DE STAATKUNDIGE TOESTAND. 10 Nederlandsch-Indië aanvaard. Zij trad daar te lande in werking op 1 April 1935 (I. S. 1935 N°. 154). Hoewel Indo-China niet tot die overeenkomst toetrad, werd in onderling overleg besloten in de havens van Indo-China en van Nederlandsch-Indië geen consulaire visa te vorderen van de in die gebieden ingeschreven schepen. d. Roode Kruis. De Nederlandsche afgevaardigde naar de in October 1934 te Tokio gehouden XVde Internationale Roode-Kruis Conferentie, de gepensionneerde luitonant-generaal-tit. Dr. J. C. Diehl, vertegenwoordigde aldaar tevens de Neder landsch-Indische Regeering en het Indische Roodc Kruis. e. Koeltechniek. De voorstellen tot wijziging van het Verdrag van 1920 tot oprichting van het Internationaal Instituut voor Kocltechniek (I. S. 1922 N°. 569) gaven de Indische Regeering geen aanleiding tot opmerkingen. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 100 Kólenmarkt. De prijzen in Nederlandsch-Indië moesten door verdere depreciatie van de munteenheden in de omliggende kolenproduceerende landen en de zeer lage vrachten voor den aanvoer van kolen uit het buitenland gedurende 1934 nog lager worden gesteld dan in 1933, ten einde aan de concurrentie van vreemde kolen het hoofd te kunnen bieden. De productie was wederom iets lager dan in het vorig jaar. Hoewel in 1934 eenige wijzigingen kwamen ten opzichte van de export-landen, kon de buitenlandsche afzet zich nagenoeg op het peil van 1933 handhaven. Gouvernementssteenkolenmijnen. De productie der beide Landssteenkolenmijnen bleef nagenoeg dezelfde als in 1933 (623 975 ton, tegen 625 735 ton in 1933), hetgeen belangrijk lager was dan de productie-capaciteit dier mijnen. Het totaal der afleveringen aan de Landsdiensten verminderde met 10 % ten opzichte van het vorig jaar. De verkoopen aan particulieren, met de belangrijkste waarvan jaar-contracten waren afgesloten, waren 10 % hooger dan in 1933. De afzet van landskolen naar het buitenland bleef nagenoeg dezelfde als in 1933. Oembilin-steenkólenmijnen. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de producties, afleveringen en hoofdelijke producties over de laatste 2 jaren (in tonnen van 1000 kg): 1934. 1933. Bruto productie 385 321 396 658 Eigen verbruik 24 934 25 234 Netto productie 360 387 371424 Gemiddelde dag-productie 1 460 1 531 Afgeleverd aan Gouvernementsdiensten 223 897 252 661 Hoofdelijke productie per dagdienst der mijnsterkte . 0,885 0,912 „ totale sterkte 0,536 0,484 Einde 1934 waren bij het bedrijf werkzaam 76 Europeesche, 5 Chineesche en 23 Inlandsche ambtenaren, tegen respectievehjk 82, 5 en 25 in 1933. Bovendien ') Verbeterd cijfer. WINNING VAN DELFSTOFFEN. 101 waren op dien datum nog in dienst van het bedrijf 90 Inlandsche beambten, tegen 233 einde 1933. De mijnwerkerssterkte bedroeg gemiddeld 2467 man, onder wie 195 Javaansche contractanten en 546 dwangarbeiders, tegen respectievelijk 2832, 145 en 698 in 1933. De ontvangsten bedroegen f 2 473 471, tegen f 2 984 069 in 1933. De bedrijfs uitgaven (zonder rente en afschrijving) bedroegen f 2 200 042, tegen f 2 798 019 in 1933. De aan het Land uit te keeren rente op het in het bedrijf gestoken kapitaal beliep f 391 802, tegen f 461 790 in 1933. De verzendings-, opslag- en afleveringskosten tot en met Emmahavcn bedroegen f 798 901, tegen f 860 750 in 1933, terwijl voor het vervoer van kolen door den Archipel werd voorgeschoten f 676 750, tegen f 762 547 in 1933. De boekwaarde van het bedrijf, inclusief het kolen-etablissement te Emmahaven, was einde 1933 f 6 060 205; in 1934 werd op aanleg en uitbreidingsrekening bij geboekt f 47 957 en afgeschreven f 970 860, zoodat do boekwaarde einde 1934 f 5 137 302 bedroeg. Bock.it Asem-steenkolenmijnen. Een vergelijkend overzicht geeft de volgende staat (in tonnen van 1000 kg): 1934. 1933. Bruto productie 238 654 229 077 Eigen verbruik 24 235 24 017 Netto productie 214 419 205 060 Gemiddelde dag-productie 812 809 Verzonden naar de brikettenfabriek 34 282 25 924 Afgeleverd aan Gouvernementsdiensten 49 590 58 954 „ particulieren 137 518 122 991 Hoofdelijke productie per dagdienst der mijnsterkte . 0,619 0,640 „ totale sterkte 0,406 0,377 Einde 1934 waren bij het bedrijf werkzaam 37 Europeesche ambtenaren, tegen 48 in 1933; gemiddeld waren te werk gesteld 267 Javaansche contractanten en 1971 vrije lieden, tegen respectievelijk 287 en 1736 in 1933. De ontvangsten (exclusief de voorgeschoten zeevrachten) bedroegen f 979 909, tegen f 1 035 553 in 1933. De bedrij fsuitgaven waren f 1 502 666, tegen f 1 581 745 in 1933. De aan het Land uit te keeren rente op het in het bedrijf gestoken kapitaal beliep f 390 616, tegen f 438 420 (verbeterd cijfer) in 1933. De ontvangsten voor afgeleverde briketten bedroegen f 403 800, tegen f 425 435 in 1933; do productiekosten, inclusief vervoer der briketten, hebben bedragen f 416 358, tegen f 426 649 in 1933. De verzendings-, opslag- en af leveringskosten tot en met Kertapati waren f 440 436, tegen f 352 217 in het jaar te voren, terwijl voor het vervoer van kolen door den Archipel (zeevrachten) werd voorgeschoten f 254 664, tegen f 330 201 in 1933. De boekwaarde van het bedrijf, inclusief de kolenafscheepplaats te Kertapati, bedroeg einde 1933 f 6 623 270; op aanleg en uitbreidingsrekening werd bij geboekt f 92 388 en afgeschreven f 722 216, zoodat de boekwaarde einde 1934 bedroeg f 5 993 442. Het in 1933 door de explosie getroffen schachten veld was einde 1934 weder normaal in productie. N.V. „Oost-Borneo-Maatschappij". In 1934 vond de winning van steenkolen op de aan de N.V. Oost-Borneo-Maatschappij toebehoorende steenkolen-concessie Batoe Panggal (res. Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo) plaats op de terreinen Loa-Boeah en Loa-Koeloe. De totale productie was bruto 90 100 ton, tegen 94 933 ton in 1933. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 102 Wegens verminderden afzet der kolen werd de mijn te Loa-Bocah in Juli 1934 gesloten, terwijl de productie te Loa-Koeloe verder werd ingekrompen, hetgeen gepaard ging met ontslag van werkkrachten. In totaal werden in 1934, inclusief plaatselijke verkoop, verbrirk electrischc centrale, enz., 89 200 ton kolen verkocht. Vervoer van de kolen naar de verschillende bestemmingshavens had uitsluitend met schepen der N.V. Koninklijke Paketvaart Maatschappij plaats. De electrische centrale te Loa-Koeloe produceerde 2 844 350 K.W.U. (in 1933 3 021 600 K.W.U.). N.V. Steenkolen Maatschappij „Parapattan". In dit bedrijf vinden 36 Euro peanen en 1650 Inheemschen en vreemde Oosterlingen een loonend bestaan. De ondergrondsche mijnarbeid wordt in hoofdzaak verricht door Javaansche arbeiders, deels werkende onder contracten en deels als vrije lieden, terwijl boven gronds velo Chineezen, Bandjareezen, Manadoneezen en andere Inheemschen als vrije arbeiders en ambachtslieden te werk zijn gesteld. De productie wordt, op enkele leveringen aan gouvernements stoomers te Beraoe na, geheel afgenomen door de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (K. P. M.), die deze kolen uitsluitend gebruikt op haar eigen schepen. Deze netto-productie in 1934, verdeeld in stukkolen, nootjeskolen en gruis kolen, bedroeg 216 878 ton. Door vermindering van de afname was het niet mogelijk het bedrijf op volle capaciteit te doen werken, zoodat naast alle Zondagen ook nog op 29 werkdagen de werkzaamheden moesten worden gestopt. Per mijn werker werd gemiddeld 980 kg kolen per dag geproduceerd. Het bedrijf kon de havens Makassar en Soerabaja geheel en Tandjoengpriok en Singapore gedeeltelijk voorzien van bunkerkolen voor de K. P. M. Met de in verband met do marktpositie gecalculeerde prijzen dokte de Vennootschap hare onkosten bijna precies, zoodat 1934 werd afgesloten met een kleine winst. 4. Goud en zilver. Do goud- en zilverproductio blijkt uit do volgende staten "■) Verbeterd cijfer. WINNING VAN DELFSTOFFEN. 103 Goud- en zilverwaarde. De gemiddelde goudwaarde in 1934 is iets gedaald; zij bedroeg f 1 656,08 per kg goud, tegen f 1 661,38 per kg in 1933. De reeds op het einde van 1933 ingezette actie van de Amerikaanscho Regeering om de zilvermarkt te steunen, werd voortgezet. De eerste genomen maatregel betreffende den aankoop van nieuw geproduceerd zilver in Amerika had onmiddellijk een prijsstijging op de zilvermarkt ten gevolge, mede veroorzaakt door speculatieve aankoopen, waarop medio 1934 wederom een inzinking van de markt volgde. De nieuwe zilver-proclamatie van President Roosevelt van 9 September 1934, waarbij alle zilvervoorraden in de Vereenigde Staten werden genationaliseerd en de aankoop van zilver in binnen- en buitenland werd uitgebreid, leidde tot prijs stijging gedurende de verdere maanden van het jaar. De gemiddelde zilverprijs over 1934 bedroeg f 22,38 por kg zilver (over het 4de kwartaal f 24,87), tegen f 20,79 in 1933. Mijnbouw Maatschappij „Redjang Lebong". Gewonnen werden in 1934 96 788 tonnen erts met een gemiddeld gehalte van 7,95 gram goud en 47,69 gram zilver per ton, tegen 96 888 ton erts met gemiddeld 9,19 gram goud en 60,4 gram zilver per ton in 1933. In de verwerkings-installatie werden behandeld 21 010 ton zand en 75 440 ton slik, tegen respectievelijk 23 020 en 74 010 ton in 1933. Hieruit werd in 1934 verkregen 703 131,94 gram goud en 4 149 704,56 gram zilver, ter gezamenlijke waarde van ± f 1 221000, tegen respectievchjk 836 117,8 gram, 5 076 775 gram en f 1 456 000 in 1933. De extractie bedroeg theoretisch 91,70 % voor het goud en 84,52 % voor het zilver, de werkelijke respectievelijk 91,57 % en 90,06 %. Bij her-taxatie van de ortsreserve einde 1934 werd verkregen 96 556 ton erts met een gemiddeld gehalte van 7,06 gram goud en 42 gram zilver per ton, tegen res pectievelijk 84 000, 9,09 en 54,11 einde 1933. Het personeel bestond einde 1934 uit 33 Europeanen, 49 Inlandsche ambachts lieden, schrijvers, enz. en 1118 vrije arbeiders, tegen 32 Europeanen, 51 ambachts lieden, schrijvers, enz., 89 contractanten en 1050 vrije arbeiders einde 1933. De gezondheidstoestand was gunstig. Hot aantal verpleegden bedroeg 977 en het aantal verpleegdagen 6500, tegen respectievehjk 956 en 6452 in 1933. Mijnbouw Maatscliappij „Simau". Gewonnen werd 90 538 ton erts met een gemiddeld gehalte van 15,24 gram goud en 232,47 gram zilver per ton, tegen respectievehjk 90 177, 16,17 en 253,3 in 1933. In de verwerkings-installatie werden behandeld 33 334 ton zand, 54 102 ton slib en 3247 ton concentraten, tegen res pectievelijk 32 500, 54 370 en 3196 ton in 1933. Verkregen werd in 1934 1 358 756,4 gram goud en 19 842 788,86 gram zilver, ter gezamenlijke waarde van f 2 588 900, tegen respectievehjk 1 449 578,6 gram, 21 554 135 gram en f 2 769 300 in 1933. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 104 De theoretische en werkelijke extractie bedroeg respectievelijk 96,68 en 98,42 % voor het goud en 91,13 en 94,05 % voor het zilver. De ertsreserve einde 1934 werd getaxeerd op 385 231 ton erts met een gemiddeld gehalte per ton van 15,80 gram goud en 248,80 gram zilver, tegen einde 1933 respectievelijk 327 190 ton, 15,81 en 248,80 gram. Het personeel bestond einde 1934 uit 46 Europeanen, 30 schrijvers, 62 Inlandsche contractanten en 1616 vrije arbeiders, tegen 47 Europeanen, 149 ambachtslieden, schrijvers, enz., 266 Inlandsche contractanten en 1402 vrije arbeiders einde 1933. De gezondheidstoestand was gunstig. Het aantal verpleegden bedroeg 1145 en het aantal verpleegdagcn 7876, tegen respectievelijk 1222 en 8763 in 1933. Mijnbouw Maatschappij „Balimbing". Gedurende de eerste helft van 1934 verwerkte deze maatschappij 17 890 ton erts, waaruit 110 939 gram goud en 82 127 gram zilver werd verkregen. In Juli 1934 werd hot bedrijf wegens uitputting van den ertsvoorraad definitief gestaakt. Mijnbouw Maatschappij „Goenoeng Mas". Op het aan deze maatschappij toe behoorend opsporingsterrein „Soemoer Mas" bleven de exploratio-werkzaamheden gedurende 1934 gestaakt. Maatschappij tot Mijn-, Bosch- en Landbouwexploitatie in Langkat. Bij de winning van diamant op haar concessieterrein „Rantjah Sirang I" werd door deze maatschappij mede gewonnen 430 gram goud, vermengd met geringe hoeveelheden platina. 5. Aardolie en aardgas. Productie. Door een vermeerdering ten opzichte van 1933 van ruim 500 000 ton, heeft het jaar 1934 een record ruwe olie-productie van ± 6 042 200 ton bereikt, waartoe hoofdzakelijk het eiland Sumatra bijgedragen heeft, zooals uit de volgende staten blijkt. 1 ) Verbeterd cijfer. WINNING VAN DELFSTOFFEN. 105 Hierdoor draagt Nederlandsch-Indië naar schatting voor 2,8 %, tegen 2,7 % in 1933, aan de wereldproductie van ruwe olie bij en blijft de 6de plaats onder de wereldproducenten innemen. Van de verkregen ruwe olie-productie was het aandeel der 3 groote maatschap pijen als volgt verdeeld: 1933. 1934. Bataafsche Petroleum Maatschappij 3 930 408 4 102 092 Nederlandsche Koloniale Petroleum Maatschappij 1 224 326 ') 1 427 317 Nederlandsch-Indische Aardolie Maatschappij . . 372 061 512 669 De aardgasproductie bedroeg in 1934 1 084 200 ton, tegen 1 016 552 ton ") in 1933. Verwerking. Met uitzondering van 818 071 ton ruwe olio van Tarakan en Boenjoe, welke olie direct als brandstof verkocht werd en 458 735 ton ruwe olie van Pangkalanbrandan en Soesoe ter verwerking uitgevoerd, had de verwerking van de overige ruwe olie in dezelfde raffinaderijen als in de voorafgegane jaren plaats. Naar deze raffinaderijen werden in 1934 4 596 022 ton ruwe olie verpompt, waaruit de volgende eindproducten werden verkregen: Benzine 1 521 288 ton 2 ) White spirit 27 549 „ Kerosine 806 398 „ Residu, diesel- en solar-olie 1 983 601 „ Smeer-oliën 25 630 „ Impregneer-oliën 6 771 „ Paraffine, was en ceresine 71 049 „ Asphalt 7 108 „ Overige producten 6 748 „ Verliezen 139 880 „ Totaal 4 596 022 ton De capaciteit van de raffinaderij der Nederlandsche Koloniale Petroleum Maat schappij te Socngai Gerong is in 1934 vergroot tot ± 5000 ton per etmaal. Verkoop. Hoewel in 1934 de fluctuaties der prijzen van ruwe olie en hare producten gering zijn geweest, zijn de gemiddelde opbrengstprijzen, vergeleken bij 1933, een weinig gedaald. Deze dalende prijsbeweging is voornamelijk te wijten aan don gang van zaken in de Vereenigde Staten van Amerika, waar de olie restrictie — einde 1933 ingesteld — niet geslaagd is; integendeel, door het op de markt brengen van groote hoeveelheden illegaal gewonnen aardolie is de productie daar te lande aanmerkelijk verhoogd, meer dan de consumptie van de olieproducten is toegenomen. De afzet van olieproducten op de binnenlandsche markt was wederom geringer dan in 1933, terwijl de prijs voor petroleum terugliep. *) Verbeterd cijfer. 2 ) Hierin zijn begrepen 196 562 ton benzine, vorkregen uit do behandeling van aard gassen. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 106 6. Andere oerproducten. Diamant. Door de N.V. Maatschappij tot Mijn-, Bosch- en Landbouwexploitatie in Langkat werd op haar concessieterrein „Rantjah-Sirang I", gelegen in de onderafdeeling Martapoera (afd. Bandjermasin, res. Zuider- on Oosterafdeeling van Borneo), 435 karaat diamant, vertegenwoordigende een waarde van f 7165, gewasschcn. De winning geschiedde op hydraulische wijze door middel van monitors en pompbaggers. Tegelijkertijd werden op de aan dezelfde maatschappij toebo hoorende concessie-terreinen „Rantjah-Sirang 11, 111 en IV" cxploratie-werkzaam heden verricht. Door Inlanders werd in het stroomgebied van de Meroeban-rivier (Boven-Landak, res. Westerafdceling van Borneo) 17 karaat diamant ter waarde van f 1500 en in de onderafdeeling Martapoera (afd. Bandjermasin, res. Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo) 591 karaat diamant ter waarde van f 11 321 gewonnen, tegen res pectievelijk een onbepaalde hoeveelheid ter waarde van f 1100 en 434,21 karaat met oen waarde van f 16 690 in 1933. Door den Resident van de Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo werden gedurende 1934 voor de winning van diamant 3070 licenties verstrekt, tegen 2241 in 1933. Mangaan-erts. De gehcolo productie van dit erts kwam in 1934 van de concessie terreinen der N.V. „Algemeene Industrieele Mijnbouw- on Exploitatie Maatschappij" in Midden-Java (res. Jogjakarta) en West-Java (res. Priangan). De prijzen voor ertsen met hoog Mn 0 2 -gehalte vertoonden een lichte verbetering, ook de middelsoorten konden zich op een redehjk prijspeil handhaven; daarentegen waren do ovenertsen practisch onverkoopbaar. De verscheping had bijna geheel naar Europa plaats; slechts een geringe hoeveelheid kon in Australië worden afgezet. De productie bedroeg in Midden- en West-Java respectievehjk 10 564 en 1071 ton, tegen 8885 en 1578 ton in 1933. Cemiddeld waren in 1934 bij de mangaan-bedrijven 968 werklieden en 21 man overig personeel te werk gesteld. Jodium. De winning van jodiumhoudend water vond plaats in de residentie Soerabaja door de N.V. Vereenigde Jodiumfabrieken, de N.V. Jodiumonderneming „Watoedakon" en do N.V. Mijnbouw Maatschappij „Soember Koentjoeng". De uitvoer van koper-joduur van Java bedroeg in 1934 170 ton, tegen 183 ton in 1933. De in de tweede helft van 1933 ingetreden sterke daling van den wereldmarkt prijs voor jodium zette zich gedurende 1934 voort, waardoor in do bedrijven de grootst mogelijke zuinigheid moest worden betracht. As f altgesteente. Asfaltgestcente werd gewonnen door de N. V. Mijnbouw- en Cultuur Maatschappij „Boeton" op het eiland Boeton (Celebes). De productie in 1934 bedroeg 6321 ton, tegen 6774 ton in 1933, terwijl in 1931 van Boeton verscheept werden 3749 ton, tegen 4511 ton in 1933. Gedurende 1934 waren bij dit winningsbedrij f gemiddeld 216 werklieden en 6 man overig personeel te werkgesteld. Zwavel. Zwavel werd hoofdzakelijk gewonnen door de N. V. „Algemeene Industrieele Mijnbouw- en Exploitatie Maatschappij" op haar terrein Poetih", waarvoor door haar met hot Gouvernement een aannemingsovereenkomst is gesloten. De productie bedroeg aan geraffineerde zwavel 10 991 en aan ongeraffineerde zwavel 1152 ton, tegen respectievelijk 10 638 en 478 ton in 1933. Hoewel de afzet WINNING VAN DELFSTOFFEN. 107 en de prijs van zwavel op Java ten slotte nog meevielen, werd toch zeer scherp do Japansche concurrentie ondervonden. De leveringen buiten Java, die 70 % van den geheelen afzet bedroegen, konden slechts beneden kostprijs plaats hebben. Op Java werd verkocht 3347,526 ton, tegen 3898,674 ton in 1933. De export naar plaatsen buiten Java bedroeg 7842,424 ton, tegen 6636,654 ton in 1933. Gemiddeld waren bij de zwavelwinning op „Kawah-Poetih" 617 werklieden en 5 man overig personeel to werkgesteld. Een geringe hoeveelheid zwavel (96,75 ton, tegen 97 ton in 1933) ter waarde van f 2476 werd door de bevolking op den berg Welirang (res. Malang) verzameld en op de binnenlandsche markt verkocht. Fosfaat. Gedurende 1934 werden door de N. V. Exploitatie- en Handel Maat schappij v/h F. Buning te Cheribon op haar concessie-terrein „Fosfaatontginning Kromong I" 4812,21 ton fosfaat gewonnen, tegen 7945,7 ton in 1933. Voorts werden op een aan den heer J. H. Houbolt toebehoorend opsporingsterrein, eveneens gelegen in de residentie Cheribon, nog 200,71 ton fosfaat verzameld. De gewonnen natuurfosfaat, bevattende 28 a 28,8 % P a 0 5 , werd, na tot poeder vermalen te zijn, direct voor bemesting op de binnenlandsche markt verkocht. Kalksteen. Gedurende 1934 vond do winning van kalksteen plaats in de residen ties Buitenzorg, Priangan, Cheribon, Pekalongan, Semarang, Japara-Rembang, Jogjakarta, Klaten, Madioen, Kcdiri, Malang en Besoeki op Java en Sumatra's Westkust en Benkoelen op Sumatra. Ten behoeve van de Portland-cementfabriek te Indarocng werd in de afdecling Padang 200 960 ton kalksteen gewonnen. Mergel. Ten behoeve van bovengenoemde cementfabriek werd voorts in de afdeeling Padang 34 533 ton mergel gewonnen. Tras. In 1934 werd tras alleen in de residentie Pekalongan op Java gewonnen. Kaolien. De telkens voor één jaar gegeven winningsvergunning aan de N. V. Nederlandsch-Indische Chamotte- en Klei-Industrie op het eiland Bangka werd niet meer verlengd. Een vergunning tot het winnen van kaolien, kwartszand, kwart siet en veldspaat op Bangka werd verleend aan den heer C. Knebel, die echter einde 1934 nog niet met de ontginning was begonnen. Klei. Gedurende 1934 had de winning van klei plaats in de residentie Japara- Kembang op Java, in de residentie Palembang en het gouvernement Atjch en Onderhoorighedon op Sumatra en in het gouvernement Celebes en Onderhoorigheden. Door de N. V. Nederlandsch-Indische Chamotte- en Klei-Industrie werd in hot regentschap Rembang 1023,2 m 3 klei gewonnen. Bauxiet. Door de „Nederlandsch-indisehe Bauxiet Exploitatie Maatschappij" werden de voorbereidende maatregelen getroffen om medio 1935 de eerste leveringen van bauxiet, afkomstig van het eiland Bintan (Riouw-archipel), te doen plaats vinden. 7. Zoutwinning en zoutverkoop. De tot het Departement van Financiën behoorende dienst dor opium- en zoutregie heeft tot taak de voorziening in de behoefte aan regie-opium en regie-zout in Neder landsch-Indië. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 108 Voor den opiumverkoop c.a. wordt verwezen naar hoofdstuk V, onder D („Ver doovende middelen en alcohol"). De voorloopige financieele uitkomsten van den dienst dor zoutwinning in 1934 zijn opgenomen in het volgend overzicht (de definitieve uitkomsten worden vermeld in het jaarverslag van den dienst en in deel II van dit Verslag). Bovendien had een afname van de zoutvoorraden plaats ter waarde van f 1090 600, zoodat het saldo bedraagt f 4 134 400, waartegenover uiteraard het bij den zout verkoop gekweekte voordeelig saldo staat. Bij G.B. 3 Juli 1934 n°. 35 (Bb. n°. 13277) is een commissie van bijstand voor de zoutwinning ingesteld, bestaande uit een voorzitter en 5 leden. Aanmaak en aankoop van ruw zout. De maatregelen tot beperking van den zoutoogst werden in verband met den wel belangrijk gedaalden, doch nog steeds grooten, voorraad los zout op de zoutlanden voortgezet. Behalve de in de laatste jaren toegepaste restrictie op den zoutoogst, werd overgegaan tot afkoop van de rechten der bevolking tot het aanmaken van zout op eenige haar in eigendom toebehoorende zoutpannen. Het Gouvernementszoutland Grisee bleef buiten bedrijf, terwijl het zoutland Gersik-Poetih buiten productie werd gebracht. In verband met deze maatregelen kon de productie van de zout landen worden gesteld op 89 000 ton. De prijs, waartegen het ruw zout van de bevolking werd ingekocht, bleef gesteld op f 7,50 per ton. Het minder gunstige verloop van den Oostmoesson was oorzaak, dat de productie nog beneden de vastgestelde bleef. Zij bedroeg op de bevolkingslanden Soemenep 23 559 ton (tegen 23 836 ton in 1933), Pamekasan 14 815 ton (tegen 13 959 ton in 1933) en Sampang 31 316 ton (tegen 38 057 ton in 1933) en op het Gouvernements zoutland Nembakor-West 12 755 ton (tegen 5 099 ton in 1933), of in totaal 82 445 ton in 1934, tegen 84 601 ton (3 650 ton op het Gouvernementszoutland Gersik-Poetih inbegrepen) in 1933. Voor den aankoop van ruw zout op de bevolkingslanden werd aan de zoutwinners op Madoera uitbetaald f 522 679, tegen f 568 893 in 1933. De op de verschillende zout-établissementen einde 1934 aanwezige voorraad ruw zout bedroeg 1 082 152 ton, tegen 1 247 430 ton op einde 1933. Eerstgenoemde voorraad was opgeslagen in 120 pakhuizen en 132 z.g. openluchtopschuringen. Van de in 1933 voor export-doeleinden verkochte 100 000 ton ruw zout werden in 1934 62 880 ton verscheept, waarmede, overeenkomstig het terzake in het betref fende verkoopcontract bepaalde, de levering werd beëindigd met een mindere verscheping van ± 10 % dan de contractueele hoeveelheid. Fabriekmatige bewerking en verpakking. In totaal werd in 1934 door beide fabrieken een hoeveelheid van 131 447 ton los zout van de zoutlanden ontvangen, tegen 127 436 ton in 1933. De productie bedroeg 120 373 ton briket-zout, tegen WINNING VAN DELFSTOFFEN 109 116 168 ton in 1933. In eerstgenoemde hoeveelheid is begrepen 6 166 ton gejodeerd zout, bestemd voor bestrijding van endemischen krop in verschillende streken van het regie-gebied. Door beide fabrieken werd afgeleverd 120 172 ton briket-zout, tegen 115 276 ton in 1933. Voor de verpakking van het briket-zout werd 1 095 ton uit Europa betrokken karton gebruikt, tegen 1 178 ton in 1933. Dit minder gewicht aan verwerkt karton in 1934, niettegenstaande de hoogere productie van briket zout, vindt zijn verklaring in de omstandigheid, dat een lichter papiersoort werd gebezigd, waardoor bezuiniging werd verkregen. Gemiddeld waren in beide fabrieken 1 268 arbeiders per dag werkzaam, tegen 1 279 in 1933. De vervaardiging van het tafelzout „Madzo" vond verderen voort gang; ruim 68 ton werden daarvan afgeleverd en door tusschenkomst van een import-firma verkocht. Oost-Java-zeevervoer. Op 31 December 1934 bestond de vloot van het dienst onderdeel „Oost-Java-zeevervoer" uit 5 sleepbooten, 2 stoomlichters (waarvan I in bedrijf), 2 motorlichters en 19 lichters met een gezamenlijk laadvermogen van 3 781 ton. In den loop van het jaar werd een houten lichter buiten dienst gesteld, terwijl tot den aanbouw van twee stalen lichters, elk van 200 ton laadvermogen, opdracht werd gegeven; de oplevering vond plaats in December. De stoomlichter „W. van Braam" kon medio 1934 buiten dienst gesteld en voorloopig opgelegd worden. Door de vaartuigen van dezen dienst werden afgelegd 102 980 zeemijlen, tegen 119 469 zeemijlen in 1933, terwijl aan los en verpakt zout, kolen en materialen vervoerd werden 145 818 ton, tegen 123 122 ton in 1933. Het grootere vervoer is voornamelijk het gevolg van de vermeerderde verscheping van los zout met lichters uit enkele zoutlanden naar de afhalende Japansche schepen (export-verkoop). In den opzet van het door het Oost-Java-zeevervoer verricht transport kwam in 1934 nagenoeg geen wijziging; de voorziening met los zout van het visseherij centrum Bagan-siapiapi bleef in eigen hand. Het voor den verkoop bestemde los en verpakt zout, afkomstig van de zout landen en de fabrieken, werd vervoerd door het Oost-Java-zeevervoer tot een hoe veelheid van 45 441 ton (tegen 47 725 ton in 1933), de Koninklijke Paketvaart Maatschappij tot een hoeveelheid van 67 383 ton (tegen 64 161 ton in 1933) en de Madoera Stoomtram Maatschappij tot een hoeveelheid van 27 120 ton (tegen 32 715 ton in 1933). Het Pontianak-riviervervoer. De financiëele uitkomsten van dit bedrijf, waarbij de handelsboekhouding behouden bleef, zijn: uitgaven f 59 793 en inkomsten f 67 365, zoodat het voordeelig saldo bedraagt f 7 572. Door de vaartuigen van dezen vervoersdienst werden afgelegd 30 934 zeemijlen, tegen 31 684 zeemijlen in 1933, terwijl vervoerd en gesleept werden 2 779 ton goederen en zout en 2 921 passagiers, tegen 2 428 ton goederen en zout en 2 803 passagiers m 1933. Voor het eerst sedert jaren kan een toename van het vervoer worden ge constateerd. Overig vervoer en verkoop. Een aanzienlijke besparing op de vervoerskosten werd verkregen in de Vorstenlanden, Inderagiri, Palembang en Bengkalis. Aan de drie provincies West-, Midden- en Oost-Java werd geleverd 81 876 ton verpakt zout, tegen 77 366 ton in 1933, benevens 2 924 ton los zout, tegen 1 686 ton in 1933. Voor de hoeveelheden, alsmede de opbrengst van het door de provincies in hun gebied verkocht los en verpakt zout wordt verwezen naar deel II van dit Verslag. In het gebied, waar de zoutregie is ingevoerd (Buitengewesten en Vorstenlanden), vertoonde de verkoop van verpakt zout een stijging. In de Buitengewesten werden DE INWENDIGE POLITIEKE TOESTAND. 11 B. DE INWENDIGE POLITIEKE TOESTAND. 1. Inleiding. Ondanks de ongunstige economische omstandigheden bleef de politieke toestand gedurende het verslagjaar rustig. Niet in de laatste plaats was dit te danken aan de omstandigheid, dat aan de extremistische politieke actie paal en perk was gesteld. Hoewel de in dit opzicht in 1933 getroffen maatregelen alleen betrekking hadden op de activiteit van enkele radicale vereenigingen — de Partai Indonesia (P. I.) en Pendidikan Nasional Indonesia (P. N. I.) op Java, benevens de Persatoean Moeslim Indonesia (Permi) en Partij Sarckat Islam Indonesia (P. S. 1.1.) op Sumatra — is het effect daarvan nochtans van verdere strekking geweest. Door de beperking van het vergaderrecht ten aanzien van deze vereenigingen toch werd het haren leiders onmogelijk gemaakt op openbare bijeenkomsten voort te gaan met hunne actie tot verzet tegen de Overheid, die als oorzaak van de ongunstige economische omstandigheden placht te worden voorgesteld en in do bestaande maatschappelijke, godsdienstige en economische tegenstellingen als partij werd betrokken. Dienten gevolge bleek de aantrekkehjkheid van deze actie dermate te zijn verminderd, dat de opschuiving naar links, welke finder haren druk voorheen merkbaar was, tot staan kwam, terwijl in genoemde radicale organisaties zelve een snel verval zich afteekende in het verloop van het ledental en de groote vermindering van de inkomsten. Trachtte in den eersten tijd vooral de Pendidikan Nasional Indonesia (P. N. I.) haar stre\ en nog voort te zetten door propaganda langs ondergrondsche wegen, ook deze activiteit verminderde snel na de interneering van enkele harer leiders. Dank zij deze maatregelen kon de openbare orde on rust voor verstoring behoed blijven, terwijl modo daardoor de beletselen, welke de legale politieke en economische werkzaamheid onder do bevolking ondervond, overstemd als zij was door de gerucht makende radicale massa-actie, uit den weg geruimd worden. De toenemende moei lijkheden van den strijd om het bestaan voor groote groepen der ingezetenen vormden een beletsel voor een breede ontwikkeling van het staatkundig leven, zoodat over het algemeen de politieke actie een mat beeld vertoont. Onder de Europeesche bevolkingsgroep hebben de elders zich ontwikkelende fascistische en nationaal-socialistische denkbeelden eenigen weerklank gevonden. Na een periode van groote onderlinge verdeeldheid zijn deze gedachten sedert in hoofdzaak geconcentreerd in de Indische vertakking van de Nationaal Socialistische Beweging (N. S. B.) in Nederland. 2. Partijgroepeeringen onder de Europeesche bevolking. De samenstelling van het hoofdbestuur van den Politiek-Economischen Bond bleef gedurende 1934 ongewijzigd. Voor de staatkundige beginselen van deze partij (zie blz. 14 van het vorig Verslag) bestond een toenemende belangstelling in de bovenste lagen der inheemsche samenleving. De interne moeilijkheden in de Indische Katholieke Partij (orgaan „De Nieuwe Tijd") werden in 1934 goeddeels geliquideerd. In Mei 1934 werd het hoofdbestuur als volgt samengesteld: P. A. Kerstcns voorzitter, H. Th. van Goor vice-voorzitter, R. Schlechter Ie secretaris, J. M. Versnel 2e secretaris, M. Klecfstra penningmeester. Een nieuw volksraadsprogramma werd aanvaard. De Vaderlandsche Club hield op 20 en 21 Mei 1934 te Batavia haar algemeene vergadering. Een motie tot nadere herziening van het partijprogramma werd aan genomen. Voor het overige kwam geen wijziging in doelstelling en werkmethode dezer partij. Kolonisatie en emigratie bleven de bijzondere belangstelling der ver eeniging behouden; zij steunde 0.m.Dr.8. Vrij burg bij zij n exploratie-reis naar Nieuw- Guinee. Het desbetreffend rapport verscheen in „Ons Orgaan" van 15 Juni 1934. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 110 verkocht 28 590 ton, tegen 26 978 ton in 1933. Deze debietsstijging werd voor 1425 ton veroorzaakt door inlijving van het resteerend deel van het gouvernement Oost kust van Sumatra bij het regie-gebied (I. S. 1934 nos. 140 en 373). Voorts werkte de zoutregie in de residentie Manado voor het eerst een vol jaar door, waardoor aldaar 260 ton meer werd verkocht dan in 1933, welke vooruitgang echter mede is toe te schrijven aan maatregelen tegen clandestienen zoutaanmaak. In de Vorsten landen vertoonde de verkoop van verpakt zout eveneens een stijging (van 10 312 ton in 1933 tot 10 480 ton in 1934). In de Buitengewesten en de Vorstenlanden tezamen bedroeg de verkoop van los zout voor visseherij- en industrieele doeleinden 20 681 ton, tegen 20 761 ton in 1933. Deze teruggang werd veroorzaakt door den terugloopenden vischzout-omzet in het visseherij-centrum Bagan-siapiapi, waar 17 031 ton verkocht werd, tegen 18 107 ton in 1933, hetgeen is toe te schrijven aan de minder goede economische omstandigheden, waardoor de afzet van gezouten visch moeilijker is geworden. Het vischzout wordt in het Bagan-ressort thans voor f 4 per zak van 100 kg (inclusief verpakking in goeni- of agave-zakken) verkrijgbaar gesteld (Bb. n°. 13 280). In tegenstelling met den teruggang van het Bagan-visch bedrijf, vertoonden de minder belangrijke en elders in den Archipel (zoutregie gebied) verspreid liggende vischbedrijven eenige opleving. In verband met de slechte tijdsomstandigheden werd bij de verstrekking van industrie-zout meer vrij gevigheid betracht, waarbij evenwel de noodige waarborgen voor de bescherming van het monopolie niet uit het oog werden verloren. In het medio 1934 bij het zout regie-gebied ingelijfd deel van de Oostkust van Sumatra werden 11 verkoopplaatsen voor verpakt zout opgericht. In twee daarvan werd tevens vischzout verkrijgbaar gesteld. Van den proefverkoop van verpakt zout in het Gouvernement der Molukken werd die te Geser gestaakt. Verpakt zout werd verkrijgbaar gesteld in de loszout verkoopplaats te Moearamoentai (res. Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo). In de Vorstenlanden werden de particuliere verkoopplaatsen te Brasot, Sleman en Kretek opgeheven, tegen gelijktijdige verkrijgbaarstelling van verpakt zout in de opium-verkoopplaatsen te Srandakan, Denggoeng en Kretek. Op Sumatra werden voorts verkoopplaatsen voor verpakt zout opgericht te Kotaboemi en Sidikalang, terwijl de verkoopplaatsen te Silalahi en Koetaboeloeh werden opgeheven. De handelsboekhouding, zooals deze op het voormalig hoofdkantoor der zoutregie werd gevoerd, werd met de instelling van de Opium- en Zoutregie opgeheven, zulks in overeenstemming met den bij de Opiumregie bestaanden toestand, zoodat thans alleen comptabele administratie over den verkoop wordt gevoerd. De bruto-opbrengst van den verkoop bedroeg in verslagjaar: los zout f 1 155 041, verpakt zout f 15 534 324 en tafelzout f 25 581. Met ingang van 1 Januari 1934 werd de cijns op den bevolkingszoutaanmaak uit de wellen in Grobogan verhoogd van f 0,80 tot f 1,50 per 100 kg (I. S. 1934 nos. 89, 91 en 538), terwijl gelijktijdig de limiet van de jaarlijks daaruit aan te maken hoeveelheid zout werd verhoogd van 2 500 ton tot 3200 ton. Deze winning ondervond echter stagnatie door regen en bandjirs, zoodat slechts 2466 ton werden geoogst, tegen 2572 ton in 1933. Door de verhooging van de retributie bedroeg de opbrengst van den cijns f 38 500, tegen f 20 000 in 1933. 8. Overheidszorg voor de delfstoffenwinning. Wetgeving en mijnrechtelijke toestand. Bij G.B. 7 Dec. 1934 n°. 19 (I.S. n°. 669) is het natuurmonument Panandjoeng (res. Priangan, prov. West-Java) om redenen van algemeen belang gesloten voor mijnbouwkundige opsporingen. WINNING VAN DELFSTOFFEN. 111 Bij G.B. 21 April 1934 n°. 9 is met toepassing van het 3de lid van art. 35 der Indische Mijnwet de door het fd. hoofd van den dienst van den mijnbouw voor de mijnconcessie „Singkep" van de te 's-Gravenhage gevestigde naamlooze vennootschap „Singkep Tin Maatschappij" voor het jaar 1932 vastgestelde cijns ten bedrage van f 43 628,89 verminderd tot f 23 424,84. Ontginningen van Gouvernementswege. De eigen mij nbedrij ven van het Gouver nement omvatten twee kolenbedrijvcn (de Oembilin- en de Boekit Asem-mijnen) en één tinbedrij f (de Bangka-tinwinning). In 1934 werden geen nieuwe aannemingsovereenkomsten gesloten. Eén overeen komst werd ontbonden, namelijk die, welke gesloten werd met de N. V. „Mijnbouw on Handel Maatschappij Soember Assin" voor de winning van jodium en de met jodium-houdend water onvermijdelijk medegewonnen aardolie en gassen voor een terrein, gelegen in de residentie Soerabaja. Eind 1934 waren 8 aannemingsovereen komsten van kracht. Het aantal gemengde bedrijven onderging geen verandering. Het zijn de N. V. „Gemeenschappelijke Mijnbouw Maatschappij Billiton" en de N. V. „Nederlandsch- Indische Aardolie Maatschappij". In 1934 werden 3 mij neon cessies van Gouvernementswege verleend, namelijk de mijnconcessies „Loomboe", „Logas" en „Djernih", alle voor de winning van goud in terreinen, gelegen in het gouvernement Oostkust van Sumatra. Op verzoek werden 8 mijnconcessies ingetrokken, namelijk „Widarapajoeng I", „Mirit", „Boekit Poelai", „Boekit Doerian", „Goenoeng Kocpang I", „Goenoeng Koepang II", „Goenoeng Kocpang III" en „Karang Intan", terwijl de mijnconcessie „Totok", nadat de concessionaresse van haar bij deze mijnconcessie verleende rechten was vervallen verklaard, werd ingetrokken. Einde 1934 waren 219 mijnconcessiën van kracht, terwijl 20 aanvragen voor mijnconcessiën in behandeling waren. In 1934 werden geen nieuwe door de Regeering goed te keuren mijnconcessiën door Inlandsche Zelfbesturen verleend. Ingetrokken werden 3 mijnconcessies, name lijk „Goenoeng Benaoel I", „Goenoeng Benaoel II" en „Goenoeng Benaoel III". Einde 1934 waren 49 door Inlandsche Zelfbesturen verleende mijnconcessiën van kracht. Overeenkomsten op den voet van art. 5a der Indische Mijnwet. In 1934 werden 6 z.g. Sa-overeenkomsten gesloten voor de opsporing en ontginning van aardolie, enz., waarvan 4 met de N. V. „De Bataafsche Petroleum Maatschappij" (3 overeen komsten voor terreinen, gelegen in het gouvernement Oostkust van Sumatra, ge naamd „Zuid-Aroebaai-blok", Tandjoeng-Poetoes-blok" en „Halaban-blok" en 1 overeenkomst voor een terrein, gelegen op het eiland Ceram van de residentie Molukken, genaamd „Bolifar") en 2 met de N. V. „Petroleum Maatschappij Sadjira" (1 overeenkomst voor een terrein, gelegen in de residenties Bantam en Buitenzorg van de provincie West-Java, genaamd „Sadjira-Djasinga-complex" en 1 overeen komst voor een terrein, gelegen in de residentie Batavia van genoemde provincie, genaamd „Soebang-complex"). Een achttal overeenkomsten werd ontbonden, namelijk 4 welke gesloten werden met de N. V. „De Bataafsche Petroleum Maatschappij" voor de opsporing en ont ginning van aardolie, enz. (1 overeenkomst voor een terrein, gelegen in de residentie Madoera van de provincie Oost-Java, genaamd „Montorna-Blok" en 3 overeenkom sten voor terreinen, gelegen in de residentie Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo, genaamd „Mahakam-blok", „Wailawi-blok" en „Samboetan-blok"); 3 welke gesloten werden met de N. V. „Nederlandsche Koloniale Petroleum Maatschappij" voor de opsporing en ontginning van aardolie, enz. (1 overeenkomst voor vier terreinen, gelegen in de residentie Madoera van de provincie Oost-Java, genaamd „Geger", DE ECONOMISCHE TOESTAND. 112 „Kokop", „Matjan" en „Manding", 1 overeenkomst voor een terrein, gelegen in genoemde residentie, genaamd „Konang" en 1 overeenkomst voor een terrein, gelegen in de residentie Manado, genaamd „Kintom I"); 1 welke gesloten werd met de N. V. „Biting Petroleum Maatschappij" voor de opsporing en ontginning van aardolie, enz. voor twee terreinen, onderscheidenlijk gelegen in de residenties Sema rang en Kedoe (genaamd „Biting") en in de residentie Semarang (genaamd „Salatiga") van de provincie Midden-Java. Ten aanzien van 1 overeenkomst, gesloten met de N. V. „Nederlandsche Kolo niale Petroleum Maatschappij" voor de opsporing en ontginning van aardolie, enz. voor een terrein, gelegen in de residenties Semarang en Japara-Rembang (Midden-Java), genaamd „Loesi", is een suppletoire overeenkomst gesloten, waarbij de maatschappij afstand heeft gedaan van alle uit de overeenkomst voortvloeiende rechten op eenige gedeelten van het terrein. Einde 1934 bedroeg het aantal overeenkomsten 32. Daarnaast was één overeen komst voor de opsporing van tin en wolframium van kracht. Bij de wet van 14 Dec. 1934 (N.S. 1934 n°. 663, I.S. 1935 n°. 68) is machtiging verleend tot het sluiten van een sa-contract met een door de Bataafsche Petroleum Maatschappij, de Nederlandsche Koloniale Petroleum Maatschappij en de Neder landsche Pacific Petroleum Maatschappij op te richten naamloozo vennootschap voor de opsporing van aardolie, aardpek, aardwas en alle andere soorten van bitumineuze zelfstandigheden, zoowel vaste als vloeibare en brandbare gassen, voor zoover niet uitmakende een bestanddeel van een vast gesteente, dat voor hun winning in zijn geheel moet worden ontgonnen, mitsgaders jodium en de verbindingen daarvan, in terreinen, gelegen in het Nederlandsch gedeelte van Nieuw-Guinee en omliggende eilanden. Bij de wetten van 29 Dec. 1934 (N.S. 1934 nos. 717 t/m 719, I.S. 1935 nos. 61 t/m 63) is machtiging verleend tot het sluiten van sa-contracten met de naamlooze vennootschappen „Vereenigde Jodiumfabrieken" (voor de opsporing en ontginning van jodium in terreinen gelegen in Oost-Java), „Watoodakon" (voor de opsporing en ontginning van jodium in terreinen gelegen in Oost-Java) en Mijnbouwmaat schappij „Zuid-Bantam" (voor de opsporing en ontginning van goud, zilver, koper, zink, lood, mangaan, ijzer en zwavel in terreinen in West-Java). Vergunningen tot het winnen van niet in de Indische Mijnwet genoemde delfstoffen. Voor de winning van deze delfstoffen werden in 1934 18 vergunningen verleend, waar van 8 door den Gouverneur-Generaal (7 voor de winning van bauxiet en 1 voor de winning van kaolien, kwartszand, kwartsieten en veldspaat), 9 door het College van Gedeputeerden van den Provincialen Raad van Midden-Java (5 voor de winning van klei, 1 voor de winning van marmer, 2 voor de winning van roode klei en 1 voor de winning van kalkgesteenten) en 1 door het College van Gedeputeerden van den Provincialen Raad van West-Java (voor de winning van kaolien). In 1934 werden 21 vergunningen ingetrokken, terwijl 2 vergunningen door tijdsverloop zijn komen te vervallen. Einde 1934 waren 161 vergunningen van kracht, terwijl 3 aanvragen om winningsvergunningen in behandeüng waren. Mijninspectie. Voor de juiste toepassing van sommige artikelen van de voor schriften van het Mijnpolitiereglement (I.S. 1930 n°. 341) werden door het Hoofd der Mijninspectie aanvullende voorschriften gegeven. Het personeel der Mijninspectie bestond uit 3 mijninspecteurs (ingenieurs), 2 adjunct-mijninspecteurs (hoofdbooropzichters) en 1 werktuigkundig-electrotech nisch ambtenaar. De leiding der Mijninspectie berustte bij het Hoofd van den Dienst der Mijn ver ordeningen. Door de inspecteurs en adjunct-inspecteurs werden in 1934 voor erts en kolen 39 en voor aardolie 60 bezoeken gebracht aan de mijn- en opsporingswerken. Bovendien werden 6 vergunningsterreinen bezocht voor de aantooning van olie WINNING VAN DELFSTOFFEN. 113 en/of gas en werd één reis ondernomen voor het onderzoek ter plaatse van een op een olieterrein voorgekomen doodelijk ongeval. Voorts werden 4 reizen van het inspecteerend personeel dienstbaar gemaakt ter controleering van, voor aangevraagde mijnconcessies ingediende, „aantooningen" (art. 13 der Indische Mijnwet). Door den werktuigkundig-eloctroteohnisch ambtenaar werden 15 mijnwerkcn bezocht, waar van 2 inspecties dienden voor een onderzoek ter plaatse van doodelijke ongevallen. Voor groote rampen bleef de Mijnbouw gedurende 1934 gespaard. Bij den kolen mijnbouw hadden 3 doodelijke ongevallen plaats, waarbij 3 personen binnen 24 uur na het ongeval het leven lieten, tegen 19 in 1933; de erts-mijnbouw had eveneens 3 doodelijke ongevallen, waarbij 3 personen binnen 24 uur na het ongeval overleden, tegen 11 in het voorafgegane jaar; bij de aardoliebedrij ven hadden 4 doodelijke ongevallen plaats, waarbij 4 personen binnen 24 uur na het ongeval aan de bekomen verwondingen overleden, tegen 0 in 1933. Het aantal ongevallen, welke invaliditeit langer dan 3 weken veroorzaakten, bedroeg voor den kolenmijnbouw, den ertsmijnbouw en voor de aardoliebedrij ven respectievelijk 36, 48 en 33, tegen 34, 47 en 29 in 1933. Het aantal door mijnongevallen doodelijk getroffen personen per 1000 onder grondsche en bovengrondsche arbeiders bedroeg voor den kolen- en ertsmij nbouw respectievelijk 0,56 en 0,23, tegen 3,21 en 1 in 1933, terwijl dit cijfer voor de aard oliewinningen was 0,54, tegen 0 in 1933. Geologische en mijnbouwkundige onderzoekingen en adviezen. De geologische opname van Java werd in 1934 voortgezet. Hierbij werd in overleg met de betrokken Lands diensten in het bijzonder mede aandacht geschonken aan die terreinen, welke voor landbouw en boschbouw van belang geacht werden. In Oost-Java werd de opname voortgezet op do bladen 110 (Modjokerto), 115 (Soerabaja) en 116 (Sidoardjo), terwijl aanvullende gegevens werden verzameld or> blad 99 (Madioen). Op grond van rijke vondsten van fossiele werveldieren kon de ouderdom van aardlagcn, behoorende tot hot jongste tertiair en het plistoceen van Java, nauw keurig vastgesteld worden. Daardoor was het ook mogelijk om o.a. don ouderdom van den in 1892 bij Trinil gevonden schedel van den oermensen, den Pithecan thropus, exacter aan te geven. In West-Java zijn de terreinworkzaamheden begonnen op de tertiaire strook, welke zich van Poerwakarta naar het Oosten uitstrekt. Hoofdzakelijk werd op blad 35 (Soebang) gewerkt. Meer westelijk werd de opname op blad 12 (Serang) begonnen en op blad 13 (Rangkasbitoeng) voortgezet. De opname van blad 26 (Sagaranten) werd beëindigd. In druk verscheen blad 36 (Bandoeng). Als resultaat van de geologische opname van Sumatra, welke einde 1933 om bezuinigingsredenen voorloopig werd stopgezet, verschenen in 1934 nog de bladen 8 (Menggala) en 13 (Wiralaga). In Oost-Borneo werden in de eerste helft van 1934 aanvullende verkenningen verricht in de noordelijke omranding van het Merengebied van Koetai, ter afronding van de reeds vroeger vorkregen gegevens, en werd door een opname in een gedeelte van de stroomgebieden van de rivieren Telen en Wahau het gekaartcerde gebied verder in noordelijke richting uitgebreid. Daarna moest de opname van Koetai wegens bezuinigingsredenen worden afgebroken. Voorts is in 1934 het globale onderzoek van het Mangkalihat-schiereiland af gesloten, waarbij aansluiting werd verkregen met de vroeger in de onderafdeelingen Boeloengan en Beraoe uitgevoerde verkenningen. Geólogisch-technische onderzoekingen. — Hydrologie. —• Een hernieuwde belang stolling voor den aanleg van reservoir-dammen viel te constateeren. Uiteraard beperkte deze zich tot den aanleg van reservoirs ten behoeve van een uitbreiding 8 DB IX'ONOMISCHE TOESTAND. 114 van den rijstbouw op waterarme terreinen, terwijl in oen bijzonder geval sprake was van een compensatie van voor irrigatie benut bronwater, dat voor industrieele doeleinden zou kunnen worden bestemd. Voorts betrof een der onderzoekingen de herkomst van het lekwatcr uit don reeds bestaanden dam Patjal, waarbij aangetoond kon worden, dat dit uit het vóórvlak afkomstig moet zijn on geen gevaar voor dit kunstwerk oplevert. Behalve 11 over watervoorzieningen van steden en particuliere ondernemingen uitgebrachte verslagen werden ook nog voor een groot aantal kleine nederzettingen adviezen over de mogelijkheid van het aanboren van artesisch water verstrekt. De uitvoering van de capteeringstunnel der Malangsche waterleiding, waarvan het doel in het vorig Verslag is uiteengezet, vorderde naar wensch. Op 8 Januari 1934 aangevangen, bereikte de tunnel tegen het einde van het jaar een lengte van 274 m, waarvan 252 m en de luchtschacht reeds geheel gebetonneerd werden. Bodemgesteldheid. Ook in 1934 kwamen talrijke afschuivingen van kampongs voor, terwijl oude en nieuwe afschuivingen aan wegen en andere kunstwerken in grijpende verbeteringen noodzakelijk maakten. Tot do belangrijkste adviezen op dit gebied behooren die, welke betrekking hebben op de waterleiding van het waterkrachtwerk Tjiomas der Michiels-Arnold-landcn, de hoogspanningsleiding der Centrale van do Algemeene Nederlandsch-Indische Electricitoits Maatschappij (A. N. I. E. M.) aan de Toentang-rivier, en een aard schuiving welke den afvoer van het reservoir Patjal bedreigde. Bij den Zuid-Semeroe weg werd verder gewerkt aan het afgraven van den bergwand en het succes bereikt, dat de montage van de brug over de Besoek Koboan mogelijk werd gemaakt, zoodat deze verbindingsweg 2 November 1934 kon worden geopend. Het definitieve tracé van den geprojecteerden verkeersweg tusschen Tjisolok en Bajah werd vast gesteld in overeenstemming met de gunstigste grondgestcldhcid. Voorts werd do grondgesteldhcid van het terrein der raffinaderij van de Nederlandsche Koloniale Petroleum Maatschappij te Soengaigerong on die van eenige vliegvelden nauwkeurig onderzocht. In totaal werden 20 adviezen op dit gebied uitgebracht. Industrie. Voor particuliere rekening werden 3 onderzoekingen naar de aan wezigheid van fosfaten verricht. Ton aanzien van de toepassing van fosfaten voor landbouwkundige doeleinden werd aan de Provinciale Landbouwvoorlichtingsdien sten van West-, Midden- on Oost-Java on aan de Afd. Cheribon van het Proefstation voor de suikerindustrie een belangrijke hoeveelheid calcium- en aluminiumfosfaat verstrekt ten behoeve van proeven bij rijst, maïs, aardappelen, uien en suikerriet. De regel, dat op zure gronden calcium-fosfaat en op basische gronden aluminium fosfaat een betere uitwerking heeft, bleek in het algemeen op te gaan. Slechts indien de hooge zuurgraad van tien bodem gepaard gaat aan een hoog kiezelzuur gehalte, heeft ook aluminium-fosfaat een even goede uitwerking als calcium-fosfaat. Ten aanzien van de aanwezigheid van diatomeeën-aarde worden op Java ver schillende vindplaatsen nader onderzocht. De lagen bij Sangiran ten oosten van Kaliasa in de residentie Soerakarta zijn door klei verontreinigd. Van tüt materiaal werd een hoeveelheid naar het Keramisch Laboratorium te Bandocng gezonden. De proeven om hiermede lichte hollen baksteen te vervaardigen, kunnen voorloopig als geslaagd worden beschouwd. Van overeenkomstige afzettingen in het Kendeng-heuvelland ten noorden van Krian (res. Soerabaja) bleek het materiaal door de hooge krimp als gevolg van oen hoog kalk- en kleigehalte niet voor dit laatste doel geschikt te zijn. Bleekaarden worden verzameld ten zuiden van Nanggoclan in Jogjakarta en ten noorden van Boemiajoe, welke, beide in het Laboratorium voor Materialen onderzoek te Bandoeng onderzocht, ongeveer bleken te voldoen aan de eischen, welke aan Iste soort bleekaarden voor de zuivering van petroleum-producten worden gesteld. WINNING VAN DELFSTOFFEN. 115 Mot puimstoentuf van Binangoen bij Malang, welke als betonzand bij den bouw van de capteeringstuiinel der Malangsche waterleiding gebruikt is, werden uitnemende resultaten verkregen wat do drukvasthcid on waterdichtheid der verkregen beton betreft. Dit was aanleiding om bij Tjitjoeroeg in de residentie Buitenzorg eveneens naar puimsteentuf-afzettingen te zoeken, welke op verschillende plaatsen inderdaad in groote dikte werden aangetroffen. Ten behoeve van een inhoemschc onderneming tot winning van kaolien werden verschillende onderzoekingen van geslibden kaolien verricht. Grondpeilwezen. Daar in verband met den ongunstigen financieelen toestand van vele Regentschappen zelfs voor urgente artesische putboringen geen opdrachten van die zijde meer binnenkwamen, is bij wijze van tijdelijken maatregel beslist, dat de door het Grondpeilwezen voor de Regentschappen op Java en Madoera uit te voeren artesische boringen tot nader order zouden worden verricht voor rekening van het Land. In 1934 werd op 13 plaatsen, verspreid over West-, Midden- en Oost-Java, naar artesisch water geboord, terwijl 7 putboringen volledig konden worden afgewerkt. Bovendien werden enkele schoonspoelingen aan oude artesische putten uitgevoerd en ten behoeve van de watervoorziening van de plaats Sitoebondo uitgebreide pomp proeven verricht aan twee bestaande putboringen. Paleontologisch Laboratorium. De werkzaamheden in dit laboratorium bestonden voor een groot gedeelte uit het bepalen van tot zeer uiteenloopende diergroepen behoorende fossielen, uit verschillende streken afkomstig. Het werk van dezen aard liep parallel aan de in gang zijnde geologische opnamen en diende om deze zooveel mogelijk steun te geven bij de bepaling van het onderling verband der verschillende laag-complexen. Naast deze onderzoekingen kon aandacht worden gewijd aan werk met een vorder strekkend doel, namelijk het leggen van een grondslag voor een definitieve stratigrafie van de in Nederlandsch-Indië het veelvuldigst voorkomende vormingen: het tertiair en het kwartair. In dit verband kunnen genoemd worden het onderzoek van eenige belangrijke foraminefcren-groopen, dat van neogene mollusken uit Java en Sumatra en de studie der fossiele zoogdieren van Java. Enkele bij deze onder zoekingen verkregen resultaten werden, bij gebrek aan publicatie-mogelijkheid van Landswege, opgenomen in het tijdschrift „De Ingenieur in Nederlandsch-Indië". Chemisch Laboratorium. De werkzaamheden in het laboratorium bepaalden zich hoofdzakelijk tot het scheikundig onderzoek van zeer verschillende delfstoffen (ertsen, kolen, olieproducten) en van watermonsters van verschillenden oorsprong. Daarnaast werden proefnemingen genomen met in gebruik zijnde toestellen met het doel de gebruikelijke methoden zoo mogelijk te verbeteren. Zoo kon o. m. de gevolgde werkwijze voor het bepalen van het verweekings(smelt)punt van asfalt en pek een wijziging ondergaan, welke de nauwkeurigheid van de methode belangrijk heeft verhoogd. De afdeeling voor bodemkundige onderzoekingen werd in Mei 1934 opgeheven; haar werkzaamheden worden sindsdien verricht in het Bodemkundig Instituut te Buitenzorg. Publicaties. Verschenen zijn van de geologische kaart van Java, schaal 1 : 100 000: Blad 36 (Bandoeng), met toelichting door dr. R. W. van Bemmelen (met een korte agrogeologische beschrijving door Ing. J. Szemian); van de geologische kaart van Sumatra, schaal l : 200 000: Blad 8 (Menggala), met toelichting door dr. J. van Tuyn, on Blad 13 (Wiralaga), met toelichting door dr. J. van Tuyn; van het Bulletin of the Netherlands Indies Volcanological Survey Nos. 64 (Juli —Aug. 1933), 65 (Sopt.— Oct. 1933), 66 (Nov.—Dec. 1933) en 67 (Jan.—Maart 1934). DE ECONOMISCHE TOESTAND. 116 H. NIJVERHEID 1. Algemeen overzicht. Bij Ord. van 11 Aug. 1934 (I.S. n°. 508) zijn maatregelen getroffen, waardoor het mogelijk zal zijn met betrekking tot onderwerpen van economischen aard, onderdeelen van het bedrijfsleven betreffende, waarvan nauwkeurige kennis van algemeen belang moet worden geacht, statistische gegevens te verkrijgen (statistiek ordonnantie 1934). Een commissie van advies inzake de toepassing van die ordon nantie is ingesteld bij G. B. 17 Sept. 1934 n°. 12 (J.C. n°. 76). De bestaande nijverheid heeft in 1934 de inwerking ondergaan van de steeds verminderende koopkracht der bevolking. De achteruitgang in de bedrijven, welke afhankelijk zijn van de groote landbouwbedrijven, bleef voortduren, terwijl de versobering bij het uitvoeren van openbare werken door het Land en de lagere rechtsgemeenschappen ongunstig op deze bedrijven inwerkte. De druk op den verkoopprijs der producten van sommige industrieën, veroorzaakt door import van gelijksoortige waren uit landen met gedeprecieerde valuta, bleef onverminderd van kracht. In de inheemsche nijverheid werd over het algemeen, zij het door het aanleggen van een ongekend laag loonpeil, de afzetmogelijkheid behouden. In andere bedrijven, met name de sarong-wcverijen, had een groote opbloei plaats, dank zij de door de Overheid getroffen contingenteeringsmaatregelen. Door de steeds toenemende werkloosheid onder vroeger betrekkelijk weigestelden ontstond een streven naar industrialisatie met bescheiden kapitaal, dat in 1934 van onmiskenbaar belang is geworden. Dit blijkt mede uit de belangstelling, door importeurs aan den dag gelegd voor deze bedrijven, waarbij, naast het beschikbaar stellen van het distributie-apparaat, tevens kapitaal werd verschaft. In het algemeen is het beeld, dat de Nederlandsch-Indische industrie gedurende 1934 heeft vertoond, weinig opwekkend. 2. Afzonderlijke bedrijven. Metaalnijverheid. Evenals in de vorige jaren, waren in 1934 de financieele resultaten van de machinefabrieken zeer onbevredigend. De kleine opleving in de thee- en rubbercultuur, alsmede de door de Regeering genomen maatregelen om constructiewerk aan de in Indië gevestigde machinefabrieken te gunnen, brachten eenige verlichting. Gestreefd werd naar aanpassing van de organisatie van deze nijverheid aan de gewijzigde omstandigheden. Enkele fabrieken zijn overgegaan tot de fabricatie van massa-artikelen, welke voorheen voor het grootste deel werden geimporteerd, zooals oostpannen, straatpotten, vijzels e.d., terwijl één fabriek in Oost-Java de constructie van wegwalsen ter hand nam. Door de contingenteering van den invoer van oostpannen heeft de Regeering in deze do behulpzame hand geboden. Ook de metaalwarenfabrieken bleven don druk van de ongunstige tijden voelen. Naast de algemeen verminderde koopkracht, welke van zeer ongunstigen invloed op den omzet was, was de toenemende concurrentie van Japan en China (Hongkong) vooral in de z.g. „blikdruk-artikolen" oorzaak, dat de resultaten over 1934 wederom achterbleven bij the van (de toch reeds ongunstige) voorafgegane jaren. Een dezer fabrieken ging over tot de vervaardiging van stalen meubelen. Tegen het einde van het jaar werd in Midden-Java de oprichting voorbereid van een emballage- en blikfabriek. In West-Java valt te vermelden de oprichting van een vatenfabriek en een fabriek van rijwielen. NIJVERHEID. 117 Een gunstige uitzondering op den in het algemeen slechten toestand van de Inheemsche metaalbeuerkingsnijverheid maken de edelmetaalbedrijven te Jogja karta, welke, dank zij de sedert 1933 ingevoerde verkoopsorganisatie, aan velen nog een behoorlijk bestaan verschaffen. Textielbedrijven. In tegenstelling met hetgeen men elders kon waarnemen op het gebied van industrieele werkzaamheid, werd ten aanzien van de textielbedrijven, met name de weverijen, een groote activiteit betoond. Niet alleen dat de bestaande weverijen zich konden uitbreiden, doch ook vele nieuwe werden opgericht. De door de Regeering genomen beschermende maatregelen in den vorm van af schaffing van invoerrecht op weefgarens eenerzijds en contingenteering van den invoer van bontgeweven stoffen anderzijds, hebben hun stimuleerende werking niet gemist. Duidelijk blijkt de uitbreiding dan ook uit de toeneming van de hoeveelheden ingevoerde weefgarens. Invoer van weefgarens op Java en Madoera in bruto kg (ontleend aan de Mede deelingen van het Centraal Kantoor voor de Statistiek): 1934. 1933. 1932. Katoenen garens ... 2 164 432 1 770 704 1 272 742 Kunstzijden garens . . 210 475 49 952 Zijden garens 31 590 • 23 665 68 930 In de Buitengewesten is een kleine achteruitgang in het gebruik van weefgarens to constateeren. De toestand van de batikkerijen bleef echter zeer zorgwekkend. Hoewel ook andere redenen aanwijsbaar zijn, moet deze zeer slechte toestand, naast de prijs stijging van cambrics en greys tengevolge van de contingenteeringsmaatregelen, hoofdzakelijk geweten worden aan de sterk gedaalde koopkracht van de be volking. Een verhoogde belangstelling voor het gebruik van in Indië voortgebrachte textielgrondstoffen viel waar te nemen. Met min of meer succes b.v. werden pogingen aangewend tot handverspinning van de in Indië geteelde katoenvezel. Ook de verwerking van andere vezelstoffen (cocos, agel, sisal) tot half- en eind producten had meer belangstelling. Vlechtnijverheid. Hoewel de export zich, vergeleken bij het vorig jaar,op peil heeft weten te houden, waren de prijzen over het algemeen lager. De finaneieelo uitkomsten waren dan ook verre van bevredigend. Brouwerijbedrij f. De Nederlandsch-Indische brouwindustrie heeft in 1934 in ernstige mate de gevolgen ondervonden van den teruggang van het bierverbruik. Was in 1933 het totaal van invoer en locale productie ± 124 000 hl, in 1934 liep dit terug tot ± 80 000 hl. De nadeelige invloed van deze vermindering van de bier consumptie kon slechts ten deele worden goedgemaakt door de einde 1933 afge kondigde bier-invoer-contingenteering. Begin 1934 toch bevonden zich nog groote voorraden buitenlandsch bier op de markt, die eerst in consumptie moesten worden gebracht alvorens de gunstige invloed van de invoerbeperking zich kon doen gevoelen. Langzamerhand werd een evenwicht bereikt, dat voor de binnenlandsche brouwindustrie bevredigend genoemd kan worden. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 118 De brouwerijen te Soerabaja en Batavia produceerden in 1934 4; 60 % van de totale bierconsumptie van Nederlandsch-Indië. Een aan de bierbrouwerijen verwant bedrijf vormen de gistfabrieken. Hoewel de tijden ook voor deze, in Nederlandsch-Indië betrekkelijk nieuwe, bedrijven zeker niet gemakkelijk zijn, konden do omzetten zich gestadig vergrooten, zoodat verwacht mag worden, dat deze bedrijven in de toekomst een blijvende plaats in de rij der nijverheidBondernemiugen zullen innemen. Biscuitfabrieken. De biscuitfabrieken hielden zich voornamelijk bezig met de productie van zeer goedkoope producten, welke in het bereik van de massa vallen. Hoewel de productie gestadig toenam, waren de financieele resultaten in verband met de geringe koopkracht van de bevolking niet gunstig. Conserven}abrieken. De conservenfabricken — zoowel vleesch-, groenten-, als vruchten-conserven — behaalden in 1934 bevredigende bedrijfsresultaten, al onder vonden ook zij den invloed van de lage conjunctuur. Op den nog zeer ruimen import hebben deze fabrieken langzaam maar zeker een steeds grooter wordend afzetgebied weten te veroveren. Een nieuw bedrijf is een in Midden-Java opgerichte maizena-fabriek. Het door deze fabriek afgeleverd product geniet allerwegen de noodige belangstelling. Fabricatie van spijs-oliën. Hoewel de prijzen voor de in dezen tak van nijver heid benoodigde grondstoffen over het algemeen een dalende tendenz vertoonden, heeft dit niet kunnen voorkomen, dat de financieele resultaten van de fabrieken in 1934 zeer slecht uitgevallen zijn. Scherpe concurrentie uit de Philippijnen, lage boterprijzen, alsmede de verminderde afname moeten als voornaamste oorzaken genoemd worden. Tabaksindustrie. Ondanks de vermindering van den invoer van sigaretten, daalde de productie van de machinale sigarettenfabrieken ten opzichte van 1933 met 7 % wat betreft het aantal, en met 12 % wat betreft den omzet in geld. De goed koopere prijsklassen werden relatief meer vervaardigd, door gebruikmaking van papier van binnenlandsche herkomst, dat fiscaal buiten de omschrijving „sigaretten papier" valt. In de grondstofvoorziening van de sigarettenfabrieken kwam wijziging, doordat eensdeels de productie van binnenlandsche sigarettentabak toenam, anderdeels veel Virginia-tabak gekorven werd ingevoerd. In 1934 werd gemiddeld in de machinale sigaretten-industrie reeds 42 % binnenlandsche tabak gebruikt. De strootjes-industrie moest tegen nog iets dalende prijzen leveren en begon de concurrentie van krétèk-sigaretten geducht te gevoelen, vooral nadat enkele sigarettenf abrikanten er in slaagden krétèk-sigaretten machinaal te vervaardigen. De prijs van de kerftabak, de voornaamste grondstof van het strootje, was in het begin van het jaar door de slechte tabaksoogsten in 1932 en 1933 vrij hoog, doch daalde in den loop van 1934 sterk. De sigarenindustrie neemt, voorzoover het de fabricatie van de allergoedkoopstc soorten betreft — welke een vaak machinaal aangebracht papieren „omblad" hebben — I gestadig in omvang toe. Deze industrie is op Toeban geconcentreerd. Wat de andere soorten sigaren — van y 2 cent per stuk af nam zoowel import als productie af doordat men tot goedkoopere producten — meestal siga retten — overging. De uiterst goedkoope „oigarillo" won terrein voornamelijk op het strootje en de machinaal-vervaardigde sigaret. De financieele toestand van de tabaksindustrie was over hot algemeen slecht, niettegenstaande lage tabaksprijzen, gestadig dalende loonen en verschillende aan- NIJVEKHKII). 