imbibitic-water in aanraking geweest zijn. 2». liet tegengaan van de verzuring van de naperssappen; De hoeveelheid alkali door mij in het imbibitie-water gedaan hangt al' van de meerdere of' mindere aciditeit der naperssappen rn kan men dit licht door proeven bepalen. Deze boeveelheid varieerde bier van '/ü — 1 Liter van 30» l!é per l.")U0 liters imbibitie-water. Het vermengen van de soda met liet watT heeft plaats voor dat het in liet imbibitie-waterreservoir opgepompt wordt; hetzelfde water werd ook gebruikt voor het uit zoeten der filterpersen. Ook is het misschien voordeelig om de kalkzetting der napers sappen volgens deze methode te bewerkstelligen. Wel is waar zal men een verlies hebben van alkali, dat in de ampas terug blijft, doch dit verlies weegt lang niet op tegen de voordeelen met deze werkwijze verkregen. Door Meeren scheikundigen zal nog bewezen moeten worden of de werking van de alkalische stoffen geen nadeelige gevolgen zal hebben op de totale ontsuikering der ampas. Klatjif., 2l April 1898. W. K . VAN GüNNKS'. DIVERSE MEDEDEELÏNGEN De Jav. (Jt. van 14 Jan. bevat een ordonnantie van den Gou verneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, waarbij aan de in lic) stroomgebied der rivieren Goeiig en Koemisik (residentie Tegal) gelegen suikerondernemingen een retributie is opgelegd. In die ordonnantie vinden wij het volgende vermeld : „Dat Hij, met betrekking tot de in het stroomgebied der rivie ren Goeng en Koemisik (residentie Tegal) gelegen suikeronderne mingen, uitvoering wilde geven aan de verkregen Koninklijke machtiging om daar waar in Ne lerlandseh-Indië belangen van ondernemingen van landbouw en nijverheid betrokken zijn bij de, irrigatie eener landstreek en van Regeeringswege door aanstelling van toezichthoudende personen uitgaven worden gedaan ter verzeke ring van eene billijke en regelmatige verdeeling van het water tusschen de verschillende belanghebbenden bij die verdeeling, aan de belanghebbende ondernemer*, tot goedmaking dier uitgaven, bij Mededeelingen uit on voor de praktijk 500 algemeene verordening eene retributie op te leggen, waarvan bet voor ieiler der ondernemingen jaarlijkscb te betalen bedrag zal worden bepaald naar een bjj die verordening aan (e geven maatstaf. Lettende op de artikelen '20, 29, 31 en 'M van bel Reglement op het beleid dei' Regeering van Nederlandsch-Indië; Heeft goedgevonden en verstaan : Art. I. Tot goedmaking van de uitgaven, voortvloeiende uit de indienststelling van bet bij artikel I, letters a en/;, van het besluit van 7 Januari 1898, No. '28 (Staatsblad No. 12), bedoeld personeel ten behoeve van het toezicht op de verdeel ing tusschen de verschil lende belanghebbenden van liet water in het stroomgebied der rivieren (loong en Koemisik (residentie Tegal), ook voor zooveel betreft de geraamde uitgaven wegens aan dat personeel eventueel toe te leggen verlofstractementen, non-activiteitstractementei>, wachtgelden en pensioenen, wordt aan de ondernemers van de in die landstreek werkende suikerondernemingen eene retributie op gelegd. Art. 2 Het totaal bedrag der retributie, jaarlijks door de ge zamenlijke ondernemers op te brengen, wordt vastgesteld op f 8000 (acht duizend gulden). Ilei aandeel in die som, voor elke onderneming op te brengen, wordt elk jaar bepaald naar verhouding van het aantal bouws grond, voor de onderneming ingehuurd ten behoeve van den aan plant van suikerriet in dat jaar, met, uitzondering van den grond in het gebergte en uitsluitend bestemd voor den aanplant van bibit. De omslag geschiedt voor binnen Nederlandsch-Indië gevestigde vennootschappen onder eene firma en naaralooze vennootschappen. ten laste van de vennootschappen; in alle andere gevallen ten laste van hen, door wie binnen Nederlandsch-Indië de exploitatie geschiedt of het beheer gevoerd wordt. Voor bet geheelc bedrag van het aandeel ten laste van eene ven nootschap onder eene firma en van eene naamlooze vennootschap is elk dei- vennooten of beheerders persoonlijk aansprakelijk. Alle anderen, door wie de exploitatie gezamenlijk geschiedt of die gezamenlijk het beheer voeren, zijn mede hoofdelijk aan sprakelijk. Op de tot eene onderneming behoorende zaken kan de retri butie worden verhaald krachtens een executorialen titel tegen den heheeider of een der beheerders. Art. 3. Vóór ultimo Juni van elk jaar worden aan het hoofd fttvene merieileellngeti 501 van gewestelijk bestuur de opgaven ingediend, welke voor de be paling van de in bet tweede lid van artikel 2 bedoeld* aandeelen trereischt worden. Het Hoofd van gewestelijk bestuur regelt de wij /e. waarop de in het vorig lid bedoelde aangifte geschiedt. Tol het doen dier aangifte zijn gehouden zij, door wie binnen Nederlandseh-Indië de exploitatie geschiedt of bet beheer gevoerd wordt. De aangifte duur een i\cv beheerders gedaan, verbindt de overigen, zoomede de opvolgende beheerders. Indien de aangifte niet binnen den bepaalden termijn is ge daan of hel Hoofd van gewestelijk bestuur aan de juistheid der aangifte twijfelt, wordt door hem een opzettelijk onderzoek ter zake ingesteld, waarvan de uitkomsten worden medegedeeld aan hem, die tol de aangifte gebonden was of haar deed (of zijn even tueelen vervanger), die daarentegen binnen veertien dagen zijn bezwaren kan inbrengen. Na verloop van dien termijn wordt door hel Hoofd van gewestelijk bestuur hef aantal bonws, waarover retributie verschuldigd is, vastgesteld. Tegen die beslissing is geen verzet toegelaten. Art. 4. Telken jare in de maand Juli wordt door bet Hoofd van gewestelijk bestuur liet voor elke onderneming naar den maatstaf van artikel 2 verschuldigd bedrag opgenomen in een register, dat daarna door dat Bestuurshoofd wordt vastgesteld. Dadelijk na die vaststelling wordt aan de belanghebbenden van het door ieder van ben te betalen bedrag kennis gegeven op de wijze,. door bet Hoofd van gewestelijk bestuur te bepalen Schrijf- en rekenfouten, begaan bij de vaststelling van bet register, en onjuistheden ten gevolde van verkeerde opgaven of aangiften, die ontdekt worden of waarvan redres verzocht wordt binnen een maand na de in bet vorig lid bedoelde kennisgeving, kunnen door het Hoofd van gewestelijk bestuur worden hersteld. mits daardoor in het totaal bedrag van liet register geene veran dering worde gebracht. Art. 5. De retributie moet uiterlijk zijn voldaan op ultimo December van het jaar, waarover zij verschuldigd is. Zij wordt dadelijk opvoiderbaar wanheer in den loop van het jaar debetrok ken onderneming het bedrijf gestaakt heeft. Slotbepaling. Deze ordonnantie treedt in werking-op den dag harer afkondiging. Diverse meileileelingoh 502 Noord-Nerirtrlaiulsclie Beetwortel-Suikerfabriek ie Vieryerlaten bij Groningen. Reeds sedct'l garuünen tijd werd het belang ingezien om in het Noarden van Nederland eerie bietsuikerfabriek op te richten. Verschillende fabrieken in het, Zuiden betrokken groote hoeveelheden beetwortels uit Friesland, die ten koste van hooge vrachten per spoor of per schip verkregen moesten worden. Hel was dns niet meer dan natuurlijk, d»t er eene fabriek werd gebouwd meer in de onmiddellijke nabijheid der bietvelden, waardoor de wortels tegen zeer lage vrachten verkrijgbaar waren. De gronden in Friesland en Groningen bezitten alle mogelijke eigenschappen voor de teelt van beetwortelen. De Groninger bodem bestaat voor een groot deel uit vette klei, Friesland heeft daarentegen magerder grond met meer zand ver mengd. Als bewijs dat de beetwortelen in de noordelijke provinciën minstens even goed als in andere doelen van Nederland kunnen ge teeld worden, zij vermeld, dat het gemiddelde suikergehalte gedu rende de afgeloopen jaren I4 1 /.. a 15% en in 1897 zelfs 15,30% heelt bedragen. De cultuur is nog voor groote uitbreiding vatbaar, en gebrek aan de bonoodigde werkkrachten, kan als de oorzaak aangegeven worden, dat tot nu toe nog slechts een betrekkelijk klein gedeelte der beschikbare gronden met bieten werd beplant. liet verbouwen van dit landbouwproduct zal spoedig meer en meer onder de Friesche en Groninger boeren zijn doorgedrongen, en voor eene, in die streken opgerichte fabriek zal ahijd ruim schoots gelegenheid zijn om de noodige hoeveelheid bieten te ver krijgen. Fenige jaren van ondervinding zullen den landbouwers en hun nen werklieden de gelegenheid hebben gegeven, te leeren op welke manier de wortels op de goedkoopste wijze kunnen verbouwd worden. Toestanden, zoo als men op bet oogenblik op sommige plaatsen nog aantreft, waarbij de dubbele tier eigenlijk slechts benoodigde werkkrachten per 11. A. worden aangewend, zullen dan ook spoe dig tot het verledene behooien. Oprichting. Ongeveer 5 a 6 jaar ge'eden werd door het Friesche Genootschap van Landbouw eene commissie benoemd, om na te gaan in hoeverre de oprichting eener coöperatieve suikerfabriek aan den landbouw in de Provincie Friesland ten goede zou kunnen OiveiMe mededelingen • 503 komen. Na een grondig onderzoek kwam deze commissie tot de overtuiging, dat eene dergelijke fabriek ontegenzeggelijk van groet voordeel en nut /on kunnen zijn voor den Frieschen landbouw in het algemeen; men stuitte echter op het bezwaar, dat de lïuan cieele steun van de Friesche grondeigenaren zoo gering bleek, dat geen consortium de vinden was,'t welk eich voor dere zaak werischte te interesseeren. Na jarenlang vergeefsche pogingen te hebben aangewend, Werd van het plan, om do fabriek op coöperatieven grondslag op te richten, afgezien. Ook in Groningen werd eene commissie b< noemd door het Hoofdbestuur van het Genootschap van Nijverheid en door de Maat schappij van Nijverheid in het Westerkwartier, met de opdracht om te onderzoeken of het mogelijk en wenschelijk ware in de provincie Gro ningen eene suikerfabriek op coöperatieven grondslag op te richten. Tal van proeven met den bouw van suikerbieten werden daar voor* op verschillende plaatsen genomen en telkens bleek, dat een groot deel van dat gewest voor dien bouw uitmuntend geschikt is. Aan de fabriek zou eene voorschotbank verbonden worden met het doel om, zoo dat gewenscht werd: o) de bedragen der aandeden onder behoorlijk onderpand of borgstelling voor te schieten. b) een telken jare vast te stellen bedrag op geleverde beet wortelen uit te betalen. Niettegenstaande deze commissie eveneens tot het resultaat kwam, dat er voor eene suikerfabriek alleszins reden van bestann zou zijn, kwamen de plannen ook hier niet tot werkelijkheid. Eenige industrieelen vatten de zaak echter spoedig weder op. maar nu werd het partieipatiestdsel als basis aangenomen. Met de eerste werkzaamheden werd in September lb9ü begon nen en 1 October 1897 werd de fabriek in werking gebracht. De zaak wordt op het oogenblik beheerd door den Heer O. BonctiEßT, Directeur, benevens de Heeren: J. E. Scholtkn, Presi dent-Commissaris, R. Bt.oFMisF.RGtN Ezn. Secretaris, A. van Rossi'M en een college van 8 commissarissen. De fabriek kostte geheel gereed met hare terreinen, spoorweg aansluitingen en haven ruim f 1,'200000. Parlicipiüie-stelsel. Het participatiestelsel berus-t op de na volgende grondslagen. nirersfi mectedeeiinj!jen 504 De beetwortels worden betaald naai' bun gehalte, waarvoor als basis \'ty o is aangenomen en verder naar den prijs, waartegen de gefabriceerde suiker wordt verkocht. Gedurende do campagne wordt eene zekere basisprijs vuur de bieten aangenomen, verband houdende met den suikerprijs op dat oogenblik, om tot eene voorloopige betaling der geleverde beet wortelen te hunnen geraken. Na opmaking der exploitatierekening wordt van de gemaakte winst, een bij de statuten bepaald percentage der bouwkosten af geschreven, en f 1, — per zak ruwe suiker gereserveerd voor divi dend, tantièmes en reserves. Van de nu nog overblijvende winst wordt 45% uitgekeerd aan d' participanten (bietenleveranciers) naai' verhouding van het dooi' hen geleverde bietenquantuni. Terrein. Ken geschikt terrein weid in de provincie Gronin gen ongeveer één uur gaans van de hoofdstad, bij Vierverlaten gevonden. Men kwam in het bezit van een stuk grond, gelegen aan den spoorweg van Groningen naar Leeuwarden en tevens aan hel lloendiep, dat eveneens deze beide plaatsen verbindt. Door het Aduarderdiep, dat juist bij het fabrieksterrein in het lloendiep uitkomt, kunnen de bieten uit het Noordelijk deel dei provincie Groningen en hel Noord-Oostelijk deel van Friesland verkregen worden. De bieten kunnen dus zoowel per wagen als per schip zeer gemakkelijk en spoedig aangevoerd worden. Het terrein, in den vorm van een driehoek, waarvan de spoor lijn en het lloendiep, de langste zijden uitmaken, is ongeveer 12 11. A . groot. Door den aanleg van een verbindingslijn met de hoofdspoor lijn, kunnen de bieten, steenkolen, enz. direct op de gewenschte plaatsen op het terrein gelost worden, terwijl het lloendiep over eene lengte van ongeveer 000 Meter den schepen gelegenheid geeft om aan te leggen. De kortste zijde van den driehoek wordt gedeeltelijk inge nomen door eene, speciaal voor de fabriek gemaakte haven, die ongeveer 80 Meter lang, ongeveer S>s Meter breed is en gelegenheid geeft om eveneens bieten te lossen en suiker te laden. De bijgaande afbeelding Plaat IX stelt een buitenaanzieht van de Noord- en Westkant der fabriek voor. Diverse raededeeliugen. 505 De schepen in hel lloendiep liggen gedeeltelijk pulp ')te laden of bieten te lussen. Lang-! de geheele lengte van <I e vaart zijn de hoofd kanalen gegraven, waarin de bieten uit uV schepen direct gestort kunnen woiden, en dus verder geheel automatisch in de fabriek komen, waardoor gelijktijdig eene eerste voodoopige reiniging dtn' beetwor tels plaats vindt. De lange pulptransporteur wordt, zooals op de afbeelding te zien is, gebruikt om de pulp in liet schip te storten. Inrichting der fabriek. Om de op te richten fabriek in staat te -tellen flink te kunnen concurreeren, moest eene capaciteit ge kozen worden, waardij de exploitatiekosten tot een minimum kon den beperkt worden, en werd daarom eene dagelijksche verwer king van 1,000000 Kilo (± IGOÜÜ pikols) bieten vooropgesteld. Met hoofdgebouw is 1.J2 Meter lang en2o Meter breed, waardoor de machines en toestellen op ruime wijze konden geplaatst en een Hink overzicht in de fabriek over het geheel kon verkregen worden. Aan den westkant van liet gebouw bevindt zich de waschruimte, waar de bieten, die door verschillende kanalen in de fabriek ko men, gereinigd worden. Üc wortels worden door 1 Hubrad in de wassetter gevoerd. Dit rad is zoo ingericht, dat het bet stuwwater in een gooi laat vallen voordal de bieten boven zijn, waar deze het rad verlaten, liet andere Hubrad dient om het stuwwater en vuile waschwater in een soort trechter te voeren, welke trechter met een buisleidins verbonden is. Dc/.e leiding voert naar groote bassins, waai- het water slib afzet, en waar de opgeloste stoffen moeten worden neergeslagen. De bieten worden door een schudzeef naar eenen vertikalen baktransporteur gebracht om de bieten naar de bovenste verdieping op te voeren. De wortels worden in eene automatische controle weegschaal gewogen en van hieruit inde 3snijmachines geworpen. die aan het begin der gestrekte diffusiebatterij zijn opgesteld. Het groote middengedeelte van het. gebouw, waar de sappen gevormd, gescheiden en gezuiverd worden, bestaat uit. éene étage waarop de apparaten voor deze bewerkingen zijn opgesteld, terwijl de begane vloer door de drijfmachine, de pompen, enz. wordt in genomen. ) Uitgeloogde snijdsels. DllOfte niPiledeelingpA 506 De diffusiebatterij Instaat uit 28 ketels, ieder van 6500 Liter inhoud en wordt in twee afzonderlijke doelen gebruikt. Een transporteur boven de diffuseurs laat de snijdsels door trechters in de ketels vallen. De lossing geschiedt van onderen, waardoor de uitgeloogde snijdsels geheel automatisch en in zeer korten tijd in 2 ruime kanalen gestort worden. Een baktransporteur voert ze naai' de 14 pulppersen, welke op de étage boven de waschruimte zijn opgesteld. Na uitgeperst te zijn, wordt de pulp door middel van een 64 Meter langen transporteur naar builen gevoerd, om automa tisch in de schepen afgeladen te kunnen worden. Uit de diffusieketels gekomen, worden de sappen naar het station voor droge scheiding gepompt en van daar naar de 5 groote ketels der 1<- saturatie, waarin de behandeling met kool/uur plaats vindt, de schuimporapeh voeren daarna de sappen naai de K monstei l'ilterpersen. Het gezuiveide vocht gaat nu naar de 2>> e saturatie, om nog eens met koolzuur behandeld te worden en van daar naar de ü groote monstei filtcrpersen der 2''° saturatie. Nu volgt ecne 3 llc saturatie met zwaveligzuur en koolzuur, nogmaals worden de sappen door persen gedrukt en het zoo ver kregen dunsap is nu gereed voor de verdamping. liet lilterpersstation is iets honger dan de saturatiepannen gelegen. I>e schuimaarde valt uit de persen direct in kipwagentjes, welke over rails naar buiten gebracht worden. De afbeelding Plaat X geeft rechts de diffusiebatterij met de weegschaal en snijmachines te zien, terwijl links de saturatiepannen en de honger geplaatste ülterpersen worden voorgesteld. Twee groote 4-cffet verdampinrichtingen, met te zamen onge veer 2 k 2oü M- verwarmend oppervlak maken het dun- tot diksap, dat daarna nogmaals met koolzuur of zwaveligzuur behandeld en (jcliltreerd wordt. De nevensgaande afbeelding Plaal XI geeft een overzicht van het verdampstation. Het geheel is door eene hoogopgetrokken, geheel uit ijzer ver vaardigde bekapping overdekt. De groote afstand van de dilfusiebatterij en het hordes der verdamping tot den nok van het dak, geeft aan het geheel den indruk eener royale opvatting, die hel oog ;i;ingenaam aandoet. Diverse mededeelingen 507 Ren zoor grapt aantal hooge vensters voorziet in eene heldere verlichting hij alle machines en apparaten, liet derde hpofdge leelte van het gebouw, bet zoogenaamde suikerhuis, waar zich o. a. de 4*» saturatie, het kookstation en de verdere toestellen voor de verwerking der gekristalliseerde suiker bevinden, bestaat uit 4 étages. Het diksap wordt opgepompt tot boven in den filter toren naar de 4 de satui atie, alwaar zwaveligzuur en koolzuur wordt toegevoegd. Daarna wordt het door wellblechfilters gefiltreerd, welke ± 3 M. beneden de saturatiepannen staan. Dit gefdtreerde diksap wordt in de vacua ingetrokken. Nel diksap doorloopt van boven naar beneden de verschillende stations, waardoor op de meest economische wijze gewerkt wordt. Het kookstation bestaat uit 3 groote vacuümpannen, volgens het nieuwste Greinersysteem met horizontale stoomleidingen, waardoor een zeer schoon kristal verkregen kan worden. Ken vierde kleinere kookpan wordt gebruikt voor de naprodiicten. Eene verdieping lager bevinden zich de zes open maischen, L> j-wijl weder eene étage lager de 12 centrifuges zijn opgesteld. Deze centrifuges zijn van de grootste soort, met eenen diame ter van 1000 m.M. De suiker wordt door onderlossing in een schudgoot geworpen en verder met een elevator naar een hoogere verdieping getrans porteerd. Hier bevindt zich het magazijn, van waaruit de gevul de zakken gemakkelijk in de schepen of spoorwagens geladen kunnen worden. De afgedraaide stroop wordt op naproduct verwerkt, waarvoor een groot aantal ijzeren bakken tOT uitkristallisatie aanwt/.ig is. De benoodigde kalk wordt verkregen door 2 ovens, die tege lijkertijd het koolzuur leveren, voor de saturatie vereischt. Dö stoom wordt verkregen dooi' 13 Coinwallketels, elk van 100 M- verwarmen I oppervlak met, een stoomdruk van 7 a.t mor-feeren. De ketels zijn op ééne rij geplaatst. Om al te groote afmetin gen van de kanalen te voorkomen, zijn 2 schoorsteenen genomen, elk i5 Meter hoog met eene opening van 2,5 Meter aan den top. Voor de electrische verlichting dient eene groote dynamoma ehine voor 's nachtseneen kleinere voor den dagdienst. in de fabriek bevindt zich het hoofdlaboratorium in het m'd dengedeelte van het gebouw bij de saturatiepannen, terwijl een 508 f>t»erse meiJedei-lingetl tweede, kleiner laboratorium voor liet orilerzoek der beetwottels is ingericht, beneden in de fabriek. Buiten op liet terrein zijn de kantoren, de woning van den directeur en verschillende kleinere gebouwen vuur de surveillanten en andere hoofd werklieden. Niettegenstaande den korten tijd, die vuur de montage beschik* baar wa«, kon men op I October met het snijden der bieten aan vangen. Voor einde November was de campagne afgeloopcn, daar «lil jaar slechts voor oene kleine hoeveelheid bieten gecontracteerd werd. Niettegenstaande de groote moeilijkheden, waarmede de direc teur natuurlijk gedurende deze eerste, als het ware procl'canipagnc, te kampen had, door werkvolk, dat voor het overgroot gedeelte nog nooit in een suikerfabriek was werkzaam geweest; door gebrek aan bekwame lossers, waardoor niet altijd de noodige hoeveelheid b'eten tijdig genoeg op het terrein werd aangebracht, kan men met vol doening op de verkregen resultaten terugzien. De „Noord-Nederlandsche Beetwortelsuikerfabriek" heeft in de provincie Groningen veel leven en vertier gegeven en dank zij de energie der oprichters hebben nu honderden menschen, vooral ge durende de wintermaanden de gelegenheid om werk te verkrijgen. Onlangs is van de hand van den bekenden „Agricultuur- Physicös" Woli-nv ') een werk verschenen, waarin alles de ontle ding der organische stoffen en de hnnmsvormingen in den bouwgrond betreffende, in overzichtelijken vorm is samengevat. Tn de volgende regelen is het een en ander aangestipt uit het laatste hoofdstuk, waaraan eenige opmerkingen uit onze omgeving zijn vastgeknoopt. Tweeërlei soort processen heeft men bij de ontleding dei- orga nische stoffen te onderscheiden, nl. verweering en verrotting. Dit onderscheid wordt vaak niet gemaakt en toch zijn behalve de aanleidende oorzaken tot het ontstaan dier processen ook de daaruit ontstane producten verschillend. Dit onthoude men: Zoolang de zuurstof tot een zekere yrens toegang heeft tot de organische stof, treden bij de ontleding oxy datieversehijnselen (verweering) op; is daarentegen lucht toetre- *) Dit- Zerselzuug der organisol|ea SioflV and die mit KQoksichl nuf die ÜoJencultur von Dr. Kwalü Wollny. Heidelberg, Cgrl WiDter's l'niversitütsbuchhandlung. 509 Diverse mededeeliogen ding besperkt of uitgesloten, dan hebben er rdductJeverschijnselen (verrotting) plaats. Spelen deze processen zich in den bouwgrond al, dan is het in het eerste geval den plantengroei voordeelig, in het tegenover gestelde veelal nadeelig. Men drage dus zorg, dat de ontleding der organische stoffen in de goede richting verloopt en passé daarom een oordeelkundige grondbewerking toe. We spreken hier voorzichtigheidshalve van e(-• 11 oordeelkundige, omdat men dikwerf kan opmerken boe vastgeroest als 't ware de meening is als zoude elke grondbewerking van zelf' een oordeelkundige zijn, daar immers niemand tot deze geldkostende handeling besluit, zonder overtuigd te zijn, dat bet strikt noodzakelijk is. Hoe nu een rationeele grondbewerking in te richten, daarvoor kunnen geen bepaalde voorschriften gegeven worden, deze moeten zich richten naar klimaat, grondgesteldheid, gewas (bedrijfsplan) enz. enz. Er is echter één factor, welke overal geldt en deze is: Rij het toepassen der gronlbewerking boude men wel rekening met het jaargetijde en liet oogenblik. Wel is waai' heelt dit voor lan den met een winterperiode grootere heteekenis dan voor de tropen, doch is nu voor de laatsten belangrijk genoeg om er de aandacht op te vestigen. In beide gevallen stelt de natuur ons middelen ter beschikking, waarvan wij voor mi/e grondbewerking profijt kunnen trekken. Dooi' den invloed van vorst en dooi wordt de grond op een wijze bewerkt, zooals die door werktuigen alleen moeilijk en dan nog met Opoffering van veel arbeid, zon tot stand kunnen gebracht worden. Immers door de koude bevriest het water in de bovenste lagen van dim grond. Door den overgang van water in ijs worden de aarddeeltjes van elkaar geschoven . Zoodia de dooi invalt verbreekt hun samenhang en nu laat zich do grond verder veel gemakkelijker bewerken. Opdat de vorst in de bouwkruin overal goed kan indrin gen, legt men in 't najaar de akkers, welke znrnervruohten moeten dragen op de ruwe voor, d. w. z, nadat de oogst van het land is, gaat men zoo spoedig mogelijk éénmaal met den ploeg er over heen. Behalve dat men er dit doel mede beoogt, zijn ook nog an dere voordeden aan die handelwijze verbonden, waaronder bet vol gende zeker niet het minst belangrijke mag genoemd worden, n.l. de betere opspatïng van het winterwater, waarvan de beteekenis uitkomt in droge voorjaren. Met het oog op dit alles heelt de landman gaarne een winter 510 Diverse uie'ledeelingen. mei vorst. Soortgelijke beteekenis heeft nu de groo.te droogte voor tropische landen. We zien hier boe de giond in den Üostmucsson door de langdurige droogte in alle richtingen scheurt, en de boven laag na de eerstvolgende regenbuien een inooie, kruimelige structuur heeft aangenomen. In den zin nu als partij wordt getrokken van den vorst in de noordelijke landen, in dien zin zou ook bier van de droogte kunnen geprofiteerd worden. In 't bijzonder wor den hiermede de cultures van eenjarige gewassen bedoeld, waai: toch de grondbewerkingen een grootere rol spelen d;in bij de cul tures van meerjarige. Zoo treft het ons de sawahs gedurende den drogen tijd onaan geroerd te zien liggen. Moeten ze nog tweede gewassen dragen, dan worden ze niet vroeger bewerkt dan op het oogenblik, dat geplant zal worden. Men zou er beter bij varen, indien men, kort na den oogst van de padi, de akkers op de ruwe voor liet ligaen. Hij den eventueelen verbouw van twee gewassen heeft men dan het niet onverschillige voordeel, dat de watervoorraad van de ge ploegde akkers grooter is dan van de niet geploegden. De eersten zullen aan een langdurige droogte meer weerstand bieden dan de laatsten. De kleine man zal deze methode van grondbewerking niet kun nen toepassen, daar hij met zijn gebrekkigen ploegen dito egge de sawahs niet anders dan nat kan bewerken. *) In de overige gevallen zal het ook nog niet zoo gemakkelijk gaan, daar hier goede ploeg dieren en ervaren ploegers ontbreken, terwijl de dikwijls geringe oppervlakte der te bewerken stukken bovendien nog bezwaren aan bieden . In de grondbewerkingen hebben we dus een middel om op de ontleding der organische stoffen te influenceer en. De ontleding der organische stoffen heeft een vrij worden van planlenvoedende bestanddeelen ten gevolge. Het is nu zaak, dat wij zoo min mo gelijk van deze voedingsstoffen verliezen. In bijzondere mate is dit het geval met één ervan, n. 1. de stikstof, die in den vorm van ammoniak, een zeer vluchtige verbinding, wordt afgesplitst. Hebben we dus met stikstolhoiideude organische bestanddeelen te doen. welke spoedig ontleden en in korten tijd belangrijke hoeveelheden stikstof in den vorm van ammoniak afsplitsen, dan weten we van *) Wanneer we de inlawlsche wijze van Ijesnauuing van het trekvee zien, dan geeft zulks aanleiding tot de Traag, of het geen verbetering zou zijn, wnnneer de dieren met het voorhoofd trokken en de last op de schoft rustte. Op deze wijze verrichten de trekossen in Duitschland hun diensten. Divaree medcdeeliugen 511 welken kant ons verheien dreigen. De urine van onze paar len en runderen is een voorbeeld hiervan. Bij de mestbereiding wende men daarom alle middelen aan, welke dit tegengaan, doch liier in Java schijnt men er de voorkeur aan te geven de urine niet het slokanwater te laten wegloopen. Het is al mooi als men de vaste uitwerpselen , bewaart"! Vol gens Wagner zou uit de natuurlijke stikstofhou lende meststoffen onder den invloed der denitrifieeerende bacteriën vrije stikstof worden afgescheiden en wel in een hoeveelheid, die nipt onaan zienlijk is te noemen. Volgens Woi.lvy zon dit een gevolg zijn van verrotting en niet van verweering, daarom behoeven tegen dezen vorm van stikstofverlies geen andere maatregelen geno men te worden, dan die, welke het verweeringsproces helpen bevorderen. Naar onze meening zullen hier beide processen wel naast, elkaar voorkomen. Welke de overhand heeft, zal afhan kelijk wezen van de voorwaarden, welke van Overwegenden invloed zijn op een dier processen. Men houde zich daarom nog aan de algemeene maatregelen, welke bij een ratinneele behandeling van den mest in acht te nemen zijn. Amerikaansche ingenieurs voor landbouw werktuigen en er varen fokkers zouden hier een ruim arbeidsveld vinden, indien de oeconomische toestand een andere ware. Vim intensieve land bouw zal op Java geen sprake zijn, zoolang de Kuropeaan-landbou wer zijn grond van inlanders moet huren voor korten tijd. We weten nu. dat uit de stikstofhoudende organische stoffen. welke de bouwgrond bevat, stikstof wordt afgesplitst en in een vorm overgebracht, welke geschikt is om de plant als voeding te dienen *). Gewoonlijk worden dan door verdere processen de nitraten geboren en wel in 't bijzonder de salpeterzure zouten van kalk. Deze nit aten worden voornamelijk in de bovenste laag van den grond gevormd, omdat daar de meest gunstige voorwaarden voor hun ontstaan aanwezig zijn. Met het oog hierop hebben we ons naarde volgende twee punten te richten: ten eerste bevordering van het nitrificatie-proces, enten tweedede gevormde nitraten niet te verliezen. ) Men is liet er iid» uicl OT«r eens <>t' de stikstof uitsluitend in Jen vorm van salpeter' /uit zouten den planten toegankelijk is, dan wel nog in andere verbinding n . Men beeft Dog :rcen zekerheid nf bijvoorbeeld de humusstoff.-n oire.ct door de plant kunnen worden opgenomen, ofschoon door Fransche onderzoekers geuomen pioeren er op wijzen, dar dit soms wel het preval is. Diverse mededeelingen 512 Temperatuur, vochtigheidsgraad en de aanwezigheid van alka lische aarden (voornamelijk kalk en magnesia) regelen het verloop van het nitrificatie-proces, dat door lagere organismen tot stand komt. Door de gemakkelijke oplosbaarheid der nitraten en doordat zij nagenoeg niet geabsorbeerd worden door den bodem, zooals met andere verbindingen het geval is, bestaat er groote kans, dat zij naar diepere lagen worden gevoerd of met het afloopende regen water wegspoelen, indien zij niet intijds door de plantenwortels opgenomen worden. Dat de voorraad nitraten in de gronden van Java niet groot is, blijkt hieruit, dal hunne aanwezigheid op de gewone wijze niet k;ui aangetoond worden. Uit onderzoekingen van Lawes en Gilbert, de bekende Engel sche landbouwscheikundigen, zou blijken, dat het jaarlijksch ver- In per 11. A. aan stikstof, wegvloeiende met het drainwater, bij een zwaren, braakliggenden leemgrond, waarvan de ondergrond klei is en het geheel met grind gemengd, bij diktelagen van 49, 08 en 147 c.M», bedraagt respectievelijk 51, 40,7,'cn 48,1 K.G. ge middeld dus 46,6 K.G. Dit in guldens omgerekend, bij een stik stofprijs van 0,(30 gulden het K.G. maakt een bedrag van ± 28 guldens uit. De gewassen dragende gronden onderscheiden zich in dit opzicht belangrijk gunstiger. Als 't gemiddelde van de waarne mingen uit een twintigtal jaren bedroeg per H. A. volgens boven genoemde onderzoekers, het stikstofverlies van den met tarwe beplanten grond 4,46 —5.44 K.G., + een negende gedeelte dus van de hoeveelheid van den braakliggenden grond. Dit verschillend gedrag vindt zijne verklaring hierin, dat de planten nitraten assimileeren en hierdoor tegelijkertijd het waterge halte van den grond verminderd wordt, wat van invloed is op de bewegelijkheid dier zouten. Naar aanleiding hiervan zou het aanbeveling verdienen, en er is hierop in dit Tijdschrift reeds meer gewezen, jonge plant soenen niet al te zorgvuldig van een goedaardig onkruid schoon te houden. Begint het onkruid te welig op te schieten, dan werke men het met den hak (patjol) er onder. Door het tijdig behakken van den grond heeft men van zelf het onkruid in de hand. Wordt de grond slechts met de schoffel (parang) bewerkt en laat men het onkruid aan de oppervlakte liggen, dan gaat op deze wijze de organische stof sdel verloren. Er heeft in denbovengrond geen humus vorming plaats. 513 Diverse molideelingen Maar afgezien hiervan, mag niet verzuimd worden den grond te zijner tijd te behakken. Door de veelvuldige regens hoert de grond neiging dicht te slibben, terwijl in droge tijden de beliakte grond veel minder water verdampt dan de onbehakte. Zoo konden we hier in den cultnurtuin in den afgeluopen Oostmoesson, tijdens een langdurige dioogte waarnemen, hoc in een behakt, jong Libaria-koffieplantsoen de boompjes hunne frischheid bleven behouden en rijkelijk bloeiden. Er is wel eens de stelling geuit, als zouden mineraal-bemes tingen het uitwasschen van stikstofverbindingen tegengaan, dit mag in enkele gevallen tot een zekere grens waar zijn en dan het ver schijnsel aldus verklaring vinden,dat de planten door de mineraal bemesting zich krachtiger ontwikkeld hebben, waarmede gepaard gaat, een sterkere stikstof-, respectievelijk wateropname, algemeene geldigheid heeft de stelling niet en vooral is zulks het geval. indien met ammoniumsuU'aat of ehilisalpcter bemest wordt. De onderzoekingen van Tawes, Gii.bkut en Dkiikuain hebben duidelijk aangetoond, dat de stikstof in organischen vorm, als stalmest, guano, bloedmeel, wortelknolletjes enz., veel minder kans loopt om uitgewasschen te worden dan de stikstof in den vorm van ammoniumsulfaat of cbilisalpeter. Dit is ook goed te begrijpen, daar de stikstof in eerstgenoemden toestand eerst geleidelijk in den voor den planten opneembaren vorm wordt over gebracht en zich dan gaat gedragen als de stikstof in mineralen vorm. Voor koffie, thee en andere meerjarige gewassen zullen de meststoffen, waarin de stikstof in organischen vorm voorkomt, veelal de voorkeur verdienen boven ammoniumsulfaat en cbilisal peter, uitgezonderd echter de stikstof in den vorm van haren, veeren, hoorns, klauwen, dekschilden van insecten etc. etc. (chiti nestikstof). Men weet, deze verweeren zeer moeilijk. Onereuse handelaars in meststoffen wenden deze stoffen wel eens aan ter vervalsehing van samengestelde meststoffen, om deze het gegaran deerde stikstofgehalte te geven. De chemische analyse wijst deze vervalsching niet aan, daarentegen wel het microscopisch onderzoek. Bij de cultuur van éénjarige gewassen zou organische stikstof misschien ook te verkiezen zijn, wanneer wij over denzclfdcn grond een reeks van jaren te beschikken hadden, zoodat van hunne nawer king door ons geprofiteerd kon worden. Om het bovengenoemde voordeel te verkrijgen, bereidt men Diverse raoiledeeUrigeii 514 nwoordig /. g. geconcentreerde stalmest. Op welke wijze deze verkregen wordt, is niet in allé opzichten bekend, Hel kan een mengsel zijn van stalmest met poudrette, dan wel met am moniumzouten of nitraten '). In het laatste geval zouden we den niest z'M' kunnen bereiden, door ammoniumsulfaat of bloedmeel door den drogen stalmest te mengen, kort voor 't gebruik. Goed bereide cè o post komt deze tóestsoort eenigszios nabij, waarom de compostbereiding op de onderneming zeer is aan te bevelen. Welken invloed hebben nu de humusstoffen op de structuur van den bouwgrond.' Wanneer de ontleding van de humusstoffen in de goede rich ting verloopt rn.a.w. wanneer verweering plaats heeft, dan kun nen we dien invloed als gunstig karakteriseerén. Om dit te berei ken wordt de grond mechanisch bewerkt. Door het koeren en wenden worden de gronddeeltjea in innige aanraking met de lucht (zuurstof) gebracht, zonder welke, zooals wc boven gezien hebben, geen verweering der humusstoffen plaats heeft. Wanneer we do verweeriög dor humusstoffen bevorderen; dan wordt hiermede tegelijkertijd voorkomen dal de gronddeeltjes zich dichter aan elkaar voegen. Is de luchtcirculatie ten slotte zoo be perkt, dat verrotting der humusstoffen plaats heeft, en is de grond nog daarenboven rijk aan ijzerverbindingen, dan gaat hot eompac ler worden van den grond sneller en ten slotte kunnen zich ortstein J ) en oerbauken Vormen. Bij sawahs treft men veelvuldig reeds op geringe diepte harde lagen aan. waarvan het ontstaan soms ten deele aan dergelijke invloeden moet worden toegeschreven. Een van de aan leidende oorzaken is verder ongetwijfeld deze, dat men jaar in jaar uit den jirond tot op dezelfde diepte ploegt, wat niet anders kan, daar met den inlandsehen ploeg de voordiepte niet te regelen is. Hij het aanlegden van kot'fietuinen op voormalige sawah m'onden, zou het dan ook aanbeveling verdienen een strooksge wijze diepe groadbewerking toe te passen. In het gedeelte van W.ii.rw'.s boek, handelende over de beteekenis van de organische stoffen in boschgronden, wordt uitvoering de behandeling van e ronden, waarin harde lagen voorkomen, besproken. ') In plaats van stalmest zou ook met sueees van turfrrlolm, zaagsel, nmpaa enz. gebruik te maken z4jn,.welke men drenkt met verzadigde oplossingen van ehilisalpeter, ammoniuro&ul t'aat, superphosphaat (of eon mengsel van dézen.) en vervolgens droogt. a l Zulke „ortstein" kan opgevat worden als zand, waarvan de deeltjes aan elkaar kleven door uil een oplossing neergeslagen liumusstolïen. Zulks veroorzaakt dan do vorming van harde lagen. Diverse mededeelingen 515 In de overige paragrafen van het laatste hoofdstuk wordt ach tereenvolgens de rol en het gedrag van de organische stollen bij de verschillende cultuurmethodes als de braak, bevloeiing, drainee ring, bemesting enz. behandeld. Hierop nader in te gaan zou ons te ver voeren. Voorloopig willen wede aandacht daar opdoen ves tigen, doch waar de gelegenheid zich voordoet, hopen w<3 telken mlea van Wollny's handboek gebruik te maken, daar de humusstoffen hier in de tropen een groote beteekenis hebben. Teijsmannia 1897, blz. 509. De strijd tusseken den beetwortel en liet riet. Door den lieer Le Docte is eene brochure uitgegeven (La plantation de betteraves sucrières en poquets.), waarin vooreerst een kort overzicht van den algemeenen toestand van de suikerindustrie gegeven wordt, waar uit de conclusie getrokken wordt, dat wil de beetwortelsuikerin dustrie bij de steels grooter wordende overproductie ook in de toekomst loonend zijn, uitgezien moet worden naar middelen, waardoor de suiker tol iageren prijs uit de biel gemaakt kan wor den dan nu het geval is. Vooreerst wijst de heer Le DOCTE er op, dat de productie van suiker in bijna alle landen voortdurend toeneemt, zoowel wal de fabrikatie uit riet als uit beetwortelen betreft, terwijl in de laatste jaren verscheidene landen, die grootendeels door den Lmporthandel van suiker voorzien werden, nu door eigen aanbouw in de behoefte trachten te voorzien: vooral de bietcultuur kan in dit opzicht op schitterende resultaten in Amerika wijzen. Wil dus de suiker industrie in Europa rendeerend blijven, dan moet de productieprijs verlaagd worden. Het fabrieksbedrijf is vooral in de laatste jaren zoo aanzien lijk verbeterd, dat op dit terrein geen verbeteringen, die ingrijpende veranderingen tengevolge zullen hebben, verwacht mogen worden. Het eenige is dus, dat men beproeft de opbrengst der biet velden nog te doen toenemen, en hierin meent de heer Le Docte op de volgende wijze geslaagd te zijn. Bij het uitzaaien der bieten worden telkens eenige zaden te zamen door de zaaimachine op eene plaats in den grond gebracht, terwijl dan later, zoodra het zaad ontwikkeld is, de sterkste plant alleen in den grond blijft staan, terwijl de overige worden uitge trokken en weggeworpen. Door deze algemeen gevolgde methode 516 Diverse mededeelipgen werden de volgende opbrengsten per H. A. in de voornaamste landen verkregen: Duitschland 32,9 ton, Oostenrijk 20,5 ton, Frank rijk 29,8 ton, Rusland 10,2 ton en Nederland 30,9 ton. Bij de methode Le Docte laat men evenwel alle planten in den grond staan, waardoor de opbrengst zoodanig toeneemt, dat deze van een proefveld van 20 H. A. grootte, begin October toen de oogst plaatst had, minstens 50 ton per H. A. bedroeg met een gemiddeld suikergehalte van 15 pet. Door zoodanige opbrengsten zou de prijs der bieten nog aanmerkelijk lager kunnen worden en hiermede ook de prijs van de suiker. Indische Mercaur i897, bh. 702. In de nationale vergadering voor bestrijding van schadelijke insecten en plantenziekten gehouden te Washington den 5— 0 Maart 1897, heeft de heer L. O. Howard entomoloog van het departe ment van landbouw van de Vereenigde Staten een voorlezing ge houden, waarin o. a. de herkomst van vreemde insecten bespro ken werd. De spreker riep de aandacht in voor het feit, dat meer dan de helft der schadelijke insecten in de Ver. Staten van vreemde her komst zijn en toevallig aldaar zijn ingevoerd, waar zij zich in de meeste gevallen in gunstiger omstandigheden bevinden dan in hun plaats van herkomst. Het is namelijk gebleken, dat een groot aantal insecten, die voor de verschillende culturen schadelijk zijn, tot geïmporteerde soorten belmoren. De plaatsen van herkomst werden kortehjk be sproken en het blijkt, dat terwijl Europa de oorspronkelijke woning is van de meerderheid der soorten, vooral uit China en Japan, door de enorme ontwikkeling van land- en tuinbouw aan de kust der Stille Zee in de haven van S. Francisco vele nieuwe planten vijanden aangebracht worden. Spreker beweerde, dat er veel minder gevaar is voor import uit liet Zuidelijk halfrond, omdat zulk een invoer tevens een groote ver andering van klimaat medebrengt,hetgeen een natuurlijken slagboom vormt voor de nederzetting van insecten uit die streken. Onder de verschillende wegen waarlangs de insecten ingevoerd kunnen worden belmoren voornamelijk de stooinschepen, hoe snel ler deze den weg over zee afleggen, hoe grooter het gevaar wordt voor de importatie van schadelijke soorten. Planters Monlhly IS9B, blz, 'iö. Diverse mededeelingen 517 Flenri F. Oxnard, directeur van drie der grootste biHsuiker labrieken in do Vereenigde Staten van Noonl-Amerika. waarvan I in Californië en '2 in Nebraska gelegen zijn, deelt in het New-Ybrker Handelsblad zijn inrichten, me ie over den invloed, welke de even tueele annexatie van Hawaii door de Ver, Staten, op dd Amori kaansche beetwortelsuikerindustrie zal uitoefenen. Men schijnt algemeen van meening te zijn, dat de beetwortel suikerindustrie door deze annexatie niets te duchten heeft. Int stemt echter volstrekt niet met de werkelijkheid overeen. Volgens de opgaven van het departement van landbouw bedraagt dé kost prijs van een pond beetwortelsuiker inde Ver.Stalen 4 ets. (f \'<\.hl per pikol). Nu is liet een bekend feit, dat de planters op Hawaii mei be hülp van gecóht'racteerdén arbeid de suiker voor 1 '/, — 1 :; 4 ets. per pond produceerehi De vracht van fïonolulu naai' Nebraska, of naai' een der daartussch'en gelegen streken, kan hoogstens 3 i ets. per pond bedragen. Rekent mpn daarbij '/a ets. per pond voor raffi nage-kosten, dan volgt hieruit, dat de geraffineerde Hawaii-suiker voor .'! ets. per pond te Omoha (hoofdstad van Nebraska) geleverd kan worden. De fabrieken waarvan de Heer Oxnard directeur is, kunnen tot nog toe de suiker niet beneden 4 ets. per pond produ eeeren. Hieruit zou blijken, dat de Hawaii-suiker in staat is het Amerjkaansche product in Amerika te verdringen. Dat deze concurrentie zich tot nu toe nog niet heeft doen ge voelen, is daardoor te verklaren, dat thans in Amerika nog zoo weinig beetwortelsuiker geproduceerd wordt, dat het voor de Hawaii suikërproducentéri niet loonend zoude zijn, den prijs van hun product zoo veel te verlagen, dat het met de Amerikaansche suiker zou kunnen concurreeren. Daar de beetwortelsuikerindustrie thans nog in opkomst is en het doel tracht te bereiken, het binnenlandsche süikerverbruïk door eigen productie te dekken, zoo is het gemakkelijk te begrijpen, welk gevaar die Amerikaansche industrie van de zijde van Hawaii be dreigt. Kene andere reden waarom de Hawaii-suiker nog niet tegen de Amerikaansche bietsuiker concurreerde, ligt daarin, dat tusscheii de planters van de Sandwichs eilanden en de Sugar Trust een contract bestond, waarbij de laatste tot een betrekkelijk hoogen prijs eige nares werd van den geheelen llawaii-oogst. Sedert het begin van dit jaar is deze toestand echter veranderd: de planters hebben het Diverse mededeellngeti 518 contract niet vernieuwd en zoeken thans pen markt vuur hun product, hoofdzakelijk in de westelijk van Viissouri gelegen landstreek. Onder zulke omstandigheden zien degenen, die met. de ameri kaansche beetwortelsuikerindustrie in betrekking staan, de annexa tie van llawaii met bezorgheid te ge moet. Wiener Woehensckrift *898, hlz. 77. Door den heer Edwin Tate, voorzitter van de vereeniging van Engelsche raffinadeuren werd aan den lieer Chamberlain den 8 December 1897 een memorie overhandigd, waaraan het navolgende ontleend is. De hoeveelheid suiker, welke in de uoetwortel.su ikorprodu ceerde landen van Europa gedurende de laatste driejaren per acre (0,405 11. A.) geproduceerd werd. bedraagt voor: Duitschland 1,71 ton Oostenrijk 1,09 » Frankrijk 1,24 » Rusland 0,80 » België 1,55 » Nederland 1,29 » De gemiddelde suikerproductie van deze 0 landen is 1,20 ton per acre *) (3,11 ton per H.A.). De hoeveelheid suiker die Britsch-Guyana en Trinidad daaren tegen produceeren, bedraagt, berekend volgens de resultaten van ondernemingen in Br. Guyana, die 13000 ton, en op Trinidad. die 9000 ton suiker per jaar opbrengen, voor Br. Guyana 1,82 ton en voor Trinidal 1,51 ton suiker per acre. (4,5 en 3,8 ton per 11. A.). De centraal fabrieken op St. Lucia produceeren 1,75 ton per acre. Op Barbados bedroeg volgens de opgave aan de W. I. Royal Commissipn gedaan de suikerproductie 1,89 ton per acre. Dit maakt voor de vier koloniën een gemiddelde opbrengst van 1.75 ton suiker per acre. Hieruit blijkt, dat van eenzelfde opper vlakte de suikeropbrengst uit het riet grooter is dan die uit de beetwortelen. Ook wat de labrikatiekosten aangaat heeft de riet suiker op de beetsuiker voor. in het rapport van de W. I. R. C. komt een uitvoerige be rekening voor van de productiekosten van een der grootste Düit- *). Uit cijfer is waarschijnlijk niet juist, liui is het gemiddelde' dei 6 bovenstaande «ijiers, terwijl innr hef goode gemiddelde de beplante oppervlakte in aanmerking moet worden geno men. (Ked.) Dirurae mededeel! ngen 519 sche suikerfabrieken, waaruit blijkt, dat een ton suiker, zonder de premie, f 120 kost. De gemiddelde onkosten moeten voor geheel Europa echter belangrijk hooger zijn, daar, terwijl Duitschland 1,71 ton suiker per acre produceert, het gemiddelde van de andere 5 landen slechts 1,06 ton per acre bedraagt, betgeen een verschil maakt van 38% ten nadeele van de laatste, zoodat ook de onkosten in deze 5 lan den meer zullen bedragen dan in Duitschland. In hetzelfde verslag wordt de kostprijs in Br. Guyana en op Trinidad als volgt opgegeven. De fabrieken van de Colonial Company 1 in Br. Guyana /' 107/0 p. ton. 2op Trinidad » 111,00 » » De fabrieken van de H.H. Sanmiach. Tinne & Co. 1 in Br. Guyana » 100,10 » » 2 id. » 00,30 » » 3 id. » 115,50 » » Hierbij kan nog gevoegd worden, dat de kostprijs in de cen traal fabrieken op St. Lucia f 105 per ton bedraagt. Het gemiddelde van deze cijfers is f 106, — per ton, tegen f 120 in Duitschland on nog meer in de andere bietverbouwende landen. Dit bewijst, dat bij vrije concurrentie op gelijke voorwaarden, de West-Indische koloniën niet alleen in staat zijn, zich tegenover de bietsuikerlanden staande te houden, doch ook dat zij voordeden bezitten, die hun gedijen en vooruitgang waarborgen, wanneer zij van de vernietigende concurrentie der uitvoerprcniiën bevrijd zijn. Sugar cane, 1898, blz. 19. Aan het jaarlijkèeh rapport van Prof. Maxwell, directeur van het proefstation op Hawaii, wordt het volgende ontleend. Voor de extractie van het sap uit het riet, blijft de negen-cy lindermolen-installatie, zooals deze op de Ewa-plantage is inge richt, nog steeds de meest volmaakte inrichting en fabrieken welke verbetering in hunne moleninrichting willen invoeren, nemen dan ook algemeen deze constructie aan. Eveneens werden goede resultaten verkregen, door toepassing van twee drie-cylindermo lens, waaraan dan een tïetshijmachine of een rietsplijter, sy>teem Kka.ikwski, kan toegevoegd worden. Door deze verbeteringen aan te brengen, is de werkkracht van menige fabriek aanzienlijk tfèfho'Ögcl 520 Direrse mededeellngen. en de wijze van werken veel verbeterd door in gebruikneming van rietsnijmachines, Krajewski-crnshers of wel bijzondere twee- en ili-ie-rvlindermolens met hydraulische regeling van den druk, zoodat nu bij een ruime toepassing der imbibitie, het rendement uit het riet verkregen zeer goed geacht wordt. Het gebruik van het verdunde sap van den 3 en molen voor de imbibitie van de ampas van den l en molen werd met zeer veel succes op de Onemea-en Kohala-plantage toegepast; het protfédé is echter niet nieuw, daar het reeds voor zeven jaar door Taron op de Fakala-plantage werd toegepast, ook op de Pauchau-plantage nam men er een proef mede, doch met ongunstig gevolg, daar de fijne ampasdeoltjes, die door liet verdunde sap meegevoerd werden spoedig de pijpen verstopten, op de Kohala-plantage wordt echter geen sproeipijp gebruikt, maar pompt men het sap in een bak, die boven de ampas, zoodra deze den l cn molen verlaat, geplaatst is; deze bak staat een weinig schuin, en hierdoor stroomt het sap vrij gelijkmatig op de ampas. liet Deining systeem voor de klaring van het ruwe sap onder druk vindt meer en meer toepassing, waardoor blijkt, dat de voor deelen die er van verwacht werden, ook werkelijk verkregen wor den. Op de Onamea-plantagc, waar het procédé gedurende de ge heele campagne in werking was, is men er zeer over tevreden, het is goedkoopcr, omdat het minder arbeid en stoom dan de ge wone werkwijze vereischt, daarenboven zijn de sappen van hooger reinheid, zoodat de verkregen suiker van hooger polarisatie en beter uiterlijk dan volgens de gewone wijze van werken is, ook is deze werkwijze veel zuidelijker dan in open klaarpannen. &an de vcrdampingstoestellen werden in het verstreken jaar geen veranderingen aangebracht, daar alle fabrieken van voldoen de groote apparaten voorzien zijn. Om verlies van sap door mee voering met den damp te voorkomen, werd op een plantage een sapvanger geplaatst en hiermede het gewenschtc succes verkregen; doch men is van meening, dat door voldoende wijdte der damp buizen eveneens een meevoeren van sapdeeltjes voorkomen kan worden. Met betrekking tot vacuümapparatcn gaat men er steeds meer toe over deze van zoo groot mogelijke afmetingen te nemen, daar hierdoor niet alleen een beter benutten van den stoom, maar ook een sterker indikken van de masse-cuite bereikt wordt. Op een fabriek werd een zeer groote bak voor het kristalli- Dirórse mededeelingen 521 seeren flo.r masse-cuite van laatste product in gebruik genomen; <lo kristallen, die in dezen bak uit de masse-cuite verkregen wer den waren veel kleiner en liet rendement was veel geringer dan bij de andere installatie met kleine bakken. Dit wordt echter hieraan toegeschreven, dat door het pompen van de masse-cuite uit, de pan in den grooten bak, welks bovenrand hooger is dan de opening van de pan, reeds een begin van kristallisatie wordt ver oorzaak 1 . Op de Pauchaü-plantage, waai' men in den aanvang der cam pagne voortdurend gebrek aan voldoende water beeft voor ketel voeding en condensatie, moet het/elfde water dikwijls verscheidene malen gebruikt worden, waarvoor liet telkens ter afkoeling opge pompt moet worden. Daar dit weder veel stoom vereischt, heeft men vooral in den aanvang der campagne, wanneer het riet nog niet volkomen rijp en ook het sap vrij dun is, moeite om met enkel ampas voldoende stoom te ontwikkelen. Hierin nu is door installatie van water pijpketels verbetering aangebracht, deze ketels werken zooveel beter, dat nu zonder bezwaren voldoende stoom voor alle werk zaamheden ontwikkeld kan worden. In zulke gevallen, waar het condensatiewater der verdamp apparaten, altijd weder naar de ketels gevoerd wordt, geraakt hier door veel olie en vet in de stoomketels, waardoor onregelmatigheden in de stoomontwikkeling kunnen voorkomen. Dit bezwaar kan echter geheel en al uit den weg geruimd worden door het water, voordat het in den ketel gevoerd wordt, door dicht vilt te filtreeren. In het bij/mider werd echter in liet afgeloopen jaar de aandacht geschonken aan het transport van het riet van de tuinen naar de fabriek. Vooral in bergachtige streken gaat dit nog met veel moei te en kosten gepaard. In het afgeloopen jaar werd voor verscheidene plantages een inrichting gemaakt, waardoor een geladen wagen, die de helling afgaat, eenige ledige wagens omhoog trekt, hierdoor werd zeer veel aan arbeidskracht gespaard, terwijl ook de wijze van verbin ding der transportwagens met behulpvan staaldraadtouw zeer goed voldeed; op deze wijze kan nog een helling van 900 voet op 70U0 voet benut worden. In andere opzichten, zooals de inrichting van centrifuges enz., kwamen in het afgeloopen jaar geen verbeteringen van belang voor. Indische Mercuur 1898, blz. 155. 522 ftlrerae meclpdeelingen MAjANDKI.UKSCH OVERZICHT VAN DE RSGENWA ARNKMIXf.KN VAX TIF.T Ai.gk.mkkn Syxdicaat van Suikerfabrikanten oi> Java. Maart 1898. STATISTIEK, OOGST-EN MARKTBERICHTEN, ENZ- liet suikerverbruik in de Vereenigde Staten van Noord-Anierika bedroeg in de jaren: ISU7 2,090203 ton 1888 1.4r>720i ton 1890 1,900080 » 1887 1.392U00 » 1895 1,949744 » 1880 1,395809 » 1894 '2,012714 » 1885 1.254110 » 1893 i'Jöb3B6-2 » IBrt4 ...... . 1,2523(50 » 1592 1,853370 » 1883 1,170375 » 1891 1,872400 » 1882 1,0012-20 » tÖÖO 1,522731 » 1881 993532 » 1889 1,439701 » Deutsche Zuckerindustrie lbVB, blz, Üó>'. I)iviT3B inedßilri'lingi'n 523 Totaal Java-Sutkerafsciiepingen van 1 Juli 1897 tot 31 Januari 1898, naar alle havens (tonnen van 1000 k. g.) ') Voor zooverre de eindbestemming tot op lieden is kunnen worden nagegaan ') Junuariopgave nog niet ontvangen. Totau, Java-Suirerafschepingen van 1 Juli 1897 tot2B Februari 1898, naar alle havens (tonnen vax 1000 k . g.) ). Voor zooverre de eindbestemming tot op heden is kunnen worden nagegaan. ) Febniariopgave nog niet ontvangen. Statistiek, oogst- en marktberichten, enz 524 Overzicht van den Rietsuireruitvoer en de Bietsuiker l'RODUCTlK VAN JüLI l/SL JANUARI 18ÖS. Statistiek, togst- en marktberichten, enz 525 De suikerproductie der Kawlwiclis eilanden bedroeg vim 1 October 1806 tot 30 September 1*807: Eilanden. Fabrieken in werking Productie in lon llawaii 25 113157 Ma ui 9 36649 Oahu 7 25829 Kauai 15 48584 56 224219 Deutsche Zuckerinduslrie fB9B, blz. :'AK Europa, 29 April. Duitsthla'nd . Gedurende de Voorgaande 1 week was èenige verbetering in de Weersgesteldheid waar te nemen, die eöhter spoedig weer door regen en kunde gevolgd werd. Al was de hoeveelheid gevallen regen niet zeer belangrijk, /on valt er toch weinig vooruitgang in de veldworkzaamhedeü waar te nemen. Omtrent de uitgestrektheid van den bietaanplant van dit jaar zijn nog geen juiste opgaven voorhanden'. Men vermoedt, dat ongeveer evenveel als verleden jaar zal aangeplant worden, hoewel verschillende kleine landbouwers; door de hoon,, graanprijzen ver lokt, geen bieten willen uitzaaien. Ooslunrijl: . üe weersgesteldheid is hier vrij wed aan die in Duitschland gelijk. De heerschende koude werkt zeer nadeelig op het opkomen van de jonge bieten. Hier en daar verneemt men klachten over het vele onkruid en beschadiging door muizen. Al gemeen verlangt- men naar droog en warm weer. In Frankrijk is men. tevreden; bijna alle veldarbeid is afgeloopen, Ihtülaml. Het weer was gedurende de laatste dagen iets war mer; met het uitzaaien werd ecu begin gemaakt. NeiltTlawl en België hadden drong doch koud weer: het biet zaaien is in vollen gang. De Internationale suikerconverentie werd te Brussel op 7 Juni vastgesteld. Koloniën. Cuba. Door den oorlog is het uitvoeren van suiker thans onmogelijk geworden. Tot en met 31 Maart werden afgele verd 232032 ton. De stand van het riet in Luuisiana wordt bevredigend genoemd. hoewel op sommige plekken het riet zeer schraal is. Trinidad had vochtig onbestendig weer, de campagne werd hierdoor echter niet gestoord. 526 Statistiek, oogst- en marktberichten, enz Op Barbados vielen eenige Regenbuien, waardoor bet oogsten van het riet vertraging ondervond. Ook in Demeraru vielen zware regens en verlangt men erg naar droogte. Van de Phüippijnsche eilanden werd t/m 9 Maart afgevoerd 27253 ton suiker tegen 20088 ton verleden jaar. Op Mauritius heerstint voor het riet een uitstekende weers gesteldheid . Soerabaia 28 Mei. Na ons laatste bericht Jiepen prijzen weder gaandeweg hooger en nadat belangrijke hoeveelheden tot f 6 3 /'< en t' O 7 s waren afgedaan, werd ten slotte f 7, — voor 11/14 betaald, waartoe in den Oosthoek ongeveer 500000 pikols werden afgedaan. 15/17 volgde de beweging niet, aangezien China dit jaar bijna niet koopt en in verband daarmede voor z. g. witte suiker slechts zeer weinig vraag bestaat, f 7'/ 4 voor Soerabaja a f 7',8 voor kustlevering zijn de hoogst bedingbare prijzen. Voor een belangrijke partij prima broksuiker is 1' 10, — betaald. Seeonds bleven f 6 8 / 4 bedingen. Wat er is, is thans nagenoeg opgeruimd. Zaksuiker (oude) naar gelang van kwaliteit f 3, — f 3'js. Suikerverkoopen, oogst 1898 t/m 17 Mei 1898, voor zoover die bekend zijn geworden. 2,666000 pikol totaal vorige lijst. 10000 » Gajam / 7 No. 11-11 10000 » Sindanglaut 6s/4 » » 2500 » Kalitandjong » » 12 en hooger 12000 » Banjoepoetih 8'/ 4 superieur 2000 » Wonopringo 7 5 / 8 » 15 10000 » Rendeng 6 3 /* » 12 en hooger 10000 » Kaliwoengue (Serng.) » i » 10000 » Rewoeloc » » » 10000 » Soedhono » n » 5000 » Karanganoem » » » 5000 » Prambonan » » » 10000 » Kalibagor » » » Transp. 2,762500 pikol Statistiek, marktberichten, enz 527 Transport 2,762500 pikol 12500 b Barongan 6»/< No. 12 en hooger 5000 » Kedaton Pleret » » » 2500 » Sedajoe » j> » 25000 » Sroenie rest » » 11 —14 10000 » Majong » » * 10000 » Sewue galoer 7 Av. 15 10000 » Poerwokerto 6 3 / 4 »12 en hooger 15000 » Kendalsche fabr. 7 1 / 8 » 15 » » 10J00 » Waroe t> i * 10030 » Kendalsche fabr. » » » 10000 » Kalibagor 6 5 /a » 12 en hooger 10000 » Poerwokerto » » » 40000 » Kwarassan rest 6 3 /.( » 11 —I i 35000 a Miogiran » » » » 25000 » Keutjong » » o » 10000 » Soemol)ito » » » 7500 » Plosso » jd » 10000 » Sindanglaut » » » 10000 » Sragic » s » 10000 » Pangka » • » 10000 » Majong » » » 20000 » Pradjekan rest » » » 5000 » Tanggarang » » » 25000 » id. rest 7 » 15 —17 15000 » Gending 0 3 , 4 » 11 —14 5000 » Maron » » » 10000 » id. 7 » 15 -17 15000 » Kanigoro 0 3 /4 » 11—14 15000 » Seloredjo » » » 15000 B Randoegoenting » i » 10000 » Wonosarie » » » 5000 » Gondanglipoero » » » 5000 » id 7 » 15 — 17 5000 » Loewoenggadja 6 3 /4 » 11 —14 5000 » Djatipiring » » » Totaal 3,205000 pikol. 528 Statistiek, oogst» pd marktberichten, enz Kiot, drie weken na het planten. Stikstof- Stikstof- Totaal Aantal (Ie- Lucht- gehalte gehalte stikstof planten, wicht, droog. droge versche per stof. stol. plant. Onbemest Stengels 36 1448 G. 238,3 G. 1,296% 0,2133 % 85,8 m.G » Wortels 36 447 » 54,2 » 0,807 » 0,0970 » 12,1 » » Bibit 36 5777 » 776,4 » 0,285 » 0,0383 » 61 5 » Heinest Stengels 36 14*5 » 257,8 » 1,761 » 0,3057 • 120,1 » » Wortels 36 364 > 40,8 » 1,202 » 0,1347 » 13,6 » » Bibit 36 5578 » 748,4 » 0,555 » 0,0690 » 115,4 » i)e totale hoeveelheid stikstof in de onbemeste planten was dus 159,4 m.G., waarvan er aanvankelijk l'Jl in de bibit aanwezig waren. Er was <lus 38,4 m.G. uit den bodem opgenomen, terwijl nagenoeg de helft van de stikstof der bibit nog bovendien in sten gels en wortels was overgegaan. De bemeste planten daarentegen bevatten per plant '255.1 m.G. stikstof. Er was dus 134,1 m.G. uit den bodem opgenomen of 05,7 m.G. meer dan bij onbemest en nagenoeg 10 % van de stikstof in mest gegeven. Eigenaardig is het. dat bet stikstofgehalte der bibit hier bijna niet veranderd is. Uit de weging blijkt, dat de onbemeste planten ruim 30% meer wortels (droog gewicht) gevormd hadden, dan de bemeste, juist alsof deze laatste een minder uitgebreid wortelnet noodig hebben, wanneer ze de stikstof zoo gemakkelijk kunnen bekomen. Riet, vijf weken na liet planten. Stikstof- Stikstof- Totaal Aantal Ge- Lucht- gehalte gehalte stikstof planten, wicht. droog. droge versche per stol. stof. plant. Onbemest Stengels 24 1386 G. 260,2 G. 1,091 % 0,2048 % 118,3 m.G. » Wortels 24 603 » 108,3 » 0,075 » 0,1035 » 30,4 » » Bibit 24 3130 » 474,8 » 0,254 » 0,0385 » 50,3 » Voorbemest Stengels 24 1687 » 351,3 » 1,506 » 0,3135 » 220,4 > » Wortels 24 508 » 03,5 » 0,912 » 0,1383 » 35,5 i » Bibit 24 2945 > 440,0 » 0,450 » 0,0697 » 85,3 • Nabemest Stengels 24 1591 » 330,5 » 1,551 » 03221 » 213,0 » » Wortels 24 634 » 103,8 » 0,9885» 0,1610 » 41,7 » » Bibit 24 3005 » 475,i » 0,415 » 0,0651 » 82,3 » 530 J. D. Kobus. Is voorbemestiag aanbevelenswaardig Men ziet dus ook hier, dat het wortelgewicht der onbemeste planten nog aanmerkelijk grooter is dan dat der voorbemeste en wel ± 16% luchtdroge massa. Daarentegen zijn de stengels der voorbemeste planten nu vrij wat zwaarder en wegen ongeveer 35% meer dan die der onbemeste. De nabemeste planten, waar de stikstof nu 19 dagen gewerkt heeft, staan tusschen de beide andere groepen in, maar naderen in stengelgewicht meer de voorbemeste, in wortelgewicht de niet bemeste planten. De onbemeste planten bevatten in het geheel 199 m.G. stik stof, de voorbemeste 341,2 m.G., de nabemeste 337,6. Kerstgenoemden hebben dus 78 m.G. stikstof uit den bodem opgenomen, de beide anderen respectieve 220,2 en 216,4 m.G., terwijl ook nu nog het stikstofgehalte van de bibit lij de onbe meste planten aanzienlijk lager is. Van de 980 m.G. stikstof uit den mest is derhalve in 5 weken door de voorbemeste planten 14,5%, door de nabemeste 14,1% opgenomen, dus ongeveer evenveel, zoodat het schijnt, dat het grootere wortelnet der nabemeste planten zich de mest beter ten nutte weet te maken. Veertien dagen later werden de planten weer onderzocht. Riet, 7 weken na het planten Stikstof- Stikstof- Totaal Aantal Ge- Lucht- gehalte gehalte stikstof planten, wicht, droog. droge versche per slof. stof. plant. Onbemest Stengels 9 730 G. 161,5 G. 0,9345% 0,2006% 167,2 mG. » Wortels 9 iOB » 73,1 » 0,661 » 0,1185 » 53,7 > » Bibit 9 1091 » 181,0 » 0,237 » 0,0i53 » 47,7 » Voorbemest Stengels 9 901 » 209,5 » 1,137 » 0,2642 » 264,8 » » Wortels 9 318 » 68,1 » 0,843 » 0,1806 » 63,8 » s Bibit 9 1151 » 196,4 » 0,360 » 0,0615 » 78,4 » Nabemest Stengels 9 1007 » 233,2 » 1,2775 » 0,2958 » 331,0 » » Wortels 9 449 » 78,2 » 0,881 » 0,1535 » 76,6 » » Bibit 9 1079 » 192,0 » 0,330 » 0,0587 » 70,4 » Hoewel het verschil minder is dan de beide eerste keeren, is ook hier het wortelgewicht der voorbemeste planten nog kleiner dan bij de onbeineste en wel ongeveer 8% op droge stof berekend. Hei wortelgewicht der nabemeste planten is daarentegen ongeveer evenveel grooter. J. U. Kubus. Is voorbomesting aanbevelenswaardig 531 In de onbemeste planten is nu 268,(3 m.G. stikstof aanwezig, in de voorbemeste 407, in de nabemeste 478 m. G. De stikstofopname uit den bodem is dus 147,6, resp. '286 en 357 m.G. of bij de be meste planten ongeveer in verhouding der wortelgewichten (droge stof). In procenten van de toegevoerde niesUtikstof is dus de meer dere opname bij voorbemeste planten 14,1%, bij de nabemeste '21 4%. Tot nu toe had het sedert het planten nagenoeg niet ge regend, namelijk slechts 67 m.M. in 14 buien. Tusschen de oogsten van 25 April en 9 Mei viel echter 115 m.M. in 7 buien. Bletj 9 weken na het planten. Stikstof- Stikstof- Totaal Aantal Ge- Lucht- gehalte gehalte stikstof planten. wicht, droog. droge versehe per stof. stof. plant. Onbemest Stengels 9 1423 G. 284,0 G. 0,901 % 0,180 % 28t,3 m.G » Wortels 9 749 » '121,8 i (',575 » 0,094 » 77,9 » » Bibit 9 1016 » 187,5 » 0,20(5 » 0,038 » 42,9 » Voor bemest Stengels 9 20 iO » 394,2 » 1,201 » 0,231 » 526,0 » 3 Wortels 9 845 » 123,3 » 0,781 » 0.114 s 107,0 » i Bibit 9 947 » 155,5 » 0,332 s 0,056 » 58,5 i Nabcmest Stengels 9 2024 » 381,7 » 1,181 » 0,2-23 > 500,9 » » Wortels 9 020 » 122,2 » 0,774 » 0,102 t 409,1 t » Bibit 9 1050 » 187,1 » 0,287 > 0,051 » 59,7 » Het gewicht der luchtdroge wortels is nu bij de drie groepen gelijk; het bij eiken volgenden oogst steeds kleiner wordende ver schil tusschen het wortelgewicht der onbemeste en voorbemeste planten is geheel verdwenen; opvallend is echter, dat dit alleen het geval is bij het droge materiaal. De versehe wortels der bemeste planten wegen nu aanzienlijk meer dan bij de onbemeste, hetgeen vermoedelijk aan eene sterkere ontwikkeling van jonge, waterrijke wortels moet toegeschreven worden. Het aanvankelijke voordeel der sterkere wortelontwikkeling bij de onbemeste planten is dus nu geheel verdwenen; wanneer niet voorbemest is, moet eventucele nabemesting derhalve voor dit tijdstip gegeven worden. De onbemeste planten bevatten nu 405,1 m. G. stikstof, de voorbemeste 691,5, de nabemeste 669,7 m. G. Uit den bodem opgenomen is dus 284,1, resp. 570,5 en 547,8 m. G. Ook hier is dus bij de bemeste planten de stikstofopname 532 .T. D. Kobus. !■* voorbemesting aanbevelenswaardig nage s» evenredig mei de wortelontwikkeling, terwijl ze over de ver schillende perioden bij de onbemeste planten eveneens vrij wel even redig is met het wortelgewicht. De stikstofopname bij deze groep, die van de 3 de tot de 9 de weck in de drie onderzochte stadiën 40, 70 en 130 m. G.per plant bedraagt, correspondeert met een gemiddeld wor telgewicht in die perioden van 41, 74 en 128 gram per plant. De voorbemeste planton bebben dus in iYA dagen 29,2 %, de nabemeste in 47 dagen 27 % der meststikstof tot organische stol' verwerkt. Onder omstandigheden als bij deze proei' medewerkten, kan dus van een voordeeliger werking der voorbemesting boven de nabcmesting niet gesproken worden; wel was ten slotte de opge nomen hoeveelheid stikstof iets grooter, maar daar tegenover slaat, dal de nabemeste planten klaarblijkelijk een grootev wortelnet bezitten. Haar deze proef alleen diende ter aanvulling van eene andere, was er geen materiaal meer over om het onderzoek vuurt te zetten en te zien aan welke zijde het voordeel ten slotte zoude blijven. Toch blijkt, m. i. hieruit reeds voldoende, dat waar aan voor bemesting eenige bezwaren verbonden zijn, b. v. eene sterkere ontwikkeling van onkruid, gevaar voor uitwasschen van den mest. ontleding van mest in den grond enz., men beter doet tot nabe mesting over te gaan; REFERATEN Prof. Dr. Julius Kuiin. Vebsuche über diePHOSPiroasaOBEWtR KUNG DES KNOCHENMEHLES. Berichte aus dem physiologischen Laboratorium der Univer siteit Halle. Over de werking van het phosphorzuur in beenderenmeel zijn in den laatsten tijd onderzoekingsresultaten gepubliceerd, welke in flagranten strijd zijn, met de ervaring, die door practische land bouwers is opgedaan, gedurende meer dan een halve eeuw. Hierin, en in de omstandigheid, dat de schrijver zelf reeds ge durende een 40tal jaren de beenderenmeelbemesting heeft aanbe volen, vond hij aanleiding, om onderzoekingen op touw te zetten ,T. I). Kobu-t. Is vonrliemrsting' aanbevelenswaardig 533 met het doel, zoo mogelijk die tegenspraak uit don weg te ruimen, dooi' bet nomen van exacte proeven. Hij betwijfelt niet de juistheid van de resultaten der gedane proefnemingen, waarbij in één geval door liet beenderenmeelphos phorzuur slechts ' ( n> dor uitwerking werd verkregen welke super phosphaat-phosphorzuur gaf, terwijl oen ander onderzoeker zelfs zoo'n geringe oogsttoename vond, dat volgens hem het beenderen meel in 't geheel niet werkte. Niettegenstaande deze ongunstige resultaten, bij proefnemingen verkregen, vin it het beenderenmeel eene uitgebreide toepassing in de praktijk, groote sommen worden door de landbouwers telken jare voor deze meststof uitgegeven, en het zon toch wel zonderling zijn, als zij zicli jaar op jaar deze groote uitgaven getroostten, in dien zij er geen in't oog loopende gunstige resultaten mee hadden verkregen. Een feit is het echter, dat het phosphorzuur in het beenderen meel aanwezig is in den o ilijk oplosbaren vorm van driebasisch phosphaat, en hieruit is voor een goed deel hot geringe resultaat bij genoemde proeven vorkregen, te verklaren. Het is bekend, dat de stofopnamo uit den bodem bij de hoogere planten geschiedt door de haarwortels, die zich innig mot de bo demdeeltjes vereenigen, er a. h. w. mee vergroeien. Deze haar wortels ademen koolzuur uit dat oplossend werkt en scheiden een zuur ai*, dat ontledend inwerkt op de harde deeltjes, en daardoor ook de moeilijk oplosbare bestanddcelen van de meststoffen kan oplossen. Hoe langer nu de groeitijd van de plant is, des te intensiever is deze inwerking, des te grooter zal dus ook het effect zijn van moeilijk oplosbare meststoffen, zooals het in beenderenmeel voor komende phosphorzuur; vandaar dat een ervaren landbouwer lui beenderenmeel ook alleen zal toepassen bij de planten met lange groeiperiode zooals bijv. winterhalmvruchten en overblijvende klaver. Wordt soms ook zomerhaver met beenderenmeel bemest, dan is het doel dezer bemesting niet de haver zelf, maar do daar onder gezaaide overblijvende klaver. Als tweede oorzaak eener geringe uitwerking van liet beende renmeel, is aan te merken het oplossend vermogen, dat bij ver schillende plantensoorten in zeer verschillende mate is ontwik keld. Ken sterk oplossend vermogen gaat in den regel gepaard aan Referaten 534 eene krachtige wortelvorming (bijv. bij rogge), maar vindt waar schijnlijk ook dikwijls zijn grond in eene grootere energie bij de stofopname en in eene rijkelijker zuurafscheiding door de wortel haren. Nadere onderzoekingen hieromtrent zijn echter nog taeA gedaan. Voor het onderzoek werden planten genomen met lange groei periode en groot oplossend vermogen; aangezien het voor winter- ge— met zijn hij /.onder uitgebreid wortel stelsel — te laat was, werd vroeg gezaaide zomerrogge aangewend. Voor elke proef werden 3 parallelpotten genomen; het gemiddelde hiervan word alsopbrengst gerekend. Zooveel mogelijk werd de methode van Wagneb gevolgd, even wel waren eenige veranderingen noodzakelijk. Zoo werden in plaats van ronde, vierkante zinken potten genomen, lang en breed StO c.M. (oppervlakte dus 400 c.M 2 .). hoog 25 c.M. Hierdoor kan men de planten beter gelijkelijk over de opper vlakte van i\cn pot verdeden. Op elke c.M 2 . werden -2 kiemende zuden gepoot, terwijl later de overtollige plantjes tijdig werden verwijderd. Een later onderzoek naar de ontwikkeling der wortels bewees dan ook, dat hierin geen merkbaar verschil was bij de binnenste en buitenste planten; ook bleek later de opbrengst van elke 3 parallelpotten zeer weinig van elkaar te verschillen (bijv. bij No. 3 slechts 0,8y o , en bij No. 7 niet meer dan 1,1%). wat zeer pleit voor de betrouwbaarheid der proeven. Bijzondere zorg werd besteed aan eene goede ventilatie, en wel op de volgende wijze: Aan de eene zij van den pot werd op een afstand van 7,5 m.M. van den bodem een katoenen lapje van 14 m.M. doorsnede aange bracht; daarop werd een glazen buisje van 9 m.M. diameter ge plaatst, dat tot aan den boven rand van den pot reikte. Op den bodem werd '2 K. G. vochtig fijn grind (diam. > sen < 10 in. M ) gebracht, dal eene laag vormde van 2 c.M. hoogte. Met water werd noot van beneden toegevoegd, en de toevoer van beven steeds zoo geregeld, dat niet meer dan 70 % van de watercapai iteit van den grond was verzadigd; daardoor bleven de ruimten tusschen het grind, die door de ventilatie-inrichting met de buitenlucht in verbinding stonden, steeds met lucht gevuld. Ook scheen het, volgens de ervaring in de praktijk, raadzaam, om het beenderenmeel niet te diep onder te brengen (WaöNER ver mengde het daarentegen met den gehcelen inhoud van zijne potten) Rcfcratnn 535 en werd daarom — 1) '\i ilve bij eone opzettelijk genomen i roef— de mesl s'echts met rle bovenste laag aarde vermengd. Allo potten ontvingen evenveel stikstof en kali, beide natuur lijk in overmaat. De stikstof' werd toegevoegd in den vorm van zwavelzure am moniak (80 K.Ci. ammoniakstikstof per 11. A.); voor de mestwaar de van de stikstof in beenderen meel, vergeleken met die in hel zwavelzure ammoniik, werd in rekening gebracht de waarde, die Wagner daarvoor heeft gevonden. *) Bovendien werd in Juni nog eeno nabemesting met chilisal peter gegeven van 10 K.G. stikstof per 11. A, De kali werd gegeven in den vorm van kaïniet en wel 100 K.G. K-iO per 11. A., terwijl de kalkarmezandgrond nog 1000 K.G, krijtpoeder per 11. A. ontving. liet bij de proeven gebruikte beenderen meel was zoogenaamd ~gedampft" (gestoomd): de fijnheids-graad was nis volgt: deeltjes, kleiner dafi (<) 0,25 m.M. . . . 1-2,08-2% » <0,5 en grooter dan (>) 0,25 m.M. 38,432 » » <1,0 en >0,5 m.M 49,439 » b >1,0 » 0,027 » De eerste proef mislukte daardoor, dat de aarde hiervoor ge nomen, blijkbaar genoeg phnsphorzuur bevatte voor een goeden oogst, daar geen enkele der phosphorzuurbemestingen —ook thomas phosphaat en superphosphaat niet — ecnig resultaat gaf. VYnr het tweede onderzoek wen! z.'cr arme lichte zandgrond genomen, waarvan de mechanische analyse de volgende resul taten gaf: Afslibbare deeltjes (slib) 10,495 % Zinddeeltjes <0,25 m.M 26,666 » » >0,25 » en <0.5 m.M. . 57,423 » » >0,5 » » <1,0 » . 4,912 » » >1,0 » 0,474 » Het microscopisch onderzeek van het slib toonde aan. dat dit voor verreweg 't grootste deel bestond uit kiezel. De watercapaciteit bedroeg 20,16%, terwijl aan phosphorzuur slechts 0,0*07% werd gevonden. *l Volgens Wagxbr komt slechU 60"/,, van 'Ie in beenderenmoel aanwezige stikstof aan de pt*nt ten goede. Referaten 536 Door vergelijking van de opbrengsten bij verschillende bemes ting verkregen, kan men uit deze tabel o. in. de volgende con clusies trekken. 1. Alle phosphorzuurbemestingen hebben een duidelijke ver meerdering van den oogst gegeven ; 't geringst het superphosphaat. Dit resultaat komt overeen met hetgeen de praktijk leert, nl. dat als phosphorzuurbemesting op zandgrond bet superphosphaat niet is aan te raden. 2. Door vergelijking der nummers 3en 6 ziet men, dat met 50 K. G. beenderenmeelphosphorzuur een nog grootere oogst is verkregen, dan met 100 K.G. P 2 0.-> in superphosphaat. Dit is wel een doorslaand btwijs voor de uitstekende werking van het beenderenmeelphosphorzuur, bij toepassing op een daarvoor geschikt gewas en in een voor het beenderenmeel gesohiktcn bc (km. De resultaten van dit onderzoek waren als volgt Referaten. 537 3. Vergelijkt men de nummers 4 met 7, en 5 tnetB, dan blijkt, dat het beenderenmeel bijna even goede resultaten geefl als hel thomasphosphaat. 4. Hij sterkere bemesting dan 10Ü K.G. beenderenmeel werd de opbrengst niet merkbaar meer verhoogd. 5. Door vergelijking van 7 en 10 blijkt, dal het diep onder brengen van het beenderenmeel niet voordeelig is, zelfs niet bij de voor bodemventilatie zeer gunstige inlichting van de proef. 6. Door vergelijking van de totaalopbrengsten en van de meer opbrengsten aan phosphorzuur bij 4 en 7 zien we, dat, terwijl de totaalopbrengst bij 4 grooter is dan bij 7. de hoeveelheid phosphor zuur iu den oogst bij 4 kleiner is dan bij 7. Dit groote verbruik aan phosphorzuur bij geringeren oogst is een luxeconsumptie; zij brengt geen voordeel aan, daar de prijs van den phosphorzuur rijken en -armen oogst dezelfde is. Deze neiging'tot luxeconsumptie bij het thomasphosphaat ziet men nog duidelijker hij de sterkere bemesting (Vergelijk de nummers 5 en 8). Blijkt uit de hiervoren baschreven proeven ten duidelijkste,de gunstige werking van liet beendcrcnnieel voor tarwe op lichten zandgrond: verdere proefnemingen ook op minder lichten zandgrond zijn volgens den schrijver zeer gewenscht. Voor zwaardere gronden is het beendcrcniucel, ook hij over blijvende planten niet aan te bevelen, en neemt men beter het ge makkelijk oplosbare superphosphaat. Nanninga. MKDEDEELINGEN UIT EN VOOR DE PRAKTIJK- BUITEN VERi.\TWOOUI)ELIJKHEII> DER REDACTIE. VERONTREINIGD KOPERSULFAAT Vestigde ik op blz. 19 van dezen jaargang de aandachl ophetin den handel voorkomen van kopervitriool, die voor een groot dee) uit andere sulfaten bestaat, zoo wensen ik daarop nog even terug te komen, daar het mij bleek, dat dit jaar de kwaliteit nog slechter is. Ken als kopervitriool 'i 8 kwaliteit geleverd product had deze samenstelling: Gekristalliseerd kopersulfaat 16,7 % » ferrosulfaat 41,0 » » zinksulfaat 42,3 » Referaten 538 Omdat men ten slotte onder den naam van tweede kwaliteit wel een; 1 stol' zou kunnen verkoopen, die in liet geheel gvon koper vitriool bevat, zoo is het aan te raden uitsluitend zuiver kopersul faat te bestellen en de minderwaardige samenkristallisaties een voudig te weigeren. &agok, 22 Mei 1898. 11. e. Prinsen Geerligs. RESULTATEN VEHKKEUEN MET KIUSTALMSATIE IN BEWEGING. Op de fabriek Serapal wadak werd in de campagne 1897 het ondervolgende resultaat verkregen: Eindstaat <\>.'v gewonnen en verloren suiker. Er werden dus 950 pik. zaksuiker (fabrieksgewicht) verkregen op 46000 pik. 11. S. dat is de zaksuiker op ; /o H. S. gerekend 1,02% zaksuiker op 98,98% muscovado. Tijilons de campagne werden 350 pik. zaksuiker opgesmoltcn. Wanneer de afloop der vulmassa beneden 45 Z. Q. gedaald was, werd ze als ~afgewerkt" tot stroopvulmassa opgekookt. Daar de gemiddelde zuiverheid van het diksap 88,34 bedroeg, representeert dit dus eene daling van minstens 43,34. Van elk kooksel werd de afloop onderzocht, het gemiddelde Z. Q. van de afloopen (hoofdkooksels medegerekend) bedroeg 50,4. De zuiverheid der stroop, welke niet meer in het hoofdkooksel werd getrokken, bedroeg gemiddeld 'rJ,ï. Er werd dus eene daling van 45,90 verkregen. De laagste zuiverheid der afloopstroop bedroeg 38,1 van tjing van 88 zuiverheid, dus eene daling van 49,9 graden. Ifededeeltngen uit en vn«r de praktik 539 De suiker werd afgeleverd in 4 leveringen, drie van Hu ion en ren van 1(000 pikols. De gemiddelde polarisatie bedroeg 96,25. Leveringsgewijze: 96,85, 96,1, 95,74 en 96,3. De hoogste polarisatie bedroeg 98, de laagste 95,3. Moeilijk beden met koopers werden niet ondervonden. De winbare suiker oude formule (2 S —R) = 13,11 bedraagt 44493 pikol. Er weid verkregen 46475 pik. dus 10i,5% hiervan, haar het Z. Q. van gemengd saj> 88,0 bedroeg,had dit volgens de formule van Dr. Wintrr 109,25% moeten zijn. Het totale verlies in de fabriek zou slechts 0,57% op riet en 4,92% op ingevoerde S. bedragen hebben, indien dat bereikt ware. Echter zag ik nog geen balansen met zulke cijfers gepubliceerd. Ik dien hierbij te vermelden, dat door 't herhaaldelijk breken der masse-cuite-pomp minder ver afgewerkt werd, dan anders het geval had kunnen zijn, en er door liet tingen een groot mechanisch ver lies ontstond. Er werden 6 open koeltroggen gebruikt van 80 H. L. inhoud, welke in verschillende opzichten niet geheel aan redelijke eischen voldoen. üe centrifuge-installatie bestond uit 2 Fesca's en 2 Selwig en Lange's. Hoewel een dubbele mantel der koeltroggen zeker gunstig zal werken, zoo zal een vergrooting van 't rendement meer in uit breiding der centrifugecapaciteit, dan in de kocltrog-installatie gezocht moeten worden. Ter vergelijking geef ik de door PaiNSEN Gerrligs geconsta teerde cijfers der verliezen op defecatiefabriekon. (Congres 1898). Mededelingen ui' en voor de praktijk 540 lic hoeveelheid melasse (er werd gedurende de campagne geen afloopstroop weggeworpen!) zal misschien hoog voorkomen aan wie niet op hoofdprodukt alléén werkt. Echter is het duidelijk, dat de melasse, die anders met de zaksuiker medegaat thans achterblijft. Daar melasse hier een zeer gewild paardenvoer is. werd ze ver kocht, en bracht een prijs op die met 350 pik. zaksuiker zou over eenstemmen; dit is niet als gewonnen suiker in rekening ge bracht. Ten aanzien van het voordeel der kristallisatie in beweging diene, dat behalve 't kleinere verlies bij afwerking, 't wegvallen der af werking van stroopvulmassa na den maaltijd, enz. de suiker, die als muscovado gewonnen wordt, nog zooveel beter betaald wordt. Nemen we aan, dat zaksuiker met de helft van muscovado be taald wordt, (nog ougerekend het onderwicht en de kosten der af werking) en zij de pol. respectievelijk 78 en 96 dan zien we, dat 78 deelen suiker in zaksuiker betaald worden als 48 declen in muscovado, zijnde 38. \ % onbetaalde suiker. Ik hoop, dat vele collega's zich door deze cijlers opgewekt mo gen gevoelen ook hunne bevindingen mede te deelen, 't zou een stap nader tot de verwezenlijking eener controle mutuel zijn. Sbmpai. wadak. 17 Juni 1898. I). VAN HIXI.OOPEN LABBERTON. DIVERSE MEÜEDEELINGEN I'lct veelvuldig voorkomen van mond- en klauwzeer 'm Neder land gedurende de laatste jaren, de be- en veroordeeling, zoowel door leeken als deskundigen, der maatregelen van regecringswege tot hare beteugeling toegepast en de groote rol welke zij bij het sluiten van de grenzen voor den uitvoer van vee speelt, geven den heer K. Hoefnagel, aanleiding iets over deze ziekte mede te deelen. Sedert de inwerkingstelling der wet van '20 Juli 1870, Stbl. 131, tot regeling van het veeartsenij kundig staatstoezicht en de veeartse nij kundige politie, zijn tal van besmettelijke veeziekten met uitne mend succes bestreden. Runderpest en longziekten zijn reeds lang 541 Mtrdedeelingen uit en »oor il>' praktijk van liet tooncel verdwenen en de methode van bestrijding dei' laatst genoemde ziekte geldt nog steeds als voorbeeld voor andere Staten van Europa. Kwade droes komt betrekkelijk zelden in Nederland voor, evenzoo miltvuur en schaapspokken. De bestrijding van deze veeziekten is met goei gevolg bekroond geworden, maar ondanks alle voorzorgsmaatregelen breekt het mond- en klauwzeer telken male opnieuw uit, om zich na een korteren of langoren winterslaap in het voorjaar in alle richtingen te verspreiden. Gioote sommen geld werden besteed om de ziekte meester te worden, geheele provinciën werden afgesloten, in enkele gevallen werd het zieke en verdachte vee onmiddellijk afgemaakt, maar alles te vergeefs. Ree Is vóór tal van jaren heerschte zij in Nederlanden ouden van dagen weten ons nog mede te dealen hoe duchtig voorheen de veestapel er door geteisterd werd. Nadat zij reeds lang in naburige rijken gewoed had, brak zij o. a. in 1830 in Nederland uit, zoodat van 1838—1842 bijna alle provinciën werden bezocht. Van 1842 — 1845 kwam zij sporadisch voor en van 1851—1800 scheen zij geheel van het tooneel verdwenen te zijn, totdat in 1801 de provincie Limburg besmet werd. met gevolg dat in 1862 de ziekte bijna over het geheele land verspreid was. üe jaren 1863 en 1564 gaven blanco staten, in 1865 werd uitsluitend de provincie Groningen bezocht en men hoopte nu voor goed van haar verschoond te blijven, totdat geheel onverwachts in 18(59 een ware epizoötie uit brak en van at 1869—1886 telkens nu weer hier dan daar geheele streken werden aangetast. De jaren 1887 en 1889 maken geen melding van nieuwe ziektegevallen, maar in 18!)0 werd nogmaals de provincie Limburg van uit Duitschland of België besmet, in 1891 werd officieel geen enkel geval geconstateerd, en van af 1892 tot op dit oogcublik verliet zij Nederland niet, terwijl als ik mij niet vergis, de ziekte thans nog officieel op 128 boerderijen heerscht. Voorwaar dus een echte lijdensgeschiedenis, zoowel vóór als na do wet van 14 Maart 1880, waarbij het mond- en klauwzeer onder de rij der besmettelijke veeziekten werd opgenomen, üe geschiedenis leert ons reeds, dat de ziekte telken male opnieuw het hoofd opsteekt, na soms langen tijd schijnbaar geweken te zijn. Alvorens de middelen, welke tot hare bestrijding reeds zijn toegepast of nog toegepast kunnen worden, nader te behandelen, wil ik allereerst een oogenblik spreken over den aard en de ver schijnselen van het mond- en klauwzeer. Diverse mededeo tingen 542 Hoofdzakelijk worden runderen, schapen, varkens en geiten do i!' deze ziekte aangetast. Vrij zelden worden paarden, honden en killen er mede behebt, hoewel goed geconstateerde gevallen bij deze diersoorten beschreven zijn. Zelf was ik nooit in de gelegenheid een aan mond-en klauwzeer lijdend paard te zien, maar het „Berliner Thierartzliche Wochen schrifi" deelde verleden jaar een geval mede. waar gelijktijdig in denzelfden stal de runderen en één paard ziek werden met duide lijke blaren in de mondholte. Vogels zijn evenmin onvatbaar; in Nederland werd het een maal duidelijk door een plaatsvervangend disti icts-veearts bij een koppel eenden geconstateerd. Eveneens zijn hazen, herten en reeën somtijds aan mond- en klauwzeer lijdende, terwijl de mensen zelf in tij len van hevige epizoötieën veelvuldig geïnfecteerd wordt, vooral na hel drinken van ongekookte of niet voldoend gekookte melk. Wat nu de allereerste ziekteverschijnselen bij het rund bel reit, zno kan iemand die goed waarneemt, vooral in de weide reeds dikwijls op verren afstand de ziekte onderkennen. De dieren staan meestal mst h togen rug en ingevallen flanken, grazen moeilijk of in 't geheel met. Uit den mond vloeien nu en dan lange draden slijm en van lijd tot tij 1 hoort men e n eigenaardig smakkend geluid, reeds van verre hoorbaar; jaagt men de dieren op, zoo is de gang, vooral aan «Ie achterbeenfin, stijf en gespannen. In dit l e stadium is de lichaamstemperatuur meestal verhoogd, ongeveer tot 40° ('. gestegen en zijn de horens koud op het gevoel. Het slijmvlies der mondholte is hoogrood van kleur en hiel en daar ziet men reeds l 2 a 'A dagen na het uitbreken der ziekte duidelijk blaren, welke vooral aan den tandeloozen rand der boven kaak ontstaan, evenzoo aan de punt van de tong en aan de achtervlakte van de tong nabij de strotklep. Met weinig moeite gelukt het deze blaren te doen barsten. waarbij zich een licht gele vloeistof' ontlast, en waarna een roode wondvlakte achterblijft, liet speekselen en kwijlen der zieke dieren kan in dit stadium zeer hevig zijn en het eten en herkauwen is dikwijls geheel opgehouden. Bij een normaal verloop bedekken zich de roode wondvlakten in de mondholte spoedig weer met een gezond slijmvlies, het eten en herkauwen keert terug en na 8 tot 14 dagen is het dier Diverse mededeeliagen 543 volkomen gezond. Soms is bet zoo even beschreven ziektebeeld in zulk een geringe mate aanwezig, dat zelfs een ervaren deskundige bij een oppervlakkig onderzoek de ziekte over liet hoofd zou zien. Zeil' was ik meermalen in de gelegenheid waar te nemen, hoe enkele runderen, niettegenstaande blaren in de mondholte aanwe zig waren, rustig liepen te grazen en na 4 a 5 dagen weer geheel hersteld waren. Wat somtijds zeer opvallend is en de ziekte gemakkelijk doet onderkennen, zijn de korsten aan den neusspiegel, ontstaan na het barsten van een of meer blazen op deze plaats Niet altijd nu verloopt de ziekte zoo onschuldig, maar al te veel treden ernstige complicaties op, welke het leven van het dier bedreigen of het voor altijd invalide maken. Zeer dikwijls ontstaat een hevige tusschenklauwontsteking, waarbij de tusschenklauwhuid gedeeltelijk afsterft en het gewricht en been mede gaan lijden. Vo ir namelijk komt dit voor als men de ziekte verwaarloost en de dieren in een vuilenstal staan of—zooals dit bij Langdurige droogte in den zomer voorkomt —de bodem hard en droog wordt. Het lijden is dan dikwijls niet te overzien, het geheele onderbeen wordt dik, het dier sukkelt op drie beenen door de weide, vermagert tot een skelet en sterft dikwijls aan bloedvergiftiging. Amdere malen duurt het maanden voordat deze aandoening ten minste zoodanig hersteld is, dat het dier den klauw weder op den grond durft te zetten en blijft voor altijd een geheele verdikking van at het kootgewricht over. Veelvuldig gaan ook uier en tepels mede lijden eu ook deze aandoening kan van zeer ernstigen aard worden. Op de tepels ont staan blaasjes, welke spoedig barsten en tot zwart-roode korstjes opdrogen, waardoor het melken zeer pijnlijk wordt. Van uit de tepels kan het lijden op den uier overgaan en hierop een ontsteking volgen, welke de koe dikwijls een blijvend kwaad kwartier doet behouden, maar ook zijn er voorbeelden bekend, dat op een dergelijke uierontsteking spoedig de dood volgde. Nog voor korten tijd stierven bij een veehouder in de provincie l'tiecht drie run leren aan een hevige uierontsteking, nadat zij één of meer dagen aan mond- en klauwzeer lijdende waren. Een hevige koorts, gepaard met koude rillingen, als gevolg van een algemeene bloedinfectie, maakt alsdan in korten tijd een einde aan het leven. Somtijds ontstaan groote blazen in de keelholte, die het slikken l'iveraa tne ledeelingen 544 bemoeilijken en de dieren sterven enkele malen apoplectiscb, door dat de ademhaling wordt afgesneden. Bovendien dient men, wan neer dergelijke blazen in de keelholte bestaan, voorzichtig te zijn met liet ingeven van geneesmiddelen, omdat deze gedeeltelijk door het moeilijk slikken in de lucht pij p komen en tot longontsteking aanleiding kunnen geven, waarop de dood beslist volgt. Andere malen treedt tijdens het verloop der ziekte kalfverwer ]> mi op, wat onder een veckoppcl groote verliezen kan berokkenen. Het ergste van alles is evenwel, wanneer de dieren, nadat de ziekte nog in het beginstadium is, plotseling geheel verlamd worden cu hulpeloos in getrekte houding op den grond lianen. In deze geval len verloopt het lijden bijna altijd doodelijk en in de omstreken van l'trecht kwam in het afgeloopen jaar deze ziektevorm veel vuldig voor. Indien men zich nu afvraagt waarom de bestrijding der ziekte tot heden zoo jammerlijk mislukte, niettegenstaande de Regeering duizenden guldens uitgaf en men aannemen mag, dat de aangestel de ambtenaren hunne plichten behoorlijk waargenomen hebben, zon dient men allereerst te weten wat tot heden van de smetstof dezer ziekte bekend is. Verschillende bacteriologen, waaronder mannen die op dit ge bied hunne sporen reeds verdiend hebben, zijn in het buitenland aan het werk getogen om de specifieke oorzaak van deze ziekte te ontdekken, evenwel tot heden zonder bepaald succes. Wel werden verscheidene bacteriën gevonden, die door iederen onderzoeker tot de feitelijke oorzaak van liet mond- en klauwzeer werden geproclameerd, maar niemand hunner gelukte het, deze in reincultuur te kwee ken en hiermede experimenteel de ziekte te verwekken. Hoewel dus de oorzaak der ziekte niet juist bekend is, heelt de ervaring ons toch met enkele eigenschappen der smetstof be kend gemaakt, welke voor de bestrijding van deze ziekte van groot gewield zijn. Reeds langen tijd wist men, dat de smetstof gedurende ge ruimen tijd hare levensvatbaarheid kon behouden. In een stal waar op den 20»* 911 Januari 1H97 het mond- en klauwzeer geëindigd was, waarop terstond do desinfectie volgde, werden op het einde dei- maand April twee nieuwe ossen gebracht, die voor korten tijd waren aangekocht. Beide dieren werden spoedig aangetast, zoodat de smetstof na ongeveer drie maanden nog zeer werkzaam was. In een anderen Diïor«e meiMeelingcn 545 stal, waar in het begin van het jaar n. 1. in Januari de ziekte heersehtc, brak zij in December opnieuw uit, nadat men een goot openbrak, welke men vergeten had te ontsmetten. Verder is het met zekerheid bekend, dat de smetstof zeer ge makkelijk door personen of voorwerpen wordt overgebracht, aldus langs indirecten weg. Tallooze voorbeelden zijn hiervan be kend, waarvan ik alleen de volgende wil releveeren: Op een boerderij in Duitschland, welke zeer geïsoleerd gelegen was, brak onverwachts de ziekte uit. Nieuw vee was in langen tijd niet aangekocht, kooplieden hadden het erf niet bezocht, de intel ligente eigenaar had het dienstpersoneel, hetwelk de koeien ver zorgde, ten strengste verboden de hofstede te verlaten en verdiepte zich thans in allerlei gissingen omtrent de wijze der besmetting. Geruimen tijd daarna kregen twee melkknechten onaange naamheden, waarbij de een den ander verweet, dat hij niettegen staande liet strenge verbod van zijn meester, des nachts heimelijk den stal verlaten had om een naburige boerderij te bezoeken, al waar zijn aanstaande vrouw als melkmeid dienstbaar was en waar het mond- en klauwzeer heerschte. Dergelijke voorbeelden, waarbij menschen de overbrengers der smetstof zijn, worden dikwijls aangehaald om te bewijzen hoe voorzichtig gehandeld dient te worden. Niettegenstaande dit is er in Nederland steeds een druk bezoek van familie en kennissen bij de meeste veehouders en worden door hen niet de minste voorzorgsmaatregelen genomen, als de ziekte heerschende is. Andere malen zijn het voorwerpen, die de ziekte overbrengen. Zoo is o. a. een duidelijk geval bekend, waarbij een houten tafel, afkomstig uit een besmette boerderij, waarop kalveren van ver schillende veehouders gebonden weiden om geënt te worden, achter eenvolgens een geheele streek infecteerde. .luist omdat de smetstof langen tijd hare levensvatbaarheid kan behouden en zoo gemakkelijk door personen en voorwerpen kan worden overgebracht, is de ziekte zoo moeilijk te bestrijden en zullen de tegenwoordige maatregelen een blijvend fiasco maken. Het gaat evenwel niet aan om juist aan deze maatregelen de schuld te geven, dat de ziekte zoo langen tijd blijft voortwoekeren. Hoe dikwijls werd in het afgeloopen jaar niet met veel gewicht door tal van personen verklaard, dat men, als de ziekte haar vrijen loop gelaten werd, haar in korten tijd van het tooneel zou zien 546 Diverse modeJeeHagea verdwijnen, omdat alsdan de gehcele veestapel doorgeziekt zou zijn..De geschiedenis van het mond- en klauwzeer in Nederland spreekt dit met feiten tegen; vóór de wet van lb>Bo, aldus voordat er maatregelen ter beteugeling genomen weiden, is de ziekte vol strekt ons land niet doorgevlogen, maar er veeleer doorge kropen. De tegenwoordige maatregelen hebben wel degelijk geldige redenen van bestaan, maar zij zijn ten ccnenmale onvoldoende om met eenigen kans op slagen de ziekte te bestrijden. Indien men eenige zekerheid van slagen wilde hebben, zoo zon het gehcele personenverkeer in die streken, waar de ziekte bestond, tot een minimum beperkt moeten worden, de veemarkten tijdelijk moeten worden opgeheven en de melk niet anders dan gekookt ai levcrd mogen worden. Dergelijke maatregelen zijn evenwel zoo rigoureus en prac tisch zoo onuitvoorbaar, dat waarschijnlijk binnenlandsche onlusten er liet gevolg van zouden wezen. Niet te verwonderen is hel aldus, dat de jongste onderzoekingen uit het „lnstitut f'ur Infectionskrankhcitcn" te Berlijn, onder leiding van de Professoren Loeffler en Frosch, in de maand September 11. gepubliceerd, alwaar het gelukt was runderen onvatbaar voor deze ziekte te maken, met blijdschap begroet werden. De z. g. n. immuniseering van runderenen varkens geschiedde door inspuiting met lymphe uit de blaren der mondholte, welke door verhitting verzwakt is, of door een mengsel van deze lymphe met bloedsorum van runderen, die reeds doorgeziekt waren. Nadere berichten omtrent deze voorbehoedende entingen ont breken tot heden, maar het is te hopen, dat de geleerde onder zoekers niet zullen rusten, voordat zij hunne methode voor de prak tijk uitvoerbaar hebben gemaakt. Waar tal van andere besmettelijke ziekten, ook diegene waarbij de smetstof niet nader bekend is, op dezelfde wijze bestreden wor den met uitnemend succes —men denkc slechts aan de pokken der menschen—zoo is het te verwachten, dat ook mond- en klauwzeer kan worden uitgeroeid. Orgaan vld. Vereeniging van Oudleerlingen der Landbouw school 1898 bh. 20. DWerse iiifdcdeelingcn 547 O.Laxa wijst er opj dat de vraag of derce'ls meermalen waar genomen sclmimgisting der ingedampte naproducten een werkelijke door een ferment veroorzaakte gisting is, of alleen een chemische ontleding, ontstaan zonder hulp van gisting te voorschijn roepende mikro-organismen, zooals door Herzfeld, Claassen, v. Lippmann en Prinsen Geerligs aangenomen wordt, tegenwoordig in den zin van het tweede alternatief als opgelost beschouwd wordt. Volgens de tot nu toe gedane onderzoekingen omtrent de schuimgisting der naproducten, werden zooals van zelf spreekt de in den laatsten tijd ontdekte thermophile (d.i. bij hoouc tempera tuur levende) on thermogcne (d.i. warmte ontwikkelende) bacteriën. niet in aanmerking genomen, waarvan alleen sprake zou kunnen zijn, wanneer het proces der schuimgisting nochthans van fermenta ticven oorsprong was. Laxa heeft in de afgcloopen campagne schuim onderzocht, dat onder gelijktijdig opstijgen van ingedampte naproducten in krislal lisoirs ontstaan was. Bij het microscopisch onderzoek bleek, dat in deze producten, kokken, streptokokken en kettingen van bacillen aanwezig waren. Er werden met deze stroop cultuurproeven ge nomen en wel gedeeltelijk bij 37° C. en gedeeltelijk bij 55° C; bij de laatste temperatuur was de ontwikkeling van andere toevallig in het gezonden monster gekomen organismen buitengesloten. Voor de cultuur werd glycerine-agar en ook bouillon gebruikt: in alle gevallen werd ten slotte de reincultuur van een karak teristieke thermophile bacterie verkregen. Tot dezelfde resultaten is deze onderzoeker ook gekomen bij het onderzoek van het schuim, dat in een ruwsuikerfabriek op het diksap en op een vulmassa ontstaan was. Het gecultiveerde organisme had den vorm van sterkin elkan der gevlochte, kromme draden, die later in bacillusachtige, door hunne afmetingen op den Bacillus proteus Zenkcri gelijkende vor men, uiteenvielen. Sporenvurmirig had gemakkelijk plaats. Op glycerine- agarplaten vormt de bacillus geelachtige, taaie. ronde, sterk gerimpelde koloniën, die aan den omtrek van wor telachtige uitloopers voorzien zijn, welke zich dikwijls eerst later ontwikkelen. De groei heeft op verschillende voedingsbodems zeer snel plaats. Op beetwortelen vormt de bacillus een taaie, rosé korst, later veel schuim en gassen. Aan ongunstige levensvoorwaarden biedt hij zeer goed weerstand: de groei begint pas bij 25° C, wonlt bij 548 Diverse mededeelingen stijgende temperatuur zeer weelderig en houdt bij SS°C. op. Voor droge en vochtige warmte is hij zeer ongevoelig en groeit zoowel in zwak zure en neutrale als in alcalischc voedingsbodems. Hij is facultatief anaëroob, daar hij zoowel bij afsluiting der lucht als in een aan zuurstof rijke atmosfeer gedijt. In suiker bevattende stoffen groeit de bacillus zeer krachtig. De tot zijne ontwikkeling bonoo ligdc stikstof ontneemt hij aan verschillende stikstof houdende verbindingenen groeit in oplossingen van asparagine, ammoniakzouten, nitraten, pepton, enz. Behalve saccharose kunnen ook andere koolhydraten (glucose, fructose, ga laetose, raffinose, dextrine, zetmeel) als voedingsstof dienen. In arabinose- en rhamnose-oplossingen, met toevoeging van minerale stollen, groeit deze thermophile bacillus onder vorming van zuren. Van de verschillende producten, welke door het levensproces ontwikkeld worden, werd het eerst koolzuur waargenomen, wellicht is ook melkzuur voorhanden; buitendien kunnen ook vluchtige vet zuren aanwezig zijn. Gasvorming heeft bij de aanwezigheid van saccharose in de voedingsstof plaats. Bij aanwezigheid van koolhy draten treedt een zure reactie op. De bacillus veroorzaakt ook in versie van saccharose, welke met de ontwikkeling van het organisme gelijken tred houdt. Het was den onderzoeker niet mogelijk uit te maken of deze bacillus als de werkelijke oorzaak der schuimgisting moet beschouwd worden. Wat het constante voorkomen van dezen bacillus bij de schuim gisting betreft, was Laxa slechts eenmaal in de gelegenheid een stroop te onderzoeken, welke de zoogenaamde schuimgisting door gemaakt had; in twee andere gevallen had hij niet met deze gisting te doen, er had zich alleen wat schuim op het diksap en op de vnl massa ontwikkeld. In beide gevallen werd echter de genoemde thermophile bacülus gevonden. Ook in normale fabrieksproducten werd niet alleen deze bacillus, doch ook zoo het schijnt een andere soort aangetroffen, die echter nog niet voldoende bestudeerd is. Hieruit kan besloten worden, dat ook normale producten bac teriën kunnen bevatten en dat de besproken bacillus met de schuimgisting of niets te maken heeft, 6f dat de sappen zoo lang zij normaal zijn en geen gunstige voorwaarden voor hunne ont wikkeling aanbieden, de bacillen alleen, zonder meer, bevatten; Eirst dan, wanneer de omstandigheden door een abnormale sap samenstelling on an lere oorzaken gunstig zijn, begint de bacillus Diverse meiledeclingen 549 zijn storende werking uit te oefenen en roept dan de schaitngisting te voorschijn. Wanneer nu een bepaalde abnormale sapsamenstelling een voorwaarde voor de ontwikkeling van dien bacillus is, dan kan een direct, positief resultaat .alleen dan verkregen worden, wanneer door proeven met. reinculturen de genoemde bacillus aan de in schuimgisting verkeerende stroop ontnomen wordt. Zoodanig ma teriaal was niet meer voorhanden, zoodat slechts voorloopige proeven, gedeeltelijk met normale fabrieksproducten, gedeeltelijk mot suikeroplossingen met toevoeging van bouillon of asparagine-oplos sing konden genomen worden. Met diksappen en vulmassa's van normale samenstelling is het niet gelukt, door inenten met reinculturen .van den thermophilen bacillus, de schuimgisting te voorschijn te roepen. In saccharose-oplossing met toevoeging van bouillon en in verdunde resp. opgeloste suikerfabriekssappen is liet gelukt met behulp der reinculturen van den bacillus een proces te doen plaats hebben, bij hetwelk schuimvorming op de oppervlakte van de voe dingsstof geconstateerd werd. Hetzelfde verschijnsel werd ook bij diksap, waaraan 50 % bouillon of asparagine-oplossiug toegevoegd was, waargenomen. Zeitschr. f. Z. in Böhmen 1898 bh. .'J/7;. Wiener Wochenschrift » » 180. Onder peptonen verstaat men de eerste ontledingsproducten der eiwitstoffen; bij alle processen, waarbij deze ontleed worden, bij behandeling met zuren of alcaliën, vormen zich steeds eerst deze stoffen voor dat oen verder uiteenvallen in kristalliseerbare pro ducten (amidozuren enz.) plaats heeft. Men onderscheidt ware en propeptonen. De laatste vormen een overgang tusschen de eiwit stoffen en de ware peptonen en staan wat hun eigenschappen en moleculairgewicht aangaat tusschen deze beide in; altijd ontstaan uit de eiwitstoffen eerst propeptonen en uit deze dan de ware peptonen. In het plantenleven hebben de peptonen tot taak de rusten de eiwitstoffen in omloop te brengen, wanneer dan de peptonen in de nieuw gevormde organen overgegaan zijn, condenseeren zij zich weer tot eiwitstoffen. Op welke wijze dit proces plaats heeft, is echter onbekend. Diverse mededoeliogcn 550 Hoewel tot nu toe deze stoffen sleehts eenmaal door SchdlzG in beetwortelen gevonden werden, kan men toch met zekerheid aannemen dat zij veelvuldiger voorkomen. Nu heeft Dr. A. Rumpi.er aangetoond, dat pcptonen ook in het beetwortelsap aanwezig zijn. Men veronderstelt gewoonlijk, dat de eiwitstoffen bij de kalkscheiding onmiddellijk in amidozuren om gezet worden. Dit is echter niet het geval. Men kan een eiwit oplossing tamelijk lang met verdunde kaliloog koken, voor dat een diep ingrijpende ontleding plaats heeft, bij de scheiding wer ken de alcaliën slechts in zeer verdunde oplossing en gedurende korten tijd. Toen nu llerzfeld eenigejaren geleden in het satura ticsap eiwitstoffen vond, had Rumpler het vermoeden, dat deze, ten minste voor een deel, peptonen zouden zijn. Dit was de aanleiding tot zijn onderzoekingen. Bij onge veer 50 cM'. van het \ ste saturatiesap werden eenige droppels azijnzuur toegevoegd, zoodat de vloeistof zwak zuur reageerde, en daarna met 700 c.M*. alcohol van 95% onder herhaald schud den ter zijde gezet. liet ontstane bruinachtige neerslag werd op een filter verzameld, gedroogd en met zoo weinig mogelijk water uitgewasschen. Het waschwater moest het pepton, indien het voor handen was, bevatten, terwijl het onontlede eiwit, door den alcohol onoplosbaar geworden, op het filter moest achterblijven. De bruinachtige oplossing werd met 10%-ig zwavelzuur ge mengd en gaf met een oplossing van phosphorwolfraamzuur een sterke troebeling, die zich gedurende den nacht als een vlokkig neerslag op den bodem van het glas neerzette. Om het pepton aan te toonen werd dit neerslag met baryt behandeld, water toegevoegd en met een kleine hoeveelheid sterk verdunde kopersulfaatoplossing behandeld, er trad een vuil rood blauwe verkleuring op, waardoor de aanwezigheid van peptonbewezen was. Hetgeen op het filter was achtergebleven werd met verdunde kaliloog uitgewasschen, bij de oplossing zwavelzuur gevoegd, en nadat zij een nacht gestaan had met phosphorwolfraamzuur neer geslagen en even als hier boven behandeld, ook hier trad de biureetreactie op. Op deze wijze is dus aangetoond, dat zoowel on ontleed albuminaat als pepton in het scheidingssap voorkomt. Hierna werden door Rumpler, met de verschillende sappen en producten van een bietsuikerfabrick, de volgende uitkomsten ver kregen. 1. Sap c<(» de scheidings-saturatie. Dit leverde mot aether- Divcrsc mededeellngen 551 alcohol tamelijk veel neerslag, dat slechts voor een klein gedeelte in water oplosbaar was. Deze oplossing gaf met phosphorwolfraam zuur een zeer geringe troebeling en deze een nauwlijks merkbare biureetreactie. Hetgeen op het filter achterbleef leverde met natron loog, zwavelzuur en phosphorwolfraamzuur behandeld een sterk neerslag en dit een duidelijke biureetreactie. Dit sap bevatte dus voornamelijk eiwit en slechts sporen pepton. 2. Gezwaveld sap. De afscheiding met aether-alcohol was zeer gering en bleef bijna geheel aan de wanden van de kolf hangen. Bij bet onderzoek bleek, dat dit sap geen onontlede eiwitstoffen, daarentegen veel pepton, bevatte. 3. Diksap. Bij de behandeling van diksap met aether-alcoho] sloeg behalve andere stoffen ook een harde korst suiker neer. Nadat de vloeistof ongeveer 3 weken gestaan had, werd de bovenste heldere vloeistof afgegoten en de kolf bij 30—40° C. horizontaal neergelegd. Nadat de aether-alcohol uit het neerslag verdampt was, werd het restant met water behandeld en de oplossing door een filter gegoten. Zoaals te verwachten was kon geen eiwit aange toond worden; het filtraat echter gaf een bijzonder duidelijke biureetreactie. 4. Afloop van eerste product. Ook hier werd de aanwezigheid van pepton aangetoond. Beschouwen wij deze resultaten uit een technisch oogpunt, dan valt het direct op, dat in de gezwavelde sappen, al het onontlede albuminaat verdwenen is. of' dit neergeslagen of in pepton omgezet is, kan pas later dom- een quantitatief onderzoek uitgemaakt worden. Bij de behandeling van kalkhoudend dunsap met zwaveligzure natron verkrijgt men een persvuil, dat niet alleen zwaveligzure kalk, doch ook organische stoften, waaronder stikstolhoudende, bevat. llerzfkld vond in een persvuil van dusdanige herkomst 0,25% stikstof op droge stof berekend, wat met 1,56% proteïne of ook met circa 2,5% amidoznren zou overeenkomen. BRESLEB wil dit op grond van zijn proeven met asparaginezure kalk door een neerslaan van amidoznren verklaren, terwijl hij aanneemt, dat de laatste met zwaveligzure kalk verbindingen vormen, overeen komende met die, welke men van het glycocol kent. Amidozuren zijn zooals men weet door de N ll> groepen, welke daarin voor komen, basen, doch tevens door de earhoxyl-groepen. ook zuren en kunnen dus, in theorie tenminste, zich met zouten zoodanig 552 DWeise mededeelingeti verbinden, dat de base van het zout de zure zijde, het zuur van het zout de basische zijde daarvan verzadigt. Van glycocol zijn, zooals gezegd, zulke verbindingen bekend, van het asparaginczuur tot nu toe nog niet, doch is de mogelijkheid hiervan niet uitgesloten. De amidozuren gedragen zich even als de peptoncn, die niet alleen zuur doch ook alcalisch reageer en, en zich zoowel met zuren en met basen, als ook met zouten verbinden. Het is niet onmogelijk, dat hij het behandelen van kalkhoudcnd sap met zwaveligzuur de zwaveligzure kalk peptonen of ook eiwitstoffen, die vele eigen schappen met de peptonen gemeen hebben, mede neerslaat. Dit is slechts een hypothese, die echter bij voortgezet onderzoek tot resultaten kan voeren, welke een hooge waarde voor de techniek kunnen hebben. De utsche Zuckerinduslrie 1898, bh. 22 en 302. In ile „Spezielle Pathologie umi Therapie" van Prof. Dr. lf. Nothnagel, zegt Dr. vox .Takscii in het hoofdstuk over vergifti ging": „Hoewel de saccharine tot nu toe nog geene zware vergiftiging te voorschijn heeft geroepen, zoo heeft de ondervinding toch geleerd, dat het voortdurend gebruik van deze stof een reeks ziekte verschijnselen veroorzaakt, zooals braken, gebrek aan eetlust, diarrhee. bij eenige gevallen van suikerziekte werd door genoemden heer saccharine voorgeschreven, doch de nadeelige werking hiervan was oorzaak, dal het toedienen dezer verbinding gestaakt moest worden." Deutsche Zuckerinduslrie 1898, blz. '250. Gedurende het afgeloopen jaar hcoft de productie van beetwortel suiker in Amerika veel aanmoediging ondervonden, niet alleen door liet in werking treden van het nieuwe, meer bescherming ver leeneinle tarief, doch ook door directe hulp en ondersteuning van de zijde der wetgeving van de Staten en der Bondsregeeving. Bo vendien wint de overtuiging in steeds wijder kringen veld, dat van alle landbouwbedrijven de beetwortelsuikercuituur de rijkste op brengst belooft. Onder zulke omstandigheden hebbep de reeds voor 1897 bestaande bietsuikerondcrnemingeii, fabrieken en cultures, öf een grooteren omvang aangenomen, öf voorbereidende maatregelen getroffen tot vermeerdering van hun productievermogen. Vele Diverse niededeeÜßgen 553 fabrieken zijn in aanbouw of worden ontworpen, waaronder cene met een capaciteit van 3000 ton beetwortelen per dag in Californië, die de grootste bietsuikerfabriek der wereld zal worden. Van de nieuwe ondernemingen is die der Buffalo Sugar Co. het verst gevorderd. Zonder twijfel zal het nieuwe jaar tot verdere voorbe reidende maatregelen, zoowel als tot den bouw vaneen noggrooter aantal nieuwe fabrieken in 1899 leiden. De in het laatste jaar in verschillende deelen van het land in werking zijnde fabrieken hebben in 't algemeen goede winsten af geworpen en bboge dividenden uitgekeerd. Het volgende staatje geeft een overzicht der reeds bestaandeen nog in aanbouw zijnde bietsuikerfabrieken. In werking: capaciteit in tonnen. Alamoda Sugar Co., Alvarado, Californië 500 Western Beet Sugar Co., Watsonville, id. 1000 Chino Valley Beet Sugar Co., Chino. id. 1000 Oxnard Beet Sugar Co., Grand Island, Nebraska 350 Norfolk Beet Sugar Co., Lehi, Utah 350 Pccos Valley Beet Sugar Co., Eddy, New Mexico 200 First N. Y. Beet Sugar Co., Rome, New York '200 Los-Almitos Sugar Co., Los Almitos, Cal. 350 Wisconsin Beet Sugar Co., Menomene Falls. Wis. '200 In aanbouw: Spreckels Sugar C, Salinas, Cal. 3000 California Beet Sugar en Refin. Co., Crockett, Cal. 500 Fabriek der Oxnard Construction Co., Hoeneme, Cal. 1000 Fabriek in Ogden, Utah 500 » » Binghamton, New-York 400 Bij een suikerconsumptie van '2,000000 ton per jaar is, zelfs bij een aanmerkelijke toename van het aantal en de capaciteit der beetsuikerfabrieken. voor een overproductie niet te vreezen Boven dien zijn de onderzoekingen der landbouw-proefstations en univer siteits-laboratoria tot bepaling van het suikergehalte der in Amerika geproduceerde beetwortelen en van het productievermogen der beetwortelcultuur, voor de landbouwers zeer aanmoedigend. Zoo hebben de onderzoekingen der landbouwacademie van de Cornell-Universiteit, bij beetwortelen afkomstig van 272 verschillen de aanplantingen, uit 22 districten, een gemiddeld suikergehalte van 10% aangetoond, bij een opbrengst van gemiddeld 17 ton per acre (438 pik. per bouw). Dit is een uitstekend resultaat, daar 13 554 Diverse mededeelingon —15% suikergehalte bij oen opbrengst van 12—44 ton per acre nor maal is. Ken beetwortelproductie van 17 ton per acre bij 16% suiker, zou met een opbrengst van ruim 6000 ffi suiker per acre, en bij een prijs van 4,5 Dollar per ton biet met een bedrag' ven lV t c. per ÏÈ suiker in de biet overeenkomen. Ken fabriek, die in hare behoefte aan beetwortelen tot zulk een prijs kan voorzien, zou een zeer winstgevende zaak zijn, terwijl de landbouwer, die 76,50 dollar als opbrengst van een acre ontvangt, op weg is tot grooten voorspoed. Zijn onkosten per ton komen op hoogstens 3 dollar, zoodat hij per acre een netto winst van '25,5 dollar overhoudt. Daarentegen zou een acre tarwe met een opbrengst van 14 bnshels (1 bushel=3s,237 Liter) a 70 ets., na aftrek der productiekosten, slechts een winst van 9,80 dollar afwerpen. Theoretische onderzoekingen geven echter meestal betere resul taten dan practische fabriekswerkzaamheden en zoo heeft b. v. de suikerfabriek te Watsonville, in de afgeloopen campagne uit 86351 ton beetwortelen slechts 10885 ton suiker verkregen, overeenko mende met 12,6% van het bietgewicht, tegen 12,5% in het daaraan voorafgaande jaar. Toch betaalt de fabriek $ 4 per ton beetworte len en maakt goede zaken. De fabriek in Lehi, Utah, heeft over elk der twee laatste jaren 37'/ 2 % dividend uitbetaald. In Alvaiado, Cal. hebben de beetwor telverbouwers een slechten oogst gehad, namelijk 450Ü0 ton biet van 6000 acre, dus slechts 7'/2ton in plaats van ruim 13 ton per acre. Prager Zuckermarkt, 1898 blz. IVi . Door het hoofdbestuur der Vereeniging tot bevordering der Fabrieks- en Handwerksnijverheid in Nederland is ter uitvoering van het besluit der jongste Algemeene Vergadering te Tiel, een adres gericht aan den Minister van Financiën om aan te dringen op verlaging van den suikeraccijus. Nu, tengevolge der wet van 27 Januari 1897, Staatsbl. N0.63, het vraagstuk van den suikeraccijus geheel is losgemaakt van de inge wikkelde verhouding tusschen den staat en de suikerindustrie, kan de vraag of een hooge accijns op suiker noodzakelijk of gewenscht is, geheel op zich zelve worden beschouwd. In het adres wordt er op gewezen, dat in de laatste jaren bij verreweg de meerderheid der deskundigen de overtuiging heeft Diverse mededeelingen 555 veld gewonnen, dat aan suiker als voedingsmiddel een zeer booge waarde moet worden toegekend, vooral voor de arbeidende klasse. wijl bet een voortreffelijk middel is tot spoedig herstel der krach ten bij zwaren lichamelijker] arbeid en tot voorkoming van over matige verhitting van het lichaam als gevolg van den arbeid: dat naar het gevoelen van vele medici het ruime gebruik van suiker de ziekelijke neiging van het volk naar eenigen prikkel, die tot veelvuldig drankgebruik leidt, vermindert; dat de suiker mitsdien behoort te zijn een algemeen volks voadsel, doeh dat in ons land het verbruik van suiker per hoofd der bevolking, vergeleken bij dat in andere landen, ongemeen laag is en de suiker bij ons te lande dan ook meer als een genotmiddel, dat slechts binnen het bereik der gegoeden ligt, dan als een voe dingsmiddel wordt beschouwd; dat dit zonder twijfel bijna geheel moet worden geweten aan den zeer zwaren accijns die op de suiker wordt gelieven, een accijns die althans tot het bedrag waartoe hij geheven wordt, t. w. -00% der waarde, ternauwernood beter te verdedigen is dan de met al gemeene instemming afgeschafte of verminderde accijnzen op bet gemaal, het zout en de zeep ; dat nu wel is waar die accijns een bate voor de schatkist oplevert van ongeveer 10 millioen—een bedrag dat bezwaarlijk door verhooging van andere middelen kan worden vergoed — doch dat geenszins mag worden verondersteld, dat eene belangrijke vermin dering van hot bedrag van den accijns een evenredige verminde ring van de opbrengst van het middel voor de schatkist ten gevolge zou hebben; dat veelmeer mag worden aangenomen dat een flinke vermin dering van den accijns, die zich op den winkelprijs van de suiker sterk doet gevoelen een zoodanige vermeerdering van liet gebruik ten gevolge heeft, dat de opbrengst der suikerbclasting na zeer korten tijd hetzelfde bedrag zal bereiken als vóór de verlaging, ja dat bedrag zal overtreffen; dat hiervoor de omstandigheid pleit, dat het verbruik van sui ker per hoofd der bevolking hier te lande verdubbelen kan. al vorens gelijk te staan met het verbruik per hoofd in de meest naburige staten: dat evenwel om met verlaging van den accijns inderdaad ver meerdering van het verbruik te doen samengaan noodzakelijk is, dat de verlaging niet trapsgewijze bij geringe bedragen plaats Diverse mededeelingen 556 hebbe, duch op eenmaal tnet een flink bedrag, b. v. meteen tierde, aangezien bij geringe verlag'mg van den accijns in vele gevallen de detailhandel er in zal slagen de suikerprijzen op de vroegere hoogte Ie houden, zoodat het suikerverbruik niet toeneemt en de opbrengst van den suikeraccijns vermindert ten nadeele van den staat, slechts ten voordeele van den kleinhandel in suiker; dat eindelijk voor een flinke verlaging van den suikeraccijns nog pleit, dat zoodra in België, gelijk het voornemen is, de suiker belasting belangrijk wordt verlaagd, het zeer groote verschil tusschen het bedrag van den suikeraccijns aan deze en aan gecne zijde van de zuidelijke grenzen, het smokkelen van suiker een vlucht zal doen nemen tot niet geringe schade voor onzen fiscus en tot groot nadeel voor de moraliteit van de Helenen waarom het hoofdbestuur voornoemd den Minister namens de algemecne vergadering eerbiedig verzoekt, de verlaging van den suikeraccijns wel in overweging te willen nemen. Indische Mercuur 1898, blz. 134. De reeds dikwijls behandelde vraag: moet men droge knik of kalkmelk voor de saturatie van het sap gebruiken, wordt nog maals door H. JELINEK behandeld, die zich voor het gebruik van kalkmelk verklaart, mits dit op een bepaalde wijze plaats heeft. De betere zuivering van het sap met droge kalk is volgens Jeunes volstrekt nog niet bewezen, daar het onomstootelijke bel wijs hiervoor in het bedrijf, in vergelijking met het rationeele gebruik van kalkmelk, nog niet geleverd is. Jeunek berekent de meerdere kosten voor de waterverdam ping bij het gebruik van kalkmelk en komt tot bet resultaat, dat bij een gebruik van 3% kalk van het bietgewicht, een meerdere uitgave voor brandstof van f 7SO — f 1140 per 4 tot 50Ü00 ton bieten noodig is. Dit bedrag is van geen beteekenis op de verwei king van de genoemde hoeveelheid bieten, wanneer hierdoor een goeden gang van zaken in de fabriek verkregen wordt, hetgeen voor Jelinek een hoofdl'actor is. Bij toepassing van de droge scheiding is de genoemde bespa ring aan brandstof slechts imaginair en ontstaat de vraag, wat met het uitzoetwatcr van het persvuil moet geschieden. Bij gebruik van 3% kalk voor de saturatie, verkrijgt men minstens 14% pers- I)i verso mededeeUngeu 557 vuil, dat, wil men geen belangrijke suikerverliezen Hj'ien, met water uitgezoct moet worden. Bij een goede uitzoeting moet lÜ— li% water van het bictgewicht verdampt wordeo, dus evenveel als bij de droge scheiding. Wanneer men de droge scheiding theore tisch een grootere werking toeschrijft, omdat het chemisch proces van het blusschen dit zou veroorzaken, zoo kan men hiertegen aanvoeren, dat het toegevoegde hydraat eveneens een chemische werking bij de saturatie ondergaat, doordat dit het hvdrait water moet afgeven voor het zich met het koolzuur verbindt; de zich vormende koolzure kalk bevindt zich in beide gevallen in status nascendi. Of de warmte, die zich bij het blusschen der kalk ont wikkelt een bijzonderen zuiverenden invloed heeft, is nog niet bewezen. Van veel gewicht is het juiste afwegen der voor de saturatie benoodigde hoeveelheid kalk, dat juist bij droge kalk veel moeilij ker is dan het afmeten der kalkmelk. Het afwegen van droge kalk tot het bepalen der juiste kalkgave is onmogelijk, omdat steenen, slecht gebrande kalk enz. medegewogen worden. Tot het verkrijgen van nauwkeurige resultaten moet men na het blus schen met sap , deze verontreinigingen terugwegen en dit door een nieuwe af te wegen hoeveelheid kalk vervangen, waarbij we derom dezelfde terugweging moet herhaald worden. Voor de wijze waarop de droge kalk toegevoegd moet worden, bestaan verschillende voorschriften; het toevoegen van kalk in stuk ken door middel van een mandje of korfje in het saturatiesap is een zeer onaangename en onzindelijke manipulatie; het afzonderlijk blusschen der kalk met sap veroorzaakt zonder twijfel belangrijke verliezen in hetgeen achterblijft en bij gebruik van tot zeer lijn poeder gemalen kalk is het constateeren van het gewicht aan zui vere kalk in het algemeen onmogelijk, waarbij nog komt dat bet vermalen der kalk een niet onbclangrijkcn mechanischen arbeid vereisebt en dus stoom en brandstof kost. Een ander nadeel van het gebruik van droge kalk is, dat men de asch, die met de kalk uit den oven komt, niet kan afscheiden, evenmin als de oplosbare kiezelzure alcaliën en andere in water oplosbare verbindingen van de in de kalk aanwezige alcaliën. Verder heeft ook veelal een zeer onaangenaam nablusschen der kalk inde filterpersen plaats, hetgeen aanleiding geeft tot schommelingen in de alcaliteit der sappen. Al zijn ook al deze zwarigheden overwon nen, toch blijft dan nog het uitzoetwater onbenut. Diverse medodecliiifjen 558 Een rationeel e bereiding van kalkmelk is de volgende: De kalk wordt in een bak of in een kalkblusch-apparaat eerst tot een wil lekeurig sterke kalkmelk opgelost, waarbij de stecnen en het grove zand bezinken. De zuivere kalkmelk wordt in een reservoir afgetapt met een groote hoeveelheid zuiver water tot een densiteit van ca. 8° Bé aangelengd, waarna de vloeistof 3—4 uur blijft staan. Na verloop van dien tijd is het kalkhydraat volkomen bezonken, tei wijl het bovenstaande heldere water, dat de oplosbare kiezelzure en andere oplosbare alcaliverbindingen in opgelosten toestand bevat, afgelaten wordt. De achterblijvende stijve kalkbrij wordt met het uitzoetwater der filterpersen vermengd en in dien toestand door middel van een kraan, die zich 5—6 c.M. boven den bodem van het reservoir bevindt, onder voortdurend langzaam roeren (opdat het nog aanwezige fijne zand bezinken kan), afgetapt. Van veel voordeel en gemak is hiervoor het gebruik van ten automatisch werkend kalkmeettoestel volgens Cehny-Stolz, anders moet men de hoeveelheid kalk uit de graden der melk berekenen, wat in elk geval niet meer werk geeft dan het afwegen der droge kalk. Het fijne zand, dat zich in den kalkbezinkbak op den bodem verzamelt, wordt van tijd tot tijd verwijderd. Deze volstrekt niet nieuwe werkwijze wordt door vele fabrieken met het beste resul taat toegepast. Bij nauwkeurig opvolgen van deze methode zal men zelden over stagnatie bij de saturatie en bij een goede carbonatatie ook niet overliet slechte loopen der filterpersen te klagen hebben. De filter ntTspompen worden niet door zand beschadigd en de verdamp apparaten hebben minder last van incrustatie, ja blijven onder gunstige omstandigheden bijna geheel schoon. liet directe bewijs, dat de droge-dan wol de kalktnelkschei ding een betere sapzuiveiing geeft, blijft Jelinek eveneens schuldig. f lij is er echter van overtuigd, dat wie van droge kalkscheiding of van scheiding met ongezuiverde gewone kalkmelk, kalkbrij of droog kalkhydraat, tot de boven beschreven werkwijze overgaat, deze niet meer zal verlaten. Zeitschr. f. Z. in Döhmen 1898 blz. 318. Wiener Wochenschrift » » 108. 559 Diverse medcdeeUsgen In het Central blatt geeft G. Bartscu een uitvoerig verslag van de werkzaamheden met diffusie in de suikerfabriek Itenih-Korrali in Boven-Egypte. Meermalen is reeds de diffusie voor het malen van het riet in de plaats gesteld, doch bijna altijd met minder gunstig resultaat, daar de brandstofkwestie geheel en al ten ongun ste van de dilfusie uitviel. Bartscu schrijft echter deze minder gun stige resultaten toe aan het feit, dat in bijna alle gevallen de dif fusie in plaats van de molen-installatic gekomen is, zonder dat bij de overige inrichting der fabriek hiermede rekening gehouden werd. In Knypte werken nu vier fabrieken met diffusie, waarvan de fa briek Gheick Faddel in het laatst verstreken jaar 1300 ton riet per dag verwerkte. Twee van deze fabrieken zijn reeds direct bij den bouw voor diffusie ingericht, en daardoor was het mogelijk het be oogde doel, n.m. het verwerken van het riet volgens het diffusie stelsel zonder extra, uitgaven voor kolen te bereiken, ten minste bij een dezer beide fabrieken werd dit doel bereikt, weliswaar na zeer veel teleurstellingen en groote moeite, en ook ten deele als gevolg van het droge, warme weder, dat in de maanden der oogstverwer king in Egypte heerscht. liet ter verwerking komende riet was van zeer verschillende variëteiten afkomstig; bij onderzoek bleek de dichtheid van het sap te variceren tusschen 14 en 22° Brix met een reinheidsquotiënt van 70—89, een glucosegehalte van 0,7—3,3 pet. en een aciditeit van 0,087—0,147 per 100 c.M 3 . sap, het aschgehalte bedroeg 0,606—0,<J2.