119 passingen (gebruik van binnenlandsch papier op homo made bobinee, machinale vervaardiging van krétèk-sigaretten, semi-maehinale aanmaak van eigarillos). Cementfabricage. De in het vorig Verslag reeds besproken contingent.eering heeft niet nagelaten haar gunstigen invloed te blijven uitoefenen op de bedrijfsre sultaten van de groote fabriek te Padang. Chemisch-technische bedrijven. Gasfabrieken. In het kader van de algemeene toestanden mogen de gasbedrijven niet meer beschouwd worden als monopolie bedrij ven. Behoudens straatverlichting wordt het gas nog zelden als verlichtings middel gebruikt, terwijl de toestellen tot opwekking van warmte door middel van olie, brandhout, steenkolen, houtskool en electriciteit een zoodanige verbetering hebben ondergaan, dat het gas en ook de geproduceerde cokes als brandstof met energie-vorm in prijs scherp moeten concurreeren. De bijproducten cokes en koolteer vonden vroeger tegen loonende prijzen afzet in de suikerindustrie. Door de inkrimping van deze industrie moesten voor de bij producten andere afzetgebieden worden gezocht (voor cokes: brandstof voor kalk branderijen, locomotieven, stadstrams, fabrieken en huishoudelijke doeleinden, waar in concurrentie moet worden verkocht met de steeds in prijs dalende steenkolen, brandhout, olie, houtskool, enz.). Tengevolge van de depreciatie van de yen werd de Indische markt overvoerd met koolteer uit Japan, waardoor de normale koolteerprijzen tot ongeveer i / i ge deelte werden teruggebracht. De rentabiliteit van de gasbedrijven is in 1933 en nog sterker in 1934 tot een ongekend laag peil gezonken. De fabrieken kunnen nog slechts met uiterste kracht inspanning het gasdebiet handhaven, niettegenstaande de tarieven met ± 30 % werden gereduceerd. Verffabricatie. De algemeene daling van de prijzen der grondstoffen maakte een verlaging van de verkoopprijzen mogelijk, waardoor over het algemeen de om zetten grooter waren dan in de voorafgegane jaren. De verkoop in de zeer kleine verpakking van ' , kg moest als gevolg van de buitenlandsche concurrentie bijna geheel worden prijsgegeven. Twee nieuwe fabrieken werden opgericht. Inkt-, lak- en kantoorlijm-fabricatie. Een nieuw bedrijf werd in West-Java ge sticht als dochterinstelling eener bekende Hollandsehe fabriek. De bestaande fa brieken behoefden, mede dank zij de Gouvernementsleveranties, hare bedrijven niet in te perken. Zeep- en parfumerie-industrie. Deze industrie breidde zich gestadig uit. De pro ductie van goedkoope waschzeepen geschiedde veelal in kleine bedrijfjes (vaak eenmansbedrijven), waarvan het aantal nog steeds toeneemt. De import van caustic-soda, een der essentieele grondstoffen van de zeepziede rijen, nam evenredig toe. De toestand in de fabricatie van toiletzeepen toont een minder gunstig beeld. De verminderde koopkracht van de bevolking en de buitenlandsehe concurrentie deden de verkoopprijzen scherp en in heviger mate dalen dan de grondstoffen in prijs terugliepen. De groote onderlinge concurrentie en de oprichting van tallooze kleine bedrijven stonden mede aan een verbetering van den toestand in den weg. Een belangrijk internationaal concern bouwde in West-Java een groote zeep fabriek, welke begin 1935 in bedrijf kwam. DE STAATKUNDIGE TOESTAND. 12 Het ledental van het Indo-Europeesch Verbond vertoonde in 1934 een geringe daling. Onder leiding van den bondsvoorzitter, den heer F. H. de Hoog, zette het verbond zijn werkzaamheden op sociaal, economisch en staatkundig terrein onge wijzigd voort. Van de overige partijen vallen in het algemeen geen bijzonderheden te vermelden. 3. De Inlandsche beweging. Algemeen beeld. Tengevolge van de in Augustus 1933 en gedurende 1!)34 ge troffen Regeeringsmaatregelen, gericht tegen verschillende extremistische partij groepeeringen, zoowel op Java als daarbuiten, veroorzaakte de politieke beweging gedurende 1934 geen moeilijkheden. Van de federatie van nationalistische vereenigingen, de Pt rsatoean Perhimpoenan Politiek Kebangsaan Indonesia (P.P.P.K.1.) ging geringe actie uit. Begin 1935 besloot de Partai Indonesia (P.I. of Partindo) zich uit de federatie terug te trokken, om aan deze organisatie gelegenheid te geven grooter activiteit te ontwikkelen, aangezien de P.P.P.K.I. tengevolge van hot op do P.T. toegepast vergaderverbod tot haar bijeenkomsten geen P.1.-leden mag toelaten. Gedurende 1931 werd herhaaldelijk beraadslaagd over een fusie tusschen de Persatoean Bangsa Indonesia (P.8.T.) en Boedi Oetomo (B.O.). Begin 1935 is deze fusie in beginsel aanvaard onder den naam Partij indonesia Raja. Aan 77 personen werd op grond van I.S. 1932 n°. 494, jo I.S. 1933 n . 372, do bevoegdheid tot het geven van onderwijs aan minderjarigen ontnomen, hetzij voor bepaalden, hetzij voor on bepaalden tijd. Behalve de hierna bij de behandeling van de desbetreffende vereenigingen te noemen personen werden acht oud-leden der voormalige Partij Kommunistlndonesia, na straf-expiratio geïnterneerd. Dezelfde maatregel werd getroffen ten aanzien van den wegons haatzaaien en opruiing herhaaldelijk veroordeelde Abdul Hamid Loebis (G.B. 15 Aug. 1934 n°. 28). Islamietische actie. De Partai Sarekai Islam Indonesia (P.5.1.1.) hield van 20 tot 26 Mei 1934 haar jaarlijkseh congres te Bandjarnegara, waaraan werd deelge nomen door 70 haror 14ó afdeelingen. Het belangrijkste onderwerp, dat op dit congres werd besproken, betrof de bezwaren tegen allerlei met don Islam als strijdig gevoelde adat instellingen. Besloten werd voorts tot de instelling — voor zoover dit plaatselijk gewenschi wordt geacht — van afzonderlijke afdeelingen voor vrouwen onder hot uitvoerend comité van het Centraal bestuur. Tijdens een begin December 1934 te Tanggoelan (West-.lava) gehouden pro vinciale conferentie heeft do P.5.1.1. haar afwijzend standpunt ten opzichte van de miltpunctie laten varen on daarvan mededeeling gedaan aan de autoriteiten. De Partai Islam Indonesia (Par. LI.), de vereeniging die zich naar aanleiding van een geschil dor Jogjascho P.S.LI.-loden mot de partijleiding heeft afgescheiden van do P.5.1.1., betoonde geringe activiteit. De vereeniging Moehammadijah hield van 19 tot 25 Juli 1934 te Jogjakarta haar 23ste Congres, waarop o.m. werd besloten tot instelling van een commissie ter be studeering van hot vraagstuk nopens het zenden van jongelieden naar het buitenland voor studiedoeleinden. De vereeniging telt ruim 700 afdeelingen en groepen over geheel Nederlandsch-Indië verspreid. De vereeniging van rechtzinnige schriftgeleerden Nahdatoel Oelama hield van 21 tot 26 April 1934 te Banjocwangi haar 9de congres. Er werden eenige moties aan genomen, o.m. met betrekking tot geschillen over den Vrijdagsdienst. den tegengang van het concubinaat, hot vergemakkelijken van de hu wel ijksformaliteiten voor DE ECONOMISCHE TOESTAND. 120 Verbandstofjenfabricatie. Do X.Y. Eerste Nederlandsch-Indische Verbandstof fenfabriek te Soerabaja ondervindt sterk de concurrentie met het buitenland, dat tegen zeer lage prijzen verbandwatten op de markt brengt. Tengevolge van den zeer teruggeloopen afzet moest de fabriek in het afgeloopen jaar ruim 4 maanden stilgezet worden. Rubber fabricatie. Dank zij de gouvernement sorders en opdrachten van groote ondernemingen stegen de omzetten, terwijl bevredigende prijzen konden worden be dongen. De financieele resultaten waren daardoor beter dan in het voorafgegane jaar. Door een groot buitenlandsch concern werd een aanvang gemaakt met den bouw van een fabriek in West-Java voor de vervaardiging van autobanden. Fabricatie van desinfectiestoffen, enz. Deze tamelijk jonge industrie mocht zich ondanks de malaise verheugen in een voortdurenden vooruitgang. De geringe opleving in de thee- en rubbercultuur deed de vraag na.ar insecticiden stijgen, zoodat de afzet daarvan bevredigend was. Lederindustrie. In 1934 vertoonde de lederindustrie op Java en Madoera bijkans hetzelfde beeld als in 1933. Van eenige opleving in deze branche kan moeilijk worden gesproken. Do grootere fabrieken werkten slechts op gedeeltelijke capaciteit, terwijl twee kleine leerlooierijen, een in Midden-Java en een te Soerabaja, moesten liquidee ren, hetgeen voor een gedeelte te wijten was aan de concurrentie, ondervonden van de zijde der kleine, meest Inhecmsche looiers, die op zeer primitieve wijze leder bereidend, het product tegen zeer lagen prijs, soms met verlies, op de markt brachten. Deze kleine looiers waren hoofdzakelijk ontslagen toekangs van de grootere bedrijven, welke door de tijdsomstandigheden genoodzaakt waren te sluiten of het bedrijf in te krimpen. Deze concurrentie gold vooral voor voering- en reptielen-leder. In zake het overleder, z.g. „Java-box", kan worden medegedeeld, dat ondanks de belangrijk verbeterde kwaliteit en den zeer lagen prijs, hierin nog een scherpe concurrentie uit Australië werd ondervonden. Het in Indië bereide zoolleder onder vond zware concurrentie door den invoer van zoor goedkoop z.g. afval- en splitleder. Om hieraan het hoofd te kunnen bieden, werd veel minderwaardig product vervaar digd, het z.g. Atjeh-leder (met mangrove-bast gelooid) en Solo-leder (met pilang en trenggoeli-bast gelooid). De vraag van de schoenmakers naar goedkoop en licht leder werkt het produceeren hiervan zeer in de hand. Niet alleen de directe invloed van den invoer van goedkoopcre buitenlandsehe ledersoorten, maar ook de indirecte invloed van den invoer van gereed schoeisel door buitenlandsehe schoenfabricken werd in de lederbranche zeer gevoeld. Voornamelijk van de zijde van Tsjechoslowakije en Japan werd door de schoen makerijen zware concurrentie ondervonden. Grafische bedrijven. De productie van de Landsdrukkerij bleef in 1934 practisch dezelfde als in 1933. Het aantal afgeleverde werkorders bedroeg in 1933 5093 en in 1934 5183, een vermeerdering derhalve met 1,8 %. Het papierverbruik verminderde echter, en wel plano-papier met 6,7 % en sans fin met 1,7 %. Het verbruik van plano-papier was: in 1932 42 155 riem, in 1933 46 097 riem en in 1934 42 982 riem NlJVEnill.il). 121 en <lat van saus fin-papier in 1932 9 896 857 meter, in 1933 7 054 095 meter en in 1934 6 934 334 meter. De personeelssterkte bedroeg einde 1934 442 man, tegen 448 op einde 1933; zij bleef dus practisch dezelfde als na de reorganisatie van het bedrijf in 1932, waarbij de formatie van 630 tot 450 man werd teruggebracht. De bedrijfskosten zijn in 1934 wederom gedaald. Twee factoren waren hierop van invloed: I°. de uitwerking van verschillende maatregelen en voorzieningen, welke bij de reorganisatie van het bedrijf in 1932 en 1933 werden doorgevoerd, kon eerst ten volle tot uiting komen in 1934; 2°. de invoering van de H.8.8.L.-1934 en van het maandlooners- en werklieden reglement op 1 April 1934. De ontvangsten van het bodrijf bedroegen over 1934 f 924 546 en de uitgaven f 637 948. Na dekking van de rente en afschrijving ad f 89 977 en f 116 390. bedroeg hot voordeelig saldo f 80 231. De boekwaarde van de vaste activa bedroeg einde 1934 f 1 780 870. 3. Waterkracht en electriciteit. De toestand van de electriciteitsvoorziening bleef over het geheel genomen sta tionnair; in enkele gebiedsdeelen is het electrieiteitsverbruik, vergeleken met dat in 1933, weder toegenomen. In 1934 werd in enkele electriciteitsbedrijven een tariefsverlaging ingevoerd. De lage aanschaffingskosten van eigen krachtinstallaties noopten de electrici teitsbedrijven in sommige gevallen voorts tot het invoeren van lagere tarieven voor groote verbruikers. Aan de Algemeenc Nederlandsch-Indische ElectriciteitsMaatschappij (A.N.1.E.M.) werd in den vorm van een uitgewerkt ontwerp te kennen gegeven, op welke voor waarden zij een nieuwe electriciteitsvergunning zou kunnen verkrijgen voor de ener gie-levering ten behoeve van een deel van Midden-Java uit de waterkrachten aan de Kali Toentang. Daarop is door de maatschappij eind 1934 een tegenvoorstel ingediend, hetwelk nog in behandeling is. Vergunningen tot den aanleg en het gebruik van leidingen voor het overbrengen en verdeelen van electrischen arbeid zijn verleend aan W. G. F. Jut te Sanggau in de onderafdeelingshoofdplaats Sanggau (res. Westerafdeeling van Borneo) (G. B. 14 Nov. 1934 n°. 33), aan A. N. Best te Bonandolok in de plaats Siborangborong (res. Tapanoeli) (G. B. 16 Nov. 1934 n°. 24) en aan den bestuursambtenaar, belast met het toezicht op het beheer van de marga-kas Toengkal Ilir, in het gebied, dat wordt bepaald door de voor de eerste maal vast te stellen grenzen der plaats Koea latoengkal (res. Djambi) ( G. B. 24 Dec. 1934 n°. 33). De ontvangsten van de Landswaterkrachtbedrijven, welke in 1932 en 1933 onder den invloed van de algemeene depressie telkens minder waren dan in het vooraf gegane jaar, zijn in 1934 weder iets toegenomen. Volgens de voorloopige uitkomsten bedroegen in 1934 de ontvangsten f 2 846 000 (in 1933 f 2 923 000). De exploitatie-uitgaven daalden tot f 445 000 (in 1933 f 541 000). De afschrijvingen bedroegen f 1 126 000 (in 1993 f 1 113 000), zoodat voor rente- DE ECONOMISCH 10 TOESTAND. 122 uitkeering beschikbaar was f 1 275 000 (in 1933 f 1 209000), d.i. 4,5 % (in 1933 4,3 %) van het bedrijfskapitaal. In de Landswatorkrachtbedrijven werden in 1934 opgewekt 93,76 mililoon kWh, tegen 93,03 millioen kWh in 1933. De montage van het derde aggregaat van de centrale Lamadjan on vandeelectro ketelinstallatie van de centrale Weltevreden werd voltooid. De belangstelling voor de ontginning van nieuwe waterkrachten was in 1934 zeer gering. Bij G. B. 18 Sept. 1934 n°. 22 (J.C. n°. 78) is aan Lim Djin Siang te Moeara aman (res. Benkoelon) vergunning verleend tot het gebruik van waterkracht uit de Air Dingin (onderafd. Redjang, afd. Lebong, res. Benkoelon). De hydrometrische werkzaamheden werden verder ingekrompen door opheffing van waarnemingsposten. De uitkomsten van do in 1934 op Java en in de Buitengewesten verrichte debietwaarnemingen werden verwerkt in de 16de uitgave van het Waterkracht kadaster. 4. Overheidszorg voor de nijverheid. Onder de in 1934 getroffen maatregelen tot steun van de nijverheid kan in de eerste plaats worden genoemd de aanvulling van het 2de lid van art. 3 der Indische Tariefwet, waarin de bevoegdheid aan de Regeering werd verleend om vrijdom van invoerrechten voor machinerieën en grondstoffen toe te kennen ten behoeve van de inrichting van nieuwe industrieele bedrijven of van nieuwe onderdeden van bestaande bedrijven, die de vervaardiging van nieuwe eindproducten ten doel hebben. Van deze bevoegdheid is enkele malen gebruik gemaakt. In de tweede plaats dient de Bedrijfsreglementeeringsordonnantie 1934 (I. S. n°. 595) te worden vermeld — een zeer belangrijke maatregel, die ten doel heeft het bedrijfsleven in Nederlandsch-Indië te beschermen tegen destructieve concurrentie. Voorbereidingen w r erden getroffen om de Bedrij f sreglementeeringsordonnantie 1934 op eenige bedrij f scategorieën, zooals drukkerijen en melkorijen, van toepassing te verklaren, hetgeen door middel van afzonderlijke Regeeringsverordeningen zal moeten geschieden. Als een der voornaamste verrichtingen op het gebied van de nijverheidspolitiek moge worden genoemd de samenwerking met de uit Nederland uitgezonden Textiel commissie bij het door haar op Java uitgevoerde vestigingsonderzoek. Betreffende de door die commissie onderzochte gebieden w : crd door de afdeeling Nijverheid een uitvoerig rapport samengesteld, waarin alle vestigingsfactoren, welke voor de totstandkoming van een groot textielbedrijf in Nederlandsch-Indië van belang zijn, werden samengevat. Op grond van dit rapport en de daarbij verstrekte watermonsters zou door de Textielcommissie in Nederland een nadere studie van het vestigingsprobleem worden gemaakt. 5. Indische Centrale Aanschaffingsdienst. Gedurende 1934 ging de I.C.A. voort met het aanschaffen van al datgene, wat ingevolge de vigeerende bepalingen in Indië mag worden aangeschaft. In de eerste plaats komen hiervoor in aanmerking de binnen de sfeer van dien dienst vallende artikelen, welke in Indië worden vervaardigd of gewonnen. De artikelen, welke bij aanschaffing door den I.C.A. steeds van Indisch fabrikaat moeten zijn, vooropgesteld dat qualiteit, prijs en levertijd aannemelijk worden bevonden, zijn in het vorig Verslag (blz. 146/7) vermeld. NI.JVKKHEIU. 123 Een lijst van alle artikelen, welke de I.C.A. aanschaft, met do waarde dor aanschaf fingen van elke groep afzonderlijk gedurende de laatste drie jaren, is verwerkt in het hieronder volgend overzicht n°. 1, terwijl het overzicht n°. 2 aangeeft, hoe de bedragen der aanschaffingen over de Departementen van Algemeen Bestuur elk afzonderlijk en de autonome ressorten gezamenlijk zijn verdeeld. Gedurende 1934 heeft de I.C.A. voor een bedrag van ± 10,6 millioen gulden aangeschaft, waarvan i 1,5 millioen gulden ten behoeve van locale ressorten. De financieele gevolgen van de toepassing van het voorkeursrecht voor de Indi sche en de Nederlandsche nijverheid zijn in vele gevallen niet met cijfers aan te geven. Indien namelijk bekend is, dat de prijzen van het Indisch product redelijk zijn, terwijl overigens de qualiteit goed is en ook aan andere gestelde leveringsvoorwaarden wordt voldaan, wordt als regel geen concurrentie met gelijkwaardige import-artikelon toegelaten; de groote onderlinge concurrentie waarborgt oen niet te hoog prijsniveau. Controle op do prijzen wordt steeds uitgeoefend en zoo noodig wordt de gevraagde prijs gedrukt. Deze methode geeft betere resultaten dan wanneer bij te hooge prijzen direct wordt overgegaan tot het toelaten van import-artikelen. Voor een ander deel wordt — in vele gevallen na gepleegd overleg met de betrok ken diensten —-voor bepaalde artikelen een zeker prijsniveau als redelijk beschouwd. Zoolang zulk een niveau door fabrikanten wordt gehandhaafd, worden de bestellingen in Indië geplaatst. Ten slotte geschiedt een deel der aanschaffingen op grond van door den I.C.A. vastgestelde prijzen, welke zoodanig zijn gesteld, dat zij den leverancier een behoorlijke opbrengst waarborgen; hiervoor zijn door de Regeering algemeene voorschriften gegeven. In dit geval wordt aan de bestellende diensten geen hooger bedrag in reke ning gebracht dan de prijs, waartegen de aanschaffing in de open markt zou kunnen geschieden. Hetgeen meer moet worden betaald, wordt afzonderlijk verrekend. Wanneer op grond van gehouden inschrijvingen of op grond van bekende prijzen de voorkeur werd gegeven aan het Indisch product en daarmede een geldelijk offer gepaard ging, of wanneer, zonder dat inschrijvingen werden gehouden, gunningen plaats hadden tegen hoogere prijzen dan waarvoor in de open markt zou kunnen worden gekocht, dan werd van de geldelijke opofferingen steeds aanteckening gehouden, echter met inachtneming van het hierboven vermelde. Op deze wijze werd de Indisch nijverheid gesteund met een bedrag van ± f 116 000 en de Nederlandsche nijverheid met een bedrag van ± f 3000, waarbij wordt aangeteekend, dat slechts weinig artikelen van Nederlandsch fabrikaat voor 1.C.A.-aanschaffing in aanmerking komen, terwijl overigens de in Nederland geves tigde Aanschaffingsdienst van het Departement van Koloniën de belangen van de Nederlandsche nijverheid behartigt. In 1934 hadden 15 inschrijvingen plaats voor den verkoop van oud ijzer en andere metalen; de opbrengst dezer verkoopingen was f 94 450. Bovendien werd aan particulieren en locale ressorten verkocht voor f 60 964, zoodat door verkoop in 's Lands kas vloeide f 155 414. Door tusschenkomst van den I.C.A. werd tusschen de Landsdiensten en bedrijven voor een bedrag van f 68 197 aan overtollige goederen uitgewisseld, n.L gedurende het eerste halfjaar van 1934 voor f 40 126 en gedurende het tweede halfjaar voor f 28 071. Deze goederen werden steeds belangrijk lager geprijsd dan de werkelijke waarde bedroeg, terwijl in vele gevallen de verstrekking gratis geschiedde. In den loop van 1934 werd door diensten en bedrijven als overtollig goed opgege ven voor een waarde van f 363 484. Aangezien tot einde 1933 de waarde der van 1 Januari 1926 af als overtollig opgegeven goederen bedroog f 23 045 500 is deze waarde einde 1934 dus gestegen tot ± f 23 409 000. DE ECONOMISCHE To HST AND. 124 Op de begrooting van den I.C.A. voor 1935 zijn geen fondsen uitgetrokken voor de exploitatie van het kantoor voor de opruiming van overtollige Landsgoederen. In verband hiermede werd besloten tot opheffing van dit kantoor. Overzicht n c . 1. NIJVERHEID 125 1)10 ECONOMISCHE TOESTA Mi. 126 NIJVERHEID 127 Overzicht n°. 2. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 128 9 I. HANDEL. 1. Groothandel. A. Uitvoer. Kon in het Verslag over 1933 vermeld worden, dat de dahng van het algemeen prijzenpeil tot staan was gekomen, over 1934 wijzen de cijfers een lichte verbetering aan, zooals blijkt uit de volgende gewogen index-cijfers van 12 der voornaamste uitvoerproducten (basis 1928 = 100), gepubliceerd door het Centraal Kantoor voor de Statistiek. Beschouwt men echter de gemiddelde prijzen, welke de verschillende uitvoer producten afzonderlijk in den loop van 1934 konden behalen, dan blijken die niet alle een even gunstig verloop te hebben gehad. Onderstaande opgaven, eveneens gepubliceerd door het Centraal Kantoor voor de Statistiek, geven daarvan een beeld. HANDEL. 129 DB INWENDIGE POLITIEKE TOESTAND. 13 Christenen, die tot den Islam overgaan, en het opleggen van zware straffen aan personen, die den Koran bclcedigen. In October 1934 had te Semarang de oprichting plaats van een vereeniging van I ndo-Arabieren onder den naam Persatoean Arab Indonesia (P.A.1.) ten doel heb bende werkzaam te zijn op sociaal, economisch en politiek gebied, uitgaande van het standpunt dat Nederlandsch-Indië als vaderland wordt beschouwd. Actie buiten den Islam. De actie van do Pendidikan Nasional Indonesia (P.N.1.) en de Partai Indonesia (Partindo of P.1.) had als gevolg van do getroffen Regeerings maatregelen weinig te beteekenen. Het ledenaantal van heide vereenigingen ver minderde sterk. In Februari 1934 had do arrestatie plaats van Mohamad Hatta, Soetan Sjahrir, Maskoen, Bondan, Boerhanoeddin en Soeka, hoofdbestuursleden van de P.N.1., terwijl tegelijkertijd op tal van plaatsen huiszoekingen werden gehouden. Uit het daarop gevolgd onderzoek, bleek de noodzakelijkheid om ovengenoemde personen te interneoren, hetgeen geschiedde bij G. B. 16 Nov. 1934 n°. 2. Onmiddellijk na de arrestatie vormde de P.N.I. een nieuw hoofdbestuur,dat niet lang daarna in hechtenis werd genomen in verband met een tweetal persdelicten. Bij referendum werd toen nogmaals een nieuw hoofdbestuur gekozen, dat Semarang als zetel koos. De P.N.I. en de P.I. streefden er naar om politieken invloed uit te oefenen op de jeugd- en vrouwenbeweging. Op Sumatra ging die invloed uit van de Persatoean Moeslim Indonesia (Permi) en de Partai Sarekat Islam Indonesia (P.5.1.1.). In verband hiermede werd bij (J.B. 18 Mei 1934 n°. Is do vergaderbeperking op don voet van art. 86 van het K. B. in I. S. 1919 n°. 27 op de jeugdvereenigingen Himpoe nan Pemoeda Islam Indonesia (H.P.1.1.) en Pemoeda Moslimin Indonesia (P.M.1.) toegepast. Voorts werden bij G.B. 2 Maart 1934 n°. 13 en 19 Juli 1934 n°. 15 Hadji Moochtar Loetfi, Iljas Jakoob, Hadji Djalaloedin Thaib gelar Datoek Pang hocloe Besar, hoofdbestuursleden van de Permi, Sabilal Rasad alias Rasad Jacub gelar Datoek Bandharo en Hadji Ocdin Rahmany, bestuursleden van de P.5.1.1. en bij G. B. 13 Nov. 1934 Achmad Chatib gelar Datoek Singo Maharadjo, eveneens bestuurslid van de P.5.1.1., geïnterneerd. De Persatoean Bangsa Indonesia (P.8.1.) hield van 29 Maart tot en met 2 April L 934 te MA.la.ng haai- 3de congres, waaraan door 25 van haar 38 afdeelingen werd deelgenomen. ()p dit congres werden voornamelijk 2 punten besproken, n.l. de interinsulaire zeevaart van de inheemsche bevolking on hot onderwijs voor in heemsche jongelieden in het buitonland, in het bijzonder in Japan; dit laatste naar aanleiding van oon reis, door een dor leden in opdracht van de P.8.1. naar Japan gemaakt. Besloten werd, er naar te streven om door middel van coöperatie de In landsche zeevaart te bevorderen; voorts dat hot onderwijs aan do Inlandsche bevol king mot kracht ter hand zou worden genomen volgens methoden, welke door de vereeniging het meest geschikt zouden worden geacht. Ten aan/.icn van de organisatie der vakbeweging, welke voor de P.8.1. na de omzetting (in Mei 1933) van de vakcentrale Persatoean Sarekat Sekerdja Indonesia (P.5.5.1.) in ( i ntraal Perhimpoenan Boeroeh Indonesia (C.P.8.1.) van geringe beteekenis was gebleken, besloot het congres met algemeene stemmen de vak-actie te doen herleven door «ie oprichting van een commissie van toezicht op de vak beweging en van een adviesbureau voor de leiding van de arbeidersbeweging, voor zoover deze genegen zou zijn zich onder do P.8.1.-vlag te scharen. Het congres besloot voorts tot oprichting van een eigen padvinderij onder den naam „Wirawan". In Juli 1934 herdacht de P.8.1. haar 10-jarig bestaan. De vereeniging Pasoendan hield van 30 .Maart tot 1 April 1934 te Tasikmalaja DE ECONOMISCHE TOESTAND 130 De totale goederenuitvoer van Nederlandsch-Indië geeft over 1934 zoowel naar de waarde als naar de hoeveelheid een vooruitgang te zien vergeleken bij 1933. De waarde bedroeg f 20,5 millioen, de hoeveelheid ± 502 700 ton meer. Voor Java en Madoera toonde de uitvoer naar de waarde een kleine stijging (± 2 l / 2 %), naar de HANDEL. 131 hoeveelheid een daling van ± 1% %. Voor de Buitengewesten zijn zoowel waarde; als hoeveelheid van de uitvoeren verbeterd, namelijk met i 5% % en 9 %. De verbetering in de cijfers der Buitenge westen is in de eerste plaats toe te schrijven aan de groote stijging van de rubbcruitvoeren met niet minder dan f 36 600 000 en 97 500 ton. De export van aardoliën vermeerderde met 480 300 ton, doch vermin derde in waarde met f 4 700 000. De waarde en de hoeveelheid van de uitgevoerde olie- en vethoudende vruchten en zaden en plantaardige oliën en vetten liepen be langrijk terug als gevolg van de slechte prijzen, welke palmolie en copra maakten. De vooruitgang in waarde van den uitvoer uit Java, hoewel veel geringer dan die van den uitvoer uit de Buitengewesten is, behalve aan thee, eveneens te danken aan rubber. De uitvoerwaarde van suiker vertoonde wederom een belangrijken achteruitgang. De volgende staat van uitvoeren, verdeeld naar 15 goederengroepen, naar de waarde en de hoeveelheid, geeft een overzicht van den uitvoer van 1934 vergeleken met 1933. Hieronder volgen nog korte overzichten van het marktverloop en den uitvoer van verschillende producten. De daarin zonder nadere aanduiding vermelde hoeveel heden zijn netto berekend. Rubber. In het Verslag over 1933 kon nog worden vermeld, dat in 1934 de inter nationale rubber-restrictie een feit werd. Op 7 Mei 1934 werd te Londen namens de Regeeringen van Britsch-Indië, Engeland, Frankrijk, Nederland en Siam een overeenkomst geteekend, waarbij de deelnemende landen zich verbonden van 1 Juni 1934 tot einde 1938 voor de hieronder te noemen gebiedsdeelen een restrictie toe te passen op de productie en den uitvoer van rubber. De bepalingen der overeenkomst, welke is bekend gemaakt in I. S. 1934 n°. 541, gelden voor Britsch-Indië, Britsch Noord-Borneo, Broenei, Ceylon, Fransch Indo-China, de Federated en Unfederated Malay States, Nederlandsch-Indië, Serawak, Siam en de Straits Settlements; derhalve voor alle belangrijke rubber-produceerende gebieden. De niet-deelnemende landen Brazilië en Nigeria en eenige West-Afrikaansche gebieden welke wilde rubber produceeren, leveren slechts een zeer gering gedeelte van de wereld-rubberproductie. Doordat in de zoogenaamde „Middle-East" alle rubber-produceerende gebieden zich aan de bepalmgen van de overeenkomst hebben onderworpen, kan het smokkelen van rubber binnen dit geheele gebied tot een minimum worden beperkt. Wel hebben Fransch Indo-China, Serawak en Siam voor hun toetreding bijzondere faciliteiten weten te bedingen, doch hiertegenover staat dat de overeenkomst vrijwel de geheele wereld-rubber-productie omvat. De overeenkomst zelve bevat bepalingen tot beperking van de rubber-productie, tot limiteering van de rubber-voorraden en tot beperking van het planten van rubber in de aangesloten gebieden, tot verbod van uitvoer van plantmateriaal uit deze gebieden en tot gemeenschappelijke afweermaatregelen tegen den smokkel handel. Het doel der overeenkomst is, de wereldvoorraden tot een normaal peil te beperken, het aanbod van rubber stelselmatig aan den prijs aan te passen en een „fair and equitable price level" te handhaven, loonend voor efficiënte produ centen. De overeenkomst geeft o.m. de grondslagen aan voor de toepassing van de export restrictie voor de verschillende toegetreden landen. Deze grondslagen of basis-quota geven in tons voor de achtereenvolgende kalenderjaren 1934 t/m 1938 de hoeveel heden droge rubber aan, welke elk land mag uitvoeren. Voor Nederlandsch-Indië bedragen deze hoeveelheden resp. 357 632, 406 400, 450 088, 474 472 en 492 760 ton. Op bovenbedoelde grondslagen worden de uitvoer-percentages toegepast, welke Waarde in millioenen guldens. DE ECONOMISCH P, TOESTAND. 132 HANDEL. 133 het „International Rubber Regulation Committee" van tijd tot tijd uniform voor alle gebieden vaststelt. Het uitvoer-percentage bedroeg in 1934, dus van 1 Juni tot 31 December 1934, gemiddeld 877 7 en in 1935 67 % %. Voor de verschillende maanden werden de toe gelaten percentages vastgesteld op 100 % voor Juni en Juli, 90 % voor Augustus en September, 80 % voor October en November en 70 % voor December. In verband met het vertrouwen, dat de restrictie-onderhandelingen gunstig zouden verloopen, liep de noteering gedurende het eerste kwartaal, zij het ook met schommelingen, op. Nadat 31 December 1933 de noteering te Batavia voor Java Standard sheet 13,8 cent per % kg was geweest, bedroeg deze op het einde der eerste 3 maanden in 1934 resp. 14,4, 15,6 en 16,3 cent. Deze stijging was in hoofdzaak op verwachtingen gebaseerd, daar de statistische positie van het product zich niet in gunstige richting ontwikkelde; zoowel producties als voorraden namen toe. Een gunstige omstandigheid was, dat het verbruik vooral in de Vereenigde Staten van Amerika in die periode sterk steeg. In April liep de prijs op tot 20,5 cent. Aanvankelijk steeg de prijs in Mei, de maand waarin de overeenkomst tot stand kwam, tot 23 cent, waarna, toen de restrictie-percentages bekend werden, een sterke reactie intrad tot 17 7 / 8 cent; vervolgens steeg de prijs geleidelijk tot 21 cent op 30 Juni. Gedurende het derde kwartaal bewogen de noteeringen zich tusschen 20 3 / 4 cent en 23 5 /s cent. In September deden zich enkele feiten voor, welke een eind maakten aan de specu latieve factoren, welke den prijs opdreven. De markt daalde begin October snel tot _z 20*,4 cent; de noteeringen in de daarop volgende 2 maanden schommelden tusschen 19 en 19 5 / 8 cent en sloten tegen het einde van het jaar op l8 l / 2 cent per Y 2 kg. Hieronder volgen nog enkele gegevens over de rubberuitvoeren in 1934. Uit Nederlandsch-Indië werd uitgevoerd 385 798 ton. Daarvan was afkomstig van ondernemingen 199 605 ton, waarvan uit Java 88 689 ton en uit de Buiten gewesten 110 916 ton. Aan bevolkingsrubber werd uitgevoerd 186 193 ton. Van den uitvoer van 385 798 ton valt 183 339 ton onder de restrictie-bepalingen, nl. 99 101 ton ondernemingsrubber en 84 238 ton bevolkingsrubber. Deze cijfers zijn inclusief 258 ton bevolkingsrubber, welke 31 December 1934 onder douane-toezicht werden gesteld en 48 ton bevolkingsrubber, welke in 1935 ten laste van 1934 (buiten de restrictie) zijn uitgevoerd. Bij vergelijking van de uitgevoerde hoeveelheden met den toegestanen uitvoer, krijgt men dan de volgende opstelling: zoodat 6 902 ton ondernemingsrubber minder en 8 445 ton bevolkingsrubber meer is uitgevoerd dan was toegestaan of in totaal (ondernemingsrubber + bevolkings rubber) 1543 ton meer. Suiker. Tengevolge van de drastische productie-beperking, welke door de suikerindustrie is toegepast. liep de totale Java-suiker-voorraad in 1934 terug van 2 777 000 ton tot 2 070 000 ton. De oogst 1933 leverde 1452 830 ton op, tegen 646 245 ton in 1934, terwijl de oogst 1935 geraamd wordt op ± 500 000 ton. De DE ECONOMISCHE TOESTAND. 134 suiker-export, omvattende superieure hoofd- en stroopsuiker, hoofdsuiker n°. ld e.h., muscovados en melasse-suiker, lag ± 62 000 ton beneden dien van 1933. Een achter uitgang vertoonden de uitvoeren van superieure hoofdsuiker en hoofdsuiker n°. 16 e.h., die elk met ± 49 000 ton terugliepen. De uitvoer van muscovados steeg echter met ± 33 000 ton, die van superieure stroopsuiker met ± 3 000 ton. De afzet naar Britsch-Indië heeft zich op het niveau van 1933 kunnen hand haven, ondanks de gestegen productie van de eigen industrie en de toegenomen in voeren aldaar van andere suikers. O.a. bracht Polen een hoeveelheid op de Britsch- Indische markt, in ruil voor de afname van Vóór-Indische rijst, tegen een prijs, die 10% beneden de wereldmarktnoteering lag. Naar Britsch-Indië (inclusief Ceylon) werd in 1934 352 575 ton verscheept, tegen 352 704 ton in het voorafgegane jaar. De uitvoer naar Britsch-Indië zelf is met 8846 ton gestegen, die naar Ceylon met 8976 ton gedaald, welke hoeveelheden superieure hoofdsuiker betreffen. Boven genoemde afzetgebieden vormen nog steeds de voornaamste afzetmarkt voor de Java-suiker, waarheen in 1934 ruim % deel van den export gericht was. Een andere belangrijke bestemming was Hongkong, waarheen de export opliep van 192 870 tot 211 188 ton. De uitvoeren naar Japan, Formosa en Korea, alsmede die naar China, waren teleurstellend. Naar eerstgenoemde gebieden liep de export met ± 41 000 ton terug (van 182 205 ton in 1933 tot 140 961 ton in 1934); die naar China daalde met 26 911 ton (van 99 647 ton tot 72 736 ton). Ook de uitvoer naar Nieuw-Zeeland toonde een vermindering van 63 601 ton tot 61 654 ton. De export naar Europa liep terug van ± 129 000 ton tot ±112 000 ton. De groothandelsnoteering (noteering voor de binnenlandsche markt, exclusief accijns) voor superieur te Soerabaja e.k., bedroeg in Januari 1934 ± f 5,45 per 100 kg, schommelde in de daarop volgende maanden tusschen f 5,40 en f 5,50 en deed in Mei f 5,55. In Juni steeg de noteering tot f 5,70. Dit peil kon behouden blijven tot het einde van het jaar. Herhaaldelijk moest de N.I.V.A.S. in den loop van 1934 haar limites voor het buitenland verlagen. In November bereikten de N.1.V.A.5.-noteeringen het laagste punt. De noteering voor S.H.S. kwam toen voor de Westkust van Britsch-Indië op f 2,85, voor Singapore op f 3,65 en voor Hongkong op f 3,25 per 100 kg. Ook voor de meest economisch werkende bedrijven laten deze prijzen verlies, terwijl zij mede de noodzaak met zich brachten van zware afschrijvingen op de groote voorraden uit vorige oogstjaren. Tegen het einde des jaars verbeterde de stemming op de suikermarkt, hetgeen in het begin van 1935 tot een aanzienlijke prijsstijging kon leiden. Thee. De prijsstijging, welke gedurende de laatste maanden van 1933 op do theemarkt plaats vond, zette zich nog in Januari 1934 voort, waarop echter in de twee daarop volgende maanden een reactie intrad. Gedurende het tweede kwartaal vertoonde het prijspeil een aanmerkelijke daling, welke zich ook gedurende de daarop volgende maanden in het tweede halfjaar voortzette. Als oorzaak van deze minder gunstige wending worden genoemd de verhoogde uitvoeren van de bij de restrictie aangesloten landen. Inmiddels was namelijk voor het met April ingetreden 2de restrictie-jaar het beperkingspercentage van den uitvoer van 15 % op 12% % terug gebracht, een maatregel, die werd getroffen onder den invloed van de prijsstijging in 1933, doch die achteraf ontijdig is gebleken, vooral ook omdat de ontwikkeling van de consumptie in de voornaamste afzetgebieden teleurstelde. Voorts namen de uitvoeren van de niet aan de restrictie deelnemende landen toe. Bovengenoemde factoren, welke tot uitdrukking kwamen in de toenemende voorraden te Londen, oefenden op de marktpositie van dit artikel een ongunstigen HANDEL. 135 invloed uit. De volgende noteeringen per 9 Januari 1934 en 11 December 1934, in centen per % kg, van enkele theesoorten geven een beeld van den prijsval: goede P.S. 36 en 29, goede O.P. 39 en 33, goede 8.0.P. 43 en 35; gewone middensoort P.S. 34 en 27, idem 8.0.P. 36 en 26, gewone schoone P.S. 32 en 26, idem B.P. 33 en 25. Op de markt te Batavia bestond in den loop van het jaar voor vrijwel alle soorten een bevredigende vraag. De thee-uitvoer bedroeg in 1934 64,2 millioen kg netto, tegen 71,8 millioen in het voorafgegane jaar, De export naar Nederland en Groot-Britannië liep belangrijk terug. Naar Nederland werd in 1934 uitgevoerd 10,8 millioen kg, tegen 13,6 millioen in 1933; voor Groot-Britannië waren deze cijfers resp. 13,6 en 19,7 millioen kg. Ook de uitvoeren naar de Vereenigde Staten van Amerika en Mesopotamië daalden. Daarentegen werd meer verscheept naar Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en Australië, alsmede naar Egypte. De goede kwaliteitsstandaard voor het Java-product, die in 1933 word ver kregen, kon in 1934 niet worden gehandhaafd, als gevolg van de in het algemeen ongunstige weersgesteldheid. Het Sumatra-product was over het geheel van be vredigende kwaliteit. Het Thee-Expert-Bureau zond een zijner experts naar Zuid-Afrika ten einde aldaar de markt te bestudeeren en de theehandelaren omtrent de Indische theeën voor te lichten. Deze poging mag geslaagd worden genoemd. De vermeerdering van den export naar genoemd land gedurende de laatste maanden van het jaar mag ongetwijfeld ten deele als een uitvloeisel van de gemaakte propaganda worden beschouwd. De propaganda voor het thee-verbruik in Nederlandsch-Indië werd intensief voortgezet, bekostigd uit de verplichte bijdragen voor propaganda onder vigueur van de crisis-thee-ordonnantie, waarvoor in 1934 een grooter bedrag dan in het voorafgegane jaar werd uitgetrokken. Deze propaganda, die zich tot Java en Bali beperkt, boekte wederom succes, gezien de grootere verkoopen aan kleinhandelaren, waronghouders en rond venters, terwijl tevens geconstateerd werd dat handelaren zich ook meer en meer rechtstreeks tot de theeproducenten wenden voor hun aankoopen. Koffie. De koffiemarkt, die zich in het begin van 1934 zeer hoopvol het aanzien, ontwikkelde zich in minder gunstige richting. De prijsstijging op de wereldmarkten, in October 1933 begonnen, die zich tot het einde van dat jaar voortzette, bleef ook gedurende de eerste twee maanden van 1934 aanhouden. Deze gunstige ontwikkeling moet worden toegeschreven aan de door Brazilië genomen maatregelen, waarbij de producenten werden gedwongen 40 % van den nieuwen oogst ter vernietiging af te geven, alsmede aan de lagere oogst-ver wachtingen van verscheidene Amerikaan sche koffieproduceerende landen. In den loop van het jaar echter beinvloedden verschillende factoren de positie van dit artikel op de wereldmarkt in ongunstigen zin. In de eerste plaats is, ondanks drastische maatregelen van Brazilië, nog steeds geen einde gekomen aan de overproductie van koffie. Vervolgens tracht sinds eenigen tijd Brazilië het in vorige jaren verloren terrein op de wereldmarkt te heroveren door tot lage prijzen aan te bieden. Ten slotte kon de consumptie zich niet op normale wijze uitbreiden, als gevolg van de verminderde koopkracht der consumenten. Een beeld van het prijsverloop dor verschillende Indische koffie's geven de volgende gemiddelde noteeringen van de voornaamste koffiesoorten, in de maanden Februari, Juli en December per 100 kg: Robusta W.1.8. (Soerabaja) resp. f 29,50, f 23,70 en f 24; Palembang Robusta (e.k. Batavia) resp. f 22,25, f 15 en f 15,75; Angkola-koffie (Sibolga, gepikt) resp. f 46,10, f 42,90 en f 30,80; Boengie-koffie (Makassar) f 45,35, f 35,60 en f 36,45. De hoogste noteeringen kwamen in Februari af, waarna in Maart de reactie intrad. In Juli werd het laagste niveau bereikt; daarna konden de meeste soorten iets in 2>rijs stijgen. DB ECONOMISCHE TOESTAND. 136 De uitvoer van koffie in 1934 bedroeg ruim 10 000 ton meer dan in 1933, welke toename voor het grootste gedeelte voor rekening kwam van den uitvoer van Robusta koffie uit Java, waar de oogst een bijzonder ruim beschot gaf. De uitvoercijfers bedroegen voor 1934 81 833 ton, tegen 70 972 ton in 1933; daarvan werd uit Java in 1934 verscheept 32 117 ton en uit de Buitengowesten 49 716 ton, tegen in 1933 resp. 22 103 en 48 868 ton. Do uitvoer van arabica-koffie naar Nederland nam be langrijk af (van 2110 ton op 1730 ton). De export naar de Scandinavische landen, met uitzondering van Noorwegen, nam iets toe, terwijl die naar de Vereenigde Staten van Amerika iets terugliep. De cijfers waren voor Denemarken, Noorwegen en Zweden resp. 1645, 593 en 346 ton in 1934 en 1622, 753 en 280 ton in het voorafgegane jaar; voor de Vereenigde Staten 1068 en 1122 ton. De zeer toegenomen uitvoer van Robusta-koffie vond voor een groot gedeelte zijn weg naar de Vereenigde Staten van Amerika. De export daarheen steeg van 2221 ton in 1933 tot 13502 ton in 1934, waarvan uit Java resp. 863 en 9641 ton. Ook de uitvoer naar Frankrijk ver toonde een niet-onbelangrijke stijging (van 19 438 tot 25 066 ton). De export naar Nederland liep terug van 12 646 op 10 407 ton, eveneens die naar België en Luxem burg, welke viel van 2604 op 781 ton. De exporten naar Italië en Spanje konden zich op ongeveer hetzelfde peil handhaven, t.w. 3424 ton in 1933 en 3407 ton in 1934 voor Italië en resp. 2469 ton en 2451 ton voor Spanje. De uitvoer naar Denemarken en Zweden nam een weinig toe, doch die naar Noorwegen iets af. Verder daalden de uitvoeren naar Japan, de Philippijnen en Australië een weinig. Tabak. De totale uitvoer van bladtabak liep in 1934 met ruim 5 millioen kg terug van 48,6 millioen tot 43,7 millioen kg, en wel voornamelijk doordat de export van Java-krosok met ± éy 2 millioen kg verminderde; deze cijfers bedroegen 24,9 millioen in 1933, tegen 20,4 millioen kg in 1934. Ook de uitvoer van andere Java bladtabak dan krosok vertoonde een achteruitgang van ± 2,2 millioen kg, nl. ± 800 000 kg uit de Vorstenlanden en 1,4 millioen kg van elders op Java. De export van Deli-tabak echter steeg van 9,4 tot 11,1 millioen kg. De afzet van Sumatra-tabak verliep meer bevredigend dan in de 3 vorige jaren. Van oogst 1934 werden ruim 130 000 pakken naar Nederland verscheept, terwijl nog eenige duizenden pakken uitschottabak beschikbaar waren voor den verkoop in Nederlandsch-Indië en het Verre Oosten. In de periode April—November 1934 werd de oogst 1933 te Amsterdam en te Rotterdam bij publieke inschrijvingen ver kocht. De meeste partijen brachten, de tijdsomstandigheden in aanmerking genomen, vrij bevredigende prijzen op, waarvan het gevolg was, dat deze oogst de reeks van vier verliesjaren der Delische tabakscultuur onderbrak en de meeste maatschappijen haar product met eenige winst konden verkoopen. Totaal werden 132 966 pakken verkocht met een totale opbrengst van f 28 500 000 en een gemiddelde opbrengst van f 1,37% per % kg. Bij de tabak in Midden-Java dient een onderscheid gemaakt te worden tusschen de tabak afkomstig van Europeesche landbouwbedrijven en de tabak, welke door de bevolking wordt geteeld. De ondernemingsoogst, welke in 1934 afgevoerd en verkocht is, werd praktisch geheel te Amsterdam/Rotterdam in inschrijving gebracht. Slechts een kleine hoeveel heid mindersoortige tabak werd aan de locale sigaren-industrie op Java verkocht. Ofschoon het kleine restant van oogst 1932/33, waarmede het jaar 1934 werd inge gaan, op de eerste voorjaarsinschrijving geheel was opgeruimd, behaalde de nieuwe oogst geen betere opbrengsten. Het eindresultaat van oogst 1932/33 is, dat vele ondernemingen met een zwaar verhes afsloten, niettegenstaande de superieure kwali teit van het product. Het product van oogst 1933/34, dat in 1934 in inschrijving gebracht werd, is algemeen als geslaagd beoordeeld, daar de weersomstandigheden over het algemeen vrij gunstig zijn geweest. Dit neemt echter met weg, dat de prijzen HANDEL. 137 een ernstige teleurstelling opleverden. Amerika kocht wederom geen enkel pak en de toestand in Midden-Europa maakte, dat de grootste verbruiker van Java-tabak, Duitschland, slechts geringe bedragen voor tabaksaankoop kon besteden. Ook de Fransche Regie gaf door beperkten aankoop niet den zoo noodigen steun. Het gevolg is dan ook geweest, dat de gemiddelde prijs bij inschrijving van de Vorstenlandsche tabak met i 26 et. per Y 2 kg nog belangrijk lager uitkwam, dan voor den vorigen oogst, waarbij gemiddeld 34 et. per V 2 kg werd gemaakt. De financieele uitkomsten zijn dan ook zeer ongunstig geweest. Evenals het vorig jaar was een kleine restrictie toegepast. Zooals reeds hierboven is vermeld, dient men van de ondernemingstabak te onder scheiden de tabak, welke door de bevolking wordt geteeld. In Midden-Java zijn de groote gebieden, waar de krosok wordt geplant, Kedoe en Banjoemas. De weers omstandigheden zijn in 1934 niet bijzonder gunstig geweest, doordat de regens laat invielen en in de maanden Mei/September droogte heerschte. De vóór-oogst gaf dan ook veelal een onberegend en zoetig type. De tabak in Banjoemas, welke gewoonlijk in de maanden Augustus —September geplant wordt, heeft ten volle van den gunsti gen regenval kunnen profiteeren. Bij de tabak uit Banjoemas kan men een splitsing maken tusschen de eigenlijke krosok en de z.g. blad-tabak, welke meer op de wijze, zooals bij Europeesche landbouw bedrijven het geval is, wordt afgewerkt. Liet de markt voor den krosokhandel zich in den aanvang van het jaar 1934, dank zij de verhoogde vraag naar goede kwahteit binnengoed op de Nederlandsche markt nog eenigszins hoopvol aanzien, reeds kort daarna was duidelijk een kentering merkbaar en bij de najaars-inschrijvingen kreeg men een algeheele ineenstorting van de markt, voor een groot deel veroorzaakt door den achteruitgang van den afzet in Midden-Europa. In Midden-Java werd nog steeds veel geplant, doch de afzet begon zich meer en moer te concentreeren op de locale sigaren- en sigarettennijverheid. Deze plaatselijke industrie, die den prijs voor goede bevolkingstabak nog eenigszins op peil houdt, is van toenemende beteekenis voor de tabakverbouwers. Sommige partijen brachten betere prijzen op bij localen verkoop, dan mogelijk ware geweest bij afscheep naar Holland. Tapioca-producten. De export van tapioca-producten in 1934 daalde vrij be langrijk vergeleken bij 1933. De achteruitgang bedroeg ruim 27 000 ton, waarin alle producten met uitzondering van pearls en seeds deelden. Het meest nog liep de uitvoer van gaplek-meel terug, waarvan slechts 7000 ton werd verscheept, tegen ± 18 000 ton in 1933. De oorzaak daarvan was de groote locale consumptie, als gevolg van de minder goed geslaagde oogsten van padi en mais, terwijl daarnaast de voornaamste afnemers (Engeland en de Scandinavische landen) als gevolg van den lagen prijs van ander veevoeder een veel geringere hoeveelheid kochten. Ook Italië nam heel wat minder op. De exporten in 1934 naar genoemde gebieden be droegen: naar Engeland 2112 ton, naar Scandinavië 8144 ton en naar Italië 2782 ton, tegen in 1933 resp. 4638, 968 en nihil. De export naar de Vereenigde Staten liep iets op (van 1788 ton in 1933 tot 2249 ton in 1934). De uitvoer van gaplek daalde met ruim 4000 ton; de cijfers waren 29 663 ton in 1933 en 25 352 ton in 1934. Naar Japan werd veel minder verscheept; de uitvoer daarheen daalde van 15 444 ton in 1933 tot 5507 ton in 1934. Naar Spanje, den tweeden afnemer van dit product, steeg de export van 13031 tot 18 943 ton. Van tapioca-meel liep do export terug van 106 807 ton tot 93 203 ton. Het voor naamste land van bestemming, de Vereenigde Staten van Amerika, kocht iets minder op (71 807 ton in 1934, tegen 79 087 ton in 1933). Naar de overige belangrijke afnemers DE ECONOMISCHE TOESTAND. 138 van dit meel (Hongkong, China, Japan, de Philippijnen en Frankrijk) werd eveneens minder uitgevoerd; echter steeg de uitvoer naar Groot-Britannië. Het minst nog daalde de export van vlokken en siftings (van 6741 ton in 1933 op 5990 ton in 1934); deze producten vonden voornamelijk hun weg naar Engeland, Frankrijk en de Vereenigde Staten. De toeneming van den uitvoer van pearls en seeds bedroeg ruim 3000 ton (10 498 ton in 1933 en 13484 ton in 1934). De verschepingen naar de voornaamste landen van bestemming (Engeland, België, Luxemburg, de Vereenigde Staten van Amerika en Britsch-Indië) liepen iets op. Het prijsverloop van de tapioca-producten gaf in het algemeen het volgend beeld te zien. Voor meel en de zoogenaamde fancy-producten (pearls, seeds, flake en siftings) liepen de noteeringen in het eerste kwartaal op; in het tweede en het derde kwartaal daalden zij, waarna een stijging intrad, welke tot het einde van het jaar aanhield. Fabrieksmeel deed per 100 kg in Januari f 4,80, Maart f 4,75, Juli f 4,30 en December f 6,90; Flake resp. f 7,05, f 7,80, f 6,50 en f 8,70; Seeds A f 7,05, f 7,80, f 6,50 en f 9,40. De prijzen voor gaplek en gaplek-meel liepen van Januari tot Mei ongeveer geleidelijk terug resp. van f 2,20 tot f 1,60 en van f 1,55 tot f 1,45 per 100 kg. Daarna steeg de noteering voor gaplek tot f 3,60 in October als hoogste noteering; in December daalde deze weer een weinig. Gaplek-meel gaf een ongeveer gelijk verloop te zien (f 3,25 in October en f 2,75 in December). Als gevolg van de veel geringere vraag naar dit laatste artikel uit het buitenland, ontstond in het tweede halfjaar een wanverhouding tusschen de prijzen van gaplek en gaplek-meel. De prijsdaling voor cassave-producten in het algemeen in het tweede en derde kwartaal mag o.m. worden toegeschreven aan de ruime oogsten die in die periode afkwamen; de prijsstijging in het laatste kwartaal is een gevolg van de groote vraag naar cassave-wortels voor binnenlandsche consumptie, zoodat weinig grondstof be schikbaar kwam voor de fabrieken. Peper. De witte peper diende in 1934 als speculatie-object van een te Londen gevormde pool. Als gevolg van de manipulaties dezer combinatie begon in het tweede kwartaal voor deze pepersoort een prijsstijging in te zetten, die zich tot het einde van het jaar handhaafde. De voorraden te Londen liepen op, zonder dat de prijs stijging daardoor werd geremd. Bedroeg in het begin van het jaar de Londensche voorraad nog slechts 2 150 ton, tegen einde 1934 was deze gestegen tot 13 360 ton. Nadat witte peper in Januari een gemiddelden prijs bereikt had van f 49,79 per 100 kg, liep de noteering terug tot gemiddeld f 43,71 in Maart. Nadien steeg de prijs door speculatie tot f 47,75 tegen het einde van het tweede kwartaal, f 57,68 in Sep tember en f 95 in December; hoewel de speculatie zich niet tot de zwarte peper uit strekte, beinvloeddc de prijsstijging van witte peper ook den prijs van het zwarte product. Begin Januari bereikte de zwarte peper een noteering van f 30,70 per 100 kg om spoedig daarna in te zakken tot f 18,40 in Juni. Van Juli af kon de noteering geleidelijk stijgen tot f 24,30 in September en f 34 in de eerste helft van November, waarna de markt schommelingen vertoonde en op f 28,50 in de tweede helft van December kwam. Gedurende het geheele jaar 1934 heeft tusschen de noteeringen van beide peper soorten een wanverhouding bestaan, welke in de tweede helft van 1934 tengevolge van de speculaties in witte peper zeer groote afmetingen aannam. Hierdoor werd dan ook de bereiding van peper tot witproduct zeer sterk gestimuleerd. Zelfs in de Lampoengsche Districten, het gebied van de zwarte peper, werd ook het witte product in kleine hoeveelheden bereid. Op Borneo vooral is do bereiding op wit zeer toegenomen. Aan witte peper werd in 1934 ± 6000 ton meer uitgevoerd dan in 1933. De uit gevoerde hoeveelheid bedroeg 21 632 ton, waarvan 1338 ton uit Java en 20 294 ton HANDEL. 139 uit de Buitengewesten (in 1933 15 841 ton, waarvan 3270 ton uit Java en 12 571 ton uit de Buitengewesten). Zooals gewoonlijk grootste waren de verschepingen bestemd voor Groot-Britannië en Singapore. De uitvoer van zwarte peper liep terug met 1623 ton van 28 173 ton in 1933 tot 26 550 ton 1934; die uit Java steeg van 2280 ton in 1933 tot 2392 ton in 1934, terwijl de uitvoer uit de Buitengewesten daalde van 25 893 ton tot 24 158 ton. De voornaamste bestemmingen van het zwarte product waren Groot-Britannië, de Vereenigde Staten van Amerika, Singapore en Penang. Copra. De ongunstige positie, waarin dit artikel en andere oliehoudende zaden en vruchten in 1933 verkeerde, zette zich in 1934 nog langen tijd voort. Zooals reeds in het vorig Verslag vermeld is, zijn daarvan als oorzaken aan te merken de vergroote wereldproductie van deze voortbrengselen en de contingenteeringen en andere crisismaatregelen in vrijwel alle afnemende landen, getroffen ten behoeve van de eigen productie van dierlijke vetten; tot de bedoelde maatregelen behooren meng geboden voor margarine en boter. Een andere oorzaak wordt gevormd door de in voering van nieuwe of verhooging van bestaande invoerrechten op oliehoudende producten en oliën. De meeste onrust werd wel veroorzaakt door de invoering van de zoogenaamde „processing taxes" in de Vereenigde Staten, waardoor o.a. op cocos- en palmolie een accijns werd gelegd van resp. 5 en 3 dollar-cent per Ib. Medio 1934 deed de groote droogte op het noordelijk halfrond de oogsten van ver schillende landbouwproducten, die oliezaden als bijproducten leveren, mislukken. Voornamelijk geldt dit voor katoen en vlas in de Vereenigde Staten. De felle droogte deed in dit land tevens een nijpend tekort ontstaan aan veevoeder, daar de oogst resultaten voor mais, haver, gerst en rogge ver ten achter bleven bij do gemiddelde cijfers der laatste decennia. Dit bracht de noodzaak met zich van een inkrimping van den veestapel, waardoor in de jaren 1935/1936 het aanbod van dierlijk vet in de Vereenigde Staten klein zal blijven. Het ontstane en nog verwachte tekort aan vetten in Amerika deed de markt in oliehoudende zaden en vruchten opleveren. Echter profiteerde de Nederlandsch- Indische copra daarvan den eersten tijd weinig. De noteeringen, die in Juni aantrok ken, vertoonden daarna weer fluctuaties met dalende tendenz. Eerst in December ondervonden de prijzen den gunstigen invloed van het tekort aan vetten in het buitenland. De gemiddelde noteering voor Java-copra fair marchantable sundried eerste kosten per 100 kg bedroeg in Januari f 4,45, Juni f 4,85, September f 4,57 en December f 4,65. De uitvoer is met ruim 70 000 ton teruggeloopen (van 487 963 ton in 1933 tot 417 156 ton in 1934). De uitvoer van Java daalde van 14 488 ton in 1933 tot slechts 3699 ton in 1934. Voor de Buitengewesten waren deze cijfers resp. 487 963 en 417 156 ton. Op den achteruitgang van den copra-export moet voorts van invloed zijn geweest de toenemende bereiding van klapperolie. In vele streken blijkt het verbruik van klapperolie te zijn toegenomen, niet alleen wegens vermeerderd verbruik bij de voed selbereiding en voor verlichting, maar ook voor leverantie aan zeepfabrieken. In hoofdzaak heeft men hierbij echter te maken met de normale fluctuaties in de vruchtdracht der klapperboomen. Na de zeer groote productie van 1933 was deze teruggang te verwachten. Ten aanzien van de bestemmingen kan nog het volgende worden vermeld. De uitvoer naar Nederland is met ± 10 000 ton afgenomen. De verschepingen naar Duitsehland stegen van 55 557 ton in 1933 tot 65 143 ton in 1934. De protectie door Frankrijk van de koloniale belangen bleek duidelijk uit de uitvoeren naar genoemd land, dat gewoonlijk een der belangrijkste afnemers was. De uitvoer naar Frankrijk daalde sterk (van 53 744 ton in 1933 tot 9118 ton in 1934). Ook de uitvoer naar de Vereenigde Staten van Amerika gaf een belangrijke vermindering te zien; deze daalde van 62 884 ton in 1933 tot 18 333 ton in 1934. De aldaar ingevoerde „processing tax" DE STAATKUNDIGE TOESTAND. 14 en van 18 —22 April 1935 te Bandoeng haar jaarlijksch congres; op dit laatste congres werd tevens het 20-jarig bestaan dor vereeniging herdacht. Einde 1934 bedroeg het aantal leden 3217, verdoold over 52 afdeelingen, mot uitzondering van de afdeeling Palembang alle in West-Java. De vrouwenvereeniging Pasoendan Islri (bij afkorting Pasi) telt ongeveer 1700 leden over 25 afdeelingen verdeeld. Zij bezit een afzonderlijke afdeeling voor steun aan moeders, de Perkoempoelan Penolong Kaoem Iboe. Pasoendan bezit ook een jeugd-organisatic. Behalve 3 gesubsidieerde scholen (1 Mulo-school, 1 H.I.S. en 1 schakelschool) beheert de vereeniging 25 ongesubsidieerde scholen. Hare bemoeiingen strekken zich uit over reclasseering, onderwijs, een sociaal fonds, partij cursussen en een centraal adviesbureau. Jeugdbeweging. Sterk verminderde het aantal leden van de vereeniging Indonesia Moeda. De uit de afdeeling Soerabaja getreden leerlingen van de aldaar gevestigde Gouvernementsseholen hebben zich aangesloten bij de Persatoean Anak Sekolalt Indonesia (Peransindo of 1.A.5.1.). De actie van de onder den invloed van de Partai Indonesia staande jcugd vereeniging Persatoean Pemoeda Rajat Indonesia noodzaakte de politie tot het doen van huiszoekingen on aanhouding van het hoofdbestuur en eenige andere bij die actie betrokken personen. De onder den invloed van de Pendidikan Nasional Indonesia staande jeugd vereeniging Soeloeh Pemoeda Indonesia kon slechts gedeeltelijk uitvoering geven aan haar voornemen om op 24 en 25 December 1934 te Malang oen congres te houden, vermits zij mede wegens haar revolutionnaire beginselen als P.N.1.-sub-organisatie is aan te merken, zoodat ook zij onder het op de P.N.I. toegepast vergaderverbod valt. De studontenvereeniging Perhimpoenan Peladjar Peladjar Indonesia (P.P.P.1.) hield op 15 en 16 December haar jaarvergadering, waarin het extreme karakter dezer organisatie wederom tot uiting kwam. Vakbeweging. De federatie van Inlandsche onderwijzersbonden Persatoean Goeroe Indonesia (P.G.1.) hield van 2 tot 6 Januari 1934 haar 23ste congres te Soera baja, waaraan word deelgenomen door afgevaardigden van de bij haar aangesloten vereenigingen Persatoean Goeroe Ambachtschool (P.G.A.S.), Volksonderwijzersbond (V.0.8.), Oud-Kweekscholierenbond (0.K.5.8.), Persatoean Goeroe Bantoe (P.G.8.), Perkoempoelan Normaalschool (P.N.S.) en Hoogere Kweekschoolbond (H.K.5.8.). De P.G.I. telt 175 afdeelingen en ongeveer 20 000 leden. De hulponderwijzersbond P.G.B, heeft zich op een den 27sten Juli 1934 gehouden buitengewoon congres uit de P.G.I. teruggetrokken, omdat de federatie niet in staat zou zijn geweest den nood te lenigen van de P.G.8.-leden, waarin deze door de positie- en salarisverlaging zijn gekomen. Veel kritiek werd er geoefend van de zijde dor extremistische pers op de Persatoean Vakbonden Pegawai Negri (P.V.P.N.), de vakverooniging van Inheemsche Gouver nementsambtenaren, wegens haar houding tegenover de bezuinigingsmaatregelen, alsook tegen de nieuwe door de Persatoean Bangsa Indonesia (P.8.1.) in het leven geroepen Vakcentrale, de Centraal Sarekat Sekerdja Indonesia (P.8.1.) —■ waarbij aangesloten zijn de Perkoempoelan Soepir, de Persarekatan Pegawai Paberik Goela Indonesia on de Keroekoenan Koesir Indonesia — op grond dat die vakcentrale vakbeweging en politiek scheidt, zulks in tegenstelling met de revolutionnaire vak centrale Centrale Perhimpoenan Boeroeh Indonesia, sedert geheeten Centrale Persa toean Boeroeh Indonesia. De meest op den voorgrond tredende van de bij de C.P.8.1. aangesloten vak organisaties is de Sarekat Sekerdja Oemoem, die einde 1933 in de plaats is gekomen van de Persatoean Boeroeh Kreta Api Indonesia, nadat deze spoor- en tramweg- DE ECONOMISCHE TOESTAND. 140 heeft dezen uitvoer onmogelijk gemaakt. De uitvoeren derwaarts in 1934 hadden dan ook plaats, voordat de heffing in werking trad. De export naar Scandinavië nam toe van 102 797 ton in 1933 tot 121 076 ton in 1934. Voornamelijk naar Dene marken, den grootston afnemer, vermeerderde de export van 85 411 tot 109 199 ton. De uitvoer naar Italië kon zich vrij goed handhaven; de cijfers waren 16 707 ton in 1933 en 15 399 ton in 1934. Arachides. De prijzen van dit artikel hielden verband met die van andere olie zaden. In het tweede halfjaar konden betere prijzen gemaakt worden dan in het eerste. De gemiddelde noteering bedroeg voor Toeban-kwaliteit gepeld per 100 kg in Januari f 6,40, in Juni f 6,73, in September f 6,88 en in December f 8,10. De uitvoer daalde aanmerkelijk, namelijk van 19 627 ton in 1933 tot 10 151 ton in 1934, waarvan 18 835 ton gepeld en 792 ton ongepeld in 1933 en resp. 8872 en 1279 ton in 1934. Zooals gewoonlijk leverde Java het grootste kwantum, terwijl de voornaamste bestemmingen waren Singapore en Groot-Britannië. De productie van dit artikel was in 1934 geringer dan in 1933, daar ± 10 000 ha minder werd aange plant; zij bedroeg 1 484 000 quintaal droog, gepeld in 1934, tegen 1 608 000 quintaal in 1933. Kapokpitten. Ook de markt voor kapokpitten vertoonde gedurende het eerste halfjaar een even weinig opgewekt beeld als de markt voor andere oliehoudende zaden en vruchten. In het tweede halfjaar verbeterde de positie van dit artikel aanmerkelijk, voornamelijk tengevolge van de groote vraag uit de Vereenigde Staten van Amerika, waar kapokpitten, in tegenstelling met andere ohezaden, vrij van accijns zijn. De noteering kon dan ook belangrijk oploopen. Bedroegen de ge middelde noteeringen in Januari en Juni nog resp. f 1,62 en f 1,37 per 100 kg, nadien trad een prijsstijging op, waardoor de noteering op gemiddeld f 2,16 in Augustus, f 2,96 in October en f 3,81 in December kwam. De uitvoer van dit artikel liep belang rijk op (van 17 777 ton in 1933 tot 23 976 ton in 1934). Waren in eerstgenoemd jaar Japan en Groot-Britannië de grootste afnemers met resp. i 10 000 en 5000 ton, in 1934 waren de verschepingen in hoofdzaak gericht naar Japan (± 14 000 ton) en do Vereenigde Staten van Amerika (+; 8000 ton). Palmolie. De prijzen, waartegen dit product moest worden verkocht, kwamen gedurende het eerste halfjaar op een steeds lager niveau. De situatie werd er niet heter door, toen bekend werd dat de Vereenigde Staten van Amerika, de voor naamste afnemer van palmolie, op dit product een „processing tax" zouden leggen van 3 dollar-centen per lb. Onder den invloed van dit invoerrecht, dat in Mei werd ingevoerd, bereikten de noteeringen in Juni het laagste niveau. Toen in het tweede halfjaar op de markt voor oliën en vetten verbetering intrad, kwam deze ook in sterke mate tot uiting in het prijsverloop voor palmolie. Van een peil, waarop zware verliezen werden geleden en eenige palmolie-ondernemingen tot sluiting werden gedwongen, kwamen de prijzen weder op een rendabel niveau. De vraag richtte zich in de eerste plaats op de prima kwaliteit, welke o.a. door de ondernemingen op Sumatra wordt geproduceerd. In totaal werd in 1934 121 260 ton uitgevoerd, tegen 116 264 ton in 1933. De export kwam practisch geheel uit Sumatra. De uitvoer naar de Vereenigde Staten van Amerika liep belangrijk terug (van 78 870 ton in 1933 tot 43 439 ton in 1934). Naar de overige voorname bestemmingen konden echter grootere hoeveelheden worden verscheept. Zoo steeg de uitvoer naar Nederland van 15 418 ton in 1933 tot 28 179 ton in 1934; voor Groot-Britannië waren deze cijfers resp. 4919 en 10 335 ton, voor Duitschland 3314 en 15 404 ton en voor Italië 10 882 en 20 331 ton. HANDEL. 