~, gram in 100 c. M 3 . sap. Van de wagens werd het riet naai- de snijmachines gebracht, die volgens patent Stromberg ingericht waren; zij leverden snijdsels van 3 m.M. dikte en waren dan in staat 400 ton riet per 24 uur te snijden; liet mende snijmachine schijfjes van 2 m.M. maken dan kon 300 ton en bij I'/, m.M. dikte 200 ton in 24 uur verwerkt worden. Hierbij moet men er op letten, dat geen krom riet in den trechter van de snijmachine geraakt, daar hierdoor het geregelde dalen van den rictbundel in den trechter verhinderd wordt; krom riet moet dus eerst gebroken worden. De snijdsels werden door een horizontale transporteur, die on der de snijmachines was aangebracht, naar den elevator gevoerd, die ze naar een tweede horizontale transporteur voerde, die boven de diffusiebatterij was aangebracht. Aan de batterij uit 16 ketels bestaande, die in 2 rijen opgesteld waren, werden door 4 trechters, die boven de ketels geplaatst kunnen worden, de noodige snijdsels 560 Diverse ntectodeelingen toegevoerd. Do doorsnede van de kotels bedroeg 1560 m.M , aan de benedenzijde warm zij lets wijder om een gemakkelijker afvoer van de uitgeloogde snijdsels te verkrijgen, de inhoud van eiken ketel bedroeg 2,5 —2,7 ton snijdsels. Het deksel aan de beneden zijde van den diffusieketel kan met behulp van een langen stang met schroefdraad voorzien naar l> neden geheel geopend worden, bij het sluiten wordt het deksel ook nog door 4 spieën legen den benedenrand van den ketel aangedrukt. Tusschen den onderkant van den ketel en deksel was een guttapercha slang aangebracht, die met water onder 3— 6 atmosfeeren druk gevuld werd en waardoor een volkomen afsluiting verkregen werd. Hoe dikker de snijdsels waren des te minder kon per diffuseur gevuld worden, de uitlooging was in die gevallen eveneens slechter, het ledigen der ketels ging echter veel sneller. Indien de dikte der snijdsels op 2 tot I', m.M. gehouden werd, waardoor de verwer king per dag ongeveer 250 ton belroeg, dao werd een goede uitlooging verkregen, daar de uitgeloogde snijdsels dan 0,3 pCt. suiker bevatten. l)c verwarming der batterij geschiedde met af'u'ewerkten stoom ; het diffusiewater, waarvoor Nijlwater gebruikt weid, bevatte 10 — 20 m. Gr. zouten per liter en bovendien vele zwevende stoffen van mineralen aard. De temperatuur, die in de verschillende ketels heerschte be droeg gemiddeld 34», 56», 78», 86», 89", 90», 90°, 90°, 90<> 86», 49°, en 34° C. Het afdrukken van het sap van den laatsten ketel had met samengeperste lucht plaat*?, doch hieraan was het bezwaar verbonlcn, dat de uitgeloogde snijdsels een zeer samenhangende vormden en daardoor moeilijk uit den ketei te verwijderen waren, liet vullen met sap en het afdrukken van den vollen ketel had zonder bezwaar plaats, ook dan zelfs wanneer de temperatuur in dim ketel tot 98» C. was opgevoerd; het bleek echter dat de zeefplateri, die de halzen der ketels afsloten, zeer goed gemist kon den worden: terwijl wanneer het sap langer dan een half uur in den ketel blijft staan, deaciditeit met 0,00i9 in 100 c. M 3 . toenam en het glucosegehalte met o,oi pCt. In sommige gevallen waarin de batterij, wegens gebrek aan riet geheel gevuld gedurende 12 uur bleef staan, kon na verloop van dien tijd de diffusie zonder bezwaar op nieuw worden voortgezet. Door proeven is bewezen dat het diffusieproces het aschgehalte niet verhoogt. De hoeveelheid sap bedroeg 50—55 Liter per5OK.G. riet; de gemiddelde dichtheid daarvan 12,5° Brix, het glucosegehalte Diverse mededeelingen 561 0,85 pCt. De zuiverheid van het sap door diffusie verkregen was I—2 graden hooger dan van sap in hot laboratorium uit hetzelfde riet geperst. Het verwijderen van de uitgeloogde snijdsels ping aanvankelijk met zeer veel last gepaard, daar deze een samenhangende massa op den bodem van den ketel vormden, waardoor eerst na loswer ken niet haken tot het uithalen der snijdsels kon worden overgegaan. Het oorspronkelijk plan was, dat de uitgeloogde snijdsels met behulp van een transporteur naar een vier-cylinder molen gevoerd zouden worden om daar van het grootste gedeelte water bevrijd te worden, waardoor het verstoken in de ampasovens mogelijk zou zijn. De molens persten echter tengevolge van verkeerden stand van de eylinders slechts zeer onvoldoende, maar toch bleek dat het onmogelijk was, de fijn verdeelde scl ijfjes zelfs bij een g Ie installatie voldoende van hun watergehalte te bevrijdtn; er word dan ook toe overgegaan de snijdsels naar open terreinen te ver voerpn en ze daar in de zon te drogen. Hieruit kan bet besluit getrokken worden, dat diffusie alleen met voordeel toe te passen is, in zulke landen waar kolen of hout goedkoop oi waai' zooals in Egypte liet mogelijk is de natte ampas in de zon te drogen. In de ampasovens kan met voordeel slechts ampas met 42 —45 pet. watergehalte verstookt worden en nu kan door een goed ingerichte moleninstallatie wel geheele rietstokken tot dit water gehalte uitgeperst worden, maar het is niet mogelijk diffusieampas tot een lager watergehalte dan 55—GO pet. te persen (? Red.). Men heeft dan ook reeds het denkbeeld geopperd de natte ampas door de rookgassen van de ketels verder uit te drogen maar de hiervoor benoodigde machines zijn zeer omvangrijk. Het uitdrogen der ampas in de zon is slechts in die landen mogelijk waar tijdens de oogstverwerking geen regen valt, want in dunne lagen uitgebreid heeft de ampas in Boven-Egypte in Dec.— Januari ongeveer 14 dagen, in Februari—Maart 4— 8 dagen en in Maart —April 2—3 dagen noodig om tot een watergehalte van 30—40 pet. te geraken. De tot op 30 pet. watergehalte uitgedroogde ampas, kan in elke oveninrichting verstookt worden. In de fabriek teßeni-Korrah was de stookinrichting zoo ingericht, dat de gedroogde ampas met behulp van een transporteur in twee ovens gevoerd werd, elk van deze ovens verwarmde 2 vlampijpketels met bouilleurs, met een veiwarmd oppervlak van 200 M 2 . elk; ook was nog een vlampijp- Direrge mededeeliDgec 562 ketel van 'iOO M-. verwarmd oppervlak aanwezig, waaronder kolen verstookt werden, doch deze was alleen gedurende de eerste zes weken van de campagne in gebruik. De toevoeropening voor de ampas was boven aan den oven aangebracht, terwijl met behulp van ventilators een voortdurende stroom samengeperste lucht zoowel onder als boven het rooster ge voerd werd. hierbij bleek.dat deze luchtstroom vrij sterk meest zijn, zoodat een enkele ventilator voor de beide ovens onvoldoende was. Hierop werd bij wijze van proef de aanvoer van lucht uit den ventilator, beneden het rooster gesloten en door openbreken van de ovenmuur beneden het rooster oen natuurlijke trekking in het leven geroepen, terwijl alleen boven het rooster lucht ingeblazen werd. Daar ook dit nog geen afdoende veibetering ten gevolge laad, werden de toevoeropeningen van lucht aan de voorzijde van het rooster gesloten, zoodat de lucht alleen van af de achterzijde van biet rooster over de ampas strijken kon en wel met een ge middelde snelheid van 15 M. per' seconde. Zooals duidelijk bleek, verbrandt de fijne ampas alleen dan volkomen, wanneer zij in dwarrelende beweging gehouden wordt en zoodoende met de gloeiende wanden van den oven in aanraking komt. De aangevoerde ampas valt in den oven op het rooster en wordt hier voorgewarmd, daarna wordt zij door de saamgeperste lucht omhoog geblazen en verbrandt dan volkomen doe aanraking met de gloeiende chamottewanden. Op deze wijze kan nog ampas met een watergehalte van 46 pCt. verbrand worden, doch een der eerste voorwaarden om een goed vuur te verkrijgen is zorgvuldig schoonhouden van het rooster en ook een voortdurende afsluiting van de aan voeropening voor de ampas. Terwijl in de eerste weken van de campagne, toen nog steen kolen, hout en stroo verstookt werden, slechts een stoomspanning van l 2 — 3 atm. bereikt kon worden, kon zoodra bovengenoemde veranderingen aan de overigens goede Gubaansche ovens aange bracht waren, zonder moeite een drukking van S atm. verkregen worden. Ook bleek uit de ondervinding, dat ampas met een water gehalte van + 30 pCt. het best zonder aanvoer van saamgeperste lucht verbrandt, zoodat de ventilator alleen in gebruik werd ge nomen, zoodra het watergehalte van de ampas meer dan 35 —40 pCt. bedroeg. Ampas verbrandt zoodoende beter dan hout en stroo, doch is niet in voldoende mate voorhanden om geheel alleen in de behoefte aan brandstof te voorzien. Diverse mededeelingen 563 Want hoewel van een theoretisch standpunl de verkregen hoeveelheid ampas voldoende moet zijn, zoo wordt dit in de praktijk niet bevestigd, men kan in dit gebrek echter tegemoet komen door de rietbladeren eveneens te verbranden. Op deze wijze kon zonder kolen voldoende stoom verkregen worden voor een dagelijksche verwerking van 400 ton riet. liet ver warmde oppervlak der ketels bedroeg 800 M 2 , teiwijl indien dit oppervlak nog grooter genomen wordt, ook de resultaten nog beter zullen zijn. Bladeren hebben 3 tot 4 dagen noodig om in de zon te drogen. Naast vele voordeden bezitten zij echter bet groote nadeel van veel ascb achter te laten, terwijl de dikke bladnerven niet ver branden, daarom zal men 3 man noodig hebben voor bet wegrui men der asch. Ook moet voor het stoken der bladeren, het rooster om een horizontale as, die in het midden van het rooster is aan gebracht, draaibaar zijn, zoodat door omkeeren van het rooster de ascb snel verwijderd kan worden. Overigens geven de blade ren een zeer goed en levendig vuur. Hoewel uit bet bovenstaande blijkt, dat de ampas met de bladeren te zamen bij toepassing van het diffusie-systeem voldoen de brandstof voor de verwerking van het sap opleveren, zoo blijkt hieruit tevens, dat men slechts op weinige plaatsen in de gelegen heid zal zijn, dit systeem met voordeel toe te passen. Door het persen van de snijdsels kan het watergehalte tot ± 55 pCt. terug gebracht worden, doch de 15 pCt. ilie nu nog te veel aanwezig zijn, voordat de ampas als brandstof geschikt is, zijn nietmachines bezwaarlijk te verwijderen en kan dit vooralsnog alleen met behulp van de zonnewarmte geschieden, in dat geval kan ook zonder be zwaar de voorpersing achterwege blijven en kunnende uitgeloogde snijdsels direct van de diffusie-ketels naar de velden vervoerd worden. Van de diffusiebatterij komt bet ruwe sap op een draaiende zeef, waardoor mechanisch meegenomen stukjes ampas terugge houden worden. Gewoonlijk werd daarna het ruwe sap naar de voorwarmers gevoerd en hier tot 500 O verhit, daarna werd kalk tot neutraliteit van het sap bereikt was, toegevoegd en tot 85° C. verwarmd. Het bezonken sap werd met zwavelzuur ontkleurden door Pbilippc-filters gefiltreerd, waarna het naar het verdampings toestel ging. Het schuim werd door filterpersen gepompt en zoo doende het sap van het neerslag gescheiden, de verkregen perskoeken 564 Diversa raededi dingen bevatten gemiddeld 6,8 pCt. suiker, 0,3 pCt. glucose en 22,5 pCt. asch. Ook werd beproefd het sap koud met zwaveligzuur te behan delen en wel met gunstig gevolg, daar de kalk scheiding dan zeer gemakkelijk plaats greep. Hiervoor weid het diffusiesap, dat ge middeld een dichtheid had van 12,5° Brix en ecne aciditcit van 0.073, zoolang met zwaveligzuur behandeld, totdat cene gemiddelde aciditcit van 0,2317 in 100 c.M*. sap verkregen was. Daainawerd tot 75° 0. verhit en kalk toegevoegd, op deze wijze werd een zeer helder sap van lichtgele kleur verkregen, dat zeer snel filtreerde. Ruw rietsap moet echter koud met zwaveligzuur behandeld worden omdat anders het gehalte aan reduceerende stoffen te sterk toe neemt. Het gefiltreerde sap. dat naar de verdampirg gaat wordt tot 95° C. verhit, de alcaliteit, die bij de kalksebeiding gemiddeld 0,01 bedraagt, is bij het gefiltreerde sap niet hoogcr dan 0,002 — 0,003. De triple-efl'et bezit cSOO M ; verwarmend oppervlak: de ver damping had steeds geregeld plaats, doch er werd waargenomen dat in het eerste lichaam van hel apparaat ongeveer O,G pCt. glu cose gevormd wordt, zoodat terecht het gebruik van sap-kook pannen (Pauly-pannen) wordt afgeraden. De eerste-product-vulmassa werd in open maischen afgelaten en na 6— 8 uur gecentrifugeerd. De afloopstroop werd op 2e product en de melasse op rum verwerkt. liet rendement uit het riet bedroeg 8,5 tot 9 pCt. aan 1" product en 1,7 pCt. 2e product, terwijl de hoeveelheid melasse ongeveer 3 pCt. van het rietgewicht bedroeg. Deze cijfers zijn evenwel niet zeer nauwkeurig, daar' de hoeveelheid verwerkt riet enkele malen uit bet aantal gevulde diffusieketels berekend moest woiden. Ook werden behalve suiker en stroop nog groote hoe veelheden „azal" vervaardigd, dat is een uit diksap van ',Vi — 30" Beauraé verkregen vloeistof, die men laat vergisten, waarna een produel wordl verkregen, dat in smaak veel met honig overeen komt. Indische Mercuur 1898 blz. 101 en 118. Diverse mcdedeelingeli 565 De volgende circulaire ter nagedachtenis van Baron Fred. von Maeller, K.C N. G-, M. D , F. R S. Gouvernements plantenkundige van Victoria, werd ons toegezonden. Allo geleerden en alle vrienden van den Baron zullen met genoegen vernemen dat zijn executeurs-testamentair (de Eet w. Heer W. Potter en de lleeren Alexander Büttner en Hermann Büttnsr) pogingen in het werk stellen oin een monument, zijn naam waardig, op zijn graf op te richten. Het monument zal uit grijs, bepolijst graniet bestaan en 23 voet hoog zijn, omgeven met een ijzeren hek. Het zal hun ook aangenaam zijn te hooren, dat de supplement band van de Flora Australiensis, het werk waaraan bij sedert jaren arbeidde en voor de pers gereed maakte toen de dood hem verraste, zal uitgegeven worden, even als de twee deelen over zijn beheer als directeur van den Botanischen tuin, zijn levensbeschiijving en de volledige beschrijving van zijn werken. De executeurs zullen met genoegen brieven, welke door den Baron geschreven zijn ontvangen, even als mededeelingen omtrent voorvallen en gebeurtenissen uit zijn levensloop, die door zijn vrienden geschikt bevonden worden om in zijn levensbeschrijving te worden opgenomen. liet bedrag der inteekening en de brieven moeten geadresseerd worden aan den Eerw. lieer W. Potteb ~von Müeller" Arnold street, South Yarra, Victoria, Australië, die de goeie ontvangst per brief zal melden. Volgens telegram aan het Algemeen Syndicaat van Suikerfa brikanlen op Java, bedraagt de met biet beplante oppervlakte, vergeleken met de beide vorige jaren: 1896 1897 1898 Duitschland 420035 H-A. 430000 H.A. 417000 lI. A. Oostenrijk 347391 » 303000 » 308000 » België 70348 » 55000 » 520C0 » Nederland 43868 » 33000 » 41000 » Zweden 28050 » 24000 » 23000 » Frankrijk 249056 » 231000 » 238000 » Rusland 336363 » 403000 » 443000 » Andeic landen .' 25000 » 1/.95U1 H.A. 1,50i000H.A. 1,522000 lI. A. Diverse mededeelingen 566 Dr. H. Winter verzocht ons het nivolgende op te nemen: In No. 11 van dit tijdschrift tracht de heer Moor;vliet eenige maanden na mijne publicatie iler resultaten van Dogoh-kidoel in No. 1 van dezen jaargang, de cijfers op zijne manier aan een con tróieberekening te onderwerpen. Ik kreeg het stuk van een reis naar Batavia terugkeerende pas heden in handen en is het dus te laat om in het nummer van 15 Juni te repliceeren. Afschoon de strekking van het op deels willekeurige, deels foutieve veronderstellingen gebaseerde elaboraat, eigenlijk geen antwoord verdient, zal ik toch in het volgende num mer hierop terug komen en verzoek ik den lezers van het Archief beleefd hun oordeel over de zaak zoolang op te schorsen. Soerabaia, 10 Juni 1 «98. (w.g.) Dr. 11. Winter. Maandelijksch overzicht van de Regenwaarnemingen van het aeg km een syndicaat van' sllkerfauhikanten 01' java. April 1898. Diverse mededeelingen 567 Regen-waarnemingen, April 1898 Diverse mededeelingen 568 Overzicht van den RiETsuiKErtunvoKii en de Bietsuiker productie van Juli 18Ü7 t/m. Februari 1898. Statistiek, oogst- en marktberichten, enz 570 Suikerproductie en verbruik in de verschillende Europeesehe landen gedurende de campagne JB9C/U7. Statistiek, oogst- en marktberichten, enz. 571 Schatting dor Europeesclie Bietsiiikerproductie (in tonnen). 1897/98 1896,97 1895/96 1894,95 Duitschland 1,850000 1,830530 1,(315111 1,844586 Oostenrijk 835000 934007 701405 1,055821 Frankrijk 820000 752081 667853 792511 Rusland 750000 714930 712090 015058 België 225000 288009 235795 243957 Nederland 125000 174206 10082'.) 81507 Andere landen 188000 202090 156340 150000 4,793000 4,902705 4,285429 4,792530 F. O. Lkht's Monatsbericht 1898, No. 7. Europa, 14 Mei. Duitschland. Het weer, dat op weg naar ver betering was, is wederom geheel veranderd. Na enkele warme dagen, die het beste deden hopen, heerscht thans weer een vochtige koude weersgesteldheid. Het is duidelijk, dat zulke omstandigheden niet gunstig werken op de ontwikkeling der jonge bieten, ook het zaaien ondervindt vertraging: men is ongeveer 14 dagen met verleden jaar ten achteren. In Oostenrijk hcerschte gedurende eenigen tijd mooi droog weer, later werd het echter nat en koud, waardoor bij het uitzaaien der bieten veel tegenspoed wordt ondervonden. In sommige streken hebben de jonge bieten veel door snuitkevertjes te lijden. In Frankrijk heeft men geen reilen tot klagen; hoewel er eenige regenbuien vielen, kon met het uitzaaien doorgegaan worden, het geen in enkele streken reeds afgeloopen is. In Rusland is het uitzaaien bijna gedaan, men verlang! echter hard naar tempcratuursverhooging. Nederland en België hadden betrekkelijk gunstig weer, met het uitzaaien is men zoo goed als gereed. Koloniën. Cuba. De meeningen omtrent den invloed van den oorlog op de suikerindustrie van dat eiland, loopen zoo uiteen,dat het onmogelijk is, hierover iets met zekerheid te kunnen mededeelen. De toestand in Queensland is gunstig, de oogst wordt geraamd op 130000 ton. De weersgesteldheid in Louisiana was droog, doch veel te koud voor het jaargetijde. In Demerara is droogte ingetreden, uien verlangt echter naar warm weer. 572 Statistiek, oou'3t- en marktberichten, enz. De verwachtingen, die men van den oogst dor Philippijnsche eilanden koestert, zijn niet zeer gunstig, de productie van dit jaar zal minder bedragen dan die van het vorige. Op Trinidad beerscht thans oen gunstige weersgesteldheid, het verwerken van het riet gaat geregeld door; tot nu toe werd afge scheept 19173 ton. Soerabaia, 13 Juni. In suiker kwamen sedert laatste bericht verdere belangrijke afdoeningen tot stand tot / 7 voor 11/14 en /' l l U —7 8 / 8 voor 15/17. terwijl ook een enkel partijtje zeer gewilde hoofdsuiker 15/17 tot ƒ 7'/« koopers vond. Seconds afgedaan tot / 7 No. 14, waartoe nog steeds vraag. Zooverre bekend is in den Oosthoek deze suiker geheel opgeruimd. Suikerverkoopen, oogst 185)8 t'ni 5 Juni. voor zooverre die bekend zijn geworden. 3,205000 pikol totaal vorige lijst. 10000 i Besito f f) 3 4 No. I*2 en hooger 10000 » Langsee » » '2000 » Phaeton 7»/i 15 10000 » Sindanglaut IV', Il —1 i 10000 » Ketanen 6's » 10000 » Koning Willem 11 » » 10000 » Sempal wadak & 4 » 5000 » Pleret » i 10000 » Bantool i 12 en hooger 7500 » Tjebongan » » 5000 » Tandjong tirto » » 10000 » Krian en Ngelom 6'/ 8 11—14 10000 » Sedatie 6 8 /< » ■10000 s Sragie » » 20000 i Tjomal » » 5000 » Besito » », 5000 » Kartasoera » » 5000 » Barongan 7 l ' 4 15 5000 » Petjangaan » » 3000 x Pongah 7',, i 5000 » Prambonan 7 1 ,' 4 » 30000 » Amcnt rest &U 11 —14 Transp. 3,402500 pikol. 573 Statistiek, ocgst- rn marVtberohtoo, enz Transp. 3.402500 pikol. 10000 » Wonoredjo 6 7 /s H— 14 10000 » Koning Willem II » » 5000 » Besito » 12 en booger 5000 « Kalitandjong » » 5000 » Soemongko Babat » 11 —li 5000 » Goedo » » 5000 » Ngandjock » » 5000 » Meritjao » » 5000 » Redjosarie » » 5000 » Pesantren » » 5000 « Perning » i 5000 » Ilagoc » » 5000 » Djaboeug » » 5000 i Soemberkareng » » 5000 » Trangkil » » 5000 » Klaling » » 0000 » Kemboen » b 5000 » Bandjardawa » b 5000 » Pangongan » » 5000 b Balapoelang b » 5030 » f.oewoenggailja t » 5000 » Djatipiiinü » » 10000 b Langsee b 12 en huogci' 5000 » Loewoenggadja b 11 —14 5000 » Djatipiring » » 30000 » Koning Willem II rest 7 » 10000 b Kepandjen 6?/ 8 » 10000 » Sentananlor b b 10000 » Dinojo b b 10000 b Brangkal > » 10000 » Bangsal » t 10000 » Tangoenan b b 10000 b Balongbendo » » 45000 » Gempolkrep 7 » 40000 b Poewoasrie b b 35000 b Bogoh kidoel » » 10000 » Majong » » 90000 b Tjandi » » Transp. 3,792500 pikol, 574 Statistiek, oogst- cu marktberichten, enz Transp. 3,792500 pikol 1000Ü » Bendokrep 6?/ 8 12 en hooger 10000 » Kaliwoengoe (Sem.) » » 10000 » Barongan » » 10000 » Waroe » 11 —14 10000 » Soemberredjo » » 5000 » Soedhono » » 5000 » Rendeng » 12 en hooger 5000 » Kedaton Pleret » » 2500 » Sedaijoe t » 5000 » Sewoegaloer 7 3 / 8 15 5000 » G-ajam 7 11 —14 5000 » Plosso i » 5000 » Porrong » » 5000 » Pajangao » » IOOUO » Menang » » 5000 » Djapanan » » 5000 » Kctintang » » 15000 » Soemengko Babat » » 10000 » Petcrongan » » 5000 » Wonoredjo » » 20000 » Sentanan lor » » 20000 » Dinojo » » 20000 » Brangkal » s 20000 » Bangsal » » 20000 » Tangoenan » » 10000 » Kalibagor (i 7 « 12 en hooger 10000 » Poerwokerto » » 10000 » Rewoeloe 7 » 10000 » Beran t> % 5000 » Besito » » 5000 » Kartasoera » » 5000 » Gedaren » » 35000 » Oemboel rest 6?/ 8 11 —14 27000 » Wonolangaii » » » 26000 » Wringin anorn » » » 5000 » Pleret » » 10000 » Krian en Ngelom 7 » 10000 » Djatie » » Transp. 4,203000 pikol Statistiek, oogst- en marktberichten, enz 575 Transp. 4,203000 pikol 5000 » Besito C> 7 sl2 en hooger 30(30 » Modjopang eng 7 1 !., 15 15000 » Soeraberkareng 7 11 —li 'JOUOÜ >> Tangoo'angin >: » 10000 » Watoetoelis » » 10.000 ï Popoh » » 5000 i Pajangan » » 5000 » Plosso » 10000 » Soemberredjo » » 10000 » Pagottan . • 5009 » Socmobito » » 5000 » Nangkaan 7: s v.a.b. » 5000 s Petjangaan 7'/ 4 15 25000 » ' Poerwodadie 7 11 —14 15000 » Soekodono » » 20000 i Alkmaar » » LüOOO » Wonoredjo » » 5000 » Kemantren ~ ] i 15—17 10000 > Klidang » » 15000 » Wonopringgo » » 10000 » Majong 7 11-14 10000 » Sragie » » 10000 ») Pangka » » 10000 r> Modjopangoeng 77 2 16 10000 » Doekoewringin 7 11—14 10000 » Kemanglen » » 10000 » Ketanggoengan West » » 15000 » Kemantren » » 20000 » Kalimatie » i 20000 » Tirto i »» 20000 » Soerowinangoen » » 15000 » Gonsalvcs » » 10000 » Wonopringgo » » 10000 » Kemanglen « » 10000 » Doekoewringin » » 10000 » Ngempit » i 10000 » Winongan » » Totaal 4,621000 pikols. 576 Statistiek, e» tnaiktbcrichten, enz. STATISTIEK, OOGST- EN MARKTBERICHTEN- ENZ. Aantal, Werkwijze, hoeveelheid verwerkte bieten enz, van de Düitsche Sui.ke«fabrieken. OORSPRONKELIJKE VERHANDELINGEN I)K SUIKERPRODUCTIE DER VERSCHILLENDE RESIDENTIES door W. C. DICKHOFF Even als vorige jaren ontving ik, dank zij de welwillende me dewerking van 11. 11. administrateurs en handelshuizen vele sta tistische gegevens. Jammer echter is het aantal gegevens uit West- J&va minier dan verleden jaar. Do statistiek wordt hierdoor onvol lediger, terwijl juist het tegendeel moest geconstateerd kunnen worden. Van de 188 fabrieken; die gewerkt hebben, verstrekten 16(5 de gevraagde opgaven. Even als tot nu toe steeds gedaan is, vermeld ik de namen der fabrieken van welke het mij niet mogelijk was opgaven te verkrijgen, met het doel daardoor eenigszins te kunnen afleiden, in welke lichting de door mij gevonden gemiddelde productiecijfers moeten gewijzigd worden. Het is duidelijk, dat wanneer onder de ontbre kende fabrieken, eenigc voorkomen met een laag productiecijfer, de berekende gemiddelde productie iets te hoog zal uitvallen; dit is b. v. hel geval met de residentie Soerabaia. Bkzokki Alle fabrieken in deze residentie deden ons de gevraagde opga ven toekomen. In het geheel werden beplant 7224 bouw (5126 11. A.) bruto = 6535 houw (4638 11. A.) netto, waarvan een oogst werd ver kregen van 6,766685 pikol (417517 ton) riet en geproduceerd 599300 pikol (37013 ton) hooldsuikcr en 72100 pikol (4i53 ton) zaksuiker of gemiddeld: prod. per K. G. per prod. per K. G. per bruto houw 11. A. netto bouw 11. A. riet 934 81287 1034 B<>o9o hoofdsuiker 83 7223 01,7 7981 zaksuiker 10 870 11 957 Drie fabrieken verkregen 48500 pikol onverwerkbare stroop, terwijl de aanplant van die fabrieken 1895 bouw netto bedroeg en de hoofdsuikerproductie 172328 pikol, dit maakt dus 25,5 pikol per bouw of 1 doel op 3,5 doelen krandjangsuiker. STATfSTIEK, OOGST-EN MARKTBERICHTEN- ENZ. Zichtbare voorraad van Suiker, Januari 1898. 1898 1897 189(3 Engeland 15 Jan. 108123 130282 105200 ton Frankrijk 1 » 510000 021119 4953C8 Duitschland 1 » 1,075729 1.1)71072 1,083366 Hamburg 12 » 129500 101000 138000 Oostenrijk 1 » 539900 020811 614195 Triest 15 » 10909 12000 39:500 België 1 » 129156 157302 118102 Nederland 1 » 133979 98141 100910 Zeilend n Europa 11 » 37669 22737 27140 Totaal in Europa 2,094050 2,813304 2,710947 Ver. Staten 12 Jan. 224000 243L47 139400 Cuba 12 » 18000 32841 85730 Zeilend n'Amerika 11 Jan. 18332 lllli 36787 Totaal in Amerika 200382 287102 201917 Totaal-generaal 2,955038 3,130+66 2,9728(54 Prager Zuckermarkt 1898, bh. 46. De Wereld- suikerproductie bedraagt volgens de oogstraming der heeren Willet & Gray te New- York (in tonnen): 1897/98 1896/97 1895/96 Vereenigde Staten (beetwortel 70000 ton) 810000 280000 207720 Canada (beetwortel) 300 300 510 Spaansch West- Indié Cuba- oogst 400000 219509 240000 Porto ilieo 52900 50000 50000 Britsen West- Indië Barbados {uitvoeren) 58000 50900 47800 T. in Had id. 55000 55090 58000 Jamaica 30000 39000 30900 Antigua en St. Kitts 25000 29000 24009 Fransen West- Indië Martiniqne {uitvoer) 35000 35000 35000 üuadeloupe 45000 45000 43009 Deensch West- Indië St. Croix 8000 8000 8030 Haiti en San Domingo 50000 50000 50000 Kleinere Antillen, hier boven niet genoemd BÜCO 8000 8000 OORSPRONKELIJKE VERHANDELINGEN- MEDEUEELINGEN VAN HEI'PROEFSTATION VOOR SUIKERBIET IN WESTJAYA TE KAUOK TEGAL. No. 33. OVER HET AFSTERVEN VAX JONGE KIETPLANTEN, VER / OORZAAKT DOOR EENE GISTSOORT. door Dr. M. KACIUOIUKI In den loop dor laatste maanden ontving ik van twee onder nemingen in de residentie Tegal zeer jonge riétplanten, die reeds afstierven, liet door mij daarnaar ingestelde onderzoek gaf aan, dal iu deze heide gevallen een mikroörganisme van de snij vlakte uil in de bibit gedrongen was. dat eerst tusschen de cellen groeide, daarna daar binnen drong en dientengevolge een aantal jonge spruiten bereikte en ze doodde. 1. Ziekteverschijnselen, Aan de jonge plantjes, die nog slechts 1 — 3 d.M. hoog zijn : bemerkt men, dat de blaadjes geel worden en verdingen, waarna de geheel e jonge spruit verdroogt of verrot. Aan ile verdroogde blaadjes is niets bijzonders te bespeuren, ter wijl eene overlangsche doorsnede door den jongen stengel aantoont, dat bet afsterven beneden bij het uittreden uit de bibit begint en zich naar boven voortzet. In de öVerlangs gespleten bibit vinden wij onregelmatig begrensde op wolken gelijkende vlekken, die een roodaebtigen rand bezitten en in het. midden grijs en sappig zijn. De reuk is vrij sterk zuur, maar zonder het aroma, dat bij de ananasziekte zoo karakteristiek optreedt. 2. Ooi'zaal: der ziekte. Op de doorsnede door eene zieke plek zien wij onder den mikroskoop eene ontelbare menigte kleine cellen, die geheel hetzelfde uiterlijk hebben als de allerwege in den grond en op vruchten voorkomende Saccharomyces apiculalus. Aan den rand der zieke plekken der bibit komen de cellen van den Saccharomyces alleen voor in de intercellulaire ruimten van het riet, die er geheel mede gevuld worden, maar op de plaatsen, waar de ziekte reeds eenigen tijd aanwezig was. vindt men den Saccharomyces ook binnen in de cellen, die er dikwijls eveneens geheel mede opgevuld zijn. Aangezien deze mikroörganismen in alle aangetaste bibits te vinden waren en deze daarentegen of geen spoor van andere OVER HET VOORKOMEN VAN EEN SCHIZOriIVLLUM SCHIMMEL OP SUIKERRIET. Op doode rietstokken, zoowel als op doode stengels van vele andere planten op .lava groeit dikwijls een witte, lederaehtige paddenstoel, wiens grootste afmeting 0,5—2 c.M. bedraagt. De bovenzijde van dien paddenstoel is behaard, terwijl de on dei zijde zeer kenmerkende lamellen bezit, welke twee aan twee met elkaar verbonden zijn, en wiereen weinig opgerolde randen de spoien dragen. Deze zwam behoort tot het geslacht Schizopyllum en is aan merkelijk kleiner dan de eveneens op .lava voorkomende Scbizo phyllum lobatum Bref.. Went ') constateerde het merkwaardige feit, dat zij in culturen zwavelkoolstof kan vormen en afscheiden en ook, dat zij in zuurstofarme of zuurstofvrije substraten gisting kan teweegbrengen. Gedurende den laat sten maaltijd heb ik deze schimmel veel vuldig op doode rietstokken aangetroffen, maar ook eenmaal op eene onderneming in Oost-Java op levend riet. waarin zij ziekteverscbijnselen bad teweeggebracht, die veel op die van het rood snot gelijken. Om die reden heb ik eenige cultuur- en in fectieproeven met deze schimmel genomen, die het bewijs geleverd hebben, dat zij ook als wondparasiel in het suikerriet kan voorkomen. De reinculturen gelukken zeer gemakkelijk op agar-agar. Daartoe waschte ik de puddenstoeltjes goed met een straal water af en legde ze met de onderzijde naar beneden in eene vlakke "lazen schaal op een gesteriliseerd stukje gebogen kopergaas, dat boven eene laag voedingsagar-agar was geplaatst. Reeds na 24 uren waren er eene menigte langwerpige sporen door de mazen van het. metaal gaas gevallen, die spoedig kiemden en stuk voor stuk in andere cul tniirbuisjes konden worden overgebracht. Wordt een stukje van het mycelium in eene wond in een ge zond stuk riet gebracht dan ontwikkelt de schimmel zich spoedig in het parenchvm van het riet en veroorzaakt daar een ziektebeeld, '/ Ber. der Deutichen Bot. Gest-lbcli. 1896, IV 158—163 TKAMETKS PUSILLA OP BUIKERKIKT Op eene suikeronderneming in de residentie Tcgal trof ik eenige stokken Muntokriet aan, die aangetast waren door een pad denstoel en door de woekering daarvan uitgedroogd waren. Deze schimmel behoort tot de Hymenomyceten en is nauw verwant met eenige in Europa voorkomende Trametes-soorten, die daar veel schade aan sommige boschboomen toebrengen. De hier beschreven soort, die ik Trameles pusilla noem, heb ik tot dusverre slechts op ééne onderneming gevonden, en daarom vermoed ik, dat zij op .lava niet zeer verspreid is. De bier volgende regelen hebben dan ook geen ander doel dan alleen de aandacht daarop te doen vestigen. In het uiterlijk voorkomen vertoonen zelfs reeds langen tijd door Trametes aangetaste stokken niets bijzonders. Later begin nen de bladeren op te drogen, terwijl ter zelfder tijd eenige geledingen een weinig verschrompelen, ten slotte komen aan do knoopen van het steeds nog levende riet alleenstaande vrucht lichamen van de schimmel te voorschijn. Deze bevinden zich op de plaats, waar vroejer de afgevallen bladscheeden bevestigd wa ren, hebben eene halfcirkelvormipe gedaante, zijn ongesteeld, tot '2 c.M. breed, en tot 1 o.M. hoog. Aan de bovenzijde zijn zij met dicht opeenstaande, glanzige haren bedekt, welke tot 1 m.M. lang zijn. en afwisselend eene lichtere of donkerder kleur bezitten, zoo dat er concentrische zonen ontstaan, welke ongeveer 2 m.M. van elkander zijn verwijderd en afwisselend lichtgeel en donkerbruin gekleurd zijn. De rand van den lederachtigen hoed zelf is kaal, wit en gaaf. Aan de onderzijde is de schimmel dicht met lood rechte buizen voorzien, waarin de sporen (gewoonlijk ten getale van vier in iedere basidië) gevormd wolden. De opening der bui zen is rond of een weinig langwerpig, soms s—li hoekig, naar den voet der schimmel toe zijn zij meer verlengd, en gedeeltelijk onregel matig. De breedte dier sporendragende buizen bedraagt tot '!•> m.M., aan de basis zijn zij 'A m.M. lang en het middelste deel hun ner wand gaat ongemerkt over in het lichaam van de schimmel. Al deze kenmerken zijn eigen aan het geslacht Trametes, dat overigens zeer moeielijk te onderscheiden is van het geslacht. OVER ZIEK TERGENRIET. Tergenriet is eene rietsoort uit Sumatra met dikke, tonvormige, geelgroene geledingen en spitse oogen. Van deze rietsoort beslaat er op eene onderneming in de residentie een kleine aanplant, af komstig van bibit uit den variëteiten tuin van het Proefstation te Kagok. Alle daar voorhanden exemplaren dezer rietsoort zijn op eigenaardige wijze door ziekte aangetast en sterven af. Omstreeks half April, toen ik dit riet zag, vertoonde het een zeer karakteristiek ziektebeeld. De meeste rietstokken wilden gaan bloeien, maar de pluim komt of in het geheel niet uit de haar in sluitende bladeren te voorschijn, of vertoont zich slechts gedeeltelijk en sterft dan tegelijk met de bladeren, die liet onderste deel van de pluim als eene scheede omhullen. Op eene overlangsche doorsnede bemerkt men spoedig de on middellijke oorzaak van het afsterven der bloempluim en der bo venste bladeren, daar namelijk alle boven aan het riet aanwezige geledingen verrot zijn. Wanneer gezond riet bloeit dan ziet men, zooals een ieder weet, in de bovenste geledingen eene duidelijke afscheiding in twee zonen. l)e het grootste deel van de geledingen uitmakendebreede zone, die van de eene knoop tot dicht bij de bovenzijde van de lagere knoop loopt, is wit en geheel uitgezogen, daar het sap tot vorming der bloempluim is gebezigd en ziet er ongeveer uit als vlierpitmerg. In de knoopen en onmiddellijk daar boven vindt men de andere zone, die ten tijde van den bloei nog niet verdroogd, maar nog sapi'ijk is en eene grijze kleur vertoont. Nu is juist deze zone, die bij gezonde planten gedurende den bloei levend en sappig blijft, bij het zieke Tergenriet bruin van kleur, half verrot en verschrompeld. Tegelijkertijd zijn ook de onderste deelen der hoogste bladeren verrot en dientengevolge verdrogen zoowel de pluim als de topbladeren. Deze aantasting heeft veel overeenkomst met het ziekte \ei schijnsel, dat men soms bij jong riet op kan merken en dat men toprot noemt. Tusschen deze beide ziekten bestaat echter dit verschil, dat laatstgenoemde eenige maanden eerder optreedt, na melijk in het begin van den Westmoesson; verder worden daarbij in het topeinde van den stengel greote holten gevormd, die met OORSPRONKELIJKE VERHANDELINGEN- MEDEDEELUfQEN VAN HET PUOEESTATION OOST-JAVA. Nieuwe Serie No. 18. IS VOOKBKMKSTINU AANUEYELKNSWAAKDItt .' door J. L>. KUBUS. De piactici zijn bet er niet geheel eens over, of het voor den groei van liet riet beter is de eerste bemesting vóór het planten te geven of eerst eenigen tijd daarna, b.v. bij liet inboeten. Daar do planttijd voor de deur staat, komt het mij gewenscht voor ecnige cijfers, die hierop betrekking hebben reeds nu mede te deelen, hoewel ze eigenlijk een onderdeel uitmaken van een uit voeriger onderzoek, waarvan de resultaten eerst over een paar maanden zullen kunnen gepubliceerd worden. Op 7 Maart 1.1. plantte ik een aantal stekken van 11 rnaands zwart Cheribonriet in krandjangs, gevuld met een mengsel van zand en zavelgrond. Een derde der planten werd voorbemest met 4,8 (i. zwavelzure ammonia per plant (+ 1 pikol per bouw), een derde bemest 10 dagen na het planten, een derde on bemest gelaten. Een zorgvuldig genomen gemiddeld monster der bibit (18 stuks), werd in het laboratorium onderzocht. Het stikstofgehalte bedroeg 0,0618 %; bet gemiddelde bibit gewicht was 150.74 G. In de bibit was dus 121 m. G. stikstof. De zwavelzure ammonia bevatte 20,42 % stikstof; elke plant werd dus met 9SO m. G. stikstof bemest. Drie weken na het planten werden 36 onbemestc en 36 voor bemeste planten met wortel en al geoogst en onderzocht. Op het oog was in de grootte der stengels geen verschil te zien, daaren tegen was de kleur der voorbemeste planten donkergroen, die der onbemeste geelgroen. De onbemeste planten hadden gezamenlijk 102 uitsnruitsels, de voorbemeste 101; daar alle stekken drie oogen hadden, was de kiemkracht dus zeer bevredigend. Het viel dadelijk op, dat de onbemeste planten een veel grooter wortclnet hadden. dan de bemeste; er waren in dien korten tijd zelfs wortels van bijna 60 c.M. lengte gevormd. De analyseresultaten waren de volgende; STATISTIEK, OOGST EN MARKTBERICHTEN, ENZ- Gedurende de campagne 1890—97 zijn in Zweden (ot;ial ver werkt 890240 ton beetwortelen, hiervan werden verkregen aan 1c product 94261 ton, aan 2e product 9049 ton, aan 3c en 4e pro duct 1645 ton, terwijl aan melasse overgehouden werd 25615 ton. Het gemiddelde rendement bedroeg: 10,59 %Ie product , 1,08 »2e » totaal 41,80% ruwsuiker 0,19 »Been 4 e » 2,88 » melasse liet totale rendement bedroeg in de jaren: 1892-93 10,80% 1893—94 11,42 » 1894—95 11,60 » 1895-96 11,75 i> 1896-97 11,86 » Deze cijfers toonen een steeds stijgend rendement aan, gedeel telijk verkregen door bel aanplanten van betere bietsoorten, doch voor liet grootste gedeelte door de technische vooruitgang in de fabrikatie. Deutsche Zuckerindustrie 1898, bk. 951. Totaal Java-Suikerafschepingen van 1 Jui.i 1897 tot 31 Maart 1898, naak alle havens (tonnen van '1000 k. g.) Il Voor zooverre de eindbestemming tot op heden i* kannen worden nagegaan 2) Bffaartopgave nog niet ontvangen. Archief voor de Java-Suikerindustrie 1808. Au.. No 11. PLATTE GROND VAN DE NOOKD-N E ULRLAN DGCI IE ULL I WÜRTELSUIKERFADRI EK TE VIERVERLATEN DIJ GRONINGEN, NOORD-NEDERLAND3CHE BEETWORTELSUIKERFABRIEK TE VIERVERLATEN BIJ GRONINGEN ARcniEi suikerindustrie 48<)8. Aki.. No. 14. Plaat IX  VERDAMPSTATION. Archief voor de Ja va-Suikerindustrie \SW. Akt,. No. 11. Plaat XI    DIFFUSIEBATTERIJ, SNIJMACHINES, SATURATIEPANNEN EN FILTERPEKSEN. Arcshief voor de Java-Swrerinhustbie 1898. Afl. No. 11. Plaat X ARCHIEF VOOR DE JAY A-SUIKER INDUSTRIE.  ARCHIEF VOOR DE JA VA-SUIKERINDUSTRIE. ,1. 1). KOBÜS, Hoofdredacteur. W. C. DICKHO F F, Redacteur. COMMISSIE VAN REDACTIE: H. C. PRINSEN GEERLIGS, S. A- ARENOSEN HEIN, |. P. MOQUETTE, W. DE WAARO, Dr. H. WINTER. ü<i* JAARGANG 1898. l»t« helft. Uitgegeven door: Het irchief voor de J»va-Bulkerindiistrie.  INH O U D VAN DEN o'»" JAARGANG, 1893. (1«« IJ elft.) Oorspronkelijke verhandelingen. Blz. W. C. DicKiiOFi". De met suikerriet beplante opper vlakte van Java 385 » » De suikerproductie der verschillende residenties 433 11. C. Prinsen Geerligs. Inversie van suiker door neutrale zouten in tegenwoordigheid van glu cose 3 » » » Inwerking van neutrale zouten op glucose bij hooge temperatuur . . 14 » » » Verontreinigd kopersulfaat ... 19 » » » De toestand der rietsuikerindustrie in de verschillende productielanden 145 Mr. 11. s' Jacob. Survival or the fittest .... 186 J. D. Kobus. Rapport over den proeftuin 1896-97 49 » » » Is voorbemesting aanbevelenswaar dig? 5'29 J. P. Moquette. Resultaten verkregen met suikerriet uit zaad '289 Du. M. Raciborski, Eenige bestanddeelen van het sui kerriet '2U » » » Over het afsterven van jonge riet planten, veroorzaakt door eene gist soort 481 » » » Over het voorkomen van een Schi zophyllumsoort op suikerriet . . 486 » » » Trametes pusilla op suikerriet . . 489 » » » Over ziek Tergenriet 491 Blz. Dr. M. Raciborski. Over den groei van riet op zout houdenden grond 493 Dr. L. Zeiintner. Da wevervogels in het suikerriet op Java 97 » » » De Kentjong-kever 337 » » » Verdere waarnemingen omtrent den o o wawalan 345 Letterlijke vertalingen. Ed. E. Siiorkv. Het voornaamste amide van liet sui kerriet 360 Referaten. C. A. BAniiK.K. ïlie diseases of the sugar eane . . 445 Prof. Dr. J. Kuiin. Versuche i'ilier die Phosphorsaure wirkung des Knochenmehles. . . 533 A. Wieler. Die gummösen Verstop f ungen des serelikranken Zuckerrohres ... 20 Mededeelingen uit en voor de praktijk. \Y. K. van Gennep. Een praktische methode ter contro leering van de werking van het imbihitiewater op de ampas . . . 499 N. C. Hoogvliet. Een controlcbcrekening toegepast op de nieuwste resultaten van rende mentsvermeerdering 495 A. J. W. van Hoorn. Een en ander over de zoogenaamde dongkellan ziekte 70 D. van Hinloopen Larberton. Resultaten verkregen met kristallisatie in beweging .... 539 C. J. van Ledden Hulsedoscii. Sapzuivering 32 F. J. J. v. d. KOI.K. Boordereieren 99 H. E. Naus. Eene verbetering aan kooktoestellen. 37 H. C. Prinsen Geeri.igs. Verontreinigd kopersulfaat . . . 538 Dr. M. Raciborski. Voorloopige mededeelingen omtrent eenige rietziekten 391 K. .1. Sta VERMAN. Eene bijdrage tot de kennis van den kalkoven op carbonatatiefabrieken . 111 Dr. 11. Winter. Over kristallisatie in beweging lil. 23 Diverse mededeelingen. Blz. 43, 70, 116, 193, 240, 316, 368, 395, 456, 500, 541. II Inhoud Statistiek. Blz. 46, 9i, 140, 232, 279, 333, 376, 431, 476, 523, 569. Oogst- eu marktberichten. » 48, 95, 143, 235, 287, 335, 384, 432, 479, 527, 572. Regen waarnemingen. , 94, 139, 231, i32, 278, 279, 37?, 4SO, 475, 523, £07, E6B. III Inhoud  VOORWOORD Vijfjaren zijn sedert de oprichting van het Archief verstreken, vijfjaren waarop met voldoening door de oprichters kan worden teruggezien. Telken jare toch nam de omvang van het tijdschrift toe en de toename van het aantal abonnees hield daarmede nagenoeg gelijken tred. Sedert het Archief in Mei 1893 begon te verschijnen, zijn wij in staat geweest 195 oorspronkelijke verhandelingen Ie publiceer en, welke met 155 mededeelingen uit de praktijk, allen rechtstreeks betrekking hadden op onze suikerindustrie. Naast deze 350 stukken verschenen nog een aantal referaten en letterlijke vertalingen, benevens een overzicht over hetgeen in de buitenlandsche suiker tijdschriften gepubliceerd werd, terwijl wij in 1896 in staat waren aan de abonnees hetgeheele congresverslag als bijlage aan te bieden. Het zal van den stand der kas afhangen of dat in 1898 weer het geval zal kunnen zijn. Wanneer alle fabrieken onder Europeesch beheer zich abun neeren op de bekende voorwaarden, kan dat zon ler eenigen twijfel. Hoewel in verscheiden residenties alle of nagenoeg alle fabrieken geabonneerd zijn, is dit in andere niet het geval, zooals uit de volgende cijfers blijkt. Europeesche fabrieken geabonneerd % Bezoekie 13 12 92 Probolinggo 14 13 93 Pasoeroean 9 8 89 Soerabaia 32 29 91 Kediri 14 9 64 Madioen 5 4 80 Japara 11 10 83 Transporteere 98 85 Europeesche fabrieken geabonneerd % Transport. 98 85 — Samarang 4 4 100 Solo 15 8 53 Djocja 15 7 47 Ragelen 1 1 100 Banjoemas 4 4 100 Pekalongan 5 5 100 Tegal 11 11 100 Cheribon 10 -0 60 103 131 80 Wanneer 2 /3 van de 32 ontbrekende fabrieken toetreden, zoude zonder hulp van buiten het congresverslag ook in 1898 weer als bijlage kunnen gegeven worden. Bovendien zal in den loop van dit jaar eene tweede bijlage van liet Archief verschijnen, waartoe wij door de vrijgevigheid van het Syndicaatsbestuur, die wij ten zeerste apprecieeren, in staat werden gesteld. Deze bijlage zal bestaan in een herdruk of een referaat der belangrijkste verhandelingen de suikerindustrie betrelfende, die vóór de oprichting van het Archief in druk verschenen. Zoodoende hopen wij, dat het Archief, vooral ook door meie werking der practici, steeds meer liet ideaal zal naderen, dat men er zich bij de oprichting van voorstelde, en dat het de onmisbare vraagbaak worde van iedereen, die belang heeft bij of belang stelt in onze Java-suikerindnstrie. .1. I) KoBUS Voorwoord.' 2 OORSPRONKELIJKE VERHANDELINGEN. MEDEDEELINGtN VAN HET PROEFSTATION VOOR SUIKERRIET IN WESÏ-JAYA TE KAGOK TEGAL. No. 31. INVERSIE VAN SUIKER DOOR NEUTKALE ZOUTEN IN TEGENWOOIIDIGHEID VAN GLUCOSE. ■loor H. C. I'RIXSEN ÜELIÜ.IGS Reeds vroeger ') deelde ik de resultaten van proeven mede, waaruit blijkt, dat in tegenwoordigheid van glucose neutrale anor ganische zouten bij hooge ttmperatuur op suikereene inverteeren de werking uitoefenen, die des te sterker is, naarmate het in de zouten aanwezige zuur sterker inverteerend werkt en naarmate de base, waaraan het gebonden voorkomt, zwakker is. Ik schreef destijds dit veischijnsel toe aan eene dissociatie van »e1 zout in de verdunde oplossing, die des te sterker is, naarmate de base zwakker is, zoodat in dat geval meer zout is gedissocieerd en meer zuur vrij komt, dat bij die hooge temjeratuur suiker in verteeren kan. De glucose, die zirli met de base verbindt, werkt deze dissociatie in de band en maakt voornamelijk bet zuur vrij, welk verschijnsel binnen zekere grenzen toeneemt met de hoeveel heid glucose. Verdere proeven leerden mij echter, dat de eigenlijke dissociatie der neutrale alkalizouten van anorganische zuren zeer gering is, zoodat deze. hoe lang ook met suiker verbit. geene aanmerkelijke hoeveelheden daarvan aantasten. Het bleek, dat veeleer de glucose de rol van een zeer zwak zuur speelt, dat zelf niet in verteeren kan, doch wanneer er een zout aanwezig is, een deel van het zuur •n vrijheid stelt, dat als bet een sterk anorganisch zuur is, wel suiker aantast. Dat suiker door tal van anorganische zouten ook zonder aan wezigheid van glucosekan geïnverteerd worden, is reeds lang bekend *) en dit heeft onlangs nog het onderwerp eener studie van Long 3 ) uitgemaakt, maar al deze proeven zijn genomen met zouten van 1) Archief. 1895. 3'_>9. 2) Zie O. v. LIPi'MASN, Zuukeraiten pag. 731 3) Chom. New», Oot. 28, 1896. zware metalen, wier oplossingen sterk zuur reageeren en geacht kunnen worden de base en het /.uur in gedissocieerden toestand naast, elkander te bevatten. De nu volgende proeven Lebben echter alleen betrekking op zouten, die alleen geen inverteerende werking uitoefenen, doch wel in tegenwoordigheid van glucose. Ten einde na te gaan, welke concentratie van suiker, glucose en zouten de gunstigste is en gedurende welken tijd verwarmd moet worden om de best vergelijkbare resultaten te krijgen, wer den de volgende reeksen proeven genomen: I. Proeven met gelijke hoeveelheden suiker, glucose en water, doch met afwisselende hoeveelheden zout. 11. Proeven niet gelijke hoeveelheden suiker, zout en wateren i afwisselende hoeveelheden glucose. 111. Proeven niet gelijke hoeveelheden glucose, zout en water en met, afwisselende hoeveelheden suiker. IV. Eene zelfde oplossing die bij 100° verwarmd is en na verschillende tijden verwarmens onderzocht. Bij al deze proeven werd voor suiker gezuiverde saccharose gebruikt, voor glucose invertsuiker, verkregen door inversie van suiker met zwavelzuur en neutralisatie met bariumcarbonaat en voor zout, gezuiverd keukenzout. De oplossingen werden in kolfjes gebracht, die gesloten waren met een prop watten, waarover een omgekeerde reageerbuis was gestulpt, zoodat er geen water kon binnenkomen en verwarmd in een sterilisator volgens Koen, waarin dus eene temperatuur van 100" heerschte en geen verdamping van den inhoud, noch verdunning door condenseerend water kon plaats grijpen. Om den tijdduur van elke reeks proeven geheel gelijk te maken, werden steeds de kolfjes, die tot dezelfde reeks behooren en alle een zelfde volumen vloeistof inhielden, te zamen in een mandje van ijzergaas in den heeten sterilisator gebracht en er na verloop van den bepaalden tijd weer gelijktijdig uitgenomen. De glucosebepaliugen geschiedden voor en na de verhitting in afgewogen gedeelten der mengsels, zoodat alle cijfers direct op ge wichtshoeveelheden betrekking hebben. Volgens de proeven van Wiliielmy en van Ostyvalo is het gebleken, dat de aanvankelijk aanwezige hoeveelheid saccharose een overwegenden invloed uitoefent op de berekening der inversie constanten. Bij mijne proeven is telkens van eene andere concen tratie van de saccharose uitgegaan, zoodat de verkregen hoeveelheden 4 11. C. Prinsen öcjerligs. Inversie van suiker door neutrale zon ten in nwoordigbeid van glucose. geïnverteerde suiker wel voor iedere reeks onderling, maar niet van de verschillende reeksen met elkaar kunnen worden vergeleken. De door de genoemde onderzoekers gebezigde formule voor de inversie -1 \ constante c =• X 'og. —-— waarin 1 de tijd in minuten, A de hoeveelheid oorspronkelijk aanwezige saccharose en x de hoe veelheid geïnverteerde saccharose voorstelt, drukt dit dan ook uit. Hieruit volgt toch, dal de inversieconstante in omgekeerde reden slaat tul den lijd en dat verdere factoren zijn: de oorspronkelijke en de geïnverteerde hoeveelheid saccharose. Daai' in de i sic proeven voor iedere reeks de verwarmings tijd dezelfde is, zoo vinden wij de relatieve inverteerende krachten der zout en gluc isemengsels uil de verschillende waarden der for mule log. i_ voor ieder mengsel gevonden en omdat deze ge tallen te klein worden, is men gewoon die mei 10000 te vermenig vuldigen, zoodat deze groote cijfers hier in de laatste kolom van elke tabel zijn opgenomen. I. Hoeveelheid suiker, glucose <•>! water gelijk, rmil afwisselend. Van eene oplossing, bevattende ± 50% saccharose en + 20% glucose, werden in elk van 5 kolf'jes 50 c.M s . gebracht en vermengd 'net verschillende hoeveelheden chloornatrium en zooveel water, dat in ieder kuifje de hoeveelheid zout -f- water 5 Gram bedroeg, waarna zij godurende 1 uur in liet stoombad bij 100° werden ver warmd. De oorspronkelijke hoeveelheid suiker bedroeg 48,7% en glu cose 21,2%. 5 11. C. I'mi.fii Qeerligs. Inversie van vjiker door neutrale ZOUtes in tegenwoordigheid van glucose 11. Hoeveeliieid suiker en zoul gelijk, h leveelheid glucose afwisselend Afgemeten hoeveelheden van 50c.M s . eener 50%suikeroplossing werden respectievelijk bedeeld met 5, 10, '20 en 30% glucose en van deze vloeistoffen twee reeksen gemaakt, waarvan elk der cent 1 reeks 1 Gram zout -f- 2 Gram water en van de andere alleen 'ó Gram zout kreeg, waarna de mengsels gedurende 3 uien bij 100° in het stoombad werden verhit en daarna onderzocht. Of omgerekend op de aangewende Grammen suiker, alles in Grammen 111 Hoeveelheid glucose en zout gelijk, suiker afwisselend Er werden oplossingen bereid bevattende '20% glucose en 3% /.nut en respectievelijk 5, 10, '20, 30, 40 en 50% suiker, benevens twee met 30% suiker, '2% zout en respectievelijk 10 en 40% glu cose. Al deze oplossingen werden gedurende 3 uren bij 100 0 ge stoomd en daarna afgekoeld en onderzocht. H. C. Prinsen Geerligs. Inversie van suiker door neutrale zouten in tegenwoordigheid van glucose. 6 IV. Invloed van den duur der verwarming Volgens de formule moet de grootte der inversie in reclite reden staan met rlen tijdduur, daar de constante d. i. de hoeveel heid der oorspronkelijk aanwezige saccharose, die in de eenheid van tijd geïnverteerd wordt, evenredig stijgt naarmate de tijd waarin de reacie afloopt korter wordt. Om dit na te gaan, zijn de kolfjes van serie I, die reeds een uur verwarmd waren geweest nog 2 uur bij ico» gestoomd, dus te zamen 3 uur en daarna onderzocht. T'it deze (troeven zien wij, dat vooreerst de tijd dien de meng sels verwarmd worden den grootsten invloed heeft: hoewel deze hier niet geheel proportioneel was met de hoeveelheid geïnverteerde suiker, gaan deze twee factoren toch vrij wel met elkander op en ni ' ( 'i'. De hoeveelheid zout is van het minste belang en ofschoon er ' H l de proef met '3 Gram. meer suiker geïnverteerd werd dan bij die m et 1 Gram. zoo is deze vermeerdering 1 ing niet proportiooeel. 7 tt. C. Prinsen Qeo r tnversi* vnn suiker door neutrale zouten in tcgpffw ordigheiil van glucose, Dit wordt voor een deel daardoor veroorzaakt, dat, gelijk Spohr ) heeft aangetoond, neutrale zouten de inversie van suiker door zuren belemmeren en verminderen. Waar dus hier niettegenstaan de die belemmering bij de proeven met meer zout meer suiker geïnverteerd is, zoo kan hel niet. anders of hierbij moet meer zuur zijn vrij gekomen dan bij de proeven mei weinig zout. De hoeveel heid glucose heeft echter den meest, geprononceerden invloed gelijk de tabel II doet zien, waar, behoudens onbeteekenende verschillen, de vermeerdering van inverteerende kracht, gelijken tred houdt met de vermeerdering van glucose, terwijl hier nog eens uitdruk kelijk moet worden herhaald, dat bij proeven bleek, dat glucose zonder zouttoevoeging geene inversie teweeg brengt. Ook volgt uit de tabel 111, dat inderdaad de verhouding tusschen glucose en sui ker bijeene zelfde hoeveelheid zout en gelijken tijdduur van grooten invloed is. Waar de hoeveelheid glucose dezelfde blijft, maai' die van de suiker stijgt, zoodat eerstgenoemde stof in de minderheid komt, dan daalt de inverteerende kracht, die eerst alle suiker kon in verteeren; en waar bij de twee laatste cijfers de hoeveelheid suiker dezelfde is, doch die van de glucose verandert, zien wij hetzelfde nl., dat de inversie grooter wordt, naarmate de verhouding tus schen glucose en suiker voor eerstgenoemde stof gunstiger wordt. Zoo zien wij bij een vergelijking van No. 4, 7 en 8 tabel 111, dat bij \ eene verhouding als glucose: suiker = 1: 3 log. -—-=£010 A. — X » » 2: 3 • =4328 » » 4: 3 » =r 6446 wordt. Aangezien in al deze gevallen de eenige stof, die deze inversie heeft kunnen teweegbrengen zoutzuur is geweest, dat door de werking der glucose is vrij gemaakt, terwijl deze stof zich mot eene equivalente hoeveelheid natron heelt verbonden en verder de inverteerende kracht van zoutzuur proportioneel is aan de hoe veelheid, die in reactie treedt, zoo zien wij zeer duidelijk, dat de hoeveelheid inverteerend vermogen van de mengsels een maat is voor de hoeveelheid vrij gekomen zoutzuur. De glucose maakt dus eene hoeveelheid zoutzuur vrij, welke toeneemt naarmate de hoe-veelheid glucose stijgt en ook eenigszins /. Ira de hoeveelheid zout vermeerdert, omdat zoutzuur een zeer sterk zuur is vergeleken bij de uiterst zwak zure eigenschappen van glucose, kan deze werking niet zeer ver gaan en daar er *). Zeitschr des Vereins. f. d. Bubenzuokeriad. 18S5, 791. 1880, 279. H. C. Priinen Qeerlïjs. Inversie \;m suikw door neutrale zouten in tegenwoordigheid van glucose. 8 voor iedere concentratie een andere toestand van evenwichl be staat, zoo kan men voor die werking geene vaste regels geven, maar in het algemeen kan men zeggen, dat de ontleding van het zout grooter is bij eene sterke concentratie van de glucose en ook l>ij eene minder sterke affiniteit tusschen de base en het zuur van het zout. Hoe sterker deze twee gebonden zijn, welke kracht door de biadingsvrarmte wordt uitgedrukt, des te meer glucose is er noolig om eene zeilde hoeveelheid zuur vrij te maken, iiiaar omdat de zuren met de grootste affiniteit, in den regel het sterkste in verteerend vermogen hebben, zoo is de inversie hij zouten van de zeer sterke anorganische zuren toch sterker dan bij die van zwakke organische zuren, die wel is waai' gemakkelijker vrij komen, doch slechts een zeer zwak inversievermogen bezitten. Uit het chloornatrium wordt blijkbaar eene uiterst geringe hoeveelheid zuur door de glucose vrijgemaakt, want hij eene op zettelijk genomen proef was eene suikeroplossing, die mei zeer kleine hoeveelheden zoutzuur hij I0Ü", verwarmd werd, reeds binnen het half uur geheel geïnverteerd. 10 Gr. suiker niet 40 Gr. water werden daartoe met verschil lende hoeveelheden zoutzuur verhit, met dit gevolg. liiilion dus werkelijk de waargenomen inversie door de kleine, hoeveelheid zuur veroorzaakt wordt, dan moet deze ook weer ver hinderd worden, zoo er zich in de vloeistof ook nog eene andere si<l ' bevindt, die de werking van liet zuur opheft. Zoo men een Geinig koolzure kalk in de vloeistof suspendeert, dan zal het vrije 9 tt. C. Prins'n Geerligs. [nreroie van suiker door neutr&le zouten in tegenwoordigheid van g] tse. zuur direct gebonden worden en niet inverteeren: evenzoo zal wanneer er een zout van een zwak b. v. organisch zuur, dateene geringe inverteerende kracht bezit, in de vloeistof is gebracht, de glucose zich bij voorkeur met de base van het zwakke zuur ver binden en dat zwakke zuur in vrijheid stellen, dat in die kleine hoeveelheden niet inverteert. Het bleek dan ook werkelijk, dat wan neer er behalve suiker, glucose, chloornatrium en water ook riog, hetzij koolzure kalk, hetzij natrium-ol kaliumacetaat in de meng sels kwamen na de verwarming er veel minder inversie badplaats gehad, zooiat in deze gevallen het vrijkomende zoutzuur grooten deels gebonden werd en in zijn werking zeer werd belemmeid. Bij verschillende hoeveelheden van 50 o. M B . eener oplossing van ± 40 % suiker en 20 % glucose weiden respectievelijk verschil lende hoeveelheden chloornatrium, natriumacetaat of calciumcaibo naat en zooveel water gevoegd, dat de som dei' bijvoegselen te zamen 8 Gram bedroeg, waarna alle mengsels gezamenlijk gestoomd werden. Tot nog toe was van alle zouten, die in aanmerking kunnen komen, alleen chloornatrium gebruikt en voor glucose alleen in vert- *) Hoordat de koolsure knik bezinkt, waren er der vloeistof, waar de reactie niet verhinierd werd. 10 H, C. Prinsen Geerligs Inversie van suiker door neutral* zouten in tegenwoordigheid van glueoae. suiker en daarom was het noodig om het onderzoek ook over an dere zouten en andere suikersoorten uit te strekken. Daar de chloruren van de alkaliën en alkalische aarden alle neutraal rea geeren en oplosbaar zijn, bereidde ik eene oplossing van 40 % suiker en '25% glucose in water en voegde bij gedeelten van 50 c.M J . daarvan respectievelijk zooveel dezer zouten, dal in elk kolfje evenveel chloor aanwezig was en zooveel water, dat in ieder geval de som van toegevoegd water en zout ook dezelfde was. Daarna werden alle kolfjes gedurende 2 uren in het stoombad verwarmd en na afkoeling onderzocht. In dit geval, waar de hoeveelheid gebonden zoutzuur, suiker en glucose en de duur der verwarming geheel dezelfde zijn, kan bel groote verschil in inverteerende werking dier zouten dus alleen toe te schrijven zijn aan hun min of meer gemakkelijke ontleedbaar heid en wij zien ook, dat hel zoo veel zwakker gebonden chloor magnesiura vod sterker geïnverteerd heeft dan het chloorkalium. Gelijk dit ook voor tal van andere zouten ten opzichte van een zuur is opgemerkt, zijn de hoeveelheden van ver.-chillende zouten van oen zelfde zuur. die door oen ander zuur ontleed wor den, niel geheel in overeenstemming melde binding*waimlen dier stoffen en hel is ook nog niet gelukt een vasten regel voor de hoegrootheid dier ontledingen te vinden, doordat iedere stof zich i» dit opzicht verschillend gedraagt. 11 tt. C Prinsen Geerlif»s. Interne van suiker Aimr nentrate zoutan in tegenwoordigheid van glucose. Verder weiden een aantal kaliumzouten van verschillende anorganische en organische zuren onderzocht op hun inverteerend vermogen in tegenwoordigheid van suiker, waarvan de resultaten in de onderstaande tabel zijn vereenigd. (W% suiker \O% glucose 50 c.MM Bij deze zouten is er behalve de verschillen in ontleedbaarheid ook nog het verschil in inverteerend vermogen in het spel, het is zeer goed mogelijk, dat er bij het geval der azijnzure kali, een veel grootere hoeveelheid zuur is vrijgemaakt, dan bij het chloor kalium, maar daar zoutzuur veel meer inverteerend wei kt dan azijnzuur, zoo is in dat geval de inversie het grootst geweest. Als er maar eenige regelmaat te vinden was in de ontleedbaarheid dezer zouten door glucose, zoodat de onderlinge verhouding der hoe veelheden Vrijgemaakt zuur bekend waren, dan zou deze proef een uitstekende methode zijn om de inverteerende kracht van verschei dene zuren bij 100° met elkaar te vergelijken. De organische zuren hadden of in het geheel geene, of in het geval van zuringzuur, dat overigens reeds als sterk in verteerend bekend staat, een zwakke werking gehad, de anorganische zuren echter werkten veel krachtiger. Ten slotte werden er nog eenige andere suikersoorten beproefd en wel zoowel mono- als di- en tri-sacchariden. 12 II i' Prinsen Geerligs. Inversie van suiker door neutrale zniiten in tegenwoordigheid van ghtcose. Daartoe werd liij telkens ">0 C.M S . eener oplossing van 40% suikeren 1 Gram zout respectievelijk 10 Gr. dextrose, 10 Gr. levu lose, 10 Gram galactose, 19 (ir. lactose, 10 Gr. maltose en 10 Gr. ralfinose gevoegd en de mengsels gestoomd, nadat, eerst de hoeveel heid proefvocht-reduceerende stof was bepaald. Daar de lactose in de koude niet geheel oploste, is daarvan deze bepaling achter wege gebleven. Bij deze bepalingen werden 5 Gr. der mengsels tot 500 c.M 8 . gebracht en de in de tabel aangegeven c.M 3 . gevens -aan hoeveel dezer verdunde oplossingen gelijk staan met 50 ni.Gr. glucose, daar liet anders niet goed mogelijk is alle cijfers met elkaar te vergelijken. De verschillende suikers werkten dus geheel verschillend en wel tic monosacchariden het sterkst, de maltosc als zijnde een disaccharide met reduceerende eigenschappen weinig, lactose week echter daarvan af voor zoover dit na te gaan is, terwijl de di- en trisacehariden zonder reduceerende eigenschappen geheel zonder werking bleven. Het vermoeden is dus zeer gewettigd, dat de aldehyd of keton achtige aard dezer suikers de aanleiding is om de base te binden en dus zuur vrij te maken, daar de suikers, waarbij die aldehyd- of ketongrocp ontbreekt, werkeloos zijn. Ik beproefde nog andere aldehyden op deze manier te onder- Zoeken, doch de meesten, koken reeds ver onder 100° en zijn hier dus niet te gebruiken, terwijl bij verwarming onder druk de omstandigheden allicht anders worden; andere zijn niet oplosbaar '" zulk een mate, dat zij hier in vergelijking niet de suikers kun ncn treden, terwijl ten slotte weer andere, zooals benzaldeliyd, fur- 11. C. Prinsen Geerl'ga. tn versie vin suiker dor! neutrale zAuten in tegenwi ordigheid van glucoße. 13 furol on chloral bij die temp sratuur ontleed worden en zure ver bindingen vormen, zoodat daardoor reeds een zeer sterke inversie wordt teweeggebracht. Alcoholen met een boog kookpunt, die ook neiging hebben zich met basen te véreenigen, bleken echte-r zonder werking te zijn. daar in dit geval volstrekt geen suiker geïnverteerd werd. Aangezien in rietsappen de orgmische zuren de.overhand heb benen bovendien de glucose tot aan de naproducten toe sterk in de minderheid is. zon zal men bij de fabrikatie toten met de eerste pro ducten geen gevaar loopen suiker door inversie te verliezen,tengevolge van de gelijktijdige aanwezigheid van glucose en anorganische zouten. Dit wordt echter anders bij de n iproducten, die in den regel zuur zijn en waar bovendien de glucose sterk is opgehoopt. Her haaldelijk bemerkte ik. dat stropen m■! een glucosegehalte van 20% en daarboven bij eene langdurige verhitting suiker door in versie verloren. Hieraan zal de zore reactie wel grootendeels schuld zijn, miar 'in een zure vloeistof kunnen de zouten ook medegeholpen hebben en deze eigenschap is een reden te i r om te zorgen zooveel mogelijk suiker direct als hoofdproduct te krijgen en het herhaalde koken van zeergluco?e en zouthoudende stropen zooveel doenlijk te beperken. INWERKING VAX NEUTRALE ZOUTEN OP GLUCOSE RIJ HOOG E TEMPERATUUR. door 11. C. PRINSEN GEERLIQS. In de voorgaande mededeeling is hel gebleken, dal ei bij de werking van zouten op glucose een deel van het zout ontleed werd zoodat er een we : m'g base vrij kwam. Volgens de reeds in \rchief 1896 blz "22»en 1897 blz. 349 gemelde on lerzoekingen van Lobry de Briijn en Albrrda van Kkkstkyn w 'i'kt zulk eene geringe hoeveelheid base op dextrose zoodanig in, dat het deze suiker voor een groot deel in levulose omzet en omgekeerd ook op levulose, dat een deel dier stol' in dextrose en eenige andere pro ducten wordt veranderd. Inderdaad vonden genoemde onderzoekers dm ook, dat azijnzure natron deze transformatie bewerkt, terwijl ehlo'orzink zonder werking was. dok ik observeerde, door genoemde proefnemingen daartoe gebracht, eene verminderii-g in draaiing van dextrose, die geruimen tijd met azijnzure kali of natron verhit was en meende, dat deze vermindering in draaiing veel van de 14 H. C. Priuien Óeerligs. inversie van suiker door aentrale zouten in tegenwoordigheid van glucose. onbepaalbare verliezen kon verklaren, die nu lusschen de statii ns der molens en dé masse-cuite worden geconstateerd. Om deze zaak verder te onde. zoeken, wilde ik nagaan, welke zouten deze transformatie kunnen bewerkstelligen en welke om standigheden daartoe het meest geschikt zijn. Reeds vroeger had ik opgemerkt, dat het verschil in ontleedbaarheid der zouten door glucose zeer merkbaar was voor dé verschillende zuren en basen, die de zouten samenstellen en dat deze, hoewel dit niet geregeld opgaat des te grooter is. naarmate de affiniteit tusschen base en zuur kleiner is. Was het dus voor de in het voorgaande onderzoek, waar hel zuur zijne werking moest verrichttn, voor de inversie de gunstigste voorwaarde als het zuur sterk en de ba c e zwak wa", zöodat chloorcalium sterker werkt dan chlooi kalium, zoo zullen in dit geval, waar juist de werking der base bestudeerd wordt, die zouten hel steikst wei ken, waar eene sterke base aan een zwak zuur gebon den is. zooals in de organisch zure zouten. Dit vermoeden werd dan ook bewaarheid door de volgende proevenreeks, waar allerlei kalizouten in equivalente hoeveelheden bij eene hoeveelheid van 60 c.M 8 . eener 25% dextroseoplossing werden gevoegd en daar mede gedurende 3 uur bij 100° weiden verhit. Voor en na de proef werd van elk monster de polarisatie be paald, ui de huis van 200 inM. waarbij moet worden opgemerkt, dat in het geval vau kaliumtartraat de geobserveerde draaiing de som was der draaiingen van de dextrose en het zout zelf ') *J Het fprcek vau zelf, dat de dextroseoploesing voor de polarisatie eenigen tjjd veiwarmd 8 om '1« toiijjdTolge van du birotatie verhoogde draaiing weer op de normule terug te brengen. H.C. Prinsen Geerligs. Inwerking van neutrale zouten op gluuosse bjj hoogc temperatuur. 15 Wij zien dus, dat de weiking der anorgani-ch zure zouten zeer ge'ing is en die der organisch zurezich veel heler lot de be studeering van dit verschijnsel leenen, zoodat de proeven alleen nog maar met acetaten van kalium en natrium zijn voortgezet, nadat herhaalde proeven m;l anorganisch zure zouten b.v. alle neutral l reageerende chloruren een zelfde resultaat hadden opgeleverd. Verder werd nu nagegaan in hoeverre de concentratie der zou ten van invloed was op de vermindering in draaiend vermogen der oplossing. Daartoe werden er oplossingen gemaakt, ieder bevattende de zelfde hoeveelheid dextrose ' ± 25% en verder water en zooveel kaliumacetaat, dat de hoeveelheid daarin bevatte K.20 respectieve* lijk '.',, '/«. '~. I, I'/,, % 4, G, 8 en 10% van de geheele vloeistof bedroeg. Wanneer de vloeistof door de groote hoeveelheden kalium acetaat alcalisch reageerde, werd /ij door toevoeging van een weinig azijnzuur nauwkeurig geneutraliseerd. Alle mengsels werden ge durende ï uren bij 100» verwarmd en na 2 uur en na 4 uur gepolariseerd met de/en uitslag: Hoe langer de verwarming duurde des te meer verminderde de draaiing, welke vermindering ook steeg, naarmate hel gehalte aan liet organisch zure zout grooter werd, hoewel deze toename volstrekt niet evenredig was en er relatief door de lage gehalten veel meer werking geconstateerd werd dan bij de hoogere, hetzelf de wat in de voorgaande verhandeling bij de inversie van suiker 16 H. C. Prinsen Qee lig?. Inwerking *;in neutrale zouten op glucose bij hoogt 1 temperatuur. dooi zouten in tegenwoordigheid van glucose, is opgemerkt. De hoeveelheid glucose verminderde zeer weinig, zoodat er slechts eene geringe hoeveelheid glucose is vernietigd, doch veel meer omgezet. Daar deze omzetting in levulose door de nieuwe door Komijn ') gevonden quantitatieve reactie op dextrose mei eene boraxhoudende jodiumoplossing op den voet kan gevolgd worden, zoo herhaalde ik de proef met na triumacetaat en bepaalde eek de hoeveelheid neg aanwezige dextrose. Ook hier werden telkens 50 c.M 8 . bevattende ongeveer 20% dextrose en de in de lijst aangegeven hoeveelheid natronzout gepo lariseerd en verhit waarna wederom gepolariseerd werd. Na i uur bepaalde ik de hoeveelheid glucose met proefvocht, en de hoeveel heid dextrose met de jodiumreactie in een gedeelte der oplossing dat ongeveer 150 m.Gr. glucose bevatte. Daar de azijnzure natron ook eene geringe werking up de jo liumoplossing teweegbracht, zoo is daarvoor, de overigens zeer kleine correctie, in de tabel aangebracht. De oorspronkelijke polarisatie was 57,8, die bij de verhitting met zouten steeds verminderde, tegelijkertijd daalde het cijfer voor dex trose, terwijl dat voor gezamenlijke glucose zeer weinig veranderde. Er is dus dextrose in eene andere suikersooi t veranderd en daar volgens Romijn alle aldosen jodium binden, moet er een ketose ge vormd zijn, hetgeen ook weer volkomen in overeenstemming is met de resultaten van de Bbuijn en Alberda. -|-) *; Zie o. a. Archief 1897, 1001. f> Tijdens het drukken dezer verhandeling ontving ik eene nieuwe studie van de beide genoemde onderzoeken «ver ditzelfde onderwerp in Reouell des travaux Chimiquee dea Paya Bayg et ,\,. ] tt Belgitiue 1897. 274, waaruit volgt, dat er behalve de reeds door hun genoemde suikersoortou nog andere gevormd worJen bij de transformatie van glucose, mannose en fruo '"«' in elkander. 17 II C. Prinsen Qeerligs. inwerking «in neutrale zouten op glucose bjj hooge temperatuur. In dit staatje maakt het een vieemdtn indruk, dat up regel 1 meer dextrose geeonsiateerd wordt dan gezamenlijke glucose. Er is echter een deel der glucose vernietigd en overgegaan in zuren en nu hleek het. dat eenige dezer zuren, vooral die door ontleding van levulose met basen ontstaan zijn, ook jodium binden en dus de hoeveelheid dextrose grooter doen schijnen dan zij is. Men kan dit echter bij de tnalyse sjotdig bemeiken, doordat er in dat geval jodoform ontstaat, dat na de titratie als gele kris tallen in de kleurlooze vloeistof overblijft. De cijfers, die voor dextrose zijn aangegeven, zijn dus in dit geval niet geheel juist, maar omdat er niet veel glucose ontleed is, is het verschil niet van veel belang Daar deze transformatie ook in omgekeerde zin kan loopen d. w. /.. dat levulose eveneens m dextrofe kan overgaan en er ten slotte een toestand van evenwicht geboren wordt, zoo is het zeer duidelijk, dat de reactie in den aanvang het si,eist geschiedt en langzamerhand vertraagt, totdat die evenwichtstoestand is inge treden. Wij zien dan ook vooral voor de hooge gehalten, dat er in het tweede tijdperk van u 2 uur stoomen minder dextrose getrans formeerd is dan in het eerste tijdperk van «(-lijken duur. Ten slotte nam ik nog eene proef, waarbij ik de condities weer dezelfde nam als in rietsappen voorkomen. Daartoe werden vloeistoffen bevattende respectievelijk '2% dextrose en 2% levulose en 1% azijnzure natron of 1% azijnzure kali in toegesmolten huizen gedurende 14 dagen hij 100" verhit en daarna onderzocht niet dezen uilslag. Ouk hier is dus weer door den invloed der zouten dextrose en levulose omgezet in een mengsel van suikersoorten van ver minderde draaiing dan de oorspronkelijke en aangezien in de 18 11. C. Prinsen Giuligs. Inwerking van neutrale zouten op glucose bjj hooge temperatuur. praktijk dor suikerfabriekatie vooral in de stropen organisch zure zouten langen tijd bij hooge temperatuur op glucose kunnen in werken, zoo wordt liet feit verklaard, dat welke glucose ook in het rietsap mag geweest zijn on hoeveel invertsuiker er ook gedu rende het bedrijf mocht zijn gevormd, op den langon duur de glu cose in de meiassen slechts oen zeer geringe draaiing naar links of naar rechts bezit. Ook verklaart deze verandering van draaiend vermogen het feit, dat sommige rietsappen met eene schijnbaar zeer Innige reinheid bij lefecatie reeds een eindweegsin zuiverheid achteruitgaan, omdat oen dool der polariseerende bestanddeelen (dextrose) daarbij in levulose wordt omgezet en dus een schijn baar suikerverlies doet ontstaan. VERONTREINIGD KOPERSULFAAT door 11. C. FRISSEN GEEHI.IOS Van verschillende zijden werd mij in het afgeloopen jaar ko persulfaat ter onderzoeking gezonden, dat „als kopervitriool tweede kwaliteit" verkocht was en zicli door eene vreemdsoortige blauw groene, doffe kleur onderscheidt. De daarmede bereide bouillie bordelaise had niet als gewoonlijk eene lichtblauwe, doch eene nets groene kleur, welke in alle mij voorgekomen gevallen aanlei ding was, dat het kopervitriool onderzocht werd. De samenstelling van eenige dier monsters was. 1 II 111 Kopersulfaal 15,84 20,40 18,24 Ferrosulfaat 10,47 21,38 15,38 Zinksulfaat 24,25 15,80 24,13 Kristalwater 43,44 41,30 42,25 Het zijn dus alle drie samenkristallisaties der isomorpho sulfa ten van ijzeroxydule, koperoxyde en zinkoxyde, waarin het koper sulfaat met de beide andere sulfaten is medegegaan en ook 7 m oleculen kristalwater bezit. De kristallen waren oenigszins ver weerd dus hebben kristalwater veiloren, maar als men dit in aan merking neemt dan krijgen wij voor de kristallen berekend op hun volle watergehalte 1 II 111 Gekristalliseerd kopersulfaat 28,35 30,02 32,05 > ferrosulfaat 30,14 39,12 27,9i » zinksulfaat 43,21 28,15 42,99 H. C. Prinjen Geerliga. Inwerking van neutrale zouten op glucose bij hooge temperatuur. 19 lij genomen proeven bleek echter de bouillie bordelaise, die met dit preparaat bereid was, even goed eene ontsmettende wer king uit te (telenen op schimmels als met zuiver kopervitrool bereide. Wellicht werkt ouk bet zinkoxyde antiseptisch. Voor het gebruik tot tegengaan van mond-en klauwzeer is het ook goed te gebruiken, daar daartoe speciaal een mengsel van koper- en zinksulfaat wordt aanbevolen. Dit neemt echter niet weg, dat men bij ontvangst van ko pervitriool gued toe moet zien, wat men krijgt, want als men er bij het gebruik zinksulfaat in wil hebben, dan kan men dat er veel goedkooper zelf in doen, terwijl het prijsverschil van het ver ontreinigde kopersulfaat met zuiver niet in verhouding staat tot het veel mindere gehalte aan het duurste bestanddeel van dit mengsel. Ook is dit kopervitriool natuurlijk geheel ongeschikt voor de be reiding van Fehlings proefvocht en ook kan het niet door om kristallisatie gezuiverd worden. liet verontreinigde kopersulfaat verraadt zich reeds dadelijk door zijne vuil blauw groene kleur en ook daardoor, dat de kristal len in grootere klompen voorhanden zijn, dan gewoonlijk met de zuivere stol' het geval is. Wil men vlug zien of kopervitriool meer dan sporen ijzer of zink bevat, dan lost men ongeveer 5 Gram in zwavelzuurhoudend water op, kookt eenigen tijd met een weinig zoutzuur en salpeterzuur en oververzadigt met bijtende natron. Men iiltreert van het neerslag af, maakt het filtraat zuur met azijnzuur en voegt een weinig ferroeyaankalium toe, dat, zoo er zink aanwezig is, een zeer volumineus wit neerslag van ferrocyaan zink teweegbrengt. Het neerslag, dat met natron verkregen was, wordt opgelost in zoutzuur, en neergeslagen met ammonia in overmaat. Het koperoxyde lost met blauwe kleur op en ijzer slaat als een bruin neerslag van ijzerhydroxyde neer. Voor een quan titatief onderzoek volgt men natuurlijk den gebruikelijken weg. REFERATEN. A. Wieler. Die gummöses Verstopfungen des serehkranken Zeckerrohres. Beilrage zur wissenschaftlichen Bolanik, Hand 2, Abtheilung 1. S. 29. In eene uitvoerige verhandeling beschrijft Wieler de resultaten van het onderzoek van een groot aantal gezonde en serehzieke riet stengels hem uit Java en West-Indié' toegezonden. De uitkomsten, door Valeton verkregen, over wiens verhandeling „Bijdrage tot de 20 11 . C. Prinsen Geerligs. Verontreinigd kopersulfaat kennis der serehziekte. Meded. Proefst. O. J. No. '29", hij zich zeer waardeerend uitlaat, werden geheel door hem bevestigd; hij \erge lijkt diens resultaten met die van Temme, die het optreden van gom in de vaatbundels van verschillende hoornen waarnam en komt tot het besluit, dat dit verschijnsel identiek is met de verstoppingen in de vaatbundels van serehziek riet. Zijne eigen onderzoekingen, waarmede hij deze identiteit nader wilde bewijzen, hadden aanvankelijk de verstoppingen der intercel lulaire ruimten bij het riet tot onderwerp, daar vroegere waarnemers z '°-h in hoofdzaak beperkt halden tot de verstopping der vaatbun dels. De verstoppingen beginnen met het optreden van kleine drup peltjes aan den wand, deze worden grooter, bereiken den tegenover u ggenden wand, vloeien samen met andere druppeltjes en vullen en slotte de intercellulaire ruimte als eene homogene massa. De gom dringt dus in meer of minder vloeibaren toestand door den cel- Wand; eerst in de intercellulaire ruimte verandert de aggregaat toestand en wordt ze vast en hard, hoogst waarschijnlijk door in 'i'trate van andere stoffen tusichen de gomdeeltjes en in elk geval (mor een scheikun lige omzetting, da ir an lers de veranderde sche!- Kunlige eigenschappen bij gelijkblijvend volumen niet verklaarbaar waren. Deze veranderde eigenschappen verraden zich reeds door de kleur en wijzen op eene soort verkurking, waaraan ook de aangren zende celwanden deelnemen. Vermoedelijk hebben we hier te doen met eene bescherming van het riet tegen schadelijke invloeden, overeenkomende met de kurkvorming bij andere planten. Hier wijst ook op, het verstoppen oer zeefvaten door gom, dat tot nu toe bij geen andere plant werd waargenomen. Het ontstaan der gom in intercellulaire ruimten, hout- en zeef vaten geschiedt op geheel dezelfde wijze en stemt geheel overeen "iet ditzelfde verschijnsel in hetsplint- en kernhout van verschillen de boomen; deze zelfde overeenkomst bestaat bij de scheikundige reacties van de jonge en oude gom. "ij het afvallen der bladeren en het afsluiten van andere won oen, vindt men bij riet eveneens gom vorming, die zich in niets van oie bij serehzieke planten onderscheidt, waaruit Wieler besluit, dat ae gom niet het product van een speciale serehparasiet is en vermoe delijk zonder medewerking van parasieten ontstaat, hoewel hij oe mogelijkheid niet wil ontkennen, dat parasieten aanleiding kunnen geven tot de gomafscheiditig. Hnferntflft 21 Aan levend materiaal ping schrijver het optreJcu van gom bij rietstekken na, waarbij blijkt, dat de internodiën aan weerszijden der knoopen snel vergaan; hoewel daar de vaatbundels over hun geheele lengte ook reeds door gom verstopt zijn, vindt eene de finitieve afsluiting van de stek eerst op de grens van knoop en internodium plaats. Later worden eerst de internodiën gedesorga niseerd en wordt een tweede gomafsluiting aan den binnenkant der knoop gevormd, liet grondweefsel van het internodium sterft eerst midden in de bibit af, waardoor de vaatbundels vrij komen te liggen; komen in de knoop verstoppingen voor dan beginnen deze altijd tegenover de jonge spruit. Hoe krachtiger deze was, hoe beterde stekken geconserveerd waren. Schrijver be sluit hieruit tot een beschuttenden invloed van de groeiende plant op de bibit en tot een afsterven der stekken duur inwendige oorzaken; hij wijst daarbij levens op waarnemingen, volgens welke op Java de bibit vroeger langer gaaf in den grond gevonden werd dan tegenwoordig. Volgens Wieler is de roode kleur, die de gom ten slotte aan neemt, karakteristiek voor Saccharum en ontbreken gegevens om te veronderstellen, dat ze iets pathologisch is. Ze komt altijd bij ver stoppingen voor, het pathologische zou dus slechts kunnen liggen in een toename der verstoppingen, waarvan de oorzaak in de bibit en haar uitloopers ligt. Hierna worden de onderzoekingen van Janse aan een scherpe kritiek onderworpen; door telling der verstopte vaatbundels bij gezond en serehziek riet werd aangetoond, dat eene toename dei verstoppingen volstrekt niet samenging met een vermindering in groei, integendeel werden de meeste verstopte vaatbundels bij een flink ontwikkelde stok gevonden. Verder komen bij verwonding door hoorders dikwijls zeer veel meer verstoppingen der vaatbundels voor dan ooit door hem bij serehmateriaal gevonden werd, zonder dat hier eene eenigszins belangrijke groeivermindering viel te constateeren. Janse's theorie, dat de habitus der serehplanten door een geringer watertransport moet worden verklaard, kan dus niet juist zijn. Verder komen in verreweg de meeste vaten geen bacteriën voor, waar trouwens ook de voorwaarden voor snelle ontwikkeling zeer ongunstig zijn, tenzij reeds door een andere oor zaak gom aanwezig is en werd de identiteit van gom en bacte riënslijm niet door Janse aangetoond. Deze bestaat volgens Wieler uok niet, daar uit alle Onder- Referaten 22 zoekingen blijkt, dat de gom door de levende suikerrietcellen wordt afgescheiden. Door welke oorzaken deze afscheiding wordt te voor schijn geroepen is geheel onbekend, zelfs daar, waar de verstop pingen normaal voorkomen, zooals bij het afvallen der bladeren. Ze worden om inwendige oorzaken duurde plant zelf gevormd, misschien omdat wegens geheel andere redenen, bepaalde functies n iet meer normaal verloopen. Hieromtrent zoude door eultuur proeven het een en ander zijn te weten te komen. KOBUS. MEDEDEELINGENUITEN VOORDE PRAKTIJK. RUITEN VEIUMWOORDELUKHEID DER REDACTIE OVER KKISTALLISATIE IN BEWEtiING. 111 Nalat ik in mijiu rste verhandeling ') heb aangetoond, dat door de Bocktrommels hier in tegenstelling mei Europa eene zeer sterke nakristallisatie op kusten van de stroop kan worden verkre gen; nadat ik verder op het laatste congres heb medegedeeld hoe de totale nakristallisatie enorm kan ongevoerd worden, indien men "" t nakristallisatie in de kookpan begint en in de roerapparaten verder afwerkt, wil ik heden door twee voorbeelden aantoonen, welke praktische en financieele resultaten met deze verbeterde kris bdlisatie in beweging onder bepaalde omstandigheden kunnen wor den behaald. De gecombineerde werkwijze — zooals ik reeds vroeger heb aangehaald, onder assistentie van den lieer Holger Jantzen uitge gewerkt — zal ik in bel vervolg met den naam „dubbele nakris tallisatie" bestempelen. De beide fabrieken, welke in de afgeloopen campagne onder onze leiding met dubbele nakristallisatie hebben gewerkt, zijn "Ogohkidoel en Pohdjedjer, die in zooverre als typische voorheelden kunnen dienen, dat de eerste ongeveer de laagste zuiverheid in de sappen heeft, die in normale jaren voorkomt, n 1. ± HO, terwijl de tweede op sappen van de zeerhooge zuiverheid van ± 92kan bogen. Van Bogohkidoel heb ik reeds in het nummer van 15 September .!'• van dit tijdschrift medegedeeld, dat van Juli tot begin September uitsluitend muscovado en melasse van 35,5 zuiverheid in één ope ratie werd gemaakt. Later steeg de zuiverheid op + 38, omdat hoofdsuiker No. 15 werd gefabriceerd, terwijl, afgezien van de 1700 'J Archief 1894, pag, 753. lteferaten 23 pikols stroopvulmissa van 12 zuiverheid, die in hel begin den pagne werden gemaakt, de gemiddelde zuiverheid der I e afloop stroop over de geheele campagne slechts 36 was. Hieronder geef ik mi een overzicht van de financieele voor deelen, welke in de campagne 1897 door de dubbele nakristallisatie in vergelijking mei de voorgaande campagne zijn behaald. 1) Zie Archief, 1897, No. 21 24 Ifededeelingen uit '■" V6or do praktijk Per 1000 pik. ingevoerde winbare suiker (nieuwe formule) oaaakl dil een verschil van ƒ563, Op een oogst van 71127 pikols ingevoerde winbare suiker (oogst 1807') wordt dit dus een geldelijk voordeel van /' 4-O()4T> ten gunste van de nieuwe werkwijze. De cijfers spreken voor zich zelf. Hierbij komen nog de voordee len door besparing van koelieloonen en brandstoffen en alhetgeen bespaard wordt doordat de maaltijd met het vermalen van het 'natste riet sluit, en niet zooals vroeger nog maanden lang napro ducten worden verwerkt. Het voordeel uit deze hoofden kan zooals ■Hij, bij bespreking met een aantal practici is gebleken, op ± /'5OOO l"' 1 ' campagne worden aangenomen. Zooals men ziet. zijn inde laatste campagne bijna 10000 pikols hoofdsuiker No. 15 afgeleverd, en aangezien de afloopstroop slechts - graden hooger zuiverhei 1 had dan bij muscovado, is wel een afdoend bewijs geleverd, dat met dubbele uakristallisatie enk met voordeel hoofdsuiker gemaakt kan worden. De slechts geringe verhooging in de zuiverheid der afloopstroop is te danken aan eene fationeele wijze van sirammen in de centrifuges, eene kwestie, waarop ik bij eene volgende gelegenheid terug zal komen. (>l> de fabriek Pohdjedjer kon ik heinas niet dezelfde wijze V;| n berekening als hierboven toepassen. Toch blijken de voordee len uit een rapport, dat ik destijds aan den administrateur, den "eer H.M.E. v.d. Brandeler heb ingediend en dat ik mei weinige verkortingen hier overneem. Rapport oveb de resultaten en voordeelen, welke op Poh djedjeb met dubbele nakristallisatie worden behaald. De installatie vuur de afwerking der vulmassa bestaatop deze fabriek uit G Bocktrommels van 85 11. L. inhoud met koelmantel en ö West on-centrifuges. De resultaten blijken voor iederen practicus, die in de fabriek komt, al dadelijk daaruit, dat de stroopsuiker-centrifuges geheel buiten werking zijn gehleven en eiken dag ± 025 pikols musco vado de fabriek uitgingen, terwijl 75 a 80 pikols gekookte stroop naar de zaksüikergoedang gebrachl werden. De afloopstroop van de hoofdsuiker-centrifuges had in het bidden van den maaltijd geregeld eene schijnbare zuiverheid van * i2 %- Bij enkele kooksels is zelfs eene zuiverheid van 35,7 — 3 *»6 en 3i,3 bereikt. Neemt men in aanmerking, 'dat de afloopstroop van de zaksuiker, die in de eerste helft van den maal- Mededeelingen uil en voor do praktjjk 25 tij'! is verkregen 35,6 zuiverheid aantoonde, dan is bij deze kook sels dus in één operatie hoofdsuiker en melasse gemaakt. Dit kon echter slechts bij uitzondering gebeuren, daar de centrifuge-capa citeit bij deze lage stropen te veel verminderde. Doordat de fabrikatie-chef ') in de eerste helft van den maal tijd zijne geheele attentie aan het fabrikaat beeft moeten wijden, zijn de cijfers niet zoo volledig, dat eene balans van af liet begin der campagne kan worden opgemaakt. Over de periode van 20 Juli — '20 Augs. werd echter alles met zorg opgenomen en waren de uitkomsten de volgende: Vermalen riet in pikols 147766 Analyse voorperssap Brix 19,32 Suiker 17,67 Zuiverheid 91,40 Fabrikatiesap met imbibitie, verkregen in pikols 419507 Analyse: Brix 17,60 Suiker 15,99 Zuiverheid 90,70 Ingevoerde saeeharose in pikols 19109 Diksap: Brix 52,40 Suiker 47,68 Zuiverheid 91,0 Verkregen zijn 18199 pikols muscovado van 96,4 polarisatie en 2780 pikols stroop vul massa van Brix 94,06 Suiker 40.69 Zuiverheid 43,20 ') De afloopstroop van de centrifuges had eene analyse van: Brix 83,9 Suiker 34,27 Zuiverheid 11,2 ") Tot zoover de door den fabrikatie-chef verstrekte gegevens. Van de ingevoerde saeeharose is dus in den meest voordeeligen vorm gewonnen (18199 pikols muscovado a 96,4) 17544 pikols,ter wijl in de zaksuiker-vulmassa aanwezig is 1131 pikols. Neemt men nu het verlies tot aan de vulmassa zooals op de meeste, ook goede fabrieken bet geval is, op ü% aan, dan zijn 19057 pikols saccha- ') De Hoer E. RIETZgOHEL. *) üe vooruitgang, die de schijnbare zuiverheid door het koken heeft ondergaan, is een be kend versehh'nsel oj> de meeste fabrieken. 26 llededeelingea uit pn y»or de praktijk- rosé verantwoord (tegen 19109 ingevoerd), waaruit volg*, dat de opgaven wel vertrouwen verdienen. Aan primaire, uit tjing afkomstige vulmassa van 85 polarisatie, zoude de ingevoerde saccharose hebben opgeleverd (na aftrek der genoe ode 2y a ) 22032 pikols. De verkregen muscovadorepresenteert dus aan droge muscovado een rendement van 82,6%. De voordeeion dezer werkwijze zijn belang'ijk èn technisch èn financieel. A's technisch voordeel moot in hoofdzaak aangemerkt worden de nettere, zindelijke afwerking, de omstandigheid, dat geen stroop suiker-centrifuges noodig zijn, dat minder werkvolk wordt gebruikt en dat na den maaltijd de fabriek direct kan worden gesloten, terwijl anders maanden voor de afwerking der naproducten moeten worden besteed. De financieele voordeelen zitten hoofdzakelijk in het hoogere rendement aan hoofdsuiker, zooals uit do volgende beschouwing zal ''lijken. Volgons ontvangen mededeeling was bot centrifuge-rendement uit de hoofdsuikervulmassa op Pohdjedjer mot do oude werkwijze 63%. Uit de l e stroopvulmassa zal dan in maximo een rendement van 35% aan stroopsuiker No. 11—12 van ( Jo° a 91" polarisatie zijn verkregen. I'it do II« stroopvulmassa kan dan nog 15% en uit de z aksuikervulmassa nog 20% rendement zijn verkregen. De prijs van stroopsuiker van genoemde kwaliteit is gemiddeld ''''■> gulden minder dan van muscovado: zaksuiker wordt aangenomen den bal ven prijs dezer laatste te balen. De opbrengst in geld per 1000 pikols hoofdsuiker-vul massa is dan als volgt: 1000 picols vulmassa van 63% rendement geven 030 pikols muscovado a f 6.— f 3780 — Daarvan loopt al' 1000—030= 370 pikols stroop, die door uitdamping met 10% waterverlies geven 333 pikols h stroopvulmassa. Hiervan worden verkregen 35% rendement of 117 pikols stroopsuiker No. 11—12 van 90° * ( J2» polarisatie tegen fs— . . , » s<Ss,— De afloop daarvan bedraagt (333 — 117) 216 pikols stroop, die na indamping leveren 195 pikols 11" stroop vulmassa. Deze tegen 15% rendement gerekend, geven 29 pikols stroopsuiker a f 5,— f 145,— f 4510 — Mededt'i'Hngea uit en voor de pmktjjk 27 Transport f 4510, — De afloop van 166 pikols == 150 pikols zaksuiker vulmassa geeft bij '20% rendement 30 pikols zaksuiker a f 3,- i 90,— f 4601 lüj de nieuwe werkwijze echter wordt zooals boven bewezen een rendement aan hoofdsuiker van 82,0% behaald en zoude dan de opbrengst van 1000 pikols, uit tjing verkregen primaire vulmassa zijn 820 pikols muscovado a f 6, — f 4956, — waarvan 174 pikols stroop of 157 pikols zaksuiker-vul massa overblijven, welke bij 20% rendement opbren gen 31,4 pikols zaksuiker a f3, — » 94, — f 5050,— liet voordeel is dus per 1000 pikols vulmassa f' 450,— of den noest van de fabriek Pohdjedjer op rond 90001) pikols vulmassa aangenomen = / 40500,— per campagne. Dit hooge cijfer berust daarop, 1° dat men bijna uitsluitend een product van hoogere geldswaarde verkrijgt; '2" dat de saccba rose-verliezen enorm veel minder zijn, ah men eiken dag wat men aan sap ontvangt in één operatie vlug in vaste suiker en weinig arme stroop splitst, dan wanneer men stropen van hooge zuiverheid maanden lang laat staan endoor herhaaldelijk opkoken langzaam tot vast product verwerkt. Als men bedenkt, dat door het verkoken van sap tot vulmassa reeds 2% saccharose verloren gaat, dan wordt het duidelijk, wat de langzame verwerking na de campagne aan saccharose-en geldverliezen medebrengt. De onkosten voor tingkoelies, welke dit jaar vervallen, be droegen in den laatsten maaltijd f 844,—, de besparing aan werk loonen voor centrifugeeren en oversmelten van stroopsuiker, aan mandoers en brandstoffen worden geschat op ± ƒ2OOO, — .Aan extra-kosten na den maaltijd zijn verleden jaar besteed voor: Koelieloonen . . . f 505,30 Tingkoelies » 71,25 Mandoers » 217,73 Chineezen . . . . . » 115, — Brandstoffen .... » 1021,15 Totaal _/_2020/jl> Uit de genoemde hoofden is zoomede een verder voordeel van ± f 5000, — per campagne te constateeren. 28 Mededeelingen uit en voor ie prakte Dient ingevolge is dus de n'euwe installatie van Pohdjedjer niet alleen in één campagne betaald, maar heeft deze nog eene winst van ± f 15000, — overgelaten, terwijl de voordeelen, die in de volgende campagnes zullen worden behaald, geheel als winst zijn te beschouwen. Tot zoover mijn rapport. Gedurende de geheele campagne werd muscovado en zaksuiker gemaakt en daarbij een eerste afloopstroop van 42 zuiverheid ver en. Wel hadden enkele kooksels een nog lageren afloop, zooals uit onderstaande opgave blijkt; echter duurde zooals reeds aange haald hel centrifugeeren dan zoolang, dat het bij de bestaande capaciteit niet lang was vol te houden bij ruimen rietaan voer. linpcn uit en voor de praktijk 29 Tn het geheel was hij 70 kooksels van de 715 de zuiverheid vnn den afloop van de centrifuges beneden 40. liet resultaat van Pohijedjer staal in het geheel niet ten achter bij dat van Bogohkidoel, wanneer men bedenkt, dat de tjing op laats'genoemde fabriek in één operatie van 83 is afgewerkt tot een stroop van 36 zuiverheid, dus 47 graden achteruit is gebracht, die van Pohdjedjer daarentegen van 91,4 op 4'2, dus niet minder dan 49,4 graden en bij uitzondering, zooals bij kooksel 037, zelfs 55,8 graden. De reden, dat op Bogohkidoel stropen van beneden 'i0 zuiverheid nog vrij goed centrifugeerden, op Pohdjedjer daarentegen niet, ofschoon beide fabrieken hetzelfde systeem centrifuges en hetzelfde centrifugegaas gebruikten, ook overigens dezelfde werkwijze volg den, blijkt duidelijk uit de onderstaande anah'ses van de monsters dei' afloopstropen, die tegen het einde van den maaltijd werden genomen. Op 100 deelen suiker omgerekend is het glucose-gehalte op Bogohkidoel 68 en op Pohdjedjer 42,4 terwijl het aschgehalte re spectievelijk 18 en 30,5 wordt: dus op Bogohkidoel veel glucose met weinig asch, op Pohdjedjer veel asch met weinig glucose. Dit wijst, zooals de ondervinding ook elders leert, er op, dat de glucose min der schadelijk bij de afwerking is dan de minerale bestanddeelen dei- stropen. Wat de kwaliteit der verkregen muscovado betreft, die was op Pohdjedjer betei' dan op Bogohkidoel. Mijne opgaven omtrent laatstgenoemde fabriek in het Archief ') opgenomen moet ik in dier voege corrigeeren, dal mij op het tijdstip, dat ik ze neerschreef geen klachten van koopers ter oore waren gekomeD. Later bleek ') Jaargang 1b97, j ag. 947. Mededeelingen uit en voor <ii> praktijk 30 dat de polarisatie te Soerabaia niet altijd bevredigend was. Het gemiddelde van 89 transporten was 95,96°, behaalde dus nog niet geheel de vereischte 9Co. De eerste 40 transporten echter wa ren gemiddeld 96,-2 en was ook voor de rest de kwaliteit bevredi gend. Met een beetje meer sirammen is dit kwaad echter afdoende t( ' verhelpen. Een kleine proef-krandjang van 1 pikol inhoud, geheel volgens de in liet groot gebruikelijke methode verpakt, die in mijn labora torium werd bewaard, toonde op de aangegeven tijdstippen de vol gende polarisaties. '20 Aug. 90,5 1 Sept. 96,5 15 » 96,45 2 Oct. 96,35 15 » 96,32 1 Nov. 96,30 1 Dec. 96,12 De eerste 5 cijfers zijn elk de gemiddelden van 4 afzonderlijk gestoken monsters, elk van 5 steken en door 2 chemisten afzonder lijk gepolariseerd; de laatste 2 het gemiddeld van 2 afzonderlijk gestoken monsters. Uit de resultaten blijkt, dat de achteruitgang n de droge maanden zeer klein was en pas na het invallen der egens aanmerkelijk toeneemt. Dus ook in dit opzicht was de kwaliteit bevredigend. Van de I'ohdjedjer-suiker kan echter zonder cenig voorbehoud gezegd worden, dat de kwaliteit prachtig was. Gemiddeld polari seerden 59 transporten te Soerabaia 96,51», terwijl bij 3 transporten J6 ° niet behaald werden en bij 4 transporten 97° was over reden. De suiker was mooi droog, van hard en glinsterend grein, " "eld zich in den drogen lijd zeer goed, zooals uitliet volgende 1( er zoek van 2 kleine proefmanden blijkt, die in mijn laborato rium werden bewaard. Kik cijfer is het gemiddelde van 2 afzon "'Jk gestoken monsters, die ieder door twee chemisten dubbel werden onderzocht, dus van 4 analyses. Krandjang I. Krandjang 11. 23 October 96,3 96,4 1 November 90,5 96,4 11 » 96,5 96,5 1 December 96,3 96,2 Hier zien wij zelfs een vooruitgang in den drogen tijd, die 31 Mededeelingen uit en Tcor de praktijk waarschijnlijk aan indroging is toe te schrijven, daar de temperatuur gedurende October—November in het laboratorium geregeld :i3" C. bereikte. Voor de juistheid der vermelde cijfers kan ik ten volle instaan. Dit verschil in achteruitgang van «Ie suikers der 2 fabrieken is gedeeltelijk daaraan te wijten, dat de stroop op de kristallen van Bogohkidoel van slechtere kwaliteit is, dan op die van Pohdjedjer; tendeele echter ook daaraan,dat op laatst genoemde fabriek wegens het grootere aantal Bock-apparaten de nakristallisatie in de trom mels ± 12% op bet aanwezig.' kristal bedroeg, op Bogohkidoel echter slechts 8 a ( J%. Beschouwen wij ten slotte de gezamenlijke resultaten op de genoemde fabrieken behaald, dan kan gezegd worden, dat deze alleszins bevredigend zijn, hoewel zonder twijfel nog voor verdere verbetering vatbaar, zij zijn mogelijk geweest door de royale wijze, waarop de fabrieken naar den eisch der nieuwe werkwijze zijn ingericht en door de onvoorwaardelijke medewerking van deheeren administrateurs en van bet fabriekspersoneel. De Ja.va-suikerindustrie heeft daarmede, wat de afwerking der vulmassa zonder gebruik van kostbare chemicaliën betreft, het wereld-record geslagen. Soerabaia, ib December 'ül. Dr. 11. Winter. SAPZUIVERINU. Naar aanleiding van een onder „Diverse mededeelingen" in het Archief van 15 October 1897 beschreven systeem van sapzuivering volgens Deming, wenschte ik bet volgende gaarne mee te deelen. Reeds eenige jaren geleden deed ik de ondervinding op, dat wanneer bel sap uil kleine meetbakken (+ r>oo Liter), waar de kalk middels roerwerktuigen innig met hetmolensapvermengd was. snel dooi' oen voorwarmer werd gevoerd, die liet direct door ge bruik van veisclien stoom op het kookpunt bracht, heter en spoe diger bezinking van bet vuil in de bezinkkisten werd verkregen, dan bij in langeren tijd herhaald verhitten, terwijl zoo goed als geen vuil aan de oppervlakte van het sap in de bezinkkisten te vinden was. Daarmede in verband construeerde ik een batterij bezinkkisten, waarvan ik hierbij een schets geef. 32 Mndedeolingon uit on voor de praktijk Door omstandigheden bleef een en ander in portefeuille tot ik bovengenoemd artikel las en ik het in verband met de daar ge noemde resultaten niet ondienstig achtte een en ander te piiblicee i'en. I'e liedoelinj! zal nii de schels viij duidelijk zijn. De daar aan- maten zijn voor een fabriek, welke + 6000 pikol riet per -'< 'mr verwerkt. I'e installatie bestaai uil één voorwanner van ± til) M'. verw. "I'l"'i'vlak of heler twee ie ler van + iO M-. daar deze beurtelings "'"'' kunnen worden gereinigd. Het verdient aanbeveling deze voorwarmers te voorzien van ~ Waar Jan op gelijk volumen sap m 'ei- verw. "I'l'ervlak aanwezig dan hij gebruik van grooter pijpen. Ook is '' schooamaken gemakkelijker. Dszs voorwarmsr moet met ver- Nl ' :ii ' ll si wonien gevoed om zeker te zijn. dat bet doorstroo lll(anle sap steeds up kookpunt den v-oorwarmer verlaat, wat voor goede bez inkin g hoofdzaak is. Xfoiledeplingsn uit en voor de praktjjk. 33 Ter controle vim het uitstroomende sup is aan den voorwar mor '0011 accuraat werkenden thermometer met groote wijzerplaat bevestigd, aan de binnenzijde van den voorwarmer uitloopend in het uitstroomende sap. Do voorwarmer als gewoonlijk aan de bovenzijde van een opstaande plaatijzeren wand voorzien, ongeveer 3' hoog, is daar mei een losliggende plaal gesloten. De uitmonding van het sap is + 8" breeden heefi een hoogte van iets minder dan de hoogte van don opstaanden wand. + 2" boven de boventubeplaal van don voorwarmer beginnende. De goot aan deze uitlaatopening bevestigd, heeft opstaande wanden ter hoogte van de opening. Deze groote sapuitlaat, diepe uitlaatgoot en deksel dienen om het overkoken van den voorwar mer door opschuiming van het sap te voorkomen als het kokend den voorwarmer verlaat. Hij de meeste thans in gebruik zijnde voorwarmers is de uit laatopening van het sap veel to klein, waardoor bij opkoking sap en schuim niet spoedig genoeg kunnen uitstroomen, Overkoken is daarvan het gevolg, 't geen de met de bediening van den voorwar mer belaste persoon weerhoudt, het sap behoorlijk op kookpunt te brengen. Het uit de goot van don voorwarmer vloeiende sap wordt op gevangen in een open kistje t'. met aan de achterzijde naar beneden hellenden bodem, welk kistje aan drie zijden begrensd wordt door + 12" hooge wanlen en aan de vo iizijde open is. Het heeft een lengte van ± u 2" min ler dan de lengte van do hozinkkiston en is + k 2' breed. Dit kistje dient om den schok van het uit den voor warmer loopende sap te breken en dit geleidelijk over de breedte van de bezinkruimte to doen stroomen, teneinde beweging van het sap in de bezinkruimte tegen to gaan on het vuil over de geheele breed te gelegenheid tol bezinking te geven. De inrichting van de bezinkruimte is de volgende: Men hooft feitelijk drie naast elkaar geplaatste hozinkkiston, welke twee aan twee een gemeenschappelijken wand e hebben. Deze wand loopt niet duur tot do bovenzijde van do kisten, doch is de bovenrand ± 6" beneden den bovenkant <ler kisten gelegen. Het sap over do geheele bezinkruimte, wordt dus wat hoogte betreft door de hoogte van dezen wand bepaald, aangezien hier hot sap van de eeno kist, in de andere overloopt, ledere kist is verder voorzien van drie verticale schotten, looponde over do geheele breedte van do kist. als opde schets aan gegeven. 34 Mededeelingeu uit on voor de praktijk De schotten g zijn los. kunnen namelijk tusschen aan den zij wand aangebracht hoekijzer worden ingeschoven. De schotten /' zijn vast en normen de afscheiding tusschen bet bezinkend en opstijgend sap. Verder is onder liet schot /' op den bovenkant van den conischen bodem een hellend schol // aange bracht, loopende over de geheele breedte van de kist. Bij liet plaatsen der kisten dient er bijzonder op te worden gelet, dat de bovenrand van de schotten e en de onderrand van de sc hotten f zuiver horizontaal geplaatst zijn. ledere kist is voorzien van een oonischen bodem waarin een •wtlaatopening met bolsluiting i. welke klep door een stang mei draad van af de bovenkant der kisten kan warden geopend of gesloten. De geheele constructie van de/e bezinkruimte is zoodanig, dat o(, n strooming met geringe snelheid over de geheele breedte »\<'ï kisten in het. sap plaats vindt, waarbij liet, vuil neerslaat in den conischen bodem, terwijl geen opwerking van bezonken vuil door strooming of onattentie kan ontstaan. Hij liet openen van de vuilsapklep i zal het in den eonischen bodem verzamelde vuil ontsnappen zonder veel beweging in de bovenlagen te veroorzaken, terwijl daarbij tevens de strooming in liet :;l l' tijdelijk ophoudt, aangezien liet niveau van de vloeistof dan "''"'lenden bovenrand van liet schot <• daalt, en mocht inde hene uenlagen eenig vuil zijn opgewerkt, dit tijd heeft te bezinken vóór '''' strooming opnieuw begint, wanneer het niveau in de bezinkkist tot iets hoven het schol e is gerezen. Men krijgt dus een doorloopende strooming van het sap inde drie erbonden kisten, waarbij zich veel vuil in den eersten, minder in 1 (,| i tweeden en weinig in den derden conischen bodem zal verzamelen. Het schoonsap uit de laatste kist wordt dooi' een i" kraan. 111 hel midden van den zijwand, ongeveer <>" beneden het niveau ' er vloeistof aangebracht, naar den triple-elïet afgevoerd ol'zekerheids ':i've met eigen druk door twee ampasfütero gefiltreerd. I'«ij eenige goede controle van den thermometer van den voor- W;ill| n'i' zal men hij gebruik van een batterij van drie dezer kisten s:l l' verkrijgen, vvaarby geen gevaar bestaat, zooajs thans hij de gewone wijze van bezinking, «lat door plotseling openen van kranen ne erlaten van flptteurs en onattentie hij het sluiten daarvan. ''''" gedeelte van het reeds bezonken vuil zich met het schoon- S:| !' vermengt en mede a/gelaten wordt, waardoor een groot deel Van he t nuttig eiïcet van voorwarmer en bezinking verloren gaat, 35 Mededcelingen uit on voor do praktijk Ook zal de verhouding van de hoeveelheid vuilsap 10l sch i in sap veel gunstiger worden, daar thans bij bet aftappen van sehoon sap uit de benedenlagen spoedig zwevend vuil van de onderlagen opwerkt naar het punt van uitstrooming en men daardoor verplichl is het aftappen van sehoonsap te staken, terwijl nog veel seho ui sap in de bezinkkist aanwezig is. I!ij deze constructie deell al hel sap in de strooming behalve het gedeelte in den conischen bodem, 'i welk mei tusschenpozen af getapl wordl of door regeling van de klep i regelmatig naar de vuil sapinstallatie uitstroomt. De kranen F, welke aan de voorzijde van eiken hak zijn aan gebracht, dienen om bij eenig langdurig stoppen, hij schoonmaak als anderszins, het grootste gedeelte van het sap uil de bezinkkisten als sehoonsap te kunnen laten afloopen. Op deze wijze heelt men een regelmatige sap/ui vering, waarbij een kleine ruimte voor hel sapzuiveringsstation i dig is. terwijl minder personeel en minder controle vereischt wordt. Een mandoei- kan gemakkelijk voorwarmer en bezinkkisten be dienen. Ook is op deze wijze minder gelegenheid voor afkoeling en verzuring, is de weg- welke hel sap van molen tot triplo-eifel af legt /eer kort. waardoor minder kalktoevoeging noodig wordt, ter wijl de groote hoeveelheid sap. slechts korten tijd mei kalk en vuil in aanraking blijft. Fabrieken, welke reeds met voorwarmers en bezinkkisten werken, kunnen deze werkwijze met zeer weinig kosten toepassen. In de eerste plaats om het minder kostbare van de installatie en ten tweede, om lat de gegevens en maten bij hel systeem I>k- Mixo. wal betreft bezinkruimte niel i >epasselijk zijn, wann ssr be langrijk minder sap, als daar opgegeven, verwerkt wordt, aang bij kleine bezinkbakken gewoon overloopen een afvoer van veel vuil moet veroorzaken, doordat zich bij instrooming veel vuil over de bovenlaag van het sap verspreidt en me Ie afgevoerd wordt; daar verder een groot deel van het sap niet in de strooming dealt en dus geruimen tijd verloopt voor dit verwerkt wordt, acht ik hei door mij aangegeven systeem beter en zullen goede resultaten daar mede moeten worden verkregen. op fabrieken waar hel vuilsap niet in filterpefsen wordt be handeld, kan men het vuil van de bezinkkisten opvangen in een verwarmingsbak, waar hel met water verdund, weer op hel kook- 36 Mitilflm.liujen uit en voor de jiruktijk punt wordt gebracht, waarna hel in een batterij bezinkkistea loopl : boven beschreven, welke echter min ler inhoud hebben. Ook daar vervallen natuurlijk aftapkraantjes of flotteurs, loopt het heldere sap bij regelmatige vulling constant af, terwijl het compacte vuil even als nu in kleine zakken uitgeperst wordt. Ook hier zal men dan vlugger verwerking van het sap verkrijgen, terwijl minder controle en minder ruimte noodig is bij minder bedienend personeel. Soerabaija, 15 November ISU7. C. J. van Ledden Hulsebosch. EENE VERBETERING AAN KOOKTOESTELLEN De goede uitkomsten door mij op verscheidene ondernemingen geconstateerd met de hieronder beschreven verbetering aan bestaande vacuüms, moedigen mij aan haar middels het Archief voor de Java- Suikerindustrie te publiceeren. De steeds grootere belangen verbonden aan het verkrijgen van een zou groot mogelijk quantum eerste product, schenken eenige waarde aan elke bjjdrage, hoe gering zij ook zijn moge. Op de meestal gevolgde wijze, treedt hetdiksapin het vacuüm door middel van eene + '2 1 ■_>" leiding, welke tot onder in de pan verlengd is gewerden. Bij zulk een centrale inlaatpijp, is de verdeeling van het diksap gebrekkig, zal het neiging hebben aan de oppervlakte te gaan indam- pen en zich slechts zeer langzaam met de overige massa hengen. Nevenstaande schets, geeft de af beelding van een ze er eenvoudig en gemakkelijk in vol le aaltijd aan '" brengen toestel, waarmede m. i. eeQ e veel hetere ''" regelmatige ver deling van diksap Wü »dt verkregen. "et is een cirkelvormige serpentijn van 2'/j" diameter, ver n,len aan de bestaande inlaatpijp en voorzien van kleine Mededeelingei alt en voor Ae praktijk 37 gaatjes, wie opening gtooter is naarmate zij verder van r!e toe voerbuis afgelegen zijn en wel successievelijk 1/8," 3/16," 1/4," Pe inrichting van dien serpentijn, welke op den bodem van de pan, tusschèn de l' 8 *'en 2 de stoomslang rust, is duidelijk: voorgesteld op de schets, zoodat eene verdere beschrijving oVèibodig zoude zijn. Vooral bij Halle'sche kookpannen bestaat eeflé goede gelegenheid tot het aanbrengen van zulk een serpentijn. Bij den afsluiter van de diksapleiding is eehe pijp \an ± l 2" aangebracht, waardoor volgens Dr. 11. CIaASSEN's patent, retour stoom in het vacuüm kan treden, nl. door dezelfde serpentijn als het diksap. Zoodra het kooksel zich concentreert en slechts weinig bewe ging meer te constateeren is, opent men den toevoer van retour stoom, en wel tot even voor liet neerlaten. Weldra is eene stijgende strooming in de vulmassa waar te nemen en ziet men deze tot het laatste toe in beweging. üe toegevoegde stoom condenseert nieten wordt krachtig door de massa heengezogen, dank zij 't luchtledige, waarin ook geene daling plaats heeft. Helaas beletten mij plaatselijke omstandigheden na te gaan in hoeverre deze beide veranderingen ten goede van het rendement ko men Ik ben niet in de gelegenheid geweest gedurende een zekeren tijd kooksels afzonderlijk te eentrifugeeren. Op een paar proeven afgaande is het natuurlijk niet mogelijk hieromtrent definitief te beslissen en wil ik dan ook voorloop'g geen cijfers publiceeren. Wel komt mij deze werkwijze rationeel voor, en meen ik zeker, dat de betere verdeeling van het diksap en beweging onder het afkoken, een gunstigen inUocd hebben op het kooksel. Vooral op „Boedoean," waar geene grnote kookcapaciteit dis ponibel was, heeft men «an deze werkwijze zeer apprecieerbare diensten. Op ~Omhul" is eveneens een der kookpannen sedert begin Mei van deze inrichting voorzien, en werd nog niet de minste storing ondervonden. H. Naus. Suikerfabriek ~Boedoean," 10 Juli 1897. Mc ili'tYHit'pcii uit en \oor di> pniliiijk 38 Hot volgende schrijven moge hier een plaats vinden: Omtrent het vinden van boorderoiereu kan ik nog het vol gende meêdeelen. Hier in 't Winongansche kan ik geen boordereieren meer vinden, sedert einde Augustus ongeveer reeds. De hier gevondene waren alle van den Witten hoorder, slechts bij hooge uitzondering werd er een eihoopje van den Sicngelboorder gevonden. Zeer opvallend was het feit, dat soms in tuinen, directnevei.s elkaar gelegen, in len eenen tuin vvèl, in den anderen geen eihoopjes werden gevonden, terwijl toch de tuinen met dezelfde bibitsoort (Garoet import) geplant waren. Slechts heel enkele werden in dien tuin gevonden, zoomede in een dei-den tuin ± 50 Meter verder gelegen en dat wel juist terzelfder tijd, dat ook in den eerstgenoemden tuin de meeste eihoopjes werden gevonden. Deze derde tuin wjs echter met Canne Morte bibit beplant. D'° tuin U de tuin lll ,le tuin. 22 Juli 35 23 » 72 24 i 89 25 » 150 26 » 110 26 Juli 20 27 » 140 27 > 40 23 • 08 20 » 98 'ë 30 j 108 z 31 » 45 1 Augustus 25 2 i 110 3 » 20 5 » 87 8 » 70 9 » 156 *1 » 200 15 » 210 11 Augustus 110 16 Augustus 95 16 i 245 ia , 100 18 » 17 18 > 14ü 13 • 215 24 . 10 20 , 80 17 e 230 25 » 52 ei * sadert niets meer. Mecledci'liugpn uit eD voor d<> praktijk 39 Tuin II lag ten Zuid-Westen van tuin J, tuin 111 vlak West van tuin I, zoodat het voor de hand ligt, dat vlindertjes van tuin I met den Oostenwind westwaarts zijn gevoerd, terwijl tuin 1 ten Oosten geheel en ten Noorden en Zuiden gedeeltelijk door dessa is omgeven. Men zou hieruit de conclusie trekken, dat hoofdzakelijk de hibit van tuin I de hoorders heeft aangebracht. Vreemd is het dan echter weer, dat in tuin 11, die met hibit van dezelfde plaats van herkomst is beplant, zoo weinig boorder eieren gevonden werden. Hetzelfde verschijnsel deed zich voor bij 2 andere tuinen IV en V, waarvan IV de oostelijkste, V de westelijkst gelegene is. Er werden gevonden : In tuin IV. In tuin V. 26 Juli 3 hoopjes 27 » 19 » 2 3 Augustus 20 » 55 5 » 41 * 6 » 56 » 9 » 103 » 9 Augustus 80 hoopjes 11 » 350 » 11 » 21 » 12 » 110 » 12 i 30 » 14 » 16 > 13 » 2J » 16 » 56 » en sedert niets meer 18 » 51 » 19 » 42 * en sedert niets meer. Ook hier dus een verspreiding van Oost naar West en een op treden in den westelijken tuin, juist in den tijd, dat ook in den oostelijken de meeste eihoopjes gevonden werden. Tuin IV is ten Oosten en gedeeltelijk ten Noorden door dessa's begrensd. Beide tuinen waren met dezelfde bibitsoort (import van eigen bibittuinen) geplant. Ik zou haast zeggen, dat de boordervlinders misschien uil de kampongranden afkomstig zijn en zou het misschien de moeite waard zijn om die kampongranden in hun vegetatie te onderzoe ken op boordeiverschijnselen. De hoorders hielden het meeste huis in aanplantingen, die in den loop van Juni in den grond gebracht, zijn. De plaag was dit jaar in het Winongansche veel erger dan het vorige jaar; ik heb er 40 Mededeelingen uit en voor de praktijk in mijn éénoogsaanplant veel soesah door ondervonden, om lal hel wegvreten van den moederstok, in de pas geplante tuin, telkens het verlies van een tjoeklak voorstelde. Als radikaal middel liet ik dan o k de geheele 'plant (als er nog geen uitstoeling was) uit trekken en plantte opnieuw. Waar uitstoeling was, sneed ik na tuurlijk alleen de aangetaste stok uit. De latere aanplantingen, half Juli tot half Augustus hadden zeer weinig van hoorders te lijden, terwijl de Junituinen, die nu bij de eerste regens zullen moeten gegoeloet worden, thans alleen hier en daar wat topboorders vertoonen. Zouals u zich herinneren zult is mijn aanplant onder Bajeman ten vorigen jare voor een groot deel door hoorders vernield, u begrijpt, dat ik daar dit jaar dubbel op mijn qui vive was. Het duurde dan ook niet lang of er werden buorderverschijn selen in den jongen aanplant waargenomen. De eerst geplante tuin, gelegen bewesten een snij veld van hevig door hoorders aangetast riet, vertoonde de hoorders in hevige mate. Reeds 151 Juli werden daar de eerste ei hoopjes gevonden n.l. 64. In de eerste 13 dagen van Augustus vonden we daar toen 'Üel minder dan : 2 Augustus 180 eihoopjes 3 » Kil » 4 » 307 » 5 » 325 » 6 > 500 » 7 • 482 » 8 b 333 • 9 » 107 » 10 » 80 » 11 » 72 » 12 • 4 » 13 » 41 » T.tt aal 2092 » Merkwaardigerwijze konden vanaf l3Augustus tot 25 Augustus B e en eihoopjes gevonden worden, doch toen begon bel weer: 25 Augustus 110 eihoopjes 26 » Hl » 27 » 32 » 28 » 14 * 41 Mededeelingcn uit en voor de praktijk 29 Augustus 57 eihoopjes 30 i 39 > 31 » 33 » 1 September 31 » 2 i 32 8 3 i> 67 » 4 o 55 » 5 » 66 » 6 i 61 > 7 i 75 » 8 » 70 » 9 » 45 » 10 t> 28 » sedert werden er geen meer gevonden. Dank zij het eierenzoeken is die tuin gered. Zeer opvallend is op Bajeman, dat in alle tuinen gelegen bc westen snij velden boordereieren gevonden worden. Zou b. v. is er een tuin van 62 bouws, zeer gestrekt in de rich ting Noord-Zuid. Het zuidelijkste stuk, grenzende aan een snij veld, vertoonde direct veel hoorders en vonden wij daar, te beginnen in September en gerekend tot 22 üctober reeds 856 eihoopjes, terwijl er nog steeds gevonden worden. In het stuk benoorden het vorige werden ook door de handigste vruuwen geen eihoopjes gevonden. Wèl heb ik daar in September 4668 hoorders gevonden. De geheele tuin is met Loethers topbibit beplant. De bibit was gedes infecteerd met bouillie bordelaise, bovendien onder Eur. toezicht gelief 1 uitgezocht en al wat boordergaten vertoonde, uitgescho ten, zoodat moeielijk aan te nemen is, dat hier de boorderplaag uit de bibit is voortgekomen. Op een paar kleine tuintjes, gelegen vlak naast een vermenigvuldigingstuin van 2 bouws, die hevig door hoorders was bezocht, von len wij bijzonder veel eihoopjes. Om verdere calami teiten te voorkomen, vernielde en verbrandde ik dien geheelen va riëteitentuin. De twee tuintjes zijn samen 9 bouw groot en vond ik daar tot 23 October GOO3 eihoopjes, en gaat liet vinden nog geregeld door. Die tuintjes zijn omringd door tegalans, waarop vele lage hees ter tjes voorkomen. Bovendien was er op die 9 bouws ten vorigen jare slechts voor een deel sawah gemaakt. Ook is er in die tuintjes enorm moeten worden uitgesneden, 42 Bfededeelingen uit en voor de praktijk zoo lat daarvan geen bevredigend product zal te wachten zijn. Ik denk dan ook die grondstukken te abandonfleeren. Toch hebben we dit jaar groot sucees met de boorderbestiijding onder Bajemm, daar de aanplant er nu oneindig beter staat dan vorig jijar en ik dit in hoofdzaak toeschrijf (en \)n. Zchntner met 10 ij) aan het onmiddellijk en met kracht den kop indrukken van de boorderplaag direct bij het optreden, waardoor we tot nu toe ± 2200Ü eihoopjes verzamelden. Winongan, 31 October 1897. F. J. J. van der Kolk. DIVERSE MEDEDEELINGEN Naai' aanleiding van verschillende publicaties in Engelsche en Amerikaansche tijdschriften, waarin beweerd wordt, dat variatie T»n riet weinig voorkomt, kan het zijn nut hebben de volgende mede deeling uit IS'.H) nog eens te publiceeren. „Gelijk bij de meeste cultuurplanten, treilen er zooals ieder onzer weet bij het suikerriet, een groot aantal variëteiten op, of schoon anders eene ongeslachtelijke vo irtplanting dè variatie niet zeer in de hand werkt. Vorm en kleur der leden, knopöntwikkeling, kleur, stand, beharing ( ' u vorm der Idaden. ontwikkeling <\cr waslaag, afmeting, wijze van wtstoeling, bet suiker- en glucosegehalte, de eischen, die aan den bodem worden gesteld, vertoonen dikwijls aanmerkelijke verschillen: toch zijn deze niet zoo typisch, dat. men van verschillende soorten suikerriel kan spreken, maar slechts van variëteiten, en verschillende waarnemingen leiden mij er toe, de meeste dier variëteiten voor Dl et geheel standvastig te houden. Ik wilde u beden gaarne eettigè feiten meiledeelen en gedeel ehjk laten zien. waarop zieb mijne meening grondt. Het vorige jaar ontving ik op Toelangan van den lieer Moquette, ll:i; ii' aanleiding van een gesprek over varieeren van riet, ecnige in '''t opzicht interessante rietstoclen. J'ij de eene waren op één stek gegroeid gestreept en geel riet. ' ,! .i de tweede gestreept en zwart riet, een derde vertoonde afwij "l:- |, ii van bet gewone tehoe keong of moiijet type, terwijl bij de y icrde de moêderstok duidelijk de vorm van het Ardjoenoriet had, Mededeelingen nit en voorde praktijk 43 waaraan zich een uitlooper van hel echte Cheribontype (zie onder staande afbeelding) gevormdhad. Al deze stokken nam ik mede naar Pasoeroean, hopende, dat dil riet, dal reeds neiging toonde tol va rieeren, verdere afwijkingen zoude verin.uien. Inderdaad beantwoordde een der stokken aan mijne verwachtin gen; uit een gestreepte riefetek, zelf afkomstig van een gele stek, ont wikkelde zich, behalve verschillende gestreepte stokken,een zwarte stuk. 44 Direrse mededeelingen Hierdoor is dus het bewijs geleverd, dat zich deur variatie uit een gele rietvarièteil eene zwarte kan ontwikkelen; misschien is het door Gonsalves verkregen zwarte riel op dezelfde manier in zijn aanplant (Uitstaan en heel! hij hel later door stekken vermenigvuldigd. waarna het door zijne goede eigenschappen langzamerhand de stam vorm verdrongen heeft. Niemand uwer :-.al hel prachtige door den Meer van Zyll de Jong gecultiveerde teboe soerat hongkong, de fraaiste rietsoort, die l k ken, verwarren mei hel wille riel. dal b. V. Op l'andaau wordt geteeld. Tocb hebben zich /onwel op Watoetoelis als hij ons. naasl het gestreepte riet witte slokken gevormd, die ik afzonderlijk plande en uu vrij wel hetzelfde blijken ie zijn als hei schijnbaar zoo ver schillende witte riet. Het uitgeplante Keong of monjel riet heefl allerlei variaties gegeven, die meer of minder op het gewone zwarte riet gelijken en eveneens de gele rietstokken, die op het oogenblik allerlei overgan gen tusschen Ardjoeno- en Cheribonriet vertoonen. Ik kan u hier ' H| s laten zien de overgangen van Ardjoeno ol' (Maheiteiiet. met zijne tonvormige leden in eene gele rietsoort, die geheel en ai de v "i'iii van liet zwarte t'herihonriet heeft, overgang van dit gele ('lie tibonriel in gestreept (*) en van dit gestreepte in het typische zwarte Cheribonriet; overgang van eene andere gestreepte soorl in wit riel ''" verscheiden vormen van Koongriet, die weer naderen tol hel gewone zwarte. Kornis, in Mededeelingen vlh. Proefstation Oost-Java No. 23. Op hoe groote schaal het ministerie van landbouw in de Ver 2enigi|,. Staten, de verpreiding van kennis tracht te bevorderen, bll jkt op nieuw uil het Yearbook of tlie Unitcxl States Department °' 181HJ, dat hier korl geleden ontvangen werd. '»it net gebonden boakdeel van bijna 700 blz., met 170 afbeel ' welke een 30tal verhandelingen illustreeren, wordt in een ' llt millioen exemplaren gratis verspreid. Bovendien wei-den 37(3 >r °chures uitgegeven tot een totaal bedrag van 6,561700 exemplaren, h ' eveneens gratis geleverd worden en verder nog 1,891000 •dariners bulletins" die door afgevaardigden en senatoren worden y erpreid. P [ 'i' fabriek Oemboel /mi; ik gestreept Borneotiet, dat in een.' gele variëteit overging Diverse mededeeilngetl 45 Het wetsvoorstel tot afschaffing van uitvoerrechten op suiker uit den nieuwen oogst is door de Tweede Kamer aangenomen en komt eerdaags bij >:e Eerste Kamer in behandeling. Volgende Advertentie werd aan de verschillende dagbladen aangeboden : Bij verbintenis vóór 1 April 1898 tot den afvoer per Sluats spnorneg van den geheclen suikeroogsr, vuur zoover de/e voor den uitvoer verpakt en bestemd is, zal in 181)8. hetzelfde tarief als in 1897 met de daarop verleende reductie van 20y c worden toegepast. /V Chef der ExptótliiUe Ö'L. Volgens de enquête van de Internationale Vereeniging vuur Suikerstatistiek op 12 December 1897 is de Suikerproductie in Europa als volgt: Suiker in tonnen : 1897/'9B 189(i/'97 verschil Duitschland 1,805000 1,821000 — IGOOO üostenrijk-lli.neaiije 81*7000 930000 — 03000 rrankrijk 780000 703300 + 76700 Rusland 754000 731400 + 19G0O Uelgië 231000 280000 — 49000 Nederland 118000 150800 - 38800 Zweden 83300 IUOiOO — 23100 Andere landen 100000 90C09 + 10000 4,708300 4,821900 — 113000 STATISTIEK OOGST-EN MARKTBERICHTEN, ENZ De navolgende cijfers, ontleend aan een rapport van den Oos tenrijkscben consul te Stockholm tonnen duidelijk de vooruitgang aan van de beetwortelsuikerindustrie in Zweden Aantal Verwerkte Verkregen Campagnejaar fabrieken lueten ruwsuiker. 1889j90 4 130813 ton 14025,5 ton. 1890,91 6 218229 » 20031,0 > 1891/92 8 260064 » 26842,5 t 46 Diverse meciedeoïin^en Aantal Verwerkte Verkregen Campagnejaar fabrieken bieten nnvsuiker. 1892/93 10 277413 ton 29919,9 ton 1893/94 iü 373962 » 43167,5 » 1804/95 14 028480 » 72890,4 * 1895,90 15 535149 » 57511,7 » De vermindering van productie gednrende de laatste campagne, is daaraan toe te schrijven, dat twee der grootste fabrieken door een hevigen brand vernield weiden. Prager Zuckermarit iS97, il:. Bi'>7. De rinvsuikerproiliictie van Frankrijk was gedurende de jaren 1872/73 — 1890/97 als volgt : Aantal Productie Rendement Campagne Fabrieken in tonnen ruwsuiker. 1872/73 519 408000 5,70 1873/74 539 390000 5,91 1874/75 529 450000 5,00 1875/76 530 402000 5,20 1876/77 514 24KW0 5,— '1877/78 501 397000 7,20 1878/79 501 432000 5,44 1879/80 454 271000 5,45 1880/81 4J3 320000 4,77 1881/82 480 325575 0,10 1882/83 496 362737 5 03 1883/84 483 406007 5,55 1884/85 449 272962 5,99 1885/86 413 265084 7,83 1886/87 391 434013 8,86 1887/88 375 347785 9,02 1888/89 381 414860 9,83 1889/90 373 700409 10,50 1890/91 377 616899 9,50 1891/92 368 578109 10,27 1892/93 386 523306 9,56 1893/94 370 514788 9,80 1894/95 368 701154 9,87 1895/96 367 553646 10,97 1896/97 358 668516 9,88 Journ. des fabric. d? sucre No. 38, 1897. Statistiek, oogst- en markberioiiten, enz 47 Europa 25 November. Het weder was in den laatsten tijd zeer veranderlijk. Duitschland had in het begin der laatste week koel en mistig weer, later viel ook een weinig regen en steeg de tem peratuur aanmerkelijk, men vreest dat dit van nadeeligen invloed op de ingekuilde bieten zal zijn. In Oostenrijk was het aanvankelijk koud, doch hierop volgde eveneens vochtig warm weer. De berichten omtrent den bietenoogst luiden niet gunstig. In Frankrijk was het weder droog en warm. Kr viel weinig regen. Hit rooien der bieten is afgeloopen. Op vele fabrieken is de cam pagne reeds geëindigd; de andeie zullen in deze maand nog volgen. Nederland en België hadden droog en zonnig weder, later werd het kil en vochtig De oogst is geëindigd. De meeste fabrieken zul len spoedig afgewerkt zijn. In Rusland heeft de winter zijn intrede gerlaan. Er viel sneeuw. De temperatuur daalde tot 0p —14,'2 C. De bieten hebben echter niet geleden. Enkele fabrieken hebben de campagne reeds geëindigd. Op Mauritius viel herhaaldelijk regen. De kwaliteit van het riet gaal hierdoor merkbaar achteruit; einde van de volgende maand zullen de meeste fabrieken afgewerkt zijn. In Louisiana zijn bijna alle fabrieken in vollen gang. De pro ductie is echter niet meer dan gemiddeld te noemen. In Denierara is de regentijd begonnen. De oogst valt tegen. Soerabaija 28 December. Zaksuiker uit ouden oogst werd afgedaan tot f 'A, —, oude voorwaarden, waartoe een tamelijk be langrijk kwantum is verhandeld. Op polarisatievoorwaarden wordt f 3','s en zelfs f 3,50 gebo den; Daar verkoopers weigeren op die voorwaarden af' te doen, doel zich thans herhaalde malen het geval voor, dat Chineezen zaksuiker tot f 'S, — koopen, die van den stapel laten polariseeren en daarna met ' 4 tot 'i 3 gulden prijsverschil onder garantie van polarisatie aan Europeesche huizen verknopen, liet ligt in den aard der zaak dat zij hij partijen, die thans nauwelijks uitgestroopt 75°—80° polariseeren. bij zoo'n transactie bitter weinig risico loopen. Nieuwe suiker. De markt opende tot f 6,50 No. 11 —II en / 7, — No. 15—17. waartoe 125000 pikols werden afgedaan en liep daarna op tol /'ti ;t ; i waartoe 15000 pikols werden gegund. Het meerettdeel van verkoopers houdt op f 7, — No. 11—14 en / 7,50 No. 15—17. 48 Statistiek, oogit- en marktberichten, «nz OORSPRONKELIJKE VERHANDELINGEN. MEDEDEELIN'GEN VAN HET PROEFSTATION OOST-JAYA Nieuwe Serie No. 45. HAP PO UT OVER DEN PROEFTUIN 189fi-97. door J. D. KOBUS en E. W. VAN DEN BOS3CHE In het jaarverslag van den Heer Wakker lezen we omtrent den proeftuin het volgende: «Behalve dat een groot gedeelte van den proeftuin dienst moest doen voor de gewone verzameling van variëteiten, welke door de vriendelijkheid van den Heer Moquette op mijn verzoek met eenige der ontbrekende nummers werd aangevuld, werd een tweede ge deelte gebruikt om een zoo groot mogelijke uitbreiding te geven ar *n de sereh-vrije variëteiten en aan de generatie-zaadplanten, Welke min of meer bruikbaar voor de cultuur zijn. Ook liet ik in Januari van enkele bibittuintjes aanleggen, op dezelfde wijze als dit verleden jaar (zie No. 34) met het Kerah-riet gedaan was. Wij hebben van de hieronder genoemde variëteiten het daar achter geplaatste aantal planten. Hierbij zijn de planten in do bibittuintjes niet medegerekend Het zal dus uiterst gemakkelijk vallen, om hiervan in den volgenden maaltijd bibit in vrij groote hoeveelheden aan de onder nemingen, die dit mochten verlangen, te verstrekken. Verder werd een groot gedeelte gereserveerd om het gestreepte Preanger-riet op sereh te beproeven en werden hiervan ook op zettelijk siwilans, door afkapping van tien top verkregen (zie ook mededeeling No. 33), uitgeplant om deze te vergelijken met gelijk geplante bibits. Van hetzelfde riet werd ook het zaad op zijn kiemvermogen onderzocht. Hoewel het aantal kiemnlanten gering was, bleek het toch meer zaad te leveren dan het Cheribon-riet gewoonlijk doet. Enkele dezer zaadplanten staan nu bijzonder fraai. Van wege het Syndicaat werden vijf partijen bibit zonder namen van Banka ontvangen van de aldaar uitgeplante Britsch- Indische riet variëteiten. Zij werden, voor zoover zij niet verrot waren aangekomen, uitgeplant. Welk nut het heeft dergelijke soorten, die alle min of meer op Glagah gelijken, te kweeken en op Java te importeeren, waar zoo talrijke serehvrije suikerriet variëteiten zijn, is mij ten eenen male onbegrijpelijk. De Benige soort, die iets dikker is dan de overige, gelijkt veel op het halfwilde, Chineesche riet (V No. 11.) Verder werden proeven genomen omtrent den invloed van «superphosphaat op Fidsji Koening." De hierboven in grove trekken aangegeven verdeeling van den proeftuin, moge door bijgaand kaartje verduidelijkt worden. De grondsoort bestond in hoofdzaak uit een mengsel van de zware Pasoeroeansche klei met een weinig zand on was vrij laat opengemaakt (eind Mei - eind Juni), zoodat voor het eerst geplante riet de grond niet goed had kunnen uitzuren, ofschoon na 30 April geen regen van eenige beteekenis meer viel. De tuin was ongeveer 5 2 ( 's bouw (netto) groot en verdeeld in vakken van 12 geulen, 2 roe lang en 3'/, voet hart op hart. Een aanzienlijk gedeelte hiervan werd ingenomen duur Ie ge neratie van gestreept Preanger-riet, dat door den Heer Wakker was uitgeplant om te zien in welke mate het van de sereh te lijden had. De bibit was geplant 1 Augustus, ingeboet op 27 Augustus, terwijl 31 Augustus en 3 November telkens met l'/a pikol Z. A. per bouw bemest werd en in Augustus en September ongeveer om de (3 dagen, later tot het invallen der regens om de 12 dagen 50 J. D. Kobus on E. \V. van deß Bvsselie. Rapport over di-n Proeftuin 1896-97 J. D. Kobus en E. W. van den Bossche. Rapport over den Proeftuin 1896—&7. 51 werd begoten, hei riet werd aangeaard 17 October, 10 December en 20 Januari. Het riet was goed gegroeid (er waren stokken bij, die ruim 4 K. G. wogen) en wel is waar omgevallen, maar eerst laat, zoo dat het niet op den grond Lag, maar meer was omgebogen. Aaïi eene groote vatbaarheid voor sereh viel evenwel niet te twijfelen; geen plant bijna was vrij van uiterlijke sereh verschijn selen en het viel niet moeilijk in korten tijd een verzameling van alle mogelijke serehtypen bijeen te brengen. Daar de stand van het riet bij mijn komst te Pasoeroean nog al gelijkmatig was, kwam het mij gewenscht voor hierbij na te gaan, welke invloed het trassen op het suikergehalte had. Zooals men op het kaartje ziet, waren er 18 strooken van 7 vakken met deze variëteit beplant. Afwisselend werden deze on getrast gelaten, eens getrast ( 13 /s) of twee keer getrast ( 13 /s en 2S U). Het riet werd achtereenvolgens op '19, 20 en 21 Juli gesneden en vermalen op de fabriek Soekoredjo, waar door den Heer Dr. A. W. Nanninga monsters van het gemengde sap werden genomen en hier onderzocht. De rietopbrengst liep niet veel uiteen en zoude misschien nog gelijkmatiger zijn geweest, wanneer het riet op enkele plekken niet was begonnen af te sterven. Mogelijk zijn aan dezelfde oorzaak ook de kleine verschillen in sapsamenstelling te wijten. De resultaten waren als volgt: De verschillen vallen geheel binnen de grenzen, die men aan de nauwkeurigheid van veldproeven stellen mag. Opvallend is de lage zuiverheid van het riet, terwijl juist de Pasoeroeansche gronden bekend zijn om het suikerrijke riet, dat ze produceeren. Een reden er voor kan ik niet opgeven, te meer daar enkele stokken in het laboratorium onderzocht, zeer suiker rijk bleken. 52 J. D. Kobus cu E. W. fan den Bossche. Rapport over den Proeftuin 1890 87 Kerst kort geleden evenwel hoorde ik, dat er gestreept Pre- Mlger-riet moet zijn, dat als variëteit behoort bij het beruchte rosé langerangriet. In hoeverre dit juist is, kon ik hier niet uitmaken en evenmin of de beide gestreepte variëteiten zooveel op elkaar Belijken, dat verwarring mogelijk is. Ruim '/j bouw was beplant met Fidsjiriet waarbij proeven genomen waren met pliospliorznnrbemcsting. Zitgedeelte werd beplant '27 Juli, ingeboet 23 Augustus en bemest °P 26 Augustus en 29 October, telkens met I'/» pikol Z. A. per bouw. Water werd gegeven 31 Juli, 12 en 20 Augustus, 4, 19,24,29 september, 7, 16 en 27 October, sen 11 November. De eerste ;ia >iaarding had plaats 28 September, de volgende begin December etl eind Januari. Afwisselend werden de vakken alleen met 15 pikol Z. A.ofmet ' } pikol Z. A. en 1 pikol superphospbaat bemest. De stand van het riet was zeer ongelijk; terwijl de westelijke v akkcii op den vochtiger grond flink waren doorgegroeid en een goed product gaven, was het riet op de oostelijke vakken veel kleiner en begon reeds vroeg af te sterven. Daar reeds op het oog te zien was, dat de vochtighcidstocstand van den grond van veel m eer invloed was dan de phosphorzuurbemesting en door hei ° n gelijke afsterven, vak voor vak toch niet met elkaar kon worden Ver geleken, werden de 18 phosphaatvakken te gelijk geoogst en l! ' 11 dag later de 18 andere. Hoewel hier, zoowel het zuiverheidsquotiënt als hel gehalte aan winbare suiker in het sap, bij het met phosphorzuur bemeste riet "°oger was, ligt toch ook hier het verschil binnen de nauwkeurig keidsgrenzen voor veldproeven en is het niet onwaarschijnlijk, dat °et vele afstervende riet van zeer veel invloed op de medegedeelde cijfers geweest is. *■ D. Kol,na en E. W. var, den Bossche. Ftapporl over de» Proeftuin 1896—97. 53 Met de generatie zaadplant No. 100 was ruim »/ 4 bouw beplant, evenals het Fidsjiriet op 27 Juli, terwijl 29 Augustus werd ingeboet; 1 September en 29 Oktober werd met I'/» pikol Z. A. bemest, 27 September en 12 November aangeaard. Water werd gegeven 31 Juli, 12, 18, 22, 25, 30 Augustus, 4, 10, 15, 22, 29 September, 6, 12, 21, 30 October en 5 November. Zooals bekend is bloeit deze variëteit sterk en vormt dan door het uitloopen der bovenste oogen vele siwilans. Van de 218 geulen waren er 61 met siwilans geplant. In den loop van Mei liet ik nagaan, hoe sterk de uitstoeling, de bloei en de siwilanvorming waren en vond daarbij/Ie volgende cijfers : In elk geval blijkt hieruit, dat de planten uit siwilans gegroeid niet minder waren dan de andere, welke zich uit gewone stekken ontwikkelden en dat het bloeien van het riet niet in de hand wordt gewerkt door het siwilans planten. De stand van het riet was slecht, misschien omdat de grond te kort uitgezuurd had, het riet was klein van stuk en stierf op enkele plaatsen reeds vroegtijdig af. Bij het snijden werden een groot aantal doode stokken verwijderd, nog meer dan bij Fidsjiriet. De opbrengst bedroeg dan ook niet meer dan 500 pikol per bouw. Daar evenwel onder gunstiger omstandigheden een zeer veel grooter product gemaakt werd (o. a. op de fabriek Kremboong), behoeft dit lage cijfer niemand van den aanplant dezer tot nu toe serehvrije rietvariëteit af te schrikken. De samenstelling van liet gemengde molensap was 21,3 8.. 18,17 S., 83,3 <«>. dus 2 S—B = 15,0!. Onder gunstiger omstandigheden wordt deze samenstelling ook veel beter, zooals b. v. blijkt uit de analyse van het riet. dat voor onze selectieproeven diende, waar gemiddeld ongeveer 21,3 8., 19,5 S, 91,7 Q. gevonden werd en dus 2 S—B = 17,7 was. Ruim '/„ bouw was beplant met generatie zaadplanten van Fidsjiriet, die wel eenig verschil in type vertoonden, maar toch in hoofdzaak op de moelerplant geleken. 54 J. D. Koljub en E. Vf. van den Bossche. Rapport «Ter den Proeftuin 188G— 9? Het riet was geplant 5 Augustus, ingeboet.29 Augustus, bemest * September en 129 October en aangeaard op 27 Septomber. terwijl '-, 17, 22, 25, 30 Augustus, 4, 10, 15, 22, 29 September, 6, 12,21, Oetober en 5 November water gegeven werd. De productie van bet riet, dat even als de meeste andere va ''"'teiten begon af te sterven, was 0J7,5 pikol per bouw, de sapsa to.enstelling 18,6 Brix, 14,46 S., 77,7 Q. en dus 2 S-li = 10,32. Mei B'J% persing zoude dus 7i,9 pikol suiker per bouw zijn gekregen (6519 K.M. per If. A.). Van het Bankariet waren drie variëteiten aanwezig, waarvan '''' stekken, volgens bet hiervoor medegedeelde verslas van den IT. l «eer Wakker, in zeer slechten toestand overgekomen waren. Ze werden na aankomst (eind Juli) op kweekbeddingen gelegd en 8 September uitgeplant, 25 September werd ingeboet, 10 October eil 9 November bemest, evenals alle andere variëteiten telkens met ! pikol Z. A. Water werd gegeven op 13, lü, 24 September, *i 12, 30 October en 5 November. Van de variëteit Puri waren slechts 32 planten aanwezig, die a "en voor de selectieproeven gebezigd werden. Deze wegen samen 2 ' J1 ,33 K.G. 0f9,23 K.G. per plant (15 kattie). Ze waren geplant op 3' ; 2 voel hart op hart, 10 planten per ? e ul van 2 roe. Per bouw berekend krijgt men dus eene opbrengst Van nagenoeg 1:280 pikols. De winbare suiker 2 S—B wasgemiddeld 1:i .~ (zie de analyse in Meded. P. O. J. No. 41, blz. 54—59). Dij eene persproef op Ngempit werd zonder imbibitie bij dub "'' persen 03% sap verkregen," dus met imbibitie + 70%. Men kan uit deze gegevens eene productie van bijna 125 pikol X|||l| are suiker per leniw berekenen. Jk weet zeer goed, dat men * cijfer niet als basis vóór verdere berekeningen kan aannemen, ar hel aantal planten te klein is en vermeld het dan ook alleen, ilit jaar in onzen tuin geen enkele andere variëteit dit cijfer °P verre na bereikte. De beide variëteiten Chunnee en Ruckree waren door elkaar tvangen en uitgeplant (samen */to bouw) en werden samen ''""alen. |t,. opbrengst was 1 pikol riet per geul (10 planten) e nevens 0,174 pikol bibit: hiervan kan nog een groot gedeelte als et gerekend worden, daar zeer lange topeinden werden afgesne en om de soorten uit te breiden. Rekenen we nog 0,1 pikol tot rie t, dan is de productie per geul 1,1 pikol en per bouw 942 (81983 K. O. per H. A.). ». D. Kobus en E. W. van den Jlos9che. Rapport over den Proeftuin 1896 — 9". 55 De samenstelling van liet gemengde molensap was 20,15 Brix, 17,07 S., 84,7 Q. dus 2 S—B = 13,99. Rekent men de persing op 65%, dan krijgt men eene productie aan winbare suiker van 85,7 pikol per bouw (7459 K. G. per 11. A.). Tot liet laatst van Augustus, toen het riet gesneden werd, wa ren geen afstervende stengels bij deze beide variëteiten te vinden en bleef het riet doorgroeien. Beide variëteiten, Ruckree en Chunnee, geven kiembaar zaad; daar reeds vroeger, zoowel door de beide proefstations als door de lleeren Moquette en Boüßictos proeven met .dit zaad genomen waren, welke ongunstige resultaten gaven, zaaide ik het niet weer uit, maar gebruikte voor mijn zaaiproeven pluimen van Preanger riet, die naast het Bankariet stonden en dus waarschijnlijk wel gekruiste zaden bevatten. Dit bleek al dadelijk bij het opkomen, daar de kiemkracht aan zienlijk grooter was dan bij ongekruist Preangerriet en is nu ook dui delijk aan den habitus van een aantal der jonge plantjes te zien. (') Twee vakken van twaalf geulen elk waren beplant met 1" generatie van gestreept Preanger en wel zoo, dat op het eene vak gewone bibits werden gebruikt en op het andere siwilans, verkregen door den top van het slaande riet af te kappen en de stengels zoodoende te noodzaken uitloopers te maken. Beide soort stekken werden geplant 9 /7, ingeboet 7 /s, bemest 23 /t en 29 /io, aangeaard 20 lg, begin December en eind Januari, begoten 16, 29 Juli, 8, 17, 22 Augustus, 4, 10, 19, 24, 29 September, 7, 10 October, 5 en 11 November. Het riet werd gesneden 22 h, dus toen het ruim een jaar oud was. Beide vakken brachten elk juist 12 pikol op of 850 pikol per bouw. In beide vakken begon het riet af te sterven. De sapsamenstelling liep vrij ver uiteen, daar gevonden werd: Vermoedelijk was dit verschil toe te schrijven aan eene ver schillende mate van afsterven. Ook in een vijftal vakken met Cheribonriet beplant, begon het riet af te sterven. De stekken waren vaneen serehzieken aanplant (1). Enkele zjjn nu (8 Jan.) reeds 4 Meter hoog, tot mm den top dor bladen. 56 J. D. kubus On E. W . van den Ëogßche. Rapport over den Proeftuin 1891 9' genomen en hadden weer serehzifk riet gegeven. De productie bedroeg slechts 680 pikol per bouw. Door eene vergissing werd het r iet niet afzonderlijk vermalen. Zooals men op het kaartje ziet, waren verder nog aangeplant terah- en Fidsjiriet, van de eerste variëteit nagenoeg 1 boaw,groo tendeels als randriet om den geheelen tuin, benevens 192 geniën °Qgeveer midden in; van de tweede variëteit 72 geulen dicht bij '''■n Noordrand. Bijna al dit riet werd voor onze selectieproeven gebruikt. Slechts een twaaftal vakken Kerahriet, die afwisselend ""'t topbibit en plantriet geplant waren, werden afzonderlijk geoogst e ö te Soekoredjo vernaaien. De topbibit werd geplant 27 / 7 , ingeboet *°/8, bemest 27 /8 en 9 /n, water gegeven 4, 11, 17, 22, 27 Augustus, 1, G, 11, 17, 24, 28 September, 3, 17, en 28 October, 4en 12 November. Het plantriet w, 'id in den grond gebracht u /s, ingeboet 10 /9, bemest 25 /2 en »/n, water gegeven 17, 22, 27 Augustus, 1, 6, 11, 17,24,28 September, 3> 17, 28, October, 4 en 12 November. Beide vakken kregen de eerste aanaarding 3 /io, terwijl deze bewerking midden December en ''inde Januari herhaald werd. ITet riet werd 12 Augustus gesneden. Het bibittninljc besloeg ruim 3 / 5 bouw en was in zeven stroo ien verdeeld. Twee strooken (144 geulen) waren beplant met Fid- R .i'i'iet, terwijl telkens ééne strook bestemd was voor G. Z. 100 en zwart Muntok-, zwart en geel Manillariet. Het planten had plaats van 12—14 Januari, nadat een paar dagen te voren gegom bengd was; een paar kleine aanaardingen werden gegeven op 18 /2 en 10, 3, bemest G /„; de laatste aanaarding had plaats V 4 . Het plant riet van dit tuintje en topbibit van Kerahriet werden bij circulaire v an 15 Juni ter beschikking der leden van het proefstation gesteld, waarop 35 aanvragen binnenkwamen. De meeste liefhebbers vond G - Z. 100, n. I. 32, daarna G. Z. 125 en wel 28, geel Manilla riet 25, zwart Manillariet 22 en Kerah 15, terwijl nog 15 fabrieken ■>• D. Kobus i-u K. W. vnn ilcn Bossche, ftapporl óve* iet Proeftuin IS'.iG—97. 57 stekken van een of meer variëteiten ontvingen. Na de'eerste bézen dingaan een paar nabijgelegen fabrieken werd gemerkt, dat in liet Muntokriet de stengelstrepenziekte voorkwam, zoodal dit riet niel meer verzonden werd. In het geheel werd + FJOOOK.G. afgeleverd. Het Fidsjiriet werdgebruikl als plantmateriaal voor den nieuwen tuin. Ten slotte blijven nog de variëteiten en generatie-zaadplanten te bespreken. Daze waren hetvroegst van alles geplant, gedeeltelijk zelfs toen de grond nog nat was en de bodem der geulen nog niet bewerkt, zoodat de plantgaten gedeeltelijk in den natten grond gemaakt waren en deze in liet geheel niet had kunnen uitzuren. liet planten der variëteiten n. I. begon op 15 Juni en werd voortgezet tot 1 Juli, terwijl de generatie-zaadplanten van 4—21 Juli geplant werden. Het graven der plantgeulen was 28 Mei be gonnen, voor de tweede keer begon men er mee 6 Juni en metde.be werking ( kebroes) der plantgeulen was 14 Juni een aanvang gemaakt, 20 /7 en - ;! 't werd vuur het eerst, gemest (p/ 2 pikol Z.A.), "'io voor de tweede keer. De aanaardingen badden plaats & 5 /g, resp. l 'k of ïf> /9 voor ile eerste keer en vervolgens begin December en eind Ja nuari. Van afliet eerste planten tot half November werd IS keer water gegeven, dus ongeveer om de 8 dagen. Bij mijn komst op het proefstation waren een groot aantal variëteiten en generatie-zaadplanten reeds bezig af te sterven; daar evenwel de nieuw.' tuin eerst half .luni plantklaar was, na ruim een maand te hebben uitgezuurd, nam dit afsterven eiken dag toe, zoodat van een vijftigtal variëteiten geen enkele stok geanalyseerd kon worden en met moeite bibit genoeg verkregen om er 2 geulen mede te beplanten. Van andere variëteiten waren meer of minder gezonde stokken overgebleven, die zoo spoedig mogelijk in het laboratorium werden onderzocht, maar eerst na ongeveer een week, kon het aantal te onderzoeken stokken op twintig voor elke variëteit gebracht worden, terwijl ook van de/e soorten nog in een groot aantal plantgeulen, een grooter of kleiner aantal stokken verdroogd was. Hoewel dus de cijfers, die bij de analyse der verschillende varië teiten gevonden werden, niet zooveel vertrouwen verdienen als de voor 1893 gepubliceerde,toen telkens2geheele geulen van elke soort onderzocht werden, laat ik ze hier volledigheidshalve toch volgen. 58 J. D. Kobus en E. W. Tan den BoMOhe. Rapport over dun Proeftuin 1890—97 •!■ t>. ÏCobus en E. Vf. van den Bossclie . Iïapport over den Proeftuin 1896—97. 59 60 j. ]). Kobus en Ë. \V. van den Bossone. Rapport over (icn Proeftuin 1896—47 J. D. Kcihus en E. \V. van den Bossche. Rapport ever den Proeftuin 1 89G— 97. 61 62 J. D. Kobu? en E. W. van den Kossehe- Kppi ort over den proeftu'n 1596-97 Bij het overplanten der variëteiten in den nieuwen tuin, wen! rekening gehouden mei hel onderzoek van Moquette en Wakker (Meded. Pr. O J. Nu. 3i N.S., Archief 1897 blz. 79) waarbij hun aantal van ongeveer 500 tot ± '200 werd gereduceerd, door het samenvoegen van alle identieke nummers. Van enkele variëteiten was wat meer uitgeplant n. I. van Louzier (Loethers). Muntok en '2 soorten iManillariet. (>pbrengst en analyse van dit riet waren als volgt De productie per bouw van de 3 laatste variëteiten is hier niet berekend, daar hiervan in Januari plantriet gesneden werd voor het bibittuintje. De geringe productie van Loethers op den zwaren, onuitgezuurden grond behoeft ons niet te verwonderen J. D Kobus tn E. W. Ytin des Bossche, Rapper! OTer den Troef uin 1896-97. 63 (laar juist deze variëteit, zooahs bekend, het best groeil op een lichten, water doorlatenden bodem. Van de generatie-zaad planten waren 3 reeksen aanwezig en wel die uit zaad van 1893, uit zaad van '95 en ecnige afkomstig van den Heer Moquette. Ze zullen hierachter onderscheiden wor den als GZ., GZM. en GZ. '95. Bovendien waren inlB96nog,zaai proeven genomen met pluimen van GZ. 100, GZ. 125 en van ge streept Preangerriet. Zooals te verwachten was, waren niet alle zaadplanten serehvrij gebleven; bovendien waren er een grool aantal achterlijk in groei en sommige nagenoeg geheel en al af gestorven. Deze laatste en de door sereh aangetaste werden niet ver der onderzocht, even als enkele der slechtst ontwikkelde nummers. Veel gewicht mocht ik, echter dit jaar niet hechten aan een slechten g'oei. daar de omstandigheden hier gedeeltelijk schuld aan waren. Er werden dus nog ongeveer 150 nummers der zaadplan ten onderzocht en hiervoor van elk 10 of 20 gave stokken, al naar dat er beschikbaar w-aren vermalen en geanalyseerd. Hierbij werd gevonden. 64 J, [i Kul.as in E. W. \;in den jiossohe. Rapport over den Proeftuin 1896—97, .1. P. Kobus en E. \V. van dm Boitche Rapport over <l«n Proeftuin 1896-97. 65 66 .). D. KoHus en E. W van d?n Bossche Rapport over den proeftuin 1896—97 ,T, D. Kubus on E. W van den Boesehe. Rappen ove» den proeftuin 1396 97. 67 Behalve van de den eersten dag vermalen zaadplanten, die alle weer overgeplant werden, werden alleen stekken genomen van de soorten, waarbij de waarde 2 S—B grooter was dan 12 en deze zooveel mogelijk uitgebreid. Er waren echter slechts weinig vaiië teiten, waarvan zoodoende meer dan 10 geulen verkregen werden en in het geheel bedraagt de oppervlakte beplant met GZ., GZM. en GZ. 95 nog geen halven bouw. Met de generatie zaadplant 125 (Archief 1894 hlz. 913) waren 18 geulen beplant, welke, nadat er in Januari stokken uit gesne den waren voor den bibittuin, 12 pikol riet opbrachten. Pe samenstelling van het sap was verre van mooi (Br. 19,2, S. 14,24, Q. 74.2, 2 S—B 9,28) en bovendien was het riet sereh ziek geworden, zoodat ik deze variëteit niet verder wilde uil breiden en er alleen voor verdere observatie een tiental geulen van aanhield. Later plantte ik evenwel nog ± ','s bouw met stekken uit den bibittuin om het volgend jaar nog bij eene tweede zaadplant het suikerhalte der afzonderlijke stokken te kunnen onderzoeken. 68 J. D. Kobus en E. W. van den Bossche. Rapport over il-n proeftuin '896—97 Van de zaadplanten van 1896 waren er ongeveer 25 volwassen geworden, ettelijke er van evenwel waren slecht ontwikkeld of nagenoeg afgestorven, zoodat er maar 15 in bet laboratorium on derzocht werden. Het sap hiervan vertoonde de volgende samen stelling. Alleen die, waarbij 2 S—B grooter was dan 10, werden uitge breid, dus in het geheel 9 nummers, waarvan 0 al'stan men \an gestreept Preanger en i5 van G. Z. 125. In het geheel zijn zoodoende 04 verschillende soorten zaad planten van de zaaisels 1890, 1895 en 18'JG op het proefstation aanwezig, van welke een paar dei beste in het begin van 1898 in een bibittuintje zouden kunnen worden overgeplant. J. I). Kobua BB Ë. W. van ilen Ho99c!ie. tiilpport over den proeftuin 1896 — 9*. 69 MKDKDKEUiNGEN UITEN VOOR DE PRAKTIJK. [UITEN TERANTIVOOROKLIJKHKII) DER REDACTIE EKN EN ANDER OVEII DE ZOOGENAAMDE DONGKELLANZIEKTE. Zoolang ik op de suikerfabriek „Olean" (Bezoekt) werkzaam ben, ongeveer 16 jaren, heb ik in den aanplanl kleine plekken gekend, waarop hel riel in de eerste dagen van den maaltijd afstierf. Daar echter de totale oppervlakte hiervan hoogstens een paar bouw bedroeg, was de schade zoo gering, dal op dat verschijn sel weinig acht werd geslagen. Hei is daarom onmogelijk mei eenige zekerheid te zeggen, of dat verschijnsel van vlug afsterven, het zelfde is geweest, als dat, hetwelk men nn met den naam van dong kellan-ziekte bestempelt. Eerst in 1894 trok het mijne aandacht, dat die doodgaande plekken veel grooter werden. Ik kreeg toen p. m. 12 bws. dong kellan-ziek riet. verdeeld over 5 tuinen. Hel was echter gemakkelijk bij te houden met malen en veroorzaakte daarom nog geene bij zondere ongerustheid. •In 1895 echter nam die ziekte plotseling zeer groote afmetingen aan en werden p. m. 185 bouws, verdeeld over \'-\ tuinen, aangetast. De ziekte breidde zich elk jaar meer uit. zoo als blijkt nit het volgende staatje : In 1894 p. in. '\'i bouws, verdeeld over '■> tuinen. » 1895 |i. m. LB5 » » » 7 » » 1896 p. m. 245 » » » 13 » » 1897 p. m. 320 » .. » 17 De riel- en suikerproducties gingen hieraan evenredig achteruit. In IS ( .i"> werden nog 943 pikols riet en 107 pikols suiker per liuiiw gehaald. In 1896 werden 900 pikols en 92 pikols suiker ge maakt. terwijl dit jaar slechts 781 pikols riet en SI pikols suiker per bouw werden verkregen. Terwijl in 1894, 1895 en 1896, de ziekte alleen voorkwam op natie gronden, werden in dit jaar (1897) vuur 't eerst ook belang rijke uitgestrektheden riel op droge gronden aangetast. De ver schijnselen zijn hekend, liet riet groeit uiterlijk normaal door int ongeveer eind April en sterft dan in Mei of Juni plotseling en snel af, dikwijls slechts 8. 9, of 10 maanden oud. Haalt men de stoelen uit den grond, dan ziet men een zeer klein wortelstelsel, dat op droge gronden verdroogd en op natte gronden verrot is. In 1895 zond ik verschillende stoelen nit ontijdig afstervende tuinen naar het proefstation „Oost-lava" ten onderzoek en werd daar de aanwezigheid van de dongkellan-schimmel geconstateerd. In 1896 had die ziekte weder groote afmetingen aangenomen en verzocbl ik Dr. Wakkeb naar Olean te komen. Dal jaar stierf op vele fabrieken het riet snel af en ofschoon men het algemeen toeschreef aan het slechte uitzuren der gronden door den grooten regenval in den Oostmoesson van 1895, wilde Dr. Wakkeb van deze reilen niets weten en de ramp maar voor een zeer klein gedeelte op rekening van die ongunstige weersge steldheid schrijven. Wij weten nu, dat hij toen gelijk had. Immers, de drogeOost moesson van 1896 heelt niet helet dat de dongkellanziekte in 18U7 weder grooter verwoesting heelt aangericht. Niet alleen, dateik jaar grooter oppervlakte werd aangetast, doch de schade werd grooter, doordat het afsterven sneller ging. In 18'.).") kon het eenigszins met malen worden bijgehouden en kreeg ik wel veel minder riet. door dat die zieke tuinen niet doorgegroeid waren, doch er viel over de sappen nog niet heel erg te klagen. In 1896 was't onmogelijk het riet anders dan dood te vermalen en dit jaar ging het afsterven nou sneller. Hel ergste wat ik in dit opzicht zag, was de tuin Goeniok. 48 bouws groot, waarvan .'52 houws. tien maanden oud. in 5 tot 7 dagen van frisch groen tot totale verdorring overgingen en daarom nou niet 500 pikols produceerden, minder dan do helft van hetgeen verwacht was. terwijl de overige 16 bouws (nieuwe gronden, waar over latei) gespaard hieven, liet inoleusap van die ontijdig afster vende tuinen had dan ook in 1896 en 1897 een reinheid van 68 tot 78. liet is merkwaardig, dat dit sap. als dongkellan-ziekte de oorzaak is van deze lage reinheid, zich nog vrij goed laat verwerken. \)r. WAKKEB raadde in 1896 aan. de gronden, waarop doiigkel lan-ziek riet had gestaan, niet meer te gebruiken. Waar die ziekte echter zoo'n grooten omvang heeft genomen is dit onuitvoerbaar on moet er iets anders op gevonden worden. Kr werd dan ook besloten tot de volgende proeven : 1. Zwaar draiuccren. 2. Weinig draineeren. 71 Mededeelingen uit en voor de praktijk 3. Vergelijkende proeven metloengkil, p. m. 30 kattiés stikstof per bouw, en zwavelzure ammonia ook p, m. ;>0 katties stikstof per bouw; omdat de mogelijkheid niet was uitgesloten, < I ;it door het in den grond brengen van boengkil, hel voortwoe keren van de dongkellan-schimmel werd bevorderd. 4. Beplanting met vreemde rietsoorten, namelijk Loethers en Cannemorte. Ik voegde hier later nog bij: a. Een vergelijkende proef met diep planten in gewone plantgeu len of ondiep planten op zoogenaamde beddingen. Deze beddin gen werden verkregen, dom- in een ploegtuin, waar alle plantgeulen gereed waren, beurtelings twee plantgeulen bij el kander te voegen, en een te laten blijven bestaan, waardoor men het volgende Profiel kreeg. V 7voet V 7voet V 7voet V De bibit werd hier bovenop geleed op afstanden van l'/j voet hij :>'/j voet. dus gelijke plantwijdte als hier algemeen in gebruik is voor het beplanten van plantgeulen. b. Vergelijkende proeven op natte gronden niet zeer veel bevloeien en slechts bevloeien als dit dringend noodzakelijk is. hetgeen op natte gronden met ondergrondswater bijna niet voorkomt. Alle proeven wei-den genomen met tuinen, beplant met bibil van eigen bergtuinen en zooveel mogelijk op plaatsen, waar vroe ger het riet ontijdig was afgestorven. Gedurende dezen maaltijd bleek mij liet volgende: 1. zwaar draiueeren ot' weinig draineeren, c 2. 30 katties stikstof per bouw iu den vorm van katjang-boengkil dan wel van zwavelzure ammonia. 3. diep planten in plantgeulen dan wel ondiep op beddingen, 4. veel bevloeien of weinig bevloeien. Dit alles had niet den minsten invloed op het optreden of op de hevigheid dei' dongkellan-ziekte. Zoowel hij de proef als hij de contra-proef trad de dongkellan ziekte gelijkelijk op ui' hieven de tuinen daarvan gelijkelijk ver schoond. Ook op het verloop der ziekte toonden de proeven geen invloed. Waar dongkellan-ziekte zich vertoonde, ging het riet plotseling en tegelijk dood; terwijl het tot het laatst groen bleef en doorgroeide, waar de tuinen van die ziekte verschoond bleven. liet afstervingsproces had een duur. varieerende van 5 dagen Mt'U'ik'flingcn uit en voor de praktijk 72 iet eene maand en natuurlijk was er minder schalde, waai- hel afsterven langzamer ging. De rietproduetie hing geheel af van het niet of wel optreden van dongkellan-ziekte. Wat betreft ondiep planten kan nog medegedeeld worden, dat o. a. een gedeelte p. m. 7 ! /-i bouws groot, van tuin Sokaan, op beddingen geplant, p. m. 1460 pïkols per bouw opbracht, il. i. ruim 300 pikols meer dan 'lal stuk ooit geproduceerd had. Ookin andere tuinen gaf de beddingen-aanplant, mits op natten grond aangelegd, zeer goede producties, waai- hij gespaard blééf voor dongkellan ziekte. Hei is dus gebleken dat ondiep planten, niet, zooals sommigen meenen, deze ziekte bevordert. Men heeft ook «Ie dongkellan-ziekte in verband willen brengen meteen heviger optreden van de boordérplaag. Ofschoon iedereen wel weel. dat deze rietvijanden veel schade berokkenen, al was hel maar alleen door liet onbruikbaar worden van de bibit, meen ik dal bier bewezen is. dat deze ziekte onafhankelijk is van I rders. Er is toch op Olean verleden jaar veel werk gemaakt van boorder-bestrijding. In het geheel werden ruim 3,600000 (zegge drie millioen zes honderd duizend) hoorders op liet fabriekskantoor gebracht en vernietigd, liet resultaat daarvan was. dat dit jaar vele fabrikatietuinen bijna vrij van hoorders waren. Desniettegen staande trad de dongkellan-ziekte heviger op dan in 1893. Toen ik Dr. Zehntneb en Dr. Raciborskj een tuin liet zien, geplant mei bibit van eigen bergtuinen, die, 10maanden oud,geheel dood was door dongkellan-ziekte, vond eerstgenoemde geen enkele stuk. die door hoorders was aangetast. Van proef No. i. weerstandsvermogen van vreemde rietsoorten, kan het volgende worden vermeld. Ook hiervoor was grond uitge zocht, waarop het riet in 1894 door dongkellan-ziekte verwoest was geworden. Ongeveer 'i bouws werden rnitsgew ijze beplant met vak ken Loethers, Cannemorte en import Cheribon van eigen bergtuinen. Tut het laatste van dezen maaltijd bleef alles groen en in leven en alleen een zeer klein hoekje Cheribon-riel werd aangetast.Ongeveer 7 bouws v lien zelfden tuin daarentegen, die in 1894 minder hevig waren aangetast en vlak naast dien proeftuin gelegen, waren in Mei reeds dood en hadden in alles dezelfde bewerking ondergaan van den proeftuin. Op alle andere plaatsen, waar de ziekte in 1894 was geweest. woelde zij dil jaar we ler. 73 Mededeelingen "it en voor de praktijk In een anderen tuin ging Loethers ook dood, doch minder snel dan het Cheribonriet, terwijl ik bij mijnen buurman een mooien Cannemorte tuin plotseling zag afsterven, evenals een klein gedeelte beplant mei Bankariet. Ook plantte ik verleden jaar in den tuin Goemok een halve bouw met bibit van /waar dongkellan-ziek riet uit den tuin Zuid Alasmalang. Deze halve bouwis geheel vrij gebleven van deze ziekte en, pas op het laatst van den maaltijd, geheel groen gesneden. Er was wel viij veel sereh in gekomen, doch hel stuk bracht aog |>. in. 900 pikols per bouw op. De zwaar door dongkellan-ziekte geteisterde tuinen produceer den slechts 500 a 600 pikolsper bouw, ongeveer de belfl vanhetgeen men zou hebben verkregen als zij gezond waren gebleven. Ook constateerde ik nog, dat hei geen verschil gaf in weer standsvermogen tegen dongkellan-ziekte, of men eigen bergbibit, dan wel l"' 1 ' generatie gebruikte. Zoowel import Banjoewangi, import eigen hihittiiineii. als 1-"' generatie van waar mik. werd hevig aangetast waar de ziekte zich vertoonde en bleef gelijk gespaard waar dit niet hel geval was. Men kan dus gerust als bewezen aannemen, dal bibitkeuze geen invloed heeft op deze ziekte. Duur proeven werd mij tevens duidelijk, dat hel nuk geen ver schil maakte of men bibit gebruikte, die op de snijvlakken geteerd was. dan wel of men de bibit OOg vuur eng op de kweekheildiiigen afstak. De hierdoor gemaakte nieuwe w.uiden veroorzaakten geen heviger optreden dia- ziekte. Het is vanbelang te vermelden, dat hei mij dit jaar in 5 tuinen gebleken is. dat hel riet niet aangetast werd. int het laatst green bleef en doorgroeide, op die plaatsen waar slechts I. "2 of •> keer riet was geplant. De hierbij door mij bedoelde stukken grensden aan OUde gronden, waarop reeds in Mei en Juni het riet geheel door dongkellan-ziekte was afgestorven. In de tuinen Goemok, Tokingan, Legoedang, Kandang, West- Treboengan werden respectievelijk 32, 70,24,20, 30 bouws verwoest, en hieven de nieuwe gronden in die tuinen. 16, ± 9'j, 10 en 26 bouws, tot het laatst groen. Daar alle het vorig jaar genomen proeven mij geen bestrijdings middel hebben aan de hand gedaan, heeft mij het bovenstaande op de gedachte gebracht, met langzaam werkende meststoffen proef nemingen te doen. 74 .Mecli'clet'lingvn uit en voor de praktijk Nu het reeds gebleken is. dat eenc bemesting van 30 katties stikstof, in den vorm van boengkil, liet riet niet heeft gespaard voor dongkellan- ziekte, moest het dit jaar met eene grootere gift worden beproefd. In verschillende tuinen, waar men kan verwachten, dat deze ziekte zal optreden, en waar het riet in 1895 er door is verwoest, is voorbemest mei p. m. 70 katties stikstof in den vorm van kat jangboengkil, terwijl de nabemesting zal bestaan, voor een gedeelte van die tuinen nit I 1 » pikol zwavelzure ammonia en voor een ander gedeelte uit kaliguano van de firma Fraseh Eaton & Co. Nog weiden andere 10 bouws, die in het zelfde geval verkeeren met bloedmeel heinest, terwijl een groot gedeelte van den tuin Zuid- Doewet, dat in 1 Si>r> ook geheel door dongkellan-ziekte werd ver woest, verdeeld werd in 12 stukken, van l'/g boiiws elk. en bemesl met verschillende soorten boengkil, namelijk gele boengkil van ka toen-zaad, kapokboengkil, Chineesche boengkil, katjang-boengkil, van alles |>. m. 70 katties stikstof per bouw, terwijl als nabeme sting zwavelzure ammonia dan wel kaliguano werd gegeven. Ook werden enkele vakken onbemesl gelaten, mi aan andere weder de boengkil niet als voorbemesting, doch na het inboeten gegeven. Of dongkellan-ziekte verband houdt met bemesting zal hoop ik het volgende jaar hieruit blijken. Nog werd getrachl eene grootere uitzuring en verweering van den grond te krijgen, op die velden waar hel riet in 1895 ontijdig is afgestorven. Zooals algemeen hekend is. heeft men in den Oosthoek bijna overal de gewoonte, om, daar waar de Europeesche ploeg wordl gebruikt, de velden na afloop van hei ploegen onder water te zet ten en daarna te eggen om de groote kluiten te verkruimelen. Op bovengenoemde velden werd dit jaar echter, na het ploegen met den Europeeschen ploeg, geen water gebruikt, doch verkruimeling verkregen met behulp van den Javaans.-hen ploeg, patjolvorken en houten hamers. Natuurlijk werd ook hierbij gedachl aan decontraproef. Met heefl geene waarde hierover mi in beschouwingen te treden en op deze proef en de heinestingsproeven vooruit te loopen. doch ik stel mij voor. de resultaten daarvan het volgend jaar in dit tijd schrift te publieeefen. |)k\ Haag, October 18U7 . A. .1. YY. van Hoorn, Hededeelingen uit en voor de praktjjk 75 DIVERSE MEDEDEELINGEN. Rapport over de proefnemingen te Tjoekir, in opdracht van ' het Algemeen Syndicaat van Suikerfabrikanten op .lava. verricht ten behoeve van het vergelijkend onderzoek der natte ampasovèns systeem Kersten en systeem Dunckekheck. ') I. Wijze van Proefneming. De vergelijkende stookproeven tusschen de natte ampasovèns systeem Kersten en Duncrerbeck, hebben plaats geliad op de fa briek Tjoekir, en hebben bestaan uit '2 proeven met den Kebsten oven en '2 proeven met den DüNCREÜBECK-oven. De fabriek Tjoekir leende zich uitstekend voor deze proe ven, omdat de ovens aldaar onder geheel gelijke omstandigheden werken. De ketels toch, waarvoor de proefovens gebouwd zijn, hebben dezelfde constructie (bouilleurketel met vlampijpen) en hetzelfde verwarmend oppervlak (140 M' 3 ), de inmetseling is volgens verkla ring van den administrateur ook gelijk, en bedraagt het rooster oppervlak van den DüNCKERBECK-oven 3,'2 M a en dat van den KEBSTEN-oven 3 M-, terwijl zij door denzelfdcn schoorsteen bediend worden, die tusschen de ketels instaat, zoodat de afstand van ketel tot schoorsteen gelijk is en de trek in de rookkanalen bij gelijken demperstand dan ook geheel gelijk is bij de twee ketels. Door de goede zorgen van den administrateur waren, op aan wijzing der Commissie, de noodzakelijke veranderingen verricht, bestaan hebbende in het aanmaken van aparte voedingsleidingen voor de proefketels, het opstellen van een aparte voedingspomp en van bakken voor het meten van het voedingswater, zoomede het maken van gaten in de afvoerkanalen der rookgassen tusschen demper en ketel voor het plaatsen van den pyrometer en van de buis voor het opzuigen der gasmonsters, en het maken van met glas afgesloten kijkgaten in den zijwand der ketels, voor het be kijken van de vlam en het plaatsen van smeltkegels. *i 1 >i t rapport, opgemaakt na eene tweede reeks proeven, treedt in de plaats van liet rap port, dut in September verspreid en in liet Archief van IS September 11. opgenomen is geworden. De jtookproeven werden steeds genomen terwijl de fabriek in volle werking was. De duur van elke prodf werd op lü uren gesteld, in navolging van d<j diédoor de commissie van Öuitscbe ingenieurs voor ketelonderzoekingen zijn vastgesteld. Alle waterleidingen, welke tijdens de proeven niet in gebruik kwamen bij den proefketeli, werden door blinde flenzen afgesloten. Eén of twee dagen voor het begin van eene proef werdde asch uit den oven en uit de gaskamer verwijderd en het buitenmet selwerk van den ketel o;> dichtheid gecontroleerd, middels gasa nalyse op verschillende plekken der ketelinstallatie. Na deze reiniging zijnde proefovens minstens één dag in volle werking geweest, om ze in normaal wannen toestand te hebben bij het begin van de proef. .Bij het begin en einde van elke proef, werd er voor gezorgd, dat het vuur in normalen toestand verkeerde en de oven normaal gevuld met ampas was. De waterstand in den ketel werd bij liet begin van elke proef nauwkeurig aangegeven door een merk op het peilglas en gedu rende de proef zooveel mogelijk op gelijke hoogte gehouden. De stoomdruk werd elk half uur op den manometer afgelezen. Het verdampte water werd bepaald door inde meetbakken het wa ter te meten, dat bijgevoegd moest worden om het waterpeil inden ketel constant te houden en het gemeten volume in K. (1. omgere kend naar verhouding van het specifiek gewicht (temperatuur); hiervoor werd elk half uur de temperatuur van het voedingswater opgenomen. De hoeveelheid voor de [troeven dienende ampas. werd zorg vuldig door weging bepaald. De natte ampas kwam direct van den napersmolen voor den oven. Elk uur werd een monster verzameld van de ampas en ler onderzoeking op het water- en suikergehalte naar bet laboratorium gebracht. De temperatuur der gassen bij het verlaten van den ketel werd bepaald niet een gecontreleerden pyrometer, door aflezing om elk half uur. Gedurende de laatste twee proeven werd op dezelfde plek tusschen ketel en demper de trek waargenomen met een trek meter. Het rookgasmonster werd door 2 groote Woulf 'sche flesscheh en een dunnen koperen buis (dié tot het midden van den gasstroom ! M mededoelingeo 77 reikte) uit het kanaal tusschen ketel en demper gezogen. Het ver zant 'ItMi van eik rookgasmonster duurde 15 a "25 minuten en geschiedde elk uur gedurende de proef. Da gasanalysen werden gemaakt mei een ORSATtoestel. liet bepalen der temperatuur van de gassen vóór dal zij warmte aan den ketel hebben afgegeven, geschiedde mei behulp van SEGER'sehe smeltkegels, waarvan elke 5 uur, een serie, besl tande uit -i kegels met verschillende smeltpunten, in den proefoven werd geplaatst. Aangezien het aan de Commissie Voorkomt, dat deze kegels onjuiste en wel te lage cijfers aangeven, is verder geen gebruik gemaakt van de met deze kegels geconstateerde ge gevens. ') l»c nuttig gebruikte warmte is berekend uit dë hoeveelheid geproduceerde stoom per K.G. ampas, met inaebtname derstoom spanning en temperatuur van liet voedingswater. De theoretische verbrandingswaarde van de verstookte natte ampas is berekend uit de samenstelling daarvan op de wijze zoo als door de heeren Kersten (Archief 1895, bladzijde 1045 etc.)ea ('arp (methode der fabricatie controle door R. Carp en 11. C. PwINSEN GEERLIGS, blad/.. 71 etc.) gedaan i«, mei behulp van de SniiiMAXN'srhe cijfers, voor de calorische waarde van cellüloseen van rietsuiker. Het nuttig effect is de verhouding tusschen de verbrandings waarde van l lv. G. natte ampas en de daaruit nuttig (d. i. voor stoomvorming) gebruikte warmte. De warmteverliezen in den schoorsteen werden berekend op de gebruikelijke wijze (Methode der fabricatie cmtróie door 15. Carp en 11. C. Prinsen Geerligs, blz.7letc), uit de temperatuur der gassen aldaar, in verband met hun samenstelling en soorte lijke warmte. Bij de eerste beide proeven op 12 en 13 Augustus, wet kien op tien se'ioDrsteen. behalve de proefketel, nog 2 andere ketels. Daar de opvolger van den Heer Kersten bij de proeven niet tegenwoordig was, werd de Kersten-ovch op 12 Augustus volgens *) Dat deze smeltkegeU veel te lage temperatuur aangegeven hebben, blijkt uit een oontró leberekening. B. v. bjj proef I. op 12 Aug. gaven de smeltkegcU een aanvangstempcratuur van 10)5 "C. aan: de gassen van 1 K.Q. natte ampas hadden bij deze proef een warmte van 1,172 cal. per graad C, due da! soa een aanvangswarmte van 1005 X 1.172 cal. voorgtel len, hetgeen onmogelijk is, aangezien de aan den ketel afgegeven warmte 1027 cal.) en de in den schoorsteen verloren warmte (36U cal.), te zam.cn reeds veel meer 1393 cal. lebben bedragen. Diverse ïnededeelingen 78 inzichten der commissie gestookt (hierbij te rade gaande met de voorschriften van den Heer Kkustem op blad;. 262, Archief 1895): de door de stooktrechters naar beneden glijdende ampas, werd mei een lang stookijzer naar de vuurbrug geduwd, bij welke stook wij ze er voor gezorgd werd, dat de trechters steeds met ampas gavuld bleven. De schuil' voor toevoer der secundaire lucht werd geheel afgesloten, aangezien vroegere onderzoekingen op Ketegan hadden uitgewezen, dat bij't stuken van natte ampas inden K.ERSTEN-oven zelden of nooit buitengewone toevoeging van secundaire lucht noodig is; daar de lucht, noodig voor de volkomen verbranding der gassen, door den stooktrechter wordt ingezogen, hetgeen men het best kan constateeren door de hand tusschen de ampas in den stooktrechter te steken. Uit de analysenstaat is te zien, dat de samen stelling der rookgassen geheel normaal is geweest en geen aan wezigheid van kooloxyde geconstateerd werd. De geheele proef met den Kersten-oven verliep normaal en de verdamping was regelmatig. Den volgenden dag. 13 Augustus, had de stookproef met den DuNCKKUUECK-oven plaats, waarbij een der firmanten der firma DuNOKERBECK & Co. zich met het stoken belast had. Op verzoek van genoemden firmant bleef de toelaat voor de secundaire lucht dezelfde als vroeger altijd bij dien oven geweest was (± '/3 open). In het begin, toen de ampas een laag watergehalte had, brandde de oven goed. Later verminderde de capaciteit, hetgeen bemerkt werd aan het kleine verbruik van voedingswater. Uit de ampasinalysen bleek, dat op den middag bij het ver wisselen van de wacht (in het laatst van het 3 e uur van de proe f) het watergehalte van 49,4 en 51,1 % voor een oogenblik steeg tot 55%. Daartegen schijnt de DiiNCKERBECK-oven niet bestand te zijn, bij de omstandigheden als waaronder toen gewerkt werd; de gloed der vlam verminderde meer en meer, de rookgasanalysen werden veel slechter (in het 4° uur, zie de analysenstaat); en toen het vuur langzamerhand dreigde uit te gaan, werden op ver zoek van den vertegenwoordiger der firma Dunokerbeck & Co. twee manden gebroeide ampas, wegende netto 118 K.G., ver stookt, en kort daarna om den trek te vermeerderen, den dem per van den 3 en ketel, die op denzelfden schoorsteen werkt, als de proefketcl, en die met hout gestookt werd, gedeeltelijk gesloten. Diverse mededeelingen 79 Van dal oogenblik af nam de capaciteit van den oven gaande weg toe, gebroeide arapas werd gedurende de proef niet meer ge bruikt. De twee volgende stookproeven hadden plaats op 23 en 24 October, waarbij behilve de proefketel, op den schoorsteen nog 1 ketel werkte; de derde ketel was buiten werking gesteld; de rook gang hiervan was dichtgemetseld om luchtlekken te voorkomen.. Den eersten dag werd met den Kersten-oven gestookt, welke proef weei' even regelmatig verliep als de vorige keer, hetgeen blijkt uit het gelijkmatig gebruik van voedingswater : In de b'. periode van 27, uur werd verdampt 4580 L. water. y> y> 2 e » » i> » » » 4780 » » » » 3° » » » » » » 4090 » » » » 4 e » » » » » » i'JOO » » Hij de stookproef met den DuxcKERBFXK-oven, den volgenden dag, werd naar aanleiding van te voren genomen rookgasanalysen de toelaat der secundaire lucht geheel afgesloten, teneinde de overmaat van lucht (die bij de eerste proef met den DüNCKERBECK ovenzóo groot was geweest), te verminderen; dit is dan ook gelukt, zooals uit den analysenstaat der schoorsteengassen te zien is. Ook werd, met bet oog op een regelmatige verbranding, bij bet stoken er op gelet, dat, wanneer de gloed in den oven vermin derde (hetgeen bij den 1 )i'N( iKEfcBECK-oven nog al eens gebeurt, bij een watergehalte der ampas vanso% en meer), een kleine- hoeveel heid gebroeide (halfdroge) ampas van gemiddeld 30,7% watergehalte uit de loods toegevoegd werd. Zoo werd gedurende de gebeele [troef 0 malen gebroeide am pas toegevoegd, samen 569 K.G. netto wegende. De verdamping is toch lang niet zoo regelmatig als bij de proef met den K.ERSTEN-OVen. In de l e periode van 2 1 /, uur werd verdampt 7r>sr> L, water » » 2° » » » » » » 0075 » » » » 3 e » » » » » » 5690 » » » » i<' » » » » » » 6910 » » üij de berekening van de geproduceerde stoom per kilogram nalte ampas, is natuurlijk de stoom, welkt; door Aegebroeide ampas is gevormd, in mindering gebracht. Wij bobben aangenomen, dat 1 K.G. gebroeide ampas 2,5 K.G. stoom leverde. Gedurendede proefis er totaal 25682 K.G. water van 70° C. tot stoom van 157 °C. gevormd. Diverse mededi elingen 80 Door 509 KG. gebroeide, ampas 1422 K. G. idem idem Door 13364 KG. natte arapas 24260 K.G. idem idem 11. Resultaten. De resultaten der vier stookproeven zijn vereenigd inde tabel len A. B, C en l>. Tabel A geeft een overzicht der notitie's en de daaruit afgeleide stoomproductié-cijfers per uur en per M>' verwarmend oppervlak en per K.G. brandstof en het verkregen nuttigeffecl benevens de warmteverliezen. De analyses der rookgassen en de daaruit berekende lucht quotiënten bij de verbranding, zijn in slaat, 15 verzameld. In tabel O is de hoeveelheid warmte per graad Celsius bere kend, die de rookgassen van 1 K. G. natte ampas hebben bij de geconstateerde luchtquotiënten. Uitgaande van de bij de stookproeven geconstateerde nuttig gebruikte warmte, is met behulp van de cijfers uit tabel A en tabel C berekend geworden, boe de resultaten zouden geweest zijn bij een gelijke temperatuur der naar den schoorsteen ontwij kende gassen, b. v. L 275" C, bij alle proeven. Deze resultaten zijn in tabel D bijeen gebracht. Wanneer wij de resultaten der 2 stookproeven met, den Kküsten oven onderling vergelijken, dan zien wij, dat, de luchtovermaat bij de verbranding beide keereri nagenoeg even groot is gpweest, n. 1. 0,36 en 0,30. Daaruit zou men afleiden, dat de stoomproductie per K.G. ampas, respectievelijk het nuttig effect, in beide gevallen na genoeg even hoog moeten uitvallen, en toch is dit, niet het geval geweest. (66% en 63,2% nuttig effect.) Doch dit verschil is zeer ver klaarbaar, de temperatuur der rookgassen achter den ketel was in het eene geval 41„ C. lager dan in het andere. Brengt men echter een correctie aan voor dit verschil in schoorsteentempera tuur, zooals in staat D is gedaan, dan zien wij, dat de stoompro ductie's per K.G. ampas en nuttig effect nagenoeg even hoog zijn bij beide proeven: Ie proef. 2e proef. 1,88 K.G. en 1,86 K.G. water van 85" C. tot stoom van 4V, atm. overdruk verdampt per K.G. na/te ampas. 3,70 K.G. en 3,80 K.G. water van 85° C. tot stoom van 4'/j atm. overdr. berekend per K .G. watervrije ampas. 68,7 % en 60,2 % verkregen nuttig effect, Diverse mededeellngcn 81 Tabel a 1 [verte nededeelii -in 83 Diverse merfedeelirgen 82 Tabel Berekende warmte per graad Celsius der Rookgassen van 1 Win koolzuur » kooloxyde o water damp i) stikstof » lucht Totaal Tabel Berekende Resultaten, indien liij alle proeven de temperatuur geweest, b. v. 275" Celsius. i Nuttig gebruikte warmte, per K.G. natte ampas Verkregen nuttig effect j Gewicht verdampt water van 85 °C. i per K.G. natte ampas . . . tot stoom van 4'/, atrn. overdruk luitgedr. p. K.G. watervrije ampas Warmteverliezen: door luchto ver maat (per 1 K.G. natte ampas . ' en door 't eventueel gevormd kooloxyde|in%der verbrandsw.deramp. Warmteverlies in de overige naar 1 per K.G. natte ampas. den schoorsteen ontwijkende gassen * in % der verbrandingsw.der amp. Overige warmteverliezen (afkoeling)per K.G. natte ampas . metselwerk, aschvorming, etc ) 'in % der verbrandingsw.der amp. Diverse medcdeellngen 84 C. K.G. natte ampas, bij de geconstateerde luchtquotiënten. D. van do naar den schoorsteen ontwijkende gas?en, even hoog ware blVerso mededeeiingeü 85 Taf.el B. Samenstelling der Rookgassen Diverse meiledeelingen 86 Per uur en per M 2 verwarmend oppervlak heeft de Rersten oven bij de eerste proef 16, — K .G. en bij de tweede proef 13,1 K.G. water van de geconstateerde temperatuur tot stoom van de gecon stateerde spanning verdampt: gemiddeld 14,5 K.G. De 2 proeven met den Dunckeri:f.< K-oven hebben niet aan el kaar gelijke resultaten gegeven, en wel de eerste proef lager dan de tweede; trouwens dit behoeft niet te verwonderen, aangezien daar verschillende oorzaken voor zijn geweest, bij voorbeeld het minder goed branden gedurende een gedeelte der eerste proef en de groo tere overmaat aan lucht bij de Ie proef. Bij gelijke schoorsteentemperatuur (275° C.) zijn de resultaten als volgt geweest: 1e proef 2e proef. 1,83 K.G. en 1,90 K.G. water van 85° C. tot stoom van 4'/, atm. overdruk verdampt p. K.G. natte am|as. 3,G2 K.G. en 3,87 K.G. water van 85° C. tot stoom van 4>/ a atm. overdr. uitgedrukt p. K.G. watervrije ampas. 05.3 % en 70,3 % verkregen nuttig effect. Per uur en per M2. verwarmend oppervlak heeft de natte am pas in den DuNCKERBECK-oven bij de eerste proef 15,7 K.G. en bij de tweede proef 17,3 K.G. water van de geconstateerde temperatuur tot stoom van de geconstateerde spanning verdampt; gemiddeld 10,5 K.G. Bij het vergelijken der gemiddelde resultaten van den Kersten oven met die van den Du\CKERBECK-oven, valt op te mei ken, dat de luchtovermaat bij de verbranding bij den KERSTEX-oven lager is dan bij die van den DuxcKERBECR-oven, tengevolge waarvan de warmteverliezen door luchtovermaat bij den DuNCKERBECK-oven hooger zijn geweest, en wel 4,0% van de verbrandingswaarde der ampas (bij schoorsteentemperatuur van 275° C.) meer dan bij den IvERSTEN-OVCn. Tegenover dit grootere warmteverlies door luchtovermaat staat een geringer verlies bij den DuxtKERBECK-oven, dan bij den KERSTEX-oven, door afkoeling metselwerk (uitstraling) etc. en wel gemiddeld 3,2% van de verbrandingswaarde der ampas minder, zoodat deze verschillen elkaar nagenoeg compenseeren en de beide ovens nagenoeg gelijke resultaten hebben gegeven (bij gelijke schoor steent^mperatuui-), wat gebruik aan brandstof betreft. Mveraa mededeelingen 87 Gemiddelde resultaten: K KRSTEN-OVCn, DUNCKEUBKCK-OVen. 1,87 K.G. 1,86 K.G. water van 85 °C. tot stoom van 4>/, atm. overdr. verdampt per K.G. natte ampas. 3,79 K.G. 3,74 K.G. water van 85 °C. tot stoom van 4'/, atm. overdruk, uitgedrukt p. K. G. watervrije ampas. 08,9 % 67,8 % verkregen nuttig effect. Per uur en per vierkante meter verwarmend oppervlak heeft de DuNCKEKBECK-oven meer stoom geleverd dan de KERSTEN-oven, vooral als men hierbij in aanmerking neemt, dat gedurende een ge deelte van de l e proef de DuNCKERBECK-oven slecht gewerkt heeft. Gemiddeld heeft de natte ampas inden KERSTEN-oven 14,5 K.G. en inden DuNCKERBECK-oven 16,5 K.G. water van de geconstateerde temperatuur tot stoom van de geconstateerde spanning verdampt, per uur en per M 2 . verwarmend oppervlak, of bij laatstgenoemden oven 13,8% meer. 111. Conclusies. Wij concludeeren uit deze proeven: l e . Dat de Kersten-oven een goede natte ampasoven is, daar hij weinig gevoelig is voor ampas met hoog watergehalte, goed en regelmatig blijft doorbranden, ook wanneer de ampas meer dan 50y o water bevat, terwijl de Danekerbeck-oven dan slecht begint te branden en met gebroeide (halfdroge) ampas geholpen moet worden. Dit laatste is geen practisch bezwaar, daar de toevoeging van gehroeide ampas alleen periodiek behoeft te geschieden en de hoe veelheid slechts zeer gering is. 2e. Dat bij goede regeling van luchttoevoer en van trek, en bij gelijke schoorsteentemperatuur de stoomproductie per K.G. ampas nagenoeg even hoog is bij den Kersten-oven als t>ij den Dunckerbeck' oven. Wel is waar moet uit het luchtquotiënt afgeleid worden, dat het warmteverlies door overmaat aan lucht bij den Dunckkuüixk oven grooter is dan bij den KERSTEN-oven, doch dat daartegen over staat, dat het verlies door uitstraling (afkoeling metselwerk) etc. bij den DuNCKERBECK-oven kleiner is, welke beide verschillen elkaar nagenoeg eompenseeren. (hu dit absoluut juist uit te maken, moet men l>ij nauwkeurige stookproeven de calorische waarde van Diveifsu mededeclingeii 88 de ampas proefondervindelijk vaststellen volgens een der bekende methodes. ') 3e. Dat bij goede bediening de Dunckerbeck-oven per vierkante meter verwarm, oppervlak en per uur, meer stoom levert dan de Kersten-oven. 4 U . Dat de Dunckerbeck-oven gemakkelijker te stoken en schoon te maken is dan de Kersten-oven, terwijl de kosten van aanleg van den Dunckerbeck-oven veel lager zijn. Malanü, 20 November .1897. De Commissie, w.g. Mallinckrodt. » W. de Waard. » F. M. Delfos. » R. J. Bouricius Het derde internationale congres voor toegepaste scheikunde zal in Juli 1898 te Weenen worden gehouden en vijf dogen duren. Het doel dezer internationale congressen is: l Bte Te beraadslagen over actueele kwesties op Let geheele ge bied der organische scheikunde en wel in de eerste plaats over die, waarvan de oplossing van algemeen belang is. 9do Voorbereidende maatregelen te nemen voor het invoeren van internationaal geldige onderzoekingsmethoden voor zulke stoffen, die op grond hunner scheikundige samen stelling verkocht en betaald worden. 'ó Av Hetzelfde Ie doen voor de controle der verschillende schei kundige industriën. <i ,K ' Bespreking van vraagpunten betreffende het onderwijs op het gebied der toegepaste scheikunde en betreffende algemeene aangelegenheden der chemici. *) Do verliezen door afkoeling van het metselwerk (straling), en in asch en in slakbun, worden b\j stookproeven bepaald door de geconstateerde verliezen (door luchtoverruaat, vor ming van knoloxydc, door de overige naar den schoorsteen ontwijk, nile gassen) op te tellen lijj de nuttig (d. i. voor stoomvoraiing geltruikte) warmte, en deze som af te trekken vjm de verbrandlngswnardo der verstookte tunpus. 't Is duideljjk, dat wanneer do verbrandiiiüswaarde van de ampas niet nauwkeurig vastgesteld kan worden, liet warmteverlies door straling etc. evenmin nauwkeurig kan bepaald woiden, hoe precies ook de andere verliezen bekend zijn. Bet cijler voor de verbrandmgswuardo is slechts geheel nauwkeurig, wanneer het proefonder vindelijk wordt vastgesteld met een calorimeter, b.v. met de Beitlielot'sche of Mahler'sche gra naat (Archief 1895, bl. 2G.) Dergelijke toestellen zijn niet in Indië aanwezig en zou het daaiom wenachelijk zijn, dat eender proefstations er zich een aanschafte, waarheen bij eventuoele stook proeven een gemiddeld gesteriliseerd monster der verstookte ampas, ter bepaling der verbran dingswaarde, gestuurd zou kunnen worden. 89 biverse mededeelingeli sde5 de Het voorbereiden van een vriendschappelijk verkeer lus sehm de binnen- en b iitenland>che vertegenwoordigers van de toegepaste scheikunde in haar geheelen omvang. Dit jaar zal het congres in twaalf secties verdeeld zijn, waar van er een geheel gewijd is aan de belangen van suiker-, zetmeel en glücosefabrikatie. Andere secties, die mis kunnen iritetesseeren, zijn die, welke betrekking hebben op algemeene scheikundige ana lyse en instrumentenkunde, de afdeeUngdn voor lan Ibouwscheikun de. vo ir scheikundige industrién van anorganische stoffen, eh c trochemie enz. ledereen, die op scheikundig gebied theoretisch of praktisch werkzaam is of belang heeft bij den vooruitgang der toegepaste scheikunde, kan lid worden tegen betaling van tien florijnen, waarvoor hem de publicaties van het congres toegezon den worden '). Voor het congresverslag moeten alle sprekers, wier voordracht niet vooraf gedrukt werd en allen, die aan het debat deelnemen, een kort uittreksel van bet dooi' hen gesprokene aan den secretaris der sectie geven: deze maakt hiervan een verslag. dat zoo mogelijk nog denzelfden dag aan den algemeenen secretaris overhandigd wordt. Besluiten van algemeen nationaal oekonomisch behing worden door hel congresbestuur aan de verschillende i egeeringen bekend gemaakt. Voor lagere planten staat het vast, dat de assimilatie van ammo niak-, resp. snJpeterstilstof zonder medewerking van liet licht plaats heeft; voor hoogere planten was het niet zeker of licht en chloro phyl hiervoor noodig waren, I.mkent, Maiuhai. en Cahpiaix on derzochten dit inacrochemisch. Een deel der te onderzoeken planten v deelen werd direkt onderzocht, andere gedeelten met het ondereind in gedistilleerd water, salpeter- of ammoniak bevattende voedings vloeistoffen geplaatst en of in het licht, of in bet donker gehouden en daarna eveneens onderzocht op organische, ammoniak- en sal peterzuurstikstof'. ') Men betaalt dubbel zooveel voor liet lidmaatschap als vroeger, daar de omvang der eongresverhandelingen te I'urijs zoo groot werd (± 8000 bladzij), dat de kosten niet konden worden gedekt. Ook de volgende praktische bepaling is gemaakt naar aanleiding van de ondervinding te Parijs opgedaan, waai' het weken en soms maanden duurde, voor de alge meene Secretaris een résumé kon krjjgen van liet gesprokene, zoodat het congresverslag eerst l'/i jaar na afloop kon verschijnen. Personen, die lid van liet derde internationale congres voor toegepaste scheikunde wen achen te worden, kunn;n hiervan opg.ive dojn ain den Hjjr J. D. Kobus te Pasoeroean. Diver se mededeel in ge Vi 90 Bij geëtioleerde uitloopers van aardappels werd in liet donker geen stikstof geassimileerd, bij groene uitloopers in het licht, zoo wel ammoniak als salpeterzuur. Mij geëtioleerde asperge uitloopers werden beiden aan het licht ook geassimileerd en wel moer ammo niak dan salpeterzuur: daar evenwel de asperges groen begonnen te worden was de proef niet ticheel bewijskrachtig. Kr werd dus in tiet vervolg met bondbladerige planten gewerkt, waarbij zouwei geheel groene als geheel witte bladen voorkomen en de genoemde onderzoekers vonden hierbij, dat de medewerking van het licht voor de stikstofassimilatie noodig is, onverschillig of het in den vorm van ammoniak of van salpeterzuur voorbanden is; chlorophylvrije bladen assimileeren salpeterzuur óf niet, öt minder dan ammoniak, groene bladen daarentegen assimileeren salpeterzuur veel sterker dan ammoniak. Verder werd nagegaan, welke lichtstralen het werkzaamst waren bij de stikstofassimilatie, waarbij bleek, dat deze alleen of nagenoeg alleen plaats had onder den invloed dei' ultra-violette stralen en dat het minder b eekbare deel van bet spectrum hierop niet infhiencferde. Botanisch Cetüralblalt, Band. 70, bh. 233. Door do Groep Modjokerto van het Algemeen Syndicaat van Suikorfabrikanten op Java werd de volgende circulaire verspreid. Inde Groeps-Vergadering van Suikerfabrikanten te Modjokerto, den 8 October jl. aldaar gehouden was de boorderplaag een ernstig punt van bespreking. Niemand zal ontkennen, dat de schade, door den hoorder aan gericht in de rietaanplantingen, niet onaanzienlijk is: men leze daarover slechts de verhandeling in het Archief van 1894, pag'2l4. Vele fabrikanten, het nut reeds ingezien hebbende van eene bestrijding der boorderplaag, zijn er reeds toe overgegaan de hoor ders — en op aanwijzing van Du. Zeiintner ook de eieren, — in de aanplantingen te zoeken, na vooraf reeds het plantmateriaal daar van in de bibitloodsen zooveel mogelijk gezuiverd te hebben. Als vanzelf deed zich de vraag voor, of het niet wenschelijk zou worden geacht, het te verwachten in te voeren plantmateriaal, speciaal het uit de Preanger betrokkene, aldaar onder controle te stellen, en bibitleveranciers aldaar den eisch te stellen dat zij hun- lliverse mededeelingen 91 ne aanplantingen eveneens van hoorders doen zuiveren, waardoor afnemers geene of minder boorders importeeren met het eventueele nageslacht. De wenschelijkhcid hiervan werd eenparig erkend, en werd op deze Vergadering een „hoorder-syndicaat" geconstitueerd, waarin alle fabrikanten van Modjokerto toetraden. Wij noodigen U uit eveneens tot dit Syndicaat toe te treden, waarvan het Bestuur van de „Groep Modjokerto" het Bestuur zal uitmaken. Van wege dit hoorder-syndicaat zullen geëmployeerden worden aangesteld, die alle aanplantingen van bibitleveranciers — Euro peesche zoowel als Inlandsche—zullen contróleeren en toezien, dat eigenaren dier aanplantingen alles verrichten wat mogelijk is, om de boorders uit hun gewas* te verwijderen. Genoemde leveranciers zullen zich dan moeten verbinden ten allen tijde de controleerende geëmployeerden in hunne aanplantingen toe te laten. Wanneer wij aannemen, dat een geëmployeerde gemakkelijk 200000 pikols bibit kan controleeren ( + 900 bouvvs aanplant), dan is voor een ieder, die deelneemt, een belasting van 3 cent per pikol bibit voldoende, om een behoorlijk salaris toe te kennen. De male van deelname regelt dus van zelve het aantal geëmployeerden, dat aangesteld wordt. Verder heeft Dr. J. C. Koningsberger, op uitnoodiging van den Directeur van's Lands Planten tuin, Dr. M. Treub te Buiten zorg, — namens onze Groep gedaan — zich geheel belangeloos wel willend bereid verklaard, om de eventueel aan te stellen geëm ployeerden alle voorlichtingen en inlichtingen te verstrekken, welke voor het vervullen hunner taak nuttig en noodig zijn. Deze geëm ployeerden zullen verder van al hunne bevindingen, alsmede van de resultaten van het hoorders-uitroeien elke 15 dagen rapport uitbrengen aan het Bestuur van het Boorder-syndicaat te Modjo kerto, van welke rapporten regelmatig uittreksels in het Archief zullen worden gepubliceerd. Het eindresultaat, dat onze pogingen dan heeft opgeleverd, zal door de „Groep-Modjokerto" op liet eerst volgend Congres worden medegedeeld. Beleefd noodigen wij U uit aan het Bestuur van de „Groep Modjokerto" te willen mededeelen, of U genegen zij t, U aan te slui ten bij bet boorder-syndicaat en daarvoor 3 cent per pikol bibit, die door U uit de Preanger betrokken wordt, te betalen, en tevens op te geven, of door U, en zoo ja, hoeveel pikols bibit van den Diverse inedeileellngert 92 aanstaanden aanplant uit West- Ja va zullen betrokken worden. Van deze 15 cenl per pikol wordt bij toeti'eding al dadelijk de helft be taald, ten einde uil.die gelden, de aangestelde geëmployeerden den eersten tijd te kunnen betalen. Dat een dergelijk plan, als wij hier aangaven, wel reden van bestaan heeft, blijkt uit het feit, «lat op de onderneming Brangkal 80000 geïmporteerde rietstokken door hoorders waren aangetast, ongeveer 300000 plantstekken opleverende, die alle beleedigd waren door hoorders. Neemt men nu aan, dat slechts '/ l0 gedeelte der hoorders in het leven blijft, dan heeft men nog oen voldoend kwantum ingevoerd, om daartegen maatregelen te nemen, maar behalve dit Feit er is zoo herhaaldelijk door Proefstations op gewezen — is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat de hoorder het optreden vandiverse ziekten, als roodsnot, dongkellanziekle, ananas ziekte enz. in de hand werkt; alle ziekten toch, door schimmels veroorzaakt, kunnen niet anders ontstaan dan door gaten, die in het riet zijn, waardoor zij haar intrede kunnen maken; de bast van het riet is te hard, dan dat zij daar doorheen kunnen dringen. De bestrijding van den hoorder zal dus misschien nog in veel grootere mate de bestrijding van andere ziekten tengevolge hehben. Indien men, zooals boven gezegd, aanneemt dat één geèm ployeerde in staat is om 200000 pikols bibit te eontroleeren, dan zou dit a 3 cent per pikol, een beschikbaar bedrag opleveren van / 6000, — 's jaars of f 500, — 's maands, waarvan te betalen ƒ3OO, — salaris aan den goëmploveerde, benevens f 100,— reis-ei\ verblijf kosten en f 100,— voor onvoorziene uitgaven. Ten slotte deelen wij U nog mede van een en ander de goed keuring van het Bestuur van het „Algemeen Syndicaat van Sui kerfabrikanten" is ingeroepen, en verzocht zal worden in het Archief de namen te publiceeren van die leveranciers, die hunne aanplan tingen niet dan wel slecht doen zuiveren, zoo ook van hen, die het goed en consequent doorvoeren. U zult ons verplichten, bijgaand biljet, door U ingevuld en geteekend, aan ons Bestuur toe te zenden. Het Bestuur van de Groep Modjokerto, 11. M. E. van den BRANDELER, President. S. A. Arendsen Hein, Vice-President. 11. L. Biecke, Secretaris. Diverse medeieelingen 93 MaASIiEU.IKSCH OVERZICHT VAN DE ReGENWAARNEMINGEN VAN HET Algemeen Syndicaat van Sukhhi auhikanten OP Java. November 1897. STATISTIEK.OOGST- EN MARKTBERICHTEN,ENZ De suikeruitvoer van Mauritius was gedurende de laatste 3 jaren als volgt verdeeld : Oogst Oogst Oogst Naar: 1896/97 1895/96 1894/95 Europa 1,23 % 1,42 % 5,10 % Bombay 41,78 » -5(1,85 i 48,50 » Kurrachee 1,71 » 3,24 » 4,62 » Calcutta 0,89 » 6,07 » 6,67 » Australië 15,38 » 13,44 » 12,02 » Nieuw-Zeeland 1,37 » 0,90 » 1,29 » De Kaap 16,61 » 14,35 » 10,81 » Amerika 8,10 » 11,40 » 7,64 » andere plaatsen 6,93 » 2,33 » 3.31 » 100— 100— 100 — Sugar Journal 1897, blz. 93. Diverse mededeelingen 94 Europa, 9 December 1897. liet weder, dat op de laatste regen achtige dagen der voorgaande week volgde, was koel en droog met nu en dan vrij sterken vorst. In den aanvang echter wisselden, in söflHmge d.'elen van Europa, zware regenbuien met sneeuwvlagen af. Deze omstandigheden droegen er niet toe bij, om een lang goed blij ven der bieten in de kuilen te bevorderen; een oroot aantal fabrieken zullen de campagne echter spoedig eindigen, zoodat de ze ongunstige invloed we! geen belangrijke verliezen zal veroor zaken. In Duitschland was het weer der laatste dagen zeer onbestendig, harde vorst en ïvgen wisselden elkander af. Van verschillende zijden wordt over den achteruitgang der ingekuilde bieten geklaagd. In Oostenrijk had mist en regende overhand. 87fabiieken zijn reeds met bet verwerken der bieten gereed. Frankrijk had betrekkelijk koel en droog weer, hoewel niet geheel vrij van regen. In Rusland verwacht men, dat de meeste fabrieken met Kerst mis klaar zullen zijn. In Nederland en België was de weersgestelheid alles behalve gunstig, vooral het begin der vorige week kenmerkte zich door zeer slecht weer. De berichten uit de koloniën luiden over h t algemeen bevredi gend. Op Cuba hebben reeds 13 centraalfabrieken do campagne geo pend; uit Louisiana zijn over het verwerken van den oogst goede berichten ontvangen, alleen in Demerara wordt door de vele regens nog al tegenspoed met het binnenhalen van het riet onder vonden. Soerabain, 12 Januari. Na ons laatste bericht ging de markt nog '/s in de hoogte en werd voor 11— 44 f ö 7 /?aangelegd, waartoe h'er ongeveer 75000 pikols tot afdoening kwamen. Onmiddellijk daarop liepen prijzen weer tot f WU 11 —14 en f 7.—15 —17 terug en is het zelfs twijfelachtig of daarvoor op het moment koopers zouden zijn. Statistiek, oogst- en maiktbenehtcp, enz 95 Suikerrerkoopen, Oogst 1898, voor zoover die bekend zijn ge worden. 15000 Pikol Kwarassan f &U No. 11—14 KM 100 » Mingiran » » » 5000 » Keni.jong t » » 5000 » Ejandjardawa (i 7 / 8 » » 5000 » Balapoelang » » » 5000 » A-diwerna b » » 5000 » Djatibarang » » o 5000 » Pagongan » » » 5000 9 Karangsoewoeng 9 » » r»()(M) 9 Goedo » » » 5000 » Perning » » » 5000 » Pesantren » » » 5000 » Ngandjoek » » » 5000 » Mei'itjiiii » » » 5(X)0 » Eledjosarie » » » 5000 » Djabong » 9 » 5000 9 Bagoe » » » 5000 » Seboroh » » » 5000 » Soemberkareng » » » 5000 » Trangkil 9 » » 5000 » Rem hoen » » » 5000 » Triagan 6»/ 4 9P2 en hooger 10000 » Baron &l s » 11—14 10000 » Peterongan » » » 10000 » Soemobito » » » 30000 » Gonsalves » 9 » 10000 » Wonosarie » » » 10000 » Randoegoenting » » » 5000 9 Kartasoera 7 »12 en booger 10000 » Petjangaan 7'/ a » 15 Totaal ±20000 Pikol. Statistiek, oogst- on marktberichten, enz 96 OORSPRONKELIJKE VEEHANDELINGEN. MEDEDEELINGEN VAN HET PROEFSTATION OOST-JATA Tweede Serie No. 46. DE WEVERVOGELS IN HET SUIKERRIET OP JAVA Ploceus manjar Hor&f.; mal. Manjar. door Du. L. ZEHNTKEE. Met 2 photographieën ks 1 figuur in den tekst Ofschoon de wevervogels in het suikerriel op Java een vrij algemeen verschijnsel zijn, hebben zij tot nog toede aandachl niet in die mate getrokken, die hun methet oog op hunne schadelijkheid toekomt. In de laatst" twee jaren nu heb ik herhaaldelijk gelegenheid gehad, de beschadiging door „Manjars" nader te bezien. Mijne studies over dezen rietvijand zijn evenwel nog niei afgesloten, maar er bestaan redenen, thans reeds te publiceeren, wat mij ervan bekend is geworden, al ware het slechts om belanghebbenden in de loopende campagne op de Manjars opmerkzaam te maken en zoo mogelijk tot een gezamenlijke bestrijding over te halen. Den Heer .1. I'. Moquette betuig ik mijn dank voor de welwil lendheid, waarmede hij mij in de Manjar-kwestie geholpen heeft en o. a. de twee photographieën, welke dit stukje vergezellen, liet ver vaardigen en den Meer Dl:. A. (I. VORDERMAN hen ik zeer verplichl voor de vriendelijkheid, waarmede hij de vogels, waarvan in de vol gende bladzijden sprake is. gedetermineerd en mij bovendien zijne beschrijvingen en gekleurde afbeeldingen ter inzage gezonden heeft. I. De schade De schade, door de Manjars in hel riet teweeggebracht, bestaat zooals trouwens voldoende hekend is. daarin, dat deze vogels de bladeren verscheuren om daarvan hunne kunstige nesten te maken, welke zij aan de bladeren ophangen. Het ligl voor de hand. dat duur het vernielen der bladeren de groei van het riet belemmerd wordt en dit laatste achterlijk blijft, line \er < I i 1 -aan kan heb ik in Juli '95 op Kremboong gezien. In den tuin Kebaron, groot 16 bouws, huisden duizenden en duizenden van Manjars. zoodaf geen onbeschadigde bladeren konden gevonden werden en slechts demin of meer kale hoofdnerven waren overgebleven (zie plaat I). De bo dem was als bezaaid met niide. verlaten nesten en in het blader werk kun men ze van één punt nit hij dozijnen en in de verschil- lendste toestanden zien. Langs den rand van den tuin echter was een '2 :! M. breede strook, waarin zich de vogels niet genesteld hadden; klaarblijkelijk omdat zij zich daar niet veilig genoeg gevoelden. In deze onbeschadigde strook was het riet ongestoord doorgegroeid en daarom minstens I M. hooger dan verder naar binnen toe, zoodat de geheele tuin als met een muur van hoog riet omgeven was en men van huilen 'niets van de beschadiging zien kon. Als men dan dwars door het onbeschadigde riet heenloopende, plotseling in het beschadigde stond, werd het opeens veel lichter, zóó sterk was het gebladerte gedund. l)c opbrengst van genoemden tuin viel dan ook aanzienlijk tegen. In een staatje heelt de lieer MOQUETTE de resultaten, in 1895 mei Kidsji-riet op Kremboong verkregen, medegedeeld '), waaruit]volgt, dat de tuin Kebaron met 1298 pikols riet en 103 pikols winbare suiker per houw. 232, respectievelijk 16 pikols beneden het gemiddelde bleef. Slechts bij één tuin, die door overstrooming geleden had, was de opbrengsl geringer en laai men deze buiten rekening, zoo worden de zooeven genoemde getallen respectievelijk 268 en 18,5. De Heer Moquette echter schat de schade op minstens 300 pikol riet per bouw, wat met een mindere opbrengst aan suiker van bijna 25 pikols per houw en van 400 pikols voor den geheelen tuin overeenkomen zou. liet zooeven beschreven geval stelt misschien een maximum van schade voor. Toch hebben in L896 sommige tuinen op Krem boong ongeveer evenveel, eenige waarschijnlijk nog meer te lijden gehad en ware het ook slechts de helft, het zou meer 'dan genoeg zijn; vooral als men overweegt, dat de Manjars niet slechts in de riettuinen schadelijk worden, maar ook in de rijstvelden veel kwaad doen. daai' zij zich voornamelijk met rijstkorrels voeden. Dit is een punt, dat vooral voor den Javaan en indirect voor het Gouver nement van gewich.l is. Ik zal later daarop terugkomen. De beschadiging iu het riet begint tegen het einde van den Westmoesson en duurt ongeveer tot Augustus. 2. Beschrijving van den vogej Wijfje. De veeren van de geheele bovenzijde van het lichaam, van de vleugels en de staart zijn kastanje-bruin, de dekveeren van kop. nek. rug en de vleugels alsmede de kleine slagpennen zijn over i\c\\ geheelen rand licht-isabelkleurig; de stuurpennen daarentegen zijn groenachtig-geel gerand en dit is ook het geval met de kleine vlag *). Archief IV, 1896, hlz . 22 en 23 Dr. li. Eehntner, !)■• wevervogela in het suikerriet op Java 98 der groote slagpennen. Boven de oogen, bij bel aeusgal beginnende, vcrluupi een smal strookje, dal mei grijsachtig-gele veeren bezet is en dal zieb op de oorstreek verbreedt. Hier zijn <lc veeren zuiver geel. Ter weerszijden van de basis der onderkaak en op de kin bevinden zich eveneens gele veertjes. De duimveeren, de veeren van de keel en de buik zijn isabel kleurig (op debuik licht-tol grauwwit) met bruine schachten. Maar ook de vlag der genoemde veeren is ter weerszijden van de schaeht bruin en wel zóó, dat de bruine kleur op de keelveeren spitse drie hoekjes, op <le buik- (mi duimveeren daarentegen lijnvormige over langsche streepjes vormt. De dekveeren onder de staart, zijn gelijk matig licht grijsachtig-geel, terwijl die op de binnenzijde der dijen isalielkleiiri.ii'. met bruine schachten, die <\c)' buitenzijde der sehee ikmi grootendeels bruinachtig zijn imi slechts op baren rand isabel kleurig. De snavel is in den paartijd donker-hoornkleurig, doch na dien tijd wordl de geheele hek witachtig. De pooten en nagels zijn vleeschkleurig, de oogen donkerbruin. Met mannetje onderscheidt zich slechts daardoor van het wijfje. dal het voorhoofd en de kruin met goudgele veeren bezet zijn. De snavel is zwartachtig, een weinig steviger gebouwd en langer dan hij het wijfje. Volgens VOKDERMAN schiller! na den paartijd de bo venste zwarte laai: van den hek al', waardoor deze wit wordt. De lengte van de kruin tot aan het uiteinde der slum-pennen gemeten, bedraagt hij beide seksen 14 c.M. De jonge v<vjeh verschillen in zooverre van de volwassenen, doordat de veeren Aw rugzijde iets donkerder, de isabelkleurige rand <\f\- dekveeren hrceder en levendiger gekleurd is. voornamelijk op de vleugels. Ook de groenachtig-gele rand der stuurpennen en Ar\- groote Blagpennen is breeder en bovendien zijn de kleine slagpennen op baren buitenrand ook groenachtig-geel. De isabelkleur <\cv keel is donkerder, een weinig in het roest-kleurige overgaande en men vindt er niet de bruine driehoekjes op de veeren. De. huik- en de duimveeren zijn Jicht isabelkleurig, zonder bruine schachten: de stuif is grijs-wit. Dij de jonge mannetjes ontbreekt het goudgele kapje op den kop, zoodal 'men de seksen uiterlijk niet van elkaar onderscheiden kan. De eieren zijn zuiver wit. De gemiddelde afmetingen van 40 door mij gemeten exemplaren zijn: lengte 21 in.M. breedte 15 m.M. De minimum-afmetingen waren: lengte 19,20 m.M., breedte 14 m.M.; 99 Dr* L. ZehiitntT. He waverrogela in het suikerriet op Java de inaxiimim-afmetinLien: lengte ni.M.. b* Ite lf>..">o in.M. In de nesten vmiil ik meestal vier eieren, /elden vijl', dikwijls slechts twee of drie. Hei is mogelijk, dat in de twee laatste gevalles hier en daar QOg niet alle eieren gelegd waren. Ook kan liet zijn. dat één el' twee eieren al óf niet opzettelijk uil liet nest gegooid werden id' dit moet met de jonge vogeltjes gebeuren. Zeker is het, dat ik meestal slerhts twee id' drie jongen in een nest gevonden bek, QOOil meer. Wanneer men de inlanders naar den naam t\c\' wevetftogels «■raagt, dan krijgl men van de meeste eenvoudig den naam Manjar tot antwoord, terwijl andere de individuen met goudgele kapjes .l/<m jitr Letiibtiiiij, de inlividiën zonder deze kapjes Manjarfcajfoenèëmen en beweren, dat bel fcwee verschillende snuiten zijn. Wij hebben geaien, dat liet versrhil in kleur eenvoudig een sexueel kenmerk is en ik heb mij duur ontleding van vele exem plaren van de juistheid dezer zienswijze overtuigd. Altijd waren de individuen met gele kapjes mannetjes en men kan niei veronderstel len, dat als het wijfje nok een goudgeel kapje had . altijd maar mannetjes zouden gevangen geworden zijn. De individuen zonder een geel kapjedaarcutegen waren meestal wijfjes en in de enkele gevallen, dat het mannetjes waren, bleek hei mij bij een nauwkeurig onderzoek, dal op den kop tusschen de donkerbruine veeren enkele goudgele te vinden waren, wat hij de wijfjes iinnil het geval was. De genoemde mannetje- waren klaar blijkelijk jonge individuen, die op liet punl waren, om van een zoogenaamden Manjar kajoe in een zoogenaainden Manjar keuibang te veranderen. In Batavia is de inlandsehe naam van onze wevervogels Manjar paddie of Manjar djam&oe/, terwijl men daar onder den naam Manjar kembany een verwante soorl verstaat. Ik heb deze soorl nog niet gezien. Daar de vogel echter vermoedelijk ook in de riettiiineii voorkomt, laai ik hier een beschrijving volgen, die het mogelijk zal maken, de soorl dadelijk' tr herkennen. Wanneer deze op de eene of andere fabriek in de tuinen wordl waargenomen, houd ik mij voor een berichl zeer aanbevolen. Ploi ki s Ainini i.a htodgs. $ en 9- Inl. naam: Manjar ketobantf. ..De fraaiste taervérvogel vaA 1 Java, die in den Westmóesson dikwijls langs de straten te koop geboden wordt. Oiiderstaahdè be- 100 Dr. L. Zohntner. Du wevervngols in het suikerriet i>|> .lava s ''lirijviii». welke ook mei die van Bonaparte overeénk t. is genn mem naar een exemplaar, dat mij in gezelschap niet 4 andere der*- gelijke dèn 80 3te «-Januari 1883 van Soèaiber Batoe (Jakatra) ge*- bsachl \\(M'<l. Adle volgéPtjes waren mannetjes eri droegen sterk ge zwollen testikels hij aich. Dé PI. «trigüla; die op Java den PI. phi- Uppwtins vervangt, is kleiner dan deze en beeft CCii hok, die door /.ijll vorm eenigszins aan ilien der góudvÉttkèn rappe leert. Mannclji': Kup. nek, hals. horst, huik, Hankeu. schoenen sluit en slaartilekvod.'ren intens-indiaansch-geel: wanden en kin zwart. Mantel- en rugvederen rnsarhtig-zwart niet harige, gele randen omzoomd. Vleugels en vleugëldekvederen aan de buitenzijde ros* achtig-grauw met lichter gekleurde buitenranden. Binnenzijde' zil vergrijs met isabellakleurige dekvederett. Staart vederen van dezelfde kleur als de slagpenncn. doch met uiterst fijne, geelachtige randjes omzoomd. Bek zwart. Punten rosachtig-vleeschkleurig; nagels hoórnkleurig. Iris bruinzwart. Be wijfjes zijn kleiner dan de mannetjes en bezitten een ve.'l eenvoudiger vederkleed. Alle bovenste bekleeilsclen zijn sepiakleurig, terwijl de ve leren flauwgeel getinte, harige buitenrandjes bezitten. De tinten zijn hel donkerst np den kop en den mantel, doen het lirldst bij den stuit. De vleugclpennen bezitten dezelfde sepiakJeur, doch de buitenranden van de groote slagpennen hebben eene (lauwgele verkleuring. Het zelfde is toepasselijk op de staartpennen. De supra-orbitaalstreep, de vleugels, wangen, zijden van den hals, kin. keel. borsten Hankeu zijn licht isabella-geel gekleurd. Deze kleur gaal op den huik en de onderste staartdekvederen geleidelijk in zuiver wit over. De liinnenvlakte <\c\- vleugels is grijsachtig doeh met isabejla kleurige dekvederen. Snavel donker-, onderkaak licht-hoorn kleurig. Booten en nagels rosachtig vleeschkleurig. Iris bruin zwart ." Totale lengte van het mannetje 1 1,5 c.M. Totale lengte van het wijfje 13,— i/ie A. ('. VORDERMAX, I !ala viasche Vogels; Natuiirkundig Tijd schrift voor Ned.-Indië, deel X.LII, bldz. 85, onder het synoniem PI, hypoxanthus, Daud.) Dr. L. Zehntner. De wevervogels in het suikerriet op Java 101 :>. De Levenswijze Zoodra tegen het einde van den Westmoesson de rijsl in hel vlakke land beginl ie rijpen, verschijnen ook de Manjars. Korten tijd daarna beginnen zij te paren en nesten te bouwen en reeds einde Mei en in Juni vliegen de eerste jonge vogeltjes uit. Hoe lang de geheele ontwikkeling van al' het ei duurt, heb ik tut. mijn spijt niet kunnen uitmaken. Zeker is liet. dal ik in de tweede helft van Juli wederom eieren in verschillende ontwikkelingstoestanden en pas uitgekomen vogeltjes en in begin van Augustus van veeren voor ziene vogeltjes waargenomen heb. Volgens deze bevinding broe den de Manjars in liet riet tweemaal, en daarin den loop van Juni wederom algemeen nieuwe nesten gel wd werden, zen schijnt liet. dat de nesten slerlits één keer gebruikt werden. Daarmede kuint overeen, dat men einde Juli zeer vele verlaten nesten vindt, die dik wijls niet meer rechtop hangen en min of meer defect zijn. Vele liggen iip den grond. Zulke verlaten nesten onderscheiden zich ge woonlijk reedsdoor hunne donkerder bruine kleur, terwijl die. waar in de vogels nee huizen, in goeden toestand \erkeereu en dikwijls nog de groenachtige kleur hebben, die aan versch en vlug gedroog de rietbladeren eigen is. Nadat in Augustus de tweede generatie opgekweekt is. verdwij nen de Manjars langzamerhand weder, daar op dezen tijd het voed sel vrij zeldzaam beginl te worden. Zij trekken naar de hoogere gedeelten van het eiland, denkelijk naar de streken, waar tengevol ge van het vochtige klimaat zoo wat het geheele jaar door rijst geplant kan worden en waai' zij dus een gemakkelijk bestaan hebben. Zij blijven er gedurende den regentijd om in April wederom in de vlakte te verschijnen. Wanneer ik hoven zeide, dat de Manjars op Java vrij algemeen in het riet voorkomen, dan is dit zóó te verstaan, dat zij over het geheele eiland verspreid zijn. In het algemeen echter doen zij slechts plaatselijk kwaad en door verschillende planters werd mij verzekerd, dat zij aan bepaalde tuinen de voorkeur geven en jaren achtereen in dezelfde streek waargenomen worden, terwijl men in andere tuinen derzelfde onderneming er geen last van heeft. Ook is hef gebleken, dat zij zich in de eene rictvariëteit liever nestelen dan in de andere. Zoo zijn zij op de fabriek Kremboong voornamelijk in het Fidsji-riet te vinden. Hel is mij niet geheel duidelijk geworden, waarvan deze keuze afhangt. Hei spreekt echter vanzelf, dat de wevervogels inde eerste 102 Dl', tj. Zchntner. De WeVetrogeta in lift Biiikerrlel <>p Java plaats zulke tuinen opzoeken, die een weinig afgelegen zijn en waar zij het minst gestoord worden. Daar zij verder altijd in groote troepen bijeen blijven, zoo kan het wel gebeuren, dat de geheele vlucht in den eenen tuin invalt en die verwoest, terwijl een andere tuin. ilie in de huurt ligt, niets te lijden heelt. Wanneer zich nu de vogels het eene jaar in de tuinen op het gebied eener dessa b. v., ongestoord hebben kunnen vermenigvuldigen, zoo zullen zij in het volgende jaar natuurlijk weer in dezelfde streek en in vermeerderd aantal terugkoeron. Op deze wijze zouden bepaalde woonplaatsen voor de Manjars kunnen ontstaan. Wat nu de voorkeur voor het Fidsji-riel boven andere soorten aangaat, wordt door sommigen op het feit opmerkzaam gemaakt, dat zich de bladeren der genoemde rietsoort zeer gemakkelijk laten scheuren en dus met weinig moeite tot nesten kunnen verwerkt worden. Ik geloot' niet. dat dit de ware reden is. maar meen erop te moeten wijzen, dat het Fidji-riet met zijn buitengewoon krachtigen groei in het algemeen als zeer geschikt voor de Manjars kan be schouwd werden. Inderdaad moet het dichte bladerdak voor den nestbouw bijzonder voordeelig wezen en ten gevolge van de hooge stokken kunnen de nesten 1—1,5 M. honger hoven den grond op gehangen worden dan bij de meeste andere rietvariëteiten. Dat dit laatste feit niet zonder gewicht is. kan iedereen ondervinden die uren lang nesten, eieren of jonge Manjars gaat verzamelen. Men zal dadelijk gewaar worden, dat het in het Fidji-riet heel wat nioeic lijker is de nesten met hun inhoud machtig te worden dan in het Cheribon-riet b. v.. en dat geldt niet alleen voorden mensch,maar ook voor andere eventueele vijanden der Manjars. 4. De Nesten De nesten worden tusschen kwee of drie naast elkaar staande rietstoelen opgehangen, opeen punt, waar zich eenige bladeren krui sen. Al naar de gelegenheid, welke deze bladeren aanbieden, wordt dit op verschillende wijze uitgevoerd. Wenschen l>. v. de vogels hun nest naast do overhangende toppen der bladeren op te hangen, dan kunnen zij het zóó schikken, dat deze dicht bijeen gehaald worden en dan zal het nest naar hoven spits toeloopen, zooals in (ïg. 1 en4. Wordt echter het nest meer in liet midden der bladeren opgehan gen, zoo kunnen de vogels deze tengevolge van de stevige hoofd nerven niet schikken zooals het hun bevalt. Zij zijn geheel van de lic. L. Zehntnef. De #ererrógell in het suikerriet op Java 103 gegeven omstandigheden afhankelijk en daar zich de hool'dnerven meestal met groote hoeken kruisen. zoo wordt liel nest aan liet ho veneinde breed, zooals I». v. in fig. ± De bladerfeo worden in zulke gevallen van de hladsrhijl' ontdaan en de liool'dnerven naderhand zorgvuldig niet liet uesl verhouden. De drie uilsleeksels in figuur '2 zijn niets anders dan drie houldiierven. die als staafjes in hel nest steken, op een zekere lengte met bladreepjes omwikkeld en solied in het nest ingeweven zijn. Ilaugl dus de vorm der nesten af van de wijze van ophangen, zij biedt ook overigens tamelijk sterke variaties, zooals reeds een ver gelijking der Bguren I '■>. plaat 11. aantoont. Maar alle deze afwijkin gen zijn niet van principieêlen aard. In het algemeen toch hebbende nesten den retortenvorm, dat wil zeggen, zij bestaan uit het min of meer ei-ol' peervormige eigenlijke nest en een schuin naar beneden gerichte tuit. die als in-en uitgang dient. Waar deze inrichting van buiten niet te herkennen is (b. v. fig. 3) daar wordt zij duidelijk opeen overlangsche doorsnede, zooals in figuur i is afgebeeld. Deze figuur is vervaardigd naar een nest. dat met het OOg op zijn tuil ongeveer het midden houdt van die. welke voor de figuren 2 en i! gediend hebben. Men ziet. dat het dak der eivormige nestholte direct in het dak (\r\- tuit overgaat. Van beneden echter is de nestholte scherp van de tuit gescheiden, doordat zich de bodem ineen zuivere curve naar hoven kromt tol in het linnen der tuil. en mei oen dwar sche, koordvormig verdikte rand eindigt, die ongeveer I c.M. mid dellijn heeft en hij e. fig. i. dwars doorgesneden is. Men zie ook de figuur op hldz.. U hij c. Deze verdikking is ook bij fig. 5 en tl te zien (e), in het laatste geval eveneens doorgesneden. Zij bestaat uit een bundel van draadvormig opgerolde bladreepjes, die met andere zulke reepjes omwikkeld is. De tuil is van onderen een weinig beneden de verdikking e vastgehecht. Wat de lengte >\>-\- tuil betreft, zon is op te merken, dal deze sterk varieert. De figuren I en II kunnen dienaangaande als uitersten beschouwd worden en hadde men slechts deze Iweo vor men voor oogen. men zoude ze zeker aan hel werken van twee verschillende vogelsoorten luesehrijven. Men viudl echter alle mo gelijke overgangen (b. v. lig. 2 en 'i i. Beschouwl men de nesten nauwkeuriger, dan zal men dadelijk opmerken, dal die mei korte tuiten minder zorgvuldig gemaakl zijn dan die met lange, lü.j deze namelijk (fig. 1) is hel materiaal veel fijner en gelijkmatiger uit gekozen dan bij de korttuiten. hei weefsel is dichter, de vorm van Dr. Ij. Zehntner. De wevarvogfll i in liet suikerriet op Java 104 hei nesl is betör afgeremd en ove,r bel geheel zoo regelmatig moge* lijk. Daarom koml net mij waarschijnlijk voior, dat de langtuifcen duur oude wogels gebouwfd aijn, door individuen «Ins. die dit werk herhaaldelijk gedaan hebben en meester in hun vak zijn. terwijl de kniiiiiitcn door jonge individuen, die.nog weinig oefening hebben en meer oppervlakkigen arbeid leveren, vervaardigd zouden werden. Om nu nog een paar woorden over ilen nestbeuw zeil' te tógM gea, zoo moei opgèmerkl werden, dal merbij mei hel dak «ler nes ten begonnen wordt. Il<'t begin heelt den vorm van een Uoenien mandje. welks handvat naar bene den en naar voren gekeerd is. I let ..handvat'' is niets anders dan de koordvormige verdikking), die ik boven als op de grens van nèst htilte en tuit voorkomende, be schreven heli (fig. r).e). In de hier nevens afgebeelde ovariangsche doorsnede van een nest is het „mandje'.' verticaal geschraffëerd; inj e is het han Ival doorgesneden. De bladreepjes, waaruit de verdikking e bestaat, zijn in dezen toestand van hel nes! tën weerszijden nog meestal Ins. il. w. ■/.. slechts gedeeltelijk met hei 'lak ineengevlochten. Nel dak is nog weinig Sdlied geweven en de ophanging is dikwijls nog zóe volmaakt, dat hei mandje gemakkelijk /.uu kunnen omslaan. Om dit te voorkomen en om het begin van het nest in hei algemeen in de gewieansehte positie Ie huilden. WOrdl het dikwijls duur de vogels Op /eer geschikte wijze op den arhtei'kant mei aarde bezwaard en zoodoende zijn stabiliteit verhoogd. In de tweede plaats wordt hel dak naar vuren vernruut en vuiiral de wijze van ophangen belangrijk verbeterd, i andere woorden, het gedeelte wordt eraan dal in de nevenstaaiide figuur gestippeld is. Hierbij wordl er namelijk nog op gelet, de ter weerszijden nog vrije bladreepjes van de verdikking e stevig mei de bladeren, waaraan het nest hangt, te verbinden. In hei kont, hei nest wordt in /ijn bovenste gedeelte /.ni< goed als gereed gemaakt en het kuml 0p dil tijdstip ongeveer mei figuur .1. plaat II uvereen Dr. L. Zelintner. De wefervogols in liet suikerriet op Java 105 In de dei'de plaats wordt dan de bodem van het nest vervaar digd (in figuur A dubbel geschraffeerd), zoodat liet van heneden tot aan de verdikking e gesloten is. Eindelijk wordt de tuit geweven en naderhand het nest verbeterd en versterkt op de plaatsen, waar dit noodig geacht wordt. De zooeven beschreven verschillende toestanden zijn in de tuinen gemakkelijk te vinden en vele nesten worden niet afgemaakt, hetzij dat de vogels gedurende het houwen verongelukken ol' dat hun na derhand de plaats, waar zij met houwen bezig waren, om de eene of andere reden niet meer bevalt. De nesten, die gereed zijn, hebben een lengte van 16 tot2BC.M. (zonder tuit) en de tuit steekt Ü tot 12 C.M. beneden den onderrand van het nest uit. De nestholte is 11 tot 14 c.M. hoog en heeft op de hoogte van de koordvormige verdikking e eene middellijn van 6tot 7 C.M. De middellijn der tuit is 4 tot 5, zelden 6 c.M. lang. Ken lucht droog nest weeg! gemiddeld 38 gram en daarvoor zijn de bladschijven van 7 tot S volwassen, middelmatig groote bladeren noodig. 5. De Bestrijding Wal de bestrijding betreft, zoo is. voor zoover mij bekend is. op Java een afdoend middel aog niet beproefd. In de eerste plaats zal men natuurlijk aan bet schieten der vogels denken. In het algemeen zal <lit middel niet veel geven, tenzij dat het toegepasl wordt alvo rens de Manjars zich in de tuinen gevestigd hebben. Het gelukt dun misschien ze dooi' het voortdurend schieten van een tuin af te houden en naai' andere streken te doen verhuizen. Hebben zij zich echter reeds genesteld, dan is behalve het schieten voornamelijk het vangen der vogels aan te raden. Dit werd in 1896 op Kremboong uitgevoerd. Men gebruikte daar de gewone schepnetten (samber), welke de inlanders voor hetvischvangen bezigen. Zij kosten 70 centen per stuk: het raam is van bamboe vervaardigd en de mazen mogen niet meer dan 1,5 c. M. middellijn hebben, Xa zonsondergang werden de netten onder het werkvolk, dat voor de bestrijding aangehouden werd. verdeeld. De nettendragers moesten dan op bepaalde afstanden van elkaar staande, de netten rechtop dragende en gelijkmatig voortrnkkende. de tuinen doorloo pen. Zij werden vergezeld door een aantal andere inlanders, die bij het vangen behulpzaam waren en de gevangen vogels moesten be waren. 1 ïij hel voortrukken werd een groot rumoer gemaakt, waar- 106 Dr. L. Zehntner. Do WeverYOgel* in liet suikerriet op Java door de Manjars uit hun nesten opgejaagd weiden. In de duisternis vlogen zij niet ver en konden betrekkelijk gemakkelijk metde netten gevangen worden. Er werden dan ook mei II) nellen meestal 4 —500. hier en daar zelfs 6- SOO stuks op één avond binnengebracht en in hel geheel in twee tuinen 10209 stuks gevangen, waarvoor I cent per stuk betaald werd. Hierbij moei echter opgemerkt worden, dat de vangsl niet uit sluitend uit Manjars bestond. Kr werden namelijk ook vele Bondols en PekingS gevangen en deze niet aparl geteld. Maai' dit doet niets ter zake. daar de laatstgenoemde vogels als rijsldieven eveneens uitgeroeid moeten worden. Met hel vangen der oude vogels moet gepaard gaan het uitha len t\>'\- jongen en i\rv eieren. Dit is een moeielijk en tijdroovend werk. dat evenwel overdag kan gedaan worden en voorzeker succes heeft, daar men liet in de hand heelt, de geheele nakomelingschap der Manjars. voor ZOOVer deze in de riettuineii huizen, uit te roeien. Wel is waar moet toegegeven worden, dat door hel wegvangen der vogels hun broedsel van zelf dood zal gaan: maar daar men nooit alle oude vogels vangen kan en er bovendien kans bestaat, dal de jongen gedeeltelijk zoover ontwikkeld zijn. om zonder verdere hulp hunner ouders te kunnen uitvliegen. zal men het vernietigen van het broedsel niet geheel en al kunnen nalaten. Kon nu ook op Krenihoong een gunstige invloed van il(> he strijding niei geloochend worden, het resultaat stond niet in verhou ding tot de moeite en de kosten, die aan het werk besteed werden, liet moet namelijk nog in aanmerking genomen worden, dat zoo wel door het, Uanteeren dei' netten als door het uithalen der jongen en der eieren het riet beschadigd wordt. Aangaande het laatste zou de methode misschien gewijzigd kunnen worden door eenvoudig de nesten met secateurs, die aan Lange stokken vastgemaakt zijn. al' te snijden en te vernietigen in plaats van ze alleen van hun inhoud te ontdoen. Hiertegen zou men kunnen aanvoeren, dat door het verwijderen der nesten de overblijvende Manjars zouden genoodzaakt zijn nieuwe nesten te houwen en dal daarom de bestrijding in ze kere mate niet zou helpen. Men moet zich echter herinneren, dat de Manjars de nesten ook onder gewone omstandigheden slechts één keei' gebruiken, zoodat het dus met het oog op het aantal der nesten op hetzelfde neerkomt, of men ze wegneemt ot' uithaalt. Wanneer nu hel vangen der vogels niet dadelijk het verwachte resultaat oplevert, zoo Hgt dn minder aan de methode dan daar- 107 br. ti. Zehmnei'. De \\c\ri\ (><4vls in liet snitten iet op .fa vil. ;i;iu. d;ii deze eersl dan tpegepasl kan worden, nadat de beschadi ging gedeeltelijk plaats heefl gehad. I);' vangmethode werkt post r numerandn en als zij jaren achtereen toegepast zou worden, zal de werking zeker uitstekend zijn: wanl het kan toch, aiel onverschil lig wezen. <il' er jaarlijks zoo en zooveel duizend Manjars me) hun nakomelingschap ged I worden of niet! liet is echter ook in dit geval een vereischte, dat de strijd niet slechts door enkelen, maar gezamenlijk gevoerd wordt. J)e langzame werking is en blijn evenwel een bezwaar on niet rceld verlangt men naar een radikaler en goedkooper middel. Er blijft dan niets over als het vergif. ') Hieromtrent zijn eenige gegevens uit Amerika hekend. Volgens een noot in „The Louisiana Planter and Sugar Manufacturer," Vol. X ( 1893) bldz. 163, werd daar namelijk met succes strychnine ter bestrijding <\cr rijstvogeltjes gebruikt en wel door grof-gestampte rijst gedurende 12 uren in een oplossing van het vergif (zooveel als (ip de punt van een mes gaat. in één liter water) te leggen en op plaatsen te strooien, waar het voedsel gemakkelijk door de vogels kan gevonden worden. Men strooit hel b. v. na hel zaaien van de rijst op het veld en gedurende den oogst worden dicht hij de rijst velden palen in den grond gedreven, zoodal deze een weinig hoven de rijst uitsteken. Op die palen wordt telkens een plank gespijkerd en een weinig van de vergiftigde rijst er op gelegd. Naar beweerd wordt, eten de vogel-- spoedig er\an en nadat er een groot aantal dood gegaan zijn. verhuizen de overblijvende en daar zij wantrouwig zijn. mijden zij de verdachte streken eenigen tijd. haar nu de Manjars eveneens gaarne en bijna uitsluitend rijst eten. zoo heb ik in liet klein proeven mei vergiftigde rijst genomen, waarbij bleek, dat de z iven beschreven methode >\>t Amerikanen aiel op de Manjars toegepasl kan worden, daar deze Vogels liever verhongeren, dan gepelde rijst—vergiftigd ofniel te eten. Na vele mislukte proeven kwam ik lot hel volgende recept, dat aan de eischen voldeed: De ongepelde rijst (padi) wordt zoo lang in water gekookt, totdal de hulsels harsten en de uitgezette korrel- gedeeltelijk door de bar sten te voorschijn komen. l>oze padi wordt gedurende 24 uren in een strychnine-oplossing (ongeveer I gram op een halve liter water) *\ Intusschen ontving ik van ilen lleor HoqoettE bei bericht, dal het rangen der vog.'ls in 1897 een bevredigend resultaat opgeleverd heeft. Kei de bestrijding «rerd vroesrer begonnen dan in '96 soódat de tuinen ijH hadden, om zich eenigszins ie herstellen, in bet afgeloopen jaar kwamen op Kremboong dan ook geen zulke verwoestingen door de Manjars voor als in '95en'96, 108 Dr. L. Zehntnar. ï)a wevervogals in liet suikerriet op Java gelegd en daarna gedroogd, waarbij de uitgezette korrels zien (ve der in het hulsel terugtrekken' Dé aldus gerepareerde padi werd door dé vogels Zonder wantrouwen gegeten eri drie of vtër korrels zijn voldoende om een Manjar te dóodëh. Ik nam mijne proeven in een geïmproviseerde volière en kon daarbij waarnemen, dat telkens slechts een gedeelte dervogels dood ging. 7. Ira namelijk die, welke liet eersl van hel vergif krijgen, dood gaan, vertrouwen de overblijvende het voedsel niet meer en zijn ei' niei toe ie brengen om er ook van te eten. zelfs niet als men niet-vergiftigde padi geeft. Zoodra men echter de padi op eéri andere plaats ophangt, eten de vogels opnieuw. Hieruit volgl voorde prak tijk, dal men ookin de vrije natuur hiel Vérgif nïel altijd op dezelfde plaats zou moeten leggen, hoewel het ei' minder op aan zal komen, daar 'Ie bedoelde plaatsen telkens weder door nieuwe individuen bezocht zullen worden. Behalve met strychnine heb ik ook met cyaankalium proeven genomen. De gekookte padi werd gedurende -\ uren in een KP/ 0 oplossing gelegd. Ook dit middel werkt goed; het heefl echter hel nadeel, dal dealdus bereide padi na eenigen tijd vochtig wordf en niet geheel reukeloos is. Daarom wordt zij dan niet gaarne meer gegeten. De extracten en dekokten van Toeba-wortels (Derris spp.) ett der vruchten van Peron (Anamirta eocculus), die ik eveneens probeerde, hadden geen voldoende werking, daar wel eenige vogels verlamd, maar niet gedood werden. Er blijft dus, als men met vergif werken wil. alleen strychnine over. Keu grool bezwaar is het echter, dal dit middel ook vóór do menschen gevaarlijk is en dit is de reden, waarom ik tut nog toe geen proeven ih het grool genomen heb. Ui.j uader inzien koml het mij evenwel voor, dal men met de noodige voorzichtïgheidsmaatre gelen wel een proef zou kunnen wagen. Als zoodanig is aan te be velen, de vergiftigde padi eiken avond wegte nemen en inde fabriek wei; ie sluiten. Overdag moei zij bewaakl worden, opdal ze niet gestolen wordt. He bevolking moet voor het eten der ged Ie vogels gewaarschuwd worden, etc. Aanhaxgski ld' volgende regels wensch ik aan een vogeltje h' wijden, dat gew lijk enk als rietvijand, d. w. z. als wevervogel beschouwd T>r. T.. Zohntior. De wm-i'rvojr-'ls in het suikerriet *>p .Tuv.i. 109 wordt, dal echter, volgens mijne waarnemingen te oordeelen, deze qualificatie niet verdient. Ik bedoel namelijk de Bondol, Munia hui ja (L). In het riet zijn de nesten van de Bondol veel minder talrijk dan die der Manjars. Ook zijn zij lang aiet zoo kunstig gebouwd als deze. Zij bestaan uit doode rietbladeren, die tot 1 a 2 e.M. breede reepjes gescheurd en tamelijk slordig door- en over elkaar gelegd en gevlochten worden. Van binnen wordt het nest, dal meestal tusschen en nabij de basis der bladeren van een rietstok ligt, met de halmen van fijne grassen, hier en daar ook met rietbloemen bekleed. Van de genoemde fijne grassen worden niet doode, maai- levende halmen gebruikt. Hel komt nu echter niet zelden voor, dal de Bondols de ver laten nesten der Manjars gebruiken uni hun eigen nesten er in te bouwen. In zulke gevallen vindl men dan, dat hel Manjarsnest grootendeels gevuld is niet dezelfde fijne grassen, die men in de gewone Bondolnesten waarnemen kan. Nu wordt het ook duidelijk, waarom de Bondol door planters dikwijls tot de Wevervogels gere kend wordt. Naar liet schijnt, legt de Bondol meestal 5 eieren. Deze zijn zuiver wit. gemiddeld 10.7r> m.M. lang en 12,35 m.M. breed. Zij verschillen dus sterk in grootte met die der Manjars. 0..k de Peking, Munia nisoria. Temm., huist dikwijls in liet riet; ten minste kan hij daar gere geld met de Manjars en de Bondols gevangen worden. Over zijne nesten kan ik niets bepaalds mededeelen. Zij schijnen echter zeer veel overeenkomst met die van de Bondols te hebben. In de nesten der Manjars vond ik de Pekings nooit. Toch moeten hierom trent verdere waarnemingen gedaan worden. De Bondols zoowel als de Pekings zijn erge rijstdieven. Hunne bestrijding komt overeen met die der Manjars. Paroeroean, October 1896. 110 Dr. Ij. Zehntner. Do (revervogels in het suikerriet op J;iva   Archief voor dk Java-Suikerindustrie 1898. Akl. 3. Pi.aat I EEN DOOR MANJARS (PLOCEUS MANJAR HORSF.) BESCHADIGDE RIETTUIN.  Archief voor de Java-Suikerindustrie 1898. Aki.. 3. Plaat 11. NESTEN VAN PLOCEUS MANJAR HORSF. ONGEVEER '/. NATUURLIJKE GROOTTE  Verklaring der Platen I'l AAT I. Een door Manjars (Ploceus manjar Horsf.) beschadigde tïettuin. Plaat II. Nesten van Ploceus manjar Horsf. Ongeveer ''-, natuurlijke grootte. Figuur I. Een nesl mei een lange tuit. » l 2. » » » » korte » » 3. » » waar de luit aiet beneden den onderrand van liet nes) uitsteekt. Bij a is de ingang. Figuur \. Ken overlangsche doorsnede door ren nest met een korte tuil. Bij c is de koordvormig verdikte rand dei' eigenlijke nestholte dwars doorgesneden. Figuur 5. Een half gereed nest. De bodem is nog niet ver vaardigd en bij e ziet men de koordvormige verdikking, die over eenkomt met het handvat van liet ..lduenieniuandje" (zie bid/. 105). Figuur 6. overlangsche doorsnede door een balf gereed nest. MEDEDEELINGEN UIT EN VOOR DE PRAKTIJK. BUITEN VKItANTWOOUDKLIJKHEID DEK REDACTIE EENE BIJDRAGE TOT I)E KENNIS VAN DEN KALKOVEN OP CAKBONATATIEFABUIEKEN. Hetgeen mij ei' vooral toe bracht 't volgende te publiceeren, was liet feit, dat toen een paai' jaren geleden de fabriek den kalk oven kreeg, ik te vergeefs zocht naar eenig werk ut' tijdschriftarti kel, dat me voer ken lichten, waar het mij aan ervaring ontbrak. Daardoor was ik genoodzaakt at' te gaan op mondelinge mededee lingen, die. hoewel te goeder trouw gegeven, helaas! dikwijls bleken niet al te juist te zijn. Daarom hoop ik mijne collega's, die in't zelfde geval mochten komen geen ondienst te hewijzen met de volgende mededteelingen. Ofschoon nek op Java meer dan ééne som-t kalkoven in gebruik is. zal ik rnc bepalen tot eenc korte beschrijving van dien oven. welke door mij op verschillende fabrieken in West-Java aangetroffen werd. De geheele werkwijze heeft ook directe betrekking op deze 111 Dr. Ij. ZelintiKT. De wever vogels in bec suikerriet op Java. soort, ofschoon ze ecnigszins gewijzigd, natuurlijk ook op andere van toepassing is. Deze oven dan, bestaai uil een gemetselden koker, van binnen met ('ene laag vuurvasten steen bekleed, van boven boogvormig, waarin een gegoten ijzeren trechter gevat is, die door een dito konus, door middel van een hefboom mei tegenwicht, van den onderkanl gesloten kan worden. Beneden in den oven, op den bodem, is eene soort van pyramide gemetseld, die de gebrande kalk dwingl naar drie openingen te zakken, die met ijzeren deurtjes gesloten kunnen worden. Hierboven bevinden zich de openingen voor luchttoevoer, die met kranen kan geregeld worden. Over de geheele hoogte van den oven bevinden zich op verschillende plaatsen kijkgaten (ingemetselde ijzeren buizen) ler controle van hei proces in den oven, die met stoppen al' te sluiten zijn. Eindelijk mondt boven in den oven in een ringvormig gemetseld kanaal de koolzuurpijp uit, die naar den gaswasscher loopt; liet kanaal zeil' staat door meer dere openingen in de vuurvaste laai; in verband met het inwendige van den even. Bovendien moei er gelegenheid zijn om boven op den oven te komen en nuk om de vulling boven te brengen; het geheel is op de eene el' andere wijze overkapt. Daar de konus aan den onder (binnen-) kant den vultrechter afsluil en haar grootste diameter natuurlijk munter is dan die van den trechter, moei zij voor «leze laatste ingemetseld wordt, in den oven gebrachl zijn. Wanneer dit verzuimd wordt zou later weer een gedeelte van 't metselwerk weggebroken moeten worden. De verbinding met i\cn hefboom neme men uiterst sterk, daar we straks zullen zien. dat die veel in lijden heeft. Men vermijde dus 't gebruik van boutjes en moeren, die lichl loswerken, waardoor de konus zeil' lichl in het vuur valt. en zeer lastig weer op hare plaats te brengen is. Eenigen tijd. voordal men den oven in gebruik wil stellen, be gint menhem te vullen,' 't geen, afhankelijk van zijne grootte en ook van de capaciteil van 't werktuig, waarmede de materialen opgebrachl worden, twee tol vier dagen wegneemt. Men kan voor de vulling verschillende mengsels nemen, maar een. die goed voldoet, laat ik hier volgen. Allereerst begint men op den bodem van den oven ± ;>() pikols hout, gekapt in lengten van ± •! voet, roostersgewijze op te stapelen. Dat houl kan gemakkelijk door de deuren beneden inge bracht worden. Voor 't naar hoven hijschen van bet andere materiaal 112 Mededeelingen uit en voor dn praktijV voldoen goed bamboemandjes van ± iO e. M. middellijn bij even groote hoogte. ") Grooter manden te gebruiken is niet aan te i;i — den, daar zij door 'i zware gewiehl van den kalksteen te vee] zou den lijden'. Op dal houl storl men ± 50 manden houtspaanders en laat die gelijkelijk uitspreiden; daarna ± :! ( > manden cokes en hierop 30 manden kalksteen, die later grootendeels onontleed haar de deuren zakt, en meer dienl om de groote hitte van de vlam eeriigs zins te temperen. Na hierop weer eene laag van ± 30 manden spaanders gespreid te hebben, kan men den oven verder vullen mei hel ook later te gebruiken mengsel van cokes en steen, dat in volumènverhouding gemiddeld I op I bedraagl bij eene niet al te zachte steensoort. .Men storte 'lus telkens bijv. '■'> manden cokes i 12 manden steen en vuile den oven tot ± I voel beneden de openingen, die correspondeeren mei de koolzuurpijp. 't Spreekl van zelf, dat 'l niel doenlijk is dil oiengsel telkens regelmatig te laten 'iii preiden en als de even eenmaal aan is, wordt «lat natuurlijk el onmogelijk, bij oordeelkundig storten echter zorgl de konus daar voldoende voor, maar heeft ook juist hierbij zooveel te lijden. Bij gebrek aan cokes kan men zich ook eenigen tijd behelpen mei goede houtskool en neme dan 'l dubbele volumen. Men doel goed den kalksteen te gebruiken in stukken van ongeveer één kubieken decimeter;neemt men ze grooter, dan gebeurthel dikwijls. dat de steen niel door en (loer ontleed is; neemt men ze kleiner, dan krijgl men onnoodig er fijn gruis, terwijl de trek belemmerd wordt. Van de cokes klooft men de groote stukken enk. om plaat selijke oververhitting en daardoor doodbranden van de kalk te voorkomen. Bijna altijd zal het metselwerk van den oven eenige dagen na hel aanleggen beginnen te scheuren; zoodra de scheuren niet merk baar grooter worden, laat men zegoed dichtpleisteren. Somsgebeurt uat in zoo sterke mate. dat 'f raadzaam is op verschillende hoogten ijzeren banden om den oven te leggen. Hij 't aanleggen worden de deuren en luchttoevoerkranen, tevens de trechter geheel geepend en laat men voor elke deur een vuurtje van lichte spaanders aanleggen, dat spoedig naar binnen overslaat. Men laat den oven met zijnen natuurlijken trek doorbranden, totdat de inhoud instort en eenige stukken door de deuren naai- buiten *) demakkeiyker zijn natuurlijk de Installaties met wagentjes, enz. zooals zo gewoonlijk II Ü Ijzeren oven* geleverd worden. Tol nu toe zag ik die echter nier nóg niet. ftfed'deelingeo nii sn vont- .ir fraktfjk 113 vallen, welke laatste daarop g©Édt«fl worden, men zet de pomp aan. die liet water in den gaswasscher brengt, en zoodra er voldoende water in staat, laat men de knolzuiirpomp loopen en sluit men den oven hoven. Daar liet instorten gewoonlijk een uur ol' twaalf na liet aanlegen plaats heelï. zal men goed doen eenige uren na 't aanleg gen stoom op te makel. Mocht dit door omstandigheden wat laat gebeurd zijn. dan kan men den oven ook nog eenipen tijd mei na tuurlijken trek laten doorhranden. maarte preloreeron is het dadelijk met de pomp te werken, daar dan eene betere controle mogelijk is. vooral door analyse der gassen. Door de groole hoeveelheid lichte hraudstol'. die na. verbranding geene noemenswaardige ruimte inneemt, daalt het niveau in den oven vooitdurend: men vult steeds bij zonder kalk uit te halen. Kerst, wanneer 't niveau vrij wel op dezelfde I gte blijft (men bnnde dit steeds ± 1 voet onder het gaskanaal) en '1 vuur vanboven tusschen de cokes en steen beginl zichtbaar te worden, gaat men daartoe over. De eerste partijen zijn grootendeels nog niet ontleed, zoodat die weer van boven ingestort worden, gemengd natuurlijk met de evenredige hoeveelheid brandstof. Gewoonlijk duurt het on geveer 3a 4 dagen na't aanleggen, vóór goede kalk wordt verkregen. terwijl reeds na andcrhalven dag voldoende koolzuur in 't gas is. om te carbonatccren. Hiervan hangt het dus at', hoelang voorliet begin van den maaltijd men den oven zal aanleggen. Is er nog kalk ge noeg van eene vorige campagne over en wil men zoo weinig mogelijk kalk overhouden, dan is twee dagen van te voren vroeg genoeg; is dit echter niet 't geval en moet men wachten op de kalk uit den oven, dan zal men voor alle zekerheid goed doen hem 5 a 6 dagen voor den vastgestelden maaldag aan te steken. Men heeft 't door de koolzuurpomp binnen zekere grenzen in zijn macht met denzell'den oven meer ol' minder kalk te maken; vermeerdert men den luchttoevoer, dan zal ei' sneller verbranding van de cokes en dus ook sneller ontleding van den kalksteen plaats hebben. Kchler kan men de liichttoevoerkranen ten allen tijde geheel openlaten staan, daardc hoeveelheid intrekkende lucht bijna geheel afhankelijk is van de grootte en bet aantal slagen van de koolzuur pomp; door deze sneller of' langzamer te laten loopen, regelt men de verbranding in den oven. Goede diensten bewijst hierbij bet Orsat'sche apparaat, dat men met de perspijp der koolzuurleiding verbindt, zoodat men voortdurend een stroom van 't saturatiegas door 't toestel kan laten loopen. Mededoelingpn uit en voor de praklijk 114 Hel is <ivmakl<elijk na te gftftï» boghpog feel in •le/en oven kan slijmen. hij uehruik van irnc hepaalde soort steen. He marmersteen, hier in "ebruik. een vrij zuivere, eischt ter ont leding 1 volumen cokes «>|> 3J/e a '(• volumen steen, en daar 't ge wicht van gelijke volumina zich ongeveer verhoudt als :! : 7. ontle den 3 cokes 2I 1 /- aos gewichtsdeelcn steen. be schouwen we nu even de vullende formule: G 4- O* + CftGOs = 2CO, + CaO. II II 12 (40 -f 12 +48 = 100) Volgens deze dus zouden 12 gewirhtsdoelen cokes 100 gewichts deelen steen ontleden, dus in verhouding van 3: 2.">, dus onge veer getijk aan jie cijfers uit de praktijk. Op een volumen intredende zuurstof ontstaan dus twee volumen koolzuur, maar daar de zuurstof gemengd is niet 4 volumen stikstof, vindt men in het ovengas op 0 deelen gas 2 deelen koolzuur of ± 33 v O . Daar men eehter altijd eene kleine overmaat lucht moet ge bruiken, zal men hij deze soort steen dat cijfer niet hereiken; bij ontleedbaar materiaal, zal integendeel dat cijfer hoo gftr kunnen uitvallen. ') Ik zelf vond nooit hooier koolzuurge halle. ilan dat van deze gasanalvsos: Koolzuur = 32,2 % — 32,8 % Zuurstof = 1,0 » — 2,0 » Koolox.vde m 0,0 » — 0,0 » Stikstof = 0(3,2 » — 04,0 » Totaal = 100 % _ 100 % Gemiddeld echter was het 24 a 2.*> %. (iaat het koolzuurgehnlte sterk achteruit, zonder dat men ver andering ''i de vulling heeft gebracht, en de jk>imj> normaal loopt, dan doet men goed de zuigleiding na te laten kijken, heel dikwijls s luiten de Henzen niet goed meer in het gedeelte tusschen den oven en den gaswasscher, dat onmiddellijk het gloeiende gas ontvangt. Hikwijls ook sluit de konus niet goed. doch dat is gemakkelijk te v, 'i'helpcn, dooi- op de kieren een beetje kalkmelk te gieten, die on middellijk een afsluitende korst vormt. Men overtuige zich dus voor Öe analyse ook. dat de oven niet bijgevuld wordt en dus de trechter open staat. *) Poromigo zachte kalkstoensoorten ycrcischcn slechts B°/„ brandstof. Het koolzuurgehalte v »n het gas wordt dan natuurlijk hooger. 115 Mudedeelingen uit en voor de praktijk Hel is onnoodig eene groote overmaal van waschvyatcr te ge bruiken, gevoegelijk neemt inch zooveel, dat hel gas op eene tem peratuur van ± 50° Celsius in de carbonatatie komt. Die meer dere warmte wordt dan zonder nadeel door 'l sap opgenomen, daar in de carbonatatie zelfs eene temperatuur vanöÜ" ('. nog geoorloofd is. Ter contróleering plaatse men een thermometer in de persleiding bij de pomp. 't Gebeurt soms in den maaltijd, dat alle ketelvuren uitgemaakt worden, en dus de koolzuurpomp niel kan loopen. In dit geval is hel voldoende den trechter op een kier open te zetten, om den oven zachtjes te laten doorbranden. Opent men hem geheel, dan brandl de oven binnen een paar uren tot de bovenste lagen door en kan 't. gebeuren, dal de vlam boven uitslaal en schade aanbrengt, onge zien het gevaar, dat er voor 't bedienende personeel uil ontstaat. Voor 't fabrikaat gebruike men. vooral hij onzuivere brandsl if, zooveel mogelijk slechts de groote stukken kalk en zondere 't fijne gruis voor andere doeleinden af, daar de asch hoofdzakelijk hiorin terecht koml en zoodoende een minder aangename melassevormer uit 't fabrikaat gehouden wordt. Klidang, l 2\ November 1897. K. .1. Staverman. DIVERSE MEDEDEELINGEN. Omtrent de meest gebruikelijke middelen tot bestrijding der plantaardige en dierlijke parasieten en vijanden der snikerhie<en deelt Dra. 11. Briem, bet volgende mede: De deels scheikundige, deels werktuiglijke middelen, welke door den bietenverbouwer tegen de natuurlijke vijanden der bieten win den aangewend, zijn meerendeels niet zoo zeer direct bestrijdings middelen dan wel bijzondere voorbehoedmiddelen tegen de groote uitbreiding eener ziekte of den overval van dierlijke of plantaardige vijanden. Wie de hier te bespreken middelen te juister tijd als voorbe hoedmiddelen aanwendt, zal het rechte voordeel ervan genieten. maar ook hij alleen. Want zou men b. V. de bladluizen willen be strijden, wanneer zij reeds een grool gedeelte der zaadbietenakkers hebben aangevallen, dan zou men met hel meesl beproefde middel even weinig uitrichten, als wanneer men den wortelbrand zou wil- 116 Me'ledeelingi'n uit. en voor <'e praktijk len bekampen, nadat de ziekte zich reeds over het halve veld had uitgebreid. En wij veroorloven ons nog eene opmerking. Geen land bouwer zal uit den grooten schat der thans bekende bestrijdings middelen het verwachte nut trekken, wanneer hij zich uitsluitend op deze verlaat en de grondbeginselen van een rationeelen bieten bouw verwaarloost. Juist door het veronachtzamen dezer fundamen tèele wellen gebeurl hel vaak. dat ziekten ontstaan en zich uitbreiden. In dergelijke gevallen is het werkelijk zeer moeilijk, hulpmiddelen aan te geven tegen vijanden, van wier ontstaan men zeil' de oor zaak is. Voor alle dingen moet de bietenzaadteling op gezonde grond slagen rusten, terwijl de geheele behandeling volgens bepaalde voorschriften moet geschieden. Dan alleen is afdoende hulp nu igelijk. Hoe wil iemand de nematodenbestrijden, wanneer twee of drie maal achtereen bieten op denzelfden akker verbouwd worden; hoe wil oen landbouwer zijne akkers voor dierlijke vijanden of schim melziekten vrijwaren, wanneer op zijne velden of aan de grenzen zijner akkers juist die onkruiden worden aangetroffen, die delieve lingsplanten van zulke vijanden uitmaken. ') Wie kan verlangen, dat het land van engerlingen vrij blijft, wanneer de meikevers in den paartijd maar ongemoeid blijven. *) Hoe kan men het toenemen dei' rupsen bestrijden, wanneer de natuurlijke vijanden dezer insecten, de vogels enz. niet verschoond worden! Kan de landbouwer van eene bietenplant genoegzaam weer standsvermogen tegen schimmelziekten verwachten, wanneer do plant tengevolge van gebrek aan voedsel in den grond een ellendig bestaan moet voeren? Alleen die landbouwer, die zijn plicht vervult, kan de hoop koesteren, ook nut uit de aanwending der bekende bestrijdingsmid delen tegen de verschillende en talrijke bietenvijanden te trekken. Eene gezonde, krachtige plant houdt liet tegen insectenvreterij en aanhechting van schimmels uit: eene zwakke daarentegen zal hij den eersten aanval bezwijken. I)e vijanden der hielen zijn ten gevolge van den uitgobreiden bietenbouw zoo vele geworden, dat ook reeds talrijke beproefde bestrijdingsmiddelen voorhanden zijn. 11 b. v. glagab vu-r rletboorders. - e '-) zooals nu weer de wawalana in aidhoardjo btverte mededêeiingeni 117 Wij zullen hier dë beste bespreken en aangeven hoc zij bereid en aangewend moeien worden. I ><■ bestrijdingsmiddelen kan men in twee groepen" verdeden: in en in wci-ktl li<alijk<- ver wi.'ortiii.kl.'lrii. Dl. SUIKIKINnriIK VKKWKK.HMIIHIKI.KX. Onder deze zijn verschillende. knperzonton hcvatlcndc middelen zoowel tégen dierlijke als j> I a111:i:in I bielenvijanden het meest afdoende gebleken. Er zijn nog wel andere, doch het gaat zoo gemakkelijk niet. te zeggen welk middel het beste is. liet eene wordt bij voorkeur gebruikt tegen dierlijke, het andere legen plantaardige vijanden; vaak is de aanwending van eene kopervitriooloplossing met een kleverig middel h. v. met melasse vermengd, voldoende. ()nderdeko|ierzoMton bevattende middelen komen in aanmerking: Knjii'fritfiool. Dit zout in 2 tot \ procents oplossing wordt alleen als bijtmiddel op het zaad b. v. tegen l'liomasrhinimels aangewend; meel' wordt dit schimmeldoodendc middel gebruikt onder anderen vorm h. v. als de bekende BbtdeèmüèèïèHè pap, een mengsel van kopervitriool en kalk: het mengsel is oververzadigd met kalk. Acht K.G. kopersulfaat worden bij I L. water gevoegd; en ver mengd met kalkmelk, verkregen door bij I."> K.(i. gebrande kalk HO Li water te voegen. In den handel kan dit mengsel als droog koper-kalkpoeder gekocht worden. Ter verkrijging der z. g. pap behoeft het slechts met water te woi-den aangemengd. Eén Loprrrilriuol-sodamerHjsel wordt verkregen, door 2 K.(i. kopervitriool en 2 K.(i. soda op te lossen en deze oplossing in I 11. I, water Ie gieten. Dit mengsel moet versril gebruikt worden. Tot besproeiing der zieke bladeren en tegen insorten schade wordt aanhevolen eene azijiizurt'-kopcniplosxutti; doeli de voorkeur boven dit middel verdient het volgende, n. I. Schuwinfar iër ijroen. Dit is eene verbinding van azijnzuur koperoxvde met arsenigzuur koperoxyde. Wil men van dit middel gebruik maken, dan handele men als volgt: In \ II.L. waler word I—2K.(r. oud bedorven meel o!' me lasse en l'/j—2 K.(i. Srhweinl'iirter groen' goed aangeroerd, doch wijl het zout zeer zwaar is. moet bij het begieten met de Perónó sporaspuit vlijtig omgeroerd worden. DaartÖe bestaan ook eigenaardige sproeiwagens met roerwerk. 1 ll. k. op '/* If.A. is voldoende. Ken ander preparaat is het Óivéi'se mededeehngön 118 Kitlkavxniir, knperzonl. «lat wp 1 lI. L. water 100 Mr. arsenicum. 100 Gr. kopervitriool, I K .(i. gebrande kalk en 2 Iv.(t. melasse bevat. I)e 100 Gr. arsenicum worden eerst met 100 (Jr. soda in 1 L. water gekookt; het koperzout in 00 L. water opgelost en daarin de arse aicpap gegoten; dan wordt de gehluschte kalk met een weinig wa ter verdund, hij de arseuicpap gevoegd, en eindelijk hieraan onder gestadig ontroeren de melasse toegevoegd. 5 lI.L zij il voldoende voor 1 lI.A. Een zeer goed middel is het in den handel verkrijgbare Azuviii. daar hierbij geen verstoppingen der spuit voorkomen. Het is eeue donkerhlau we animoniakalische koperoplossing. Men verkrijgt liet middel door in 'i 1,. water 1 K.G. kopervitriool te gieten en onder hestendig ommeren daarbij 1 '/ 2 L, ammoniak te voegen. A/.urin zeil' is een vaste stol' en behoeft slechts tot eene 2 —iy o oplossing gemaakt te worden. Wat de aanwending van de hovengenoemde koperzoutoplossin gen betreft, wordt tot hehandeling van het hieten/.aad dit laatste in eene 2 prncents kopervilriooloplossing 1.">—20 nren gedoopt en dan gedroogd. Gebruikt men lïordeauxsehe pap, dan wordt het zaad. na daar mede gedrenkt te zijn, niet water algewasschen en dan gedroogd. beze bijtmiddelen voor liet zaad worden zeer aanhevolen tegen l'honia en dergelijke schimmels. Bovendien worden de genoemde! oplossingen als besproeiings middelen gebruikt vooral tegen bietonroesf. tegen verschillende blad ziekten, tegen zwart in de hladeren. ook tegen aaskevers. vooral hunne larven, tegen verschillende rupsen b.v. de uilsoortcn e.a., te gen aardvlooien, bladluizen, maden en vliegen, tegen verschillende wespensoorten. Schweinl'iirter groen wordt speciaal gehruikt tegen de verschillende soorten van snuitkevers. De hiermee opgedane er varingen worden hier. ofschoon eenigszins afwijkend, in 't kort me degedeeld. Waar men voor het optreden in grooten getale van snuitkevers vreest, zaait men reeds iu .Maart aan beide zijden van den tot bietenverhoiiw bestemden akker strooken hieten. waarin de rijen slechts 18 c. M. van elkaar staan. Zoodra dit dicht op elkander staand gewas opkomt, wordt het met Schweinfurter pap besproeid; "p 'leze wijze beschermt men liet latere eigenlijke gewas. Onder de eerste wieding hakt men van deze strook elke tweede rij uit. Tegen rupsen van aaskevers heeft men. wanneer deze slechts op Liverse mededeetingeli. 