141 Kapok. De hoogere noteeringen, welke gedurende het laatste kwartaal van 1933 waren bereikt, konden zich in het eerste kwartaal van 1934 handhaven. Toen daarna de vraag uit het buitenland verminderde, liepen de prijzen terug. In Januari bedroeg de gemiddelde prijs voor Holland-kwaliteit, voor export geperst, per 100 kg, f 34 en in Mei f 31,77. De belangstelling voor dit product nam medio van het jaar nog verder af, waardoor de prijs inzakte tot f 27,70, terwijl in die periode ook de exporten verminderden. De ongunstige positie, waarin dit artikel kwam, was voor de Regeering aanleiding Haar aandacht hieraan te schenken. Toen in Augustus de mogelijkheid van Regeeringsbemoeienis bekend werd, liep de noteering op tot f 30,35, mede als gevolg van de betere stemming, die in het algemeen te dien tijde op de producten markt heerschte. De laatste maanden vertoonden echter een daling. In October bedroeg de noteering f 27,52 en in December f 26,70. Daar de nieuwe oogst spoedig afkwam (October) en de aanvoeren groot waren, moesten etablissementen hun product te snel afwerken, hetgeen van nadeeligen invloed was op de kwaliteit. De uitvoer van ontpitte en niet-ontpitte kapok liep terug van 22 643 ton bruto tot 21 028 ton bruto in 1934. De voornaamste afnemer, de Vereenigde Staten van Ame rika, nam 7343 ton bruto af, tegen 9157 ton bruto in 1933. Belangrijke hoeveelheden werden de laatste twee maanden gekocht. Ook de uitvoer naar Nederland liep terug (van 7452 ton bruto in 1933 tot 6321 ton bruto in 1934). De vraag uit Australië was bevredigend; de export steeg van 2696 ton bruto tot 3589 ton bruto. Citronella. Dit artikel verkeerde in een nog ongunstiger positie dan in 1933. De groote prijsdaling, welke een gevolg was van te groote productie, zette zich in 1934 voort. De aanplant van dit gewas was in 1932 zoowel op ondernemingen als in bevolkingstuinen belangrijk uitgebreid, daar men te dien tijde voor deze olie goede prijzen maakte. De gevolgen van deze uitbreiding doen zich nog steeds ge voelen in den vorm van een te groot aanbod. In Januari/Mei kon de prijs zich hand haven op een peil van ± f 0,92 per kg. In Juni kwam een daling tot f 0,84, welke zich in Juli voortzette tot f 0,75. Op deze hoogte schommelden de noteeringen tot het einde van het jaar, met in November een prijs van f 0,80. In de tweede helft van het jaar ontstond een natuurlijke restrictie door rooien en verwaarloozen van tuinen, doch veel invloed heeft dit op de positie van het artikel niet uitgeoefend. De uitvoer bedroeg 1 783 230 kg, tegen 1 528 870 kg in 1933. Huiden. De Europeesche huidenmarkten zagen er in 1934 niet hoopvol uit. De massale afslachtingen van vee in de Vereenigde Staten van Amerika wegens de droogte, die tot een groot aanbod van z.g. „Packer hides" leidden, de Duitsche be talingsmoeilijkheden, import-werende maatregelen en prijzenpolitiek, de weinig gunstige toestand in de leder-industrie, waar men uit hoofde van felle onderlinge concurrentie en vermeerderend verbruik van rubber, verkoopprijzen moest aanne men, die een tijdlang relatief veel lager stonden dan die van de ruwe grondstof en tenslotte de algemeene valuta-moeilijkheden, deden de huidenprijzen voortdurend verder afbrokkelen. Uiteraard ondervond ook de Java-markt daarvan den weerslag. De huiden-export van Nederlandsch-Indië bleef kwantitatief betrekkelijk goed op peil. Runderhuiden werden in 1934 ten getale van 505 000 stuks uitgevoerd, tegen 517 000 stuks in 1933, terwijl de export van buffelhuiden toenam van 249 000 tot 273 000 stuks. In de bestemmingen kwamen enkele belangrijke verschuivingen voor. Naar Duitschland verminderde de rechtstreeksche export van koehuiden met 67 000, terwijl die naar Italië met 52 000 toenam en daarmede verdubbelde. Harsen. De prijzen van copal te Makassar bleven het geheele jaar door vrijwel constant op het niveau, waarop deze na de op de stijging van medio 1933 gevolgde DE ECONOMISCHE TOESTAND. 142 inzinking terecht kwamen. De prijzen van damar te Padang en Batavia zijn in den loop van het jaar iets gezakt. De uitgevoerde hoeveelheden van beide producten bedroegen in 1934 en 1933 resp. 10,8 mm kg en 10,1 mm kg voor copal en resp. 7,6 mm kg en 7,3 mm kg voor damar. Het aandeel van Amerika — tot en met 1933 verreweg de grootste afnemer — in deze exporten is zoowel in absoluten als in relatieven zin gedaald. Wat damar betreft, stond genoemd bestemmingsland de eerste plaats aan Singapore af. Hoeden. De uitvoer van bamboehoeden liep terug van 2 380 280 stuks in 1933 tot 2 270 790 stuks in 1934, die van pandan-splithoeden daarentegen steeg van 2 871 066 stuks tot 4 156 003 stuks, en die van gewone pandan-hoeden van 15 493 437 stuks tot 15 662 426 stuks. B. Invoer. Moest in het verslag over de invoermarkt in 1933 gewaagd worden van een jaar, waarin Regeeringsbemoeienis met den invoerhandel in Nederlandsch- Indië urgent werd, in 1934 werd de invoerhandel voor een aanzienlijk gedeelte be heerscht door afweermaatregelen, welke de Nederlandsch-Indische Regeering moest nemen. De artikelen, waarin de Regeering heeft gemeend bij den invoer te moeten in grijpen, zijn: cement, bier, bontgeweven en gebleekte textielgoederen, rijst, kedclé, soja, taotjo en oostpannen. Werd in het jaaroverzicht over 1933 gewezen op de steeds toenemende ver schuiving in den Indischen importhandel van Europeesche en Amerikaansche naar Aziatische, inzonderheid naar Japansche, leveranciers, gedurende 1934 heeft deze verschuiving zich nog sterker voltrokken ten aanzien van die import-artikelen, waarvan de invoer niet door Regeeringsingrijpen werd beinvloed. De ontwikkeling van de Indische nijverheid in 1934 is voor de importeurs van belang geweest, daar de distributie van de producten dier nijverheid voor het over groote deel in hunne handen is gelegd; verschillende importhuizen interesseeren zich ook financieel in de Indische industrie en nemen in vele gevallen zelfs het initiatief tot de oprichting van nieuwe takken van bedrijf. Dat de resultaten voor den importhandel in zijn geheel beter zijn geweest dan in het voorafgegane jaar, is in de eerste plaats te danken aan de betere theeprijzen, den hoogeren rubberprijs, die der bevolking ruimere inkomsten schonk, en aan de Regeeringsmaatregelen tot stabilisatie van den rijstprijs, waardoor bij het afkomen van den rijstoogst een aanzienlijk hooger revenu dan in 1933 voor de padi werd ver kregen; daardoor kon de bevolking gedurende het eerste halfjaar over meer middelen beschikken om zich geïmporteerde artikelen ter voorziening in noodzakelijke levens behoeften aan te schaffen. In het tweede halfjaar van 1934 hebben deze factoren zich in ongunstigen zin gewijzigd. Doordat de theeprijzen op een lager niveau kwamen en de bevolking zich, speciaal tegen het einde des jaars, door den minder gunstig uitgevallen rijstoogst, van het door de Regeering geïmporteerde product uit het buitenland moest voorzien, beschikte zij over minder geld voor import-artikelen. De gunstige resultaten van het eerste halfjaar zijn uit dien hoofde voor een niet onaanzienlijk deel te niet gedaan, doch over het algemeen heeft de importhandel niet zulke groote verliezen als in 1933 geleden; mede door bezuiniging op „overhead expenses" en de in vele gevallen groote marges op enkele import-artikelen, waarin de concurrentie beperkt was, heeft de importhandel nog een geringe winst kunnen boeken. De koopkracht van de inheemsche bevolking, welke voor den importhandel de grootste consument is, is nog geenszins verbeterd, afgezien van enkele gunstige uitzonderingen in bepaalde rubber-districten. Aan een bespreking van de markt van de vier grootste groepen van import- Waarde in millioenen guldens. HANDEL. 143 DE ECONOMISCHE TOESTAND. 144 artikelen moge de opmerking voorafgaan dat de door de Regeering getroffen en nog te treffen maatregelen een betere samenwerking onder de importeurs hebben teweeg gebracht. Het contact met de Overheid, dat noodzakelijk bleek bij de uitvoering van die maatregelen, heeft ertoe bijgedragen, dat de importeurs zich op 6 October 1934 hebben vercenigd in de „Nederlandsch-Indische Vereeniging van importeurs groothandelaren" (N.1.V.1.G.), welke organisatie — waarover hieronder meer — optreedt namens den geheelen import-groothandel, waar ook in Nederlandsch-Indië gevestigd en van welken landaard ook. Op de provisiën- en dranken-markt hebben de over het algemeen lager prijzen een achteruitgang in omzet tegengehouden. De lage prijzen hebben het mogelijk gemaakt, dat meel en boter een ruimer afzetgebied konden vinden onder de bevol king. In de Buitengewesten kon de bevolking door den hoogeren rubberprijs zich meer import-artikelen aanschaffen. Ook de hooge peperprijzen maakten het de bevolking op Bangka en in de Lampoengs mogelijk zich op ruimere wijze dan tevoren van import-artikelen te voorzien. De belangrijke invoer van meel, waarin Canada's aandeel grooter en dat van Japan kleiner dan voorheen was, werd veroorzaakt door de lage prijzen, welke dit artikel onder het bereik van een deel der inheemsche bevolking brachten. Voor de goedkoope biscuits wist de Indische industrie zich wederom een grootere markt te veroveren ten koste van het import-product. De import van visch in blik is vrijwel geheel in handen van Japan gekomen, welk land in steeds grootere hoeveelheden tot zeer lage prijzen een goede kwaliteit makreel levert, terwijl de invoer van sardines uit Japan wederom belangrijk is toe genomen. De verdiensten op deze artikelen zijn door de scherpe concurrentie echter uiterst gering. De prijsdaling als gevolg van den dollar-koers heeft ook de aanvoeren van vruchten op water doen toenemen, waarin speciaal de Amerikaansche exporteurs hun omzet konden vergrooten. De consumptie van afgeroomde melk, welke ook meer onder het bereik van de inheemsche bevolking is gekomen, nam aanzienlijk toe. De import van gesteriliseerde melk op Java ondervond in nog sterkere mate dan in 1933 de concurrentie van de versche melk, welke tot lagen prijs op de markt werd gebracht. Ook de consumptie van boter is toegenomen, doch de verdiensten op dit artikel bleven nog steeds zeer gering. De contingenteering van bier, ter bescherming van het Indische product, is van grooten invloed op het geïmporteerde artikel geweest. Op de kramerij ew-markt was de concurrentie zwaar; de prijzen bewogen zich in dalende richting en de verdiensten waren uiterst gering. De kwaliteitsartikelen, in hoofdzaak uit Europa en Amerika afkomstig en bestemd voor het koopkrachtig publiek, konden zich vrij goed handhaven; de markt voor de goedkoope artikelen van Aziatische herkomst was bijna steeds overvoerd. Melding moet worden gemaakt van de contingenteering van oostpannen, in de laatste drie maanden van het jaar, waarvan de uitvoering werd bemoeielijkt door de groote hoeveelheid van de ten tijde der invoering zeilende partijen en loopende contracten. De cement-industrie te Padang profiteerde van de voortgezette contingenteering van cement, waarbij de Regeering toezicht uitoefende op de prijzen van dit artikel. De markt voor glas en aardewerk was zeer slecht. Aan het einde van het jaar werd te Batavia een fabriek opgericht voor de vervaardiging van batterijen voor zaklantaarns. De invoer van meststoffen nam in 1934 aanzienlijk toe; speciaal op Bangka ver meerderde het gebruik van meststoffen, dank zij de hooge peperprijzen. De manufacturen-m&rkt is in aanzienlijke mate beinvloed door de Regeerings maatregelen op het gebied van witgoed en bontgeweven stoffen. HANDEL 145 In de koopkracht van de inheemsche bevolking, van overheerschende beteekenis voor den kleinhandel, viel nog weinig verbetering waar te nemen. De inkomsten uit landbouw, nijverheid en huisvlijt bleven nog steeds gering. Echter zijn tengevolge van verschillende Regeeringsmaatregelen de prijzen van eenige landbouwproducten gestegen, zoodat de landbouwer (tani) meer inkomsten kreeg; dit gold op Java voor rijst, kedelé en mais. Voorts had in de tweede helft van het jaar een prijsstijging plaats van enkele andere inheemsche landbouwproducten (zooals cassave) en tegen het einde van 1934 ook van oliehoudende producten. Voor Java mag nog gememoreerd worden, dat uitbetalingen wegens grondhuur of vergoeding voor verbreking van grondhuur in suikerstreken gering waren, terwijl de leveranties ten behoeve van de suikerindustrie en uitbetaalde loonen eveneens veel geringer waren dan in 1933. De inkrimping van den tabaksaanplant in Oost-Java 0.a., deed de huur van gronden door ondernemingen eveneens verminderen. Tegenover eenige verbetering in de gebieden der thee- en rubberondernemingen — vooral in de laatstbedoelde streken nam de werkgelegenheid toe — trad in de copra-streken een verdergaande verarming in. Bezuinigingen op overheidswerken en verlaging van het plaatselijk loonpeil deden de geldinkomsten in geringere mate toevloeien. Het bovenstaande vindt zijn afspiegeling in den kleinhandel. Daar, waar de geld inkomsten stegen, was eenige opleving van den kleinhandel te constateeren; overal elders was de toestand of gelijk aan dien in 1933 óf vertoonde deze een verderen 10 De markt voor goedkoope gedrukte stoffen en fancies was speciaal in het laatste kwartaal slecht, deels als gevolg van den geringen verkoop tijdens de poeasa-maand, doch tevens van de concurrentie van een nieuwe groep van importeurs, nl. Britsch- Indische kooplieden, die thans handel drijven in pasar-artikelen van Japansche herkomst. De geringe kapitaalkracht van deze nieuwe categorie van importeurs en hun onbekendheid met de markt zijn oorzaak geweest, dat de situatie op de manufacturen-markt is verstoord ten nadeele van den geregelden importhandel. De import van manufacturen uit Rusland, ofschoon nog van geringe beteekenis, nam iets toe. De invoer van bontgeweven kleedingstoffen uit China breidde zich belangrijk uit. De technische handel vertoonde in 1934 een nagenoeg gelijk beeld als in het daaraan voorafgegane jaar. Uiteraard had de betere situatie in de rubbercultuur ruimere bestellingen .tot gevolg gehad; ook in de theecultuur kwamen meer bestellingen, zij het ook slechts ter voorziening in de noodzakelijke behoeften. In de overige cul tures was de toestand echter nog van dien aard, dat de technische importhandel geen afzet voor zijn waren vond. Een uitzondering hierop maakte de petroleum industrie, die in de Buitengewesten op iets ruimere schaal tot kapitaalsuitgaven overging. Het constructie-bedrijf had het nog bij voortduring uiterst moeilijk en ook voor het bouwbedrijf is het jaar 1934 niet voordeelig geweest: men moest zich bepalen tot de allernoodzakelijkste uitgaven voor onderhoud en verbetering. De grootere invoer van naaimachines wijst er op, dat een bepaalde groep van de inheemsche bevolking over voldoende middelen beschikt om zich die artikelen aan te schaffen. De met ingang van 1 Januari 1935 in werking getreden afschaffing van de be lasting op motorvoertuigen deed haar gevolgen eerst na het einde van het verslag jaar in de automobiel-branche gevoelen. Japan veroverde in 1934 voor een belangrijk deel den handel in rijwielen, tegen welke concurrentie het Nederlandsche en Engelsche product slechts met groote prijsopofferingen het hoofd kon bieden. 2. Tusschen- en kleinhandel. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 146 achteruitgang. Het meest nog liep de handel in nijverhcidsartikelen, o.m. van huis houdelijke artikelen, terug. De omzetten en prijzen dezer artikelen daalden verder. In het algemeen brachten de pasars minder retributie op, zoowel door verdergaande verlaging der tarieven als door vermindering van het aantal verkoopers, wien soms moest worden toegestaan de retributie eerst na verkoop hunner artikelen te betalen. Verkoop buiten de pasarterreinen, om de retributies te ontgaan, werd nog uit verschil lende streken gemeld, evenals verkoop langs de wegen. Toch was het bezoek voor vele pasars buiten de groote steden niet onbevredigend; stadspasars werden zooals gewoonlijk beter bezocht en de plaatsruimten beter bezet. Het in circulatie brengen van halve centen kwam in vele streken tegemoet aan de behoefte vooral van de zijde van consumenten, die slechts voor geringe waarde inkoopen konden doen. Ten aanzien van den waronghandel en marskramerij valt slechts te vermelden, dat de algemeene toestand vrijwel ongewijzigd is gebleven. In den tusschenhandel in landbouwproducten gaf de opkoop van sommige producten meer levendigheid te zien, o.a. tengevolge van prijsstijging van eenige voor export bestemde artikelen, zooals cassave-producten en kapokpitten. De handel in rijst, mais en kedelé, waarvan de prijzen in den loop van het jaar dank zij de regeeringsmaatregelen opliepen, kan bevredigend genoemd worden. Ook cassave producten konden betere prijzen maken. De markt voor krosok-tabak en Inlandsche kerftabak was, de tijdsomstandigheden in aanmerking genomen, eveneens niet on gunstig. Voor rubber en peper kon van den gestegen prijs, vooral voor laatstgenoemd product, geprofiteerd worden. De markt voor bevolkingskoffie verslechterde in den loop van het jaar; die voor copra was zeer slecht totdat daarin tegen het einde van het jaar een lichte verbetering intrad. De opkoop van bamboehoeden liep wederom achteruit. De prijzen daalden eveneens weer sterk. De handel in pandan-splithoeden, waarin groote omzetten plaats hadden, was niet onbevredigend. Van de gewone pandan-hoeden werden belangrijke hoeveelheden opgekocht, doch tot prijzen die vooral voor de grove soorten zeer laag waren. De opkoop van boschproducten als harsen, rotan, enz. was in het algemeen niet onbevredigend. De handel in slachtvee was in sommige gebieden, waar de uitvoer naar andere streken toenam, iets gunstiger dan in 1933. Minder bevredigend was de tusschen handel in nijverheidsartikelen van inheemsen fabrikaat, waarvan de belangrijkste mogen genoemd worden de batiks en strootjes. Gunstig stak hierbij af de handel in inheemsche weef-producten, welke grootendeels van goede kwaliteit zijn en waar voor geregeld afzet bestaat. In de hiervóór bedoelde gebieden, waar door een opleving in den handel van een enkel landbouwproduct het inkomen van de bevolking steeg, viel in den tusschen handel van enkele import-artikelen eveneens een opleving te constateeren, welke o.m. biscuits e.d. en kleedingstoffen betrof. Daarnaast viel ook een vermeerdering te zien van den afzet van direct of indirect bij de winning van een product benoodigde artikelen. In sommige rubberstreken, waar het vervoer van de rubber zeer veel per fiets plaats vindt, konden handelaren in rijwielen goede zaken maken. 3. Venduwezen. De omzet van de vendukantoren x ) der Iste klasse bedroeg in 1934 f 3 615 022 (in 1933 f 4 698 604). Aan recht ten bate van het Land werd hierover geheven f 303 505, waarvan, na aftrek van de kosten dier kantoren, een bate overbleef van f 183 480 (in 1933 f 171073). De omzet van de vendukantoren der 2de klasse beliep, voor zoover betreft de door notarissen beheerde kantoren, f 3 556 019 en bij de door bestuursambtenaren J ) Zie omtront do taak van het venduwezen het Indisch Verslag 1931, blz. 219. HANDEL. 147 beheerde kantoren f 1 781 390, tezamen f 5 337 409 (in 1933 f 6 536 190). Het aandeel van het Land in de inkomsten dier vendukantoren bedroeg f 194 164 (in 1933 f 236 978). De totale omzet was f 8 952 431 (in 1933 f 11 234 974), terwijl de zuivere opbrengst van alle vendukantoren tezamen f 377 645 beliep (in 1933 f 408 051). Niettegenstaande verschillende bezuinigingen liep de opbrengst, vergeleken bij 1933 terug, hetgeen geheel moet worden toegeschreven aan de omstandigheid, dat de verkoopingen van bij de Gouvernementspandhuizen beleende panden, welke in 1933 nog f 31 095 aan vendu-salaris voor het venduwezen opleverden, in 1934 niet meer ten overstaan van de vendukantoren plaats vonden, doch door den betrokken dienst zelf buiten tusschenkomst van de notarissen-vendumeesters werden verzorgd. Voor een meer gedetailleerd inzicht in aard en omvang der gehouden verkoopin gen wordt verwezen naar deel II van dit Verslag. De geleidelijke omzetting van de kleinere vendukantoren der Iste klasse in vendu kantoren der 2de klasse had ook in 1934 voortgang. Het vendukantoor der Iste klasse te Padang werd opgeheven; het beheer over het ressort (de kom der geweste lijke hoofdplaats) werd tegen een geringere dan de gebruikelijke vergoeding (een aandeel van 2 / 5 in stede van 3 / 5 in het geheven vendu-salaris) aan den plaatselijken notaris overgedragen. Het vendu-beheer in de residentie Westerafdeeling van Borneo, dat door drie kantoren werd verzorgd, werd in zijn geheel opgedragen aan den ter hoofdplaats bescheiden notaris. Een zelfde maatregel werd getroffen voor de residentie der Molukken, terwijl voor de residentie Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo centrali satie van het vendubeheer in voorbereiding is. Het aan den algemeen ontvanger te Tandjoengbalai opgedragen vendubeheer werd bij de opheffing van 's Landskas aldaar bij wijze van tijdelijken maatregel overgegeven aan het vendukantoor der lste klasse te Medan. 4. Middenstandswezen. Ondanks de moeilijke omstandigheden heeft de Europeesche middenstand zich staande weten te houden, hetgeen pleit voor zijn weerstandsvermogen en gezonde economische positie. Slechts in enkele gevallen moest een zaak tot sluiting overgaan. Meer en meer werd bij het publiek een voorkeur waargenomen voor kwaliteits goederen. De verhoogde invoerrechten hebben geen aanwijsbaren invloed uitgeoefend op de verkoopen. In 1934 werden een 3-tal nieuwe middenstands-verecnigingen opgericht nl. te Malang, Soekaboemi en Batavia, in welke laatste stad reeds een vereeniging bestond; overigens komen dergelijke organisaties voor te Soerabaja, Semarang, Jogjakarta, Bandoeng, Magelang en Medan. Ook de middenstand onder Inlanders en Chineezen ondervond nog steeds de gevolgen van den minder gunstigen economischen toestand; in het bijzonder betreft dit die winkels en bedrijven, welke ingesteld zijn op den verkoop aan de weinig koop krachtige bevolking. De omzetten liepen terug; slechts van die artikelen, waarvoor geregelde afzet bestond, werden voorraden ingeslagen en dan slechts in kleine partijen. De zaken, welke haar clientèle voornamelijk hebben onder het Europeesche en koop krachtiger Chineesche en inheemsche publiek, konden haar omzet in het algemeen op peil houden, doch slechts ten koste van verdere prijsverlaging. Daartegenover stond, dat zij op haar beurt ook tegen lagere prijzen konden inkoopen. Omtrent het hotelbedrijf kan het volgende vermeld worden. Het percentage van onbezette kamers in de groote hotels is vrijwel gelijk gebleven aan dat van 1933, dat tusschen 30 en 70 % varieerde. De ontvangsten voor logies zijn teruggeloopcn, meer dan de tariefsverlagingen bedroegen. Ten einde een in- DE ECONOMISCHE TOESTAND. 148 komstenderving te compenseeren, hebben eenige dezer hotels zich toegelegd op het restaurant- en amusementsbedrijf. De resultaten van dit streven worden echter gedrukt door de hooge onkosten, zooals salarissen der musici en andere artisten, enz. in verband met dit bedrijf. De kleine hotels, vooral die welke in de suikerdistricten liggen, hebben, behoudens een enkele uitzondering, hunne exploitatie-kosten nauwelijks kunnen dekken. De dagprijzen zijn in verhouding tot die van 1933 gedaald met 20 tot 30 %. Waar in 1933 nog f 5 per dag betaald werd, is de prijs nu gedaald tot f 4, f 3,50 en zelfs lager. Ook bij de exploitatie van de berghotels heeft zich in 1934 over het algemeen geen verbetering voorgedaan. 5. Handelstentoonstellingen en jaarmarkten. In 1934 werden de 4 groote jaarmarkten gehouden te Batavia, Bandoeng, Sema rang en Soerabaja. Door de „Vereeniging Nederlandsch-Indisch Fabrikaat" werd in samenwerking met de Afdeeling Nijverheid van het Departement van Economische Zaken en de Vereeniging tot bevordering van het Jaarmarktwezen in Nederlandsch- Indië een intensieve propaganda gemaakt voor het gebruik van in Nederlandsch- Indië geproduceerde artikelen. Daartoe werd op de jaarmarkten een speciale af deeling voor de Indische fabrieksnijverheid ingericht, welke veel belangstelling trok. Op de Pasar Gambir verscheen Zwitserland voor het eerst met een uitstalling, terwijl Eransch Indo-China ook weer aan de tentoonstelling deelnam. Zwitserland exposeerde zijn voornaamste export-artikelen, zooals uurwerken en zuivelproducten, terwijl Indo-China met kunstnijverheidsartikelen kwam van Tonkin, Cochin-China en Cambodja. Op de jaarmarkt te Soerabaja verschenen Indo-China en Zwitserland voor het eerst met een inzending. De exploitatie leverde voor alle jaarmarkten verlies op. De standhuur en toegangs prijzen werden verlaagd. De omzetten, welke de deelnemers konden boeken, waren, de tijdsomstandigheden in aanmerking genomen, niet onbevredigend. Het aantal bezoekers was vrij belangrijk. Waar de toegangsprijzen echter verlaagd werden, liepen de inkomsten uit dien hoofde niet in evenredigheid met het toegenomen bezoek op. De deelneming van inheemsche zijde aan de tentoonstellingen was in het alge meen ook bevredigend. De jaarbeurs te Bandoeng en de jaarmarkt te Soerabaja vierden respectievelijk haar 3de en 4de lustrum. In 1934 werd door Nederlandsch-Indië wederom deelgenomen aan een tentoon stelling in Fransch Indo-China, t.w. de XHe Foire de Hanoi', welke duurde van 25 November tot 14 December. De inzending bestond uit kunstnijverheidsartikelen, zoowel voor verkoop als voor propaganda-doeleinden, waaronder een collectie Balineesche kunstproducten, samengesteld door het Bali-Museum. Bij de organisatie en inrichting van de Nederlandsch-Indische inzending werd veel medewerking onder vonden van het Musée Economique „Maurice Long" te Hanoi. Aan de inzending werd een „Diplöme Hors Concours" uitgereikt. 6. Kamers van Koophandel, handelsverenigingen en andere organisaties op handelsgebied. In October 1934 werd te Batavia opgericht de „Nederlandsch-Indische Vereeni ging van Importeurs-Groothandelaren", welke ten doel heeft de behartiging der belangen van den groothandel, zoowel in alle van buiten Nederlandsch-Indië aan gevoerde, als in Indië vervaardigde goederen, welke in Nederlandsch-Indië verbruik vinden. Zij tracht dit doel langs wettigen weg te bereiken door: a. het bevorderen van onderling overleg en samenwerking tusschen de leden ter verbetering van toe standen en verhoudingen in den groothandel; b. het geven van voorlichting, zoowel HANDEL 149 aan haar leden als aan de Overheid, betreffende vraagstukken en verhoudingen, welke meer in het bijzonder de belangen van den groothandel raken; c. het verzamelen en verwerken van gegevens; d. het plegen van overleg met de Overheid, met name voor het tot stand brengen van voorzieningen in het belang van verbetering der toestanden en verhoudingen in den groothandel; e. het samenwerken met de Overheid ter bevordering van een goede uitvoering van voorzieningen als bedoeld onder lid d; f. het samenwerken met andere vereenigingen en instellingen welker belangen geheel of ten deele met die der Vereeniging samenvallen; g. het optreden naar buiten ten behoeve van de leden telkens wanneer daartoe aanleiding bestaat. 7. Overheidszorg voor den handel. Nieuwe crisismaatregelen kwamen in 1934 tot stand met betrekking tot den invoer van suiker en kedelé; de crisisinvoermaatregelen ten aanzien van rijst, cement en bier werden in 1934 gecontinueerd, terwijl het aantal gecontingenteerde artikelen met drie vermeerderde (gebleekte stoffen, bontgeweven stoffen en oostpannen). Suiker. Bij de Ord. in I. S. 1934 n°. 194 werd de invoer van suiker verboden behoudens ontheffing door den Directeur van Economische Zaken; wederinvoer van Nederlandsch-Indische suiker bleef geoorloofd voorzoover voor den uitvoer op grond van art. 3 der suikeruitvoerordonnantie (I. S. 1931 n°. 114) geen uitvoer vergunning noodig is geweest. Rijst en kedele. In 1934 werd behalve de invoer van rijst ook nog die van kedelé en van de daaruit bereide producten soja en taotjo beperkt. Dit invoerverbod van rijst, kedelé, enz. werd afgekondigd in I. S. n°. 85, de tot uitvoering daarvan vast gestelde Regeeringsverordening in I. S. n°. 86. Bovendien bevat de Regeerings verordening, afgekondigd in I. S. n°. 87, een verbod van afscheep van kedelé, soja en taotjo uit andere gewesten in Nederlandsch-Indië naar Java en Madoera, Bali en Lombok. Voorts werden bij verschillende verordeningen vastgesteld de vergoedingen voor de afgifte van vergunningen tot invoer van rijst en kedelé (in I. S. n°. 127 voor kedelé, gewijzigd bij die in I. S. n°. 180; in I. S. n°. 155 voor kleefrijst en in I. S. n°. 544 voor alle soorten rijst met inbegrip van kleefrijst, gewijzigd in I. S. n°. 668). Bij de rijstvervoerordonnantie (I. S. 1934 n°. 371) zijn maatregelen getroffen tot voorkoming van ongewenscht vervoer van rijst binnen het tolgebied van Neder landsch-Indië; de uitvoering hiervan is geregeld bij de Regeeringsverordening in I. S. n°. 372, aangevuld bij die in I. S. n°. 545. Cement. De invoerbeperking werd bij de Regeeringsverordening in I. S. 1934 n°. 149 voor den tijd van 4 maanden en verder bij de crisis-cement-invoer-ordon nantio 1934 in I. S. n°. 473 tot 28 Februari 1935 verlengd. Bij de crisis-cement invoerverordening 1934 II (I. S. n°. 474) en bij de crisis-cement-invoerverordening 1934 111 (I. S. n°. 604) zijn voorschriften vastgesteld ter uitvoering van laatst bedoelde ordonnantie. Bier. De invoerbeperking van bier werd in 1934 geregeld bij de in I. S. n°. 126 afgekondigde crisis-bier-invoerverordening 1934, bij de in I. S. n°. 363 afgekon digde crisis-bier-invoerverordening 1934 11 en bij de crisis-bier-invoerordonnantie 1934 in I. S. n°. 581, tot welker uitvoering de in I. S. n°. 582 afgekondigde crisis bier-invoerverordening 1934 111 is vastgesteld. Gebleekte stoffen. Bij de in I. S. 1934 n°. 98 afgekondigde gebleekte stoffen crisis-invoerverordening 1934 werd voor een tijdvak van 10 maanden de invoer DE INWENDIGE POLITIEKE TOESTAND. 15 arbeidersbond bij G.B. 23 Oct. 1933 N°. lz tot een voor landsdienaren verboden vereeniging was verklaard. Aangezien de Sarekat Sekerdja Oemoem eveneens haar revolutionnaire begin selen onder het spoorwegpersoneel trachtte te verbreiden, zag de Regeering zich genoodzaakt ook deze vereeniging bij G.B. 7 Juni 1934 N°. lz tot een voor lands dienaren verboden vereeniging te verklaren. 4. De Chineesche beweging. De actie van het speciaal ter behartiging van de belangen dor Chineesche emi granten gesticht regeeringsorgaan „Comité voor Ovcrzcc-Chineeschc Zaken" te Nanking duurde in 1934 voort. Van Chineesche regeeringszijde werd voortgegaan met het zonden van afge vaardigden voor het instellen van onderzoekingen van verschillenden aard. Zoo werd Nederlandsch-Indië bezocht door den Ministor van Industrie Ch' en Kung Po, Generaal Chang Chen, Generaal Huang Mv Sung, den luchtvaart-deskundige Lim Ou Chiang en de missie Ch'on Ch'un Pu. De komst van al deze afgevaardigden leidde in de Chineesche samenleving tot oen sterke nationale opleving, welke in dr kringen van de op Nederlandsch-Indië georiënteerde peranakan-Chinoezen eenige ongerustheid verwekte. In de nieuwe Gewijzigde Bepalingen betreffende het geven van leiding door consuls in het buitenland aan het Overzec-Chineesche Onderwijs (Regeeringsmandaat N°. 3604 van 4 April 1934) werd aan de consuls (art. 1) de meest uitgebreide volmacht verleend om in alle kwesties betreffende het onderwijs der Overzee-Chineesche scholen leiding te geven. Tevens voerde de Chineesche Regeering een krachtige actie om dit onderwijs in Chineesch-nationalistische banen te leiden. Te dien einde werd o. a. door het Comité voor Ovcrzeesche Zaken te Nanking een kweekschool voor onderwijzers ten behoeve van het Overzee-Chineesche onderwijs opgericht. Dit geschiedde ter voldoening aan art. 3a van het op 11 April 1933 door den Uitvoerenden Raad vastgestelde schema voor het Overzee-Chineesche onderwijs, hetwelk luidt: „Er zal een instituut opgericht worden voor de opleiding van onderwijzers voor Overzee-Chineesche scholen en be palingen zullen vastgesteld worden voor de selectie van onderwijzers voor deze scholen". Het leerprogramma beoogt versterking van do nationale gevoelens der Overzee Chineezen. De leiding van de z. g. „Nieuw Leven Beweging", welke de zedelijke en staat kundige opheffing van het Chineesche volk beoogt, is in Nederlandsch-Indië toe vertrouwd aan de consuls. Met uitzondering van de Thien Sung Vit Po (een Kuomintang-blad), welke de beweging aanmoedigde, nam de Chineesche pers in Indië over het algemeen tegen deze beweging een onwelwillende houding aan. DE ECONOMISCHE TOKSTAND. 150 beperkt van cambrics, cambrics-shirtings, elefantes en madapoüaras, shirtings en longcloth, drillings, jeans en twills, satteens, flanellen en andere gebleekte katoenen stoffen, terwijl van verschillende dezer artikelen bepaalde hoeveelheden uit Nederland moesten worden betrokken. Deze maatregel werd gecontinueerd bij de invoer ordonnantie gebleekte katoenen stoffen 1935 (I. S. 1934 n°. 712), ter uitvoering waarvan is vastgesteld de invoerverordening gebleekte katoenen stoffen 1935. Bontgeweven textielgoederen. De crisis-textiel-invoerverordening 1934 (I. S. n°. 60) strekte ter beperking van den invoer van een negental soorten bontgeweven textielgoederen voor een tijdvak van 3 maanden. Van enkele daarvan moeten be paalde hoeveelheden uit Nederland worden betrokken. Bij de crisis-textiel-invoer - verordening 1934 11, de crisis-bontgeweven-stoffen-invoerverordening 1934 111 en de crisis-bontgeweven-stoffen-invoer-ordonnantie 1934 (I. S. Nos 301, 638 en 678) werd de invoerbeperking verlengd. De crisis-bontgeweven stoffen-invoerverordening 1934 IV (I. S. n°. 679) strekt tot uitvoering van laatstgenoemde ordonnantie. Oostpannen. Met ingang van 1 October 1934 werd bij de erisis-oostpannen invoerverordening 1934 (I. S. n°. 597) voor een tijdvak van 3 maanden de invoer van gegoten ijzeren braadpannen, z.g. oostpannen, beperkt; de beperking werd tot 31 Juli 1935 gecontinueerd bij de in I. S. 1934 n°. 750 afgekondigde invoer verordening oostpannen 1935. Buitenlandsch betalingsverkeer. De betalingsmoeilijkheden, welke de Neder landsche crediteuren ondervonden bij de voldoening van hunne vorderingen op enkele landen, noopten de Nederlandsche Regeering tot het treffen van ingrijpende maat regelen met betrekking tot de clearing, de gecentraliseerde vereffening van schulden aan het buitenland met vorderingen op datzelfde buitenland, welke ook voor Neder landsch-Indië gelden. Clearing-verdragen werden afgesloten met Chili, Turkije en Duitschland. Met in gang van 20 November 1934 werden zij mede voor Nederlandsch-Indië van toe passing verklaard. De betreffende maatregelen zijn de volgende: de Wet Internationaal Betalings verkeer 1934 (N. S. n°. 583, I. S. n°. 632); het K. B. van 16 Nov. 1934 n°. 16 (N. S. n°. 587, I. S. n°. 633) tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van bepaalde artikelen der Wet Internationaal betalingsverkeer 1934; het Besluit Inter nationaal Betalingsverkeer Nederlandsch-Indië 1934 (N. S. n°. 588, I. S. n°. 634); de Clearing-documentenverordening Nederlandsch-Indië 1934 (I. S. n°. 693); de bepalingen betreffende de invoering van de clearing in Nederlandsch-Indië (I. S. n°. 694). 8. IJkwezen. In het aantal ijkkantoren, ten getale van 14, waarvan 9 op Java en 5 in de Buiten gewesten (3 op Sumatra, 1 op Borneo en 1 op Celebes), kwam in 1934 geen wijziging; wel zijn aan dé tot sommige ijkkantoren behoorende ijkkringen nog enkele gebieden toegevoegd, namelijk de onderafdeeling Bolaang Mongondou der residentie Manado, eenige gedeelten van de Molukken, de residentie Timor en Onderhoorigheden en enkele plaatsen in de residentie Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo (I. S. 1934 n°. 163), zoomede de residentie Sumatra's Westkust (I. S. 1934 n°. 681). Het ijkgebied omvatte eind 1934 het grondgebied van geheel Java en Madoera, geheel Sumatra (met uitzondering van de residentie Riouw en Onderhoorigheden), het voornaamste deel van de residentie Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo, nagenoeg geheel Celebes, de residentie Timor en Onderhoorigheden, alsmede enkele der voornaamste eilanden van het gouvernement der Molukken, HANDEL. 151 Ook gedurende het afgeloopen jaar heeft de invoering en de verdere doorvoering van de ijkvoorschriften hij de verschillende bevolkingsgroepen van Nederlandseh- Indiö geen moeilijkheden opgeleverd, hetgeen is toe te schrijven eenerzijds aan de soepele wijze, waarop wordt gewerkt door steeds, waar noodig, zooveel mogelijk rekening te houden met de belangen van de herijkplichtigen, anderzijds aan de om standigheid, dat de groote massa der bevolking niet direct met de op het gebied van den ijk bestaande bepalingen in aanraking komt, aangezien de ijkvoorschriften niet van toepassing zijn op voor den straat- en pasar-handel gebruikte inhoudsmaten (art. 17 der ijkordonnantie, I. S. 1928 n°. 255). Dat niettegenstaande deze vrijstelling veelal toch vrijwillig tot het gebruik van geijkte maten wordt overgegaan, doordat de bevolking naar dergelijke maten vraagt, wijst op een toenemend vertrouwen in de door het Gouvernement gewaarmerkte maten. Voorts ondervindt de bevolking van het inwerking treden der ijkordonnantie voordcelen, doordat meer zekerheid wordt verkregen, dat de inheemsche koopers in de toko's en winkels inderdaad de hoeveelheid ontvangen, welke hun toekomt. Het aantal onderzochte voorwerpen is van 660 895 in 1931 opgeloopen tot 898 301 in 1934, terwijl de inkomsten zijn gestegen van f 600 701 in 1931 tot f 733 527 in 1934. Deze inkomsten-vermeerdering is gedeeltelijk een gevolg van de plaats gehad hebbende uitbreiding van het ijkgebied, doch is mede toe te schrijven aan de ver scherpte controle uitgeoefend door den dienst van het ijkw T ezen. Zoo zijn in 1934 2084 plaatsen gecontroleerd, terwijl op 1474 plaatsen herijkzittingen zijn gehouden en 723 particuliere en gouvernementsinstellingen voor plaatselijk onderzoek zijn bezocht. Het bereikte resultaat werd behaald, zonder dat tot aanstelling van nieuw personeel bij den dienst behoefde te worden overgegaan. Tevens zijn door den dienst meermalen steekproeven genomen uit de op pasars gekochte, door pasargangers bij zich gedragen hoeveelheden, alsook uit de in warongs en toko's ten verkoop gereed liggende pakjes. Van de 352 gecontroleerde gevallen hadden 238 koopers —of ruim 2 / 3 er van — een kleiner of grooter overwicht ontvan gen, tegen 114 koopers een onderwicht, dat als regel niet meer bedroeg dan 1 è, 2 %. Deze controle beoogt het valsch wegen zooveel mogelijk tegen te gaan. Bij de verdere doorvoering van hot metrieke stelsel werden ook in 1934 geen moeilijkheden ondervonden. Van het aantal ten ijk en herijk aangeboden voorwerpen voldeden 91,25 % aan de eischen van dat stelsel. Niettemin wordt het geoorloofd gebruik van twee of meer stelsels van maten en gewichten als een bezwaar gevoeld; voornamelijk omdat, naar de praktijk heeft uitgewezen, een dergelijke toestand aan leiding geeft tot het plegen van frauduleuze handelingen bij den opkoop van cultuur producten van de bevolking. De import van maten en gewichten, benevens van meetwerktuigen is, vergeleken met het vorig jaar, met 15 % gedaald; daarentegen is de aanmaak van deze voor werpen in Nederlandsch-Indië met ± 42 % toegenomen. Zoo worden bijvoorbeeld de blikken inhoudsmaten thans vrijwel alle in Indië gemaakt; de vervaardiging door de inheemsche industrie van lengtematen, van ko peren gewichten en van weegwerktuigen vertoont een stijging, terwijl zelfs ook enkele benzinepompen door die industrie werden geconstrueerd. De import van Japansche centesimaal-bascules is eenigermate toegenomen; deze weeg werktuigen, welke noch in Indië, nóch in Nederland worden gefabriceerd, voldoen over het algemeen goed aan de gestelde eischen. De cijfers betreffende den import en aanmaak van nieuwe meet- en weegtoestellen over 1934 bedragen: 6536 lengtematen, 61 669 inhoudsmaten, 49 849 gewichten en 8049 weegwerktuigen, of tezamen 126 100 voorwerpen. Voor ijk en herijk zijn onderzocht 28 261 lengtematen, 279 166 inhoudsmaten, 382 855 gewichten, 174 274 weegwerktuigen en 2761 benzinepompen; niet verplichte onderzoekingen zijn verricht ten aanzien van 10 tankwagens, 11 snelheidsmeters, DE ECONOMISCHE TOESTAND. 152 1 stopwatch, 15 autowieluegers, 2 dradentellers, 56 benzine-kannen, 20 labora torium-gewichten, 1 gasmeter en 1 laboratorium-balans. Voorts zijn 149 382 voor werpen door den dienst van het ijkwezen gejusteerd en hersteld. In December 1934 had de benoeming van de standaard-commissie voor den meter en het kilogram plaats. Naar aanleiding hiervan werd het beheer en de bewarmg van den Nederlandsch-Indischen standaard van den meter en van het kilogram, waarmede te voren het hoofd van den dienst van het ijkwezen was belast, aan deze commissie overgedragen (zie Bb. n°. 13288). Als Nederlandsch-Indische standaard van den meter en het kilogram werden aangewezen een platina-iridium-meter van den K-vorm (n°. 27) en een verguld geelkoperen tonvormig kilogram (zie Bb. n°. 13 329). MUNT-, OKEOIET- EN BANKWEZEN. COÖPERATIE. 153 J. MUNT-, CREDIET- EN BANKWEZEN. COÖPERATIE 1. Muntwezen. a. Muntcirculutie. De inkrimping van de circulatie van teeken- en pasmunt tezamen zette zich, even onderbroken in het 2de kwartaal, ook voor 1934 verder voort, hoewel in mindere mate dan in de vier voorafgegane jaren. Het. volgend overzicht geeft een beeld van de wijzigingen in den omloop van teekenmunt, muntbiljetten en pasmunt afzonderlijk. Uit dit overzicht blijkt, dat in 1934 voor het eerst sedert jaren meer pasmunt naar het verkeer is afgevloeid dan uit de circulatie is teruggevloeid. b. Onttrekking van oude teekenmunt. Als gevolg van de onttrekking van den omloop van teekenmunt van het hooge gehalte ingevolge de z.g. gehaltewet van 27 Nov. 1919 (N.S. n°. 786, I. S. 1920 n°. 107) werd tot einde 1934 naar Nederland, voor zoover noodig ter ommunting en eventueel ter ontmunting, opgezonden voor een bedrag van f 133 470 000, waarvan f 70 780 000 aan rijksdaalders, f4O 350 000 aan guldens en f 22 340 000 aan halve guldens. Voor de gebiedsdeelen, waarvan de ingetrokken munten afkomstig zijn, is het volgend overzicht te geven (in duizenden guldens). DE ECONOMISCHE TOESTAND. 154 Bepaald is dat de rijksdaalders, guldens en halve guldens van hoog zilvergehalte in Nederlandsch-Indië buiten omloop worden gesteld op 1 Januari 1934 (I. S. 1933 n°. 507), terwijl tevens is aangegeven waar die geldstukken kunnen worden inge wisseld (I. S. 1933 n°. 508). De termijn voor de inwisseling van de teekenmunt van het oude gehalte is eerst verlengd tot 1 Januari 1935 (I.S. 1934 n°. 388) en daarna nader tot 1 Juli 1935 (I. S. 1934 n°. 701). c. Aanmunting ten behoeve van Nederlandsch-Indië. In 1934 werd geen nieuwe teekenmunt uit Nederland ontvangen. In verband met de beschikbare voorraden teekenmunt in de kassen van het Land en in die van de Javasche Bank werd f 14 000 000 aan nieuwe teekenmunt teruggezonden naar Nederland. Ook aanmunting van zilveren pasmunt had in 1934 niet plaats; volstaan werd met den aanmaak van f 165 000 halve centen, welke geheel in het verkeer werden gebracht (tegen f 86 000 in 1933 en f 39 000 in 1932). d. Zuivering van de munlcirculatie. Aan versleten zilveren pasmunt was sinds het begin der muntzuivering in 1929 tot einde 1934 ingenomen een bedrag van f 8,4 millioen, aan beschadigde zilveren pasmunt voor een bedrag van f 1,9 millioen, in totaal f 10,3 millioen (tegen f 9,7 millioen tot einde 1933). Bovendien was op dat tijdstip aan beschadigde teekenmunt ingenomen voor een bedrag van f 4,6 millioen (tegen f 4,3 millioen tot einde 1933). De gelegenheid tot inwisseling van beschadigde munt bleef in verband met de intrekking van oude teekenmunt voor enkele meer afgelegen streken in de Buiten gewesten tot nader order opengesteld. De inwisseling van z.g. „tambalan"-munt, die aanvankelijk als sieraad gebruikt, wederom voor het verkeer is geschikt gemaakt, bleef bij alle landskassen mogelijk. e. Valsche munt. In 1934 werden aan valsche zilveren munten — zoowel teeken als pasmunt — aangehouden 133 053 stuks, tegen 164 895 stuks in 1933. 2. De groote banken. Voor Nederlandsch-Indië bracht het jaar 1934, waarin het streven naar eco nomische zelfgenoegzaamheid toenam en een verdere versplintering van het eco nomisch wereldbestel te zien gaf, tal van nieuwe moeilijkheden. Voor verscheidene producten gingen afzetgebieden geheel of ten deele verloren, deels als gevolg van door het buitenland aan den invoer daarvan opgelegde belemme ringen, deels ook door een verder terugloopen van de koopkracht in verschillende landen. Slechts ten deele en dan veelal nog alleen ten koste van prijsoffers konden aldus verloren gegane afzetgebieden door andere worden vervangen. Dat deze ontwikkelingsgang ook voor het bankwezen in Nederlandsch-Indië, dat in de eerste plaats op financiering van voortbrenging en export is ingesteld, nadeelig was, behoeft wel geen betoog. Verder teruggeloopen omzetten, geringere voorraadvorming, verminderde koopkracht en — speciaal met betrekking tot den import, doch ook nog voor verschillende export-producten — voortgezette prijsdaling, werkten samen om de in vorige jaren reeds zoo sterk ingekrompen credietvraag nog verder te doen slinken. Wat de credietverleening aan het Europeesche landbouwbedrijf in Nederlandsch- Indië betreft, bleef ook dit jaar die aan de suiker-industrie de eerste plaats innemen. Hoewel volledige gegevens over de totale credietverleening van de banken aan de suiker-industrie nog niet ter beschikking staan, mag uit de tot dusver gepubliceerde jaarverslagen van suiker-maatschappijen wel worden afgeleid, dat deze crediet- MUNT-, CREDIET- EN BANKWEZEN. COÖPERATIE. 155 vcrloening in 1934 een verdere vermindering heeft ondergaan. Terwijl toch eener zijds door de voortgezette liquidatie van de Java-suikervoorraden — de Nivas kon in 1934 ± 1 330 000 ton suiker verkoopen, waartegenover de in 1934 afgekomen oogst niet meer dan ± 650 000 ton heeft uitgeleverd, en waardoor de onverkochte fabrieksvoorraden met i 680 000 ton zijn teruggeloopen — belangrijke bedragen voor schuldaflossing zijn vrijgekomen, mag anderzijds als vaststaand worden aan genomen, dat de door de suikerindustrie in 1934 verrichte uitgaven andermaal hij die in het vorig jaar zijn ten achter gebleven. De in 1934 vermalen aanplant is veel kleiner geweest dan in het vorig jaar, terwijl daarnaast in 1934 slechts een aanplant van 27 085 ha in den grond is gebracht, tegen een van 35 803 ha in 1933 en tenslotte het streven tot een tot het uiterste terugbrengen der uitgaven ook in 1934 onverminderd is voortgezet. De samenstelling van do aan de suikerindustrie verstrekte credieten wijzigde zich in 1934 verder in ongunstigen zin. Door verdere accumulatie van bedrijfsver liezen en door een in 1934 opnieuw terugloopen van de waarde van den nog aanwezi gen suiker voorraad, werd de verhouding tusschen het totaal der verstrekte voor schotten en de als onderpand hiervoor gegeven liquiditeiten (suiker en effecten) andermaal ongunstiger en kreeg een steeds toenemend gedeelte van deze voorschotten het karakter van „deelnemingen", waarvan de waarde aan het einde van 1934 niet te bepalen viel. De credietverleening van de banken aan andere cultures dan de suiker heeft zich in 1934 als geheel genomen verder in dalende richting bewogen. Met name de rubber-industrie kon door het sterk verbeterend prijsniveau van het product hare liquiditeitspositie belangrijk verbeteren, terwijl voor de thee-industrie in mindere mate hetzelfde geldt. Hiertegenover staat, dat de tabakscultuur op Java, waarvoor 1934 een zeer ongunstig jaar was, wellicht eeniger mate van bankcrediet heeft moeten gebruik maken. Wat de verhouding van de banken tot den exporthandel betreft, kan worden op gemerkt, dat in verband met den ongunstigen toestand van de suikermarkt ook in 1934 de vroeger in zoo belangrijke mate als credietnemers optredende suiker exporteurs zich van het nemen van voorraadposities onthielden en uit dien hoofde geen beroep op de crediethulp der banken behoefden te doen. Ook de zich meer op andere producten toeleggende Europeesche exporthandel zag in 1934 zijn crediet behoeften, welke toch voornamelijk door de grootte van den omzet en het gemiddelde prijsniveau worden bepaald, eerder af- dan toenemen. Met betrekking tot den kleinen Chineeschen tusschenhandel kan opgemerkt worden, dat de handelaren in die voortbrengselen van den inheemschen landbouw, waarvan het prijsver loop den gunstigen invloed ondervindt van de van Regeerings wege getroffen steunmaatregelen, t.w. rijst, maïs en kedelé, in 1934 in het algemeen grooter activiteit aan den dag hebben gelegd dan in het voorafgegane jaar. Voorraad vorming kwam meer voor en bracht een geringe uitbreiding van credietbehoeften met zich. Voor den importhandel was 1934 een belangrijk jaar. Moest aan het einde van 1933 geconstateerd worden, dat de positie van het in Nederlandsch-Indië gevestigd import-apparaat langzamerhand zeer moeilijk was geworden, eensdeels door de sterk teruggeloopen koopkracht zoowel van de Europeesche als van de inheemsche be volking, anderdeels door het in snel tempo opkomen van een Japansch import-appa raat in Indië, voor wat 1934 betreft valt te constateeren, dat de importhandel gedeeltelijk uit eigen kracht, gedeeltelijk met Regeeringshulp, althans een verder terreinverlies heeft weten te voorkomen, terwijl hij ook in ander opzicht zijn positie eenigermate heeft weten te consolidoeren. Gesteld mag worden, dat tegen het einde van 1934 vrijwel elk Europeesch importhuis van eenige beteekenis zijn eigen koop organisatie in Japan had en daarmede het van zijn kant mogelijke had gedaan om DE ECONOMISCHE TOESTAND. 156 een deel van den Japanschen import in Nederlandsch-Indië tot zich te trekken. Voor zoover resultaten niettemin dreigden uit te blijven als gevolg van de reeds genoemde concurrentie van Japansche importhuizen in Nederlandsch-Indië, is de Regeering in 1934 begonnen daadwerkelijken steun te verleenen door van een ge leidelijk groeiend aantal artikelen de import van het bezit van licenties afhankelijk te stellen en door de verdeeling dezer licenties naar door Haar vastgestelde normen, welke het Europeesch import-apparaat een redelijk aandeel verzekerden, te regelen. Wat de capaciteit van de Indische markt betreft, kwam het inkrimpingsproces, dat zich als gevolg van terugloopende koopkracht zoowel in de Europeesche als inheemsche sfeer reeds gedurende verscheidene jaren bad voltrokken, ook in 1934 nog niet geheel tot stilstand; wel echter kreeg dit proces een geleidelijker karakter en veroorzaakte den importhandel daardoor minder moeilijkheden. De bovenbeschreven factoren, welke als de voornaamste kunnen worden aan gemerkt, welke de positie van den importhandel in 1934 hebben beïnvloed, naast een voortgezette tendenz tot concentratie in dezen bedrijfstak, welke het aantal kleinere — voor hun financiering verhoudingsgewijs het meest op bankcrediet aangewezen — Europeesche firma's geleidelijk doet afnemen, hadden ten gevolge dat de mate, waarin de importhandel van bankcrediet gebruik moest maken, in 1934 andermaal afnam. Voor den middenstand in het algemeen en het Europeesch winkelbedrijf in het bijzonder, bleef ook in 1934 de situatie moeilijk. Naast de groote schade, welke bij voortduring werd ondervonden van de steeds beter gesorteerde Japansche winkelzaken, had ook de scherper wordende onderlinge concurrentie een zeer nadeeligen invloed. Ondanks de onmiskenbaar terugloopende afzetmogelijkheden, heeft het aantal winkelzaken nog neiging zich uit te breiden, met gevolg dat voor elk het arbeidsveld nog meer beperkt wordt en de bedrijfsresultaten dienovereen komstig ongunstiger worden. Door deze omzetvermindering en ook door het feit, dat ter vermindering van bedrijfsrisico's het aanhouden van voorraden veelal tot het hoogst noodzakelijke werd beperkt, vertoonden de kapitaalbehoeften van den middenstand een verderen teruggang. De relaties van particuliere personen met het bankwezen bepalen zich in Neder landsch-Indië vrijwel uitsluitend tot het deposito- en/of rekening-courant-verkeer, dan wel tot het doen van effectenzaken, al of niet gepaard gaande met een effecten beleening. De verdere verlaging van de rente, welke door de particuliere banken op giro-saldi en voor deposito-gelden werd vergoed, maakte het op deze wijze aan houden van gelden steeds minder aantrekkelijk en heeft er zeker toe bijgedragen, dat een gedeelte van deze middelen van de banken onder meer naar de Postspaar bank afvloeide, hetgeen overigens door de banken zelve, die bij voortduring op een terugbrengen van het bedrag der haar toevertrouwde vreemde gelden bedacht waren, niet ongaarne werd gezien. Waar de ontwikkeling van de aandeelenmarkt nog steeds zeer onzeker was, bleef het publiek huiverig voor de aan een effecten beleening verbonden risico's, en was het in het algemeen eerder nog op een in krimping zijner posities bedacht, zoodat de banken ook op dit terrein haar werk zaamheden verder zagen afnemen. Het vorenstaande geeft in korte trekken de voornaamste factoren aan, welke de positie van het particulier bankwezen in Nederlandsch-Indië gedurende 1934 hebben beïnvloed. Cijfers, welke den gang van zaken, zuiver beperkt tot de in Nederlandsch-Indië gedreven zaken, nauwkeurig aangeven, zijn niet beschikbaar, aangezien geen der particuliere banken afzonderlijke balansen publiceert van haar Indische kantoren. De gepubliceerde balansen van de Nederlandsche Handel Maatschappij en de Nederlandsch-Indische Escompto Maatschappij geven slechts gecombineerde cijfers voor al haar vestigingen —dus zoowel die in Nederland als in Nederlandsch-Indië, en voor de Nederlandsche Handel Maatschappij ook nog MINT-, CREDIET- EN BANKWEZEN. COÖPERATIE. 157 die in andere landen van het Verre Oosten —, terwijl de Nederlandsch-Indische Handelsbank slechts gecombineerde cnfers geeft voor al haar vestigingen in het Verre Oosten. Hiernaast dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid, dat, nadat de Nederlansch-Indische Escompto Maatschappij hiermede reeds einde 1933 was voorgegaan, de Nederlandsche Handel Maatschappij in December 1934 tot een reorganisatie is overgegaan, waardoor de mogelijkheid om de balanscijfers 1934 met die van de voorafgegane jaren te vergelijken belangrijk is beperkt. Teneinde echter het algemeen karakter van de in de positie der Indische parti culiere bankinstellingen ingetreden wijzigingen aan het licht te doen treden, worden bovenbedoelde gecombineerde cijfers — waarbij ter wille van de uniformiteit voor elk der drie particuliere banken die van al haar vestigingen zijn genomen — niettemin hieronder vermeld. Bankbalansen in 1932, 1933 en 1934 (in millioenen guldens). ') Opgesteld na reorganisatie. 2 ) Hieronder 12,4 kasvoorschotten aan Duitsche banken. 3 ) Hieronder 4, — Stillhalte-belangen. ") Hieronder resp. 7,9 en 7,— vorderingen op Duitschland. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 158 Vóór een nadere beschouwing van bovenstaande cijfers, vereischt de hierboven reeds genoemde balans-saneering, welke de Nederlandsche Handel Maatschappij in December 1934 heeft doorgevoerd en waarvan de resultaten in haar jaarcijfers over 1934 zijn verwerkt, nog een bespreking. Een herwaardeering van de bedrijfs activa leidde tot afschrijvingen — voornamelijk op suiker- en andere cultuur belangen, debiteuren en vaste eigendommen — tot een bedrag van i f 60 millioen, hetwelk door enkele andere voorzieningen nog tot ± f 75 millioen verhoogd, werd aangezuiverd uit de aanwezige reserves en door afschrijving tot op 25 % van het f 80 millioen bedragende aandeelenkapitaal. Het hierdoor tot f 20 millioen ge reduceerde aandeelenkapitaal werd door uitgifte van f 15 millioen nominaal nieuwe aandeelen weder tot f 35 millioen opgevoerd. Hoewel niet meer tot het jaar 1934 behoorende, verdient nog vermelding dat in 1935 ook de Nederlandsch-Indische Handelsbank tot een saneering van haar balans is overgegaan. De liquiditeits-positie van de particuliere banken is in 1934 verder onveranderd gunstig gebleven. Doordat bij de Nederlandsche Handel Maatschappij en de Neder landsch-Indische Escompto Maatschappij de „vreemde" gelden verhoudings gewijze minder sterk zijn teruggeloopen dan de credietverleening en de wissel portefeuille, kon hun liquiditeits-positie nog verder verbeteren; bij de Nederlandsch- Indische Handelsbank vertoonde de liquiditeit daarentegen, doordat de totale door dit lichaam verleende credieten eenige vermeerdering hebben ondergaan, een beperkten teruggang. De bedrijfsresultaten van het particuliere bankwezen zijn verder ongunstig beïnvloed door de voortgezette inkrimping van de bedrijvigheid en speciaal ook door de verlaging, welke de rentevoet in Nederlandsch-Indië in 1934 heeft onder gaan. Dividend-uitkeeringen over 1934 bleven achterwege, terwijl ook voor de naaste toekomst de winstmogelijkheden uit het eigenlijke bankwezen niet dan zeer be scheiden kunnen worden aangeslagen. Naar onderstaande vergelijking van de verkorte balansen van De Javascho Bank per 31 December 1932, 30 December 1933 en 29 December 1934 aantoont, ') Onder „Deposito's op korlcn Icrniijn en giro-saldi" opgenomen. MUNT-, CREDIET- EN BANKWEZEN. COÖPERATIE. 159 heeft do positie van Do Javasche Bank in 1934 slechts geringe wijzigingen onder gaan. Het binnenlandsch credietbedrijf bleef, in aanmerking genomen dat op het in 1933 aan het Gouvernement verleende z.g. ..pondcnerediet" in 1934 een eerste aflossing van f 0,8 millioen plaats had, vrijwel onveranderd. De bankbiljetten circulatie liep andermaal terug, waartegenover echter de rekening-courant-saldi van derden met een ongeveer gelijk bedrag toenamen. De rekening van het Gouver nement, welke per einde 1933 ± f 2 millioen credit stond, wees per einde 1934 een debet-saldo van ± f 1% millioen aan. De goudvoorraad van de bank nam met ± f 5 millioen toe, de zilvervoorraad daarentegen, o. m. door verdere overdracht van zilveren teekenmunt van het hooge gehalte aan 's Landskassen, met ± f 6 millioen af. Het dekkingspercentage onder ging slechts een geringe wijziging en kwam van 66,57 % op 66,40 %. De wisselmarkt in Indië had in 1934 een rustig voorkomen, doordat vlagen van onverwacht opkomend wantrouwen tegen den Indischen gulden met daaruit voortvloeiende plotselinge vraag naar remise Holland, welke de jaren 1931 t/m 1933 kenmerkten, geheel achterwege bleven. Integendeel bestond van de zijde der particuliere banken regelmatig aanbod van Hollandsche guldens — in de balans in een oploopen van den post „Rekening-courant-saldi van anderen" tot uiting Verkorte balansen van De Javasche Bank (in millioenen guldens) DE FINANCIEELE TOESTAND. 16 HOOFDSTUK 11. DE FINANCIEELE TOESTAND A. DE LANDSFINANCIËN. 1. Algemeen overzicht Werd bij de begrootingsopstelling voor 1933 tot voorloopige werkbasis gekozen het terugbrengen van het niveau der zuivere gewone uitgaven tot f 400 millioen, de daarbij tevens uitgesproken verwachting, dat met het beperken van de lands uitgaven tot dit niveau vermoedelijk niet zou kunnen worden volstaan, werd door de verdere ontwikkeling van don economischen toestand en den terugslag daarvan op de financiën van het Land ten volle bevestigd. Hot peil dor landsinkomston is sindsdien nog belangrijk gedaald. Onder die omstandigheid was het niet mogelijk voor 1934 een begrooting samen te stellen, waarin de landsuitgaven met de lands inkomsten in evenwicht zouden zijn. Het voor 1934 aanvaard schema omvatte eener zijds een opvoeren van de middelen door nieuwe heffingen tot een niveau van f 300 millioen, anderzijds een terugbrengen van het uitgavenpeil tot f 350 millioen. De daartoe te nemen maatregelen konden bij dr samenstelling van de begrooting niet volledig in de cijfers worden verwerkt. Hieronder volgt een opgaaf van de eindcijfers volgens de gebruikelijke opstelling, d. w. z. na saldeering van de tegenover elkander te stellen inkomsten en uitgaven: (In duizendtallen guldens.) DE ECONOMISCHE TOESTAND. 160 komende —, hetwelk De Javasche Bank in staal stelde haar kas-positie in Neder land regelmatig te versterken en de maandehjksche remitteeringen van het Gouver nement van Nederlandsch-Indië naar Nederland te bewerkstelligen zonder daavoor een beroep op haar goudvoorraad behoeven te doen. Deze goudvoorraad kon integendeel, zooals hierboven reeds vermeld, in 1934 nog met ± f 5 millioen toe nemen. De afgiftekoers uit Holland, welke in October 1933 tot pari was terug gebracht, kon gedurende het geheele jaar 1934 op dit niveau worden gehandhaafd. 3. Volkscredietwezen. De organisatie van het Volkscredietwezen onderging in 1934 een belangrijke verandering. Medio April 1934 trad de bij Ord. van 19 Febr. 1934 (I.S. n°.B2)inge stelde Algemeene Volkscredietbank in werking, waarin de Centrale Kas en alle volkscredietbanken (met uitzondering van die in de residentie Manado) • werden opgenomen. Gemakshalve wordt hieronder bij de beschouwing van de cijfers van het uitleenbedrijf van de Algemeene Volkscredietbank gesproken, waarbij echter te bedenken valt, dat daarin ook die der vroegere plaatselijke volkscredietbanken be grepen zijn. Deze reorganisatie betcekent voornamelijk dat er, in den vorm van een Directie met een Centrale Commissie van Toezicht en Bijstand, centrale leiding is gekomen en dat de afzonderlijke vermogens tot één kapitaal zijn vereenigd; zij laat overigens de continuïteit van de bedrijven onaangetast; de afzonderlijke banken zijn als plaatselijke kantoren met plaatselijke commissies van toezicht en bijstand blijven bestaan, behoudens een enkele opheffing (Djambi en Lombok) en samen voeging in overeenstemming met de samenvoeging van regentschappen. De uitkeering door de Algemeene Volkscredietbank aan het Land ter tegemoet koming in de kosten van pensioen, verloven, wachtgelden, nonactiviteitstrakte menten, enz. van haar personeel is geregeld bij G. B. 6 Juni 1934 n°. 18 (I. S. n°. 356). De instructie voor de centrale commissie en de plaatselijke commissies van toe zicht en bijstand van en den gouvernementscommissaris bij de Algemeene Volks credietbank is opgenomen in I. S. 1934 n°. 490. Leiding en controle van de Inlandsche-gemeente-credietinstellingen is van de Centrale Kas eveneens overgegaan op de Algemeene Volkscredietbank, die de be heerders harer plaatselijke kantoren tevens met de functie van controleur dezer instellingen heeft belast. Java en Madoera. Algemeene Volkscredietbank. MUNT-, CREDIET- EN BANKWEZEN. COÖPERATIE 161 Uit deze staatjes blijkt, dat in de uitleening zoowel bij de desabanken als bij de Algemeene Volkscredietbank stabilisatie is ingetreden. Het totaal uitgeleend bedrag daalde nog slechts weinig, vergeleken bij 1933. Wat de desabanken betreft, valt die daling in de eerste vier maanden van 1934. Sindsdien is het bedrijf gesta biliseerd; het aantal leeningen is zelfs nog iets grooter dan in 1933 en 1932 en blijft slechts 10 % beneden dat van 1928; de aanpassing is hier nagenoeg geheel gevonden in een verlaging van de gemiddelde leensom van f 14, — op f 5,70, dus tot 40 % van 1928, hetgeen overeenkomt met de index-cijfers 1934 (1928 = 100) van padi boeloe, textielgoederen en kosten van voeding der inheemsche bevolking ad res pectievelijk 36, 44 en 41. Ook de achterstand der desabanken is nog slechts in de eerste vier maanden van het verslagjaar tot 9,76 % gestegen en daalde daarna geleidelijk tot 8,47 %. Van dezen achterstand heeft nog een aanzienlijk bedrag betrekking op leeningen van 1932 en vroeger, na aftrek van welken crisis-achterstand (waarvan het bedrag nog niet berekend is) waarschijnlijk blijken zal, dat de achter stand op het nieuwe bedrijf wederom op betrekkelijk laag peil is aangeland. De uitleening van de Volkscredietbank heeft zich in 1934 van kwartaal op kwartaal in stijgende lijn bewogen en kwam in het 4de kwartaal eindelijk ruim twee ton boven het bedrag van het overeenkomstige kwartaal van 1933 uit. Deze ver betering is echter grootendeels te danken aan uitbreiding op het gebied van middenstandscrediet en van voorschotten aan ambtenaren en gepensionneerden voor aankoop of aanbouw van woning en erf, delging van woekerschulden, enz. Met het volksbankcrediet voor den desaman is het nog steeds treurig gesteld. Aan uit den oogst terug te betalen leeningen werd in 1934 nog slechts f 1 796 000 verstrekt, aan leeningen met maandaflossing aan desalieden f 3 735 000, of samen f 5 531 000. Daar de statistiek in vorige jaren deze onderscheidingen niet maakte, is een nauw keurige vergelijking niet mogelijk. Men kan echter veilig aannemen, dat ten minste het bedrag, dat de oude jaarverslagen opgeven als uitgegeven aan leeningen voor land- en tuinbouw, veeteelt en veehouderij, aan den desaman ten goede kwam, welk bedrag in 1928 f 24 008 600 bedroeg. Daarbij vergeleken is dus de uitleening in de desa tot ongeveer 23 % ingekrompen. Het volgend staatje over het leenbedrijf van de Algemeene Volkscredietbank in 1934 doet zien, dat, terwijl in alle andere voorschotgroepen de uitleening in 1934 de terugbetaling overtrof, bij de desa-leeningen (groepen Ia en I*») f 4 622 190 meer werd afgelost dan uitgeleend, zulks omdat de oude achterstand, d.w.z. die op leeningen van 1932 en vroeger (het z.g. crisisbedrijf), overwegend bij deze zelfde Desabanken 11 DE ECONOMISCHE TOESTAND. 