119 oon bepaalde plaats in den akker voorkomen, alleen de bedreigde plaats met deze 2 —2 I ', procents Sehweinfurter pap te begieten. Ia plaats hiervan wordt tegenwoordig ook wel eene 2 i pro cents oplossing van chloorbarium in water aanbevolen. Hiermede moet men echter meermalen begieten en daarenbo ven helpl hel middel niet zeer snel. Behalve deze algemeen verspreide koperzoutoplossingen, <lie. wanneer zij goed en te rechter tijd worden aangewend, zeer afdoende zijn gebleken, zijn tot speciale doeleinden nog enkele andere oplos singen aanbevolen. Zoo wordt een mengsel van 50 deelen nitrobenzoi mei 150 dee len amylalcohol en 100 deelen kalizeep mei eene 10—20 maal zoo groote hoeveelheid water verdund, aanbevolen tegen aaskevers, schild kevers, aardrupsen, bladluizen, aardvlooien, enz. Knagen de rupsen of de engerlingen direct aan den wortel, dan brengt men in de nabijheid der wortels een mengsel van 90u deelen water met 50 deelen nitrobenzoi en ~A) deelen zwavelzuur in den grond. Bij sterk optreden kan de praetijk zien met dit middel niet tevreden stellen. Evenzon wordt hot nieuw ontdekte antinonnin (orthodinitro kresolkalium) tegen een menigte dierlijke en plantaardige vijanden als besproeiingsmiddel aangeprezen, daar zelfs een verdunning van 1: 1000, en bij het toevoegen van zeep. eene oplossing van 1: 1500 reeds doodelijk werkt. Tegen bladluizen worden eene menigte bijzondere middelen ter bestrijding genoemd. De een roemt een mengsel van eene IV, procents de ander eene 27, procents oplossing van zwarte snicerzeep: een derde weer lioudl de volgen Ie besproei ingsstof voor de beste: 50 Gr. groene zeep, 60 Gr. tabak, 50 Gr. I'nezelolie op I 11. L. water verdund; een vierde is van oordeel, dat eene 11/,l 1 /, procents oplossing van lysol goed gemengd, 's morgens en 's avonds aangewend, onfeilbaar helpt; nog andere bevelen kerosine, eene liarsemulsie of eene petroleumemulsie aan. Deze wurdl bereid dóór I 1.. smeerzeep in (i L. heet water op te loséen, vbegl daarbij 2L. petroleum en vermengl zoolang, tut eene ho pene massa verkregen wordt; Voor liet gebruik verdunt men I deel de zer emulsie met 1."",- dln. water. Doch welke middelen men ook wil aanwenden, men bedenke, ■dat zij tegen bladluizen dan alleen goede gevolgen zullen hebben, wanneer deze zeer vroeg, dus vóór eene algemeene uitbreiding <\fv bladluizen worden aangewend en dan herhaald worden. Diverse liM-tledeelingetl 120 Ingeval dte schade nog niel zoo groot is. helpen zelfs enkele chemische meststoffen, welker gebruik een snelleren, krachtigen groei der bietenplanten doet plaats hebben. Zoo is hel l). v.. wanneer de duizendpooten, draadwormen, aardvlooien e. a. nog niet te talrijk zijn, soms voldoende om het meerendeel der gezonde planten te redden, eene nabemesting met Chili-salpeter te geven. Eene sterke bemesting met ongebluschte kalk kan met goed gevolg aangewend worden tegen bietenkevertjes (Atomaria) en Tylenehus, als voorbehoedmiddel op plaatsen, waai' voor rotting 'lei- bieten door de Ethizoctoniaschimmel te vreezen is. Een sterke kalibemesting tegen nematoden zal daar helpen, waai de grond werkelijk gebrek aan deze voedingsstof heeft, Gips (4 K. per 11. A.) op de bietenbladen gestrooid, die doorde rup senvreterij zijn aangetast, kan met goed gevolg worden aangewend. Tut het bijten der gaden, om deze van schimmels te ontdoen, wor den eveneens chemische middelen aangewend. Ken zeer goed mid del li. v. om in vele gevallen den wortelbrand te verhoeden is hel volgende: Men weekt het bietenzaad gedurende 20 minuten in eene oplossing van 5 deelen zwavelzure magnesia en I deel carbol in 1 11. L. water. voor. het uitzaaien laat men het zaad weder opdro gen. Volgens de ervaring door anderen opgedaan is een zeer goed middel tegen Atomaria. duizendpooten. draadwormen. I'hoinasrlum mels, het wecken van het zaal ge lurende '21) uren in '/, — L proceuts carbol, tot welk doeleinde ruw goedkoop earholzuur gebezigd kan worden. In plaats van earholzuur kan een sublimaatoplos sing li. v. tegen Phoma in de verhouding 1: 20000 gebruikt worden. De werktuiglijke middelen Als eerste voorbehoedmiddel tegen vele ziekten wordt aanhevu len hei verzamelen en verwijderen t\v\- zieke deelen, \ ■ zoover dit niet door een algemeene verspreiding t\('i ziekte prartiseh on mogelijk is. Wanneer dus de valsche meeldauw, de bacteriosis, de l'homa ziekte, de bietenroest, hel zwart of bruin worden der hladeren. de verschillende bladylekkenziekten door schimmels in niet te sterken graad optreden, worden zulke zieke bladeren en beetwortelen ver wijderd en vernietigd. Ook hij kevers en hunne larven helpt dit verzamelen, indien mei de kevers de nakomelingen vernietigd worden; wij herinneren 121 Diverse mededeelinget) aan het noodzakelijke verzamelen en vernietigen der meikevers (wawalans) ton einde zich voor groote engerlingonschado te vrij waren. Ken zeer iianl>e\clonswaai"li<2. omdat het een zeker middel is. is liet verzamelen van simitkevers 's morgens vroeg, wanneer liet nog koel is. op welken lijd zich de kevers under dikke aard klniten ophouden. Deze arbeid wordt -gemakkelijk gemaakt, ais men stukken van dakpannen, zakken oi'dergelijke tussrhen de hietenrijen logt. Hieronder zoeken de simitkevers eene beschutting zoowel tegen de overgroote hitte als legen de koude in de vroege iiiorgennreu. Voor andere in secten zijn er speende lokmiddelen, die niet liet oog op eene ge makkelijke wijze van verzamelen, liier en daar worden neer gelegd. Zoo gebruikt men als lokaas vuur simitkevers stukken van aardperen: voor aaskevers stukken bedorven vleescli. ingewanden of turfmoJm en vleeschvoedermecl met .strychnine vermengd. Draad wonnen en diiizendpooten vangt men het hest. door tnsschen de hietenrijen gelegde dikke stukken van aardappels, koojstronken en raapkoeken. Qp takken van den moerheiboum verzamelen zich in groote menigte de rupsen der uilachtige vlinders: ouder rottende maïsstengels zoekt, de oorworm eene schuilplaats. Tegen vele vijan den kan men de hulp inroepen van kalkoenen: men drijft «leze tnsschen de rijen, doch men drage er zorg vuur. dat de dieren water tot hunne beschikking hebben. Kveneens gebruikt men deze dieren met gunstig gevolg tegen aaskevers, de larven van bladwespen, tegen verschillende rupsen en tegen suuit kevors. Kene wijze van vangen, die speciaal bij een talrijk optreden van de Gammauil toepassing vindt, is de volgende: Deze vlinders vliegen van midden Mei tot midden .luni en ko men 's nachts uit hunne schuilplaatsen te voorschijn. Van dezen tijd nu maakt men gebruik om de vlinders te vangen. zoodat men van de eieren, waaruit anders de zoo vraatzuchtige rupsen voorkomen, verlost is. Daarbij gaat men als volgt te werk: eene groote ton wordt van den bodem ontdaan en zoodanig met het spongat naar boven gelegd. dat de open zijde naar het bietenveld is toegekeerd. De ton moet ongeveer IM. boven den grond op een onderstel rusten. Klken avond worden de binnenwanden dezer ton met versche melasse of eene andere kleefstof bestreken. Diverse mededeellngeil. 122 han wordt een \MMmdé potroleumlamp zoodanip in Öe ton geplaatst, dat tiêi plas onder het open sponpat. te staan komt. Op deze wijze worden er een menigte vlinders gevangen. ") De sterkte van hel licht kan men trog verhoogen door den bo dem achter dé lamp met bladzilver te bedekken. De reflector \-;m NoËL beoogt hetzelfde doel. Tot de mechanische middelen tegen de bietenvijanden belmoren ook hel rollen, eggetij hreken des bodems, het graven van diepe voren, welke alle tegen speciale vijanden worden aangewend. Zoo "laaft men h. v. in niuizenjaren om de liieteidioopen diepe grachten met steile wanden en lept op den hodem strychninehaver. Ook tegen veonmollen. snuit- en aaskevers en tepen verschillende larven van vlinders worden 8 c.M. diepe voren getrokken en daarin strepen met steenkoolteer gemaakt; hierin kan men de genoemde schadelijke insecten zeer licht in menipte verzamelen. liet omploegen van den grond in den herfst brengt vele lar ven aan den dap. die dan door de nuttige vopels worden oppepikt of bij invallende koude bevriezen. Ken herhaald rollen is een gOèd middel tepen draadwormen en aardvlooien: ook het verzamelen van snuitkevers wordt dooi 1 het rollen vergemakkelijkt, wijl daardoor de schuilhoeken dezer insecten verstoord worden. Diep oppen hij droop weder en daarna rollen toet een zware; rol. zijn middelen tut verdelging dor nematoden. Tot beperkinp der nematoden raadt men in den laatsten tijd aan, den bodem bij zeer droop weer met den Hajolploep om te werken, eeuipe dagen aan wind en zon bloot te stellen en daarna eenipe koeren na elkan der te eggen. Na drie dagen wordt de akker met behulp van den cultivator ondiep omgeploegd en na het opdrogen weder peögd en met den extirpator diep bewerkt, waarna men den grond weer flink laat uitdrogen. Na vier weken wordt de gehecle arbeid nog eens herhaald. liet beste en meest radicale middel evenwel is het verbouwen van vangplanten. Kenc verdere uitweiding hierover zou ons evenwel te ver voeren. Uit dit alles blijkt voldoende, dat wetenschap en practijk den landbouwer eene menipte hulpmiddelen tepen de groote schaar bietenvijanden aan de hand doen. Wie deze te rechter tijd weet aan te wenden, zal zich v ' veel schade vrijwaren, vooral wanneer uKMi het in de inleidinp pezegde behoorlijk in acht neemt. Bladen voor Suikerbietenteelt 1897, blz. 41 *) Heljit niet tegen boordervlindera. Dtvefüe irieitedeelin^en 123 Het navolgende is een uittreksel uit de onderzoekingen van S. WINOGRADSKï over de assimilatie van vrije stikstof door microben. De voedingsvloeistof, bestaande uit een oplossing van dextrose en de ooodige zouten, werd met aarde geïnfecteerd; slechts in zeer weinig cultuurkolfjes trad na eenigen tijd gisting op, veroorzaakt door kleine in de vloeistof ronddrijvende klompjes, die aan kefir korrels deden deuken. De vloeistof rook naar boterzuur en wanneer dit van tijd tot tijd geneutraliseerd werd, verliep het gistingsproces tot alle suiker ontleed was. De chemische analyse toonde aan. dat slechts in die kolven een opname van stikstof kon geconstateerd worden, waarin de boterzuurgisting had plaats gehad. De infectie van nieuwe hoe veelheden vloeistof met den gistenden inhoud der kolven, die eerst zeer onregelmatig gelukte, werd door toevoeging van kalk bevor derd en het doel om het uitzaaiingsmateriaal zuiverder te verkrij gen, kwam men nader, door liet. verhitten hiervan gedurende il) minuten hij 75° ('. Schimmels en gistcellen kwamen dan niet meer tot ontwikkeling en er hieven slechts '■> endospore bacteriënvormen over, een clostridium, dooi' don onderzoeker. Cl. Pasteurianum genoemd, en twee draadvormende bacillen, een zeer kleine, slechts 0,5 mier. en een grootere 2 mier. breed, Dij deze drie moest zich dus de oorzaak van de boterzuurgisting bevinden. Daar de infecties niet steeds naar wenseh gelukten, werden proeven genomen om de voorwaarden biervoor gunstiger temaken. Kleine hoeveelheden stikstof (als nitraat of ammoniakzout) in de oplossing, b. v. v 2 in. (t.. werkten zeer gunstig op de gisting, zon der de aanwinst van stikstof te bcnadeelen. In zulke oplossingen waren de heide begeleiders van de anders in overwegende hoeveelheid voorkomende Clostridium, bijzonder weelderig ontwikkeld. Voor 1 (Ir. vergiste dextrose werd in deze culturen een aan winst van 2,5—3 m. <;. stikstof geconstateerd, Ging de verhouding van de oorspronkelijk voorhanden stikstof tot suiker in de oplossing I: lOÜt) te hoven, dan hield de stikstof assimilatie op: ook eene vermindering van luchtl >evoer verminderde het stikstofgewin, eveneens naar alle waarschijnlijkheid een hooger suikergehalte dev voedingsvloeistof. De (l(n)i- middel van gelatineplaten geïsoleerde begeleiders der Clostridium, de grootere aërobe bacterie, zoowel als de kleinere fakultatief anaërobe, groeien noch alleen, noch te zamen in stik- Diverse meded«elingeH 124 stofvrije voedingsvloeistoffen, nemen 'lus aan de assimilatie van stikstof niel direel deel. I >t- Clostridhim werd als reincultuur oji sehijven van Daueas carota in bel luchtledig gecultiveerd, waar ze hevige boterzuurgisting te voorschijn riep, groeide daarna echter nii'l in stikstofvrije voedingsvloeistof, zooals later bleek, daar bij de wijze van proefneming de oplossing had slechts een zeer kleine aan de lucht blootgestelde oppervlakte benevens de-schadelijke zuur stof ook de stikstof ontbrak. Werden de beide oorspronkelijke begeleiders van de Clostridium, uit reinkulturen toegevoegd, dan groeide de laatste ook bij t >evoer van lucht. Deze beschutten 'l<' Clostridium dus slechts tegen de schadelijke zuurstof der lucht. een rol, die ook door schimmels en andere bacteriën kan overge nomen worden. We hebben dus hier mei een geval van symbiose te doen : de eene symbioot absorbeert de schadelijk werkende zuurstof van den dampkring, de andere, de Clostridium, levert daarvoor de stik stof. Weid Clostridium alleen in zuivere stikstof in de stikstofvrije voedingsvloeistof gekweekt, dan gaf elk gram verbruikte dextrose een stikstofwinst van 1,5 -1,8 m. ('>.: de energie dsr stikstofassimilatie, (de gedurende hetzelfde tijdsverloop geassimileerde hoeveelheid stik stof), was echter bij de cultuur in stikstof grooter dan bij de lucht- Culturen der drie syiubioten. Nog steels liet het overbrengen van Clostridium Pasteurianum te wenschen over. De oorzaak hiervan was. dat ze zoowel in oplossingen als op de bietschijven spoedig degenereert, ze werd b. v. bij het voor de vierde maal overbrengen op wortelscbij ven asporogeen en groeide bij de 7 !r ofB* te keer niel meer. liet bleek nu, dal men de anaërobe culturen in stikstofeene zoo groöl mogelijke oppervlakte geven Woel en daar liet oude materiaal gedegenereerd was, werd met een tweede isolatie begonnen. Stikstofvrije voedingsvloeistof werd met aarde geënt en hierdoor *tikstuf geleid. Er ontwikkelde zicb uitsluitend ('I. Pasteurianum, die na herhaald overbrengen en door het verhitten van het uit zaaimateriaal op 80°C. eindelijk op aardappel-en bietschijven zuiver verkregen werd. De winst aan stikstof bedroeg met dit materiaal, naar gelang der omstandigheden 1,35 2,33 m. (1. per Gram dextrose. De gevormde zuren zijn: boter-en azijnzuur, liet eerste is over heerschend, misschien ook sporen melkzuur. Een hoogere alcohol Diverse mededeelincèn 125 is ook sporadisch voorhanden. De gevormde gassen zijn: waterstof (60 —7.V/Ï) en koolzuur. Furschunuen au/ dnn Gebiete drr AijrikuUurphijsü; hsva. h!;. 76'. Door Om Mittki.stakut (Amsterdam) wordt het vozende me degedeeld over de rei-houding van het schijnbare tot het werkelijke zuiverheidsqnotiënt. Fil deel I _>S van .Ie ..SrheihlerVrho neue Zeitsrhrilt lui' Rühen zueker-lndiisfrio NB'. 10 en 26" vindt men de onderstaande taln-l. door .1. Wkisukhi; opgemaakt, met, behulp waarvan men de werke lijke zuiverheid uil de schijnbare, door met den daarmede ovcreenkomenden factor, kan berekenen. Diverse medeileeliDgen 126 De belangrijkheid van dit onderworp gaf Mittki.stakot aan» leiding, duur eenige zeer zorgvuldig genomen proeven, zich de imodige gegevens k' versehalfen. om deze VYKisiiKim'sche fac toren op hunne juistheid te onderzoeken. De uitslag dezer onderzoekingen was geheel in onvoreenstenmiing met die • van W I ISBK.Iify Jf>( j j ultnoifim '■■' Dit resultaai is zeer verrassend, daar de samenstelling der Xedorlandscho. ruwprodurlen afwijkt van die der Kransrho. welke liet uitgangspunt waren van WEisnEßo's onderzoekingen ; ile eersten hebben een veel kleinere verhouding van zouten tot organische uietsuiker dan de laatsten. Daar de factoren niettegenstaande dit toch bruikbaar bleken te zijn, zoo wordt hierdoor een bewijs geleverd voor de juistheid van de opvatting van Eb, .Sachs, dat door den invloed van alle totale nietsuikers, die in normale producten voorkomen, de densiteit t\av oplossingen in ongeveer dcnxelfden graad gewijzigd wordt. Om door middel der WEisisKßG'sche factoren de werkelijke zui verheid uit de schijnbare te berekenen, moet men deze natuurlijk ook volgens zijne methode bepalen. Deze bestaat daarin, dat men de l>rix nagaat van een oplossing van het te onderzoeken product, die het normaal gewicht bevat, opgelost in 100 e.M'. water, en tevens de hoeveelheid suiker in deze oplossing horekent. Uit de Brix en het suikergehalte hiervan, wordt dan de schijnbare zuiver heid gevonden en door vermenigvuldiging met den daarbij hehoo renden factor, verkrijgt men de ware zuiverheid van het onderzochte product. Uit het volgende voorbeeld zal men gemakkelijk de uitvoering der analyse en de herekening kunnen nagaan. Van een vuhnassa werd het vijfvoudige normaalgewidit. dus ■ >X26,048 = 130,24 Gr. afgewogen, in warm water opgelost, in een ; jOO c.M. 3 kolf overgebracht en na afkoeling tot aan de streep bij gevuld; Met behulp van een zeer nauwkeurigen in '/.<. graden ver deelden Urixweger werd bij 20° Cl een lirix gevonden van 21,0. "ingerekend op 17,5" C. geeft dit 21.8 l!r., hetgeen overeenkomt fnet een spec. gew. van 1.0U14. 50 c.M. :! der uormaaloplossing werden ter bepaling van het, suikergehalte in een kolfje van 1(K) c.M. 3 gedaan, met loodazijn ge klaard, tot aan de streep bijgevuld, gefiltreerd en gepolariseerd. 1)(i polarisatie bedroeg 40,3°; het suikergehalte der vuhnassa dus 2X40,3=80.0%. Diverse mededeelingen 127 Uit het suikergehalte der vulmassa moet nu dat der rtormale oplossing van 21,8" Br. berekend worden. Elke graad der polarisa tie geeft, zooals bekend, 0,26048 Gr. suiker aan. Vermenigvuldigt men 80,6 mei 0,26048 en dëell dit prodücl door het spec. gew. der normaaloplossing, hier 1,0914, dan verkrijg! men hel suikergehalte der oplossing in procenten. 80,6X0,26048 20,004688 1,0014 1,0914 " l9 ' 145 I il 24,8 Br. en 19,445 pol. vindl men een schijnbare zuiver heid Van de normaaloplossing en >\u< nek van de vulmassa van 87,82. Met den factor vuur NS (4,044) vermenigvuldigd, verkrijgt men 88,78 vuur de ware zuivorheid van het product. Dezelfde vulmassa gaf volgens de droog-methode een waterge halte van 9,58%. Hel gehalte aan droge stof bedroeg dus 90,42%, waaruil men mei de polarisatie van 80,6 een werkelijke zuiverheid bereken! van 89,14. Ili'i verschil tusschen de ware zuiverheid en die, volgend de methode van Weisberg verkregen, bedroeg dus slechts 0,36. Op dezelfde wijze werden verschillende producten uit raftina derijen onderzocht, waarbij slechts kleine verschillen mei de resul taten volgens de WEis-BERG'sche methode konden geconstateerd uur den. Deze methode heef! echter hel nadeel, dal de berekening vee! tijd vereischt, en dal verder, zooals trouwens Weisbeug zelf bekent, het verkrijgen van werkelijk juist aanwijzende Brixwegers niet zoo heel gemakkelijk is. Daarbij zijn deze duur en breken licht, ter wijl hel aflezen, duur de in de vloeistof opstijgende luchtbellen en duur het opklimmen van de vloeistof tegen hel glas, dikwijls zeer bemoeilijkt wordt. Al deze nadeelen, welke de areometrische bepaling aankleven. treden zeer op den achtergrond bij het gebruik van de Mohr-West phalsche balans. Deze is zeer geschikt vuur spec. gew. bepalingen, is goedkoop en zeer nauwkeurig. Zij geeft de densiteit veel juister aan dan de areometer, daar het instellen buiten de vloeistof plaats heeft en het aflezen niet lastig is. terwijl de benoodigde hoeveelheid vloeistof zeer gering is, zoodal volstaan kan werden met het normaal gewichl tot lOOc.M». op te lussen. Hierbij komt nog het niet onbelangrijke voordeel, da! de berekening geheel vervalt. Op welke wijze dit laatste mogelijk is,, blijkt uit het vol gende. Diverse tnededeeltnsen 128 Een zuivere suikeroplossing die 100 polariseert en dus 26,048 <ii'. chemisch zuivere suiker in 100 c. M 3 . bevat, heeft ecu spec.' gew. van 1,400; ecu die 90 polariseert, cen densiteit vanongeveer 1,090; een met 80 polarisatie, een spee. gew. van '1,080. Daar nu verder eens oplossing die 100 polariseert, slechts een spec. gew. van 1,100 kan hebben, indien de gebruikte suiker ecu droge-stofge halte heeft van 100 %, en 26,058 Gr. van een chemisch zuivere suiker met 90 % droge-stof, in 100 c. M'. water opgelost, cen spe.-, gew. der oplossing aantoont van 1,090 enz., zoo volgt hieruit: de achter de k ma staande decimalen geven het schijnbare droge stof gehalte in procenten aan, indien de nietsuiker bevattende suikeroplossingen volgens deze methode onderzocht worden; men schmpt de -.1 vóór de komma weg en verplaatst deze 3 cijfers naar rechts. Deze methode is nu wel niet absoluut zuiver, voor de prakti sche zuiverheidsbepalirig is zij echter voldoende, zooals uit het vol gende te zien is. De aormaaloplossing van cen vulmassa toonde een Brix aan van 22°, overeenkomende t cen spec gew. van 1,09231. De vulmassa had een suikergehalte van 55%, waaruit zich volgens de hierboven beschreven berekening volgens Weisberg, cen schijn bare zuiverheid van van het onderzochte product laat afleiden. Volgens de spec. gew. bepaling bedraagt bet schijnbare droge stofgehalte ( .i : 2,8l en bij .Tm polarisatie de schijnbare zuiverheids9,sB. Hel verschil is slechts 0,06%; dikwijls echter komt het volgens MiTTELSTAEDT vn<>r. dat dé op deze wijze gevonden schijnbare zuiver heid ua vermenigvuldiging met den WEiSßEßG'schen factor een werkelijke zuiverheid geert, die meer in overeenstemming is mot ''"' d • droging gevonden, dan de schijnbare zuiverheid volgens de W'KisiiKUd'scho methode. Verder ziet men alles uil de volgende samenstelling der ana lyseresultaten van verschillende producten, volgens de beide mc thoden berekend, waarbij opgemerki moet worden, dal de volgens ''<' methode van Weisberg gevonden schijnbare droge-stofj berekend wordt, door hel suikergehalte van hel product met 100 te vermenig vuldigen en het verkregen cijfer door de schijnbare zuiverheid te dcelen. Diverse modedcelingon 129 Het voorkomen van groote hoeveel heden rattinose in de ver schillende fabrieksproducfen en hoofdzakelijk in de melasse, heeft in den laatstcn tijd opnieuw de opmerkzaamheid van de scheikun digen getrokken en discussies in het leven geroepen over de her komst en het ontstaan van deze stof. waarbij de eene de geaardheid van de biet, de andere de methode van fabrikatie als de oorzaak I. Werkelijke samenstelling van het product, door de droogme thode bepaald. 11. Resultaten van de onderzoeking der normaal-oplossing. A. volgens Weisberg. B. Uit het spec. gewicht berekend iiiverte nicdtileulingen 130 beschouwt. Volgens Dr. Ed. O. von I.iitmann moet bij al de onder zoekingen op raffinose in bet oog worden gehouden, dat men wel alle verschillen tusschen de directe en de inversie-polarisatie op raffinose berekenen kan, maar dat hel aanwezig zijn van «leze ver schillen volstrekt niet bewijst, dat raffinose voorhanden is; daar de raffinose-formule oatuurlijk waardeloos wordt, zoodra groote hoe veelheden nietsuiker, vooral producten van oververhitting van suiker öf van ontleding der geïnverteerde suiker of der raffinose door alcaliën, aanwezig zijn. Om in zulke gevallen de aanwezigheid van raffinose zeker te kunnen aanwijzen, moet men nog een tweede methode toepassen en wel do slijmzuur-methode, echter moet hier bij niet vergeten wórden, dat de kwalitatieve toepassing geheel zonder waarde is. daar men onder bepaalde omstandigheden een onoplosbaar neerslag verkrijgen kan, dat geen slijmzuur is; ten tweede, daar galactaan, pektinestoiïcn en dergelijke verbindingen, bij de oxydatie eveneens slijmzuur leveren, dat dus niet alleen uit raffinose ontstaat. Daar de raffinose alleen uit de bieten afkomstig is, waaraan thans wel niemand meer zal twijfelen, ligt liet voor de hand, dat in jaren waarin de biet een grool raffinosegehalte bezit, ook pro ducten verkregen worden, welke rijk aan raffinose zijn. In dezen zin is het dus volkomen juist, dat het in groote hoe veelheden voorhanden zijn van raffinose aan de geaardheid van het materiaal te wijten is. Hieruit volgt echter geenszins, dat niet tevens een invloed van de fabrikatie-methode kan aangenomen worden. De raffinose heeft door hare oplosbaarheid de neiging in de stropen over te gaan en zij hoopte zich dus in de melasse op, zoo lang de oude methode van fabrikatie gevolgd werd (achtereenvol gende bereiding van l e 2* en 3» product). Toen men echter, om de verkregen hoeveelheid melasse te verminderen, melasse of min der waardige stropen in de fabrikatie terugbracht, moest ook in de suiker, op deze wijze verkregen, raffinose aanwezig zijn, en dan wordt niet alleen de melasse rijker aan raffinose, ten gevolge van de kwaliteit der bieten, doch ook de ruwsuikor, ten gevolge der fabrikatie methode en wel des te rijker, hoe verder men het terugvoeren der stropen opdrijft; was het mogelijk in hot geheel geen melasse over 1( ' houden, dan zou ook al de raffinose in de ruwsuiker worden te -1 gevonden, daar tot nu toe geen middel bekend is om deze stof te verwijderen. Meer nog dan het werkelijke raffinosegehalte, dat elk jaar in > mi <|.(] ( elinüfen 131 de fabrieksproductcn in hoeveelheid afwisselt, zal in vele gevallen door bovengenoemde methode, liet schijnbare, d. \v. z. lid door de raffinose-formulc berekende raffinosegehalte stijgen; daar ongetwij feld door het terugbrengen in de fabrikatie van stropen en zelfs van meiassen, zonder voldoende onderzoekingen en volgens zuiver empirische opvattingen, de vorming en ophooping van die ontle dingsproducten moei begunstigd worden, die dan bij de optische analyse verschillen véroorzaken, die men gewoonlijk op raffiriose berekent. In de bietsnikerfabrikatie schenkt men deze stoffen, zoodra zij in eenigszins grootc hoeveelheid voorkomen, slechts wat de me lasse betreft, cenigc opmerkzaamheid, en constateert alleen, dat de schijnbare polarisatie niet met het werkelijke suikergehalte overeen stemt; nicn ziet echter geheel over het hoofd, dat hetzelfde ook voor de ruwsuiker geldt, waardoor de koopers in zooverre benadeeld worden, dat zij volgens de schijnbare polarisatie, d. w. z. volgens de rendeinentshcrekening, welke op deze schijnbare polarisatie be rust, betalen. Dat dit inderdaad het geval is, hebben vele raffinadeurs, vooral gedurende de laatste campagne, moeten ondervinden, Daar echter geen juiste cijfers hekend zijn omtrent het verschil dat deze stoffen te voorschijn kunnen roepen, deelt LIPPMANN de onderzoeking mede van een groot gedeelte der door de suikerraf finaderij Ilallc ingekochte ruwsuikers gedurende de campagne 1896/97, waarbij aangemerkt wordt, dat de analyses volgens de inversiemethode en niet met de raffinose-formuleberekend zijn: had dit laatste plaats gehad, dan was het verschil natuurlijk nog grooter geweest. gewone polarisatie inversiemethode Polarisatie 95,61 % 95,29 % Water 4,90 » 1,90 » Asch 1,08 » 1,08 » Org. niotsuikcr 1,35 » 1,73 » dus een verschil van 0,38% in de polarisatie en in het aschrende ment en van \, t, in het nietsuikerrendement. Om uitsluitsel te krijgen omtrent het al of niet aanwezig zijn van raffinosc, maakt men gewoonlijk gebruik van de slijmzuur reactie. In de meeste gevallen levert deze methode resultaten die verre achterstaan hij de optische, soms heeft echter ook het omge keerde plaats. Diverse mededcelirgen 132 Zóó oh'dèrzdchf b. v. Dr. IVlvkum.U'iikii eén melasse en vond; gewóné analyse invërsiémethódé Dm-e-stof 78,20 78,20 Polarisatie 46,80 13;36 Water 21,80 '21,80 Asch 12,00 12,00 Org. bietsuiker 19,40 22,84 ZtiiVerHeid 59,85 55,45 waaruit een verschil blijkt van 3,44%, hetgeen volgens berekening met 1,86% raffinose overeenkomt. De slijmzuur-methode kon op deze melasse niet direct töögepast worden, daar, zooals dikwijls bij zulke bietsuikerrijke producten plaats heeft, geen afscheiding van het gevormde slijmzuur plaats had; daarom werd eerst met stróntiaahhydraat gekookt, het neer slag uitgewasschen endoor koolzuur ontleed, het filtraat tot stroop dikte ingedampt en dit met salpeterzuur geóxydeerd. De hoeveelheid neergeslagen slijmzuur kwam overeen met 'ki-n/ 0 raffinose; vermoe delijk waren in deze melasse behalve raffinose nog andere stoffen aanwezig, die bij oxydatie slijmzuur geven en door koken met strontiaan eveneens afgescheiden worden. Deze proeven bewijzen, dat men bij de bepaling van raffinose bijzonder voorzichtig moet zijn en de aanwezigheid daarvan niet op grond van de resultaten van een enkele analytische methode aan nemen mag. Lh'iitsche Zuckerindustrie 1807, blz. 1439. Door Ed. Ürbain zijn belangrijke onderzoekingen gedaan om de inversie van de suiker door het gebruik van zwaveligzuur in zuivere suikeroplossingen en in onzuivere oplossingen, zooals die, welke in de suikeiTabrikalie voorkomen, na te gaan. To( het bepalen van de inwerking van bel zwaveligzuur op zuivere suikeroplossingen in de open Lucht, werd een dergelijke oplossing bereid, die 21.10 (ir. per Liter bevatte, in 200 e. .M ! . van deze op lossing werd gedurende een minuut zeer langzaam een stroom zwaveligzuur geleid, afkomstig van vloeibaar SO2, hierna werd de oplossing gedurende 30 minuten op de gewensehte temperatuur gehouden. De oplossing werd daarop geneutraliseerd met normaio sodaoplossing en door verdunning met gedistilleerd en uitgekookt water op het dubbele van het oorspronkelijke volumen gebracht. Diverse meileieelin^en 133 In een gedeelte van deze vloeistof werden de saceharose en de geïnverteerde suiker bepaald, in een ander gedeelte liet zwavelig zuur door middel van jodium en hot totaal der zuren van de /wa ve], door oxydatie met chloor; bierdoor weid de hoeveelheid SO 1 ll verkregen, gevormd door de oxydatie van liet zwaveligzuur. Hieruit kan men besluiten, dat bij liet behandelen van een zuivere suikeroplossing met zwaveligzuur in de open lucht, zich zwavelzuur vormt, zoodra de temperatuur boven 52 J 0. stijgt. Om het aandeel te bepalen, dat het gevormde zwavelzuur in de inver sie heeft, werden dezelfde proeven herhaald in het luchtledig ') (70 c.M. kwik). Hieruit ziet men, dat de inverteerende werking van het zwa velzuur boven 85° C. zeor snel plaats grijpt en km da gevolgtrek king gemaakt worden, dat de oxydatie van het zwaveligzuur eene belangrijke rol speelt hij de behan laling v.iu zuivere snikeroplos- ') Hierbij was een inrichting aangebracht, waardoor de vloeistof door bijvoeging van gedistilleerd water steeds een constant volumen behield. Tabel I. Tabel II Diverse mpnVleelinjjcn 134 singen met zwavehgzuur in de open lucht bij een temperatuur van 55—85° C. De werking van het zwavehgzuur op een geconcentreerde zui vere suikeroplossing in de open lucht was deze: Do inversie in geconcentreerde oplossingen heeft dus in dezelfde verhouding plaats als bij de verdunde oplossingen. In het luchtledig was de werking van het zwavehgzuur op een geconcentreerde zuivere suikeroplossing als volgt: In de geconcentreerde oplossingen, in het luchtledig met zwa vehgzuur behandeld, heeft slechts boven 80° C inversie plaats. Daar de tijd van inwerking echter zeer kort was, werden deze proeven H'tnniaals herhaald, waarbij de oplossingen gedurende 3 uren, na de behandeling met zwavehgzuur, op de aangegeven temperatuur verwarmd werden. De onderzoekingen werden echter cenigszins gewijzigd, om de juiste hoeveelheid zwavehgzuur te kennen, die in lUü c.M'. suikeroplossing gebracht werd. Tabel 111 Tabel IV 135 Divorsi' mededeeluigei) Hiertoe werd een oplossing bereid van zwaveligzuur in water, die ll.L'o (il-, por Liter bovattoi Zoodra de suikeroplossing bijna de temperatuur bereikt had, waarbij de \>m(A' genomen moest worden, werd een hoeveelheid zwaveligzuuroplossing, overeenkomende met 5 Gr. zwaveligzuur, toegevoegd, hc Oplossing werd daarop ged«rende 3 uren op de ge wenschte temperatuur Verwarmd. In dé oplossing werd daarna de gevormde hoeveelheid zwavel zuur door middel van' chloorbarium bepaald. Dé zure oplossingen werden met getitreerde sodaoplqssing geneutraliseerd en verder af gekoeld tot op de temperatuur, welke in liet laboratorium werd waargenomem Bij deze onderzoekingen weid geconstateerd, dat de duur der inwerking van liet zwaveligzuur zich vooral in de open fïïcht doet gelden. In dé oplossingen in de open lucht behandeld bij IOC" C, was geen zwaveligzuur meer aanwezig. In het luchtledig beneden 80 r C. was geen inversie waar te he men, wel daarboven, waarbij zij evenredig aan de temperatuur stijgt. haar men na het einde van het onderzoek de oorspronkelijke hoeveelheid zwaveligzuur niet terug vindt, hebben deze resultaten slechts een relatieve waarde, maar zijn tol vergelijking mei de hieronder volgende proeven volkomen geschikt. Deze proeven werden op dezelfde wijze genomen mei suiker sappen uit de l'ahrikatie en wél: 1" mei 2 maalgecarbonateerd sap in de open lucht, daarna in het luchtledig en u 2 " met stroop in de open lucht en in hel luchtledig; de resultajten zijn in de volgende i tabellen vereenigd. Tabel V mectedeelingéa 136 Volgens deze gegevens, blijkt lint, dat <le inversie der suiker in suikersappen veel minder te vreezen is dan men allichl zoude ge dacht hebben, daar beneden 90" O. geen inversie kon geconstateerd Worden. Men ziet, dat zoowel in de open lucht als in het lucht ledig, zwavelzuur gevormd wordt, dat zich met de voorhanden Tabei VI Tabel VII. Tabel VIII. 137 Diverse mededeHingcii alcalizouten zal verbinden, waardoor de zuren, welke oorspronkelijk daarmede verhouden waren vrij komen; dit is waarschijnlijk de re den. waarom de inversie niet. sneller plaats heeft. Ook vindt men nimmer <(o oorspronkelijke hoeveelheid zwaveligzuur terug, wat zooals reeds gezegd is, op een ontsnappen van het zwaveligzuur wijst, hetgeen zooals Ajülard meende, waarschijnlijk tot het gemak kelijk indampen der sappen bijdraagt. Bulletin de Vmsociation des ckimistes tBbl,blz. 97. De volgende advertentie werd aan de verschillende dagbladen aangeboden: S&atsjipjorwegoa op Java. Exploitatie Gosterlijnen. Bij de vTachtberekening voor vervoer van suikerrietstekken (bibit) in 1898 langs de Staatsspoorwegen op .lava. vindt betzelfde tarief toepassing als in 1897. De Chef der Exploitatie OjL, Ar.FA. E. Lindo. Behalve door een goede controle op hel koolzuurgehalte der rookgassen, waardoor bij goed gekozen normen zulk oen belangrijke besparing aan brandstof verkregen kan worden, is het ook vanbelang te weten, hoeveel roet met <le rookgiissen verloren gaat. Tot nog toe ontbrak echter een goede methode voor de bepaling daarvan, doch nu is door Dr. P. Fbitsche op de volgende wijze in deze leemte voorzien. Een glazen buis van 15 m. M. diameter en 100 ui. M. lengte, is aan eene zijde tot een nauw buisje van eenigo m. .U. wijdte uit getrokken. De geheele buis wordt nu los niet 2 gram cellulose (zui vere watten) gevuld en dan verbonden met een zoo korl mogelijke buis, die direct in het rookkanaal uitmondt, De nauwe opening van ln't met cellulose gevulde buisje verbindt, men met een aspirator, en zuigt nu 10 liter rookgas door de cellulose. Vervolgens brengt men de inhoud van het buisje in een stapfleseh van 300 e.M 3 . inhoud en giet er 200 c.IVR water op en sehudl goed door. Het buisje wordt echter eerst nog met een kleine hoeveelheid der nog zuiver wit ge bleven cellulose t\n- onderste lagen goed gereinigd. De na goed schudden verkregen gelijkmatig grijs gekleurde massa, giet men in buizen van 4U —50 m. M. wijdte en vergelijkt de tint met eene schaal, die men te voren vervaardigd heeft. De schaal wordt verkregen door telkens 1 gram cellulose af te wegen en deze te schudden met 5, 10, 15 enz. m.G. roet en 200 Diverse mededeel ingen. 138 c.Ms. water. De (in( van deze oplossingen bootst men met grijze waterverf nauwkeurig na op papier, knipt er ronde schijven van en plakt deze naast elkaar op carton. Met deze schaal wordt hel roet gehalte van de cellulose uit het proefbuisje bepaald. InAisdie Mercuur ISJ7, blz. 552. Regen-waarnemingen, November 18t>7 ' m j tiAöeungsn 139 STATISTIEK,OOGST-EN MARKTBERICHTEN,ENZ. Overzicht van i>i-:\ HiKTsi:iki'.iii'rrvoi-:ii i-.\ de Bietsuiker- PHOTW TIK V\\ .111.l T\\l. Al'dST. IS'JT. Da rutvsuikerproductie van de Vereenigde Staten van Amerika bedroeg ia 1895/96, door de slechte weersgesteldheid gedurende den groei van het riet en tijdens het verwerken daarvan, belangrijk minder dan in het vorige jaar. De productie van het jaar 1895/96 wordl geschal op 24'693 ton, tegen 32562i tonin 18.' V95 en 572913 I"ii in hel voorafgaande jaar. Van de productie van 1895/90 werd alléén door Louisiana 2377-20 ten geproduceerd, do rest door de overige zuidelijke staten. In 1895'96 werd doür 7 fabrieken biet verwerkt, waarvan 1 in Utah, 2 in Xebraska en 3 in ('alifurniö gelegen zijn, terwijl 1 in Nieuw-Mexico gebouwd werd. De productie dezer staten was: 1895/9Ü 1894/Ü5 Calileinie 33,450308 K. (i. K. (i. Utah 3,000000 » » 3,240000 » » Xehraska 1,710000 » )) 1,011700 )) » Nieuw-Mexico 519000 » » — 39,315308 K. G. 20,405200 K. G. Totaal Java-Suikebafschepingen van 1 Juli tot :'.l December naak AI.IK lIAYKNS (TONNEN VAN 1000 Kl.Gv) 1] Voor zoo verre de eindbestemming tot op heden is kunnen worden nagegaan '.!| Deeember-opgave nog niet ontvangen. Statistiek, oogst- en marktberichten, enz 141 Naar alle waarschijnlijkheid /.uilen spoedig in Amerika nieuwe h eetwortolsuikcrfahrieken worden opgericht. De productie van bastaard-suiker is doorhet gebrokaan Cnba melasse, die daarvoor gebruik! wordt, mot 1056 ton verminderd. De productie van ahornsuiker wordl op 6000 kon, dievansorg humsuiker op 500 ton geschat. Aan suiker werd ingevoerd in de bavens: 1895/96 1894/95 New-York 1,054788 ton 913410 ton Boston 183810 » 166204 i Philadelphia 343560 » 360055 » Raltimore 17300 » 9250 » Nieuw-Orleans en andere zuidelijke havens 30200 » 19841 » Siillc-Zce kust 149981 » 128500 » 1,779639 ton 1,597260 d De invoer uil Cuba ging van 1 millioen ton in 1894 en van 840000 ton in 1895, terug tot 251000 ton in 1896. Dit te kort van + 600000 ton of ongeveer een derde van den totalen suikerinvoer in de Vereenigde Stalen, werd door vermeerderden invoer van biet suiker uit Europa en van rietsuiker van .lava. de Philippijnen, llawaii. West-Indië en Egypte, aangevuld. De invoer van bietsuiker, die in 1894 141009 ton en in 1895 102923 ton bedroeg, slee- in 1890 tot 525000 ton. De invoer uit Java bedroeg in 1896 312000, uit Egypte 12000, uil Mauritius 13000 en uil de Axgentijnsche Republiek l3oÖoton. Aan geraffineerde suiker werd in 1896 88100 ton geïmporteerd, tegen 28036 ton in 1895 en 21736 ton in 1894. De uitvoer van ruwsuiker bedroeg in 1896 5480 ton en van geraffineerd 3784 ton tegen 4050 ton in 1895. liet suikerverbruik in de Vereenigde Staten in ISOü laat zich als volgt berekenen. Totale invoer 1,779639 ton Voorraad op 1 Januari 1890 70670 » Totaal 1,856309 ton hiervan gaat af: Voorraad op 31 December 1896 173353 » Uitvoer 9264 « blijft over 1,673692 ton 142 KtutikH< mi maiktberw hti n, eni hierbij komt: [nlandsche suikerproductie 242693 ton Melasse suiker 1056 » Alioi'iisiiikcr 6900 » Biet-en sorghumsuiker 40500 » Totaai l,oGiBil ton tegen in het jaar 1895 1,929639 » en in het jaar 1894 2,066072 » Van het totaal verbruik aan ruwsuiker in 1896 is ongeveer 77% door de „American Sugar Refïning Company"de zoogenaamde Sugar Trusl geraffineerd geworden, de overige 23% door onafhan kelijke raffinaderijen. Twee nieuwe raffinaderijen onafhankelijk van de Trust, zijn in Brooklyn in aanbouw. Deutsche Zuckerindustrie 1897, blz. 1544. D. Hand.- Arch., Odober 1897. Europa, 25 December 1897. In Duitschland was het weder zeer veranderlijk en viel er betrekkelijk veel regen; in de laatste dagen echter was het droog en koud. Mot het oog op de oog te verwerken bieten, is dit onbestendige weer zeer oadeelig en het schijnt, dal de campagne onder de sedert den laatsten tijd heerschende slechte weersgesteldheid zal eindigen. Oostenrijk had zeer vochtig en regenachtig weer. Voor de fabrikan ten is deze weersgesteldheid /.eer ongunstig; de nop in de kuilen over blijvende bieten beginnen te verrottenen gaan in suikergehalte sterk achteruit. De vermindering <\<iv suikerproductie kan echter niet be langrijk zijn, daar bijna alle fabrieken de campagne geëindigd het il »«-n In Frankrijk was bet over het algemeen warm en vochtig; voor de meeste fabrieken is de campagne reeds afgeloopen. In Rusland waar eenigen tijd vorst heerschte, steeg de tempe ratuur gedurende de laatste dagen. Nederland en België hadden nat en onbestendig weer; nog slechts 2 fabrieken zijn in werking, doch zullen spoedig klaar komen. Uit de koloniën zijn de berichten niet ongunstig. In Louisiana is de temperatuur aanmerkelijk gedaald, er heersch te de laatste dagen flinke vorst; daar er nog maar weinig riet op de velden staat, is de schade hierdoor veroorzaakt zeer gering. Enkele fabrieken hebben met zeer gunstige resultaten de campagne geëindigd. Op Cuba zijn thans reeds 34 centraal fabrieken in werking. De voorraad in de voornaamste havenplaatsen bedraagt niet meer dan 143 Statistici;, oogst- en marktberichten, eng, 2988 ton, tegen MSIOB enUl76oton in de beide voorafgaande jaren. Trinidad heefl gunstig weer voor het jonge riet. De uitvoer van D&merara bedroeg van 1 Jan. -24Nov. 70818 ton tegen 70655 ton gedurende denzelfden tijd van bel vorige jaar. Soerabaija, 29 Januari. Sedert ons laatste bericht is gcctie enkele afdoening tol stand gekomen. Nominale waarde: f 6 '/„ voor No. 11—14 » 7,— » » 15—17 Siiikerverkoopcn, Oogst IS9B van 11 t/m 30 December 1897 *) voor zooverre die bekend zijn geworden: 50Ü0 pikol Petjangaan / 7'; 4 No. 15 10000 » Kendalsche fabrieken » » 10 5000 » Bendokrep » » 1"> 5000 » Djapanan 6 ! /s » 11—li 20000 » Mingiran » » » 20000 » Kwaiasan f 6>/> No. 11—14 10000 » Kentjong » » » '20000 » Sroenie 7 » 15—17 10000 » Wonolangan 6 1 /-. » 11—14 10000 » Oemboel » » » 10000 » Wringinanom » » » 20000 » Padjarakan 7 » 15—17 5000 » Kawisredjo 6 3 /4 » 11—14 5000 » Djapanan » » » 5000 » Bendokrep » »12 en hooger 5000 » Bangab » » » 5000 » Paijangan » » 11 —14 10000 » Wonolangan 7 » 15—17 10000 » Oemboel » » » 10000 » Wringinanom » » » 12000 » Pamottan 7 v.a.b. » 11—14 10000 » Pangka 6 3 /4 » » Totaal 222000 Pikol. *) Deze lijst behoort vóór <le ljjst in all. 'J to staan, zoudat hei totaal dan wordt -142000 Pikol. 144 Statistiek, oogst- en marktberichten, enz, OORSPRONKELIJKE VERHANDELINGEN. DE TOESTAND DER KIETSUIKEBINDUSTUIE IN DE VER SCHILLENDE PRODUCTIELANDEN door ][. C. I'UINSKN OEBBLIGS In ln't hieronder volgende overzicht zijn alle zooveel mogelijk betrouwbare gegevens verzameld, die ik heb kunnen verkrijgen omtrenl de voorwaarden der rietsuikerproductie in alle landen der aarde, waar op eenigszins aanzienlijke schaal suikerriet gefcweekl wordl met hel doel daaruil suiker te bereiden. Hierbij is hoofdzakelijk de aandacht gevestigd op de productie kosten, de arbeidsvraagstukken, de faciliteiten of hindernissen, door de wetgeving aan de producenten verleend of hun in den weg gelegd, de klimatologische en economische gesteldheden enz. terwijl bier van plantmethöden of fabrikatie geen nota is genomen, omdat deze gewoonlijk hei gevolg zijn der reeds genoemde omstandigheden. Deze gegevens zijn grootendeels ontleend aan mededeelingen in suikertijdschriften, aan consulaire verslagen van verschillende landen, aan jaarverslagen van industrieele ondernemingen, aan statistieken van in-en uitvoeren dergelijke, terwijl ik mij door particuliere cor respondentie mei onderscheidene in de suikerproduceerende landen woonachtige betrouwbare personen van de waarheid der daarin voorkomende cijfers overtuigen kun. Bovenal ben ik in dit opzicht veel dank verschuldigd aan den Heer E. Sutton, redacteur van de Sugar cane, die mij aan vele gegevens vuur dit overzichl geholpen heefl en waardoor ik in staat ben gesteld over de suikerproductie in de Britsche koloniën zoo nauwkeurig mogelijke cijfers te kun nen geven. Europa . Spanje. Dit is het eenige land in Europa, waar in hel groot rietsuiker wordl bereid, maar hel verkeert daartoe lang niel in zulke gunstige omstandigheden als de op lagere breedten gelegen landen in andere werelddeelen, waar rietsuiker wordl geproduceerd. De kwantiteit riet is dan ook zeer middelmatig, dooreen genomen oogst men volgens eene mededeeling van I'. Droeshout in liet Bul letin de I' Association etc. Januari 1895 p. i53, niet meer dan $5000 K.G. riel per H.A. (± 500 pikol per bouw) en daar tenge volge van de betrekkelijk koude jaarstemperatuur het riet nooit geheel rijp wordt, is het sap ook vrij slecht en bevat 14° Brix bij 11,4% suiker. ]\lct diffusie werkende maken de beste fabrieken 8/75% suiker, waarvan 6% l e en de rest naproduct is. doch d - een genomen is een opbrengst van 7 deelen suiker uit 100 riet regel. De geheele opbrengst aan rietsuiker was in 1893 15000 ton, maar neemt nu een weinig toe. nu het blijkt, dat de beetwortelsui kerfabrikatie in Spanje, waarvan men zulke groote verwachtingen had. ook niet zeer rentabel is. In Spanje geniet de suikerindustrie eene buitengewoon hooge bescherming, daar de premie er niet minder dan f 17, — per 100 K.G. bedraagl (Economisl Dec. 1895). Ware dil niet het geval, dan zou Spanje onmogelijk rietsuiker kunnen produceeren, wanl volgens Droeshout bedragen de kosten l' lii.Bo per 1000 K..G. tiet, waaruit in maximo 85 K.G. suiker worden gemaakt, waardoor de productie kosten van de suiker alleen aan grondstof reeds f 13,47 per pikol hedragen. De eigen productie van suiker in Spanje, welke te zamengeno men ongeveer 40000 ton bedraagt, is niet voldoende voor de con sumptie, doch er wordt jaarlijks nog ongeveer een zelfde bedrag, bijna uitsluitend uit de Spaanschekoloniën (Cuba, Portorico, dePhi lippijnen en de Canarische eilanden) aangevoerd. Azië Brilsch-Indië. Volgens de in Calcutta gepubliceerde Returns of Agricultural Statistics waren er in het jaar 1803/94 in Britsch-Indië aiel minder dan 2,897042 acres =1,172400 11. A. mei suikerriel beplant, welke 3,750000 ton suiker opleverden; verdei' waren er nog 137000 acres (55400 H.A.) beplant met andere suiker leverende planten, zoodat de geheele suikerproductie een bedrag van ongeveer 'i millioen Engelsche ton zal uitmaken, eene hoeveelheid, die vrij wel overeenkomt met het door Kouus (Archief 1894, 641) opgegeven cijfer. Deze geheele hoeveelheid is zoogenaamde ,gaggery" of „goer," ingedampl rietsap dus gelijkende opdeop Java gemaakte inlandsche suiker en deze wordt bijna uitsluitend bereid in een grool aantal overal door bet kind verspreide zeer kleine fabrieken, wier molens met incnseheukraeht uf door vee gedreven worden. 146 11. C. rrinsin Gfcrltgi. De toestond der tietsuiteiindustrie in de ver schillende pruductielundtn. Bovendien bevinden er zich nog slechts 44 groote fabrieken ( 'ii raffinaderijen nl. sin Madras, 7in Bengalen en 2in de North- West provinces, en nog cenige kleinere, die zich meer op het stoken van gedistilleerd uit de naproducten toeleggen. Het is dus niet te verwonderen, dat de productie van suiker door de primitieve hulp middelen, waarover die kleine fabrieken beschikken, zeer gering is nl. volgens Kobus 20.2 maund jaggery per acre (26,2 pikol per bouw), terwijl er uit de berekening der bovenaangehaalde cijfers '■ene hoeveelheid van 36,2 maunds per acre verkregen wordt, het geen wel iets hooger is dan bovenstaand, maar toch nog zeer laag kan genoemd worden. Behalve deze groote hoeveelheid in het land bereide suiker, wordf er nog vrij veel suiker ingevoerd en wel hoofdzakelijk geraffineerde of hooggradige kristalsuiker uit Mauritius (No. 20). Deze invoeren waren volgens E. Conor, Review of trades in India, als volgt in Engelschc tons: Tegenover dezen invoer van 104650 ton geraffineerde en witte suiker staat een uitvoer van 76600 ton hoofdzakelijk van de in landsche bruine suiker, waaronder echter nok nog begrepen is een Wederuitvoer van geïmporteerde witte suiker uil Bombay en Kurachee Daar de havens der Perzische golf en <ler Roodc zee. De bruine suiker gaal naar Engeland, de Vereenigde Staten van Noord Amerika. Arabië, Ceylon, Egypte en nog cenige andere landen e n de totale uitvoeren waren voor de jaren 1890—94; H. C. Prinsen Geerllgs. De toestand der rit tsuikerindugtrlc in de ver- Bohlllende productielanden. 147 Hoewel dus de in Britsch-ladië mei riet beplante oppervlakte gronds groot genoeg is «uu als er evenveel producl verkregen weid als b.v. ep Java, de geheele wereld van suiker ie v zien en nog over te houden, is de productie niet groot genoeg om de consumptie geheel te kunnen dekkenen wordt er meer suiker in- dan uitgevoerd. De lage trap, waarop de suikerindustrie staat, is hoofdzakelijk toe te schrijven aan de omstandigheden, dat vooreerst de inl&ndsohe landbouwer zeer ongaarne mest aanwendt en dat verder de grond in zeer kleine stukken verdeeld is en daardoor de met riet beplante velden zeer ver uiteen liggen, en dus eeneeenigszinsgroote fabriek niet lieslaan kan. Ten slotte is suiker in Üritsch-lndiö van oiids een produel van huisindustrie en ieder koopt dit grifweg van de dorps fabriekjes tegen veel hoogere prijzen, dan een groote fabriek of raffinaderij zou kunnen bedingen, zoodat het voor den landbouwer veel vnordceligcr is op zijne primitieve manier zeil suikei' te ma ken dan zijn riet aan eene fabriekte verköopen. De inlandsche con sument is aan de bruine suiker gewend en verkiest die boven de geraffineerde of de kristalsuiker, ook al is die lager in prijs, zoodat deze alleen door vreemden gebruikt wordt. Waar dus van zelf de invoer van suiker in Britsch-Indië zeerbeperkt is. is de uitvoer dat van zelf ook, aangezien men daar geen witte suiker kan uitvoeren tot een prijs, die op de wereldmarkt kan mededingen en de bruine kleverige suiker geen ver transport verdraagt en alleen naar lauden gaat. waai' üritsch-indiérs gevestigd zijn en hun suiker wensehen te blijven gebruiken, of naar landen, waar mende naproductenvoor de bereiding van bier aanwendt. Zoolang de consumenten de inlandsche suiker koopen, zelfs tegen een prijs die honger is dan die der ingevoerde witte suiker, is de suikerproductie voor de hinnenlandschc consumptie voordee- Jig, maar het zal nog lang duren eer die suiker op de wereld- 148 11. C. Prinsen Gejrliga. De toestand der rietsuikeiindustrif in de ver schillende productielanden. markt invloed krijgen kan. De prijzen voor jaggery loopen in dit groote lami zeer uiteen en wisselden in het jaar 1894 al' tuflsfchen 2'/ï rupee de maund in rlc Xorth-West. pro vences (f2,SO per pikol), tot 17 rupces in Opper Binnah (f 19 per pikol), hetgeen zijne verklaring vindt in de enorme afstanden en de onvoldoende mid delen van verkeer, waardoor de communicatie tusschen de ver schillende doelen van het rijk bcmoeielijkt wordt. De invoerrechten bedragen slecht-; SX, van de waarde, zoodat do binnenlandscbe industrie daardoor niet noemenswaard beschermd Wordt. CMrltll Alleen in het zuiden van China wordt suikerriet verbouwd en daaruit op vrij primitieve manier suiker gewonnen. Betrouwbare gegevens omtrent de hoegrootheid van den met riet beplanten grond on over de hoeveelheid suiker, die in China gefabriceerd wordt, schijnen niet te krijgen te zijn en de schattingen loopen dan ook uiteen tusschen 25000 en 244000 ton per jaar. In ieder geval is de productie niet voldoende voor de consumptie en overtreft de invoer verreweg den uitvoer, gelijk uit onderstaand staatje aan het Britsche consulair verslag van 1896 (Sugar cane 1897, 00.*)) ontleend, blijkt. Totale in- en uitvoer van suiker in China, Of de suikerindustrie in China nog een goede toekomst heeft, is ""«'iriijk te zeggen waarschijnlijk is het piet,omdat de grond '""ler tal van kleine boeren verdeeld is. die ten uoinste en groot deel V;| n liun stuk gebruiken om 'Ie door hun benoodigde voedings- 149 tt. C. Prinsen öeeriigs. De toestand der rietsuikerindustrie in de ver schillende productielanden. middelen te kweeken, waardoor eene uitgebreide rietteelt verhinderd wordt. Wat belastingen betreft, zoo wordt in do meeste consulaire rap porten geklaagd over de vexaties, waaraan schippers en vervoerders van suiker aan de verschillende tolkantoren bloot staan, die met een ruim geschenk in geld kunnen worden afgekocht. Japan, Volgens het Resumé statistique de I'empire du Japon waren er in 181)12 in Japan 15101 IJ. A. met suikerriet beplant, welke 49Ö830 ton riet opleverden of 32900 K. G. per IJ. A. (JBÜ pikol per bouw). Hiervan was het meeste aangeplant op het eiland Kioe Sioe nl. 8729 IJ. A. met ceno productie van 330340 ton riet. De suikerproductie van Japan bedroeg in de jaren 1886 3 tóaö Eng. ton 1889 3*812 Eng. ton 1887 '20494 » » 1890 55835 » » 1888 28433 > » IBdl 33435 » » De rietsuikercultuur is er niet zeer voordeelig, het riet blijft klein, het land vercischt veel mest en men moet er ieder jaar op nieuw planten en kan niet, evenals op zoovele andere plaatsen geschiedt, tweeden snit aanhouden. Volgens een rapport aan den Uussisrlien minister van financiën (Sugar cane 1890, 3b) bedraagt de kostprijs van suiker, zelfs in de gunstigste jgedeelten van het zuidelijke eiland Kioe Sioe, niet minder dan $ 5,83 — 7,35 per 100 te of zelfs met den lagen koers van den yen = / 1,25, ƒ 9,70—1?,30 per pikol; op de Lioc Tsjoe eilanden, waar de werkkrachten zeer goedkoop zijn, is de kostprijs nog § 4,30 per 100 8 (f 7,20 per pikol). Daar er op deze wijze niet veel kans bestaat op eene con currentie uit het buitenland, hebben, nu de suikerprijzen steeds dalen. vele suikerplanters hunne aanplantingen ingekrompen of zelfs ge heel opgegeven. Ten einde geheel onafhankelijk van liet buitenland te worden, heeft het Japansche Gouvernement zich veel moeite gegeven de cultuur van beetwortelen aan te moedigen en daarom een rente a 0 % gegarandeerd aan eene maatschappij, die op het eiland Jeddo een beetwortelsuikerfabriek oprichtte met een kapitaal van 1800000, waarvan het Gouvernement $ 400J0 nam. In den aanvang waren de resultaten veelbelovend, maar spoedig bleek het klimaat van Japan niet geschikt voor de beetwortelen Kuur en van verdere uitbreiding wordt niets meer vernomen. De invoerrechten zijn zeer laag en bedragen volgens het ver- 150 Ui 0. Prinsen Geerlijra. De toestand der rietsuikerinduslr'e in de ver- 1 Cohillende productielanden. slag van 1896 van den Nederlandsehen consul te Yokohama $ 0,120 (a f 1,35 = 17 ets.) per pikol voor bruine en zwarte suiker en $ 0,23 5 /8 (32 ets.) per pikol witte en geraffineerde suiker. Doordat prijsverschil is het mogelijk in Japan suiker te raffineeren en zoo weiden er in 1894 maatschappijen gevormd met het doel te Kobe en op het eiland Lioe Tsjoe raffinaderijen op te richten en was er vóór den oorlog sprake van ecne raffinaderij te Osaka, zonder dat het bekend is geworden of er aan die plannen gevolg is gegeven. Volgens het verslag over 1890 van den Britschen vice-consul te Tokio waren de invoeren van suiker in Japan in : 1895. 1890. Witte Suiker 00593 ton 54748 ton. Bruine Suiker 77112 » 79809 » dus overtreffen de eigen productie verreweg. De bruine suiker wordt aangevoerd van Formosa, China en de Philippijnen en voor een klein gedeelte uit Britseh-Indië, terwijl de witte suiker bijna uitsluitend uit Hong-kong wordt aangevoerd n.l. voor 93/ 0 en voor 0/ o uit Duitschland. Onder bruine suiker wordt bier een zeer donkere suiker verstaan, verkregen door indampen van rietsap, welke zonder verdere bewerking te ondergaan gecon sumeerd wordt. Formosa. Hoewel Formosa nu tot het Japansche rijk behoort, wordt liet hier afzonderlijk besproken, daar de statistieken van Ja pan betrekking hadden op toestanden vóór den laatsteu oorlog. De suikerindustrie op Formosa wordt alleen in de districten Tui wan foe en Takow gedreven en bevindt zich nog in een zeer primitieven toestand. De fabrikanten geven voorschotten op riet, Waarvoor de planters bun product moeten inleveren aan de fabrie ken, waar het geperst en het sap verwerkt wordt. Gewoonlijk wordt I'et ingedampte sap, zoo iets als goela djawa afgeleverd, maar enkelen laten hun suiker uitstroopen en maken haar wit door kleien. Volgens Sugar cane 1890, 10, produceerde het district Takow in 18j5 32005 ton bruine suiker en Tai wan foe 1875 ton, welke suiker uit sluitend naar Japan en China werd verscheept. Volgens de Deutsche Zuckerindustrie 1895, 1597, bedroeg echter de uitvoer van suiker uit Formosa in 1894 niet minder dan 72000 ton, welk cijfer volgens andere berichten zeker te hoog is aangenomen. Door de slechte economische toestanden in Formosa, waar de rietplanters zwaar in schuld staan bij de fabrikanten en verder door u e slechte verkeersmiddelen en wegen, verkcereu de rietcultuur cu ft. C. Prinsen Geerligs. De toestand der rietsuikerindustrie in de ver schillende prodiH'tielainlt'll. 151 de suikorfabrikatie in eenc zeer ongunstige conditie, manr nu Japan dit cilainl geannexeerd hoeft, is hel niel onmogelijk, dat, waar dé Japanners steeds streven om zich van het buitenland onafhankelijk te maken, zij de rieteultuur op Formosa zullen bevorderen om op die wijzeden Invoei"ran geraffineerd te kunnen ontberen, en zelf' met deze plaats in de Ghineesche havens te kunnen nm curreeren. Il(iit</-I;<>n<i. Dit eiland produceert zeil' geen suiker, maar bezit twee grootë raffinaderijen, die hun ruwe suiker uit de Philippijnen, Formosa en .lava betrekken en geraffineerde suiker uitvoeren naar China, Japan, Singapore en Britsch-Indië. Philippijnen. liet voornaamste suikerproduceerende eiland der Philippijncn, is Lnzon, waar '28U0U lI. A. met riet zijn beplant; van minder belang zijn Negros met 14000 lI.A. I'anay en Cebu ieder met 7500, terwijl de overige eilanden allo te zamen non ongeveer 1000 lI.A. beplanten, ofte zamen sbouo lI.A. De uitvoer bedroeg in 1805. 1896. Droge suiker 205114 ton '208881 ton Natte suiker 25069 » '20558 » en daar er geen suiker ingevoerd wordt en de binncnlandsche consump tie onbeduidend is. kunnen deze cijfers voorde productiecijfers gel den, waaruit een opbrengst van ongeveer 4000 K.(4. suiker per lI.A. (46 pikol per bouw) berekend wordt. Hieruit volgt dus dat de cultuur er op een zeer lagen trap van ontwikkeling staat, hetgeen ook niet te verwonderen is. daar die suiker in een groot aantal zeer kleine fabriekjes wordt bereidende aanplant ook door een groot aantal kleine pachters wordt verzorgd. Volgens Archief 1897, 295, zijn er alleen op het eiland Negros 821 fabriekjes met eenc gezamenlijke productie van 80000 ton in 1890, dos gemiddeld 150 ton = 11300 pikol per fabriek. Op het eiland Luzon geeft de fabrikant den grond, bibit en de fabriek, terwijl de planter het riet plant, verzorgten naar den molen brengt, waarna beide de suiker gelijkelijk verdeelen. De door den planter genoten voorschotten worden hem met eenc ruime rente in rekening gebracht, terwijl de fabrikant van de ruwe suiker om dezelfde reden weer in voorschot is bij de fabriek die zijn suiker opkoopt om die te zuiveren. Opde andere eilanden zijn de toestanden meer zooals in de West-Indische plantages, waar de fabrikanten groote stukken groticl bezitten en die door gebuurde werklieden laten bebouwen. 152 11. ('. Prinsen Geerligs. l)e toestand der rietsuikerindustrie in de ver schillende productielanden. Deze zijn echter slecht te krijgen on zoo lijdl de suikerindustrie ook aan de arbeiderskwestie, waardoor ceno intensieve cultuur onmogelijk won 11. De ruwe suiker wordt in bijzondere fabrieken gekleid en zelfs gecentrifugeerd en dun als zoogenaamde droge suiker uitgevoerd. De W de handelsberichten voorkomende natte suiker is ingedampte stroop, die in zakken gepakt wordt en dus geheel gelijk is aan de Javasche zaksuiker. Betrouwbare gegevens omtrent den kostprijs >\cr suiker zijn niet te krijgen, volgens een bericht aan den Russischen minister van financiën, zou de kostprijs der ruwe suiker op de Philippijnen slechts /' 2,ö7 per pikol bedragen, terwijl de Duitsche consul te Cebu opgeeft (D. zuekerind. IMJ7, 1255), dat de kosten van suiker geschikt voor uitvoer $ 4 of $ Sper pikol zijn. Misschien dat het groote fabrieksverlies bij de zuivering deze verhooging van kostprijs kan verklaren. In ieder geval verklaart de genoemde con sul, dat er in liet jaar 1896 oog goede winst voor de planters overschoot; zoodat de zeer extensieve cultuur ten slotte nog zeer toonend blijkt. De uitvoeren waren in de jaren 1895 en 189(5 verdeeld als volgt: 1895. 189G. V;, i' Manilla 117222 ton 97089 ton » Ho-ilo 110527 » 124648 » » Cebu 1333'j » 7702 i terwijl de bestemmingsplaatsen waren v • het laatst genoemde jaar, volgens het verslag vanden Britschen consul (Sugar eane 1897, oü6). Droge suiker Natte suiker. Groot- Brittanaiè' 38Ö40 ton 17387 ton Overig Europa 3497 » — » vereenigde Staten en andere Ameri kaansche landen 81014 » — » China 63858 » 21lü » ïapan 20971 » 1054 » Sedert 1896 bedraagt liet uitvoerrecht op suiker, uitgevoerd uit de Philippijnen 10 centimes per 100 K..G. dus ongeveer 7,5 cent per pikol. ■lm',i. Volgens de berekening van Dickiioff (Archief 1897, 93(5) U; 's de totaleop .lava met riet beplante oppervlakte in 1890 92478 oouw ui' 05(527 lI. A. netto, waarvan een product verkregen werd van 8,282351 pikol = 511572 ton hoofdsuiker en 7i03G3 » = 45636 ton zaksuiker,gevende It. G. Prinsen Gecrligs. t>e toestand der ile.tsuikerinilustrie in de. ver ■ohillende productielanden. 153 wanneer 2 pikol zaksuikcr gelijk worden gerekend aan 1 pikol hoofdsuiker een totaal bedrag van 8,052532 pikol of 534390 ton suiker of 93,5 pikol per bouw (8130,5 K.G. per If.A.) Voor den oogst 1897 zijn 97074 bouw of 08888 11. A. netto beplant, waarvan eene suikerproductie is getaxeerd van 9,483034 pikol of 585720 ton, gevende eene opbrengst van 90,0 pikol per bouw (8407 K.G. per 11. A.) In het jaar 1895 werden gemiddeld 992 pikols riet per netto bouw geoogst (80335 K.G. perH.A.) tegen 884 pikol (70935 K.G. per 11. A.) in 1890, zoodat in 1890 het riet product minder was dan in het jaar te voren; dit werd weer gedeel telijk opgew ogen door een hooger rendement, dat in 1895 9,79 deelen suiker uit 100 riet was, tegen 10,55 in 1890, zoodat de suikerpro ductie per bouw niet zulke groote verschillen gaf als de riet opbrengst nl. 07 pik. per bouw in löos tegen 93,5 pikol in 1890. Volgens dezelfde .statistiek van DICKHOFF werden in 1890 die 8,05253'J pikol geproduceerd door 188 fabrieken of gemiddeld 40000 pikol of 2900 ton per fabriek. In 1895 leverden 105 fabrie ken 9,410398 pikol suiker op dus gemiddeld 48300 pikol of 3000 ton per fabriek. De grootste productie, die in 1890 gemaakt werd, bedroog 103500 pikol en de kleinste 1000. Doven 50000pikols maak ten 73 fabrieken en on ler 25000 slechts 23, zoodat de helft oogsten tusschen 25000 en 50000 pikol aflevert. De hoogste productie per bouw bedroeg over een geheelen oogst van eene fabriek in 1800 154,4 pik. per bouw = 13437 K.G. suiker per lI. A. De hoogste rietopbrengst van een enkel stuk land is 230Ü pik. per bouw (± 190000 K.G. per 11.A.) en het hoogste rendement door eene fabriek gedurende den geheelei gst gemaakt is 13,5% met diffu sie en voor een molenfabriek 13.99% van bet rietgewicht, terwijl het suikergehalte van het riet gemiddeld iets meer dan 14% be draagt (maximum 18%). De productiekosten loopen zeer puiteen en kunnen afwisselen van /' 3,70 — /' 9 per pikol (X 5.3.10 — X 12.0.4 per ton). Volgens de berekeningen van X. P. v. b. Berg bedroegen de productiekosten van een pikol suiker zonder berekening van rente over schuld ol kapitaal op Java dooreen genomen in 1885 /' 8,00, in 1880 /' 7,78, in 1887 / 0,03 en in 1888 /' 0,30, op welk cijfer zij volgens inge wonnen informatie ook nu kunnen worden aangenomen, wanneer men de kosten voor nieuwe machineriën, eene ruime afschrijving en rente voor werkkapitaal enz. alles in rekening brengt. Dit be drag wordt verdeeld als volgt : Voor den oogst 1897 zijn 97074 bouw of 08888 11. A. netto beplant, waarvan eene suikerproductie is getaxeerd van 9,483034 pikol oi' 585720 ton, gevende eene opbrengst van 90,0 pikol per bouw (8407 K.G. per 11. A.) In het jaar 1895 weidon gemiddeld 992 pikols riet per netto bouw geoogst (80335 K.G. perH.A.) tegen 884 pikol (70935 K.G. per 11. A.) in 1890, zoodat in 1890 het riet product Jiiiiuler was dan in het jaar te vuren; dit werd weer gedeel telijk opgewogen door een hooger rendement, dat in 1895 9,79 deelen suiker uit IUO riet was, tegen 10,55 in 1890, zoodat de suikerpro ductie per bouw niet zulke groote verschillen gal' als de riet opbrengst nl. 97 pik. per bouw in löos tegen 93,5 pikol in 1890. Volgeus dezelfde .statistiek van DIC&HOFF werden in 1890 die 8,05253'J pikol geproduceerd door 188 fabrieken of gemiddeld 40000 pikol of 2900 ion por fabriek. In 1895 leverden 105 fabrie ken 9,410398 pikol suiker op dus gemiddeld 48300 pikol of 3000 ton per fabriek. De grootste productie, die in 1890 gemaakt werd, bedroog 103500 pikol en de kleinste 1000. Boven 50300pikols maak ten 73 fabrieken en on ler 25000 slechts 23, zoodat de helft oogsten tusschen 25000 en 59000 pikol aflevert. De hoogste productie per bouw bedroeg over een geheelen oogst, van eene fabriek in 1800 154,4 pik. per bouw = 13437 K.G. suiker per lI. A. De hoogste rietopbrengst van een enkel stuk land is 230Ü pik. per bouw (± 190000 K.G. per 11.A.) en bet hoogste rendement door eene fabriek gedurende den geheelei gst gemaakt is 13,5% met diffu sie en voor een uiolenfabriek 13.99/ 0 van het rietgewicht, terwijl het suikergehalte van het riet gemiddeld iets meer dan 14% be draagt (maximum 18%). De productiekosten loopen /.eer puiteen en kunnen afwisselen van /' 3,70 — /' 9 per pikol (X 5.3.10 — X 12.0.4 per ton). Volgens de berekeningen van X. I'. v. d. Berg bedroegen de productiekosten van een pikol suiker zonder berekening van rente over schuld of kapitaal op Java dooreen genomen in 1885 /' 8,00, in 1880 f 7,78, in 1887 / 0,03 en in 1888 /' 0,30, op welk cijfer zij volgens inge wonnen informatie ook nu kunnen worden aangenomen, wanneer men de kosten vOor nieuwe macbiue.riën, eene ruime afschrijving en rente voor werkkapitaal enz. alles in rekening brengt. Dit be drag wordt verdeeld als volgt : 154 H. C. Priis™ Geerligs. De toestand der riitsuikeiindustrie in de ver sellilli-nde productielanden. Aan riet f 2,25 j » salarissen » 1,00 [ Grondstof f 3,65 » riettransport » 0,40 ' » fabrikatie » 0,90 » reparatie, af-i ! schrijving en » 1,00 I Fabrikatie » 1,00 nieuwe tnacbin. ' » rente, comm.enz.» 0,50 j Vrachten, rente » suikerafvoer » 0)25 1 enz. enz. / 6,30 Bij fabrieken, die goedkooper werken, ligt de meerdere goed koopte in de eerste pust, n.l. prijs dei' suiker in de grondstof, de an dere kusten zijn overal in goed ingerichte fabrieken niet zoo ver schillend ;üs eerstgenoemde. De cultuur en de fabrikatie staan op Java op oen boogen trap van ontwikkeling en kunnen zich, met die.van elk ander rietsuiker produceerend land gerust meten, waartegenover slaat, dat de Java süiker in geen enkel land eenige bescherming geniet, wat met de suikers van vele concurreerende landen wel bet geval is. Het uitvoerrecht a 15 ets. per 100 K..(r. is onlangs definitief op geheven. Geïmporteerd wordt er geen suiker en de consumptie van op fcluro peesche wijze bereide suiker is zeer klein, en bedraagt volgens K obus, Jaarboek van suikerfabrikanten voor lsüo blz. 122, van den geheelen Archipel niet meer dan 'MWI ton per jaar op eene bevolking van ■•O millioen, die er voor in aanmerking zouden kunnen komen. Dit geringe verbruik wordt daardoor verklaard, dat de inlandsche be volking zeil' op groote schaal suiker wint uit arengen kokospalmen en bet sap van deze planten als mede van riet tot eene vaste massa ingedampt boven de witte suiker prefereert De uitvoer over de laatste jaren was verdeeld als volgt: 1893/91. 1894/03. 189J/90. 1890/97. Europa 105557 131586 300778 293515 ton Australië 46974 32684 15007 18408 » China 147210 148400 141383 100338 » Amerika 100021 135000 110735 01177 » Andere landen 20050 37031 23350 25000 j, Totaal. 490027 480031 603259 498434 ton tt. C. Prinsen Geerligs. De toestand der rietsuikerindustrie in de ver schillende proi'uetieUinVn. 155 De onverwerkbare melasse wordt niet. tiitóc'voorH, dóbh bihrierif lands aan arakstnkers verkocht óf als nutteloos Weggeworpen. Cochin-China. Volden Dkltkil. La canne a sucre.-zouden er in ('ochin-China 300<) H. A. niet suikerriet beplant zijn. waarvan de helft als lekkernij gegeten wordt en de andere helft op suiker wordt verwerkt. De règteerifig heelt gëtracht'dë 1 suikerindustrie te bevorde ren en door Europeanen zijner dan ook suikerfabrieken gebouwd, doch zij hadden te kampen niet gebrek aan werkvolk en de grond deugde niet voor den rietbouw. De suikerophrengst uit het riet isgering.de inlanders winnen \ —s% van het rietgewicht, de Europcancn7—S/ r . De suiker wordt hetzij in het land zelf, hetzij in de omliggende landen verbruikt, maar komt niet op de wereldmarkt. Siam. Siam voerde vroeger rietsuiker uit naar Singapore, Hong kong en China, van welken invoer de volgende cijfers opgegeven wolden. 1884 27300 pikol. 1885 28182 » 1880 3305 » terwijl er nu suiker ingevoerd wordt van Singapore en Ilong-kong en wel tot de volgende bedragen: 1895 5010 ton of 80000 pikol 1890 4241 » » 60000 » De fabrikatie schijnt daar dus niet zeer loonend te zijn, waarbij komt, dat de rivier Menam, die soms evenveel zout- als zoetwater bevat, dikwijls buiten hare oevers treedt en de suikeraanplantingen, die zij bereikt daardoor geheel vernietigt. Straita SeUlements. De geheele met riet beplante oppervlakte in de Straits Scttlements wordt geschat op 14200 acres (5070 11. A.) met een totale productie van ongeveer 15000 ton. De 4 Europeesche fabrieken maken te zamen ongeveer 10000 ton hoofdsuiker en ecu weinig ströopsüikèr, die naar China en Engeland verzonden wordt, terwijl de chineeschc fabrieken bijna uitsluitend de zoogenaamde ..basket sugar" maken, die uit tot drbög ingedampt rietsap bestaat. De fabrieken zijn vrij klein, alleen eene, die volgens het systeem der „Cèntraalfabriekèn" werkt, is uitstekend ingericht en levert jaarlijks tusscheh 5000 en 0000 ton suiker af, de overige zijn veel kleiner en zijn lang niet in zulke goede conditiën. liet rietsap heeft er een laag suikergehalte en het rendement bedraagt gemiddeld niet meer dan 7,;")% van het rïetgewicht aan kristalsuiker in de Europeesche fabrieken en hetzelfde bedrag maar dan in „basket sugar" in de ('hineesrhe ondernemingen. De geinid- 156 it. C. Prinsen Qeeïftgs. be toestand der rietsuikerinlustrie in de ver schillende productielanden. delde riclopbrcngst der E::r.>peesehc cstatcs is 600 pik. per houw en <lc 48 pik. en bij de Chincezcn uo» minder. De fa brieken hebben tcu deelt' hun aanplant in eigen helieer, (en decle bij kleine stukken aan Chincezcn uitgegeven, dip onder voorschol werken en per gallon sap van het door hen geleverd»! riet betaald worden, zoodat de risico tusschen planters en fabrikant gedoold wordt. In de gunstigste omstandigheden was de kostprijs der suiker bij den lagen stand der tlollar a 1' 1,30 1' 5,30, maar gemiddeld is dit cij fer aanmerkelijk hpoger. Wanneer tic zilverkoers stijgt dan gaat de kostprijs der suiker in goud uitgedrukt natuurlijk ook inde hoogte on worden alltien daardoor de winsten minder. Jn- ol' uitvoerrechten beslaan er niet inde Slraits, maar daarte genover staat, dat het werkvolk er schaars is en uit liritsch-lndié moei worden aangevoerd. Perziê. I'erzië, tlat voorheen een siiikerprodiieeerend land van groote beteckenis was. heeft, die bijna geheel verloren, alleen wordt er in Mazenderan en Jezd een weinig ruwe suiker bereid en «loet men nu moeite er beetwortelsuiker te fahriceereu. maar op lietoogen blik voert Perzië bijna alle suiker, die het consumeert in en wel volgens Archief 1897, 247 in "805 alleen te en Bendei Abhasvoor X 12*235 aan broodsuiker en £ >GO3O aan ruwe suiker. De overige Aziatische landen, die vroeger suikerriet kweekten: Syrië, Palestina, Mesopotamië, enz. hebben die cultuur geheel verlaten. Al'UI KA. E'j!/[ik'. In Egypte bestaan op het oogenblik 10 fabrieken, waarvan er één onlangs gereed is gekomen, 0 daarvan behooren aaji cent: groote maatschappij Daria Sauieh, terwijl de overige aan andere vennootschappen behooren. In het jaar 1807 hebben deze fabrieken te zanieu 100501 ton SUiker geproduceerd dus gemiddeld 0700 ton (ruim 100000 pikol) per fabriek. De opbrengst der grootste was ruim I3)ootpn (258)00 pikol)en die der kleinste 157M0n of 25)00 pikol, zoodal het blijkt. dat tic Egyptische fabrieken op zeer groot? schaal zijn aangelegd. Enkele fabrieken planten liet riet in eigen beheer aan, maar meestal wordt het van pachters of van geheel vrije landbouwers opgekocht. Door de lag;; prijzen van de suiker hebben de fabri kanten den prijs voor het riet verlaagd en teruggebracht van 3 tot 157 H. C. Prinsen Georligs. De toestand der lietsukerindusTie in de ver schillende productielanden. 2 3 /* piaster per cantar (van 35—33 cent per 46K.G. of van 48 lot 44 cent per pikol). De meeste fabrieken betalen een vasten prijs, onverschillig of het riet goed of slecht is, maar weigeren soms omgevallen riet of trekken veel af voor besebadigd riet. Anderen betalen het riet per graden Beaumé van het sap of volgens suikergehalte van het riet. Volgens het verslag van den Heer Wilson, hoofdmachinist der Daria Sanieh. dat voorkomt in de Sugar cane 4807. 192. bedroeg het suikergehalte van het riet gemiddeld 14'/ 2 terwijl andere berichten van nog geen 14% spreken. De rietopbrengst is vrij stationair en bedraagt ongeveer 19 ton per acre (550 pikol per bouw), zoodai de suikeropbrengst ongeveer 55 pik. p. bouw bedraagt. Uit 100 deeJcn riet kreeg men op genoemde fabrieken: aan eerste product 8,96% ( m°/ »2een 3e » 1,23% I » melasse 2,37% In het jaar 1896 vermaalden de 9 fabrieken der Daria Sanieh 815432 ton riet, waarvan 81256 ton suiker verkregen werd of iets minder dan 10%. In de jaren 1894, 1895 en 1896 was de kostprijs en de prijs, die voor de suiker der genoemde maatschappij gemaakt werd, als volgt: De stroop wordt of als zoodanig verkochl bf men maakt er gedistilleerd van. dal een zeer goeden naam geniet. Volgens cene berekening, voorkomende in het reisverhaal van Bartsch. (Zcitsch. f. d. Rübenz. ind. 1897. 261) is er slechts 1,2 % van den Egyptischen voor den landbouw gesebikten bodem met 158 H. C. Prinsen Geeriiss Di' toi>Bt«nd der riitsuikorinHußlrie in de ver schillende productielanden. riet beplant en het zal dus te voorzien zijn, dat, waar men nog zulke goede winsten met de suikerindustrie maakt als in bovenstaand lijstje vermeld staan, de rietcultuur nog belangrijk zal worden uit gebreid. In het jaar 1896 was de uitvoer volgenderwijze verdeeld; naar Amerika 52340 ton » Engeland 5290 » » Italië 925 » » Andere landen 998 » 59553 ton In het land werd dus ongeveer 40009 ton zelf geconsumeerd, Vooral 2e product en ook ingedampt rietsap. Mauritius. Op het eiland Mauritius zijn 50000—55000 H.A. met riel beplant, waarvan het product verwerkt wordt in 120 fabrieken. l " het jaar 1895/96 bedroeg de productie, die toen zeer ruim was uitgevallen, l i2OOO ton of gemiddeld 1200 ton (ongeveer 20000 Pikol) per fabriek. Verder werden er uitgevoerd 30 —35000 H.L. T 'um en 4000—5000 ton melasse. In het jaar 1*96/97 bedroeg de suikeruitvoer uog meer nl. 15267K ton (Sugar eane 1897. 506). De suikerindustrie heeft veel te lijden gehad van gebrek aan kapitaal, Waardoor de fabrikanten niet dan tegen zeer hooge rente aan de noodige fondsen konden komen en verder in 1892 door een hevigen cycloon. die bijna den geheelen oogst vernielde. Doordat het Gouvernement een leening sloot om de fabrikanten te kunnen ondersteunen, welke te Londen tegen 3% geplaatst werd, kon men beide bezwaren te '•oven komen, hoewel de toestand daard ■ nog altijd precair is. dat suiker hel eenige product van Mauritius is en rins daar mede de geheele bestaansmiddelen dezer kolonie staan of vallen. Uit Britsch-Indië zijn tal van immigranten naar Mauritius ge komen, waarvan er velen zijn gebleven en waardoor de bevolking grootendeels uit Indiërs bestaat. Ook is de munt dezelfde als in Indië en zijn er velen, die de aanhechting van Mauritius aan het Indische rijk gaarne zouden zien. Terwijl vele fabrieken hun eigen riet malen zijn de meesten { ''' toe overgegaan om grond aan landbouwers uit te -even. die voor ben |.lanlen of van geheel vrije rietplanters hun grondstof te koopen. In 1894 betaalde men 12—13 rupce (toen f 0,70) per ton riet Waarvan 9% suiker werd gemaakt, zoodat 90 K..G. suiker aan riet f 8,40 _ f 9,10 kostten of f 5,79 — f 6,27 per pikol. Hierbij komen H. C. Prinsen Gfprlijjs. De toestand der Hefsuikorindustrie in de vpx 90hille-de productielanden. 159 1,30 lis. ;i;m fabrikatiekosten zoodat de suiker (U0 K.G.) uit een ton riet aan productiekosten op gemiddeld 13,00 Rs.. komt te staan of f 6,H6 per pikol. Doordat de zilverkoers der rupee op hel oogen blik zoo laag is. is hei mogelijk met deze prijzen winst, te maken, waarbij komt, dat de stroop, die ook handelswaarde bezit, hier oog niet in mindering van den kostprijs der suiker is gebracht. Bij eene eventueele stijging van den zilverkoers zal natuurlijk deze kostprijs tegenover den wereldmarktprijs in goud der suiker stij gen en minder voordeelige uitkomsten geven. De voornaamste markt, waarheen de Mauritiussuiker verscheept wordt, is [ndië, zoo zelfs dal wanneer Mauritius bij het Indische rijk zou getrokken worden, dil geheel in zijn behoefte aan suiker zou kunnen voorzien. Gespecificeerd zijn de uitvoeren voor 18939fi en 1896,97 (Sugar ca nu L897, 556): 1895/96 1896.97 Indië 80467 ton 77189 ton Kaap de Goede Hoop 20970 » 30380 » Australië 20452 » 25577 » Amerika 16265 » 11j;'»69l l j;'»69 » Engeland 2019 d 1882 » Hong-kong 1585 » 4208 » Andere lauden 888 » 1073 » 142646 ton 152678 ton Héunion. Hoewel in de onmiddellijke nabijheid van Mauritius gelegen, verkeerl de Fransche kolonie Réunion, wat de rietsuikerin dustrie betreft lang niet in zulke gunstige condities, hetgeen voor namelijk daaraan toe te schrijven is. dal liet niet evenals Mauritius zeker kan zijn van ecu gestadigen aanvoer van Britsch-Indische arbeiders. De geheele productie bedroeg in 1894 .'15714 ton suiker van vrij inferieure kwaliteit en 364332 gallons rum. Gewoonlijk be val liet riet I'i 1")% suiker, soms zelfs tot 16% toe, waarvan door de beste fabrieken ]fi% gemaakt wordt, doch gemiddeld 9%, waarbij men in liet oog moet houden, dat in Réunion ruin evenzeer een hoofdproduct is. zoodat men daar de stroop niet geheel uitwerkt doch er nog zooveel suiker in laat om een goed gedistilleerd te kun nen krijgen. Op de beste ondernemingen, die een goeden rijken grond bezitten, bedraagt de rietproduetie voor: 160 11. C. Prinsen Geerligs. De toestand der rietsuikerindustrie in de ver schillende productielanden . Eenjarig riet 03000—75000 K.C. p. lI.A. (725-850 p. p. b.) 2c Snit 37000—45000 » » » (400—4-25 » » » ) 3e Snit 24000—32000 » » » (250—360 » » » ) terwijl er soms ook wel van voor eerst geplant riet producties van 100000 K-G. per JI.A. (1150 p. p. b.) zijn verkregen. Dooreen genomen is cen opbrengst van 600 pikol op Etéunion regel, met een rendement van 54 piko) suiker. Al de suiker van Réunion, die een uitvoerrecht v an 2% betaalt, wordt naar Frankrijk gezonden, omdat zij daar de bescherming geniet „déchet de fabrication", welke Frankrijk aan suiker uit Fransebe koloniën verleent en die ieder jaar verschillen kan. In 1804/95 bedroeg deze premie niet minder danfr. 20 per 100 K.G. of ongeveer f 6 per pikol. Bestond <leze niet, dan zou Réunion onmogelijk mot de naburige landen kunnen mededingen, daar Réu ttion met den Franschen gouden standaard niet de voordcelen ge niet, die b.v. Mauritius, de Straits, Britsch-Indië enz. in deze jaren trekken uit de gedeprecieerde waarde der zilveren munt waarin zij «verkloonen, levensmiddelen, kleeren, enz. betalen, terwijl zij hun s uiker volgens de goudwaarde betaald krijgen. Nalal. Volgens Archief 1897, 292 wordt de geheele suikerpro ductie van Natal voor 1890 op niet meer dan 17000 ton geschat, waarvan 5000 ton over zee werden uitgevoerd; op cenc vergadering in liet Colonial Institute te Londen in 1890 gehouden, verklaarde echter de Meer Peace, een ingezetene van Natal, dat dit cijfer veel te laag was en niet minder dan 4">000 ton bedroeg. Er zijn 20000 acres (10500 11. A.) met riet beplant, welke van 3—4 ton suiker per acre voor pas geplant rieten I—21 —2 ton voor tweeden snit opbrengen \^> —lls pik. suiker per bouw voor geplant riet en 28 —60 pik. v oor ratoen). Het groote verschil in de opgaven schrijft hij toe aan net feit, dal de meeste suiker over land naar de naburige republieken wordt geïmporteerd en slechts zeer weinig over zee wordt uitgevoerd, zoodat de controle op de uitvoeren zeer lastig is. Cijfers over kostprijs enz. kon ik niet vinden, maar wel werd mij door een correspondent ver klaard, dat de hierboven aan den lieer Peace ontleende gegevens mis schien voor eenbijzonder geval opgaan, maar langniet voor de geheele kolonie gelden, wat ook niet aan te nemen is, daar cen suikerop bren<ist van meer dan 100 pik. per bouw in een land, dat buiten ( 'e tropen ligt wel een weinig wantrouwen verdient. Ten slotte kan hierbij aangeteckend worden, dat sprinkhanen dikwijls den oogst zeer benadeelen. Angola. In de Portugeeschc kolonie Angola, aan de westkust op H. C. Prinsen Geerligs. Do toestand dor rietsiiikerin tustrie in de ver schillende productielanden . 161 10° Z. I!. gelegen, wordl veel riel geplant, dal aan rie kusl binnon hel jaar, maar in hel hoogere binnenland na 15— 18 maanden rijp is. .Men maakt er geen suiker uit, doch gcbruikl hel alleen voor de bereiding van rum, waarvan jaarlijks 1 ,800000 gallons of 7,7 millioen Liter geproduceerd worden. Madera. Hoewel in vroegere tijden Madera van veel beteekenis voor de suikercultuur was, is dil gaandeweg verminderd, vooral nu ren ziekte, Nonagria Sacchari genaamd, hel riel aantast. Degeheele uitvoer bedraagl nog geen loco ton, die geheel naar Portugal gaan waar zij die daar voer de suiker uit de. Portugeesche koloniën gel dende beseherming genieten. Ganarische eilanden. Hiervoor geldl hetzelfde als voor Madera, de geheele uitvoer bedroeg in IS'di' 12«M3 ton, welke geheel naai Spanje ging om dezelfde reden nis de Maderasuiker naai Portugal. In fBO5 voerde Spanje 781 en in 1896 slechts 888 ton uil deze eilanden aan en <le rest ging naar de Azuren. Amerika. Vereen.'gde Slalen van X 'oord-Amerika. De hoeveelheid der in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika geproduceerde rietsuiker bedroeg in de jaren 1892/93 206767 Eng. ton 1893/94 272690 » .» I sin !):> 365261 » 9 Hiervan kwamen op den staat Louisiana in het laatstgenoemde jaar 317334 ton en de resl uit Texas, Florida en Mississipi. In hel jaar 1895/96 bedroeg de Louisiana-oogst slechts 230000 ton, welke vermindering zoowel aan een minder gunstigen oogsl als ook aan de verandering der suikerwet van 1894 tuc te schrijven is, waarbij de in 1891 ingestelde premie van wege de Unie op in het land ge produceerde suiker weei- werd ingetrokken. In het jaar 1894/95 werden in Louisiana 99933 11. A. (1408-20 bouw) met riet beplant, welke een opbrengst van 72,187000 pikol riel opleverden 0f513 pik. per bouw, mei een rendement van 7,5'/ 0 0f38,5 pikol per bouw (Louisiana planter 1895, 350). Ecne mcdcdceling in Sugarcane 1808, -18 zegt, dat een rendemenl van B% zeer goen" kan genoemd werden in fabrh kon, die van vaeuümpanpen voorzii n zijn. Volgens datzelfde tijdschrifl bestonden er in 1894 in Louisiana 500 fabrieken met eene productie van 270903 ton Texas L> i » » » » ~j'3t<3 » r'lnrida 12 » » » » » 591 » 162 IT. C. Prinsen Geerlïg-B. De toestand <l"r netsuikerimlustrie In de ver schillende produel ielanden terwij] er verder aan de zeekusl in Florida en Texas eene menigte kleine landjes bestaan, waai' suikerriet geteeld wordt, dal verraaien e D tot een stroop van 34" Bé wordt verwerkt. I'it de boven aangehaalde cijfers blijkt, dal de fabrieken in Louisiana gemiddeld ongeveer 20000 pikol per jaar afleveren. Van de 317134 ton, die Louisiana in 1894/95 produceerde, waren 284182 ton of ongeveer 90% vacuümpansuiker en slechts 10% in open pannen bereid. Behalve suiker is ook de stroop een hoofd product der suikerfabrikatie, vooral van de suiker, die in open pannen gekookl is. Zoo geven volgens bel rapport van Bouchereavj over 1894/95 (Sugar cane 1895, 590) de fabrieken, die mei open pannen werken, een opbrengst van 7,039 gallons stroop op elke 10016 suiker (64 1.. op 100 K. (i.) terwijl de [abrieken, 'lic vacuümpannen bezitten slechts 3,50 gallon per 100 «maken of iets minder dan de helft. Hoewel er slechts 10% van den geheelen oogst open pan suiker is,zoozijn toch slechts de helft der fabrieken met vacuümpaa- II( '|| voorzien, doch dil zijn de grootste, do kleine open pan-suiker fabriekjes verdwijnen meer en meer. om in grooter goed ingerichte fabrieken op te gaan. In een land als Louisiana, dal buiten de tropen ligt en waar de werkkrachten duur zijn. is de; kostprijs dei' suiker zeer hoog en zou de industrie daar ook niet kunnen bestaan, wanneer zij uiel door hooge invoerrechten tegen mededinging van andere landen was beschermd. Ook dit bleek nog niet voldoende te zijn en daarom Werd ei- in 1891 besloten, dat de Regeering cen premie van 2 ets. per 1è suiker zou vcrlccncn (f 0,11 per K.G.). Deze hooge pre mie is alleen in de eerste jaren direct uitbetaald, van den oogsl 1893/94 is het volle bedrag eerst een half jaar na het eindigen van den oogst voldaan, terwijl het congres voor het jaar 1894/95 slechts Zooveel beschikbaar stelde als overeenkomt met 0,8 cent per fê (f 0,045 per K. (}. ongeveer f 2,80 per pikol). Het jaar daarop is de premie geheel afgeschaft. In 1891/92 weiden er 0.37.") 131 dollar premie gegeven over 187057 ton suiker (riet, biet en ahornsuiker te zamen) in 1892/93 $7.342078 "ver 233420 ton en in 18 c >3 94 $ 12,100209 over 312240 ton. De kostprijs van het riet alleen bedraagt voor de jaren 1893 —95 achtereenvolgens I' 7.20. I' 7,04 en f 8.00 per ton, dat tegen 7,5 % rendement een kostprijs van suiker alleen aangrondstof van 1' 9,60, f 0,30 en 1' 10.75 per 100 K.G. uitmaakt \t 5.90, f 5,73 en f 6,63 Per pikol) vvaarbij dan nog fabrikatiekosten, afschrijving, transport- 11. C. Prinsen Gcerligs. Pe toestand der rietsuikerindustrie in de ver schillende productielanden. 163 kosten en/., komen. Do kostprijs is dan ook gemiddeld 4 ets. per 'ü; vimii zoogenaamde witte suiker of f 13,82 por pi kol, waarvan dan nog de verkoopprijs der eveneens verkregen moei worden afgetrokken. Hel is dus duidelijk, dat zonder protectie Louisiana niet fegen de buitenlandsche mededinging is opgewassen, waar ruwe suiker -kan-aangebracht worden toteen prijs van 1,87 8 ets. per ffi en geraffineerd uit Europa tot eene vaa 2,35 ets. per ff. Nu komt daarop een recht van fèspècïfeVènjk 0.05 ets. on 1,05 ets. per pond, behalve de additiöneeïè réchten Voor landen, dio uit voerpremie geven, zoódat er op deze wijze vböi 1 de liolsnikei'fabri kanten nog eene behoorlijke winst overblijft. In het jaar 1894/95 werden er 1,1493'5 Engëlsche ton sui ker ingevoerd, waarvan 2/5 vrij van rechten was, in . 895; ( .'6 be droeg de invoer 1,278361 ton met een waarde van f 220,750000. waarvan 1,8 vrij van invoerrecht was. (Verslag Engolsohc consul óver 1896). Verder werden er4,6 millioeti gallons (3,70 L.) stroop in de Ver eenigde Staten geïmporteerd. Die bntzachelijké som gelds, dié jaarlijks voor suiker en stroop aan bet buitenland betaald wordt, in liet land te houden, is bel ideaal van nagenoeg elk Amerikaansch staatsman. Om daartoe te geraken worden dan ook de invoerrechten Verhoogd en de bectwor telcultuur sterk aangemoedigd ec verder pogingen aangewend otn de suikerproduceerende landen Cuba en llawaii bij de Unie te doen aansluiten, hetgeen met laatstgenoemden staat zeer binnenkort zal gebeuren of op het oogcublik. dat dit verschijnt, reeds ge schied is. Het is duidelijk, dat, waar men in zulk een groot land zijn uiterste best doet do suikerindustrie te steunen, de Fabrikanten, ouder welke ongunstige omstandigheden zij overigens vorkooren. zeker zijn met voordeel te kunnen blijven doorwerken. Mexico. Dé jaaiiïjksche suikerproductie van de republiek Mexico wórdt gerekend 70000 Eng. ton niet te overschrijden, welke hoeveel heid juist genoeg is om de consumptie van hot land zelf te dokkon. In 1804/95 werden er slechts 1854 ton suiker uitgevoerd en het jaar daarna niet meer dan 526. liet. rietsap is in Mexico zeer goed en süikerrijk, maar die rijkdom in de molcnsappcn wordt voor oen groot deel veroorzaakt door de slechte persing.. Volgens een bericht in de Sugar cane 1897, 38 worden van 1 millioen arrobas riet met 16% suiker de 164 H. C. Prinsen Geerligs. De toestand der rietsuilerindustrie in de ver schillende productielanden. volgende hoeveelheden gewonnen en verloren: arrooas armhas Suiker in riet '160000 Afgeleverde suiker 50000 Suiker in melasse 50000 » » ampas 00000 160000 160000 Hieruit volgt, dat ei'niet meer dan 5% suiker van lu't rietgewichl Wordt verkregen, hetgeen zeker wel vpor verbejtering vatbaar is. 1000 arrol.as riet worden gerekend $ 25 te kusten, dl' tegen een Prijs van den \le\icaansclieu zilveren dollar van I' 1,2>, f 31, >5 of ""•' 'l''zen lagen zilverprijs f 0,116 per pikol riet. Van 100 pikol **ljgt men 5 pikol suiker en 8 pik,il stroop, die respectievelijk $ 1,50 en $ 0,35 per arroba (16,5 KG.) waard zijn, ..f I' 6,0,) en ',60 per pikol. zoodat er voor fahrikaliekosteii. amortisatie en renten een zeer -..ede marge overblijft, die bij verbetering i\cr fa ''nkatiemellindes nog groqter kan worden. Cuba. Tot op de laatste twee jaren was Quba bot land, waar Pehalve Britsch-Indië de meeste rietsuiker werd geproduceerd, maar gedurende, den [aagdurigen opstand, waardoor alle landbpuw en in 'llls>iie stilstaat, is de suikeropbrengst tijdelijk aanzienlijk gedaald. Pe productiecijfers zijn volgeus Archief 1597. 230, voor de laatste ,|;n-en. als volgt: 1802,93 840000 ton 1893/94 1,037000 » 189495 1,040000 » 1895/06 240000 » In normale tijden is Cuba wat rietsuikerproduccerend land "iielt ii, een zeer gunstige conditie, zoowel met betoog op de na tuurlijke vruchtbaarheid en het gunstige klimaat van het eiland als op de grootte en de inrichting der fabrieken, die op zeer economi sche wijze kunnen werken, terwijl de nabijheid van een zoo groote markt als de Yereenigdc Staten een groot voordeel is voor den goe l't'" afzet van het product. Daartegenover staat, dat de wegen op bet eiland in slechten toestand zijn en de transportkosten daardoor zeer hoog, terwijl bovendien het Spaansche gouvernement hooge "ivoerreehten heft van machinerié'n en uitvoerrechten van de pro 'mi-ten. liovendien heeft Cuha den gouden standaard, waardoor het niet de gunstige gevolgen van de depreciatie van het zilver geniet waarvan Mexico en cenige andere naburige staten profiteeren. 11. e. Prinsen Geerlfps. De toestand der rietsuikerindustrie in de ver schillende productielanden. 165 De fabrikanten betalen hot riet tegen een zeker percentage aan 1« product, dat het bevat en <lat tusschen 4 en <> % van het riet gewicht afwisselt of tegen den marktprijs daarvan op het oogen blik der levering. De rietproducties loopen van 12 — 50 ton per acre (400—140U pik. p. b.), al naai' gelang of het eerste of volgen de snit is, daar men in Cuba tot <S slr " snit kan aanhouden zonder extra te planten of te mesten. In het jaar 1893 waren er in Cuba 301 fabrieken, waarvan er 3 met diffusie werkten en waarvan de grootsten dagelijks 1000 ton riet kunnen verwerken. Op het oogenblik is Cuba van niet zoo veel beteekenis voorden wereldhandel als vroeger; maar niemand kan zeggen wat de toekomst zal brengen, wanneer de rust zal zijn teruggekeerd of wanneer de Anierikaansche suikerkoningen hunne reusachtige kapitalen aanwen den om de suikerindustrie van Cuba onder hunne controle te krijgen. Doe groot nu reeds de beteekenis der Vereenigde Staten voor de Cubaanschc suikerindustrie is. volgt uit deze opgave van den Britschen consul van Havana. Uitvoeren van suiker van Cuba in 1895 1890 Naar de Vereenigde Staten 709962 ton 207384 ton » Canada 28324 » — » » Spanje 23428 • 9909 » » Engeland 5074 » — » » Afrika &3 » — » Porturico. Dit eiland, dat evenals bet hoven besprokene onder Spaansche heerschappij staat, is ongeveer 9000 ~\ K.M. groot, waarvan 00000 acres met suikerriet zijn beplant. Op het eiland zijn slechts 10 fabrieken met stoomkracht voor zien, de overige werken met vee of worden door den windgedreven. De uitvoeren bedroegen in 1893 i3087 ton suiker en 10189 ton stroop 1894 48409 » • » 732 i » » 1895 54861 » » » 14151 » » 1896 54205 » » » 14740 • » Hoewel de uitvoeren steeds toenemen, isde toestand der suiker industrie op Portorico niet zeer gunstig, waartoe de zware belas tingen ook veel bijdragen. De bodem moet er echter buitengewoon vruchtbaar zijn en de klimatologische gesteldheid zeer geschikl voor de suikerrietcultuur, zoodat Portorico, als er eenige verandering in den politieker] toestand mocht komen, nog eenc goede toekomst tegemoet kan gaan. 166 tl. C. Prinsen üeerligs. i)e toestand der rietsuiker-industrie in de vef sohillende productielanden. Haïti en San Dom'nqo. De westelijke helfl van het eUand bel n onder ilc republiek Haïti met eene oppervlakte van i ] mijl, terwijl I h-t grootste oostelijke deel 20595n mijJ groot, de republiek San Domingo uitmaakt. Tusschen de jaren 1870 en 1880 heeft de «ring van San Domingo groote vo irdeelen aan de suikerindustrie toegestaan o. a. vrijdom van hel, uitvoerreehl op de producten, maar die voordeden zijn nu weer gaandeweg opgeheven, zoodat de suiker industrie weer in verval is gek n. Wal klimaat en vruchtbaarheid aangaat, kan San Domingo met elk ander land wedijveren, maar de slechte negerregeering en de luiheid der inwoners zijn groote belem meringen voor do ontwikkeling der suikerin lustrie. Volgens Sugar cane 1896, 550 zijn er in bet district S. Pedro de Macorïs 7 centraalfabrieken, die te zamen 29500 tonsuiker afle verden in 1895, terwijl de overige fabrieken van kleiner omvang te zamen nog L 20:5!)()t >n produceerden, of alles ie zamen bijna 50000 ton. In 1896 bedroeg de productie 56000 ton, waarvan in het land zelf 48000 ton verbruik! werden en 13000 ton uitgeyoerd. De suiker betaall een uitvoerrecht van i~> cis. g Iper 100-8 el' 1' 0,85 per pikol, maar overigens zijn de suikerplanters van belastingen vrij gesteld, Alle geëxpoiteerde suiker vindt zijn weg naar de Vereenigde Staten, wier regeering ook reeds een begeerig oog op dit eiland geslagen heeft, dat als men zijne' natuurlijke hulpbronnen woot te gebruiken nog veal masr suiker kin proiucaerendan tegenwoordig, ofschoon misschien gebrek aan werkkrachten in dit warm:' klimaat Qog een ernstige hin lernis blijken kan. Jamaica. In het jaar 1894 werkten er op Jamaica Ü7 suiker fabrieken, die 31284 acres =17000bouw riet plantten of 17 % van ' ,( ' geheele bebouwde oppervlakte van het eiland. Hiervan waren ei' 85 van stoomkrachl voorzien, 17 werkien met stoom en water. .">'•• Ill! 't water alleen en de rest met water en vee. De grootste fabriek, die ongeveer 30J bouw riet plantte leverde 1000 ton suiker op (1600U pikol), de andere zijn kleiner en sommige zelfs zeer klein. 14 '\rv fabrieken maken alleen rum en alle andere zoowel suiker als ''"'m waartoe niet alleen stroop, maar dikwijls ook rietsap ;ils gron ls(,uf worUl gen mien. In het jaar 1895/96 bedroeg de uitvoer 22995 ton suiker en 1,881 1 ili gallons rnm (1,5 L.), welk:.'suiker nagen leg uitsluiten I naar 'Ie Vereenigde Staten werd geëxporteerd en een weinig naar Enge land en naar eenige Engelsche koloniën. Deze uitvoer is vrij wel ei >:i ;ir en I nlm g in vroegere jaren: il e. Prinsen Geerligs. Pe toestan 1 der rietsuikeiindustrie in de ver schillende productielanden. 167 1891,92 83684 ton 1892/93 21872 » 1893/94 24149 » 1894/95 23452 * 22995 » liet is wel te begrijpen] «hit mot hel dalen «lor snikoi|>rijz< ii de toestand dei' kleine Minkanten op Jamaica veel ongunstiger is ge worden dan vroeger, hoewel zij aan linn Uveede product, den rum. QOg eene goede bijverdienste hehhen. Hol (ioiivernement heelt deur het beschikbaar stellen van kapitaal getracht de kleine fabrikanten door de slechte tijden liccn te helpen, maai' zoolang de Jamaica planters het voorbeeld banner buren niet volgen, die hunne belangen vereenigen on gro&te centraalfabrlèken bouwen, zullen zij steeds ten achter blijven. Van do in het sap binnenkomende suiker wordt niet meer dan de laait in liet product gewonnen, de rest wordt tot rum verwerkt. waarbij 20 fi suiker 1 gallon rum van 40 o. |>. geven, dus 9.(Mi K .tl. teven 4,54 L. iaim van 73%. Guadeloupe. De uitvoeren bedroegen tojgens liet verslag van den Britschen consul over 18 ( .Ki uit Guadeloupei 1895 1890 Suiker (naar Krankrijk) 29805 ton 43299 ton Melasse (naar Martinique) 296000 gallons 875570 gallons Rum (meest naar Frankrijk) 491000 » 529000 » Alle geproduceerde suiker, voor zoover die niet op hot eiland zeil' verbruikt wordt, wordt naar Frankrijk verscheept, waar zij de ..déohet de fabiïcation" geniet, d. w. z. een vermindering der rechten op suiker van Fransche koloniën, welke in 1895 frs. 21,19 per 100 K.G. bedroeg en frs. 21,75 in 1896. Marlinique. Martinique voerde in 1b94 1895 1890 30930 ton 29329 ton 34429 ton suiker on 17,905712 L. 17,905712 L. rum uit, waartegenover een invoer van melasse uit Guadeloupe on cenige üritselie koloniën staat, die voor de ruinfabrikatie moet dienen. Ook .Martinique zendt alle suiker naar Frankrijk om dezelfde reden als Guadeloupe, nl. om de déehet de fabrication. Do toestand dor suikerindustrie op #8 Kransche Antillen is vrij treurig te noemen. Vooreerst verwoestte oen cycloon in 1891 do aanplantiugen en gebouwen, in IB9i teisterde eene hevige droogte 168 H. 0. Prinsen Oeerligs. De toestand der rietauikerindustrie in de »er sflhillende prodactielanden. de volden, terwijl de verjaging der prijzen ook niet geschikt is om de planters aan te moedigen niet kracht de geleden verliezen weer ln te balen door meer kapitaal in Imnne ondernemingen te steken. " eene berekening van den kostprijs van 7 groote fabrieken op de Fransche Antillen, waarbij neg een déchet de distance a frs. 6,78 in idrekening is gebracht, zal men zien. dat liet niet mogelijk is ginds suiker te fahrireeron tegen de in de open markt geldende prijzen, Waar dat mi de bescherming, die de suiker hij invoer in Klankrijk ;i|||, 't. den planter nog een goede winst overlaat. Gemiddelde kostprijs van riet per ton l'rs. 20,79 fabrikatiekosten » 14,30 frs. 35~Ö9~ al' voor rum (talïa) 2, — frs. 33,00 die tegen 9 »69% rendement gerekend, een kostprijs van 100 K.G. suiker °P le veren 1,. 5 . 34,45 — f 10,47 per pikol Uitvoerrecht » ]fio Vracht enz. „ 740 kostprijs geleverd in Frankrijk l'rs. 43,07~~ af iïrrltft de dislanco » 0,78 kostprijs van 100 K. G. frs. ~30,29 =1' 11,15 per pikol. Bij invoer in Frankrijk gaat hier nog af de déohet do fabrication a ongeveer frs. 20 per 10J K.G., waardoor de netto kostprijs wordt fr* 10,29 per 100 K.G. of / 5,1ü per pikoh Hierbij zijn nog niet gerekend rente van kapitalen en opgeno mon geld, dat nog op frs. 3 per 100 K. G. kan worden begroot en waarbij dan nog geen kosten voor reparatie en afschrijvingen zijn in rekening gebracht. Barbados. liet eiland Barbados, dat niet grooter oppervlakte hezit dan 430 Q K.M., telt niet minder dan 500 suikerfabrieken, die te zamen in 1894 65232 ton opleverden. Sedert schijnt de productie verminderd te zijn, want de opgaven voor 1896 waren 56145 hogs heads i-\ 9)0 K. G.) suiker en 37656 puncheons (a 454 L.) stroop, terwijl voor de West Indian Ro.val Commission slechts het cijfer van 4«000 bogshéads genoemd werd ('Sugar cane 1897, 187). Dit is toch een zeer ruime productie voor zulk een klein eiland, waarvan dan Ook de meeste beschikbare grond met suikerriet is beplant. De werkkrachten zijn op Barbados overvloedig en goedkoop, maar de fabriekjes zijn zeer slecht ingericht, behalve op eene enkele zoogenaamde centraalfabriek zijn er geen triple-effets of vacuüm- 169 B. C. Prinsen Geerliga. De toestand <ler rietKiiikerindustrie in de Ter schillende productielnndrn. pannen, terwijl de meeste Fabrieken zwaar verhypothekeerd zijn. De kostprijs is dan ook gemiddeld £ I pei ton hoöger dan de tegen woordige marktwaarde, zoodat nis de productie niet goedkooper wordl het eiland geheel wordt geruineerd;. De kostprijs van museovado (85 —87 % pol.) wordl gerekend £ 9.15/ — te bedragen (f 7,12 p. pikol), zonder kosten voor afschrijving, rente, enz., terwijl de marktwaarde minder is. maar goed ingerichte fabrieken kunnen de suiker goedkooper leveren, daar cene kleine fabriek nu van 100 ton riet 7,34 ton suiker en ü(io gallons stroop levert en cene centraal fabriek 10,49 ton suiker on 420 gallons stroop. Deze groote fabrieken maken eene productie van 60 —OOpikols sui ker per bouw on er is nu voorgesteld om van Gouvernementswege voorschotten beschikbaar te stellen ten einde centraalfabrieken te bouwen, die dan bet riet van ren aantal der kleine fabriekjes, waar van sommige nog' peen 50 pikol suiker per dag maken, op eene meer economisene wijs kunnen verwerken. Trinidad. Op Trinidad wordt de toestand uogslechter voorgesteld dan op Barbados. Men spreekt daar van een kostprijs van vacuüm pansuiker van £ 11 per ton, terwijl de marktwaarde nop geen £ 9.15/ bedraagt en slechts enkele zeer bevoorrechte fabrieken de suiker tegen iets meer dan £ 9 per ton kunnen maken (getuigen verl r voor de W. I. Royal coi ission). In het appendix C, vol. I van de Reportofthe W. I. R. C. 206 wordt vermeld, dat de kostprijs der fabrieken van de Colonial Company in Trinidad £ 9.6/. — be draagt. De uit voer bedroep in 1894 4J809 ton on in 1896 volgens de Sugar cane een waarde van £ 650000, waarschijnlijk inclusief stroop, daar anders tegen een prijs van £ 10 perton de suikeruitvoer 05000 ton bedragen had. Volgens het boven aangehaalde getuigenverhoor zijn er 10'/, ton riet noodig voor 1 ton suiker, dus is het rendement ruim 9,0%. De inrichting der fabrieken is dan ook veel lictor dan op Barbados, daar zij alle van goede molens en van vacui'iinpanncn zijn voorzien. Er werden dan ook in 1890 slechts 5500 ton gecentrifugeerde museovado en 2000 ton gewone museovado (85.y7% polarisatie) gemaakl en de rest was vacuümpansuikër. Leeward lslands. Deze zijn Dominica. Antigua, Montserrat, St. Kitts en Virgin islauds, welke te zanieii in 1894 35000 ton suiker produceerden en in 1896 voor ecu waarde van £ 215000. Van 1867—1c90 bedroeg de kostprijs van museovado £ 10.10/ per ton, waarvan nu de prijs veel lager is. Voor 1 ton suiker zijn 170 IJ. C. Piiiiriiti ueerligs. i)c ioestaod der rietai.ik«ru:di.strie in - scbilleade productielanden. "iel minder dan J3'/j (mi riet noodig, zoodat dit opeen rendemcnl van 7,5% wijst. De fabrieken zij" dan ook niet schitterend geï'n stalleerd, daar Antigua één vaeuiïmpan bezit en St. Kitts ook één. Windward Islands. Behalve liet roods genoemde Barbados zijn er nog do eilanden Grenada, St. Vincent on Si. Lucia waar geza menlijk in 'B'Ji 7000 ton suiker gemaakt werden. 14ton riet leveren er 1 ton muscovado on 1 puncheon melasse, waarvan de prijzen nu z yn £ 7.10, en -5; — zoodat do prijsberekening wordt als volgt: £ s. d. Opbrengst van 1 ton muscovado 7. 10. 0 I puncheon melasse '25 s. vat Ili s. 2. I. 0 9. 11. 0 fabrikatiekosten 2. 7. 0 uiterste prijs voor 14 ton riet 7. 4. 0 of Per ton 0. 10.37* (f 0,37* per pikol), welk cijfer voor West-Indië zoor laag is. (in Demerara rekent men. dat 1 ton liet niet onder 12 sh. kan worden verkregen) zoodat suikercultuur met deze prijzen niet veel voordeel kan opleveren. Volgens Sugar cane 1898, 20 was de kostprijs der suiker op St. Lucia £ 8.15;— per ton. S/. Croix. liet Deensche eiland St. Croix levert niet veel suiker, maar van zeer goede kwaliteit, in |894 voerde het 340 ton suiker uit van 3940 ton riet (Sugar cane 18D5, 2). Suriname. Volgens het rappori van do Kamer van Koophandel u ' Amsterdam van 1895 bedroeg de uitvoer van suiker enz. uit Suriname in 1893 1804 1895 Suiker lilSO ton 0972 ton 8651 ton Stroop 780053 L. 1,290400 L. 121500 L. Hum :{08472 » 334584 » 580308 » Van dezen uitvoer ging 7(P/ 0 naar de Vercenigde Staten, 20/ o naai' Engeland en de rest naar andere landen. Voor den wereldhandel komt Suriname dus in het geheel niet in aanmerking. De bodem is er vruchtbaar en het klimaat gunstig vo,,t- ,1,- , iVicultuur, terwijl de ceiitraall'ahriok goed geïnstalleerd is. maai' er heerscht gebrek aan werkvolk, om welke reden men nu immigratie van Javaansche arbeiders heeft beproefd. Demerara. Volgens do Sugar cane IBU7, 98 tolt Damorara 6i fabrieken, die in 1895 68000 ac es (27500 11. A.) met riet beplant hadden, welk cijfer in 1891 nog 7877/ acres bedroeg. Van deze 64 beplantten er 4 oppervlakten van 2000—3000 acres, 5 van 1500— 171 11. C. Prinsen Qterligs. De toestand der rietsaikertndustrle in de yef sohilUnde productielanden. 0000) IS van -H):)0—150Ü. terwijl de overige elk minder dan 1000 acres in <-1111u111■ badden. In ISOi- bedroeg de uitvoei' 102502 ton. Volgens de verbooren voor de koninklijke commissie bedroeg de kostprijs da- suiker in de laatste jaren $ 57 per ton — £ 1.!. 10. 10 of f 9,88 per pikól (waar van dan de waarde der tevens geproduceerde stroop moet worden afgetrokken). In het op blz. 170 genoemde rapport blz. 200, was de kostprijs der fabrieken der Colomal Uompany in Demerara £ 8.19.4 en van die dei* Heeren Sanihiacii. Tinxk&To. respectievelijk £ 8.0.10, £ 8.0.0 en £ 9.12.0. De in Kngeland zoo geprefereerde gele Demerara crystals. die daai' duurder betaald worden dan gewone witte suiker, kosten aan arbeidsloon alleen £ 7 per ton en in bet geheel £ H.15.0 off 10,76 per pi kol. Jn bet ..Report of tbe Golonial Compaivy" over D95 wordt een kostprijs van £ 9.2.4 per ton muscovado opgegeven of f 0,00 p. pik. Er zijn wel lagere cijfers te vinden in rapporten, maar daar zijn dan zelden reparatiën, afschrijvingen enz. in rekening gebracht. Volgens een particuliere correspondentie van een betrouwbaar deskundige kan men in Demerara riet kweeken tot een kostprijs van 12 sbillings per ton, waarvan dan \\ ton 1 ton suiker opleve ren. 1 acre levert 25 ton riet of 090 pikol per bouw, waarvan dan 7 % suiker komt of nog geen 50 pikol per bouw. £ s. «1. De suiker kost dus aan riet 8. 8. 0 aan fabrikatiekostcn 3. 2. 0 » afschrijvingen, reparatiën 2. 0. 0 » verpakking, transport, enz. 0. 10. 0 14. 0. 0 waarvan men dan de stroop moet aftrekken getaxeerd op 1. 1. 0 12. 19. 0 ( f 9,45 per pikol). Met de nu bestaande prijzen zou men in Demerara natuur lijk groote verliezen lijden, maar de afschi ij vingen en reparatiën worden niet zoo groot in deze slechte tijden en verder verhuren de plantages stukjes grond aan kleine pachters, terwijl het Gouvernement feitelijk eene premie van $ -2,35 per ton (f 0,37 per pikol) sui ker geeft in den vorm van uitgaven teil dienste der koelie-impor- 172 It. C. Prinsen Qeeilig's. De toestand der rietsiiikerin lustrie in de ver schillende productielanden. tatie. natuurlijk helpen al fltóê kleinigheden niet voel. én zoo zal als de toestanden niet veranderen de suikerindustrie van Dementia na een paar jaar van een kwijnend bestaan, even als die der meeste W. I. eilanden te gronde moe ten gaan. De planters vragen aan het Brïtsche gouvernement om hun ook een premie toe te staan, gelijk hunne buren in Zuid-Amerika genieten, maar dat zal wel niet toege staan worden. Britsch Honduras. Volgens de Louisiana Planter 1897, 173 hebben in Britsch Honduras in 1*96 '25 fabriekjes gewerkt, die te zamen 900 ton suiker maakten, welke hetzij in het land zelf werd gecon sumeerd of naar andere staten van Centraal Amerika werd verzonden. Guatemala. Volgens het rapport van den Britschen consul over 1895 werden er in 1895 '255(50 acres (± 10000 11.A.) met riet beplant, welke 2707 ton witte suiker, 17000 ton ruwe suiker en '2280 ton stroop opbrachten of 33 pikol suiker per bouw. Nicaragua. In Nicaragua nepmt de suikerrietteelt toe en zal nog grootere afmetingen aannemen, wanneer de koffieprijzen laag blijven, in welk geval meer land metsuikerriet zal worden beplant. In 1895 bedroeg de uitvoer naar andere staten van Centraal Ame rika 55000 zakken met een waarde van £ 113000. Venezuela. Volgens een bericht van den Amerikaanschen consul (Sugar cane 1896, 507) zou de invoer van suiker in Venezuela ver boden zijn en de republiek in h°re eigen behoeften moeten voorzien. Ecuador. In 1895 bedroeg de suikerpreduetie volgens verslag van den Britschen consul 5800 ton, waarvan er 1352 ton werden uitgevoerd. Peru. De suikerproductie van Peru, die tusschen de jaren 1873 —78 gemiddeld 100000 ton bedroeg, is in 1894 verminderd tot 74690 ton van 90000 acres. Er bevinden zich 62 fabrieken, die gemiddeld dus 1200 ton per jaar maken (19200 pikol en behalve die Hl fa brieken maken er 21 uitsluitend „concrete" suiker (hetzelfde alsonze goela djawa). De meeste suiker wordt in de kuststreken verbouwd en veel minder in het binnenland of aan de rivieren. Het riet vereis.cht.lB—22 maanden om tot rijpheid te geraken en brengt dan 5000 K.G. per H.A. op of 58 pikol suiker per bouw. Van de productie wordt het meeste in het land zelf verbruikt, maar Peru heeft toch een geringen uitvoer, die wel niet groottr zal worden, daar het werkvolk er vrij schaars is en de zellkosten der suiker zoo gro'it zijn, dat Peru slecht kan mededingen. Bolivia. Volgens Planters Monthly 1896,390 doet het Boliviaan- 173 H. C. Prinsen Geerligs. Oe to-stand der rietsuikerindustrio in de ver aehillcnie productielanden. sche gouvernement moeite de suikerindustrie te ontwikkelen en ga randeert daartoe gedurendeö jaar i% rente overliet kapitaal noodig om suikerfabrieken op te richten, die geregeld ieder jaar zullen werken. Verder reikt, het premies uit van $ 4000 aan elk fabrikant die meer dan 4000 cwt. suiker per jaar maakt (3000 pikól' en dan nojr prijzen voor fabrieken, die de beste geraffineerde suiker afleveren. Brazilië. De meeste suiker van Brazilië wordt geteeld in de provincie Pernambuco, waai' jaarlijks 185000 —2:5000 ton suiker bereid worden. Vroeger waren er 1500 landjes, waar suikerriet groeide maar nadat de regeering de oprichting van ceritraalfabriekén krach tig ondersteunde, zijn er nu 30 centraalfabrieken, waarvan er 17 met regeer ingshulp zijn gebouwd en 40 distilleerderijen. Onder voorwaarde, dat de fabriek gedurende minstens 120 dagen in het jaar dagelijks minstens 100 zak suiker a 75 K.G. maakt en 4 puncheons rum a 480 L, <»ceft het Gouvernement volgens eene mededeeling in do Deutsche Zuckerihdustrie 1897, 38, waaraan deze gegevens ontleend zijn, een bedrag van 200 conto de ieis (vroeger f 20'jOOO nu slechts f 9240 waard) als kapitaal tegen eene rente van 7% 's jaars. Eene goed ingerichte fabriek, die met diffusie werkt, maakte in Pernambuco 12% rendement uit het riet, de met molers wer kende fabrieken daarentegen 5 —7%, hoogstens 8%. Op de beste fabriek kostte de suiker 25,33 ets. per K.G. en bracht 29,57 ets op, bij welke berekening van kostprijs geene korting voor afschrijving en reparatie is in rekening gebracht, zoodat de toestand ook met dien hoogen prijs van f 18,21 per pikol voor de fabrikanten niet zeer gunstig is. De hooge suikerprijs wordt veroorzaakt door de groote afstanden en de slechte verkeerswegen in Prazilië, waardoor het voor vele doelen van het land goedkooper uitkomt suiker uit Londen te koopen dan uit het land zelf te betrekken. Biaziliezou dan ook zijn gehpolen oogst kunnen consumeeren als de verkeers wegen beter waren, .nu voert het in het geheel 112799 ton uit, waarvan weer in andere Braziliaansche havens 79233 ton binnen komen, zoodat de werkelijke uitvoer van Pernambuco 33500 ton beloopt en die van Brazilië, wanneer men rekent, dat de noordelijke staten Sergipe, Parahyba en Bio Grande del Norte samen 10000 ton uitvoeren, niet meer dan 50000 ton. Van dezen uitvoer wordt een uitvoerrecht van 7 % ad valo rem geheven. Argentijnsche republiek. Volgens een zeer omstandig verslag In 174 II C. Prinsen Geeiligs. Vc toeftand der riet«oikerinduBtrle in de ver schillende productielanden In't ZiMlsi'lir. |'. •]. ruïbenzuekerindustrie 1896, 36 zijn er alleen in dë provincie Tucuman 32 fabrieken niet eene productie van 75600 Eng; ton of gemiddeld '2400 ton (bijna 30000 pikol) per fabriek. In IB9obedroeg de oógsl nog 670C00 ton riet met 40000 ton suiker, afkomstig van 22000 11. A. die nu reeds bijna verdub beld is. Dooreen genomen brengl de 11. A. riet 30000 K. G. op (nog géén 400 pik. por bouw) in het Noorden meer en in bet Zuiden minder; Derendementen worden door de verbeterde fabrikatie steeds hooger en bedroegen in 1887 4—5 %,in INB7/80 5-7%, in 1-894 S V, -8% en uu bij diffusiefabriekenB';tf%,heigeen zeer mooi is daar het riel niet meer dan li % suiker bevat. In de andere provincies zijn nog II kleine fabrieken, die samen 26000 ton af leverden in 1894, of 1866 ton per fabriek. De fabrieken koopen hel riel van de planters en betalen dan 3 -3 1 /" % van het rietgewichl aan suiker of hel equivalenl daar van in geld. Voor 100 K. G. riet betaalt men 'lus b. v. 3 K. G. suiker a 40 centavos = 120 eentavos. lü.i een rendement van 6 % kosten dus 100 K. G, suiker aan riet $ '20 aan fabrikatie » 10 dus in het geheel $ 30 Zonder bijberekenirig van rente er.z. of bij den lagen zilver koers van f 0,70 per $ nog f 12,96 per pikol. In de laatste jaren heett men in Argentinië de suikerindustrie op kunstmatige wijze bevorderd door zeer hooge invoerrechten te heffen. De suikerteelt weid daardoor zoo voordeelig, dat er een groit aantal fabrieken verre/en, die zooveel suiker produceerden, dat er te veel is voor de consumptie. Terwijl er vroeger suiker werd ingevoerd, in 1894 non; 15000 ton, is de productie zoodanig gestegen, dat er nu een jaarlijksch overschot van 30—40000 ton bestaat, dat tengevolge van den hoopen k< stprijs nergens heen met voordeel kan geëxporteerd worden en dat n«g on Voordeel fger wordt, wanneer de zilyerkoers pjocht gaan stijgen. Om die suiker toch kwijt te geraken, heeft de Regeering, die nu ook pen accijns van 15 centavos per K. G. (f 5,10 per pikol) van in t>et land gefa briceerde suiker heft, nu een uitvoerpremiè toegestaan van $ 42 goud (f 100) per ton suiker of ruim f o,— per pikol, die nog voor verhooging vatbaar is, wanneer de Vereciigde Staten eene extra belasting op de Argentijnsche suiker heffen, gelijk staande met de TI. C. Prinsen Ueerligg. De toestand 'lor rietsolkerindustrie in ■!<' \rr productielanden. 175 (laar genoten uitvoerpremio. Bijzonder rooskleurig is daar dus de toestand der suikerindustrie niet. (Sugar cane 1897, 598). Paraguay. Op vele kleine plantages in Paraguay wordt suiker riet geplant, dat echter uitsluitend voor rumbereiding wordt aan gewend. Men heeft er eens eene suikerfabriek willen bouwen, maar toen die failliet ging, zijn er geene verdere pogingen in die richting gewaagd. Uraguay. In Uraguay is in het jaar 1896 voor een waarde van 3'/j millioen gulden aan suiker geproduceerd, beschermd door een invoerrecht van 5 ets. per K.G. Nu wordt er nog eéne nieuwe fabriek bij gebouwd, wier opbrengst juist voldoende zal zijn om met die der reeds bestaande de consumptie geheel te dek ken, waardoor Uraguay van het buitenland geheel onafhankelijk zal worden. Australië Queensland. De vooruitgang der suikerindustrie in Queensland blijkt zeer duidelijk uit de volgende cijfers (Sugar cane 1897, 153). 1894)95 1895/96 1890,97 beplante oppervlakte 51138 acres 58320 acres 71971 acres opbrengst aan suiker 91712 ton 86255 ton 96000 ton cwt. per acre 36 29" 2 26»/» pikol per bouw 45 37 33 In het jaar 1895,96 werd de oogst zeer benadeeld door een hevige vorst en ook door een groot aantal insectenlarven, die het riet aantastten. Vroeger maakte men uitsluitend suiker in kleine fabriekjes, maar volgens een in 1891 aangenomen wet, de „Sugar worka guarantee act" schoot de regeering de noodige fondsen voor de op richting van centraalfabrieken voor, waarvan 5% rente 's jaar en 3% aflossing moest worden betaald. Daardoor ontstonden er over al groote fabrieken, die het riet der kleinere ondernemingen opkoo pen en verwerken, zoodat er nu nog slechts 62 fabrieken over zijn en nog zes, die alleen het riet vermalen en het sap in eene hoofdfabriek laten verwerken. Die groote fabrieken bereiden dus gemiddeld 1550 ton = ± 250)0 pikol suiker per jaar, dus nog lang niet zooveel als het gemiddelde der Java fabrieken. De gegevens omtrent fabrikatie, kostprijs enz. van cenige centraalfabrieken volgen hier onder. 176 H. C. Prinsen (leerlijs. D-* toestand der rietsuikerindustrip in de ver- Kiliillende prodnetielanden. Race Coursc North Eton mill 1895. mi111896. Hoeveelheid afgel. suiker van 100 dln. riet 12,8 11,8 » suiker vanBBrend. 13,4 12,6 » brandhout voor 1 pikol suiker 1,1 1,4 Kostprijs van suiker aan riet per pik. f 4,10 f 4,68 » » » » fabrikatie 1 » 0,93 » » » aan vracht, rente 1 » 2,08 — tantièmes, afschrijving, enz. enz. » 0,98 Totaal kostprijs der suiker » 6,18 » 6,59 Verder bevat de Sugar cane 1897, 438 ecnc opgave der resul taten van nog 7 dezer fabrieken, waaruit blijkt, dat de rendemen ten van suiker respectievelijk waren 12,8, 12,2, 10,8, 10,8, 9,5, 8,5 en 8%; de kostprijs van de suiker in riet per ton wisselde af van £ 4.6.5 tot £ 6.16. 11 (f 3,50 — f 5,00 per pikol) de fabrikatiekos ten van £ 1.16.0— £ 4.8.0 (f 1,31—3,21 p.p.) terwijl de totale kost prijs der suiker zich bewoog tusschen £ 6.18.2 en£ 10.6.2 S '<( f 5,03 en f 7,53), alleen 2 der 9 hier opgenoemde fabrieken werkten met verlies, terwijl van de overige enkele zeer goede winsten maakten. Behalve de suiker leveren de Queensland-fabrieken veel zoo genaamde „golden syrup", geklaarde en gebleekte eerste stroop af, die in Australië veel gebruikt wordt. Ten einde de suikerindustrie tegen buitenlandsche mededinging te beschermen, heft de regeering een invoerrecht van £5 per ton suiker boven No. 18 (f 3,65 per pikol), zoodat de planters in hun eigen land, waar eene groote suikerconsumptie is, liet noodige kunnen verdienen om op de andere Australische markten de concurrentie te kunnen volhouden, ofschoon door den invoer van geraffineerd uit Europa, dat nu voor £ 12.17.6 (f 9,40 p. pikol) in de Australische havens te krijgen is, de markt hoe langer hoe meer beperkt wordt en men in Queensland ook met bezorgdheid de toekomst te gemoet gaat. In de laatste jaren bedroegen de uitvoeren volgens Archief 1896, 306 1893 1894 Naar N. Z. Wales 38230 ton 48200 ton » Engeland 4529 » 500 » » andere Australische koloniën 9820 » 16410 » 52579 ton 65110 ton 177 H. C. Prinsen Geerligs. De toestand der rietsuikerlndustric in de ver schillende productielanden. N. Z. Wales. De rietsuikerindustrie van N. Z. Wales, waarvan men zulke goede verwachtingen had, neemt vanjaar tot jaar af en zal spoedig wel geheel te niet gaan. Het klimaat is er niet gunstig voor, het riet heeft dikwijls van koude en van overstroomingen te lijden en eene besmettelijke iïetziekte is ook van zeer ongun stige!, invloed op de productie. Deze bedroeg in 1895—96 van 14398 acres 207711 Eng. ton of' 14,4 ton riet per acre (400 p.p.b.), waarvan een rendement van 10,7% werd verkregen of 42,8 pik. per bouw, hetgeen eene geheele suikerproductie van 22213 ton oplevert, welke in i ; 5 fabrieken zijn gefabriceerd of ongeveer 900 ton per fabriek. De productie is niet voldoende voor het gebruik en er worden pogingen in het werk gesteld om beetwortelsuiker te maken, maar tot nu toe dekt men het te kort met invoer uit Queensland, Victoria, Hongkong, Mauritius en Java, tot een bedrag van ruim 36000 ton in 1895. De invoerrechten, diein 1*97 voor raffioadeö sh. 8 d. bedroegen en voor ruwe suiker 5 sh. worden geleidelijk ver laagd om met l Juli 1.H)1 geheel afgeschaft te worden, zoodat de binnenlandsche industrie nog spoediger dan anders genoodzaakt zal zijn bet veld te ruimen. Fidsji-eilanden. Op de Fidsji eilanden bestaan 8 suikerfabrieken, waarvan er 4 aan de Colonial Suzar Refming Company belmoren en de andere hun productie aan diezelfde maatschappij verknopen. Volgens Sugar cane 1897, 282 voerden deze eilanden 35000 ton suiker uit. Sedert eene ziekte in de pisang, deze cultuur bedreigde is die van het suikerriet sterk uitgebreid, daar tot nu toe de grootste productie 28000—29000 had bedragen. Sandwichs eilanden. Volgens een bericht van den directeur van het proefstation te Honolulu, den (leer Maxwell, bedroeg in het jaar 1895 de met riet beplante oppervlakte der Sandwichs eilanden 47400 acres = 19180 H. A. ('27030 bouw), die eene productie opleverden van 153419 ton van 2000 ffi of 139182 tonnen van 1000 K. G. of 2,253533 pikol, hetgeen met eene pro ductie overeenkomt van 83,4 pikol suiker per bouw. Naar een bericht, voorkomende in de Sugar cane 1597, 211, was de tjogpi van het jaar 1896 reeds ongeveer 65000 ton grooter en bedroeg 202760 ton van 1016 K.G., terwijl de oogst 1897 zeker niet min der zal be Iragen. Op sommige plaatsen moet de suikeropbrengst dan ook bijzonder groot zijn, in he'zelfde artikel van de Hngnr cane wordt gesproken van een opbrengst van 8 ton per acre over 178 11. C. Printen Geurlij;*. De toestand der rietßUikeriodttairie 'n de tm schillende productielanden . eeme pas in cultuur gebrachte goed geirrigeerde oppervlakte van 1500 acres, hetgeen dus zelfs als wij rekenen, dat die tonnen short tons van'2000 te zijn, overeen uitkomt met eene suikerproductie van ongeveer 200 pikol per bouw van een fabriek, die ruim G00 bouws aanplant. In zijn reisverhaal, voorkomend in Archief 1896,309 e.v. spreekt Kuameks ook herhaaldelijk van producties van 150 — 160 pikol suiker per bouw riet van eene fabriek, die reeds eenigen tijd werkt, dus waar de grond reeds wat verarm'! is en waar zoowel geplant riet als tweede snit worden vermalen. Voor eersten snit geeft hij op 6 ton per acre. De geheele hoeveelheid van 202760 ton wordt gefabriceerd in 47 fabrieken, die dus gemiddeld 4300 ton of ± 70000 pikol suiker afleveren en verdeeld zijn als volgt: 21 op Hawaii, 10 op Mani, 7 op Oahu en 9 op Kanai. Het sap is van goede kwaliteit, want Kramers geeft als gemiddelde over een geheelen oogst bij een persing van 76% op eenegoede fabriek, Hrix 19,9 pol. 1K,9, er werd daar dan ook een rendement van 13,6% verkregen aan suiker van 94—96° polarisatie. In de Sugarcanc 1896, 253 komt een verslag voor van technische en finantieele resultaten van de fabriek Ewa gedurende de jaren 1893/94, waarvan de eerste ongeveer dezelfde zijn als Kramers in het aangehaalde artikel van diezelfde fabriek over den oogst 1894/95 opgeeft nl. een persing van 82,13 en een hoeveelheid suiker in sap van 14,358% van 100 riet. Hiervan werd 10,034 saccharose gewonnen in hoofdsuiker (pol. 96,5), 2,20 % in 1" stroopsuiker, 0,57 % in tweedestroopsuiker, tezamen 12,9 % en ongeveer 5% verloren in melasse. De productiekosten bedroegen op eene fabriek, die 5'/, ton suiker per acre maakt: $ per short ton suik. fp.pik. Schoon maken en open hakken .... 2,62 » 0,44 5 Ploegen. 2,44 i 0,41' Planten 2,34 » 0,39 Mesten 0,51 » 0,0S 8 Aanaarden en wieden 1,27 » 0,21 B Trassen 1,65 » 0,28 Snijden 1,77 » 0,30 Ricttransport 6,— » 1,02 Fabrikatiekosten 4,50 » 0,76 5 Transporteere 23,10 f 3,91 5 H. C. Prinsin Geerligs. De toestand flrr rietauikerindastrie in 4e var schillende productielanden. 179 $ per short ton suik. /"p.pik. Transport '23,10 » 3,91 5 Rente en belastingen 0,67 » o,ll' Onderhoud 1,27 » 0,21 s Vracht, assurantie | § ( ommissic, enz ' $ 35,01 ƒ 5,94' Op eene andere fabriek bedroegen de kosten geleverd aan de fabriek $ 30,09 en te S. Francisco $ 39,30 per ton (f 5,22 en 0,68 p, p.) terwijl op een derde, waar de toestand minder gunstig was, de suiker aan de fabriek op $ 35,49 per ton of f 6,03 & per pikol kwam te staan. Dit geldt natuurlijk voor de gunstigst gesitueerde en best inge richte fabrieken, maar daar er nog grond genoeg over is, zoo moet de suikerindustrie zich daar wel uitbreiden. Daarbij komt, dat tengevolge van een speciaal tractaat met de Vercenigde Staten de invoer van suiker der Sandwichs eilanden er vrij van rechten is, waardoor deze de volle waarde van het in voerrecht in de Vereenigde Staten meer betaald krijgt dan andere concurreerende landen. De geheele annexatie der Sandwichs eilanden bij Amerika is slechts eene kwestie van tijd, zoodat daarna de Amerikanen zeker niet achter zullen blijven om de suikercultuur op deze eilanden uit te breiden en daardoor meer en meer onafhankelijk te worden van het buitenland. Misschien zal de annexatie bij Amerika invloed uitoefenen op de arbeiderskwestie, daar men in Amerika de werk lieden onder contract als een soort slaven beschouwt en er dus kans bestaat, dat dit systeem dan verboden wordt, zoodat de werkkrachten, schaarscher en kostbaarder worden. Nu reeds gaat nagenoeg alle suiker der Sandwichs eilanden naar de Vereenigde Staten en de uitvoeren daarheen bedroegen volgens circulaire No.lB van de U. S. Departement of Agriculture gemiddeld in de jaren 1887/91 109600 Eng. ton » » » » 1892/90 1344-00 » » en in 1895 alleen 157200 » » II Wanneer wij de in dit artikel voor ieder land gevonden hoe veelheden rietsuiker in afgeronde duizendtallen van tonnen bijeen zetten dan komen wij tot de volgende cijfers: 180 H. C. Prinsen Geerligs. De toestand d«r ïïetsuikeriniustrie in de ver subillcnde productielanden. l-:,rropa. ton ton Spanje 45000 15000 Azië. Brits'ch-Indië 3,750000 China 200000 Japan 33000 Formosa 34000 Philippijnen 225000 Java 534000 Overige landen 30000 4,806000 Afrika. Egypte 100000 Mauritius 142000 liéunion 35000 Natal 30000 Uverige landen 1000 308000 Amerika. Vereenigde Stalen 230000 Mexico 7000(1 Cuba 210000 ' Por tori co 55000 Haïti en S. Domingo 50000 Jamaica 23000 Guadeloupe 43000 Marti n i< i u e 35000 Barbados 50000 Triniila.l 47000 Loeward islands 35000 Windvv. islands 7000 Suriname 7000 Demerara 102000 Staten v. Centraal Amerika 59000 EcnadOß 0000 Peru 75000 Brazilië 250000 Argentijnsche republiek 80000 Paraguay en Uraguay 30000 1,494000 Transporteere 0,023000 181 H. C. Prinsen Qeerliga. De toestand* 3er rietstrfkerfodtatrie in 9e \.r- BchiUende proiluctielunilcn. Tiansport 6,023000 Australië Queensland 9(3000 N. Z. Wales 22000 Fidsji 35000 Sandwichs eilanden 160000 313000 Tutale productie van rietsuiker 5,930000 ton * Tabel van eenige productiecijfers in vfrschillende lanukn. *) Het verschil van dit cijfer met het gewoonlijk gangbare vun ongeveer 3 millioen ton rietsuiker is daarin gelegen, dut de voor den wereldhandel van geen belang zijnde hoeveelheden, die in de groote productielanden lelf worden geconsumeerd, tr meerendeela niet bij gerekend worden, en in rtit overzicht wel i" aoht genomen zijn. * T ) Deze cijfers gelden noch voor dezelfde fabriek, noch voor hetzelfde jaar, noch voor dezelfde livtacort en hebban dus onderling geen verband. 182 11. C. Prinsen Geerligs. De toestand der rietsuikerindustrie in de ver sehillcnde pro 'uctielanden. Uit deze overzichten blijkt, dat Java wat gemiddelde productie aangaat bovenaan staat en wat kostprijs betreft op de tweede plaats komt. Evenwel moet men hierbij niet uit bet oog verliezen, dat er wegens gebrek aan gegevens eenige door de natuur zeer bevoorrechte streken, zooals eenige der Antillen, niet op het lijstje voorkomen, zoodat het niet uitgesloten is, dat men daar in staat is tegen nog laveren kostprijs suiker voort te brengen. Die hooge productie per bouw heeft Java behalve aan zijn gunstig klimaat en ruimte van arbeidskrachten daaraan te dan ken, dat men Eet riet ieder jaar bijna geheel op nieuw plant en niet even als in nagenoeg alle andere landen, tweeden en verde ren snit aanhoudt. In ieder geval schijnt deze politiek, daarvan afgezien, dat men er door de serehziekte wel toe gedwongen is, in een land waar de beschikbare bodem schaars en duur is, wel de meest voordeelige te zijn. Ta ma aangevende den kostprijs in guldensper pikol sitker IX VERSCHILLENDE LANDEN. A. Lqnden mei (jonden standaard* B. Landen met zilveren standaard. 183 11. O. I'rinM'u Qeei-Ug*. t>» toestond der rJetsdkerlnaWrie in de w schilleade proJuctlelanden. Daar de toestand der rietsuikerindustrie hoe langer hoe ongun stiger wordt voor de landen, die gewoonlijk veel suiker uitvoerden, zoowel door de groote daling in de prijzen als door bet feit, dal vele landen, die groote afnemers waren, zelf suiker gaan verbouwen en dus de markt voor rietsuiker voortdurend meer beperken, is het misschien niet overbodig even na te gaan wat er in andere landen is geschied om de concurrentie beter te kunnen volhouden. In de eerste plaats zijn in de meeste landen de cuituurme thoden en de fabrikatie verbeterd. Men heeft meststoffen beproefd en toegepast en daardoor de hoeveelheid product van een zelfde oppervlakte of uit eene zelfde hoeveelheid grondstof verhoogd, maar behalve deze voor de hand liggende verbeteringen vinden wij nog de volgende meer ingrijpende omstandigheden. 1. Invoerrechten en premiën. Op het voorbeeld der aan de Furo peesche suikernij verheid verleende bescherming, hebben vele over zeesche landen, die ecne aanzienlijke binnenlandsche consumptie hebben, invoerrechten op suiker geheven, waardoor de buitenland sche concurrentie zeer bemoeielijkt werd. Daardoor was de binnen landsche producent in staat zijn suiker in bet binnenland met winst te verkoopen, hoewel deze hem zelf meer kostte dan de suikerprijs op de open markt bedraagt, ja zelfs stelde deze in het land behaalde winst hem in staat met het overschot van zijne suiker op vreemde markten mede te dingen, waartoe in een enkel geval de regeering van zijn land zelf eene ruime uitvoerpremie be schikbaar stelt. Waar echter alle beetwortelsuiker onder de bescherming van invoerrechten of premies of beide bereid wordt, staat slechts 600000 van de voor den wereldhandel in aanmerking komende 3 millioen ton rietsuiker onder zoodanige protectie. De geringe binnenlandsche consumptie der grootste rietsuiker expor teerendc landen belet hun dit voorbeeld te volgen. 2. Geheele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrecht in andere lanch'ii. Deze bepalingen, die voor sommige landen geheel in de plaats komen van een geheven invoerrecht, gelden o. a. voor de Fransche koloniën, wier product bij invoer in Frankrijk eene gedeeltelijke kwijtschelding der invoerrechten geniet of voor de Sandwichs ei landen wier geheele uitvoer vrij van rechten in de Vereenigde Staten kan binnenkomen. De fabrikanten dier landen genieten dus alle voordeelen van den hoogeren prijs, dien de suiker in het land, 184 Ë. C. Prinsen Gberltgsi De toestand der rietsuikerindustrie in de ver schillende productielanden. waarheen de suiker gezonden wordt, ten gevolge der daar geheven invoerrechten haalt. Volgens de nieuwe tariefwet kunnen andere landen tegenover aan de Vereenigde Staten toe te kennen handels vourdeelen, voor een tijd van hoogstens sjaren,eene vermindering van hoogstens '20 % op het invoerrecht genieten, zoodat het niet onmogelijk is, dat eenige suikerproduceerende landen van deze be paling gebruik zullen maken. :i. Verstrekken van voorschotten voor liet bouwen vangroote fabrieken en als gevolg scheiding van aanplant en fabrikatie. In eenige landen heeft de regeering voorschotten gegeven te gen matige rente en gemakkelijke aflossing, met het doel de kleine fabrikanten, die elk hun eigen oogst op primitieve wijze ver werkten, in staat te stellen eene groote fabriek te bouwen, die het riet van een aantal kleine ondernemingen verwerkt en daar door veel economischer werken kan. Hiermede in overeenstemming is de in vele landen ingevoerde scheiding van fabrikatie en aan plant. Ue fabrikanten koopen het riet op, dat hetzij door pachters van hun grond is verbouwd, of door personen die voorschot ont vangen, of van geheel vrije planters is geproduceerd, en betalen dat in geld of in suiker, waardoor zij het voordeel hebben meer te kunnen verwerken dan wanneer zij alles zelf moeten bouwen en dan kunnen zij zich verder bij eene daling in de suikerprijzen gedeeltelijk schadeloos stellen door eene prijsverlaging der hem (e leveren grondstof, hetgeen iemand die zelf plant en fabriceert, niet zoo goed doen kan. 4. Gedeprccieerde zilveren munt. In landen, die wel exporteeren maar niet veel van het buitenland noodig hebben, is, nu de waar de van het zilver is gedaald, het bezit van den zilveren standaard van groot voordeel. Bij den lageren zilverkoers betalen de fabri kanten hetzelfde aantal zilveren mant als vroeger aan werkloonen, levensmiddelen enz., maar krijgen, daar de suiker op de wereld markt tegen goudprijs genoteerd wordt, bij uitvoer voor een zelfde hoeveelheid guiid meer zilver dan hun concurrenten in landen met den gouden standaard, Bij eene eventueele stijging van den zilverkoers zullen dan ook de conditiën in \ele zilverbanden veel ongunstiger worden dan zij nu zijn. 185 It. C. Prinsen Qeerilgs. De toestand der riersuikerindustrie in de Vef- Slllilll'lldc prOi IIK-t ÏF-lflll'l<'ll . SURVIVAL OF THE FITTEST. *) door Mi- 11. b'JACOR De toestand der suikerindustrie op Java beeft liet afgeloöpen jaar twee malen het onderwerp eener openbare bespreking uitge maakt. De stemmen, die zich naar aanleiding daarvan verbeven bebben, bewijzen, dat door de l)i,j die gelegenheden geleverde be schouwingen di! stof niet is uitgeput. Behalve, dat liet Onderwerp zijne eigenaardige aantrekkelijkheid beiil vuur ;il wie hij de suiker belang heelt, mag daaraan ook eene nuttige zijde worden toegekend. Zoolang de opvatting van den actueelen toestand der suikerindu strie zich verliest in beschouwingen van onzekere waarde, ontbreekt een vaste grondslag aan de beoprdeeling van maatregelen van al geineene strekking, die in bet belang dezer industrie gevraagd wor den. De Jiritsehe Regeering heeft den toestand dei' suikerindustrie in de Britse!) West- Indische koloniën aan een commissoriaal on derzoek onderworpen, liet zou wenschelijk zijn, dat ook voor .lava znlk een onbetwiste maatstaf ter bcoordeeling bestond. Het ontbre ken daarvan maakt een helder inzicht in den algemcencn toestand bezwarend. De ondervolgende beschouwingen hebben geenszins het ver strek-» kende doel om deze leemte aan te vullen. Zwerftocht op het veld van bespiegeling, dat de Javasuikerindustrie oplevert, zijn zij slechts de vrucht eener nabetrachting over hetgeen het jaar j'B97 haar gebracht heelt en in de toekomst haar spellen kan. De weinig opwekkende aard van dit onderwerp alleen reeds shüt eene lange uitwijding uit. Er zijn maar weinigen onder de suikerfabrikanten, voor wie 18U7 geen jaar van teleurstelling was. Grooij daarentegen is het ge tal delgenen, voor wie het een jaar van beproeving geweest is. .Maar heeft het niet zijn nut om ook hij teleurstellingen en be proevingen stil te staan .' Alsof tegenspoed tot hare noodzakelijke .groeivoorwaarden behoorde, is geen enkele industrie zonder wor steling waarlijk groot en krachtig geworden. Eenmaal het troe telkind iler Fortuin, heeft de Javasuikerindustrie in het afgeloopen jaar de volheid der ongenade, alle hooze mikken dezer grillige godin *) Voordracht gehouden In de vergadering vi.ii het departement Soerabara van 2'A Junu ari Ib9S. tegelijk te verduren gehad. Zij is niet minder door misoogsten dan door htgo prijzen bezocht geworden. Zij heeft al de bitterheid en tien ernst van den strijd om liet bestaan ondervonden. Do moed om dien strijd vol te houden /al slechts kunnen voortspruiten nit dr overtuiging, dat volharding tot de overwinning kan voeren, maar dan ook een prikkel te meer vinden in de geleden beproevingen. Of die overtuiging mag worden gekoesterd, of onze industrie de kracht en de middelen bezit om meesteres van den toestand te wor den, ziedaar de groote vraag, waarvoor zij zich gesteld ziet. Men zal zich herinneren, dat in liet begin van het vorig jaar het denkbeeld alleen, dat iemand den toestand der suikerindustrie op Java als over liet geheel niet ongunstig kon voorstellen, vele stemmen deed opgHan om daartegen te protestecren. [iet is dan ook voor een persoon, die zich onwel gevoelt, om kregel te worden, wanneer hij zich hoort toevoegen, dat bij er nog zoo kwaad niet uit ziet . De Javasnikerindustrie gevoelt zich als een ziek lichaam. Te ge reeder zal zij er zich aan onderwerpen, dat hare kwalen worden on derzocht en nagegaan wordt, in hoever de toekomst genezing belooft. Dat onze industrie terecht zich ziek gevoelt, kan ook voor een oningewijde niet twijfelachtig zijn. Zoo men een organisme ge zond noemt, wanneer zijne levensfunctiën normaal, en ziek, wan neer die levensfunctiën abnormaal verloopcn, mag men ook aan cene industrie dienzelfden maatstaf aanleggen. Tot de normale func tiën der suikerindustrie mag men rekenen het voortbrengen van een geslaagden rietaanplant, de verwerking daarvan op de voor deeligste wijze met cene installatie, in harmonie met dien aanplant, en het maken van winst. Deze laatste levensfunctie is eigenlijk het gevolg van de beide eersten. Maakt men met een geslaagden aan plant en eene goede fabricksinstallatie geen winst, zoo is het voort leven der industrie onder ee dusver bestaan hebbende levensvoor waarden niet meer verzekerd, zoo komt zij in den toestand, die aan het uitsterven van vroeger bestaan hebbende dier-en planten soorten is voorafgegaan. Volgens de jaarlijks in bet Archief verschijnende statistieken van de milrarpnpdrtritfn op feva teeft dé gemiddelde opbrengst per netto houw bedragen: llool'dsuiker Zaksniker Totaal (2 ZS =1 IIS) in 1893 95,4 pikols 9,4 pikols luU,l pikol » 189 'i 85,8 « 9,7 » 90,0 » i 1895 tó£ » 8,5 » 97,5 » » 1806 89,3 » 7,9 » 93,2 » 187 Mr. il. s' Jactib. Survival of the fittest Neemt men als norm van een geslaagden aanplant aan ecne suikerproductie van luü ptikols per houw. waarbij het mogelijk is den kostprijs van het pmdukt tot f li per pikol terug te brengen, zoo blijkt, datdeze gemiddelde norm slechts bij uitzondering bereikt wunlt en de lijn, die in cenc grafische v Btéßiwg den gang der suikerindustrie zou afbeelden, geenszins ecne stijgende richting vertoont. De droevige waarheid vloeit daaruit vuurt, dat de Javasuiker industrie in krachten achteruit gaat. De statistiek over 1b97 zal de/r uitspraak waarschijnlijk hevestingen. De kanker, die aan haar hestaan knaagt, wij kennen dien maar al te goed! Te weinig zeker van hare oogsten, wordt onze industrie door misgewas helet cenc voldoende hoogte te bereiken om hij een marktprijs van l 0 per pikol de uitgaven tegen de inkomsten ledoen opwegen. In de verminderende rietopbrengsten in verband met de lage prijzen voor haar product ligt de oorzaak harer kwaal, waarvoor geene andere genezing te verwachten is dan 1" van vermindering van lasten en 2° van vergrooting harer productieve kracht. Hoogere prijzen mogen tijdelijk den toestand verbeteren, dit zekerste aller geneesmiddelen moet echter op al te goede gronden op den duur buiten het bereik der patiënte geacht worden. Voor het oOgenblik moge de wereldsuikerstatistiek eenigszins gunstigere cijfers vertooiien. wie is er die daarop een vertrouwen zal stellen. dat verder reikt dan ééne campagne.' De niettegenstaande tijdelijke vermindering steeds toenemende bietsuikerproductie van Earopa spot met iedere optimistische verwachting omtrent de suikermarkt. die ecne oogluiking voor de eiudclijke pacificatie van Oubfl neg mocht hebben laten bestaan, terwijl als een dreigende wolk aan de kim de gedachte rijst aan de vlucht dei- bietsnikerindiistrie iu de Verccnigde Staten. Zoo de Javasiiikcrindtistrie de hoop op eene hetere toekomst niet wil opgeven, zal zij daarvoor grond moeten vinden in haar inweiidigen toestand, niet in de kansrekening dei' factoren, die de suikermarkt bcheerschen. Wrmindering van lasten, die alleen, toen de nood drong, dade lijke resultaten kon geven, is geen ijdele klank voor de suikerindustrie geweest. Welke fabriek is er niet. die meer of minder heeft weten Ie bezuinigen.' Wat het snocimes in de uitgaven heeft weten te verrichten, is van niet te miskennen beteekenis op den toestand onzer industrie geweest. Maar de oogst, dien de besparingen van uitgaven kunnen geven, is voor de meedten thans reeds grootendeels 188 Mr. tt. b' Jacob. Survival of the fittest vergaard. Vragen wij eins al', wal de toekomst in «leze richting n< g kan gevenj zod zal het antwoord meer in eöttê verwachting dan in ccnc stellige zekerheid bestaan. Wij mogen aannemen, dat dp de meeste hooiden van uitgaaf niet nl weinig meer te bezuinigen valt, tehzij met medewerking van omstandigheden, die de suikerindustrie niet bf neg maar luttel in hare macht heeft. Een lichtpunt is de opheffing van lasten, door den Staat opgelegd. Mei is hier misschien de plaats om dankbaar te erkennen, dat de Staal len hale der suikerindustrie door vermindering tfantSpoOFWeg vrachlen een offer van fl2OOOO per jaar gedaan heeft en straks door afschaffing van het uitvoerrecht op suiker een offer van /" 730000 per jaar doen zal. Over de totale suikerproductie vertegenwoordigt deze tegemoetkoming eéne reductie van den kostprijs met 14 cents per pikol. doch, daar de vermindering van spnorwegvrachten slechts aan I gstens X4 suikerfabrieken ten goede komt. heeft zij voor deze de beteekeuis van eene gemiddelde hezuiniging van ongeveer '27 cents per pikol, terwijl de fabrieken, die geen transport per staatsspixii'weg hehheu. bare lasten enkel metO'J, cents per pikol verlicht zien. Nog een ander lichtpunt, zij het ook maar llauw en verwijderd, schemert in de toekomst, de mogelijke bevrijding van den bibitim purt. Bevestigt zich het aanvankelijk succes met den aanplant van nieuwe, uit zaad gewonnen rietvariëteiten, zoo valt eene hezuini ging van veel grooter beteekeuis binnen ons bereik, liet zou te voorbarig zijn om thans reeds victorie te kraaien en de variëteiten, die in beproeving zijn. tot bevrijders van den importdwang te proclameereii. Itoch zij hehheu een vonk van vertrouwen hij ons welen Ie ontsteken, die niet onopgemerkt mag blijven. Achter de uit zaad verkregen variëteiten, wier generatiën thans een zeer be scheiden plaats in den aanplant innemen, achter liet l.oelhersriet. dat op menige grondsoort den fabrikant reeds ontslaat van bibit import, mag eene hezuiniging van minstens I' 0,50 per pikol suiker vermoed worden. Want, indien de gemiddelde suikerproductie zich op niet meer dan 03 pikols suiker per bouw laat berekenen, mag de last van den. bJ.LwLiiiipo.rt .veilig op «lat minimum geschat, worden. Wat de verdere gevolgen van deze bezuiniging zullen zijn, laai zich nog moeilijk onderscheiden. Maar de mogelijkheid, dat onze industrie ecu krachtiger levenstijdperk intreedt, wanneer zij uit de boeien van den importdwang bevrijd is, mag niet verworpen worden, fierst uailat die bcvrijiling een feit geworden, is, zal zij Mr. H. s" Jacob. Survival of the fittest 189 vrijer kunnen ademhalen. De ban, waarin de serebziekte haar houdt, is v;ui zoo ver strekkende gevolgen, dal men aan de moge lijkheid harer verdere ontwikkeling moet twijfelen, zoo lang die ban niet is opgeheven. Verlost van den druk dor serch. kan zij niet alleen goedkooper, /al zij, dank zij eene grootere heerschappij over haar plantmatcriaal, ook met meer resultaat kunnen werken. De bibitimport toch is niet alleen een last door de vermeerdering van uitgaven, welke hij noodig maakt. hij maakt zich als zoodanig dok voelbaar door de stoornis, die hij in de beplanting enderegel matige ontwikkeling van den aanplant brengt. Niets is zoozeer in strijd met de cischen cener regelmatige cultuur dan het betrekken van plantinateriaal van verren afstand en het bloot stellen daarvan aan schadelijke ziekten gedurende het vervoer, gezwegen nog van het gemis aan de zoo nuodigc controle over dat plantinateriaal, waarin men zoo dikwijls berusten moet. Waar de mogelijkheid cener bevrijding van den bibitimport verondersteld wordt, is het ook de plaats om daaraan de verwach ting vast te knoopen, dat de les van de serehziokte dan gecuc nutte loozc waarschuwing voor de suikerindustrie moge geweest zijn. Met klem legt zich dan aan haar de plicht op om zich niet andermaal dooi' cene ernstige ziekte in haar gewas te laten overvleugelen, niet dan een tijdelijk vertrouwen in het behaalde sneers te stellen en al haar energie aan te wenden op het doel om steeds nieuwe varië teiten voort te brengen en die op hare waarde voor de praktijk te beproeven. Meer nog dan in vermindering van hare lasten ligt in verhoo ging harer productieve kracht het behoud en het voordeel onzer industrie. Terwijl de markten voor haar product afnemen, staat de verwachting, dat huitenlandschc premién zullen worden afgeschaft, nog gelijk met zelfbedrog. Wat het vcrlcdene te dien aanzien voor de toekomst te lezen geeft, wekt slechts bezorgdheid. Zoolang de fac tor der wereldconcurrentie in de suikerproductie onverzwakt blijft werken niet alleen maar steeds in krachten wint. zoolang in de bestaande fiscale bescherming van suiker in Europa, Amerika en Australië geenc vermindering komt, drukt zich de waarschijnlijke toekomst uit in prijzen, die zullen schommelen om een laag ge middelde, nu eens dalende, dan weer rijzende, al naar gelang van meerdere of mindere hictsuikcrproductic. In hoever liet nieuwe toltarief der Verccnigdc Staten in deze verwachting verandering mag brengen, is nog een geheim der toekomst, liet voordeel, 190 Mr. H. »' Jamt). Survival of the fittest <lilt (lil tarief aan otaze suikers op de ameiïkaausrho markt aan bied!, gakt verloren, wannen' de vertïöogdè belasting van gepri meerde europeesche suikers wordt opgeheven, eene opheffing, dié elk «ogenblik krachtens een beslnil van den President dèr Unie kan plaats hebben en niet tot de onwaarschijnlijkheden behoort, indien zij strekken kan om amerikaansclie uitvoerartikelen eene gunstigere plaats op büitenJandseho markten te doen verwerven. Omgekeerd mag niet worden over hel hoofd gezien, dat geprimeerde suikers, zoo zij In Amerika bemoeilijkt worden, zich in meerdere male naar Oost-Azië zullen rielilen en mis daar de markt be twisten. Ook ligt in datzelfde amerikaansebe tarief, dat onze suikers thans gunstiger behandelt dan «lic van onze europeesche concur renten, het niet gering te schatten gevaar verscholen van eene vermeerdering der Suikerproductie binnen de grenzen de Vereenigde Staten zei ven. Is haar het vooruitzicht op eene duurzame prijsverbeteringniet gegund, zoo blijft voor de Javasuikerindustrie met evenveel nadruk als vroegen het gebod gelden om zich voor te bereiden op eene toekomst, waarin haar product tot belangrijk lagere prijzen moet worden voortgebracht dan nu. Mógen bezuinigingen ecuc hulp in liet verledene zijn geweest} in grootere oogsten ligt de waarborg vour de toekomst. Want de factor, die het krachtigst op de ver mindering van den kostprijs der suiker werkt, blijft de rendcinents vermeerdering van dezelfde einheid gronds, daar de productiekosten niet gelijkmatig met de productiën daarvan stijgen. Ken vast ver band tussohen beide waarden is niet aan te geven,Omdat de ronde mentsvermeerdering het gevolg kan zijn van uiteenloopende oor zaken en liet een verschil maakt in de liimneieele gevolgen, oi eene meerdere suikerproductie uit eene grootere rietopbrengst dan wel uit een booger suikergehalte of uit eene betere fabrikatie voortvloeit. Neemt men het gemiddelde van de verschillende facto ren, die op een grooteren suikeroogst van invloed zijn, zoo zal men tegenover iedere toename der suikerproductie boven 100 pikols per bouw met 5% eene gemiddelde toename der uitgaven met P/2% mógen stellen. De erkenning van de wénschelijkheid mu grootere oogsten te maken houdl echter geien gelijken tred niet die van de waarschijn lijkheid dier grooter igsten in de naaste toekomst. De statistiek leert, dat de gemiddelde suikerproductiëü niet toenemen en daar mede in overeenstemming is de statistiek van het aantal onderne- 191 Mr. H. s' Jacob. Survival of tlie fittest mingen, die oogstemnaakten van meer dan 115 pikols per bouw. Dit aantal bedroeg in 1893 — 26 » 1894 — 17 9 1895 —22 » 1896 — II Waarlijk een bedenkelijke achteruitgang, waarvan de oorzaak ons maar al te wel bekend is! Worden niet jaarlijks van steeds meer zijden en steeds luider klachten aangeheven over ontijdige afsterving van het riet en al de verschijnselen, die men onder den naam van dongkellanziekte begrijpt? Alsof het riet onbewust eene kwaal onder de leden had, stierf het in de laatste jaren op vele plaatsen telkens vroeger op het veld af, totdat in 1897 de crisis plotseling hevig uitbrak en de oogen opende voor het gevaar. De crisis! Want hierin ligt meer nog dan in de marktprijzen voor haar product het ernstige van den toestand der .lavasuikcr industrie. Er is eene kracht, die de prijzen omlaag drukt, en eene andere, die de oogsten in achteruitgaande richting stuwt. Terwijl wij tegen heiden te worstelen hebben, verlamt de laatste ons ver mogen om uns aan den drang der eerste te onttrekken. Ken prijs van I' 6 per pikol suiker zon ons de toekomst minder duister kunnen doen inzien, zoo de onbestendigheid van ons r et kon wor den overwonnen. Gelukt het dit nieuwe gevaar te bezweren, zoo zal ook de crisis tijdelijk doorworsteld zijn. want, bestaat er een middel om het riet tot aan den oogst in gezonden staat op het veld te bewaren, zoo zal tegelijkertijd voor velen, zoo niet voor allen het middel gevonden zijn om met meer zekerheid dan dusver mogelijk was. de ZOO ge wenschte hoogere rendementen te bereiken. Men mag dit afleiden uit de aangehaalde statistieke opgaven, waaruit blijkt, dat in de jaren 1893 t/m 189H te zamen 39 fabrieken, d. i. ongeveer 20% van het totaal, productiën van meer dan 115 pikols per bouw ge maakt hebben, en in theorie aannemen, dat dit punt voor geene enkele onderneming onhercikbaar is. Het dreigende spook der dongkellanziekte te verbannen voordat het verder onheil sticht, is thans de naaste en dringendste plicht der suikerindustrie geworden. Wil zij niet meer den grond onder hare voeten voelen wegzinken, zoo moet zij zich dit gil'uit het bloed drijven, dat hare levenskrachten ondermijnt: hare levenskrachten. welker versterking alleen haar voldoende herstel zou kunnen geven Mr. 11. 8' Jacob. Survival of the- fittest 192 van den ,-rhok. haar door de prijsvermindering toegebracht, \Yani, rijst tegelijk ide erkenning van den achteruitgang onzer indu strie de vraag op de lippen, waar genezing te zoeken, zoo laat de filosofie van hei. leven geen an<lei antwoord toe dan dit: Niet min der dan voor organismen geldt vóór industriën, die op aarde elkan der het aanzijn betwisten, de groote biologische wet, dat zij alleen door verhoogde tevehsënérgie', door betere aanpassing aan gewijzigde levensvoorwaarden, door meerdere ontwikkeling van bijzondere eigenschappen en doelmatiger benutting van natuurlijkevoordeelen, in den strijd niii het hestaan kunnen overwinnen. De Javasuikerindustrié bevindt, terwijl het voedsel uit haar levensbron haar kariger wordt toegemeten, zich in een staat van inferioriteit, doordat de macht ovêf haar gewas aan hare handen ontglipt is. De eerste en voornaamste voorwaarde om zich een duurzainen grondslag te ve/zekeren is de neerschappij over dat gewas te herwinnen. Wie met leekenstilï in plaats van met de pen haar beeld in dit tijdsgewricnl wonsrhte te veraanschouwïïjkeri, zon de waarheid hel meest nabij komen dooi' haar voor te stellen meteen vragenden blik den nacht der toekomst raadplegend en daar in vurig schrift het antwoord lezend: survival of the fittest. DIVERSE MEDEDEELINGEN Aan de Indische Guls ontleenen wij van de hand van den heer F. .1. Potter liet navolgende: Twee lezingen over den tegemvoordigen stand en de vooruit zichten der Java Suikerindustrie. In den winter van 1896/07 werden duur de hecren KOBUS en van Lookeren ('ami'aone twee lezingen gehouden over de Javasui kerindustrié. Haar waar de toestand van deze industrie hoe langer hoe meer zorgen haart en men het er algemeen over eens is. dal iha.ns vrc.h vu,ii- de moeste sn i kert'ahrieken op .lava eene voortzet ting van het bedrijf met verlies gepaard gaat, terwijl eene verdere nog zoo geringe daling van de suikermarkt de industrie met totalen ondergang bedreigt, wekt het bevreemding, dat beide bovenbedoelde lezingen zon weinig besproken zijn. Wij willen trachten het vele goede en hehartigenswaardige 193 Mr, 11 . s' J»c ib Sui vival o) the fittest van den inhoud dier lezingen te releveeren, maar alvorens mei een enkel woord nagaan wal volgens onze bescheidene meening: 1° bet voortbestaan eener bloeiende Javasuikerindustrie voor bet algemeen belang beteekent; 2° de redenen die er waarschijnlijk toe geleid hebben de beide meergenoemde lezingen eenigszins te negeerpn. Men spreekt bel elkander steeds na, dat de ondergang der Java suikerindustrie een ramp zoude zijn waarvan de gevolgen niel te overzien zijn en toch wil hel ons toeschijnen, dat diezelfde men voor liet grooter deel zich veen voorstelling kan maken van den juisten toestand in deze. Volgens liet jaarboek voor suikerfabrikanten op .lava (1596) is liet aantal suikerfabrieken op Java werkende "200, waarvan 32in de Vorstenlanden zijn gevestigd. Deze fabrieken hebben ongeveer 10,'K)0000 pikols suiker gepro duceerd, verkregen van ongeveer 100000 bouws aanplant. Wanneer wij aannemen, dat vuur hel bereiden van één pikol suiker, in den vorm van grondhuur, plantloon, transport, vverkloon en levering van materialen ongeveer f 3'/, aan de bevolking komt, zal men mis niet. van overdrijving beschuldigen en komen wij dan tut ongeveer I' 3ó,OOX)00, die jaarlijks <\nnv de suikerindustrie aan de Javasche bevolking wordl uitbetaald in contanten. Om zich een denkbeeld te kunnen vormen van hel. belanj van dal cijfer, willen wij dat eenigszins analyseeren en vergelijken met andere cijfers. Zoouls boven reeds vernield zijn er van de 20) fabrieken 3'2 in de Vorstenlanden gevestigd. De productie van 10 millioen pikols wordt dus verdeeld in 8,350000 komende voor de zoogenaamde Gou vernementslanden en 1,f>50000 komende vuur de Vorstenlanden. De bevolking ontvangt daarvoor respectievelijk I' 29,225000 en f 5,773000. De hoofdbelastingen in geld, die speciaal van de inlandsche be volking geheven worden, nam. landrente, bedrijfsbelasting enhoofd geld, bedragen volgens het Koloniaal Verslat: van 1890, dus over lc'J.j aan: Landrente f 17,370344 Bedrijfsbelasting » 1,583745 Hoofdgeld » 3,^37425 Te zamen / Ü2,7IXKR)O De landrente, bedrijfsbelasting en het I fdgeld geheven in de Diverse inededeelirtgen 194 residentiën Bantam, Batavia, Krawang, Preangei Regentschappen, Kadoe en Madura waar geen suikerindustrie bestaai bedragen: Landrente /' 3,369583 Bedrijfsbelasting » 377724 Hoofdgeld ■. ■ ■ » 723533 Te zamen f 4,470837 Voor de residentiën dus waar de suikerindustrie gedreven wordt, is het totaa] dezer belastingen ongeveer 17'/'j millioen. Waar op Java bij de bevolking weinig contant geld wordt ge vonden, behoeft het wel geen verder betoog, dat deze M i h millioen belasting voor liet allergrootste deel betaald worden met het geld bij de suikerin lustrie verdiend en het is een feit, dat bijaldien deze industrie te gronde mocht gaan, minstens de helft dier belastingen door de bevolking niet meer opgebracht kan worden en de schatkist zeker een verlies van 8 a 10 millioen zal lijden. .Men zal ons tegenwerpen, dat in de Gewesten waar geen sui kerindustrie gedreven wordt, deze belastingen toch ook opgebracht worden. Dil is juist, maar men vergete niet, dat daar waar de sui kerindustrie niet bestaat, de bevolking de inkomsten daarvan nooit gekend heeft en sedert onheugelijke tijden zich toegelegd heeft op andere bronnen van inkomsten, die haar de betaling der belasting mogelijk maakt. Ofschoon niet waarschijnlijk, zoo kan men zich de mogelijkheid denken, dat bij te gronde gaan der suikerindustrie in de Gewesten waar ze nu bustaat, ook diergel ijkc nieuwe bronnen van inkomsten ontstaan, maar zelfs in dat gunstige geval is daartoe tijd en veeltijd noodigen betwijfelen wij of de Indische schatkist ge durende een tien- of twintigtal jaren eene inkomst van 8 a 10 millioen 's jaars kan derven, zonder daarvan de QOOdlottigste gevolgen te ondervinden. Gesteld dat de bevolking de gelden bij de suikerindustrie ver diend niet aanwendt tot belastingbetaling, laat mis dan eens nagaan wal deze verdienste in de inlandsche huishouding beteekent. Wanneer wij aannemen, dat elke fabriek op Java een aanplant heeft van gemiddeld 500 bouws, dan zijn volgens het oude stelsel van den lioufdlhspecteuf Sijthof, vier man per bouw noodig om den aanplant te bewerkstelligen en dit cijfer van vier is ook naafschaf ling van de gedwongen cultuur vrij wel als juist aan te nemen. Bij den aanplant employeert dus elke fabriek ongeveer 2000 man. Voegen wij hierbij voor het snijden en transporteeren van het riet3ooman en voor de koeliearbeid in de fabriek nogmaals 300 man dan zal Diverse mededeelingen 195 niemand ons verwijlen van te groote cijfers te gebruiken. Tezamen maakt <lit dus 2000 man per fabriek, buiten rekening latende de arbeiders bei ligd voor bei leveren van brandhout, krandjangs, kadjangmatten enz. en de vrouwen en kinderen bij de fabriek gebe zigd vuur minder zwaren arbeid. Voor de 200 fabrieken komen wij mi ep een totaal van 520000 man, die voer een groot deel hun bestaan vinden bij de suikerindustrie. Gaan wij terug tol bel cijfer van ;>r> milliocn gulden, dal <le suikerindustrie op zijn minsl genomen onderde inlandsche bevolking brengt en (rekken wij hiervan af /' 5) per bouw grondhuur over een aanplant van 200 maal 500 bouws of totaal 5 millioen en nog 5 millioen die aan arbeidsloon van vrouwenen kinderen en de inkoop van materialen wordl besteed, dan verdienen die 520 100 arbeider: 25 millioen of gemiddeld f 50 per hoofd. Een ieder die eenigszins met de inlandsche huishouding bekend is, weel ilat f5O voor een inlandsril gezin heel wal beteekenl en het grooter deel der inlandsche gezinnen uil '< personen bestaande deze som per jaar niet aan voeding uitgeeft. De bovengenoemde 520000 arbeiders zijn voor hel allergrootste deel hoofden van huisgezinnen en kan men dus gereedelijk aanne men, dat door hetgeen zij hij de suikerindustrie verdienen v ■ een groot deel kan voorzien worden in de voeding van ruim l J millioen zielen. Op grond van hef bovenstaande zoude het te gronde gaan van de suikerindustrie beteekenen liet tot een toestand grenzende tan armoede brengen van 2 millioen zielen, of ongeveer een twaalfde van de gchcelc bevolking van Java en Madura. liet aantal Europeanen en Indo's, dal bij de suikerindustrie een bestaan vindt kan men gerust op 1000 a 1200 schatten, en moeie lijk zijn de gevolgen te overzien van eene vermeerdering der pau pers in Indië met dit aantal, dat toch zeer zeker geschieden meel. indien de industrie tot ondergang gedoemd wordt. Men denke voorts aan het groot aantal trekbeesten, dal bi digd is voorhet riettransport, in den oostmoesson wanneer er gebrek aan gras is in de riettoppen voedsel vindt en .lal buiten den maal tijd der fabrieken den inlandschen landbouw ten goede komt, aan de groote uitgestrektheid grond voor den rietaanplant gebruikt en die door betere bewerking en bemesting grondverbeteringdaarstel», en men zal hei met ons eens zijn* dat door al het bovenstaande on omstootelijk bewezen wordt, dal de ondergang der Javasehe suiker- Diverse mededeel ingen 196 industrie een nationale ramp zoude zijn, niet alleen voorde Kolonie, maar waarvan de weerslag nuk op zeer gevoelige wijze door het moederland zoude ondervonden worden. Men moge ons verwijten, dat onze cijfers niet op volmaakte juistheid mogen bogen, wij zullen de eerste zijn om te erkennen dal ze eenigszins globaal zijn. Hel doel, dat wij beoogen is om hen, die thans wel is waar napratende hetgeen anderen hun inededeelen, erkennen dal do ondergangder Javasche suikerindustrie moet voor komen worden, zich echter geen juiste voorstelling kunnen maken van hel gcwichl der zaak en wien dan ook verder die zaak vrij wel koud laat. en om dal doel te bereiken vermeen- n wij dat onze cijfers voldoende juist zijn. Waar nu vast staat, dat liet voortbestaan 'lezer industrie moet verzekerd worden om onheilen te voorkomen waarvan de omvang uiel te voorzien is, vragen mij ons al', wat de reden kan zijn. dat de lezingen van mannen als Kobus en van Lookeren Campagne deels genegeerd deels vyandig gecritiseerd zijn. Wij willen ons geen bepaald oordeel over dit verschijnsel aan matigen, maar toch vermeeiieu wij. dat het artikel van den lieer hoofdredacteur Bartelds in liet Soerabaiasch Handelsblad ons eenigszins op hel spoor brengt van de redenen, die hiertoe geleid hebben. Wij beginnen met te erkennen, dat de voorspelling van den Heer K.OBUS, dat met betrekkelijk weinig grooter kosten de productie met -.0 pCt. vermeerderd kan worden, wat het cijfer aangaat, ons wel wat gewaagd voorkomt. Wij out kennen daarom volstrekt niet, dat de toepassing van hetgeen de wetenschap leert een vermeerdering van productie en vermindering van kostprijs heeft veroorzaakt al kan ze, zooals de heer K.obus ten rechte opmerkt, niet onder cijfers gebracht worden en wij hebben de innige overtuiging, dat op dezen weg doorgaande nou grooter vermeerdering kan verkregen worden al kan die dan ook niet a priori in percenten uitgedrukt worden. Om als de heei' Bartelds die vermeerdering van productie en vermindering van kostprijs uitsluitend op 'Ie uitbreiding van den aanplanl ie brengen, zal moeielijk te verdedigen zijn. Wij behoeven nou niet zoo lang terug te gaan om een gemid deld product van 50 a » O pikols suiker per bouw te zien, terwijl wij thans daarvoor PO a 95 pikols vinden. De rietproductie per houw is quantitatief niet of zeer weinig vooruil gegaan en over den qualitatieven vooruitgang van het riet 197 Diverse mededeetifigetj is moeielijk ecu oordeel te vellen, omdat de cijfers van vroegeren tijd ontbreken en die toch noodig zijn omeene vergelijking tusschen toen en thans mogelijk te maken. l)c suikerproductie per bouw is ongeveer met rioy o toegenomen en daar waar dit niet of slechts vuur een uiterst gering gedeelte in vermeerdering van rietproductie kan gezocht worden, moet dus die vermeerdering wellicht aan cenc qualitatieve verbetering van hel riet, maar zeer zeker voor het allergrootste deel toegeschreven wor den aan eene betere fabrikatie, gegrond op hetgeen de wetenschap ons in deze geleerd heeft en aan eene fabriekscontróle waardoor de fabrikatieverliezen tot een minimum gereduceerd konden worden. Kan het nu ook zijn, dat daar waar onder de thans nog in functie zijnde administrateurs van suikerfabrieken de wetenschap nog geen gemeen goed geworden is, juist bij hen die deze weten schappelijke kunde derven, een zekere schrik ontslaan is, dat zij binnen kortcren tijd door een jonger wetenschappelijk onderlegd geslacht overvleugeld zullen worden? Wij zijn de meening toegedaan, dat door een bevestigend beantwoorden van deze vraag wij niet ver van de waarheid verwijderd zullen zijn. De heer Rartelds haalt het schrijven van een administrateur aan, waarin wordt medegedeeld, dat het niet de minst economisch werkende fahricken zijn waar tot dusverre een bescheiden gebruik gemaakt werd van zoogenaamd wetenschappelijk toezicht en weten schappelijke controle. Het wil ons toeschijnen, dat deze ongenoemde administrateur, naar alle waarschijnlijkheid zelf geen wetenschappelijk ontwikkeld man, toch het nut der wetenschap niel durft ontkennen, maai' tracht de waarde der wetenschap zooveel mogelijk te verkleinen. Met door hem gebruikte argument, dat fabrieken, die een bescheiden gebruik maken van de toepassing der wetenschap niet de minst economisch werkende zijn, dunkt ons erg zwak. want de vraag is gewettigd oi debijzonder gunstige omstandigheden van lagen grondhuuren werk- Loonen en goedkoop transport niet de groote facturen voorhet ver krijgen dezer economie zijn geweest en of die economie niet nog grooter zoude zijn geweest indien de wetenschappelijke controle tol het uiterste was doorgevoerd. Dat de hooggespannen verwachtingen van de resultaten der proefstations tot nu toe nog niet vervuld zijn, is ook geen argumenl tegen de toepassing der wetenschap. AJle, die geen algeheele vreem delingen zijn op het gebied van hetgeen in zake plantenziekten in 198 Diverse meileileeliri^eii ilc laatste jaren gewrocht is, w01..n dat het determineeren van de oorzaak der ziekte en hd vinden van ecu geneesmiddel daartegen, veel tijd, geduld en volharding eischt. Nu moge in enkele gevallen het geluk den geleerde dienen om spoedig tol een resultaat te komen, in den regel zal dit resultaai eerst verkregen worden als het gevoJg van een reeks systematisch opgebouwde proefnemingen die veel en veel tijd kosten, omdat hoe goed nuk voorbereid, ze dikwerf decepties kunnen geven, die nood zaken tot een we ler geheel op nieuw beginnen. Laten wij liet liever ronduit erkennen, dal de groote voorspoed in vroegere jaren bij de Javasche suikerindustrie ondervonden, ons in slaap heeft gewiegd. Toen nu de crisis van 18-U intrad, werden wij onaangenaam wakker geschud en gingen toen eerst aan de ge minachte wetenschap de middelen tol redres vragen, die ze ons toen mei milde hand gegeven heeft. Toen de crisis steeds erger werd door de voortdurende daling der prijzen en bovendien serehziekte en an dere plantenziekten de tegenspoed nog grooter deden worden, klopte men weder bij de wetenschap aan en was verstoord, dat ze niet dadelijk even als de eerste maal het middel tot redres gaf. Men vergat echter, dat eene betere fabrikatie door jaren en jarenlange wetenschappelijke proefnemingen in de europeesche fabrieken reeds een bekende grootheid was geworden en op de tweede vraag om hulp een antwoord moest, gezocht worden, dat langdurige studie eer<t geven kan. Wij wanhopen er dan ook niet aan, dat de wen sch van Benjamins in vervulling zal komen en de sereh ons zal lecren suikerriet te planten en is dat desideratum eenmaal bereikt, dan zijn wij er van overtuigd, dat ook weder de goede jaren voor de Javasche suikerindustrie zullen aanbreken. In hel voorgaande hebben wij getracht door cijfers een meer bevattelijke voorstelling te geven van het belang, dat gelegen is in bet blijvend voortbestaan der Javasche suikerindustrie en tevens be proefd de oorzaken op te sporen van de weinige belangstelling, die de heide lezingen van de hecren Konrsen Van LoOKEBEN CAMPAGNE ondervonden hehhen. Thans wenschen wij na te gaan het vele goede en voorde suikerindustrie behartigenswaardige, dat die lezingen ons gegeVén hebben. Dat de toestand verbetering eischt. daarover zijn allen het eens, maar omtrenl de middelen om tot die ve: betering te komen bestaat groot verschil van meening. 199 Di\rr«r mededeelingen De middelen die men voorstelt, zouden tol drie categoriën ge bracht kunnen worden • 1. Wegneming van hinderpalen, die de vestiging der suikerin dustrie op gezonden grondslag tegenwerken. w 2. Bescherming van Staatswege van de industriel :>. Help your self. De lieer Bartelds maakt er den hooi' Koia s een verwijl van, dat hij juist, de eerste categori besproken laat. Wij kunnen mis /eer goed voorstellen, dal hel den heer Kobus onnoodig toescheen, om met bet steeds vruchteloos slaan op hetzelfde aanbeeld te blijven doorgaan. Dat een beschreven waterrechl voor .lava een zegen zoude zijn en enk de suikerindustrie daarvan profiteeren zoude, wie zal dat ontkennen, maar wie /al met kans van slagen dien reuzenarbeid aandurven. Indien de heer Bartelds daartoe kans /iel. dan durven wij hem voorspellen, dat bij slagen van zijn arbeid, het dankbare .lava zich niet onbetuigd zal laten tegenover zulk een weldoener. Ook de agrarische toestanden laten nog veel te wenschen over, maar in deze kan mende Begeering niet van werkeloosheid beschul digen. Het zooveel arbeid en geld gekost hebbende onderzoek naar de rechten, die door den inlander op den grond worden uitgeoefend, is in zijn résumé een standaardwerk geworden, waardoor heteenigs zins mogelijk is zich een beeld te vormen van den toestand van het grondbezit. Juist de verscheidenheid in hoofdvormen en in dé tails maakt het hoogst moeiel ijk algemeen geldende regelen en voor schriften vast te stellen, Bij de wet of bij besluit gelasten, dat alles tot één of een paar hoofdvormen van bezit wordt gebracht, is cen maatregel van zoo ingvij penden aard, dat wel niemand inde moge lijke gevolgen daarvan de verantwoordelijkheid zal willen dragen, te meer daar het nog een onopgeloste strijdvraag is. welke hoofd vorm voor de verschillende belangen hierbij betrokken, de meest aanbevelenswaardige is. liet reglement op don verhuur van gronden door inlanders aan nict-inlanders heeft reeds tal van bestaande grieven tegen de agra rische toestanden opgeheven en nu mogen dit reglement nog fouten aankleven, de praktijk zal die lonten meer en meer aan het licht brengen en tevens de mogelijkheid van verbetering doen ontstaan. Dat verlaging der spoorwegtarieven en afschaffing van het uit voerrecht op suiker noodzakelijk zijn, springt zoo in het oog. dat wij er niet aan getwijfeld hebben, bij het optreden vanden nieuwen 200 Diverse mededeelingefi Ministor van Koloniën, die een open oog beeft voor de belangen der landbouwindustrie, dat binnen koit voldaan zou worden aan de daaromtrent billijke eischen van de betrokkenen. Deze beide laatste eischen zijn echter van te geringen omvang om in de voldoening daarvan het middel te kunnen zoeken om de Java suikerindustrie voor ondergang te behoeden on wij zijn, wal de twee eerste punten van bespreking aangaat, van meening, dat in het wegnemen van belemmeringen niel hel middel moet gezocht worden, om de industrie weder tot voorspoed te brengen. Wij wenschen thans na te gaan in hoeverre bescherming van Staatswege het middel kan zijn tot opbeuring van de kwijnende industrie. In het algemeen de meening toegedaan, dat protectie is een remede piro que lë mal, kunnen wij ons toch voorstellen, in een door de omstandigheden onhoudbaar geworden toestand, dat er voorstan ders zijn van deze remedie, vooral indien ze als represaule maat regel werd! aanbevolen. Met. grootste nadeel van protectie is wel, dat men zich daar mede op een hellend vlak begeeft en eenmaal daarmede beginnende niet kan voorzien, waar het einde zal zijn. De onzinnige bescherming der beetwortel-suikerindustrie in Europa is een sprekend bewijs daarvan. Aangenomen, dat er geen ander middel bestaat om deJavasche suikerindustrie de reddende hand te reiken dan alleen door protectie, zoo moet nagegaan worden of dit middel in de toepassing mogelijk is. Gesteld de Regeering ging er toe over om een uitvoerpremie van / 0,50 per pikol te verleencn, dan zoude al dadelijk de vraag rijzen of bij den tegenwoordigen stand der suikermarkt deze premie voldoende zoude zijn, om den ondergang der meeste fabrieken te voorkomen. Bij eene voortgaande daling zoude de premie zeer zeker niet voldoende blijken te zijn voor het in stand houden der industrie. .lava produceert thans ongeveer 10 mill. pikols suiker en deze zeer matige uitvoerpremie zou de Indische geldmiddelen komen te staan op een uitgaaf van ."> mill. gulden. Men behoeft werkelijk niei i<.t de pessimisten te behooren om te beweren, dal deze uitgaaf door de Koloniale kas niet gedragen kan werden. Mei de heffing der belastingen is men vrij wel tot de uiterste draagkracht der inl. bevolking gekomen en kan men aan vermeerdering of verhooging der belastingen niet denken enzonder deze belastingverhooging zoude op de Koloniale begrooting een te kort ontslaan, dat dooi- niets gedekt kan worden. i l|\ rl'-'i' rrH'il'Mlr.'lhl^l'li 201 Alle andere overwegingen buiten beschouwing latende, kan op grond van hel bovenstaando aan oenc bescherming in den vorm van uitvoerpremie of anderszins niet gedachl worden. Nu blijft ons nog over na te gaan of in het help your self een middel tol redres kan gevonden worden. De hecren Kobus en van Lookerkn Campagne hebben er op gewezen, dal door toepassing van hetgeen de wetenschap op dit gebied leert, reeds veel verbetering gekomen is in de Javasche suikerindustrie. hier echter hel laatste woord gesproken 1 ? Evenals deze beide heeren gelooven wij, dal dil nog lang bet geval niet is. Een voortgaan op dien weg, een mei kracht bestrijden van hen, «lic hetzij uit gemakzucht, vrees voor hunne positie of onwetendheid, het nut der wetenschap nog loochenen, kan en moet ons tot nog grootere verbeteringen brengen. Om in 'leze richting .werkzaam te kunnen zijn. hebben debei de heeren ecu lans gebroken voor de oprichting van ecu mo delfabriek en onze ingenomendheid mei hel dienaangaand door hel Hoofdbestuur van het Syndicaat van Suikerfabrikanten op Java gedaan voorstel, brengt er mis toe deze zaak ook in de Indische Gids te bespreken. De landbouw-proefstations hebben teleurstelling gegeven, is ecne bewering, die men maar al te dikwerf hoort uiten. Zij die deze bewering uitspreken hebben niet geheel ongelijk, maai' dil is niel toe te schrijven aan de werking der proefstations als zoodanig, maar meer aan de te hooge verwachting der te verkrijgen resultaten, «lic men gekoesterd heeft. Hei is eene bekende waarheid, dat wat in het klein op indus trieel- en landbouw-gebied gelukt, dikweif blijkt niet geschikt te zijn voor toepassing in hel groot. Dil wil echter niet zeggen, dal de theorie niet deugt, maai- in de groote praktijk l-iinnen zich tal van omstandigheden voordoen waardoor ongewijzigd minutieus toe passen der theoiie onmogelijk blijkt. Bestrijding van plantenziekte, verkrijgen van nieuwe en betere variëteiten van planten en grondwerking, fabrikatie in hel labora tuiiinn kunnen in liet klein, op het landl w-proefstation gedaan, goede resultaten opleveren, maar wanneer men er toe overgaat ze in bet groot toe te passen sluit men op zwarigheden, die een ongewijzigde toepassing van hel stelsel onmogelijk maken. 202 Diverse mededeelingeti Mm is teleurgesteld en wijt het ongunstig resultaat ten onrechte aan den arbeid door het proefstation verricht en men neemt zich voor diergelijkc proefnemingen op groote schaal in don vervolge na te laten, afgeschrikl als men is door de ongunstige financieele resul taten, die daarvan het gevolg waren. Laat eerst oen ander hel doen en blijkt hij te slagen dan nog is hel tijd om na te volgen, is de redeneering van het gros, maar men vergeet, dat die andere even zoo denkt en de proefnemingen en de noodzakelijke «leer de prak tijk aangewezen wijzigingen zoodoende steeds tot de pia vota blijven behooren. Men verliest te veel uit het oog, dat de landbouwwetenschap en de technologie geen absolute wetenschappen zijn. dat zij hel doel kunnen aanwijzen, enk cenigszins den weg aangeven, dit; bewandeld niuel werden om tut hel duel te geraken, maar hel voor een deel aan de praktijk meet overlaten om te beslissen of de omweg niet beter tut het duel voert dan de rechte weg, die in het labora torium gevonden werd. Dit hebben volgens onze bescheidene meening de heeren s' Jacob, van Musschenbroek en Koiu's zoo juist begrepen, toen zij liet plan tol oprichting van een modelfabriek aan de orde stelden. Volgens het denkbeeld van die heeren moot een bestaande fa briek aangekocht worden, die thans reeds vrij gunstige resultaten oplevert. Die fabriek moet ingericht worden mot de nieuwste ei besi bekende systemen van werktuigen. Aan de fabriek moeten mannen verbonden worden, die op botanisch, agronomisch, technologisch en mechanisch gebied hun sporen verdiend hebben. Ofschoon winstbejag mei het hoofddoel mag zijn, zoo mag aan den anderen kant toch ook niet uit het oog verloren worden, dat een economisch weiken moet toegepast worden, om tut voorbeeld voor de andere fabrieken te kunnen dienen. Ten slotte zal hij de lell'ahriek de gelegenheid geopend worden tol. opleiding van personen \-ct'i\< hij de suikerin dustrie werkzaam of daarin hun carrière zoekende. Dit, is in groote trekken hetgeen men zich voorstelt hu -land te brengen en dal wij nader wenschen Ie hespreken. Joegen hel. a.:ink.mp<'n van een bestaande fabriek bestaan bij ons nog al bezwaren. Hei aankoopen van een financieel slecht, welkende fabriek is /eer zeker te ontraden en voor een eenigszins gunstig werkende fabriek zal onder deze omstandigheden eenhoogen zelfs te hoogen prijs betaald moetenwotden. Bovendien zijn wij be vreesd, dat men in alle gevallen verbeteringen in de installatie /at Diverse medederiingfefl 203 moeten aanbrengen en bij eonc bestaande fabriek zoodoende tot lap werk zal vervallen. (>l> liet stuk van tab ïï kat ie zalmen vorgelijkcndc o roe ven doen en om voor hetzelfde onderdeel van de fabrikatie verschillende ma chinerieën in werking te brengen behoort plaatsruimte, die men hij een bestaande rubriek niet vindl en daar moeielijk voor het beoogde doe) practiscb ingerichl kan aanbrengen. Aangezien laboratoria en gelegenheid tot huisvesting van het personeel en van tijdelijk geëmployeorden of leerlingen i grooter emplacement noodig zal maken, dan gewoonlijk bij een fabriek aanwezig is en uitbreiding van het eigenlijke fabrieksterrein zijne eigenaardige moeielijkheden oplevert, zoo zal ook daarom de aankoop van een bestaande fabriek niet raadzaam zijn. Ild km ut ons daarom voor, dat aan de oprichting van oen nieuwe fabriek verre de voorkeur, moet gegeven worden. In de Solovallei, het Serajoedal, en de landstreek, die thans door den spoorweg van Probolinggo, Loemadjang, Djember, Banjoewangi doorsneden wordt, zal in ruime mate een geschikte gelegenheid ge vonden worden vuur de oprichting dier modelfabriek. liet aan de fabriek verbinden van een eminent porsoneel op het gebied van botanie, agronomie, technologie en werktuigkunde en last nol least aan het hoofd van bel geheel plaatsen van een man. die in allen dccle bekwaam en geschikt is om de zaak te leiden, is een e levenskwestie. Ilct is ons bekend, dat de vraag is gedaan of het mogelijk zal zijnde mannen daartoe geschiktte vinden en velen daaraan twijfelen, ja zelfs de vraag beslist, ontkennend beantwoorden. Gebrek aan mannen bekwaam in genoemde vakken beeft Neder land niet, maai' de vraag is of zij geschikt zullen zijn voor het doel, dat men van hun werken in deze verwacht. Hel geldt hier eenigszins eene nieuwe zaak en zal vooreen deel de geschiktheid om daarin nuttig werkzaam te zijn, deur hel wei ken zeil' moeten verkregen worden. Menmag daarom inden beginne de verwachtingen niet te hoog spannen, maai' moet bedenken dat mist'isten zal vóórkomen, doch juisl de gemaakte fouten zullen brengen tot den goeden weg. Dat men dien goeden weg spoedig vinde, zal voor het grooter deel afhangen van den man. die mei de leiding van hel geheel zal worden belast. Mannen wetenschappelijk ontwikkeld, die jaren lang in de praktijk werkzaam zijn gewoel en bewijzen hebben geleverd van kunde en geschiktheid, mogen nu op 204 Diverse mededeel!] Java tiiel bij tientallen aanwezig zijn, maar ze zijn er. Wij zijn er van overtuigd, dal er personen kunnen gevonden worden aan wie men deze betrekking mei vol vertrouwen kan opdragen. Dal er gretig gebruik gemaakl zal worden van eene gelegenheid hui zich in de wetenschap der suikerindustrie te vervolmaken of daarin eene opleiding te genieten, wie zal dat betwijfelen. Wij zou den tal van voorbeelden kunnen aanhalen uit hel jongere geslacht, dal door voortgezette studie trachtte verkrijgen wat hun primitieve ople'ding hun niet gegeven heeft en reikhalzend uitzien naar eené gelegenheid waar zij op meer gemakkelijke en vruchtbaarder wijze. aan hun verlangen uaar kennis kunnen voldoen. Wij zijn voorts liet denkbeeld toegedaan, dal een hooger peil van wetenschappelijke ontwikkeling der ondergeschikten, bij de in dustrie geëmployeerd, veel kan bijdragen tot den bloei van die indu strie. Wordt deze opinie in de naaste toekomsl door alle belangheb benden bij de industrie gedeeld, dan moei, eene instelling tol oplei ding als hier bedoeld bloeien, want een bezoek der instelling zal eisch worden bij plaatsing. Men zoude als v -waarde tot toelating kunnen ste'len, hetzij e Mie algemeene ontwikkeling, blijkende uit het diploma van vol doend afgelegd eindexamen van een Hoogere Rurgerschool met vijfjarigen cursus, hetzij eene speciale vakstudie, blijkende! uit. het diploma van voldoend eindexamen der Ind. Afd. der Hoogere Rijks-landbouw^chool. Bij de beide voorwaarden tot toelating is veel vóór en veel tegen te zeggen, maar wenschen wij niet in nadere beschouwingen daaromtrent te treden. Trouwens het programma voor de opleiding vast te stellen zal voornamelijk de eisenen van toelating bepalen. Wat de opleiding zelve aangaat gelooven wij. dal de élèves op het geheele gebied der suikerindustrie geen onbekenden mogen zijn, m tar toch rekening moet gehouden worden met eene meer speciale opleiding tot chemicus, tuinopz'chter en machinist. liet grootste bezwaar,dat wij tegen de oprichting van een mo delfabriek hebben hooren opperen is de financieele kwestie. De voor.stolJers achten een kapitaal van één millioen noodigom de zaak op te richten. De beer Kobus vermeent, dat aan tractementen van geleerden aan de fabriek te verbinden jaarlijks I' 75000 noodig zal zijn, waar door de winst- en verliesrekening van de exploitatie met die som als buitengewone uitgaaf z Ie moeten gedebiteerd worden. ingen 205 Wij gelooven,dal die beide sommen ruim berekend zijn, maar hei is beter dal eene zoodanige begrooting mede- dan tegen valt. Bij den droevigen (Inancieelen toestand van de Javasche suiker in lustrie wordl het. duur velen onmogelijk geacht, dat diergelijke s - men door de eigenaren der fabrieken voordat duel worden beschik baar gesteld. Ware men van een gunstig resultaat verzekerd, dan kreeg de /.aak een ander aanzien, maar uuk daaraan twijfelt men. Omtrent bette verkrygen resultaat is natuurlijk geen zekerheid te geven, want hel is en blijfl eene proefneming en het eenige dal men zeggen kan is. dat de tegenwoordige toestand onhoudbaar is, dat er iets gedaan moet worden om verbetering aan te brengen en dal dus een middel dal \e, ; | kans van slagen aanbiedt, zooals in casu, moei aangegrepen worden. Slecht een modelfabrick, waai' de financieele uitkomst niet de hoofdvoorwaarde van het bestaan is, kan verschillende grondbewer kingen toepassen, vergelijkende bemestingsproeven nemen, nieuwe rietsoorten invoeren, verbeterde machinerie 3 n en bereidingswijzen beproeven, een en ander zonder terug ti deinzen vuur eventueel minder goede lïninc/eele resultaten, d-e liij den particulieren fa brikant steeds op den voorgre-n I moeten staan en hem er van af houden proeven op groote schaal te nomen. Is men er eenmaal van overtuigd, dit in deze richting meet gewerkt worden, dan kan de financieele qua est ie geen overwegend bezwaar opleveren. De ontwerpers van het plan willen door eene bijdrage van 10 et. per geproduceerde pikol suiker gelurende één jaar het benoo rligde kapitaal vinden . Voor vele fabrieken zal deze verhooging van <\c\\ kostpiijs te bezwarend zijn. Wij hebben getrachl aan ie toonen het algemeen, het Staalt belang, dal bij de instandhouding dia' industrie betrokken is en zijn daarom de meening toegedaan, dat uuk hij den Staat do uplussine. dei' financieele quaestie moet gezocht worden. De Staat verhinde zich over het oprichtingskapitaal vanéénmil lioengulden een rente te verzekeren van 3 pet. Dit oprichtingskapi taal zal onder deze garantie zeker bij elkaar kunnen gebracht worden en zoude een «edeelte dia' reservefondsen van de naamlóoze vennoot schappen, die de suikerindustrie drijven, daarin geplaatst kunnen worden. Mocht let blijken, dal de buitengewone uitgaafvan /' 75000 niet uit de winst der fabriek kan gedekt werden, dan zal uuk Dlvei tingen 206 hiervoor door den Staat subsidie verleend worden. Mochten er in de toekomst jaren komen, dat de m'>ielfabriek hare onkosten kan dekken en nog winst maakt, dan /.oude uit die winst eersl terug betaald moeten worden hetgeen de Staat in de slechte jaren aan de /.aak als routeira ra ut ie en subsidie betaald heeft en des uui Is na afbetaling hiervan een gedeelte van de overwinst aan den Staat kunnen uitgekeerd worden. In het kwaaiste geval kan deze transactie den Slaat ongeveer f 100000 's jaars kosten. Vergelijken wij dit cijfer met het cijfer, dat de belangen van den Staat voorstelt in het behoud van de Javasche suikerindustrie, dan is het zoo gering, dat wij ons met kunnen voorstellen dat de Regeering en Vertegenwoordisring oogeablik aarzelen /.uilen, om de/en post op de Koloniale Begroo ting goed te keuren. liet toezicht op het beheer der modelfabriek blijve geheel overgelaten aan hel Hoofdbestuur van het Syndicaat van Suiker fabrikanten op Java en am de worde alleen het recht toegekend om overlegging van de jaarlijksche balans te eischen. Wij stelden er prijs op deze zoo hoogst belangrijke /aak in de Indische Giis nog eens aan de orde te brengen en naar onze /wakke krachten propaganda te maken voor het denkbeeld door de heeren Koers en van Lookeren Campagne in hunne lezingen op zoo uitstekende wijze verdedigd. Wij eindigen met d m wensch te uiten, dat de mannen, die in deze het initiatief namen zich niet zuil n laten ontmoedigen door b't voorlo >pig min ler gunstig onthaal, dat bun plan bij het Neierlandsch en Indisch publiek gevonden beeft, miar krachtig zullen voortgaan op den door hen ingeslagen weg. Wij zijn vol goeden moed voor de gunstige resultaten, die ecu model-suikerfabriek zal geven, maar zelta bij niet slagen zal men dien mannen niet den lof kunnen onthouden, al het mogelijke ge laan te hebben om de Javasche suikerindustrie door eigen kracht weder tot bloei te brengen. Door de Eerste Kamer werd mei algemeene stemmen het wetsontwerp aangenomen, waarbij het uitvoerrecht op de Ja va-suiker wordt afgeschaft. Diverse mededi i 207 Volgens verklaring, in den Reichstag, van Freiherr von Thielm \nn. Duitsch Staatssecretaris van financiën zullen de regeeringen <\cr grootste suikerprodueeerende landen nieuwe pogingen aanwenden tol het afschaffen der saikerpremies. Dit zoude nu reeds de negende keer zijn, dal men langs dezen weg tol een resultaat traehl te komen. De neiging, die bestaat om de suikerpremies af te schaffen, vindl waarschijnlijk grootendeels een verklaring in hel geruehl dal verspreid werd. dal de Engelsche Regeering het plan had. om even als in de Vereenigde Staten, een belasting te heffen op den invoer van suiker afkomstig uil landen, die premies betalen. Aan den goeden wil van Duitschland en Oostenrijk om bij Ie dragen tol hel afschaffen der suikerpremiën vall niel te twijfelen. Vborloopig hangl de voortgang dezer zaak van de Belgische Regee ring af. België heeft eenigen tijd geleden aan Duitschland verzochl een conferentie samen te stellen, waarop een toestemmend antwoord werd gegeven. Op deze hoogte staan de zaken nu nog. De hoofd zaak is echter de stelling die Frankrijk inneemt. De Fransehe Re geering heeft nl. uitdrukkelijk verklaard, dat zij slechts onder die voorwaarde aan de conferentie wil deelnemen, dat de indirecte sui kerpremie van Frankrijk onaangetast blijft. Deutsche Zuckerindustrie ISül.blz. ISI l. IB<>B,b(z.so. Door Dr. \Y. Krügeb en Dr. W. Schnkidkwind zijn belangrijke proeven genomen om de denitrificatie en de daarmede gepaard gaande oogstvermindering bij gebruik van verschen stalmest te verklaren; zij deelen hierover hel navolgende mede. Wanneer men de toi nu toe verschenen verhandelingen over de denitrificatieprocessen, en nog meer die over de door deze in den bodem te voorschijn geroepen productievermindering bij cul tuurproeven, aan eene vergehjkende beschouwing onderwerpt, dan zul men niet kunne] tkennen, dal men daarbij op verschillende feiten stuit, die eene ongedwongen verklaring, in dien zin. dal lagere organismen de oorzaak .<an deze verscmjnselen zijn, niel toelaten. Zulke feilen zijn zelfs reeds gebruikt, om de salpeteront ledende werking door lagere organismen in den bodem — hoewel dit li. v. voor faeees-stroo-salpeter-aftreksel wordt toegegeven —in bet algemeen als niet bestaande te verklaren en de invloed op hel OOgstcijfer aan den mechanische)! toestand van den mei verschen Diverse mede leellngen 208 stalmesl of mei versche faeces en stroo bemesten bodem toe ie schrijven. Hoewel men hel laatste kan weerleggen, doordal men hoi be wijs van de salpeterontleding dom' hei bepalen van hel salpeter verlies kan leveren, en doordat voldoende toevoeging van salpeter hij de bemesting met faeces en str Ie oogstvermindering opheft, zoo blijft toeh nog een rij gezichtspunten over, die ons het. recht geven, dit als een zuiver chemisch-physiologisch proces te be schouwen. De navolgende cultuurproeven waren de aanleiding lot het na dere onderzoek der betreffende processen en bepaalden levens den gang van de verdere onderzoekingen. Mosterd in cultuurpotten met GOOO Gr. aarde (droge stok) (50%, ZAND, 50/ o HUMUSAOHTIG LEEM). liet opmerkelijke bij deze proeven is: I". De bekenae lage productie van de met facces en stroo be meste potten (4—6) tegenover die zonder bemesting (1 —3). 2". Deze vermindering treedt ook op, en wel in niet geringe mate, wanneer faeces en stroo aan eene zesvoudige discontinue ') Faeoea en stroo per pot 45 dr. (90 Gr. droge stof, verscli met 0,818 "/« N). Dtverse mededee tingen 209 sterilisatie van telkens I uur onderwerpen werden (7 —o>, waarna het mengsel steriel bleek te zijn. >. Bij toevoeging van 0,5 (ir. salpeterstikstof, benevens fae ces en stroo, had geen vermindering in productie plaats (13 —IfS); sterilisatie van hei daarbij gebruikte mengsel van Eaecos en stroo, was van geen invloed (Ifi —18). 4 e . De sterilisatie van den bodem in waterdamp, zesmaal, tel kens een uur. heeft in vergelijking met onhemesl en niel gesterili seerd (I 3) een verhooging der opbrengsl ten gevolge gehad (19 21). s e . Ook bij sterilisatie van den bodem met de uit faeces en stroo bestaande mesl, treedt eveneens in vergelijking mei den niet bemesten gesteriliseerden bodem (19 —21) een niet onbelangrijke pro* durlieverinindering o|> (22 —24). De resultaten van deze proeven deden de wensehelijkheid inzien, om over de verbreiding en de levensvoorwaarden (weerstandsvermo gen tegen hooge temperaturen, voeling enz.), der hier werkzame organismen, meer gegevens te verkrijgen, verdei' echter de cultuur proeven ook zoo te wijzigen, dat van een mechanischen invl I der bemesting geen sprake kan zijn. d. w. z.: in liet laatste geval zijn het de vaste bestanddeelen vanhei mestmengsd (strooen mest stroo) of de in tiet mengsel aanwezige kiemen van de salpeteront ledende organismen, die voor de verklaring van hetgeen plaats vindt, van gewicht zijn. Daar men nu aannemen kan, hetgeen ook door proeven bewe zen werd. dat de hier in aanmerking komende kiemen van lagere organismen, in het mestmengsd zoodanig verdeeld zijn, dat zij hij liet verdeelen daarvan in een vloeibaar en in een vast gedeelte, door uitdrukken of uitpersen, ja zelfs door filtreeren, zoowel in het eerste als in het laatste voorhanden zijn, zoo blijft het. daar de mestende werking van het vaste gedeelte door den vorm waarin de plantenvoedingsstoffen aanwezig zijn. slechts gering kan wezen. tamelijk onverschillig, of men alleen de vloeibare bestanddeelen van het mestmeiigsel. dan wel het laatste zelf in den bodem brengt. Dooi' zulk een afgietsel worden aan den bodera ongetwijfeld talrijke salpetcrontledeude organismen toegevoegd. De voorloopige resultaten van een in deze richting begonnen proef, zijn als volgt: 1. Zonder faeces en stroo, stand der planten: goed; 2. » » » » + °>Uj Gr. salpeter N: zeer goed; 3. 100 Gr. faeces » » Productie bijna nul; 210 Diverse medockclingen 4. uitgeperste vloeistof van 100 Gr. faeces en strboaftireksei!: goed, te verwachten productie even als bij 1. Deze resultaten laten alleen dè volgende verklaring toè. a. De door bemesting met faeeee en stroo veroorzaakte productie" vermindering, wordt door zuiver mechanischeoorzaken tevoor schijn geroepen, of b. liet stroo, ïvsp. de vaste stol van het mestméngsel oefent op de levensfunctiën der hier in den bodem in aanmerking komende Lagere organismen een invloed uit. en wel alleen, omdal het de mechanische geaardheid van den bodem in een voor hen gunstigen toestand brengt of d -dat het voor de voeding en daarmede voor den groei <\cr organismen van beteekenis is, want bel mengsel is als drager van de reductiekiemen, eelfs in dit geval en zooals nok uit de eerste proeven kan worden besloten, zonder beteekenis (7—9 en 10— IS). Op het eerste gezicht schijnt het. dat hd aannemen van den zuiver physisohen aard der oorzaken van de productievermindering, trots den hierboven daartegen geopperden twijfel, een werkéljjken steun door de medegedeelde cultuurproeven verkrijgen moet, daar, alhoe wel aan de aarde in de eiiltnnrputten door het genoemde extract van het faeces- en stroomengse] zeker talrijke kiemen van salpeter ontledende organismen toegevoegd werden, (waarvan men zich op eenc eenvoudige wijze kan overtuigen door inenten vaneen steriel l'acccs stroo-salpetermengsel met bel extract, of d ' bel mengen van het extract met salpeter en verwarming in een thermostaat bij onge veer 3y 0 C.) bij de cultuurproeven geen productievermindering optrad. Op grond van dezelfde gedachten, die aanleiding gaven tot het wijzigen (\c.r cultuurproeven, zijn gelijktijdig op dezelfde wijze on derzoekingen begonnen ever de salpetergisting. Deze werden n. m. zoo genomen, dat bet reeds bij de cul tuurproeven gebruikte extract met toevoeging van salpeter in den thermostaat op salpeter gisting onderzocht werd. Hierbij bleek het, dal hoewel in de me! extract gevulde glazen sa I petergisl ing optrad, deze echter minder hevig was als in die, welke be nevens salpeter ook faeces en stroo bevatten, en terwijl men hier in dooi' berhaalde toevoeging van salpeter telkens nieuwe gistings verschijnselen kon te voorschijn roepen, dit met het extract en salpeter alléén, niet het geval was. Hier kan van eene mechanische werking van het stroo geen Diverse mededeeliiigen 211 sprake zijn. men is daarom wel genoodzaakt niet alleen het stroo van het mengsel oen rol in het proces toe te kennen, doch deze rol moei nuk een physiologisehe zijn, d. w. z. het moet ui zijn be standdeelen een goede voedingsbron vuur de salpeterontledende organismen bevatten. Hierdoor werd hel 'i hg, het stroo in zijn componenten te ontleden en wet de laatste door gistings-en cultuurproeven, de juistheid van deze opvatting te bewijzen.. Proeven in hei laboratorium hebben op duidelijke wijze aan getoond, dat bij dé genoemde processen van de salpeterontleding slechts een physiologisehe, geen mechanische (noch als zoodanig, noch de levensfunctiën bevorderende) werking in aanmerking komt, en bel is. vuur zooverre tot nu toe vastgesteld kon worden, de in het stroo aanwezige xylaan, die als koolstofbron voor deze organismen een belangrijke rol speelt. Waarschijnlijk ontstaan de denftrificeerende processen in den bodem, slechts bij aanwezigheid van deze stof'of een andere, die de rol van deze verbinding kan overnemen. Zoo kwamen onlangs Stdtzer en Jensen door toevoeging van glycerine bij de proeven met salpetergisting, eveneens tot het be sluit, dat de kóöiëtofverbindingen van hel stroo en de faeces als de voedingsbron vuur de salpeterontledende organismen beschouwd kunnen worden. Dit van een bacteriologisch standpunt zoo waar schijnlijk vermoeden, is door onze onderzoekingen bevestigd. Vol gens deze is het niet het gehalte aan kiemen, ook niet de mechanische geaardheid van de verschillende faeces-soorten die, zooals iSTUTZER en Jensen nog mcencn, de ongelijke werking van de laatste be grijpelijk maken, maar alleen het tengevolge van ongelijke ontleding verschillend gehalte aan stollen, die voor de lagere organismen een koolstofbron vormen. Dfe hontvezel van het stroo, die in de/e richting nog verder onderzocht wordt, schijnt niet zulk een rol als de rvlaan te spelen. Met deze uitlegging zijn ook de volgende feilen, die gedurende de proefnemingen geconstateerd zijn, in overeenstemming. I" dat de dubbele hoeveelheid mest, ook in staat is de dub bele hoeveelheid salpeter te ontleden; 1" dat met den ouderdom van den mest. ook de geschiktheid tot ontleding van salpeter afneemt. Beide feiten, vooral het eerste, zijn mei de meening, dat wij met een faeces- en stroomengsel slechts mei een drager der kiemen 212 IM?erse medtideelingen voor het ontledingsproces der salpeter te doen hebben, tuel te vereenigén. Gemakkelijk vindt men echter de verklaring, wanneer men het genoemde mengsel als een gunstig voedingsmedium voor die orga nismen mag beschouwen, daar door de dubbele hoeveelheid voe dingsstof, ook het dubbele effect bij de salpeteroatleding te ver wachten zal zijn, terwijl bij ouden mest, waarin deze voedingsstoffen reeds beginnen te minderen, ook de werking veel geringer zal zijn. Vóór alles wordt echter de meening, dat de hierboven genoemde opvatting in de eerste plaats vuur de salpeterontieding in den bo dem van beteekenis is. ook gesteund, door de verbreiding der sal peterontledende organismen. Deze organismen zijn niet alleen, zooals reeds gedeeltelijk be kend was. in uittreksel van faeces-stroomengsels voorhanden, doch zijn ook algemeen in den bodem verbreid, daar zij in alle door ons onderzochte gronden voorhanden waren. Daarom is het ook niet te verwonderen, dat zij. hoewel niet altijd, toch zeer dikwijls in water en zaad voorkomen, daar deze beide aan verontreiniging, zij het dan ook slechts met door den wind medegeveerde gronddeeltjes, blootgesteld zijn. Uit de verbreiding dezer organismen volgt dus zonder twijfel, dat niet het brengen van hun kiemen in den bodem door middel van den verschen mest, de belangrijkste factor voor den schade lijken invioed vormt (t —0, 7—o, 'Il —2*) daar ze in voldoende hoeveelheid in bijna eiken bodem voorhanden zijn. en ook door zaad, lucht en water aangevoerd kunnen worden, doch alleen de toevoer van een voor deze organismen geschikte voedingsstof, bij welker aanwezigheid zij salpeter kunnen ontleden. Men moet zich daarom in het vervolg van het feit bewust zijn, dat hij bemesting mei materialen, welke organische verbindingen bevatten, viel. alleen de cultuurplanten doch ook de talrijke in den bodem vourhmden lagere chloroplujlurije organismen in gunstige le vensvoorwaarden gebracht worden. Hoewel vele organismen ook een gunstigen invloed op den toestand van den bodem kunnen uitoefe nen, zoo moei, men toch steeds gedachtig blijven, dat onderde vele processen door deze organismen veroorzaakt, ook zulke voorkomen, die voor de planten verderfelijk zijn. Deutsche Lanchobischaftliche Preste 1897, blz. 822. Illverse inedwieettngéil 213 Dr. J. Diamant geeft oen nieuw middel aan om het lood uit de met loodazijn geklaarde oplossingen te verwijderen. Het éewige tot nu toe algemeen gebruikte klaringsmiddel is de loodazijn, aan liet gebruik waarvan echter eenige onaangename eigenschappen verbonden zijn. Van verschillende zijden is er reeds op gewezen, dat een overmaat van loodazijn liet resultaat van de polarisatie belangrijk kan wijzigen. Ken verder lastig inconveniënt ishettroe bel worden der met veel loodazijn geklaarde oplossing, hetgeen wiel door toevoeging van een paar druppels ij sa zijn kan verholpen wor den; wat echter op de resultaten, door de. zij liet ook geringe ver meerdering in volumen, van invloed is. Somtijds komen ook gevallen voor, o.a. bij melasse, dat een ruime «vermaat van loodazijn geen voldoende klaring te weeg brengt. liet ligt voor do bami, dat deze onaangename eigenschappen kunnen vermeden worden, door de loodzouten op snelle eu een voudige manier uit de oplossing, die voor de polarisatie gebruikt moet worden, te verwijderen. Aan een neerslaan met zuren kan niet gedacht worden en het neerslaan met neutrale zoutoplossin gen kan door de meestal alcalische teaetie van de melasse niet volkomen plaats hebben. Op een eenvoudige en snelle wijze kan het lood echter ver wijderd worden met behulp van zinkpoeder. Voegt men namelijk bij een met loodazijn geklaarde en daarna gefiltreerde suikeroplos sing zinkpoeder, dan slnat het lood quantitat ; ef neer in den vorm van metallisch lood en men verkrijgt na het filtreeren een vloeistof, die geen spoor lood meer bevat en buitendien veel hel derder is dan die, welke alleen met loodazijn geklaard was. Door een groot aantal vergelijkende proeven heeft Dr. Diamant zich overtuigd, dat de aanwezigheid van zinkzouten, noch op het draaiingsvermogen van de suiker', noch op dat van de hier in aanmerking komende stoffen ve.n eenigen merkbaren invloed is. Deutsche Zuckerindustrie IS!>7, bh. 1l(t c J. Door Sachs werd in .1860 aangetoond, dat elke functie in de plant eerst bij een bepaalde lage temperatuur begint (minimum), bij stijgende temperatuur toeneemt, tot OP ecu bepaalde grens. (optimum) waarbij een maximum werking intreedt, en dat deze Divprs<' moili-ilcrling-cn 214 bij verdere verhooging der temperatuur gestadig afneemt om bij een bepaalde temperatuur (maximum) weder tol stilstand te komen. Hiermede was voor de werking van een der eerste factoren vuur den groei een wel gevormd, waarbij voor het eerst liet begrip van het optimum in gebruik kwam. Voor de Overige levensvoor waarden werd wel een zelfde samenhang mei de groei verschijnselen, binnen zekere intensiteitsgrenzen opgespoord, doen daarbij werden de verkregen gemeenschappelijke gezichtspunten zonder verdere aandacht gelaten. Om. vooral wat het laatste aangaat, verdere steunpunten te vinden, die zoowel een theoretisch als een praktisch gebruik op hei gebied van cultuur mogelijk maken, heeft E. W'ou.W in de laatste 10 jaren een rij ealtuurproeven ten uitvoer gebracht, waardoor den invloed der enkele, zoowel als van de gecombineerdegroei-factoren, op het productie vermogen der cultuurplanten nader bepaald wordt. Ten ccrsle werd de invloed van liet water nagegaan, waarbij verschillende cultuurplanten in petten, met aarde van afwisselend watergehalte gevuld, uit zaad gekweekt werden. He uitslag, die met de resultaten van vroegere onderzoekers overeenstemt, toont duidelijk aan. dat de productie der cultuurplanten met stijgende watertoevoer, tot aan een bepaalde grens toeneemt, bij verdere ver meerdering van watervoorraad vermindert en eindelijk bijna op nul daalt wanneer de bodem met water oververzadigd is. De nadeelige werking van een te groot watergehalte van den bodem, ontstaat doordat de wortelen niet meer kunnen ademen, alsook d ■ bel intreden van rotting en desoxjidatie-verschijnselen door afsluiting der luchttoevoer. lle invloed van verschillende hoeveelheden van een mengsel van voedingsstoffen, dal uit gemakkelijk oplosbare zouten bestond, werd eveneens hij potplanten, gedeeltelijk duur cultuurproeven in den vrijen grond, gedeeltelijk in door houten planken afgesloten vakken nagegaan. Hei bleek, dat mei de hoeveelheid toegevoegde voedingsstoffen, eerst een toenemende, dan een langzaam afnemende vermeerdering in productievermogen der planten verbonden is. tot een bepaalde grens, waarbij eene verdere vermeerdering van den voedingsstof voorraad de productie in overeenstemming daarmede vermindert. De oorzaak van dit laatste verschijnsel is voornamelijk daaraan toe te schrijven, dat een de worlels omringende Oplossing van /.(Uiten, in stérke concentratie, de opname van water door de planten be- 215 i)iverse medodeecngetl moeilijk! en onder bepaalde omstandigheden aan de laatste zelfs water onttrekt. Wat de werking der warmte op de cultuurplanten aangaat, hieromtrent werden door Wou.xv geen onderzoekingen gedaan, daar hierover doof Sachs en l\ Habebla.ndt reeds belangrijke resul taten werden medegedeeld. Daarentegen werden verschillende proeven genomen om de werking van licht van verschillende intensiteit na te gaan. Deze proeven werden in een broeikast genomen, waarin door het aanbrengen van planken wanden, drie groote afdeelingen ge maakt werden. De eene ontving onveranderd diffuus licht, gedeel telijk ook direct zonlicht. In de tweede afdeeling, werd door aanbrengen van dun papier tégen het glazen dak, in de derde buitendien door dichtplakken van eenige ruiten in de zijvensters, de werking van het licht in bepaalden graad verminderd. De planten werden in potten gekweekt. Hoe sterker de verlichting, des te groóter was het productievermogen der planten. En het algemeen wordt up den groei van den stengel en de bladeren minder in vloed uitgeoefend, dan op dien van knollen en wortels. Dit hebben DüiKM en Pagxoül reeds bij bieten aangetoond. Behalve op de hoe veelheid gevormde p hinten stol', wordt door het licht ook op de kwaliteit invloed uitgeoefend, d. w. z. het gehalte aan water, zouten, suiker, zetmeel enz. is in de verlichte en in de beschaduwde planten niet hetzelfde. Dat ook bij de werkb g van het lichl optimum bestaat, besluit Woi.i.xv uit het feit, dat het chloropbvl door intensief licht, vernietigd wordt, en ook daaruit, dat er plan ten zijn, die in sterk licht niet gedijen en andere, die van inrich tingen tot beschutting tegen sterk licht voorzien zijn. Van de factoren, die uitwendig op de productie van planton stof hun invloed uitoefenen, kwamen hoofdzakelijk de zuurstoftoe voer en de vochtigheid der atmosfeer in aanmerking. Ook voor deze bestaan zonder twijfel de reeds genoemde car dinale punten. De grootste productie van gewas zal verkregen worden, zoodra de gezamenlijke I'artoron het optimum bereikt hebben. In de natuur zullen zulke gevallen hoogst zelden voorkomen. Om omtrent de wetten, die deze verschijnselen regelen, cenig uitsluitsel te verkrijgen, nam Woi.lny proeven, waarbij de reeds genoemde groeifactoren gelijktijdig gewijzigd werden. Hierbij kwam hij tot de volgende resultaten. Diverse mected«*Hogen 216 De werking van den voedingsstoftoevoer op het productiever mogen der planton hangl hoofdzakelijk af van den voorraad vocht in den bod indien zin, dat de hoogste absolute productievermeer deriog door do bemesting bij den optimum-vochtigheidstoèstand van den bodem ie voorschijn geroepen wordt, terwijl bij meerdere of mindere boeveelheid water, de invloed van de verrijking van den bodem aan voedingsstoffen in evenredigheid vermindert, op die wijze, dat bij de hoogste en laagste grens van den voebtigheidstoe stand de voedingsstoffen meer of minder werkeloos zijn. In het geval, «lat de most rijk is aan gemakkelijk oplosbare voedingsstoffen, kunnen deze zelfs bij een gering watergehalte van den bodem, op de productie van nadeeligen invloed zijn. Het bleek verder, dat de door den toevoer van voedingsstoffen verkregen productievermeerdering dos te grooter is, hoc meer licht het gewas ontvangt en eindelijk, dat de invloed der vochtigheid van den bodem op het produetievermogen van de cultuurplanten dos te gunstiger is. boe sterker de lichtintensiteit en dat de hoe veelheid water, die de maximum productie waarborgt, slechts bij on belemmerden toevoer van licht tot volkomen werking komt. Aan de rationeele plantencultuur valt dus ten eerste de opgave ten deel, de in minimum of in maximum voorhanden groeifactoren door bepaalde maatregelen op don normalen toestand (optimum) te brengen, in zooverre de hiervoor noodigc onkosten door de daar mede verkregen meerdere productie goed gemaakt worden. Tot nu toe was steeds bet streven in de praktijk de hoeveel heid voedingsstoffen in den bodem te regelen. Maar ook de ge noemde factoren kunnen h< heerscht worden, voor»] het water, waarvan do hoeveelheid niet alleen afhankelijk is van den toevoer uit de atmosfeer, doch ook van do maatregelen, welke bij de mechanische bewerking van don bodem kunnen genomen worden. Ook bij de bemesting moet men de groeivoorwaarden in aan merking nemen. In een klimaat, dat op zich zelf reeds de ontwik keling van de plant begunstigt, kan men een grooter hoeveelheid meststoffen pebruiken, dan onder omstandigheden, waarbij de weers gesteldheid van dien aard is, dat crw grootere productie niet ver kregen kan worden, Naturtvissenschaflliche Rundschiu 1897, blz. 011. Diverse ttiedoleelinfrcti 217 Dn. (i. P.miiiNs geeft eene zeer bruikbare bekorting aan op de glucosebepuluig volgens <le gewiohtsanatyltstihë methode. Zooats bekend is. berust deze nnetbode r»p de redactie tol metaal in een waterstofstmom van het, vooraf' in een gewogen buisje verzamelde ko.■i'L'iixyiliilt!. Ueze bepaling kan tot velerlei fouten aanleiding geven, zooals verandering van hët gewicht van liet. buisje gedu rende dn I) 'Werking, verliezen aan ko|ieroxydnl en onvolkomen retuceering van het metaal, terwijl bieibij nog debezwaren komen van steeds met een toestel te moeten wei ken, dat lacht aanleiding tot ontploffing kan geven. Dikwijls is dan ook beproefd een andere meer betrouwbare methode te vinden, doch tot nu gelukte dit alleen, wanneer men slechts getinge hoeveelheden koperoxydule in behandeling had, daar men dan dit nxydnle op een filter ver zamelen, drogen en gloeien kon, waardoor liet volkomen tot oxyde overgaat. Grootere hoeveelheden oxydule zijn moeilijk geheel en al in oxyde over te voeren. Dit bezwaar is nn bil de door Dn. liriiiiNs voorgestelde wijziging uit den weg geruimd. Het mengsel van koperoxyde en koperoxy dule. dat na gloeiing in den platinakroes aanwezig is, wordt tot me taal gereduceerd, door op het mengsel in gloeienden toestand damp van rneihylalcohol te laten inwerken, hierdoor, gaat alles snel in koper over, dat gewogen wordt. Dn. HmjiiNS geeft de volgende wijze van werken aan. Van de te onderzoeken stof lost men 50 gram met water tot 250 c.M'-. op en filtreert de aldus verkregen oplossing, 50 C.M*. van het fikraat brenut men in een kookkolf met vlakken bodem van GUO c.M3. inhoud en voegt, er 50 c.M 3 . Fehlingsproefvocht bij. waarna men voorzichtig omschudt. Men verhit de kolf nu op de vlam en laat van af het oogenhlik, waarop het koken aanvangt, nog nauwkeurig 2 min. doorkoken, waarna de vlam verwijderd en 100 c.M 3 , koud gedistilleerd water in de kolf gegoten worden. Men filtreert door een nauwaansluilend filter, waarbij zorg wordt gedragen, dat het filter steeds tot dicht aan den rand met vloeistof gevuld blijft. Is alle vloeistof uit de kolf op het filter gebracht, dan spuit men met koud water de deeltjes oxydule, die nog aan de winden van de kolf achterbleven, eveneens np het filter en wascht dit zoo lang met kond water uit, waarbij men het filter steeds vol vloeistof houdt, tot dat de blauwe kleur van het proefvocht verdwenen is. Nu wascht men nog met 200—300 c.M 8 . kokend water ni, droogt het filter en verbrandt het, waardoor in Diverse mede lodingen 218 den vonraf gïvtngeri | jl.it in ikf<> s een mengsel van koperoxylule en koperoxyde zal terug blijven. Zoodra hot filtei? volkomen verbrand te, verzamelt mendebla derige massa der oxijden aan eene zijde vun den kroes, en bedekl de2e met een plaat, die in het midden eene kleine opening bezit. No verhit men de schaal tot helder roodgloeihitto en droppelt dan uit een pipet van 2 c.\l :t . inhoud één oMfc methylalcohol (ip de oxyden, waarna men de vlam vei wijdort en neg éen e.M :i . alcohol in de platinaschaal laat vloeien. De eerste hoeveelheid alcohol gaat doorde hooge temperatuur van den kroes dadelijk in den spheroidaaltoestand over en verdampt daar door slechts zeer langzaam, waardoor de alcohol inde gelegenheid is om op hot oNydo in te werken en dit volkomen lot metaal te redu cceren, wat ook aan een heftiger gloeien van het oxyde kan waar genomen worden. De overmaat alcohol heeft slechts ten doel, door hare verdamping het oxydeeren van het juist gereduceerde koper te beletten; zoodra de wanden van de platinaschaal niet meer gloeien, verdampt de alcohol zeer snel en verbrandt bij het aan steken met een gr oo te vlam. Korten tijd nadat deze vlam ver dwenen is, kan het deksel van de schaal genomen worden. Na voldoende afkoeling aan de lucht, plaatst men de schaal in het kastje van de balans en weegt na verloop van ongeveer 5 minu ten; uit de gewichtstoename van de schaal vindt men dan de hoeveelheid koper. Hieruit kan dan met behulp van de gewone tabellen eerst de overeenkomstige hoe\eelheid glucose en daarna het glucosegehalte van de onderzochte stof berekend worden. Indisch 1 Mercuur 1597, blz. 620. Ken onderwerp, dat voor de rietsuikeiTahrikatie haast van nog grooter belang- is, dan voor de beetwortelsuikerindustrie behandelt Dit. (!. liuiixs iu bet Centralblatt. Het betreft de bepaling van bet gehalte aan vrij zuur iu ruwe sappen, hetgeen op dé gewone wijze van direct titreeren van het ruwe sap met normaal loog niet kan geschieden, uit hoofde van de donkere klein- van het sap. waardoor het omslaan van den indicator niet is waar te nemen. Toch zou een goede methode voor de bepaling van het vrije zuurgehnlte veel kunnen bijdragen, om een juister inzicht in de samenstelling van de verwerkte grondstof te verkrijgen en ook als controle bij de diffusie of éaolènwerkzaamheden van veel nut kunnen zijn. 219 Diverse medcdeeEngeti Zooals licht te begrijpen is, moeten voordat tot een bepaling van hoi zuurgehalte overgegaan kan worden, vooraf de kleurstoffen uil hel sap verwijderd worden, zonder dat hierdoor in de hoeveel heid der aanwezige vrije zuren nuk maar de minste verandering te weeg gebiacht wordt; dit doel kan bereikt worden door in plaats van met een oplossing van liasisch azijnzuur lood het sap te klaren, biervoor een volkomen neutrale oplossing van azijnzuur lood te nemen. Voegt men namelijk hij het sap '/in volumen eener oplos sing, die 300 gram loodacetaat in een Liter bevat, dan verkrijgt men een nitraat, dat op het oog nauwelijks te onderscheiden is van de vloeistof, die men dom- bijvoeging van '/ l0 volumen basisch azijnzuur lood verkrijgt. De vloeistof kan dan ook zoudei' bezwaar voor de polarisatie gebruikt worden, want. d<> aldus verkregen 1 cij fers verschillen zelden met de polarisatie, die van het met I lazijn geklaarde sap verkregen wordt, terwijl indien verschillen voorkomen, deze toch nooit borger dan 0,3" zijn, zoodat bij de omrekening van de polarisatie op procenten suiker, en hij de berekening van de reinheid, geen noemenswaard verschil ten opzichte van de ge woonlijk gevolgde methode kan voorkomen. Men moet er echter rekening mede honden, dat het filtreeren van de vloeistof niet zon snel plaats heeft, als wanneer basisch azijnzuur lo id wordt t «gevoegd, en dit niettegenstaande het neerslag veel min ler volumineus is dan hij loodazijn. Het aldus verkregen heldere filtraat, kan echter nog niet voor de bepaling van de hoeveelheid vrije zuren gebruikl worden,mulat bij tegenwoordigheid van loodoxyde phenolphtalétne en ook andere indicators niet met zekerheid liet oogenblik laten waarnemen, waarop de vloeistof, dom' de bijvoeging van de loog juist geneutra liseerd is. Waaraan dit toegeschreven moet worden, kon tot nog Ine niet nader onderzocht worden, maar het l'eit is des te merk waardiger, omdat in tegenstelling met hot bovenstaande, het loodoxyde, dat in het loodsaccbaraal aanwezig is, do pbenolphtaleï neoplossing wel rood kleurt, waarvan dan ook hij het onderzoek van hel saccharaat en van de afval-loogen van dat procédé gebruik ge maakt kan worden. Wil men dus de aciditeit van de vloeistof bepalen, dan moet vooraf het lood verwijderd worden, en dit kan geschieden met een van zwavelzure soda., die in geringe overmaat wordt toege voegd; men maakt deze vooraf volkomen neutraal ten opzichte van phenolphtaléine. Na bijvoeging van deze oplossing bij bet sap en 220 Diverse mededeeltngeti na filtratie zal men eene vloeistof verkrijgen, die volkomen loodvrij en vvaterhelder zal zijn, zoodal nu hel titreeren met loog en phe nolpbtaléïne als indicator mei buitengewoon groote scherpte kan plaats hehben. Alleen bij sap van zeer slechte grondstof afkomstig, kan door een neutrale oplossing van azijnzuur lood niet alle kleur stof volkomen worden neergeslagen, waardoor tegen het einde van het titreeren, dat het lies), met '/f normaal kaliloog plaats heeft, een lichte roodbruine verkleuring der vloeistof ontstaat. Doch ook in zulke gevallen kan de aciditeit nog volkomen zeker bepaald worden indien men bij hel titreeren slechts zeer veel phenolphtaleïne toe voegt, en de bepaling als geëindigd beschouwt, wanneer de lichte kleur der vloeistof plotseling zeer donker wordt. Ten slotte moet nog vermeld worden, dat het niet mogelijk is een oplossing van azijnzuur lood te maken, die steeds neutraal blijft. Wanneer men namelijk de bovenvermelde oplossing van azijnzuur lood met zooveel eener volkomen geneutraliseerde oplos sing van natriumsulfaat vermengt, dat al het lood is neergeslagen en filtreert men. dan zal de aldus verkregen vloeistol een zeer zwak zure reactie vertoonon. Maar daar de oplossing van lood suiker onbepaald lang goed blijft, indien zij in een goed geslo ten flesch wordt bewaard en daardoor de correctie voor de over maat zuur steeds dezelfde zal zijn. zoo vormt dit geen bezwaar voor de toepassing van de methode. Men zon de loodaeetaatop lossing met loog kunnen ncntraliseercn, maar ook hierdoor wordt op den duur geen blijvend neutrale oplossing verkregen, want na korten tijd ontslaat een neerslag in do vloeistof en evenals vroeger t dan eene correctie worden aangebracht. De uitvoering van liet onderzoek en liet vaststellen van de cor rectie heeft op de volgende wijze plaats. II. ■( sap wordt met V'm volumen aan loodacetaatoplossing (303 gram van het zout op 1 liter water) vermengd, waarvoor men het bost een kolf van 500 — 2-20 c.M'. neemt, die men eerst tot de eerste ctreep met l'O'l c.M 8 . sap vult, waarna men tol de tweede streep met loodaeetaal opvult; na schudden verkrijgt men dan spoedig 100 «-.Mi. helder filtraat, indien dooreen ruim filter gefiltreerd wordt. De 100 c.M 3 . filtraat brengtmen in een kolf van 100 -110 B.M 1 ;; vuil tol de l' streep met geklaard sap en voegt dan lOc.M'. verzadigde natriiinisiilfaatoplossing toe. waarna omgeschud en door een droog filter gefiltreerd wordt. 100 c.M 8 . van dit lilt raat titreerf men met 'Jio normaal alcnli, waarbij men dan een ruime hoeveel heid eener phenolphtaleïneoplossing als indicator gebruikt. Diverse mededeelingen 221 I >ij het bepal«ta v;in de aan te weftden eorreètie neemt men natuurlijk gedistilleerd water. Bij drie van deze gea met loédsuikereplossingen, die uil sout van verschillende her komst vervaardigd waren, werden steeds nagenoeg overeenstem* mende icsultateu verkregen; de hoeveelheid long voor liet neutra* liseeren van 100 e.M B . van het laatste filtraat noodig, bedroeg I c.M*. l fvi normaal kaliloog. Daze hoeveelheid moet van het aantal i-.M :t . long ter neutralisatie van het sap benoo ligd, afgetrokken wordenj terwijl liet resteeremle na, vermenigvuldiging met I,'H liet zuurgehalte van het ruwe sap. uitgedrukt in e.M*> H-o nunnaal loog, voorstelt. Bij een grool aantal proeven genomen met de sappen van een liuitsetic beetwortclsuikorfabriek hlcek de aciditeit van het ruwe sap af te wisselen tusselien 10.9 en 24,2 c.M 3 . '/ui norm. loog. Daar in dien tijd geen bijzonderheden bij de verwerking van liet sap plaats hadden, keu niet nagegaan worden, of de oorzaak van bij zondere omstandigheden bij de verwerking van het sap nok samen gaat met een buitengewoon gehalte aan zuren. Indische Mereuur f#97 blz, 102. Het tweede congres van het Algemeen Syndikaat van Suiker fabrikanten op Java, zal gehouden worden te Djocja op 5, 0 en 7 April 1898 in het logegebouw en aanvangen te 9 uur v. m. H. H. geëmployeorden hebben toegang op introductie hunner respectieve administrateurs. De navolgende onderwerpen zullen worden ingeleid: 1. De dongkellanziekte in het suikerriet. J. D. Kobus. 2. Over carbonatatie. W. 11. Th. Harloff. 'ó. Grondslagen eener regeling van het gebruik van irrigatiewater. C. W. Weijs. 4. Onderzoekingen over den achter uitgang in polarisatie van afge werkte suikers. Dr. H. Winter. 5. De nieuwe voorwaarden van sui kerverkoop. S. A. Arendsen Hein. 6. De voordeeligste sapwinning door molens. O. Muller von Czernicki. 7. De onbekende verliezen bij de suikerfabrikatie. H. C. Prinsen Geerligs. 222 Diverse mededeelin^cn Fri zijn verslag over l>BoB schrijf! de Fransche vice-concul te Durban over de suikor in Nntal: Hel jaar 1896 is niet aoo rampspoedig geweesl als d« voortee- Im'mcii konden doen vreezen. De regens waren Overvloediger dan men verwachtte en de verwoestingen der sprinkhanen zijn grooten deels door de natuur zelve hersteld. De suikerplanters zijn er in geslaagd om vrij spoedig de jonge sprinkhanen te vernietigen, door gedurende het Bomerseisiuen hunne indische arbeidere aan liet werk- te stellen tol het isoleeren hunner plantages, door het uitgieten óp aangewezen plaatsen van een ar sentcumhoudend vergif, gemengd met melasse. Gedurende hel jaar 1895 werd de suikerproductie geschat op ongeveer 16500 ton, waarvan 11250 ton voor de Nborder- en .Y2r>i) ton voor de Zmderzeekust. Voor hel jaar IS"0 wordtde pro ductie gescha/l op 16102 ton. Deze cijfers zijn benaderend; want bij de raming is hoofdzake* lijk achl geslagen op de tonnemaal door den spoorweg vervoerd. De statistieken ten opzichte der suïkerrietcultuur en der sui kerproductie gepubliceerd, verschillen naarmate der bron van herkomst. De Kamer van Koophandel, grooténdeéls samengesteld uit in en uitvoerhandelaars, raamt het met riet beplante oppervlak op 13000 11. A. die in normale seizoenen l :i U tol 2 toh suiker ople veren; hel hierin belegde kapitaal zou volgens haar 25 millioen frs. bedragen. Eerst in den loop van het jaar 1896 heelt hel gouverne ment de suiker geplaatsl op de tijst dèr koopwaren, dié slechts het transitorecht van 5 pCt. betalen, wanneer het artikel bestemd is om door de koloniën Vervoerd te worden. Deze maatregel werd genomen, niettegenstaande de protesten der planters en der suikerproducenten. De kooplieden keurden den maatregel goed, dien zij trouwens sedert tien jaren gevraagd hadde p grond dal de Imitenlandsche suiker, die van Mauritius bijv., naar Transvaal ging over Delagoa Bay ot' East-Löndon, terwijl zij in Natal een invoerrechl verschul digd was van A sh. 6 d. per cwt. (50,8 K.G.) en dat dns de kolo nie de voordeelen verloor, voortspruitende uit <\c\\ doortochl van dit artikel door haar haven en over hare spoorwegen. Niettegenstaande deze tariefsverlaging is de suikerprijs geduren de de laatste maanden aanmerkelijk gestegen, en de belanghebben den klagen niet zoo veel meer over de schade dooi' de sprinkha- Divers' 1 mmiedeelingen. 223 nen veroorzaakt. Klaarblijkelijk zal de suiker van Natal boven die van Mauritius of Europa hel voordeel hebben der vracht, welke deze laatste moeten betalen tut aanvoer alhier, zoolang als de planters en de producenten kunnen rekenen op vasten en weinig kostbaren handarbeid. Echter moet opgemerkt worden, dal de Trahsvaalsche markt gedeeltelijk voorzien zou kunnen worden met suiker herkomstig uil de plantages aanwezig in de Portugeesche bezittingen der Airi kaansche kust. doch deze concurrentie kan alleen ernstig worden, ZOO deze streken zich meer ontwikkelen en bediend worden door snelle! en goedkoope middelen van gemeenschap over land en over zee. Indische Mercuur ISO7, blz. 540. De Commissie van het DuitscJie Siiik«rsyn<licnat heeft beraad slaagd over het Cartelcontract en over de bijdrage der raffinaderijen tot liet Cartcl. Omtrent den uitslag verneemt men nog niets. Zooals reeds gedeeltelijk bekend, is het doel. door het Cartcl een binncnland schen normaal-prijs]van / 7,50 perso K.G. vast te stellen. Met verschil tusschen dezen prijs en den transitoprijs is het opgeld voor het binnenland; buitendien is een vaste verhooging voor onkosten in uitzicht genomen. Beide, bet opgeld en de bijslag voor onkosten, worden bij uitvoer weder vergoed. Dit Cartelplan berust op de volgende berekening, die wel is waar alleen op den tegenwoordigen stand der prijzen is gegrond en niet in aanmerking neemt, dat door een daling der transito-prijzen tengevolge der overproductie hel verlies aan de uitgevoerde hoeveelheid suiker lichtelijk grooter kan worden dan de winst, welke door de hcüïng van het inlandsen opgeld wordt verkregen. Er wordt aangenomen, dat de totale pro ductie 1850 millioen K.G. ruwe suiker bedraagt; daarvan worden (550 millioen in het land verbruikt, 900 millioen ruwe suiker en '270 mill. K.G. geraffineerd worden uitgevoerd. Bij een transitoprijs van f «VB, zou het inlandsch opgeld f 7,50 minus fs,2Bdus ƒ2,2*2 be dragen, waar een bijslag voor kosten van /' 0,18 bijkomt, maakt f 9,40 en omgezet op een rendement van 90 f 2,16 of f 0,0432 per K.G. Dit geeft 1850 millioen maal f 0,0432 gelijk f 79,920000; daarvan moeten aan uitvoer voor ruwe suiker f 38,880000, voor geraffineerd f 12,060000 te zamen f 51,840000 worden vergoed. Er blijven dus als winst van het Cartcl f 28,080000, hetgeen per 50 K.G. suiker f 0,75 geeft. Voor het geval, dat de uitvoerpremiën door l'iversr mededefttlvgen 224 den staat worden opgeheven of verlaagd, zal de binnenlandsche normaalprijs verhoogd worden mei hel bedrag dezer verlaging. Do verhooging geschiedt alleen niet, wanneer gelijktijdig in Oostenrijk- Hongarije, Frankrijk, België en Nederland de premién worden afgeschaft. Men verneemt, dat tot nu toe 75 pet. dei- fabrieken zijn toe getreden; vereischl wordt de toetreding van 97 pet. van het geheel contingent 'ler beetwortelsuikerfabrieken. Een eontingenteering is in het Cartelplan niet opgenomen; zij /al waarschijnlijk door de raffinaderijen worden verlangd. Indische Mercuur 1897, blz. 04. Bij Ebuli (Provincie Salomo) is een belangrijke hoeveelheid Flederninizen-Cuano gevonden, met de navolgende eigenschappen. De guano bezit een sterk zure reactie, bevat 2,99% totaal stikstof, waarvan slechts zeer weinig in den vorm van ammoniak en de rest als nitraat voorhanden is; zij bevat behalve fijne en grove klei enkele kalkslukjes en een rijkelijke hoeveelheid humus achtige organische stof. In water oplosbaar 20,30% » » onoplosbaar 64,68 » Verlies bij 100° C. 18,02 » Gloei verlies 29,11 » Asch 52,87 » in water oplosbaar 25,61 % onoplosbaar 74,39 » De asch bestaat uit: In zoutzuur onoplosbaar 14,69% Phosphorzuur 20,69 » IJzeroxyde en aluinaarde 16,85 » Calciumoxydc 13,8i » Magnesia 0,18 » Kali (K a O) 2,08 » Natron (Na 2 o) 0,81 » Rest 0,86 » 47,96% van het totale phosphorzuur is oplosbaar in citraatoplossing. Jahfesbericht Agrikullur Chemie 18'Jii. blz. 50. Diverse medodeelingen 225 De bepaling van perchloraten in Chili-salpeter geschiedt op de navolgende wijze: 20 Gr. Chili-sal peter worden in 20 c.M*. water opgelost en hierhij onder afkoeling 15 e.M*. geconcentreerd zwavelzuur ge voegd. 'Pot reductie van liet salpcterzuur word! zwavelwaterstof doorgelei i, na rte re luctie de zwavel van de vloeistof afgeliltreerd en in het (iltraat rubidiumchloride gedaan. ') Ook kan uien de Chili-sal niet zwavelzuur aan een gefractioneerde dis tillatie onderwerpen en in het distillaat hel chloorzuur aant n Indien veel perchloraten voorhanden zijn, kan men in plaats van rubidiumchloride ook azijnzure kali gebruiken; deze reactie is echter niet zo» gevoelig. Quantitatief wordt het chloorzuur bepaald doordeChili-salpeter te gloeien, waarbij het .perchloraat ontleed en in chloride omgezet wordt. Wordt nu hierin evenals in de niet gegloeide salpeter, het chloor bepaald, dan kan men uit liet verschil der twee chloor bepalingen de hoeveelheid perchloraat berekenen. Bij het gloeien van do Chili-salpeter heelt geen verlies van chloor plaats, daar tevens een ontleding van het nitraat plaats tireft en de daardoor ontstane alcalische reactie de verdamping van chloor verhindert. Het gloeien moet hij donker-roodgloeihitte gedurende'2 uren plaats hebben, boven een Hinken brander. O. U. Zcilschrift für Z. and L. 1891 bh. !)14. De cultuur van het suikerriet op het eiland Madagascar kan met denzelfden goeden uitslag gedreven worden als op de naburige eilanden Mayotto, Nossi-l>é, Réunion en Mauritius, wa ir dezelfde toestanden, voor zooverre het klimaat betreft, heersenen. Door de oprichting van nieuwe suikerfabrieken en distilleerderijen op Ma. la gascar, zou de cultuur van het suikerriet binnen korten tijd een zeer hoogc vlucht kunnen nemen, want het eenige, dat tot nu toe hare uitbreiding in den weg stond, is dat er geen voldoende aantal fabrieken voor het geplante riet aanwezig is. De bescherming, die nu echter door het gouvernement verleend is, namelijk door alle producten vrij van inkomende rechten te stellen, is een krachtig hulpmiddel om de verdere ontwikkeling der industrie te gemoet te komen. De cultuur van het suikerriet eischt wel veel 1) Hierdoor ontstaat een neerslag van rubidiumpercliloraat (Rb Cl O,) dat in water weinig oplosbaar en ia absolute alcohol zoo goed als onoplosbaar is. (Red.) Diverse mededeelingen 226 zorgen, m,i,ii 'Li.M -i,i.ii tegenover, dal lij reeds in IS maanden winstgevend is. Op Nossi-.Be bestonden vroeger verscheiden fabrieken, diedoor uitgebreide plantages van hel benoodigde riel voorzien werden. In bel westelijk gedeelte van de vroegere kolonie Diego Saarez en vooral in het districl A.ntalah en in hetzuiden van Vohemar is de cultuur van het suikerriet reeds verscheiden malen beproefd en zeer I end gebleken. In het distriet Taunlave bevinden zich drie /eer groote suikerrietplantages, die een suikerfabriek van het I •<>- noodigde riet voorzien; de stroop word! in eene in de nabijheid gelegen distilleerderij verwerkt. Ook andere gedeelten van het eiland, zooals de districten Andevurante en Vatonandry zijn zeer geschikt vuur den aanplant van suikerriet. In het zuidelijk gedeelte is de rietcultuur eveneens kort geleden doorgedrongen; verschelden plantages zijn daar op groote schaal aangelegd, waarvan het riet door een nieuw gebouwde fabriek verwerkt zal Worden; van de stroop wordt rum gemaakt. Op de Westkust van het eiland heefl de rietcultuur slechts op enkele plaatsen vastea voet verkregen, in de nabijheid van Magunja wordt vrij veel riet verbouwd doch uit sluitend ten dienste van de bevolking, hetproduct vormtdan ook in deze streken in hel geheel geen handelsartikel; de grond van Boueni, die te droog is, leent zich niet voor de cultuur van het riet. In het binnenland wordt de rietcultuur slechts op zeer kleine schaal gedreven, niet omdat de bodem er ongeschikt voor is, maar omdat de invloed der kolonisten nog niet tot zoover is doorgedron gen. Toch heeft in hef landschap l'.etsilev de cultuur van het riet, met zeer veel succes plaats; het riel is klein maar zeer suikerrijk. de inboorlingen stuken er een soort rum uit van buitengewoon slechte kwaliteit. Daarentegen slaagde in het district Emyrne bot riet niet; ofschoon men zich zeer veel moeite gaf, en alle zorg aan de aanplantingen besteedde, ontwikkelde het riet slecht, de bevol king maakt er een slechte soort suiker van vuilgele kleur uit. die betrekkelijk zeer duur verkocht wordt; de Hova's maken uit het riet een snuit brandewijn van slechte kwaliteit doch met hoog alcohol gehalte. Met hetzelfde duel wordt het riet in het district Ambalun drazaha gekweekt, de grond en het klimaat leenen zich hier bij uitstek vi mi' deze cultuur; het riet groeit zonder eenige zorg of toezicht /eer krachtig. Ook in het vruchtbare gedeelte van Mandtri zara wordt hel riet door de bevolking op allerlei producten verwerkt; Dlrerae muil'iWlingcn 227 hier vooral zou door doelmatig beheer een groote toekomst voor de rietcultuur op ruime schaal zijn weggelegd. Indische Mercuur 1897, bh. 688. In Onst-.tfrika wordt door de inlanders suikerriet tot locaal gebruik aangeplant. In Duitsch Oost-Afrika en op Zanzibar verbouwen de Arabieren hetsuikerriei in hel groot. De aanplanten op het eiland verminderen echter, daar door het dalen der suikerprijzen en de moeilijkheid in het verkrijgen van slaven, het produeeeren van suiker niet meer loonend is. A;in de Pangani-rivier echter, waar niet alleen de natuurlijke toestand voor de rietcultuur zeer gunstig is. doch ook gemakkelijk over arbeidskrachten kan beschikt worden, nemen de suikerriet plantages steeds in uitgebreidheid toe. De meeste fabrieken wei-ken nog zeer primitief, slechts enkele zijn in bet bezit van molens, die door stoom gedreven worden ; de producten bestaan uit gele suiker on melasse, die over Zanzibar naar de kleine plaatsjes in Oost-Afrika, de kust van Sornali en Arabië vervoerd worden. Een Duitsch syndicaat heeft het voornemen aan de Pangandrivier een suikerfabriek op te richten, die in het niet onbeduidende verbruik van geraffineerde suiker in Oost-Afrïka wil voorzien. Een vroeger door een Ëngelsche firma gebouwde suikerfabriek lij Mkokotoni op Zanzibar leverde zeer ongunstige resultaten, waarschijnlijk om dal deze zaak in eens op te groote schaal aangelegd was. De invoer- in Oost-Afrika overtreft den uitvoer nog belangrijk. Aan melasse en gele suiker werd in 1895 san Oost-Afrika naar Zanzibar voor 199660 roepijen (11. 221)770' uitgevoerd. In de behoefte der inlandsche bevolking wordt behalve door deze suiker enk rwg (loor rietsuiker van liefere kwaliteit van de Konioren en Mauritius voorzien. Buitendien wordt veel Europeesche suiker ingevoerd. De import van 1896 vertegenwoordigde eene waarde van 11. iOOOOO tegen 11. 302i00 in 1895. Prager Zuckermarkt ISU'7, bh. 800. Aan een rapport van den Franschen consul Ie Manilla, over de suikerindustrie op de Phüippijnen, onlkonen wij liet navolgende: De lïctsuikcrcultuur op de Phüippijnen breidt zich steeds meer 228 Diverse mededeelingeD ein meer uit, hoewel liet rendement aan suiker verre beneden dal van Cuba blijft. Volgens de statistiek van de douanen te Manilla, bedroeg do uitvoer in Ih7l 101,374199 K. (<■ suiker, nis p o ]gi verdeeld: Manilla 61,705&95 K. G. lloilo 25,875995 . » Cebu 13,792319 » _ » Totaal 101,374199" K. G. Tegenwoordig schat men de gemiddelde suikerproductie der Philippijnen op Lï9 milliocn K. (i., hetgeen zeer weinig is, indien 11 mm 1 de oppervlakte dezer eilanden vergelijk! met die van Cuba. De oorzaken, van deze belangrijk kleinere hoeveelheid zijn talrijk en wij zullen slechts van de voornaamste melding maken, de be kende onverschilligheid en zorgeloosheid, die de inlanders van dezen archipel kenmerken, buiten beschouwing latende. Toen men op de Philippijnen in hel groul met de suikerriet cultuur begon, moest men gebruik maken van eenigszius hoog ge legen terreinen, niet alleen om den vochtigen toestand van den bodem in de laaglanden te untgaan, doch nuk omdat de vlakten en de dalen voor het grootste gedeelte voor de maïs- en rijstcul tuur in beslag waren genomen. Het gevolg hiervan was. dat veel werk noodig was. daar de aanplantingen grootendeels ver verwijderd waren van de comtnuniea tiewegen. He nabijheid t\cv bergen was oorzaak, dat de rietaanplauten duur verschillende rietvijanden aangetast werden, zuoals wilde zwijnen, die veel op de Philippijnen voorkomen en tal van schade lijke insecten, die de zorg der planters vermeerderden. Daarbij komt nog, dat de maagdelijke gronden, zooals men weet, stoffen bevatten, die de daarvan verkregen rietsappen moei lijk verwerkbaar maken; hierbij gevoegd de onwetendheid en het slechte beheer, dan is het niet te verwonderen, dat |>as na 2 jaren een verkoopbaar product werd afgeleverd. De lallen en andere knaagdieren veroorzaken ookgroote schade aan de aanplantingen, die bovendien zeer slecht bewerkl zijn. De fabrikaüemethoden op deze eilanden zijn ever hei algemeen zeer onvolkomen; behalve op 2 of ó fabrieken, is de fabrikatie hoege naamd niet vooruitgegaan, en bepaalt zij zich slechts tothet volgende: Met nel wiirdl geplet tiisschen twee cylinders, welke veelal van Steen zijn, sjans van gietijzer en die op zeer primitieve wijze La Diverse mededeelinjen 229 beweging worden gebracht, waarbij buffels een grbote rol spelen; van stoom wordt zeer weinig iiebruik gemaakt. Het hierdoor vorkregen sap wordt zon goed en zoo kwaad als hel gaal in groöte reservoirs opgevangen, waar het eenigen tijd ver blijft alvorens naar de kook kegels ovérgebraeht te worden; meestal heelt dit laatste direct plaats. ITct riet wordt slecht schoongemaakt, bladeren, wortels, alles wordt naar de fabriek vervoerd. /''U's het schuimdek van het sap wordt slechts onvolkomen of in liet geheel niet verwijderd; voegen wij hier nog bij, dat er gebrek aan werkkrachten en aan kapitaal bestaat, dan laat zich hieruit den treurigen toestand dei' suiker industrie op deze eilanden voldoende verklaren. Meestal wordt in Maart en April geplant, opdat liet riet bij liet invallen der regens een voldoende grootte bereikt zal hebben. Men vindt hier ever het algemeen slechts 2 rictsoortcn, een groene en een roodachtig gekleurde soort. De voornaamste produceeEende streken zijn de provinciën: Batangas, ï'ampange. Horos en I'aiigasinan, verder Hoilo en de eilanden Cebu en Negros. liet product is van zeer inferieure qpialiteit en slecht bereid, en gaat bijna geheel naar Japan, Engeland en de Ver. Staten van Noord-Anierika; het hcel't slechts één verdienste on wol die, dat het goedkoop is. Sucrerie intik/éne et coloniale 1897, blz. 474. Naar alle waarschijnlijkheid zullen in Australië spoedig l»o«t -wortelsuikerfabrieken opgericht worden. In de kolonie Victoria en in Nieuw-Zeeland moeten volgens berichten, uitstekende gronden voor het verbouwen van beetwor telen voorbanden zijn. J)c regeering heeft bet parlement reeds het vorige jaar ge machtigd nit de schatkist een bedrag van I' 600000 voor leeningen en voorschotten toe te staan tot hot aanplanten en verwerken van beetwortelen. Thans hcel't zich in het district Mafi'ra in Gippsland een maatschappij gevormd voor het oprichten (ener bcctwortelsiii kerfabriek, waaraan eenige maanden geleden door de regeering een leening van I' 120D00 is toegezegd. De fabriek zal een capaciteit bezitten van 30000 K . ö. beetwortelen in de 24 uren. Deutsche Zackerindustrie 1897, blz. 1564. 1 'i\irsc medecteolingeH 230 Regen-waarnemingen, December 1897 Diverse mededeelingen. 231 MAANDELIJKSCH OVERZICHT VAN DE I!ki;k\\\ \AIt.NKMIMJKX VAN HET Algemeen Synwcaat van Suikerfabbikanten op Java. December 1897. STATISTIEK- OOGST- EN MARKTBERICHTEN, KNZ Het suikervcrbruik in Dniisclilaiul bedroeg totaal en per hoofd: in 1888/83 337.614300 K. G. 7,39 K. G. » 1889,90 447,110100 » » 9,11 » » » 1890/91 470,253400 » » 9,49 » t » 18«JIAJ2 47G, i ?G'»BÜO » » 9,52 , » » 1892/93 501,319400 » » 9,8 -j » » » 1893/91 516,630 JOO » » 10,08 » » » 1894|95 552,091700 » » 10,68 » » » 189.7'j0 608,859500 » » 12,72 » » Stammer's Jahres-Bericht 1890, blz. 3-2S. 232 Diverse modedeelingen Overzicht vam dkx üiktsiikkim itvoki; en ih Bietsuiker- PROÖÜCTIE VAN JUI.I T/M. SEPT. 1597. Statistiek, oogst- en marktberichten, enz. 233 De Suikerproductie van Queensland bedroeg gedurende 12 maanden tot einde Juni 1897 1007X2 ton, dus 14527 ton meer dan het vorige jaar, Uit de statistiek blijkt, dat dit de grootste hoeveel heid suiker is. welke Queensland ooit heeft geproduceerd. De suikerproductie is als volgt over de verschillende districten verdeeld : 4896 1807 [pswich 102 ton 770 ton Logan 1701 » 3026 » Brisbane 255 » 245 » Maryborough 10747 » 19706 » Bundaberg 25003 » 28339 » Rockhampton 1580 » 1550 » Mackay 21735 » 10320 » I'nWCll — Johnstone River en Cardwell 5320 » 8394 » Burdekin en Toronsville 6920 » 0221 » Cairns en Port Douglas 3000 » 3744 t Herbert River en Ingham 973(5 » 1101 \ » Cook — Mackay, Logan etc. — 850 » Totaal 86255 ton 100782 ton De met riet beplante oppervlakte voor 1807 bedroeg 373000 11. A. of 33i7 racer dan het vorige jaar. De suikeruitvoer naar de verschillende landen was als volgt: 1895—96. 1890—97. Engeland 1 ton 51 ton Nieuw Zuid-Wales 20597 » 32089 » Victoria 23505 » 31211 » Zuid-Australië 4175 » 1983 » West-Australië 25 » ~>~, » Tasmania 244 » 4io » Nieuw-Zeeland 7107 » 7431 » Zuid-Zee eilanden 4 » 4 » Britsch Nieuw (luinca 16 » 2 » 0200i ton 73800 ton liet Buikerverbruik 'm Queensland kan op 20008 ton geschat worden, een groote hoeveelheid voor een bevolking van 166364 zielen. Deze belangrijke suikerconsumptie vindt haar oorzaak in 234 Statistiek, oogst-oen Marktberichten, imiz hel gebruik van suiker in de brouwerijen, in de vruchtengelei fabrieken en bij andere industriën. De aanstaande oogst wordl op 96000 ton geschat, de aanplanl had erg door droogte te lijden, voornamelijk in de zuidelijke dis tricten, waar veel riel door gebrek aan water geheel verdroogd is. Sugar Journal 1897, blz. 75. Europa, 22 Januari. De weersgesteldheid was over het alge meen in de laatste weken regenachtig en mistig met een voor het jaargetijde hooge temperatuur, slechts enkele sneeuwbuien deden aan den winter denken. Voerden landbouw ware het te wenschen, dat het weer meer bestendig was, de sneeuwlaag, die als een be schuttend dek de ji'nge planten tegen plotseling intredende vorst moet beschermen, ontbreekt geheel. Duilschland had zacht en regenachtig weer, slechts enkele ma len daalde de temperatuur beneden het vriespunt. In Oostenrijk was de temperatuur betrekkelijk laag. sedert de laatste week blijft het vriezend weer echter aanhouden. Frankrijk. Ook hier wordt door de landbouwers hard naar sneeuw en vorst verlangd. Nederland en België. Daar het weer warm en zonnig was, heeft het winterzaad zich zoo sterk ontwikkeld, dat een plotseling in vallende vorst belangrijke schade moet aanrichten. Koloniën. De laatste campagne-dagen in Louisiana waren min der gunstig, het weer was eerst zeer regenachtig, waarop spoedig vorst volgde. De productie wordt geschat op '282000 ton tegen 237720 ton in 1895—90. Voor het volgende jaar wordt de aanplant uitgebreid. Op Cuba werken thans reeds 80 fabrieken, de toestand wordt dus beter; de suikeraanvoer in de hoofdhavens bedroeg 12000 ton tegen 1000 ton in het vorige jaar, terwijl de totale hoeveelheid, die tot nu toe afgeleverd werd 30500 ton bedraagt. Trinidad heeft aanhoudend regenachtig weer. Ook in Demerara heeft het veel geregend, de stand van het riet is echter zeer bevredigend. Socrabaia, 26 Februari. Sedert ons laatste bericht liepen prijzen in verband met gunstiger berichten uit Europa en Amerika weder de hoogte in en nadal een matig quantum tot /' 0 3 ji — 14/14 «ai StatUttok, ooggfr- rn Marktberichten, etM 235 f 7, — voor 15/17 was verkocht, werd tut f 6 7 /$ en f 7'/s nogmaals eene kleine hoeveelheid gegund. Ten slotte kwamen omstreeks den 18''" dezer koopers tot / 7,— 11/14 en f 7'/ 4 15/17 aan dj m irkt, tot wjlke prijzen een ontzach lijke hoeveelheid (circa l'/i millioen pikols) werd losgelaten. Tot deze cijfers zoude nou wel 11 • t een en ander; (late levering) zijn te krijgen, doch hoewel de waaide niet is teruggeloopen, valt er op h*t mo ment weinig te doen. De bedoelde 47g millioen pikols, vielen nl. met uitzondering van eene kleinigheid in handen van een huis. dal thans zoogenaamd „vol" is, terwijl latere suikers voor concurrenten natuurlijk niet dezelfde waarde hebben. Met vertrouwen mag echter bestendiging van de bestaande positie worden verwacht. Zaksuiker ouden oogst. Kleine afdoeningen tot f3'U — p. pikol telquel naar gelang van polarisatie. Suikerverkoopcn, Oogst 181)8 van 7 Januari t/m. 20 Febiuari voor zoovel' d*e bekend zijn geworden bïlQjO pikol totaal vorige lijst. 10,00 » KendaUche foor. f 7 3 /8 N0.45uf fl No. 42 Ii.O'JO i Selore Ijo ü » 11—14 1000U » Kanigoro » » » 10JOO » Gendiug » » » 1(1000 » Pradjekan » » t 10U0i) » Gondang lipoero 7 » 15 5000 » Malang djiwan 8 » 20 5000 > Klatjie 7'/.- » 15 50j() » Karanganjer B'74bovenNo. 20 750') » Djsttiwangie S :, /( No. 20 en hooier 5000 » id. » » » SGO) » lian Ijardawa <; 3 4 » 11—44 500 • » Balapoelang » » » 5000 » Pagongan » » » SJOO » Adiwetna » » » 5000 s Djatïbarang » » » 5000 » Karang s >ewoeng » » » 5000 » Trangkil » » j 5000 » Re mbo en » » » 5000 o Goedo » » » 5000 » Ngandjoek » » » Transp. 579500 pikol Statistiek, oogst- en marktberichten, enz 236 Tranporl 57950Ö pikbl 5000 » Meritjan &U No. 11-14 5000 » Perning » » » 5000 » Pesantren » » » 5000 » Redjosan'e » » » 5000 » Djatie » » » 5000 » Fannc » » » f 000 » Djaboong » » » 5000 » Sebnroh » » » 5000 » Soeraberkarena » » » 10000 » Pagottan » » » 5000 » Porrons » » » 5000 » Randoegoenting » No. 12 en hooger 5000 » Wunosarie » » » 5000 » Bendokrep 0 7 ' s » » 10000 » Poerwodadie 7 » 11—11 10000 » Soekodhono » » » 10000 » Koning Willem II » » » 10000 » Sempalwadak » » » 10000 » Badas » » » 5000 » Gondanglipóero 7's av. 15 5000 » Triagan 6 3 / 4 No.l2enbooger 5000 » Kanigoro » » 11 —14 5000 » Sfloredjo » » » 5000 » Gending » » » 5000 » Pradjekan » » » 10000 » Maron 7>' 8 » 15—17 10000 » Tengaran » » » I'OOOO » Ament 0 3 / 4 » 11—14 . Wono]an<j;an ] 30000 » Oemboel » » » ( Wringin-auom ' 15000 » lilimliing 6V S » » 10000 » IMosso » » » 5000 » Porrong » » » '2(3000 » Kaliwoengoe » » >) ± 80000 » Ketegan 7 » » ± 100000 » Soekodono |oog»t » » » ± 50000 » Kaïiwóehgoé rest. » » » Tramp. 1124500 pikol 237 Statistiek, onpat- en mftrVtborlcliten, cnï Transp. 11 '24500 pikol 10000 » Pesantren f 7 No. 11 — I'f lOOUO b Perning » » » » 10000 » Meritjan » » » » 10000 8 Goedo » » s » 19000 i, Ngandjoek » » » » 10000 h Redjosarie » » » » looo.i » Bagoe a » » » 10000 » Djaboong » » » » LOOOO » Seboroh » » » » 10000 » Soember kareng » i » » 5000 » Djatie » » » » 10000 » Randjardawa » » n » I HO'lo v> Ralapoelaog » » » » 10000 » Pagongan » » » » 10000 » Adiwerna « » » » 10000 » Djatitoarang i » » » 10000 » Karangsoewoeng » » b » 10000 i> Sindanglau< » » » » 10000 » Tranakil » » » » 10000 » Klaling » » » » 10000 » Remboen % » » » 10000 » Klampob i> » » » 10000 » Sentanan lor » » » » 10000 n Brangkal n t> » » 10000 » Dinoijo » » » » 10000 » Bangsal • » » » 10000 » Tangoeoan » » » » 20030 » Koedjon graan is t t » » 5000 » Besito » » >12 en hg. 10000 ft Canto. 'l » >, » » 7500 a Tjebongan ft » » » 7500 » Tandjongtirto » » » » 5000 » Kartasoera o » » » 5000 » Bendokrep » » » » 5000 » Wonosarie » » » » 5000 p Randoegoenting » » » » 5000 » Gondanglipoero » » » » 10000 » Bogoh kidoel > » » 11—14 Transp. 1474500 pikol Statistiek, oogst* en marktberichten, en* 238 P. tramp. 1474500 pikol. 10000 ». Poerwoasrie /' 7. No. 11 —14 101)00 » Mingiran » » » 10000 » Kwarasan » » » 10000 » Kentjong » » » LOOOO » Sroenie o » » 10000 » Soemobito » » » 10000 » Menang » » " 10000 » Plosso » » » 10000 o Sedatie » » » 10000 » Gending » ■ » 10000 » Wonoredjo » » » 10000 » Ketanen » » » 10000 t Podjedjer » » » 10000 » Kepandjen » » » 10000 i Alkmaar » » » 10000 )) Peterongan » » » 15000 » GempoJkrep o » • 15000 » Pagongan » » » 15000 » Semongko-fiabat »> » » 15000 » Porrong » » » '20000 » Tangoelangin » » » Ü5OOO » Blimbiog » » » 10000 » Ngoro » » » 10000 » Pengkol » i 10000 i Kloerahan-Pleret » » » 5000 » Kawisredjo •> » » 5000 » Djapanan » » » 5000 » Sempalwadak » » » 5000 » Baron » » » 5000 » Pagottao » » » 5000 » Seloredjo » » » 5000 » Kanigoro » » » 5000 » Maron » » » 5000 » Pradjekan » » » 5000 » Ketintang » » » 5000 » Assembagoes 7 s / B v. a. b.» 15 —'7 10000 » Tengaran 7'/< » » 10000 » ülean » » » Transport. 1844500 pikol. 239 Statistiek, oogst- en marktberichten, enz Transport 15445T0 pikol 10003 » l'hicton /' 7'/ 4 No. 15—17 5000 » Kedawong 7 » U—U 10000 » Se.Litie » » » 25000 » Watoetoelis-Pof oh » » » 10000 » Padjerakan 7'„ » 15—17 10000 » Sentanan lor 7 » 11—14 10000 » Dinoijo » » » 1 00(10 » Bang-al » » » 10000 » Brangkal » » » 10000 » Poerwoasrie » » » 10000 » Tangoenan » » » 10000 » Bogoh kidoel » » » 10000 » Koedjoumanis » » » 10000 » Maron V-' K » 15-17 '2.)000 i Pandafin » » » 10000 » Petjangaan 7 »12en h. 10000 » Lang*ee » » » 10000 » Raroogan » » » 10000 » Gesiekan » » » 10000 » Klatjie >> » » 10000 » RendeDg » » » 10000 » Kedaton-Pleret » » » 10000 » Re woel oe » » » 10000 » Soedhono » » » 10000 » Soemberredjo » » » 5000 » Sedaijoe » » » 10000 » Kalibaaor 0 7 \ » » 10000 » Poerwokerto » » » 10000 » Kaliwoengoe 7 » » 10000 » K.aranganorn » » » 10000 » Prambonan » » » 10000 » Sewoegaloer » » » 10000 » Waroe » • » 5000 i Kalitandjong » » » 15000 » Poerwodadie » » 11—14 15000 » Soekodono » » » 10000 » Kaliraatie » » » 10000 » Ketangoengan West» » » Totaal 2244500 pikol. 