162 groepen voorkomt. Toch steekt dit surplus van aflossing boven uitleening van ruim f 414 m.m nog gunstig af bij dat van 1933 ad f 6 m.m en 1932 ad f 10% m.m. Weinig gunstig is dat, ondanks de sterke inkrimping van de leeningen aan desa lieden, waardoor het daarop uitstaand bedrag van het nieuwe bedrijf (leeningen van 1933 en 1934) nog niet de helft van het totaal uitmaakt, de achterstand op deze nieuwe leeningen 29 % op die met oogst- en 19 % op die met maandaflossing bedraagt, hetgeen wel een duidelijke aanwijzing vormt, dat deze branche, speciaal de seizoen leeningen, voorloopig eerder nog verder ingekrompen dan uitgebreid dient te worden. Toch bedroeg de gemiddelde leensom van desa-seizoen- en maandleeningen in 1934 nog slechts f 17,56 resp. f 27,29, terwijl in 1928 de gemiddelde leensom van lee ningen voor land- en tuinbouw f 58,80 groot was. De desaleeningen zijn dus wel aan de sterk gedaalde geldinkomsten van den desaman aangepast. De, ondanks belangrijke kortingen, nog steeds hoogelandrente vormt een bezwaar voor stipte aflossing van de bankschuld. Hoofdzaak is echter, dat de bij vele plaatselijke kantoren nog steeds hooge oude achterstand de aflossingsdiscipline ernstig schaadt. Het is daarom van het grootste belang voor de hernieuwde financeering van den desaman, dat de drukkende last van den ouden achterstand wordt weggenomen. Met het oog daarop heeft de directie van de Algemeene Volkscredietbank kort na haar optreden bepaald, dat iedere desaman die zijn restant-crisisschuld vóór einde 1934 (soms ook nog voor een later tijdstip) geheel afbetaalde, een deel van dat restant (in den regel 30 %) kwijtgescholden zou krijgen; bovendien werden deze crisisschulden grootendeels rentevrij gemaakt en werd in sommige omstandigheden zelfs een deel van de reeds betaalde rente op de hoofdsom afgeboekt. Alleen bij enkele kantoren, waar zulks overbodig scheen, zijn deze maatregelen niet toegepast. In totaal werd aldus op Java en Madoera in de perioden Mei—December 1934 voor een bedrag van f 1 143 433 z.g. crisiskorting verleend, waarvan f 974 466 op oogst en f 158 857 op termijnvoorschotten aan desalieden en slechts f 10 110 op alle andere groepen tezamen. Mede aan deze kortingen en de daarvan uitgaande stimulans tot afbetalen is het te danken, dat de oude achterstand in 1934 met f 4 539 000 (d.i. 38 % van dien op einde 1933) daalde. Begin 1935 besloot de directie met instem ming van de Centrale Commissie van Toezicht en Bijstand om de kwijtscheldings politiek als premie op afbetaling in 1935 voort te zetten. Daarnaast zullen belangrijke bedragen als oninbaar moeten worden afgeschreven. Op het in rekening-courant verstrekt crediet is dit jaar voor het eerst achter- Volkscredietbank 1934. MUNT-, CREDIET- EN BANKWEZEN. COÖPERATIE. 163 stand berekend, namelijk voor het geval het crediet is opgezegd, het toegestaan maximum periodiek vermindert of periodieke aanzuivering bedongen is. Deze achterstand is hoog, omdat bij deze credieten geen onderscheid is gemaakt tusschen oud en nieuw bedrijf en een aantal oude credieten opgezegd maar nog niet afgewikkeld is. Het rekening-courant-crediet is overwegend middenstandscrediet. Het loemboeng-bedrijf, dat padi uitleent en terugontvangt, vertoont sinds jaren, onberoerd door de crisis in de geldhuishouding, groote stabiliteit. Zelfs is in 1934 het aantal instellingen, dat tot nu toe, zij het in de laatste jaren in een langzaam tempo, geregeld terugliep, met een zestal tot 5551 vermeerderd. Aan 1 114 500 (vorig jaar 1 115 100) leeners werd 1 068 700 (vorig jaar 1 061 000) quintalen padi verstrekt. De achterstand steeg echter, als gevolg van oogstmislukkingen in ver schillende streken, van 29 350 tot 74 566 quintalen, een peil dat sinds 1922 niet meer was bereikt. Hierin weerspiegelt zich de grootere kwetsbaarheid van deze instellingen: in betere tijden kon bij minder goeden oogst gemakkelijker dan thans in geld of door aankoop van padi of uit oogstloon worden afgelost. De bedrijfskosten in geld, die —■ exclusief afschrijvingen op gebouwen en inventaris — in 1931 f 472 800 en 45 cent per quintaal bedroegen en in 1933 tot f 427 700 en 40 cent per quintaal waren gedaald, werden in 1934 verder tot f 348 400 en 32 cent per quintaal gere duceerd. Het ter bestrijding van die kosten verkochte deel van de als rente ontvangen padi bracht f 1,96 per quintaal op, tegen f 2,18 in 1933, f 2,92 in 1932, f 3,94 in 1931 en f 6,79 in 1930. Aan rente werd 283 000 quintalen ontvangen, tegen 290 000 in 1933. Als geheel beschouwd konden de loemboengs, die in 1933 nog een klein verhes leden, zich in 1934 bedruipen; het zuiver vermogen is zelfs met f 107 000 plus 3700 quintalen tot f 9 415 500 en 311 600 quintalen padi gestegen. In bovenstaand staatje zijn niet alleen de cijfers van de Algemeene Volkscrediet bank verwerkt, maar bovendien die der vooralsnog afzonderlijk gebleven bankjes in de residentie Manado. De uitleening is in 1934 nog slechts weinig gedaald, hetgeen uitsluitend het gevolg is van kleinere leensommen; het aantal voorschotten was grooter dan in 1933. De crisis-achterstand daalde met meer dan de anderhalve ton, die in het staatje als achterstandsvermindering valt te lezen; in den totalen achter stand is namelijk voor het eerst achterstand op credieten in rekening-courant op genomen tot een bedrag van f 264 000, terwijl de achterstand op nieuwe leeningen (1933 en later) met ± f 91 000 toenam, zoodat de crisis-achterstand op voorschotten in werkelijkheid met ± f 500 000 is gedaald, hetgeen voor slechts f 27 000 aan crisis kortingen is te danken. Buitengewesten. Volkscredietbanken. DE ECONOMISCHE TOESTAND 164 Bovenstaande specificatie doet zien, dat, anders dan op Java, niet alleen bij de desa-leeningen maar ook in de andere groepen in 1934 nog steeds meer is terugbetaald dan uitgeleend. Intusschen is daaraan voor de groepen II en 111 (ambtenaren, ge pensionneerden en middenstanders) in het 4de kwartaal 1934 een eind gekomen. Trouwens de B*4 ton surplus van aflossing boven uitleening in 1934 is alweer belang rijk minder dan de 12 1 /, ton van 1933 en de f 2,8 m.m. van 1932. De achterstand op nieuwe voorschotten is laag. Men kan dus zeggen dat ook in de Buitengewesten stabiliseering intreedt. Belangrijke afschrijvingen op den crisis-achterstand zullen daar echter nog noodig zijn. De uitleening van het kantoor te Djambi werd vrijwel, die te Lombok geheel stopgezet. Desabanken komen in de Buitengewesten in belangrijke mate alleen voor ter Sumatra's Westkust, waar in 1934 het aantal leeningen toenam, en de gemiddelde leensom en het totaal uitgeleend bedrag daalden, hoewel toch iets meer werd uitge leend dan afgelost, zoodat de bankjes bij een uitleening van 9 ton f 282 000 op einde 1934 hadden uitstaan met 10,24 % (vorig jaar 11,3 %) achterstand. Ook in Ben koelen nam het uitstaand bedrag der weinige desabanken toe, terwijl de achterstand tot 1,16 % daalde. Daarentegen daalde de uitleening op Bali wederom en bleef de achterstand ondanks eenige vermindering, nog steeds zeer hoog (43,4 %, tegen 45,2 %). Uit Manado waren bij het afsluiten van dit Verslag nog niet alle gegevens ontvangen; de toestand der coöperatieve bankjes daar blijft slecht. In het algemeen kan worden geconcludeerd, dat de enorme teruggang van het rentegevend uitstaand bedrag der volkscredietbanken van f 57 m.m. in 1928 (zelfs f 63 m.m. in 1929) tot f 16 a f 17 m.m. in 1934 het evenwicht tusschen in komsten en uitgaven verstoorde. Tot herstel daarvan stonden hoofdzakelijk drie wegen open, die alle door de directie der Algemeene Volkscredietbank begaan zijn: drastische bezuiniging, vermeerdering van rentegevende uitzettingen, voor zoover zakelijk en sociaal verantwoord, verhooging van de aan de leeners in rekening te brengen kosten. De rentevoet voor leeningen bij de Bank werd November 1934 op 12—7 % bepaald, afloopend naar gelang de leening grooter en de zekerheid beter is. Daarnaast werd een afsluitprovisie ingevoerd van 1 % van de totale leensom voor bedragen boven f 1000, welke daar beneden geleidelijk stijgt tot 3 % en een minimum van f 0,50 per leening. Voor de grootere leeningen beteekent dit een aan passing aan de lagere tarieven van hypotheek- en grootbanken, voor de kleinere een verzwaring vergeleken bij de laatste jaren. Desondanks blijft hetgeen de desa man aldus aan rente en provisie betaalt, aanzienlijk beneden den rentevoet in de Volkscredietbanken Buitengewesten 1934 (uitgezonderd Gorontalo). MUNT-, CREDIET- EN BANKWEZEN. COÖPERATIE. 165 desa. Trouwens ook de z.g. „rente" van de Bank is geen eigenlijk gezegde kapitaal rente maar vergoeding voor gemaakte kosten. Immers de door de Bank op her beleggingen gekweekte interest is ongeveer gelijk aan die, welke zij voor opge nomen gelden moet betalen, zoodat, indien het bedrijf een winst maakt, de op leeningen ontvangen rente juist genoeg is, om de kosten te dekken. Zoodra het bedrijf weder voldoende rendabel is geworden, valt te verwachten dat de voor kleine voorschotten gevraagde provisie zoover mogelijk zal worden verlaagd. Vermeerdering van uitzettingen kan slechts met groote voorzichtigheid geschie den; speciaal uitbreiding van leeningen in de desa thans zou Bank en leener beide meer kwaad dan goed doen. De onkosten waren eind 1934 tot een peil gereduceerd dat nog slechts weinig boven de helft van het gemiddelde van 1933 ligt. 4. Coöperatie. In zeker opzicht is 1934 te beschouwen als de afsluiting van het eerste vijfjarig tijdvak van de door de Overheid gevolgde coöperatie-politiek, welke haar grond slag vindt in de z.g. „Regeling Inlandsche coöperatieve vereenigingen". Hoewel deze regeling reeds in 1927 met haar afkondiging in I. S. n°. 91 wet is geworden, kon daaraan eerst in 1930 een begin van uitvoering worden gegeven, toen, dank zij een getroffen onderhandsche regeling met de toenmalige Centrale Kas, de adviseur voor Volkscredietwezen en Coöperatie de beschikking kreeg over een ambtenaar van die instelling als assistent teneinde belast te worden met werk zaamheden in het belang van de coöperatie. In de Landsbegrooting zelf kwam de Overheidspolitiek van actieve bemoeienis met het coöperatiewezen onder de in heemsche bevolking eerst tot uiting in 1931, voor welk jaar voor de eerste maal een post is uitgetrokken voor: „Uitgaven in verband met de bevordering der coöpe ratie", zoomede voor de in dienstneming van een tweetal ambtenaren, dat op het kantoor van den adviseur te werk zou worden gesteld, om met dezen het centraal orgaan te vormen, dat het overheidstoezicht op de ingeschreven coöperaties in den zin van de betreffende ordonnantie (zie Verslag 1931, blz. 238) zou hebben te ver zorgen. Het vooruitloopen op deze begrooting door de hierboven vermelde, met de Centrale Kas getroffen regeling vond hoofdzakelijk zijn reden hierin, dat ongeveer tezelfder tijd in de inheemsche samenleving een dermate groote belangstelling voor coöperatie viel waar te nemen, dat het ook het juiste moment leek om het propaganda-werk te beginnen en het noodige contact met belanghebbenden te zoeken. Niet het minst bleek daaraan behoefte te bestaan in verband met toenmaals heerschende minder juiste opvattingen aangaande de bedoelingen der Regeering inzake bevordering van coöperatie als middel tot verhooging van de volkswelvaart. Eenerzijds accentueerde die belangstelling zich in een vooral op Java opmerkelijke drang naar oprichting van coöperaties buiten de bemoeienis van den adviseur, welke haar culminatiepunt bereikte in 1932 om daarna weer sterk te luwen, nadat men eenigszins bekomen was van het eerste enthousiasme, vooral ook toen bleek dat het gros der opgerichte vereenigingen weer even snel verdween als het was gekomen. Anderzijds werd het inluiden van de nieuwe politiek der Regeering, namelijk de ont wikkeling van meer activiteit op dit terrein niet allerwegen met onverdeelde sym pathie begroet en ondervond zij in den aanvang zelfs eerder tegen- dan medewerking van de zijde der belanghebbenden. Deels sproot zulks voort uit onbekendheid met de bij de toepassing van de coöperatie-ordonnantie te volgen gedragslijn, anderdeels was een en ander toe te schrijven aan een principieelen tegenzin bij de betrokkenen tegen inmenging van Overheidspersonen in hun zaken. Thans, nu de Overheidszorg op het terrein der coöperatie meer bekendheid heeft verworven, schijnt het besef te zijn doorgedrongen, dat voor eenige bezorgdheid DE ECONOMISCHE TOESTAND. 166 ten aanzien van de bedoelingen der Regeering geen plaats is niet alleen, doch dat de gegeven hulp en voorlichting voor de organisaties van groot nut zijn ge weest. Niet weinig heeft daartoe bijgedragen de door de vereeniging „Persatoean Bangsa Indonesia" te Soerabaja — de eerste inheemsche organisatie welke een actief aandeel heeft gehad in de ontwikkeling der coöperatie in samenwerking met den adviseur — aan den dag gelegde belangstelling voor dit soort sociaal werk en het feit, dat deze vereeniging op openbare bijeenkomsten niet zelden van haar vruchtbare samenwer king met den coöperatie-dienst heeft doen blijken. Zooals in het vorig Verslag reeds vermeld is, kon door dezen dienst het verloop van de coöperaties die niet ten kantore van den adviseur zijn ingeschreven, niet meer in voldoende mate op den voet worden gevolgd, tengevolge van het ophouden van de berichtgeving van Bestuurswege, hetgeen op zijn beurt een gevolg was van de noodzaak tot beperking der administratie. Voor zoover een en ander uit andere bronnen valt na te gaan, o.a. uit uitingen in de inheemsche pers, is als gevolg van de geringe levensvatbaarheid van die vereenigingen de animo daarvoor nagenoeg verdwenen. Een blijkbaar daarmede nauw samenhangend verschijnsel is, dat men in ver scheidene kringen zeer schuw is geworden voor het bezigen van het woord „coöpe ratie". Dit bleek onder andere het geval te zijn bij een groep batikkers in Jogjakarta, die voor hun organisatie voor gezamenlijken inkoop van grondstoffen, waarvoor hulp en voorlichting van den Nijverheidsdienst is ingeroepen, het gebruik van het woord „coöperatie" vermeden wenschte te zien. Voor den coöperatie-dienst heeft het vermelde deze beteekenis, dat meer dan te voren er naar zal moeten worden gestreefd om de aan ingeschreven coöperaties geboden waarborgen voor haar bestaan zoo hoog mogelijk op te voeren, teneinde het bestaand en nog groeiend vertrouwen in de samenwerking met de coöperatie-ambtenaren niet te doen te loor gaan. Niet alleen dat verzoeken om inschrijving van coöperaties zeer critisch dienen te worden behandeld, doch ook is noodig, dat vooraf de regeling van een behoorlijk toezicht zooveel mogelijk gewaarborgd zij. Dit laatste houdt mede verband met de als gevolg van versoberingen verminderde mogelijkheid voor de welvaartsdiensten om hun ambtenaren voor toezicht op coöperaties beschikbaar te stellen. Op Java wordt het Overheidstoezicht op de ingeschreven vereenigingen dan ook practisch alleen verzorgd door het kantoor van den adviseur. De verzorging van het toezicht door coöperatieve centrales won daardoor ook meer aan beteekenis. Ook voor dezen dienst geldt, dat de noodzaak tot beperking der Landsuitgaven een overigens gewenschte ontplooiïng in den weg staat. In 1934 zijn 39 nieuwe vereenigingen ingeschreven. Het aantal coöperaties welke tot op het eind van dat jaar geregistreerd waren, bedroeg 280. Daarvan zijn in de afgeloopen jaren een 23-tal ontbonden wegens onvoldoende levensvatbaarheid, zoodat op dat tijdstip nog 257 coöperaties in werking waren, inclusief de 8 centrales. Bij deze 8 centrales, waarvan 1 in 1934 is ingeschreven, zijn 144 primaire ver eenigingen aangesloten. De centrales zijn gevestigd te Batavia, Soekaboemi, Bandoeng, Tjiparai (bij Bandoeng), Tasikmalaja, Banjoemas, Soerabaja en Malang. Voor een overzicht van de verschillende soorten vereenigingen moge worden verwezen naar deel II van dit Verslag. Het belangrijkst in aantal zijn de crediet-coöperaties, welke in verband met haar betrekkelijk eenvoudige constructie tot dusver voor Indië de meeste levenskansen bieden. De met verbruikscoöperaties opgedane ervaring, welke organisatievorm in Westersche landen een hooge vlucht heeft kunnen nemen, is niet onverdeeld gunstig. Een factor, welke vooral een voorspoedige ontwikkeling van verbruiksver eenigingen in dit land zeer in den weg schijnt te staan, is het bij den kleinhandel in verbruiksartikelen zoo sterk doorgevoerde crediet-systeem. Tegen de verleiding MUNT-, CREDIET- EN BANKWEZEN. COÖPERATIE. 167 daarvan bleken de in coöperaties georganiseerden dikwijls niet bestand en het gevolg is geweest, dat de een na den ander der vereeniging ontrouw werd. Het in de coöperatieve beweging werkzame kapitaal, bestaande uit aandeelen en spaargelden der leden, zoomede het zuiver-vermogen der coöperaties, welk kapitaal als zuiver inheemsen bezit is aan te merken, steeg van f 386 489 tot f 453 953 of gemiddeld per coöperatie van f 1621 tot f 1766. Een en ander wijst wel op een toe nemende draagkracht van de vereenigingen. Daarentegen viel bij de coöperatieve credietbankjes een stijging van den achter stand waar te nemen. Op 31 December 1934 bedroeg deze f 59 756, zijnde 24 % op een uitstaand bedrag van f 240 645, tegen 21 % in het vorig jaar. De moeilijkheden met het instellen van rechtsvorderingen tegen onwillige debi teuren, de trage executie vooral van door de er bij betrokken rechtbanken gewezen vonnissen, waarover in het vorig Verslag reeds het een en ander is medegedeeld, hebben aan de stijging van den achterstand zeker niet weinig bijgedragen. Het gevaar van verdere demoralisatie onder de leden als gevolg van het op die wijze gedemonstreerd onvermogen van de coöperatie-besturen om voorbeelden te stellen, is dan ook verre van denkbeeldig. Deze omstandigheden, zoomede den slechten economischen toestand in aanmer king genomen, is een achterstandcijfer van 24 % voor de coöperaties niet ongunstig te noemen, vooral wanneer men daarnaast stelt den achterstand bij de Volkscrediet banken, welke einde 1934 nog 51 % bedroeg. De beperking van zegel-priveleges alleen tot crediet-coöperaties, welke ten hoog ste een desa of onderdeel daarvan als arbeidsveld hebben, wordt als een hinderlijk bezwaar gevoeld door de instellingen die voor haar werkingsgebied zich niet aan de gestelde grens kunnen houden, hetgeen o.a. het geval is met de vele credietvereeni gingen van Overheidsbeambten. Voor die instellingen zijn namelijk de schuldbeken tenissen voor aan de leden verstrekte leeningen, ongeacht het bedrag, onderworpen aan zegelrecht van f 1,50. Een van de twee adjunct-landbouwconsulenten, die sedert 1932 ter beschikking zijn gesteld van den Coöperatie-dienst, werd in den loop van 1934 te Indramajoe geplaatst, teneinde in samenwerking met het Binnenlandsch Bestuur een onderzoek in te stellen naar de veelvuldig voorkomende verpandingen van mangga-tuinen, voorts om na te gaan, in hoever de verkoop van de bekende Indramajoe-mangga langs coöperatieven weg zou kunnen worden georganiseerd. De andere adjunct-landbouwconsulent bleef werkzaam te Toeloengagoeng, het centrum van de Inlandsche suikercultuur, waar het onderzoek naar de mogelijkheden van den coöperatieven afzet van bevolkings-rietsuiker, de z.g. goela teboe, thans in een vergevorderd stadium verkeert. 5. De Pandhuisdienst. In de Buitengewesten werden met ingang van 3 April 1934 een tweetal nieuwe pandhuizen gevestigd, namelijk te Lahat en Pagaralam (res. Palembang) (Bb. n°. 13157), terwijl op Java en Madoera een 16-tal en in de Buitengewesten een 2-tal pandhuizen met ingang van 1 Januari 1934 voorloopig voor den tijd van 1 jaar werden gesloten. De in het vorig Verslag vermelde sluiting van het pandhuis Salatiga-Noord werd verlengd met één jaar. Dientengevolge waren einde 1934 op Java en Madoera 358 en in de Buitengewesten 84, of in totaal 442 leenbanken in exploitatie, tegen 374, 84 en 458 in 1933. Ten einde de bevolking in haar behoefte aan crediet tegemoet te komen en het ontstaan van clandestiene pandhuizen tegen te gaan, zoomede om zooveel mogelijk voor het pandhuisbedrijf opgeleid personeel aan het werk te kunnen houden, werd de in 1933 begonnen proef om in belangrijke bevolkingscentra op Java en Madoera DE ECONOMISCHE TOESTAND. 168 flilialen te vestigen, die enkele dagen per week van uit het naast bij gelegen pandhuis worden bediend, in 1934 voortgezet door de opening van een achttiental nieuwe filialen. Van de in 1933 geopende filialen moest in den loop van 1934 een drietal wegens onvoldoenden omzet worden gesloten. Ook in 1934 onderging de Pandhuisdienst den nadeeligen invloed van de con junctuur, namelijk in dier voege, dat aan leensommen f 8 538 902 minder werd verstrekt dan in 1933, hoewel het aantal ingebrachte panden met 773 903 stuks steeg. Deze stijging vond plaats, ofschoon de groep der B. tot E. panden — zie de hieronder volgende toelichting — een achteruitgang vertoonde van 44 344 stuks, waaruit volgt dat zij veroorzaakt werd door een sterke toename der A-panden, hetgeen tevens het voormelde financieele eindresultaat gedeeltelijk verklaart. De volgende staatjes geven een overzicht van de beleeningen in de jaren 1930 t/m 1934. In totaal werden derhalve in 1934 27 873 518 panden beleend, tegen 27 099 615 panden in 1933. Als gevolg van den teruggang van de marktprijzen van de in de pandhuizen beleenbare artikelen, was de Pandhuisdienst verplicht zijn taxaties evenredig te verlagen. Hiermede ging uiteraard een vermindering van de leensommen gepaard, zoodat het geldelijk debiet ook om deze reden achteruit liep. In totaal werd in 1934 aan leensommen een bedrag van f 69 578 876 verstrekt, tegen f 78 117 778 in 1933. Naar gelang van de daarop in leen verstrekte bedragen, worden de panden administratief verdeeld in rubrieken: A (beleeningen t/m f 25), B (beleeningen van f 26 t/m f 50), C (beleeningen van f5l t/m f 75), D (beleeningen van f 76 t/m f 100) en E (beleeningen van f 101 en hooger). MUNT-, CREDIET- EN BANKWEZEN. COÖPERATIE. 169 Economisch kunnen de genoemde rubriekpanden worden onderscheiden in panden van den tani (A), van de beter-gesitueerden (B, C en D) en van groothandelaren, opkoopers van producten en dergelijke personen (E). In totaal werden dus in 1934 24 441 358 panden uitgelost en aan leensommen daarop terugontvangen f 65 406 471, tegen in 1933 26 186 255 panden en f 78000 640 aan leensommen. Door betaling van de verschuldigde kosten (renten), al dan niet met gedeelte lijke aflossing van de verschuldigde leensom, binnen den verstaantermijn, kan de beleening worden geprolongeerd. In dit geval wordt gesproken van een herbeleening, welke administratief behandeld wordt als een lossing gepaard aan een nieuwe be leening. Om deze reden zijn in de vorengenoemde beleeningen en uitlossingen de herbeleeningen begrepen, welke laatste in 1934 en 1933 in totaal bestonden uit 3 271 752 respectievelijk 3 891 985 panden, waarop aan leensommen verschuldigd was een bedrag van f 16 408 255 respectievelijk f 20 605 218 of gesplitst in rubrieken: Na aftrek van de herbeleeningen bedroeg het totaal aantal „nieuw-ingebrachte" panden in 1934 24 601 766, tegen in 1933 23 207 630 stuks, waarop aan leensommen „nieuw-verstrekt" werd een bedrag van f 53 170 621 respectievelijk f 57 512 559 of gesplitst in rubrieken: Met betrekking tot de uitgeloste panden bedroeg het totaal aantal „werkelijk uitgeloste" panden in 1934 21 169 600, tegen in 1933 22 294 270 stuks, waarop aan 1)10 LANDSFINANCIEN. 17 Uit dit overzicht blijkt, dat de totale opbrengst der gewone Landsmiddelen in 1 934 slechts f 266 millioen heeft bedragen, d. i. f 29 millioen minder dan was geraamd. Deze tegenvaller werd voor een bedrag van f 25 millioen opgevangen door de bereikte uitga ven-verlaging, welke het peil der uitgaven nog iets beneden de vorenvermelde f 350 millioen-basis terugbracht, zoodat het saldo van den gewonen dienst slechts oen nadeelig verschil ton opzichte van de begrootingsraming vertoont van f' 4 millioen. Hiertegenover wijst het saldo van den buitengewonen dienst een gunstig verschil tusschen raming en uitkomst aan van f 19,5 millioen, zoodat het saldo van den geheelen dienst f 15,5 millioen gunstiger is dan was geraamd. In ronde cijfers vertoont de gewone dienst een tekort van f 83 millioen, do buitengewone dienst een overschot van f 28 millioen en de geheele dienst derhalve een tekort van f 55 millioen. In welke mate de Landsinkomsten in de laatste jaren zijn gedaald, blijkt uit hel volgende aan de financieele nota betreffende de begrooting 1936 ontleend overzicht. Deze cijfers geven echter van de daling der Landsinkomsten een te ongunstig beeld, doordat, als gevolg van de geleidelijke toepassing van de Indische Bedrij ven wet, sedert 1930, te beginnen met dit jaar, de uitgaven voor rente en aflossing van lecningsschulden en voor de pensioenen gedeeltelijk ten laste van de Landsbedrijven zijn gebracht. Om vergelijkbare cijfers te verkrijgen dienen de volgende redressen te worden aangebracht. Bij de beoordeeling van de cijfers voor de belastingopbrengst dient in aanmerking te worden genomen, dat in 1934 de volgende sommen zijn verkregen uit nieuwe of verhoogde heffingen (minder belangrijke buiten beschouwing gelaten): crisisheffing op het inkomen ± f 5,5 millioen opcentenheffing op de vennootschapsbelasting + f 1,8 „ tariefswijziging invoerrecht i f 8,7 „ couponbelasting ± f 0,7 „ snikeraccijns f 6,5 „ f 23,2 milüoen bijzonder uitvoerrecht op bevolkingsrubber f 11,5 „ Totaal f 34,7 millioen 2 (Ontvangsten in millioenen guldens.) DE ECONOMISCHE TOESTAND. 170 leensommen „werkelijk-terugontvangen" werd een bedrag van f 48 998 216 respec tievelijk f 57 395 422 of gesplitst in rubrieken: Van de in 1933 beleende A-panden, waarvan de algeheele afwikkeling eerst in 1934 plaats had, bedroeg het aantal uitgeloste panden 24 495 539 stuks of 91,22% van den totalen inbreng, tegen 30 633 414 stuks of 88,44% van de in 1932 beleende en in 1933 afgewikkelde panden. Ten opzichte van de beleeningen, waarvan in 1934 en in 1933 de verstaanter mijnen verstreken, werden op de pandveilingen 2 128 010 respectievelijk 3 265 875 panden publiek verkocht of 8,18% respectievelijk 10,55% van de in bedoelde tijd vakken beleende panden of gesplitst in rubrieken; Op einde 1934 bedroeg het totaal aan uitstaande leensommen f 28 532 136 of 28,37% van het totaal bedrag aan uitstaande leensommen op het einde van het vorig jaar en de in 1934 verstrekte leensommen. Gesplitst in rubrieken, stonden 31 December aan leensommen uit: MUNT-, CREDIET- EN BANKWEZEN. COÖPERATIE. 171 Van de hiervóór genoemde op de pandveilingen publiek verkochte panden moesten in 1934 wegens onvoldoende bod voor rekening van het Land 603 659 panden tot een bedrag van f 3 116 372 aan koopsom en kosten worden aangekocht, tegen 992 973 panden en f 5 501 200 in 1933 of in rubrieken gesplitst: Teneinde, behalve door een normalen verkoop in de pandhuizen zelve, te trachten de groote voorraden gouvernementspanden, voorzoover bestaande uit gouden munten, zoomode van goud vervaardigde voorwerpen, zooveel mogelijk te doen verminderen, werd de omsmelting van deze panden voortgezet. Op deze wijze kon voor een bedrag van f 988 404 op de buitenlandsche markt worden verkocht. In totaal werden in 1934 ondershands verkocht en omgesmolten 705 876 panden met een waarde van f 3 411721, tegen 1247706 panden met een waarde van f 5 927 224 in 1933. Het door prijsdalingen op deze panden geleden verlies bedroeg f 275 424, tegen f 424 428 in 1933. Einde 1934 bedroegen de restanten 196 107 panden met een balanswaarde van f 4 633 262, tegen 298 324 panden met een balanswaarde van f 4 928 659 in 1933. De exploitatie-kosten van het bedrijf bedroegen f 8 522 924 of f 0,305 per pand, tegen f 10 809 858 of f 0,399 per pand in 1933. De winst beliep f 2 070 717 (voor loopige uitkomst), tegen f 1 424 525 in 1933. Voor verdere gegevens, meer in het bijzonder betreffende Java en Madoera eenerzijds en de Buitengewesten anderzijds, wordt verwezen naar deel II van dit Verslag en naar het jaarverslag van den Pandhuisdienst. De verminderingen ten opzichte van het voorafgegane jaar bedroegen: 6. De Postspaarbank. De stijging van het aantal in omloop zijnde spaarbankboekjes en van het inleg gers-tegoed zette zich ook in 1934 voort. Het tegoed van de Inlandsche bevolkings groep, hetwelk in 1932 ruim 1% achteruitging, doch in 1933 met 5,6% toenam, vertoonde ook in 1934 een stijging en wel van 5,2%. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 172 De aankoop van obligaties Indische leeningen voor rekening van inleggers vertoonde een vooruitgang en beliep in 1934 nominaal f 152 800 en $ 500, tegen f 126 100 en $ 2500 nominaal in 1933, terwijl het bedrag aan obligaties voor rekening der inleggers bij de Postspaarbank in bewaring einde 1934 bedroeg nominaal f 503 400, tegen f 530 200 en $ 20 000 in 1933. Verder werden gedurende 1934 voor rekening van inleggers geconverteerd nominaal f 369 400 en $ 18 500 obligaties Indische leeningen. Het aantal gelegenheden om gelden in te leggen en terug te verkrijgen bedroeg 31 December 1934 585, namelijk 136 postkantoren en bij-postkantoren en 449 hulppostkantoren en voorts de vier eigen kantoren der Postspaarbank, welke eveneens over een inleggerskas beschikken. De uitoefening van den postspaarbankdienst bij de Gou vernemen t'spandhuizen in de vroegere residenties Rembang, Soerabaja en Madoera — tezamen 72 kantoren — werd einde 1934 gestaakt. Het bedrij f soverschot vertoonde een kleine stijging en bedroeg in 1934 ± f 228 000 (en tot en met dat jaar ± f 5 300 000), welk bedrag in het reservefonds is gestort. Bij Ord. van 30 Nov. 1934 (.Postspaarbankordonnantie"; I. S. n°. 653) werden de bepalingen betreffende de Postspaarbank herzien en opnieuw vastgesteld, terwijl bij G. B. 28 Dec. 1934 n°. 8 (I. S. n°. 747) een nieuw „Postspaarbankreglement" tot stand kwam en bij G. B. 7 Dec. 1934 n°. 16 (Bb. n°. 13359) een nieuwe regeling nopens het sparen door Landsdienaren bij de Postspaarbank door middel van inhouding op het salaris. Het volgend overzicht geeft een beeld van den gestadigen ontwikkelingsgang van de Postspaarbank. MUNT-, CREDIET- EN BANKWEZEN. COÖPERATIE. 173 7. Andere spaarinstellingen. Van de in Nederlandsch-Indië werkende particuliere spaarinstellingen, waarom trent een aantal gegevens is opgenomen op blz. 249/250 van het Indisch Verslag 1931 en op blz. 179 van dat van 1932, zijn voorzoover betreft het jaar 1934 geen bijzonderheden te vermelden. Enkele der voornaamste cijfers van de particuliere spaarinstituten, geput uit de verslagen over 1933, volgen hierna. MUNT-, CREDIET- EN BANKWEZEN, COÖPERATIE DE ECONOMISCHE TOESTAND 175 174 DE ECONOMISCHE TOESTAND. 176 K. VERKEER. 1. Overzicht van het verkeer. De economische crisis was ook in 1934 van nadeeligen invloed op de financieele resultaten van de vervoersondernemingen. Tegenover de daling van de ontvangsten, wist men echter ook de uitgaven verder te drukken. Alle ondernemingen trachtten door voortgezette tariefsverlagingen, opvoering van de verkeersfrequentie, betere service, enz. het vervoer te stimuleeren, in vele gevallen met bevredigend resultaat, zij hot dan ook ten koste van groote financieele offers. De spoor- en tramwegen hadden voorts nog steeds te lijden van de scherpe con currentie van het motor-wegverkeer. De totale ontvangsten der Staatsspoorwegen liepen terug met 11 % van i 34 millioen tot ± 30 millioen gulden. De totale uitgaven konden met 10,7 % worden verminderd —■ voornamelijk door bezuiniging op de personeelsuitgaven —, namelijk van ± 32 millioen tot ± 28,5 millioen gulden. Het totale reizigersvervoer daalde met 3,4 %; het totale goederenvervoer met 4,2 %. De exploitatie der particuliere spoor- en tramwegen vertoonde een overeen komstig beeld. Ofschoon de bedrijfsuitkomsten van de scheepvaartondernemingen in sterke mate den ongunstigen invloed van de veelal zeer verlaagde vracht- en passagetarieven ondervonden, viel in den omvang van het scheepvaartverkeer en van het reizigers vervoer — met uitzondering van het particuliere passagiersvervoer op de inter insulaire lijnen van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, dat met 8 % afnam — een kleine vooruitgang te bespeuren. Zoo steeg het reizigersvervoer naar Europa zoodanig, dat het weer bijna het peil van 1930 bereikte. Hoewel het vervoer in de richting Europa—lndië daarbij nog sterk ten achter bleef, vertoonde ook dit een niet onbevredigende toename. Doordat echter bij het passagiersvervoer een verschuiving naar de lagere klassen plaats vond, bedroeg de passage-opbrengst niet veel meer dan in 1933. De achteruitgang in het ladingvervoer van Europa naar Indië is in 1934 vrijwel tot stilstand gekomen. Het vervoer in omgekeerde richting nam iets toe, zoodat de dispariteit tusschen de tonnage, benoodigd voor import en export, zich ver grootte. Wederom moesten dan ook vele schepen in ballast rond Kaap de Goede Hoop of door het Suezkanaal worden uitgezonden, teneinde voor het aanbod van lading in Indië voldoende scheepsruimte beschikbaar te hebben. Bij het haven- en baggerbedrijf bleef ook in 1934 de uitvoering van nieuwe werken tot de meest urgente beperkt. Met ingang van 1 Januari 1934 werd de Indische bedrijvenwet van toepassing verklaard op de havenbedrijven Tandjoengpriok en Soerabaja. De invoer in tonnen verminderde in de zes groote havens met ± H %; de uitvoer nam met ± 3 % toe. Het geheele goederenverkeer verminderde met ± 2 %. Het scheepsbezoek was vrijwel gelijk aan dat van 1933; de totale bruto-inhoud der schepen was een weinig grooter. De achteruitgang in de goederenbeweging veroorzaakte een verlaging van de ha veninkomsten met ± 4 %. Door verdere besparing konden de uitgaven evenwel met zt 9 % worden verminderd. Het motor-wegverkeer bleef in 1934 stationnair. Aan de hand van in de praktijk gebleken desiderata werden in de Wegverkeers ordonnantie eenige wijzigingen aangebracht. Voorts werd einde 1934 de motorvoertuigenbelasting voor uitsluitend benzine VERKEER. 177 als brandstof gebruikende motorvoertuigen afgeschaft en vervangen door een verhooging van den benzine-accijns met 3 cent per liter. De lengte van het bij de provincies West-, Midden- en Oost-Java, alsmede bij do Zelfbesturen in de Vorstenlanden, in beheer zijnde wegennet bedroeg in 1934 resp. 2986, 1979, 3218 en 1783 km. In verband met de beperkte credieten werden geen groote nieuwe werken onder nomen. In de Buitengewesten werd voortgegaan met het verbeteren van den asweg over Sumatra en de verbindingswegen van de havenplaatsen Palembang, Benkoelon, Djambi, Emmahaven en Pakanbaroe met dien weg. In tegenstelling met de overige verkeersondernemingen, vertoonde het luchtverkeer een grooten vooruitgang. Het passagiersvervoer per K.N.I.L.M. nam toe met 18,1 %, het postvervoer met 5,8 % en het goederenvervoer met 13,4 %. Bij de K.L.M, nam het briefvervoer met 4 % toe, het pakketpost vervoer met 218 %, het vrachtvervoer met 26,2 % en het passagiersvervoer met 12 %. In December 1934 werd de Singapore—Australië-lijn van de Qantas Empire Airways Ltd. geopend, gedurende de eerste maanden echter uitsluitend voor post en vrachtvervoer. De sportvliegerij mocht zich in een toenemende belangstelling verhengen. Het aantal nieuw uitgereikte sportbrevetten bedroeg in 1934 16, terwijl 4 luchtwaardig heidscortificaten voor sportvliegtuigen werden afgegeven. Twee nieuwe toestellen werden in Indië ontworpen en gebouwd. Het particulier initiatief ging voort met het ter hand nemen van den aanleg van vliegterreinen. Medio 1934 kwam de nieuwe uitgave tot stand van den „Luchtvaartatlas voor Nederlandsch-Indië". Bij het post-, telegraaf- en telefoonbedrijf waren de uitkomsten niet onbe vredigend te noemen. In 1934 sloot de dienst voor het eerst sedert 1929 met een voordeelig saldo, hetgeen geheel te danken was aan het overschot van het postbedrijf. Telegraaf- en telefoondiensten vertoonden nog steeds een tekort. Het gunstige bedrijfsresultaat was het gevolg van een belangrijk grootere ver mindering van lasten dan van baten, waarbij de daling van de personeelskosten van grooten invloed was. Hoewel in mindere mate dan in vorige jaren, liep het verkeer in het algemeen nog terug en wel, voor zooveel de brievenpost betrof, met 0,6 %, terwijl het aantal postwissels met 2,1 % (het bedrag daarvan met 6,3 %) en het aantal postpakketten met 16,8 % afnam. Het luchtpostvervoer per K.N.I.L.M. vertoonde een bevredigende toename (van 19 786 tot 22 534 kg). Ook het post vervoer per K.L.M, nam toe (van gemiddeld 260 kg per week in 1933 tot 295 kg per week in 1934). Het percentage van de via radio verzonden telegrammen gaf wederom een stijging te zien (van 55 tot 56,4 %); het totaal aantal verzonden telegrammen ver toonde echter ook in 1934 een verdere vermindering. Hoewel de omvang van het telefoonverkeer, vergeleken bij 1933, slechts weinig daalde, nam de opbrengst der abonnementen, mode als gevolg van een tariefs verlaging, met 13,6 % af. De opbrengst van het internationaal telefoonverkeer steeg echter met ruim 10 %. Proeven werden genomen met het doen verrichten op de postkantoren van enkele werkzaamheden van andere diensten, zooals inning van belastinggelden, uitbetaling van pensioenen, enz. 12 DE ECONOMISCHE TOESTAND. 178 2. Landwegen en bruggen. Java en Madoera. De zorg voor de landwegen berust bij de provincies en de zelfbesturen der Vorstenlanden. Einde 1934 bedroeg de lengte van het bij de provincie West-Java in beheer zijnd wegennet 2986 km, waarvan 2053 km of 69 % was geasphalteerd. Voor onderhoud en asphalteering werd in 1934 f 1 336 957 uitgegeven of f 448 per km, terwijl ten behoeve van de in die wegen gelegen kunstwerken f 67 948 aan onderhoud en herstelling werd verwerkt. Aan „verbetering en vernieuwing" van wegen, alsmede „bouw en vernieuwing" van bruggen en duikers, werd f 230 744 uitgegeven. Met den aanleg van den zuidelijken verbindingsweg Malimping oostwaarts naar de grens van het regentschap Soekaboemi werd voortgegaan. In 1934 kwam de eerste sectie Malimping —Tjilangkahan geheel en de tweede sectie (Tjilangkahan—■ Tjipager) grootendeels gereed. In totaal werd in dat jaar f 56 015 aan dezen weg aanlog besteed. De lengte van het wegennet in onderhoud bij de provincie Midden-Java ver minderde tengevolge van overdracht van wegen aan verschillende regentschappen met 75 km en kwam daardoor op 1979 km, waarvan 844 km of 43 % geasphalteerd. Aan gewoon onderhoud werd besteed f 889 500 voor wegen en f 63 200 voor bruggen en duikers. De toestand der wegen bleef over hot algemeen bevredigend, zij het dat het herstellen van bandjirschade (Janvari —Februari) zware offers vergde. Voor wegaanleg en verbetering werd een bedrag geautoriseerd van f 332 000, ten behoeve van de bruggen een bedrag van f 55 305. De belangrijkste verbeteringen hadden plaats aan den Noordelijken postweg nabij Djoewana, Demak, Pekalongan, Tegal, Brebes en Losari, aan den weg Semarang —Goeboeg—Blora bij Goeboeg en Lekok en aan den weg Sockaradja—Poerbolinggo. Een aantal bruggen werd verbreed en verzwaard. De lengte van de bij de provincie Oost-Java in beheer zijnde wegen bedraagt 3218 km. Hiervan was einde 1934 1638 km of 51 % geasphalteerd; 30 km weg werd nieuw geasphalteerd. Voor zoover niet uit de onderhoudsfondsen bekostigd, werd aan die asphalteeringen in 1934 ± f 36 000 uitgegeven. Voor het wegen onderhoud werd in 1934 f 1 230 000 uitgegeven of f 377 per km; voor het onderhoud van kunstwerken f 55 000, terwijl aan herstelling en vernieuwing van kunstwerken f 112 000 werd besteed. Aan verschillende werken van grooten omvang werd f 75 000 uitgegeven, waarin begrepen is f 37 000 voor den aanleg van den Zuid- Semeroe-weg. De overbrugging over de Besoek Keboan kwam gereed, waarna deze weg 2 November 1934 voor het verkeer kon worden opengesteld. Bij de Zelfbesturen der Vorstenlanden was einde 1934 in beheer een weglengte van 1783 km, waarvan 400 km is geasphalteerd. Aan de uitvoering van asphalt constructies, gepaard met verbetering van de verhardingsbasis, werd in 1934 besteed f 47 342 voor 33,150 km weg, alzoo f 1428 per km. Voor het onderhoud van boven bedoeld wegennet van 1783 km werd uitgegeven f 449 282 of f 252 per km, terwijl aan herstellingen en verbeteringen nog werd besteed f 225 en aan nieuwe verharding zonder asphalteering f 3000 voor 1,30 km weg. Het onderhoud van kunstwerken vorderde een uitgave van f 34 181. Aan herstelling en verbetering dier werken werd f 8199 besteed. Buitengewesten. Ook in 1934 moest de uitvoering van nieuwe werken zooveel mogelijk worden beperkt; bij het onderhoud en de horstelling van bestaande wegen en kunstwerken was eveneens soberheid geboden. De voor de bovengenoemde doeleinden op de begrooting uitgetrokken credieten werden dan ook niet geheel verwerkt, zooals kan blijken uit den hieronder opgenomen staat. Voorts worde opgemerkt, dat de omvang van het onderhoud grooter is dan uit den staat zou volgen, omdat in rechtstreeks bestuurd gebied arbeid en afkoop VERKEER. 179 van heerendienstplichtigen is aangewend ten behoeve van de instandhouding der wegen. In het in de 3de kolom vermeld totaal bedrag van f 799 000 is begrepen f 75 000, uitgegeven voor werken, welke worden bekostigd uit het bijzonder uitvoerrecht op bevolkingsrubber; van deze f 75 000 is op Sumatra verwerkt f 46 000 (resn. Palembang en Djambi) en in de Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo f 29 000. Voor de asphaltcering van wegen was in de Landsbegrooting uitgetrokken f 50000, waarvan verwerkt werd een bedrag van f 25 000. De totale weglengte, welke geas phalteerd was op einde 1934, bedroeg 1410 km met een geasphalteerdc oppervlakte van 5 567 000 m 2. Omtrent het hoofdwegenstelsel op Sumatra kan het volgende worden mede gedeeld. In den hoofdverkeersweg (stam- of asweg) in de lengterichting van het eiland, loopende van Oosthaven over Teloekbetoeng, Terbanggi-besar, Kotaboemi, Bandjer masin, Martapoera, Moearamio, Tandjoengenim, Moearaenim, Lahat, Tebingtinggi, Loeboeklinggau, Moeararoepit, Soeroelangoen (Rawas), Sarolangoen (Djambi), Bangko, Moearaboengo, Moearatebo, Tandjoeng, Kotabaroe, Soengeidareh, Si djoengdjoeng, Tandjoengampaloe, Fort van der Capellen, Padangpandjang, Eort de Koek, Padangsidimpoean, Sibolga, Taroetoeng, Baligé, Perapat, Pematangsiantar, Tebingtinggi, Medan, Langsa, Peureula, Sigli, Lamteunot en Koetaradja naar Oeleclheuö, ontbreekt nog de schakel tusschen de residenties Lampoengsche Districten en Palembang. Aan een gedeelte van die ontbrekende schakel, de z.g. Rebang-weg, gelegen in de residentie Lampoengsche Districten, werd fB2 000 verwerkt. l ) Tusschen ( ) zijn vermeld de in het daarvóór vermelde cijfer begrepen bedragen ten laste van den buitengewonen dienst. l)E FINANCIEELE TOESTAND. 18 De zuivere gewone Landsuitgaven hebben, gelijk uit hooger opgenomen staatje blijkt, f 349.7 millioen bedragen, d. i. f 24,7 millioen minder dan was geraamd. Wordt hierbij in aanmerking genomen, dal dr bij dr/.r cijfers in mindering gebrachte rechtstreeks tegenover de uitgaven staande ontvangsten 1 16,9 millioen beneden de raming zijn gebleven, dan blijkt dat op de kredieten voor gewone uitgaven dz f 40,6 millioen is overgehouden. Deze gunstige uitkomst is voor -j z f 8,4 millioen toe te schrijven aan lagere personeelsuitgaven als gevolg van de invoering van de H. B. B. L. en de M. B. R. - 1934. Het voordeelig saldo van den buitengewonen dienst betreft hoofdzakelijk de ontvangsten, nl. voor f 7,7 millioen do reserveering ten bate van dien dienst van het voordeelig verschil tusschen ontvangsten en uitgaven, verband houdend met do bevolkingsrubberrestrictie (raming memorie) i-n voor het overige de terugvloeiïng van kapitaal wegens waardevermindering van voorraden en vermindering van uitstaande voorschotten bij den Pandhuisdienst. Aan zuivere kapitaalsuitgaven werd f 3,1 millioen besteed bij een raming van f 6,5 millioen. Voornader gedetailleerde gegevens betreffende de uitkomsten I!* 31 word! verwezen naarde reeds aangehaalde financieele nota betreffende de begrooting 1936. Het slot der rekening van uitgas en en ontvangsten van Nederlandsch-Indië over het dienstjaar 1929 is vastgesteld bij de wet van 30 Nov. 1934 (N. S. 1934 n°. 630, I. S. 1935 n°. 46). 2. 's Landsvermogenstoestand - Leeningen. ff. Vlottende schuld. Het volgende overzicht geeft een vergelijkend beeld van de bestanddeelen der vlottende schuld. (In duizenden guldens.) I)F, KOONOMISCHE TOESTAND. 180 In de gewesten Atjch en Onderhoorigheden en Djambi word in 1934 voor de verbetering van den asweg f 11 000 besteed. In de residentie Sumatra's Westkust werd aan de verbetering van don weg van Si Tioeng over Kotabaroe (Batanghari) naar Tandjoeng (grens Djambi) een bedrag uitgegeven van ruim f 13 000, waarvan Ik t grootste gedeelte voor oen omlegging van een deel van den intergewestelijken weg tussehon Soengaidareh on Tandjoeng, door welke omlegging de vernieuwing van een tweetal belangrijke vakwerkbruggen kon worden voorkomen. Van de verbindingswegen van de vijf havenplaatsen Palembang, Benkoelen, Djambi, Kmmahaven en Pakanbaroe met den stamweg moet die tusschen Djambi en Moearatebo, althans voor wat betreft het gedeelte tusschen Moearatembesi en Moearatebo, nog aanmerkelijk worden verbeterd. In verband met de beperkte credieten moest in 1934 worden volstaan met den bouw van enkele houten bruggen in dien weg, waarvoor f 3000 werd uitgegeven. Dank zij de belangrijke inkomsten uit het bijzonder uitvoerrecht op bevolkingsrubber zal in 1935 de verbetering van dit weggedeelte krachtig kunnen worden aangevat. Van de verbindingen van Palembang met den stamweg, namelijk de wegen Palembang —Praboenioelili —Moearaenim, Palembang —Praboemoolih —Batoeradja en Palembang over Talang Botoetoe, Taloek Sekajoe, Troesan, Moearalakitan, Bringintelok naar Moeararoepit word alleen de verbetering van den laatstgenoemden weg ter hand genomen, waaraan f 17 000 werd besteed. Aan de verbetering van den weg van Benkoelen over Kepahiang en Kaban Agoeng naar den stamweg werd in het gewest Benkoelen aan het gedeelte tusschen Kepahiang en de grens met de residentie Palembang (Moesi-tracé) ruim f 22 400 verwerkt. Aan de verbindingswegen tusschen Padang en den stamweg en Pakanbaroe met dien weg werd resp. f 28 000 on ruim f 9100 besteed. Een overzicht van de belangrijkste werken van meer locaal karakter in de Buitengewesten volgt hieronder. In het gouvernement Atjeh en Onderhoorigheden werd aan den Westkust-weg van Koetaradja over Tjalang, Meulaboh, Tapatoean naar Bakongan in 1934 f 14 000 besteed en aan den z.g. Transversaalweg van Sigli over Tangsé naar Meulaboh f 9000. Aan verschillende kleine werken in Atjeh is f 3000 uitgegeven. In de residentie Tapanoeli werd aan den weg van Sibolga over Sorkam naar Baroes niet verder gewerkt; de weg kwam in 1933 tot Sorkam voor wat betreft de aarden baan gereed. Aan den Padangkvwas-weg werd doorgewerkt, waarvoor werd uitgegeven 1' 25 000. De Dairi-weg, de verbinding van Sidikalang in de Dairilanden met het wegennet in do Karolandon (Kabandjahé), kwam gereed. De einde 1933 nog in uitvoering zijnde brug over de Lae Pendaro werd voltooid. Aan den weg werd f 41 000 verwerkt. Aan den Pahao-wcg en wel aan hel gedeelte tusschen Sipirok en Simangoemban word f' 60 000 verwerkt. Tenslotte word aan kleine werken in het gewest f 4300 uitgegeven. De lengte van hot gewestelijk wegennet ter Oostkust van Sumatra in beheer bij den Cultuurraad bedroeg einde 1934 1120,4 km, onderverdeeld als volgt: aan asfalt wegen 906,8 km of 81 %, aan grind- en steenslagwegen 90,2 km of 8 % en aan onverharde wegen 123,4 km of 11 %. Aan onderhoud werd f 331 340 besteed of f 296 per km. Geasfalteerd werd 4,1 km ten lasto van de onderhoudsfondsen en 5,0 km l ii laste van nieuwe werken. Vernieuwing van de asfaltslijtlaag had plaats over 36,5 km. Aan onderhoud van bruggen en duikers werd f 48 888 besteed, inbegrepen de kosten voor het verbreeden van 37 bruggen in de hoofdwegen, waarvan de breedte tusschen de leuningen op 6 m werd gebracht. Zware herstelling wegens bandjir schade vond plaats bij één der bruggen, waaraan f 3975 besteed werd. Voor verbete ring, vernieuwing en aanleg van wogen is f 36 584 besteed. Door het Land werd aan de verbetering van de verharding van den weg van Tratak Boeloeh over Moeara- VERKEER. 181 lemboe naar de grens met lnderagiri (richting Taloek) en van de in dien weg gelegen kunstwerken uitgegeven f 7300; aan verschillende kleine werken werd f 2500 besteed. In de residentie Sumatra's Westkust werd aan de verbetering van don weg van Loeboekaloeng over Pariaman, Soengailimau en Tikoe naar Loeboekbasoeng uitgegeven f 21000. Aan de verbetering van den weg van Loeboeksoelasih over Alahanpandjang, Soerian en Moearalabooh naar Aer Liki word f 10 000 verwerkt, waarvoor enkele der meest urgente kunstwerken werden gebouwd. Voor den aanlog en de verbetering van den weg van Aer Liki naar Loeboekgadang behoefden geen uitgaven te worden godaan, terwijl aan den z.g. Ophirweg van Kinali naar Batoe kambing niets werd verricht. Aan den weg van Soengaipenoeh over Sanggaran agoeng naar Tamiai werd f 11 600 uitgegeven en aan kleine werken ruim f 17 000. In de residenties Benkoelen, Palembang, Djambi, Lampoengsche Disticten, Bangka en Onderhoorigheden en Riouw en Onderhoorigheden werd in 1934 aan kleine verspreid liggende werken uitgegeven f 50 000, f 38 000, f 54 000, f 15 000, f 20 000 en f 1200, waarbij nog wordt aangeteekond, dat in het voor Palembang opgegeven bedrag begrepen is f 5000 voor werken, waarvan de kosten worden bestreden uit de ontvangsten verkregen uit het bijzonder uitvoerrecht op bevolkingsrubber. In de residentie Westerafdeeling van Borneo word aan de verbetering van den kustweg van Pontianak over Mampawah naar Pamangkat, hoofdzakehjk voor vernieuwing van in dien weg gelegen bruggen, f 11 000 verwerkt. In do residentie Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo kon de verbetering van den weg van Kandangan naar Negara in 1934 worden voltooid; hieraan werd in 1934 f 40 000 verwerkt. Aan den hoofd verkeersweg van Bandjermasin over Marta poera, Kandangan, Pantai hambawang, Tapoes en Amoentai naar Tandjoeng werden plaatselijke verbeteringen aangebracht, waarvan de kosten hebben bedragen f 15 500. Aan verspreid liggende objecten in dit gewest werd f 42 500 uitgegeven, waarin begrepen f 29 000 voor werken, waarvan de kosten worden bestreden uit de ont vangsten verkregen uit het bijzonder uitvoerrecht op bevolkingsrubber. Voor den aanleg van den waterweg tusschen Kapoeasrivier en Kahajan (Klampan-kanaal) werd een begin gemaakt met de voorbereidende werkzaamheden, zooals schoonmaken van het terrein en afkoop van gewassen. Het daarvoor uitgegeven bedrag, groot f 12400, is begrepen in het hierboven opgegeven bedrag van f 29 000 betreffende de uitgaven ten laste van het rubberuitvoerrecht. In het gouvernement Celebes en Onderhoorigheden werd aan de kustwegen Makassar —Bocloekoemba en Makassar —Pangkadjene—Segerie—grens afdeeling Paré-paré (zelfbesturend gebied) uitgegeven f 23 500. Aan eenige kleine werken werd f 5500 besteed. In de residenties Manado, Bali en Lombok en Molukken werd aan kleine werken verwerkt f 9000, f 8800 en f 6000. Aan de verbetering van den weg van Singaradja over Tabanan naar Denpasar (res. Bali en Lombok) werd voor de voltooiing in 1934 nog f 1200 uitgegeven, terwijl aan verbeteringen van den weg van Antosari over Sokka, Lalang Lingga, Jeh Leh, Poeloekan en Jeh Boeah naar Negara, in hetzelfde gewest gelegen, ruim f 23 000 word verwerkt, in hoofdzaak voor don bouw van een viertal belangrijke bruggen. 3. Wegverkeer. Omvang en ontwikkeling van het wegverkeer. Op 1 Januari 1935 is een moment telling gehouden van hot aantal houders van nummerbewijzen on van het aantal aan hen uitgereikte nummerbewijzen; do resultaten daarvan zijn neergelegd in de hierna opgenomen statistiek, waarin tevens bij elke bevolkingsgroep vermeld is de sterkte van die groep naar de uitkomsten van de Volkstelling 1930. ') Uitgezonderd 5 onderofdoelingen in Djambi en de geheelo residentie Tapanoeli, alleen voor zoover betreft aantal nummerbewijshouders en aantal nummerbewijzen. ') Uitgezonderd Poso en Loewoek, alleen voor zoover betreft aantal nummerbewijshouders en aantal nummerbowijzen. 3 ) Afdeeling Amboina en onderafdeeling Ternate, alleen voor zoover betreft aantal nummerbewijshouders en aantal nummerbewijzen. ') Deze cijfers zijn ontleend aan de Voorloopige uitkomsten Volkstelling 1930, 2de gedeelte Buitengewesten; alle overige cijfers berusten op de definitieve uitkomsten van die volkstelling. - - - ö z y z 3 V - § ft _ Z M /' H > 21 O 182 VI'.KKEEB. 183 Voor vergelijking met den omvang van het verkeer in voorafgegane jaren kan alleen worden beschikt over de door de Koninklijke Nederlandsch-Indische Motor Club (K.N.1.M.C.) gepubliceerde nummerbewijs-statistieken. Deze geven voor 31 December van de jaren 1931 t/m 1934 het volgend beeld. De cijfers over 1933 en vorige jaren zijn echter van twijfelachtige waarde, omdat zij gebaseerd zijn op de oude nummerbewijsregisters, waarin een aanzienlijk aantal ongeldig geworden nummerbewijzen was vermeld, doordat het vroeger geldend Motorreglement geen straf bedreigde tegen niet-inlevering van een ongeldig ge worden nummerbewijs. Dat hierdoor inderdaad een belangrijk verschil ontstond tusschen het aantal werkelijk aanwezige motorrijtuigen en het aantal in omloop zijnde nummerbewijzen blijkt uit een vergelijking tusschen de door de K.N.I.M.C. opgegeven aantallen voor de provincies West-, Midden- en Oost-Java te zamen, met die, ontleend aan de op de gegevens betreffende de motorvoertuigenbelasting in begin 1934 gebaseerde motorvoortuigenstatisteik van het Centraal Kantoor voor de Statistiek, welke aantallen resp. 59 935 en 43 560 bedragen. De cijfers voor 1934 daarentegen zijn ontleend aan de nummerbewijsregisters, ingericht op den voet van de nieuwe weg verkeer s wetgeving, welke de noodige waarborgen voor een juiste registratie bevat. Aangezien de oude nummerbewijzen op 1 September 1933 hun geldigheid hebben verloren, mag worden aangenomen, dat voor vrijwel alle in gebruik zijnde motor rijtuigen een nieuw nummerbewijs is uitgereikt. De voor 1933 gegeven cijfers zijn in verband met het vorenstaande niet vergelijk baar met die voor 1934, zoodat een conclusie betreffende af- of toename van het aantal motorrijtuigen in de verschillende rubrieken daaruit niet kan worden getrok ken. Eenige aanwijzing in deze kan worden verkregen door de cijfers van het Centraal Kantoor voor de Statistiek voor de drie provincies van Java en Madoera, welke den toestand in den aanvang van 1934 weergeven, te vergelijken met die van boven staanden tabel, welke den toestand aan het eind van dat jaar registreeren. Deze vergelijking leidt tot de conclusie, dat het motorpark in 1934 ongeveer stationnair is gebleven. Daar deze cijfers echter op verschillende grondslagen zijn gebaseerd, kan deze vergelijking slechts met de noodige reserve worden aanvaard. Van het verloop van het totaal volume van het wegverkeer staan in het geheel geen gegevens ten dienste, daar alle gegevens over het aantal voertuigen met dierlijke trekkracht ontbroken. Van het benzine-verbruik in 1934 en van dat in vorige jaren geeft het volgend staatje een beeld. Aantalion motorvoertuigen. DE ECONOMISCHE TOESTAND 184 De vermeerdering van het benzine-verbruik in 1934 is het gevolg van een abnor maal hoog gebruik in do maand December van dat jaar, hetgeen in hoofdzaak moet worden toegeschreven aan de volgende oorzaken. In de eerste plaats is door de houders van motorrijtuigen vrij algemeen van de in de laatste dagen van December tot stand gekomen verlaging van den benzine-prijs, welke verlaging eerst op 1 Januari door verhooging van den accijns is teniet gedaan, gebruik gemaakt, om zooveel mogelijk voorraad in te slaan, terwijl tevens door het auto-tourisme van de tijdelijke prijs verlaging is geprofiteerd. In de tweede plaats zijn in de laatste helft van genoemde maand, na het bekend worden van de Regeeringsvoorstellen inzake de omzetting van de motorvoertuigenbelasting in een verhooging van den benzine-accijns, vele opgelegde motorrijtuigen weer op den weg gebracht. In verband met deze omstandigheden wordt een beter inzicht verkregen door de cijfers over de eerste 11 maanden van 1933 en van 1934 met elkaar te verge lijken. Van Januari t/m November 1933 bedroeg het benzine-verbruik ±157 000 000 liter, tegen i 152 000 000 liter in hetzelfde tijdvak van 1934, hetgeen derhalve een teruggang beteekent van ± 5 000 000 liter of ± 3 %. De invloed van economische factoren op het wegverkeer. Een verhoogd welvaartspeil leidt bijna onmiddellijk tot toeneming van het motorverkeer. Duidelijk komt dit o.a. tot uiting in de door de K.N.I.M.C. gepubliceerde cijfers van de aanschaffingen van nieuwe motorrijtuigen in 1934, waaruit blijkt, dat West-Java, welke provincie, dank zij de verbetering voornamelijk van thee- en rubberprijzen, een veel gunstiger economisch aspect dan Midden- en Oost-Java vertoont, met 1594 nieuwe motor rijtuigen aan de spits staat, tegen 626 in Midden-Java, inclusief de Vorstenlanden, en 995 in Oost-Java. Wat betreft de soorten van motorrijtuigen, zoo blijkt, dat het vooral Midden en Oost-Java zijn, met name Semarang en Soerabaja, waar de motordriewielers nog in grooten getale op don weg verschijnen. Te Batavia werden in 1934 voor nieuwe motordriewielers 42 nummerbewijzen verstrekt, tegen 50 te Semarang en 188 te Soerabaja. In de Buitongeweston worden in 1934 918 nieuwe motorrijtuigen in circulatie gebracht. Opvallend is het groote aantal nieuwe vrachtauto's, dat ter Oostkust van Sumatra in bedrijf word gesteld, namelijk 122 of ±10 P or maand. Wetgeving. De wegvcrkeersordnnnantie (I.S. 1933 n°. 86) werd aangevuld bij art. 7 van de Ord. van 1 Aug. 1933 (I. S. n°. 327). Aangezien de in deze ordonnantie neergelegde regelingen omtrent het openbare verkeerswezen, de keuring van open bare motorrijtuigen en eenige andere onderwerpen niet geheel bleken te voldoen, werd een herziening ter hand genomen, welke einde 1934 reeds in een vergevorderd stadium van voorbereiding verkeerde. Aan de hand van de in de practijk opgedane ervaringen werd de wegverkeers- Benzine-verbruik in millioenen liters. VERKEER. 185 verordening (I. S. 1933 n°. 138) vereenvoudigd, verduidelijkt, technisch verbeterd en aangevuld bij R. Vu. van 13 ,lan. 1934 (I.S. n°. 23), 22 Maart 1934 (I.S. n°. 150), 2 Mei 1934 (I.S. n°. 283) en 22 Nov. 1934 (I.S. n°. 642). In verband hiermede onderging het wegverkeersbcsluit (Bb. n°. 13017) een wijzi ging bij besluit van den Directeur van Verkeer en Waterstaat van 7 Dec. 1934 (Bb. n°. 13358) (bij welke gelegenheid de naam werd gewijzigd in „wcgverkeersbesluit V. en W.") en bij dat van 30 Maart 1935 (Bb. n°. 13446). Ook het wegverkeersbcsluit BB (Bb. n°. 13018) heeft eenige wijzigingen ondergaan en wel bij de besluiten van den Directeur van Binnonlandsch Bestuur van 16 Sept. 1933 (Bb. n°. 13088), 1 Oct. 1933 (Bb. n°. 13094), 28 Nov. 1933 (Bb. n°. 13153), 26 Juni 1934 (Bb. n°. 13295) en 8 Doe. 1934 (Bb. n°. 13357). Verdere voorschriften zijn vastgesteld bij G. B. 5 Sept. 1933 n°. 23 (1. S. n°. 347), 25 Aug. 1933 n°. 24 en 12 Jan. 1934 n°. 20 (Bb. nos. 13070 en 13169), 17 Aug. 1933 n°. 21 (Bb. n°. 13067), regeeringscirculaire van 14 Aug. 1933 (Bb. n°. 13076), G. Bn. 9 Jan. 1934 n° 13 en 19 Juli 1934 n°. 12 (I. S. nos. 19 en 426) en beschikking van den Directeur van Verkeer en Waterstaat van 27 Dec. 1934 (Bb. n°. 133K2). Tenslotte is bij Ord. van 31 Dec. 1934 (I. S. 1934 nos. 716 en 717) de motorvoer tuigenbelasting voor uitsluitend benzine als brandstof gebruikende motorvoertuigen afgeschaft on vervangen door een verhooging van den bonzino-accijns met 3 cent per liter, terwijl bij Ord. van denzelfden datum (I. S. 1934 n°. 718) een motorvoer tuigenbelasting is ingesteld voor motorvoertuigen, welke geen of niet uitsluitend benzine als brandstof gebruiken. 4. Railverkeer. Overzicht van de uitkomsten van het spoorwegbedrijf De bedrijfsresultaten waren over hot algemeen ongunstiger dan over 1933, doordat de ontvangsten nog steeds verminderden. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan de voortgezette daling van het reizigersvervoer, mede door de concurrentie van het motorverkeer; voorts aan den verminderden afvoer van suiker naar de havenplaatsen. Het overige vervoer week naar het volume niet zooveel af van dat in 1933, doch allerlei omstandigheden en wel voornamelijk de scherpe concurrentie van allerlei vrachtauto-ondernemingen, haddon nadeebgen invloed op de opbrengst der spoorwegen. De gestadige terugloop van het reizigersvervoer betreft gebieden van uiteen loopenden aard, dus niet alleen die waar de grooto cultures gevestigd zijn, doch ook de streken, waar de Inheemsche vervoersbehoeften overwegend zijn. Als afweer maatregel tegen de autobus-concurrentie werd op eenige lijnen overgegaan tot op voering van de treinsnelheid en tot vergrooting van de trein-frequentic. Noodge dwongen moest op enkele lijnen waar de exploitatie niet meer loonend bleek, de trein-frequentie tot het uiterste worden teruggebracht en in enkele gevallen tot goederenvervoer worden beperkt. Hieronder volgen eenige gegevens betreffende de uitkomsten van het bedrijf der Staatsspoorwegen en van de voornaamste particuliere spoorweg-maatschappijen. Voor nadere gegevens moge worden verwezen naar het tweede gedeelte van dit Verslag en naar de jaarverslagen van die bedrijven en ondernemingen. a. Staatsspoorwegen. Omvang van het net. Door de opheffing met ingang van 1 Maart 1934 van het lijnvak Pangkalansoesoe—Paloetaboehan van het Atjeh-net verminderde de lengte van de in exploitatie zijnde lijnen met 9 km. In exploitatie waren einde 1934 op Java 2929, in Zuid-Sumatra 645, ter Sumatra's Westkust 264 en in Atjeh 512 km, te zamen 4350 km. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 186 Financieele resultaten. 1 ) Ontvangsten. De in 1934 gevoerde bedrijfspolitiek had tot voornaamste doel: het behoud van het tot nu toe vervoerde volume en het terugwinnen van aan de concurreerendo transportmiddelen verloren gegane vervoer. Als uitvloeisel van deze politiek zijn op Java een groot aantal speciale (verlaagde) tarieven in het leven geroepen, terwijl in de op Sumatra gelegen exploitatiekringen, waar de verkeersverhoudingen minder gecompliceerd zijn, ook sommige algemeene tarieven werden herzien. Naast deze tariefpolitiek zijn vele pogingen gedaan om het vervoer per spoor zoo aantrekkelijk mogehjk te maken, zooals de verkorting van den transporttijd zoowel voor reizigers als voor goederen en de vergrooting van de treinfrequentie op sommige hoofdverbindingen. Gememoreerd worden de op 1 November 1934 in bedrijf genomen snelverbindingen Batavia —Bandoeng („Vlugge Vier") en Soerabaja—Malang („Vlugge Vijf"). Een gedetailleerd vergelijkend overzicht van de ontvangsten volgt hieronder: Uitgaven. De groote terugloop van de inkomsten maakte uit den aard der zaak een verdere verlaging van de uitgaven onvermijdelijk. In de eerste plaats zijn maatregelen getroffen, welke ten doel hadden de organi satie te vereenvoudigen, zooals de samentrekking of opheffing van kantoren, depots en dergelijke. Als belangrijkste maatregel in dit opzicht valt te vermelden de met ingang van 1 April 1934 doorgevoerde reorganisatie van het centrale beheersapparaat, namelijk het hoofdbureau, waarbij de afzonderhjke bedrijven voor Java en Sumatra met de daaraan verbonden (hoofd)kantoren werden opgeheven. Voorts werd de reeds vroeger ingezette personeelsafvloeiing voortgezet. De sterkte van het in werkclijken dienst aanwezige personeel bedroeg: waarmede in het tijdsverloop sedert 1 Januari 1930 een totale personeelsvermindering is bereikt aan hooger personeel van 42 %, aan middelbaar personeel van 34 % en aan lager personeel van 38 %, of in totaal 37 %. *) De cijfers van 1934 zijn voorloopig. VERKEER, 187 In de derde plaats is het mogen gelukken, met onverzwakte handhaving van de verkeersveiligheid, de uitgaven voor onderhouds- en vernieuwingswerken aanzienlijk te beperken. De resultaten hiervan blijken uit het volgend overzicht: ') Het overschot over 1934 bedraagt dus f 1 803 233, tegen f 2 133 098 in 1933. De totale werkelijke uitgaven, welke geheel uit de inkomsten konden worden bestreden, verminderden met f 3 425 056 of 10,7 %, van welke vermindering f 3 242 476 wegens bezuiniging op de personeele uitgaven zijn verkregen. Ten opzichte van het personeelsbudget van 1933 bedraagt laatstbedoelde bezuiniging ruim 15 %. Voorts blijkt uit vorenstaande opgave, dat volgens de aldus berekende uit komsten de Zuid-Sumatra Spoorweg en de spoorweg ter Sumatra's Westkust, in tegenstelling met 1933, in 1934 een overschot hebben opgeleverd. Slechts de Atjeh spoorwcg leed nog een verlies van f 284 452 (in 1933 f 312 992). Het totale overschot bedroeg f 1 803 233, hetgeen f 329 865 (= 15,4 %) minder is dan in 1933. Wat de fictieve uitgaven betreft, verminderde de bijdrage in de pensioenslasten tengevolge van de salarisherziening van f 2 668 000 in 1933 tot f 2 081000 in 1934. De afschrijvingen vertegenwoordigden in 1934 een bedrag van f 2 872 403, tegen f 1 175 758 in 1933. Deze aanzienhjke toename is in hoofdzaak veroorzaakt door de afkeuring van een groot aantal locomotieven, rijtuigen en wagens, alsmede door een herwaardeering van de voorraden bovenbouwmaterialcn langs de lijn. Nochtans heeft het bedrijf een bruto overschot opgeleverd, hetgeen uit het volgend overzicht der begrootingsuitkomsten blijkt: "■) Er is slechts rekening gohouden mot de werkelijke uitgaven; afschrijvingen zijn niet medegorokend evenmin de pensioenslaston; dit laatste op grond van het bepaalde in I. S. 1934 n°. 748. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 188 Verkeer. Een vergelijking van de verkeersprestatie in de afgeloopen 2 jaren vertoont het volgende beeld: Het aantal reizigers, dat van de Staatspoor gebruik maakte, bedroeg (in 1000 -tallen): Dat de toename van het vervoer bij de Sumatra-exploitatiekringen, behalve bij het Zuid-Sumatra-net geen hoogere opbrengsten dan in 1933 ten gevolge heeft gehad, is veroorzaakt door de vele tariefsverlagingen, welke terwille van het behoud, c.g. de stimuleering, van het vervoer moesten worden toegepast. Daar komt nog bij dat bij het reizigersvervocr over de Atjeh-lijn een verkorting van den gemiddelden afstand, waarover gereisd werd, te constateeren viel. De betrekkelijk geringe achter uitgang van het vervoersvolume bij het Ja va-net (in 1933 ten opzichte van 1932 voor reizigers ruim 11 % en voor goederen ruim 28 %) is mede in hoofdzaak aan de gevolgde tarief politiek te danken. Technische diensten. Het streven naar een verdere rationalisatie van werkmethoden en naar groote spaarzaamheid in het gebruik van materialen stond op den voorgrond. Aan vracht- en ijlgoed zijn vervoerd (in tonnen): VERKEER. 189 Bovendien Waren einde 1934 in bedrijf 13 electrische locomotieven, 25 electrische motorrijtuigen en 26 aanhangrijtuigen. De besparing in geld op het verbruik van brandstoffen en smeermaterialen (in 1933 f 3 300 535, tegen in 1934 f 2 890 765) bedroeg f 409 770 of 12,4%. Bovendien werden in 1934 door de electrische tractie aan energie verbruikt 10 393 000 kWh draaistroom voor 1 970 000 trein-km's tegen 10 533 000 kWh voor 1 961 000 trein km's in 1933. De met de voortgezette werkplaats-rationalisatie in 1934 bereikte resultaten blijken o.m. uit de vermindering van de aan arbeidsloon bestede bedragen. Uitbetaald werd in de Java-werkplaatsen uit dien hoofde in 1933 f 1 301 740 en in 1934 f 978 000, derhalve minder f 323 740 of 24,8 %. Voorraden en aanschaffingen. De waarde der voorraden bedroeg eind 1933 f 12 246 000 en eind 1934 f 11 410 000, derhalve minder f 836 000. Overzicht van het rollend materieel en van het brandstof- en energie-verbruik (voor electrische tractie): Brandstoffen. DB LANDSFINANCIË.V. 19 Volgens bovenstaande cijfers nam de totale vlottende schuld over 1934 af met een bedrag van f' 111 633 000. Bij de beoordeeling van dit bedrag moet echter rekening worden gehouden met een aantal factoren, die het verloot) van de vlottende schuld op bijzondere wijze hebben beïnvloed, t. w.: I°. de opbrengst van de Nederlandsch-Indische leening 1934 (3de uitgifte) tot een bedrag van ± f 149 500 000; 2°. de overname door Nederland van f2B 670 000 aan teekenmunt in mindering van de Indische schuld aan 's Rijkskas; 3°. hot afvoeren uit de administratie van De Javasche Bank ten gunste van de Landsrokoning bij die instelling van buiten omloop gestelde muntbiljetten tot cm bedrag van f 1 100 000; 4°. de overname door het Land van De Javasche Bank van een bedrag van f 5 mil lioen aan oude en van f 2 millioen aan nieuwe teekenmunt. Indien deze factoren worden geëlimineerd, zou de Indische vlottende schuld over 1934 zijn toegenomen met oen bedrag van ± f 60,6 millioen. Vlottende schuld in Indië. De stand van de Landsrekoning bij De Javasche Bank vertoonde in 1934 over het algemeen een gunstig beeld, in aan merking genomen, dat o. a. een bedrag van f 69 millioen (tegen f 26 millioen in 1933) geleidelijk naar Nederland kon worden overgemaakt ter afdekking van een deel van de Indische schuld aan 's Rijkskas. Onder dit bedrag van f 69 millioen is begrepen f 8,9 millioen wegens opbrengst in Nederlandsch-Indië van de Nederlandsch-Indische leening 1934 (3de uitgifte). Niettegenstaande deze remises werd de grens van het renteloos voorschot bij de circulatie-bank van f 6 millioen slechts bij uitzondering overschreden. De uitgifte van schatkistpapier beperkte zich in 1934 in hoofdzaak tot schatkist biljetten voor de voldoening van de Landsuitkeeringen aan de Militaire Weduwen en Weezenfondsen, benevens voor verlenging van die biljetten, welke nog vóór de stopzetting van de Landsuitkeeringen aan de overige Indische Pensioenfondsen in 1933, aan die fondsen waren afgegeven en bij de uitgifte van Nederlandsch- Indische leeningen niet in obligaties dier leeningen waren omgezet. Voor do financiering van de Indische vlottende schuld in Nederland werd in 1934 mede gebruik gemaakt van de onderhandsolie uitgifte van Indische schatkist - promessen tot een bedrag van f 1 000 000, welk bedrag later werd verhoogd tot f 1 750 000. De vlottende schuld in Indië was einde 1934 ± f 6,2 millioen hooger dan einde van het voorafgegane jaar. Bij de beoordeeling van dit bedrag moet rekening gehouden worden met een aantal bijzondere factoren — hiervóór reeds ten deele genoemd — die het verloop van de eigenlijke kasontvangsten en -uitgaven hebben beïnvloed. Ongunstig werd de vlottende schuld beïnvloed: I°. door do remises naar Nederland tot een totaal bedrag van f 69 000 000; 2°. doordat het Land van De Javasche Bank voor een bedrag van f 7 000000 aan teekenmunt overnam; 3°. door de betaling van een bedrag van f 7,3 millioen aan schuldbewijzen van de per 1 October 1934 afiosbaargestelde Indische leeningen 1915, 1916, 1917, 1923 A, 1926 A/B, 1929 en 1932. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 190 Ten behoeve van de aanvulling daarvan werd aangekocht in Indië voor f 491 000 en in Europa voor f 69 000 en overgenomen van andere departementen en diensten voor f 293 000. Voor nadere bijzonderheden wordt verwezen naar het door de Staatsspoorwegen gepubliceerde verslag over 1934. b. Particuliere spoor- en tramwegen. Bij de Nederlandsch-Indische Spoorweg Maatschappij waren de bruto-ontvangsten van alle lijnen tezamen 15,4 % lager dan in 1933. De exploitatie-uitgaven bleven 16,5 % ten achter bij die van 1933, maar deze daling was niet voldoende om te verhinderen, dat het bruto overschot met f 300 000 verminderde. De reizigers-ontvangsten daalden met f 319 000 of 23 %, het aantal-reizigers verminderde met i 1444 500 of 23 %. Voor den spoorweg Semarang—-Vorstenlanden was de opbrengst 26 % lager, hetgeen dus meer is dan de daling over het geheele net. Deze ongunstige uitkomst moet worden geweten aan de groote toename van het aantal 7-persoonsbusjes tusschen Jogjakarta en Soerakarta en aan de lage tarieven der autobusdiensten, welke de trajecten Semarang —Soerakarta en Semarang —Jogjakarta bedienen, terwijl op laatstgenoemd traject de groote omweg dien de spoorweg maakt een nadeeligcn factor vormt. Het bagagevervoer nam naar den omvang met 3 % toe als gevolg van het feit dat in vele gevallen bagage tegen het vrachtgoedtarief wordt vervoerd; de opbrengst daalde met 14 %. Artikelen welke vroeger als bestelgoed ten vervoer werden aangeboden, worden thans als vrachtgoed verzonden. Het bestelgoedvervocr nam 22 % naar den omvang en 26 % naar de opbrengst af. De ontvangsten uit het postpakketten vervoer waren 58 % lager dan in 1933. Het vervoer van ijl- en vrachtgoed daalde met een belangrijk geringer percentage dan het vorig jaar. Hoofdzakelijk was dit het gevolg van het suikervervoer, dat in de laatste vier maanden van 1934 een grooteren omvang kreeg, terwijl ook het vervoer van petroleum en stookolie op de hjnen Goendih —Soerabaja en Semarang—■ Gambringan was toegenomen. Het suikervervoer naar Semarang daalde naar den omvang met 20 % en bedroeg slechts 186 000 ton. Het vervoer van cokes, emballage en meststoffen ten behoeve van de suikerindustrie liep belangrijk terug als gevolg van de verdere inkrimping van het beplant areaal. Het melasse-vervoer onderging een kleine stijging tengevolge van het afvoeren van oude voorraden. Het vervoer van brandhout nam toe met 58 %; daarentegen werden bouw materialen in geringere hoeveelheden getransporteerd, mede als gevolg van stagnatie in de bouwbedrijven. Het vervoer van voedingsmiddelen en Inlandsche producten nam niet onbelang rijk af; cassave bijv. werd in geringer mate geoogst, terwijl rijst in de eerste 9 maanden van 1934 zoo goed als niet geïmporteerd werd. De opvoer van importartikelen uit de havonplaatsen naar het binnenland, welke zich in vorige jaren nog betrekkelijk goed hield, zakte — voornamelijk in de laatste helft van 1934 — sterk in. De belangrijke tariefverlagingen vermochten dezen terugloop niet te stuiten. Het vervoer van exporttabak in Oost-Java liep tot de helft terug (3600 ton). Het transport van petroleum en petroleumproducten, voornamelijk dat van zware olie, vertoonde een geringe stijging, namelijk van 28 000 ton (9 %). Bij de Deli-Spoorweg Maatschappij daalden de bruto-ontvangsten ten opzichte van 1933 met + f 353 000 of 8 %. Deze daling is het gevolg van de vermindering VERKEEK. 191 van de ontvangsten uit het geheele vervoer, met uitzondering van de opbrengst van extra-treinen welke een stijging vertoonde. De exploitatie-uitgaven daalden met + f 267 000 of 10 %. De inkomsten uit het reizigersverkeer verminderden met 14 %, terwijl de daling van het aantal vervoerde reizigers 13 % bedroeg. De autobus-concurrentie en de mhidore koopkracht der bevolking zijn hiervan de oorzaken. Het vervoer van voor export bestemde tabak en thee, dat in 1933 was terug geloopen resp. met 34 % en 15 %, steeg in 1934 weer met 17 % resp. 1 %. De stijging van het palmolievervoer bedroeg 1 %. Het rubbervervoer, dat in 1933 nog een daling van 7 % vertoonde, steeg in 1934 ondanks de rubberrestrictie met 17 %; daarentegen daalde het latex-vervoer met 19 %. Het vezel vervoer nam zeer aanzien lijk af en wel met 38 %. De import bleef op hetzelfde peil als in 1933. De financieele uitkomsten bij de Semarang — Joana-Stoomtram Maatschappij waren in 1934 weder in alle onderdeden ongunstiger dan in 1933. De geldschaarschte onder de bevolking nam in verschillende streken toe, doordat vele suikerfabrieken en bedrijven (o.a. van de strootjesindustrie te Koedoes) tijdelijk of voorgoed werden stil gelegd, waardoor de werkgelegenheid verminderde, terwijl de loonen werden verlaagd. Hierdoor liep het reizigersvervoer nog verder terug. De totale bruto-ontvangsten daalden ten opzichte van 1933 met ± f 216 000 of 13 %. Tot dezen achteruitgang droegen de ontvangsten van reizigers bij met f 54 000, van bagage met f 1000, van bestelgoed met f 4000, van vracht-en ijlgoed met f 116 000 en van diversen met f 42 000. De exploitatie-kosten in Indië ver minderden met f 136 000 of 10 %. De netto-opbrengst daalde met f 80 000 of 32 %. De afhaal- en bezorgdiensten ondergingen in 1934 geen verandering; zij bleven goed voldoen en zijn in verband met de vrachtauto-concurrentie onontbeerlijk geworden. De exploitatie van de autobusdiensten bleef in 1934 verliesgevend. De bruto opbrengsten bedroegen +_ f 44 000 en de exploitatiekosten + f 48 000, zoodat het verlies + f 4000 bedroeg. In totaal werden in 1934 + 159 000 reizigers vervoerd. Met den vrachtautodienst werd + 1700 kg vrachtgoed vervoerd. De voornaamste vervoersartikelen waren caoutchouc, copra, petroleum, pitten en zout. De bruto opbrengsten waren + f 18 000, de exploitatiekosten + f 12 000, zoodat de netto opbrengst + f 6000 heeft bedragen of 7 % minder dan in 1933. In verband met de verscherpte concurrentie van prauw en vrachtauto is dit resultaat nog tamelijk gunstig te noemen. De met de Semarang —Joana Stoomtram Maatschappij gesloten overeenkomst betreffende de overname door de gemeente Semarang van de spoorwegen der 2de klasse Djoernatan —Boeloe en Djoernatan —Djomblang is opgenomen in Bb. n°. 13384. Bij de Semarang — Cheribon Stoomtram Maatschappij waren de opbrengsten wederom aanzienlijk lager dan in 1933; de daling der exploitatiekosten kon dien achteruitgang niet compenseeren. De bruto-ontvangsten liepen met ± f 571 000 of 22 % terug. Tot dezen achter uitgang droegen de ontvangsten uit het reizigersverkeer bij met + f 89 000, van bestelgoed met + f 11 000, van vracht- en ijlgoed met f 353 000 en van diversen met f 119 000. Slechts het vervoer van bagage nam iets toe (met + f 500). De totale omvang van het vracht- en ijlgoederen ver voer nam af met + 140 000 ton (483 000 ton, tegen 623 000 ton in 1933). De exploitatiekosten daalden met ± f 180 000 of 12,5 %. De netto-opbrengst daalde met f 284 000 of 26 %. De concurrentie van autobussen, vrachtauto's, prauwen en karren bleef in 1934 voortduren. De prijzen welke de prauwen aanlegden waren van dien aard, dat daar tegen niet te concurreeren viel. Het kartransport geschiedde eveneens tegen zeer lage vrachten. Bovendien was het aanbod van deze vervoermiddelen door het gering aantal malende suikerfabrieken groot. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 192 c. Wetgeving. Door den Directeur van Verkeer en Waterstaat werden de eischen vastgesteld, waaraan spoorwegen der eerste klasse moeten voldoen, om bereden te mogen worden met een grootste snelheid van 90, onderscheidenlijk 85 km por uur. De regeling betreffende de grootste snelheid, waarmede op lijnen of lijngedeelten der spoorwegen dor tweede klasse mag worden gereden, is nader gewijzigd en aan gevuld (I.S. 1934 nos. 118, 207, 335 en 566). Een reglement op de dienstreizen (commissiereizen) langs de lijnen der Staatsspoor wegen voor het daarbij werkzaam gearbeide personeel is opgenomen in Bb. n°. 13301. Bij G. B. 14 Dec. 1934 n°. 18 (I. S. n°. 688) is do termijn, gedurende welken eenige artikelen van het Algemeen Tramreglement voor de stadstramwegen nog van kracht blijven en eenige artikelen van de A. B. S. T. nog geen toepassing vinden, nader verlengd tot 1 Januari 1936. 5. Havenbedrijf en baggerbedrijf. a. Havenwerken. De uitvoering van nieuwe werken bleef in verband met de ongunstige tijdsomstandigheden tot do meest urgente werken beperkt. Hiervan kunnen worden genoemd do bouw van een syphon in het Goenoeng Sahari-kanaal onder het Scheepvaartkanaal van Batavia naar Tandjoengpriok en het verruimen van het Wonokromo-kanaal te Soerabaja, waarvoor beschikbaar werd gesteld onder scheidenlijk f 60 000 en f 15 01)0. Voor verschillende kleine werken in do groot-o havens Tandjoengpriok, Soera baja en Belawan werden uitgegeven onderscheidenlijk f 55 182, f 20 342 en f 532 of in totaal f 76056, terwijl in de havens Makassar, Emmahaven en Semarang geen nieuwe werken tot uitvoering kwamen. In de kleine havens word voor nieuwe werken slechts een bedrag van f 4619 uitgegeven. Voor nieuwe werken in de niet als bedrijf in exploitatie genomen kleine havens, waarvoor in 1934 een bedrag van f 80 000 was geraamd, werd slechts uitgegeven een bedrag van f 24 255. Voor het gewoon onderhoud van de havenobjecten in deze kleine havens werd een bedrag uitgegeven van +_ f 54 000. Het onderhoud en de herstelling van de te Sabang aanwezige havenobjecten worden evenals in 1933 opgedragen aan de Naamlooze Vennootschap „Zeehaven on Kolenstation Sabang" voor een bedrag van f 25 000. Voor waarnemingen in reeden en vaarwaters en voor de verbetering van vaar waters werd uitgegeven onderscheidenlijk fBOl en f 5936. b. Havenexploitatie. Met ingang van het jaar 1934 is de Indische Bedrijvenwet op de havenbedrijven te Tandjoengpriok en Soerabaja van toepassing verklaard. Zooals uit don volgenden staat van den in- en uitvoer (in tonnen van 1000 kg) der 6 groote havens van Nederlandsch-Indië gedurende! do jaren 1932 —1934 kan blijken, is de invoer in die havens ten opzichte van 1933 met + 11 % verminderd, terwijl de uitvoer met + 3 % is toegenomen. Het geheele goederenverkeer is met +_ 2 % verminderd. VERKEER. 193 Het scheepsbezoek bleef in 1934 vrijwel gelijk aan dat in 1933, zooals uit het volgend overzicht bhjkt. Zooals uit den volgenden staat blijkt, heeft de achteruitgang in de goederen bewoging ten gevolge gehad, dat ook de haveninkomsten in 1934 ten opzichte van die van 1933 zijn achteruitgegaan en wel met ± 4 %. De bedrijfsuitgaven bleven f 373 600 beneden die van 1933, overeenkomende met een vermindering van ± 9 %, als gevolg van een verdere besparing op de uitgaven. Scheepsbezoek aan de zes groote bedrijfshavens in de jaren 1932, 1933 en 1934 (alteen koopvaardijschepen van 300 m 3 netto inhoud en meer). Bedrijfsinkomsten. Staat van bedrijfsuitgaven. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 194 Ten slotte zijn in het volgend overzicht opgenomen de over 1934 verschiüdigde sommen voor afschrijving en rente van de in de bedrijfshavens geinvesteerde kapitalen. Haven van Tandjoengpriok f 2 862 590 „ Soerabaja 3 580 293 „ Makassar 777 715 „ Belawan 1 802 839 „ Emmahaven 268 105 „ Semarang 705 894 Kleine bedrijfshaven 914 561 Tezamen f 10 911 997 De bedrijfsinkomsten bedroegen. . . f 11360 500 en de bedrijfsuitgaven bedroegen . . 3 843 800 Bedrijfssaldo f 7 516 700 Nadeelig saldo over 1934 f 3 395 297 De reedegrenzen van Sangkoelirang (res. Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo) zijn opgenomen in I.S. 1934 n°. 401 en die van Raha op het eiland Moena (gouv. Celebes en Onderhoorigheden) in I.S. 1934 n°. 637. Het „algemeen havengeldreglement bedrijfshavens" is aangevuld (zie I.S. 1934 nos. 97 en 571). Voor wijziging van het „algemeen reglement waterverstrekking bedrijfshavens" en het „algemeen reglement elcctriciteitsverstrokking bedrijfshavens" zie men I.S. 1934 n°. 13. c. 's Lands baggerbedrijf. Het materieel van 's Landsbaggerbedrijf bestond einde 1934 uit 25 baggermolens met een capaciteit varieerende van 18 tot 500 m 3 /uur, 2 slibzuigers met een hopperinhoud van 1300 m 3, 1 sleepboot slibzuiger van 300 1.P.K., 1 cutterzuiger met een capaciteit van 125 m 3 /uur, 1 zandzuiger met een hopper inhoud van 350 m 3, 2 grijpemmerkranen, 7 bakkenzuigers met een capaciteit van 35 tot 300 m 3 /uur, 129 klepschouwen en bakprauwen mot een inhoud varieerende van 5 tot 300 m 3, 36 sleepbooten van 90 tot 300 I.P.K. en verder klein materieel als motorbootjes, sloepen, enz. Behalve het gewone onderhoudsbaggerwerk in havens en vaarwaters ,werd baggerwerk verricht ten behoeve van de werken voor het slib vrij maken van de haven van Tandjoengpriok en in het Westervaarwater te Soerabaja. Voorts werd een aanvang gemaakt met onderhoudsbaggerwerk in het Serapat kanaal (Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo). Ten behoeve van de werken voor het omleggen van de kali Soenter werd 48 060 m 3 weggebaggcrd, waarvan 43 570 m 3 in de geprojecteerde dijken werd verwerkt. Uit de havenkom en langs het Westerboord van de eerste haven werd resp. 5280 m 3 en 4000 m 3 verwijderd. Voorts werd uit het Entrepötkanaal, de Westergracht en het Scheepvaartkanaal een hoeveelheid van 86 244 m 3 slib verwijderd, waarvan 49 650 m 3 werd opgespoten op een terrein langs het Scheepvaartkanaal. Ten slotte werden nog eenige kleine werkjes uitgevoerd. In totaal werd gebaggerd 144 934 m 3, waarvan 93 220 m 3 werd opgespoten. Te Batavia werd uit de grachten en het Oude havenkanaal 8532 m 3 verwijderd. Een aanvang werd gemaakt met het baggeren in de Kroekoet-leiding voor den Provincialen Waterstaatsdienst. Het grondverzet bedroeg 895 m 3. VERKEER. 195 Te Soerabaja werd uit de binnenhaven 528 680 m 3, uit de Kalimas 297 330 m' en uit het toegangskanaal van het Marine-Vliegkamp 237 160 m 3 verwijderd, totaal 1 063 170 m 3. Bij wijze van proef werd in de vaargeul op den buitendrempel van het Wester vaarwater te Soerabaja met een slibzuiger een hoeveelheid van 758 000 m 3 specie verwijderd. Te Semarang werd uit de Semarang-rivier, de Kalimas en de Kalibaroe 11 871 m 3 slib gebaggerd. Een kleine aanslibbing (270 m s ) voor het vaste dok werd verwijderd, terwijl voorts uit het Havenkanaal een hoeveelheid van 292 000 m 3 specie werd gebaggerd, waarvan 288 000 m 3 werd opgespoten voor het vormen van een dam langs de oostzijde van dat kanaal. Voor de Oceaankade en steigers, de scheepshelling en de benzinehaven te Belawan werd resp. 59 600 m 3, 18 000 m 3 en 30 300 m 3 aanslibbing weggewerkt. Uit het Belawan-vaarwater werd met den baggermolen 131 000 m 3 en met behulp van den slibzuiger 2 616 000 m 3 slib verwijderd. Uit de havens Cheribon, Tegal, Pekalongan, Manado en Emmahaven werd respectievehjk 54 250 m 3 (waarvan opgespoten 33 180 m 3), 58 640 m 3, 9590 m 3, 79 760 m 3 en 9430 m 3 slib weggebaggerd. In 1934 werd in totaal 5 346 200 m 3 slib gebaggerd, waarvan 414 400 m 3 werd opgespoten. De geldelijke uitkomsten in de jaren 1930 t/m 1934 zijn in de volgende tabel vereenigd. 6. Bebakening, Kustverlichting, Loodswezen, Hydrografische opnemingen. De bebakeningsschepen Hoofdinspecteur Zeeman en Pollux deden, buiten den tijd voor dokken, herstelling en onderhoud, onafgebroken dienst; het bebakenings schip Castor bleef in reserve opgelegd. Gedurende 1934 werden de volgende onbewaakte lichtbakens gebouwd en ontstoken: twee blaugasbakens in het Westervaarwater van Soerabaja; een blaugas baken op het Speke-rif in Straat Berhala; het onbewaakt lichtbaken op de Clemencia bank, waarvan het onderstel reeds in Mei 1931 was opgericht. Eén der blaugasbakens vóór den invaart van de Rokan-rivier werd in October 1934 omvergevaren; in de plaats hiervan werd ter plaatse een licht boei uitgelegd. In verband met wijzigingen in de desbetreffende kustgedeelten werd het on bewaakt lichtbaken bij de monding van de Soengai Pakik (Cheribon) ± 600 m in noordwestelijke richting verplaatst en dat bij Tandjoeng Pemalang 300 m in noordoostelijke richting. Van het lichtbaken op Gili Genteng nabij Kalianget in Straat Madoera werd het karakter, alsmede de kleur van het licht gewijzigd. Van het sedert 1920 ge bluschte lichtbaken op Zandbuisbanken werd de opstand afgetuigd; het onderstel is blijven staan. Door wijziging van de lichtbron (vervanging van de petroleum-lichtinstallatie DE ECONOMISCHE TOESTAND. 196 door een petroleum-gloeilichtinstallatie) werd de lichtsterkte van het kustlicht op het eiland Wangi-Wangi (Celebes) ongeveer viermaal vergroot. Van het kustlicht te Lho Seumawè (Noordkust van Sumatra) werd de acetyleen lichtbron vervangen door een petroleum-glocilichtinstallatie; tevens werd de periode gewijzigd. Vóór de monding van de Sangkoelirang-rivier (res. Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo) werd in Juli 1934 een loodslichtschip met blaugas als lichtbron uitgelegd in verband met de instelling van een loodsdienst aldaar (zie I. S. 1934 n°. 402). Het loodslichtschip Tarakan zonk in December 1934 tengevolge van een aan varing en kon niet worden geborgen; een ander loodslichtschip met dezelfde lichtbron (acetyleen) als het gezonkene word aldaar uitgelegd. Bijgelegd werden 3 lichtboeien, 1 lantaarnboei en 7 tomien; opgenomen werden 3 lichtboeien en 13 tonnen. Einde 1934 bedroeg het aantal (onbewaakte) lichtbakens 108 (105) x ), waaronder 36 (36) met acetyleenlicht, 55 (52) met blaugas, 2 (2) met vetgaslicht-open-vlam, 11 (11) met vetgasgloeilicht, 1 (1) met petroleumgloeilicht (Petromax) en 3 (3) met electrisch licht. Het aantal te water liggende lichtboeien bedroeg 94 (94), terwijl 28 (27) lantaarn boeien uitlagen. Het aantal te water liggende tonnen bedroeg einde 1934 324 (330), terwijl het totale aantal ijzeren, houten en steenen bakens (geleide- en andere merken in begrepen, doch exclusief de lichtbakens en de z.g. niet-officieele merken) 506 (512) bedroeg. Voorts lagen te water 10 (9) loodslichtschepen en 1 (1) onbewaakt lichtschip. Het aantal bewaakte kustlichten bedroeg 150 (150), waarvan 23 (24) met petroleumlicht, 15 (13) met petroleumgloeilicht, 6 (6) electrisch, 6 (6) met pharoline en 100 (101) met acetyleenlicht. Het volgens de formatie op deze lichten geplaatste personeel bestaat uit 44 (44) hoofdlichtwachters, 293 (293) lichtwachters (inclusief de reserve) en 88 (88) koelies. Bovendien zijn op verschillende reeden in den Archipel nog officieel 193 (196) kleine havenlichten (petroleumgloeilicht, petroleum en electrisch) aanwezig. In het geheel waren dus in den Archipel 584 (582) lichten aangebracht. Aan loodsgelden werd geïnd: ') Het getal tusschen haakjes geeft het aantal aan op 31 December 1933. VERKEER. 197 Loodsdiensten zijn gevestigd te Tandjoengpriok, Soerabaja, Tjilatjap, Emma haven, Palembang, Bclawan-Deli, Aroe-baai, Sambo, Tandjoengoeban (Riouw), Balikpapan, Samarinda, Sangkoelirang, Tarakan en Makassar. De havenmeesters op deze plaatsen zijn superintendent van het loodswezen. Het korps loodsen bestaat uit 41 (45) loodsen der Iste klasse en 33 (32) loodsen der 2de klasse. Door den Hoofdinspecteur, Hoofd van den Dienst van Scheepvaart, zijn bovendien Oosthaven, Kalianget en Manado aangewezen als havens, waar op verzoek van de betrokken gezagvoerders door den havenmeester aan binnen komende en vertrekkende schepen loodshulp kan worden verleend tegen een vastgestelde vergoeding. Aan bakengeld werd ontvangen: Zooals reeds in het vorig Verslag is vermeld, kwam het opnemingsvaartuig Tydeman begin Januari 1934 te Tandjoengpriok aan, waar het schip werd om gewisseld met de Willebrord Snellius. Medio Januari 1934 vertrok laatstgenoemd schip naar het opname-terrein Bangka —Billiton —Westkust van Borneo, welk terrein in samenwerking aanvankehjk met het gouvernements opnemingsvaartuig Orion, vervolgens met het gouvernements opnemingsvaartuig Zuiderkruis werd bearbeid. Tot einde 1934 werden door de Snellius de Macclesfield-Straat en het noordelijk gedeelte van de Clemet- en Stolze-Straten opnieuw in kaart gebracht, alsmede het gebied bezuiden de eilanden Lepar en Liat en de toegangen naar Tandjoengpandan. Van Straat Mendanao werd het noordelijk gedeelte belood. Voorts werden het betonde vaarwater naar Tandjoengpandan, de noord-noordwestelijke toegang naar dit vaarwater en een gedeelte van de Stolze-Straat afgedregd. Het gouvernements opnemingsvaartuig Orion verrichtte van begin Januari tot einde Maart 1934 opnemingswerkzaamheden in Straat Bangka, waarna de drogwerkzaamheden in Straat Berhala werden hervat tot einde Juni 1934. Begin Juli 1934 werd dit schip vervangen door het gouvernements stoomschip Zuiderkruis. In de tweede helft van Juli 1934 vertrok de Zuiderkruis naar Straat Bangka ter voortzetting van de opnamewerkzaamheden aldaar. In September d.a.v. werd in Straat Kidjang, gelegen beoosten het eiland Bintang (Riouw-archipel), het reeds in 1933 gehouden onderzoek naar de minste diepten in het vaarwater beoosten Tandjoeng Tili herhaald. Vervolgens werden de dregwerkzaamheden in Straat Berhala hervat, welke werkzaamheden begin December 1934 werden beëindigd. Hierna werd tot einde 1934 voortgegaan met de opname in Straat Bangka. Door de Gouvernements Marine vond in de maanden Mei/Juni en October/No vember 1934 de periodieke opname plaats van den drempel in het Wester vaar water van Soerabaja, tegehjk (in November) met een heropname van het vaarwater naar de pyrotechnische werkplaats op Madoera. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 198 7. Scheepvaart. Bij G. B. 6 Jan. 1934 n°. 17 (I. S. n°. 12) werden nieuwe regelen vastgesteld ter verzekering van de naleving der voorschriften van de Nederlandsche schepen wet door Nederlandsche schepen binnen het Nederlandsch-Indische rechtsgebied. De regeling van de bevoegdheden en werkwijze van den Raad voor de Scheepvaart kwam tot stand bij Ord. van 27 April 1934 (I. S. n°. 215). Bij R. V. van 19 Oct. 1934 (I. S. n°. 593) werd de instructie voor den voorzitter en de leden van den Raad voor de Scheepvaart, vastgesteld bij R. V. van 16 Juni 1928 (I. S. n°. 215) en laatstelijk gewijzigd en aangevuld bij die van 25 April 1932 (I. S. n°. 181), nader gewijzigd. Het reglement voor de examens ter verkrijging van diploma's van stuurman, machinist en machinedrijver aan boord van koopvaardijschepen (I. S. 1908 n°. 633) is nader gewijzigd bij G. Bn. 13 Maart 1934 n°. 20 (I. S. n°. 136) en 12 Nov. 1934 n°. 22 (I. S. n°. 628). Zeevaart. In de situatie van de scheepvaart kwam in 1934 slechts weinig verandering. Wat den omvang van het verkeer tusschen Nederlandsch-Indië en het buiten land betreft, geeft de statistiek van aangekomen schepen een toename van 2,0 % te zien ten opzichte van 1933, terwijl die toename ten aanzien van het verkeer binnen Nederlandsch-Indië 0,2 % bedraagt. De totale netto-inhoud van de uit het buitenland aangekomen handelsschepen bedroeg in 1934, 1933, 1932, 1931 en 1930 resp. 31,0, 29,4, 28,5, 30,1 en 34,2 millioen m 3, gevende voor de jaren 1930, 1931 en 1932 een afname van resp. 2, 12 en 5 % en voor de jaren 1933 en 1934 een toename van resp. 3 en 2 %. De totale netto-inhoud van de in binnenlandsch verkeer aangekomen handels schepen bedroeg in 1934, 1933, 1932, 1931 en 1930 resp. 130,4, 130,2, 127,0, 143,0 en 156,9 millioen m 3, gevende voor de jaren 1930, 1931 en 1932 een afname van resp. 5,3, 8,9 en 11,2 % en voor de jaren 1933 en 1934 een toename van resp. 2,5 en 0,2 %. De achteruitgang in het ladingvervoer van Europa naar Nederlandsch-Indië is in 1934 vrijwel tot stilstand gekomen. Een der beide maildiensten vermeldt voor het eerst sedert 1929 weder een geringe stijging van dit vervoer; de andere vervoerde in 1934 nog iets minder dan in 1933, voornamelijk naar Java en Madoera, welke afname eenigszins gecompenseerd kon worden door een iets toegenomen vervoer van lading, bestemd voor de Buitengewesten. Toenemende industrialisatie van Nederlandsch-Indië en de concurrentie van Japansche zijde zijn de hoofd oorzaken, dat de invoer uit Europa in 1934 nog op hetzelfde laag niveau gebleven is als die van het jaar te voren. Hot vervoer van lading van Indië naar Europa nam iets toe, voornamelijk door den aanvankelijk toegenomen export van copra in verband met later in het jaar in de Vereenigde Staten ingestelde invoerrechten op copra, copraproducten en palmolie. Deze toename van vervoer, voornamelijk uit de Buitengewesten, overtrof een vermindering van vervoer van Java en Madoera. De reeds in voorafgegane jaren gesignaleerde dispariteit tusschen het inkomend en uitgaand verkeer nam door den eenigszins verhoogden export nog toe en wederom moesten vele schepen in ballast rond Kaap de Goede Hoop of door het Suez-kanaal worden uitgezonden, ten einde voor het aanbod van lading in Indië voldoende scheepsruimte beschikbaar te kunnen stellen. Waar het vrachtenpeil voor verschillende artikelen verder terugliep, beteekende dit voor de betrokken maatschappijen een groote opoffering. Voorts werkte ten aanzien van de bedrij fsuitkomsten als ongunstige factor VERKEER. 199 mede, dat het boeken van lading op steeds korter termijn plaats vond, hetgeen o. m. zijn oorzaak vond in het veelvuldig ingrijpen van de Regeeringen in de vrije handelsbeweging, waardoor men er tegen opziet om termijncontracten aan te gaan. Op den door de N. V. Stoomvaart Maatschappij „Nederland", de N.V. „Rotter damsche Lloyd" en de N.V. Nederlandsche Stoomvaart Maatschappij „Oceaan" gezamenlijk onderhouden veertiendaagsch.cn dienst tusschen Nederlandsch-Indië en de Oostkust der Vereenigde Staten van Amerika, de z.g. Java—New-York-hjn, is het ladingvervoer van de Oostkust van Noord-Amerika door de devaluatie van den dollar toegenomen. Do gemiddelde vracht per eenheid is echter belangrijk gedaald. De resultaten van het uitgaand vervoer zijn niet onbevredigend, al drukten de bovengenoemde in de Vereenigde Staten geheven rechten op copra en palmolie het vervoer dier bulkartikelen. Geregelde afvaarten naar Halifax (Canada) en zuidelijke havens in de Vereenigde Staten vonden plaats. Op de Silver Java Pacific-hjn, een combinatie van de Pacific Java Bengalen-lijn (N.V. „Rotterdamsche Lloyd" en N.V. Stoomvaart Maatschappij „Nederland") en de Silver-line (Kerr-line), die een halfmaandelijkschcn dienst onderhoudt tusschen Britsch-Indië, Nederlandsch-Indië en de Pacific-kust, bleef het rijstvervoer tusschen Rangoon en Java als gevolg van het door de Regeering gehandhaafde rij stinvoer verbod gering. Eveneens liep het vervoer van goenies uit Calcutta verder terug, terwijl in omgekeerde richting het vervoer van suiker wederom een sterken achteruitgang vertoonde in verband met de — door hooge beschermende rechten — in Britsch-Indië toenemende suikerproductie. Het vervoer naar de Westkust van Amerika, hetwelk voor stukgoederen, vergeleken bij 1933, niet onbevredigend was, ondervond, wat de bulkartikelen palmolie en uit copra geproduceerde oliën aangaat, in sterke mate den terugslag van de beschermende maatregelen in de Vereenigde Staten. Echter heeft zich in 1934 een afzet van kapokpitten naar de Westkust van Noord-Amerika ontwikkeld; door de concurrentie moest de vracht van dit artikel, evenals voor kapok, nochtans tot een zeer laag peil worden teruggebracht. Wat de Java —China —Japan-lijn aangaat, zijn de bedrijfsresultaten zoowel ten aanzien van het vracht- als van het passagiersvervoer in het algemeen ten achtergebleven bij die van 1933. Het vervoer van suiker van Nederlandsch-Indië naar China en Japan bleef vrij constant en bedroeg slechts weinig minder dan in 1933. Daarentegen verminderde het vervoer van mais zeer belangrijk. Het vrachtvervoer van en naar Australië van den geregelden maandelijkschen dienst der Java —Australië-lijn van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij is in 1934 toegenomen, hetgeen mede het geval was met het vrachtvervoer op de door die Maatschappij onderhouden Java —Mauritius —Afrika-lijnen (Zuidlijn en Oostlijn). In 1934 werd door de Koninklijke Paketvaart Maatschappij een nieuwe verbinding ingesteld, de Saigon—Réunion —Madagascar-lijn. Het vrachtvervoer op de door de Koninklijke Paketvaart Maatschappij onder houden Deli—Straits —China-lijn, de Saigon—Java—Nouméa-hjn en de Saigon— Molukken-lijn verminderde in vergehjking met 1933 eenigszins; daarentegen nam het vrachtvervoer op de Java —Siam-hjn en de Rangoon—Deli-lijn dier Maatschappij een weinig toe. Het passagiersvervoer naar Europa nam toe en kwam weder bijna op het peil van 1930. Ook het vervoer in de richting Europa—lndië vertoonde een niet onbe vredigende toename, doch bleef nog sterk ten achter bij het vervoer Indië—Europa, Waar echter ook bij het particulier passagiersvervoer een duidelijke verschuiving DE rrNANCTEELE TOESTAND. 20 Gunstig werd de vlottende schuld in Indië beïnvloed: I°. met een bedrag van f 1 100 000 doordat de Landsrekening bij D ■ Javasche Bank werd gecrediteerd voor het bedrag der reeds buiten omloop gestelde munt biljetten: 2°. meteen bedrag van f 8,9 millioen als opbrengst in Indië van de Nederlandsch- Indische leening 1934 (3de uitgifte). Indien al deze factoren worden geëlimineerd zou de vlottende schuld in Indië over het jaar L 934 zijn afgenomen met dz f 67.1 millioen. Vlo 11 en d c schii I d i n Xcd<•rl a. n d. De voorziening in de behoeften aan kasmiddelen voor den Indischen dienst in Nederland geschiedt in hoofdzaak door gebruik te maken van Int crediet bij 's Rijksscha.t kist, dat jaarlijks door den wetgever in Nederland ten behoeve van Indië wordt geopend on dat bij do wet van 22 Dec. 1933 (N. S. n°. 713, I. S. 1934 n°. 81) voor 1934, evenals voor 1933. werd vastgesteld op een maximum bedrag van f 350 millioen. Hiervan behoefde slechts tot een maximum bedrag van f 285 millioen te worden gebruik gemaakt. De vlottende schuld in Nederland nam over 1934 af met oen bedrag van ± f 118 millioen als gevolg van: I°. dr opbrengst in Nederland van de leening 1934 (3de uitgifte) vertegenwoordigende een bedrag van f 140600000; 2 . de overmaking uit Indië van f 69 millioen; 3°. de betaling aan Nederland van een bedrag van f 28 6700 uu met Indische teekenmunt; 4°. de omstandigheid, dat een bedrag van f 7 300 000 uit de opbrengsl der Neder landsch-Indische Conversio-locning 1934 A niet behoefde teworden besteed voor de aflossing van schuldbewijzen der Indische Leeningen 1915, 1916, 1917, 1923 A, 1926 A B, 1929 en 1932. welke in Nederlandsch-Indië werden verzilverd. Indien de gunstige invloed van deze feiten np de vlottende schuld in Nederland wordt geëlimineerd, zou deze in 1934 met }_ : f' 127,7 millioen zijn toegenomen. Ook in 1934 was het weer mogelijk om, dank zij de verdere daling van den rente voet, in Nederland schatkistpapier tegen zeer voordcelige voorwaarden onder te brongen, waarmede ook de financiering van do tekorten op den Indischen dienst was gebaat. Zooals uit dit overzicht blijkt, werd in 1934 gebruik gemaakt van de mogelijkheid om tegen aannemelijke voorwaarden schatkistpapier mei een langeren looptijd dan één jaar te plaatsen. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 200 naar de lagere klassen plaats had en de passageprijzen sedert 1 Januari 1933 zijn gereduceerd, zijn de passage-ontvangsten nog zeer belangrijk lager dan in 1930 en bedroegen deze slechts weinig meer dan in 1933. Het aantal aanvragen voor passage in de derde klasse was gedurende een belangrijk deel van het jaar grooter dan de beschikbare accomodatie. Eensdeels kon hierin worden voorzien door accomodatie in een hoogere klasse, anderzijds vond afvloeiing naar buitenlandsche lijnen plaats. Het toeristenverkeer en het vervoer van buitenlandsche passagiers werden een steeds belangrijker factor in het passage-bedrijf, waartoe (internationale) overeenkomsten met andere transportbedrijven het noodige bijdroegen. Het pelgrimvervoer was iets gunstiger dan in 1933. Zooals reeds vermeld, bleven voor de Java—China—Japan-lijn de bedrijfsresul taten in het passagiersvervoer ten achter bij die van 1933. Het passagiersvervoer op de Saigon—Java—Nouméa-hjn van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, in het bijzonder van Javaansche contractanten, was grooter dan in 1933. Een zeer belangrijke toename in het vervoer van Chineesche koelies naar Singapore, in verband met de toegenomen behoefte aan werkvolk in de Straits en de Federated Malay States, had plaats op de Deli—China-lijn dier Maatschappij. Het particulier interinsulair reizigersverkeer per Koninklijke Paket vaart Maatschappij nam, in vergelijking met 1933, af met 8 %; het interinsulair Landsreizigersverkeer nam in vergelijk met het voorafgegane jaar met 2 % toe. Rivier vaart. De rivier vaart onderging in 1934 geen verandering. Bedrij fsover zichten van Nederlandsche scheepvaartmaatschappijen. Het onder houden van de verschillende scheepvaartverbindingen in den Indischen Archipel door de Koninklijke Paketvaart Maatschappij had gedurende 1934 op normale wijze plaats overeenkomstig de tusschen de Regeering en haar gesloten overeenkomst (I. S. 1930 n°. 454 en Bb. n°. 12451). De volgende cijfers geven een overzicht omtrent het bedrijf der Maatschappij gedurende 1934 en 1933: Aantal zeemijlen door de schepen der Maatschappij afgelegd: VERKEER. 201 Einde 1933 bestond de vloot (exclusief het reede-transportmateriaal) uit 138 schepen (105 stoomschcpen en 33 motorschepen), metende bruto 284 397 on netto 169 203 RT. Gedurende 1934 werd het motorschip Alfoer aan de vloot toegevoegd, terwijl afgevoerd werden de stoomschcpen Rumphius, Van Hoorn, Alting, De Eerens, Singkep en Singkawang, het motorschip Loudon en de hekwieler Kapoeas. Einde 1934 bestond de vloot uit 131 schepen (98 stoomschepen en 33 motor schepen), waarvan 81 passagiersschepen, 48 vrachtschepen en 2 hekwielers, met een inhoud van bruto 275 452 en netto 164 309 RT. De dienstregeling werd voor zoover mogelijk verder gerationaliseerd door wijziging in den opzet van enkele lijnen, door plaatsing van kleinere scheepstypen op daarvoor in aanmerking komende diensten en door een economischer verdeeling van de be schikbare vaartijden. Enkele schepen, waaronder één der groote sneldienstschepen, bleven opgelegd. De Java — Australië-lijn werd met de schepen Nieuw-Holland en Nieuw-Zeeland in geregelden maandelijkschen dienst bevaren. De Java — Mauritius — Afrika-lijn (Zuidlijn) werd gedurende 1934 in geregelden 4- wekelij kschen dienst bevaren door de stoomschepen Tasman, Houtman en Rogge veen. De Java — Mauritius — Afrika-lijn (Oostlijn) werd geregeld maandelijks bevaren door de stoomschepen Van Spilbergen en Le Maire. In de, in 1934 ingestelde Saigon — Reunion — Madagascar-lijn kwamen 13 af vaarten met vrachtschepen van Saigon naar Réunion en Madagascar. In de Deli — Straits — China-lijn onderhielden de motorschepen Van Heutsz en Cremer een geregelden veertiendaagschen dienst tusschen China, Singapore en Deli. Al naar gelang van behoefte werd in de Java — Siam-lijn afscheepgelcgenheid gegeven voor suiker van Indië naar Bangkok en voor rijst van Bangkok naar Java havens. In de Rangoon — Deli-lijn worden gedurende 1934 21 afvaarten van Rangoon naar Belawan-Deli gegeven. Nadat in Mei 1934 door de Regeering werd besloten den invoer van buitenlandsehe rijst in de Molukken op licentie toe te staan, werd de Saigon — Molukken-lijn van Juni 1934 af wederom maandelijks bevaren. De Saigon — Java — Noumea-lijn werd tweemaandelijks door het stoomschip Van Rees bevaren. Behalve de reizen op genoemde lijnen, werden gedurende 1934 nog verschillende extra-reizon gemaakt. Naar Australië werd éénmaal en naar Zuid-Afrika driemaal een extra-schip ingelegd, terwijl een tweetal extra-reizen werden gemaakt van Bang kok naar Britsch-Indië. Voorts hadden 2 benzine-transporten naar Bangkok jilaats en werden 15 kolenreizen naar Bangkok, Manilla en Hongkong/Whampoa/Canton volbracht. De sleepdienst in Straat Laoet werd naar behoefte incidenteel van Kota Baroe uit, bevaren. De Java—China — Japan-lijn onderhield gedurende 1934 de volgende lijn diensten: Van Soerabaja/Semarang/Batavia naar Hongkong/Amoy/Shanghai en terug van Shanghai/Amoy/Hongkong naar Manilla/Makassar/Boeleleng (uitsluitend voor debarkement van passagiers)/Soerabaja. Deze lijn werd met 14-daagsche afvaarten bevaren door de motorschepen Tjinegara, Tjisadane en Tjibadak. Van Soerabaja/Makassar/Balikpapan/Manado (facultatief) naar Manilla/Hongkong Amoy/Shanghai/Dairon en terug van Dairen/Shanghai/Keeluiig (om de andere vaart)/ Amoy/Hongkong naar Muntok/Batavia/Java-kust en Tjilatjap (om de andere vaart). Deze hjn werd met 14-daagsche afvaarten bevaren door 5 schepen. In verband met DE ECONOMISCHE TOESTAND. 202 de van Overheidswege ingestelde beperking ten aanzien van den invoer van soya boonen (welke vrijwel uitsluitend afkomstig zijn van Dairen) moest het aanloopen van deze haven teruggebracht worden van 2 afvaarten tot 1 afvaart per 4 weken. Dit had de volgende splitsing van de lijn ten gevolge: Van Soerabaje/Makassar/Balikpapan (facultatief) naar Manilla/Hongkong/Amoy/ Dairen en terug, van Dairen/Shanghai/Keelung (facultatief)/Amoy/Hongkong naar Muntok/Batavia/Java-kust en Tjilatjap (facultatief). Deze lijn werd met 4-wekelij ksohe afvaarten bevaren door 2 schepen (stoomsche pen Tjikembang en Tjisondari). Van Soerabaja/Makassar/Balikpapan/Manado (facultatief) naar Manilla/Hong kong/Amoy/Miike/Shanghai en terug, van Shanghai/Keelung (facultatief)/Amoy/ Hongkong naar Muntok/Batavia/Java-kust. Deze lijn werd met 4-wekelijksche afvaarten bevaren door 2 schepen (stoomschepen Tjisaroea en Tjisalak). De afvaarten van deze beide hjnen werden zóó geregeld dat van Soerabaja 14-daagsche afvaarten plaats hadden, terwijl het facultatief aanloopen van Keelung zoodanig geregeld werd dat iedere maand één afvaart van Keelung naar Nederlandsch- Indië werd gegeven. Van Batavia/Padang/Oosthaven/Soerabaja (dan wel van Batavia/Palembang/ Soerabaja) via Makassar en Balikpapan (1 maal in de maand); naar Moji/Kobe/ Osaka/Nagoya/Yokohama en terug van Yokohama/Nagoya/Osaka/Kobe naar Manado (1 maal per maand)/Makassar/Java en Sumatra (zie uitreis). Deze lijn werd met 2 afvaarten per maand bevaren door 4 schepen. N. V. Stoomvaart Maatschappij Nederland. Evenals in 1933 werd ook in 1934, tezamen met de N. V. Rotterdamsche Lloyd, met 8 mailschepen de maildienst onderhouden, waardoor eens in de drie weken een mailafvaart door een vrachtschip moest worden waargenomen. In het drukke seizoen bleek het echter noodzakelijk om het motorschip Johan van Oldenbarnevelt en het motorschip Marnix van Sint Aldegonde in Genua te laten omkeeren en van daar naar Nederlandsch-Indië te laten terugkeeren. Op deze wijze werd de duur van een rondreis aanmerkelijk verkort, waardoor in die periode één afvaart meer kon worden gegeven. Bovendien werd éénmaal met het stoomschip J. P. Coen een extra reis gemaakt. In November werd het motorschip Christiaan Huygens voor een rondreis opgelegd en vervangen door een vrachtschip, aangezien toen met de overige meilschepen voldoende in de passage-aanvragen kon worden voorzien. Na de beëindiging van den ombouw van de stoomschepen Manoeran, Mapia en Madoera tot motorschepen, werden geen verdere wijzigingen in de vloot ge bracht. Einde 1934 waren opgelegd de schepen J. P. Coen, Prins der Nederlanden, Beng kalis, Batoe, Moena, Singkep, Soemba en Sembilan. N. V. Rotterdamsche Lloyd. In Mei en in Juli werden extra afvaarten gegeven met het motorschip Indrapoera, teneinde aan de passage-aanvragen in het drukke seizoen te kunnen voldoen. Aan het einde van het jaar werd, in samenwerking met de N. V. Stoomvaart Maatschappij Nederland, besloten tot verdere beperking van den maildienst met passagiersschepen. De verbouwing van het motorschip Indrapoera en de ombouw van de stoom schepen Modjokerto en Siantar tot motorschepen kwamen tot stand; een geleidelijke verbouwing van het motorschip Sibajak werd aangevangen. Voor de geheele vloot was in 1934 geen emplooi te vinden, zoodat eenige schepen het geheele jaar door, andere gedurende een aantal maanden moesten worden opgelegd Java — New Vork-lijn. Tusschen Nederlandsch-Indië en de Oostkust van Amerika werd in onderlinge samenwerking door de N. V. Stoomvaart Maatschappij Nederland, de N. V. Rotterdamsche Lloyd en de N. V. Nederlandsche Stoomvaart Maatschappij VERKEER 203 Oceaan een geregelde veertiendaagsche dienst onderhouden. Geregelde afvaarten naar Halifax (Canada) en eenige Zuidelijke havens in de Vereenigde Staten vonden plaats. Silver — Java — Pacific-lijn. Deze lijn is een combinatie van de Pacific—Java— Bengalen-lijn (Rotterdamsche Lloyd en N. V. Stoomvaart Maatschappij Nederland) met de Silver-Line (Kerr-Line); van de Rotterdamsche Lloyd voeren in 1934 drie schepen (9 reizen) in deze lijn, van de Nederland 5 schepen (10 reizen). Regeeringsbemoeienis met de particuliere scheepvaart. Onder leiding van den Hoofdinspecteur, Hoofd van den Dienst van Scheepvaart, vond het schepentoezicht (uitgeoefend door de beroepshavenmeesters, bijgestaan door de technische experts) op normale wijze plaats. Een deel van de betrekkelijke voorschriften is reeds gevestigd op internationalen grondslag, in verband met de internationale overeenkomsten van Londen met betrekking tot de uitwatering (1930). Het Regeeringstoezicht op de binnenschepen geschiedt door de (dd) havenmeesters en krachtens de verordeningen en keuren, welke voor de verschillende gewesten op grond van de binnenschepen-ordonnantie-1927 door het Hoofd van elk betreffend gewest zijn vastgesteld; in verschillende autonome gebiedsdeelen bestaan overeen komstige regelingen. De te Batavia zitting houdende Raad voor de Scheepvaart stelde in het afgeloopen jaar 3 onderzoeken in naar plaats gehad hebbende scheepsongevallen. 8. Burgerlijk luchtverkeer. De regelingen met betrekking tot de burgerlijke luchtvaart in Nederlandsch- Indië zijn opgenomen in I. S. 1934 n°. 205. In 1934 werd het geregelde luchtverkeer binnen het Nederlandsch-Indisch rechtsgebied onderhouden door de Koninklijke Nederlandsch-Indische Luchtvaart Maatschappij (K. N. I. L. M.) en de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij voor Nederland en Koloniën (K. L. M.) en sinds 13 December door de Quantas Empire Airways Ltd., welke luchtvaartmaatschappij de verbinding Singapore —Australië verzorgt. In 1934 werden door de K. N. I. L. M. de volgende vervoersresultaten bereikt: 17 630 passagiers, 74 708 kg goederen en 27 564 kg brief- en pakketpost, waardoor zij einde 1934 sinds de opening van haar luchtlijnen op 1 November 1928 in totaal vervoerde: 101 398 passagiers, 488 230 kg goederen en 101 943 kg brief- en pakketpost. De volgende diensten werden onderhouden: a. een dagelijksche dienst v.v. tusschen Batavia —Semarang en Soerabaja; b. een tweemaaldaagsche dienst v.v. tusschen Batavia en Bandoeng, welke van 1 Mei tot 1 November (droge moesson) tot een driemaaldaagschen dienst werd uitgebreid; c. een wekelijksche dienst v.v. tusschen Batavia —Palembang en Singapore; d. een wekelijksche dienst v.v. tusschen Batavia —Palembang —Pakanbaroe en Medan; e. een wekelijksche dienst v.v. tusschen Medan en Alorstar, welke 1 November 1934 — als gevolg van de verlegging van de route der K. L. M. over Medan — als overbodig werd opgeheven. Van de toestemming om gedurende drie maanden een proefluchtverbinding van Soerabaja met Makassar via Zuid-Bah te onderhouden, kon in 1934 nog geen gebruik worden gemaakt, aangezien het door particulier initiatief te Makassar tot stand te brengen vliegveld nog niet gereed was en het bovendien in verband met de weersomstandigheden beter werd geoordeeld den oostmoesson af te wachten. Het luchtverkeer van de K. N. I. L. M. in 1934 was veel hooger dan in het vorig jaar. Hieronder volgt de samengetrokken vervoersstatistiek van de K. N. I. L. M. gedurende de jaren 1929 tot en met 1934. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 204 Uit het bovenstaande blijkt, dat over een gevlogen kilometer in 1934 gemiddeld werd vervoerd 4,3 passagier (in 1933 3,8), 23 kg post (in 1933 22) en 29 kg goederen (in 1933 27). Gerekend in passagier/km en ton/km steeg het passagiersvervoer met 18,1 %, het postvervoer met 5,8 % en het goederenvervoer met 13,4 %. De gemiddelde afstand, welke werd afgelegd, bedroeg onderscheidenlijk voor één passagier 314 km (v. j. 336), voor 1 ton post 793 km (v. j. 961) en voor 1 ton goederen 355 km (v. j. 338), waaruit volgt, dat het passagiers- en postvervoer op de kortere lijnen in sterkere mate is toegenomen dan op do langere, terwijl voor het goederenvervoer het omgekeerde geldt. De deelname aan speciale vluchten was beter dan in het voorafgegane jaar. De vermeerdering van het aantal passagiers bedroeg 31 %. De grootste vermeer dering toonen de rondvluchten, waarbij het aantal passagiers 70 % hooger was dan in 1933. Het vervoer van bloemen liep evenals het vorig jaar terug, doch deze daling werd gecompenseerd door een grooter courantenvervoer. De regelmaat van het verkeer bedroeg over het geheele jaar 100 %. Met ingang van de zomer dienstregeling van de K. L. M. op de Nederland —Indië- route en de daarmede gepaard gaande verkorting van den reisduur, kon sinds 1 Mei 1934 het doorzenden van de Hollandsche luchtmail per extra K. N. I. L. M.-vliegtuig naar Semarang, Tjepoe en Soerabaja worden gestaakt. De luchtroute van de K.L.M, was als onderdeel van de wekelijksehe Holland— Indië-verbinding tot 1 November als volgt: Singapore —Palembang —Batavia. Van dien datum af werd Medan wederom in de route genomen, waardoor deze werd: Alorstar—Medan—Singapore—Palembang—Batavia vice versa. Bij een ongeveer gelijke lengte van de verbinding als in 1933, steeg het percentage van het totale aantal ton/km van 65 % tot bijna 79 %, hetgeen een zeer hooge be zettingsgraad is, gelet op de groote lengte van de lijn, welke de mogelijkheid om een hoog percentage te behalen uiterst moeilijk maakt. De K. L. M. slaagde er in den reisduur verder te bekorten en dezen voor de zomerdienstregeling van 9 op 7*4 dag en voor de winterdienstregeling van 10 op 9 dagen terug te brengen. Ook de tarieven ondergingen 1 November 1934 weder een verlaging (van f 1750 op f 1500 enkele reis). Vervoer per K. N. I. L. M. in 1934. VERKEER. 205 Het vervoer bewoog zich in voortdurend stijgende lijn; de resultaten van elk onderdeel geven een toename van het vervoer te zien voor briefpost van 4,0 %, voor pakketpost van 218,0 %, voor vracht van 26,2 % en voor passagiers van 12,0 %. Door gebrek aan plaatsruimte moesten vele passagiers en vrachtverzenders teleurgesteld worden. Quantas Empire Airways Ltd. Deze luchtvaartmaatschappij, welke in aansluiting op de bestaande Britsche luchtverbhiding Londen —Singapore v. v., laatstgenoemde plaats in een wekelijkschen dienst met Brisbane v. v. verbindt, werd 13 December 1934 geopend. De luchtroute is als volgt vastgesteld: Singapore —Batavia —Soera- baja—Rambang (waar wordt overnacht) —Koepang—-Darwin vice versa. Omtrent de bedrijfsresultaten staan nog geen gegevens ten dienste; het passagiersvervoer is gedurende de eerste maanden door de Australische Regeering verboden. De Indische Regeering heeft aan het overvliegen van het Nederlandsch-Indisch rechtsgebied de voorwaarde verbonden, dat uitsluitend passagiers, post en vracht goederen zullen worden vervoerd tusschen Nederlandsch-Indische luchthavens eenerzij ds en buitenlandsehe (w.o. Nederlandsche) luchthavens anderzijds, behoudens dat is toegestaan het vervoer van Soerabaja naar alle beoosten die luchthaven binnen Nederlandsch-Indië gelegen plaatsen v. v. Overige vluchten. De route van de in October 1934 gehouden Mac Robertson Air Race van Mildenhall naar Melbourne liep over Nederlandsch-Indisch grond gebied. Door samenwerking van verschillende Landsdiensten en particulieren was het mogehjk hiervoor volledige medewerking te verleenen. De sportvliegerij werd in toenemende mate beoefend. Verschillende groote afstanden werden afgelegd, o. a. Soerabaja—-Brastagi v.v., Bandoeng—Makassar v.v., Bandoeng—Koepang v.v. In 1934 bedroeg het aantal nieuw uitgereikte sport brevetten 16, dat voor afgegeven luchtwaardigheidscertificaten voor sportvlieg tuigen 4. Twee sporttoestellen, nl. het éénmotorige P.W.-toestel en het tweemotorige Walraven W 2-toestel, werden in Nederlandsch-Indië ontworpen en gebouwd. Vliegvelden. In verband met het feit, dat de militaire noodlandingsterreinen langs de noordkust van Java werden opgeheven, werd dat te Tegal, hetwelk voor de burgerluchtvaart van waarde is, overgenomen. Op verzoek van de Australische Regeering werden ten behoeve van de Quantas Empire Airways Ltd. landingsterreinen aangelegd op Soemba bij Waingapoe en op Sawoe. Door particulier initiatief kreeg Brastagi een vliegterrein, dat officieel als zoodanig werd aangewezen en op 16 September 1934 werd geopend. Ook in andere plaatsen werd door plaatselijke comités de aanleg van vlieg terreinen ter hand genomen. Te Padang en te Makassar zijn de plannen tot aanleg van een vliegveld in vergevorderden staat van voorbereiding. Voor Malang werd in de omgeving van Singosari reeds een terrein voor dit doel aangekocht. Op Sabang was het de Sabang-Maatschappij, welke tot aanleg overging; in November had aldaar voor het eerst een landing plaats van legervliegtuigen. Aan de ver grooting van dit terrein, waarvan de afmetingen niet geschikt zijn voor de burgerluchtvaart, wordt voortgewerkt. Ten einde over voldoende gegevens te kunnen beschikken bij eventueele uitbreiding van het bestaande luchtnet, werden op verschillende belangrijke punten over den geheelen Archipel verkenningen verricht, welke goede resultaten hebben opgeleverd. Medio 1934 kwam een nieuwe uitgave tot stand van de „Luchtvaartatlas voor Nederlandsch-Indië", waarin volledige gegevens zijn verzameld omtrent alle terreinen, welke in Nederlandsch-Indië voor het burgerlijk luchtverkeer zijn opengesteld. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 206 9. Post, telegraaf en telefoon. De bij G. B. 9 Juni 1933 n°. 37 (I. S. n°. 270) ingestelde Commissie van Bijstand voor den Post-, Telegraaf- en Telefoondienst, waarvoor een instructie bij art. 2 van dat besluit is vastgesteld, kwam in 1934 viermaal in vergadering te Bandoeng bijeen. a. Overzicht van de bedrijfsresultaten. De dienst sloot in 1934 voor het eerst sedert 1929 met een voordeelig saldo. Weliswaar verminderden ten opzichte van 1933 de baten met ± f 1 534 000, doch de daling der ontvangsten is begin 1934 tot stilstand gekomen. Tegenover de daling der baten verminderden de lasten met ± f 3 230 000. Daar het voorafgegane jaar eindigde met een tekort van i f 832 000, werd 1934 derhalve afgesloten met een overschot van ± f 864 000. Op de vermindering van lasten was van grooten invloed de invoering der herziene bezoldigingsregeling voor burgerlijke landsdienaren, als gevolg waarvan de personeelskosten met i f 870 000 daalden; voorts daalden de pensioenslasten met ± f 476 000, de aflossing met f 534 000, de rente met f 196 000, terwijl op de overige bedrijfskosten een besparing van f 1 154 000 werd verkregen. Laatst genoemde vermindering van kosten werd bereikt door steeds verder gaande ver sobering van het bedrijf, door voortgezette administratieve vereenvoudiging en door systematische bezuiniging op de onderhoudskosten. Het aantal post- en telegraafafdeelingen en het aantal telegraaf- en telefoon districten op Java werden beide van 3 op 2 teruggebracht. Hiertoe werd het te voren door de 2de Afdeeling, respectievehjk 2de district bestreken gebied, na verkaveling, gevoegd bij dat van de Iste en 3de Afdeeling, respectievehjk Iste en 3de district. In verband hiermede kwam Semarang als standplaats van een afdeelings- en van een districtschef te vervallen. Met de omzetting van volwaardige post- en telegraafkantoren in inrichtingen van eenvoudiger bedrijfsvorm werd voortgegaan; 11 post- en telegraafkantoren werden verlaagd, waarvan 7 tot bijkantoor en 4 tot hulpkantoor (zie Bb. nos. 13215 en 13255), terwijl 1 bijkantoor en 1 hulpkantoor werden gesloten. Anderzijds werd voortgegaan met stimuleering van de inkomsten, waartoe zooveel mogelijk bekendheid werd gegeven aan de mogelijkheden welke het bedrijf biedt. Tot dat doel werden op de drie grootste plaatsen (te Batavia, Soerabaja en Sema rang) ambtenaren speciaal met reclame- en propaganda-werkzaamheden belast. Een vergelijkend overzicht van de bedrijfsresultaten over 1933 en 1934 volgt hieronder: VERKEER. 207 b. Bedrijf der Posterijen. Hoewel in mindere mate dan in de voorafgegane jaren, liep het verkeer in het algemeen nog terug; onderstaand overzicht geeft daarvan nog een duidelijk beeld. De in 1932 aangevangen vermeerdering van het aantal briefkaarten zette zich voort ten koste van de brieven. Het aantal expresse- en aangeteekende stukken en dat der postpakketten verminderde aanzienlijk. Ook de postwisseldienst toonde een verderen achteruitgang, voornamelijk in het gemiddelde bedrag der postwissels. Ofschoon de totale omvang van het brievenpostverkeer vrijwel stationnair bleef, verminderden de baten met 4,87 % (vorig jaar met ruim 8,5 %). Aan den van enkele zijden geuiten wensch om tot verlaging van de posttarieven over te gaan, kon slechts in zeer beperkte mate worden tegemoet gekomen. Behalve een verlaging van het recht voor expresse-bestelling van 40 op 25 cent, werd een ver minderd port voor plaatselijke brieven (5 cent per 20 gram) ingesteld, terwijl het port voor pakjes in het binnenlandsch verkeer en in het verkeer naar Nederland per zeepost werd herzien. De instelling van het locaal brievenport had een vermeerdering van het aantal plaatselijke brieven met ± 13 % ten gevolge. "■) Aantal ter invordering ontvangen. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 208 De toeslag van de jaarlijks uitgegeven weldadigheidspostzegels kwam ditmaal ten bate van de Stichting „Cntrale Vereeniging tot bestrijding der tuberculose in Nederlandsch-Indië". Als herinnering aan het werk, dat door wijlen H. M. Koningin Emma voor de tuberculosebestrijding is verricht, droegen de zegels Haar beeltenis. De luchtpost genoot een nog steeds stijgende belangstelling van handel en publiek. Het vervoer over de binnenlandsche lijnon bedroeg 22 534 kg, tegen 19 786 kg over 1933; mot de K.L.M, werd naar Nederland 13 294 kg overgebracht, tegen 11 821 kg in 1933. Het gemiddelde bruto-gewicht aan post, dat per week por K. L. M. uit Indië werd verzonden, steeg van 260 kg in 1933 tot 295 kg in 1934. Met ingang van 1 April 1934 werd de gelegenheid opengesteld in Nederlandsch- Indië bezorgde luchtpostcorrespondentie per Imperial Airways van Singapore of Alorstar af langs den luchtweg te doen doorzenden. Medio December werd de Quantas-luchtlijn Singapore—Australië v.v. geopend, welke voor de verzending van binnenlandsche (uitgezonderd in het rochtstreeksche verkeer tusschen Batavia-C en Soerabaja v.v.) en buitenlandsehe luchtpoststukken werd opengesteld. Voor verdere gegevens inzake de ontwikkeling van het postverkeer per vliegtuig wordt verwezen naar het overzicht over het burgerlijk luchtverkeer. Door reorganisatie van de districtspost op Java en Madoera werd een bezuiniging van ± f 1700 per maand verkregen, terwijl de dienstuitvoering aanmerkelijk werd verbeterd. De ongeadresseerde verspreiding van drukwerken nam toe (2 788 800 stuks in 1934, tegen 1 173 300 stuks in 1933), zonder dat dit de verzending van binnen landsche geadresseerde drukwerken ongunstig beïnvloedde. Op Java werd het postverkeer per trein aanzienlijk verbeterd. Voorts werd het aantal inrichtingen, waar postwaarden verkrijgbaar zijn gesteld, uitgebreid, terwijl op het platteland een proef werd genomen met het plaatsen van eenvoudige brievenbussen. De inning van de aan de Nederlandsch-Indische Radio Omroep Maatschappij (N. I. R. O. M.) verschuldigde omroep-bedragen werd door den postdienst verzorgd. Op enkele post- en telegraafkantoren werd een proef genomen met de invordering van belastinggelden, de uitbetaling van pensioenen en het debiet van slacht briefjes. Deze proef verliep gunstig, zoodat besloten is om alle werkzaamheden van de hulpperceptiekassen geleidelijk door den postdienst te doen overnemen. Verder werden voorbereidende maatregelen getroffen om op 1 Januari 1935 bij wijze van proef aan te vangen met de inning van schoolquitantiën voor ver schillende onderwijsinrichtingen. Tusschen de landen van afzending en van bestemming heeft geen verrekening plaats van de voor de brievenpost geheven porten. Bij gelijk of ongeveer gelijk verkeer geeft deze regeling geen aanleiding tot onbillijkheden. Het aantal druk werken, dat uit Nederland naar Nederlandsch-Indië wordt verzonden, is echter veel grooter dan in omgekeerde richting (over 1934 een verschil van 7 700 000 stuks). Dit heeft aanleiding gegeven tot overleg met de Nederlandsche postadministratie, ten einde te geraken tot uitkeering aan den Indischen dienst van een deel van de voor die meerdere drukwerken in Nederland betaalde porten. Overeenstemming is vorkregen voor de betaling van een uitkeering, te beginnen met 1935, welke op ± f 53 000 kan worden begroot. Verder betaalt de Nederlandsche dienst van 1 Augustus 1934 af de helft van de kosten, verschuldigd voor het luchtvervoer binnen Nederlandsch-Indië van de per K. L. M. te verzenden of met de K. L. M. aangebrachte luchtpost (i f 10 000 per jaar). Hiertoe is op verzoek van den Indischen dienst overgegaan, wijl met dit vervoer mede Nederlandsche belangen zijn gemoeid. Voorts zullen van 1934 af de door de K. L. M. jaarlijks uit het overschot op VERKEER. 209 de Holland —Indië-hjn terug te betalen sommen tusschen de Nederlandsche en Nederlandsch-Indische postdiensten worden verdeeld in verhouding tot de bedragen, welke door de betrokken postdiensten op den luchtdienst worden toegelegd. Van 1 Februari tot en met 20 Maart 1934 werd te Cairo het tiende congres van de Wcreldpostvoreeniging gehouden. Op dit congres, waar Nederlandscli-Tndië vertegenwoordigd was door een zelfstandige delegatie, had de periodieke vijf jaarlijksche herziening plaats van de bepalingen betreffende den internationale.ï postdienst. Ten einde overeenstemming te behouden tusschen de binnen- en buitenlandsehe bepalingen, was ook herziening noodig van de binnenlandsche postale wetgeving. Van deze gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om die wetgeving zooveel mogelijk te vereenvoudigen en een soepeler regeling te treffen. De te Caïro gesloten overeenkomsten zijn afgekondigd in I. S. 1934 n°. 652; de nieuwe algemeene verordeningen betreffende den postdienst komen voor in I. S. 1934 nos. 720, 721, 722, 754 en 755. De uitvoeringsbepalingen Postreglement 1925 zijn nader gewijzigd en aan gevuld (I. S. 1934 nos. 143 en 302). De op 17 Juli/3 April 1933 tusschen Nederlandsch-Indië en Groot-Britannië en Noord-lerland gesloten overeenkomst tot regeling van den rechtstreekschen pakketpostdienst is goedgekeurd bij G. B. 2 Maart 1934 n°. 14 (I. S. n°. 113). De instelling van de Maleische Postume „Malaya" (welke de Straits Settlements en den Maleischen Statenbond omvat) maakte een herziening van de met die administraties gesloten postwissel- on pakketpost-overeenkomsten noodzakelijk. Ten slotte werd een nieuwe pakketpost-overeenkomst aangegaan met de Vereenigde Staten van Amerika. c. Bedrijf der Telegrafie en Telefonie. Het onderstaand overzicht van de in de jaren 1930 t/m 1934 gewisselde binnen- en buitenlandsche telegrammen geeft een beeld van het verkeer sinds 1930. Door de invoering op 1 Januari 1934 van uitsluitend 5-letter code-telegrammen met een minimum van 5 woorden per telegram, terwijl te voren bovendien tele grammen in overeengekomen taal met woorden van hoogstens 10 letters bestonden, geeft een vergelijking van het aantal woorden over 1934 met dat over vorige jaren geen juist beeld van het verschil in den omvang van het verkeer. De verhouding tusschen de met het buitenland via den radioweg en via den kabel weg gewisselde telegrammen wijzigde zich wederom in een voor den radio weg gunstigen zin. Vooral in het verkeer met Japan, hetwelk door de te Batavia gehouden Nederlandsch-Japansche handelsconferentie gunstig werd beïnvloed, werd in toenemende mate van de radio-verbinding gebruik gemaakt. Ten einde het verkeer te stimuleeren, werd het instituut der „antwoord telegrammen" ingevoerd, echter tot dusver zonder succes. De in 1933 aangewende DE LANDSFINANI'IKN. 21 b. Vaste of geconsolideerde schuld. Deze schuld vertegenwoordigde bij den aanvang van 1934 een bedrag van f 1 248 200 000 J ) Aan nieuwe schuld werd gedurende 1934 aangegaan een bedrag van „ 150 000 000 f 1 398 200 000 terwijl de schuld afnam wegens aflossing met „ 28 600 000 zoodat de schuld eind 1934 bedroeg f 1 369 600 000 De verdere daling van de kapitaalrente maakte in 1934 de conversie mogelijk van hot grootste gedeelte dor moer dan 4 % rentedragende Nederlandsch-Indische leeningen met behulp van het moederland, waardoor een belangrijke verlichting van het uitgavenbudget werd verkregen; niet het milist ook doordat bij deze conversie de looptijd van do nieuwe leeningen, vergeleken met den aflossingsduur van de gecon verteerde leeningen, aanmerkelijk word verlengd, terwijl voor de aflossing het systeem van annuïteiten werd aangenomen. Nadat op 18 Januari in afwachting van de tot standkoming van een wetsontwerp. waardoor de verwisseling zou worden mogelijk gemaakt van de schuldbewijzen der Nederkndsch-Indisohe dollarleeningen 1921 I). 1922 A. 1922 B/C en 1923 C tegen in guldens luidende obligaties, waarvan rente en aflossing door het moederland zouden worden gegarandeerd, het voornemen tot conversie van die leeningen was bekend gemaakt, werd aan houders van schuldbewijzen dier leeningen tot 15 Februari d.a.v. de gelegenheid geopend om van hun bereidheid tot medewerking aan het welslagen van de uit te geven conversie-leening te doen blijken door de in hun bezit zijnde dollarobligaties tegen ontvangstbewijs in te leveren, waarbij do nominale waarde van de schuldbewijzen zou worden omgerekend tegen een koers van f 2,60 per dollar, voor zoover de inlevering zou plaats hebben vóór of op 14 Februari, on tegen een koers van f 2,45 voor zoover de schuldbewijzen na dien datum zouden worden ingeleverd. Nadat de opengestelde gelegenheid tot inlevering van de dollar-schuldbewijzen een groot succes was gebleken en niet minder dan 9514 % van hot uitstaand bedrag der dollar-obligaties voor conversie bleek te zijn aangemeld, werd op 1 Maart 1934 krachtens de Nederlandsch-Indische Conversieloeningwet 1931 (N. S. n°. 274, I. S. n°. 363) en de intussehen tof stand gekomen wet van 24 Februari 1934 (N. S. n°. 75, I. S. n°. 112) overgegaan tot de uitgifte van de Nederlandsch-Indische Conversie- Leening 1934, tegen parikoers en een rente van 4 %, tot een bedrag van ten hoogste f 306 millioen, vertegenwoordigende het nog uitstaande bedrag van ovengenoemde dollar-looningen. Voor zoover de schuldbewijzen dezer Leeningen niet ter conversie waren aangeboden, werd aan houders nog gelegenheid gegeven deze aan hot Land te verkoopen tegen een vasten koers van 2,39%. De biervoor benoodigde fondsen benevens de gelden, benoodigd voor aflossing van de niet ter conversie aangeboden dollarobligaties — waarvan hot bedrag overigens van slechts geringe beteekenis was — werden verschaft- door de opbrengst van den verkoop tor beurze der daarvoor nog beschikbare recepissen van de nieuwe leening. Krachtens de Nederlandsch-Indische Conversieloeningwet 1934 (N. S. n c . 425, 1. S. n°. 467) welke wijziging en aanvulling onderging bij de wet van 1 November 1934 (N. S. n°. 559, I. S. n' . 616) werd op 14 September 1934 overgegaan tot de uit gifte van de Nederlandsch- 1 ndisehe Conversie-leening 1934 A, strekkende tot conversie ') Het Verslag 1934 (blz. 2ti) vermeldt een bedrag van f 1 264 tlfi 000 als uitstaande op het eind van I'J3:J. Het verschil met den stand bij den aanvang van 1934 houdt verband met do op 1 Januari van dat Jaar vervallende aflossingstermijn van eenige leeningen. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 210 pogingen om door invoering van nieuwe goedkoope diensten (zaken- en oproep telegrammen en document-telegrammen) nieuw verkeer te scheppen, leverden in 1934 weinig resultaat op. Het beeldtolegraafverkeer met Nederland ontwikkelt zich gestadig doch zeer langzaam. De vervanging van overland- en zeekabelverbindingen in het binnenlandsch verkeer door radioverbindingen had geregeld voortgang, zoodat thans nog slechts enkele zeekabels in gebruik zijn. Dientengevolge kon het kabelschip Zuiderkruis in Juli definitief aan den Dienst van Scheepvaart worden overgedragen. Het op 9 December 1932 te Madrid geteekend verdrag met reglementen en slotprotocollen betreffende verreberichtgeving (N. S. 1934 n°. 19) is in Indië bekend gemaakt door plaatsing in I. S. 1934 n°. 123. In verband met het door de gevolmachtigden van Nederlandsch-Indië op de in 1932 te Madrid gehouden Internationale Telegraaf- en Radiotelegraafconferenties uitdrukkelijk gemaakte voorbehoud (sub II van het slotprotocol van het Algemeen Reglement betreffende de Radioberichtgeving, behoorende bij het Internationaal Verdrag betreffende de Verreberichtgeving van Madrid 1932) werd een verbod uitgevaardigd om telegrammen van Nederlandsch-Indische mobiele stations, be stemd voor den vasten wal, door tusschenkomst van een ander mobiel station te doen verzenden, tenzij dit geschiedt ter bereiking van het naastbijgelegen land station (zie I. S. 1934 n°. 623). De belangstelling voor de examens ter verkrijging van certificaten voor radio telegrafist en -telefonist nam belangrijk toe. Hot toenemend luchtvaartverkeer, voornamelijk als gevolg van den nieuwen Singapore —Australië-dienst, bracht meer bemoeienis van den radiodienst mede. Ten behoeve van dit verkeer word te Palembang een radio-peil-installatie opgericht. Het aantal in het buitenlandsch verkeer gewisselde gelukwensch-telegrammen vertoonde een geringe toename. Zooals uit de onderstaande overzichten bhjkt, liep ook de omvang van het telefoonverkeer in 1934 terug. VERKEER. 211 De inkomsten uit de abonnementen daalden, gedeeltelijk als gevolg van de op 1 Juli 1933 ingevoerde tariefsverlaging, vergeleken met dat jaar met 13,6 %; die uit het interlocaal en districtsverkeer mot 4,5 % (in 1933 ten opzichte van het daaraan voorafgegane jaar resp. met 15,5 % en 14,5 %). De publieke telefoonposten op de vier hoofdplaatsen op Java (Batavia, Soerabaja, Bandoeng, Semarang) gaven een bevredigende opbrengst, in de kleinere plaatsen waren de inkomsten uit dergelijke posten gering. Het eiland Bali werd in telefonische verbinding met Java gebracht, echter met een beperking van den afstand, waarover gesproken kan worden. De bestaande rechtstreeksche internationale telefoonverbindingen werden uit gebreid met Noord-Amerika, Japan en de Straits Settlements. Het aantal indirecte internationale telefoonverbindingen werd vermeerderd met de verbindingen met de Canarische eilanden, Ceuta en Belgisch Congo. Het verkeer wordt via den Hollandschen radiodienst geleid. Het internationale telefoonverkeer bracht ruim 10 % meer op dan in het vorig jaar. Evenals in de voorafgegane jaren werd op de radio-telefoonverbindingen met Nederland en Duitschland gelegenheid geboden tot het voeren van z.g. Kerstmis en Nieuwjaarsgesprekken, tegen een speciaal (verlaagd) tarief. Hiervan werd in 1934 in iets mindere mate gebruik gemaakt. 10. Toerisme. De Officieele Vereeniging voor Toeristenverkeer in Nederlandsch-Indië kon haar propaganda-werkzaamheden in het buitenland op krachtige wijze voortzetten. Het vreemdelingenbezoek aan Nederlandsch-Indië gedurende 1934 kan, ondanks de ongunstige tijden en de verhouding tusschen gulden en buitenlandsehe munt eenheden, zeer bevredigend worden genoemd. De statistiek van het vreemdelingenbezoek aan het eiland Bah, welke als een barometer is te beschouwen voor die van geheel Nederlandsch-Indië, toont duidelijk de belangrijke vermeerdering van het aantal bezoekers aan gedurende de laatste 5 jaren. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 212 L. WATERSTAAT. Bij G. B. 4 Oct. 1934 n°. 20 (I.S. n°. 576) kwam een nieuw reglement tot stand op het houden van de openbare aanbestedingen voor leveringen, transporten, het verrichten van werkzaamheden, enz. ten behoeve van 's Lands dienst in Nederlandsch- Indië. De afdeeling Irrigatie en Assaineering van het Departement van Verkeer en Waterstaat werd in 1934, na samenvoeging met de hydrotechnische afdeeling van den in September 1934 opgeheven Dienst voor Waterkracht en Electriciteit te Bandoeng, uitgebreid tot de afdeeling Irrigatie, Waterkracht en Assaineering. 1. Bevloeiing. In 1934 werden de reeds in 1933 aangevangen voorbereidingen tot de overdracht van de volledige irrigatietaak in de z.g. uitgezonderde gebieden op Java, n.l. die van de Bantam —Batavia-, de Krawang-, de Tjipoenegara- en de Solovallei-werken aan de provincies West- en Oost-Java, beëindigd, zoodat deze overdracht op 1 Ja nuari 1935 kon plaats hebben. In het vervolg zullen mitsdien alle irrigatiewerken op Java, welke de draagkracht der provincies te boven gaan, worden uitgevoerd als provinciale door het Land gesubsidieerde werken. Bepalingen betreffende het toezicht op de uitvoering van deze provinciale werken, waarvoor van Landswege subsidie is verleend, zijn vast gesteld bij Ord. van 11 Sept. 1934 (I. S. n°. 548). Voorbereiding van nieuwe bevloeiingswerken. De reeds eenige jaren tevoren aan gevangen onderzoekingen naar de economische mogelijkheden van een in de residentie Pekalongan bij de desa Melahajoe aan te leggen bevloeiïngsreservoir werden voort gezet en voltooid. Dit reservoir, met een bruto inhoud van 60 millioen m 3, zal in hoofdzaak dienen voor de verbetering van de Oostmoesson-bevloeüng van 14 000 ha sawah in de waterarme Djengkellok-, Babakan- en Kaboejoetan-bevloeiïngs gebieden. Door gunstige natuurlijke omstandigheden zullen de kosten van den afsluitdam in het dal van de Kaboejoetan relatief laag zijn (voorloopige raming f 600 000), zoodat een groote rentabiliteit van dit werk verwacht mag worden. Bovendien zal de uitvoering van dit werk voorzien in de behoefte tot verruiming van werkgelegen heid in deze streek. Voorts werd voortgezet de voorbereiding tot verbetering van de irrigatie bewesten de Toentang-rivier in de residenties Semarang en Japara-Rembang (het z.g. Oost- Semarang-plan), beoogend de verbetering van de afwatering en van de bevloeiïng van 31 000 ha. De aanlegkosten van deze werken zijn voorloopig geraamd op f 550 000. In verband met de kolonisatie van Javanen naar de Buitengewesten, nam het onder zoek naar de bevloeiïngsmogelijkheden van de voor kolonisatie bestemde terreinen een belangrijke plaats in. In de eerste plaats zijn te vermelden de onderzoekingen betreffende de bevloeiïng uit de Way Sekampong in de residentie Lampoengsche Districten; de resultaten van dit onderzoek waren gunstig, zoodat in 1935 met den aanleg van deze bevloeiings werken zal kunnen worden begonnen. Met deze werken zal ongeveer de helft van het 33 400 ha groote kolonisatieterrein bij Soekadana, hetwelk thans nog geheel met bosch bedekt is, in bevloeiden grond worden omgezet. Voorloopig zal slechts een oppervlakte van 7100 ha worden bevloeid, waarvan de aanlegkosten zijn geraamd op f 450 000. Voorts werden voor het kolonisatieterrein Perbo in de residentie Benkoelen voorbereidingen getroffen tot het aanleggen van irrigatiewerken. Terplaatse zal een oppervlakte van ;4- 3500 ha zeer vruchtbare grond worden bevloeid. De kosten WATERSTAAT. 213 van de hiervoor aan te leggen werken zijn voorloopig geraamd op f 250 000. Met den aanleg der werken is reeds een aanvang gemaakt. Verder werd begonnen met het onderzoek naar de verbetering van de watervoor ziening der sawahs in de residenties Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo en Palem bang, waarvan de aanlegkosten zullen worden bestreden uit de opbrengst van het bijzondere uitvoerrecht op bevolkingsrubber. De voorbereiding dier werken in het eerstgenoemde gewest is reeds zoover gevorderd, dat met de uitvoering in 1935 een aanvang kan worden gemaakt. De hierbedoelde werken bestaan voor een groot deel uit het maken van inpolderingen en het bouwen van de daarvoor benoodigde sluizen, ter regeling van de waterstanden in de polders, waardoor de thans veelvuldig voorkomende oogstmislukkingen kunnen worden voorkomen. Uitvoering van nieuwe irrigatiewerken. In verband met de beperkte beschikbare middelen was het noodzakelijk het op de Landsbegrooting voor 1934 uitgetrokken bedrag van f 1 455 000 voor den aanleg van nieuwe irrigatiewerken met f 75 000 te verminderen en te brengen op f 1 380 000. Van dit bedrag is slechts ± f 950 000 of 69 % verwerkt, als gevolg van de betrachte soberheid en vereenvoudiging. In de provincie West-Java werd f 457 100 besteed voor de verdere uitvoering van de Tjioedjoeng-werken, de Tangerang-werken, de Krawang-werken, de Tjipoene gara-werken en de Wester-Tjimanoek-werken. In de provincie Midden-Java werd de bouw van het bevloeiingsreservoir Pen djalin voltooid, terwijl met de uitvoering van de detailbevloeiing uit het bevloeiings reservoir Gembong werd voortgegaan. In totaal werd in deze provincie voor de uit voering der genoemde werken f 46 400 besteed. In de provincie Oost-Java werden de bevloeiïngswerken uit de Bondojoedo- en Tanggoel-rivieren, alsmede de werken in het belang van de bandj ir vrij making van de hoofdplaats Soerabaja voltooid, terwijl een aanvang werd gemaakt met de werken ter verbetering van de bevloeiïng van het Laban-Goeboekdomas-gebied. Voorts werd de uitvoering der Patjal-werken en der bevloeiïngswerken in de vlakte van Zuid-Banjoewangi voortgezet. In totaal werd voor de genoemde werken ± f 250 000 uitgegeven. In de Buitengewesten werd aan irrigatiewerken ± f 195 600 verwerkt, waarvan f 78 500 is besteed aan de uitvoering van irrigatiewerken in de residenties Lam poengsche Districten en Benkoelen ten behoeve van de kolonisatiegebieden. Voor verdero bijzonderheden betreffende de in uitvoering zijnde bevloeiïngs werken wordt verwezen naar de „Voorloopige cijfers en gegevens omtrent de werk zaamheden van het Departement van Verkeer en Waterstaat over het jaar 1934". 2. Landsgebouwen. Woningen voor burgerlijk personeel. De normaalontwerpen voor woningen werden voor een deel herzien. In 1934 werd aan onderhoud, verbetering, enz. van woningen voor burgerlijk personeel ± f 84 000 uitgegeven. Onderwijsgebouwen. Voortgegaan werd met het samenvoegen van opleidings scholen, waardoor verschillende lokaliteiten beschikbaar kwamen voor een betere onderbrenging van andere onderwijsinrichtingen en andere Landsdiensten. Ten behoeve van het openbaar standaardonderwijs werden 72 lokalen in tijdelijk materiaal gebouwd, waarvan de bouwkosten per lokaal i f 300 bedroegen. De Hollandsen -Inlandsche school te Bireuën kwam in 1934 grootendeels gereed. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 214 In totaal werd een bedrag van f 76 000 ten behoeve van onderwijsgebouwen uitgegeven, tegen f 144 300 in 1933. Gebouwen voor den Dienst der Volksgezondheid. De inrichting van het quarantaine station te Gloegoer nabij Medan tot doorgangshuis voor krankzinnigen kwam gereed; eveneens de verbetering aan de watervoorziening van het quarantaine-station te Poelau Roebia. Uitbreidingen en verbeteringen van geringen omvang hadden plaats aan een aantal Gouvernements burgerlijke ziekeninrichtingen. Gebouwen en werken voor de Marine. Op 1 Januari 1934 werden de bouw werkzaamheden ten behoeve van het Departement der Marine, behoudens die voor de Scheepvaart op Java nagenoeg geheel aan den Geniedienst overgedragen. Politiegebouwen. Te Djambi werd de huisvesting der stadspolitie verbeterd terwijl te Pekalongan en te Painan (Sumatra's Westkust) daarmede een aanvang werd gemaakt. Te Medan kon een betere behuizing van het commissariaat van politie worden verkregen door de onderbrenging daarvan in een vrijgekomen kantoorgebouw. Uitbreidingen vonden plaats aan de veldpolitiekazernes te Pangkalanbrandan en te Selatpandjang (Oostkust van Sumatra), terwijl daarmede aangevangen werd bij die te Raba (Soembawa). Begonnen werd met den bouw van een nieuwe veldpolitiekazerne volgens een versoberd type te Lamongan (Oost-Java) en te Tandjoengpandan (Billiton). Kantoren ten behoeve van het Departement van Binnenlandsch Bestuur. Voor het assistent-residentie-kantoor te Malang werd een betere behuizing verkregen in een gedeelte der gebouwen van de voormalige gouvernements burgerlijke ziekeninrichting, hetwelk tot dit doel werd ingericht. Gebouwen en werken voor den Post-, Telegraaf- en Telefoondienst. Voor de uit breiding van het kortegolf-radiostation te Dajeuhkolot nabij Bandoeng met een drietal 90 m hooge antenne-masten voor het interinsulaire verkeer in den Archipel werden de fundeeringen gemaakt. De voor de koelwatervoorziening van het radio-zendstation te Malabar benoodigde watervang werd door een bandjir geheel vernield en werd opnieuw opgebouwd. Gebouwen ten behoeve van het Departement van Economische Zaken. Het hoofd gebouw van het voormalige Hotel Koningsplein werd ingericht tot museum en kantoor van den buitendienst der afdeeling Nijverheid. Gebouwen ten behoeve van het Departement van Verkeer en Waterstaat. Verschil lende voorzieningen werden getroffen in verband met het onderbrengen van den dienst van den Mijnbouw en den voormaligen dienst voor Waterkracht en Electri teit in het hoofdgebouw van het Departement van Verkeer en Waterstaat en de huis vesting van de afdeelingen Bruggen en Wegen en Landsgebouwen van dit Departe ment in het gebouw van den voormaligen dienst voor Waterkracht en Electriciteit. Luchtvaart. Ten behoeve van de begin 1935 geopende luchtlijn van Singapore naar Australië werd een landingsterrein te Waingapoe (res. Timor en Onderhoorig heden) en een noodlandingsterrein te Sawoe (res. Timor en Onderhoorigheden) WATERSTAAT. 215 aangelegd, terwijl het landingsterrein te Koepang werd verbeterd. Begonnen werd met de oprichting van een tijdelijke vliegtuigloods te Rambang (Lombok). Verder werd een aanvang gemaakt met de uitbreiding van het hulplandings terrein te Kotatengah (Oostkust van Sumatra). Gebouwen voor de Opium- en Zoutregie. De in 1933 aangevangen bouw van de zoutpakhuizen te Tambilahan en te Prigiradja (Riouw) kwam gereed. Gebouwen ten behoeve van het Departement van Justitie. Een aanvang werd gemaakt met een hoogstnoodzakelijke verbouwing van het landraadkantoor te Jogjakarta. Gevangenissen. De in 1933 aangevangen bouw van een cellenblok en de bij bou wing van loopruimten voor een bestaand blok van het huis van bewaring te Struis wijk (Batavia-Centrum) werd voltooid. De bouw van een gevangenis te Longiram (Zuider en Oosterafdeeling van Borneo) kwam gereed. Voorts werd een gedeelte van de semi-permanente gevangenis te Moearabeliti naar Loeboeklinggau (Palembang) overgebracht. Gebouwen ten behoeve van het Departement van Financiën. Ter verkrijging van een betere huisvesting werd te Batavia-Centrum een gedeelte van het voormalige Hotel Koningsplein ingericht ten behoeve van de onderbrenging van het kantoor voor de administratie der Landskassen in West-Java. Voorts werd te Malang een gedeelte van de opgeheven gouvernements burgerlijke ziekeninrichting verbouwd voor de onderbrenging van het inspectie- en belasting kantoor en het kantoor van den belastingaccountantsdienst. Gebouwen voor den dienst der In- en Uitvoerrechten enAccijnzen. Opgericht werd een nieuwe douanepost met woongelegenheid te Koeala Tandjoeng, terwijl de douanepost van Danai naar Pantai Laboe (alle gelegen in het gouv. Oostkust van Sumatra) werd overgebracht. DE CULTUREELE TOESTAND. 216 HOOFDSTUK IV. DE CULTUREELE TOESTAND. A. CHRISTELIJKE EN MOHAMMEDAANSCHE EEREDIENST I. Christelijke Eeredienst. a. De Protestantsche Kerk. Zooals in het vorig Verslag werd vermeld, machtigde de Groote Vergadering in 1933 het Kerkbestuur om het overleg met de Regeering inzake de administratieve scheiding van Kerk en Staat voort te zetten. Nadat dit overleg tot overeenstemming had geleid, werd een aantal maatregelen voorbereid, welker urgentie reeds vóór de bijeenkomst van de Groote Vergadering was gebleken. In de eerste plaats moest de mogelijkheid worden geopend om binnen het verband van de Indische Kerk zelfstandige kerken te vormen. Voornamelijk in de Minahasa en in de Molukken deed zich de noodzaak daartoe sterk gevoelen. Ten aanzien van de Minahasa bleek het door verschillende omstandigheden niet mogelijk met de uitvoering van dezen maatregel te wachten tot het Kerkbestuur na de voltrekking der admini stratieve scheiding van Kerk en Staat gemachtigd zou zijn die zelfstandigheid zelf te erkennen. Aangezien de voorbereiding der zelfstandigheid van de kerk in de Minahasa reeds in een vergevorderd stadium verkeerde, wendde het Kerkbestuur zich tot de Regeering met het verzoek reeds aanstonds tot het verleenen van die zelfstandigheid over te gaan. Door het Opperbestuur gemachtigd, om in afwachting van nader door de Kroon te treffen voorzieningen, met tijdelijke afwijking van de bestaande regelingen, over te gaan tot het nemen van zoodanige maatregelen dat de Protestantsche Kerk in de Minahasa zich, in afwachting van de op handen zijnde administratieve scheiding van Kerk en Staat, binnen het verband der Protestantsche Kerk in Nederlandsch- Indië kon constitueeren, bepaalde de Regeering, dat met ingang van den dag, waarop het door het Bestuur over de Protestantsche Kerken in Nederlandsch- Indië goedgekeurd „algemeen reglement der Protestantsche Kerk in de Minahasa" in werking zou zijn getreden, wat de Minahasa betreft de reglementen betreffende de Protestantsche Kerk in Nederlandsch-Indië, voorzoover deze in strijd zouden zijn mot bedoeld algemeen reglement, buiten werking werden gesteld (G.B. 17 Sept. 1934 n°. 5 in I. S. n°. 563). Op 30 September 1934 had in tegenwoordigheid van den Landvoogd de in stitueering van de Minahasische Kerk plaats in een plechtige samenkomst in de kerk te Tomohon. De voorbereiding van de autonomie der Moluksche Kerk werd voortgezet. Voor het Europeesch deel der Protestantsche Kerk bleken eveneens bijzondere regelingen noodig, met name ten opzichte van het onderling verband der gemeenten, de belijdenis en den eeredienst. Ter bespreking van deze aangelegenheden werd door het Kerkbestuur een vergadering belegd met de op Java geplaatste predikanten, welke van 4 tot 6 December 1934 in de Willemskerk te Batavia plaats vond. Als uit vloeisel van deze vergadering werden twee commissies benoemd, welke voorstellen zullen hebben te formuleeren voor de in 1936 te houden Algemeene Synode der Kerk. De eene commissie zal haar gedachten hebben te laten gaan over de organisatie der Europeesche gemeenten en hun onderling verband, de andere over de liturgie, de formulieren van den H. Doop, Avondmaal, huwelijk, begrafenis, enz. Ondervond de ontwikkeling van den arbeid der Protestantsche Kerk eenerzijds belemmering door de voortgezette bezuiniging op 's Lands uitgaven, welke mede tot vermindering van de bijdragen voor den eeredienst leidde, anderzijds werd hier door de offervaardigheid der gemeenten gestimuleerd, terwijl haar leden tot actiever deelnemen aan het kerkelijk werk werden aangespoord. Een zich langzamerhand openbarende opleving van het geestelijk leven heeft den arbeid der Kerk doen toe- CHRISTELIJKE EN MOHAMMEDAANSCHE EEREDIENST. 217 nemen; verschillende nieuwe takken van arbeid moesten worden aangevat, waaraan vooral door niet-ambtsdragers wordt medegewerkt. Zoo kon o.m. te Singapore een kerkeraad worden ingesteld en de geestelijke verzorging van deze gemeente met behulp van plaatselijk initiatief van Batavia uit geregeld plaats hebben. De pensionneering van een aantal oudere predikanten maakte het noodig de uitzending van jonge predikanten uit Nederland krachtig ter hand te nemen. Ten einde in Nederland meer belangstelling te wekken voor het kerkelijk leven in Neder landsch-Indië en eventueel tot uitwisseling van predikanten te geraken, werd door het Kerkbestuur contact gezocht met verschillende kerken in Nederland en nauwer aansluiting met de Nederlandsche Hervormde Kerk in het moederland. Dit initiatief werd o. m. beantwoord door de Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk, die een commissie van contact met de Protestantsche Kerk in Nederlandsch-Indië benoemde, welke in haar vergadering van 24 Juli 1934 de uitzending van predikanten besprak. Het resultaat was de uitzending van één predikant in 1934, terwijl zich enkelen voor uitzending in 1935 bereid verklaarden. Van bijzondere beteekenis was nog de opening van de Hoogere Theologische School te Buitenzorg op 9 Augustus 1934. Deze school is opgericht door het Comité, dat in 1867 het Seminarie te Depok opende, welk seminarie in 1926 gesloten werd. Zij wordt door dat Comité onderhouden in samenwerking met de Protestantsche Kerk, de Rijnsche Zending en de Samenwerkende Zendingscorporaties in Nederland; zij beoogt een goedkoopere opleiding van hulppredikers ter vervanging van de tot dusver met Landssteun te Oegstgeest plaats hebbende opleiding tot genoemd ambt, welke om bezuinigingsredenen in 1931 werd gestaakt. De opleiding geschiedt op Westerschen grondslag en is toegankelijk voor bezitters van het einddiploma Mulo of een daarmede gelijkstaand diploma. In de eerste klasse werden ten behoeve van de Protestantsche Kerk geplaatst vier leerlingen uit de Minahasa, vijf uit Ambon, één uit Timor en één Indo-Europeaan. Naast deze opleiding blijft die voor Inlandsche leeraars aan de school tot opleiding van Inlandsche leeraars te Tomohon en te Amboina gehandhaafd. Te Bondowoso en te Pematangsianter werd een nieuwe kerk gebouwd, terwijl belangrijke restauraties plaats vonden aan de kerkgebouwen te Rembang en te Tjepoe; te Batavia en te Soerabaja werd een nieuw gebouw voor den wij kar beid aan de bestaande toegevoegd en in gebruik genomen. Het van de Protestantsche Kerk uitgaand onderwijs in de Molukken, de Minahasa en Timor en Onderhoorigheden kon ondanks de bezuiniging op dit onderwijs in voorafgegane jaren, worden voortgezet. Einde 1934 bedroeg het aantal volks scholen in de Minahasa 208, in de Molukken 334 en in den Timor-archipel 138. Aan deze scholen zijn respectievelijk 392, 365 en 200 leerkrachten verbonden, terwijl zij bezocht worden door respectievelijk 14 334, 16 769 en 11852 leerlingen. Op een formatie van onderscheidenlijk 43, 31 en 7, waren einde 1934 in dienst 30 predikanten, 27 hulppredikers en 7 godsdienstleeraars. Het aantal uit 's Lands kas bezoldigde Inlandsche leeraars bedroeg 337. b. De Protestantsche Zendingscorporaties. De overeenkomst met het Sangi en Talaud-Comité, dat sedert 1904 in de behoefte van de op de Sangihe- en Talaud eilanden (res. Manado) gevestigde Inlandsche Christengemeenten voorziet door opleiding, uitzending en aanstelling van de noodige dienaren des Woords, is in October 1934 herzien. Het Comité ontving tot dusver subsidie voor iederen dienaar des Woords, dien het in zijn dienst heeft, tot een maximum van 9. Dit aantal is voor 1935 teruggebracht tot 8 en zal te beginnen met 1 Januari 1937 telkens na twee jaar met één verminderd worden, totdat van 1 Januari 1939 af slechts voor 6 ambtsdragers subsidie zal worden genoten. Het aantal personen, waarvoor van 1 Januari 1941 af voor den verderen duur van deze overeenkomst,Jdie gesloten DE CULTUREELE TOESTAND. 218 is voor 10 jaren (tot 1 October 1944) subsidie zal worden uitgekeerd, zal na 1 Januari 1939 nader worden vastgesteld in overleg tusschen de Regeering en het Comité. Aan het Rijnsehe Zendingsgenootschap werd over 1934 voor het laatst een bijdrage verleend in de kosten voor het beschavingswerk op Enggano en de Menta wei-eilanden. c. De Katholieke Kerk in Nederlandsch-Indië. De Apostolisch Prefectuur van Celebes (opgericht in 1919) werd 1 Februari 1934 verheven tot Apostolisch Vicariaat. In September 1934 had te Giri-Sonta (Oengaran) de vijfjaarlijksche conferentie plaats van alle Kerkvoogden van Nederlandsch-Indië, met de religieuze Oversten en de leden van het Centraal Missie Bureau, waar alle actueele missie-problemen werden besproken. Verschillende nieuwe standplaatsen voor katholieke geestelijken werden opge richt (zießb. nos. 13147, 13168, 13176, 13208, 13217, 13218, 13286, 13340 en 13347). Op vele plaatsen had in den loop van 1934 een luisterrijke viering plaats van do vierhonderdjarige herdenking der intrede van het Christendom in Nederlandsch-Indië. Aan het einde van het jaar verscheen wederom het jaarboek der Katholieke Missie, dat alle gegevens bevat omtrent personalia, godsdienstig leven, katholieke ziekenverpleging, katholieke pers en vereenigingsleven; de statistische gegevens uit het jaarboek worden opgenomen in het Statistisch Jaaroverzicht van dit Verslag. Het aantal in Nederlandsch-Indië werkzame priesters was 1 Juli 1934 gestegen tot 396 (van wie 9 Javaansche). Het aantal katholieken bedroeg 1 Juli 1934 417 787 (van wie 339 889 Inheemschen). Het aantal der candidaten tot het •H. Priesterschap in opleiding was 265 (van wie 243 Inheemschen). Ook in het Vicariaat Borneo is een seminarie geopend voor Inlandsche can didaten, zoodat er thans vier seminaria zijn voor gymnasiale opleiding van de toekomstige priesters (te Jogjakarta, Todabeloe, Woloan en Pontianak) en een driejarige cursus voor philosophie (te Jogjakarta); de vierjarige theologische cur sussen worden tot nu toe in Nederland gevolgd. De jeugd ver eenigingen voor alle bevolkingsgroepen (Europeanen, Chineezen en Inheemschen) zijn in alle katholieke centra sterk uitgegroeid. Nieuwe ziekenhuizen en leproserieön werden door de Missie zelve geopend of in exploitatie overgenomen van Land of gemeente, zooals te Soekaboemi, Peka longan, Elat en Rangkasbitoeng; ook elders wijdden zich verschillende particuliere katholieke organisaties aan de ziekenverpleging door klinieken en poliklinieken en wijk- of desa-verpleging. Over het heele terrein van socialen en politieken arbeid van de katholieke gemeenschap viel oen vruchtbare levendigheid te constateeren. In het bijzonder zij vermeld de definitieve vestiging van het kolonisatie-werk, door de opening van de katholieke kolonisatie op het eiland Poelaulaoet. Ook de katholieke pers werd verrijkt met verschillende nieuwe uitgaven, als organen der nieuwe groeps- of vakvereenigingen in verschillende talen. d. Gereformeerde Kerken. Hoewel het ledental van deze kerken eenigszins afnam, bleek het door grooter offervaardigheid mogelijk den arbeid niet alleen intact te houden, doch zelfs daaraan nog eenige uitbreiding te geven. De kerk te Palembang kreeg de beschikking over een eigen predikant, waardoor het totaal aantal predikanten einde 1934 13 bedroeg, terwijl aan den predikant te Jogjakarta een hulpprediker werd toegevoegd, wien Poerwokerto als standplaats is aangewezen. Behalve op de hoofdplaatsen waar een kerk gevestigd is (Batavia, Bandoeng, Semarang, Soerakarta, Magelang, Jogjakarta, Malang, Medan, Pematangsiantar en Palembang), werd ook zooveel mogelijk voorzien in de geestelijke behoeften op CHRISTELIJKE EN MOHAMMEDAANSCHE GODSDIENST. 219 andere plaatsen, waar de Gereformeerden in z.g. kringverband leven. Zoo preekt bijv. een der beide predikanten te Batavia geregeld des Zondags te Buitenzorg. De verschillende kringen in Midden-Java worden meestal voorgegaan door de aldaar gevestigde missionaire dienaren des Woords. In de verzorging van de verspreide Gereformeerden wordt voorzien door de z.g. verstrooiden-reizen der predikanten, welke zich nagenoeg over den geheelen Archipel uitstrekken en welke niet alleen in de prediking doch ook in het herderlijk werk van de predikanten aan niet- Gereformeerden ten goede komen. De economische crisis heeft de armenverzorging, welke de diaconieën der Gereformeerde Kerken vroeger zoo goed als niet kenden, haar thans bijna over het hoofd doen groeien. Onder de middelen van evangelisatie-arbeid moet vooral worden genoemd de verspreiding van de „Zaaier", die in een oplaag van 10 000 exemplaren verschijnt en binnenkort van een twee maal 's maands verschijnend blad een weekblad zal worden. Voor de redactie van dit blad is de predikant te Jogjakarta voor een groot deel van zijn ambtelijken arbeid vrij gemaakt. Vele Gereformeerde Kerken hebben haar eigen zending: Batavia steunt de in 1931 erkende Maleisch Gereformeerde Kerk aldaar, Soerabaja heeft in samen werking met Malang en Semarang de zending te Makassar voor haar rekening en Medan entameerde in samenwerking met Pematangsiantar het zendingswerk onder de Javanen ter Oostkust van Sumatra. Te Soerakarta, Jogjakarta en Magelang wordt door de daar gevestigde kerken zending gedreven onder de Chineezen. Op de beide eerstgenoemde plaatsen zijn Maleische Gereformeerde Kerken geïnstitueerd, welker leden hoofdzakelijk uit Chineezen bestaan; de Maleisch-Gereformeerde Kerk te Soerakarta werd in 1934 als zoodanig door de Regeering erkend (I.S. n°. 406). Door collecten, giften, enz. wordt mede steun verleend aan den zendingsarbeid van de Gereformeerde Kerken in Nederland op de terreinen in Midden-Java en op het eiland Soemba. e. Leger des Heils. Het Leger des Heils stond ook in 1934 onder leiding van Kommandant J. W. de Groot. Het telde 31 December 1934 291 officieren, van wie 170 Europeesche en Indo-Europeesche, 116 Inheemsche, behoorende tot verschillende bevolkingsgroepen, 4 Indo-Chineesche en 1 Japansche. Een deel der overzeesche officieren bestaat uit buitenlanders, daar het aantal beschikbare Neder landsche officieren ontoereikend is. In de korpsen (evangelisatie- en zendingsposten) werden gedurende 1934 20 920 godsdienstoefeningen gehouden, waarbij tegenwoordig waren 924 557 personen; bovendien werden nog 1636 openlucht-godsdienstoefeningen gehouden, bijgewoond door 231 823 personen. In de verschillende strafgevangenissen op Java werden 682 bijeenkomsten gehouden, bijgewoond door 41 197 gedetineerden. Einde 1934 telde het Leger des Heils in Nederlandsch-Indië 13 425 volgelingen, 5351 bekeerlingen, 1088 recruten, 1207 jong-soldaten en 2724 soldaten; 1350 per sonen werden toegevoegd aan de bekeerlingenrol, 313 aan de recruten-rol en 401 aan de soldaten-rol. Het aantal lidmaten (exclusief de volgelingen) bedroeg 10 370. De 23 volksscholen van het Leger des Heils (waarvan 18 in het Paloe-dal) hadden een gemiddeld schoolbezoek van 982 kinderen per dag. In de leprozerie Koendoer (Zuid-Sumatra) werden 250 patiënten verpleegd met 70 463 verpleegdagen; in Poelau Si Tjanang (Oostkust van Sumatra) 523 patiënten met 158 607 verpleegdagen; in Pelantoengan (Kendal) 214 patiënten met 63 512 verpleegdagen en in de leprozerie Semaroeng (Soerabaja) 242 patiënten met 57 894 verpleegdagen. In het William Booth-ooglijdershospitaal te Semarang werden 526 patiënten verpleegd met 27 929 verpleegdagen, in het William Booth-vrouwen- en kinder- DB FINANCIEELE TOESTAND. 22 van de 5 % Nederlandsch-Indische leeningen 1915, 1916, 1917, 1923 A en 1932 en do 4/4 % Nederlandsch-Indische leeningen 1926 A, 1926 B en 1929. De leening word uitgegeven tot oen nominaal bedrag van f 485 000 000, waarvan reeds een bedrag van f 172 123 200 was geplaatst. De koers van uitgifte was wederom 100 % en de rente 4 %. Ook van deze leening werden rente en aflossing gegarandeerd door het moeder land. De obligaties werden vrijgesteld van couponbelasting. De uitgifte van deze leening was eveneens een succes. Bij sluiting van de gelegenheid tot inschrijving bleek rond 95 % van de nog uitstaande schuldbewijzen ter conversie te zijn aan gemeld. Naast de conversie van de meer dan 4 % rentende leeningen werd in 1934 ook aandacht geschonken aan een verdere consolidatie der vlottende schuld. Daarvoor werd krachtens de Nederlandsch-Indische Leeningwot 1934 (N. S. n°. 558, I. S. n°. 614) in November van dat jaar overgegaan tot do uitgifte van de Nederlandsch- Indische leening 1934 (3de uitgifte), gegarandeerd door Nederland, groot nominaal f 150 000 000 togen een koers van uitgifte van 100 % en een rente van 4 %; een bedrag van f 100 000 000 was reeds tegen den koers van 99*4 % en hooger bij openbare instellingen geplaatst. De leening werd dermate overteekend, dat slechts 43 % van de publieke inschrijvingen kon worden toegewezen. Ook voor de stukkon van dozo leening werd vrijdom van couponbelasthig verleend. 3. Belastingen in geld. Met betrekking tot de belastingen in het algemeen verdient vermelding de voor bereiding tot invoering van een loonbelasting op 1 Januari 1935. De Ord. op de personeele belasting (I. S. 1908 n°. 13) onderging gedurende het afgeloopen jaar geen wijzigingen. Voor het belastingjaar 1935 wordt, in verband met de nog immer niet tot stilstand gekomen daling van hot huurpeil, een vermindering van opbrengsten, vergeleken bij het vorige jaar, verwacht. De zuivere opbrengst van dit middel over 1934 bedroeg ± f 3 134 800, tegen f 3 754 900 over het daaraan voorafgegane jaar. x ) De in het Verslag over het jaar 1933 uitgesproken verwachting, dat de naar don toestand op 1 Januari 1932 vastgestelde verpondingswaarden over hot tijdvak 1933—1937 niet zouden kunnen worden gehandhaafd, is bewaarheid geworden. Hot aantal verzoeken om tussehontijdsohe herziening van de verpondingswaarde, zoowel voor landelijke ondernemingen als gebouwde eigendommen, beweegt zich in stijgende lijn. Bij Ord. van 26 Febr. 1934 (I. S. n°. 106) werd aan artikel 31 der verpondings ordonnantie 1928 (I. S. n°. 342) een derde lid toegevoegd, beoogende de bij een navorderingsaanslag op te leggen vorhooging achterwege te laten, indien de navordering haar grond vindt in een verkeerde schatting van den belanghebbende, wolko te goeder trouw heelt plaats gehad. De zuivere opbrengst van de verponding over 1931. ± f 7 490 500 bedragende, bleef ± f 438 000 ton achter bij de opbrengst over 1933, die f 7 928 000 beliep. Bij Ord. van 2 Maart 1936 (I. S. n°. 96) kwam tot stand de „Crisisvoorziening voor het hopende verpondingstijdvak" (1933 —1937), beoogende een restitutie van ver ponding aan do eigenaren van als verhuurobject geëxploiteerde gebouwen in die gevallen, waarin de over een tijdvak van twaalf maanden genoten werkelijke opbrengst uit dit bezit daalde beneden 60 % van do voor don aanslag in aanmerking genomen jaarlijkschc huurwaarde. De Ord. op do inkomstenbelasting 1932 (I. S. 1932 n°. 111) onderging verscheidene wijzigingen en wel, behalve een soortgelijke verzachting in gevallen van navordering als hiervóór bij het middel der verponding reeds gememoreerd, l ) De hier en bij de verdero middelen genoemde cijfers zijn gegrond op de bij de samenstelling van dit Verslag ten dienste staande gegevens. DE CULTUREELE TOESTAND. 220 ziekenhuis te Soerabaja 1081 patiënten met 21 377 verpleegdagen, terwijl in deze inrichting 420 kinderen werden geboren. De hulpziekenhuizen te Toeren en Pelan toengan noteerden respectievelijk 1162 en 918 patiënten met 24 627 en 11036 verpleegdagen. In de 13 poliklinieken, waarvan er 9 verbonden zijn aan genoemde ziekenhuizen on hulpziekenhuizen, werden 29 573 personen behandeld, te wier behoeve 139 923 consulten werden gegeven. De Militaire Tehuizen te Batavia, Bandoeng, Jogjakarta, Soerakarta, Soerabaja en Malang werden bezocht door 64 500 militairen en in 25 937 gevallen werd aan militairen benevens hun vrouwen en kinderen nachtlogies verstrekt. Het aantal verpleegden in de tehuizen voor gevallen vrouwen en meisjes te Batavia en Oengaran bedroeg 79 en 92. In het Kinderhuis te Bandoeng werden 91 Europeesche en Indo-Europeesche kinderen verzorgd; in het Jongenshuis te Bandoeng 40 jongens; in het Kinderhuis te Medan 35 jongens en meisjes, terwijl in het tehuis voor Javaansche kinderen te Jogjakarta 35 Inheemsche kinderen werden verzorgd. Op 31 December 1934 stonden 7 kinderen ingevolge justitieele uitspraak onder voogdij van het Leger des Heils. In de Bedelaarskolonie te Boegangan werden 651 bedelaars (gebrekkigen) ver pleegd; hiervan vielen 148 onder art. 234 van het Inlandsch Reglement. De landbouw-kolonie te Kalawara (onderafd. Paloe, afd. Donggala, res. Manado) telde 31 December 1934 270 opgezetenen, inclusief vrouwen en kinderen. In de 5 tehuizen voor crisis- werkloozen, alsmede in de beide hostels voor maat schappelijke hulp te Batavia en Malang werden 671 werkloozen (inclusief gezinnen) gehuisvest met 71 491 verpleegdagen. Op 27 Juni 1934 werd een werkcentrale ten behoeve van crisis-werkloozen geopend met een plaatsruimte voor 120 personen; daarin werden van Augustus af 115 personen opgenomen met 6609 verpleegdagen. In het reclasseeringsdoorgangshuis werd aan een 27-tal personen huisvesting verleend, van wie er 5 konden worden geplaatst, terwijl 3 naar Europa werden opgezonden. 11. Mohammedaansche Eeredienst. In het regentschap Tasikmalaja deden zich in verband met de vaststelling van het einde der Poeasa (vasten-periode) eenige moeilijkheden voor, welke op bevredigende wijze werden opgelost. De regeling voor de oplossing van geschillen in zake Vrijdagsdiensten (Bb. n°. 12573) onderging eenige wijziging (Bb. n°. 13390). ONDERWIJS. 221 B. ONDERWIJS. (hoofdzakelijk betreffende het cursusjaar 1933/1934). 1. Mededeelingen van algemeenen aard. De bij G. B. 22 April 1933 n°. 10 ingestelde „Adviescommissie voor Onderwijs hervorming" (zie vorig Verslag, blz. 233) had aan het einde van dit cursusjaar haar arbeid nog niet beëindigd. Ingrijpende nieuwe bezuinigingsmaatregelen werden niet getroffen; eenerzij ds had verdere doorvoering van reeds eerder genomen maat regelen plaats, terwijl anderzijds gestreefd werd naar aanpassing van het onderwijs aan de nieuwe behoeften. Ter overweging van het denkbeeld tot samenvoeging van de Geneeskundige Hoogeschool met de Nederlandsch-Indische Artsenschool (N.T.A -S.) is bij G. B. 27 Oct. 1933 n°. 1 onder den naam van „Artsenopleidingscommissie" een commissie ingesteld, welke op korten termijn van advies zou moeten dienen omtrent de vraag: I°. of het, mede ter voorziening in de personeelsbehoefte van het Land, noodzakelijk c.g. gewenscht moet worden geacht deze twee vormen van artsenopleiding te bestendigen en de twee instituten als zelfstandige inrichtingen naast elkaar te doen voortbestaan; 2°. of door samenvoeging van de beide inrichtingen op één plaats — al dan niet gepaard gaande met wijziging in de organisatie van een van beide, dan wel van beide opleidingsvormen — een belangrijke besparing op de Landsuitgaven kan worden bewerkstelligd, en op welke wijze deze samenvoeging zou moeten geschieden. Op 14 Mei 1934 diende de Commissie haar rapport bij de Regeering in, hetwelk in druk is uitgegeven en verspreid. Op grond van de conclusies, waartoe de Commissie kwam, besliste de Regeering, dat geen aanleiding bestond om tot opheffing van de Nias te besluiten, aangezien de bezuiniging, welke daarmede zou worden bereikt, niet van dien aard was, dat op dien grond die opheffing bepaald geboden zou zijn. De besparing op 's Lands uitgaven moest in hoofdzaak gezocht worden in vermindering van de personeelsuitgaven. Zoo werden in overeenstemming met het op de ambtelijke salarissen gelegde kortingspercentage met ingang van 1 Januari 1934 de aan in Nederland studeerende jongelieden toegekende studietoelagen met 17 % verminderd (I. S. 1933 n°. 471). Bij G. B. 28 Dec. 1933 n°. 3 (I. S. n°. 517) werd de vergoeding voor reis- en verblijfkosten, welke candidaten voor verschillende examens tot dusver konden declareeren als zij het examen met goed gevolg hadden afgelegd, afgeschaft, evenals de bijzondere toelagen voor het bezit van een akte voor een der inheemsche talen van den Indischen archipel, voor de land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië of een andere volgens de wetten op het middelbaar en op het lager onderwijs verkrijgbare akten, met uitzondering van die voor gymnastiek en schoonschrijven, welke aan voor den Indischen dienst bestemde onderwijzers werden toegekend (I. S. 1934 n°. 162). Ook het recht op een toelage voor het bezit van bovengenoemde akten, dat voor een bepaalde categorie van leerkrachten en inspecteurs bij hot Westersch lager onderwijs was gehandhaafd, werd ingetrokken (I. S. 1934 n°. 189), terwijl het recht op een tiende aandeel in de geïnde schoolgelden, dan wel op een toelage wegens gemis van dat voorrecht, kwam te vervallen (I. S. 1934 n°. 213). Voorts ondergingen de regelingen tot toekenning van een toelage voor het geven van onderwijs boven de normale lestaak bij verschillende onderwijsinrichtingen wijziging door de verhooging van die taak (I. S. 1934 nos. 206 en 516 voor wat betreft het middelbaar onderwijs, n°. 334 voor meer uitgebreid lager onderwijs en technisch onderwijs en n°. 391 voor het hooger onderwijs). DE CULTUREELE TOESTAND. 222 De onderwijssubsidie-wetgeving onderging de volgende aanvullingen on wijzi gingen: a. De subsidie-voorwaarden voor uitzending en verlof ten behoeve van hot bijzonder middelbaar en voorbereidend hooger onderwijs zijn in overeenstemming gebracht met die voor het bijzonder lager en mulo-onderwijs (namelijk van respec tievelijk 75 en 60 % gebracht op 100 %), waarmede aan een sinds lang bij het bijzonder onderwijs gekoesterden wensch werd voldaan (I. S. 1933 n°. 456). 6. Ter voorkoming van politieke en andere misdragingen door onderwijzers, hoofden en bestuurders van uit 's Lands kas ondersteunde particuliere scholen is bepaald, dat voor leerkrachten, die zich politiek of moreel misdragen geen subsidie wordt toegekend (I.S. 1934 n°. 183). Naast deze sanctie op de scholen is in dat Staatsblad tevens de mogelijkheid geopend om aan een leerkracht, werk zaam aan een van Landswege gesubsidieerde particuliere school, die zich misdraagt, de bevoegdheid tot het geven van onderwijs te ontnemen. Ten einde te voorkomen, dat hoofden of bestuurders van gesubsidieerde scholen zich bezig houden mot hot voeren van ongeoorloofde politieke propaganda, dan wel in hun hoedanigheid van bestuurder of hoofd der school van een ontoelaatbare geestesgesteldheid blijk geven, kan in dergelijke gevallen de subsidieverleening worden gestaakt. c. Wijzigingen zijn aangebracht in de regolen voor de toekenning van huis vestingssubsidie ten behoeve van particuliere scholen (I. S. 1934 nos. 128 —-132). O. m. is de hypotheek-subsidie, waaraan voor het Land door de daaraan verbonden garantie te bezwarende verplichtingen verbonden waren, afgeschaft. Het door de Regeering ingediende wijzigingsvoorstel op de Toezicht-ordonnantio particulier onderwijs (zie vorig Verslag, blz. 234) word in October 1933 door den Volksraad aangenomen en vastgesteld (I. S. 1933 n°. 372). De nieuwe bepalingen zijn met ingang van 1 Januari 1934 in werking getreden. In verband met de bezwaren, welke inzonderheid in de laatste jaren tot uiting zijn gekomen tegen het toelatingsexamen tot de hoogere burgerschool met 5-jarigen cursus en het lyceum, werd bij besluit van den Directeur van Onderwijs en Eere dienst van 18 April 1934 een commissie ingesteld, welke op korten termijn van advies moest dienen nopens de vraag, in hoever het mogelijk zou zijn het toelatings examen af te schaffen door instelling van brugklassen op plaatsen, waar middelbare scholen gevestigd zijn. De commissie was van oordeel, dat het onderwijs in de brugklassen, bevrijd van den examendwang, rustiger voortgang zou kunnen hebben en betere gelegenheid scheppen tot observatie en beoordeeling van de leerlingen. Bij G. B. 16 Juni 1934 n°. 26 werd besloten met ingang van 1 Augustus 1934 voor de provincie West-Java tot het instellen van brugklassen over te gaan. Dit voor nemen verwekte evenwel beroering, zoowel onder de ouders als in vakvereenigings kringen, en leidde tot een interpellatie in den Volksraad. Naar aanleiding van een door den heer De Dreu c.s. ingediende motie heeft de Regeering de instelling der brugklassen opgeschort en een commissie van deskundigen ingesteld, welke het vraagstuk van de aansluiting tusschen lager en middelbaar onderwijs in zijn vollen omvang in studie zou nemen. Bij Ord. van 2 Juli 1934 (I. S. n°. 398) is een nieuw Europeesch onderwijs reglement vastgesteld, ter vervanging van het door de vele daarin aangebrachte wijzigingen slecht hanteerbaar geworden reglement van 1892. De regeling der bevoegdheden tot het geven van lager onderwijs zijn uit het Europeesch onderwijsreglement gelicht en overgebracht in het aktenreglement (I. S. 1934 n°. 399), terwijl ook de opleiding van leerkrachten voor het Westersch lager onderwijs sedert afzonderlijk is geregeld in het reglement op de kweekscholen en hoofdakte-cursussen (I. S. 1934 n°. 400). ONDERWIJS. 223 Bij G. B. 29 Nov. 1933 n°. 12 (Bb. a°. 13148) is de aanvang van het schooljaar voor alle scholen in Nederlandsch-Indië verlegd van 1 Juli naar 1 Augustus, ten einde een betere aansluiting te verkrijgen tusschen het schooljaar in Nederland en dat in Nederlandsch-Indië en tevens een harmonischer verdeeling van de vacanties over den cursus mogelijk te maken. Bij G. B. 11 Juni 1934 n°. 41 (Bb. n°. 13274) kwam een nieuwe regeling tot stand betreffende do schoolgoldhcffing ten behoeve van kinderen uit één gezin, die verschillende onderwijsinrichtingen bezoeken. 2a. Inlandsen onderwijs. Het toezicht van de inspectie van het Inlandsen onderwijs strekt zich uit over de Gouvernements- en gesubsidieerde scholen van lager en voortgezet Inlandsen onderwijs, de leergangen met een Inheemsche taal als voertaal en over het onderwijs in de Inheemsche talen bij de Gouvernements- en gesubsidieerde scholen van Westersch lager onderwijs. Voor zoover in de lagere klassen der Hollandsch- Inlandsche scholen tengevolge van de plaats gehad hebbende wijziging in het leerplan dier klassen het onderwijs met een Inheemsche taal als voertaal wordt gegeven, wordt het toezicht op dat onderwijs eveneens door de inspecteurs van het Inlandsch onderwijs uitgeoefend. Daarentegen werd het toezicht op het onderwijs in de Inheemsche talen op de Gouvernements- en gesubsidieerde scholen van voortgezet Westersch en Inlandsch lager onderwijs, alsmede op de Hollandsch- Inlandsche kweekscholen en middelbare opleidingsscholen voor Inlandsche ambte naren en de Osvia te Makassar aan de ressorts-inspecteurs van het Inlandsch onderwijs onttrokken en aan een speciaal daarvoor aangewezen ambtenaar op gedragen. Tengevolge van de werking der „Toezichtordonnantie particulier onderwijs" zijn ook de z.g. „wilde scholen" met een Inheemsche taal als voertaal, waaronder de Taman-Siswo-scholen, onder toezicht van de inspectie van het Inlandsch onderwijs gesteld. Ten einde een beter toezicht op het onderwijs in Zuid-Sumatra te waarborgen, werd aan het einde van het schooljaar 1933/1934 aan den plv. inspecteur te Fort de Koek Palembang als standplaats aangewezen en dezen functionaris een zelf standig ressort toegewezen, omvattende de residentiën Palembang, Benkoelen, Lampoengsche Districten, Djambi en Bangka. Het aantal schoolopzieners werd eenigszins ingekrompen, het meest in de provincie Midden-Java, waar het aantal van 84 op 78 werd teruggebracht. De ingevoerde nieuwe wijze van financiering van het volksonderwijs door instelling van volksschoolfondscommissies heeft alleszins bevredigende resultaten opgeleverd. Zoowel van de zijde van het bijzonder als van het openbaar volksschool beheer is aan den ten deze door de Regeering geuiten wensch gevolg gegeven, hoewel deze maatregel over het algemeen met weinig instemming werd ontvangen en in den beginne slechts werd opgevat als een blijk van wantrouwen tegen den schoolbeheerder in plaats van als een middel tot stelselmatig zuinig beheer, waar door het oorspronkelijk aan het volksonderwijs ten grondslag liggende zelf bekostigingsbeginsel zal kunnen worden bereikt. Een ander voordeel van dit schoolfondsbeheer is, dat de verantwoordelijkheid voor de instandhouding van het volksonderwijs, te voren enkel rustende op den schoolbeheerder, thans gedragen wordt door een beheerslichaam, waarin ook het bestuurselement vertegenwoordigd is, hetwelk behulpzaam kan zijn bij het ver krijgen van de middelen voor de instandhouding en eventueele uitbreiding van dit onderwijs. In de eerste plaats werd meer aandacht gewijd aan een systematische toevloeiing der inkomsten, o. a. door een beter geregelde schoolgeldheffing. DE CULTUREELE TOESTAND. 224 Bij schrijven van den Directeur van Onderwijs en Eeredienst van 21 Dec. 1933 werd een nieuwe regeling met betrekking tot de salarissen van de volks onderwijzers vastgesteld, d. w. z. aangegeven tot welke maxima voor salarissen door het Land aanvullende subsidie kan worden verleend. Voor een volksschool hoofd bewegen deze bedragen zich tusschen een aanvangsbezoldiging van f 15 's maands en een eindbezoldiging na 26 dienstjaren van f 30 's maands. Voor een hulponderwijzer zijn deze bedragen respectievelijk f 10 en f 25. In verschillende deelen van Java bleken deze salarisbedragen nog boven het plaatselijk loonpeil te liggen, zoodat in die streken gestreefd werd naar een regionale loonschaal met lagere bedragen dan in de Gouvernementsschaal zijn aangegeven. Het aantal volksscholen bedroeg aan het einde van den cursus 1933/1934 16 324, tegen 16 075 in 1933. Deze toename van 239 scholen vindt in hoofdzaak haar oorzaak in de omzetting van volledige Inlandsche scholen der 2de klasse in volks scholen en vervolgscholen. Van genoemd aantal waren 13 951 openbare (inclusief die der stadsgemeenten) en 2373 bijzondere scholen. 'Het aantal meisjes-volksscholen liep van 564 op tot 577. Het aantal leerlingen bij het volksonderwijs (openbare en bijzondere te zamen) steeg van 1 374 330 tot 1 427 294. Deze stijging met 42 964 leerlingen houdt wederom nauw verband met de omzetting van volledige scholen. Bij het openbaar volksonderwijs nam de gemiddelde klasse-bezetting toe; voor de eerste klasse steeg zij van 38 tot 39, voor de tweede klasse van 29 tot 30, voor de derde klasse van 22 tot 23 leerlingen. Bij het bijzonder volksonderwijs daalde dit cijfer voor de eerste klasse van 46 op 31, voor de tweede klasse bleef het constant (22), terwijl het voor de derde klasse van 15 tot 18 steeg. Het aantal leerkrachten bij het volksonderwijs bedroeg gedurende het school jaar 1933/1934 28 881 (bij het openbaar 25 235 en bij het bijzonder 3646). In 1934 werd in verschillende gedeelten der Buitengewesten een begin gemaakt, dan wel voortgegaan, met het gehruik van de landstaal als voertaal bij het volks onderwijs. Met name was dit het geval ter Sumatra's Westkust met het Minang kabausch en in het gouvernement Atjeh en Onderhoorigheden met het Atjehsch. Gestreefd wordt naar verdere doorvoering van dit principe ook elders, zoodra de daartoe benoodigde leerboekjes in de landstaal vervaardigd zullen zijn. Bij het openbaar standaardonderwijs werd de omzetting van volledige scholen in volks- en vervolgscholen regelmatig voortgezet. Voor het bijzonder onderwijs begon deze omzetting eerst op 1 Augustus 1934. Einde van het schooljaar 1933/1934 bedroeg het aantal volledige 2de klasse scholen bij openbaar en bijzonder onderwijs te zamen 1208 en het aantal vervolg scholen 1714, terwijl het totaal aantal leerlingen bij eerstgenoemde scholen 237 042 en bij laatstgenoemde 147 504 beliep. Vergeleken bij het vorig schooljaar valt wederom een belangrijke afname van het aantal leerlingen te constateeren, welke haar voornaamste oorzaak in de bovenvermelde omzetting vindt. Alleen bij de openbare meisjes-vervolgscholen viel, ondanks de omzetting, een toename van het leerlingen-aantal waar te nemen; dit liep van 25 029 op tot 30 876, een stijging van 20 %. Bij het bijzonder onderwijs verminderde het daar entegen met 2y 2 %. Het aantal leerkrachten bij het openbaar standaard-onderwijs bestond uit 751 kweekschool-abituriënten, 3065 normalisten en 4641 onopgeleide krachten, in totaal 8457. Het vorig jaar waren deze cijfers onderscheidenlijk 746, 3156, 6024 en 9926. Zij wijzen op een groote vermindering van het aantal onopgeleide krachten (met 1383), welke het gevolg is van de omzetting der volledige scholen, zoodat dit proces tevens tot een saneering van het onderwijzerskorps heeft geleid. Bij het bijzonder onderwijs waren aan de 293 volledige en vervolgscholen ONDERWIJS. 225 Bij G. B. 8 Sept. 1934 n°. 21 (J. C. n°. 74) is een commissie ingesteld, welke tot taak heeft het vraagstuk van de aansluiting tusschen het Westersch lager en het voortgezet onderwijs in zijn vollen omvang in beschouwing te nemen en te dienen van raad en voorlichting nopens de vraag: a. welke veranderingen, tot wegneming van de aan de bestaande reglementen op de toelating van leerlingen tot de hoogere burgerscholen, de mulo-scholen en de technische scholen klevende gebreken, daarin op zoodanig korten termijn kunnen worden aangebracht, dat zij reeds bij de toelating in 1935 kunnen worden toegepast; b. welke voorzieningen in het algemeen met handhaving van het bestaande onderwijsstelsel dienen te worden getroffen, ten einde een zoo doeltreffend mogelijke selectie der adspiranten voor de bij het voortgezet onderwijs beschikbare plaatsen te waarborgen, zulks met inachtneming van de financieele consequenties dier voorzieningen (aansluitings commissie lager-middelbaar onderwijs). Over het in het begin van het cursusjaar 1932/1933 voor de laagste drie klassen der 2de Europeesche lagere scholen ingevoerde nieuwe leerplan is het oordeel der inspectie nog eenigszins gereserveerd. Over het algemeen werd wel geconstateerd, dat het vele spreekonderwijs ten goede komt aan de actieve taalbeheersching der leerlingen, welke op deze scholen, evenals op de Hollandsch-Chineesche en de Hollandsch-Inlandsche scholen, het voornaamste struikelblok vormt. Ondanks de opheffing van de vóór klassen bij het Westersch lager onderwijs is in de resultaten van de eerste klassen instede van achteruitgang eenige vooruitgang waar te nemen. Een nieuw model schoolverklaring ter uitreiking aan hen, die de hoogste klasse eener school voor Westersch lager onderwijs met vrucht hebben doorloopen, is opgenomen in I. S. 1934 n°. 77. Met ingang van 1 Augustus 1934 werd bij de scholen voor Westersch lager onderwijs, met uitzondering van de Depoksche school en de speciale Ambonsche scholen voor kinderen van Inlandsche militairen, een nieuwe regeling voor do inning van hot schoolgeld ingevoerd, namelijk in tien termijnen. Deze regeling was reeds verscheidene jaren bij enkele particuliere schoolcorporaties in gebruik en leverde goede resultaten op, vooral met het oog op den schoolgeldachterstand. Eventueel achterstallige ouders kunnen bij deze nieuwe regeling in de z.g. „vrije maanden" (Juli en Augustus), waarin geen schoolgeld behoeft te worden voldaan, hun achterstand aanzuiveren, zonder dat hun kinderen met verwijdering van school behoeven te worden bedreigd, hetgeen ook uit paodagogisch oogpunt als een verbetering mag worden aangemerkt. Voorts is als nieuw element in de schoolgeldregeling de vermogensbelasting opgenomen, terwijl krachtiger maatregelen zijn getroffen tegen achtorstalligheid en tegen het in gebreke bhjven om de voor de vaststelling van het schoolgeld vereischte gegevens in te dienen (I. S. 1934 n°. 