240 Statistiek, oogst- on marktberichten, en/ OORSPRONKELIJKE VERHANDELINGEN. MEOEDEELINUEN VAN HET PROEFSTATION VOOR SUIKERRIET IN WEST-JAYA TE KAÖOK TEGAL. No. 32. E ENIG E BESTA NI) DEEL EN VAN HET HUI KEK MET. door Dr. M. KACIBÜRSKI I. De opengesneden stengel van het suikerriet kleurt zich snel aan de lucht, evenals dit bij talrijke; andere planten liet geval is. In den laatsten tijd heeft men, als oor/aak van zulke donkerkleu nngen vanversche doorsneden van plantendeelen aan de lucht eigen aardige lichamen, zoogenaamde, oxydeerende fermenten of kortweg „oxydasen" leeren kennen. Deze liebl)en de eigenschap zuurstof uit de lucht op andere lichamen over te dragen, die buiten de aanwe zigheid van die oxydasen alleen door de lucht aiet geoxydeerd kun nen worden. Op deze wijze oxydeert b. v. een in dci\ Chineeschen lakbóom voorbanden lakkase eene in het melksap van dienzelfden boom aan wezige verbinding, het lakkol, tot de ons wel bekende Chineesche lak. hveneens oxydeert de tyrosinase dei suikerbieten de daarin aan wezige tyrosine tot eene donkerkleurige oxy-verbinding en is op deze wijze oorzaak van het donkerworden van beetwortelsap aan de lucht. De aanwezigheid van zulke oxydeerende fermenten kan men zeer gemakkelijk aantoonen; bun allen komt namelijk de eigenschap toe in tegenwoordigheid van lucht guajakharsoplossing tot het don kerblauwe guajakblauw te oxydeeren. Wanneer men dus weten wil of er zulke oxydasen in suikerriet voorhanden zijn, dan is bet voldoende eene versche snnvlakte van riet met eene alcoholische op lossing van guajakhars te bevochtigen, liet optreden van eene don kerblauwe verkleuring is clan het bewijs, dat er ook in het suikerriet eene oxydase wordt aangetroffen. Zonder behulp vanden mikroskoop kan men reeds met het bloote oog een oordeel vellen over de verdeeling van de rietoxydase in bet suikerriet. Wij bemerken namelijk de blauwe verkleuring hel sterk ste in den groeienden top en in de nog groeiende bladeren en ge ledingen. In de oude geledingen wordt de reactie naar onderen toe steeds zwakker, alleen is zij weer zichtbaar inde wortelbeginsels en knoppen der onderste geledingen. Op de dwarse doorsnede van eene geleding kunnen wij ook zien in welke weefsels van het riet die oxydase voorkomt. Na behandeling met de guajakoplossing zien wij namelijk het parenchym donkerblauw gekleurd worden en op dit blauwe veld steken de vaatbundels, die de bouwstoffen voor het riet en het wa ter aanvoeren, kleurloos af. Door den mikroskoop is het onder scheid nog duidelijker na te gaan. Bij de molenpersing geraakt de oxydase in het rietsap, dat dan ook na toevoeging van guajaktinctuur ccne blauwe kleur aan neemt. Door verhitting tot öO wordt zij vernietigd en door alco hol geprecipiteerd. In elk geval is de oxydase van het suikerriet minder bestendig dan andere tot nu toe bekende; het met alco hol verkregen neerslag verliest aan de lucht spoedig liet vermogen van door guajak gekleurd te worden, om welke reden ik het dan ook niet in gedroogden toestand heb kunnen krijgen. Aan deze onbe stendigheid moet men het dan ook toeschrijven, dat stukken riet, die in alcohol bewaard worden, spoedig de eigenschap verliezen op guakjaktinctuur te reagceren. 11. Wanneer in rietsap door verwarming op GO°C. de oxydase vernietigd wordt, dan geeft het met guajaktinctuur geen blauwe verkleuring meer, zelfs niet bij toevoeging van een weinig koper sulfaat, dat de scherpte van dit reagens belangrijk verhoogt. Voegen wij evenwel bij bet op deze wijze behandelde sap eenc oplossing van guajakhars, waarbij een weinig waterstofsuperoxyde gevoegd is, dan wordt het sap wederom blauw gekleurd en nu is de blauwe kleur zelfs nog intensiever dan die, welke de oxydase gaf. Men kan het rietsap gedurende korten tijd tot 90' verwarmen, zonder dat de blauwe kleur verdwijnt, daartoe is eerst eene temperatuur van 95° noodig, bij welke de eigenschap van het rietsap om door eene guajak-waterstofsuperoxydeoplossing blauw gekleurd te worden, wordt opgeheven. In het vervolg zal ik de stof, die de laatstgenoemde reactie geeft, met den naam van „leptomine" bestempelen en kortheids halve eene alcoholische guajakoplossing met de letter G. aan duiden en eene alcoholische guajakoplossing, die met waterstof superoxyde is bedeeld, met de letters G. W. In rietsap, dat met zooveel kalkmelk vermengd is, dat zijne reactie zwak alcalisch is geworden, is na filtratie de leptomine i i veranderden staat aanwezig en wordt zelfs ook niet door verdunde ammoniak aangetast. Zij gaat dus over in de fabrikatiesappen, waar bet dan echter door de hooge temperatuur bij de defecatie of bij de verdamping ontleed wordt, terwijl een eventucele invloed van hare 242 Dr. M. ilaciborski. Eenige bestanddeclen tan het suikerriet ontledingsproducten op de kleur van het product niet is nagegaan. Alcohol slaat deze stof neer en uitgaande van dit neerslag kan men door herhaalde oplossing in water of in glycerine en precipitatie met alcohol de leptomincals een, ook onder den mikroskoop, amorph grijsachtig wit poeder verkrijgen, dat opgelost zijnde de karakteris tieke G. W. reactie geeft. Wanneer wij na willen gaan, waar de leptomine zich in het riet bevindt, moeten wij eerst uit de te ondei zoeken stukken riet de oxy dase verwijderen, daar deze natuurlijk ook met G. W. eene blauwe reactie zal geven. Daartoe verwarmen wij het riet op (K)° of brengen de stukken gedurende vrij langen tijd in absoluten alcohol. Wan neer wij ons nu in een klein stukje van het riet overtuigd hebben, dat de oxydase vernietigd is (dat nl. het riet mei G. geene reactie geeft), dan passen wij de G. W. reactie toe en de plaatsen van het riet, die nu blauw gekleurd worden zijn die. welke de leptomine bevatten. Reeds met het bloote oog zien wij nu, dat het beeld van de ver spreiding der leptomine geheel anders is dan het boven beschrevene van de oxydase. Op den kleurloozen of zeer zwak getinten achtergrond van het parenchym teekenen zich de vaatbundels zeer scherp af. In tegen stelling niet de oxydase worden nu de knoopen sterker gekleurd dan de geledingen, de oude geledingen niet zwakkei' dan de jongere, zelfs is de verkleuring in het bewortelde onderstuk van dénsténgel, waar de vaatbundels bijzonder dicht bij elkaar liggen, sterker dan in de honger gelegen, meer parenchymhoudende geledingen. In de zoogenaamde vaatbundels van het riet, kunnen wij, wat hunne functie aangaat, drie elementen onderscheiden. Deze zijn 1" de zeefvaten met de hen omringende cellen, welke op dezelfde wijze voor het transport der organische bouwstoffen dienen als de bloed vaten bij den mensch, 2° de vaten, die het water en 1 dè anorganische zouten transportecren en 3" de sterke bastccllen, die het geheel van buiten omgeven en aan de vaatbundels de noodige stevigheid ver leenen. Een mikroskopisch onderzoek leert ons, dat de elementen, welke in hunne functie met de bloedvaten dër dieren overeenkomen, dus de zeefvaten, en de hun Vergezellende cellen de grootste hoe veelheid leptomine bevatten en dit evehgöëd in den stengel als in de bladeren, bladscheeden en woitels. Eene nauwkeurige kennis van den aard van de leptomine is alleen door de chemische analyse en de studie der ontledingspro ducten dezer Stof te verkrijgen. Daar deze echter nog niet bekend Dr. M. Racibjrslci. Eentje bestanddeolon van het suikerriet. 243 zijn, zoo onderzocht ik verschillende hierbij in aanmerking komende lichamen op hun gedrag tegenover G. of G. W. en bon met ge bruikmaking der uitkomsten door vroegere onderzoekers verkregen, tot deze resultaten gekomen: De blauwe G. W. reactie geven de sulfaten van koper en van ijzeroxydule, zeer zwak methylamine, zeer sterk moutaftreksel (de bekende reactie van Scliönbein op waterstofsuperoxyde), een uit treksel met chloroformwater uit kiemende rijst of maïs verkregen en eindelijk roode bloedlichaampjes, door hun gehalte aan haemo globine. Ik moet de reactie van het moutaftreksel nog in het bijzon der releveeren, daar er over dit punt eene rijke litteratuur bestaat, welke niet vrij is van onjuiste conclusiën. Verschillende schrij vers hebben namelijk deze 'reactie voor eene specifieke reactie der diastase gehouden en zelfs heeft J. Grüss in den laatstcn tijd be proefd op deze zelfde wijze diastase in de planten aan te toonen. Nu gaf mij een zuivere diastase, die zeer krachtig zetmeel versui kerde, geene reactie met G. W., eene leptomine-oplossing, verkregen uit de onderste geledingen van riet, die wel die reactie gal', werkte daarentegen in het geheel niet op stijfsel in. üp deze wijze werd het bewijs geleverd, dat de reactie met guajak en inoutex tract niet door de diastase maar waarschijnlijk door de leptomine veroorzaakt wordt. Nu blijft nog de vraag over, welke rol de leptomine in het leven van het suikerriet speelt. Dat deze niet van ondergeschikt be lang is, wordt reeds daardoor bewezen, dat zij in geen enkel orgaan der plant ontbreekt, dat zij zoowel in het donker als in den vol len zonneschijn wordt gevormd en ten slotte, dat zij na den dood der plant verdwijnt. De reactie met G. W. bewijst, dat leptomine in staat is zuurstof op andere lichamen, in dit geval op het gua jakonzuur over te dragen, welke eigenschap zij gemeen heeft, met de }*aemoglobine der roode bloedlichaampjes. Nu geven deze bloed lichaampjes eene zelfde reactie met guajak, waarbij een weinig terpentijnolie, die in de zon heeft gestaan, is gevoegd en ook deze reactie gaat op voor de leptomine. liet bloed der lagere dieren is kleurloos en bevat in plaats van haemoglobine andere kleurlooze stoffen, die bij de ademhaling echter op dezelfde manier werken. Het gedrag van deze lichamen tegenover t G. W. was onbekend, en nu kon ik aantoonen, dat ook het witte bloed der krab ben dezelfde G. W. reactie geeft als haemoglobine en lepto mine. 244 Dr. M. Raeiborski. Eenige bestarcldeelen Tan lirt «nikorriet. Ik heb natuurlijk nagegaan of de leptomine alleen tot het sui kerriet beperkt is of dat het ook in andere planten voorhanden is. De uitkomst van dit onderzoek was, dat de leptomine in geene hoogere plant van de velen, die ik hier onderzocht, ontbraken hare localisatic bewijst ten duidelijkste, dat het bij de ademhaling eene rol speelt. Hóe ilit taaiste te verstaan is, is niet moeielijk te begrijpen. Alle planten en dieren hebben voor de instandhouding van hun leven eene zekere hoeveelheid zuurstof noodig, buiten welke zij door verstikking sterven. Nu is dit gas in de atmospherisehe lucht in onuitputtelijke hoeveelheden aanwezig en die deelen of cellen der dieren en planten, die onmiddellijk met die lucht in aanraking komen, kunnen daaraan zooveel zij willen onttrekken. Geheel anders is dit voor de deelen of cellen, die door andere cellen omgeven zijn en zelf niet in onmiddellijke aanraking zijn met de lucht. Deze kunnen alleen zuurstof krijgen uit de hen omringende cellen, welke daarin door absorptie voorhanden is en die natuur lijk zeer gering is. Water van 20° bevat immers per Liter niet meer dan 5,7 c.M 3 . zuurstof en bij hoogere temperatuur nog minder, ter wijl dit cijfer voor het sap in de cellen (als er geen zuurstofbinden de stoffen opgelost waren) weer minder is. Dit nadeel wordt verholpen dom- de met zuurstof beladen over brengende stoffen, zooals bij de dieren haemoglobine of bij de lagere de kleurlooze haemocyanine en bij de planten in de eerste plaats de leptomine. Dank zij zijn haemoglobinegehaltc bevat het slagaderlijke bloed van een hond niet 0,86 volumenprocent, zooals met de een voudige oplosbaarheid zou overeenkomen, maar 25,4 volumcnpro eent zuurstof, die daaraan door de cellen, welke die zuurstof be hoeven, zeer gemakkelijk kan onttrokken worden. Wanneer wij de uitkomsten van dit onderzoek kortelij k tezamen vatten dan zien wij: 1. In het suikerriet, zoowel als in alle hoogere planten bevindt zich eene scheikundige verbinding, die ik voorstel met den naam leptomine te bestempelen. Deze verbinding heeft evenals de haemoglobine der dieren de eigenschap guajak bij aanwezigheid van waterstofsuperoxyde tot guajak-blauw te oxydeeren. 2. Leptomine speelt bij de ademhaling der planten eene zelfde rol als haemoglobine of haemocyanine bij die der dieren. 245 Pr. M. Rneiborski. Eeripp bestandnVrlen van het suikerriet Ten slotte wil ik hier nog vermelden, dal de uitkomsten van bovenstaand onderzoek ook van veel belang zijn v ■de studie van plantenziekten in het algemeen en voor rietzieklen in het bij zonder. Niet alleen kunnen daardoor gemakkelijk doode en zieke plaatsen worden gevonden maar nok is de reactie voor vele ver schijnselen, die zich bij rietziekten voordoen van groot gemak, gelijk dan ook <IM geheele onderzoek eigenlijk alleen een uitvloeisel is van waarnemingen, gemaakt, bij de studie van sereh-ziek riet. Kacok, Tk.oai,. 14 Februari 1898. DIVERSE MEDEDEELTNGEN" Van de hand van Prof. Dr. A. HèRzfELD is onlangs een studie verschenen over «If bijtend* kalk (Ca O) en eenige narer verbindingen. Aan deze belangrijke onderzoekingen ontleenen wij het navolgende: T. Bepaling van het atoomgewichi van calcium Hiervoor werd in tegenstelling mei vroegereexperimenteele on derzoekingen, die gedeeltelijk bestonden uil analysen van [Jslandsch dubbelspaai of van hexagonale rhomboëdrische kalkspaat of aragoniet, gedeeltelijk uit analysen van chloorcalcium, zwavelzure kalk en or ganische kalkzouten, een nieuwen weg ingeslagen, door de uit zuring ziiic kalk (kalkoxalaat) gewonnen, zoogenaamde chemisch zuivere koolzure kalk nog luccr te reinigen, door deze verbinding in kool zuurhoudend water onder druk op te lossen en uit het filtraat dooi koken wederom neer te slaan. Als grondstof werd de zoogenaamde zuivere koolzure kalk uit den handel gebruikt, die bij qualitatief onderzoek geen andere ver ontreinigingen dan slechts sporen magnesia bleek te bevatten. Dit preparaat werd in een warme oplossing van zuiver zuringzuur ge bracht, in verhouding van 100 Gr. koolzure kalk op 300 Gr. oxaal zuur, en verwarmd totdat de koolzuurontwikkeling had opgehouden. daarop werd het neerslag afgefiltreerd, met heet water uitge wasschen en door gloeien in een platina kroes de oxaalzure kalk in bijtende kalk (Ca O) omgezet. 2 Gr. van deze bijtende kalk benevens 250 c. M 3 . water en 5 Gr. vast koolzuur, dat in een hydraulische pers vast te zamen geperst was, werden in een seltzerwaterflesch van ongeveer 450 c.M s . ge daan, deze met een caoutchouc kurk gesloten en met ijzerdraad dichtgebonden. 246 Dr. M. Raclboraki. Eenige bestanddeelen van l>el suikerriet Gedurende 2 dagen weid de flesch herhaalde malen geschud, daar na voorzichtig geopend en de vloeibare inhoud van het onopgeloste calciumcarbonaat door filtratie afgezonderd, liet heldere lïltraat weid in een zilveren schaal onder voortdurend roeren snel tot Im'l kookpunt verhit en daarop oog 15 minuten lang doorgekookt. Er ontstond een sterk neerslag van calciumcarbonaat, dat door decan teeren, dus zonder van filters gebruik te maken, van de moeder loog gescheiden en op horlogeglazen verzameld in den cxsiccator en daarna in de vacuümdroogstoof bij 95°—100° C. gedroogd weid. Bij het omzetten van het calciumcarbonaat in calciumoxyd moest aan twee omstandigheden bijzondere aandacht gewijd worden: n. m. dat het preparaat werkelijk droog was, ten tweede, dat een temperatuur gekozen weid. waarbij al het koolzuur ontwijken moest zonder dat de bijtende kalk kon vervluchtigen. Op grond van eenige proeven, werd hiervoor een temperatuur van 1300"—1 '00" C. gekozen. De verschillende preparaten van calciumcarbonaat, welke op de boven beschreven wijze gedroogd waren en na een verblijf van een uur in de vacuümdroogstoof niet meer aan gewicht afnamen, werden in platina kroezen in een smeltovcn bij 1300''—1400° gegloeid tot dat geen gewichtsverlies meer plaats vond. Uit dit laatste (ontweken koolzuur) en het gewicht van het overblijvende calcium oxyd werd een atoomgewicht berekend van 39,673. Door Oswald werd vroeger 40 gevonden en door Erdmann en Clarke resp. 39,91 en 39,78. 11. Over het voorkomen van basisch-koolzure kalk. In eenige leerboeken wordt nog steeds de meening verkondigd, dat het doodbranden der kalk dikwijls niet het gevolg van een te hooge, doch wel van een te lage temperatuur is. Dit tracht men daardoor te verklaren, dat men aanneemt, dat bij lagere temperatuur basische verbindingen van de koolzure kalk niet calciumoxyd ontstaan, die in het geheel niet, ofwel zonder uit eenvallen van het materiaal en zonder warmteontwikkeling ge bluscht worden. Deze verklaring heeft men vroeger dikwijls gegeven van de ei genaardige wijze waarop bepaalde soorten van fransche mortel zich gedragen, welke dan alleen hindkracht bezitten, wanneer zij bij ta melijk lage temperatuur gebrand zijn; heeft dit bij hooge tempera- Divcrsc mededeelingeii 247 turen plaats gehad, dan vormen zij onder water geen duurzame vaste massa. Daar het zeer goed mogelijk is, dat ruw materiaal van dergelijke samenstelling, als vóór de bereiding van zoodanige mortel gebruikt wordt, ook bij de suikerfabrikatie in gebruik komt, was hel van belang na te gaan of doodbranden door te lage temperatuur en vor mingvan basisch koolzure kalk in onze kalkovens kan plaats hebben. Hiervoor moest in de eerste plaats bepaald worden of zulke ba sische koolzure kalkverbindingen bestaan. Daartoe werd de warmte, welke zich bij het blusschen van on volkomen gebrande kalk ontwikkelt, caloriinetriseh bepaald, liet is aan te nemen, dat de basisch koolzure kalkeene geringere hoeveel heid warmte ontwikkelt bij de vorming van het hydraat, dan hel calciumoxyd in vrijen toestand. I!ij deze proeven maakte men gebruik van marmer, dat in hoeveelheden van ongeveer 3 Gr. in een platina knies gedurende ''4 —l uur in een moffeloven met gasverhitting gegloeid was. Het verlies aan koolzuur werd door weging voor en na het gloeien bepaald. Het gebrande marmer werd in een mortier fijngewreven en de warmteontwikkcling bij het blusschen van 3,8 Gr. in een calorimeter gemeten. Uit de resultaten hierbij verkregen, werden caloriinetriseh de zelfde cijfers berekend voor de hoeveelheid van liet voorhanden cal ciumoxyd als uit het gewicht van het koolzuur, dat bij het branden nut weken was. De uitslag dezer onderzoekingen zijn dus wel in strijd met de vorming van een basisch kalkcarbonaat, de mogelijkheid blijft eehter bestaan, dat zulk een verbinding hij liet blusschen van de onvol komen gebrande kalk in water ontstaat. Kr werd beproefd dit basisch hydraat op de navolgende wijze ie bereiden. Een afgemeten hoeveelheid gedistilleerd water werd op I°—2° C. afgekoeld en hierin vast koolzuur gedaan. Bij deze temperatuur winden 1,25 volumen koolzuur opgelost, gelijkstaande met2,46 Gr. per liter. In dit met koolzuur verzadigde water werd snel een kalk brij gegoten, die 2 moleculen Ga (Oll) 2 op 1 molecule van het be rekende koolzuur bevatte, de flesch gesloten en gedurende 2 dagen ter zijde gezet, liet neerslag werd daarop al'gefiitreerd in de va cui'nndroogstoof bij 110" gedroogd en op de bekende manier met cen verdunde zuivere suikeroplossing behandeld, om het kalkhydraat Diverse mededeelingen 248 te binden, waarbij aangenomen werd, dat een basisch hydraat houdend carbonaal tegenover suikeroplossing indifferent zijn moest. Een afgewogen boeveelheid van het bij 110° C. gedroogde poe der werd zoo lang met een 30%-ige suikeroplossing behandeld, totdat een afgefiltreerd proefje met zwavelzuur slechts een geringe alcaliteit aanl le. Hetgeen achterbleef werd goed uitgewassehen, wederom bij 110° ('. in het vacuüm gedroogd en in een platina kroes hel gloeiverlies bepaald. Van het droge poeder werd 10 Gr. afgewogen. Het kalkhydraatgehalte der 30%-igc suikeroplossing bedroeg 5,09 Gr. Hetgeen achtergebleven was. gaf bij het gloeien een kool zuurverlies van 42,54%, terwijl, zooals bekend is, zuivere Ca COs 14% verliest. Het bestond dus bijna geheel uit koolzure kalk. Ook door deze onderzoeking wordt het onwaarschijnlijk, dat eene verbinding Ca COs Ca (OH)2 bestaat. Het schijnt dus ongerechtvaar digd aan te nemen, dat onvoldoende gebrande kalk de reeds genoemde eigenschappen aan een basisch carbonaat te danken heeft en dat bij de suikei lahrikatie het doodbranden van de kalk kan plaats hebben als een gevolg van te lage temperatuur in den kalkoven. lil. Onderzoekingen over het voorkomen van een kristalwater bevattend kalkhijdraat. In de litteratuur wordt melding gemaakt van verschillende kristalwater bevattende verbindingen van barium- en strontiumhy draat, waarvan de waterrijkste goed kristal]iseeren; van een dusdanige kalkverbinding wordt echter niet gerept. Voor de suikerfabrikatie is het dus niet van belang ontbloot, te weten of zulk een verbinding bestaat, daar zij zich misschien wat hare reacties betreft, anders zou kunnen gedragen als het watervrije kalkhydraat of het calciumoxyd. Gebrand marmer werd met een overmaat van water gebluscht, de emulsie in een flesch gebracht, die goed gesloten, onder herhaald schudden 8 dagen staan bleef. Hierop werd gefiltreerd, het neerslag in een doek gedaan en de daarin nog aanwezige vloeistof door per sen bij een tot 250 Atm. stijgenden druk, zooveel mogelijk verwijderd. Daarop werd het watergehalte der overblijvende vaste stof, op de volgende wijze en met de volgende resultaten bepaald. a) 23,9036 Gr. en b) 29,2206 Gr. verloren bij het drogen in het vacuüm hij 110° C. gedurende 2 uren aan gewicht a) 3,'250 en b) 3,89i Gr. Na nogmaals drogen bij 200° C. verloor a) 0,030, b) 0,0372 Gr. Diverse mededeelingen 249 1 ïij hel gloeien in de blaasvlam ontweek daarop uit a) 5,1872, uit b) 6,2680Gr. water. Er bleef achter aan GaO o) 15,496, b) 19,0214 (ii-., welke tot de vorming van hel hydraat noodig hebben a) 4,80H, b) 6,114 Gr.; bij 200° C. was al het overtollige water dus nog niel verdwenen. Kalkhydraat beval 2*,32% water, terwijl o) 35,33, b) 34,91 Gr. lieten ontwijken, «lus meer als met de verbinding Ca (OH)a over eenkomt. Het hydraat Ca (OH)> + IM» daarentegen beval meer, n.rn. 39,18% water. Van het reeds bereide neerslag weid nogmaals een hoeveelheid afgefiltreerd en alleen tusschen filtreerpapier gedroogd. Van het verkregen korrelige produel werd afgewogen o) 15,8836, b) 19.0606 Gr., die liij gloeien aan gewicht verloren o) 6,886, h) 8,440, overeenkomende met a) 43,35% en b) 42,«»2% 11,0. liet is dus niet onwaarschijnlijk, dat er een waterhoudend kalkhydraat bestaat, hetgeen echter niet meer dan hoogstens één 1120 kan bevatten. Hydraten met meer water konden niet verkre gen worden. /V. Proeven tot het bepalen van de oplosbaarheid van kalkhydraat in water. Daar de verschillende opgaven, die men in de litteratuur om trent de oplosbaarheid van kalk in water vindt, /eer sterk van el kaar afwijken, werd het ook wenschelijk geoordeeld, de oplosbaar heid van deze stof opnieuw te bepalen. Hierbij werd uitgegaan van onverzadigde en ook van overvei zadigde oplossingen, om zoodoende een controle op de juistheid der gevonden cijfers en ook op de grootte der analysefouten te verkrijgen. Het verzadigingspunt trachtte men in beide gevallen daardoor te bereiken, dat de kalkbrij in een goed sluitende flcsch, zoo lang in het met water gevulde schudapparaat bij de gewenschtc temperatuur geschud werd, dat een langer schudden geen verandering meer in de samenstelling der oplossing te weeg bracht. Hij deze proeven werd gebruik gemaakt van uit zuiver ealcium oxalaat bereide bijtende kalk. die in kalkhydraat was omgezet en daarna nogmaals gegloeid was. Het preparaat was vrij van koolzuur. Met deze kalk werd met behulp van gedistilleerd water, dat door koken van koolzuur bevrijd was, een dunne brij gemaakt. Diverse mededeeüngen 250 De onverzadigde oplossingen werden verkregen door hij de kalk kokend water te voegen en daarna tot de gewenschte temperatuur af te koelen: de oververzadigde dooi' een kond verzadigde oplossing int de gewenschte temperatuur te verwarmen. Nadat liet schudden was afgeloopen, werd de kalkbrij in een bijzonder geconstrueerd apparaat gefiltreerd. Het filter bevond zich daarbij in de vloeistof, die op de gewenschte temperatuur gehou den werd, het liltraat kwam door middel van een luchtpomp in een daarvoor bestemde flesch en de in het toestel binnentredende lucht werd eerst van haar koolzuurgehalte bevrijd. In het Altraat weid de kalk titrimetrisch bepaald met phe oolphtaleine als indicator. De volgende tabellen bevatten de resultaten dezer proeven. haar men de alcaliteit gewoonlijk als Ca O aangeeft, zijn de cijfers hierop berekend en niet op Ca (011) 2 Tabel I. De OPLOSBAARHEID VAN' HET KAI.KII VDRAAT IN WATER, UITGAANDE VAN ONVERZADIGDE OPLOSSINGEN. 1 deel kalk (Ca O) heeft tot Temp. in U C. oplossing noodig deelen H2O. 16,5 778 30,0 893 42,0 961 51,0 1066 60,0 1160 70,5 1350 80,0 1493 95,0 1666 Tab ei. II DE OI'LOSBAARHEID van HET KALKHYDRAAT in WATER, UITGAANDE VAN OVERVERZADIGDE OPLOSSINGEN. 1 deel kalk (Ca O) heeft tot Temp. in °C oplossing noodig deelen Ha O. 15,5 .778 21,0 830 36,0 919 61,0 1163 96,0 1666 I'ivorse mededeelingen 251 De verkregen cijfers werden in een coördinatensysteem over gebracht. In heide gevallen bleek, dat de krommen zoo dicht hij elkander lagen, dat slechts geringe analysefouten kimden gecon stateerd worden". Hieruit liet zich verder de navolgende oplosbaarheidstabel voor kalk in water berekenen. Tabel III. I deel Ca O heeft noodig deelen water bij 15» C 776 20„ » 813 25" » 8i8 30" » 885 35° » . . ' 924 40" » 962 45 0 » 1004 50" » 104i 55» » 1108 60" » 1158 65° » 1254 70" » 1330 75" » 1410 80" » 1482 V. Over de temperaturen van het branden der koolzure kalk en het kalkhi/draat en die waarbij de bijtende kalk bluscht. Voor het branden van de koolzure kalk werd gebruik gemaakt van een moffclovcn met gasverwarming, waarmede bet mogelijk was uren lang een bepaalde temperatuur, tusschen 500" en 1300° C. ge legen, te behouden. Stukjes marmer van de grootte eener erwt, die in platina kroe zen in dezen oven gebracht werden, verloren bij 900° C. slechts weinig aan gewicht. Bij 1040° C. ontweek in het eerste kwartier 2*,W%, in een half uur 30,42% koolzuur. Bij het branden van 70 monsters kalksteen, afkomstig van duitsche suikerfabrieken, werd bij verhitting gedurende 1 uur tot 8'0" C. een gewichtsverlies van hoogstens 1,08%, bij K)0° C. van hoogstens ü%4% geconstateerd. Bij 10V0" C. werden de 76 monsters in een uur volkomen gebrand. Werd met branden cenigc uren doorgegaan dan ontweek het kool zuur_ook bij 900° —950" C. geheel. 252 Div orse mededeelingen Voor de proeven met het branden der kalk ineen stroom kool zuur, werd van een bijzonderen oven gebruik gemaakt. liet bleek, dat bij B'X)° de koolzure kalk in een stroom koolzuur onder atm. druk niet ontleed werd en dat daarentegen bijtende kalk bij dezelfde temperatuur op nieuw in koolzure kalk overging. Ook van gebluschte kalk werd bij deze proeven gebruik gemaakt, waarbij zij een vaste structuur aannam en tevens in hetcarbonaal werd omgezet. Bij de navolgende proeven werd een retort van porselein ge bruikt, die in den reeds genoemden oven verhit werd. Behalve eenigc stukken marmer werd een pyrometer in de retort geplaatst. Tot sluiting van den retortenhals, die ver buiten den oven uitstak, diende een dubbel doorboorde caoutchouc kurk, in de eene opening waarvan een dunne porseleinen buis voor den toevoer van bet koolzuur stak, terwijl in de tweede opening de buis voor de uittredende gassen aangebrachl was. Het uiteinde dezer laatste buis kwam uit in een met kalk water gevuld vat. In dit toestel werd het marmer bij 900* C. in een stroom kool zuur niet ontleed, bij 10J i" C. evenwel was hel marmer volkomen gebrand, nadal gedurende een uur door het apparaat koolzuur ge stroomd had. Bij de proeven, die daarop met het branden van kalkhydraat genomen werden, werd gebruik gemaakt vaneen preparaat, dat ver kregen was door blusschen van gebrand marmer en dat bij 110° in het vacuüm gedroogd was. Na verwarmen gedurende 'l uren bij 200° C. verloren twee monsters U,058 en O,Uo5 D / o aan gewicht. De hoogere temperaturen werden zoowel met een tot 55J° G. aanwijzende kwikthermometer van boorsilicaatglas, als met Scger'sche sineltkegels en met den metaal pyrometer van Pbinsep opgenomen. Na verwarmen bij iJO" G. gedurende 1 uur, vertoonden 3 proeven het navolgende procentische gewichtsverlies I . 2. 3. 0,4ö% 0,10% 0,21% \crwarmde men echter slechts gedurende een half uur bij 470' of bij SUܰ, dan was het verlies belangrijk grooter en bedroeg in procenten: 1. 2. 3. bij 470 °G 1,75% 0,8y% 2,09 » 500 » 4,95 » 3,00 » 7,78 (52U° G.) De ontleding van het kalkhydraat begint dus bij 470 —500° G. Diverse mededelingen 253 De maximaal temperatuur, die zich bij het blusschen van kalk met water kan ontwikkelen, werd te vergeefs beproefd door directe onderzoekingen te bepalen. Het aflezen van thermometers, welke in de brij gestoken werden, gaf zeer verschillende cijfers, dieeehter steeds beneden 4öü" C. bleven. Dikwijls sprong de thermometer door de snelle verwarming. Bovendien bleek het, dat het zonder een groote overmaat van water niet mogelijk was, de kalk in korten tijd volkomen te 1)1 us schen, daar zij met de berekende hoeveelheid water niet voldoende gemengd kon worden en steeds een gedeelte daarvan verdampte. Daar men op deze wijze tot geen resultaat kwam, werd de maximaal temperatuur indirect bepaald door middel van een ca lorimeter. Nadat de calorische waarde hiervan vastgesteld was. werd de spec. warmte van het kalkhydraat bepaald en daarna de warmte, die zich ontwikkelde bij het blusschen van een alge wogen hoeveelheid bijtende kalk in een bekende hoeveelheid water. De resultaten toonden aan, dat de hoogste temperatuur bij het blusschen van kalk in water 468° C. bedraagt. Dit cijfer wijst er opnieuw op, boe noodig het is goed terneren. bij het gebruik van droge kalk voor de sapzuivering. De invloed, die het sterke branden der kalk op het blusschen daarvan uitoefent, weid 2 jaren geleden reeds dooi' proeven met het branden van IJsiandsch dubbelspaat in een gewonen gasoven nagegaan. Daar de temperatuur toen niet constant op dezelfde hoogte gehouden en niet dikwijls opgenomen kon worden, kon men slechts dit met zekerheid constateeren, dat het dubbelspaat. dit gedurende 8 dagen bij 1200°—14''0° gebrand was, zeer slecht bluschte. Thans werd gebruik gemaakt van een gasoven waarmede het mogelijk was temperaturen van 16 (U — lö">o' C. te ontwikkelen, waarbij de gebrande kalk tot een glasachtige massa samensmolt. Dij deze proeven werd gebruik gemaakt van chemisch zuivere, uit kalkoxalaat gewonnen, bijtende kalk, die tot eylindervormige stukken was samengeperst. Na het verhitten van deze stukken gedurende 8 uren werd een product verkregen van groote vastheid en met een porselein achtige oppervlakte. Deze stukken bluschten in warm water zeer langzaam, in koud eerst na acht dagen, terwijl de zuivere bijtende kalk, waarvan uitgedaan was, direct on ler sterk sissen gebluscbt werd. Ook door zoutzuur werden de stukken slechts zeer langzaam aangetast. Hieruit blijkt, dat de reeds vroeger door Heuzfei-d uitge- 254 Oiterse medodeclingfin sproken meening juist is, dat de gesmolten kalk, door het gemis aan poriën, waardoor het water in kan dringen, zeer moeilijk bluscht. Voor de praktijk kan deze kalk als doodgebrand beschouwd worden. VI. De invloel van waterdamp op het branden, het branden van kalk hydra at in waterdamp. leder, die kalk gebrand heeft, weet dat waterdamp het proces bevordert. De oorzaak van dezen invloed wordt door de praetici toegeschreven aan een mechanische werking van den waterdamp, waarbij de groote stukken kalksteen uit elkaar vallen, hetgeen het doorbranden der stukken gei Makkelijker maakt. Uit is wel juist, intussclien is echter reeds lang geleden uit proeven gebleken, dat de waterdamp ook direct bij hooge tempera turen het koolzuur uit het calciumcarbuiiaat kan verdrijven. Voor deze proeven werd een oven geconstrueerd, die het moge lijk maakte, het branden in sterk oververhitte waterdamp te doen plaats hebben. De hiervoor benoodigde waterdamp, die door een ketel bij een temperatuur van lus° O. geleverd werd, trad daarop in een duur gas verhit buizenstelsel, dat in een ruimte uitmondde bestemd voor bet opnemen van de lc onderzoeken stof; hierin bevonden zich twee in elkander geplaatste hessische kroezen, waarvan de tusschen ruirnte niet asbest opgevuld was, om een verlies van warmte duur uitstraling zooveel mogelijk te voorkomen. De hoogste temperatuur, welke zich op deze wijze door middel van oververhitte waterdamp in de ruimte waarin zich de knies bevond ontwikkelde, bedroeg 8ÜJ U C. Lucht of koolzuur konden terwijl zij door bet toestel stroomden met op zulk eeu hooge temperatuur verwarmd worden. Bijeen controle-proef met luchten koolzuur, moesten deze gas sen eerst op IUU" <J. voorgewarmd worden. Dit had plaats door ze door koperen slangen te leiden, die in kokend water lagen. De op deze wijze voorgewarmde gassen, konden daarop in hef toestel even eens zoo oververhit worden, dat in de ruimte waar de kroes ge plaatst was een temperatuur van 850' C. was waar te nemen. Uit marmer bereide kalk werd gebluscht, in de hydraulische pers tot vaste schijven geperst en deze in kleine stukken gebroken waarmede de kroes werd gevuld. Daarop werd gedurende een half uur oververhitte waterdamp door bet toestel geleid, waarbij de tem peratuur in den kroes ongeveer Ö2O'C. bedroeg. Terwijl de water damp nog doorstroomde, werden de gloeiend heete kalkstukken met een tang uit den kroes gehaald en direct in een exsiccator ge- DiVerse mededeelingen 255 plaatst. Na afkoeling werden 3,8 Gr. in den calorimeter gebluscht. De teinperatuursverhooging bedroeg hierbij 30,5" C, een bewijs, dat het werkelijk gelukt was bet kalkhydraat in een stroom van waterdamp bij 020° C. te branden. Vergelijkende proeven niet het branden van koolzure kalk (marmer) in oververhitte waterdamp en in een luchtstroom werden eveneens genomen. De hierhij verkregen resultaten zijn in de vol gende tabel vereenigd. De duur der proeven bedroeg telkens 45 minuten. Tabel. er was kalk Wijze van verhitten Temp. gebrand : met waterdamp 50ü° niets ÜSG» 7% 080° 23% „ lucht GB'J" niets „ waterdamp 7:10" 100% Z „ lucht 790» 30% liet volkomen branden van kalk heeft dus, wanneer over het materiaal oververhitte waterdamp strijkt, bij een '■200' lagere tem peratuur plaats, dan in de lucht. Hierna werd ook nog nagegaan of de waterdamp bij onzuiveren kalksteen geen „doodbranden" veroorzaken kan. Bij deze proeven werd gebruik gemaakt van Nettlinger kalk steen, die gemakkelijk te branden is, doch bij te sterk.' verhitting doodbrandt. Nadat gedurende 1 uur bij 1030° de kalksteen in den moffel oven gegloeid was, veroorzaakte het product bij het blussehen in den calorimeter een stijging der temperatuur van 22", hetgeen met een gehalte van 72,37% vrij calciumoxyd overeenkomt. Een boe veelheid gedurende 43 minuten aan oververhitte waterdamp van 800° C. blootgesteld, gif slechts een calorinietrische temperatuurs verhooging van '20° (J. = 05,79% Ca Ü. Nog ongunstiger is het resultaat, wat de mechanische geaard heid van het product betreft. De bij 1030° G. op de gewone wijze gebrande kalk, gaf bij bet blussehen een gelijkmatig fijn poeder, dat zonder iets achter te laten door de mazen van een fijne zeef viel. Bij het blussehen van de met waterdamp gebrande kalk bleven groote stukjes achter, die niet door de zeef gingen. Deze stukjes bborse medsdeelingefl 256 werden eerst na lang koken in zoutzuur opgelost onder afscheiding van kiezelzuur. Hieruit blijkt, dat de waterdamp op het verloop van het brand proces van den onzuiveren Nettlinger kalksteen een ongunstigen invloed uitgeoefend had. VII. De invloed van kolen, cokes en zaagsel op hel branden der koolzure kalk. In de praktijk is zooals bekend reeds dikwijls een gunstigcn invloed op het branden der koolzure kalk bij toevoeging van orga nische stoffen waargenomen. Dit was ook een der reilen, waarom men vroeger de tot regeneratie bestemde koolzure strontiaan met zaagsel vermengde, voordat men er tegels uit vormde. Ofschoon de gunstige werking van zulk materiaal door zijn gehalte aan gebonden water een voldoende verklaring vindt, heeft men verder nog willen beweren, dat door het gloeien san ealcium earbonaat met den koolstof bcvattenden toeslag, bij betrekkelijk lagere temperatuur kooloxyde ontstaat door reductie van liet kool zuur van de koolzure kalk. Is deze opvatting juist, dan moet ook bij toevoeging van cokes de brandtemperatuur verlaagd worden. Ontwikkelt de toeslag, zooals b. v. het zaagsel, bij het verhitten vluchtige organische zuren, zoo kunnen ook deze een geringe hoe veelheid carbonaat ontleden. Om te weten, hoe groot de werkelijke invloed van den water damp en van deze zuurvorming en ook die van de reductie van het koolzuur in werkelijkheid zijn kan, werd neergeslagen koolzure kalk met poeder van cokes en met zaagsel in verschillende verhou dingen gemengd, geperst en in den moffeloven gebrand. Deze meng sels werden in goed dichtgedekte porseleinen kroezen gegloeid. zoodat de lucht niet kon toetreden. Dientengevolge was de toege voegde cokes na het, branden gedeeltelijk nog onveranderd, het zaagsel echter was verascht. De resultaten bij dit onderzoek verkregen toonden duidelijk aan, dat de toeslag van cokes in 't geheel geen invloed op de tem peratuur van het branden uitgeoefend had, terwijl de invloed van het zaagsel, zoo gering was, dat zij voor de praktijk van geen be teekenis is. 257 Direrse modadeelingen. VIII. Proeven ter bepaling van de oorzaken van het doodbranden der kalk. Van de meest voorkomende verontreinigingen van den kalk steen, kwamen bij deze onderzoekingen, kiezelzuur, aluinaarde, ijzer en mangaan in aanmerking. Deze stoffen werden zoo zuiver mo gelijk aangewend. De loop der proeven was als volgt: afgewogen hoeveelheden chemisch zuivere kalk werden met afwisselende hoeveelheden der genoemde stoffen innig vermengd en daarop in een platina kroes gegloeid, of wel het mengsel word eerst niet een pers tot kleine cylindervormige stukjes samengeperst. De gevulde platina kroezen werden in een chamotte-oven gebracht, die speciaal voor dit doel was vervaardigd, en hierin bij een bepaalde temperatuur gegloeid. Na het branden werden de kroezen nog heet uit den oven ge nomen en in een exsiccator afgekoeld. De gebrande mengsels, die tot poeder uiteengevallen waren, werden wederom met de handpers tot kleine cylinders geperst en daarop de relatieve temperatuur en de duur van het blusschen bepaald. Voor het bepalen van de relatieve blusch-temperatuur werd van een bijzonderen calori meter gebruik gemaakt. lil de proeven omtrent het branden van kalk met kiezelzuur hydraat bleek, dat bij een verhouding van 1 mol. kiezelzuur op 1 of 2 mol. kalk, d. w. z. 00 (ir. Si 0> op 50 of 112 U'r. Ca O, of bij een gehalte van 51,72 en 34,88/ 0 Si O?, de kalk onder alle om standigheden bij een temperatuur van 1300° C. in korten tijd dood gebrand wordt. Worden vast samengeperste mengsels aan een temperatuur van 1300° blootgesteld, dan is 0,27-/ c kiezelzuur reeds voldoende om het Unssehen van de kalk en gelijk te maken. Hierbij heeft echter hoofdzakelijk de duur van het branden invloed op de latere ge schiktheid tot lilussclieii van liet materiaal. De mengsels in vasten vorm vloeien reeds bij een relatief lage temperat ■ (1300") tot min of meer glasachtige massa's samen, die liet blusschen verhin deren, doordat zij het binnendringen van het water onmogelijk maken. Overigens werken kleine hoeveelheden kiezelzuur betrekkelijk nadeeliger op het blusschen der kalk, dan grootere. Uit de bij 1000° en lüuu" genomen proeven blijkt verder non, dat een temperatuur van 1000° reeds voldoende is, om het kiezel- 258 Diverse mededeelingen zuur een even groote reactie op de kalk te doen uitoefenen als een hoogere temperatuur. De hoogere temperatuur verkort alleen den tijd, waarin de maximum werking bereikt wordt. Zooals de proeven met kiezelzuur in den vorm van kwartszand aantoonen, hangt het voornamelijk van den aard van het voorhan den kiezelzuur af, of de vorming van het silicaat in korter of langer tijd plaats heeft en het duurt bij de in den kalkoven heerschende temperatuur een geruimen tijd voor dit met amorph kiezelzuur het geval is. Alcaliën werken de silicaatvorming sterk in de hand. Proeven met het branden van kalk vermengd met verschillende hoeveelheden aluinaarde, toonden aan, dat een hoogere temperatuur dan ILSu(J" noodig is, om een kalk-aluinaardeverbinding te vormen; zelfs bij een temperatuur van iüÜU" heeft de aluinaarde in mole culaire verhouding, met het kiezelzuur vergeleken, een zwakkere werking. Werken kiezelzuur en aluinaarde te zamen op de kalk, dan wordt de werking van het kiezelzuur op de kalk duurde aluinaarde, wanneer zij in groote hoeveelheid voorhanden is, hoewel slechts in geringe mate, verhinderd. Hydraulische eigenschappen konden bij de mengsels, welke bij de gewone kalkoven-temperatuur gebrand waren, niet waarge nomen worden. De. drie stoffen, kalk, aluinaarde en kiezelzuur samen gebrand bij löuO» geven een hydraulische mortel, die bij gelijke moleculaire verhouding van kiezelzuur en aluinaarde (''s mol. op 1 mol. kalk) binnen korten tijd onder water tamelijk hard wordt. De resultaten bij deze proeven omtrent liet doodbranden t\i*r kalk verkregen, zijn in 't kort de volgende. I!ij de temperaturen,die gewoonlijk in den kalkoven ontwikkeld worden, is het bijna uitsluitend Let kiezelzuur, dat als de meest voorkomende verontreiniging van don kalksteen, op de qualiteit van het product invloed heeft. Onder zekere omstandigheden is 6,^7/ 0 kiezelzuur reeds voldoende, om binnen -J, uren het doodbranden der kalk te veroorzaken, wanneer men onder doodgebrande kalk, die verstaat, wolke niet moor onder ontwikkeling van warmte bluscht. Aluinaarde, ijzer on in,ingaan al'z lerlijk, oefenen bij de ge noemde temperatuur geen merkbaren invloed op de kalk uit; zij ver binden zich echter wel met kiezelzuur, dat dan niet meer ter beschikking van de kalk is. 259 Dlrerse mededelingen. IJzer in verbinding met aluinaarde en kiezclzuur, bevordert het ontleden van de aluinaarde en maakt deze meer geschikt om op de kalk in te werken. Bij tegenwoordigheid van ijzer verkrijgt dus de aluinaarde een invloed op het doodbranden, die zij bij af wezigheid van ijzer niet bezit. Een gehalte aan zwavel, zoowel van de brandstof als van den kalksteen werkt steeds nadeelig op het latere blusschen, daar <lc zwavel aanleiding geeft tot de vorming van gips. De invloed van de genoemde verontreinigingen hangt buiten dien grootendeels af van den duur van het branden, van de tem peratuur in den oven en ook van de structuur van den kalksteen. Het is mogelijk zuivere kalksteen door verhitten gedurende 5—6 uur bij ca. 1600° C. in een toestand te brengen, waarbij de kalk pas na dagen lang in water gestaan te hebben bluscht, zoo zijn onder sommige omstandigheden geringe hoeveelheden kiezel zuur voldoende, om dezelfde werking, doch in korter tijd en bij lager temperatuur, te veroorzaken. Wat de structuur aangaat zoo kunnen groote kwartsaderen bij het branden van den steen veel minder nadeelig werken dan de gelijke hoeveelheid kiezclzuur, gelijkmatig in den steen verdeeld. Ten slotte is het duidelijk gebleken, dat 900° O. voor het bran den van den kalksteen een te lage temperatuur, 103ü° in alle ge vallen voldoende is. Behalve de hier vermelde proeven, bevat de verhandeling van den Heer IIERZFELn een zeer uitvoerig overzicht der op dit gebied betrekking hebbende en weinig bekende litteratuur. Gelbe He fte IH9I, blz. 597 e. v. In Frankrijk bestaat nu reeds sedert ö jaar tusseheo eenige suikerfabrikanten een wederzijdsche controle op de fabrikatie *). De vereischte opgaven worden door de fabrikanten elke wrok opgezonden aan den daarvoor aangewezen persoon, die ze groepeert en elke week, twee dagen na de ontvangst der opgaven een tabel, waarop alle cijfers verecnigd zijn, aan de fabrieken, welke van deze vereeniging lid zijn, opzendt. In ileze tabellen worden de namen der fabrieken door nummers vervangen, zoodat ieder van de namen der fabrieken onkundig blijft. *) Ook In Rusland, belgië en Nederland bestaat zulk een vereeniging. 260 Diverse meiledeelingell In het campagne-jaar 1891/9"2 bedroeg het aantal fabrieken, dat tot deze controle toetrad 14 en is thans gedaald tot 13. Behalve 2 of 3 fabrieken, die bedankten en door andere ver vangen werden, zijn het nog steeds dezelfde ondernemingen, die aan de controle zijn trouw gebleven. Dit bewijst, dat deze het voor dcel, dat uit zulk een controle te trekken is, inzien. Hieronder volgen eenige cijfers, welke uit die tabellen geput zijn. Specif. gewicht van het sap: In 1892—93 tusschen 1,059 en 1,070 » 1893—9 i » 1,066 » 1,074 » 1894-95 » 1,063 » 1,073 » 1895—96 » 1,070 » 1,087 b 1896—97 » 1,060 » 1,070 Procenten suiker in de bieten: » 1892—93 tusschen 10,5 en 14,0 » 1893—94 » 12,3 t) 14,7 » 1894—95 » 12,6 » 14,3 gemiddeld 13,5 » 1895—96 » 13,0 » 16,0 > 14,5 » 1896—97 » 12,0 » 13,8 » 13,0 Specif. gewicht van het diffusiesap: In 1891—92 maximum 1,0565 minimum 1,0426 gemid. 1,0512 • 1892—93 » 1,0520 » 1,0450 » 1,0489 » 1893—94 » 1,0530 » 1,0402 » 1,0491 » 1894—95 » 1,0530 > 4,0490 » 1,0512 » 1895—96 » 1,0587 i 1,0480 » 1,0534 > 1896—97 » 1,0510 » 1,0450 » 1,0470 Het suikerverlies in de uitgeloogde snijdsels was 0,10 —0,40, gemiddeld 0,25. De onbepaalde verliezen bij de diffusie bedroegen 0,02 —1,5%, gemiddeld 0,20. Deze verliezen varieeren niet alleen bij de verschil lende fabrieken, doch ook bij een en dezelfde fabriek, naar gelang van het tijdstip der fabrikatie; men kan over het algemeen zeggen, dat deze verliezen, behoudens enkele uitzonderingen, tegen het einde der campagne stijgen; hetgeen als bewijs zoo kunnen dienen, dat bij de diffusie een omzetting van suiker of minstens een verandering in de polarisatie plaats heeft gevonden. De suikerverliezen bij de filtratie bedragen tusschen 0,1 en 0,05% van het bietgewicht. De verliezen in het schuim beloopen 0,02 —0,54% en gemiddeld 0,1% van het bietgewicht. Diverge m-fMeelingen 261 Dit suikerverlies wordt van af 1891 steeds minder en minder, waaruit blijkt, dat de fabrikanten alle moeite aanwenden, die ver liezen zoo veel mogelijk te vermijden. De onbepaalde verliezen bedragen 0,12 —1,K0%, met een merkbare vermindering gedurende de laatste 3 jaren. Over de verliezen bij het verdampen en afkoken, maakt nie mand melding. Het totale verlies bedraagt 0,45 —2,30 % mei een duidelijke vermindering in de laatste jaren. De gebruikte hoeveelheid kalk schommelt tusschen 2 en 4% van het bietgewicht. Gemiddeld: 2,5%. De alcaliteit van het eerste saturatiesap beweegt zich om 0,1 % Ca O, de alcaliteit van het tweede saturatiesap tusschen 0,04 en 0,01 en bedroeg gemiddeld 0,025 %. De polarisatie der vulmassa was 71—87 met een zuiverheid van 77—93; tweede product-vulmassa polariseerde 60—73 met een zuiverheid van 69 — 79. Het kristalgehalte der vulmassa werd slechts door ééne fabriek bepaald. Door alle fabrieken wordt in meerdere of mindere mate de afloopstroop in de fabrikatie terug gebracht . Het rendement aan hoofdsuiker bedraagt 6,50 —10% van hel bietgewicht, naar verhouding van de grootere of kleinere hoeveel heid teruggevoerde stroop en het al dan niet gebruik maken van kristallisatie in beweging. Uil de tabellen blijkt echter duidelijk. dat de fabrieken, welke de afloopstroop in de fabrikatie terugbrei een grooter rendement aan eerste product verkrijgen dan de andere. Het koolzuurgehalte van het saturatiegas wisselt af tusschen 22 en 33%, het gemiddelde was 25%. Deze controletabellen kunnen een groot nut hebben, jammer dat het aantal deelnemers zoo klein is. Het kan niet anders of het moet voor den fabrikant van veel belang zijn, om elke week de fabrikatie-cij fers van verschillende fabrieken na te kunnen gaan. Door deze cijfers met de zijne te vergelijken, kan hij te weten komen hij welk station zijn wijze van werken'te wenschen overlaat en daardoor tijdig middelen aanwenden Jom den gang van zaken aldaar te verbeteren. Bulletin de l'association des chimistes 1897, blz. 116. Dtverep mededpplingen 262 Mei hot Haren van suiker bevattende vloeistoffen zijn door Th. Kiivdi. proeven genomen waaraan het navolgende ontleend is. De invloed van klaringsmiddelen op de optische eigenschappen der suikers is reeds dikwijls een punt van onderzoekingen geweest en <le afwijkingen, welke bij gebruik van verschillende klarings vloeistoffen bij het onderzoek van de producten der suikerfabrikatie ontstaan, zijn niet onbekend, liet is volgens <lie proeven aan geen twijfel onderhevig, dal deze verschillen gedeeltelijk moeten toege schreven worden aan den invloed van het klaringsmiddel op de aanwezige optisch-actieve oietsuiker. Ofschoon reeds zeer veel, wat dit onderwerp betrefl door Degeneb opgehelderd is, zoo vond Koydl toch nog aanleiding proeven te nemen om den invloed van klaringsvloeistoffen op optisch-actieve oietsuiker te bepalen, vooral met het nog op de inversiemethode. De onderzoekingen werden melde navolgende stoffen uitge voerd: wijnsteenzuur, appelzuur, asparaginezuur, arabinezuur, ral'linose, inverfsniker. ontledingsproducten door kalk, oververhit tingsprodueten der suiker en dextraan. Voor klaringsmiddelen werden gebruikt: loodazijn, eventueel met nabehandeling van zwavelzure natron, loodnitraat volgens de voorschriften van Eerles ') en een bij kookhitte verzadigde op lossing van loodehloride. Wijnsteenzuur. Bij onvoldoende toevoeging van loodazijn blijft een gedeelte van de polarisatie bestaan, en moet daarom bij het klaren van melasse, om zeker te zijn, dat alle wij nsteenzure zouten zijn neergeslagen, een overmaat gebruikt worden, die echter we derom op andere optisch-actieve stoffen storend inwerkt. Blijven echter wij nsteenzure zouten in'oplossing dan oefenen zij op de resultaten denzelfden invloed uit als de raffinose, daar de inversie-polarisatie ongeveer de halve draaiing aangeeft. Door neutraal loodnitraat wordt reeds vóór de toevoeging van de natronloog een neerslag gevormd, zoodat de loog. wat bet wijnsteenzuur betreft, overbodig wordt. Het basische loodnitraat heeft hierbij in zooverre op de loodazijn voor, dat een overmaat op de andere aanwezige optisch-actieve stoffen niet zoo 'n storenden invloed beeft als de laatste. I. Ichloride is op de polarisatie van het wijnsteenzuur zonder invloed. l) De ÜEELEs'sohe klaringsmiddelen worden op de navolgende wijze bereid: Loodnitraatoplossing: I E. G. loodnitraat in 2 L. water op te lossen. Loo;;: 100 Gr. eaustio soda op te lossen in 2 L. water, van beide vloeistoffen wordt evonveol tot klariüg gebruikt. (Red.) 263 Diverse mededeelingen. Appelzuur. Door een overmaat van loodazijn wordt het appel zuur als basisch zout neergeslagen, terwijl een onvoldoende hoe veelheid loodazijn de oorspronkelijke linksdraaiing van liet zuur in eene reehtsdraaiing doet overgaan, die echter niet in verhouding staat tot de hoeveelheid voorhanden zuur. Ken onvoldoende toe voeging van basisch loodnitraat voert eveneens de linksdraaiing van het appelzuur in eene reehtsdraaiing over, terwijl een voldoende toevoeging de polarisatie geheel opheft. Loodchloride veroorzaakt eveneens een reehtsdraaiing. Van de drie klaringsmiddelen is hel loodnitraat echter het geschikste. Asparaginezuur. Alle drie klaringsmiddelen veranderen de linksdraaiing van dit zuur in eene reehtsdraaiing, en het neer slag hij het klaren ontslaan, is in hel klaringsmiddel niet geheel on oplosbaar. De door een overmaat van loodazijn veroorzaakte om keering der polarisatie, overtreft, hij dezelfde hoeveelheid aspara ginezuur, soms vele malen die, welke door basisch loodnitraat ver oorzaakt wordt. Loodchloride is door de geringe hoeveelheid, waar in het door hare moeilijke oplosbaarheid kan toegevoegd worden, niet in staat groote hoeveelheden asparaginezuur neer te slaan. De door dit klaringsmiddel veroorzaakte omkeering der polari satie is ongeveer gelijk aan die van de loodazijn. Ten opzichte van de in de melasse voorkomende asparaginezure zouten, is dus het basische loodnitraat aan te bevelen. Arabinezuur. Dit zuur vormt een voornaam bestanddeel van de melasse. Ook hier is het met het oog op het arabinezuur en aan verwante stoffen, goed aan het basisch loodnitraat de voorkeur te geven. De directe en de inversie-bepaling geven ongeveer dezelfde uitkomsten, zoodat de aanwezigheid van arabinezuur, bij het gebruik van het basische loodnitraat op de suikerbepaling volgens Clerget zonder invloed is, met de loodazijn is dit echter niet het geval. RaffïnoHt'. Uitvoerige proeven werden hiermede niet noodig geacht, daar een invloed op de polarisatie door de verschillende klaringsmiddelen veroorzaakt, bij de geringe hoeveelheid waarin deze stof gewoonlijk voorkomt, niet te verwachten is. Invertsuiker. De linksdraaiing der invertsuiker neemt met stijgende toevoeging van loodazijn steeds af, wordt onder bepaalde omstandigheden nul en gaat daarna in reehtsdraaiing over. Door het neerslaan van levulose kan dit verschijnsel niet ver klaard worden omdat geen neerslag van levulose in eene zuivere levuloseoplossing ontstaat en de inversie-polarisatie ongeveer gelijk 264 Diverse mededeelingen blijft, terwijl zij bij eene neerslaan van levulose niet met de directe polarisatie mag overeenkomen, Wal den invloed betreft van de loodazijn op de polarisatie der invertsuiker bij aanwezigheid van stoffen, die door loodazijn neer slaan, zoo schijnen bij aanwezigheid van kalioxalaten, de door de loodazijn ontstane alcaliacetaten denzelfden invloed uit te oefenen, hoewel in mindere mate, als de basische loodazijn en de invloed op invertsuiker zal zich naar gelang der toegevoegde hoeveelheid lood azijn doen gelden, ook wanneer de loodazijn nog niet in overmaat voorhanden is. Basisch loodnitraat is in overmaat toegevoegd, op de polarisatie van de invertsuiker zonder invloeden verdient daar om de voorkeur. Ontledingxproducten der invertsuiker door kalk. Deze produc ten werken onder alle omstandigheden zeer storend in op de resul taten der suikerbepaling volgens ('i.kkgkt, zoodat bij aanwezigheid dezer producten, bet suikergehalte steeds te laag wordt gevon den; 'die 'storende werking kan door geen klaringsmiddcl voor komen worden. Zij is echter bet geringst bij het gebruik van een overmaat van basisch loodnitraat. Alle drie klaringsmiddelen ont kleuren uitstekend, terwijl bcenderkool tamelijk onwerkzaam blijft. OvervrrhUHagsproiucten vnn swker. Op deze producten zijn de klaringsmiddelen bijna zonder werking, toch verdient loodnitraat hier den voorrang, daar hiermede een gedeeltelijke ontkleuring kan bereikt worden, terwijl loodchloride in het geheel niet werkt en loodazijn de oplossing donkerder maakt, naar gelang zij in grootere hoeveelheden toegevoegd wordt. Deze producten zijn echter op de resultaten van de suikerbe -1 tal ing volgens Cleuget zonder invloed, daar zij voor en na de inversie dezelfde polarisatie hebben. Dextraan. Het basische loodnitraat geeft heldere Altraten, terwijl dit met de beide andere klaringsmiddelen niet het geval is. Dextraan is overigens op de suikerbepaling volgens Clerget zonder invloed. Uit de bovenstaande onderzoekingen volgt, dat basisch loodni traat een veel krachtiger klaringsmiddel is dan de beide andere en dat een overmaat biervan op verre na niet die optische werking uitoefend, als een overmaat van loodazijn. Ona echter na te gaan of de resultaten bij deze afzonderlijke onderzoekingen verkregen ook in overeenstemming zouden zijn met het onderzoek van een melasse, werden alle genoemde stoffen in Diverse mededeelißgen 265 bepaalde hoeveelheden met een hoeveelheid zuivere suiker samen gemengd. Dit mengsel kon nadat het ingedikt was. beschouwd worden als een melasse met een nauwkeurig bekend gehalte aan suiker en optiseh-actieve nietsuikcr. Het onderzoek hiervan, volgens de inversiemethode na klaring met loodazijn. basisch loodnitraat en loodchloride gaf als resultaat, dat in geen der drie gevallen het juiste suikergehalte gev len werd, het verschil was echter het geringsl hij bet gebruik van basisch loodnitraat. Naar gelang deze of gene nietsuiker de overhand had. gaf nu eens het basische loodnitraat ccne grootere, dan weder ecnc lagere polarisatie dan de loodazijn. Bij donkere melasse is mik een grool gedeelte van het verschil toe te schrijven aan de onzekere instelling bij het polariseeren van onvoldoend geklaarde oplossingen. Hot verdient dos zeker aanbeveling basisch Loodnitraat in plaats van loodazijn te gebruiken, doch moet men bij het algemeen in voeren van dit klaringsmiddel, ééne omstandigheid niet uit hel oog verliezen. Uit de onderzoekingen van Kevin, bleek, dat de inversie constante 433,47 bij 20" C. slechts voor mélassen, die een groote hoeveelheid klaringsmiddel noodig hebben, zonder meer te gebruiken is, terwijl bij producten die slechts eenige eubiek centimeters tot ontkleuring noodig hebben, de normale constante 132,7 ') moet gebruikt worden, daar minimale hoeveelheden van het klarings middel de eigenschap missen om do normale constante 132,7 tot 133,47 te vernoegen. /rilschrift für Z. in Böhmen 1801, bh 639. Wiener Wochenschrift 1897, blz. 556 De verschillende punten, de suikerindustrie betreffende, die op het 3 1 " internationale congres voor toegepaste scheikunde 2 ) dal in Weenen zal worden gehouden, bespreken zullen worden, zijn de volgende: !00 S 1) Het resulta.it der inversie wordt volgens de formulo —rjs~7 °Ü - berekend, bjj af -100 S wjjkende temperatuur moet een correctie aangebracht worden volgons de formule „ n —1~ 14'_,( /j l of valgens de formule J2O z=Z 3. t -\- 0,0038 S (L'o t) waarin S = T -|- J, d. i. de som der afwijkingen voor en na do inversie (zonder acht te slaan op de voorteek ens) en t de temperatuur der geïnverteerde oplossing in graden Celsius. (Red.) 2) Personen die lid wenschen te worden, kunnen hiervan opgave doen aan den Heer J. I). Koblb te l'asoeroean. 266 Diverse mededeelingen 1. Welke chemische veranderingen ondergaan de bieten ge durende hel inkuilen? 2. Welke vorderingen hebben gedurende de laatste jaren de sapwinning en sapzuivering gemaakt? 3. Welke betrekkinnen bestaan er tusschen het zuiverheids quotiënl van het oorspronkelijke beetwortelsap en dat van het diffusiesap .' 4. Wat zijn de resultaten der nieuw»; methoden tot verhooging van het rendement aan 'I h produd .' 5. Welke verbeteringen heeft het raffineeren der suiker in de l;i,itsl<> jaren ondergaan? 6. Welke rollen spelen de pentosanen iu de suikerfabrikatie ? 7. Hoe moet, met het oog op de vooruitgang in de suiker industrie, liet begrip van ~1B product" en van „melasse" omschre ven worden? 8. Hebben de oorzaken dei' melassevorming door de nieuwere onderzoekingen, diedaarop betrekking hebben,een juiste verklaring gevonden? 9. In hoeverre hebben de in den iaatsten tijd voorgeslagen methoden, tot het productief maken van bijproducten der suikerfa brikatie (snijdsels, melasse, enz.) zich als doeltreffend doen kennen.' 10. In welke betrekking staan bij de bietanalysen de resultaten der suikerbepaling volgens de digestiemethode tot die der water sapmethode (persmethode)? 11. Zijn de methoden tot bepaling van de invertsuikcr en van de raffinose belangrijk vooruitgegaan? 12. Voorstel tot het aannemen van een uniforme internationaal geldige methode voor de waardebepaling van beetwortelzaad. 13. Welke praktische bcteekenis hebben de moderne onderzoe kingen over de chemische constitutie van het zetmeel voorde drui vensuikerfabrikatie? 14. Welke methoden zijn in de praktijk voor de fabrikatie van zuivere druivensuiker en tnaltose deugdelijk gebleken? Wiener Wochenschrift, I*o7, blz. 809. hooi- V. Harm is patent genomen op een procédé Int zuiver ring van suikersnppen, waardoor de alcaliën, de voornaamste me- Lassevormers, verwijderd worden. Bij verschillende proeven is gebleken, dat ecu silicaat, hetwelk kiezelzuur bevat in een vorm, die het geschikt maakt tot het aangaan 267 Diverse mededeelingen mn nieuwe verbindingen, zooals b. v. ijzerhoudende kwartsrijke klei, wanneer het met alcali bevattende oplossingen of mei suikersappen goed gemengd wordt, daaraan de alcaliën onttrekt en levens een ontkleurende en klarende werking uitoefent. Volgens dit nieuwe procédé wordt liet ruwsap aan de inwer king van een ijzerhoudende kwartsrijke klei blootgesteld, waarna de vloeistof, na verwijdering der in de vloeistof zwevende veront reinigingen, op de bekende wijze verder verwerkt wordt. Hel neerslaan der alcaliën wordt echter door aanwezigheid van butende kalk verhinderd. Is bijtende kalk voorhanden dan moet deze eerst door het zuiveringsmateriaal onschadelijk gemaakt wor den, hierna pas heeft bij verdere toevoeging van het silicaat het neerslaan der oorspronkelijk aanwezige alealiën plaats. Hij onderzoekingen en proeven in het groot uitgevoerd, bleek, dat de niet-suikerstoffen, vooral de alcaliën, tot op geringe hoe veelheden na, neergeslagen worden. Ook de organische bestand deelen worden grootendeels met het neerslag medegevoerd. I let neerslaan der alcaliën, kan men verklaren, door de vorming van onoplosbare dubbelsilieaten. Deze werkwijze kan zoowel op het ruwsap als op de reeds behandelde sappen toegepast worden, in zooverre zij geen bijtende kalk bevatten. De zuivering der sappen wordt verkregen door het mengen daarvan met het in poedervorm overgebrachte reeds genoemde sili caat, onder afscheiding van het ontstane neerslag. De zuivering kan bij het ruwsap in de diffuseurs plaats vinden, door bij de snijdsels 5% van het zuiveringsmateriaal te voegen. Het gevormde neerslag blijft dan tusschen de 'snijdsels hangen. waardoor de afscheiding van hetscl ne sap volkomen plaats heeft. Hierna kan men de nog in het sap zwevende verontreinigingen (plaritenvezcls. enz.) door filtratie verwijderen en het sap verder op de bekende wijze verwerken. Dit procédé kan bij elke temperatuur, zoowel op koude als op warme sappen toegepast worden; het voordeeligste bleek echter de behandeling der koude sappen te zijn. Deutsche Zuckerindustrie 1897, blz. 1831 . Over de voordeelen van de koude sapzui vering volgens het procédé .I. Ragot (Archief 1 897, blz. 1021) wordt het volgende medegedeeld. 268 Diverse mjededeetingpii Van de vele, voor het zuiveren van liet biet-en rietsap aan bevolen middelen, heeft alleen de kalk een algcmeene toepassing gevonden. De sapzuivering door kalk is tot op heden nog de eenige methode, die in de praktijk gebruikt wordt en die met wijzigingen in de toepassing, velschillende werkwijzen heeft doen ontstaan, welke onder verscheidene benamingen, zooals: defecatie, enkele en dubbele saturatie, (door middel van koolzuur of zwaveligzuur), bekend zijn. Al deze werkwijzen hebben een uitgangspunt, dat algemeen als onvolkomen erkend en met de theorie in strijd is; het zijn alle zoogenaamde „warme methoden", waarbij men de sappen aan een verwarming blootstelt bij aanwezigheid van de door de kalk neer geslagen vreemde stoffen, vóór dat men dit neerslag uit de ge zuiverde sappen verwijdert. Schijnbaar is het doel van deze temperatuursverbooging het coaguleeren van de eiwitstoffen, dat bij ongeveer 7u° ('. begint en bij eene aanmerkelijk hoogere temperatuur eindigt; de werkelijke reden echter, waarom in de praktijk deze coaguleeiing plaats vindt, ligt daarin, dat na de behandeling met kalk, de bij de defe catie of saturatie ontstane neerslagen, zich des te gemakkelijker van het sap laten scheiden, hoe honger de temperatuur en hoe ge ringer de alcaliteit is. Hierdoor komt het, dat men voor het gemakkelijke iïltreeren van het sap door de filterpersen, met de saturatie zoo ver gaat en de temperatuur zoo ver verhoogt, als voor een lichten en sneden arbeid noodig is. Dit voordeel wordt echter verkregen ten koste van een verla ging der zuiverheid van het sap. Zoo heeft men inderdaad, sedert het gebruik van kalk in de suikerfabrikatie opgemerkt, dat onder de talrijke vreemde stoffen, die in het ruwsap voorkomen en dooi de kalk afgescheiden moeten worden, eenige langs kouden weg neerslaan, terwijl andere bij min of meer nooge temperaturen coa guleeren en dat ook stoffen aanwezig zijn, die niet stollen en met kalk geen onoplosbare verbindingen vormen. Verder heeft men gevonden, dat, terwijl alle op deze wijze gevormde neerslagen in een sterk alcalische vloeistof onoplosbaar blijven, sommige verbindingen ineen neutrale vloeistof gedeeltelijk wederom oplossen en heelt men waargenomen—en dit is een zeer belangrijk punt — dat onder de in de koude onoplosbare verbin dingen, ook zulke voorhanden zijn, die zich onder den invloed der 269 t)i verse mededeelingen. temperatuur, des te gemakkelijker wederom oplossen, hoe geringer de alcaliteit der vloeistof is, en dat de op deze wijze opgeloste kalk verbindingen, niet meer door koolzuur kunnen worden neergeslagen. Uit het bovenstaande blijkt het onvolkomene van de tegenwoor dig in de suikerfabrieken gevolgde methode van sapzuivering. Daarom heeft ook Possoz, de uitvinder der veelvoudige saturatie der suikersappen met koolzuur, welke methode voor een eenvoudi ger fabrieksarbeid op een tweevoudige saturatie werd teruggebracht, met het volste recht voorgesteld, om de eerste carbonatatie bij zoo laag mogelijke temperatuur te doen plaats hebben, hierbij een hooge alcaliteit te vermijden en bij het einde der saturatie slechts op de laagst mogelijke temperatuur te verwarmen. De afscheiding van het neerslag van de eerste carbonatatie, zoo ook een tweede carbonatatie van het heldere sap na toevoeging van eene nieuwe hoeveelheid kalk, was oögenschijnlijk een vooruitgang tegenover de enkelvoudige koolzuursaturatie van het troebele sap, een methode die echter nog altijd boven de oude warme zuivering met daarop volgende saturatie te verkiezen was. Geen uitvinder of scheikundige echter, die zich met de verbe tering van de methoden voor sapzuivering bezig hield, is op de gedachte gekomen het kalkneerslag, langs kouden weg verkregen, af te scheiden, vóór dat men het sap aan verwarming en behan deling met koolzuur onderwerpt. Men moet toegeven, dat de afscheiding van dit neerslag langs kouden weg, met zeer veel moeielijkneden gepaard ging en dal de filtratie van een gekalkt ruwsap met de gewone hulpmiddelen zoo goed als onmogelijk is. De nieuwe methode tot zuivering van suikersappen langs kouden weg, maakt een betere en rationeeler zuivering mogelijk met een geringer verbruik van het benoodigde zuiveringsmiddel. Zij bestaat in het volgende: Het ruwsap wordt, direct na het verlaten van de diffuseurs, persen of molens, zonder eenige verwarming, met een bepaalde hoeveelheid kalk behandeld, die in poedervorm of als kalkmelk wordt toegevoegd en wel zooveel als noodig is om alles neer ie slaan wat door kalk kan neergeslagen worden, zoodat een over maat van kalk geen neerslag meer vormt. Deze hoeveelheid kalk is snel en gemakkelijk te bepalen: men filtreert een weinig van liet gekalkte sap en bij het heldere I'iltraat voegt men eenige druppels kal ksaccharaat- op lossing; ontstaat er een troobeling, dan Diverse medodeeHngen. 270 moet op nieuw kalk toegevoegd worden, totdat het filtraat met kalksaceharaat-oplossing behandeld helder blijft. liet filtreeren door filterpersen van liet koude gekalkte sap is onmogelijk, wolk soort doek men ook gebruikt en welke druk men ook aanwendt. Indien het gekalkte sap echter ineen van roerwerk voorziene bak met een voldoende hoeveelheid kiezelmeel vermengd wordl (zooals het in de natuur voorkomt; Kieselguhr, Handanit, enz.) en dit mengsel door middel van een pomp ol montejus door een füterpers wordt geperst, dan heeft de filtratie onder een kleinen druk en bij lage temperatuur gemakkelijk en snel plaats, liet sap loopt helder en doorzichtig af en is volkomen vrij van de organische stoffen, die zich bij de gewone warme werkwijze ge deeltelijk door de inwerking der warmte wederom oplossen. De hoeveelheid te gebruiken infusoriënaarde bedraagt zb —3s Gr. per Liter. liet langs kouden weg verkregen heldere sap wordt vervolgens op de gewone wijze met kalk en koolzuur behandeld, slechts met dit onderscheid, dat men een even goede, zoo niet betere zuivering met I—l'/.-%1 —1'/.-% kalk, dan op de gewone werkwijze met 2,o — ó/ 0 verkrijgt. I)e verwarming van het sap, dat van het langs kouden weg gevormde neerslag afgescheiden is, veroorzaakt niet meer die na deden, welke hierboven opgenoemd zijn. .Bovendien is het door de saturatie verkregen neerslag veel minder kleverig dan bij de nu gebruikelijke methode; de carbonatatie behoeft niet zoo ver door gezel ii' worden, men kan het sap een grootere alcaliteit laten behouden, zonder vooreen moeielijk loopen van de filterpersen te vreezen, en men vermijdt op deze wijze het gevaar, dat een ge deelte van bet neerslag wederom oplost, indien de saturatie met koolzuur te ver gedreven wordt. Hierdoor wordt minder kalk gebruikt en dientengevolge ont staat minder persvuü", waarmede kleiner snikerverlios gepaard gaat. De saturatie is in korter tijd geëindigd en liet benoodigde filteróp pervlak is aanmerkelijk geringer. Trots alle voordoelen, welke deze methode, wat de sapzuivering betreft, aanbiedt, zoude zij wegens den betrekkelijk hóógen prijs van de infusofiënaarae in de praktijk geen toepassing kunnen vin den, indien deze niet terug gewonnen kon worden. De inlusoriënaarde, die met het langs kouden weg verkregen neerslag vermengd is, kan gemakkelijk in de filterpersen uitgewas- 271 Diverse nwtedeelingen. schen en met een geringe hoeveelheid water van het nog aanwezige sap bevrijd worden. Dit dunsap wordt in de fabrikatie terug gevoerd. De uitgewasschen koeken worden verzameld, gedroogd en bij roodgloeihitte gecalcineerd, waarbij de organische stoffen door de hitte ontleed worden en verkolen. Men verkrijgt dan in den vorm van een fijn poeder, een mengsel van kiezehneel, kalk en kool, dat voor de sapzuivering wederom gebruikt kan worden. Al het kiezelmeel en de grootste hoeveelheid kalk, d. w. z. die, welke met de organische stoffen verbindingen had gevormd of in overmaat toegevoegd was, wordt weer terug gewonnen; men behoeft dus bij het kalken van het sap, slechts zooveel kalk toe te voegen, als zich in het sap opgelost had. De koolstof in het mengsel, werkt door de fijne verdeeling als ontkleuringsmiddel; deze werking treedt dus des te duidelijker te voorschijn, hoe grooter de hoeveelheid kool wordt door bet ach tereenvolgende calcineeren. Dit moet onder afsluiting van lucht plaats hebben, daar de koolstof anders zoude verbranden en bet voordeed van de sapontkleuring verloren zonde gaan. Deutsche Zuvkerindustrie 1897, blz. 1606. Door den heer Clat;s Spreckels wordt dicht bij de stad Salinas, ongeveer 12 mijlen van de kust van den Grooten Oceaan gelegen, een nieuwe beetwortelsuikeri'abriek gebouwd, die zeker wel de grootste der wereld zal worden. Zij zal vijf verdiepingen hoog zijn, terwijl het gebouw alleen een oppervlakte beslaat van 2,8 lI. A. Met alle bijgebouwen zaleen uitgestrektheid ingenomen worden van 9,1 lI. A. De onkosten zijn geraamd op /' 6,250000. De capaciteit zal 300l) ton per etmaal be dragen, het product dus van ongeveer 80 11. A., de lI. A. gerekend op 37,5 ton bieten. Ongeveer 12000 II.A. worden in cultuur gebracht, 600 a 700 man kunnen in de fabriek werk vinden, terwijl op de velden aan vele duizenden bezigheid kan verschaft worden. Louisiana planter 18y7, blz. 310. 272 Divetee meiledeelingeü, o[> do suikerfabriek Klein Wanz-leben zijn uitgebreide proef nemingen genomen met het bewerken der in den omtrek van de fabriek gelegen veWl<»n met behulp van elektrische beweegkracht. Hiervoor werd door een dpr stoommachines in de fabriek een dynamo uit de fabriek der firma Schuckeut & Co. Jn beweging gebracht, waardoor een stroom van '2000 volt spanning geleverd werd. Deze stroom werd door een niet geïsoleerde koperdraad naar de te bewerken velden gevoerd, van waai- telkens een geïsoleerde draad, die vrij op den grond ligt, naar den met een electromotor verbonden ploeg voert. De electromotor is van het systeem Vorsig en voorzien van een nieuw model anker. De groote ploeg, die drie ploegscharen bezit, werkt over een breedte van 1,50 M., terwijl de grond tot een diepte van 30 —35 c. M. wordt omgeploegd; de snelheid, waar mede het toestel zich voortbewoog bedroeg 1,50 Meter per seconde. De weerstand, die de ploeg moest overwinnen, werd met een dynamometer bepaald en beliep van 3000 tot 3500 K.G., wat een arbeidsvermogen van 60—70 paardekrachten vertegenwoordigt. Met dezen ploeg kunnen dus zeer goede resultaten verkregen worden. Het veld was vooraf met stalmest bemest. De aard van den te verrichten arbeid liet niets te wenschen over, en het geheele /ware toestel heeft tot in alle bijzonderheden met eene zoo groote mate van zekerheid gewerkt, dat de commissie, met het toezicht belast, verklaren kon, dat zij uitermate ingenomen was met de resultaten der proefneming en dat deze tot de best geslaagde gere kend mochten worden. Wat het electrisch gedeelte van het toestel betreft, zoo is hier een zeer belangrijke bijzonderheid in toepassing gebracht, namelijk, dat men een stroom van 2000 volt spanning direct zonder 'gebruik van transformatoren van de machine naar de ploegdynamo gezonden heeft. Alle deelen aan de ploegdynamo waren dan ook met de meeste zorg geïsoleerd, om zoodoende alle gevaar bij het behandelen van het toestel buiten te sluiten. Door het gebruik van zulke hoog gespannen stroomen, is de toepassing van de electriciteit bij de landbouwwerkzaamheden in veel ruimer zin mogelijk geworden, terwijl daardoor eveneens in vele gevallen de installatiekosten be langrijk lager zullen zijn. De resultaten met den electrischen ploeg in Diverse mededeellngen 273 Klein Wanz-leben verkregen, kunnen clan ook alleszins als een groot succes voor deze wijze van werken beschouwd worden. Indische Mercüur 1807, blz. 745. Over den tegenwoordigen toestand dor beetworteJsuikerindus trie in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika wordt het vol gende medegedeeld. Gedurende de campagne 1897/98 hebben 9 beetwortclsuiker fabrieken gewerkt en wel inden staat Nebraska 2, in Californië 'f, en in Utah, Nieuw-Mexieo en New-York elk 1. De eerste zeven fabrieken hebben in te zatnen rond ;{OOOO ton (van 1000 K. G.) geproduceerd; de productie van de 9 fabrieken in 1897/98 wordt op 45000 ton geschat; de hoeveelheid beetwortelen, die dagelijksch verwerkt wordt, taxeert men op 4200 ton. De financioele resultaten der reeds genoemde 7 fabrieken zijn tot nu toe zeer gunstig geweest. Twee nieuwe ondernemingen, die in 1898/99 moeten werken, zijn thans in Californië in aanbouw, waarvan een 2500 ton biet per dag zal verwerken, de andere, die slechts voor 500 ton bere kend is, zal tevens rietsuiker van IFawaii raflineeren. De meeningen omtrent de toekomst der amerikaansche bect . wortelsuikcrindustric zijn zeer uiteenloopend, hoewel over het alge ineen aangenomen wordt, dat Amerika binnen een niet al te lang tijdsverloop tot de exportecrende landen zal behooren; de minister van landbouw Wilson meent, dat hiervoor hoogstens 10 jaren zullen noodig zijn. Als men in aanmerking neemt, dat de amerikaansche indu striën zich in den regel snel ontwikkelen en meestal grootsch aan gelegd worden, en uien verder in gedachten houdt, dat Duitschland, Frankrijk, Oostenrijk en Rusland, gedurende de jaren 1852—1895 hunne gezamenlijke productie met 2 millioen ton vermeerderd hebben, of 150% in n jaren tijds, dan kan men het niet voor absoluut onmogelijk houden, dat Amerika binnen korten tijd in zijn eigen behoefte aan suiker zal voorzien. De bietcnoogst bedraagt in Nebraska gemiddeld 22 ton en in Californië 20 ton per H. A. Vooral de laatste staat schijnt, wat het klimaat betreft, uitstekend geschikt te zijn voor de biet cultuur. Diïersa mededeelingen 274 Het verbouwen der bieten beeft, daar een eigenlijke winter ontbreekt, gedurende de maanden Februari -April plaats; het oogsten van Augustus—November, boewel enkele fabrieken ook uog in December doorwerken. De velden kunnen dus geleidelijk beplanl worden en eveneens heefi bet oogsten successievelijk plaats, zoodal de Fabrieken met een minimalen voorraad gerooide bieten kunnen volstaan; zij worden dus niet zooals in Europa geschiedt in kuilen bewaard. Voor <lc gemiddelde fabrikatiekosten der amerikaansche biet suiker worden de volgende cijfers opgegeven. Dagelij ksche onkosten: (Per ton van 2000 ie biet = 007,2 K. G.) Brandstoffen, 12% kolen as2 25 per ton . . $ 0,27 Loonen .......... 0,65 Kalksteen, 8% a $ 1,60 » 0,13 Materialen: drijfriemen, filterzakken, olie, vet, electr. » verlichting, laboratorium, zakken, kisten, enz. . » 0,75 l'rijs per ton bieten ...... » 4, — Diversen .......... 0,30 Totaal . . $ 0,10 Jaarlij ksche onkosten: Bureau, reiskosten, onderhoud en reparatie machi neiien en gebouwen, tractcmcntcn, belasting, assurantie, rente en commissie, hypotheek enz. $ 50000 De $ 50000 zijn berekend zonder in aanmerking te nemen of de verwerkte hoeveelheid hietcn per campagne 40/ui. of 60/m. ton bedraagt, daar de onkosten in de fabriek door het verwerken van cene grootere hoeveelheid bieten nauwelijks vermeerderen. De nevenproducten, uit de hietsnijdscls en melasse bestaande, zijn tot den laagsten marktprijs in rekening gebracht. Wanneer wij voor den prijs van een ton steenkolen een dollar meer rekenen, dus $ 3,25, dan wordt het pond suiker slechts 0,05 ets. duurder. Voor de loonen werd meer dan het drievoudige gerekend van hetgeen hiervoor in Europa uitgegeven wordt; ook de jaarlijkschc onkosten a $ 50000 zijn veel hooger dan zij in goed werkende Eu vopeeschc fabrieken bedragen. Men komt dus tot het besluit, dat een fabriek, die gemiddeld 40—60 duizend ton biet per jaar kan verwerken en 180 — 220 'ffi Diverse mededeelingen 275 suiker (granulated) per ton beetwortelen produceert, een pond sui ker voor 3'/4 ets. (f 4,42 p. pikol) kan afleveren. Wordt ruw-suiker van Hamburg of van Cuba thans onder het Dingley-tarief ingevoerd om tot granulated omgewerkt te worden, dan brengt dit de kosten dezer suiker op meer dan 5Va ets. per®, terwijl elk pond granulated in Amerika zelf geproduceerd op 3 1 /* ets. te staan komt. Wiener Wochenschrift 1891, blz. 807. Niettegenstaande de hervorming van de tariefwet, waardoor de concurrentie van buitenlandsch geraffineerd op de amcrikaansche markt zoozeer bemoeilijkt is geworden, schijnen toch minder gun stige jaren voor de Trust in aantocht te zijn. Uit Amerika wordt gemeld, dat de familie Havemeyer, die tot nu toe steeds de leiding der Trust op zich had genomen, zich terug zal trekken en vervangen zal worden door den olie-magnaat Rockfeller. Als reilen hiervoor wordt het volgende medegedeeld: In de eerste plaats staat deze verandering in verband met het voor korten tijd plaats gehad hebbende overlijden van den heer Theooor Havemeyeii, terwijl ook de tegenwoordige president O. llavemeyer in zeer ongunstigen gezondheidstoestand verkeert. Hierbij komen nog moeilijkheden van allerlei aard, die eerst in den laatstcn tijd ontstaan zijn en waar door de personen, die tot nog toe de leiding der zaken op zich namen, aanleiding gevonden hebben, zich terug te trekken. Deze moeilijkheden bestaan vooreerst in directe nieuwe concurrentie, welke de American Sugar Trust wordt aangedaan door de van haar onafhankelijke fractie, die kortelings door belangrijke uitbreiding van het kapitaal, aanzienlijk versterkt is. De nu in Brooklyn in aanbouw zijnde raffinaderijen van Arritckle Bros en van Claus Doscher, die beide in het beste gedeelte der haven gelegen zijn, moe ten reeds met de aanstaande campagne in werking komen. Boven dien zijn Arbuckle Bros bezitters van een patent voor den verkoop van suiker in kleine pakketten van t © inhoud, waardoor veel tijd en kosten bespaard moeten worden, want de enorme uitbreiding hunner koffiehandel hebben zij voor een groot deel aan dit systeem van werken te danken. De positie van de Sugar Trust wordt ook daardoor ongunsti ger, dat tengevolge van de bescherming door de nieuwe tariefwet verleend, de inlandsche productie van beetwortelsuiker zich onge- Dtverßê mededeellngen. 276 meen krachtig begint te ontwikkelen. En hoewel nog vooreerst met de bectwortelsuikerindustrie niet als met een factor van groot belang rekening gehouden behoeft te worden, omdat de productie van alle tot nu toe in werking zijnde en geprojecteerde fabrieken, ruim genomen 200000 ton niet overschrijden zal, en dientengevolge nog gering is in betrekking tot de jaarlijksche consumptie van 2,000000 ton, zoo is het toch buiten twijfel, dat deze jonge industrie, die vooral van de zijde van het kapitaal nauwlettend wordt gade geslagen, op den duur een ernstige concurrent voor de Sugar Trust zal worden. Een feit van veel belang is, dat niettegenstaande het verhoogde invoerrecht de import van geraffineerd niet belangrijk is achteruitgegaan. En ten slotte zijn sedert I November 1.1. de contracten afgeloopcn, die aan de Sugar Trust den geheelen oogst van Hawaii verzekerde, welke accijnsvrij in de Verecnigde Staten mocht ingevoerd worden, en men meldt, dat door de onafhankelijke raffinaderijen reeds 225000 ton van den aanstaanden oogst is aan gekocht, terwijl het de Trust niet mogelijk was meer dan 50000 ton te verkrijgen. Wil dan ook in de toekomst de Sugar Trust meester over den inlandschen suikerhandel blijven dan behoeft zij zeker een zeer vooruitstrevende leiding, en hiervoor schijnt na aftreding der familie llavemeyer, Rockfeller wel de meest ge schikte te zijn. Indische Mercuur 1897, blz. 745. Aan de verschillende dagbladen wei-d de volgende advertentie aangeboden: Staatsspoorwegen op Java, Oos'erlijnen. Met ingang van 15 Maart 1898 mogen suikerrietstekken (bibit) per spoor slechts ge frankeerd verzonden worden. De Chef der Exploitatie OL, Ai.ex. E. Lindo. Diverse mededeelingeh. 277 Regen-waarnemingen, Januari 1898 Diveru BMdedeeluigefl 278 Maandelijksch overzicht van de Regenwaarnemingen van het Algemeen Syndicaat van Suikkrkai!i:ikani'kn' op Java. Januari IS9B. STATISTIEK,OOGST-EN MARKTBERICHTEN, ENZ- De Buikerinvoer in Frankrijk nit de fransche koloniën bedroeg in tonnen: 1896 1895 Guadeloupe 37345 35175 '2G7OG Martiniqne 300Ü5 30549 2361M Réunion 35991 33894 28500 Mayottc 3125 2i!4ö 2187 Nossi-Bé 110 89 32 Andere bezittingen 413 96 2 107049 102049 81045 Sucrerie indigène et coloniale 1891, blz. 567 Diverse raedo'leelin?cn 279 Overzicht van den Rietsuikeiujitvoer en de Bietsuiker productie van Juli t/m. October 18W7. 280 Statistiek, oogst- en marktberichten, enz* LUITSCHE BEET WORTELSHKER-STATISTIEK. Statistiek, oojst- eii nHrlctbeficbttri, enï 281 Aan een rapport van don fransehen consul te Havanna over <lcn toestand fljsr Suikerindustrie op Cuba, is liet navolgende ont leend. Om zich een denkbeeld te kunnen vormen van hetgeen handel en landbouw sedert twee jaren door den opstand te lijden hebben, bëhêeft men slechts het verschil na te gaan, tiisschen de suiker productie van 4894 en die van 1897, dat 8i7815 ton suiker bedraagt, eene waarde vertegenwoordigende van ongeveer 82 inillioen gulden. Gedurende het oogstjaar 1893 — '94 toen men weinig ver moedde, dat binnen 2 jaar een opstand zou uitbarsten, bedroeg de productie 1,054214 ton, daalde in 1894—'95 op 1,004204 ton, om in 1895 —'96 plotseling tot 288131 ton te verminderen; deze terug gang in productie hield aan, zoodat in 1890 —'97 slechts 230999 ton suiker geproduceerd werden. liet navolgende geeft een overzicht van de productie, den uit voer en den voorraad van de laatste 2 jaren. 1896 1897 Plaats van Zakken i) Oxhoofd *) Ton 3) Zakken. Oxhoofd Ton. uitvoer: Havanna . . . 575922 20 244702 148 Matanzas . . . 79256 377 275282 Cardenas . . . 137070 208766 Cienfuegos . . . 176070 78 482516 — Sagua .... 20710 — 96928 — Caibarien . . . 29145 33383 Guantanamo . . 169980 — Santiago de Cuba. 19942 — - Manzanillo ... 149105 200 — Nuevitas . . . 60035 — — — Gibara .... 47850 22 — Zara — — — — Trinidad . . . 27714 — , 35579 1,493141 497 200984 1,472356 148 203*G6 ', Een zak = 310 Eng. ponden r= 140,5 K. O. '} , Oxhoofd = 1550 „ , = 702,5 „ „ ') , Ton = 2240 , „ = 1018 „ , 282 Statistiek, oogst- en marktberichten, enz Voorraden: Zakken. Oxhoofd. Ton. Zakken. Oxhoofd. Ton. Havanna . . 232766 150 5i795 Matanzas . . 54075 12190 Oatttenas . . 377 IS - 4009 Cienfuegos. . 103401 177 10145 Sagua. . . . 12093 1110 Caibarien . . 680 5323 Guantanamo . . 7883 — — — Santiago de Cuba. 0320 — — Gibara .... 0785 Trinidad . . . 1875 — — 403010 327 04387 87071 — 12133 Totaal 271371 215990 Locale consumptie 0 maanden 10900 21000 Totaal '288331 236999 De suiker werd uitgevoerd naar de volgende landen : 1890 1897 Zakken. Oxhoofd. Ton. Zakken. Oxhoofd. Ton. Ver. Staten . 1,37i53i 497 190570 1,462694 148 202440 Nieuw Orléans 03502 8788 — - - Spanje . . . 55105 — 7620 9662 — 1337 Nassau-Eilanden — — — — — 83 Totaal 1,493141 497 206984 1,472350 148 203866 Men ziet dat Amerika de grootste hoeveelheid suiker van het eiland koopt, hetgeen aan de nabijheid van dit land en aan het gemakkelijke transport moet worden toegeschreven. De uitvoer naar het moederland is steeds zeer onbeduidend geweest, daar de transportkosten naar Spanje meer bedragen dan naar Noord-Amerika, waardoor de prijs der suiker stijgt en ze dus niet zoo voordeelig kan verkocht worden als in de Ver. Staten. Men moet in aanmerking nemen, dat indien de suikerproductie van deze '2 laatste jaren, niet eens het derde gedeelte van de pro ductie der 2 vorige jaren bereikt, dit daaraan toe te schrijven is, dat vele fabrieken en aanplantingen verwoest zijn geworden en ook dat vele ondernemingen gedurende de laatste campagne niet kon den werken, omdat zij niet voorzien waren van een militaire be zetting, zooals een edict van den Gouverneur-Generaal voorschreef, om ze tegen de opstandelingen te beschermen. 283 Statistiek, oogat- eu marktlMiriiliten, enz Toen de opstand uitbarstte, waren er op Cuba 350 suikeron dernemingen, waarvan de meeste centraalfabrieken waren, op een waarde geschat van 2UOJOO—SJOOOU piasters gemiddeld. Hiervan zijn 83 geheel verwoest, waaronder zich twee fabrieken bevinden, die elk jaar Buoüo, 6 die SÜUUO—4OOOÜ en 11 die 351)00— 25DJU zakken suiker afleverden, terwijl de overige 2uOo0 —8000 zakken produceerden. In de provinciën Havanna en Pinar del Rio, waar de suiker rietcultuur niet bijzonder belangrijk is, zijn 44 fabrieken verwoest en in de provincie Matanzas, waar de meeste suiker geproduceerd wordt, hebben 32 van de 144 ondernemingen hetzelfde lot onder gaan; Santa Clara en Santiago de Cuba hebben minder te lijden gehad; in de eerste provincie zijn slechts 5 en in de tweede slechts 2 fabrieken vernield. Hoewel de verliezen algemeen geweest zijn, zijn sommigestreken in iB9ü minder geteisterd dan andere. Zoo hebben de provincie Matanzas, waarin de steden Matanzas en Cardenas liggen; de pro vincie Santa Clara met de steden Cienfuegos, Sagua, Caibarien en Trinidad in lbOo meer schade geleden dan gedurende den loop van dit jaar, terwijl in de provincie Havanna juist het omgekeerde heeft plaats gehad, zoodat haar productie dit jaar verre beneden die van 18Jü is gebleven. Al deze omstandigheden schaden natuurlijk aan de suikerproductie en hebben bijgevolg de Cubanen en de eigenaren der fabrieken in een moeilijken toestand gebracht. Ont bloot van geldmiddelen en geen bronnen bezittende om zich de noodige fondsen te verschaffen, zal het hen zeer moeilijk zijn, niet alleen om opnieuw riet aan te planten, doch ook om den aanplant te kunnen bewerken en te onderhouden. Daarbij komt, dat sedert eenige jaren gebrek aan crediet bestaat en thans, nu de toestand zooveel slechter is, kunnen de meeste planters eti eigenaren niet meer ,voldoen aan de eisenen die de suikerindustrie stelt, daar, hoewel een groot aantal ondernemingen een meer dan voldoenden waarborg biedt, de bankiers en kapitalisten, die groote voorschotten hadden gegeven, geen nieuw crediet meer willen of kunnen openen, aangezien de aanplant en vooral de fabrieken eiken dag het gevaar loopen verwoest te worden. Zij, die met eigen middelen de cultuur voortgezet hebben, heb ben niet veel winst kunnen behalen, integendeel, bij de tegenwoor dige suikerprijzen is het niet twijfelachtig, dat zij, op enkele uitzon deringen na, nauwlijks hun onkosten hebben kunnen goedmaken, 284 ètatistlek, oogst- en marktberichten, eti* Men is niet zonder vrees voor de toekomst der suikerindustrie op Cuba, die de voornaamste bron van inkomsten van dit eiland vormt; daar in de Ver. Staten nu alle moeite gedaan wordt om de cultuur der beetwortelen te bevorderen en Louisiana de suikcrrietcultuur uit breidt, zullen die markten voor Cuba langzamerhand gesloten worden. Sucrerie indigène et coloniale i897, blz. 450. De Suikerexport van enkele koloniën bedroeg van Sept.—Aug., dus gedurende 12 maanden in: 4896/97 1895/96 1894/95 1893/94 in tonnen Cuba 229208 372805 754402 1,160171 Porto Rico 66623 49948 52467 62189 Trmidad 49289 54591 52026 46900 Barbados 56193 42975 37040 63998 Martiniquc 31921 35836 29758 35723 Guadaloupe 42055 43109 31621 42134 Demerara 110537 102433 96747 104655 Pernambu.o 146786 157042 194119 199659 Pbilip pijnen 205914 250447 200870 186673 Mauritius 147648 140595 113936 137985 Réunion 48447 44768 38248 39845 Totaal 1,134621 1,294549 1,601234 2,079932 Sucrerie indigène et coloniale 1897, blz. 805. De snifcernitvoer van Mauritius bedroeg: Campagne. Naar: 1896/97 1895/96 1894/95 1893/94 Europa 1853 1990 7266 17528 ton Indië 75391 78717 12314 14871 » Australië 22664 18871 69533 84306 i Nieuw-Zeeland 2057 1261 13681 14892 » De Kaap 24950 '20145 1473 1050 » Amerika 12173 16011 7718 4690 » Andere landen 10416 3152 2926 3347 » Totaal 149504 140147 114911 140684 ton Wiener Wochenschrift 1897, blz. 768. 285 Statistiek, oogst- en marktberichten, enz, De suikernitvoer van Denierara bedroeg: Naar: 1897 1895 1894 Europa 33845 33720 52702 ton Ver. Staten 70651 52356 46340 » Attdere landen 775 4837 3855 » 105271 95919~ 102897 ton Wiener Wochensehrift 1897, blz. 768. De suikerproductie der engelsche bezittingen bedroeg in de laatste jaren: 1896/97 1895/90 1894/95 189.'! Mi In tonnen Trinidad 55000 58000 56641 49T62 Barbados IüOOO 47800 39346 58092 Jamaica 30000 30000 30000 30000 Antigua en St. Kitts 29000 24000 20000 25000 Brisch-Gnyana 100000 105000 35919 102897 » Indië (Uitvoer) 50000 50000 50000 50000 Australië en Fidsji pil. 140000 144000 153712 121146 Mauritius 155000 145000 115000 139751 Totaal 619000 600800 553010 576548 Sucrerie indigène et coloniole 1897, blz. 485. De snikerinvner in Finland is gedurende het laatste jaar be langrijk gestegen. Volgens het finsche douanen verslag van l Oct. j. 1. bedroeg de invoer van ruwsuiker in September 1161 ton of 307 ton meer dan in Septembei 189ö, terwijl de invoer van raffinade van 1336 ton tot 433 ton daalde. Gedurende de eerste negen maanden werd aan ruwsuiker 6-452 ton en aan raffinade 5495 ton ingevoerd, of 1892 en 1157 ton meer dan gedurende hetzelfde tijds verloop in 1896. Nadat de bepalingen, die de russische ruwsuiker bevoordeelen van kracht geworden zijn, is de invoer van hooggradige russische suiker sterk toegenomen, terwijl de invoer van duitsche raffinade gedurende de negen eerste maanden slechts 227200 K.G. of 3,880900 K. G. minder bedroeg dan in 1896. Eenigen tijd gele den bestond het plan om met russisch kapitaal in Finland een suikerfabriek te bouwen en de te verwerken beetwortelen voorloopig 286 Statistiek, oog-st- en marktberichten, enz uit Rusland te betrekken, terwijl tegelijkertijd proeven zouden ge nomen worden met het verbouwen van beetwortelen in Finland zelf. Dit plan schijnt echter niet tot uitvoering te komen; de onder nemers hebben zeker begrepen, dat het een groot waagstuk zoude zijn bij Helsingfors een suikerfabriek te bouwen, voordat de zeker heid bestaat, dat zich in Finland een loonende bietenteelt kan ontwikkelen. Deutsche Zuckerindustrie 1801, blz. 1841. Europa, 5 Februari. Duitschland. Er had in de weersgesteld heid gedurende de laatste twee weken in zooverre verandering plaats, <lat het een weinig vroor; ook enkele sneeuwbuien brachten afwisseling in dit voorliet jaargetijde abnormale weer. Zulke zachte winters komen slechts weinig voor en het is te wenschen, dat de thans heerschende warmte later niet door een buitengewone strenge koude wordt gevolgd. Er worden reeds berichten ontvangen over schade door insecten aangericht, deze en hunne larven hebben onder de bestaande weers gesteldheid weinig te lijden, zoodat als vrij zeker kan aangenomen worden, dat zij dit jaar vrij talrijk zullen voorkomen. Hoe groot de te verwachten uitbreiding van de beetwortel aanplantingen zal zijn, is nog niet in cijfers uit te drukken. Frankrijk. De laatste twee weken viel hier over het algemeen veel regen. De vrees vooreen plotseling in'redende temperatuurs verlaging blijft ook hier steeds bestaan. Door de onzekerheid, welke nog heerscht omtrent het afschaffen der suikcpi emiën, is het nog niet mogelijk iets over de uitgestrektheid der aanstaande bcetwor telaanplantingen op te geven. Tot nu toe wordt aangenomen, dat zij niet grooter zullen zijn dan het afgeloopen jaar. Nederland en België. Ook hier is de weersgesteldheid nog steeds abnormaal te noemen. Den laatstcn tijd viel er veel regen en woei het gedurende ecnige dagen zonder ophouden. Op Cuba bedraagt de voorraad suiker in de 6 havens thans 43(385 ton. Trinidad had de laatste 1 \ dagen veranderlijk, doch over het algemeen droog weer. Binnen cenige dagen zal de campagne wel geopend worden. Queensland. De maaltijd loopt ten einde, de meeste fabrieken zullen binnen weinige dagen gereed zijn. 287 Statistiek, oogst- en marktberichten, enz De weersgesteldheid was voor het jonge riet zeer gunstig. De Suikerafschepingen bedragen van 1 Juni tut einde November 46407 ton. In Brazilië verwacht men een grootcr oogst daa in het afge loopen jaar. Soerabaja 12 Maart. In suiker ging niets om; koopers bieden f 6 7 / 8 , verkoopers houden op f 7. — Suikerverkoopen, Oogst 1898 tot ultimo Februari voor zooverre die bekend zijn geworden. 2,'244500 pikol totaal vorige lijst. 25000 » WatoetooJies en Popoh / 7 No. 11 -14 '20000 » Kandang Djatic » » » 10000 » Koning Willem II » » » 15000 » Gcmpolkcrop » » » 10000 » de Maas 7 1 /, »15— 17 10000 » Tjomal 7 »12 en hooger 10000 » Ngempit » » 11—14 10000 » Winongan » » » 15000 » Tjockir 7' /8 »15— 17 15000 » Djombang » » » 10000 » Maron » » » 10000 » Kocdjoen Manis 7 «11-14 5000 » Bangah 7 1 /, »16 15000 » Kadipaten S'/j »20 en hooger 6000 » Ament 7'/ 2 »16 10000 » Scntanan lor 7 » 11—14 10000 » Brangkal » » » 10000 » Bangsal » » 10000 » Dinoijo » » » 10000 » Tangoenan » » » 10000 » Mcnang » » » 10000 » Gedaren » »12 en hooger 10000 » Gondang lipoeroe 7 3 ,'8 av. 15 10000 » Soekoredjo » » 15—17 10000 » Tangoelangin 7 » 11—14 Totaal 2,530500 pikol. 288 Statistiek, oogst- en merktberiohten, enz OORSPRONKELIJKE VERHANDELINGEN. RESULTATEN VERKREGEN MET SUIKERRIET UIT ZAAD. *) / door J. I'. MOQUETTK (Met plaat III—VII.) Reeds herhaalde malen, en zulks vooral in den laatsten tijd, werd mij gevraagd naar de resultaten verkregen met het door mij sedert 't jaar IK)1 geteelde zaadriet. Dat het rietzaaien tegenwoordig meer de attentie trekt, dan in den beginne, is wel in hoofdzaak te danken aan het feit, dat sedert ccnige jaren door de Proefstations daarmede proeven genomen zijn, van welke proeven telkens min of meer uitvoerige publikaties in het Archief verschenen. Dit was dan ook een der redenen, die mij van verdere mede deeling mijner resultaten, 't zij positief dan wel negatief, weerhiel den, want, uit den aard der zaak zouden die mededeelingen slechts herhalingen kunnen zijn van reeds gepubliceerde feiten, dan wel een produceering van analysecijfers. Vooral 't laatste beschouw ik als van weinig of geen nut, want iedereen weet, of kan zulks uit de reeds herhaaldelijk gepu bliceerde cijfers weten, dat het suikergehalte der zaadplanten sterk varieert. Hierbij komt nog, dat verreweg het grootste gedeelte der zaad planten, of der stekkengeneraties daarvan, successievelijk moet wor den afgekeurd, waardoor de beschrijvingen en analyses van zelve hun waarde verliezen. Kr is evenwel nog een oorzaak, waardoor naar ik vermoed ook het zaadriet méér dan vroeger de aandacht trekt, en dat is ..de sereh". Zoolang nog Malatig voldoende en goed plantmateiïaal leverde, was de nood nog ver. Daarbij kwam dat nog de geheele Preanger ter beschikking was en men ook van andere bergstreken nog uit stekende bibit kon krijgen, zoodat we dat zaadrict best konden missen. ) Voor zooverre betreft de mededeeling der resultaten met het znadriet verkregen, werd ilit stuk gelezen op do vergadering van liet Kepartement Hoerabaia van het Algemeen Syndicaat vun Su'kerfabrikanten op Java, gehouden te Stdhoardjo den Ben Januari 1897. De oorspronkelijke bedoeling was dat 't stuk direct in het Archief opgenomen zoude wor den, doch door onvoorziene omstandigheden, n.l. moeilijkheden mei de vervaardiging der platen ondervonden, moest de plaatsing tot heden worden uitgesteld. In de laatste jaren is in dit opzicht evenwel verandering merkbaar. De bij uitzondering goede, (d. w. z. uit het oogpunt van sereh beschouwd, goede) aanplantingen niet te na gesproken, is vrij wel de Malangbibit verre van serehvrij en ook weder onze aanplantingen van dit jaar in de vlakte, zijn daarvan 't beste bewijs. Het zal voor menigeen een koude, douche geweest zijn, te zien, dat ook zijn aanplant van Preangerimport sereh vertoonde. We mogen 't verbloemen en bij een mooien Preangerimport aanplant. die sereh een „verdwaalde soelamman" noemen; we kunnen wel beweren, dat die sereh van tweede of derde snittuinen her komstig is. 't Feit evenwel, dat Preangerimport in meerdere of mindere mate sereh vertoont en dat in de Preanger zelve sereh voorkomt, kunnen we niet weg redeneeren. Dat deze wetenschap unheimisch werken kan, vind ik vrij verklaarbaar en ik vond het dan ook niet zon erg vreemd, dat mij nu en dan naar het zaadriet gevraagd werd. Tot nu toe moest ik mij evenwel tot de mededeeling bepalen, dat er enkele variëteiten onder de stekkengeneralies waren, die veel beloofden, doch aangezien de aanplanting er van nog te klein was, kon ik er verder niets van zeggen. Eerst de resultaten verkregen van den ditjarigen oogst, geven mij geloof ik het recht om eenige meer positieve mededeelingen te doen. Alvorens evenwel daartoe over te gaan, sta men mij toe in korte woorden een overzicht te geven van het verloop der proef, en daartoe moet ik terugkeereu tot het jaar 1891. In het tijdschrift Tcysmannia (Oct. 1892) *) publiceerde ik in dertijd een opstel, ter beantwoording der vraag ~Is liet kweeken van suikerriet uit zaad op groote srhaal paogelyk?" In dat stukje maakte ik er reeds melding van, dat ik in 1891 de proef begon met zaad van liet zoogenaamde „Tcboe Gagak" (No. 10i van den vari< ; - teitentuin „Midden-Java"). liet is wel een eigenaardig verschijnsel, dat niet alleen de zaad planten van deze rietsoort, doch in nog hooger mate de stekken generaties dier zaadplanten, een zeer groote neiging bezitten tot het vormen van monstrositeiten. *> Ook overgedrukt in de mededeelingen der Vereeuiging van Soerabayasche Suiker fabrikuiiten. ■T. P. Moquette. Resultaten verkregm met suiki rrict uit zaad 290 In 1892 moest ik dan ook alle generaties der zaadplanten van 't vorig jaar verwerpen en kon ik in 1893 constateeren, dat het zelfde het geval was met de ruim 900 zaailingen dierzelfde rietsoort in 1K92 gewonnen, want de stekkengeneratie er van gaf tePasoeroean slechts misgewas. Als bijlage van het bovenbedoelde opstel publiceerde ik een lijst van 39 variëteiten, waarvan in 1892 zaadplanten gewonnen werden en wel ten getale van ruim ROOO stuks. Tn 1893 zaaide ik wederom op groote schaal en aangezien het riet toen over bel geheel meer bloeide, kon ik van verschillende andere variëteiten aantoonen, dat ze kiembaar zaad voortbrachten, of liever, konden voortbrengen. Het lijstje kon dus belangrijk worden uitgebreid en kwam ik van 39 N«». in 1892, tot 93 N<*. in 1893. Datzelfde jaar won ik nog van een menigte zaadplanten we derom zaad en verkreeg zoodoende een groot aantal planten als 2« zaadgeneratie. Eveneens gelukte het mij om aan te toonen, dat het mogelijk is om van het Oheribomïet zaadplanten te kweeken, want ik verkreeg toen een vrij groote hoeveelheid kiemen van de drie bekende Cheri bonriet-variaties, zwart, gestreept en geel. Uitdrukkelijk moet ik hierbij evenwel vermelden, dat het zaad van het Cheribonriet door mij slechts kon verkregen worden uit den omtrek van den variëteitentuin. alwaar dus kruising niet alleen mogelijk, doch zelfs zeer waarschijnlijk was. Van honderden pluimen, vóór dien tijd en ook weder dat jaar door mij uitgezaaid, en die genomen waren van geïsoleerde tuinen, alsmede van pluimen geplukt op Sempalwadak (Malang), welke laatste mijn attentie trokken door hun volheid, heb ik nimmer kie men verkropen. Al wil ik hiermede niet beweren, dat niet af en toe, onder gunstige omstandigheden, ook zonder kruising, door het Cheribon riet zaad kan worden voortgebracht, dan toch geloof ik, dat verdere proeven er mede vrij wel af te raden zijn. Ken ander geval is het wanneer men het Cheribonriet als moederplant kruist met andere, liefst sterke en serehvrije variëteiten, zooals o. a. door den Heer Bouricius is bewerkstelligd. Niet alleen kan men dan, zooals gebleken is, uit één pluim een groot aantal kiemen verkrijgen, doch men heeft tevens het voordeel, dat de zaadplanten de eigenschappen der beide ouders kunnen erven, .T. P. Moquette. F(Bultaten verkregen met suikerriet uit xaad 291 en wel den suikerrijkdom van de moeder en de immuniteit tegen de serehziekte van den vader. Om echter weder tot de zaadplanten van 1892 terug te keeren, moet ik hier in herinnering brengen dat het oorspronkelijk plan was, dat het Proefstation Oost-Java alle stekken van die planten zoude overnemen. Door gebrek aan grond in den Proeftuin aldaar, kon zulks evenwel niet geheel worden uitgevoerd en hield ik dus een gedeelte te Toelangan aan. Van de te Pasoeroean uitgeplante N os . bleven op heden slechts een paar in cultuur. Ook ik moest verreweg het grootste deel der op Toelangan aan gehouden N O9 . verwerpen, dewijl ze of niisgewas gaven, öfserehziek werden, of zwaai- door andere ziekten werden aangetast. Ook van het zaaimateriaal van 1593 kon ik geen verder gebruik maken, aangezien ik door mijn overplaatsing naar Kremboong, geen gelegenheid had alles te sorteeren. Slechts van de zaadplanten van het Cheribonriet werden stekken te Kremboong uitgeplant en verder hield ik in 1894 aan, de tweede stekkengeneraties der zaadplanten, afkomstig van de variëteiten No. 311 Vituahaula van Malakka (identiek met Louzierriet) » 314 Lorna Loma » » » 330 Lahina » » en » 344 Soerat item » de Fidsji eilanden. In dat jaar waren dus, uitgezonderd de paar N os . nog te Pasoe roean aanwezig, de oorspronkelijke 5000 N ,,s . reeds tot 350 inge krompen. Van de tweede stekkengeneratic verkreeg ik van sommige N os . [Machtig riet en velen die het proeftuintjc zagen, zullen zich het zoogenaamde zwarte Louzierriet nog wel herinneren. Andere N O9 . evenwel gaven, of misgewas, of in sommige gevallen sterk serch zioke planten, terwijl een paar N°». reeds geheel uitstierven, vóór ze zelfs nog stengels gevormd hadden. In 1895 kon dus wederom een groot aantal N O9 . uitvallen en slonk het getal van 350 tot 91. Ook van dit restant werd in dit jaar wederom een groot ge deelte afgekeurd, zoodat per slot van rekening van de ruim 5000 planten slechts een twintigtal voor verdere aanhouding in de ter men viel. In dit jaar was evenwel de uitbreiding der zaadrict-variëteiten, die voor de cultuur in aanmerking konden komen, reeds zoover 292 J. P. Moquette. Resultaten verkregen met suikerriet uit zaad gOWêrdörd, dat er eenigszins vertrouwbare gegevens, qua waarde als fabrikatieriet, van konden worden verwacht. Op bijgevoegden staat beb ik die gegevens verzameld en kan men er uit zien, dat eerstens de genoteerde analysccijfers zijn genomes van molensap 2 X persing, (zonder imbibitie) en tweedens, dal de vermalen hoeveelheden riet in de meeste gevallen groot genoeg waren om een omrekening in productie per bouw té wettigen. Op genoemden staat zijn de vet gedrukte cijfers der eerste kolom de N OB . van 't moederriet, (correspondeerend met de N OB . van den variëteitentuin Midden-Java>, en geven de andere het N°. aan, dat door mij aan de oorspronkelijke zaadplant werd gegeven. De N OB . 311/1 tot en met 344/50, zijn het restant der 5000 zaad planten in 1892 gewonnen en zijn dus nu (aanplant 4896/97) de 4 e generatie van stekken. De N OB . D 1 tot Fl3 resteeren van de zaadplanten van 1893 en zijn dus nu de 3 e stekkengeneratie. Zonder twijfel zullen van beide groepen ook a. s. jaar nog wederom eenige N ns . worden afgekeurd, al zoude het alleen zijn, dewijl de suikerproductie te laag is, doch ik heb vermeend de proef er mede nog een jaar te moeten voortzetten, aangezien eerstens over 't algemeen de riet- en suikerproductie abnormaal was en het dus mogelijk is, dat ook het zaadriet daaronder leed, en tweedens "in reden de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat op anderen grond de resultaten beter kunnen zijn. In elk geval is het evenwel duidelijk, dat de N OB . 311/100, 344/3, 344'3ö, Dl, E 12 en Fl3 een bevredigende suikerproductiviteit bezitten. Ten einde de verschillende zaadriet-variaties, qua opbrengst waarde te kunnen vergelijken, werden in vakken er tusschen in, verschillende andere rictsoorten, die reeds in cultuur bekend zijn, geplant. De resultaten daarmede verkregen, laat ik op den staat onderaan volgen. Het Louzierriet gaf tot heden op Kremboong slechts zeer mid delmatige producties, hetgeen ook uit de 2 vakken daarmede geplant blijkt. Vergeleken bij het Cheribonriet (Malang import) was de pro ductie van het eene vak zelfs 42 pikols lager. Voor Fidsji-Koening (of Canne morte) schijnt de grond vanden proeftuin zeer geschikt geweest te zijn. J. P. Mot\nMi'. ftosulUten verkregen niflt suikerriet uit zattd 293 't Grootste verschil tusschen vak 1 en 2, van het Louzierriet, zal wel in hoofdzaak te danken zijn aan den grond. De grond van den proeftuin ging van Zuid naar Noord geleidelijk over van zoogenaamden zavelgrond (taraban) tot vrij stugge klei. Ik moet hierop wijzen, ter beoordeeling der zaadriet-generaties. De N°» 311,1 tot 3lljiü3 b. v. hadden tot moeder het Louzierriet. Ze kunnen dus de gevoeligheid voor grondgesteldheid als moederlijk erfdeel bezitten. Aangezien nu in de laatste jaren bleek, dat er gronden zijn waarop het Louzierriet producties geeft, die zelfs hooger zijn dan die van het Cheribonriet, *) zoo kan het dus evenzeer mogelijk zijn, dat b. v. zaadriet N". Jil,l op zulke gronden geplant nog hooger producties oplevert dan het moederriet. N u . «irl/llü schijnt een ras te kunnen worden, dat verreweg boven het moederriet zal staan, doch ook dit is natuurlijk met absolute zekerheid eerst in de groote cultuur uit te maken. Dergelijke vergelijkingen zijn natuurlijk zoowel tusschen het zaad riet zelve, alsook in vergelijk met de andere rietsoorten in menigte te maken, doch ze zijn in vele opzichten onvruchtbaar, een waarheid, door de praktijk, in de laatste jaren herhaaldelijk bewezen. De zoo tegenstrijdige bevindingen in verschillende streken van Java met een of andere rietsoort verkregen, bewijzen niet dut die rietsoort zelve voor de cultuur van onwaarde is, ze bewijzen alletn dat die rietsoort niet op alle gronden even goed slaagt, of dat ze voor klimaat verschillen meer of minder gevoelig is. Het Cheribonriet is toevallig een rietsoort, die vrij wel overal gedijen wil en wij zijn er daardoor langzamerhand toegebracht, om het als 't riet „par excellence" te beschouwen. Strikt genomen is het evenwel absurd, dat wij overal en op alle gronden, op laagland zoowel als in de bergstreken, op klei evenzeer als op zand, slechts een en dezelfde rietsoort planten. De Heer BtNJAMirss zeide indertijd: „De sereh zal ons landbouw leeren" en dat was een waar woord. De sereh zal ons echter evenzeer leeren om met bovengenoemde verkeerde gewoonte te breken en wij zullen er toe komen, dat op elke fabriek of in elke streek een of meer rietsoorten worden gecul tiveerd, die speciaal onder de gegeven omstandigheden het beste resultaat geven. *) Zie hierover ook eeüe recenti' publicatie van dun Heer K. J. \V. Karthaiu (Archief lBtn, blz. *«), 294 J. f. Moquette. Resultaten verkregen met suikerriet uit zaad. liet generaliseeren is out of time en evenmin als men b. v. in Friesland of Groningen op zware klei duinaardappelon zal plan ten, evenmin zal men over eenigen tijd in Kcdiri per se hetzelfde riet planten als in Sidhoardjo, en omgekeerd. ik geloof dat weinig fabrieken over hun geheel plaatgebied een gelijkmatige grond gesteld beid bezitten, en daarom hel ik zelfs tot liet gevoelen over, dat het rationeel zoude zijn, bijaldien op elke fabriek meer dan eene rietsoort werd aangeplant. Door proefnemingen zoude moeten worden uitgemaakt, welke soort op een of anderen grond het beste resultaat geeft. Er zijn verschillende omstandigheden, die het consequent door voeren van dezen maatregel zullen belemmeren en is wel de voor naamste moeilijkheid gelegen in het feit, dat wij over onze gronden zelden kunnen beschikken, zooals men in andere landen met goed resultaat zulks wel kan, doch dit kan geen reden zijn om het geheel te beletten. Wij zijn door het Cheribonriet in zeker opzicht verwend en maar al te veel hecht men volgens mijn idee waarde aan de macht spreuk „Uns Cheribonriet is het beste riet". liet is niet te ontkennen dat het een prachtige variëteit „was". bedert wij evenwel duizenden, neen milhoenen guldens moeten ten koste leggen om die variëteit te kunnen blijven cultivccien, heelt dunkt mij, die machtspreuk haar waarde verloren. Gaarne geel ik toe, dat uij momenteel niets of slechts weinig in de plaats Kunnen stellen van het (jheribuiiriet, doch het is mijn vaste overtuiging, dat wij met ernstig willen, zulks over een paar jaren wel zullen kunnen. Het rietzaaien werd en wordt helaas nog door velen een bloote „spielerei" genoemd en hoorde ik zelfs wel beweren, dat het alleen dienstig was om gouden medailles te behalen. liet eerste zoude volkomen juist zijn, wanneer het rietzaaien alleen dienen kon om aan te toouen, dat men netplanten uit zaad verkrijgen kan. Zoodra men evenwel bewijzen wil en kan, iets wat trouwens door deskundigen nimmer werd betwijleid, dat men door rietzaaien nieuwe rassen kan kweeken, ook al gelukt het niet dadelijk, oin voor iiet Uieribonriot een waardig vervanger in de plaatstestellen, dan houdt de „spielerei" op. Wetenschappelijke personen, als Prol'. Hugo de Vuies, Dk. Wakken, Prof. Went en anderen, hebben reeds te dikwijls op het 295 j. P. Moquette;' Resultaten verkregen met suikerriet uit zaad. groote nut van liet rietzaaien gewezen, dan dat hot noodig zoude zijn er nog verder over uit te wijden. De sereh is voor Java een ramp. die tot nu toe, door impor teeren van bergbibit zoo niet geheel dan toch gedeeltelijk minder voelbaar gemaakt werd. Die ramp zal evenwel voelbaarder worden naarmate do sereh in den import toeneemt. De duurste sereh is toch zeker wel de geïmporteerde-, wijl \vo voor ons geld slechts sappicvoedcr terugkrijgen. Doch ook al zouden we door steeds importeeren een goeden aan plant kunnen blijven behouden, dan nog is die import een onding. Dat we ons op 't oogenblik die uitgaaf getroosten, wijl we niets anders hebben, soit. Moeten we evenwel dien toestand bestendigen? De eerste de beste crisis kan ons voor het feit stellen, dat vele fabrieken nog winst konden maken, bijaldien de hooge post voor importbibit niet bestond. In alle opzichten hebben wij de crisis van 1884 overwonnen en maken wij tegenwoordig nog winsten bij verkoopprijzen, die lager zijn dan de kostprijs was van de suiker in vroeger jaren. Al strijdende tegen de serehziekte maken w-e tegenwoordig producties, die men in vroeger jaren, zelfs met gezond riet niet behaalde. In alle opzichten heeft Java getoond met den tijd te kunnen en te willen medegaan. We zullen evenwol don strijd moeten opge ven, zoodra we „sereh" moeien koopen. Mogelijk zie ik de zaak te donker in, doch mijne proeven sinds jaren genomen, wijzen er niet op, dat het mogelijk zal zijn, om het door velen zoo geliefde Cheribonriet tegen de serehziekte immuun te maken. In 1883 plantte wijlen Dr. Soltwedkl in den Proeftuin te Semarang als Ao. 1 der variëteiten „Cheribonriet". In 1896 was het daarvan afkomstige riet, » nel tegenstaande liet niet werd uitgebreid en dus voor het aanhouden van een a twee plantgeulen steeds de mooiste bibit werd gebruikt, zwaar sereh ziek. Die mogelijkheid van uitzieken is dus een schrale troost en wordt des te onwaarschijnlijker, naar mate door telkens importeeron van nieuw plantmateriaal die mogelijkheid wordt tegengewerkt. Doch ook al zoude het te ecniger tijd blijken, dat het Cheribon riet immuniteit tegen de sereh verkregen heeft, dan nog is het de vraag of wij daarop moeten en kunnen wachten:. 296 J. P. Moquette. Resultaten verkregen met suikerriet uit zaad Tn volle 14 jaren is van die mogelijkheid niets gebleken en eindigen we in 1896 waarmede we in 1883 begonnen. Zullen wc nu wederom 14 jaren moeten wachten? Proefnemingen met vreemde rietsoorten hebben tot nu toe aangetoond, dat er serehvrije soorten bestaan en dat sommige daarvan, onder gunstige omstandigheden, cene goede productie kunnen geven; doch levens is de ondervinding tol heden, dat geen iler van elders ingevoelde variëteiten het Chcrihonriet geheel kan vervangen. Het Louziei'-riet van Mauritius wil niet overal groeien en wordt laat rijp. liet Fidsji-rict (of Cannc morte) wordt laat rijp. Het zwart Muntok-riet geeft in West-Java hier en daar goede aan plantingen, in Oost-Java schijnt het niet te willen gedijen en is het niet screhvrij. Min of meer hebben alle tot nu toe bekende en gecultiveerde vreemde rietsoorten de een of andere eigenaardigheid, die ze on geschikt maken om er den geheelen aanplant ecner fabriek mede te bewerkstelligen. Wij moeten dus een riet hebben, dat evenals het Cheribon riet, vrij vroeg rijpt, een goed suikergehalte heeft, niet al te ge voelig voor grondverschil is en last not least: „serehvrij" is. Kunnen we zulk een rietsoort niet uit den vreemde betrekken, dan moeten wij zelve een of meer geschikte rassen creëeren en zulks is niet anders mogelijk dan door zaaien. Te betreuren is het, dat indertijd op het eerste congres te Samarang, gehouden in 1888, namens de drie proefstations ver klaard werd, dat de sereh eene infectieziekte was en dat later door wijlen Dr. Solïwedel daaraan werd toegevoegd, dat ook de zaadplantcn door hem gewonnen serehziek geworden waren. Ik wil hier niet beweren, dat een en ander onjuist gezien was, doch een kleine aanvulling van die verklaring ware zeer nut tig geweest. Er had aan moeten toegevoegd zijn, dat daarin niet lag op gesloten, dat al waren de zaadplanten op 't proefstation Midden- Java serehziek geworden, ook daarom alle zaadplanten serehziek moesUa worden. Bovenstaande verklaring heeft zonder eenigen twijfel aan het rietkweeken uit zaad zeer veel schade gedaan, want menigeen vond dientengevolge de zaaierij wanhopig. 297 J. P. Moquette, Resultaten verkregen met suikerriet uit zand Op 't oogenblik zijn wij evenwel verder gevorderd en ook al is niet bewezen, dat uit zaad gewonnen riet, op den langen duur, door vegetatieve vermenigvuldiging niet kan degenereeren, dan toch bleek uit het boven medegedeelde, dat de mogelijkheid bestaai variëteiten uit zaad te telen, die tot de 3 8 en 4» generatie van stekken, serehvrij bleven. Alhoewel zonder directe waarde voor de suikerindustrie wil ik hieraan nog eenige waarnemingen toevoegen, sedert It&l door mij gedaan. Eenige er van zijn mogelijk reeds elders gepubliceerd en mogen dan dienen ter verdere bevestiging dan wel aanvulling. Wat het allereerst bij de zaadplanten opvalt, is de Ltlslotliuy. Plantjes die ongeveer 1 a 1 l 2 maand oud zijn, beginnen reeds secundaire spruiten te vormen en reeds zeer spoedig ziet men bij vele van die spruiten de oogen zwellen en op hun beurt iiitJoopen. Dat men hierin in den eersten tijd, toen zaadplanten nog een nieuwtje waren, een sereh ver schijnsel zag, is wel niet te ver wonderen. Hoewel een groot deel dier uitloopers meestal weder afsterft, zoo is net toch een feit, dat netplanten uit zaad gekweekt, m de gevallen een veel grooter aantal stengels voortbrengen dan de opvolgende steKitengeneratios van die planten afkomstig. Uit verschijnsel trok niet alleen on java, doen ook in Amerika en op Mauritius de aandacht, te meer, omdat velen het gevoelen waren toegedaan, dat die gruote uitstoeling der zaadplanten feitelijk erfelijk had moeten Zijn en dat ook de stekkengeneraties dus meer stengels moesten vormen dan bij de in cultuur zijnde rietsoorten het geval is. Ik geloof evenwel, dat het verschijnsel minder vreemd is dan het a priori schijnt. Lvengoed als bij een plant uit stek gegroeid, stelt bij een zaad plantje elk opvolgend zich ontplooiend blaadje een geleding van den stengel voor. De aanleg is alleen bij een zaadplant zeer veel kleiner en een plantje dat reeds lü blaadjes heelt gevormd, is een dwerg vergele ken bij een plant van stek gegroeid, in datzelfde stadium. Evenzeer als de geledingen zijn echter bij dat plantje ook de oogen aanwezig en heeft dus een plaatje van eenige duimsß boog 298 J. P. Moquette. Resultaten verkregen suikerriet uit zaikl. reeds evenveel geledingen en oogen als eene plant die la]'/, voet hoog is, doeh die uit een stek is gegroeid. Aangezien nu een zaadplant in den eersten tijd vrij ondiep in den grond zit, groeit de primaire stengel wel is waai door, doeh langzamer dan het geval zoude zijn, wanneer ook reeds de wortel oogen van dat stengeltje zieh in den grond konden ontwikkelen. Hierdoor verkrijgt men dus ee.i opeenhoopiug van mikroskopische geledingen en oogen, welke oogen bij de eerste gunstige gelegenheid uitloopen. Uij een netplant uit stek gegroeid, is alles in aanleg veel groo ter, de geledingen zijn langer en wijl de stek dieper in den grond ligt kunnen van den primuiren stengel reeds spoedig de wortels uitloopen, waardoor deze sneller opschiet. In evenredigheid van de grootte, heeft zulk een plant dus veel minder oogen onder den grond bedolven dan bij een zaadplant het geval is. i)e kans, ( dat bij een plant uit stek en verdere spruiten onder den grond kunnen uitloopen, is dus veel geringer. Men kan evenwel met een stek hetzelfde verschijnsel in het leven roepen, wanneer men b. v. die stek liefst met het oog naar boven, ondiep plant en wei zoo, dat de aarde wel den stek, doch niet het oog geheel bedekt, 't Uest gehukt deze proef met een rietsoort met groote gezwollen oogen. Bijaldien men dan de stek in de zich vormende plant voldoende vochtig houdt, zal men zien, dat met alleen het oog zelf uitloopt, doch dat ook zeer spoedig secundaire en verdere spruiten gevormd worden. Op een kweekbedding kan men het verschijnsel dikwijls waar nemen, ook zonder dat van sereh behoeft sprake te zijn. Gestreept (Soeral) riet. Oorspronkelijk was ik het gevoelen toegedaan, dat het gestreepte riet, aan een knop variatie van effen gekleurde soorten zijn ontstaan te danken had en uit het feit, dat ik bijvoorbeeld van 't gestreepte (Jheribonriot, dat een knopvaiiatie is van het viulette riet, door een tweede knupvaiiatie het ellen gele Cheribonriet verkreeg, ver meende ik te moeten opmaken, dat de gestreepte variëteiten over gangsvormen zouden zijn. In dit gevoelen werd ik versterkt doordat ik herhaaldelijk ook bij andere rietsourten van den vaiiëteitentuin, dezelfde waarneming doen kon. JJ P. Moquette. Resultaten verkregen met suikerriet uit zaad. 299 Ook constateerde ik bij cene iler variëteiten, dut zelfs de waslaag op den stengel en op de bladscheeda aan deze streping mededoet. Rij de variëteit N". 177 Menoe van Snmatra (en later zag ik hetzelfde bij een der andere N os . daarmede identiscb) heeft noch de stengel, noch de bladseheede een waaslaag. Uit deze variëteit zag ik een stengel ontspruiten waarop witte wastrcpen voorkwa men, zoowel op den stengel zelve als op de bladseheede. Ik liet deze knopvariatie apart uitplanten en verkreeg daar van het volgende jaar niet alleen stengels, die <>f effen groen wa ren, zooals de oorspronkelijke variëteit, of met witte wasstrepen bedekt waren, doch evenzeer stengels, waarbij de geledingen alsmede de bladseheede geheel en al een waslaag hadden. In zeker opzicht was het mij dus een verrassing toen ik onder de eerste 5000 zaadplanten een aantal planten vond, waarvan ül' alle. of een gedeelte der stengels gestreept waren. Bij de volgende zaaiing verkreeg ik wederom planten met ge streepte stengels, doch om de reeds boven opgegeven reden kon ik daarvan geen voldoende notities maken. Ik kan dus hier alleen de volgende gevallen noteeren. Onder de zaadplanten afkomstig van variëteit N°. 12 Merah van Hawaii, waren bij 2 ex. alle stengels gestreept. Bij de groep, afkomstig van variëteit N°. 78 Hitam van Suma tra, was een plant, waarvan alle stengels witte wasstrepen hadden, evenals zulks bij de variëteit N°. 5 Soerat banteng van Java het geval is. Onder de serie zaadplanten afkomstig van No. 91 llitam van Billiton. vond ik een plant, waarvan de stengels, die overigens evenals het moederriet wijn rood gekleurd waren, met strepen prijk ten, die de kleur hadden van droge bamboe. Deze kleur deed mij dadelijk denken aan de kleur van variëteit N°. 350 Poetih (of Bamboe) van de Fidsji eilanden. Alleen van deze plant hield ik curiositeitshalvc eenige stekken aan en nu vertoont de 4* generatie nog geheel dezelfde streping; alleen ontsproten af en toe enkele stengels, die geheel effen rood waren. Verder vond ik nog een plant met gestreepte stengels onder de groep afkomstig van N°. 235 Red Mappoe van Queensland. terwijl onder de vele planten afkomstig van N°. 343 Koening van de Fidsji eilanden slechts een plant voorkwam, waarvan een ge deelte der stengels effen violet was gekleurd, terwijl de overige 300 J. P. Moquette. Resultaten verkregen met suikerriet uit zaad. lichtgroene strepen vertoonden, welke strepen op de hladseheede overgingen. Onder de planten dierzelfde groep was nog een plant aanwezig waarvan alle stengels, op één na. donkerrood waren, terwijl die eene stengel geheel geel gekleurd was. Overigens was die stengel normaal en geheel gelijk aan de andere. Vooral bij planten, waarvan slechts een deel der stengels ge streept is, kan natuurlijk van kuopvariatie sprake zijn, want mogelijk was de primaire stengel effen gekleurd. Pij die planten evenwel, waarbij alle stengels strepen vertoonen wordt de zaak onwaarschijnlijk en zoude men om voet bij stuk te houden moeten aannemen.dat de primaire stengel op jeugdigen leef tijd afstierf, en dat die bijaldien ze doorgegroeid was, ongestreept zoude geweest zijn. De mogelijkheid is wel is waar niet te ontkennen, doch twijfel is gewettigd. Als werkelijke kuopvariatie zag ik onder de opvolgende der zaadplanten herhaaldelijk gestreepte stengels ontspruiten, doch verdere proeven heb ik er niet mede genomen. Planten met gepanacheerde bladeren nam ik, én onder de zaad planten, én onder de stekkengeneraties, in dit laatste geval knop variatie, herhaaldelijk waar. Zaadvastheid. Duidelijk is tot heden gebleken, dat onder alle tot heden op Java voorkomende of geïmporteerde rietvariëteiten voor zooverre het ten minste geen wilde soorten zijn, geen zaadvaste voorkomen. Wel is waar zijn de jonge planten van sommige variëteiten, z.a. Fidsji kocning (N". 343), Rood Mappoc (N°. 2. r !5) e. a. bijna allen aan elkaar gelijk, doch zoodra de planten grootcr worden, blijkt dat van die gelijkheid niets overblijft. Aangezien ik vooral van N°. 343 Fidsji koening (Caime morte) een ander resultaat verwacht had, meende ik dat ook bij de zaadplan ten dezer variëteit, toevallige kruisingen, die in een variëteitentuin niet uit kunnen blijven, in het spel zouden zijn. In 1893 nam ik daarom een proef met pluimen van Canne morte voor mij door den Heer Bourcius genomen uit een tuin van de fabriek Tawang sarie, welke aan .lant geheel geïsoleerd stond. "kmlat van kruising wel geen sprake zijn kon. Onder de 174 planten daarvan verkregen, was evenwel de varia- J. P. Moquette. Resultaten verkregen met suikerriet uit zaad 301 tie even groot als onder 180 planten gewonnen van dezelfde riet soort, doch welk riet gegroeid was in den variëteitentuin. Rij een plant zoo lang in cultuur als het suikerriet is dit ver schijnsel evenwel zeer verklaarbaar en kan men er naar mij voor komt het besluit uit trekken, dat geen der ons bekende rietsoorten meer oorspronkelijk riet is, doch eene variëteit in den loop der eeuwen rioor cultuur ontstaan. Abnormale on monstrpuse 'planten Zooals reeds boven gezegd is. kreeg ik van de variëteit N°. 104 Gagak van Sumatra, direct onder de zaadplanten zelve, doch voor namelijk onder de stekkengeneraties daarvan, een massa planten, die geheel of gedeeltelijke abnormale en zelfs zeer dikwijls geheel misvormde stengels voortbrachten. Ook met zaailingen van andere rietsoorten was dit het geval, doch in veel geringer mate. Bij de afstammelingen van Gagak kan men de meest ongewone afwij kingen waarnemen. Een groot deel der planten had stengels met afwisselend lange en korte geledingen, soms zoo sterk, dat het eene lid bijna geheel verdween en de knoopen op elkander kwamen te liggen, waardoor men oogenschijnlijk stengels verkreeg, die links en rechts con op volgende rij oogen hadden. Stengels met dwarsspleten, soms met wortelvorming binnen in de spleet, dus uit het merg; knobbelvormige geledingen; stengels met buitengewoon sterk zigzag staande geledingen en meer derge lijke abnormale verschijnselen waren zeer menigvuldig. Een plant dezer groep was zeer interressant doordat een der stengels een dubbele bifurcatie vertoonde. (Zie Plaat III). De oorzaak van het vreemde verschijnsel, dat speciaal van deze eene variëteit de zaadplanten zulk een groote neiging tot't produceeren van mon strums bezitten, wordt des te onnaspeurbaarder, doordat het moe derriet zelve mooie, normaal gevormde stengels voortbrengt. Doordat het toeval gewild heeft, dat juist met deze rietsoort het eerst en 't meest op 't proefstation Midden-Java geëxperimen teerd is, heeft ze er ontegenzeggelijk toe bijgedragen om het riet zaaien in discrediet te brengen. Bloei. Waar we zagen, dat alle zaadplanten uiterlijk in alle mogelijke richtingen varieerden, was het wel te verwachten, dat zulks ook het geval zoude zijn met de physiologische eigenschappen. J. P. Moquette. Resultaten verkiepeD met suikerriet uit zaad 302 Tol 1893 was het bekend, dat het suikerriet op Java bloeide van + medio Maart tot ongeveer einde Mei. Onder de zaadplanten afkomstig van N°. 