470). Het aantal scholen voor Westersch lager onderwijs, dat aan het einde van het schooljaar 1932/1933 746 bedroeg, was aan het einde van het schooljaar 1933/1934 gedaald tot 7218. Er werden 7 Gouvernements Europeesche lagere scholen op geheven, waartegenover één bijzondere Europeesche lagere school in het genot van subsidie kwam; het aantal gesubsidieerde Hollandsch-Chineesche scholen verminderde door opheffing met één, terwijl van 4 bijzondere Hollandsch-Inlandsche 225 1082 leerkrachten werkzaam, die naar hun opleiding zijn te verdeelen in: 103 kweekschool-abituriënten, 645 normalisten en 334 onopgeleiden. Ten slotte valt nog te vermelden, dat aan 20 Gouvernements Inlandsche scholen een 6de klasse met landbouw-onderwijs kon worden geopend. 2b. Westersch lager onderwijs. DE CULTUREELE TOESTAND. 226 scholen de subsidie werd ingetrokken. Voorts werden één Gouvernements speciale en 6 schakelscholen opgeheven. Het aantal leerlingen bij het Westersch lager onderwijs daalde van 144 019 tot 143 245, ongeveer % %. De afname van leerlingen vertoonde zich het sterkst bij het Europeesch lager onderwijs, terwijl de schoolbevolking der Hollandsch- Inlandsche en speciale scholen iets toenam. Bij het Hollandsch-Chineesch onderwijs was het verloop onder de leerlingen grooter dan andere jaren, hetgeen moet worden toegeschreven aan de tijdsom standigheden, waardoor vele ouders niet meer in staat zijn het schoolgeld te voldoen, terwijl vrijstelling alleen in bijzondere gevallen kan worden verleend. Bij de Hollandsch-Inlandsche scholen nam tengevolge van de malaise het aantal verzoeken om toelating tot de eerste klasse af. Het aantal leerkrachten hij het Gouvernements en gesubsidieerd Westersch lager onderwijs bedroeg 31 December 1933 4358 of 77 meer dan in den vorigen cursus. Bij de Gouvernementsscholen viel een vermeerdering te constateeren van 125 mannelijke leerkrachten, tegen een vermindering van 83 vrouwelijke; bij het gesubsidieerd onderwijs steeg het aantal mannelijke leerkrachten met 27 en het aantal vrouwelijke met 8. Uit deze vermeerdering van het aantal leerkrachten en de hooger vermelde vermindering van het aantal leerlingen met y 2 % volgt, dat het gemiddelde aantal leerlingen per leerkracht gedurende dit schooljaar iets lager was dan in het vorige. Het Hollandsch-Chineesch onderwijs vertoont eveneens een kleine stijging van het aantal leerkrachten (van 651 tot 663). Bij het Hollandsch-Inlandsch onderwijs daarentegen daalde het aantal leer krachten — de leidsters der niet gesubsidieerde vóórklassen bij de gesubsidieerde Hollandsch-Inlandsche scholen niet medegerekend — van 2052 tot 2036. Het aantal Europeesche leerkrachten bleef constant, terwijl de geleidelijke doorvoering van de normaal-formatie tot gevolg had, dat het aantal normalisten en daarmede gelijk te stellen krachten steeg van 157 tot 290. In het algemeen gesproken kan worden gezegd, dat de „indianisatie" bij het Hollandsch-Inlandsch onderwijs aan het einde van den cursus 1933/1934, met uitzondering van het hoofdschap, was voltooid. Een leerplan voor het 4de tot en met het 7de leerjaar van de openbare Hollandsch- Inlandsche scholen is opgenomen in Bb. n°. 13262. Het aantal leerkrachten bij de schakelscholen steeg met 12, ondanks de op heffing van 6 Gouvernements scholen van dit type. Deze toename moet worden toegeschreven aan de vermeerdering van de schoolbevolking bij het gesubsidieerd onderwijs door toelating van Hollandsch-Inlandsche scholen-leerlingen, wier ouders het op die onderwijsinrichting verschuldigde schoolgeld niet meer konden betalen. De leerlingen der opgeheven Gouverncmentsschakelscholen zijn ondergebracht in de naastbijgelegen Hollandsch-Inlandsche scholen, alwaar zij tegen schakelschool tarief verder onderricht ontvangen. De aanvragen om toelating voor dit schooltype liepen sterk terug, doordat de ouders niet in staat zijn de verdere studie te bekostigen. Een nieuw leerplan voor de openbare schakelscholen is opgenomen in Bb. n°. 13263. 2c. Meer uitgebreid lager onderwijs. Het toezicht op de mulo-scholen was gedurende den cursus 1933/1934 opgedragen aan den algemeenen inspecteur van het Westersch lager-, mulo- en kweekschool onderwijs en een inspecteur ter beschikking, in het bijzonder met dit toezicht belast. Aan het einde van den cursus is hierin verandering gebracht en is het toezicht opgedragen aan de ressortsinspectours van het Westersch lager onderwijs. ONDERWIJS. 227 Zooals in het vorig Verslag werd vermeld, zou op voorstel van de contingen tecringscommissie de toelating tot de vóórklasse der mulo-scholen op verklaring van het hoofd der lagere school gehandhaafd blijven, doch voor toelating tot de eerste klasse weer een examen worden ingesteld. De regeling van dit examen werd vastgesteld bij besluit van den Directeur van Onderwijs en Eeredienst van 9 Jan. 1934 (Bb. n°. 13163). In den loop van het schooljaar werd evenwel besloten ook voor de toelating tot de vóórklasse een examen in te stellen, dat voor het eerst zal worden afgenomen aan het einde van dit schooljaar. Over de selecteerende werking van deze toelatingsexamens kan na één enkel jaar bezwaarlijk een gefundeerd oordeel worden uitgesproken. Het aantal candidaten voor de eerste klasse bedroeg 2509, van wie er 1189 afkomstig waren van Gouvernementsscholen voor Westersch lager onderwijs, 1082 van gesubsidieerde en 238 van wilde scholen; hiervan slaagden 1799 candidaten of 71,5 %. Het aantal Gouvernements mulo-scholen was aan het begin van het schooljaar 34, aan het einde 32, ten gevolge van een samenvoeging van scholen op twee plaatsen; het aantal gesubsidieerde mulo-scholen bedroeg 26 x ). Het aantal vóórklassen bleef dit schooljaar constant (40 bij het Gouvernements en 13 bij het gesubsidieerd onderwijs); het aantal eerste klassen daalde bij de Gouvernements mulo-scholen van 86 op 74 en bij de gesubsidieerde van 49 op 48. Het aantal leerlingen der Gouvernements en gesubsidieerde mulo-scholen te zamen bedroeg aan het einde van het schooljaar 1933/1934 9984, tegen 11 114 aan het einde van het voorafgegane schooljaar, een vermindering van ruim 10 %, welke in hoofdzaak moet worden toegeschreven aan de verminderde financieele draagkracht der ouders. De in het vorig Verslag gesignaleerde gunstige invloed, welke de economische crisis blijkt te hebben op het regelmatig doorloopen der scholen, heeft zich ook dit jaar doen gevoelen; de tusschentijdsche afvloeiing van leerlingen was wederom kleiner dan in het voorafgegane jaar, al was het percentage grooter tengevolge van de daling van het totaal aantal leerlingen (9,9 % tegen 6 % het vorig jaar). Het aantal Europeesche leerlingen maakt een steeds kleiner wordend percentage uit van de mulo-schoolbevolking, waarvan het bijzonder onderwijs naar verhouding oen .steeds grooter gedeelte tot zich trekt. De bij de mulo-scholen ingevoerde splitsing in een A- en een B-afdeeling voldoet niet aan het doel, waarvoor zij in het leven is geroepen. Nog steeds gaan vele leerlingen naar de B-afdeeling, die daar feitelijk niet thuishooren, aangezien zij niet in staat zijn het B-programma te verwerken. In een plaatsing in de A-af deeling wordt echter een stempel van minderwaardigheid gezien, zoodat de kwestie der differentiatie opnieuw in beschouwing zal moeten worden genomen. Van de leerlingen, die zich in 1934 aan het mulo-eindexamen onderwierpen, slaagden er van de Gouvernements mulo-scholen voor het A-diploma 228 van do 381 (± 60 %) en voor het B-diploma 1030 van de 1627 (± 63 %); voor het gsubsidieerd onderwijs waren deze aantallen respectievelijk 112 van de 204 (± 55 %) en 615 van de 821 (75 %). Ook bij de mulo-scholen werd met ingang van 1 Augustus 1934 do tien termijnen regeling voor de inning van het schoolgeld ingevoerd en het vermogen mede als grondslag voor de schoolgeldheffing aangenomen (I. S. 1934 n°. 469). *) Dit aantal verschilt 3 met het in het vorig Verslag genoemde; één gesubsidieerde mulo-school werd opgeheven, terwijl de beido andere filiaalscholen zijn, welke met de hoofd school voor de berekening der subsidie slechts voor één school tellen. DE CULTUREELE TOESTAND. 228 2d. Middelbaar en voorbereidend hooger onderwijs. Bij G. B. 17 Juni 1933 n°. 11 werd bij wijze van tijdelijken maatregel het al gemeen toezicht op de technische en de ambachtsscholen, alsmede op de ambachts leergangen, met ingang van 29 Juli 1933 opgedragen aan den inspecteur van het middelbaar onderwijs. Voor het toezicht op de ambachtsscholen en -leergangen werd aan dezen een uit dat onderwijs voortgekomen ambtenaar toegevoegd. Met het oog op de door de bezuiniging noodzakelijke contingenteering van de eerste klassen der scholen voor middelbaar en voorbereidend hooger onderwijs met ingang van het schooljaar 1934/1935, moesten de eischen voor de toelating tot deze onderwijsinrichtingen worden herzien. Bij besluit van den Directeur van Onderwijs en Eeredienst van 10 Jan. 1934 (Bb. n°. 13164) werd een nieuw reglement voor het toelatingsexamen voor de hoogere burgerschool met 5-jarigen cursus en het lyceum vastgesteld, terwijl bij besluit van genoemd Departementshoofd van 3 Febr. 1934 de regelen voor de toelating tot de algemeene middelbare school werden gewijzigd. Bij G. B. 25 Juli 1934 n°. 16 (Bb. n°. 13266) ondergingen de reglementen der scholen voor middelbaar en voorbereidend hooger onderwijs een wijziging in het over het schoolgeld handelend artikel, waarin thans ook het vermogen als grondslag voor de schoolgeldheffing is opgenomen. In het schooljaar 1933/1934 had geen uitzending van leerkrachten voor het middelbaar onderwijs plaats. Wel werden enkele leeraren geplaatst, die op eigen kosten en risico uit Nederland waren overgekomen. Op het gebied der subsidie-wetgeving kwam een nieuwe regeling ten behoeve van het middelbaar en voorbereidend hooger onderwijs tot stand. Het lag oor spronkelijk in de bedoeling om ter effectueering van een bezuiniging bij het ver leenen van subsidies voor genoemd onderwijs een wijziging der bestaande subsidie ordonnanties (I. S. 1927 nos. 186 en 187) aan te brengen. Het desbetreffend voorstel werd evenwel door den Volksraad verworpen, bij welke gelegenheid er met name door verschillende Volksraadsleden op aangedrongen werd een zoodanige wijziging tot stand te brengen, dat het effect der subsidie-regelingen voor het middelbaar en voorbereidend hooger onderwijs, ongeacht de bij die inrichtingen zeer uiteen loopende schoolgeldopbrengst, in financieelen zin gelijk zou zijn. Aan dit verzoek is voldaan door de indiening van een nieuw ontwerp, dat zonder hoofdelijke stemming is aangenomen (I. S. 1934 n°. 483). De nieuwe regeling voor subsidioering van particuliere inrichtingen van voor bereidend hooger en middelbaar onderwijs, bij verkorting „subsidie-ordonnantie middelbaar onderwijs" genaamd, garandeert een volledige dekking van de netto kosten, maar waakt nauwkeuriger dan de vorige regelingen tegen het verleenen van meer subsidie dan in strikten zin voor de exploitatie van de school nood zakelijk is. Voorts is als nieuw element in deze regeling ingevoerd de subsidieering volgens het schooljaar in stede per kalenderjaar. De besturende vereeniging ontvangt gedurende het schooljaar een afgerond maandelijksch bedrag, gebaseerd op de bezetting per 1 Augustus, als voorloopige tegemoetkoming, welke later met de definitieve subsidie wordt verrekend. Waar de verdeeling der schoolbevolking en de indeeling der lessen plaats heeft bij het begin van het schooljaar, biedt deze nieuwe regeling een belangrijke administratieve vereenvoudiging bij de toekenning en vaststelling der subsidies. Hoogere burgerscholen met 3-jarigen cursus. Het aantal dezer uitsluitend voor meisjes bestemde scholen bedroeg evenals het vorig schooljaar 6. De laatste H.8.5.-klasse van de R. K. Koningin Emma-school te Batavia legde het eind examen af, waarmede de omzetting van deze school in een mulo-school een feit is geworden. ONDERWIJS. 229 Het aantal leerlingen dezer scholen vertoont een langzamen, doch gestadigen groei; het bedroeg aan het einde van het schooljaar 1933/1934 681, van wie 591 Europeesche, 41 Inlandsche en 51 Chineesche meisjes. Van de 167 eindexamen-candidaten slaagden er 138 "f 82,6 %; van de 103 abituriënten, wier bestemming bekend was, gingen er 71 naar een kweekschool voor onderwijzeressen, een 6-tal zette haar studie voort aan een 5-jarige hoogere burgerschool, 17 volgden verschillende vakopleidingen, terwijl een 9-tal een be trekking aanvaardde. Het aantal leerkrachten aan de 3-jarige hoogere burgerscholen bedroeg 66, van wie 53 vrouwelijke. Hoogere burgerscholen met 5-jarigen cursus. Bij G.B. 11 April 1934-n". 25 (Bb. n°. 13248) is een nieuw reglement vastgesteld voor de eindexamens der hoogere burgerscholen met 5-jarigen cursus in Nederlandsch-Indië. Een nieuw reglement voor de eindexamens van de literair-economische af deelingen der hoogere burgerscholen met 5-jarigen leergang in Nederlandsch-Indië is opgenomen in Bb. n°. 13243. Een nieuwe regeling betreffende het deelnemen aan het eindexamen der hoogere burgerscholen met 5-jarigen leergang, afdeeling B, door niet-leerlingcn eener zoodanige school is opgenomen in Bb. n°. 13244. Het aantal scholen bleef constant (7 Gouvernements hoogere burgerscholen en 2 gesubsidieerde). Aan de Prins Hendrik-school werd dit jaar voor het eerst het einddiploma eener literair-economische hoogere burgerschool uitgereikt; van de overige hoogere burgerscholen had slechts die te Soerabaja een literair-economische afdeeling. Twee hoogere burgerscholen waren gecombineerd met een algemeene middelbare school, die te Semarang en te Malang. Het aantal leerkrachten bedroeg op het einde van den cursus bij de Gouver nementsscholen 225 1 ), onder wie 31 vrouwelijke. Bij de gesubsidieerde scholen waren 16 leerkrachten werkzaam, van wie 8 vrouwelijke. De toeneming van het aantal leerlingen hield ook dit jaar aan (3821, tegen 3676 het vorig jaar). Het verloopspercentage was echter ook hooger dan het vorig jaar (7 % tegen 5 %), waarvan de oorzaak moet worden gezocht in de verscherpte regelen voor de verwijdering van leerlingen, die uit hoofde van hun aanleg niet op een hoogere burgerschool met 5-jarigen cursus thuisbehooren. Het aantal niet- Europeesche leerlingen is nog steeds stijgende; het bedroeg dit jaar 25,7 % van het totale aantal, tegen 22,9 % in het voorafgegane jaar. Het grootste gedeelte hiervan bestaat uit Vreemde Oosterlingen. Aan het toelatingsexamen namen in 1934 1863 candidaten deel, of 423 minder dan in 1933. In dit aantal zijn mede begrepen de candidaten voor het toelatings examen der (particuliere) lycea, welke als gevolg van de nieuwe regeling voor het afnemen van de examens voor toelating tot hoogere burgerschool en lyceum geen eigen toelatingsexamen afnamen. Er slaagden 1340 candidaten, of 71,9% (vorig jaar 66,6 %). Aan het eindexamen der B-afdeelingen van de hoogere burgerscholen onder wierpen zich 361 leerlingen, van wie 285 of 79,2 % slaagden. De resultaten waren dus iets gunstiger dan verleden jaar. Voor het eerst sedert een groot aantal jaren was het percentage geslaagden onder de meisjes kleiner dan dat der jongens. Het aantal eindexamen-candidaten der literair-economische afdeelingen (de Prins Hendrik-school inbegrepon) bedroeg 48, van wie er 42 slaagden. *) Het aantal van 133 op blz. 242 van het vorig Verslag genoemd, moet op een misverstand berusten. DB LANDSFINANCIËN. 23 o.a. een aanvulling van de voorschriften betreffende ontheffing bij verlies van een bron van inkomen, gepaard gaande met een daling van het zuiver inkomen van meer van 25 %, ten doel hebbende deze ook van toepassing te doen zijn op in het buiten land wonende belastingplichtigen, die een periodieke uitkeering ten laste van een Indische openbare kas genieten (I. S. 1934 n°. 133). Mede werd opgenomen oen bepa ling ter vermijding van dubbele belasting van luchtvaartmaatschappijen (I. S. 1934 n°. 535). Ten slotte werd bij Ord. van 7 Nov. 1934 (I. S. n°. 612) de belastingregeling op vele punten gewijzigd, in hoofdzaak met het doel vereenvoudiging te brengen in de regeling van den z.g. kleinen aanslag (belastbare jaarlijksche inkomens beneden f' 900) o.m. door die inkomens te doen vaststellen naar uiterlijke ken teekenen van welstand. Ter bevordering van de betaling dier kleine aanslagen wordt in artikel 76a der ordonnantie de mogelijkheid geopend bet zelfstandig uitoefenen van een beroep afhankelijk te stellen van het bezit eener bedrijfsvergunning, welke bij wanbetaling der inkomstenbelasting kan worden ingetrokken. Deze vergunningen worden verstrekt, wanneer het belast baai' jaarhjkscb inkomen zich beweegt tusschen f 200 en f 900. Bij de K. V. in 1. S. 1934 n°. 719 zijn do plaatsen opgesomd, waarbinnen een dergelijke vergunning wordt gevorderd. De aanwijzing der beroepen, vallende binnen de workingsfoor van dit stelsel, is overgelaten aan de hoofden van gewestelijk bestuur. Voorts werden bij hoogergenoemde Ord. van 7 Nov. 1934 voorzieningen aangc gobracht in verband mot de loonbelasting en werd ook het tarief der belasting herzien. Een verschillend tarief voor ongehuwden on gehuwden werd ingesteld: het is voor laatstgenoemden zoodanig, dat do inkomstenbelasting, verhoogd met 50 opcenten (I.S. 1934 N°. 613), in 1935 een ongeveer gelijken druk oefent als in het jaar 1934 die belasting en de — thans ingetrokken — orisisheffing tezamen. Verder kwam tot stand de Ord. van 5 .Mei 1934 (I.S. N°. 291). strekkende om met vreemde Staten regelingen te kunnen treffen tot voorkoming van dubbele belasting over zekere inkomens- on verniogensbestanddcolon. Bij R. V. van 7 Maart 1934 (I. S. N . 119) werd uitvoering gegeven aan het in artikel 31a der Ord. op de inkomstenbelasting 1932 neergelegde beginsel van voorkoming van dubbele belasting van in het buitenland wonende, ten laste der Indische openbare kassen gepension neerden. De zuivere opbrengst der gezamenlijke inkomstenbelasting en crisisheffing over 1934 bedroeg f' 39 417 0110, hetgeen iets moer is dan de opbrengst over 1933 ten bedrage van f 39 128 000. Echter dient in hot oog te worden gehouden, dat het tarief der orisisheffing-1934 55 % hooger was dan dat van de overeenkomstige heffing over 1933. De loonbelasting, welke ingevolge de Ord. van 7 Nov. 1934 (I. S. n°. 611) met ingang van 1 Januari 1935 wordt ingevoerd, treft nagenoeg alle Iconinkomsten met een belasting van 4 %. De belasting is verschuldigd door de werkgevers, die haar echter kunnen verhalen op de werknemers. De aanslag in de inkomstenbelasting wordt verminderd met de over het looninkomen te heffen loonbelasting. De R. V. van 22 Nov. 1934 (I. S. n°. 641) strekt tot uitvoering van eenige artikelen van genoemde Ord. De Ord. op de vennootschapsbelasting 1925 (i. S. a . 319) onderging in 1934 slechts wijzigingen van ondergeschikten aard. I. S. 1934 n . 106 bracht ook hier de bij de verponding en do inkomstenbelasting opengestelde mogelijkheid tot het niet opleggen van een Verhooging bij navordering, terwijl ter vermijding van dubbele belasting van luchtvaartmaatschappijen maatregelen werden getroffen bij Ord. van 1 Sept. 1934 (I. S. n°. 535). De 100 opcenten op <\r aanslagen in de vennootschaps belasting werden bestendigd. De zuivere opbrengst van die belasting over 1934 bedroog f 5 759 900, tegen f 6 611 500 over 1933. DE CULTUREELE TOESTAND. 230 Van do hoogere burgerschool-afdeclingen der beide particuliere lycea slaagden 31 van de 33 leerlingen voor het eindexamen. Aan verschillende scholen werd getracht door middel van lezingen, excursies, schoolfilm vertooningen, voordrachtavonden en teeken wedstrijden buiten de school uren tot de vorming van de jeugd bij te dragen. De nieuwe verwijderingsvoorschriften blijken in het algemeen heilzaam te hebben gewerkt en den ijver der leerlingen te hebben gestimuleerd. Algemeene middelbare scholen (A. M. S.). Omtrent de eindexamens van do afdeeling B der Algemeene Milddebare school zie men Bb. nos. 13 251 en 13 252. In het aantal dezer scholen kwam geen verandering. Het aantal Gouvernements inrichtingen bedroeg 6, waarvan 4 wis- en natuurkundige af deelingen, één Oostersch letterkundige en één Westersch-klassieke; er waren 2 gesubsidieerde scholen, één Roomsch-katholieke en één Christelijke, beide een wis- en natuurkundige afdeeling. De toeneming van het aantal leerlingen op de B-afdeelingen is tot stilstand ge komen; de A-afdeelingen vertoonen in de laatste jaren een gestadigen groei. Het verloop op deze scholen is grooter dan op de hoogere burgerscholen (8 %) en moet in hoofdzaak worden toegeschreven aan den'geringon maatschappelijken welstand der milieus, waaruit de leerlingen voortkomen. De meesten studeeren uit een zeer bescheiden beurs, velen worden door bloedverwanten gesteund: overlijden of financieele tegenslag in de familie maakt verder schoolbezoek al spoedig onmogelijk. In de samenstelling van de schoolbevolking valt oen lichte verandering te con stateeren, mot name een langzame toename van het aantal Europeesche leerlingen. In den cursus 1933/1934 bedroeg voor de gezamenlijke Gouvernementsscholen het percentage Europeesche leerlingen 16,6, dat der Inlandsche 64,8 en dat der Vreemde Oosterlingen 18,6. Het aantal vrouwelijke leerlingen steeg van 8,8 % tot 9,4 % van het totale aantal. De resultaten van het eindexamen der Gouvernements algemeene middelbare scholen waren dit jaar minder gunstig .In het percentage geslaagden viel een terug gang te constateeren; voor de Westersch-klassieke afdeeling bedroeg het 56 %, voor de Oostersch-letterkuncüge afdeeling 65 % en voor de wis- en natuurkundige afdeeling gemiddeld 85 %. Het aantal geslaagden was voor de A-afdeolingen 24 (tegen 41 in 1933) en voor de B-afdeelingen 241. Bij de gesubsidieerde algemeene middelbare scholen bleef het aantal leerlingen vrijwel constant. Het verloop is hier veel kleiner dan op de Gouvernements scholen (3,2 %). De R. K. algemeene middelbare school heeft een groot percentage Euro peesche leerlingen, de Christelijke algemeene middelbare school daarentegen een groot aantal Chineezen. Het percentage geslaagden bedroeg 75 % voor de R. K. en 76 % voor de Christelijke school; in totaal slaagden op beide scholen 71 van de 92 can didaten. Lycea. De schoolbevolking van deze onderwijsinrichtingen vertoont oen ge stadigen groei; zij bedroeg aan het einde van het schooljaar 1933/1934 590, tegen 561 het vorig jaar. Evenals bij de hoogere burgerscholen met 5-jarigen cursus is het percentage vrouwelijke leerlingen hier tamelijk hoog (Christelijk lyceum 38 %, Bataviaasch lyceum 35 %). Vooral de gymnasiale opleiding blijkt voor de meisjes een bijzondere aantrekkingskracht te hebben, hetgeen sterk tot uiting komt bij het Bataviaasch lyceum, waar zij de groote meerderheid vormen. Aan het eindexamen der hoogere burgerschool-afdeelingen namen 33 candidaten deel, van wie er 31 slaagden; voor dat der gymnasium-afdeeling gingen 19 candidaten op, van wie er 17 slaagden. De resultaten waren dus zeer gunstig te noemen. Het leerlingenverloop bedroeg 5,5 %. Het aantal aan beide lycea verbonden leerkrachten bedroeg 50, onder wie 12 vrouwelijke. ONDERWIJS. 231 3a. Opleiding van onderwijskrachten. I. Met een inheemsche taal als voertaal. Hoewel door de omzetting van de volledige Inlandsche scholen der 2de klasse het aantal volksscholen toenam en dientengevolge eenige uitbreiding van het personeel aan deze scholen noodig was, was verruiming van de opleiding tot volksonderwijzer niet noodzakelijk, daar een groot aantal onopgeleide onderwijzers der standaardscholen, die vroeger bij het volksonderwijs werkzaam waren geweest, thans gelegenheid kregen naar dat onderwijs terug te vloeien. Het aantal openbare leergangen voor volksonderwijzers daalde van 117 tot 33, het aantal bijzondere van 32 tot 15. Ook het aantal normaalscholen voor Inlandsche hulponderwijzers moest nog verder worden ingekrompen. Aan het begin van het schooljaar 1933/1934 waren er nog 10 jongens- en 5 meisjes-normaalscholen, waarvan er aan het einde van den cursus respectievelijk 3 en 1 werden opgeheven (G. B. 9 Juni 1934 n°. 19, I. S. n°. 362). Nieuwe eerste klassen werden nog slechts gevormd aan de jongons normaalschool te Padangpandjang en aan de meisjes-normaalscholen. Bij het bijzonder onderwijs bleef het drietal Protestantsche normaalscholen gehandhaafd; de Roomsch-Katholieke normaalschool te Moentilan werd gesloten, waardoor het aantal dezer opleidingsinrichtingon daalde van 4 op 3, terwijl de Vereeniging „Moehammadijah" haar normaalschool te Soerakarta behield en ook de neutrale „Van Deventer-school" te Bandoeng kon blijven voortbestaan. 11. Met de Nederlandsche taal als voertaal. Door de voorloopige stopzetting van de uitbreiding van het onderwijs eenerzijds en do inkrimping der personeelsformaties anderzijds is een groot overcompleet aan personeel ontstaan, hetwelk het noodzakelijk maakte de opleiding van leer krachten voor het Westersch lager onderwijs te beperken en langzamerhand terug te brengen tot het strikt noodige aantal om in de werkelijke behoefte aan nieuwe leerkrachten te voorzien. De kweekschool voor Inlandsche onderwijzeressen te Salatiga leverde het vorig jaar voor het laatst Inlandsche onderwijzeressen af; de aanwezige derde klasse werd bevorderd naar de eerste klasse van den bovenbouw der Hollandsch-Inlandsche kweekschool voor onderwijzeressen te Jogjakarta, die daarnaast nog slechts een tweede en derde klasse van den onderbouw heeft. Op het einde van het schooljaar 1933/1934 is geen nieuwe eerste klasse van den bovenbouw gevormd; aan de voor bevordering in aanmerking komende leerlingen uit de derde klasse van den onder bouw is het mulo-einddiploma-B uitgereikt. In verband met het overcompleet aan vrouwelijke leerkrachten zal deze opleiding aan het einde van hot schooljaar 1935/1936 worden gestaakt. Op de Hollandsch-Chineesche kweekschool en op de Hollandsch-Inlandsche kweekscholen zijn bij den aanvang van den cursus 1933/1934 geen nieuwe leerlingen toegelaten. Door concentratie van de bovenbouwen en geleidelijke afschaffing van de onderbouwen der Gouvernements Hollandsch-Tnlandsche kweekscholen wordt een geleidelijke inkrimping van het aantal dezer onderwijsinrichtingen nagestreefd. De schoolbesturen, die gesubsidieerde Hollandsch-Inlandsche kweekscholen onder houden, zijn er mede in kennis gesteld, dat zij ten deze het voorbeeld van de Gouvernements zusterinstellingen hebben te volgen, tenzij genoemde school besturen er de voorkeur aan geven de onderbouwen ongesubsidieerd te conti nueeren. DE CULTUREELE TOESTAND. 232 De volgende tabel geeft een overzicht van de Hollandsch-Inlandsche kweek scholen op het eind van het schooljaar 1933/1934. Voorts is besloten naast do 6-jarige opleiding aan deze onderwijsinrichtingen een 4-jarige te verbinden, ten einde te voorzien in het benoodigde personeel voor de bezetting van de lagere klassen der Hollandsch-Inlandsche scholen, waarin momenteel abituriënten der voormalige kweekscholen lesgeven. De ervaring heeft geleerd, dat gedurende de studie voor onderwijzer op de Hollandsch-Inlandsche en Hollandsch-Chineesche kweekscholen vrij veel leerlingen afvallen, omdat zij de betrekkelijk moeilijke en langdurige studie niet kunnen beëindigen, lntusschen hebben deze leerlingen den Lande, mede door hun opvoeding in de aan de kweek scholen verbonden internaten, veel geld gekost, waarvan bij staking der studie in het geheel geen profijt wordt getrokken. Deze leerlingen zullen in het vervolg voor het onderwijs behouden blijven, doordat voor hen de studieduur wordt bekort en hun een dusdanige opleiding zal worden gegeven, dat zij de plaats kunnen innemen van de vroegere kweekschool-abituriënten. Op dezelfde wijze zal op de Hollandsch-Chineesche kweekschool te werk worden gegaan, ten einde Chineesche onderwijzers te vormen, die geschikt zijn in de lagere klassen der Hollandsch-Chineesche scholen les te geven, waardoor de personeels kosten van deze scholen zullen verminderen. Daar het aantal onderwijzers van ('hineeschen landaard nog altijd betrekkelijk klein is, is bij het begin van het schooljaar 1934/1935 een nieuwe eerste klasse van den onderbouw der Hollandsch- Chineesche kweekschool gevormd, alsmede een aanvang gemaakt met de eind klasse van do bovenomschreven 4-jarige opleiding. ONDERWIJS. 233 Opleiding voor de Europeesche hulpakte. Het aantal Europeesche kweekscholen bedroog in dit cursusjaar nog 10, waaronder 3 met gemengde opleiding en 7 voor meisjes. Het aantal leerlingen dezer scholen bedroeg 849; van de 294 leerlingen der derde klasse slaagden er 247 voor het examen van Europeesch onderwijzer(es). In verband met het groote aantal beschikbare vrouwelijke leerkrachten was in het vorig cursusjaar reeds begonnen met geleidelijke stopzetting van de sub sidieering der Europeesche kweekscholen voor meisjes. In dit schooljaar werd nog slechts subsidie voor de derde klassen verleend, waarna de subsidieering van deze inrichtingen geheel zal worden gestaakt. Opleiding voor de hoofdakte. Voor de hoofdakte stonden oude en nieuwe opleiding naast elkaar. De 4 Gouvernements normaalcursussen voor de hoofdakte met 3-jarigen leergang werden bezocht door 131 leerlingen; die te Bandoeng en Soerabaja hadden nog een tweede en derde klasse, die te Batavia en Semarang alleen nog een derde klasse. Aan het einde van het schooljaar 1934/1935 zal deze opleiding geheel afgeloopen zijn, terwijl in 1937 voor het laatst gelegenheid zal zijn examen voor de oude hoofdakte af te leggen. Voor het volledig examen ter verkrijging van de oude hoofdakte gaven zich 14, voor het eerste gedeelte 63 en voor het tweede gedeelte 71 candidaten op, van wie onderscheidenlijk 7, 42 en 54 slaagden. Voorts legden 3 candidaten aanvullings examen af, die allen slaagden. Ook de opleiding voor de hoofdakte moest worden ingekrompen, nu door de invoering van de nieuwe personeelsformatie bij de scholen van Westersch lager onderwijs veel minder hoofdakte-bezitters noodig zijn. Derhalve werd de opleiding voor de nieuwe hoofdakte, verbonden aan de Gouvernements kweekschool te Soerabaja, aan het eind van het vorig schooljaar opgeheven. Aan bet einde van dit cursusjaar werd bepaald, dat de Christelijke Europeesche kweekschool te Batavia geen subsidie voor een nieuwe eerste klasse meer zou ontvangen. Aan de Carpentier Alting-school te Batavia had een ongesubsidieerde hoofdakte opleiding plaats in de avonduren; vele leerlingen waren overdag werkzaam. In 1934 slaagden 71 candidaten voor de nieuwe hoofdakte en 26 voor de Europeesche hoofdakte. Voorts werd besloten de hoofdakte-opleiding voor Hollandsche kweekschool-leer lingen en oude Hollandsch-Chineesche kweekschool-leerlingen te reorganiseeren. In de practijk is namelijk gebleken, dat voor deze cursisten een tweejarige opleiding niet tot het gewenschte doel leidt. Zij zal in de toekomst worden voorafgegaan door een één jarige vóóropleiding, uitsluitend voor de vakken Nederlandsch, Engelsch en wiskunde. 3b. Geneeskundig onderwijs. Mededeelingen omtrent dit onderwijs zijn opgenomen in hoofdstuk V, onder E, betreffende , .Gezondheidszorg. 3c. Nijverheidsonderwijs. I. Ambachtsonderwijs. a. Met een Inheemsche taal als voertaal. De reorganisatie van het onderwijs aan de ambachtsleergangen vond geregelden voortgang. De aan deze scholen ver bonden vervolgcursussen leidden op in het meubelmaken, metselen, voor auto monteur, electro-, rijwiel- en motorrijwiel-monteur, enz. Aan enkele leergangen zijn afdeelingen voor Nederlandsen sprekende leerlingen verbonden (zie hierover onder b). Aan al deze leergangen wordt het onderwijs in het Maleisch of de landstaal gegeven door Inlandsche onderwijzers of ambachtsonderwijzers onder toezicht van Europcesche vakonderwijzers, behalve het onderwijs in theorie en teekenen aan de afdeelingen voor Nederlandsch sprekenden, dat door Europeesche onderwijzers en vakonderwijzers gegeven wordt. DE CULTUREELE TOESTAND. 234 In Juli 1933 worden de hoofdleorgangen te Pocrwokerto en Madioen tot filiaal leergangen teruggebracht, terwijl nog vóór het einde van het schooljaar do hoofd leergang te ïasikmalaja werd omgezet in een filiaal-leergang van Keboemen, zoodat van de 17 hoofdleorgangen in het vorig Verslag genoemd, er aan het einde van dit schooljaar nog slechts 14 over waren. Het aantal leerlingen der hoofdleergangen (met uitzondering van de afdeelingen voor Nederlandsch sprekenden) bedroeg aan het einde van het schooljaar 2644. Het aantal filiaal-leergangen steeg tengevolge van de bovenvermelde om zettingen van 16 tot 19; het aantal leerlingen bedroeg 1085. Het gezamenlijk aantal leerlingen, die de Gouvernements ambachtsleergangen bezochten, bedroeg alzoo 3729, van wie 1447 in 1934 een diploma verwierven. De bijzondere ambachtsleergangen met een Inheemsche taal als voertaal, waarvan verschillende nog de benaming ambachtsschool voerden, hebben dit jaar op instigatie van het Departement van Onderwijs en Eeredienst dien naam ge wijzigd in ambachtsleorgang. Alle in het vorig Verslag genoemde inrichtingen bleven ook dit jaar in bedrijf; zij werden bezocht door 1440 leerlingen. b. Met Nederlandsch als voertaal. De omzetting van de Europeesche ambachts school te Batavia en van de afdeeling voor Nederlandsch sprekenden van den vroegeren ambachtsleergang te Semarang in 3-jarige ambachtsscholen, welke opleiden voor de allerlaagste toezichthoudende technische betrekkingen, had geregelden voortgang. Deze opleiding is ook geëigend voor hen, die zelfstandig een klein bedrijf willen beginnen. Dit cursusjaar kwamen voor het eerst de tweede klassen in werking. Het totaal aantal leerlingen der oude en nieuwe opleiding bedroeg bij het begin van het schooljaar 1933/1934 595, van wie 270 van Europeeschen landaard of 45 % (vorig jaar 51 %). Aan het einde van den cursus was dit aantal teruggeloopen tot 539, zoodat er een verloop was van 9,4 %. Waar de heide ambachtsscholen nog slechts twee leerjaren met gereorganiseerd leerplan telden, werden dit jaar door deze inrichtingen nog geen diploma's uit gereikt. Voor het eindexamen van de oude opleiding slaagden te Batavia 15 timmerlieden (100 %) en 67 metaalbewerkers (97 %) en te Semarang 19 timmer lieden (100%), 25 metaalbewerkers (96%), 13 electro-monteurs (87%), 15 auto monteurs (100 %) en 9 metselaars (100 %). Naast deze volledige ambachtsscholen zijn afdeelingen voor Nederlandsch sprekende leerlingen, waarop het reglement der ambachtsscholen van toepassing is, verbonden aan de ambaohtsleergangen te Magelang, Jogjakarta en Makassar. Op 1 September 1933 werd zulk een afdeeling ook verbonden aan den ambachts leergang te Madioen in verband met de overname door het Land van een be staanden cursus van het Indo-Europeesch Verbond. De afdeeling te Magelang had uitsluitend een opleiding voor timmerlieden, de afdeelingen te Jogjakarta, Makassar en Madioen alloen voor metaalbewerkers. Het totaal aantal leerlingen was bij hot begin van den cursus 319; het percentage Europeesche leerlingen is iets toegenomen, dank zij het feit, dat de bovengenoemde cursus te Madioen bijna uitsluitend Europeesche leerlingen telde. Het verloop was dit jaar 21 % (vorig jaar 15 %). Bij den avondcursus, verbonden aan de gemeentelijke ambachtsschool te Soerabaja, werd in de laatste twee jaren wegens gebrek aan leerlingen geen eerste klasse gevormd, zoodat deze cursus nog slechts de hoogste twee klassen had. Do dagschool werd bezocht door 283 leerlingen (onder wie 88 bouwkundigen, 145 werktuigkundigen en 50 electro-technici), de avondcursus door 31 leerlingen. Het einddiploma werd uitgereikt op de dagschool aan 25 bouwkundigen, 19 werktuig kundigen en 25 electro-technici en op den avondcursus aan 7 werktuigkundigen. ONDERWIJS. 235 Te Bandoeng werd bij het begin van het schooljaar 1933/1934 een nijverheids school van het Indo-Europeosch Verbond opgericht, waarop het reglement voor de Gouvernements ambachtsscholen van toepassing is, behoudens door den Directeur van Onderwijs en Eeredienst goed te keuren afwijkingen ten aanzien van de toelating van leerlingen en van het leerplan. Het doel is jongelieden op te leiden tot geschoolde werklieden in verschillende takken van nijverheid. Begonnen werd met een bouwkundige en een werktuigkundige opleiding. Voor het eerste schooljaar meldden zich 246 jongelieden aan, van wie er 98 werden toegelaten. Dit aantal liep terug tot 81 aan het einde van den cursus, van wie 24 de bouwkundige en 57 de werktuigkundige afdeeling bezochten. Deze school geniet, evenals de gemeentelijke burgerambachtsschool te Soerabaja, subsidie uit 's Lands kas op den voet van de regeling in Bb. n°. 11575. Aan de eveneens gesubsidieerde opleidingsschool voor instrumentmakers en glasblazers te Bandoeng kon in 1934 aan 8 van de 10 leerlingen der vierde klasse het einddiploma worden uitgereikt, 5 voor glasblazen en 3 voor instrumentmaken. Op het einde van den cursus bedroeg het aantal leerlingen 43. Hot aantal gesubsidieerde gemeentelijke 2-jarige ambachtsleergangen, waaraan afdeelingen voor Nederlandsch sprekende leerlingen zijn verbonden, bedroeg evenals het vorig jaar 3. Zij leidden alle drie op voor de metaalbewerking en hadden te zamen aan het einde van den cursus 224 leerlingen (vorig jaar 196). Aan 102 candidaten werd het diploma uitgereikt. Te Padang wordt sedert twee jaren door de gemeente een ambachtsleergang geëxploiteerd zonder subsidie uit 's Lands kas. De opleiding duurt 3 jaren; het onderwijs gaat uit boven dat van een Gouvernements ambachtsleergang, doch staat niet op hot peil van een Gouvernements ambachtsschool. Het aantal leerlingen bedroeg aan het einde van den cursus 40 (19 Europeanen, 19 Inlanders en 2 Vreemde Oosterlingen). De technische avondschool „Mangoenhardjo" te Semarang, die tot doel heeft jongelieden uit den kleinen prijaji-stand, die genoodzaakt zijn overdag te werken, een technische opleiding te geven, geeft in een 3-jarigen avondcursus een bouw kundige opleiding. Het schooljaar begon met 102 en eindigde met 85 leerlingen, allen van Inheemschen landaard. Aan 27 van de 29 leerlingen der derde klasse kon het einddiploma worden uitgereikt. De aan deze school verleende subsidie werd in Juli 1934 gestaakt. 11. Technisch onderwijs. Ook de omzetting van de Gouvernements technische scholen van 4-jarige in 5-jarige cursussen vond verderen voortgang. De eerste en tweede klassen volgden het nieuwe (5-jarige) leerplan, terwijl de derde en vierde klassen nog uit leerlingen van den ouden 4-jarigen cursus waren samengesteld. In 1933 werd aan de technische school te Bandoeng geen nieuwe eerste klasse gevormd. Om de opheffing van deze school te bespoedigen, werd besloten om de leerlingen, die in 1934 naar de derde klasse zouden worden bevorderd, over te brengen naar de Koningin Wilhelmina-school te Batavia, onder toekenning van een toelage ter compensatie van de meerdere kosten voor huisvesting (Bb. n°. 13026). Een regeling van het toelatingsexamen en de toelating van leerlingen tot de eerste klassen der openbare technische scholen met 5-jarigen cursus in Nederlandsch- Indië is opgenomen in Bb. n°. 13165. Het aantal leerlingen op de vier scholen te zamen bedroeg in Juli 1933 1387 (vorig jaar 1402), waarvan 44 % Europeanen, 40 % Inlanders en 16 % Vreemde Oosterlingen. DE CULTUREELE TOESTAND. 236 De toeloop van nieuwe leerlingen tot de eerste klassen vertoonde een sterke stijging; dit aantal bedroeg 430, tegen het vorig jaar 342. Deze toename zal waar schijnlijk moeten worden beschouwd als crisis-verschijnsel; talrijke ouders zien zich niet in staat een H.8.5.-opleiding met aansluitende academische studie te bekostigen en verkiezen voor hun zoons de weinig kostbare vakopleiding aan de technische school. Het bevorderingspercentage was in alle klassen iets ongunstiger dan verleden jaar, hetgeen moet worden toegeschreven aan de verscherpte normen voor over gang. Aan het eindexamen werd door 253 leerlingen deelgenomen, van wie 195 of 77 % leerlingen slaagden. In de jaren 1930, 1931, 1932 en 1933 bedroeg dit percentage respectievehjk 66, 60, 63 en 78. Bij de gesubsidieerde technische school te Semarang begon het schooljaar met 194 leerlingen, onder wie 167 werktuigkundigen en 27 bouwkundigen. Aan het eindexamen werd deelgenomen door 7 water- en spoorwegbouwkundigen en 30 werktuigkundigen, van wie respectievehjk 5 en 28 candidaten slaagden. De technische avondschool „Mangoenhardjo" is vermeld onder de ambachts scholen. 111. Andere scholen voor nijverheidsonderwijs. Van deze scholen bleef dit schooljaar nog slechts gehandhaafd de mijnbouwschool te Sawahloento, die alleen een hoogste klasse telde. Aan 16 leerlingen werd het einddiploma uitgereikt: 8 voor de mijnbouwkundige en 8 voor de werktuigkundige electrotechnische afdeeling. Aangezien tengevolge van de tijdsomstandigheden geen behoefte meer bestond aan opleiding van opzichters voor den mijnbouw, werd de school 31 Mei 1934 gesloten. IV. Onderwijs in huishoudelijke vakken. Bij besluit van den Directeur van Onderwijs en Eeredienst van 3 Febr. 1934 (Bb. n°. 13197) werd een reglement vastgesteld voor de Gouvernements lagere nijverheidsscholen voor meisjes. Deze hebben ten doel op den grondslag van het Westersch lager onderwijs een voortgezette practische vorming te geven als voorbereiding van de leerlingen voor haar toekomstige taak in het huisgezin. Het leerplan omvat de volgende opleidingen: a. een tweejarigen cursus in de huishoudelijke vakken, gevolgd door een éénjarigen cursus in nuttige handwerken, eventueel in fraaie handwerken; b. een éénjarigen cursus in de huishoudelijke vakken, gevolgd door een twee jarigen cursus in nuttige en fraaie handwerken; c. een éénjarigen cursus in de huishoudelijke vakken, gevolgd door een tweejarigen cursus in het costuumnaaien. De splitsing in de verschillende opleidingen heeft plaats na het eerste leerjaar. De abituriënten der a-opleiding worden na drie jaren in de gelegenheid gesteld het eindexamen der school af te leggen; reglement en programma zijn opgenomen in Bb. n°. 13194. De leerlingen der b-opleiding kunnen de akte-examens in de door haar gekozen vakken afleggen, terwijl zij, die de opleiding voor costuumnaaien hebben gevolgd, het staatspractijkdiploma voor het costuumnaaien kunnen afleggen, dat geregeld is bij besluit van den Directeur van Onderwijs en Eeredienst van 23 Mei 1934 (Bb. n°. 13264). Op de lagere nijverheidsscholen wordt schoolgeld geheven overeenkomstig de voor de mulo-scholen geldende regeling. ONDERWIJS. 237 Bij besluit van den Directeur van Onderwijs en Eeredienst van 3 Febr. 1934 werd een reglement vastgesteld voor de Gouvernements opleidingsschool voor onderwijzeressen in de huishoudelijke vakken (Bb. n°. 13190). Deze leidt, zooals de naam reeds aangeeft, op tot onderwijzeres bij een lagere nijverheidsschool voor meisjes. Het leerplan onderscheidt: een afdeeling A (huishoudelijke vakken), B (nuttige en fraaie handwerken) en C (costuumnaaien). De opleiding duurt drie jaren, waarna respectievehjk een diploma A, B of C kan worden behaald. De splitsing vindt plaats na het eerste leerjaar overeenkomstig den aanleg der leer lingen. Op deze school wordt schoolgeld geheven overeenkomstig de bij de alge meene middelbare school geldende regeling. Het reglement voor het eindexamen dezer opleidingsschool, alsmede de programma's voor de examens ter verkrijging van de bovenbedoelde akten A, B en C zijn vastgesteld bij besluit van den Directeur van Onderwijs en Eeredienst van 6 Febr. 1934 (Bb. n°. 13193). In het schooljaar 1933/1934 werd aan de opleidingsschool voor het eerst be gonnen met de opleiding voor de akte C. Het huishoudonderwijs geniet een steeds toenemende belangstelling. Het aantal leerlingen der 3 Gouvernements lagere nijverheidsscholen (te Batavia, Jogjakarta en Madioen) bedroeg aan het einde van het schooljaar 1933/1934 262 (130 Euro peesche, 77 Inheemsche en 55 Chineesche), tegen 218 aan het einde van den vorigen cursus. De opleidingsschool voor onderwijzeressen in huishoudelijke vakken telde dezen cursus 68 leerlingen, van wie er 19 eindexamen aflegden en 18 slaagden. Aan de 11 gesubsidieerde inrichtingen voor huishoud- en vakonderwijs voor meisjes bedroeg het aantal leerlingen 676; hiervan waren 288 van Europeeschen en 298 van Inheemschen landaard en 90 Vreemde Oosterlingen. Het aantal mulo-scholen, waar les gegeven wordt in lingerie- en costuumnaaien, bedroeg 13 (9 Gouvernements en 4 gesubsidieerde). Voorts werd aan alle openbare (172) en gesubsidieerde (42) meisjesvervolgscholen onderwijs gegeven in de huis houdelijke vakken. 3d. Opleiding voor land-, tuin- en boschbouw en veeteelt. De middelbare landbouwschool te Buitenzorg telde bij het begin van den cursus 1933/1934 85 leerlingen, van wie 50 de landbouwkundige en 35 de boschbouwkundige richting volgden. Respectievehjk 15 en 11 candidaten van genoemde opleidingen legden met goed gevolg het eindexamen af, terwijl bovendien 4 toehoorders het einddiploma boschbouwkunde verwierven. In den loop van het cursusjaar trad, in verband met de omstandigheid, dat het Gouvernement geen adspirant-adjunct-landbouwconsulenten meer aanstelde, slechts één gegadigde tot de vervolgopleiding op het landbouwbedrijf Pantjasan toe. In December 1933 vertrok deze candidaat weer, daar hij plaatsing vond bij het Algemeen Proefstation voor den Landbouw. Het reglement voor de middelbare landbouwschool onderging een kleine wij ziging met betrekking tot het aantal leden der commissie van toezicht (Bb. n°. 13247). Voor de cultuurscholen is bij besluit van den Directeur van Economische Zaken van 8 Juni 1934 (Bb. n°. 13299) een nieuw reglement vastgesteld. Het onderwijs zal voortaan voornamelijk gericht zijn op vorming voor de practijk van het Indisch land-, bosch- en tuinbouwbedrijf, alsmede van de visseherij. Het draagt in hoofdzaak den stempel van vakonderwijs. Met het oog op de bestemming der leerlingen kan het derde leerjaar naar gelang van de behoefte worden gesplitst in een boschbouw en een landbouwkundige afdeeling, een afdeeling tot opleiding van landbouw opzichters bij den landbouwvoorlichtingsdienst, een afdeeling tot opleiding voor DE CULTUREELE TOESTAND. 238 den tuinbouw en van opzichters bij den tuinbouwvoorlichtingsdienst, alsmede een afdeeling tot opleiding voor de visseherij en van opzichters bij den dienst voor landbouw en visseherij. Na het met goed gevolg beëindigen van het derde leerjaar wordt aan de abituriënten gelegenheid gegeven tot het volgen van een facultatieven cursus van één jaar (te Malang), waarin enkele technische vakken en zoo mogelijk ook speciale onderwerpen worden behandeld. Het aantal leerlingen van de cultuurschool te Soekaboemi bedroeg bij het einde van den cursus 1933/1934 93 (22 Europeanen, 6 Chineezen en 65 Inheemschen). Uit de hoogste klasse met 19 leerlingen landbouwkundige en 11 leerlingen bosch bouwkundige richting behaalden respectievehjk 19 en 10 leerlingen het eind diploma. Ofschoon met moeite, vonden toch nagenoeg alle landbouwkundig gediplomeerden van het vorig cursusjaar werk. De leerlingen der boschbouwklasse konden allen als maandgelder bij het boschwezen worden aangesteld. Aan de cultuurschool te Malang wordt geen boschbouwkundige opleiding gegeven, doch bestaat voor hen, die hetzij te Soekaboemi, hetzij te Malang het driejarig diploma verwierven, gelegenheid gedurende een jaar een technischen cursus te volgen; het practisch onderricht omvat oefeningen in het smeden, draaien en bankwerken, alsook het behandelen, monteeren en demonteeren van explosie motoren, waaronder automobielen. Het aantal leerlingen der cultuurschool te Malang bedroeg aan het einde van den cursus 106 (66 Europeanen, 3 Chineezen en 37 Inheemschen). Voor het drie jarig einddiploma slaagden 26 van de 32 deelnemers, voor het vierjarige 12 van de 14. Het onderwijs werd nog gevolgd door 3 toehoorders. Het kostte den gediplomeerden van den vorigen cursus over het algemeen groote moeite om betaald werk te vinden en ook dan moest met een geringe be taling genoegen worden genomen. Verschillende Inheemsche afgestudeerden keerden naar hun geboorteland terug en zochten een bestaan in de Inlandsche samenleving. Slechts enkelen vonden een betrekking in Overheidsdienst. Van de 7 landbouwbedrijfsscholen, waarvan in het vorig Verslag sprake is, werd er één opgeheven, zoodat er 6 overbleven, en wel te Tandjoengsari bij Soemedang (West-Java), te Nanggoelan (Jogjakarta), te Dangoeran (Soerakarta), te Wonoredjo en Ketindan (Oost-Java) en te Sibarani (Tapanoeli). De school te Dangoeran draagt een eenigszins afwijkend karakter; zij leidt op voor benoeming in desa bestuursfuncties, waarom aan de leervakken een speciaal vak, namelijk kennis van het desa-bestuur, is toegevoegd. Hot aantal landbouwcursussen voor oud-leerlingen van desa-scholen onderging in de provincie West-Java een sterke uitbreiding; in totaal waren er 151 van dergelijke cursussen met 2703 leerlingen (vorig jaar 113 met 1707 leerlingen). Van de speciale opleidingscursussen voor desa-goeroes leverde de éénjarige cursus te Laha (Amboina) in December 1933 6 geslaagden af. De tweejarige cursus te Djombang was nog in gang met 11 leerlingen, terwijl twee nieuwe cursussen werden geopend, de eene in November 1933 te Tjilemoes (Chribon) met 12 en de andere in Mei 1934 te Tamana (Besoeki) met 30 leerlingen. De leiders zijn adjunct landbouwconsulenten. Aan 7 normaalscholen voor Inlandsche hulponderwijzers waren adjunct landbouwconsulenten verbonden voor het geven van onderwijs in landbouw richting. De éénjarige vervolgopleiding voor de abituriënten dezer scholen te Kota Batoe werd overgebracht naar Pantjasan bij Buitenzorg, welke 21 onderwijzers opleidde, die allen het diploma van landbouwondorwijzer behaalden. Het bedrijf te Tegalgondo bij Soerakarta leverde voor het laatst 10 onderwijzers ai', daar besloten werd deze opleiding te staken. ONDERWIJS. 239 De Nederlandsch-Indische veeartsensehool te Buitenzorg telde dezen cursus 27 leerlingen, onder wie 2 Europeanen; 7 van de 10 leerlingen van het hoogste studiejaar verwierven het diploma van Indisch veearts, dat mede werd uitgereikt aan een leerling uit den vorigen cursus, die door ziekte verhinderd was geweest het eindexamen af te leggen en in de gelegenheid is gesteld herexamen te doen. Het ligt in de bedoeling bij den aanvang van het volgend schooljaar geen nieuwe eerste klasse aan deze school te verbinden. Het reglement voor de Nederlandsch-Indische veeartsensehool onderging bij het besluit van den Directeur van Economische Zaken van 6 Oct. 1934 (Bb. n°. 13337) een wijziging ten aanzien van de vacanties, terwijl de aanvang van den cursus, evenals bij de scholen voor Westersch lager, voortgezet en middelbaar onderwijs, werd verlegd naar de maand Augustus. De leergang tot opleiding van keurmeesters van vee en vleesch duurde van van 1 September 1933 tot einde Februari 1934. Toegelaten werden 9 leerlingen, van wie er 7 het diploma verwierven. 3e. Handelsonder wijs. Evenals het vorig jaar werd van Gouvernementswege handelsonder wijs gegeven aan een avondleergang te Batavia en te Soerabaja. De toeloop tot deze leergangen overtrof die in voorafgegane jaren; het aantal leerlingen bedroeg bij het begin van het schooljaar 200 (tegen 183 het vorig jaar) en eindigde met 145 (38 Euro peanen, 64 Inlanders en 43 Vreemde Oosterlingen). De percentages, die het jaarlijksch verloop op deze leergangen aangeven, bewegen zich voor alle drie bevolkingsgroepen in dalende richting. Vermoedelijk is dit toe te schrijven aan de omstandigheid, dat een steeds grooter aantal dezer leerlingen de handelsstudie als een voortzetting van hun mulo-opleiding beschouwen, aangezien zij anders toch werkeloos zouden zijn; deze jongere leerlingen zijn meer aan de schooltucht gewend dan hun medescholieren, die reeds eenige jaren op kantoor werkzaam zijn. Van de 145 leerlingen waren 58 meerderjarig, tegen 71 van de 119 aan het einde van den vorigen cursus. Het aantal candidaten, dat aan het eindexamen deelnam, bedroeg 31; hiervan slaagden 25 of 84 %. 3f. Opleiding voor bestuurs-, bedrijfs-, administratieve en politioneele functies. Opleidingsscholen voor Inlandsche ambtenaren. De middelbare opleidingsscholen voor Inlandsche ambtenaren (Mosvia's) te Bandoeng en Magelang hadden aan het einde van den cursus te zamen 138 leerlingen. Aan het eindexamen werd deel genomen door 62 leerlingen, van wie 59 slaagden of 90 %. De Mosvia te Bandoeng werd in Juli 1934 opgeheven; de leerlingen werden overgebracht naar de zusterschool te Magelang. Bij G. B. 8 Nov. 1934 n°. 14 (Bb. n°. 13362) word een regeling vastgesteld voor de toekenning van wachtgeld aan abituriënten dor Mosvia, die niet dadelijk in 's Lands dienst een plaatsing kunnen vinden. De opleidingsschool voor Inlandsche ambtenaren (Osvia) te Makassar telde aan het einde van dit schooljaar 72 leerlingen. Van de 17 leerlingen der 3de klasse van de A-opleiding slaagden er 16 voor het eindexamen, terwijl allo 9 candidaten der 2de klasse van de B-opleiding het eind-diploma verwierven. Uit bezuinigingsoverweging werd besloten tot versobering van de opleiding van a. s. bestuurscandidaten voor het Oostelijk deel van den archipel, in verband waarmede de Osvia te Makassar in Juli 1934 werd gesloten en deze opleiding voortaan aan de Gouvernements mulo-school ter plaatse zal plaats hebben, waaraan voor dit doel een éénjarige vervolgklasse zal worden verbonden. Het ligt in de bedoeling DB BTNANCIEELE TOESTAND. 24 De opbrengst over 1934 van de vermogensbelasting bedroeg f' 872 100, d. i. dz f 253 000 minder dan het voorafgegane jaar. De opbrengst van de op 25 Februari 1934 in werking getreden couponbelasting werd beïnvloed door de omstandigheid, dat van alle in 1934 uitgegeven nieuwe Indische leeningen tot een nominaal bedrag van f 941 millioen met een rente van 4 %, deze rente vrijgesteld werd van couponbelasting. De opbrengst over het jaar 1934 (f 667 000) bleef aanmerkelijk bij de raming (f 840 000) ten achter; zij zal in de komende jaren nog aanzienlijk dalen (geraamde opbrengst voor 1935 en 1936 f 275 000). De regelmatige daling in dr opbrengsten van het zegelrecht en van het recht van overschrijving kwam in 1934 tot stilstand; deze heffingen brachten in 1934 onder scheidenlijk f 7 173000 en f 1772 000 op, tegen f 6 797 000 en f 1 567 000 in 1933. De opbrengst van de rechten van successie en van overgang was wederom aan merkelijk lager dan in hot aan 1934 voorafgegane jaar (f 200 000 in 1934, togen f 338 000 in 1933); overigens is dit middel naar zijn aard zeer wisselvallig. Niettegenstaande ingevolge I. S. 1933 n°. 352 (in werking getreden op 27 September 1933) de tarieven der slachtbelasting voor het buiten beroep of' bodrijf slachten van rundoren, buffels, paarden en veulens mei 20 tot 50 % worden ver laagd — welke verlaging bekrachtigd is bij de wet van 20 April 1934 (N. S. n°. 170. I. S. n°. 287) —, bracht dit middel slechts weinig minder op dan over vorige jaren. De werking dezer crisis-slachtbelastingord. werd ook overigens gunstig geacht, in verband waarmede hare werkingsduur verlengd werd tot den laatsten dag van hot jaar 1936 (I. S. 1934 n°. 700). Hot tarief voor de huisslacht van runderen en buffels werd daarbij voor de residentie Madoera andermaal verlaagd, n.l. van f 3 tot f 1,50 per geslacht dier. De opbrengst over 1934 beliep voor dit middel f 4 982 000, tegen f 5 215 000 over 1933. Bij Ord. van 31 Dec. 1934 (I. S. n°. 716) werden alle directe motorvoertuigen belastingen afgeschaft en werd de hoofdsom van den benzino-accijns tot 10 cents per liter verhoogd. Op dien accijns werd verder ingevolge I. S. 1934 n°. 717 een tijdelijke heffing van 30 opcenten gelegd. Mode in verband mot eerstgenoemden maatregel is voorts bij Ord. van 31 Dec. 1934 (I. S. n°. 718) een belasting ingevoerd op motorvoertuigen, die oen mengsel van petroleum en benzine als brandstof gebrui ken, alsmede op diesel-, houtskoolgas- en petroleumauto's. op aanhangwagens en op benzinemotorvoertuigen met een toelaatbaar totaalgewicht van 5 500 kg. of meer. Al deze maatregelen zijn 1 Januari 1935 ingegaan. Het verdrag van Genève van 30 Maart 1931 nopens de belastingheffing van vreemde motorrijtuigen (N. S. 1934 n°. 44) is in Nederlandsch-Indië bekend ge maakt in I. S. 1934 n°. 122. Landelijke Inkomsh n (Jam en Madoera). \n do gouvernements-landen op Java en Madoera geschiedde dr aanslag on do inning der landrente op don voet van do „Landrente-ordonnantie 1927" (I.S. n". 163. sedert gewijzigd en aangevuld bij I. S. 1931 n°. 168), uitgezonderd in de gebiedsdeelen waar nog geen herziening plaats had en de aanslag en inning voortgingen overeenkomstig de regeling vervat in I. S. 1907 n°. 277 (sedert- gewijzigd en aangevuld bij I.S. 1912 n°. 605, 1919 n°. 735, 1922 n°. 472, 1925 n°. 544, 1927 n°. 164 on 1931 n°. 168). Herziening van den landrente-aanslag op do basis van de landrente-ord. 1927 had plaats in 7 districten van de residentie Bantam, 10 van de residentie Priangan, 4 van de residentie Cheribon, 3 van de residentie Semarang, 4 van de residentie Banjoemas, 7 van de residentie Kedoe, 3 van de residentie Madioen, 9 van de residentie Bodjonegoro, 2 van de residentie Madoera en 4 van de residentie Malang. DE CULTUREELE TOESTAND. 240 het onderwijs aan de cursussen voor Inlandsche bestuursambtenaren (Ctba's) geleidelijk in te passen in hot onderwijs op de mulo-school, waarvoor een over gangstijd van 2 jaren noodig wordt geacht. Het internaat is overgebracht naar dat van de normaalschool te Makassar, welks directeur tevens met de leiding van de Osvianen is belast. Bestuursschool. Van de opleiding voor Inlandsche bestuursambtenaren werd dit jaar de tweede jaarklasse afgewerkt, die 22 leerlingen telde, van wie 13 van Java. Voorts volgden 3 Inlandsche ambtenaren uit het Sultanaat Jogjakarta en 1 uit het Soenanaat Soerakarta de lessen als toehoorder. In Mei 1934 werd deze school tijdelijk gesloten. Gemeentelijke bureaucursus te Batavia. Deze cursus begon met 92 leerlingen (onder wie 8 vrouwelijke), van wie er aan het, einde van het schooljaar nog 55 (onder wie 4 vrouwelijke) over waren. Van de 25 leerlingen der 3de klasse, die allen aan het eindexamen deelnamen, behaalden 21 het diploma. Evenals op de Gouvernementsscholen werd de groote vacantic voor den bureau cursus verschoven en het begin van het nieuwe schooljaar op 1 Augustus 1934 vastgesteld. Aangezien tot geleidelijke liquidatie van den cursus besloten is, werd op dien datum geen nieuwe eerste klasse meer gevormd. Comptabiliteitscursussen. De eenige overgebleven cursus te Batavia telde 21 deelnemers. Er slaagden 8 candidaten voor het diploma comptabiliteit en staatsfinanciën en 9 voor het diploma belastingwetgeving. De cursus werd in 1934 opgeheven. Cursussen Post-, Telegraaf- en Telefoondienst. In het schooljaar 1933/1934 zijn 2 cursussen voor monteur ingesteld; de een leidde op voor monteur bij de lijn telegrafie en telefonie, de andere voor monteur bij het radio-bedrijf. De eerste telde 15, de tweede 13 leerlingen. Tot deze cursussen werden na schifting uitsluitend reeds bij het P. T. T.-bedrijf in dienst zijnde beambten toegelaten. Cursussen Staatsspoor- en tramwegen. Gedurende het tijdvak 1 Juli 1933 — 1 Juli 1934 had opleiding plaats voor 9 verschiUende dienstexamens. Van de 101 candidaten slaagden er 65. Politieschool. In April 1934 ving de opleiding van de militairen (marechaussee) aan en werd een cursus gevormd tot opleiding tot technisch en adjunct-Jeider der militaire veldpolitie, waaraan 3 kapiteins en 5 eerste luitenants deelnamen; voorts een cursus tot opleiding tot detachementscommandant der militaire veld politie en lagere rangen, waaraan deelnamen 2 onderluitenants, 15 Europeesche sergeanten, 24 brigadiers en 27 infanteristen (opleiding tot politie-agent Iste of 2de klasse). In Juli 1934 deden 8 candidaten examen voor adspirant-commissaris van politie, van wie er 7 slaagden. In December 1934 werden 24 mantri's-politie af geleverd. Opleiding voor den kadastralen dienst en aanverwante diensttakken. Er word dit schooljaar onderwijs gegeven aan 3 leergangen, respectievehjk voor adjunet landmeter en voor mantri-opnemer bij het kadaster en voor hulpmantri-opnemer bij den Opsporingsdienst, waaraan door onderscheidenlijk 7, 6 en 7 personen werd deelgenomen. Voor laatstgenoemde opleiding werd een eindexamen afgenomen, waarvoor alle 4 candidaten slaagden. ONDERWIJS. 241 Ter voorkoming van politieke misdragingen door studenten werd artikel 38 der hooger onderwijs-ordonnantie aangevuld in dien zin, dat de Gouverneur-Genoraal op voorstel van den Procureur-Generaal aan een bepaald persoon den toegang tot de lessen, voordrachten en oefeningen aan de hoogescholen kan ontzeggen voor een bepaald tijdvak, vijfjaren niet te boven gaande (I. S. 1934 n°. 529); deze maatregel wordt niet genomen, dan nadat de betrokkene van Regeeringswege een waarschu wing heeft ontvangen. In aansluiting aan de nieuwe vacantie-regeling voor het lager, voortgezet en middelbaar onderwijs werden ook de vacanties der hoogescholen gewijzigd en werd de aanvang van het nieuwe college-jaar gesteld op den eersten werkdag in de maand Augustus (I. S. 1934 n°. 47). Een nieuwe regeling van de toelagen voor het geven van onderwijs bij de Neder landsch-Indische hoogescholen en het daarmede gelijk te stellen onderwijs is op genomen in I. S. 1934 n°. 391. Bij K. B. 14 Febr. 1934 n°. 7 (N. S. n°. 59, I.S. n° 164) zijn in Nederlandsch- Indië verworven getuigschriften overeenkomstig art. 133, sde lid, der hooger onderwijswet aangewezen. Omtrent de afzonderlijke hoogescholen kan het volgende worden medegedeeld. Technische Hoogeschool. Het aantal nieuw ingeschreven studenten (65) was veel grooter dan het vorig jaar (38). Ook het totaal aantal ingeschrevenen was hooger (138, tegen 133 ten vorigen jare). Bovendien telde de cursus 7 buiten gewoon ingeschrevenen voor verschillende vakken. De verdeeling naar den landaard van de 138 ingeschreven studenten was als volgt: 73 Europeanen, 47 Inlanders en 18 Vreemde Oosterlingen. Van de 14 candidaten voor het ingenieursexamen behaalden 10 het diploma. 16 Voor den nieuwen cursus zullen 8 candidaat-adjunct-landmeters en 5 candidaat mantri-opnemers tot de eerste twee leergangen worden toegelaten. Voor den derden leergang werden in 1934 geen nieuwe leerlingen aangewezen. Notaris-examens. Voor het eerste gedeelte slaagden 4 van de 14, voor het tweede gedeelte 6 van de 9 en voor het derde deel 2 van de 23 candidaten, terwijl 1 candidaat het aanvullingsexamen aflegde en slaagde. Architecten-examens. Aan het volledig examen voor architect en bouwkundig architect werd deelgenomen door 6 candidaten, van wie er één het architect-diploma verwierf. Voorts gaven zich 6 candidaten voor een gedeelte van het examen op, van wie er 3 slaagdon (2 voor waterbouwkunde en 1 voor bouwkunde). 3g. Zeevaartkundig onderwijs. Het aantal leerlingen bedroog in 1934 246. Hiervan slaagden 192 of 78 % en wel: 38 voor eerste, 57 voor tweede en 1 voor derde stuurman; voor het examen voor scheepsmachinist slaagdon 20 voor het diploma C, 31 voor het diploma B en 45 voor het diploma A. Het reglement voor de examens ter verkrijging van diploma's voor stuurman, machinist en machinedrijver aan boord van koopvaardijschepen (I. S. 1908 n°. 633) onderging een wijziging, o. m. in dien zin, dat de examens voor de diploma's B en C ter keuze van den candidaat in twee gedeelten kunnen worden afgenomen, namelijk een theoretisch en een practisch gedeelte (I. S. 1934 n°. 136). 4. Hooger onderwijs. DE CULTUREELE TOESTAND. 242 Rechtshoogeschool. Bij G. B. 23 Juli 1934 n°. 3 (I. S. n°. 