235 Rood Mappoe van Queensland, zag ik evenwel op het, einde (25e) der maand Januari een begin van bloei. Ook andere planten dierzelfde groep bloeiden veel vroeger dan het moederriet zelve. Een uiterste noteerde ik bij een zaadplant, afkomstig van N°. 10'» Gagak van Sumatra, welke eerst medio Juli begon te bloeien. Te noteeren is hier nog. dat deze verschijnselen geheel in over eenstemming zijn met het feit, dat: N°. 23!> Rood Mappoe een vroeg bloeiende en N°. Gagak, een laat bloeiende variëteit is. In 1892 on 1893 bloeide N°. 235 respectievelijk op 28 en 13 Maart, terwijl N°. 10i in die zelfde jaren pas op 6en 10 Meibloem vertoonde. Nauw samenhangende met den bloei, is het voorkomen van vervormde bloemstengels ook bij de zaadplanten en de daarvan afstammende stekkengeneraties. In cenc mededeeling van het Proefstation West-Java, Kagok- Tegal, getiteld Rood-rot en andere ziekten in het suikerriet, door Dr. ,1. van Breda uk Haan. (1892) vindt men een beschrijving van vervormde bloemstengels. zooals die door den schrijver werden waargenomen bij het Louzierriet. Alle waarnemingen, aldaar gepubliceerd, kan ik hierbij met eenige fotografische afbeeldingen verduidelijken, en geloof ik daar mede het geleidelijke verband, dat tusschen de spiraalvormige gele dingen en de bloempluim bestaat, te kunnen bevestigen. (Zie plaat IV tot VII.) Van alle geïmporteerde rietsuorten is het wel 't Louzierriet dat het meest dergelijke abnormale bloeiwijzen produceert en het is zeer zeker een sterk bewijs voor de erfelijkheid, dat ook de meeste slekkengeneraties afkomstig van zaadplanten van het Louzierriet hetzelfde verschijnsel vertoonen. Ik heb herhaaldelijk spiralen en den bezemvorm als stek gebruikt, in zulks in viij groot aantal en steeds verkreeg ik daarvan geheel normaal gegroeid riet. Het is vermoedelijk een bloot toeval, dat geen der uit zulke stekken gegroeide planten in al de jaren dat ik de proeven er mede nam gebloeid heeft, nog mirder spiralen of bezems vormde. 303 .1 I'. Moquette. Resultaten verkregen met suikerriet uit zaa<l Het kan evenwel ook zijn dat we h-er met een verschijnsel te doen hebben, dat meer is dan een toeval en dat, bijaldien mijn veronderstelling bevestigd werd, voor de cultuur van 't suikerriet uit het oogpunt van suikerfahrikatie van belang zoude kunnen worden. Het is een bekend feit, dat men b. v. bij de beetwortelcultuur door partij te trekken van het verschijnsel, dat sommige planten, zoogenaamde „Krautköpfe of Trotzer," een jaar later bloeiden, dan in normale gevallen gewoonte was, er in geslaagd is deze eigen schap erfelijk te maken. *) Het zoude volgens mijn gevoelen mogelijk zijn, om, door b. v. van het Louzierriet. dat gewoonlijk tot ons nadeel zwaar bloeit, steeds de spiralen of den bezemvorm uit te planten en het daarvan gegroeide riet verder uit te breiden, daardoor een variëteit te krijgen die niet of bijna niet bloeide. Deze mogelijkheid van 't aankweeken van niet bloeiende varië teiten wordt bevestigd door het feit dat reeds dergelijke bestaan. B. v. de variëteit N°. 2(i Gadjah heeft tot nu toe. sedert ze in den variëteitentuin Midden-Java werd opgenomen, nergens gebloeid. Ook van een der variëteiten door mij zelf in 1802 van Ma nilla geïmporteerd (N°. 368 van den variëteitentuin'), zag ik tot heden nimmer bloemen, alhoewel dezelve werd uitgebreid tot eenige bouws aanplant. **) Ten slotte wensch ik nog eenige opmerkingen te noteeren over de *) Zie hierover Dr. H. Wbrnek. Der Praktische Zuekerrübenhauer 1888, blz. 2". **) Zie ook mededeeling van het proefstation Oost-Java, nieuwe serie No. 11, bladz. 5 (Arohief 1891 blz. 717). Vormen der geledingen van het suikerriet. Toen ik in 1892 begon met het maken van notities over de verschillende zaadriet-variaties, stuitte ik dadelijk op de moeilijk heid om een beschrijving te geven van den vorm der geledingen. Door herhaaldelijk verschillende vormen te vergelijken kwam ik eindelijk tot het resultaat, dat alle afwijkingen tot vier hoofd groepen kunnen worden teruggebracht. Deze zijn: n. Cylindrisch. zie fig. VIII. b. Klosvormig. id. » IX. c. Conisch of fleschvormig. id. » X. d. Tonvormig. id. » XI. 304 .1. P. Moquette. Resuliaren verkregen met suikerriet uit zaad CYLINDERVORMIGE GELEDINGEN. J. P. Moquette. Resultaten verkregen met suikerriet uit zaad 305 KLOSVORMIGE GELEDINGEN. J. P. Moquette. Resultaten verkregen niet suikerriet nit zaa4 . 306 CONISCHE OF FLESCHVORMIGE GELEDINGEN. J. V. Moquette. Resultaten verkregen rant Buikerriet uit zaad. 307 TONVORMIGE GELEDINGEN. J. P. Moquette. Resultaten verkregen met Buikerriet uit zaad 308 Ter verduidelijking voeg ik hierbij eenigc schetsen van doorsne den, van verschillende vormen, op de ware grootte. Door allerlei kleine afwijkingen kan men deze schetsen met een groot aantal vermeerderen, doch in hoofdzaak zal men ze steeds tot een der vier hoofdgroepen kunnen terugbrengen. Bij geen enkele variëteit is evenwel de vorm der geledingen steeds geheel constant, evenmin als de kleur of welke andere ei genschap ook. Men moet evenwel door een massa stengels onderling te ver gelijken, die vorm tot type nemen, welke 't meest en 't regelma tigst voorkomt. Zoo zijn b. v. bij het Cheribonriet de geledingen cylindrisch. ook al komen af en toe tonvormige of conische geledingen voor. Het Louzierriet daarentegen heeft klosvormige geledingen, ter wijl bij het Ardjoenoriet de geledingen tonvormig zijn. Met deze paar voorbeelden geloof ik de platen voldoende te hebben toegelicht. Kremboong, Dec. 1896. NASCHRIFT. Zooals reeds in de noot op de eerste bladzijde gezegd is, werd de publicatie van dit stuk onverhoopt vertraagd en ging intusschen een geheel jaar voorbij. Ook door de resultaten van oogst 1897 werden de verwach tingen door mij van 't zaadriet gekoesterd niet beschaamd en werd dan ook de aanplant er van belangrijk uitgebreid, zoodat op't oogen blik totaal ruim 78 bouw daarvan op Kremboong te velde staan. Hiervan bestaan 54 3a7 /500 bouw uit de N os . op den staat ver . X1 311 311 344 3,14 344 meld en wel in volgorde N° 9 . -jqq— ~ g~ — —£— ~"50 - — Dl —El2 en F 13. De overige N oa . werden om verschillende re denen niet verder aangeplant. De resteerende ruim '23 bouw zijn beplant met het zaadriet door den Heer Bot'Ricil'S te Ketegan gewonnen van Cheribonriet, dat met Canne morte gekruist werd. (Zie hierover „Kruising-proe ven van Cheribonriet met Canne morte" Archief 1891, bladz. 807 309 J. P. Moquette. Resultaten verkregen met suikerriet uit zaad Berekening der waarde Van de zaadriet generaties. 310 J. P. Moquette. Resultaten verkrtgen toet Buikerriet uit zaad J. P. Moquette. Roßiiltaten verkregen met suikerriet uit zaad 311 en 1895 bladz. 974), alsmede van zaadplant N°. 100 door Dr. J. H. Wakker op het Proefstation Oost-Java gewonnen en waarover een volledige beschrijving te vinden is in Archief 1897, bladz. 63. Het is mijn plan niet, om het zaadriet nog verder, zooals men zegt „op te hemelen" en kan een ieder, die 't vorenstaande onbevoor oordeeld gelezen heeft, alleen uit de uitbreiding er aan gegeven reeds voldoende zien, dat ik voor mijn persoon, in 't eindresultaat het volste vertrouwen heb. Alleen wil ik, daartoe door den Heer Bouricius gemachtigd, nog hieraan toevoegen een staat aantoonende de resultaten verkre gen met het gekruiste Cheribon- + Canne morte riet. De N OB . zijn dezelfde als die door hem indertijd aan de zaad planten gegeven. De sappen waren over 't geheel genomen niet mooi, doch dit zelfde was in 't afgeloopen jaar vrij wel overal en met alle riet soorten het geval. De rietproducties zijn per bouw berekend en wijl de aanplant van elk No. nog betrekkelijk klein was, zoo zijn die cijfers dus slechts van betrekkelijke waarde. De sapcijfers zijn van molensap 2 X persing en voor de berekening der suiker productie aangenomen op de volle waarde, wijl de rietproductie van elk vak voldoende was om een behoorlijke molenproef er mede te nemen. Natuurlijk zullen ook van deze serie nog verscheiden N O9 . wor den afgekeurd of zal de verdere aanplanting er van gestaakt wor den, dewijl het op den duur toch niet mogelijk is alle soorten aan te houden. N. B. lA) Volgens berichten uit West-Java is deze soort serehvry. (B C) Deze Nos. werden eerst verleden jaar uitgebreid. jC) zal vermoedelijk niet serehvrij bljjken te zjjn. Rietsoorten tot vergelijk in vakken tusschen bovenstaande geplant. 312 J. P. Moquette. Resultaten verkregen met suikerriet i>" zaad *» f. Moquette. Resultaten verkregen met suikerriet uit zaad 313 Duidelijk is evenwel, dat, moge dan 't sap iets lager van ge halte zijn dan dat van Cheribonriet, er toch verscheiden N OB . on der aangetroffen worden, die voldoende rietproductie per bouw kunnen opleveren, om die minder goede eigenschap te neutralisecren. Ook zullen de sapcijfers in een ander jaar en op anderen grond van diezelfde N ÜS . zonder twijfel heter zijn. KutMBOONG, Februari 1898. Resultaten met 2 e stekkengeneratie van gekruist zaadriet (Che ribon o* -f- Cannc morte 9)- 314 J. P. Moquette. Resultaten verkregen met suikerriet uit zand   AmniKF voor de Java-Suikerindustrie Aki.. No. 7. Plaat 111  .\i:<IHIEF Vixii; DE JAVA-SUIKEEINDUSTRIK AFL. No. 7. I'I.AAT IV VOLKOMEN EN ONVOLKOMEN SPIRALEN.  Archief vooe de Java-Suikerindcstrie Aki.. No. 7. Plaat \ BEZEMVORMEN.  AuiiiiKi' voor de Java-Suikerindustrie A.fl. No. 7. Plaat VI DRIE VOORBEELDEN VAN DEN BEZEMVORM, WAARBIJ DE SPRUITEN REEDS TOT TAKKEN ZIJN UITGEGROEID.  Archief voor de Java-Suikerindustrie Afl. No. 7. Plaat VII TWEE BEZEMVORMEN, WAARTUSSCHEN DE BLOEMPLUIM RUDIMENTAIR AANWEZIG IS.  VERKLARING DER PLATEN EN FIGUREN Plaat 111. Afbeelding van een rietstengel met '2 bifurcaties. ('9 der ware grootte). Plaat IV. Volkomen en onvolkomen spiralen. a. Volkomen spiraal. Rechtsdraaiend. b-c. Volkomen spiralen, waarboven het riet weder nor maal doorgegroeid is. d. Zeldzaam voorkomende linksdraaiende volkomen spiraal. Alle geledingen. beneden de spiralen zijn zonder oogen, alleen bij c werd het laatste lid, dat een oog droeg (links onder) er aangelaten. Op de spiralen staan de oogen schijnbaar onregelmatig, wijl ze de richting van de spiraal volgen. Bij b en c zijn de oogen boven de spiralen weder normaal geplaatst. Plaat V. Bezcmvormcn. a, b, d met verwijderde bladschceden. c met de bladscheedcn. Bij a en d is onder den bezem de spiraal duidelijk zichtbaar. Al de geledigen beneden den bezem zijn zonder oogen Plaat VI . 3 Voorbeelden van den bezemvorm, waarbij de spruiten reeds tot takken zijn uitgegroeid. Alle geledigen beneden den top zonder oogen. Op de takken zijn de oogen normaal. Plaat VII. Twee bezemvormen, waartusschen de bloempluim rudi mentair aanwezig is. In beide gevallen was de pluim zoodanig verwikkeld en ineengedraaid, dat verdere ontwikkeling wel niet mogelijk was. Op de stengel links heeft het onderste lid nog een oog. Alle andere geledingen zijn zonder oogen. Fig. VIII. Cylindcrvormige geledingen. A. Cylindrisch. J. P. Moquette. Resultaten verkregen met suikerriet uit zaad. 315 B. Cylindrisch, ingesnoerd op de knoopen. C. Zig-zag, cylindrisch, iets verdikt beneden, iets gebogen. 1). Sterk zig-zag, cylindrisch, iets conisch, dik boven. Fig. IX. Klosvormige geledingen. A. Klos vorm ig. I?. Gestrekt klosvorrnig. C. Gestrekt klosvorrnig, eenzijdig beneden iets verdikt. D. Gestrekt klosvorrnig, doorsnede ovaal. D'. Doorsnede van D over a b Fig. X. Conische of fleschvormige geledingen. A. Sterk conisch, dik beneden. B. Gestrekt conisch, dik beneden. C. Sterk conisch, dik boven. D. Conisch, eenzijdig beneden iets verdikt. E. Conisch, dik boven, sterk ingesnoerd boven de wortel oogen. Fig. XI. Tonvormige geledingen. A. ïonvormig. B. Gestrekt tonvormig. C. Tonvormig, eenzijdig beneden verdikt. D. Tonvormig, boven de worteloogen sterk ingesnoerd. DIVERSE MEDEDEELINGEN- Door C. A. Lobry de I'rui.in en W. Alberda vav Ekenstein zijn belangrijke en uitgebreide onderzoekingen gedaan om de in werking vau alcaliën op de verschillende suikersoorten vast te stellen. Het navolgende is een uittreksel van de door hen gedane mededcelingen *). AI.GEMEENE BESCHOUWINGEN. Sedert hun laatste publicaties over de omzetting der suikers door den invloed van alcaliën, strekten zich hunne onderzoekingen ook over eenige nieuwe reduceerende stoffen uit en wel naar *\ Zie ook Archief 1896, blz. 224. 316 J. t. Moquette. Resultaten verkregen met suikerriet uit zaad aanleiding van het onderzoek omtrent de inwerking van alcaliën op galaoU.se en van loodhydroxyd op glucose, fructose en galaetose. Het tóe&W doet zich het geval voor, dat onder den invloed van kali of natron, uit oen der genoemde suikers (afgezien van de vor ming van zuren) vier nieuwe suikers ontstaan. De oplossing be vat een mengsel van 5 suikersoorten. Twee (of drie) zijn ketosen; zij worden door verdund zoutzuur gemakkelijk ontleed en geven met zoutzuur en resórcirie een intensieve, rood-violette verkleuring (reactie van Skuwanoit). Op deze wijze ontstaan uit gdaetose, behalve talose, twee nieuwe kristal liseerbare ketosen, waarvan een (dom 1 de onderzoekers taga tose genoemd; in hare betrekking tot de genoemde aldosen dezelfde plaats inneemt, als de fructose tot glucose en mannose. De tagatose vormt een galactosazon. Een andere ketose, de pseudo-tagatose (■■lj- tagatose) heeft dezelfde samenstelling. Haar osazon is niet aan het galactosazon gelijk. Ten slotte heeft zich nog een vierde redu ceerende suiker gevormd, die galtose genoemd werd en die een ander osazon geeft; deze verbinding kon tot nog toe slechts in stroopvorm verkregen worden. De drie nieuwe suikersoorten zijn voor gisting vatbaar (Delft'sche biergist). Uit de gewone glucose ontstaat behalve fructose en man nose negeen nieuwe ketose depseudo-fructose ( - i>- fructose), nog niet in zuiveren toestand verkregen, en een andere reduceerende stof, welke niet voor gisting vatbaar is en de eigenschappen der ketosen bezit: de glutose. Deze stof kan door middel van loodhydroxyd ge makkelijk uit de fructose van den handel bereid worden. In eene voorloopige bespreking over de inwerking dei' alcaliën op de koolhydraten werd door hen gezegd, dat alle reduceerende suikers reeds bij aanwezigheid van kleine hoeveelheden alcali, een bepaalde omzetting ondergaan, die zich door een duidelijke veran dering van het draaiingsvermogen kenmerkt. Nadat genoemde onderzoekers bij de gewone glucose vastgesteld hadden, dat ei - een wederkeerige onderlinge omzetting der drie suikers, "lucose, fructose en mannose plaats heeft, werden de onder zoekingen met andere suikersoorten en ook met galaetose voortgezet. Gedurende deze onderzoekingen werd eerst een nieuwe ketose in gekristalliseerden toestand verkregen; zij gaf echter niet het galactosazon, doch wel een nieuw, eigenaardig osazon. Uit de moe derloog van deze eerste ketose gelukte het een tweede te verkrijgen, Diverse mededeelingen 317 eveneens in kristalvorm, welke het galactosazon werkelijk Dit werd echter slecht- in zeer geringe hoeveelheid gewonnen; 3 K. (i. galaclose gaven slechts 15 Gr. zuiver galaotosazon. Aan de tweede van deze beide ketosen, stellen de onderzoekers voor, den naam pseudo-tagatose (i//-tagatose) Ie geven. Ten slotte kon nog een andere redticeerende suiker in stroop? vorm verkregen worden en wel door middel van loodhydroxyd, waarvoor de naam „galtose" gekozen werd. Ofschoon het niet volkomen bewezen is, dat deze suiker een zelfstandig lichaam is, is het echter toch niet gelukt, haar door aanwenden van verschillende oplossingsmiddelen in hare besta nd deelen te ontleden. Het volgende geeft een overzicht van den gang der onderzoe kingen. Een waterige galactose-oplossing van 20% werd 3 uren lang met 3% kaliloog (op suiker berekend) bij ongeveer 700 ver warmd. Na afloop hiervan was het specifieke draaiingsvermogen tot ongeveer + 37,5° en het reductievermogen tot 80% gedaald. De oplossing bevatte nog ongeveer 50% galaetose, die men gemakke lijk kon terugwinnen, door de zwak zuur geworden oplossing in te dampen en uit te laten kristalliseeren. Om een grootere hoeveelheid tagatose en i-tagatose te verkrij gen, is het voordeeliger geen te geconcentreerd alcali te gebruiken en het niet te lang te laten inwerken, daar deze ketosen gemakke lijker ontleed worden dan de galaetose zelf. De bruine, heldere stroop, welke van de geneutraliseerde op lossing verkregen werd, werd zooveel mogelijk van de overtollige galaetose bevrijd door haar ecnige dagen te laten uitkristalliseercn en met methylaleohol te vermengen, die alleen de stroop oplost. Daarop werd zij gedurende langen tijd in het extractie-apparaat met aceton uitgetrokken. Na het verdampen van dit oplossingsmiddel, blijft een stroop over, die de beide ketosen, een weinig onontlede galaetose en een geringe hoeveelheid galtose bevat. De galaetose kan gedeeltelijk verwijderd worden door haar als het methylphenylhydrazon neer te slaan, of volkomen door haar door middel van gisting (Delft'scbe biergist) te ontleden, daar alleen zij voor gisting vatbaar is. De taaie massa, door het indampen der vergiste oplossing verkregen. wordt langzamerhand kristallijn; na eenige dagen scheidt men door middel van methylaleohol de kristallen van de stroop en kristalli seert eenige malen uit water om. Diverse mededeelingen 318 Men verkrijgt op deze wijze ('t— H% van de oorspronkelijke boeYeeitead galactose aan ifMtagatose. De raéthylalcoholisehe moev derloogeu bömtten behalve een weinig galtose, de andere ketose, de ware tagatose, die iets meer oplosbaar is dan de en zich in geringere hoeveelheid gevormd heeft. Zij kristalliseer! slechts moeilijk in de van alcohol bevrijde siropen. De eerste kristallen, welke men verkrijgt, beslaan uit mengsels van de beide ketosen. Men moet ze minstens iü maal uit water omkiïstalliseoren, voordal men een product verkrijgt, waarvan het smeltpunt en de spec. draaiing ( (- 33" en + l») na. een herhaal de kristallisatie constant blijven. De hoeveelheid dor gevormde tagatbsè kan op ongeveer 3% geschai worden, waarvan échter hoogstens een zesde in zuiveren toestand verkregen wordt. De beide tagatosen schijnen ook te zamen uit te kristal lisee ren, ten minste eenige malen werden kristahnassa's verkregen, waarvan het smeltpunt hij 140° lagen bet draaiingsvermogen gelijk was aan de helft der som van datder beide tagatosen. Nadere onderzoekingen zullen uitmaken of hier misschien een bijzondere druivenzuurverbinding ontstaan is. De De formule van deze suiker is C6 Hl2 06. liet smeltpunt ligt bij 124° C, 0,280 Gr. vaneen bij 22° verza digde waterige oplossing lieten na verdampen 0,168 Gr. suiker achter; 60% was dus opgelost. 5 c.M'. van een bij 22° verzadigde oplossing in aethylalcohol bevatten 0,0155 Gr., een zelfde hoeveel heid methylalcohol-oplossing 0,095 Gr. Het draaiingsvermogen van een I%— ige waterige oplossing bedraagt * [DJ = -ft 0 , verhit men bij 60" dan wordt » [D] == — 2,6°. De tagatose gedraag! zich gelijk de fructosc. Even als deze wordt zij door verdunde zuren gemakkelijk ontleed en geeft met resorcine en zoutzuur een rood-violette verkleuring. Het osazon van de tagatose is het galactosazon, zooals uit het smeltpunt (193°), de oplosbaarhcid en de inactiviteit 'U'\- oplos sing in mcthylalcohol en azijnzuur blijkt. Het reduceerd vermogen op Fehlingsproefvoeht is iets grooter dan dat van galactose (ongeveer in verhouding van 194 tot 100). De smaak is tamelijk zoet. Diversn meciedeelin<;en 319 Door verdunde kaliloog (5 gewichtsdeelen KOH op 100 suik-r) wordt de tagatose omgezet evenals haar stereo-isomeer de f>nctose. Bij een temperatnur van 70 0 wordt x |DJ na drie uren = s,ü°; de oplossing bevat ongeveer 10% galactose, die geïsoleerd en als haar methylphenylhydrazon bepaald weid. Dit steml overeen met het feit, dat de tagatose na en niet vóór de behandeling met aleali slijm zuur geeft. De tagatose verbindt zich onder de door E. FisCHER aangege ven voorwaarden met aceton. In tegenstelling met het aceton-de rivaat der fruetose, kristalliseert dat der tagatose niet. Het draaiings vermogen * [DJ bedraagt ongeveer -|- 50°. Ken bepaalde hoeveelheid dezer verbinding werd met verdund 3 %-ig zwavelzuur behmdeld en het jodoform, dat uit het afgedis tilleerde aceton bereid was, gewogen; het bleek dat één molecule suiker zich met twee moleculen aceton verbindt. De onderzoekingen van de tagatose zijn nog niet geëindigd. De -^-tagatose Deze suiker kenmerkt zich door een bijzonder osazon met een smeltpunt van 140°. De oplosbaarheid hiervan is grooter dan die van het galactosazon, wat ook aan het hooge smeltpunt van dit laatste beantwoordt. De oplossing in kokend water bevat 0,8 Gr. in 100 c. M 3 .; bij gewone temperatuur (17° —18°) bevat de methyl alcoholische oplossing 3,9 Gr., de aethylalcoholische 1,6 Gr. in 100 c. M 3 . Het spec. draaiingsvermogen x [D] van een 0,5 % ige me thylalcohol- oplossing bedraagt -j- 18,0°; voor azijnzuur is deze waarde + *1°- De eigenschappen van de osazonen zijn dus zeer verschillend. De analyse dezer suiker geeft tot formule Ce Hl2 Oe. Het smeltpunt ligt bij 156°, dus iets hooger dan dat van de ware tagatose (124°); dit stemt met de meerdere oplosbaarheid van de laatste overeen. Eene bij 220 verzadigde waterige oplossing bevat 55,8% de methylalcoholische oplossing bevatte 0,066 Gr. in sc. M 3 .; de aethylalcoholische 0,013 Gr. in sc. M 3 . bij 22». Het draaiingsvermogen x [D] van een 2%-ige en een 6%-ige waterige oplossing bedroeg bij 17° + 33,4° en +35°. Bij 60 u blijft dit constant. De smaak is tamelijk zoet. Het reductievermogen is gelijk aan dat der tagatose en iets grooter dan dat der ga lactose . Diverse mededeelingen 320 De nieuwe suiker werd in den vorm van duidelijke kristallen verkregen. Onder dezelfde omstandigheden, zooals reeds bij de taga tose aangegeven is. met verdunde kaliloog behandeld, gaf detp-taga tose eene oplossing met x [D] == -+- '.'ö/t 0 ; ongeveer 14% hiervan werd weer terug in galactose omgezet en in den vorm van het methylphenythydrazon geïsoleerd. In overeenstemming met dit feit, kan men uit -l- tagatose door oxydatie slijmzuur verkrijgen, wan neer men haar met een verdund aleali in tegenwoordigheid van verdund salpeterzuur behandelt; de suiker alleen geeft geen slijmzuur. De teruggang der i-tagatose in galactose is een zeer inte ressant verschijnsel. Een stroopachtige verbinding met 2 moleculen acoton heeft een draaiingsver mogen x |l)| van ongeveer -J-. 45°. Ook met deze suiker worden de proeven \oortgezet. Bij eenige proeven om de geschiktheid der beide tagatosen voor gisting na te gaan, bleek, dat de werkelijke tagatose daarvoor in 't geheel niet vatbaar is, terwijl de -X-tagatose bijzonder lang zaam vergist. Dit verschijnsel stemt overeen met het resultaat van eenige onderzoekingen over den invloed van beide suikers óp licht gevende bacteriën. I>e $>- tagatose kan het leven en de lichtkracht dazer bacteriën onderhouden, de tagatose daarentegen niet. Zooals hierboven reeds aangegeven, doen zich de beide tagatosen dooi' de Seliwanoff'sche reactie als ketosen kennen, eveneens door hun onbestendigheid tegenover zuren. Men weet nu, dat de fructose in waterige oplossingen zich van de aldoscn onderscheidt door haar grooter weerstandsvermogen tegenover bromium. Eveneens is dit het geval bij de beide tagatosen in tegenstelling met de galactose. PiOmijn heeft kort geleden aangetoond, dat jodium zich in zeer zwak-alcalische oplossingen als broom gedraagt; deze scheikundige heeft een methode gevonden, die het mogelijk maakt, ketosen naast aldosen te bepalen '). Uit eenige onderzoekingen van Romi.in blijkt, dat de beide taga tnsen zich als de fructose gedragen én door jodiurn in 't geheel niet, of slechts zeer weinig aangetast worden, terwijl onder dezelfde 1) Archief 1897, blz. 1001 Diverse meiledeelingen 321 omstandigheden de aldosen door dit halogeep volkomen worden. Het is nog niet gelukt, de tagatosqn-doormiddel Yf»fl azijn zuuranhydried bij tegenwoordigheid van azijnzure uairon of zink chloruur in azijnzure verbindingen om te zetten. Men verkrijgt slechts bruine harsachtige massa's even als luj de gewone fructose. Herhaalde proeven om uit de beide (agatosen gekristalliseerde me thyltagatoside Ie bereiden, bleven vruchteloos, ofschoon het ont staan van zulk een verbinding door hel verdwijnen van liet reduo tievermogen waarschijnlijk is. De kou dooi' het verhitten van de waterige oplos sing gedurende 18 uren bij 100° ('. niet direct in tagatose omge zet worden. De oplossing kleurt zich bruin zonder zuren te vormen. De Galtose De stroop, waaruit men de beide tagatosen gesoleerd heeft, be vat de galtose met nog eenige andere suikersoorten vermengd. Men knu haar in veel zuiverder toestand in stroopvorm verkrij gen, wanneer men galactose met loodhydroxyd ontleedt. Wanl even als de glucose onder inwerking van deze base niet of bijna niet in de beide fructosen overgaat, doch grootendeels glucose le vert, zon ontstaan uit de galactose niet <lc tagatosen, doch voor namelijk galtose en een weinig talose (t«"l%). Men verhit geduren de een uur een 20%—ige galactose-oplossing met een hoeveelheid Pb (OH)2, die ongeveer 10% (op suiker berekend) bedraagt. Het reductievermogen is dan tot öj—(><>% gedaald; x [D| tot onge veer -f- 23". De loodzouten worden door alcohol neergeslagen, de over blijvende, sporen lood met wijnsteenzuur Verwijderden de oplossing met Dclftsehe biergist tot gisting gebracht, waardoor de galactose ontleed wordt, terwijl de galtose aan de gisting weerstand biedt. Daar echter de talose ook niet voor gisting vatbaar is, blijft hiervan in destroop nog een weinig over. Men kan deze suiker aantoonen en gedeeltelijk door naphtylhydrazine neerslaan, waardoor zij in het hydrazon overgaat. Het stroopachtige product dat men verkrijgt is dus niet zuiver; het bevat nog zeer geringe hoeveelheden talose; het is tot nu toe nog niet gelukt de galtose in gckristalliseerden toestand te verkrijgen. Niettegenstaande blijkt het uit het volgende, dat de galtose een nieuwe suikersoort is. Haar osazon, door omkristallisecren gezuiverd, smelt bij 18'>. de oposbaarheid in kokend water, in aethyl- en methylalcohol bedraagt Diverse mededeelingen 322 "by ongeveer 17°C. 0, w 2 en 0,8 Gr. in 100c. M 3 ,. Hctspec. draaiings v<m van een 0,5%- ige oplossing in methylalcohol bij gebruik van Aueilichu dus x [AuerJ, bedraagt -f- 19° en het reduceerend vermogen 50% van dat der galactose. De smaak is onduidelijk zoet. l v oor behandeling met verdund zoutzuur wordt deze suiker gemakkelijk ontleed; in dit opzicht gedraagt zij zich dus als de ke tosen. Zij verbindt zich ook onder inwerking van verdund zoutzuur met aceton; het product bevat volgens de analyse 1 molecule aceton op l molecule suiker, en kon tot nu toe slechts in den vorm van stroop verkregen worden. De galtose is bijna inactief. Uit de analyse van deze suiker blijkt, dat de formule C6H1206 bijna aan de samenstelling der stroop beantwoordt. Door inwerking van alcaliën kan de galtose niet meer in de bijbehoorende suikersoorten terug omgezet worden, zooals de tagatosem Er ontstaan daarbij zuren, en het is waarschijnlijk, datbij de omzetting der galactose enz. in zuren, de galtose een bemid delende rol speelt, die aan die der glutose ten opzichte der glucose en/., gelijk is. Bij aanraking met kalk vormt de galtose eene kristal lijnt' calciumverbinding, terwijl het reductievermogen verdwijnt. I te galtose onderscheidt zich van de andere ketosen door hare verhouding tot de Romijn'sche oplossing. Terwijl namelijk de ketosen in 't geheel niet aangetast, de aldosen daarentegen volkomengeoxy deerd worden, neemt de galtose onder dezelfde omstandigheden ongeveer de helft «lei' hoeveelheid jodiuni op, welke de laatste noodig hebben. Deze eigenaardigheid slaat misschien in verband met haar reductievermogen op de Fehling'sche oplossing, hetwelk slechts de helft bedraagt van dat der galactose. De d - TALOSE. Dij het begin der proeven met de galactose bestond de hoop, de talose in zuiveren toestand, in een hoeveelheid te bereiden, die groot, genoeg zoude zijn, om haar zoo nauwkeurig mogelijk te kun nen onderzoeken. Deze hoop weid geen werkelijkheid. De hoeveelheid talose, welke te gelijker tijd met de reeds be sproken suikersoorten ontstaat, is buitengewoon gering en bedraagt ongeveer 8 %, een weinig meer dus dan de hoeveelheid mannose, die uit de glutose verkregen wordt. Maar terwijl deze laatste suiker in den vorm van haar phenyl- 323 Diverse mededeelingen hydrazon gemakkelijk geïsoleerd kan worden, gaat de afecheidi»g der talose met groote moeilijkheden gepaard. Deze suiker ia nevens de galtose in de stroop voorhanden, die men verkrijgt wanneer men de galactose door gisting ontleedt en de tagatose door kristaüisatie heeft gewonnen. .Men kan haar echter, zooals reeds gezegd is, mei naphtylhydrazine isoleeren en voor, hetzelfde doeJ ook van nitrophenyl hydrazine gebruik maken. Terwijl echter de mannose met phenyl hydrazine quantitatief neerslaat, is de afscheiding van de talose in den vorm van de reeds genoemde osazonen volstrekt niet volkomen, daar de/.e in alcohol en in water tamelijk oplosbaar zijn. Men kan uit deze bydrazonen door middel van benzaldehyde een stroop bereiden, welke talose zijn kan. daar het galactosazon vormt en door den invloed van alcaliën in galactose omgezet wordt, hit blijkt daaruit, dal vóór de behandeling met alcali geen slijmzuur met verdund salpett rzuur ontstaat, wel echter daarna. Men kan onzuivere taluse bereiden (vermengd mei zuren), wan neer men de van galactose en de beide tagatosen bevrijde stroop volgens Siebbn-Dammülleb met verdund zoutzuur behandelt. In dit geval wordt de galtose ontleed. De glutose. Glutose ontstaat steeds, wanneer de drie suikers glucose, man nose en fructose zich onder den invloed van alcaliën wederkeerig in elkander omzetten. Er ontstaat meer glutose wanneer men lood hydroxyd gebruikt dan wanneer men de eigenlijke alcaliën aanwendt. Vooral de fructose levert de grootste hoeveelheid en wordt ook meer volkomen omgezet dan de beide andere suikers, hit schijnt een verklaring te zijn voor het feit, dat de glucose bij inwerking van loodhydroxyd >j:een of bijna geen fructose levert, daar deze laatste suiker op het oogenblik dat zij ontstaat, voor bet grootste gedeelte in glutose omgezet wordt. Hier dient echter opgemerkt te worden, dat fructose bij inwer king van loodhydroxyd geen of slechts zeer geringe hoeveelheden glucose en mannose levert, (de fructose wordt geheel ito glutose en zuren omgezet). De glutose kan gemakkelijk bereid worden, indien men van hare eigenschap, om niet vatbaar te zijn voor gisting, gebruik maakt, terwijl de andere suikers (fructose. glucose, mannose. pseado-fruetose) volkomen vergisten. Men kan ook uitgaan van de in den handel voorkomende fructose (die 40% glutose levert) of van invertsuiker. 324 Diverse mededeeling'eii *ie uil rietsuiker bereid is: (de hoeveelheid Verkregen glutose be draagt 'i-m iels minder)'. Men veh.ii een 20%-ige oplossing van de suiker gedurende een uur bij 10:)" c. onder toevoeging van ongeveer 10% Pb (OH)j Op suiker berekend. Na verloop van dezen tijd is bet draaiingsvermogen tot 70—75° gedaald; de aanwezige loodzouten worden mei. alcohol neergeslagen eu de geringe hoeveelheid van dil metaal, dal nog in de oplossing achterblijft, wordt met alcoholische wijnsteenzuur-oplossing verwijderd. Nadat men de alcohol verdampt of afgedistillëerd heeft, wordt hetgeen overblijft aan een gisting onderworpen door toevoeging van absoluut zuivere Dcll't'selie biergist. Op deze wijze verkrijgt men bijna zuivere glutose als een baasl kleurlooze stroop, verontreinigd duur 1 — L l°/ 0 zuren. Men kan op dezelfde wijze van gewone invertsuiker uitgaan, die men niet kalk omzet: de verkregen oplossing laat men daarna gisten. Trots talrijke, gedurende cen jaar voortgezette proeven, mocht het niet gelukken de glutose in kristalvorm te verkrijgen. Dit negatieve resultaat is waarschijnlijk aan de omstandigheid toe te schrijven, dat de glutose, evenals de galtose uit een mengsel van stereo-isomere suikersoorten bestaat, welke bijna dezelfde eigen schappen hebben en tot nu nog niet gescheiden zijn. De eigenschappen der glutose stemmen in bijna alle punten met die der galtose nverecn. zoodat verwezen kan worden naar hetgeen over deze suiker gezegd werd. Deze overeenkomst geldt voor het reductievermogen op Fehling's proefvocht en Romgn'sehe oplossing; het behaagt bijna de helft van dat der glucose; verder voor het draaiingsvermogen, dat nul is; eveneens voor de stroopachtigc verbinding met een molecule aceton en voor het niet kristalliseer bare methylglucoside; eindelijk voor de inwerking der alcaliën, die de glutose' direct in zuren en niet in andere snikersoorlen doet nvergaan. Ook vertoont de glutose de eigenschappen der ketosen. De elementairanalyse van de stroop, die in het vacuüm lot oonstanl gew cht gedcoogd weid. komt overeen met de formule Ca Hu Oe. Men zou geneigd kunnen zijn, te gelooven, dat deze beide lichamen identiek zijn . Hun usazonen hebben echter zeer verschillende eigenschappen. Het smeltpont van het glutosazon (I(>s°) is lager dan dat van het Diverse ïnccli'ili't'linjren 325 galtosazon (183°); zijn oplosbaarheid is grüotén 100 e.M 3 . koken-' water, methyl-en aethylalcohol lussen hij 17° 0,5, -i,O on 1.1 Gr. op. Het draaiingsvermogen der 5 procentige metbyjateöhol-oplos sing bedraagt hij Auerlieht -f- 6". De verhouding tot kalk toont eveneens een verschil tusschen galtose en glutose aan. Terwijl de eerste suiker gemakkelijk kristal liseerbare ca'cium verbindingen levert, is dit met de laatste niet hel geval, ofschoon zij toch eveneens in zuren (en niet in andere suikersoorten) overgaat. Op dezelfde wijze verkrijgt men ook glutose uit de glucose in tamelijk groote hoeveelheid (ongeveer 20%), indien men een 20% —ige oplossing 3 uren lang bij 70° verhit. De pseudo-fructose. Nadat de - tagatosc als ontledingsproduct der galactose bereid was, ontstond de vraag of in het mengsel der suikersoorten, welke men uit de glucose (resp. mannose, fructose) verkregen had, nog een lichaam kon voorhanden zijn. Eenige waarnemingen bij het bereiden der Iructosc uit het genoemde mengsel maakte dit waarschijnlijk, liet gelukte echter niet, om evenals bij de tagatosen een nieuwe suiker te isoleeren. De gronden, welke voor het aan wezig zijn van een pseudo-fructose (die in elk geval een ketose is) spreken, zullen wij in 't kort aangeven, hoewel het bestaan hiervan niet volkomen bewezen, toch zeer waarschijnlijk is. De fructose ontstaat niet (of slechts in geringe hoeveelheid), wanneer men de omzetting door ioodhydroxyd doet plaats hebben; evenzoo als met het laatste geen tagatosen ontstaan. Hare aan wezigheid kon men slechts waarnemen, wanneer men de eigenlijke alcaliën laat inwerken. In de stroop, die men door uittrekken van het ruwe inge dampte ontledingsproduct met aceton verkrijgt en die voornamelijk de ketosen vermengd met een weinig glucose en mannose bevat, kan men het gehalte aan deze beide aldosen benaderend bepalen, door de ketosen volgens het voorschrift van Siëben-Dammüller te ontleden; de aldosen ondergaan daarbij geen verandering. De hoe veelheid glucose kan men vaststellen, dooi' het mengsel te laten vergisten, daar deze suiker niet voor gisting vatbaar is. Men vindt alzoo voor het draaiings- en reductievermogen van de fructose » [D] = ongeveer — 00° in plaats van — 93°; dit verschil is te groot om door analysefouten een verklaring te vinden. Bij de proef, om do fructose alleen uit het mengsel der vijf 326 lliicrso merti'cledinïcn u*ikersoorten dooi- middel van kalk volgens Dubrunfaut-Schebing af te zonderen, bleek het dat de $- fructoseeveneens als truetosaat wordt neergeslagen. Dit bewezen vergel ij kende proeven, die gelijktijdig met ge wone invertsniker genomen werden, welke niet zoo veel frffetose bevat als het bovengenoemde mengsel. De invertsniker gaf een calciumfruetosaat waaruit men een stroop van * [D] = — 70» kon bereiden, terwijl uit het genoemde mengsel onder gelijke omstandigheden een met x |D| = — 400 werd verkregen. Deze laatste stroop gaf een osazon met een lager smeltpunt (182°) dan dat van het gewone glucosazon (-208°). Door herhaald omkristalliseercn werd een osazon verkregen met een constant smiltpunt van 400°; « [AuerJ der 0,5 %-ige methylalco holische oplossing was - 5,3 0 , de eigenschappen van dit osazon ver schillen dus met die van het glucosazon en het glutosazon, evenals het vp-tagatosazon zich van de osazonen der galactose en dergaltose onderscheidt. Na de ontdekking van de ontzetting der roduccerende suikers doOr alcaliën, kon aangetoond worden, dat de melissen der rictsui kerfabrieken mannose bevatten, die uil de glucose van het rietsap bij het koken daarvan met een geringe overmaat van kalk ontstaat. Het is duide'ijk, dat bij deze beh indeling eveneens glutose gevormd wordr. He', was niet moeilijk d-'zc in de rbstmelassen aan te tionen; hiervoor beh ielt men deze stropen slecht-; in-t biergist te doen vergisten. Het restant bevat dan de glutose, welke men als het osazon kan afscheiien. Wel was do'»r de aanweziah id van orga nische zouten de verkregen hoeveelheid glutosazon slechts uiterst gering; liet kon echter geconstateerd worden, dat de eigenschappen daarvan overeenkwamen met die der verbinding, welke door middel van loodhydroxyd verkregen was. Men kan de hoeveelheid der in de rietmelassen voorhanden glutose benaderend bepalen, indien men de stroop volkomen laat vergisten en dan het reductievermogen op proefvocht, voor en na de ontleding der glutose volgens de SiEBEN-DAMMÜLLER's-che methode bepaalt. Het verschil tusschen de beide uitkomsten, geeft bijna juist de in de stroop voorhanden glutose aan, wanneer men aanneemt, dat het reductievermogen der glutose de helft bedraagt van dat der glucose. Volgens deze methode vohJen de hecren dé BruÜn en EKEN- 327 Diverse mi'.li'ilwlinfren stktn 'm ëen rietmelasse uil Liniisiiiim afkomstig ongeveer 4,8 gin töSe. Melasse-spoeling uil Alexandrië, diedpor vólkonften verfpMUg vii.ii een met het drievoudige volumen wate" verdunde mHasse ver kregen was. bevatte 0,b5 % glétose; de oorspronkelijke melasse dus ongeveer *2,ö%i 8 K.C. vaneen andere Me uil \Vcsi-]inli' ; afkomstig was, lieten na fle tfèrgisting S(i Cr. stroop achter, die door albouk») van de booten bevrijd, voor lief grootst 1 ) gedeelte uit glutose bleek te bestaan. lil bet bovenstaande blijkt, dal de omzettingsproducten der glucose in de rietsuikerfabrikaü ■ en melassebrandersen eeii rul spelen; deze producten vormen zich onder den Invloed van <fe al caliteit der lieete rtlW-sappea na de toevoeging van kalk. al is deze alcaliteit ook no» zoo gering. De aanwezigheid van glutose verklaar! de omstandigheid, dal bet draaiingsvermogen van de invertsuiker der rietsuikermélassen steeds lager ( —6 9 tut —ld°) gevonden wordt din de normale waar de, die ca.—'2l° bedraagt. liee'. il. Irav. chhii. d. Payi-Bas ei ie la Belgique Tomé XVI jfkg. (lelie Befte ISO7 ld:. WW—WK). Door K. B. Lehmann wordt een nieuwe eenvoudige jodonie trische suikerbepaling als volgt beschreven: f>oc.M'\ Fehlfhg 's proef vocht, waarvan het kópe?gehalte riauw keurig bekend is, worden met 25 c.M'. der suikeroplossing ge kookt. Na het koken wórdt de warme vloeistof door een dubbel filter van zwecdscli filtreerpapier gefiltreerd en het liltraat door uitwasschen van het neerslag op 20) c.M 3 gebracht. Ook kan men de gekookte vloeistof met het neerslag in een cylinderglas over gieten, tot 250- c.M ! . met water bij vullen en een gedeelte affiltreeren. Laat men de vloeistof iets langer staan, dan zet zich het ko peroxydule zoo compact op den bodem af, dat uien een gedeelte gemakkelijk helder kan al'gieten. Bij 50 cvMV. van deze heldere vloeistof voegt men zooveel zwa velzuur dat de [reactie zuur wordt en daarna 2 — 3 Gr. joodka lium, waarbij volgens de vergelijking: 2 Cu S(>4 + 4 I K = 2 K, SO< + 2 Cu I -f U een lmeve 'llieid jodiuni vrij komt evenredig aan de aanwezige hoe veelheid koper, hetgeen blijkt uit de bruine kleur, welke de vloei- 328 Diverse hieflecleelingefi. stof aanneemt. Deze hoeveelheid jorlium bepaall men het gemak kelijkst met een oplossing van natriumhyposulfiet volgens de formule '2 (Na* S, 0 3 ) +1 2 = Nai S, 0 6 +"2Na I. 'lc.il 1 . van (>en W-normaal natriumhyposulfietoplossing komt overeen met 1 c.M 3 . l ito* normaal jodiumoplossing ol 8,15m. (ir. koper. Bepaalt meu eens vuur altijd het kopergehalte van do koper sulfaatoplossing en telkens het kopergehalte van het nitraat, dan geeft het verschil de hoeveelheid koper aan. die door de suiker is neergeslagen. Bijvoorbeeld: HO c.M 3 . kopersulfaatoplossing werden in een schaal gedaan. 5 c.M 1 . van deze oplossing, waaraan jood kalium toegevoegd was, hadden QOodig 27,6 c.M 1 . Na> Sj 03, er waren dus 0 X 27,(1 X H,15 = 521,6 m. Gr. koper in de 30 c M 3 . kopersulfaatoplossing voor handen Na het toevoegen van 10) ra. Gr. druivensuiker, koken, fil treeren en bijvullen tot 250 c.M'. hadden 50 c.M'. van het Al traat 20,7 c.M 1 . "io-normaal natriumhyposulfietoplossing noodig; dus waren er 195,0 m. Gr. koper neergeslagen. Volgens de tabel len van Allhin komt dit met 100,25 m. Gr. druivensuiker overeen. 0.-U. Zeitschrift f. Z. u. L. 1X97, bh. 1111. 11. Pei.i.kt deelt het navolgende mede over tle vermindering der alcalileit van de beetwortelsappen gedurende het verdampen. Zooals bekend is. wordt de alcaliteit der sappen door kali- of natronzouten en door ammoniak veroorzaakt. Men is het echter nog niet eens op welke wijze dit vluchtige alcali bepaald moet worden en omtrent de hoeveelheid, welke in het gecarbonatcerde sap voor komt. PüXLBT nu bepaalt de ammoniak door middel van magnesia, waardoor de hoeveelheid gevonden wordt, die feitelijk voorhanden is, terwijl volgens de methode van Jesser ook de ammoniak bepaald wordt, welke d ' de inwerking der alcaliën oog gevormd kan werden. Bij de ammoniakbepalingen werden alle daarvoor bestemde vloei stoffen en producten op dezelfde dcusiteit gebracht en gedurende den loop der fabrikatie eenige dagen lang onderzocht, waarbij de volgende resultaten werden verkregen. Diverse mederteeluigeil 329 Aiimioiiiak-stikstofals ammonia berekend Per Liter der op Per 100 Gr. 12° D. gebrachte suiker. sappen. Diffusiesap 0,100 0,080 S;i[) van de I' 1 carbonatatie o,lB'} 0,170 » i *2« j> 0,130 0,130—0,110 Dunsap 0,040 0,033 Diksap 0,040 0.033 Vulmassa 0,010 0,009 De kalk heeft dus door hare werking op de Organische stik stofhoudende bestanddeelen een Zuidelijken invloed op de ontwik keling der ammoniak. Hiervan blijft een gedeelte in oplossing, een ander gedeelte ontwijkt bij de filterpersen, waar zij voor de arbeiders soms zeer hinderlijk is. Gedurende de 2 de carbonatatie komt wederom een hoeveelheid ammoniak vrij, zoodat het 2 maal gesaturcenlc sap nog ongeveer 0,13 Gr. ammoniak per Liter kan bevatten. Aangenomen, dat de totale alcalitcit in kalk uitgedrukt o,tsbedraagt, dan komen 0,13 Gr. ammoniak overeen met 0,20 Gr. kalk. Dat wil zeggen, dat de ammoniakalc alcalitcit van het sap. na de 2' I '' saturatie, 4P/ 0 van de totale alcalitcit bedraagt. Blijft er verder ',a der aminoniakale alcaliteit in het dun- of iliksap, dan volgt hieruit, dat de alcaliteit, welke verdwijnt. van de totale alcaliteit bedragen kan. Gedurende '2 campagnes werd de alcaliteit der sappen van de '2 ,ie carbonatatie en die der sappen van 2i»—27' IJ. bepaald en bleek het ook werkelijk, dat de gemiddelde hoeveelheid verdwenen alcali, bij de gewone werkwijze, zonder gebruik van 'fcwaveligzuur, 30—33% van de totale alcaliteit van het 2 de satuiaticsap bedroeg. Eveneens werd gedurende het verkoken tot masse-cuite een vermindering der ammoniak ale alcaliteit van 0,11—0,12 geconsta teerd, hetgeen in kalk uitgedrukt. 40—42% van de totale alcaliteit uitmaakt. Onder sommige omstandigheden kon 50% een ander maal slechts 25 — 30% der totale alcaliteit als ammoniak gevonden worden, gemiddeld echter komen de cijfers van liet. alcaliteitsverlies 330 Direrte medodeelingnn. gedurende ■!<- concentratie goed overeen met de op kalk en per Liter omgerekende hoeveelheid ammoniak. Het is duidelijk, dat deze hoeveelheid oaar gelang van het tijdstip der fabrikatie kan verschillen. Het komt ook voor bij het begin der fabrikatie, dat de totale alcalitcit 0,00 per Tater bedraagt en die van het dun- of diksap 0.50. Menigmaal gebeurt het ook, dat er een verhooging der alcali teit geconstateerd wordt, hetgeen natuurlijk niet mogelijk is. De oorzaak moet daarin gezocht worden, dat de gevonden alcaliteit der sappen van de 2*B carbonatatie, met phenolphtale'ine als indica tor bepaald, beneden de werkelijke hoeveelheid blijft, vooral als er koolzure alcaliën voorhanden zijn. Gedurende de concentratie werkt de suiker op deze carbonaten en komt koolzuur vrij, hetgeen aanleiding geeft tot de vorming van koolzure ammonia, die de al caliteit van het sap verhoogt. Eene bepaling van de alcaliteit met neutrale lakmoestinctuur zoude het tegendeel aangetoond hebben, n.m. dat het diksap minder alcalisch is dan het dunsap. Bij de sappen, die met zwaveligzuur behandeld zijn, is de ver houding der alcaliteit zeer veranderlijk, zoodat deze meestal niet met de resultaten bij de gewone werkwijze verkregen, overeenstem men. De heer Pellet meent, dat in alle gevallen de alcaliteit, die gedurende de concentratie verloren gaat, overeenkomt met de hoe veelheid ammoniak, die grootendeels gedurende het verdampen van het -2 de carbonatatiesap tot aan het onderzochte diksap verdwijnt. Deze hoeveelheid is in elk lichaam van het verdamp toestel niet even groot, de grootste vermindering der alcalitcit werd meestal tusschen een spec. gcw. van 1,150 — 1,180 waargenomen. Door bepaling van de ammoniakstikstof en de totale alcaliteit van elk product van af het diffusiesap tot het diksap, bij een spec. gewicht van 1,090, 1,120, 1,200 1 , L 23U kan men de hoeveelheid ammoniak in een Liter van het verdampte water berekenen en contróleeren. Bulletin de l'Association des chimistes 1897, blz. 230. Door Dn. A. Artaiu zijn onderzoekingen gedaan met een in het sap der beetwortelsuikerfabrieken in gezelschap van de Leu conostoe mesenterioïdes voorkomende schadelijke saccharomyces soort (S. Zopfii), die de suiker tot alcohol en zuren vergist. Deze gistsoort was door Prof. Zopf in een suikerfabriek gevon- 331 Diverse roededeelingeïl den en uit liet boet Jrortelsap waarin zich ook Leüconpatoc mes.'nie rioïcles ontwikkeld had, door middel van schaalculturen geïsoleerd. Zij vormt kleine, elliptische of bolvormige cellen van ;i—o micron naiddellijn. zij ontwikkelt sporen (nok in vloeistoffen), die even mls (lebier en wijngist ontkiemen. Op daaiJbje»sniker-peptoji-gelatin.e groeit zij in een melkwitte, weinig slijmerige entstreek met tamelijk gladde randen. Neiging lul vorming van oen kaamhuid is in "I ge heel niet voorhanden, daarentegen vormt zij in een mannietoplos sing een duidelijke» gistringi De uiterste grens foor de levensvat baarheid ligt bij 67" C. bij inwerken van een droge warmte van 130°—'155° ('. gedurende 5 minut n, sterven de vegetatieve rellen. Opmerkelijk is het echter, dat bij 87°—88° C. nog organismen in het bictsap blijven leven. De ontwikkeling houdt echter reeds bij 33-34 C. op. hoewel het optimum bij 28" -290 C. ligt. Deze gistsoort inverteert ruwe suiker en scheidt bij eenigszins hoogere temperatuur een ferment af, dat gelatine peptoniseert. Slechts in driiivensiiikcr- en ruwsuikcroplossingen veroorzaakt zij sterke gisting, in dextroseoplossingen geen merkbare gasontwik kcling, hoewel de oorspronkelijke alkalische reactie toch in een zure overgaat. Galactose, lactose, inaltos ■. inuline, mannict gaan door deze gistsoort niet in gisting over. Buiten alcohol en koolzuur kon nog een organisch zuur (door schudden der vloeistof met aetber) aangetoond Worden, waaromtrent nog niets nader bepaald is. In 50%-igc ruwsuikcroplossingen bad nog een sterke gisting plaats, in nog meer geconcentreerde hielt de gisting langzaam op. Gelbe Hefte 1807, bh. 1084 De heer Aux. ü. Kuur, scheikundigehiar barstede, deel Ie ons mede, dit er in den laatste i tijd door bauiel mrs ren goedkoope nienic-soort ii dm han lel gebracht wordt,die met 51% zwaarspaat(zwavelzurebaryt) vervaischt is. D: ïmnic onderscheidt zieb van de zuivere verbinding door een rosé kleur. Daar zulke menie voor het verpakken van pijpen enz. geheel onbruikbaar is, gelooven wij hier de aandacht op te moeten vestigen. Drukfouten. Op blz. 276, 2 ri ™ regel, staat (ƒ4,42 p. pikol) dit moet zijn (f 11,08 p. pikol.) Divfif3P meaeÓeelmgeri 332 STATISTIEK, OOGST-EN MARKTBERICHTEN, ENZ- Overzicht van des Rietsuikeruityoer en de Bietsuikku- PRÓDUCTIE VAN JULI t'm. OCTOBER 18l'7. Gedurende de campagne 1896 —97 werd in Frankrijk verwerkt door 358 fakrieken 0,705000 ton biet. Totaal werd geproduceerd: Masse-cuite: 7,488101 hectoliters = M,t L. per 100 K. G. biet; 1<- Product (uitgedrukt in nlfinwle): 494874 tori =68,47 K.G. per hectoliter masse-cuite, = 7,32 K. G. per 100 K. G. biet; '2 de product vulmassa: 2,07*2524 hectoliters = 35,7 liters per hectoliter masse-cuite; 2''e product (uitgedrukt in raffiiiade): 400878 ton =42,83 K.G. per hectoliter ï A{k prodiii-t mass-e-cuite, = IA 1 .) K.(ï. |>er 100 K..G. biet; Rnsïand-Suikerstatistiek 334 Sta'Bitek, oogst- en marktberichten, enz Mas<e-cuite van verdere n iproducten: 1,769932 hectoliters = 66,4 Ut.ers por hectoliter 24s product vulmassa; 3 ,e product (uitgedrukt in ralïinado): 671490 tor. Het rendement aan suiker (uHcedrukt i" raffiriadn) was per 100 K. G. bet als volgt: Ciimpngne 1X00—97 1895—96 1"« product 7,32 7,89 2 Je » l.iii 1,85 j 0,50 0,68 Totaal suiker (uitgedrukt in raffinade) 9,3 ( i 10,42 Melasse 3,72 3,95 Sucrerie Brlge 1897, bh. 107. Furopa, 25 Februari. Duitschland. In het laatst der vorige week deed het winterweer zich eenigszins gelden, spoedig daarop sloeg de weersgesteldheid weder geheel om; het vochtige weer kreeg de overhand, de sneeuw verdween, waarop regen en storm volgden. Het vroegtijdig beginnen met de werkzaamheden op de velden wordt hierdoor /eer vertraagd. Over de productie vun de afgeloopen cam pagne word hel navl gende hekend: De hoeveelheid verwerkte bieten bedroeg 136,5821*1 metr. centr., het rendement van de bieten 12,14%. In Oostenrijk was het weer over het algemeen zacht, hoewel zeer veranderlijk. Het bietcontracteeren is in velestreken in vollen gang: over het algemeen worden hoogere prijzen betaald dan verleden jaar; in hoeverre dit op de uitgestrektheid van den aanplant van invloed /al zijn, is nog niet te zeggen. frankrijk had een zeer bevredigende weersgesteldheid, de stand van het winterzaad is zeer goed en daar de graan-, haver- en spiri losprijzen loottend zijn, maken de bietverbouwers weinig haast om op de aanbiedingen der fabrikanten te antwoorden, hoewel meer geboden wordt dan verlclen jaar. Rusland. Ook hier wordt dit jaar meer voorde bieten verlangd. Negen nieuwe fabrieken zullen dit jaar werken, zoodat op eene uitbreiding van den hietaanplant gerekend wordt. Nederland en België hadden zeer onbestendig weer. hagel en storm lieten zich niet onbetuigd. Statistiek, oogst- en marktberichten, enz 335 De nachten waren meestal koud. Met het contracteeren van de bictleveriiigen worden moeilijkheden ondervonden. Koloniën. In Louisiana vorder! liet planten van b©t riet, door ■Ie goede weersgesteldheid, uitstekend. Op Cuba zijn thans 10M centraalfabiïel<<ii in werking, üc totale afleveringen bedragen nu 110000 ton. De oogst resultaten zijn echter verre van bevredigend. Op Mauritius heerscht zeer gunstig weer. Demerara had afwisselend warm en regenachtig weer, dat gun stig op liet riet werkte. Op Hnwaii beeft het riet door de aanhoudende droogte veel te lijden. Soerabain, '2ï» Haart. Sedert ons laatste bericht liep de markt langzamerhand terug, doch aangezien houders geene verlaagde waarde wenschten te acceptesren, kwamen geene transacties tot stand. Huidige noteering f 6 3 U voor 1.1/14, f I. — voor 1 R/17, waartoe geen verkoopers. Suikerverkoopen, Oogst 1898 tot ultimo l ( .» Maart voor zooverre die hekend zijn geworden ?,530r,00 pikol totaal vorige lijst. •20000 » Tjepperj /'B'A. Sup. / 8", No. '20 I » 8 No. 19, f T*U »18 20000 » Tjomal » i>V» No. 12 en hooger 3000 » Amcnt » Vl* » 10 . r >ooo » Kandjang djati » 7'/-' » 15 30000 » Amcnt » ö B /* i 11—14 Totaal 2,608500 pikol. 336 Statistiek, oogst- en marktberichten, enz OORSPRONKELIJKE VERHANDELINGEN- MEDEDEELINGEN VAN HET PROEFSTATION OOST-JAVA Nieuwe Serie No. 47 Heteronychus ?pec? I. 1) E KEN T .1 0 N G-K EVER / door Dr. L. ZEHNTNEB. Met Plaat VII. Zooals reeds medegedeeld is (zie Archief 1897, blz. 23, 24 en 100), is in de laatste jarea qp verscheidene fabrieken een kever schadelijk geworden, die vóór dien tijd niel als rietvijand bekend was, die echter, indien hij op groote schaal optrad, een ernstig ge vaar voorde rietcultuur zon kunnen worden. In '92 werd liet insect voor den eersten teer op Minggiran waargenomen, twée'jaren later op Btod'is en in 1896 op Kentjong, Kawarassah en Ngelom. Ik zelf heb het insect slechts op Kentjong gezièh; ik twijfel er echter niet aan, of men had ook op de andere genoemde fabrieken werkelijk mei de bedoelde soort te doen. Want de beschadiging is zóó ka rakteristiek, dat zelfs bij een oppervlakkig onderzoek alleen ver warring met die van Ilypomeces unicolor (Archief 1897 blz. 535) mogelijk is. De keer kan reeds door zijne afmetingen van de andere rietbeschadigers uit deze orde herkend worden, alleen met Apogonia destructor zou misschien een verwisseling mogelijk zijn, doch deze is nauwelijks half zoo groot als de Kcntjong-kever. Deze laatste is zeer waarschijnlijk nog meer verspreid dan tot nu toe bekend is geworden, maai' óp die fabrieken, waar slechts een klein aantal optrad, kan het gemakkelijk gebeuren, dat hij over het hoofd gezien werd. Het is jammer, dat het optreden van den nieuwen rietvijand niet dadelijk aan de Proefstations bericht werd, want daardoor zou het meer publiek geworden zijn. Belanghebbenden zouden aan den kever meer opmerkzaamheid geschonken hebben, misschien had men dan een uitbreiding kunnen voorkomen en in elk geval hadden deskundigen licht over de levensgeschiedenis van het insect kunnen verspreiden. Ik heb nu getracht in deze richting iets te doen, maar zonder succes, daar de kevers in gevangenschap noch paarden, noch eieren legden en na oenigen tijd ook geen voedsel meer tot zich namen; dus moet de oplossing der hcdoelde kwestie voorloopig uit gesteld worden en ik zal mij in de volgende bladzijden tot een beschrijving van den kever, der schade, die hij veroorzaakt en zijner bestrijding beperken. 1. De Beschadiging Terwijl bij rle torren, die tot nu toe 'va onze Mededeelingen behandeld zijn geworden, do larven altfttsluitend (Apogonia), of voor namelijk iHispella, Aphanisticus) de schade aan het riet toebrengen, (zie Mededeclingen van het Proefstation Oost-Java, Nieuwe Serie No. 17, 27, 'M. 421 is het in hel geval, dal ons hier bezighoudt, integendeel do kever zelf, die schadelijk wordt. Deze namelijk vreet de spruiten van terzijde aan, meestal dicht boven de bibit, dikwijls echter nuk hooger; in elk geval in dat gedeelte, dat zich onder den grond bevindt. Niet zelden wordl een spruit op verschillende plaatsen aancevreten en hier en daar kan men de kevers in de bibits borende vinden. Dunne spruiten worden geheel afgevreten; bij dikkere ontstaan door de vreterij hori zontale gaten van I —2c.M. middellijn en van verschillende diepte. Dikwijls zijn deze zen groot, dat aan de eene zijde Avv spruit slechts cen paar bladscheeden onbeschadigd blijven, of het uat reikt tot in het midden van de spruit, (fig, 1) en neemt daarna over een kleine uitgestrektheid een overlangsche richting aan. Bijna in al deze gevallen worden de toppen der jonge stengeltjes en de jongste bladeren vernield en liet gevolg daarvan is natuurlijk het doodgaan der spruiten. In andere gevallen wederom zijn de gaten meer oppervlakkig en dan kan de spruit doorgroeien. De randen der gaten zijn niet scherp, daar de vezels der biad scheeden er gedeeltelijk nog aan blijven angen. Ook vreten de torren niet al het weefsel, dat zij uit de spruit krabben. Vele vezels, die er als grot zaagsel uitzien, liggen rondom het gat, vooral echter op de benedenzijde en vlak achter den kever, wanneer deze nog in het gat aangetroffen wordt. *) De beschadiging wordt uiterlijk zichtbaar doordat de aangetaste spruiten verschijnselen van gebrek aan water beginnen te vertoonen, daarna worden vele geel zooals b. v. bij de vreterij door Termieten (Rajab) en ten slotte verdrogen zij geheel. Zijn nog eenige blad scheeden onaangetast gebleven, zoo kunnen de daaraan vastgehechte bladeren verdrogen. Zulk een spruit ziet er dan uit als ware zij door een topboorder aangetast. In het algemeen is de beschadiging aan den *) DU komt in Fig. 1 bij a niet goed uit, omdat de lithograaf du figuur niet goed be grepen en iets als een verscheurd netje voor het vreetgat geteekend heeft. 338 Dr. L. Zeln:tner. De Kintjong-kever stand der spruiten gemakkelijk te herkennen en een eenigszins geoefen 1 oog ziet, wanneer zij pas begonnen is. De schade is vrij groot, daar de aangetaste planten geregeld door andere vervangen moeten worden (soelammans) en de kevers bij duizenden in de tuinen gevonden worden. De soelammans echter hebben weder van ren nieuwen aanval te lijden en zoo kan het gebeuren, dat op dezelfde plek vijl' en zes keer achtereen, „°esoe lamd" moet worden. Komt het dan nou voor,zooals op een fabriek het geval was, dat de kevers ook de dederans aantasten, zoo is het na tuurlijk mei het soelammen gauw uit en hei kan gebeuren, dat in de aangetaste tuinen geheele plekken l"eg gevreten worden. Geluk kig s liijneu zich de kevers tot bepaalde plekken te beperken, met dien verstande, dat zij in een tuin, waar zij in het ééne jaar huis den, wederom optreden zullen, wanneer deze tuin een volgenden keer met riet beplant wordt. De waarnemingen hieromtrent strekken zich echter slechts over weinige jaren uit en het moet afgewacht worden, of zich de kevers ook later zoo zullen gedragen. liet is mogelijk, dat de kevers ook aan inlandsche cultures kwaad doen. Ten minste hebben zij in gevangenschap niai'sstengels up dezelfde wijze als het. riet aangevreten. Dk Kever Figuren 2—14. De grondkleur van liet geheele lichaam is glanzig-zwart, dikwijls mei een roodbruinen weerschijn. De bcnedenzijde van kop en prono tuni, de sprieten, de tasters en de tarsen zijn donker roodbruin. De kop heeft, wanneer men hem van boven ziet, ongeveer den vorm van een trapezium. De basis is ongeveer driemaal zoo lang als de frontaalrand. Deze is recht of zeer weinig concaaf en daar waar hij in de eenigszins concave zijranden overgaat, een weinig opgewipt., waardoor het voorste gedeelte van den kop (epistomum) een weinig op een varkenssnuit gelijkt (fig. D). De zijranden zijn een weinig concaaf en verdcelen de oogen (o) in tweeën. Deze liggen in de achterhoeken der basis en worden langs den binnenrand door een eenigszins verheven lijn omzoomd. Een dergelijke lijn verloopt van den binnenhoek der oogen naar het midden van den kop toe, waar zich twee kleine verhevenheden vertoonen, die op de grens van den eigenlijken kop en het epistomum liggen. De bovenzijde is van ondiepe, maar talrijke putjes voorzien; slechts langs den voorrand van het halsschild is de kop glad en glanzig. 339 Dr. L. Zehntner. De Kentjong-kevpr Bij een oppervlakkige beschouwing vertoont de voorrand van het epistomum een meer gecompliceerde!] vorm, Omdat ter weers zijden drie kleine uitsteeksels zichtbaar zijn (fig. 5. md). Deze behooien bij de bovenkaken, waarvan ik de linker in fig. C> van de boven-, in fig. 7 van de binnenzijde afzonderlijk geteekend heb. Men ziet, dat de genoemde drie uitsteeksels (n, b en c) aan den top tamelijk scherp zijn en zich naar hoven krommen (fig. 7). Zij vormen te zamen met den schelpen voorrand van het epistomum het in strument, waarmede de tor de beschadiging teweegbrengt. Op de binnenzijde, aan de basis van elke kaak, bevindt zich een sterk gechitiniscerdc plaat (fig. 7, fc), waarop groeven en lijsten elkaar afwisselen. Deze cbitine-platen der heide bovenkaken vormen te zamen een maaltoestel, waarmede het voedsel yoorloopig fijnge wreven wordt, om later door de andere mondwerktuigen nog ver der verwerkt te worden. De onderkaken (fig. 8) zijn stevig en hard, ongeveer even lang als de bovenkaken, maar veel smaller. De kauwplatcn zijn met elkaar vergroeid en vormen een langwerpig stuk, dat langs den binnenrand eenigszins platgedrukt is en aan den top in drie scherpe tanden uitloopt. De taster, die ook in figuur 5 zichtbaar is (mxl), bestaat uit vier leden, waarvan het eerste het kortste is. Het tweede is bijna dubbel zoo lang als het eerste, het derde een weinig korter dan het tweede en het vierde zoo lang als de twee eersten te zamen. De onderlip (fig. 9) is dubbel zoo lang als breed, in het ach terste gedeelte convex en vertoont langs den voorrand en ter weers zijden van de plaats van inhechting der taster telkens een kleine deuk. De zij randen zijn een weinig naar buiten gebogen, behalve op de hoogte der tasters, waar zij concaaf zijn. De voorrand is eveneens een weinig concaaf. De tasters bestaan uit 8 leden en wel is het eerste lid langer dan liet tweede, en bet derde zoo lang als de twee voorafgaande te zamen. De sprieten (fig. 5, sp., fig. 14) bestaan uit ell' leden. Il<-t eerste is zeer kort, knobbelvormig, het tweede bet langs* van allen cu eenigszins platgedrukt. Het derde lid is veel Mnaller dan het tweede, niet platgedrukt, aan den top een weinig dikker dan aan de basis en nog niet half zoo lang als het tweede. De twee vol gende leden zijn een weinig smaller dan het voorafgaande, vee! breeder dan lang, dus schijfvorrnig en de kortste leden der spiiel. Daarop volgen drie leden, d ; e eveneens breeder zijn dan lang. overigens echter een wigvonn hebben. De drie laa stc leden 340 Pr. L. Zehntner. Pc Kentjong-kever zijn bladvormig verbreed, ongeveer zes maal breeder dan lang en zoo stevig aan elkaar gevoegd, dat zij zich nauwelijks bewegen en niet ontplooien kunnen. Zij vormen te zamen een ovale knots, die minstens half zoo lang is als de geheele spriet. De beharing van deze laatste is gering. De leden 1,4, 5. G, 7 en 8 zijn onbehaard, liet tweede lid draagt drie haren op de bovenzijde en 12 —14 langs den achterland, terwijl het derde lid op de bovenzijde van één enkel haar voorzien is. De bladvonnigc leden dragen elk op de boven zijde een reeks van tamelijk lange haren; buitendien is het eerste dezer leden op de binnenzijde met vele kleine haartjes bezet, terwijl het derde op de buitenzijde nog van een reeks haren voorzien is. Het halsschild is sterk gewelfd, slechts weinig breeder dan lang en wordt naar voren toe iets smaller. De schijf is glad en glanzig, als gepolijst, maar toch van buitengewoon fijne stippels voorzien, die aan de voor- en achterhoeken iets duidelijker zijn, op hot overige ge deelte slechts bij een nauwkeurig onderzoek opgemerkt worden. De zijranden zijn regelmatig gebogen en iets naar boven omgeslagen; de achterrand is in het midden een weinig convex en ter weers zijden over een kleine uitgestrektheid concaaf; daarna wordt hij wederom convex en gaat met een zuivere curve in den zijrand over. De voorrand is in het midden convex, ter weerszijden con caaf en vormt met den zijrand een scherpe punt, die een weinig vooruit steekt (fig. 5). Op de onderzijde heeft het halsschild aan den voorhoek een kleine deuk, die met putjes, waarin haren inge hecht zijn, bezet is. Het scldldjc (fig. 3) is driehoekig, even breed als lang, de ba sis zwak concaaf, de zijranden een weinig convex. Op de buikzijde is de meso- en metathorax glad en glanzig, tor weerszijden met fijne stippels bedekt, die op het mesosternum behaard zijn. De dekschüden (fig. 2, 3 en 4) *) zijn van den costaalrand naar den suturaalrand toe en van achteren regelmatig gewelfd. Van achteren hellen zij tamelijk steil naar boneden en vertooncn hier een kunbbelvormige verhevenheid, die dichter bij den suturaalrand dan bij den achterrand (fig. 3 eii 4). Deze heide randen vormen te zamen ongeveer een rechten hoek. De costaalrand is een weinig naar boven omgeslagen en het grootste gedeelte recht. Slechts op de hoogte van den mesothorax is hij convex. De dek schilden vertoonen op de schijf B—'J8 —'J overlangsche, sterk ingedrukte, *] De fi'.Miur 2 ia niet go*d ffereprolueeerd, daar de seltaduw zoodanig verdeeld moest zijn, dat het liehamn regelmatig gewelfd schijnt. Overigens zomlen de zijranden van het prouotum iets sterker gebogen en de voorrund iets smaller kunnen zijd. Dr. L. Zehntner. De Kentjong-kever 341 gestippelde lijnen (puiitrijen), waartüsschen glanzige strepen over blijven (fig. 4). De eerste lijn loopt dicht bij en evenwijdig met den suturaalrand en strekt zich övèrde geheele lengte van het dok schild uit; de andere loopen schuin naar achteren en houden op de hoogie der knobbel-vormige verhevenheid, waar zij dichter bij elkaar staan, op. Zij zijn niet allen gelijk: de eerste is tamelijk diep, scherp begrensd en fijn gestippeld; de tweede is bijna niet ingedrukt maar zeer duidelijk gestippeld; de vijf volgende zijn sterk ingedrukt, tamelijk breed en van grove putjes voorzien; de achtste en negende zijn slechts op de schouderstreek ingedrukt en hier eenigszins onregelmatig; naar achteren zijn zij door een rij fijner stippels aangegeven, die bij de negende dikwijls nauwelijks meer te zien is. De glanzige tusschenruiinten uisschen de overlangscbc lijnen zijn evenmin allen even breed, daar de tweede ongeveer dubbel zoo breed is als, en de derde en vijfde iets smaller zijn dan de anderen. Alle tusschenruimten zijn zeer fijn gestippeld. Ook de streek beneden de knobbelvormige verhevenheid is gestippeld en wel zijn de stippels hier zeer talrijk en gelijkmatig verdeeld, zuo dat het genoemde gedeelte niet glanzig is. Van het abdomen is niets te zien wanneer men het insect van boven beschouwt, en van achteren komt alleen de anaal-plaat (py gidium) te voorschijn (fig. 4). Deze is breed-drichoekig, de achter rand gezoomd en de schijf van fijne stippels voorzien. De buik zijde der achteilijfsringen is glad en glanzig. Slechts langs den achterrand der buikplaten bevindt zich een reeks van stippels met haren, die echter in het midden der platen ontbreken. De poolen zijn sterk gebouwd, wat met het oog op de onder aardsche leefwijze van den tor van zelf spreekt. Zij zijn allen van goed ontwikkelde heupen voorzien. De tarsen bestaan allen uit vijf leden en alle leden zijn behaard. Het eerste en vijfde lid zijn langer dan de anderen; deze zijn on derling evenlang bij de voorpooten, of allengs korter wordende bij de middelste-en de achterpooten. De klauwtjes (fig. 43) zijn enkel voudig, d. w. z. niet ge-pleten. Tusschen hen komt op de onder zijde een staafvormig aanhangsel te voorschijn (arolium), dat aan den top twee lange borstels draagt (fig. 13, a). Van de voorpooten (fig. 10) is de dij op de geheele voorzijde kort behaard, terwijl de beide randen der onderzijde met borstel vormige haren bezet zijn. Hovendien bevinden zich nog vier bor stels op de bovenzijde, dicht bij den top der dij. De scheen is 342 Dr. L. Zehntiicr. Be Kontjong-kever even lang liJs de 'lij, plat, op de achterzijde een weinig uitgehold en op den buitenrand met zes tanden bezet, waarvan do eerste, tweede en vierde zeer klein, de overige echter zeer groot en stevig zijn. Op de voorzijde draagt de scheen twee overlangsche reeksen van haren en op do binnenzijde één reeks. De distale rand is van vier of vijl' borstels voorzien en aan zijn binnenhoek is een zeer sterke. beweegbare spoor ingehecht, die bij de geteekende poot door het gebruik sterk afgesleten is. De dij der middelste poolen (fig. 11) is op de voorzijde slechts van twee rijen van borstels voorzien, waarvan de eenc langs den boven-, de andere langs den benedenrand loopt. De scheen is korter dan de dij, niet plat, maar onduidelijk vierkant. Op de buitenzijde zijn in de hnvenstc helft twee horizon tale reeksen van borstels ingehecht, terwijl in het midden en op den distalcn rand korte, stevige doorntjes geplaatst zijn. Op de binnenzijde zijn de haren in twee overlangsche rijen gerangschikt en aan het uiteinde bevinden zich twee sporen, waarvan de ach terste dubbel zoo lang is als de voorste. De dij der achlerpooten (fig. \'ï) is op de voorzijde slechts van één reeks van haren voor zien en deze loopt langs den benedenrand. De scheen is ongeveer even lang als de dij en gelijkt veel op die van de middelste pooten, ook wat de beharing betreft. Alleen moet opgemerkt woeden, dat zich hier de borstelreeksen dor buitenzijde in schuine richting op de voorzijde voortzetten. De doorntjes in het midden der scheen zijn minder stevig en die langs den distalen rand talrijker dan bij de middelste pooten. Buitendien is de achterste spoor nog langer dan bij deze laatste. Lengte van het lichaam .... 14.50 m.M. Breedte ter hoogte van de schouders . . 8, — » L°ngte van den kop ..... 2,50 » Breedte » » » . . . . . H,75 » Lengte van het halsschild .... Sflo » Breedte » » » .... 7/-2S » Lengte van een dekschild .... 8,50 » Breedte » » » .... 5,'25 » Lengte der sprieten . 2, — » lil. De bestrijding. Over de bestrijding valt niet veel te zeggen. Het eenige middel is het ver-zamelen der kevers en wel doordat men hij de kwijnende spruiten zoekt en de beestjes er uithaalt. Dit werk kan door 343 Dr. L. Z'hmnor. De K-ntjoiij-kpver, vrouwen en kinderen verricht worden. Voor het verwijderen vanden grond, vooral wanneer deze vast is, kunnen spatels uit hamboe gebruikt worden, zooals dit op Kentjong, waar de be strijding niet succes doorgezet werd, geschiedde. Op genoemde fabriek werden in November en December door 20 vrouwen in het begin 4000 — 1400, later 500 — 000 dagelijks en in het geheel meer dan 40000 stuks gevangen. Men moet natuurlijk zorg dragen, de plaag zoo spoedig mogelijk op te merken, omdat dan de kevers nog niet veel kwaad gedaan hebben en men een uitbreiding der plaag aldus voorkomen kan. Ook is het voordeelig, wanneer de bestrijding in het riet, dat nog geen uitstoeling heeft kan plaats hebben, omdat in dit geval de aangetaste spruiten ge gemakkelijker kunnen gevonden worden dan wanneer het riet uitgestoeid en vele bladeren gevormd heeft. Buitendien heeft men in het eerste geval meer kans, dat men nog materiaal voor het vervangen der aangetaste plantjes ter beschikking heeft en daar nog niet of slechts weinig aangeiard is, behoeft men bij het zoeken der kevers minder diep te graven. Daar het schijnt, dat zich de kevers tot bepaalde plekken beperken (zie boven), moeten deze bij zonder in het oog gehouden worden. Lang nadat dit stukje geschreven was, kwam mij de ~Annual Report of the United States Department of Agriculture for the Year in de handen, die op blz. 230 en volg. een verslag bevat over een tor, die in Louisiana veel kwaad aan het riet deed. Het insect (Ligyrus rugiceps Le Conté) is in Amerika de ergste rietvijand. Naar een figuur, die zich loc. cit. op pi. Il van de „Report of the Entomologist" bevindt, te oprdeelen, lijkt de tor tamelijk veel ofeonzen Ileteronychus en ook de wijze van beschadiging vertoont bij beiden veel overeenkomst. Als het beste bestrijdingsmiddel werd ook in Amerika het vcr zame'en der torven aanbevolen. Tot mijn spijt heb ik een sinds 1880 gepubliceerde, gedetailleerde studie over den kever, zijn levensgeschiedenis en bestrijding I<>t nog toe niet kunnen verkrijgen. Dr. t>. Zohntner. De Kentjon^-kovir 344 11. YKRDERE WAARNEMINGEN OMTRENT DEN WaYYIIAN (Apogonia destructor Tl. Bos.) o o Sinds het verschijnen van mijn verhandeling over den wawalan (Mededeelingen van het Proefstation Oost-lava, N. S. No. 17) is deze rietvijand aan het Proefstation voortdurend in observatie ge bleven en ik heb intusschen cenige waarnemingen kunnen doen, welke mijn vroegere mededceling in verschillende opzichten aanvullen. Een en ander daarvan is reeds bij een andere gelegenheid medege deeld (Verslagen van het Proefstation Oost-Java over 1893 en '9G) en ik wensch dit thans met het overige samen te vatten. 1. Levenswijze kn Ontwikkeling n. Wat ik in mijn stukje over Apogonia destructor betreffende den rusttoestand der tonen gedurende den Oost-moesson gezegd heb, heeft zich in '94 en '9o geheel bevestigd. Kevers, die ik <>f in het laboratorium opgekweekt, of in het voorjaar in de vrije natuur verzameld had en die in April en Mei in den grond gekropen waren, kwamen einde October en in het begin van November weer te voorschijn. Zij waren dus 5 —6 maanden lang in den rusttoestand gebleven, zonder het minste voedsel tot zich te nemen. Na het ont waken heb ik de kevers nog twee maanden lang in het leven ge houden en daarna de proeven afgebroken, daar nu het bestaan van den rusttoestand voldoende bewezen was. b. Zooals men weet, kon ik bij mijne eerste kweekproeven in'94 geen merkbare beschadiging der netplanten constateeren. Ten einde dit onverwachte verschijnsel na 1c gaan, herhaalde ik in'Ws de proef, nu echter met de grootste potten, die mij ter beschikking stonden. Vier zulke potten, waarin riet van 1,5 M. hoogte groeide (zij waren op hetzelfde tijdstip beplant en het riet was vrij gelijk matig gegroeid), werden op 2 December tot aan den rand in de aarde begraven en twee daarvan met een aantal {.as gevangen ke vers bedeeld, terwijl de andere voor de controle dienen moesten. Om te verhinderen, dat de kevers 's nachts wegvlogen, werden de „Apogonia-potten" door gaas (klamboe) afgesloten. Als voedsel wer den de bladeren van Sesbania aegyptiaca Pers. (Kelor-wono) en Agathi grandiflora Dsv. (Toeri) gegeven. Nadat ik mij in den Loop van December herhaaldelijk over tuigd had, dat eieren gelegd en al spoedig jonge engerlingen in de bedoelde twee potten aanwezig waren, werd het gaas werwydepd en alle potten aan hun 10l overgelaten. Reeds in Januari '00 was een zeer duidelijk versehil tusschen de potten te constateeren ■ De netplanten der „Apogonia-potten" vertoonden een zeer geringen groei en des te moer de verschijnselen van watergebrek, ofschoon het in dien tijd ve.d regen Ic. De bladeren stonden rechtop, werden geel en van onderen waren veel nucr droge bladeren dan bij de planten der controle-potten. Op 20 Januari waren de controle planten -50 —GO c.M. hooger dan de Apogonia-pknten en de zijspruiten (anakans) dezer laatste gingen allen dood. Een tijd lang hadden de aangetaste planten zulk een slecht uiterlijk, dat ik geloofde, dat zij g-heel afsterven zouden. Dit gebeurde evenwel niet, maar zij groeiden bijna niet meer, terwijl de controle-planten nog maanden lang doorgroeiden. In elk geval was de schadelijke werking der wawalans zeer in het oog vallend, wat trouwens in de praktijk voldoende bekend is. In Februari weiden de A.pogonia-potten wederom met gaas afgesloten, ten einde te kunnen vaststellen, wanneer de eers'e der kevers, die zich in de potten ontwikkeld halden, tevoorschijn kwa men. Dit had op 1 Maart plaa's en toen ik op * Maart de potten onderzocht, vond ik behalve enkele kevers mei geelbruine, tot rood bruine deksebilden. vele poppen en volwassen engerlingen. Van deze hebben zich een aantal onder mijne oogen verpopt en ik kon dus uitmaken, dat de pop toestand 12—-13 dagen duurt. In mijn vröeg-re mededeeling had ik voor den poptoestand slechts o—B da gen aangenomen. Het. verschil is praktisch zonder belang. Ook door de proef van '95—'9ii is namelijk bewezen, dat, zich binnen drie maanden een generatie van A.pognnia destructor vormen kan: dus hetzelfde ivsultaat als in '9i—'os. De pop is geelachtig wit. maar reeds \ —s dagen voor het uit komen worden de oogen zwartachtig en 2—3 dagen later verkrijgen de kop, do thorax en de dekschilden een roodachtig gele kleur. De kever is pas na het uitkomen roodachtig geel, behalve de dekschilden, die ivoor-kleurig zijn. Ongeveer een dag na het uit komen hebben ook de dekschilden een roodachtig gele kleur en vervolgens worden de kevers licht roodbruin, daarna donker rood bruin en ten slotte zwart tot zwartviolet. z c c. Ofschoon zeker niemand er aan twijfelen zal, dat de wawa- 346 Dr. L. Zelintncr. Verdcn' waarnemingen omtrent denWawalan lans door het afvrcten dor rietwortels schadelijk zijn, is het moei lijk waar te nemen, want het feit, dat men de engerlingen bij het opgraven van den grond bij de rietwortels vindt, is geen strikt be wijs en zulke uitgegraven wawalans hebben veel te vc >1 haa4 om zich aan de ongewone verlichting te onttrekken door zich in de aaide te graven, dan dat zij rustig zouden doorvreten. Volledigheidshalve heb ik mij ook in d"ze richting bezig gehou den en ik heb de bedoelde vreterij kunnen vaststellen met behulp van den wigvormigon groeibak, die ik in Medcdeeling P. O. .1. N. S. No. 40 blz. 17 be-chreven heb. Ik kon dan ook herhaal delijk zien, hoe de engerlingen de jongste, witte wortels aan- en af vraten. Nu en dan werd een wortel over een uitgestrektheid van eenige centimeters geheel afgegeten, meestal echter volgen de en gerlingen de wortels niet. maar zetten haren tocht op de bekende onberekenbare wijze voort, alles stuk vretende, wat tusschen hunne stevige kaken terecht komt en niet al te hard is. 2. De Eieren Fig. 15. Over de eieren heb ik niets nieuws mede te deelen. Ik wensch hier alleen er aan te herinneren, dat deze afzonderlijk op bepaalde afstanden van elkaar in de vochtige aarde gelegd worden. Is de aarde niet al te vochtig, zoo gelukt het dikwijls, ovale of ronde, eenige c.M. lange aardkluitjes er uitte halen, welke vol eieren zitten. Zulk een aardkluitjc heb ik in fig. 15 geteekend (*) en wel zooals het zicb voordoet, als men het door midden breekt, I!ij a b bevinden zich eieren, die pas gelegd zijn. Ongeveer twee dagen later zien deze er uit als b, nog drie dagen later als c. Op dit tijdstip is de jonge larve zoover gevorderd, dat men haren vorm ongeveer herkennen kan en op de buikzijdc schemeren de brui nachtige bovenkiken door de eischaal been. De eieren bij d zijn op liet punt om engerlingen te leveren. Deze zijn nu in alle onderdeelente herkennen en de vlicsachtigc eischaal is slechts met een vergrootglas te zien, zóó dicht ligt zij aan het lichaam der larve. De eieren hebben dan ook niet meer den regelmatig ovalen vorm. Bij e eindelijk zijn de larven reeds uitgekomen. *) Deze figuur is zeer sleeht teruggegeven. De eieren hij a l> en c moesten een regel matigen, ovalen vorm hebben, die bij '1 moesten meer op jonge engerlingen gelijken dan op eieren, terwjjl t>ii e eenvoudig wawalans „on miniatnre" moesten geteekend zijn. [Zie Archief 18!U pi. I. tig- IJ ó o Dr. L. Zehntner. verdere waarnemingen omtrent den Wawalan 347 De figuur 15 is in zooverre niet juist, als men nooit of slechts bij uitzondering alle genoemde ontwikkelingstoestanden der eieren in één en hetzelfde aardkluitje zal vinden. Ik had eigenlijk en, zelfde aardkluitje op drie verschillende tijdstippen moeten teekenen. Eenvoudigheidshalve heb ik de drie bedoelde figuren tol éèn enkele vereenigd. 3. I.KSTMJDIN3. Ofschoon gedurende den Westmoesson 1895/9Ü aan het Proef station geregeld kevers verzameld werden, had de proeftuin in Februari '90 tamelijk veel van de wawalans te lijden en dit zal zou blijven, zoolang de bestrijding niet algemeen toegepast wordt. Ver volgens nam ik een reeks van proeven in het klein, teneinde na c o te gaan, of de wawalans in den grond konden vernietigd worden. Hierbij bleek het mij onder anderen, dat bij het onder water zetten de meeste engerlingen binnen 24—3ö uren stierven en dit z<>u dus als bestrijdingsmiddel te probeeren zijn. Ik vrees echter, dat zonder een paar toelichtingen niemand daartoe over te halen zoude zijn, want in het algemeen neemt men waar, dat juist de lage tuinen o o meer van de wawalans te lijden hebben dan de hoogc en daaruit o b is de conclusie getrokken, dat in de eerste meer wawalans aanwe zig moeten zijn, dan in de laatste. Deze redeneering schijnt bij den O O eersten oogopslag juist te zijn, omdat gedurende de wawalan plaag de natte tuinen inderdaad slechter staat) dan de iets hooger O O gelegene. Zoekt men echter in de eerste naar wawalans, zoo zal men er bijna geen of zeker minder vinden dan in de laatste qn daar dit in tegenspraak is met de zooeven aangehaalde redeneering, werd verder aangenomen, dat zich de engerlingen bij groote vochtigheid in de diepte terugtrekken. Deze verklaring is nu ondersuikerplan ters vrij algemeen aangenomen ; volgens waarnemingen in den proeftuin van '95—'96 gedaan, is zij echter niet juist. In Februari '90 stond namelijk het laagste gedeelte van onzen proeftuin herhaaldelijk onder water en toen ik wawalans zucht, wer den er veel minder gevonden dan in liet hoogere gedeelte van den o c tuin. Ook hadden de wawalans zich niet in de diepte, teruggetrokken: integendeel, dair waar er in het overstroomde gedeelte engerlingen gevonden werden, lagen deze op 'ie plekjes, die juisl ïmg boven het water uitstaken, zoo.ils trouwens te verwachten was. Na het on derloopen ging het riet in den proeftuin goed vooruit en weldra was niets meer van de wawalansehade te merken. Een fabneks- 348 Dr. L. Zehntncr. Verdere waarnemingen omtrent den Wawulan tuin echter, die ongeveer even sterk aangetast was en eveneens een paar maal onder water stond, werd hoe langer hoe minder, hoewel <Kv.c in het begin goed geslaagd was. Hei verschil kwam klaar blijkelijk daarvan, dat in den proeftuin de goten sterk uitgediept werden, waardoor liet water wegstroomen eö deluchl in den grond binnendringen kun. Het, gevolg daarvan was, dat de vorming v.m nieuwe wortels spoedig en \rlug plaats liad. zoodal bet riet weder bijkwam. In genoemden fabriekstuin echter werden de goten om de een Óf andere reden niet uitgediept, het water bleet' in den grond en belemmeide den groei van het riet misschien erger dan de vrëtérij der wawalans. Naar aanleiding hiervan hebben dus de lage tuinen van de O O wawalans meer te lijden dan de hooge, omdat zich bij de eerste behalve de beschadiging der engerlingen nog de gevolgen der over groote vochtigheid doen gelden (toeslibben van den grond) en wan neer men in de lage tuin minder engerlingen vindt dan in de 1 ge, zöb komt dit niet, omdat zij zich in de diepte teruggetrokken hebben, maar omdat er tengevolge van de natheid vele dood gegaan zijn. Natuurlijk hadden zij op dit tijdstip het riet al beschadigd. Ik ineen dus te moeten aanraden, bij de tuinen die door wawalans zijn aangetast, op een bijzonder goede draineering te letten en waar de omstandigheden gunstig er voor zijn. zoude bij wijze van proef de draineering door een herhaaldelijk onder water zetten gedurende 24 — 3(5 uren moeten worden voorafgegaan. Zoodoende zou men eenerzijds de wawalans bestrijden en tevens de gevolgen der beschadiging zoo mogelijk elimineeren. Het onder water zetten der riettuinen is reeds dooi' den Heer O O Kobus als bestrijdingsmiddel van de wawalans toegepast (Archief 1594, blz. 8), echter net met het gewéhschte succes. Men kon namelijk de bedoelde tuinen niet geheel doen onder loopen, het water stond alleen in de geulen tusschen de plantrijen en de engerlingen trokken zich eenvoudig naar de aardruggen, waar de rietstengels uitstaken, terug. Hier zouden zij tengevolge van de natheid op den duur zeker dood gegaan zijn, maarzij hiel den het langer vol dan liet riet. Wil men dus proeven met het overstroomen nemen, zou is,.en eerste vereischte, dat het water den grond geheel bedekt. Natuurlijke Vijanden . a. Bolrijlis Spcc. In December '95 trad in de bloempotten, waarin ik kevers 349 o o Dr. L. Z«hntner. Ve'dere waarncmiiiirpii <>intri'iit ÈMS \V;iw>il;in pevangen hield teneinde eieren te verkrijgen, spontaan een schimmel epidemie op, tengevolge waarvan vele kevers Stierven. De aangetaste individuen vertoonden eerst uiterlijk niets van een schimmel. Dat /.ij echter ecu ziekte hadden, bleek reeds daaruit, dat zij zeertraag waren. Vele kwamen 'savonds niet meer te voorschijn ttva voedsel tot zich te nemen, terwijl andere niet de kracht badden <>m in de aarde te kruipen en dus hoven op hieven liggen. Aan deze kon ik dan constateeren, dat na een paar dagen langs den achterrand van het halsschild een uit mycelium te voorschijn kwam. Daarna ver toonde zich de schimmel ook langs de randen van den kop en de dekschilden en spoedig was het geheele lichaam in een zuiver wit. vilt van schimmeldraden gehuld, waaraan na kor ter en ol langeren tijd dikwijls sporenvorming waar te nemen was. Het bleek, dat wij met een Botrytis-soort te doen hadden, die vermoedelijk identiek is met Rotrytis tenella; met zekerheid kan dit alleen uitgemaakt worden door infectie-proeven op insecten uil Europa. Ofschoon ik mij tengevolge van de negatieve resultaten, met Botrytis tenella in Europa en Op .lava verkregen '), geen illusie maakte over de waarde van onze Botrytis voor de bestrijding van de wawalans, heb ik toch eenige infectie-proeven genomen, omdat met dit endemische ras misschien eerder resultaten te verkrijgen zonden zijn, dan met sporen uit Europa -j-). In een bloempot waarin zich aardeeneen aantal kevers, die door de Rotrytis gedood waren, bevonden, bracht ik op '24 December '95 pas gevangen kevers, dekte de potten met een glazen klok toe en hield de aarde vochtig. De doode kevers die geheel met den schimmel bedekt waren, lagen 3—ö cM. diep onder den grond en toen de levende kevers, na 'savonds voedsel tot zich genomen te hebben, weder in den grond kropen, kwamen zij in aanraking met de sporen. In de eerste week van Januari '96 kwamen de kevers in den ge'infecteerden pot niet meer te voorschijn en op 10 Januari lag er één op de oppervlakte. Op 11 Januari weid de schimmel langs den achterrand van het hilsschild zichtbaar en op 14 Januari kwamen de schimmeldradfn over den geheelen omtrek van het ) Men ïie dienaangaande: Dr. J. H. Wakkkr de Bestrijding der keverlarven door Bo trytis tenel'a; Mededeelingen van hetProefstation Cost Java, N. S. No. IC; leider J.D. Kobis, l'ijdiag>-n tot de kennis der Rietvijanden. I Aposonia destructor 11. Dos, Anhief 1894 bldz.lo-15. f) Giard, de bekende schrfl»er over Uotrytis tenella heeft b. v. gevondeD, dat het Aroerikannsche Sporotrichum globuliferum in Frankrjjk minder geschikt is dan B. tenellii en volgens Forkes voldeed deze laatste in Amerika minder goed dan Sporotrichum globuliferum. [Zie Giard. L'lsaria densu, blz. 71.] 350 Dr. L. Zehnti.er. Verdere waarnemingen omtrent den Wawalan lichaam te voorschijn. Toen ik de pol ledigde, bleek bet. dat geen enkele tor meer in het leven was: de meeste waren door de schim mel ged i, terwijl in den contróle-pot alle kevers in het leven waren. De proef werd nog eenige malen herhaald, altijd met het zelfde resultaat. Op 7 Februari daaropvolgende werd een tweede reeks van proe ven genomen, nu echter engerlingen, dieongeveer volwassen waren, in de potten gebracht. Deze werden op dezelfde wijze geïnfecteerd als boven, op 25 Februari werden de potten geledigd. In den eersten vond ik drie engerlingen en een pas gevormde pop terug (-0%): één der engerlingen was gemummificeerd. Inden tweeden pot werden 5 engerlingen teruggevonden (-20%), waarvan drie ge mummificeerd. De twee overige waren eveneens geïnfecteerd en veranderden tot 3 Maart in mummies. In den controle-pol vond ik . r )i)% t\<~r engerlingen terug en deze verpopten zich in hel ver volg allen. Dus ook de engerlingen kunnen mei onze Botiytjs gedood worden en misschien nog gemakkelijker en vlugger dan de kevers. Want het feit, dat in de geïnfecteerde potten veel minder enger lingen teruggevonden werden dun inden contróle-pot, schijnt er .voor te spreken, dat in de eerste reeds engerlingen door de schimmel waren gedood, voordat ik de potten onderzocht. Dat ik deze enger lingen niet teruggevonden heb. laat zich misschien daardoor ver klaren, dat tic mummies na ecnigen tijd bros worden en liet kun dus gebéuren, dat zij bij het doorzoeken der potten verbrijzeld werden, Inderdaad waren die, welke ik vond. nog week en buig zaam: pas na een paar dag»-n werden zij hard. droog en bros. In weerwil dezer geslaagde infectie-proeven is echter aan een bestrijding der wawalans door onze Botrytis niet te denken. Het is hier misschien de plaats, zich nog eens voor den geest te roepen, hoe zich de voorstanders der bestrijding dei'engerlingen door Botrytis tenella de toepassing in het groot denken. Volgens (JiAim *) gaa.l men liet best uit van mummies, die zich in bet maximum der sporenvonning bevinden. Deze worden in den grond gebracht en vormen nu de brandpunten van besmetting. Door de grondbe werking, den regen en den wind, worden de sporen en daarmede de ziekte hoe langer hoe meer verspreid. Daarna zouden dan—altijd volgens (iiAßn—in het veld geheelc lagen van gemummificeerde engerlingen ontstaan, de schimmel zon onder den grond sporen *) 1. o. bldz. 77 en volgende Dr. ti. Zehntner Verdere waarnemingen omtrent ilen Wawalan 351 moeten vormen eo daardoor de bedoelde lagen geheel in smetstof veranderen, mei dien verstande, dat de aarde z lanig van sporen voorzien zon zijn, om deze voor infecties in andere streken te kun nen gebruiken. Gurd voorziet zelfs een exploitatie dier ~gise«ients" door den bande! en bij beweert, dal zijn voorspelling op verschil lende plaatsen werkelijk uitgekomen is. Het is maar zonderling, dat ondanks dil alles de engerlingen of meikever-kwestie in ECuropa hare actualiteit bewaard heeft, daar oen merkbare vermindering iler bedoelde in ecten in de laatste jaren niet opgemerkt kan worden. Wairaan dit ligt, is reeds door Dr. Wakker uiteengezet *) en alle bezwaren door dezen schrijver voor Botrytis tenella aangehaald, gelden ook voor onze Botrytis. In de volgende redeneering dienaangaande laat ik mij geheel door hel denkbeeld van Dr. Wakker leiden: De voorstanders der insecten-bestrijding door parasitisehe schim mels zijn van de veronderstelling uitgegaan, dat de besmetting in de vrije natuur zeer gemakkelijk zon plaats vinden. Het schijnt dat zij gelooven, dat elke engerling die sporen op zijn lichaam krijgt door de schimmel zal gedood wolden en op zijne henrt een groote hoeveelheid van sporen voortbrengen zal. Op deze wijze zen binnen korten tijd de smetstof een verbazende verspreiding kunnen krijgen en overal den dood in de rij-n der engerlingen br-ng-m. Afgezien daarvan, dat de sporenvorming onder do aarde eerder uitzondering dan regel zal zijn, leert de ervaring, dat een infectie door sporen onder gewone omstandigheden zeer zelden succes heeft, de groote hoeveelheid van kiemen in aanmerking genomen. Buiten dien hangt het succes eener infectie door sporen af van de omstan digheid, of de voorbeschiktheid voor de ziekte in het organisme van het geïnfecteerde individu voorhanden is of niet. I!ij planten hebben wel is waar infecties door parasitische schimmels dikwijls succes, in vele gevallen zelfs regelmatig. Maar planten kunnen ook door de schimmeldraden direct aangetast wor den, doordat dec in of op het pi anten weefsel gaan groeien. Bit is bij levende dieren onmogelijk, vooral bij engerlingen, die voort durend in beweging zijn -j-). (laan wij nu over tot onze infectie-proeven, zoo kan er geen twijfel bestaan, of de omstandigheden voor het slagen t\cv infectie *) 1. c. blz. 4—7. f) Voor poppen is een infectie langs de/.en weg niet buitengesloten. Tocb is ook hier de kans klein, daar onze Kotrvtis een z«er geringen groei heeft; het myeelium groeit zelden ve.der door d« aarde heen dan 1,5 — 2 c.M. Ik heb dan ook nog geen gemummificeerde pop gevonden. 352 Tr. L. Zi'bntnrr. Verdere waarnemingen omtrent den W^Twalan waren zeer vbordeelig. Reeds door het leven in gevangenschap, waar er ecu betrekkelijk groot aantal in non kleine ruimte bij elkaar waren, zullen de torren voor ziekten, van welken aard ook meer vatbaar wordeA. I taaibij komt, dat de kevers telkens en telkens weder met de sparee van de schimmel in aanraking' moesten ko men en het zou volkomen onmogelijk zijn, ook maar één ricttuin in dezelfde verhouding van smetstof te voorzien, als dit bij onze proeven het geval was. Voor de engerlingen zijn de gevolgen van de gevangenschap minder gewichtig, behalve dat ook zij hij onze proeven meer met de schimmel in aanraking kwamen, als in de vrije natuur het geval zijn zou. Ondanks de gunstige omstandigheden gaan de geïnfecteerde kevers of engerlingen pas na ongeveer 15 dagen dood. Dit is veel te langzaam ! Bij mijn proeven toch hadden de kevers tijd genoeg om zich te vefpoppèn, evenals in de controle-potten. Maar er is nog een veel gi'ooter bezwaar. Verondersteld dat het mogelijk zou zijn voldoende smetstof in den grond te brengen, deze zou dooi 1 een kunstmatig kweeken moeten verkregen wolden en nu is het gebleken, dat de schimmel hierbij zijne insectcn-doodende eigenschappen niet schijnt te bewaren "). Toen ik namelijk analoge proeven als de aangehaalde met een cultuur der schimmel op aard appelen nam, hadden deze een negatief resultaat: geen enkele tor noch engerling werd aangetast. Tegenover deze bezwaren moet daarentegen toegegeven worden, dat de schimmel of hare sporen een groote levenskracht bezitten, lïij kevers, die in Maart '96 door de schimmel gedood waren en die ik gedurende den geheclen Oost-moesson luchtdroog bewaarde, groeide de schimmel dadelijk door, toen ik de kevers in een voch tige ruimte bracht. Interessant is ook, dat in December '96 de schimmel in het laboratorium dadelijk optrad, toen ik weder kevers in gevangenschap hield, ofschoon ik trachtte, een nieuwe epidemie te voorkomen. Eindelijk nog het volgende: kevers die in Juli '96 op een fa briek in Sidho-Ardjo gevlogen hadden en die ik in gevangenschap hield, waren in November allen dood. Het bleek dat enkele met de Botrytis bedekt waren; terwijl andere een natuurlijken dood gestor ven waren. Weder andere vertoonden wel is waar ook geen schim- *) Ook voor Botryiis tenellu is dit in do vijfde of zesde generatie der cultures het ee vul. Wakker, 1. c. blz. 7. 6 353 ï)r. L. Zehntner, Ver&tre waarnemingen omtreiit don Wawalan mei, evenals de laatstgenoemde; zij waren echter veel zwaarder, braken niet in tweeën en hun lichaam was niet liul zooals bij deze. Toen ik de bedoelde kevers in een vochtige ruimte brachjtj werden zij binnen korten tijd geheel door het mycelium der Botfytis bedekt. De kevers waren vermoedelijk reeds in .luli aangetast. Hij en kele kon zieli de schimmel ontwikkelen, daar de-'aarde, waarin zij zicb bevonden in hel begin vochtig gehouden werd. 1 ïij de andere, waai' de infectie minder ver gevorderd was, werd de schimmel uit wendig niet zichtbaar, daar' deze door de s[ lig intredende droogte in den belemmerd werd. Daar ik nn in een afgesneden riet veld der bedoelde fabriek in Juli een kever vond, die dooi' Botrvtis ged I was, is de mogelijkheid niet buitengesloten, dat de toen vliegende kevers reeds besmet waren, toen ik ze ontving en dat ook op de bedoelde fabriek onder de kevers een Botrytis-epidemie optrad gelijk onder de mijne, voor zoover de omstandigheden hier voor gunstig waren. Een andere kwestie is het, of zulke epidemieën ooit een merkbare vermindering van Apogonia destructor of van de engerlingen kunnen veroorzaken. b. Masicera Ppcc? Fig. 16—19. In de tweede plaats nam ik de larve van een vlieg als parasiel van Apogonia destructor waar. Deze vlieg mag niet verward wor den met de soorten waarvan de larven optreden wanneer men doode kevers laat liggen en die dus geen parasieten zijn. De soort, die ons bezighoudt, tast de levende kevers aan en de larven veroorzaken door haar vreterij den dood van deze. De aangetaste kevers gedragen zich ongeveer als die, welke door de Botrvtis geïnfecteerd zijn, zij worden zeer traag en blij ven ten slotte uitgeput op de aarde liggen of zij komen niet meer te voorschijn. Als men zulke kevers ontleedt, dan ziet men, dat alle ingewanden verdwenen zijn en op hun plaats vindt men een vlie genlarve, welke het geheele achterlijf vult. In enkele gevallen was reeds de pop gevormd. De wijze van infectie heb ik niet kunnen nagaan. Zonder twijfel legt de vlieg liaar eieren op de buitenzijde der kevers, ver moedelijk op het achterlijf. Terwijl nu echter bij de rupsen de uitkomende vliegenlarven eenvoudig door de dunne huid heen naar binnen dringen, zal dit bij de kevers met hun stevige chitine-rin geü minder goed gelukken, behalve misschien in het geval, dat de 354 o e Dr. Ij. Zflintnor. Ver-We wnani min<rra omtrent dun VVawalan parasiet do dunne huid tusschen de afzonderlijke ringen voor het indringen kiest. Het komt mij echter waarschijnlijker voor, dat deze voor den anus indringt. De larve (fig. 16) is zeer dik en betrekkelijk kort, naar voren toe een weinig versmald en aan het achtereinde afgeknot. De huid is zeer fijn gekorreld, maar dit is slechts met een sterk vergroot glas te zien. De kleur is gelijkmatig geel, behalve de mondwerk tuigen en twee niervormige chitineplaten op het afgeknotte achtereinde van het lichaam, welke zwart zijn. Lengte der volwassen larve 7 m.M. Het puparium is donker-roodbruin en vertoont natuurlijk dezelfde sculptuur als de larve. De verpnpping heeft in het ach terlijf van den kever plaats '). nadat deze door de larve geheel leeggevreten is. Men zal nu misschien vragen, hoede vlieg er in slaagt om hij het uitkomen het chitine-pantscr van den kever te verlaten. Dit wordt zeer vergemakkelijkt door de omstandigheid, fiat bij doode kevers het achterlijf spoedig van den thorax losraakt, waardooi' aan zijn vooreinde een groote opening ontstaat en nu is hij onze Masicera de larve zoowel als het puparium altijd op de zelfde wijze georiënteerd als de Apogonia. De lengte van het puparium bedraagt 5,5 m.M., de breedte 3,5 m.M. liet volkomen insect. Wijfje, (fig. 17). De verdeeling der kleur van de vlieg is tamelijk gecompliceerd, vooral op den kop. De oogen zijn donker-steenrood ; de kruin is in het midden fluwecJ achtig zwart of zeer donker-roodbruin. De bijoogen zijn roodbruin en worden door een streepje, dat dezelfde kleur en den vorm van een halve ellips heeft, omgeven. De oogen worden omzoomd door een blauwachtig-grijs streepje, dat langs den achterrand van den kop zeer smal is, langs den binnenrand der oogen allengs breedcr wordt, op het aangezicht echter een constante breedte heeft, (lier is het gedeelte tusschen de bedoelde streepjes of m. a. w. de voort zetting der fluweelachtig-zwarte kruin (ook frontaalstreep gehecten) geelbruin en deze kleur vindt men ook langs den mondrand. Het groefje, waarin de sprieten in den rusttoestand opgeborgen worden en de wangen beneden de oogen zijn roodbruin. De mondwerktuigen zijn geel. De thorax is van boven leikleurig, van onderen meer donker-bruingeel en de schouders hebben van boven ook deze kleur. •J De vliejenlarvon, welk) in rupsea parasiteeren, varlatea dese wanneer zij vóór de rups volwassen zijn en verpoppen zich in de aarde; in hst tegenove-geatilde geyal verpoppeu zfl zi.ih in de vlinderpop. 355 © o Pr. L. Zehntner. Verdere waarnemingen omtrent den Wawalan Het seutellum is aan de basis bruin en langs den rand geel. Hel achterlijf is van beneden gelijkmatig bruin-oranje. Van boven is het eerste segment kastanje-bruin, het tweede iets lichter en de twee laatsti'ii hebben dezelfde kleur als de benedenzijde. Een don kerbruine overlangsche streep loopt over het midden der drie laatste segmenten. De poolen zijn donker-geelbruin; tengevolge van de dichte beharing schijnen zij zwart. De sprieten zijn geelbruin, hare punt en de borstel zwart. De vleugels zijn doorzichtig, aan de basis en langs <\cn costaalrand (in hot gebied der vier eerste over langsche aderen) lichtgeel, liet overige gedeelte grijsachtig. liet schubbctje cu bet kol fje zijn lichtgeel. In tig. 17 is do gele kleur der vleugels veel te intensief. Overigens valt nog op te merken: De kop is meer dan dubbel zoo breed als lang, even breed als de thorax, aan de basis recht af geknot (lig. 17 en IS) en tusschen de oogen een weinig convex. De achterrind van den kopis bezet met. een krans van korte, zwarte haren en op het blauwachtig grijze streepje langs den binnenrand der oogen zijn 9 zwarte borstels Lngehecht, die gedeeltelijk naar achteren en mar binnen, gedeelte lijk naar voren gebogen zijn. (Vergel.fig. IS en 19). Daartusschen bevinden zich een aantal zeer kleine htartjes. Een tiende borstel is vóór elk der achterste bijoogen geplaatst. Beschouwt men den kop van voren (lig. 19) zoo ziet men, dit zich de frontaal streep naar beneden allengs verbreedt, om zich na ir den in mdrand toe wederom te versmallen. De binnenrand der negen is recht en hij loopt een weinig schuin naar buiten.. Langs den rand der frontaalstreep, beginnende op de hoogte van de borstel van de spriet (fig. 19) verloopt een reeks van borstels, waarvan de 5 bovenste klein, de i benedenste daarentegen lang en stevig zgn. Dergelijke borstels zijn in een groefje ter weerszijden vanden mond rand en op den benedenrand van den kop ingebccht. Keu gedeelte der wangen echter is van kleinere baren voorzien. De thorax is het breedst langs den voorrand, die recht is. De zijranden zijn tamelijk regelmatig gebogen, liet pronotum is, als men bet insect van boven beschouwt, slechts aan de schouders zichtbaar, liet mesonotum is door een dwarsche, ingedrukte lijn in tweeën gedeeld en wel is het achterste gedeelte bijna dubbel zoo lang als het voorste. Dit laatste heeft buiten de acrostichaal-boratels, het eerste buiten de dorsocentraal-borstels, een weinig diepe ovcr langsche deuk. Het seutellum is balt' cirkelvormig en aan de basis 356 3 C Dr. L. Zehnfner. Verdere omtrent don Wawalan nog niet huif zoo breed als het. mesonotum in bet midden. De macrochaetae van den thorax zijn als volgt verdeeld: Kütneraal-borstels 4 waarvan! op den voorrand, drie op de schijf. acrostichaal- » 7 dorsoeentraal- » 7 posthumeraal- » 1 praesuturaal- n \ notopleuraal- » '2 intra-alaar- » 5 waarvan lop bet voorste gedeelte van liet mesonotum. supra- » » 3 fiust- » » 3 waarvan de eene veel grooter dan de andere, scutellaar- » 10 » 2 op de schijf, de overige langs den aebterrand. 2 stern o-pleuraa l-i 1 hypo- » » 7 waarvan 6 langs den achten and. 1 buiten op den voorrand. Met abdomen is eivormig en bestaat uit vier zichtbare ringen. De buikplaten (sternites) worden van onderen geheel door de rugplaten (tergites) bedekt, of bijna. Alle segmenten zijn van tal rijke stevige, zwarte horstels voorzien, die gelijkmatig over het achter lijf ver leeli zijn. Daarbij komen nog een aantal grootere borstels (macrochaetae) en wel 1 ter weerszijden van het eerste segment,4 ter weerszijden en twee op de rugzijde van het tweede segment, liet derde segment is over den geheelen achterland vangrootebor stels voorzien; toch worden deze op de benedenzijde allengs korter. Van hoven zijn er acht zichtbaar. Met vierde segment is op de buikzijde duidelijk gespleten, d. w. z. zijn randen laten tusschen elkaar een spleetv rmige opening, waartusschen vier kleine buik platen, die allen langs hun achterrand van stevige borstels voorzien zijn, te voorschijn komen. De groote horstels van het vierdesegmenl zijn in twee rijen gerangschikt en wel verloopt de eene langs den achterrand en deze loopt beneden langs de spleetvormige opening door. Da andere loopt ongeveer in het midden tusschen achter- en voorrand; zij houdt ter weer zijden op. Van boven zijn van alle deze borstels ongeveer 10 zichtbaar. De sprieten (fig. 18 en 19) zijn op de hoogte v.mhet midden der oogen ingehecht of iets hooger. De twee eerste leden zijn geelbruin. liet eerste lid is het kortste; het tweede is dubbel zoo lang als het 357 o o Dr. L. Zelintner. Verdere waarnemingen omtrent den Wawalan eerste en op de bovenzijde met korte, stevige, zwarte borstels bezet. Het derde lid is langer dan de twee eerste te zamen, een weinig gebogen, aan de basis geel-bruïn, van af de inbeelding van de borstel zwart. Deze laatste is zwart, onbehaard en langer dan het derde lid. De poolen zijn tamelijk stevig gebouwd en het derde paai' is iets sterker dan de overige. Behalve de talrijke zwarte haren, waar door zij geheel bedekt zijn, vertoonen zij nog langere borstels en wel op de boven- en op de benedenzode der dijen en op de geheele buitenzijde der scheenen. Op de binnenzijde der laatste zijn deze borstels minder talrijk en slechts op het distale gedeelte voorhan den. De tarsen bestaan uit 5 leden, waarvan het eerste zoo lang is als de volgende te zamen. De lengte der tarsen bedraagt twee derde van die der scheenen. De vleugels zijn iets korter dan het lichaam. De vierde ovcr langsche ader loopt iets voor de punt van den vleugel in den cos taalrand uit, dicht bij de derde; toch is de eerste achterrand-cel niet gesloten. (Zieden linkervleugel. Op den rechtervleugel is het verloop der bedoelde ader door den lithograaf foutief geteekend). De gewone dwar.-ader ligt vóór het midden der discoidaal-cel en de achterste dwarsader is zeer weinig S-vormig gebogen. Dit is ook het geval met het gebogen uiteinde der vierde overlangsche ader. Mannetje: De kleur is over het algemeen iets lichter dan bij het wijfje. Het voorste gedeelte vxn het mesonotum vertoont ter weerszijden een donkere, bijna zwarte vlek. Deze kleur vindt men ook op het achterste gedeelte van het mesonotum en wel vlak achter de dwarse, ingedrukte lijn. Hetseutellum is donkerbruin; de vier mediane borstels van den achterrand zijn langer dan bij liet wijfje. De kop is breeder en korter en de afstand tusschen de binnen randen der oogen is op de kruin slechts half zoo groot als bij liet wijfje. Het abdomen is lang peervormig en gelijkmatig oranje. De macrochaetae zijn als volgt gerangschikt: drie ter weerszijden en twee op de rugzijde van het eer.-te segment, één ter weerszijden en twee p:iren op de rugzijde van het tweede en derde segment. Het vierde segment is op de buik zijde bruin en geheel gesloten d.w.z. de randen raken elkaar en er is geen spleet, waartusschen de overige segmenten van het achterlijf zichtbaar zijn. Op de rugzijde draagt het twee dwarse reeksen van groote borstels, waarvan de eene ongeveer op het midden, de andere langs den achterrand verloopt. De eerste bestaat uit 8, de laatste uit 10—12 boistels. 358 Dr. L. Zelmtner. Verdere waarnemingen omtrent den Wawalan Lengte van het lichaam: wijfje 7, — di.M.; mannetje 8, — m.M. Lengte van ilcn vleugel . » 6,25 » » 6,75 i Vlucht > 16,— » » 17.— » In verreweg de meeste gevallen parasiteerea de vliegen, behoo rende tot bot geslacht Masicera en verwanten (Tachinidae) in rupsen en zij worden daarom dikwijls kortweg „rupsenvliegen" genoemd. Maar ook de vlinderpoppen worden niet zelden door deze vliegen aangetast en in den laatsten tijd zijn verscheidene gevallen bekend geworden waar Tachiniden in vlies vleugel ige, rechtvleugelige en scbildvleugelige insecten of in hunne larven parasiteerden. Sommige soorten van deze vliegen parasiteeren zelf bij twee of drie velschillende insecten-orden ') en het is best mogelijk:, dat dit ook bij onze Masicera het geval is en dat zij in den regel rupsen aantast. Zeker is het, dat zij zeer zeldzaam op Apogonia destructor gevon den wordt en dat zij dus voor een vernietiging van dezen rietvij and van geen belang is. Ik heb binnen twee jaren slechts drie of vier gevallen gevonden, waar Apogonia door onze Masicera gedood weid, ofschoon ik honderden van deze kevers in observatie had. Verklaring van Plaat VIII Figuur I—l4. Figuur 1. Het benedenste gedeelte vaneen spruit van Louzier riet; bij a door den Kentjong-kever aangetast. Natuurlijke grootte. Figuur 2. De kever, van de rugzijdc gezien. Natuurlijke grootte. Figuur 3. Linker dekschild, van boven gezien. Vergrooting 3. Figuur 4. Kever, van achteren gezien. Vergrooting 3. Figuur 5. De kop en de voonand, van boven gezien. Vergroo ting 5.— md bovenkaak.-— mxi laster van de onderkaak. sp. spriet.- o oog. Figuur 6. Linker bovenkaak, van boven gezien. Vergrooting 10.— o, b. c, de drie uitsteeksels, die ook in figuur 5 zichtbaar zijn (md). Figuur 7. Linker bovenkaak, van binnen gezien. Vergrooting 10.— a, b, c, de drie uitsteeksels als in figuur o.— k chitinc plaat voor het fijn wrijven van het voedsel (maaltoestel). Figuur 8. Linker onderkaak, van de onderzijde gezien. Ver grooting 10. '; Zoo Trichólga bomhyi-is Bocher in schubvleujelijren en in reclitvleugeligen; Phorocera doryphorae Riley in scnubvleugelisjen en in schildvleu.gi'ligen; Eiqihuroceru claripennti Miicq. in schubvleugoligen, sehildvleugeligen on vliesvloujeligen. o o Dr. L. Zehntner. Verdere waarnemingen omtrent den Wawalan 359 Figuur 9. Onderlip, van de onderzijde gezien. Vergrooting 10. Figuur 10. Linker voorpoot, van de voorzijde gezien. Ver grooting 5. Figuur 11. Linker middenpoot. van de voorzijde gezien. Ver grooting 5. Figuur 12. Linker achterpoot, van de voorzijde gezien. Ver grooting 5. Figuur 13. De klauwtjes van de voorpoot. Vergrooting 22. a een staalvoimig aanhangsel (arolium). Figuur 14. Linker spriet van de bovenzijde gezien. Ver grooting 22. Figuur 15. Ajiogonia destructor 11. Ros. De figuur, hoewel zeer slecht gereproduceerd, geeft een denkbeeld van een aatdkluitje, dat vol Apogonia-eieren en door midden ge broken is. a. Eieren, kort nadat zij gelegd waren. b. » , ongeveer twee dagen nadat zij gelegd waren. c. » , » vijf » » » » » d. » , kort voor het uitkomen der engerlingen. e. Pas uitgekomen engerlingen. Figuur 10—19. Masicera Spec? parasitische vlieg in Apogonia destructor. Figuur 10. De larve, van terzijde gezien. Vergrooting 5. Figuur 17. De vrouwelijke vlieg, van terzijde gezien. Ver grooting 5. Figuur 18. De kop van de vrouwelijke vlieg, van terzijde ge zien. Vergrooting 12. Figuur 19. Idem, van de voorzijde gezien. Vergrooting 12. LETTERLIJKE VERTALINGEN HET VOORNAAMSTE AMIDE VAN HET SUIKERRIET. door EJMUNU 0. SIIOKEY /Journal of the American Chemical Society XIX 881J. Het is nu reeds meer dan veertig jaar geleden, dat Lawes en Gilbert aantoonden, dat een deel der stikstof van de planten, die tot veevoeder dienen, in den vorm van amidc voorkomt. Sedert 360 Dr. L. Zehntncr. Verdere waarnemingen omtrent den Wawalan   Akciiief voor DE Java-Suikerinhustrie 189.5. AM No. 8. Plaat Vtll  dien tijd zijn er vele analyse-methodes gepubliceerd met het doel de verschillende vormen, waaronder de stikstof in de planten voor komt te bepalen en dien tengevolge zijn er ook reeksen van analyse cijfers bekend geworden, zoodat het nu algemeen door de scheikun digen aangenomen is, dat in alle planten, ten minste gedurende het tijdperk van hun groei, een deel der stikstof als amide aanwezig is, E. Shulze, die meer dan eenig ander onderzoeker medegewerkt heeft aan de vergrooting onzer kennis der vormen, waarin de stikstof in de planten voorkomt, vond, dat de hoeveelheid amide voor de verschillende planten verschilt en ook afwisselt met den leeftijd en den toestand der plant. In het jaar 18i>'2 bepaalde ik het gezamenlijke on het eiwit stikstofgehalte van een aantal monsters suikerriet en bevond, dat het laatstgenoemde ongeveer 90% van de geheele hoeveelheid stik stof uitmaakte. Analyses, die later van eene andere rietsoort ge maakt zijn, welke nog niet rijp was, toonden aan, dat de hoeveelheid stikstof in een anderen vorm dan als eiwit, soms zelfs tot van de totale hoeveelheid kan stijgen. Hierbij werd de eiwitstikstof be paald door precipitatie met koperhydroxyde, terwijl er goed voor gezorgd werd, dat er geene eiwitstoffen konden ontleed worden. Bij deze gelegenheid werden er »eene pogingen aangewend om den aard der andere stikstofhoudendc stoffen na te gaan. In Januari 18U4 las de Heer \V. Maxwell in eene vergadering der „Louisiana Sugar Planter's Association" een artikel voor over „organische nict-suikerstoffen in rietsap", waarvan de inhoud later als een Bulletin van het Louisiana Proefstation verscheen. In dat artikel werd de aandacht gevestigd op het boven gemelde feit, dat in alle planten op een zeker tijdstip een deel der stikstof als amide voorkomt. Na een aantal analyses van rietsap te hebben aangehaald, waar het verschil tusschen de totale en de eiwitstikstof als amid stikstof wordt opgegeven, verklaart Maxwell, dat het amide uit rietsap asparaginc is, dat hij in kristalvorm daaruit verkregen heeft. Hij gaf evenwel geene physische of chemische eigenschappen dezer kristallen aan noch ecnige inlichting over de wijze, waarop hij die als asparagine identificeerde. Eenige maanden na die publicatie ontstond er in het „Bulletin de I'Association des Chimistes de Sucrerie" eene discussie tusschen 11. I'kllet en W. Maxwell over de mogelijkheid, dat de asparagine uil. het rietsap invloed zou kunnen oefenen op de polarisatie van sappen of producten. Met het oog op deze mogelijkheid besloot ik Letterlijke vertalingen 361 het amide uit het rictsap (e isoleeren om or het draaiend vermogen van te bepalen. Dit werk werd in Januari 1897 aangevangen en voortgezet tot Juli van datzelfde jaar en loopt zoowel over riet, dat gedurende dien tijd in zeer verschillende toestand van rijpheid aan den molen gebracht werd als over zeer jong riet. liet resultaat van dit werk was, dal het voornaamste amide uit het rietsap niet optisch actief is, geen asparagine ') is doch glycocol of amidoazijnzuur, eenc stof, die tot nog toe niet inplan ten gevonden was. Het amide werd op de gebruikelijke wijze afgescheiden nl. door precipitatic met kwiknitraat. Daartoe werd bij het uitgeperste riet sap ecne geringe overmaat basisch loodacetaat gevoegd, daarna werd de vloeistof gefiltreerd, het filtraat gemengd met eene zure oplossing van mercurinitraat en het mengsel, dat sterk zuur was. bijna geheel geneutraliseerd met bijtende soda. Vervolgens werd het witte, vlokluge neerslag uitgewassehen en ontleed met zwavel waterstof, waarna het filtraat tot de consistentie van een dunne stroop werd ingedampt en dan reeds na 36 uren staan overvloedig goed uitgegroeide kristallen afscheidde. liet bleek, dat deze kristallisatie veel vlugger geschiedde, wan neer de zure vloeistof, die van het zwavelkwik afgefiltreerd was, vóór het indampen met ammonia werd geneutraliseerd, welke toe voeging van ammonia geen invloed had op den aard van de ver kregen gekristalliseerde stof. Nadat de kristallen van de moederloog gescheiden waren, werden zij nog twee keer uit water omgckristal liseerd en vertoonden dan de volgende eigenschappen. Zij komen voor in den vorm van glasachtige plaatjes of vierzij dige prisma's, die tot het monoklinische stelsel behooren ; zij zijn zeer hard, knappen tusschen de tanden en hebben een zoetachtigen smaak. In koud water lossen zij op, veel beter in warm, zijn ook oplosbaar in 80 % alcohol, doch onoplosbaar in ether. In het ge heel werden er 15 verschillende hoeveelheden dezer kristallen ver kregen, die in alle gevallen dezelfde physische en chemische eigen schappen bezaten. De moederloog, waarin de kristallen ontstaan zijn bevatte noü andere stikstofhoudende lichamen, die niet zoo gemakkelijk kris talliseerden en die niet verder onderzocht zijn; hunne hoeveelheid *) Wf.nt heeft ook geen a«parHgine in jonge netplanten kunnen vinden. Archief 189G 533 (Vkrt.) Letterlijke vertalingen 362 is echter zeer gering en daar verder bijna alles, wat door kwikni traat uit rietsap kan worden geprecipiteerd na ontleding dier ver binding tot een zelfde gekristalliseerd lichaam kan worden gebracht, dat alle eigenschappen van een amide bezit, zijn wij gerechtvaardigd, wanneer wij dit liet voornaamste amide uit het rietsap noemen. Ten einde het draaiend vermogen van dit amide na te gaan, weiden oplossingen daarvan van 2—4 Gr. per 100 c.M 3 bevattend, in een buis van 200 m.M. in een halfschaduw polarimeter van Schmidt en Haensch onderzocht, zoowel in neutrale oplossing als na toevoeging van natron of van salpeterzuur, waarbij deze stof in ieder geval inactief bleek te zijn. Daar asparagine in neutrale oplossing zeer zwak naar links draait, een weinig sterker in alkali sche oplossing en sterk naar rechts na toevoeging van salpeterzuur, was liet duidelijk, dat het amide uit het suikerriet of eene inactieve vorm van asparagine, of eene geheel andere stof moest zijn. Bij het voortgezette onderzoek kwamen er echter nog veel meer punten van verschil tusschen het hier besproken amide en aspara gine aan den dag; terwijl bij vergelijking der eigenschappen van het amide met die van andere bekende lichamen overtuigend bleek, dat het niets anders zijn kan dan glycocol. De hoofdverschilpunten tusschen het amide uit riet en aspara gine zijn in onderstaand lijstje te zamengevat. Rietamide Asparagine Draaiend vermogen Inactief. Links in neutrale oplossing. Kristalwater Afwezig. 1 molecule uitgedreven bij 100 ° C. Verhouding tegenover Reduceert niet Reduceert bij Fehling's proefvocht bij koking. koking. Verhouding bij verhit- Splitst N1I 3 af, alleen Splitst NHs af ting in alkalische op- ingeval de oplossing en houdt aspa lossing. sterk alkalisch is en raginezuur in houdt lICN in oplossing, oplossing. Men ziet onmiddellijk, dat de hier voor het rietamide opge geven reacties geheel dezelfde zijn als voor glycocol, met welke stof het ook nog de eigenschap gem< en heeft een grijs neerslag van kwik te veroorzaken in een oplossing van mercuronitraat en met jj/.erchloride eene rood gekleurde vloeistof te geven. De reactie, waardoor het rietamide zich het duidelijkst van asparagine onderscheidt en waardoor zijne identiteit met glycocol Letterlijke vertalingen 363 ontwijfelbaar worde vastgesteld, is wel <le verhit'ing in alkalische oplossing. Gelijk men weet wordt asparagine reeds bij koking met verdunde alkaliën ontleed in ammonia en asparaginezuur. Glyeo col en het rietamide daarentegen verliezen eerst ammonia bij koking in geconcentreerde alkalische oplossing, waarna de over gebleven vloeistof geen asparaginezuur bevat; doch maakt men haar zuur met zoutzuur dan bemerkt men de aanwezigheid van blauwzuur aan den reuk, terwijl men zuiingzuur kan aantoonen met chloorcalcium en ammonia. Is de hoeveelheid amide te klein geweest of vertrouwt men niet op den reuk alleen in de tegen woordigheid der zoutzuur lampen, dan kan men het blauwzuur ook gemakkelijk aantoonen door een druppel zwavelammonium op de onderzijde van een porseleinen kroesdeksel even hoven de kokende, zure vloeUtof te houden, daarna de overmaat zwavelammonium te verdampen op het waterbad en het residu met een druppel ijzer chloride aan te stippen, in welk geval de donkerroode kleur van het ijzersulfocyanaat een bewijs voor de aanwezigheid van blauw zuur is. Ook geeft het rietamide blauwzuur bij verhitting met verdund zwavelzuur en bruinsteen. In een toegesmolten buis met benzoë zuur verhit seeft het hippuurzuur. eene karakteristieke reactie voor glyeocol • liet zoo ontstane hippuurzuur werd als zoodanig herkend door het door middel van petroleumether, waarin benzoëzuur oplos baar is en hippuurzuur niet, van deze stof te scheiden, waarna de aanhangende petroleumether verdampt werd en de droge stof na bevochtiging met salpeterzuur en indamping den kenmerkenden geur van nitrobenzol deed ontstaan. Ten slotte werd er op de gewone wijze glyeocol door koking van hippuurzuur met verdund zwavelzuur bereid, waarvan de re acties, die hierboven als karakteristiek opgenoemd zijn, geheel overeenkwamen met die van het uit rietsap verkregen amide. Hoewel het nu met de meeste zekerheid vastgesteld is, dat het voornaamste amide uit suikerriet niets anders is dan glyeocol, zoo verdient het toch wel de opmerking, dat er verscheidene punten van overeenkomst tusschen deze stof en asparagine bestaan; zelfs gelijken deze beide stoffen in hun uiterlijk voorkomen zoodanig op elkaar, dal iemand, die eenigszins snel in het uordeelen is, op het eerste gezicht van de uit het rietsap verkregen kristallen geen oogenblik aarzelen zal die voor asparagine te verklaren. Behalve 364 Letterlijke vertalingen dit uiterlijk voorkomen en de oplosbaarheid der kristal!' n hebben de beide amiden nog «In eigenschappen gemeen van geen stikstof te ontwikkelen met gebromeerde loog, van koperhydroxyde toteene blauwe vloeistof op te lossen en ten slotte evenveel stikstof te be vatten, /onwel de met I mol. krtstalwater kristalliseerende asparngine Cj H 8 N s Oj. HjO nis glycocol C« Hg \"<>, bevatten 18,66% stikstof, terwijl hel gemiddelde stikstofgehalte van de uit rietsap verkregen stol' 18,00% bedroeg, Voor de stikstofbepaling, die volgens de me thode Gunning verricht werd, werden groote, schoon ontwikkelde kristallen uitgezocht. In het geheel werden er vijftien verschillende hoeveelheden gly cocol uit rietsap verkregen, welk sap afkomstig was van riet in verschillende stadiën van ontwikkeling verkeerende, /ouwel van jonge spruiten die een paar weken oud zijn, als van witte riettoppen van maalriet en van rijp riet, groeiende op hoogten afwisselende van 100 —1200 voet boven de zee. Men kan dus veilig zeggen, dat glycocol niet alleen het voornaamste amide uit het riet is. maar ook daarvan een normaal bestanddeel uitmaakt in alle pi vanden groei. Ik heb tot nog toe geen pogingen aangewend om de hoe lieid glycocol in suikerriet of de daarvan verkregen producten te bepalen, maar vond wel, dal jong riet meer van deze stof opleverde dan oud. Het gemiddelde stikstofgehalte van suikerriet, kan op 0,30% *) gesteld worden en hiervan is minstens 0,'2-2% eiwitstikstof, zoodal er voor amidestikslof niet meer dan 0,08% kan overblijven en dik wijls bedraagt die Imeveelli ad niet meer dan 0,02%, zoodat. men ziet dat het veel arbeid kost eene eenigszins aanmerkelijke hoeveel heid amide te verkrijgen. De identificatie van bet amide uit suikerriet mei glycocol ol amidoazijnzuur is uit verschillende oogpunten beschouwd van veel gewicht. Tot lieden was het nog niet in de planten gevonden en werd beschouwd als uitsluitend tot de scheikunde van liet dieren rijk te behooren. Men kan het bereiden door lijm met zure alkaliën te verhitten en is dan ook hot eerst op deze wijze verkre gen, terwijl men veronderstelt, dat het in bet dierlijk lichaam uit eiwitstoffen of uit lijmgevendo proteïden gevormd wordt. Jn vrijen toestand schijnt het in het dierlijk lichaam niet voor *) Dit komt vrjj g.ieil overeen met het door mij in Archief 1893, 187 aanzegeTen <ijt'ur van 0,8T7'/,i dut toen ter tijd tot zooveel tegenspraak aanleiding gul'. [Vekt.] Letterlijke vertalingen 365 te komen en de eenige reden om zijn ontstaan uit de eiwitstoffen aan te nemen is in de volgende beschouwing gelegen. Benzoëzmit inwendig genomen verlaat het lichaam weer in de urine als hip puurzuur en om dit te verklaren neemt men aan, dat «Ie reeds bo ven besproken verbinding tusschen dit zuur en amidoazijQzuur nnder waterverlies ook in het lichaam plaats vindt C 6 Hó COOH + OH 2 NH 2 COOH =Ce H 5 GO NH CH 2 COOH -f 11--0. Deze hypothese wordt nog versterkt door de waarneming, dat bij het gelijktijdig gebruik van benzoézuur en glycocol het bip puurzuur der urine toeneemt. Nu komt hippuurzuur in de urine der plantenetende dieren in betrekkelijk groote hoeveelheid voor en terwijl het voedsel dezer dieren genoeg benzoëzuur bevat om die groote hoeveelheden hippuurzuur te kunnen opleveren, is de vraag, waar de evenzeer noodige hoeveelheid glvcocol van daan kwam, altijd een raadsel voor de physiologen gebleven. Nu het glvcocol in het suikerriet is aangetoond, dat tot dus verre voor asparagine was gehouden, doet zich de mogelijkheid voor, dat het amide in andere planten, voornamelijk in de Gramineën, il ie het voornaamste voedsel der plantenetende dieren uitmaken, evenzeer niets anders dan glycocol is en dat hierin de bron moet ge zocht worden voor het tweede bestanddeel van het door hun uit gescheiden hippuurzuur. In de physiologie der planten zoowel als der dieren speelt het eiwit een overwegende rol en het blijkt nu, dat glycocol in de physiologie van het suikerriet dezelfde functie vervult als andere amiden in andere planten, namelijk dat het de vorm is, waarin de stikstof getransporteerd wordt. Bij het rijpen der planten gaan deze amiden over in eiwit om weer terug gevormd te worden tot ami den, zoodra er een nieuwe groei intreedt. Een aantal feiten, waar genomen gedurende de studie van het amide uit het riet, wijzen er op, dat er in deze plant een lijm of lijmgevende prote'inestof voor handen is, die bij ontleding onder andere ook glycocol oplevert. Dit gevoegd bij de betrekkelijk eenvoudige constitutie van het glyco col brengt ons weer een stap verder tot de kennis van ten minste één der eiwitachtige bestanddeelen van het suikerriet, terwijl de verdere studie van dit onderwerp, zoowel uit een physiologisch als uit een technisch oogpunt, nog zeer belangrijke uitkomsten kan geven. Nu wij weten, dat het amide uit riet hoofdzakelijk uit glycocol bestaat, dat alleen bij koking met zeer geconcentreerde alkaliën Letterlijke vertalingen. 366 ontleed wordt, zoo kunnen wij, daar de sappen gedurende den ge j boelen loop der fabtikatie neutraal of hoogstens /wak alkalisch ge houden worden, het gebeek! bed»ag van deze stol' in de <■ ill < 1111 <^- lasse verwachten. Of dit nu voor hel geheelé bedrag Opgaat heb ik niet nagegaan, maar wel vond ik gly'cocol in betrekkelijk groote hoeveelheid in verschillende monsters uitgewerkte melasse öp geheel dezelfde manier als ik deze slot uit liet rfetêap isoleerde. In een dezer monsters bepaalde ik de hoeveelheid stikstof, die in verschillende vormen aanwezig was. mot dezen uitslag: Ammoniakstikstof 0,011 % Eiwitstikstof 0,126 » Peptonstikstof 0,050 » Amidestikstof 0,201 » Stikstof in anderen vorm 0,228 » Gezamenlijke stikstof 0,016 % He ammoniakstikstof weid bepaald door distillatie met carbo naatyrij magnesinmoxyde en de eiwitsükstof door precipitatie met koperhydroxydiP. üe peptonstikstof is die hoeveelheid, welke gevonden werd in het precipitaat met phosphorwolfraarazuur in de oplossing teweeg gebracht, waaruit de ammonia en het eiwit waren verwijderd. Na de eliminatie dezer drie vormen van stikstof werd het filtraat ter bepaling der amidestikstof eerst gedurende een uur met 2% zwavel zuur gekookt, daarna geneutraliseerd en de nu gevormde ammoniak met earbonaatvrije magnesia afgedistilleerd en het nu gevonden cijfer voor ammoniakstikstof met 2 vermenigvuldigd om het op amidestik stof om te rekenen. Deze wijze van bepaling is geheel juist, voor het geval, dat het arnide uitsluitend uit asparagine bestaat, dat bij koking met zuren de helft van zijn stikstof in den vorm van am monia doet overgaan, maar in geval van glycocol, dat niet zulk eene eenvoudige splitsing ondergaat, gaat zij niet op, zoodat wij lie ver voor de cijfers in de bovenstaande tabel Amidestikstof 0,201% Stikstof in anderen vorm 0,228 » lezen moeten : amidestikstof en in anderen vorm te zamen 0,429 3 / r . Door jarenlange ondervinding in de rietsuikerfahrikatie heeft zich hij mij de overtuiging gevestigd, dat de melassevortning meer aan mechanische dan aan chemische oorzaken toe te schrijven is; dat de aanwezigheid van kleverige onkristallisecrbare lichamen de ver dere uitkristallisatie van suiker belet door dat zij de beweging der Letterlijke vertal'ngen 367 suikurmolecuJen in de vloeistof belemmer! ') en verder, datdeme lassevormende werking dor kristalliseerbare zouten zeer gering is. Een lichaam als glycocol heeft volgens deze beschouwing wei nig invloed op de kristallisatie der suiker, te meer daar het in het sap slechts in een klein bedrag voorkomt, maar liet is waarschijn lijk, dat de eiwitachtige stof, die uil hel glycocol gevormd is, sterk melassevormende eigenschappen zal blijken te bezitten. Tot nog toe waren wij gewoon de gomachtige of kleverige stof fen van rietsap of stropen uitsluitend als derivaten of ontledings producten van den rietvezel of in het algemeen der stikstofvrije bestanddee'en der plant Ie beschouwen, maar het is zeer goed mo gelijk, dat die beschouwing nu gewijzigd moet worden door het vinden van eene gelatineachtige stof in suikerriet en verwante planten. H. C. Prinsen Geebijgs. DIVKKSK MKDKDEKLÏNGKN Wij ontvingen onderstaand schrijven. Mijnheer de Hedacteur, 11. I is misschien niel overbodig de aandacht van de lezers van hei Archief te ve-tigen op twee maatregelen, onlaDgs door deChinee sche Regeering genomen, die van invloed op de uitbreiding van het handelsverkeer en dus ook op den afzet van suiker in China kunnen zijn. Ik bedoel de wijziging, «lic gebracht is in het stelsel van transitopassen in China en de opening van de Chineesche binnen wateren voor de stoomvaart onder vreemde vlag. Ofschoon ik het stelsel van transitopassen in China als bekend mag veronderstellen, vind ik in liet belang, dat voor de Javasui kerindustrie aan de genoemde maatregelen verbonden is,aanleiding bij de werking daarvan een nogenblik siil te staan. De meeste der van het buitenland in China ingevoerde goederen betalen een invoerrecht van 5% ad valorem, terwijl zij bij vervoer naar het binnenland onderhevig zijn aan een do >rvoeirecht van -'/■_.% ad valorem. De vervoerder bekomt daarvoor een transitopas tot aan *) Die moeihjko beweging der moleculen is nog niet bewezen. Zou die melassevormende kracht van kleverige stoffVo ook niet eenvoudig- daardoor kunnen verklaard worden, dat men bij bun tegenwoordigheid meer water in de kooksels moet laten om de stroop van de kristallen te kunnen scheiden, waardoor van zelf meer moederloog, dus meer mi-lasse ontstaat? [Vkrt.l Letterlijke rertslingen 368 de bestemmingsplaats, waarmede hij de likin of tolbarrières in het binnenland vrij kan doorgaan. Dit stelsel zou geene zwarigheden opleveren, /node Chineesche gewestelijke bestuurders, voor wie de binnenlandsebe tullen de voornaamste bron van inkomsten uitma ken, niel een middel badden bedachl om de tolvrijbeid van goede ren, die op een transitopas vervoerd zijn, tol een wassen neus te maken. Zoodra namelijk deze goederen van de bestemmingsplaats wc der in bet binnenland gedistribueerd worden, heffen zij daarvan aan de eerste tol, die voorbijgegaan moet worden, even zoovele malen recht als het aantal tolhuizen bedraagt, dat gelegen is tus schen de haven van invoer en de plaats, waarheen de goederen met een transitopas vervoerd zijn. Dit misbruik wordt tegengegaan door den kort geleden op aandrang van het corps diploinatique in China genomen maatregel der rijksregecring, om de transitopassen geldig te verklaren tot zoo lang de daarop ver-melde goederen hun eind bestemming bereikt hebben en afschrijving dier goederen, naar ge lang zij verkocht worden, op de passen mogelijk te maken. Het gevolg daarvan is, dat de importgocderen in China, die naar de markten in het binnenland vervoerd worden, door hun transitopas gedekt blijven tot dat zij den consument hebben bereikt en bevei ligd worden tegen onrechtmatige heffing van likin. Wordt hiervan reeds eene vermeer lering van het handelsver keer met het binnenland verwacht, van veel grooter gewicht daar voor- wordt de openstelling der binnenwateren voor de stoom vaart, ook onder vlag, geacht. De North China Daily News zegt van dezen maatregel: „Frora the foreign point of view the eoncession should mean an enormous inerease in the trade." De openstelling van nieuwe verdraghivens kan eerst aan de bedoeling ten volle bemtwoorden, wanneer daarmede gepaard gaat een snel, goedkoop en zeker verkeer met het binnenland. Moge ook onze Javasuiker haar deel hebhen aan de toename van de handelsbewe ging in China, die niet kan uitblijven! Hoogachtend teeken ik Uw. Dw ., H. s' Jacob. Het tweede congres van het Algemeen Syndicaat van Suiker fabrikauten op Java, gehouden te Djocja van 5—7 April mocht zich in een groote belangstelling verheugen. Ongeveer 20Ü leden en Diverse mederteelingen 369 geïntroduceerden waren gedurende die dagen de: ochtends in het Logegebouw vereenigd. Re heer s'Jacob opende den eersten dag de vergadering mal eea welkomsgroet, waarna bij overging tol hel voorleden van het geen gedurende de twee jaren, die oa hel eerste congres in l*!>f> verstreken zijn, doorhei Syndicaat verricht weid, waarnahet woord aan den heer ( 'aki* gegeven werd, die de wenschelijkhéid uitsprak mui hier op Java. even als/.niks in verschillende suikerprodueeerende landen in Europa plaats heeft, een wederzijdsche fabrikatie-controle *) in te voeren, die ten duel heeft aan beheerders van fabrieken, bij geregelde tusschenpoozen mededeelingen te doen van verschillende fabrikatie-cijfers, alle volgens een uniforme thode verkregen. Na de discussie, die dit onderwerp uitlokte, deelde de president mede, dathH bestuur een commissie zal benoemen om het voorstel van den heer Carp in ©verweging te nemen wanrna het woord. aan den heer Arendsen 11 kin gegeven werd om liet onderwerp „De nieuwe voorwaarden van suiker eerkoop" in te leiden. In een uit gebreide en duidelijk' l verhandeling gesteund dooi' consciëntieus verkregen cijfers, toont hij duidelijk aan: dat de genoemde voorwaarden niet volledig zijn, omdat de monstername niet, afdoend en in overleg met koopersen verkoopers is geregeld tot in de kleinste bijzonderheden; dat indien wij den a. s. oogst moeten verkoopen zonder dat een regeling is getroffen, wij niet gevrijwaard zijn tegen teleurstellingen en naar gelang der standigheden blootstaan aan min of meer belangrijke verliezen. De president deelde mede, dat het bestuur zich met deze zaak zoude bezighouden en later hierop terugkomen, waarna aan den heer Dn. Wwtek het woord gegeven wordt over ~De achteruitgang in polarisatie van suiker". Na een beschrijving van zijn proeven komt Dr. Winter tot de conclusie, dat de grootste oorzaak der achteruitgang moet gezocht worden in liet aantrekken van water en in de vorming van zuren; hoewel ook schimmels en bacteriën in de suiker gevonden werden, meent hij dat zij toch niet de wer kelijke aanleiding lot den achteruitgang zijn., dok de zure reactie der kadjangmatten is hierop van invloed. Hij gelooft, daarom in overweging te moeten geven om een meer rationeele wijze van ver* pakking voor de .lava-suikers te zoeken. Den volgenden dag leidde de heer Koisus „Het plotseling afster ven van het riet in Oost-.lava" in. *) Zie Archief 1898 blz. 2CO 370 Diverse mffdedeelin-^en Daar ev dit jaar nog geenc gelegenheid geweest is nieuwe proeven te nemen of het resultaat te zien van die. welke in 1897 genomen zijn. moot sprekT zich beperken tol het geven van een overzicht en het opstellen van oen nieuwe hypothese. Volgens deze moet het afsterven gezocht worden in vergiftiging en wel door een abnor maal grool gehalte van liet ondergrondswater aan ehloormetalen. Hoewel spreker voorop stelt, dat hij zijne meening slechts als een hypothese beschouwd wil zien, worden door hem vele feiten aan gehaald, die zijn hypothese veel waarschijnlijks geven. Door den lieer Harloff werd daarna het onderwerp ingeleid „De cirbonatatie en hare practische toepassing. "Uitvoerig wordt diedoor hem. vooral wat de carbonatatie hier op .lava aangaat, besproken. Door don heer C. W. Wf.ys werd daarop behandeld „He grond slagen eener regeling van het gebruik van irrigatiewater." Deze uitgebreide verhandeling verdiende zeer zeker de meeste aandacht, zij gaf een duidelijk inzicht in de verschillende factoren, die van invloed zijn op een billijke en rationeele verdeeling van het voor handen zijnde irrigatiewater tusschen den inlandschen en particu lieren landbouw en meer in het bijzonder den rietbouw, een onder werp dat zeer zeker voor de Java-suikerindustrie van het grootste gewicht is. Den laatsten dag traden als sprekers op de h°er van Huizen, in den plaats van den heer Muller von Ozernicki, die door ongesteld heid verhinderd was te verschijnen en de heeren Dr. L. Zehntner en Prinsen Geerliss. Door eerstgenoemden werd „De voordeeligste sapwinning door molens" ingeleid. Spreker wees vooral, hetgeen hij door cijfers aan toonde, op het voordeel der drievoudige persing met imbibitie, en op dat verkregen door imbibitie met het sap vanden laatsten over persmolen. De heer Dr. Zehntner besprak eenige insectenplagen bij de rietcultuur op Java, waarbij aan de hoorders en den wawalan het grootste gedeelte gewijd was. Spreker wees wederom op de urgen tie van een gezamenlijke boorderbestrijding. De heer Prinsen Geerligs behandelde „De onbekende verlie zen hij de rietsiiikerfabrikatie." Op duidelijke wijze toonde spreker aan, hoe de zoogenaamde onbekende verliezen verklaard kunnen worden, en heeft hiermede zeker een zeer belangrijke bijdrage ge leverd voor de verklaring der verschillende processen, welke gedu rende de suike-fabrikatie een invloed uitoefenen. Diverse mededeelinge» 371 Op alle voordrachten; voljjde een zeer geanimeerde discussie en het mag gezegd worden, dat dit tweede congres vpc! heeft bij gedragen tot de wetenschappelijke ontwikkeling van onze suiker industrie hier op Java. Aan het Pestuur van het Algemeen Syndicaat van Suikerfa brikanten op .lava is in antwoord op een tot de Regeering gericht verzoek om den aanleg van de derde rail tiisschen Ojocja e» Solo te willen bespoedigen te kennen gegeven, dat, hoewel niet dit werk alle mogelijke haast wordt gemaakt, de voltooiing daarvan en dus h«t doorgaand vervoer tusseben West-en Oost-Java in den loop der aanstaande campagne nog niet kan worden verwacht. Uit de circulaire der Soei abaiasche Subcommissie voor de We reld-tentoonstelling te Parijs in 1900, nemen wij over een ge deelte der bijzondere classificatie voor de inzendingen in de XVIl (,e Groep, welke kunnen verwaï ht worden uit de navolgende gewesten: Soerabaia, Kediri, Madoera, Pasoeroean, Probolinggo, Besoeki, Bali en Lombok. Klasse. Wijze van kolonisatie l. B. Materieel en methoden vnn landbouwexploitatie?!. Handgereedschap, instrumenten, machines en werktuigen tot bearbeiding van den grond, voor het bezaaien, beplanten en het schoonhouden van den grond; oogstwerktuigen, werktuigen voor het bereiden en conserveeren van producten van landbouw. Tot deze rubriek behooren de werktuigen in gebruik bij de verschillende cultures, in de hiervoren genoemde Gewesten gedre ven, als: rijstcultuur, rietcultuur, koflïecultuur, indigocultuur en eenige kleinere cultures. Landhuishoudkunde. I.andbouwproefstaüons, plannen en mo dellen; organisatie; personeel; inrichting; begrooting; werken. Proef stations waren vóór 20 jaren in lndië nog onbekend, wanneer men ten minste de proeflaboratoria te Buitenzorg en elders niet als zoodanig wil aanmerken. Een overzicht van de ontwikkeling en den bloei der proefstations in Ned. Indië zal zeer gewenscht zijn. Pasoeroean kan eenige belangrijke bouwstoffen hiertoe bij brengen . 372 Diverse mededeeliogen Eetbare landbouwproducten van plmtaardigen oorsprong. Rijst. Dj&gong, Djoewawoet, enz. Bietsuiker, Arènsuiker, Siwalensuikeor, Klappersuiker. Koffieboonen, op verschillende wijzen bereid en bewerkt; ver schillende KolTiesoorten. Cacaoboonen. Eetbare oliën van plantaardigen oorsprong als: Klapperolie, Widjenolie, Djaiakolie, Katjangolie, enz. Niet-eetbare landbouwproducten. Katoen, de vruchten en de vezelstof. Kapok, de vruchten en de vezelstof. Ramen in bossen en de vezelstof. Indigo. Niet-eetbare oliën als: Kapokolie, Njamploengolie, Djarakolie, Klimpangolie, Klentengolie, Pakemolie, Koesambiolie, Moronolie, Membaolie, Klekeholip, Dempololie, enz. Schadelijke insecten. Verzameling van schadelijke insecten van een bepaald cultuurgewas, bijv. suikerriet, koffie, enz. Materieel en methoden der verschillende industrieën voor voe dingsmiddelen. Suikerfabrieken; Teekeningen, Plannen, enz. Koffiepellerijen idem idem Aan hen, die voornemens zijn in te zenden, wordt verzocht daarvan kennis te geven voor 1 üctober 1898 aan het Hoofd van Gewestelijk Bestuur, waaronder zij ressorteeren, met opgave van de voorwerpen, welke zij wdlen inzenden en de benoodigde ruimte in meters, welke zij behoeven; de grondvlakte: hoogte, breedte en lengte; de wand-of muurvlakte: breedte en hoogte. Een opgave van deelneming, ter invulling, wordt aan de aanvragers later toe gezonden. De Socrabainsche Sub-commissie voor de \\ ereld tentoonstelling te Parijs in 1900, 11. W. van Ravknswaaij, Voorzitter. Dr. J. C. C. W, vam Nooten, Secretaris. De invloed van koperzonten op den plantengroei is in den laatsten tijd meermalen ter sprake gebracht en onderzocht, nu men in de oplossing van die zouten het meest werkzame middel heeft gevonden om zekere ziekteverschijnselen bij aardappelen, bij den Diverse modedoolingpn 373 wijnstok en andere planten krachtig te keer te gaan. Professor Gerardin in Frankrijk en Prof. Frank te Berlijn zijn door hunne onderzoekingen tot de overtuiging gebracht, dat er volstrekt geen grond is om voor het middel bevreesd te zijn. En terwijl Gerardin alleen den schadelijken invloed op de vegetatie ontkent, meent Prof. Frank veel verder te mogen gaan en te beweren, dat de werkzaamheid van het koper zich niet bepaalt tot het dooden van parasieten en overigens onschadelijk is, maar dat het ook werkt, als opwekkingsmiddel op de stofwisseling der weefsels en daardoor grooter opbrengst te weeg brengt. Aardappelplanten op de met koper behandelde velden toonen dikkere en aan bladgroen rij kei' bladen, de aardappelen worden zwaarder en rijker aan zetmeel, zonder een spoor van koper in de asch te bezitten. Soortgelijke ervaring heeft men ook bij den wijnstok opgedaan. Indische Mereuur 1698, blz. 35. Op een door het Algemeen Syndicaat van Suikerfabrikanten bij de Hegeering ingediend rekest is de volgende beschikking ontvangen: Buitenzorg, den () ,lf " n April 185:8. Is goedgevonden en verstaan: Eerstclijk: Te bepalen dat het in artikel 1 van het besluit van I*2 December 1697 No. 7 bedoelde larief voor het vervoer hij over eenkomst langs de Staatspoorwegen op Java van voor den uitvoer bestemde en verpakte suiker, met de in dat artikel omschreven reductie en voor de daarin aangeduide fabrikanten, gedurende 1898, mede van toepassing zal zijn voor de van hunne fabrieken afkom stige zaksuiker. Ten tweede: Te bepalen dat de in artikel 1 van dit besluit be doelde tijdelijke regeling slechts voor den afvoer van den oogst van 1898 en niet van toepassing is op zendingen zakbuiker, welke na 'ól Januari 1899 ten vervoer mochten worden aangeboden. Ten derde: Enz. Extract dezes zal worden verleend aan den adressant tot infor matie. Accordeert met voorz. Register: De Gouvernements Secretaris, (W. g.) COHKN StTJART. Biverse rtedodeelingei) 374 Kogen-waarnemingen, Februari 1898 DiTorsc modedeelingen 375 STATISTIEK, OOGST- EK MARKTBEKICHTEN, ENZ Aan de opgaven van 11. H. makelaars ontleenen wij <lt j vol gende cijfers omtrent de suikerproductie van Java gedurende de Oogstjaren 1895, 1896 en 1897, zaksuiker buiten rekening gelaten. Fabriek. Oogst 1895. Oogst 1896. Oogst 1897. Ri<:siijentie Bezoekt. Asembagoes .... piks. 4040Ü piks. 42442 piks 48200 Boedoean » 3300G » 41857 » 30010 <le Maas » 43835 » 48891 » 44823 Kabat » 36234 » 38553 » 41424 Nangkaiin » » 15000 » 14030 Olean » 08575 » 54128 » 52040 Pandji » 79403 » 77184 » 72012 Pradjekan » 47539 » 43169 » 52949 Rogodjampi .... » 30909 » 30019 » 35269 Soekowidi » 20000 » 28468 » 32694 Tandjong Sarie ...» 07422 » 66996 » 66162 Tangarang .... » 35851 » 33815 » 48502 Wringin Anom. ...» 49725 » 42118 » 51000 Totaal piks. 553019 piks. 563270 piks. 595121 HKSmKNTIK PiiOEOUNGGO. Bagoe piks. 52317 piks. 36161 piks. 44293 Djaboong » 3756 i » 28349 » 37048 Gendini» » 69241 » 63191 » 63041 Kandang Djatie ...» 49980 » 50706 » 49198 Maron » 49482 » 34200 » 47865 Oemboel » 62994 » 64693 » 54000 Padjarakan » 69955 » 64286 » 69365 Phaeton » 65885 » 62154 » 44980 Hoenoe Pakis. ...» 6440 » 7343 » 20901 Transporteere piks. 463858 piks. 411083 piks. 430691 Fabriek. Oogst 1895. Oogst 1896. Oogst. 1897 Transport piks. 463858 piks. 411083 piks. 430691 Seboroh » 29700 » '26885 » 30854 Soekodhono .... » 78090 » 05837 > 101265 Soemberkareng ... » 57495 » 43593 » 44175 Tempeh » 26000 » 25254 » niet gew. Wono-Aseh .... • 38157 i 30121 » 28980 Wonolangan . . . . » 39772 » 29475 » 45500 Totaal piks. 726617 piks. 632248 piks. 681465 Residentie Pasoeroean. Alkmaar . . . . . . piks. 53688 piks. 35V54 piks. 54343 Ardjosarie of Babat. . . » 25140 i 26900 i 25000 Ardiredjo of Pandaan . . i 62152 » 64122 i 62172 Becassie Oost of Winongau. » 38135 » 27590 » 34393 De goede Hoop of Pengkol . » 32000 » 24285 » 25450 Djapanan » 27279 » 25645 » 25b5l De Onderneming of Ngempit » 39955 » 32408 » 24853 Gajam 9 30688 t 25182 » 26393 Kawisredjo of Pakkis . . i 24500 » 20800 » 17634 Kedawoeng > 12453 » 13000 t 9058 Kloerahan » 28600 » 10218 » 20150 Krebet » — » 1000 » niet gew. Pleret » 41500 » 338'f5 » 32500 Sempalwadak i 31000 » 23653 ; 46000 Soekoredjo (Panjanganj . . i 34101 » 28980 » 39934 Soekoredjo (Soeklan). . . » 36569 » 27000 » 32220 Soemberredjo » 29268 » 31261 » 24000 Wonoredjo » 16000 i 38124 » 33450 Jossowilangan of Kali-Teloe, » 7333 niet gew. niet gew. Totaal piks. 600361 piks. 490067 piks. 533201 Residentie Soehahaia. Balongbendo piks. 64ö58 piks. 54563 piks. 59412 Bangsal » 65441 » 66617 » 57700 Blimbing » 63300 » 57352 » 69800 Brangkal » 75909 i 86152 » 88500 B'>edoeran » 48115 » 36758 » 45890 Transporteere piks. 316823 piks. 301442 piks 321302 377 Statistiek, oogst en marktberichten, enz Fabriek. Owgst 1895. Oogst 1898. Oo«;st 1897. Transport piks. 316823 piks. 301442 piks. 321302 Dinoyo » 59694 » 67043 » 64500 Djotnbang » 80509 » 56124 » 57025 Gempolkrep .... » 96244 » 89207 » g3300 Guedo » 43400 » 47000 » 59632 Karah » 8500 » 7960 i 800Ö Kaliwoengoe .... » 49315 • 58038 » 68637 Ketanen i 29500 » 22347 » 18797 Ketegan » 63338 » 62795 » 72841 Ketintang » 19060 » 21000 » 16000 Koning Willem 11 . . » 01834 ■ 61238 » 08000 Kremboong .... » 52610 » 52402 » 56145 Krian » (52960 i 47000 » 52790 Ngagel » 4500 » 4380 » 4500 Ngelom t 63536 » 64700 » 00612 Ngoro » 24000 » niet gew. » K'4ls Pandjoenan .... » 15293 » zie Toelang. zie Toel. Perning » 36172 » 32804 » 40736 Peterongan .... » 32507 » 33611 .> 37000 I*loBBo i 28560 s 39000 » 47821 Poh-djedjer . . . . 55893 » 46798 » 63571 Popoh » 31988 » 16582 » 54751 Porrong » 16464 » 36332 » 42732 Sedatie » 37561 » 38275 » 52020 Seloredjo » 49357 » 30084 » 38035 Sentananlor . . . . » (54461 » 71880 » 65000 Soekodhono .... » (55012 » 58021 i 66000 Soemengko .... t 27857 » 35000 * 35000 » 50520 » 18624 » 51837 Sroeni » (10747 » 56836 » 54987 Tangoelangin .... » 44125 i J6126 » 32000 Tangoenan .... » 85898 » 82142 » 77000 Tawangsarie .... » 35664 » niet gew. » niet gew. Tjandi » 30527 » 30850 » 25472 Tjoekir » (55005 » 60111 * (iL'6B2 Toelangan *> 35380 » 30010 » 39444 Waroe i 49300 » 40807 > 49200 Watpetoelis .... » 65954 » 51072 » 61874 Totaal piks. 2,070073 piks. 1,889856 piks. 2,032658 378 Statistiek, oogst- en marktberichten, enz Fabriek. Oogst 1895. Oogst 189G. Oogst 1897. Residentie Kedim. Badas piks. iOöil piks. 37023 piks. 37000 Baron » 21000 » '21839 » 16000 Bogoh-kidoel. ...» 47319 ■ 54223 » 71230 Djatie » 02429 i 72326 » 60217 Goejangan(Ngandjöek). ■ 53874 » 58509 » 51284 Keatjong » 47371 » 33562 » 43025 Kocdjonmanis ... • 48150 » 42088 » 49229 Kwarassan .... » 37307 » niet gew. » 55120 Menang ..... » 40707 » 42229 » 47500 Mingiran • 65986 » 53877 » 71329 Modjopangong ... » 43051 » 53494 » 50281 Meritjan ..... » 54795 » 45652 » 48327 Pesantren » 52794 , 4933(5 , 55 3 77 Poerwoasrie .... » 80350 t 84317 • 95050 Soemberdadie. ...» 12034 » 9440 » 8000 Soetjen. . . . . . , 6000 » n j e t gew. , niet ynv. Totaal piks. 729528 piks. 658575 piks. 766175 Residentie Madioen. GeneOg (Soedhono) . . piks. 27545 piks. 18908 piks. 30407 Kanigoro B 42010 » 23861 • 33058 Kepatian ..... , 155U0 » 18325 » 22527 Pa S° ttan » 53507 i 54383 » 52514 PoeKwodadie ..... , 85004 1 79011 » 75800 Redjosarie . • ■ ■ » 00201 , 58023 >, 59398 JTotaal piks. 290427 piks. 263171 piks. 273704 Residentie Rembang. Keben ....... piks. 5900 piks. niet gew. piks. niet gew. Pamottan » 14200 ~ 11465 » 11350 Wringin-agoongv . » 35900 » niet gew. » niet gew. Totaal piks. 56000 piks. Ïl46s~piks." 11350 Stulist ek, oogst- en marktberichten, enz 379 Residentie Japaiia. Petjangaan .... piks. 50031 piks 50969 piks. 57057 Rendeng » 36248 » 42360 » 43727 Langsee » 51140 . 58328 » 63581 Tandjong-modjo. . . » 42038 » 35330 » 34400 Pakkies » 91868 » 85352 » 90057 Besito • 51827 » 49103 » 52992 Kkling > 51054 » 42934 » 47451 TraUfckil > 00273 » 58680 » 40329 Bendokcrep . . . . » 61028 » 55280 » 05190 Bandjaran .... » 19910 » niet gew » nietgew. Majong » 59818 i 57074 » 65820 Banj.-epoetih ...» 10542 » 10365 » 12812 Totaal piks. 592983 piks. 552375 piks. 586016 Residentie Semarang. Kaliwoengoe . . . piks 47930 piks. 36130 piks. 39379 'Poegoe » 68976 » 51934 » ± 49500 ' Gemoe » 62972 » 41580 » ± 50000 'Tjepiring .... » 09483 » 02028 » ± 02000 Totaal piks. 249361 piks. 192278 piks. ±206879 Residentie Solo. Modjo Sragen . . . piks. 36505 piks 39100 piks. 51610 Triagan » 17090 * 12150 » 15000 Bangak » 32327 » 29850 > 31518 Karang anjar ...» 50082 » 50483 » 50134 Malang Djiwan ...» 38269 » 38278 » 35398 Kartasoera » 34703 » 31550 i 37619 Wonosari .... » 24950 » 20393 i 30853 Handoe Goenting . . » 43505 » 49955 » 31127 Delanggoe .... » 57293 » 00970 » 03545 Tjokro » 42233 » 30500 » 53881 Gondang-Winangoen . » 51795 » 51972 » 62380 'Tjepper » 46798 » 44910 » ± 52300 Karang-anom ...» 38725 » 37837 » 46157 Pongok » 17416 » 14940 » 24200 Prambonan .... » 28034 » 31015 » 45004 Gedaren ft 25971 » 24339 » 29485 Totaal piks. 587088 piks. 580847 piks. ±660517 Statistiek, oogst- en marktberichten, enz 380 Fabriek. Oosst 1895. Oosjst 1896. Oog«t 1897. Residentie Djocjakarta. Poendong P ks. 45623 piks. 43881 piks. 48298 Gondang Lipoero ...» 43398 » 38740 » 46034 Gesiekan » 46753 i 51005 I 54397 Bantoel » 79300 i 74085 i 76119 Tegalweroe » 32458 » niet gew. » nietgew. Tjebongan • 34740 » 37285 » 42083 Tandjong-Tirto ...» 45746 » 38760 » 42450 Padukan en Barongan . » 125881 » 132047 » 127419 Sewoegaloor .... » 60821 i 70166 » 72728 Kedaton Pleret. ...» 36264 i 43528 » 42625 Benin » 37516 » 36000 » 46000 Sedajoe » 15610 » 14215 i 150*7 Klatjie » 23707 » 30790 » 30300 Rewoeloe » 61205 » 56169 » 67869 Totaal, piks. 689022 piks. 666641 piks. 711369 Residentie Ragelen. Remboen . . . . piks. 36895 piks. 38232 piks 55720 Keboemen » 26i01 » 29774 » 28740 Totaal, piks. 63296 piks. 68006 piks. 84460 Residentie Banjoemas. Kalibagor piks. 57467 piks. 60754 piks. 90813 Kalirnanak » niet gew. » niet gew. i niet gew. Bodjong » 70153 » 55953 » 69205 Klampoh » 55210 > 57484 » 64032 Poerwokerto .... » 46375 » 52139 » 73353 Totaal, piks. 229205 piks. 226330 piks. 297403 Residentie Pekalonoan. Wonopringo .... piks. 57000 piks. 56000 piks. 59027 Tirto » 45800 » 47100 » 49386 Sragi » 48000 » 45200 » 52203 Kalimati » 57200 i 54800 » 55707 Klidang » 34300 i 30000 » 42225 Totaal piks. 242300 piks. 233100 pik57258548 381 Statistiek, oogst- en marktberichten, enz Fabriek. Oogst 1895. Oogst 1896. Ooc;st 1597. Residentie Tegal. Tjomal Piks. 92700 Piks. 103500 Piks. 83548 Bandjardatfa ....,, 63992 „ 69197 .. 67896 Bakpoelang , 45901 „ 50998 „ 65132 /Ydiwerna „ 5829 't ~ 55257 .. 45591 Djatibarang 54655 „ 49300 57520 Pagorigau , 39105 .. 36973 „ 40725 Pangka 55842 „ 48937 „ 40176 'Kemanglen. : 78000 „ 75765 „ ±76000 ' Doekoewringin 7d929 .. 57616 .. ± 66000 Kemantren 71757 .. 55419 58578 Kétangoengan West . . „ 393;)7 „ 40744 .. 33i37 Totaal , piks. 670872 piks. 643708 piks. ±636603 Residentie CiiEßinoN. Karanp Snewneng . . piks. 60257 piks. 55419 piks. 57362 Sindanglaut 75037 „ 63743 „ 93991 Gempol , 44139 „ 45912 „ 45709 Parongdjaja , 40947 „ 14499 „ 43255 A.rdjowinangon .'"'..„ 33594 „ 35487 ~ 42232 ' Djatiwangie . . . . „ 56791 „ 57013 „ ± 66052 4 Soerawinangon. . . . „ 47972 „ 40330 „ ± 48'*31 Kadhipaten , 56500 „ 60000 „ 64000 Djatipiring ~ 22755 „ 27795 ~ 27538 Loewong-gadjah 35266 „ 34536 ~ 35596 ' Tjilcdook 51169 ~ 53929 .. ± 57292 'Tersana 48333 „ 48414 „ ± 49547 * Kalitandjong 14111 „ 15604 „ ± 18831 * Pangan? 6000 „ 6000 „ ± 6500 'Kalimoro „ — „ „ ± 13180 Totaal piks. 594871 piks. 593651 piks. ± 669516 Recapitulatie Res. Besoeki . . . . pik. 553019 piks. 563270pik5. 595121 „ Probolinggo . . „ 726617 ~ 632248 ~ 681465 i, Pasoeroean. . . „ 600361 „ 490007 „ 533201 Transporteere piks. 1,879997 piks. 1,685585 piks. 1,809787 Statißtlek, oogst- en marktberichten, enz 382 Oogst 181)5. Oogst 1896. Oogst 1897. Transport piks. 1,870997 piks» 1,685585 pik s. 1,809787 >- 2,070073 » 1,889856 » 2,032858 Kediri • 729528 » 658575 » 760175 Madioen i 290427 » 253171 » 273704 Kembang » 56000 » 11465 „ 11350 Japara » 592983 » 552375 » 586016 Semarang .... » 249361 » 192278 » 20P879 Solo » 587088 » 580847 » 060517 Djocjakarta . , , . • 689022 » 666641 » 711309 Ragelen » 63296 » 68006 i 84460 Panjwmas .... » 229205 « 226330 » 297403 Pekalongan . . . . ■ 242300 » 233100 » 258548 TegaJ » (570872 ■ 643708 b 636003 Cheribun » 594871 » 593681 » 669516 Totaal Generaal, piks. 8,945023 piks. 8,255018 piks. 9,004985 N. B. De fabrieken gemerkt * hebben nog niet geheel afgeleverd. Willet & Giuy geven het vo'gende overzicht vau de Cuba.- siiikerstatistiek op 15 Dec. vergeleken met de beide voorafgaande jaren. 1897 1896 1895 Voorraad 1 Januari 31960 89461 13348 ton Scha'ting oogst 218693 231180 1,031097 » Tot i;il 2501.53 320041 1,044445 ton 1,1 N-A.n. aangekomen | 24624() 804811 ton Cuba suiker I Onder zeil 286 5273 i Naar andere landen uitgev. 1466 7872 59382 » Uinnenlandsch gebruik 3800U 34981 46300 » TotaaF 248883 289379 915766 ton I '.lijven dus oog aan voorraad 1770 31262 128679 » F.O. Licht'* Wochenbericht No. 18, 1898. Statistiek oogst- en msrktberiehten, enz 383 Europa 11 Maart. Duitschland. Over hot algemeen was het voch tig en regenachtig, in liet laatst der week werd hel aanmerkelijk . kouder, er viel sneeuw, terwijl zich 's nachts de vorst vrij sterk deed gevoelen. De vochtige toestand van den bodem maakt elke grond bewerking onmogelijk. Een uitbreiding van den bietaanplant is voorloopig niet te verwachten. Ook in Oostenrijk moet de veldarbeid achterwege blijven door de vochtige weersgesteldheid. Naar alle verwachting zal de met bieten beplante oppervlakte dit jaar minder bedragen dan in het afgeloopen jaar. Frankrijk, had eveneens zeer onbestendig weer, men vreest voor een vertraging van de grondbewerking. Waarschijnlijk zullen de verhoogde alcohol- en graanprijzen op de te beplanten opper vlakte van invloed zijn. Nederland en België hadden zeer veranderlijk weer, dat van hagel- en sneeuwbuien vergezeld ging. Aangaande de omvang der aanstaande campagne valt door de vage berichten nog niets mede te deelen. Betreffende de internationale suikerconferentie wordt gemeld, dat de Engelsche regeering, die, wat de afschaffing der suiker premies betreft, tot nu toe een afwachtende houding had aangeno men, verklaard beeft, dat zij zich bij den eisch tot het opheffen der suikerpremies aansluit. Wanneer de conferentie zal plaats hebben is nog niet bepaald. Rusland. Deze twee weken was de temperatuur niet zoo laag als gedurende de voorgaande; er viel slechts eenmaal sneeuw. In Zuid-West-Rusland zijn de velden nog steeds onder een dikke sneeuwlaag bedolven. Met zekerheid kan een uitbreiding van den bietaanplant te gemoet gezien worden. Koloniën. In Louisiana gaat het planten goed vooruit, het jonge riet groeit goed, terwijl het weer in alle opzichten gunstig is. Op Cuba zijn thans 104 fabrieken in werking; tot nu toe werd totaal 140000 ton suiker afgevoerd. In Brazilië beeft het riet steeds veel door de droogte te lijden. In Queensland heerscht zeer gunstig weer en rekent men op een goeden oogst. De oogst der Fidsji-eilanden wordt op 35000 ton tegen 30000 in het voorgaande jaar geschat. Soerabaia 13 Maart. Geen enkele afdoening heeft plaats gehad. Nominale waarde : f 6 3 /4 No. 11 —14. „ 7-7'/ 8 „ 15—17. Statistiek, oogst- en marktberichten, enz 384 OORSPRONKELIJKE VERHANDELINGEN. DE MET SUIKERRIET RErLANTE OPPERVLAKTE VAN JAVA. door W. O. DICKIIOKF Door de welwillende medewerking van de meeste administra teurs en handelshuizen ontvingik dit jaar wederom vele statistische gegevens; van de 188 ondernemingen, die gewerkt hebben, verstrekten IC>l do gewenschte opgaven. Hoewel dus over liet geheel genomen 3 fabrieken meer dan verleden jaar de gevraagde gegevens inzonden, was liet aantal inlichtingen uit Midden- en West-Java belangrijk minder, terwijl uil, Oosl-Java daarentegen 7 kaarten meer binnen kwamen dan verleden jaar. Het ware te wenseben, dat dit ook met de meer Westelijke residenties het geval ware geweest, dun zoude deze statistiek meer o|> nauwkeurigheid kunnen bogen dan nu het geval is. We willen echter hopen, dat de volgende keer minder gegevens zullen ontbre ken en dat eindelijk ingezien zal worden, dat Java, thans het land dat de meeste rietsuiker produceert, ook een nauwkeurige suiker statistiek moet kunnen geven. De berekeningen werden evenals tot nu toe plaats had, geba seerd, behalve op de verkregen opgave van de beplante bouws, op de opgaven der gepro luceerde hoeveelheid hoofdsuiker, welke op gaven ons door 11. 11. makelaars bereidwillig werden verstrekt. Sommige fabrieken gaven alleen den bruto, andere alleen den netto aanplant op. In het eerste geval werd 10% van het bruto getal afgetrokken en de uitkomst als netto aangenomen; in lid tweede geval werd de netto aanplant met 1 '/„ vermenigvuldigd en het verkregen cijfer als bruto aanplant beschouwd. Van Oost-Java ontvingen wij opgaven van 97 fabrieken, die te zanten 51521 bouw (36501 11. A.) netto = 57710 bouw (40953 11 . \.) bruto aanplant hadden. De productie dezer fabrieken bedroeg 4,741435 pikol krandjang suiker, terwijl de totale productie van de 107 fabrieken in den Oost hoek 4,893674 pikol bedroeg. Hieruit volgen de evenredigheden: 4741435 : 4893674 = 51521 : x 4741435 : 4893R74 = 57710 : x' waaruit x = 53175 en x' = 59Ö62, dus netto aanplant 1897 in Oost-Java 53175 bouw (37735 11. A.) bruto » » » » » 59502 » (42268 » » ) Uit Midden-Ja va werden 45 opgaven ontvangen. Uier werd van 22073 bouw (11,09(1 ||.A.) netto == 25192 houw (17877 11.A.) bruto een productie aan hoofdsuiker verkregen van 2,311263 pikol, terwijl de totale opbrengst der 50 fabrieken 2,546644 pikol bedroog. Hieruit volgen de evenredigheden: 2311263 : 2540644 = 22673 : x 2311203 : 2546644 = 25192 : xi waaruit x = 24982 en x 1 = 27757, dus netto aanplant 1897 in Midden-Java 24982 bouw (17728 11.A.) bruto » ï) » » » 27757 » (19C98 » » ) Van West-Java kregen wij van slechts 19 fabrieken op gaven. Deze hadden een aanplant van 10084 bouw (7150 H.A.) netto == 11523 bouw (8177 11.A.) bruto. De hoofdsuikerproductie dezer fabrieken bedroeg 960130 pikol. De totale productie der 31 fabrieken was 1,564607 pikol hoofdsuiker, zoodat wij hebben: 900130 : 1564067 = 10084 : x 960130 : 1564667 = 11523 : x' waaruit x = 16433 en x 1 = 18778, dus netto aanplant 1897 in West-Java 1643:5 houw (11662 11.A.) bruto » » t> » » 18778 » (13326 » » ) Tellen wij het cvonden aantal bouw van de drie declen van Java te zarnen, dan krijgen wij: netto aanplant 1897 geheel Java — 94590b0uw (67126 11.A.) bruto » » » » = 106097 » (75292 » » ) Kerekenen wij op dezelfde wijze ter controle over geheel Java de totale aanplant uit de totale suikerproductie, dan vinden wij. dat 161 fabrieken met een aanplant van 84278 bouw (5980811. A.) netto = 94425 bouw (67009 11. A.) bruto, eene productie hadden van 8,012828 pikol honfdsuiker, terwijl de totale hoofdsuikerpro ductie van de 188 fabrieken 9,004985 pikol bedroeg. Uit de evenredigheden: 8012828 : 9004985 = 84278 : x 8012828 : 9004985 = 94425 : x' vinden wij dat x = 94713 bouw (67213 H.A.) netto en x' = 106116 » (75305 » » ) bruto. Nemen wij het gemiddelde dezer uitkomsten als het juiste aan, dan hebben we: 386 W. t'. Dlokhoff. Dr mei suikerriet beplante oppervlakte van Juva netto aanplant 1897 van geheel Java = 94651 br.uvv (G7l<>9 H.*.) bruto .. „ „ „ .. = 106106 ~ (75298 „„ ) liet vurige jaar werd voor deze oppervlakte respectievelijk ge vpndeoo6723. bouw (68639 11.A.i netto en 108569 bouw (77016 11. A.) bruto. Dat de thans Herkregen cijfers nietin overeenstemming zouden zijn met die van verleden jaar, was te verwachten, daar ook dit jaar vele gegevens ontbraken en sommige fabrieken, die verleden jaar gegevens over de uitgestrektheid van den aanplant vuur 1897 verstrekten, dit jaar geheel andere cijfers opgaven. Dezelfde fabrieken, die ons gegevens vuur 1897 deden toekomen, deden 'lil ook vuur 1898, terwijl ik aannam, dat bij de overige de beplante oppervlakte in dezelfde mate was toegenomen als bij de andere. Zoodoende kan men de te oogsten aanplant berekenen uit de volgende evenredigheid: De bekende oppervlakte van aanplant 1897, verhoudt zich tot de bekende oppervlakte van aanplant 1898, als de totale oppervlakte van aanplant 1807 tot de totale oppervlakte van aanplant 1898. Daar de totale aanplant van 1897 nu bekend is, is die van 1898 als volgt te berekenen. Noemt men de netto oppervlakte van aanplant 1898 = y, de bruto oppervlakte = y!» daa vindt men voor Oost-Java: 51521 : 54495 = 53175 : y 57710 : 610(50 = 59562 : yi of wel : y = 56244 bouw (31)913 U. A.), y' = 63019 ■ (44721 » » ) dus netto aanplant 1898 Oost-Java = 56244 bouw (39913 11. A.) bruto » » » » = (33019 * (44721 » » ) Voor Midilen-Java vinden wc op dezelfde manier: 22673 : 22690 = 24982 : y 25192 : 25169 = 27759 : y 1 dus : y = 24976 y' = 27733 Hierbij rekeninghoudende met het sluiten der fabriek Keboemen, dan krijgen wij: netto aanplant 1898 Midden-Java = 24015 bouw (17468 11.A.) bruto » » » » = 27328 i (19396 » » ) Voor West-Java krijgen we dan: 10084 : 10944 = 16433 : y 11523 : 12529 = 18778 : yi dus W. C. Dickhofl'. De nut suikerriet beplante oppervlakte van Java 387 netto aanplanl 1898 West-Java = L7834 houw (4*2656 H.A.) bruto » » i » = 20417 » (14489 »» ) Tellen wij deze drie uitkomsten op, dan vinden wij: netto aanplant 1898 van geheel .lava = 98093 (70037 H.A.) bruto » » » » » = 140764 (78003 »» ) Herhalen we ter controle de berekening voor geheel .lava in eens, dan vinden wij: 84278 : 88135 = 91713 : y 94425 : 98758 = 100110 : y'. waaruit y = 99047 bouw y' = 110985 » hiervan afgetrokken de aanplant van Keboemen dan krijgen wij: nette aanplanl 1898 van geheel Java 98080 bouw (70032 H.A.) bruto » » » » » 110580 » (78473 »» ) en van deze uitkomsten het gemiddelde genomen, geeft: netto aanplant 1898 van geheel Java «8090 bouw (700:'ó H.A.) bruto „ , „ „ „ 110072 „ (78538 „„ ) dus een toename van bijna 4 %. Berekenen wij nu de uitgestrektheid der aanplantingen residen tiesgewijze, dan verkrijgen wij de volgende cijfers. Alle fabrieken in de residentie Bezoekt gaven de gevraagde inlichtingen en badden een aanplant van: 1897 netto 6535 bouw (4038 H.A.), bruto 7224 bouw (5120 H.A.) 1898 » 6577 » (4667 »» ). » 7281 » (5107 »» ) In de residentie Probolirujgo bedroeg de aanplant van 13 fa brieken in 1898 7571 bouw netto of 8350 bouw bruto, terwijl in 1897 aan hoofdsuiker 638233 pikol geproduceerd werd. De totale opbrengst aan hoofdsuiker in Probolingsjo bedroeg 681465 pikol, dus bij benadering zal men de geheele oppervlakte vinden, doer de 681465 bekende oppervlakte met -te vermenigvuldigen. 638233 Wc krijgen zoodoende, vergeleken met het vorige jaar: 1897 netto 7673 bouw (5445 H.A.), bruto 8497 bouw (6030 H.A.) IS9S » 8083 • (5736 » »), » 8922 » (6331 » » ) Uit Pasoeroean kregen we van 15 fabrieken inlichtingen en vinden een aanplant van: 1897 netto 6860 bouw (4872 11. A.). bruto 7052 houw (5430 11. A.) 1898 » 7252 » (5146 » »), » 8072 » (5728 » » ) Van de Soerabaiasehe fabrieken gaven 35 de grootte van hun aanplant op en berekenen wij: 388 W. C. üickhuff. Do met suikerriet beplante oppervlakte van Java, 1897 netto 20754 bouw (14728 H. A.), bruto '23482 bouw (16664 H.A.) 1898 » 21981 i (15599» »), » 24843 » (17630» ») Van de residentie Kediri werden de opgaven van 14 fabrieken ontvingen, op dezelfde wijze berekend, krijgen we: 1897 netto 8291 bouw (5884 11. A.), bruto 9274 bouw (0581 11. A.) 1898 » 8962 » (6360 » »), » 10040 » (7125 » » ) De 6 fabrieken in Madinen, die allen inlichtingen gaven, hadden een aanplant van: 1897 netto 3034 bouw (2153 H.A.), bruto 3410 bouw (2420 H.A.) 1898 » 3381 * (2399 » »), » 3860 » (2739 » ») De eenigste fabriek in Rembang had een aanplant van: 1897 netto 188 bouw (133 EL A.), bruto 208 houw (148 H. A.) 1898 » 186 » (132 » »), » 206 > (146 i » ) Van de 11 fabrieken in .lapara verstrekten 8 de gewenschte inlichtingen, volgens de bekende berekening vonden wij: 1897 netto 5726 bouw (4063 H.A.), bruto 6654 bouw (4722 H.A.) 1898 » 5888 » (4178 »» ), » 6796 » (4823 »> ) Van Hemaranq werden 3 opgaven ontvangen en vinden wij: 1897 netto 2465 bouw (1749 H.A.), bruto 2828 bouw (2007 H.A.) IS9S » 2571 » (1825 »» ), » 2957 i (2098 »» ) Van Solo werden volledige opgaven ontvangen: 18S>7 netto 7178 bouw (5094 H.A.). bruto 7908 houw (5612 H.A.) 1898 » 7064 » (5013 »» ), » 7677 » (5448 >» ) Van Djocja ontvingen wij van 13 fabr eken inlichtingen en krijgen dus volgens de reeds gevolgde berekening: 1897 netto 6447 'Douw (4575 H.A.), bruto 6925 houw (4914 H.A.) 1898 » 6364 » (4516 »» ), » 6934 » (4921 »» ) Van Hagelen werden volledige opgaven ontvangen: 1597 netto 933 bouw (602 11. A.), bruto 1047 bouw (743 11. A.) 1898 » 587 » (417 » »), » 651 » (462 i » ) Van Banjoemas werden 3 opgaven ontvangen en berekenen wij hieruit. 1897 netto 2443 bouw (1734 11. A.), bruto 2718 bouw (1929 H.A.) 1898 i 2436 » (1729 » »), i 2698 i (1915 »» ) Ook Pekalongan verstrekte volledige inlichtingen: 1897 netto 2548 bouw (1808 H.A.), bruto 2825 bouw (2005 H.A.) 1898 » 26j6 i (1885 » »), » 3001 » (2130 » » ) Van Tegal werden 7 opgaven ontvangen van 11 fabrieken en vinden wij: 1897 netto 6674 houw (4730 11. A.), bruto 7591 bouw (5387 H.A.) 1898 » 7183 » (5097 »» ), » 8104 » (5751 »» ) 389 W. C. Dic:':!i ift'. Do mif iiikvriïi biplinh op?erfl;ikto van .Tav.i Ten slotte kregen we van Cheribon de minste opgaven en wel 7 van de 15 fabrieken, wij berekenen hieruit: 1897 netto 7446 bouw (5284 H.A.), bruto 8763 bouw (6219 11.A.) 1898 » 8426 » (5979 •» ), » 9920 » (7040 »■ ) Recapituleerende vinden we: 1897 1898 netto bruto netto bruto Bouw lI.A. Houw II.A. Bouw H.A. Bouw H.A. Bezoeki 6535 4638 7224 5126 6577 4667 7281 5167 Probolinggo 7673 5445 8497 6030 8083 5736 8922 6331 Pasoeroean 68Ö6 4872 7652 5430 7252 5146 8072 5728 Soerabaia 20754 14728 234»2 16664 21981 15599 24843 17630 Kediri 8291 5884 9274 6581 8962 0300 10040 7125 Madioen 3034 2153 3410 2420 3381 2399 3860 2739 Rembang 188 133 208 148 186 132 206 146 Japara 5726 4063 6654 4722 5888 4178 6796 4823 Semarang 2465 1749 2828 2007 2571 1825 2957 2098 Solo 7178 5094 7908 5612 7064 5013 7677 5448 Djocja 6447 4575 6925 4914 6304 4516 6934 4921 Hagelen 933 662 1047 743 587 417 651 462 Banjoemas 2443 1734 2718 1929 2436 1729 2698 1915 Pekalongan 2548 1808 2825 2005 2656 1885 3001 2130 Tegal 6674 4736 7591 5387 7183 5097 8104 5751 Cheribon 7446 528*4 8763 6219 8420 5979 9920 7040 95201 67558 107006 75937 09597 70t)78 111962 79454 De op deze wijze verkregen cijfers voor de totale beplante oppervlakte wijken eenigszins af van de hierboven verkregen, hoe wel het verschil slechts gering is. Daar bij enkele residenties veel opgaven ontbraken kunnen de eindresultaten niet even nauwkeurig zijn, dit blijkt hieruit, dat het grootste verschil is waar te nemen in Midden- en Oost-Java, de gedeelten van Java, waarvan de meeste opgaven ontbraken. Binnen kort volgt de berekening van de sui kerproductie der verschillende residenties. 390 W. C. Dickhoff. De met suikerriet beplante oppervlakte van Java MEÜEDEELINGEN UIT EN VOOR DE PRAKTIJK- BUITEN VERANTWOORDELIJKHEID DER REDACTIE. VOORLOOPIGE MEDEDEELINGEN OMTRENT EENIGE * RIETZIEKTEN. Aangezien er óp het oogenblik verschillende rietziekten ge constateerd worden, die een te vroegtijdig afsterven der stokken tengevolge hebben en ook de hieronder volgende regelen liet hunne kunnen bijdragen tot opheldering dezer zaak en aan den anderen kant aanleiding kunnen geven tot verdere opmerkingen, zoo geef ik reeds nu eene voorloopige mededeeling over mijne onderzoekin gen. Deze mededeeling beperkt zich tot feiten, die ik in West-Java heb opgemerkt. Er bestaan zeer verschillende ziekten, die hetzelfde gevolg heb ben n.l. te vroeg afsterven van het riet, maar die door verschillen de oorzaken teweeggebracht worden. Tot onderscheiding dezer ziekten kan misschien de onderstaande tabel hare diensten bewijzen. Wanneer volwassen riet te vroeg sterft, dan komen, als de oorzaak van het afsterven niet aan typische sereh ligt, de volgende gevallen in aanmerking: 1. De oppervlakte der geledingen is normaal . . . . zie '2. De oppervlakte der geledingen is met zwarte punten en wratten bezet, het parenchvm onder deze zieke plaatsen gelegen is gekleurd A. Diplodiaziekte. 2. Op de overlangsche doorsnede van het riet ziet men gekleurde (roodc, witte en zwarte) wolkachtige plekken B. Rood snot. Op de overlangsche doorsnede ziet men op de knoopen gele ol roode streepjes, evenals bij sereh . C. Zeefoatenziekle. Op de overlangsche doorsnede ziet men noch roode strepen, noch gekleurde vlekken zie IK 3. De wortels zijn zeer onregelmatig vertakt, voor het grootste gedeelte gestorven. Bij zwakke vergrooting vindt men in den bast der wortels op de grens tusschen de zieke en de gezonde plaatsen aaltjes. D. Aanval van Tylenchuss De stengel verrot van onderen, de rottende geledingen rieken zeer sterk zuur, tusschen en in de cellen zijn reeds bij zwakke vergrooting koloniën van dicht opeen liggende bacteriën zichtbaar E. Bacleriosia, liet is zeer goed mogelijk, dat er op Java nog andere rietziek ten hcerschen, die het riet vroegtijdig doen afsterven en daarom zou ik den Heeren planters gaarne verzoeken mij, in geval het riet op hunne ondernemingen te vroeg afsterft, materiaal daarvan te willen zenden. Van de genoemde vijf ziekten schijnt de Diplodiaziekte tamelijk zeldzaam voor te komen, daarentegen wordt de grootste sehade ver oorzaakt door rood snot en de zeefvatenziekte. Ten opzichte van het rood snot verwijs ik naar de daarover gepubliceerde verhandelingen van Went *) en van mij "). terwijl ik over de zeefvatenziekte het volgende kan mededeelen. In riettuinen, waarin sereh te bespeuren is en waar het riet goed is opgegroeid, komt het dikwerf voor, dat reeds gedurende den regentijd, b.v. reeds in Februari do onderste bladeren van het riet abnormaal verdrogen. Die bladeren vertoonen droge strepen of banden, van verschillende breedte, dikwijls is de basis van het blad meer verdroogd dan de top; verder zijn die verdrogende bladeren tengevolge van eene kleine schimmel donkerder gekleurd dan die, welke op normale wijze of tengevolge van rood snot afsterven. Op de doorsnede van het riet ziet men op de knoopen geelachtig roode of roode strepen loopen, die er juist zoo uitzien als die, welke men bij serehziek riet constateert. Het gedetailleerde onderzoek leert, dat als eerste ziekteverschijnsel eene stolling gevolgd door eene geel kleuring van den inhoud der zeefvaten en der geleidecellen van den stengel optreedt, vervolgens vertoonen er zich abnormale nieuw vormingen in de parenchymcellen en verstoppingen in de met lucht gevulde ruimten en watervaten. Dit anatomische ziektebeeld is geheel identiek met dat van door serehziektc aangetast riet, evenwel heeft het onderhavige riet tamelijk goed uitgegroeide geledingen, terwijl noch de oogen. noch de luchtwortels uit loopen; het sterft daarentegen vroegtijdig. De hier beschreven ziekte komt in het bijzonder voor bij de zoogenaamde screhvrije rietvarirtoitcn. zooals bij Manilla-, Muntok en Batjanriet. Deze soorten worden gewoonlijk uitsluitend in de ') Archief 1893, 265. *') Archief 1188 392 Mededeelinffcn uit en voor ile praktijk laagvlakte aangeplant, maar op ééne onderneming zag ik, dat ook uit bergbibit voortgekomen riet deze ziekte vertoonde. Men zou geneigd kunnen zijn, gelijk ik ook bij de eerste on derzochte stokken, die door deze ziekte waren aangetast aannam, haar voor een bij zonderen vorm van sereh te houden en wel den vorm, waaronder deze ziekte bij de zoogenaamde serehvrije variëtei ten optreedt. Zij zou dan overeenkomen met het type 4 van Went *), maar bij de onbekendheid der oorzaak van de sereh ziekte laat zich zulk eene meening evenmin bestrijden als bewijzen. Wat nu de oorzaak dezer ziekte aangaat, zoo zijn er in de nog lerende geledingen geene schimmels aanwezig, in de paren - chymeellen der oudere knoopeu komen echter bacteriën voor. Het is mij evenwel in twee reeksen van proeven niet mogen geluk ken door enting van kleine stukjes van die door bacteriën bewoon de knoopen in gezonde stukken riet, de zoo karakteristieke ziekte der zeefvaten in de knoopen te doen ontstaan, waardoor het blijkt, dat deze bacteriën niet de oorzaak der ziekte zijn. liet blijkt duidelijk uit het anatomische ziektebeeld, dat wij hier evenals bij de serehziekte, met eene stolling van den inhoud der zeefvaten, gepaard met eene chemische verandering van dier* inhoud (verdwijning van de leptomine) te doen hebben. Daar er noch bij de zeefvatenziekte, noch bij de sereh in den stengel orga nismen te bespeuren zijn, zoo wordt die stolling door een dif fundeerbaar oplosbaar lichaam, kortom door een vergif teweeg gebracht. Verder kan men uit het verloop der roodgekleurde vaatbundels besluiten, dat het vergif, dat oorzaak is van de stolling van den inhoud der zeefvaten, uit de bladeren en niet uit den stengel in de knoopen komt. (Alleen bij hevige serehaanvallen gaat de ziekte ook van den stengel over in de jonge zijspruiten). Dit vergif of eventueel het organisme, dat dit vergif afscheidt en niet in den stengel kan worden aangetoond, kunnen wij alleen met behulp van speciale, gemakkelijk begrijpelijke proefnemingen loeren kennen, die nu aangevangen, maar nog niet afgesloten zijn. Tot dusverre is het aan te raden geen bibit van zieke tuinen te nemen, hoewel aan den anderen kant de boven medegedeelde waarneming van een optreden der ziekte in met bergbibit (Manil lariet) beplante tuinen, zeer ontmoedigend werkt. Van het voorkomen op Java der ziekte, welke ik hier met den *) Archief 1893, 430. Mededeelingen uit en voor de praktijk 393 naam bacteriósis aangeduid heb, is tot heden in de litteratuur nog niets bekend. Daar ik echter daardoor aangetaste exemplaren zoo wel uit Cheribon als uit Japara ontvangen heb; schijnt zij toch op .lava reeds verspreid te zijn. Cobb ') beeft eene in Australië voorkomende rietziekte, die door bacteriën veroorzaakt wordt en welke daar veel schade aanricht, be schreven. Het is jammer, dat de beschrijving dezer Australische gomziekte niet geheel duidelijk is on er daarin vele tegenstrijdigheden voor komen, zoodat ik voorloopig de op lasra voorkomende ziekte niet met de Australische vergelijken kan. Cobb deelt mede, dat de bac teriën der Australische gouiziekte in de vaten groeien en zich daar verbreiden, maar de kleine hoeveelheid van Cocn ontvangen spiritusmateriaal der ziekte, die ik hier onderzoeken kon, wasdaar mede niet in overeenstemming. Wij kennen op .lava reeds eene andere ziekte, waarbij bacteriën eene rol spelen, nl. het toprot "). Daarbij vermeerderen de bac teriën zich tusschen de jonge, nog te zamen gedrongen bladseheeden en dringen eerst, in voor hen gunstige gevallen, in den top vanden stengel. De deelen der weefsels, die aan de bacteriën-koloniën grenzen sterven af, verrotten en verspreiden daarbij een sterken, aan haringpekel herinnerenden geur. (ielieel anders is dit bij de bacteriósis. Hierbij dringen de bac teriën door kleine wondjes in het worteleinde van den stengel bin nen, vermenigvuldigen ziel: zeer sterk eerst in de luchtholten der geledingen en gaan door deze heen over in de hoogere gele dingen. Hier «hingen zij in de parcnehymcellen binnen en vermeer deren zich daar zoo sterk, dat de inhoud van vele dier cellen ge heel in eene slijmachtige bacteriënmassa veranderd wordt. Bij een verder gevorderd stadium dei' ziekte, verrotten de onderste gele dingen, dus vooral het worteleinde en er blijven dikwijls niets meer dan de houtachtige bastdeelen der vaatbundels over. Tegelijkertijd ontwikkelt er zich, ten deele ook tengevolge der werking van tevens binnengekomen schimmels een sterk zure geur. Met het oog daarop, dat in Australië de gomziekte belangrijke schade aan het rietgewas heeft toegebracht, is het van het grootste *) Archief 1894, 551, 810. *•) Archief 1897, 611. Wakker en WEKT. Ziekten van het Buikerriet, 64. Verslag l'rnefstiition Oust-Java 1897, 62. Mededeelingen uit en voor de praktijk 394 belang aan de hier voorkomende bacteriosis onze volle aandacht te wijden. Aangaande het afsterven der rietwortels door Tylenchns sacchari veroorzaakt, kan ik niet beter doen dan verwijzen naar de onder zoekingen van SOLTWEDEL ') op dit punt, waaraan ik niets verder kan toevoegen. Dr. M. Raciborski. Kagok Tegal, 12 April 1898. DIVERSE MEDEDEELINGEN. Over de oorzaak der serehziekte van het suikerriet [Een critici; op den arbeid en theorie van Wakker./ door Dr. W. KKiiiiKH. Directeur van de bacteriologische afdéeling van het Proefstation voor Agricultuur-chemie te ll alle aIS. Nadat de stortvloed van meeningen omtrent de oorzaak der se rehziekte van het suikerriet door het werk van do proefstations op .lava, na 189U, eenigszins had opgehouden, bleven in hoofdzaak twee meeningen omtrent de waarschijnlijke oorzaak der gevreesde ziekte over, die beide het parasitisch karakter en het aangetast zijn der vaten in den stengel als een opmerkenswaardig symptoom (hoe wel van deeene zijde het laatste slechis als een secundair verschijn sel) deden uitkomen. Deze waren: 1. Beschadiging van de wortels van het suikerriet door nema toden (Tylenchus sacchari Soltw. en Heterodera radicicola Muller **) volgens Sojltwedel. 2. Vernietiging der vaten in den stengel door bacteriën en verstopping daarvan door hars, gom etc. dus bacteriosis van den stengel volgens den schrijver van deze critiek. Na dien tijd zijn er slechts twee verhandelingen verschenen, die toen de bovengenoemde opvattingen opkomen, n. m. die van Went '") en kort geleden die van Wakker -}-). Heeft de eerste, die de oorzaak der serehziekte meent te moe- ) De serehziekte. ) Een Het. Javanica Treul> bestaat niet, daar liet scheppen van deze soort op een vergissing in de meting berust. *'*) Archief 1893, blz. 4-J5. •j") id 1897 , 118. Mededeelingen uit en voor de praktijk 395 ten zoeken in de gelijktijdige beschadiging 'lor wortels van het suikerriet door nematoden en in die door een seinmmel op de bla I scheede (Hypocrea sacchari Went) niet veel ernstige aanhangers gevonden, zoodat een verilere bespreking daarvan hier onnoodig blijkt en slechts in zoo verre vereischt wordt als de tweeile zich op aanhalingen, welke in die verhandeling voorkomen, beroept, zoo is het niet onwaarschijnlijk, dat de laatste onverdiend aanhan gers vindt, waarom hier de verkeerde veronderstellingen nader toe gelicht zullen worden. Terwijl Went zich aan de zijde van die onderzoekers plaatst, welke de serehziekte een parasitisch karakter toekennen, komt Wakker teg>n deze meening op en overeenkomstig daarmede groepeeren zich de hoofdstukken van zijne verhandeling om twee punten n. m.: Wederlegging van de bijna algemeen verbreide meening, dal de serehziekte een parasitisch karakter bezit en het opstellen van een nieuwe theorie, volgens welke de oorzaak der ziekte van een niet-parasitische natuur is. Volgen wij Wakker, deze beide cardinale punten in het oog houdende. I. De besmettelijkheid en de hypothetische serehparasiet Na algemeene opmerkingen, in 't bijzonder over besmettelijke ziekten en nadat hij aangehaald heeft, dat door Went werd aange toond, dat alle meeningen van vroegere schrijvers omtrent de oor zaak der serehziekte niet zijn volte houden, gaat Wakker over tot het opnoemen van eenige suikerrietparasieten om de ook volgens hem zeer onwaarschijnlijke theorie van Went te weerleggen. Hierbij wordt vermeld, dat hij de Hetcrodera van Treüb niet in de suiker rietwortels gevonden heeft en dat deze hoogstens tot de zeldzame parasieten dezer plant behoort, en verder „een parasitische Tylen chus-soort heeft nog geen mensch gezien" en later op blz. 162 „eene parasitische Tylenchus-soort bestaat niet". De onderzoekingen van Soltwedel zoo onrechtvaardig te beoordeelen, als Wakker het met de laatste bewering doet, is verbazend, ja men zou, had Wakker niet verscheidene onderzoekingen over wortelschimmels van het suikerriet gepubliceerd, geneigd zijn te vragen, of hij wel veel rict wortels onderzocht heeft? Tylenchns sacchari Soltw., een typische suikerrietparasiet, komt op Java toch niet zoo zeldzaam voor. Men moet liet werk van Soi/Twedel niet te gering achten! Heterodera radicicola (11. Diverse metecleelïngert 396 lavanica bestaat niet) komt in West-Java, hoewel niet dikwijls, toch hier en daar op suikerriet en dan plaatselijk, zelfs veel voor; ZOO ken ik eenige velden in de nabijheid van Kagok, waai- zij talrijk aangetroffen werden en volgens preparaten, die ik bij Soltwedel zag, moet dit ook in Midden-Jaya het geval wezen. Nadat Wakker zoo de enkele rietparasieten de revue he■>ft laten paseeren en tot het besluit is gekomen, dat geen der bekende parasieten van het suikerriet de oorzaak der serehziekte is, stelt hij de vraag: fs het nu waarschijnlijk, dat er nog een parasiet van liet riet zoude bestaan, die de meest gevreesde en de meest alge meene ziekte zoude veroorzaken en die aan alle onderzoekers ont snapt zoude zijn. Dat kan men zich echter moeilijk voorstellen, daar schimmels en dieren hun aanwezigheid zeer snel verraden en er zouden volgens WAKKER alleen nog de bacteriën overblijven, waarmede hij echter spoedig gereed is. Volgens hem is daarover voorloopig door Went genoeg gezegd (hl/.. 120) en bevat het werk van Went een grondige weerlegging der bacteriëntheorie, waarmede hij bel geheel eens is en noemt daarom deze theorie, ineen noot aan den voet van blz. 115, onjuist. Is Wakker met Went daartoe gerechtigd.' Ik geloot' het niet, ik zoek tenminste bij Went tevergeefs naar de grondige wederlegging. Wanneer Wakker beweert dat het feit, dat tot uu toe nog geen parasiet gevonden is, niet voorde aanwezigheid daarvan pleit, dus ook niet voor de besmettelijkheid der ziekte, wil ik dit wat hoogere parasieten (hoogere schimmels, diereu) aangaat toegeven, voor bacteriën mist dit beslist allen grond, daar veel soorten moei lijk te vinden zijn en het kweeken daarvan veel bezwaren heeft: daarbij komt. dat de onderzoekingen in deze richting ten behoeve der serehziekte, ronduit gebrekkig genoemd moeten worden. is de mogelijkheid niet voorhanden, dat het organisme op onze ot op de tot heden op Java in gebruik zijnde voedingsbodems (gelatine of agar-agar, de laatste alleen of gemengd met de eerste, leent zich voor een klimaat zoo als Java heeft) niet gekweekt kan worden, ot zoude het niet zeer goed mogelijk zijn, dat wij de voor waarden tot zijn cultuur tot nu toe nog niet kennen? Zou het den heeren Wakker en Went met bekend zijn, dat er talrijke bacte riën bestaan, die tot nu toe nog niet gekweekt kunnen worden? Zijn vele pathogene bacteriën niet buitengewoon moeilijk te cultivceren? Doch afgezien hiervan is voor alles de vraag van belang: Wat Diverse mededecliDgen 397 is tul n|) heden gedaan, wal de cultuur betreft van de vermoede lijke serehbacterie? Wakkeh en Went, zoo fcfitickloos als zij te werk gaan, gelooven toch niet, dal mei dé proeven van Janse ën Vai.kton, die zelfs met een bescheiden kennis van onze hedetldaag sehe bacteriologische onderzoekingsmethoden spotten, alles in deze richting ten einde gebracht is. Het is waarlijk verwonderlijk] «lat niemand het nog gewaagd heeft, liet verkeerde van de doof de Laatstgenoemden gevolgde me thode, in zooverre zij de cultuur der bacteriën betreft, duidelijk te maken, doch nog meer te verwonderen is het, daler personen zijn. welke die resultaten op eene wijze beneden alle critiok als grond slag voor nieuwe theoriën aanvoeren en als wapen tegen andere meeningen gebruiken. Men leze slechts het voorschrift voor die onderzoekingen hij Vai.kton* ') of Janse -[-). Valeton zegt (blz. "}): „De methode dei- onderzoeking was dezelfde, welke door Janse op hlz. 8 van zijne hierboven aange haalde verhandeling beschreven wordt. De uitgesneden en in tweeen gespleten geledingen werden gedurende een halt' uur in liet apparaat van Koch hij 100° verhit en 1 24 tot 48 uur daarna onder zocht. Op de snijvlakto kwamen dan slijmdroppels, welke bac teriën bevatten, te voorschijn. Van de onderzochte stengels werden eenigè zorgvuldig van den aauklcvenden grond gereinigd en met sublimaatoplossing gewas silieu. Daar het echter bleek, dat deze behandeling niet den ge ringsten invloed op het ontstaan van het bacteriën slijm had en daar uit, den toevallig aanklevenden grond nimmer bacteriën te voor schijn kwamen, (reeds zeer karakteristiek Ref.) werd zij in het vervolg nagelaten." Het moet toch ieder, die iets af weet van baeteriëneultuur, duidelijk zijn, dat in de culturen van Janse en Valeton zich slechts die bacteriën konden ontwikkelen, waarvan de sporen aan een temperatuur van 100° C. weerstand kunnen bieden. Kan zonder meer aangenomen worden, dat de vermoedelijke serehparasiet zulke sporen bezit? Ik geloof, dat het voor die onderzoeking zeer karakteristiek is. dat de beide genoemde schrijvers hunne nasporingen op deze wijze begonnen en verder doorzetten en dat Valetom in het naschrift van ) Baete'lolosrlsoh onderzoek van rletvuriëteiten. "T ) Voorkomen van bacteriën in suikerriet. Diverse me<ieilwlin£-en 398 zijne eerste verhandeling verklaarde, dat de bacteriëncultuur uil, 4erehziek riet ook bij talrijke proeven zonder positief resul taal bleef Maar waar vandaan kwamen dan opeens de bacteriën, nadal .Iwsi; zijn invloed op Valeton uitgeoefend had? Md allo achting voor de eerste onderzoeking van Valetonkan het antwoord nietanders zijn, dan dat deze vóór hot ingrijpen van Jansk nog slechter onderzocht moet hebben ilan daarna, daar hij destijds niet eens bacteriën vond, in waarschijnlijk toch ongekookt suikerriet, later in het on 100" ver warmde overal; hij had dus niet eens de sporen vormende bacterie gevonden. Het is onder deze omstandigheden verwonderlijk, dat de Raeil lus sacchari Jansk overal daar gevonden werd waar ni"ii licni zochl en zijn ontdekker (!), ooi hem als een parasiel van liet. suikerriet te kunnen aanwijzen, tot een vermakelijke hypothese zijn toevlucht moest nemen n.m. tot die. dat deze splijtzwam gewoonlijk en in 't algemeen in een symbiotische verhouding tot het riet staal en alleen iu bijzondere gevallen parasitair werd. Zulke onderzoekingen nu moeten volgens Wakkkk en Went de vraag beantwoorden of bacteriën de oorzaak derserehziekte zijn! 01' hebben soms de enkele opmerkingen van WENT of die van Wakkkr ten doel een ernstig onderzoek in deze richting legen Ie houden. Kortelijk wil ik ten slotte ook nog de gronden vermelden, die WAKKER aanvoert tegen de parasitische natuur der serehziekte. Volgens blz. 120 zon men allereerst tot de onderstelling komen, dat alleen het Gheribonriet door de serehziekte aangetast wordt, terwijl in werkelijkheid toch een reeks rietsoorten, ja zells die uit zaad verkregen, daarvan min ot' meer te lijden hebben, ecnige zelfs meer dan het Gheribonriet. Ligt in het bevrijd blijven van verschil lende rietvariëteiten — in werkelijkheid zijn het er slechts enkele — en van de wilde saccharnmsoorten werkelijk zoo iets opmerkens waardigs, dat men daaruit besluiten mag, dat de ziekte geen pa rasitair karakter bezit, men zou meenen, dat het feit, dat zeo vele rietsoorten spoedig na hun invoer op Java, nadat zij eerst gezond waren, door de ziekte aangetast werden, juist spreekt voorde waar schijnlijkheid van het tegendeel. Waarom zonden er geen suikerrietvariëteiten bestaan, waarop de vermoedelijke serehparasiet geen of geen merkbaren invloed uit oefent. De serehparasiet maakt daardoor toch peen zoo zeldzame uitzondering op den regel, dat bijna alle schimmels en vele dieren, 399 DWerse medeHeeliDgen die als suikerriet vijanden bekend zijn, gelijktijdig 0 p de meest ver schillende variëteiten en ook op wilde soorten gevonden worden of tenminste daarop zijn over te brengen. Niet alleen bij suikerriet, doch ook bij alle andere cultuuiplanten zijn zulke uitzonderingen van parasieten bekend, daarbij komt, dat men de serchparasiet, door bet onvolledige of' onnauwkeurige onderzoek, nog niet eens kent. Hij de nu volgende inedodceliugen over Preanger- en Malang plantriet dient opgemerkt, dat de onvoldoende kennis der sereh ziektc en het op elkander gelijken van menig ziekteverschijnsel van het suikerriet, het optreden dor serehziekte niet altijd met de noodige duidelijkheid laten onderscheiden. Ken ding staat echter onomstootclijk vast, dat deze ziekte door ziek plantmateriaal op verschillende plaatsen ingevoerd werd en dal zij zich dan. nuk wanneer van het ingevoerde riet geen bibit uitgeplant werd, snel verspreidde, sneller dan met de natuurlijke verspreidingswyze der ziekte overeenkwam. Waar eenmaal de ziekte heerscht, daar zal zij ook zonder bestrijdingsmaatregelen toenemen, terwijl door deze hare uitbreding verhinderd wordt. Ku hoe staat liet thans met het geprezen Malangplantriei? Ver heffen zich niet steeds meer en meer stemmen, om naar andere plaatsen om te zien tot het verkrijgen van beter plantmateriaal. De gevolgtrekking die Waekeb iruiakt uit het voorkomen der serehziektc in bergstreken en de vergelijking met andere suiker rietparasieten is daarom reeds zwak. omdat wij bij de serchpara siet met een geheel andere soort te doen hebben als door Wakkeb aangenomen wordt. Ofschoon ik zelf van meening ben, dat de serehziektc geen blad- of wortelziektc van het suikerriet is, zoo kan uit het feit, dat deze ziekte door de bibit overerft (beter: zich verspreidt), bef besluit in de boven genoemde richting niet als geldig beschouwd worden. Wakkkr zegt zelf, dat in dit geval van verspreiding de parasiet zich in of op de stek moet bevinden. Zouden blad- en wortelparasieten niet met de bibit verspreid kunnen worden.' Dat de parasiet nog niet gevonden is, mag ons volgens het bovenstaan de nog niet doen besluiten de ziekte niet-parasitair te noemen. Het cenige argument, namelijk de oorspronkelijke verspreiding van het Westen naar het Oosten van Java, dat volgens Wakker voor het parasitair karakter der ziekte als gewichtig of slechts schijnbaar als gewichtig zou kunnen worden aangehaald, wordt door de reeds vroeger van andere zijde opgemerkte coïncidentie, 400 Diverse mededeellDgcii. dal een ziekte van het Cheribonriet het eerst in Cheribon geconsta teerd werd, geheel ontzenuwd, daar hierdoor ook eene andere ver klaring van de verspreiding der ziekte mogelijk wordt. Wie, zooals schrijver dezes, de uitbreiding der serehziekte in West-Java van typisch parasitische natuur zelf beleefd heeft, kan ever een andere verklaring slechts het hoofd schudden. Wakker resumeert om die reden; dat het hoogst onwaarschijn lijk is, dat de serehziekte deer een parasiet veroorzaakt wordt, omdat brj onderzoekingen nog geen parasiet op een zieke plant of op een bibit, waaruit een zieke plant ontstaan moet, gevonden is, niettegenstaande alle middelen der moderne wetenschap op het onderzoek zijn toegepast, terwijl er tevens nog geen enkel bewijs is geleverd, dat de ziekte besmettelijk is, terwijl er integendeel ecu aantal omstandigheden op schijnen te wijzen, dat de beweerde be smetbaarheid onmogelijk is en er geen serehparasiet bestaat. Daar de vraag: Zijn de beweringen van WAKKER juist.' slechts met neen beantwoord kunnen worden, zoo kan het antwoord op de vraag: Waarom verwerpt hij het parasitisnous der serehziekte? alleen zijn. uit onvoldoende kennis en waardeering der werkelijke feiten, te meer daar ook de meer bijzondere vraag: Waarom komt de bac teriëntheorie hij hem niet in aanmerking? daarmede beantwoord wordt, dat dit, daar hij ze zelf niet aan een onderzoek onderwerpt, hoofdzakelijk geschiedt op grond van het werk van Went. Voor Wakker blijft na liet werk van Went nog een mogelijk heid van de oorzaak der serehziekte te weerleggen, n. m. de door Wi nt opgestelde theorie; alle andere hebben volgens hem geen be teekenis meer; toch is het van belang nu hier reeds te constateeren, dat hij aanleiding vindt de serehziekte voor een vaatziekte van den stengel te houden, maai - hiervoor een zeer gedwongen verklaring moet zoeken, volgens welke hij het parasitaire karakter van de ziekte ontkent. Is het werk van Went en zijnde opmerkingen van Wak ker in deze voldoende en steekhoudend? Geenszins. Alles hij elkaar genomen moet daarom gezegd worden dat wij, velgcns de tot nu toe gedane onderzoekingen, in 't minst niet zijn gerechtigd het voorhanden zijn van pathogene bacteriën in serehziek suikerriet als weerlegd te beschouwen, integendeel, de mogelijkheid daarvan bestaat nog even als vroeger. Het tweede en derde hoofdstuk over de praedispositie en de immuniteit der suikerrietplanten en de erfelijkheid der ziekte, die verdere bewijzen voor de opvatting van Wakker, dj,t de serehziekte Tiiverv mededeellugeil 401 niet door parasieten veroorzaakt wordt, moeten opleveren, missen hun doel geheel, daar de aanhalingen zoo weinig steekhoudend zijn, dat het noodig is, ze afzonderlijk nader te bespreken. Hij het 2° hoofdstuk wenschte ik alleen op te merken, dal K.OBUS op Banka een bladziekte van het suikerriet vond, die enkele van zijne uit Britsch-ïndië aangevoerde rietvariëteiten sterk aan tastte, andere weer niet of in geringer mate, en van Phyllochoia graminis kan ik mededeelen. dat het Tangerangriet hiervan belang rijk, tot sterke beschadiging toe, te lijden had, mij daarentegen geen gevallen bekend geworden zijn van het voorkomen dezer riet bladziekte op Cheribonriet, zelfs wanneer het naast: ziek riet van de eerste soort stond en het ook aan de ijverige nasporingen van Soltwf.del niet gelakt is, parasitaire nematoden en in het bijzon der Tylenchus sacchari—waarvan het parasitaire karakter, wel is waar, zooals wij zien. dóór Wakker ten onrechte bestreden wordt — op de wortels van Glagah, Glongong, Teboe idjoe CS. sinense?), dus bij voor serehziekte immune saccharuuisoorten. aan te toonen, een resultaat dat ook ik slechts bevestigen kan. Het is over 't algemeen in degeheele verhandeling van VVakkki: opmerkenswaardig, dat hij de feiten die hem niet aanstaan zorgvul dig uit den weg gaat, of ze verdraaid voorstelt. 11. De theorie van Wakker over i>e oorzaak der serehziekte. Het volgende gedeelte van Wakker's werk moet, in meeren deels zeer overtollige hoofdstukken, de grondslagen leveren voor een nieuwe theorie over de oorzaken der serehziekte. Waarin bestaat nu de theorie van Wakker over de oorzaak der serehziekte en w r at spreekt tegen deze opvatting? Ik wil deze beide vragen aan de hand der WAKKER'sehe ver handeling verder uiteenzetten. De eerst volgende hoofdstukken zijn getiteld: Hoofdstuk IV. De groei der wortels. » V. Het klimaat ten opzichte van den groei van het riet. » VI. De afmetingen der geledingen van het rnaalriei. » Vil. Bibit uit bergtuinen en bibit van maalriet. » VHI. De gom vorming. Hoofdstuk IV behandelt de morphologie van den suikerriet wortel en de ontwikkeling daarvan wat de uitwendige omstandig heden aangaat, en het resultaat van deze beschouwingen loopt 402 Direree mededeolingen daarop uit, dat het vermogen van een suikerrietplant om water op te nemen, in den regentijd zeer grool is, spoedig daarop lang zaam afneeml en dat zij daartoe op den leertijd van ongeveer ecu jaar uog maar in geringe mate in slaat is, daar een groot gedeelte der wortels afg storven is. Verder wordt de ziekelijke toestand en liet afgestorven zijn van het wiirtelstelsel bij serehzieke planten bevestigd, een ver schijnsel, dat echter niet altijd, zelfs bij sterk serehzieke planten behoeft voor te komen *), verder wordt het feit aangehaald, dat het wortelnet bij typisch serehzieke planten van 1 M. hoogte krachtig ontwikkeld kan zijn. terwijl aan den anderen kant bij eenjarig en op gewone wijze gegroeid riet, in Juni ot Augustus uit den grond gehaald, een groot aantal wortels afgestorven is. Dit stemt in het algemeen nuk met mijne ervaringen overeen. Het wortel stelse] der serehzieke planten is sleehls bij de z. g. bouquet-sereh niet ontwikkeld, dun en schraal; planten,die eerst.later geïnfecteerd zijn, hebben goed ontwikkelde wortels, even als gezonde planten van denzelfden leeftijd, up voorwaarde echter, dat zij door de ziekte nog niet erg beschadigd zijn. Flet hoofdstuk V behandelt t\c\\ invloed van het klimaat op den vorm en de grootte van den rietstengel. Wakkeh houdt het er voor, dat de watertoevoer voor de suikerrietplant op Java in de derde periode van haar groei (na den regentijd) voor de groote planten niet voldoende is. een verschijnsel, dat volgens hem geheel op dezelfde wijze moet werken als een gebrekkige wortelontwik keling in den drogen tijd. Hij trekt derhalve uit dit en het aange haalde uit het vorige hoofdstuk het besluit: dat het suikerriet ge durende de laatste helft van zijn groei, zonder eenigen twijfel niet genoeg water ter beschikking heeft voor een volkomen normale ontwikkeling. Hierbij moet toch de verkleining van de bladkroon van het suikerriet in den drogen tijd en ook het door Wakkkk vermelde verschijnsel, dat bij een gezonde suikerrietplant, de onderste zich die]) in den bodem bevindende wortels langer in leven blijven, eenigszins in aanmerking genomen worden! Hoofdstuk VI beschrijft de verschijnselen, die het bewijs leve ren voor de gevolgen van het in de beide vorige hoofdstukken aangenomen watergebrek en wel door opgaven en beschouwingen over de lengte der geledingen van het maalriet, die zooals bekend, *) Proefstation Oost-Javu N. S. No. 9, blz. IS, Diverse nftdedeelingen 403 duidelijk afhankelijk is van uitwendige invloeden en deze ook later tlOg door lengte en ontwikkeling getrouw doen kennen. IV grootte der bladkroon van liet suikerriet gedurende don regentijd en den daarop volgenden drogen tijd laat Wakkkh ook hier buiten beschouwing. Mij trekt uit zijn metingen de volgende besluiten : 1. De gedurende den drogen tijd (Oostmocsson) gevormde ge ledingen zijn korter dan die, welke in den regentijd (Westinoesson) gevormd zijn, d.w.z. alle op de gewone wijze gecultiveerde net planten verraden duidelijk, wanneer zij een jaar oud zijn, den invloed van den geringen watertoevoer gedurende de laatste hel ll van bun leven door de vorming van stengelleden, die veel korter zijn dan die, welke in den regentijd gevormd zijn. Een uitzonde ring hierop maken serchzieke stengels met uiterlijk zichtbare se rehvcrschijnselen; hier kan de vorming van lange leden veel snel ler ophouden ot' in het geheel niet plaats hebben. '2. Het aantal korte geledingen is naar verhouding grooter hij voor serch vatbare variëteiten dan bij die, welke voor sereh on vatbaar zijn. 3. Het aantal korte geledingen is «rooter wanneer de planten door sereh aangetast zijn dan wanneer dit niet het geval is. 4. Planten van voor sereh immune soorten, die ouder dan een jaar zijn, moeten zich zóó kiachtig beworteld hebben, dat zij veel minder onderhevig zijn aan den invloed van den drogen tijd dan éénjarige planten van dezelfde soort. De watertoevoer tot de plant kan dus gemeten wordendoor de lengte der geledingen, d. w. z., dat elke netplant een gerittgeren toevoer van water steeds verraadt door het vormen van korte ge ledingen; deze laatste zijn dus een ontwijfelbaar bewijs, dat zij zich in hooge mate onder den invloed van den watertoevoer bevinden. Hetzelfde is toch ook van toepassing op de blad- en wortel ontwikkeling ! Hoofdstuk VII, dat zich met het onderscheid tusschen bibit van in het gebergte gekweekt plantriet en bibit van maal riet bezig houdt, brengt de openbaring, dat men tot op dien tijd, ofschoon van verkeerde veronderstellingen (isoleering van den ziektehaam) uitgaande, het goede gevonden heeft in het aanleggen der bibittuinen in het gebergte tot bestrijding der serehziekte, een maatregel die op 't oogenblik het meest als bestrijdingsmiddel der gevreesde ziekte toegepast wordt. 404 Diverse mededeel ingen Volgens mijne opvatting ware het van Wakker logischer geweest, hier plantriet uit het gebergte met dat uit de vlakte te vergelijken, in plaats van voor het laatste bibit van maalriet te nemen, hij zoude ook in het eerste geval met plantriet van niet immune suikerrictsoorten, die gedurende den regentijd in de vlakte in be smette streken gegroeid zijn, tot weinig gunstige resultaten gekomen zijn, in vergelijking met dat uit het gebergte en dit kan niet aan den door hem zoo gewaardeerden grooteren regenval inliet gebergte toegeschreven worden. Waarom verkrijgt men dan van dezelfde ge zonde bibit plantriet. dat zich ten opzichte der serehziekte zoo uiterst verschillend «icdraagt, naar gelang men het plantriet in het gebergte of in de vlakte naast serehzieke planten — in het laatste geval ook gedurende vochtige perioden — kweekte. Het gebergte heeft zich ook in geen geval op den duur als serehvrij doen kennen! Berichten over den stand der plantrietaanplantingen in Malang hebben dit in den laatstcn tijd wederom bevestigd. Ken uiterlijk volkomen normale aanplant van gezonde import bibit geelt in serehslrcken bibit. die slechter is dan zulke van plant riet uit het gebergte, waarom ook niet van zulke uit de vlakte? Waarom werden importtuinen in serehstreken spoedig ziek, terwijl hctzellde riet in gezonde streken — bij dezelfde of in den zin van Wakker ongunstiger voorwaarden — nog jaren lang gezond bleef! In gezonde streken geven de in den Oustmoesson gevormde stengel toppen juist goede bibit! Waarom trad de ziekte in Oost-Java met een drogen Oostmoesson niet eerder op dan in West-Tava? Wordt dit soms reeds door den lateren invoer van het Cheri honriet aldaar vereffend .' De vraag, waarom de verspreiding der vermoedelijke serehpara siet door beperkende voorschriften voor den rietinvoer niet gestuit zoude kunnen worden of dat het bergklimaat aan hare verspreiding — ofschoon vele suikerrictziekten hier beter gedijen — niet hinderlijk zijn kan is door de oppervlakkige tegenwerpingen van Wakker niet opgelost. Aan het slot van het hier behandelde hoofdstuk resumeert Wakker: dat het verschil tusschen bibit ontleend aan plantriet uit het gebergte en bibit van maalriet uit de vlakte, uitsluitend gelegen is inde hoeveelheid beschikbaar water tijdens de vorming der oogen en met het isolement van het eerste niets te maken heeft. In het nu volgende hoofdstuk VIII: De gomvorming, maakt JVivflrfle metledeeHnjjen 405 WAKKEiïzich gereedom eennieuwe theorieop grond der voorgaande uiteenzettingen te verkondigen. Met het oog op de gomvorming bij andere planten, waarover hij eenige beschouwingen laat voorafgaan, gelooft hij, dat juist in de roode streepjes in de knoopen, die (zoo als bekend ook bij serehzieke planten) met gom gevuld zijn, het waarneembare symptoom van de schadelijke gevolgen moet gezien vrorden, welke bij onvoldoenden watertoevoer bij de daarvoor ge voelige rietsoortcn voorkomen en dat het ontbreken van dergelijke streepjes bewijst, dat de variëteil of soort niet zoo gevoelig is vuor den geringen watertoevoer', om daardoor schadelijke gevolgen te ondervinden. Alhoewel de gom bij het suikerriet, zooals Wakken zegt, bij alle nadeeligc invloeden, die op de plant inwerken en wel in wortels, bladen en stengels, zoowel bij verwonding, dus zonder medewerking van parasieten, als bij ziekten ontslaat en hieruit reeds alleen blijkt, dat de gomvorming door de plant zelve plaats vindt en dat daarvoor geene medewerking van lagere organismen noodig is, zoo is dit volgens mijne bevinding niet voldoende om hieruit tot de niet-parasitische natuur der met rijkelijke gomaf scheiding gepaard gaande serehziekte te besluiten. De gomvorming is in elk geval het gevolg van een prikkel, en dat de laatste van niet organische natuur zou kunnen zijn. wordt niet door Wakreb bewezen. Omdat de wand der vaten, waarin hij serehziek suikerriet gom gevonden wordt, vaak niet gedesorganiseerd is. maar integendeel meestal nog de oorspronkelijke teekening vertoont, is Wakker geneigd aan te nemen, dat de gom in de cellen gevormd wordt en daarna in de vaten wordt uitgestort, waai' zij pas duidelijk merk baar wordt door de roode kleur-, welke aldaar optreedt. Dat de gomvorming door ontoereikenden watertoevoer veroor zaakt wordt, is een theorie waarvoor zooals Wakker toegeeft, het hem niet mogelijk is een bewijs te leveren; toch heeft ze evenveel, ja nog meer recht van bestaan dan elke andere. Hoofdstuk IX, met het opschrift: De theorie van den heridi tairen en accumulatieven achteruitgang, behandelt de secundaire of overgeërfde ziekteverschijnselen, terwijl hel voorgaande hoofdstuk zich met de primaire of spontane ziektcsymptonren bezig houdt. Op grond der vijf voorafgaande hoofdstukken wordteen gevolg trekking gemaakt, die als eeu nieuwe theorie van df> oorzaak der serehziekte te beschouwen is. Bij een voor de scrcliziektc vatbare rietsoort, welke in de vlakte van Java op de gewone wijze in riet- 406 Diverse meéédeeliitgeil velden tot suikerbereiding verbouwd wordt, is tegen het einde van den regentijd, zoowel het disponibele water als het vermogen om water op te nemen steeds afnemende, waarvan de gevolgen door iedereen duidelijk zijn waai- te nemen, door liet kort blijven der in dien tijd gevormde sten gel leden. Maar niet alleen de lengte der leden — hier doet Wakker een merkwaardige, moeilijk te ver klaren sprong, — doch ook het weefsel van den stengel en de oogen zullen door het watergebrek in den Oostmoesson lijden; in het eerstgenoemde zoude onder dien invloed gom ontstaan, die zich in de vaten uitstort en hier eerst zichtbaar wordt. Verder neemt Wak kek aan, dat de invloed, welke tijdens de vorming der oogen gewerkt heeft, zich later op zoodanitre wijze doet gevoelen, dat de planten, welke uit die oogen ontstaan zwakker zijn dan planten ontwikkeld uit oogen, welke onder gunstiger omstandigheden ge vormd zijn. Naar gelang het watergebrek groot of klein was, zou zich de invloed op de vegetatieve nakomelingschap meer of minder doen gevoelen. Bij de eerste generatie van zulk een onder ongunstige invloe den gegroeide gezonde plant, heeft men volgens Wakker reeds met twee invloeden rekening te houden n. in. in de eerste plaats t ilc omstandigheid, dat de planten deeigenschap om gemakkelijk haar wortels te verliezen van de moederplant geërfd hebben en in de tweede plaats, dat zij zwakker zullen zijn, daar zij zich uit knop pen ontwikkelden, die onder een ongunstigen invloed ontstaan zijn. Een innerlijk zwakkere plant zal eerder op gebrek aan water reageeren dan een normale, dat wil hier in hoofdzaak zeggen: de gomvorming zal sterker zijn en de vaten zullen meer verstopt raken. Door de vulling der zcefvaten met gom zal de voedsclstroom uit de bladeren naar de wortels gestoord en de groei dezer laatsten dus belemmerd worden, terwijl tevens de watertoevoer gebrekkiger zal worden door de vulling van de houtvaten met gom, waardoor het water zich bewegen moet om de groeiende deelen van de plant te bereiken. In verband met de hypothese over gomvorming in het vorige hoofdstuk, neemt. Wakker dus een wisselwerking aan tusschen het afsterven der wortels en de gomafocheiding in de vaatbundels, en wel zoodanig, dat beide elkaar bevorderen, waarvan weder het "e -volg is. dat de gehele plant en dus ook de oogen tijdens hun vor ming een gebrekkiger watertoevoer hebben dan bij de oorspronke- Diverse medpileelingen 407 lijke plant. De stekken van zulk een plant zullen dus meer den invloed van het watergebrek ondervinden en de tweede generatie zal meer serehverschijnselen verfoonen, zoodat men op deze wijze voortgaande tot de traditioneels bouquet-seieh kan komen met uit geloopen woi tels aan den stengel en afgestorven wortels in den bodem. De theorie van Wakker lnidt in korte woorden : De serehziekte is een gomriekte van den stengel, welke niet door parasieten, maar door onvoldoenden watertoevoer veroorzaakt wordt en waarvan de invloed meer op de toekomstige generatie dan op de plant zelve werkt. De ziekte is. zooals Wakker zich uitdrukt, heriditair en accumulatief en de vatbaarheid daarvoor zoude dan eenvoudig daarop terug te brengen zijn, dat bij de gewone plant wijze de oogen der toekomstige stekken tijdens hun vorming zou danig onder den invloed van watergebrek ontstaan zijn. dat de toekomstige generatie er onder lijdt. Bij de immune soorten is die invloed of niet aanwezig, óf onmerkbaar voorhanden; bij Cheribon riet is hij zeer groot. Wakker gebruikt verder zijn theorie tot verklaring van de be kende feiten bij de serehziekte. Hoe ongerechtvaardigd het is, om het verschil tusschen bibit uit maaltinnen en die uit bibittninen in het gebergte *), dat aanleiding gegeven heeft tot het opstellen der genoemde theorie, volgens de opvatting van Wakker te ver klaren, heb ik reeds bij het hoofdstuk dat hierover handelt doen uitkomen. Alle andere aangevoerde verschijnselen hij serehzieke netplan ten, welke hij door zijn theorie tracht te verklaren, zooals: uitloo pen der worteloogcn aan den stengel, korte geledingen en waaier vormig geplaatste bladeren, uitloopen der oogen aan den stengel, die hier aan gebrekkigen watertoevoer toegeschreven worden, vin den eveneens hun verklaring bij de ernstig gemeende hypothesen van degenen, die de meerling van de parasitaire natuur der serehziekte zijn toegedaan, in gebrekkigen watertoevoer (nematodenziekte der wortels) of in een gestoorden sapstroom en wijken dus ook niet van W's wijze van verklaring af. Overigens komt het mij voor, dat de verklaring van het uitloo pen der oogen aan den serehzieken stengel niet zoo moeilijk is, wanneer men plaats hebbende veranderingen in de daarbij bchoo rende leden en de ongetwijfeld daardoor ontstane prikkel in aan- ) l'e algemeen gebruikte uitdrukking „uit bibittuinen" op deze iiluats, is eek er maar cm drukfout. 408 Diverse mededeelingi'n. merking neemt, eene verklaring, welke van die van het uitloopen der wortels niet zooveel afwijken zal. A' Argumenten. Dit hoofdstuk moet dooi' nadere toelichtingen de theorie van Wakkkh steunen en aanneembaar maken. Het komt mij voor. dat bij de bespreking van den invloed der moeder plant op de gevormde oogen en den invloed der laatsten op de nakomelingen, de vatbaarheid dor stekken voor overerving met de krachtige gesteldheid daarvan als plantmateriaal, verwisseld wordt. Dit zijn toch twee hemelsbreed verschillende invloeden. Verder worden meest zaken aangehaald, die ook door anderen tot sereh gerekend worden, hoewel meer als secundaire verschijnselen en geenszins worden ontkend. Dat watergebrek en serehziekte in nauwen samenhang met el kander staan, besluit Wakkeb uit verschillende omstandigheden en onbekommerd, of watergebrek bij de serehziekte oorzaak of gevolg is, steunt hij zijn watergebrektheorie in de eerste plaats door het volgende : Serehzieke stengels laten volgens Janse veel moeilijker water door filtreer en, dus treed! hier in de eerste plaats watergebrek op door slecht watertransport; uitloopen der oogen door deze sto ringen in de waterbeweging; gemakkelijker en vroegtijdiger afster ven der bladeren en stengels van serehziek riet in den drogen moes son dan bij gezonde planten; later optiedcn der serehziekte in Danjoemas (Kalibagor) waar een vochtig klimaat heerscht; het aantreffen van sterk serehzieke planten aan den rand der velden in de nabijheid der goten *); de verhouding der oudere oogen aan den stengel van wilde lietsoorten en die van Cheribonriet. (bij de eersten loopen zij evenmin uit als dat zij afsterven, terwijl zij bij het laatste dood gaan '*). Al deze verschijnselen houdt Wakker voor een teeken. dat i r gebrek aan water is en hij aebt bet met zijne opvatting in volmaakte overeenstemming. Wat het optreden der serehziekte in banjoemas v Kalibagor) betreft, zoo is volgens mijne inceuing het feit. dat aldaar in I*UO, IK9I en later de serehziekte zoo intensief ingreep, tot het weerleg gen van de WAKKEB'sche verklaring der serehziekte door waterge brek alleen reeds voldoende. ) Waarom zjjn dan juist bij gezond? aanpUntingen de planten aan den rand der goten dikwjjls beter ontwikkeld? ) Is waarsehijiiiijk meer een eigenschap der aoorl en resultaat der cultuur (behandeling) dun dal hel met watergeb ek en sereh in betrekking staat. 409 t)iverBe roedpdeelingen Dal de serehziekte aldaar minder nadeelig is opgetreden dan elders, zooals Wakkkk op grond van een bericht aanneemt, omdat men zich daar reeds de ervaringen, welke men elders met de sereh ziekte had opgedaan, ten nutte maakte, is een dwaling *). Het riet op Kalibagor had steeds een goede wortelontwikkeling, en daarom was nier niet de slechte wortelontwikkeling de oorzaak, doch wel liet gevolg van de serehziekte zooals zij harerzijds weder tot het ontstaan der z. g. bouquet-sereh bijdraagt. Slechts door vage onderstellingen —liet af en toe voorkomen ook van droge Oost moessons in Hanj emas — zoekt Wakkeh liet latere optreden van de sereh op Kalibagor op grond van zijn theorie te verklaren. Tot verklaring van den grooten invloed, welke de vorming der wortels op de ontwikkeling der suikerrietplanl leeft. gaat Wakker over tot de grondbewerking en het planten van riet in potten. Ik merk hierbij op. dat men, door slechte grondbewerking en beperkte bodemruimte voor de planten (potcultuur) wel minder weelderig ontwikkelde, zelfs minderwaardige planten verkrijgen kan. doch nimmer zieke planten. Dat genoemde redenen zich hij serehzieke planten bijzonder doen gelden, behoeft geen verdere verklaring en het tweede ver schijnsel is zeker niet alleen in een ontocreikendon watertoevoer te zoeken. Ten slotte komt Wakker, de ontwikkeling van gezonde plan ten uit zieke bibit eerder verklaarbaar voor, dooi' de theorie der erfelijke verzwakking ten gevolge van den korten levensduur der wortels, dan door het aannemen van een parasiet. Dat de watertoevoer op serehzieke planten van invloed is. wordt door geen aanhanger van het, parasitaire karakter der sereh be streden. Kan een parasitaire ziekte niet ook door uiterlijke invloe den in hare werking gewijzigd worden .' Er zijn zeker uiterlijke invloeden, welke de sereh in hare wer king bevorderen of verhinderen. Waren de zoogenaamde gezonde planten uit den botanischen tuin te Buitenzorg werkelijk serehvrij en de z. g. serehplanten werkelijk erg serehziek .' Ik doe deze vraag niet zonder reden, daar ik de planten gezien heb. Wat de verspreiding der sereh van West naar Oost aangaat, in overeenstemming met de verbreiding van het Cheribonriet, merk ik op hetgeen Wakkkr aanhaalt aan. dat het geenszins vast staat, ) Jaarverslagen van eau maatschappij hebben, vooral wanneer het de sereh gebit, geen U-wijzende kracht, l'ii eigen aiinschoiming kende Wakker de verhoudingen zeker niet, ju liet schijnt mij toe, dat hij vun de praktgk in 't algemeen slechts weinig al' wist. Diverse mededeelingeri 410 ja zelfs onwjarschijnlijk is, dat de sereh in de residentie Cheribon haar uitgangspunt gehad heelt, ik geloof eerder aan te moeten ne men, dal baar eerste optreden op .lava in de residentie Batavia te zoeken is. Waarom begon de ziekte dan niet op Tersana, doeh heel in het Westen van Cheribon. Overigens zij hier nog vermeld, dat ook op Ma lak ka mol zijn vochtig klimaat, serehziekte voorkomt. Van een onmerkbaar ontstaan, zooals Wakkkr liet bedoelt, kan ik bij de verspreiding dei serehziekte niet spreken, integendeel, hoe dikwijls had men niet de gelegenheid een plotseling ook sprongs gewijs optreden te eonstateeren en hel aatste bijna altijd d»or in voer van ongetwijfeld zieke bibitü! Wakker neemt aan. dat, de overeenstemming in de versprei ding der serehziekte met die van liet Cheribonriet wel niet toeval lig zijn zal, het, koml hem integendeel voor, dal juist deze ziekte, die volgens hem bijna onmerkbaar ontstaan moet zijn en langzaam de overhand verkreeg, duur de eigenaardigheden van de soort, van het klimaat, de grondgesteldheid en de cultuurwijze. het eerst daar schadelijk worden moest, waar de soorl hel langst in het groot gekweekt was. Maar wanneer deze opvatting juist ware. hoe komt het dan. dat de ziekte nn op eenmaal daar. waar zij heerseht, in meerdere variëteiten tegelijk optreedt en dat een reeks nu sereh zieke planten reeds hum op .lava gecultiveerd wordt, terwijl andere uit vreemde streken geïmporteerde soorten, kort na den invoer ziek werden. De theorie van Wakker is. voor z toverre zij het duidelijk ma ken dei- oorzaken door verklaring dei' verschijnselen ten doel heeft, een heen en weer draaien. Men ziet dit zoo heel duidelijk hij de verklaring van de opgedane ondervinding met de Hawaii'sche riet variëteiten op .lava. van ongedwongenheid kan hij deze verklaring zeker geen sprake zijn liet voor de serehziekte zeer vatbare maar „bijna onmerkbaar" aangetaste Cheribonriet vorderde een lang tijdsverloop voordat het watergebrek als serehziekte uitbrak en het riet, van ilawaii ging in korten tijd bijna dood. Volgens mijne vaste overtuiging zoude het riet van Hawaii in de van sereh bevrijd gebleven streken op Java ook nu nog goed gedijen. liet ware beter, dat Wakker, inplaats van om de verschijnse len en feiten heen te draaien, proeven genomen had. Ook gezond Cheribonriel uit Australië werd op Java in serehdistricten spoe dig serehziek. Kan Wakker mij dit door zijne theorie verklaren. in hoofdstuk XI recapituleert W'akkku: dat volgens zijne niee- Diverse medfdeelingen 411 ning de serehziekte van het Cheribonriel (waarom Cheribonriel .' Kr.) op Java een gomziekte is, die evenals vele andere goed (?) onderzochte gomziekten niet door parasieten veroorzaakt wordt en waarvan liet ontstaan op de volgende wijze verklaard moet worden: De suikerrietplantcn. welke zich in den drogen moesson uit stekken ontwikkeld hebben, krijgen gedurende den daarop volgen den regentijd volop water en na afloop daarvan niet meer dan strikt noodig is, om in leven te blijven en verder te groeien. Dit wordt veroorzaakt : l sl ". doordat in den regentijd het wortelstelsel zeer goed ontwik keld is en tegen het einde daarvan steeds meer en meer achteruit gaat, om in den drogen tijd tot een minimum gereduceerd te worden; 2 de . door het verschil in regenval tusseben de beide jaarge tijden. Deze beide omstandigheden werken op dezelfde wijze op het riet in en de gevolgen daarvan zijn : I btP .het kortblijven der in den drogen tijd gevormde geledingen; 2' l ''. de vorming van gom in de cellen der knoopen en uitstor ting daarvan in de vaten; 3 Je . een minder goede ontwikkeling der oogen, welke voor stekken dienen moeten; de laatste leveren daardoor zwakkere plan ten, die. wanneer alle omstandigheden dezelfde blijven, gevoeliger zullen blijken voor den geringeren watertoevoer. Dit alles heeft ten gevolge, dat de geledingen korter worden en de gomvorming in verhoogde mate plaats heeft. Door uitstor ting van gom in de vaten, worden deze verstopt, zoodat zoo wel de worteloogen als de oogen uitloopcn, terwijl de voeding der wor tels onder den grond om dezelfde reden minder goed zal plaats hebben en deze zich daarom nog minder krachtig ontwikkelen dan anders. Vormt zich in een der eerste stadiën der ziekte door een ge lukkig toeval een bijzonder krachtig wortelnet. dan kunnen zulke planten weder normaal of schijnbaar normaal worden, heeft er daarentegen door crfclijkcn aanleg verstopping der vaten in hoogc mate plaats, dan zal ook een betrekkelijk sterk ontwikkeld wor telstelsel het optreden der serehziekte niet verhinderen. Neemt men stekken van planten, die volkomen gezond zijn in i\vw tijd, dat zij het rijkelijkst met water voorzien worden, dan blijven de screh verschijnselen achterwege (? Kr.) en men kan op 412 Diverse medptleelinsren deze wijze ook van een gevoelige variëteit jarenlang oen gezonden aanplant verkrijgen (!!! Kr. ') Ontstaat er in een op deze wijze verkregen aanplant toch se rëh, wat vooral in den laatsten tijd herhaaldelijk is waargenomen, dan kan tlit verklaard worden door een toevallige /.wakke ontwik keling van het wortelstelsel der raoederplant of door erfelijken aanleg, die reeds (laöwezig wa< in den stok. waaruit de moeder planten ontstaan zijn, d. w. z, men is dan van ongeschikt plant materiaa] uitgegaan. (Jezuïtische schankzet tot dekking! Kr.) De immuniteit eindelijk van ecnige puikerriotvariëteiten hern-l. óf op het voorhanden zijn van een krachtiger wortelstelsel. óf op een geringere gevoeligheid voor gebrek aan water, waardoor geen gomvorming kan plaats vinden en de verstopping der vaten dus achterwege blijft, terwijl de ongen der stekken dan nuk niet onder een ongunstigen invloed staan. Serehziekte in zaadplantenkan veroorzaakt, wordendoor onvol doende wortelontwikkeling van de planl in kwestie zelve, ofschoon de mogelijkheid nog niet uitgesloten Fchijnt, dat ook de vatbiiarheid voor sereh of zoo men wil, de neiging tot gomvorming door het zaad erfelijk zijn kan. De door Wakker uit zijne beschouwingen in het slothoofdstuk XII getrokken gevolgtrekkingen, die hoofdzakelijk op de bestrijding van de serehziekte betrekking hebben, wijzen twee wegen aan en wel: Of immune suikerriet variëteiten te verbouwen, of hetCheribon rict doeltreffend te cultiveeien. Om de serehziekte in het Cheribon riet te weren, moet volgens de onderstellingen van Wakker een watertoevoer als in den regentijd, gedurende het geheele jaar. toe reikend zijn. Daar de watertoevoer van twee factoren afhankelijk is en de eene, het klimaat, niet te veranderen is, blijft alleen de versterking van de wortelontwikkeling over, om de plant in de derde periode van haar groei tegen de gevolgen van het watergebrek te beschutten. De wortelontwikkeling, volgens Wak kek een erfelijke eigen schap, die onder den invloed van uitwendige omstandigheden en vooral van de grondgesteldheid staat, zou wellicht door verbeteren der laatste minder nadeelig vooi de plant worden, toch waarschuwt * Ik zou Wakkkk aanbevelen, de houdbaarheid van ileze bewering;, die in directe te genspraak is met de arrarlng, daardoor te bewjjzeo, dat niet gezond Cheribonrlet afwisselend in den regentijd in de vlakte naast serehzieke relden, in den drogen tijd in bel gebergte, bi bittuinen aangelegd worden. Ik geloof airt, dat het dan, zelfa onder zulke volgens WakKBH gunstige omstandigheden lang duren zal, dat de geheele aanplant zwaar sereliziek is. Diverse mededeeltagen 413 Wakker er uitdrukkelijk voor, daar ook op den besten grond se rehziekte voorgekomen is. in zijne verhandelin» seen argumenten te zoeken voor min of meer fantastische grondbewerkingen, die volgens zijne meening weinig kans van slagen aanbieden. Veel meer gewiehi legt hij daarentegen uitdrukkelijk op de conclusie dat alle gevolgen van de volkomen ongegronde theorie, dat de serehziekte besmettelijk is, moeten vervallen, waarvan in de eerste plaats hel gevolg is, dat het er niets toe doet, wanneer er ergens in een voor den aanplanl van bibit gebruikte streek, serehziekte geconstateerd is of niet, om daar van daan plantmate riaal te betrekken, wanneer men slechts zeker weet (!.'), dal in het plaatmateriaal zelf geen sereh voorkomt. De inspectie van een geheele landstreek verval! nis overbodig, om plaats te maken voor een zeer nauwkeurige inspectie van de bibittuinen zelf. Wanneer men zorgt datin zijn eigen bibitaanplant geen seivh voorkomt, dan kan ecu aanplanl daarnaast zoo sterk aangetast zijn als mogelijk is. zonder dat dit van eenigen invloed op de te beplanten tuinen zul zijn. Dit laatste is zoogoed als onmogelijk, bibittuinen van Cheribon liet in de vlakte in serehdistrikten aangelegd gedurende den West moesson met gezond plantmateriaal bewijzen dit en daarom vrees ik. dat de raad van Wakker, wanneer hij in de praktijk opgevolgd wordt, de rietcultuur op Java duur te staan zal komen. Maatregelen tot afsluiting van districten kunnen volgens W ikkek nuttig zijn, in zoo verre, dat men de vermeerdering van het reeds zieke maeriaal voorkomt, echter niet om besmetting te voorkomen, wanl dan moeten ook alle zieke planten binnen het afg«*sloten rayon uitgeroeid worden, om te zorgen, dat daarvan neen bibit gesneden wordt. De invoer van serehvrije variëteiten mag onder geen vooi wendsel verhinderd of verboden worden en maatregelen tot beperking of verbod van d voer moeten als geheel en al ongegrond achterwege blijven. Dat bibittuinen zelfs onder de door Wakker gestelde beper kingen even goed zijn in serehdistrieten als in het gebergte, daar tegen spreken toch genoeg ondervindingen. Gelooft Wakker dan. dat ingeval deze bewering overeenkomstig de waarheid was. deze raad niet lang reeds vóór de verkondiging van zijne meening over de oorzaak der sereh. zon toegepast zijn geworden. Proeven in deze richting zijn genoeg genomen. liet cxeeptioncele geval door Borel medegedeeld kan zeker de Diverse mededeetingroi 414 genoemde uitspraak niet rechtvaardigen l>e, bewering, dat men van streken, waar de serehziekte beerseht, even goed plantmate riaal verkrijg n kan als van serehvrije, is slechts bij uitzondering, in geen geval in 't algemeen geldig, ja deze uitzonderingen zijn nog zeer onzeker en bijaevolg is de gevolgtrekking van Wakker, die; hierop betrekking heeft en die hij de belangrijkste noemt, zeer twijfelachtig, zoo zij niet geheel vervallen moet. Ue slotbeschouwingen over kweekbeddingen en bet onderzoek dei' bibitaanplantingen zijn van geen belang, toch zij opgemerkt, dat, terwijl op andere plaatsen vuur oen langdurige inwerking der ziekteoorzaken (watergebrek) tot het te voorschijn roepen der ziekte verschijnselen gepleit wordt, dil hier daarentegen stilzwijgend on noodig schijnt geacht te worden. Vatten wij tot slot der beschouwingen hel resultaat daarvan nogmaals kor! samen, dan blijkt : 1. dat, de onderstellingen van Wakkeb onjuist, zijn en dal zijne meening over de oorzaak der serebziekte slechts op dearbeid van WENT gegrond is ; 2. dat de verklaring der serehverschijnselen etc. volgens Wakkkk's theorie slechts gedwongen mogelijk, ja onmogelijk is. en dat vele feiten daarmede direct in tegenspraak zijn; hij haal! een der factoren die invloed op de ziekte hebben er bij de haren bij om als hare oorzaak te fungecren. Niet de gebrekkige watertoe voer van huilen (afgestorven wortelstelsel, droge tijd) is het, die de serehziekte te voorschijn roept, daar die ook bij voldoende wa terverzorging voorkomt, zelfs haai' intocht onder zulke omstandig heden houdt, maar de aanwezigheid van ziek weefsel roept een storing in de waterbeweging der screhzieke plant te voorschijn met de daaraan verbonden gevolgen van een gebrekkigen sapstroom in de plant. Deze gevolgen worden natuurlijk bij gebrekkigen water toevoer van buiten in hunne werking versterkt en daarom onder zulke omstandigheden slechts opvallender. Wij worden daarom even als vroeger tot de opvatting gedwongen: 1. Of de serehziekte wordt door een parasiet in het zieke weefsel te voorschijn geroepen, of 2. door wortel parasieten, in het geval namelijk, dal geen pa rasieten in de zieke vaten gevonden worden en de mogelijkheid be wezen wordt, dat een stengel van onderen volkomen gezond, zon der onmiddellijke inwerking van parasieten, in het bovenste gedeel te zieke knoopen bezitten kan. Deutsche Zuckerinduslrie 1898, blz. 2-J5. Divrse mededeeliagen 415 Door Dn. 11. YVinteb is patent gcnoruci) op een procédé tot liet vermijden en verwijderen van valsch ereta bij hel. yerkoken van suikersappen en dergelijke in bet vacuüm. Rij het koken i 't zooals bekend is. bet kristallisatieproces zóó geregeld worden, dat ten slotte allo suiker uitsluitend in den vorm van gelijkmatig groote. kristallen in de yulmassa voorhanden is, de ed«»rloog dus volkomen vrij van zoogenaamd valsch grein, betgeen bij het centrifugeeren tegelijk met de afloopstfoop de cen trifuges verlaat, en verloren gaat, of bet centrifugeeren daardoor bemoeilijkt, dat het de fij-e kanalen tusschen de groote kristallen verstopt; in alle gevallen dus aanleiding tot verliezen geeft. liet valsche grein vertoont zich gewoonlijk eenigen tijd nadat versrli diksap ingetrokken is en wel hoofdzakelijk, wanneer <l<; moederloog in liet vacuüm oververzadigd is: let ontstaat daardoor, dat liet diksap met eene andere concentratie en samenstelling dan de moederloog, zich slechts langzaam daarmede vermengt, waardoor een kristal vorming plaats heeft. Hetzelfde geldt ouk voor liet bijtrekken van stroop bij I""' product-vulmassa. Het nieuwe fijne grein ontstaat, zooals de onder vinding leert, des Ie gemakkelijker, hoe grpoter het verschil is tusschen de samenstelling en de concentratie van de suikeroplos sing, die zich in het apparaat bevindt en die, welke bijgetrokken wordt, en hoe langzamer zich heide oplossingen vermengen. Bij de thans gebruikelijke inrichting, waarbij het diksap of de stroop door een enkele binnen in het apparaat aangebrachte wijde pijp naar binnen treedt, stijgen deze vloeistoffen eerst als wolken door het zwaardere medium naar boven en worden alleen door de dampblaasjes, die zich op de verwarmde serpentijnen ont wikkelen langzamerhand verdeeld, waartoe, vooral tegen het einde van het kookproces. een betrekkelijk langen tijd noodig is. pij dit procédé nu, wordt het diksap of de stroop niet zooals tot nu toe plaats heeft, door eene enkele pijp, doch door een groot aantal kleine openingen in den bodem of in de nabijheid daarvan, in het apparaat oppenomen. Dit kan b. v. door middel van korte pijpjes geschieden, die uit een buiten de pan aangebrachte spiraalvormige verdeelings- en toevoerpijp, te voorschijn komen. Hierdoor wordt een zeer snelle verdeeling van de ingetrokken suikeroplossingen, ook bij de reeds dikvloeibare kooksels verkre gen, en de moederloog gelijkmatig snel cu zeker, oveial in het ap- Diverse mededeelingon 416 paraat met het nieuw bijbetrokkene vermengd, zoodat het (uitstaan van nieuwe kristalletjes niet mogelijk is. Heelt er toch vorming van valseh grein plaats, zoo kan dit door geschikte agentiën, zooals suikeroplossing, water ot' lucht ge makkelijk verwijderd worden, wanneer het in toepassing komende middel op rlc voor het intiekken van dik<ap en stroop reeds be schreven wijze in liet kooksel opgenomen wordt. Tot nu toe werden de agentiën (diksap, dunsap, water), die in dit geval gebruikt werden, steeds door de enkele pijp aan het kook sel toegevoegd. Deze zweefden eerst als wolken in de vulmassa, verdeelden zich langzaam naar gelang der circulatie en hadden daardoor de gelegenheid, in cenige gedeelten van het kooksel, ook het regelmatige grove grein aan te tasten, terwijl op andere plaatsen waar minder circulatie plaats heeft, het valsche grein verder kon ontwikkelen en nieuwe hoeveelheden van het oplossingsmiddel noo dïg waren om dit te verwijderen, hetgeen het koken noodeloos ver traagde en telkens tot vernietiging van het goede grove grein aan leiding gaf. Bij de nieuwe werkwijze worden ook in dit geval de agentiën in gelijkmatig fijn verdeelden toestand in het kooksel opgenomen, zoodat zij zich oogenblikkclijk met de moederloog mengen en daar door slechts het gemakkelijker toegankelijke valsche grein oplossen en een verder neerslaan van fijn grein op dat tijdstip onmogelijk maken. Zoo kan de vorming van valseh grein ook bij oudere kooksels met zekerheid voorkomen worden, daar alles van de snelheid af hangt, waarmede dit bestreden wordt. Met deze methode bereikt men spoediger en met minder oplos- het beoogde doel. Het is begrijpeliik, dat de hierboven onder de agentiën opge noemde lucht, niet direct als oplossingsmiddel kan werken. Haar invloed op het valsehe grein treedt op, doordat de periodieke met korte stooten ingezogen lucht het luchtledig in het apparaat doet dalen, hierdoor het kookpunt van de vloeistof verhoogt en daardoor een snelle stijging van de temperatuur der massa veroorzaakt, waardoor het valsche grein oplost. Doch ook hier hangt het resultaat geheel af van de snelheid waarmede het gevormde valsche grein aangegrepen wordt en alleen doordat het geheele kooksel met kleine luchtblaasjes doorstroomd wordt, treedt de temperatuursverhooging, die voor het oplossen Diverse mededeelingen 417 van liet fijne grein Vereiseht wordt, in alle doelen van het kooksel gelijktijdig op. Tot nu toe werd aen verhoogirtg der temperatuur verkregen door den toevoer van bet injectie-water gedeeltelijk af te sluiten of door liet langzamer laten loopen der luehtpomp en ook wel door beide te gelijk. Deze middelen zijn echter geheel en al ongeschikt voor het beoogde doel, daar door het ontwikkelen van minder damp blazen aan de verwarmde oppervlakten der serpentijuen tevens een vermindering van circulatie plaats beeft en de temperatuursverhoo ging zich veel te langzaam aan de geheele massa mededeelt, terwijl juist een plotselinge stijging der temperatuur en een plotseling dooreen men gen tot het gewenschte resultaat voert. lüj de hier besproken methode wordt dit verkregen zonder ver andering in don gang der luehtpomp of in den toevoer van het in jectie-water te brengen, door met de hi■•rbovcn beschreven ver doi'lingspijp of eventueel door een tweede serie fijne openingen in den bodem der pan gedurende ecnige oogenblikken lucht in te zui gen, die als kleine blaasjes in het kooksel opstijgt en de geheele massa gelijkmatig doorloopt, waardoor een flinke circulatie veroor zaakt wordt. Op deze wijze brengt men een snelle te npératuurs verhóoging te weeg, zonder dat men, zooals bij de oude methoden, voor de vorming van oververbittingsp oducten behoeft te vreezen. Het inzuigen van lucht komt hoofdzakelijk dan in toepassing wanneer de werking; van het oplossingsmiddel niet voldoende meer is. of wanneer er in het vacuüm geen ruimte over is tot opname van meer vloeistof. Om deze werkwijze toe te passen kan men gebruik maken van een inrichting zooals in fig. I is weergegeven. Deze bestaat, zooals reeds is gezegd, uit een of meer uitwendig bij den bodem a der pan aangebrachte verdeelingspijpen b, welke met kleine verbindings pijpjes c, die door den bodem der pan heen gaan en zoodoende met het binnenste van het vacuüm in verbinding staan, verbonden zijn. In het geval, dat men grootere hoeveelheden afloopstroop inde pan bijtrekt en daardoor het kooksel minder oud laat vallen, waar bij dus het aanbrengen van een voorwerp in de pan niet nadeelig is, of wanneer de pan van een dubbelen bodem is voorzien, kunnen ook doorboorde spiraalvormige verdeelingspijpen in het vacuüm, direct op den bodem aangebracht worden. Het intrekken van diksap, stroop, dunsap of water heeft dom de afsluiters 1, 2, 3 en 4 plaats, bij pannen met hooge vloeistof- 418 Diverse meded»elin<ren kolom, eventueel door hydraulischen druk of door middel van een pomp. Het inzuigen van lueht geschiedt eveneens door een der ge noemde afsluiters, zij kan op de temperatuur van het kooksel voor gewarmd en bij hooge pannen zwak samengeperst worden. De suikeroplossing, die zich in de leiding tusschen de afsluiters en de pijpjes mocht verzamelen, wordt vóór dat zij uitkristalliseert van tijd tot tijd door opzuigen van lucht in de pan opgenomen of door een kleine hoeveelheid afloopstroop van lage zuiverheid, die geen suiker meer afscheidt, verdrongen. In plaats van lucht kan na tuurlijk ook van andere indifferente gassen gebruik gemaakt worden. liet voordeel van deze methode _ bestaat hoofdzakelijk daarin, dat de noodzakelijkheid om een kooksel neer te laten met valsch grein, ont staan door de minder goede wer king van een kookpan of door de onoplettendheid van het bedienend personeel, geheel vervalt, waardoor verliezen voorkomen worden. Verder heeft men het kook proces meer in zijn macht, men werkt gemakkelijker en zekerder, verkrijgt een beter grein, het cen trifugeeren heeft sneller plaats, het rendement aan l ate product is grooter en het verwerken der afloopstroop met het 1»'» product kan men verder drijven dan bij de oude methode. O. U. Zeitschr. für Z. und L. 1897 blz. 1068 De heer Winter deelt ons mede, dat hem op de boven om schreven inrichting van af 18 Sept 1896 patent voor Duitschland is verleend. Een gedeelte der inrichting is door den heer H. Naus in het Archief van 1 Jan. 1898 beschreven, welke beschrijving gedateerd was 10 Juli 1897. Divarae morte.leeHn£f*n . 419 Wij constateeren dus op grond van hel bovenstaande, dat aan Dr. 11. Winter de prioriteit boven den beer Naus toekomt. Red. De navolgende advertentie werd aan de verschillende dagbladen aangeboden. Staatsspoorwegen op Java. Oostorlijuen. Hei tarief, bedoeld in artikel l van het Gouvernements-besluït van 12 December 1897 No. 7 voor het vervoer bij overeenkomst van voor den uitvoer be stemde en verpakte suiker is met de in dat artikel omschreven reductie mede van toepassing voor de zaksuiker, afk stisz van de suikerfabrieken, die zicb vóór ol op 1 April 1898 verbonden heb ben hunne suiker per Staatsspoor af te voeren, voor zoover die zaksuiker tot den oogst van 1898 behoort en vóór Februari 1899 ten vervoer wordt aangeboden. De Chef der Exploitatie OjL. (w.g.) Alex. E. Lindo. In liet jaarboek over 1895 van liet proefstation te Hallo, dat door Maebckeb is uitgegeven, vindt men proeven omtrenl stalmestconsorveering met kalk. Opdat de waarde der resultaten van zulke proeven in een volkomen juist daglicht gesteld worde, is het wel noodig te weten op welke wijze ze genomen werden. Door Dn. B. S.iollema worden de volgende opmerkingen gemaakt. Een der proeven was als volgt ingericht: Kr werd een mengsel gemaakt van 0,5 K.G. koemest en 1,45 K.G. koeienurine en hierdoor behalve 56,2 gram kalk (N.B. zui vere CaO) nog 0,5 K.G. turfstrooisel (dus bevatte het mengsel even veel turfstrooisel als mest) gemengd. Na gedurende eenigen tijd in eenig vat (bekerglas) te zijn be waard, werd het stikstofverlies bepaald. Dat de resultaten welke zulke proefnemingen opleveren voor de praktijk geen beteekenis kunnen hebben, valt reeds terstond op, wanneer men bedenkt hoe enorm groot de hoeveelheid turfstrooisel is, die toegevoegd werd, en dat vochtig turfstrooisel in staat is, om ammoniak vast te houden. De hoeveelheid kalk is ook veel grooter dan praktisch aangewend zou kunnen worden. Ook echter wanneer praktisch geschikte hoeveelheden turfstrooi- Diverse mededcelingen 420 sel en kalk waren genomen, zoude zulk een proef geheel andere uitkomsten geven dan in de praktijk; hiervan leveren de onderzoe kingen van Wagner (zie Landw. Versuchstationen Bd. 48) eendui delijk bewijs. Bij de proeven van Maercker en diens medewerkers en de bedoelde van Wagner wordt de mest in een glazen of metalen vat gebracht, (met of zonder conserveeringsmiddel) waarin ze dan ge durende eenige maanden bewaard blijft. Luchtoirculatie is zoo goed als uitgesloten: overgieten en uit bogen met water, afgewisseld met uitdrogen, zooals bij een hoop in de buitenlucht door regen, wind en zonneschijn geschiedt, vindt niet plaats; ook blijft verwarming van eenige beteekenis achterwege, omdat de hoeveelheid daartoe te gering is. De verliezen zijn bij Wagnék's proeven dan ook geheel anders dan inde praktijk. Het verlies aan stikstof bij't bewaren gedurende eenige maanden was bij Wagner slechts zeer gering, is n.l. na 8 in landen slechts 'S pet. zonder conserveeringsmiddel. Ook wanneer Wagnek bij zijn proeven met minder kleine hoe veelheden den in kisten gebrachten mest herhaaldelijk omwerkte, waren na eenige maanden nog slechts enkele pet. stikstof verloren gegaan. De proeven, welke van wege dit proefstation (Groningen) met medewerking van den Heer G. Kling Tichelaar te Loppersum over stalmest conserveering werden genomen, hebben alle duidelijk be wezen, dat het stikstof verlies in hoopen stalmest, welke op volkomen dicht gecementeerde vloeren in de buitenlucht worden bewaard, zeer belangrijk is, n.l. na pi. m. 8 maanden ongeveer 1/3 deel verlorenis gegaan. Het verlies aan droge stof houdt daarbij ongeveer gelijken tred met dat aan stikstof. Niet alleen onze voor de praktijk maatgeven de proefnemingen spreken deze resultaten van de proeven van Wagner tegen, doch ook die van andere onderzoekers, o.a. van Pfeiffer, Müntz en Girard, Maercker, Heinrioh, enz. Het bovenstaande vermeldde ik, opdat vooral er op gewezen zoude worden, dat de resultaten van proefnemingen met kleine hoe veelheden (enkele kilos) mest, zooals ze meestal verricht zijn, geheel anders kunnen uitvallen dan die van proefnemingen onder meer met de praktijk overeenstemmende omstandigheden. Om nu te komen op de werking van kalk, wensch ik mede te deelcn, dat volgens andere onderzoekers kalk een nadeelige werking uitoelent. Diverse mpdedeelingen 421 Oorspronkelijk schijnt Payen kalkte hebben aanbevolen. Naar aanleiding daarvan hebben Müntz en (iiiiAun, in bet begin van 1893 daaromtrent hun onderzoekingen gepubliceerd, ann. agmno miques) waarbij ze tot de conclusie komen, dat kalk het verlies aan ammoniak verhoogt, zoowel bij urine als bij vasten mest. en zij derhalve het gebruik van kalk moeten on'raden. Volgens de proe ven van Joule, (Ann. de la science agronomique 1897) die met kleine hoeveelheden genomen zijn. zoude kalk het verlies aan ammo nia kale stikstof zee" verhoogen, doch daarentegen het verlies aan orgdnisch:i stikstof verminderen. De conclusie van .loulk is, dat toe voeging van kalk une mauvaise pratique is. Niettegenstaande dat het aantal onderzoekingen over het stal mestconserveeringsvraagstuk 'reeds zeer groot is verkeert het nog in een stadium van zoeken en tasten. Omtrent vele punten heerscht nog tegenspraak, en d*> weten schip heeft hier dan ook nog geen vasten grondslag voor de prak tijk kunnen vormen. Steeds meer blijkt het, dat we hier naet een zeer ingewikkeld vraagstuk te doen hebben en dat er factoren in het spel zijn, die men zich oorspronkelijk niet bewust was. en waarmede men dus geen of g-"en voldoende rekenschap hield. Ongetwijfeld kent men ook thans nog niet den invloed, welken verschillende omstandigheden en afwijkingen van de omstandigheden in de praktijk kunnen uitoefenen. Resultaten vau proefnemingen, bij welke andere omstandigheden dan die in de praktijk bestonden. als richtsnoer van de praktijk te gebruiken, moet dan ook nog als bedenkelijk worden beschouwd. Dit is o.a. ook thans weer gebleken bij de bovenbedoelde proef nemingen van dit proefstation. Bij de eerste proefnemingen werden de conserveeringsmiddelen wegens de vele daaraan verbonden moei lijkheden niet inden stal toeg:voegd, doch werd de mest van enkele dagen voorloopig tot een hoop gemaakt, die dan zoodra de hoeveel heid voldoende was definitief op den steenen vloer opgestapeld, en daarbij met de conserveeringsmiddelen werd doorstrooid. De laatste proef verschilde van de eerste, doordat d :arbij de conserveerings middelen in den stal zijn toegevoegd, dus zooals in de praktijk ge schièit. Een verschil met de eerste proeven bestond ook nog daarin, dat bij de laatste proef zoo weinig mogelijk stroo in den mest was. terwijl bij de eerste proeven de voor boerderijen met bouwland gewone hoeveelheid stroo zich in den mest bevond. Terwijl overigens de proefneming gelijk was aan de vroegere, was toen het resultaat Diverse mededeelingeft. 422 thans belangrijk anders. Het gebruik van superphosphaat had nu ten gevolge, dat de hoeveelheid stikstof in de uit de icruppen ge loopen gier, zoowel uls in de gier. welke uit den hoop sijpelde, grooter wis; /. lat superphosphaat hier eene gunstige werking had uitgeoefend. Het b;zwiar tegen deze zure conserveeringsrnidde len als superphosphaat, superphosplnatgips en zwavelzuur, waarvan in de buiten landsche vaklitteratuur dikwijls melding wordt gemaakt, dat n. 1. deze stoffen voor het vee schadelijk zouden zijn, bestaat niet voost onze stallen met diepe gruppen, waarbij de uitwerpsels zoo goed als geheel in deze gruppen terecht komen, en dus de con serveeringsmiddelen daarin worden gebracht. Waarschijnlijk zal men de conservaering in twee verschillende phasen moeten splitsen, n.l. in conserveering in den stal, die ten doel zal hebben, óf om de vorming van ammoniak tegen te gaan, of om de ammoniak, welke zich daar door de werking van bacteriën vormt, vast te houden. Voor dit gedeelte der conserveering zal wel licht een zuur reageerende stof het meest geschikt blijken. Vooreen volledige verzameling van de uit de gruppen loopende urine 'of gier) moet dan gezorgd worden. Voor de conserveering van de stikstof gedurende de tweede pe riode, d. i. in den hoop, zal men naar andere middelen moeten omzien. Superphosphaat althans is daarvoor, in practiscb aanwend bare hoeveelheid gebruikt, niet geschikt, zooals onze proeven te Loppersum hebben bewezen. Vermoedelijk zullen nier andere mid delen dan scheikundige stolfen toegepast moeten worden. Welke beteekenis kalk voor beide phasen der conserveering heeft, is nog niet bekend, en het is zeker niet aan te bevelen kalk te gebruiken zoolang door proefnemingen, bij welke de omstandig heden voldoende overeenstemmen met die in de praktijk, niet met zekerheid is uitgemaakt welke werking deze stof heeft. Orgaan vld. vereenb). van oudleerlingen der Rijks Landbouwschool 1891 blz. 171 en 172. Door Dr. Hokpke zijn verschillende proeven genomen met het uitzoeten van persvuil, naar aanleiding van de in oen laatsten tijd verkondigde meening, dat het uitzoeten van bet persvuil meer vol komen plaats heeft, wanneer men het afzoet-water denzelfden weg laat gaan, dien het sap afgelegd beeft; een methode waarvan het voordeel door .T. Kroog werd tegengesproken. DWerse mededeelingen 423 In de fabriek Gommern waar de proeven genomen werden, bevindt zich een installatie van 8 filterpersen voor liet éénmaal ge carbonateerde sap, waarvan Ü een zelfde constructie hebben en die elk voorzien zijn van 3b' paar ramen van 80 X *$0 c. M. Het afzoeten geschiedt met koud water door een afzonderlijke pijpleiding, zoodat hierin door het aftappen van water op eene andere plaats in de fabriek geen drukverschillen ontstaan kunnen. De sapleiding staat in verband met een luchtcompressor, het pers vuil wordt, nadat het uitzoeten afgeloopen is, aan een luchtdruk van ca. \ l k atm. blootgesteld; op deze wijze heeft het afzoeten snel plaats en verkrijgt men mooie droge koeken, die gemakkelijk uit de persramen verwijderd kunnen worden. Bij een ongestoorden gang der fabriek, worden voor het verwerken van 0250U0 K. G. biet in de 24 uur, 4 persen gebruikt, terwijl de overige gedeeltelijk geledigd worden, gedeeltelijk tot gebruik gereed staan. Door middel van een T stuk werd bij een der persen de wa terleiding in de sapleiding gebracht en voor het afsluiten van den saptoevoer de sapleiding van een kraan voorzien. Een andere pers van dezelfde constructie, werd bij de vergelijkende proeven zoo ingericht, dat zij beide op hetzelfde oogenblik in werking gesteld, afgesloten en uitgezoet konden worden. Men kan dus wel aannemen, dat de samenstelling van het pers vuil in de beide persen zoowel chemisch als physisch vóór het uit zoeten steeds dezelfde was. Het uitzoeten werd als geëindigd beschouwd, zoodra uit beide filters een bepaalde, even groote hoeveelheid water was weg gevloeid, die bij de verschillende proeven tusschen 320 — 400 1,. af wisselde . Zoowel het laatste afloopende afzoetwater als het persvuil werden onderzocht. Het monstersteken van het laatste, had bij beide persen op de zelfde wijze plaats, n.m. door uit verschillende ramen op afwisse lende plaatsen repen van de geheele dikte der koek uit te steken en in een groote schotel goed dooreen te mengen. In 50 Gr. van dit vuil werd zoowel de suiker, die direct oplos baar is, als die. welke na neutralisatie met azijnzuur oplost, be paald, nadat de vloeistof met loodazijn geklaard en tot een volu men van 200 c.M 3 met water bijgevuld was. Al is deze methode niet streng wetenschappelijk, ter onderlinge vergelijking der resultaten is zij echter voldoende nauwkeurig. Diverse mededeelitifren 424 De resultaten der analysen zijn in de volgende tabel vereenigd. Uit deze cijfers blijkt, dat bet persvuil volgens de nieuwe me thode uitgezoet, meer suiker bevat dan het andere en dat zelfs in die gevallen, waarbij liet laatste afzoetwater betrekkelijk arm aan suiker was, het vuil volgens de nieuwe werkwijze toch niet voldoen de was ontsuikerd. Wel was het uitzoeten volgens de nieuwe methode in bijna de helft van den tijd iifgeloouen, dien de oude methode vereischte, doch dit onbeduidende voordeel (4 minuten per pers) weegt niet op tegen het meerdere suikerverlies. Diverse mededeelingeii. 425