434) is het studieplan der Rechtshoogeschool belangrijk gewijzigd niet het doel om, met behoud van het bestaande peil, de studie te verlichten en mede dvi\ druk, dien de jaarlijksche examens op de studenten leggen, te verminderen. Het aantal nieuw ingeschreven studenten bedroeg K» 3 (31 Europeanen, 41 In landers en 31 Vreemde Oosterlingen). In totaal waren in den cursus 1933/1934 aan de Rechtshoogeschool ingeschreven 336 studenten, van wie 29 vrouwelijke. Toehoorders waren er dit jaar niet; onder do ingeschrevenen bevonden zich echter 10 juristen, die zich alleen haddon laten inschrijven om van de bibliotheek gebruik te kunnen maken. In 1934 studeerden 7 studenten af, 6 van Inheemschen en 1 van Chineeschen landaard. Eén Inheemsen student legde het doctoraal examen oude stijl af. Geneeskundige Hoogeschool. Bij het begin van den cursus 1933/1934 lieten zich 98 studenten inschrijven, onder wie 4 als toehoorder. Hiervan waren 33 Europeanen (6 vrouwelijke), 48 Inheemschen (3 vrouwelijke) en 41 Chineezen (5 vrouwelijke). In totaal waren einde 1934 ingeschreven 471 studenten (90 Europeanen, 220 In heemschen, 159 Chineezen en 2 Japaneezen). Voorts zijn in dit aantal begrepen 5 buitenlandsehe artsen, terwijl bovendien nog 3 Stovia-leerlingen het onderwijs volgden. Aan het 2de gedeelte van het artsexamen namen 13 candidaten deel, van wie 11 het artsdiploma behaalden. Hiermede werden do eerste artsen door de Genees kundige Hoogeschool afgeleverd. Togen hot einde van hot verslagjaar werd in Nederland een wetsontwerp aan genomen, waardoor het artsexamen, behaald aan de Geneeskundige Hoogeschool, gelijkgesteld is met het Nederlandsche. KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN. 243 C. KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN. De Oudheidkundige Dienst. Ook in het verslagjaar beperkten de werkzaamheden zich tot de instandhouding van de bestaande monumenten. In het openbaar centraal monumentenregister worden ingeschreven de ruïne van het Fort Speelwijk met kerhof in de residentie Bantam en het huis van Rumphius met het daarbij behoorend terrein ter hoofdplaats Amboina. Bij rondschrijven van 1 September 1934 richtte de Directeur van Onderwijs en Eeredienst zich tot de voorzitters van alle gemeente- en regentsohapsraden met het verzoek een opgaaf in te dienen van alle in hun ressort aanwezige, nog in ge bruik zijnde zaken van oudheidkundig belang, teneinde in overleg en in samenwer king met de locale ressorten een regeling voor te bereiden ter verzekering van het behoud en het onderhoud van deze groep van monumenten. Hindoe-oudheden. In 1934 werd voortgegaan met het verifieeren en comple teeren van de op het tempelterrein te Prambanan opgestelde lagen van den hoofd tempel. Fragmenten der achterstukken van de beelden van Doerga, Goeroe en Ganeca in dezen tempel werden teruggevonden en herplaatst. Van den Brahma-tempel werd de balustrade herplaatst en de reliëfreeks in juist verband opgesteld. Evenzoo werd gewerkt aan de restauratie van de balustrade van den Wisnoe-tempel. Aan tjandi Loemboeng en tjandi Sadjiwan werden eenige herstellingen uitgevoerd. De zeer bouwvallige toestand van de tjandi Singosari ten Noorden van Malang maakte het noodzakelijk ingrijpende maatregelen tot behoud van dit bouwwerk te nemen. De tempelonderdeelen werden laag voor laag afgebroken, gemerkt, ge nummerden op het terrein opgesteld, waarna de fundeering opnieuw werd verzekerd. Een belangrijke vondst had plaats in kampong II Ilir te Palembang, waar één groote en een aantal kleine beschreven steenen werden gevonden. Mohammedaansche oudheden. Eenige oudheden in Bantam werden door den regentschapsraad gerestaureerd, o.a. de begraafplaats te Odel en de moskee in kampong Kanari. Te Cheribon kwam de restauratie van de misigit-agoeng gereed en werd een begin gemaakt met de uitbreiding van de soerambi volgens het door den Oudheidkundigen Dienst daarvoor gemaakt project. De werkzaamheden aan de Sitinggil in den kraton van den Sultan Sepoeh zijn geëindigd, nadat het fraaie snijwerk aan de gebouwtjes Semar Kinandoe en aan de pendopo Pendawa Lima was aan gebracht. Van de aanwezigheid van den bouwkundigen ambtenaar van den dienst te Cheri bon werd gebruik gemaakt om verschillende bouwwerken uit den overgangstijd, o.a. den kraton Kanoman, de Bale mangoe van de Astana Goenoeng Djati en de begraafplaats van Pangeran Troesni op te nemen en in teekening te brengen. Praehistoriscb onderzoek werd ingesteld naar de steenen graven in de buurt van Wonosari (reg. Goenoengkidoel, gouv. Jogjakarta). Europeesche oudheden. Begin 1934 werd door Mr. P. C. Bloys van Treslong Prins met vergunning van het Hoofd van den Oudheidkundigen Dienst een onderzoek ingesteld naar de plaats, waar zich volgens door hem in het Landsarchief gevonden bescheiden het graf van Jan Pieterszoon Coen moet bevinden. In Juni werd van Regeeringswege een commissie ingesteld, welke tot taak had rapport uit te brengen omtrent de wetenschappelijke beteekenis van de verrichte opgravingen. Hoewel hot onderzoek geen positieve resultaten heeft opgeleverd ten aanzien van de overblijf selen van den stichter van Batavia, is daardoor niettemin de ligging van zijn graf bekend geworden en zal deze plaats met behulp van particulier initiatief in waar digen staat worden gebracht. DE CULTUREELE TOESTAND. 244 Te Soerabaja werd het grafmonument van Rohtenbühler gerestaureerd. Uit Manado kwam het verzoek tot afbraak te mogen overgaan van het Fort Amsterdam, waarvoor toestemming is verleend, onder voorwaarde, dat het poorthuis der landpoort met naam en jaartal gespaard zal blijven. Te Banda-Neira werd op kosten der vereeniging Bandasche Belangen tot den wederopbouw van de torens van het kasteel Belgica overgegaan. Aangezien in de practijk is gebleken, dat de bescherming van de palaeontologie, zooals in de Monumenten-ordonnantie is voorgeschreven, te ver voert en o.m. den arbeid van den Opsporingsdienst van het Mijnwezen bemoeilijkt, is deze term ver vangen door palaeo-anthropologie; het Hoofd van den Oudheidkundigen Dienst is ten aanzien van vondsten van palaeo-anthropologischen aard gebonden aan overleg met het Hoofd van den Opsporingsdienst van den Mijnbouw (I. S. 1934 n°. 515). Musicologisch onderzoek. In verband met het vertrek van den conservator gingen begin 1934 de in 's Lands musicologisch archief ondergebrachte verzamelingen over naar de daarvoor bestemde locahteit in het museum van het Koninklijk Bata viaasch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen. Natuurbescherming. Onder dezen titel worden samengevat de Overheidsbemoeiingen terzake van bescherming van den wildstand en de maatregelen op het gebied van aanwijzing van natuurmonumenten en wildreservaten. Het onderwerp der dierenbescherming is in hoofdlijnen geregeld bij Ord. van 27 Maart 1931 (I. S. n°. 134), krachtens welke regeling bij R. V. van 25 Juni d.a.v. (I. S. n°. 266) uitvoeringsvoorschriften tot stand kwamen, waarin o.m. een limitatieve opsomming van beschermde dieren is gegeven en in het algemeen een limiet is gesteld voor den uitvoer van levend of dood wild door een beperking van het maximum aantal dieren, dat zonder speciale vergunning van den Directeur van Economische Zaken kan worden geëxporteerd. Vooral dit uitvoerverbod van beschermde dieren, alsook van daarvan afkomstige lichaamsdeelen, heeft sedert de totstandkoming van de dierenbeschermingsordon nantie 1931 bijgedragen tot het onderwerpelijk doel, daar een intensieve controle op de jacht als zoodanig in de uitgestrekte en veelal afgelegen gebieden der Buiten gewesten bij gebrek aan voldoende politiepersoneel niet altijd even goed mogelijk is. Vermelding verdient, dat bij dit uitvoerverbod aansluit een verbod tot invoer in de Straits Settlements van de in Indië beschermde diersoorten, evenzoo behoudens speciale licentie. Na een te verwachten toetreding van Nederland ook voor Nederlandsch-Indië tot de te Londen op 8 November 1933 gesloten conventie, zullen dergelijke weder keerige invoerverboden ongetwijfeld tot een doeltreffende bescherming bijdragen. De resultaten van de op het onderwerpelijk stuk bestaande wetgeving hebben ook in 1934 aan de verwachtingen beantwoord. Slechts met betrekking tot bescher ming van de eenhoornige rhinoceros kwamen wenschen tot nog sterkere bescherming naar voren, zulks met het oog op de zeer hooge handelswaarde van den horen dezer dieren, alsook van andere daarvan afkomstige lichaamsdeelen. Maatregelen om hieraan tegemoet te komen zijn in overweging bij de commissie voor de jacht wet geving, welke medio 1934 voor de eerste maal bijeenkwam en een werkplan heeft opgesteld. De hooger bedoelde wettelijke voorschriften gelden alleen voor direct bestuurd gebied en voor de landsonderhoorigen in zelfbestuursstreken, hetgeen voor laatst bedoelde gebieden vooral met het oog op den uitvoer van zeer veel belang is. De KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN. 245 zelfbesturen werden uitgenoodigd om concordante regelingen in het leven te roepen. In 1934 kwamen dergelijke regelingen tot stand o.a. voor Koetai en Boeloengan, terwijl de gezamenlijke zelfbesturen in Timor, Roti en Sawoe den uitvoer verboden van de in hun gebied aanwezige beschermde diersoorten. De regentschapsraad van Garoet riep een verordening op het inzamelen van schildpadeieren in het leven. In 1934 werden door den Directeur van Economische Zaken vergunningen tot bezit, c.g. uitvoer van o.a. de volgende beschermde diersoorten afgegeven: 13 orang oetans (vorig jaar 24), waarvan 12 bestemd voor buitenlandsehe dierentuinen; voorts 55 gibbons (67), waarvan 38 voor het buitenland bestemd; 10 olifanten (15), 4 tapirs (8), 12 anoa's (8), 9 hertzwijnen (2), 56 kroonduiven (57), 40 paradijsvogels (58) en verder nog een 50-tal andere beschermde vogelsoorten. De flora geniet reeds op vele plaatsen bescherming binnen de boschreserves en binnen reeds aanwezige natuurmonumenten, terwijl nieuwe aanwijzingen in over weging zijn. Voorts werd gezocht naar andere middelen, welke dienstig zouden kunnen zijnom een te grooten uitvoer van orchideeën tegen te gaan. Een voor de hand liggende wettelijke uitvoerregeling, welke bij de bescherming der fauna zulk een uitnemend middel is gebleken, is hier om redenen van practischen aard, alsook om de financieele consequenties welke aan de uitvoering van een dusdanige regeling zouden zijn ver bonden, praktisch niet uitvoerbaar. Groote wildreservaten zijn geprojecteerd voor Noord-Atjeh (Alas- en Gajo landen), Zuid-Sumatra (schiereiland ten westen van de Semangka-baai) en in Kroë, West-Borneo (Goenoeng Paloeng) en Oost-Borneo (Koetai en Kotawaringin). Bij verordening van de zelfbesturen van de landschappen Gajo Loeös c.s. van 6 Februari 1934 werd het bovenbedoelde Atjehsche gebied reeds tot wildreservaat (Goenoeng Loser) verklaard. De instelling van een dergelijk reservaat Zuid-Sumatra bevindt zich in een ver gevorderd stadium van voorbereiding, evenzoo een geprojecteerd terrein in Djambi aan de Air Hitam-laoet, als reservaat voor laagland-fauna en flora van de moerassige Oostkust van Sumatra. In 1934 werd het scheireiland Panandjoeng (prov. West-Java) tot wildreservaat verklaard (I. S. 1934 n°. 669). Voorts werd door het Zelfbestuur van Bilah in October 1934 een overhellende rots met inscripties, bekend onder den naam „Batoe Ginoerit", vermoedelijk een praehistorische verblijfplaats, tot natuurmonument verklaard, terwijl in West-Koetai door het zelfbestuur van Koetai een natuurmonument onder den naam „Padang Loeai" werd aangewezen. Vulkanologisch onderzoek. Het aantal vulkanen, die onder doorloopende controle staan, bleef onveranderd, namelijk de Tangkoeban Prahoe, de Papandajan, de Merapi (Midden-Java), de Keloed, de Lamongan en de Kawah Idjen. Gegevens werden voorts ontvangen van 19 andere vulkanen op Sumatra, Java, Flores, Pantar en Halmahera. Uitbarstingen of verhoogde werking vertoonden op Sumatra de Piek van Kerintji, de Dempo en de Krakatau, op Java de Slamet en de Merapi (Midden-Java), op Halmahera de Doekono en op Pantar de Siroeng. Vermoedelijk heeft in de Banda-Zee nog een onderzeesche werking plaats gevonden, welke echter niet meer kon worden gelocali seerd. De meeste werking vertoonde de Merapi in Midden-Java. De explosieve fase, welke op 1 October 1933 was begonnen, eindigde 10 Juli 1934. Een groot aantal uitbarstingen had plaats. Reeds tusschen de twee laatste explosieve erupties steeg in den krater lava omhoog, welke op 10 Juli weder werd uitgeworpen. Daarna vormde zich in en boven den krater een dom van taaivloeibare lava, welke in westelijke rich- DE CULTUREELE TOESTAND. 246 ting door de groote bres van December 1930 vooruit schoof en op de westelijke vulkaanhelling oen lava-stroom vormde. De nieuwe lava bedekte ongeveer de halve lengte van den lavastroom-1931 en kwam toen tot staan. Door afstortingen van deze gloeiende lava ontstonden tal van kleine en groote gloedwolken, welke in het bijzonder in November een uiterst gevaarlijk karakter aannamen. Een uitgestrekt gebied langs het dal der Senowo, waar tal van gloedwolken naar beneden kwamen, werd door de heete gloedwolken verbrand of verschroeid. In de lava-1934 en de daaronder liggende lava-1931 werd door de afschuivingen een 1100 m lange en maximaal 150 m breede en 75 m diepe bres gevormd. Tengevolge van tijdige waarschuwingen van de bevolking door de waarnemingsposten Babadan en Krindjing van het Vulkanologisoh Onderzoek konden ongelukken worden voor komen. Groote verwoestingen werden, behalve door de eigenlijke erupties, ook door ge weldige modderregens in het bosch en in bovolkingsaanplantingen aangericht. De hitte in het vaste gloedwolkmateriaal van do Senowo was einde December nog zoo groot, dat bij iederen zwarcn regenval aan de mondingen van de zijdalen door het binnenstroomende water zeer hevige stoomexplosies ontstonden. Het kratermeer van den Piek van Kerintji, den hoogsten vulkaan in den Archipel, verdween tijdens de verhoogde werking in het begin van 1934 tengevolge van ver damping. Een diepe kraterput bleek in het noordoostelijk gedeelte van den krater bodem te liggen, waaruit sterke gasontwikkeling plaats vond. De Dempo had op 24 Januari, 20 en 21 Februari, 23, 24 en 25 April 1934 kleine erupties uit het kratermeer, waarbij nog schade door de zure in de omgeving ver spreide modder aan de gewassen en cultures werd aangericht. De Anak Krakatau-vulkaan was ook nog in 1934 herhaaldelijk werkzaam, waarbij echter aan de grootte en den vorm van het eiland niet veel werd veranderd. Zwakke erupties vertoonde de Slamet op 17 Februari, 9 Juli en 22 Augustus 1934. De explosieve werking van den Doekono op Halmahora werd in het begin van het jaar zwakker en eindigde in Februari, terwijl het uitvloeien van een lavastroom naar de oostelijke zijde nog langer voortduurde. Zwakke explosies het de Siroeng op Pantar van 14 Juni tot begin Juli 1934 zien. Hierbij werd in hoofdzaak modder uit het kratermeer uitgeworpen. Nadere mededeelingen omtrent deze werking en ook omtrent de gegevens van andere vulkanen zijn gedaan in het Bulletin of the Netherlands Indies Volcanological Survey nos. 67—70. Enkele wetenschappelijke instellingen. Het Koninklijk Magnetisch en Meteorologisch Observatorium. Zooals steeds, geschiedde de bepaling van de correcties van den gang van de standaard-klokken door observaties van sterdoorgangen met behulp van een passage-instrument. lederen morgen om 8 u 30 m Java-tijd (1 h.OO Greenwieh-tijd) wordt een tijdsein volgens het ~Onogo"-sein gegeven. De seinteekens van een der klokken worden door middel van een directe telegrafische verbinding doorgegeven naar het draadloos station Malabar en draadloos uitgezonden op een golflengte van 15600 m en 26.22 m. Dagelijks om 13 u en 20 u Java-tijd wordt een tijdsein door de Nederlandsch-Indische Radio-Omroep-Maatschappij (XIROM) uitgezonden. Tevens wordt dagelijks een tijdsein gegeven aan de stations der Staatsspoorwegen en aan het telefoon- on telegraafkantoor, beide met behulp van een directe lijnver binding. De kalender werd weder berekend voor het snijpunt van den Equator en de Midden-Ja va-Meridiaan (110° Oost van Greenwich). Met behulp van bijgevoegde omrekeningsta bellen kunnen de gegevens toepasselijk gemaakt worden voor iedere willekeurige plaats in den Archipel. Voorbeelden verduidelijken de te volgen werkwijze. KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN. 247 Wat do aardmagnetische waarnemingen betreft, werden de absolute bepaling van de horizontale intensiteit, deelinatie en inclinatie door de leden van den staf van het Observatorium en door observatoren verricht. Het magnetisch paviljoen op hot eiland Kuyper werd 12 keer bezocht ter verificatie en ijking der magnetografen. De meteorologische waarnemingen te Batavia werden voortgezet. Geregistreerd werden luchtdruk, temperatuur, vochtigheid, regenval, windrichting, windsnelheid, verdamping, intensiteit der zonnestraling, de intensiteit van de diffuse hemelstraling, de duur van den zonneschijn, het geleidingsvermogen der lucht en het lucht-electrische potentiaal-verva 1. Van de meteorologische waarnemingen op andere plaatsen moeten worden vermeld de metingen van den regenval, welke einde 1934 op 3487 stations werden verricht. Op Java en Madoera bedroeg toen hot aantal Observatorium-regenstations 411, dat der stations van den Dienst der Irrigatie 896, dat der particuliere stations 1200. In de Buitengewesten bedroegen deze aantallen respectievelijk 700, 82 en 198. De vollediger uitgeruste secundaire stations registreerden één of meer der volgende elementen: luchtdruk, temperatuur, vochtigheid, regenval, windrichting, windsnel heid, verdamping en duur van den zonneschijn. De micro-seismische waarnemingen geschieden te Batavia met een horizontale seismograaf van Wieehert van 1000 kg, een verticale seismograaf van Wieehert van 1300 kg en twee Bosch-Omori-seismografen van geringere gevoeligheid. De aard bevingsstations te Medan en Amboina zijn beide voorzien van een horizontale seis mograaf van Wieehert van 1000 kg, dat te Soengai Langka (Lampoengsche Dis tricten) van een lichte seismograaf van het Bosch-Omori-type. De seismograaf te Amboina werd 15 Augustus door een aardbeving beschadigd en bleef buiten bedrijf tot 20 November, op welken datum het toestel werd hersteld. Er werden 574 aard bevingen geregistreerd, waarvan 2 te Batavia voelbaar waren. Het aantal aard bevingsberichten bedroeg 1074. Loodsballonwaarnemingen werden verricht te Andir, Batavia, Medan, Koepang, Soerabaja en Semarang. De uurlijksohe getijtafels voor Oostgat en Westgat Soerabaja, Koetai-rivier, Barito, Kleine Kapoeas, Deli-geul, Palembang-rivier, Tjilatjap en Arocbaai (Scm bilan-geul) voor 1934 kwamen gereed. Tot midden Januari stond de westmoesson matig door. Daarna nam hij geleidelijk in kracht toe on droog op Java van 20 Januari tot hol eind van de maand een stormachtig karakter, gepaard met zware regens en bandjirs. Gedurende Februari stond do westmoesson matig door. In Maart eveneens, maar op enkele dagen in de eerste maandhelft werden uit Siwakool (Semarang) on Tjibitoe (Priangan) harde winden gemeld. In de eerste decade van April liet de westmoesson zich nog gelden. Daarna trad de kentering in, terwijl in het zuidoostelijk deel van den Archipel do oostmoesson reeds flauw doorstond. Het noordoostelijk deel van den Archipel kenmerkte zich door kenteringsweer gedurende de geheele maand. De eerste dagen van Mei droegen nog een kenteringskarakter. Daarna stond de oostmoesson flauw tot matig door. In den loop van de maanden Juni, Juli, Augustus en September bleef de oostmoesson met matige sterkte doorstaan. Harde oosten-winden werden in Juli door Biting Estate (Semarang) en Soembor Kerto (Pasoeroean) gerapporteerd. Ook meldde Sivvakoel (Semarang) van 11 en 15 September krachtige moessonwind. Omstreeks half October trad de kentering in, welke gedurende November in het oostelijk deel van den Archipel bleef aanhouden, terwijl in het westelijk deel de westmoesson reeds begon door te staan. In December heerschte op Java de west moesson met wisselende sterkte. Bewesten Sumatra was het weer onbestendig. In Straat Malakka en de wateren tusschen Sumatra en Borneo ovorheerschten de noorden-winden. Het overig deel van den Archipel behield kenteringsweer. DE CULTUREELE TOESTAND. 248 Voor details inzake weersgesteldheid moge verwezen worden naar de maande lij ksche weerberichten van het Observatorium en een overzicht van het weer, dat in het Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië en in het Jaarverslag van het Departement voor Economische Zaken (Landbouw, Nijverheid en Handel) verschijnt. 's Lands Plantentuin en de daartoe behoorende wetenschappelijke instellingen- De wetenschappelijke instellingen, vereenigd onder den naam 's Lands Plantentuin, zijn: de Botanische laboratoria (het Vreemdelingen- of Treub-laboratorium en het Laboratorium te Tjibodas), de Botanische tuinen te Buitenzorg en te Tjibodas (West-Java) welke laatste tuin gelegen is op een hoogte van i 1 400 m boven den zeespiegel, het Herbarium en Museum voor Systematische Botanie, het Zoölogisch Museum en Laboratorium en het Laboratorium voor het onderzoek der zee te Batavia. Deze instellingen houden zooveel noodig en mogelijk rekening met de belangen van de economische afdeelingen van het Departement van Economische Zaken. Ook worden geregeld adviezen verstrekt aan andere instellingen en particulieren. Het onderhoud van de tuinen te Buitenzorg en Tjibodas moest tot een minimum beperkt worden. De Stadsgemeente Buitenzorg stelde een som van f 500 ter be schikking ter tegemoetkoming in de onderhoudskosten van de wegen en voor het opstellen van banken, terwijl er tevens een sierhek aan den hoofdtoegang aan den Van Limburg Stirum-weg van bekostigd werd. De Commissie voor de Bevordering van de Cultuur van Economische Gewassen stond een bedrag toe voor den aanleg — zoowel te Buitenzorg als te Tjibodas — van een tuin voor pharmaceutische en phytochemische gewassen. Ook dit jaar bezochten, ondanks de ongunstige tijdsomstandigheden, eenige buitenlandsehe natuuronderzoekers het Treub-laboratorium. Op het Herbarium werd het onderzoek van verschillende plantenfamilies voort gezet, in samenwerking zoowel met in Nederland als in het buitenland gevestigde wetenschappelijke instituten; ook werd veel advies-werk verricht. Voorts werd een samenvattend overzicht samengesteld over de vegetatie-typen in Nederlandsch- Indië, alsmede van de Maleische bergflora. In het Zoölogisch Museum en Laboratorium werd voortgegaan met de instand houding der wetenschappelijke verzamelingen, het rangschikken der diergroepen en het uitbreiden der collecties. Veel materiaal werd in bewerking gegeven aan buitenlandsehe specialisten. De voor het publiek toegankelijk gestelde verzamelingen werden verbeterd en aangevuld. Op het Laboratorium voor het onderzoek der zee te Batavia werd het onderzoek naar de vischfauna, voorkomende in de mondingen der groote rivieren van Sumatra en West-Borneo, voorloopig beëindigd. Over de resultaten van dit onderzoek ver schenen een aantal publicaties. Van de „Annales du Jardin Botanique de Buitenzorg" kwam Vol. XLIV 1 uit; van het „Bulletin du Jardin Botanique Buitenzorg" zoowel als van „Treubia" (Recueil de travaux zoologiques, hydrobiologiques et oceanographiques) konden slechts 2 afleveringen worden gepubliceerd. Het Koninklijk Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen telde einde 1934 45 eereledon, 15 correspondeerende leden, 3 buitengewone leden, 3 dona teurs, 9 begunstigers en 182 gewone leden, benevens 151 lezers der bibliotheek. De periodieke uitgaven van het Genootschap hadden geregeld voortgang. Van het Tijdschrift verscheen deel LXXIV volledig; van de Verhandelingen zag het licht Deel LXXII eerste stuk: Handleiding voor de beoefening der Ledo-taal, inleiding, teksten met vertaling en aanteekeningen en woordenlijst, door Dr. S. J. Esser; van het „Jaarboek" werd deel 11, 1934, tegen het einde van dat jaar samen gesteld, om begin 1935 te verschijnen. KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN. 249 Verder werd in 1934 uitgegeven een „Korte gids voor de prehistorische verzame ling" door Dr. P. V. van Stem Callenfels. Wat betreft de wetenschappelijke afdeelingen van het Genootschap, valt het volgende te vermelden. De afdeeling adatrecht zette haar werkzaamheden voort door het verzamelen van adat-vonnissen en op adatrecht betrekking hebbende archiefstukken ter publicatie in de adatrechtbundels, alsmede door het doen voorbereiden van een adatrecht-beschrijving van Midden-Java. De afdeeling taal-, land- en volkenkunde vergaderde in 1934 drie maal. Ver schillende wetenschappelijke mededeelingen werden gedaan. Het onderzoek naar de geschiedenis, letterkunde, land- en volkenkunde van Blambangan werd door Dr. Ph. Pigeaud voortgezet. Van de Woordenlijst van Holle werd een tiental exemplaren ingevuld terugontvangen uit verschillende streken van den Archipel. Voorts werden over enkele onderwerpen van wetenschappelijk belang besprekingen gevoerd en adviezen gegeven. De afdeeling rechtswetenschap vergaderde regelmatig maandelijks (buiten de schoolvacantietijden) en behandelde, voorgelicht door een inleider, verschillende onderwerpen van actueel Indisch belang. De afdeeling staathuishoudkunde hield in den loop van het jaar zes vergaderingen, waar onderwerpen van sociaal-economischen aard bespreking vonden. De afdeeling voor de studie van internationale vraagstukken hield in 1934 twee vergaderingen. Als Indische sectie van den Nederlandschen Nationalen Raad van het Institute of Pacific Relations nam de afdeeling door haar secretaris deel in het voorbereidend werk van het in 1936 door het Instituut te houden congres. Omtrent de verzamelingen van het Genootschap valt het volgende op te merken. De bibliotheek, waarin is opgenomen de boekerij van de Rechtshoogeschool, werd door aankoop (voornamelijk voor de Rechtshoogeschool), ruil en geschenken gestadig uitgebreid. Behalve de geregelde steun van uitgevers en redacties, welke hun publicaties gratis aan de bibliotheek afstaan, valt een belangrijke schenking van den Voorzitter van het Genootschap, Prof. Mr. J. van Kan, te vermelden. De ethnografische verzameling breidde zich regelmatig uit. Weliswaar waren voor aankoop weinig fondsen beschikbaar, doch de afdeeling mocht verscheidene schenkingen ontvangen. Helaas werd het gebrek aan ruimte meer en meer nijpend, zoodat de voorwerpen voor een deel weinig tot hun recht komen. Met de etiket teering werd een aanvang gemaakt, doch het werk vordert slechts langzaam ten gevolge van gebrek aan personeel. Onder de aanwinsten van de archaeologische verzameling valt inzonderheid te noemen een beschreven steen uit Palembang. De etiketteering van de steenen beelden werd ter hand genomen. De praehistorische verzameling werd uitgebreid door aankoop en schenking en door een enkele ontgraving op kleine schaal. Van de hand van Dr. P. V. van Stem Callenfels verscheen een korte gids voor deze collectie. De keramische verzameling werd verrijkt door aankoop, maar vooral ook door een zeer belangrijke schenking van den Heer E. W. van Orsoy de Flines. In de handschriften-verzameling kwamen woordenlijsten binnen van elf dialecten van den Archipel. Met het maken van inhoudsopgaven van de Javaansche manuscripten werd voortgegaan. In de conserveering van de verzameling werd verbetering gebracht door het opnieuw inbinden van vele handschriften. Het bezoek aan de verzamelingen was zeer bevredigend. Algemeen werden van den kant van het publiek klachten vernomen over het ontbreken van gedrukte catalogi of korte gidsen. Gebrek aan personeel en de noodige fondsen maken het voorshands onmogelijk in deze behoefte te voorzien. DI-: LANDSKIN VNCIËN. 25 In totaal word in deze 53 districten geregistreerd een oppervlakte aan land renteplichtige gronden van 1 016 981 h.a. (waarvan 466 766 h.a. sawahs) of 24 597 h.a. (2,5 %) meer dan volgens de laatste landrenteleggers, terwijl de landrente-aanslag in deze gebiedsdeelen van f 4 948 516 in 1933 terug liep tot f 3 127 558 in 1934 en derhalve daalde met f 1 820 958 of 37 % als gevolg van de nieuwe wijze van vast stelling der padi prijzen ingevolge G. B. 12 Jan. 1934 n°. 21. Blijkens de afdeelingsverslagen nopens den aanslag en de inning van de landrente in 1934 bedroog de totale aanslag in dat jaar f 33 345 518, tegen in 1933 f 34 989 639. Uit hoofde van misgewas werd in 1934 ontheffing verli d tot een bedrag van f 1 287 377; wegens onbeplant blijven van sawah's tot een bedrag van f 127 121 en wegens andore buitengewone en gewichtige redenen, hoofdzakelijk verband houdende met de crisis, tot een bedrag van f 10 441 S6O .In totaal moest do landrente-aanslag in 1934 verminderd worden met fll 856 358 (in 1933 met f' 9 971 105), zoodat werke lijk te heffen viel f2l 489 160 (in 1933 f 25 018 534). O]) 31 December 1934 was van den landrente-aanslag 1934 nog niet aangezuiverd f 3 307 672. Door do mot de inning belaste personen word verduisterd een bedrag van fll 209 (in 1933 f'4l 632). Uit do groote achterstanden over de crisisjaren 1933 en daarvoren was gebleken, dat. zelfs toen de daling in de prijzen der landbouwproducten tot staan was gekomen, de in dat tijdperk verleende orisisontheffing nog onvoldoende tegemoet was gekomen aan de algemeene geldschaarsehte in de Inlandsche huishouding en de betalings eapaeiteit der bevolking. Daarom werd voor 1934 een crisisontheffing verleend, waarbij dezelfde wijze van berekening is toegepast als bij de nieuwe wijze van vaststelling der padiprijzon bij herzieningen (zie G. B. 12 Jan. 1934 n°. 21). Volgens die berekening geldt het verschil tusschen den gemiddelden padiprijs van de jaren 1931 tot en mot 1933 verhoogd mot 50 % en den bij don aanslag vast gestelden padiprijs als basis voor de vaststelling van het ontheffingspercentage. De Landshondenbelasting is ingevoerd op do plaatsen Kabandjahé on Brastagi (gouv. Oostkust van Sumatra) (I. S. 1934 n°. 364), Siborongborong on Doloksanggoel (res. Tapanoeli) (1. S. L 934 n . 3S!l) en Pakanbaroe (gouv. Oostkust van Sumatra) (I. S. 1934 n°. 412). Landrente in de Buitengewesten. De aanslag en de inning dor landrente inde residentie Bah en Lombok in 1931 vond plaats overeenkomstig de bepalingen der „Bali-landrente-ordonnantie" (I.S. 1922 n". 812, juncto I. S. 1925 n°. 103). welke in dat jaar voor het eerst ook in do onderafdeeling Badoeng der afdeeling Zuid-Bali werd toegepast. Blijkens het gewestelijk verslag betreffende den aanslag en de inning van do landrente bedroog de totaio aanslag in 1934 f 2 647 627, tegen in 1933 f 2 776 826. In 1934 werd ontheffing verleend wegens deugdelijk geconstateerd misgewas. tot een bedrag van f 85 089 on wegens onbeplant blijven van sawahs, enz. tot een bedrag van f 4 116; wegens andore buitengewone en gewichtige redenen, hoofd zakelijk in verband met de crisis, beliep de ontheffing f 633 322. Hierdoor moest de landrente-aanslag in 1934 worden verminderd met f 722 527 (tegen in 1933 met f 650 038 1 )), zoodat werkelijk te heffen viel f 1 925 100, tegen in 1933 f 2 126 788 !). Op 31 December 1934 was van don aanslag nog niet aangezuiverd f 416 540. Aan boeten werd geïnd een som van f 30 541. In de Zuider- en Ooster afdeeling van Borneo geschiedde de aanslag en de inning der landrente in 1934 op don voet van de „Borneo-landrente-ordonnantie" (I. S. 1923 n°. 484, juncto I. S. 1925 n . 193 on 1932 n". 102). welke in dat jaar voor de eerste l ) Vorbeterdo cijfers. DE CULTUREELE TOESTAND. 250 D. DE VOLKSTELLING. In den loop van 1934 was de bewerking van de gegevens van de volkstelling zoo ver gevorderd, dat aan het eind van het jaar het tijdelijk kantoor voor de volkstelling kon worden opgeheven en zijn verdere werkzaamheden aan het Centraal Kantoor voor de Statistiek konden worden overgedragen. In 1934 verschenen de publicaties van de Volkstelling Deel II (Midden-Java en Vorstenlanden) en Deel 111 (Oost-Java). Einde van het jaar was Deel VU (Chineezen en Andere Vreemde Oosterlingen in Nederlandsch-Indië) ter perse, terwijl de copie van Deel IV en V (Sumatra en Overige Buitengewesten) gereed kwam. Een aanvang werd gemaakt met de samenstelling van een kort eindverslag, dat als Deel VIII zal verschijnen. De bij G. B. 27 Oct. 1927 n°. 56 ingestelde commissie voor de volkstelling 1930 is ontbonden (G. B. 20 April 1935 n°. 17). PUBLICITEIT. 251 E. PUBLICITEIT. De Pers. De Inheemsche pers behield haar wisselvallig beeld. Vele, meest nationalistische, bladen kwamen op, terwijl andere verdwenen. Hot totaal onderging echter geen belangrijke wijziging en bedroeg eind verslagjaar 286. De dagbladpers werd uitgebreid met een groot Maleisch-Chineesch dagblad te Semarang, de Mata Hari, dat met financieele hulp van het Oei Tiong Ham-concern wordt uitgegeven. De uitgever is een voorstander van coöperatie met de Inheemschen en behoort tot de Indo-Chineezen, die Indië als hun geboortegrond beschouwen. Het blad verscheen dadelijk in groote oplaag en werd in verband hiermede, bij gebrek aan een rotatiepers, voorloopig bij De Locomotief gedrukt. Ernstige geldelijke moeilijkheden van het Bataviasche dagblad Bintang Timoer leidden tot de faillietverklaring van de uitgeefster, de N.V. Uitgevers maatschappij „Bintang Hindia", en tot de arrestatie van den directeur-hoofd redacteur. De uitgave van het blad werd echter onder denzelfden naam voort gezet. Te vermelden valt verder de uitgave van een Indisch-Arabisch blad te Semarang, Pewarta Arab Indonesia, als orgaan van de Vereeniging van Indo-Arabieren „Persatoean Arab Indonesia". Een te Semarang gevestigde Japansche drukkerij deed een Maleisch geïllustreerd maandblad Astra het licht zien, onder redactie van een Inheemsen journalist, waarin voornamelijk nieuws over Japan wordt opgenomen, benevens een Maleisch-Japansche woordenlijst. De arrestatie en interneering van de voornaamste leiders der Partindo (P.1.) en P. N. I. hebben de verdwijning van de te Batavia gevestigde organen dier twee radicale partijen, n.l. Daulat Ra'jat, Kedaulatan Ra'jat, Persatoean Indonesia e.a., ton gevolge gehad. De te Soerabaja verschijnende Berdjoeang (met Partindo-tendens) bleef echter bestaan, terwijl in November 1934 een nieuw Partindo-blad, de Kemoedi, verscheen onder redactie van den Partindo-leider Mr. Sartono, die zich uit de actieve politiek zou terugtrekken om zich te wijden aan de uitgave van partij organen. Het officiecle P.S.LI.-orgaan Lasjkar, dat zeer ongeregeld uitkwam, werd langzamerhand verdrongen door een geroneografeerd „Perscommuniqué", waarin alle gebeurtenissen in de partij en klachten over vermeende kwade behandeling van de leden worden vermeld en partijmcdedeelingen worden opgenomen. Dit communiqué werd aan alle dagbladen gezonden, welke er gewoonlijk stukken uit overnemen. Lectuurvoorziening. Ook in 1934 werden in verband met de voortgezette bezuiniging uitsluitend boeken uitgegeven in het Javaansch, Maleisch en Soendaneesch. In het Javaansch verscheen een twintigtal boeken, waaronder 17 deelen van de in 1933 begonnen uitgave van een serie Menak-verhalen. Verder zagen het licht een vertaling in proza van het Poetri Djoharmanik-verhaal, een oorspronkelijke Javaansche roman, „Larasati modern" geheeten, en de Javaansche Volksalmanak voor 1935. In het Maleisch werd vooral aandacht besteed aan de uitgave van oorspronkelijke werken. Behalve eenige nog steeds geliefde sja'irs en enkele ouderwetschc verhalen in proza (voor een deel ontleend aan de handsohriftencollectie van het Koninklijk Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen) verschenen een paar DE CULTUREELE TOESTAND. 252 moderne, oorspronkelijke werken. Eén er van is een historische roman, waarin een episode uit de vestiging der Hollanders op Sumatra's Westkust wordt behandeld (Hoeloebalang Radja, door N. Soetan Iskandar) aan de hand van de dissertatie van Dr. H. Kroeskamp: De Westkust en Minangkabau (1665 —1668). Voorts moge de verschijning van het vierde deel van de Wereldgeschiedenis van Molt (Sedjarah Doenia) gememoreerd worden, en de Tjeritera Mowgli anak didikan rimba, een vertaling van The second Jungle Book van Kipling. In totaal werden in het Maleisch 20 boeken uitgegeven, waaronder 4 herdrukken. In het Soendaneesch verschenen zes werken, waaronder twee oorspronkelijke van de hand van den heer Moh. Ambri, en voorts enkele bewerkingen of vertalingen. De publicatie der tijdschriften Pandji Poestaka (Maleisch, 2 maal per week), Kadjawen (Javaansch, 2 maal per week) en Parahiangan (Soendaneesch, 1 maal per week) werd geregeld voortgezet. Van het Rechtsreglement Buitengewesten, van het Wetboek van Strafrecht en van Mohammedaansche Inlandsche Zaken verscheen een verbeterde druk in het Neder landsch met een daarnaast geplaatste Maleische vertaling. Op dezelfde wijze werden uitgegeven de Toezichtordonnantie particulier onderwijs en de Reisregeling in de Buitengewesten. Bioscoopfilms en Filmkeuring. In deel II van dit Verslag is een opgave opgenomen van het aantal meters ingevoerde geluidfilms en stille films in 1934, met vermelding van de landen van herkomst en van den uitslag der keuring. Deze cijfers geven, samengevat en vergeleken met vorige jaren, het volgende beeld: Neemt men voor 1931 een index-cijfer aan van 100, dan levert de verdeeling in geluidfilm en stille film het volgende beeld op, waaruit blijkt dat de stille film practisch heeft afgedaan: 1931. 1932. 1933. 1934. Geluidfilm 61,2 51,4 59,8 56,9 Stüle film 38,8 10,4 5,8 2,4 Index-cijfer 100,0 61,8 65,6 59,3 De totale ter keuring aangeboden hoeveelheid film is, in vergelijking met het voorafgegane jaar, bijna 10 % teruggeloopen. Invoer van films in Nederlandsch-Indië. TUBLICITEIT. 253 De differentieering van de films naar de landen van herkomst teekent zich in de betrokken jaren als volgt af: 1931. 1932. 1933. 1934. Amerika 69,1 35,4 38,1 37,3 Britsch-Indië — 0,7 0,3 0,5 China 9,1 6,5 4,9 1,8 Duitschland 13,9 12,4 14,7 11,7 Egypte — — 0,2 — Engeland 1,0 3,1 2,9 Frankrijk 0,5 2,1 1,2 1,7 Nederland 2,2 1,3 1,2 2,4 Nederlandsch-Indië ... 5,2 2,4 1,7 1,0 Tsjechoslowakije — — 0,2 — Index-cijfer 100,0 61,8 65,6 59,3 Het verslagjaar vertoont een achteruitgang over de geheele linie, behoudens voor wat betreft den Britsch-Indischen, Franschen en Nederlandschen invoer, welke laatste is verdubbeld, dank zij de vorderingen van de Nederlandsche film industrie. De resultaten van de keuring waren zoo goed als gelijk aan die van het vorig jaar. Er werden voor alle leeftijden goedgekeurd 51 %, voor personen boven 17 jaar goedgekeurd 41 % en afgekeurd of geknipt 8 %, welke percentages in 1933 bedroegen 50, 41 en 8. Radio-omroep. De N.V. Nederlandsch-Indische Radio Omroep Maatschappij (N.1.R.0.M.), welke de haar bij G. B. 30 Dec. 1932 n°. 38 verleende concessie op 31 Maart 1933 aanvaardde, ving 1 April 1934 haar bedrijf aan met 4 omroepzenders (te Batavia, Bandoeng, Semarang en Soerabaja). In verband hiermede werd door het Hoofd van den P.T.T.-dienst vastgesteld, dat de omroep goed hoorbaar was binnen de bestelgrenzen van de post- en telegraaf kantoren in de bovengenoemde plaatsen (Batavia met inbegrip van Tandjoeng priok), waardoor met ingang van genoemden datum de luisteraars binnen deze grenzen een luisterovereenkomst met de N.1.R.0.M, moesten aangaan. In den loop van 1934 werd het aantal zenders uitgebreid tot 17. Hiervan zenden er 5 het algemeen programma voor West-Java uit, namelijk de zenders te Tandjoengpriok, Batavia, Bandoeng, Buitenzorg en Soekaboemi. Het algemeen programma voor Oost- en Midden-Java wordt uitgezonden over 6 zenders, welke opgesteld zijn te Soerabaja, Semarang, Jogjakarta, Soerakarta, Tjepoe en Malang. De overige 6 zenders, opgericht te Batavia, Bandoeng, Jogjakarta, Soerakarta, Semarang en Soerabaja zijn speciaal bestemd voor de uitzending van Oostersche programma's. De vermeerdering van het aantal stations en vooral de in bedrij f stelling te Tandjoengpriok van den Archipel-zender met een antenne-vermogen van 10 K.W. had tot gevolg een belangrijke uitbreiding van het gebied, waarin de omroep goed hoorbaar is; dit gebied omvat sedert 31 December 1934 geheel Java met uit zondering van de residentie Cheribon en van een deel der residentiën Priangan, Buitenzorg en Batavia, waar de hoorbaarheid onvoldoende wordt geacht. DE CULTUREELE TOESTAND. 254 Bedroeg het aantal uitgereikte radio-ontvangvergunningen op 31 December 1933 8580, aan het einde van 1934 waren 16 875 vergunningen afgegeven, waarvan 11 365 aan luisteraars gevestigd binnon hot z.g. Nirom-gebied. De omroepbijdrage voor ontvanginrichtingen, uitsluitend voor huiselijk gebruik in particuliere woningen, werd voor 1934 vastgesteld op f 3 per maand, die voor ontvanginrichtingen in vergaderlokalen, sociëteiten, hotels e. d. op f 9 per maand. Voor liefdadige instellingen gold een lariet' van f 3 per maand, terwijl voor sociale inrichtingen, ziekenhuizen, kerken, technische scholen en radiohandelaren de omroepbijdrage op f 4,50 per maand was bepaald. Deze omroepbijdragen werden in November 1934 voor het komende jaar herzien en verlaagd tot resp. f 2,50, f 7,50, f 2,50 en f 3,75. De overige particuliere omroepstations, waarvan het aantal in 1934 toenam, bleven op vaak zeer verdienstelijke wijze voortgaan met het uitzondon van omroepstof in verschillende plaatsen op Java, alsmede in Medan en Bandjermasin. De Ord. in I. S. 1930 n°. 344 nopens het aanleggen, hebben en gebruiken van oen radio-ontvanginrichting is in werking getreden met ingang van 1 Maart 1934. Nieuwe voorschriften in zake hot verleenen van vergunningen voor het aan leggen, hebben en gebruiken van radio-ontvanginrichtingen zijn opgenomen in Bb. n°. 13223, juncto n°. 13279. RECHT EN RECHTSBEDEKI.INI.. 255 HOOFDSTUK V. DE SOCIALE TOESTAND. A. RECHT EN RECHTSBEDEELING Het recht. Het recht op Westerschen grondslag. Burgerlijk recht. De bij G.B. 26 Oct -1933 n°. 24 ingestelde Commissie tot herziening van het stelsel van in- en over. schrijving van onroerende goederen en schepen is bij G.B. 31 Jan. 1935 n°. 18 ontbonden, nadat zij als haar oordeel had te kennen gegeven, dat het beter voor kwam de hoofd-beginselen van het thans bestaande stelsel behoudens eenige technische verbeteringen, te behouden, dan een nieuw stelsel naar het voorbeeld van het Nederlandsche in te voeren. Bij Ord. in I. S. 1934 n°. 214 werden de derde en vierde titel van het tweede boek van liet Wetboek van Koophandel, betreffende het schepelingenrecht, zooveel mogelijk in overeenstemming gebracht met het Nederlandsche Wetboek van Koop handel, zooals dat bij de wet van 14 Juni 1930 (N. S. n°. 240) werd gewijzigd. Deze nieuwe nog niet in werking getreden bepalingen gelden niet voor de binnenvaart en zijn niet toepasselijk op schepen, ter grootte van minder dan 100 m 3 bruto inhoud, wanneer het schip is voorzien van een mechanisch middel van voortbeweging, en van minder dan 300 m 3 bruto-inhoud wanneer zulks niet het geval is. Het nieuwe recht blijft derhalve buiten toepassing voor alle gewone visschers- en kustvisschersschepen, voor nagenoeg de geheele inheemsche zeilvaart, zoomede voor alle plciziervaartuigen. In tegenstelling met hetgeen in Nederland is geschied, werd van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel niet alleen de 4de, doch ook de 3de titel door een moderner regeling vervangen, teneinde een schema tische en overzichtelijke verdeeling van de materie over de beide titels te verkrijgen. Bovendien werd door een andere rangschikking de inhoud van den 4den titel, waarin de bepalingen betreffende de arbeidsovereenkomst ter zee zijn bijeengebracht, overzichtelijker gemaakt. Ook op verschillende andere punten wijken de besproken nieuwe bepalingen van het Wetboek van Koophandel van de Nederlandsche af. Bij de aangehaalde Ord. in I. S. 1934 n°. 214 werden tevens, door wijziging van de Ord. in I. S. 1917 n°. 129, I. S. 1924 n°. 556 en I. S. 1933 n°. 49, de nieuwe derde en vierde titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel, be houdens eenige wijzigingen, toepasselijk verklaard op de Chineezen, de Vreemde Oosterlingen, andere dan Chineezen, en de Inlanders. De jarenlange pogingen om tot unificatie van het wisselrecht te geraken, werden op 7 Juni 1930 bekroond met de totstandkoming, op de Eerste Wissel conferentie te Genève, van een drietal verdragen: I°. tot invoering van een een vormige wet op wisselbrieven en orderbriefjes; 2°. tot regeling van zekere wets conflicten ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes; 3°. betreffende het zegelrecht ten aanzien van wisselbrieven en order briefjes. Nadat Nederland tot die verdragen voor het Rijk in Europa was toegetreden en de regeling van het wisselrecht in het Nederlandsche Wetboek van Koophandel dienovereenkomstig was herzien (N. S. 1932 n°. 405), kwam de vraag aan de orde, of ook voor de overzeesche gebiedsdeelen toetreding tot de genoemde verdragen gewenscht was. Kon wetsontwerp, houdende toepasselijkverklaring van die verdragen voor Nederlandsch-Indië, Suriname en Curacao is reeds den Volksraad gepasseerd, die in gunstigen zin adviseerde. Gelijktijdig vond in den Volksraad behandeling een ontwerp-ordonnantie tot wijziging van het Indisch Wetboek van Koophandel in aansluiting aan hoogergenoemde wijziging van het Nederlandsche Wetboek van gelijken naam. Dit ontwerp heeft inmiddels den weg naar het Staatsblad ge vonden (I. S. 1934 n°. 562). Het ligt in de bedoeling, de inwerkingtreding van die DE SOCIALE TOESTAND. 256 Ord. vast te stellen op het tijdstip, waarop de bedoelde verdragen — na aanneming van evengemeld wetsontwerp door de Staten-Generaal — in Nederlandsch-Indië zullen beginnen te werken. De totstandkoming van genoemde wisselverdragen is gevolgd door het opstellen, op de Tweede Geneefsche Wisselconferentie van 19 Maart 1931 van drie chèque recht-verdragen van overeenkomstige strekking. Ook te dier zake heeft eerst toe treding voor het Rijk in Europa alsmede herziening van de desbetreffende be palingen in het Nederlandsche Wetboek van Koophandel plaats gehad. Op 29 December 1934 is bij den Volksraad om advies ingediend een wetsontwerp houdende toepasselijkverklaring van die verdragen op de overzeesche gebieds deelen en ter overweging een ontwerp-ordonnantie, houdende overeenkomstige wijziging van het Indisch Wetboek van Koophandel. Laatstgenoemde Ord. is inmiddels vastgesteld (I. S. 1935 n°. 77). Bij G.B. 9 Juli 1934 n°. 27 (I. S. n°. 408) zijn de data aangewezen der in het 2do lid van art. 153 van het Wetboek van Koophandel voor Nederlandsch-Indië bedoelde feestdagen voor het jaar 1935. Strafrecht. Een vijftal ordonnanties bracht wijziging in het Wetboek van Strafrecht. Vier van deze veranderingen hangen samen met wetgevende maat regelen op ander gebied, namelijk de invoering van de militaire straf- en tucht wetgeving (I. S. 1934 n°. 172), de wijziging van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel (I. S. 1934 n°. 214), de herziening van de summiere procedure in strafzaken voor de landraden op Java en Madoera (I. S. 1934 n°. 558) en de wijziging van het landgerechtreglement ter vermindering van het aantal gevallen, waarin de getuigen-eed moet worden afgelegd (I. S. 1934 n°. 609). De vijfde wijziging (I. S. 1934 n°. 644) had tot doel de lichte vormen van dierenmishandeling als „licht misdrijf" afzonderlijk strafbaar te stellen en tot de competentie te brengen van den landrechter en den gelijkstandigen rechter in de Buitengewesten. Daartoe leidde de overweging, dat de berechting van die delicten door landraad en raad van justitie gepaard gaat met vele onnoodige formaliteiten, welke niet in ver houding staan tot den eenvoud van de gepleegde feiten en bovendien weinig be vorderlijk zijn voor een daadwerkelijke repressie. Militair strafrecht. Bij Ordn. van 28 Maart 1934 zijn vastgesteld een nieuw wetboek van militair strafrecht voor Nederlandsch-Indië (I. S. n°. 167) — in werking getreden 1 October 1934 (zie I. S. 1934 n°. 337) —, een nieuw wetboek van krijgs tucht voor Nederlandsch-Indië (I. S. n°. 168), een nieuw reglement voor de militaire strafgestichten (I. S. n°. 169), nadere voorschriften betreffende de gevallen waarin en de wijze waarop vrijheidsstraffen, opgelegd aan een militair, kunnen worden ten uitvoer gelegd op een andere plaats, dan in een voor de uitvoering der straf bestemd gesticht (I. S. n°. 170), voorschriften betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelden, die militair zijn (I. S. n°. 171), bepalingen omtrent den overgang van de oude tot de nieuwe militaire straf- en tuchtwetgeving (I. S. n°. 172) — in werking getreden 1 October 1934 (zie I. S. 1934 n°. 337) —, nieuwe bepalingen betreffende de rechtsmacht van don militairen rechter in Nederlandsch- Indië (I. S. n°. 173) en bepalingen, houdende toepasselijkverklaring van eenige voorschriften van het wetboek van militair strafrecht op personen, die tijdens de berechting door den burgerlijken strafrechter militair waren of daarna militair zijn geworden (I. S. n°. 174). Dit stuk wetgeving werd voorbereid door de bij G.B. 21 Jan. 1930 n°. 22 ingestelde commissie voor het militair straf-, tucht- en strafprocesrecht, aan welke commissie o.m. was opgedragen om, rekening houdende met de terzake reeds uit gebrachte adviezen, de noodige ordonnanties en regeeringsverordeningen betreffende RECHT EN RECHTSBEDEELING. 257 Gouvernementsrechtspraak en rechterlijke inrichting. Door wijziging bij Ord. van 14 Sept. 1934 (I. S. n°. 558) werden de bepalingen van het Inlandsch Reglement, betreffende de summiere procedure in misdrijfzaken bij de landraden op Java en Madoera, herzien, teneinde te voldoen aan de dringende behoefte om lichte strafzaken dadelijk na voltooiing van het eerste onderzoek zonder verdere formaliteiten bij den landraad te kunnen voorbrengen. Daardoor toch wordt werk besparing en een vlottere afdoening van zaken bereikt. Met betrekking tot de vendu-grossen en andere met vonnissen gelijkgestelde grossen gaven de bepalingen van het Rechtsreglement Buitengewesten aanleiding tot een controverse ten aanzien van de vraag hoe die grossen, uitgeschreven tegen schuldenaren die aan de Europeesche wetsbepalingen zijn onderworpen, tot geen hooger bedrag dan f 1500 resp. f 500 — zijnde de normale competentie-grenzen van het residentiegerecht in de Buitengewesten — dienen te worden tenuitvoer gelegd. Teneinde de in de practijk bij de executie van vendu-grossen ondervonden moeilijkheden te ondervangen, werd aan de bestaande onzekerheid bij Ord. van 18 Sept. 1934 (I. S. n°. 564) een einde gemaakt door wijziging van de betrekkelijke bepalingen van het Rechtsreglement Buitengewesten. En wel in dier voege, dat naar het voorbeeld van de voor Java en Madoera geldende regeling de vendu- en andere met vonnissen gelijkgestelde grossen, ongeacht het bedrag, steeds worden tenuitvoergelegd volgens de voorschriften van het tweede boek van het Reglement op de Rechtsvordering, derhalve op dezelfde wijze als bepaald is voor de vonnissen der raden van justitie (artt. 997 jo. 440 Rv.). Bij Ord. van 2 Nov. 1934 (I. S. n°. 609) werd het landgerechtreglement gewijzigd, teneinde het aantal gevallen waarin de getuigen-eed moet worden afgelegd te ver minderen. Daarbij werd uitgegaan van de gedachte, dat ook in de rechtszaal het afleggen van eeden in belangrijke mate dient te worden beperkt. In tal van rechts zaken, in de eerste plaats in de honderden overtredingszaken, welke door de landreoh ters worden behandeld, waarin de beklaagden veelal een bekentenis hebben afgelegd, doch de vaststelling van bepaalde omstandigheden door het hooren van een of soms eenige getuigen niettemin noodig of wenschelijk wordt geoordeeld, kan zonder eenig bezwaar worden volstaan met een belofte, de waarheid te zullen zeggen. De bedenkingen, welke tegen de vermindering van den getuigen-eed zouden kunnen worden aangevoerd, werden ondervangen door een regeling volgens welke de rechter de vrijheid heeft om, wanneer hij zulks noodig acht, alsnog een eed te vorderen. De wensch om de verschillen, die bestonden tusschen de geldende tarieven voor getuigengelden in strafzaken, voor Europeanen eenerzijds en voor Inlanders en 17 het militaire straf- en tuchtrecht te ontwerpen en alle overige in verband met de uitvoering daarvan uit te vaardigen voorschriften, enz. voor te bereiden. Bij de uitvoering van de haar opgedragen taak heeft de commissie gebruik kunnen maken van de door de bijzondere commissie uit de in Nederland ingestelde commissie voor de herziening van het Indisch privaat- en strafrecht, ingevolge opdracht van den Minister van Koloniën in 1923, samengestelde ontwerpen van een Wetboek van Militair Strafrecht en een Reglement op de Krijgstucht, beide voor de Landmacht in Nederlandsch-Indië. Overeenkomstig hot in art. 132 van de Indische Staatsregeling neergelegd concordantie-beginsel komt het Indisch Wetboek van Militair Strafrecht bijna geheel overeen met het Nederlandsche. Van de moederlandsche bepalingen is slechts afgeweken, indien specifiek Indische toestanden daartoe noopten, de practijk de noodzakelijkheid van wijziging of aanvulling had aangetoond, dan wel verduide lijking van eenig artikel gewenscht bleek. De rechtspraak. DE SOCIALE TOESTAND. 258 Vreemde Oosterlingen anderzijds, weg te nemen, heeft geleid tot het bij Ord. van 14 Dec. 1934 (I.S. n°. 683) vastgesteld nieuw tarief, dat voor alle bevolkings groepen geldt. Aan deze regeling ligt het beginsel ten grondslag, dat behoudens de bevoegdheid van den Gouverneur-Generaal om in buitengewone gevallen daarvan af te wijken, schadeloosstelling slechts wordt verleend aan personen, die als getuige zijn verschenen voor een rechterlijke autoriteit, behalve wanneer deze is een districts- of regentschapsgerecht dan wel een negorij-rechtbank of een districtsraad. Bij het verschijnen voor ambtenaren van de gerechtelijke politie wordt onder boven bedoeld voorbehoud evenmin schadevergoeding toegekend. Raad voor de Scheepvaart. De regeling van de samenstelling en de bevoegdheid van den Raad voor de Scheepvaart en de procedure voor dien Raad, welke tevoren gedeeltelijk in art. 23 van de ordonnantie omtrent de huishouding en tucht op de Nederlandsch-Indische koopvaardijschepen van 1873 (I.S. n°. 119), gedeeltelijk in een instructie voor dien Raad was opgenomen, word bij Ord. van 27 April 1934 (I. S. n°. 215) in één wettelijke regeling samengebracht. Inheemsclie rechtspraak in rechtstreeks bestuurd gebied. Met de doorvoering van de nieuwe regeling op de inheemsche rechtspraak in rechtstreeks bestuurd gebied (I. S. 1932 n°. 80) werd in 1934 voortgegaan. De genoemde regeling is 1 Sep tember 1934 voor het gewest Atjeh en Onderhoorigheden en 1 October d.a.v. voor het gewest Tapanoeli in werking getreden (I. S. 1934 nos. 340 en 517). Voor ge noemde gewesten zijn de uitvoeringsvoorschriften afgekondigd in de extra bijvoegsels van de Javasche Courant van 1934 nos. 34 en 74. Gelijk in de Memorie van Antwoord op het afdeelingsverslag van den Volksraad nopens de regeling op de inheemsche rechtspraak was toegezegd, werd ten aanzien van de streken, welke in het bezit zijn van een eigen ordonnantie op de inheemsche rechtspraak, nagegaan in hoever ook daar invoering van de nieuwe regeling wensehe lijk moet worden geacht. Dit onderzoek liet met betrekking tot het gewest Wester - afdeeling van Borneo geen twijfel, dat de nieuwe regeling en haar uitvoerings voorschriften te verkiezen zijn boven de voor een onderdeel van het gewest, de Pinoeh-landen, geldende verouderde ordonnantie in I. S. 1896 n°. 220. Om die reden werd bij Ord. in I. S. 1934 n°. 482, met intrekking van de genoemde ordonnantie van 1896, die streek gebracht onder de werking van de regeling van 1932. Tevens werd orde en regelmaat geschapen ten aanzien van de rechtspleging in een ander deel van de Westerafdeeling van Borneo — in het bijzonder in het district Meliau (onderafd. Sanggau, afd. Pontianak)endeonderafdeelingenSemitauenßoven-Kapocas (afd. Sintang) —, waar in naam uitsluitend gouvernementsrechtspraak bestond, doch de dagelijksche rechtshandhaving als van ouds door de volkshoofden ge schiedde. Voor deze streken werd bij de bovengenoemde Ord. in I. S. 1934 n°. 482 aangesloten aan den feitelijken toestand, door de hoofden-rechtspraak te erkennen on te onderwerpen aan de regeling op de inheemsche rechtspraak. Aanverwante onderwerpen. Notariaat. Te vermelden valt de opheffing van het „fungeerend notariaat" voor zoover betreft Java en Madoera, met uitzondering van dat te Pamekasan on Soemenep. Bedoelde opheffing kwam tol stand bij G.B. 5 Jan. 1934 n°. 21 (I.S. n°. 7) en trad in werking met ingang van 1 Februari 1934. Reeds herhaaldelijk was de wenscholijkheid betoogd om de bestuursambtenaren te ontheffen van het fungeerend notariaat. Dit instituut vond oorspronkelijk zijn bestaansreden in de over het algemeen ongunstige communicatie-middelen, waardoor het dikwijls RECHT EN RECHTSBEDEELINO. 259 zeer bezwaarlijk was een beroepsnotaris te bereiken. Met de verbetering van het verkeerswezen heeft dat instituut langzamerhand zijn beteekenis verloren. De doorvoering van de opheffing werd verhaast door de tijdsomstandigheden, welke eenerzijds er toe leidden, de ambtenaren van het 8.8. zooveel mogelijk te ontheffen van overtolligen arbeid en anderzijds de bron van inkomsten zooveel doenlijk te vergrooten van de notarissen, die op kleine plaatsen gevestigd zijn, waar zij speciaal in den huidigen tijd veelal geringe inkomsten hebben. De uitzondering, welke gemaakt werd voor de fungeerend notarissen te Pamo kasan en Soemenep vond haar redenen in de nog steeds vrij gebrekkige verbinding van die plaatsen met Soerabaja. Weeskamers en Voogdijraden. Hoewel in 1932 en 1933 reeds aanzienlijke be zuinigingen op de personeelsuitgaven waren tot stand gebracht, moest in 1934 naar nog verdergaande beperking dier uitgaven worden gestreefd. Doordat ook in de werkzaamheden van de Weeskamers, moer speciaal wat de behandeling van faillissementen betreft, een teruggang viel waar te nemen, kon wederom tot ver mindering van het bij de Kamers zelf en bij den buitendienst werkzaam personeel worden overgegaan. Mitsdien werd o. m. het ten kantore van het gedelegeerd lid der Medansche Weeskamer te Padang bescheiden adjunct-lid wegens overtolligheid uit zijn betrekking ontslagen. Tevens werd het te Padang aanwezig lager personeel met een tweetal krachten verminderd. Ook werden eenige der tot het eigen per soneel der Kamers behoorende agenten vervangen door beroepsgriffiers van residentiegcrechten of Hoofden van Plaatselijk Bestuur, die in de plaats van die agenten werden aangewezen om als fungeerende agenten op te treden. Rechtspersoonlijkheid van vereenigingen. In 1934 zijn in Nederlandsch-Indië, op den voet van het K.B. 28 Maart 1870 n°. 2 (I. S. n°. 64), 69 vereenigingen als rechtspersoon erkend, waarvan 60 werden aangegaan voor minder dan 30 jaren. Van deze vereenigingen waren 26 van liefdadigen en economischen aard. Door Chineezen werden opgericht 9 vereenigingen (4 van economischen aard, 2 school vereenigingen, 2 vakvereenigingen en 1 sportvereeniging) en door Inlanders 10 vereenigingen (2 van economischen aard, 2 godsdienstige vereenigingen, 2 school vereenigingen, 3 vakvereenigingen en 1 sportvereeniging). Rechtspersoonlijkheid werd geweigerd aan 2 vereenigingen, waarvan de statuten niet in overeenstemming werden geacht met het werkelijk karakter der vereeniging. Naamlooze vcnnootscliappen. In 1934 is bewilliging verleend op de akte van oprichting van 85 naamlooze vennootschappen. Rechtstoestand van personen. Van de bevoegdheid, den Gouverneur-Generaal verleend bij het vijfde lid van art. 163 van de Indische Staatsregeling, om in overeen stemming met den Raad van Nederlandsch-Indië de bepalingen voor Europeanen toepasselijk te verklaren op personen, daaraan niet onderworpen, werd in 1934 in 698 gevallen gebruik gemaakt. Van de personen, op wie de bepalingen voor Europeanen toepasselijk verklaard worden, waren 359 Inlanders (203 mannen en 156 vrouwen) en 339 Chineezen (215 mannen en 124 vrouwen) (vgl. I. S. 1934 nos. 72, 76, 158, 331, 333, 338, 366, 367, 396, 489, 492, 528, 553, 568 en 599). De meesten waren Christenen. Recht van verblijf. Bepaald is dat in het jaar 1935 in Nederlandsch-Indië kunnen worden toegelaten 12 000 vreemdelingen (zie I.S. 1934 n°. 690). Bij K.B. 11 Juni 1934 n°. 50 (I. S. n°. 397) is — met ingang van 1 Januari 1935 (zie I. S. 1934 n°. 608) — het toelatingsbesluit nader gewijzigd en aangevuld. DB FINANCIEELE TOESTAND. 26 maal ook in de districten Balangan van de onderafdeeling Amoentai en Tabalong van de onderafdeeling Tandjong is toegepast. Blijkens het gewestelijk verslag nopens den aanslag en do inning van de landrente over 1934 bedroeg de totale aanslag in 1934 f 812 714, tegen in 1933 f 881 459. Wegens deugdelijk geconstateerd misgewas en wegens onbeplant blijven van sawah's werd in 1934 ontheffing verleend tot een bedrag van f 250 202 1 ); in verband met andere buitengewone en gewichtige redenen tot een bedrag van f 115 781 x ). De vrijstellingen vooi leden van het kampong-bestuur werd in 1934 ontheffing verleend tot een bedrag van f 250 202 *); in verband met andere buitengewone en ge wichtige redenen tot een bedrag van f 115 781 x ). De vrijstellingen voor leden van het kampong-bestuur beliepen f 6 935. Hierdoor moest de landrente-aanslag in 1934 worden verminderd met f 372 918 (tegen in 1933 met f 458 380), zoodat werkelijk to heffen viel f 439 796, tegen in 1933 f 423 079. Op 31 December 1934 was van den aanslag nog niet aangezuiverd f 145660. Aan booten werd geïnd een som van f 17. In het rechtstreeks bestuurd gebied van het gouvernement Celebes en Onder hoorigheden had de aanslag en de inning der landrente in 1934 plaats op den voet van de Celebes-landrente-ordonnantie (I. S. 1927 n°. 179). welke in dat jaar ook werd ingevoerd in de in dit Verslag buiten beschouwing gelaten zelfbesturende land schappen Sawito en Rappang. Blijkens het gewestelijk verslag nopens den aanslag en de inning van de Jandrente bedroeg de totale aanslag in 1934 f 573 470, tegen in 1933 f 573 064. In verband met deugdelijk geconstateerd misgewas werd in 1934 ontheffing verleend tot een bedrag van f 32 IS9; wegens onbcplant blijven van sawahs, enz. tot een som van f 4 692; wegens andere buitengewone en gewichtige redenen in verband met de crisis tot een bedrag van f 238 190. Hierdoor moest de landrente-aanslag in 1934 verminderd worden met f 275 071 (tegen in 1933 met f 234 999 2 ) ), zoodat werkelijk te heffen viel 1 298 399 tegen in 1933 f 338 065. 2 ) Op 31 December 1934 was van den aanslag 1934 nog niet aangezuiverd f 109 248; aan boeten werd geïnd een som van f 2 473. Van de groep in- en uitvoerrechten e» accijnzen valt het volgende te vermelden. De voor het jaar 1933 vastgestelde opcenten op de invoerrechten werden, inge volge de wet van 22 Deo. 1933 (N. 8. n°. 710, I. S. n°. 515) op denzelfden voet gehandhaafd voorde periode van 1 tot 10 Januari 1934. terwijl bij de inwerkingt reding van het nieuwe tarief van invoerrechten op den laatst vermelden datum de tijdelijke opcenten op hel gewijzigd tarief voor de rest van het jaar 1934 werden bestendigd van 2!» Deo. 1933; N. S. n°. 772, 1. S. 1934 n°. 1). De opbrengsten van de invoerrechten, uitvoerrechten en liet statistickrecht hebben over 1933 en 1934 bedragen: i '.»:•:' L 934 Invoerrecht f 47 313 975 f 52 367 542 Uitvoerrecht 2 252 753 3 162 265 Statistiekrecht 1987 669 L 948 998 f 51 554 397 f 57 478 805 De invoerrechten op wijn (tariefpost 116) werden bij Ord. van 15 Juni 1934 (I. S. nos. 374 en 375) nut ingang van I Juli 1934 verhoogd, terwijl dr tariefposten 167 (geneesmiddelen). |s| (verfstoffen) en 188 (medicinale zeep) bij Ord. van 29 Juni ') Voorloopige ') Verbeterde cijfers, DE SOCIALE TOESTAND. 260 B. BESTRIJDING VAN MISDADIGHEID Gevangeniswezen Evenals in 1933 werd de ontwikkelingsgang van het gevangeniswezen zeer geremd door de economische crisis. Niet alleen kon door gebrek aan bouwfondsen de als beginsel aangenomen splitsing van de centrale gevangenissen in afzonderlijke „strafgevangenissen" en „huizen van bewaring" niet voortgezet worden, doch zelfs moesten een aantal kleine huizen van bewaring en twee strafgevangenissen om bezuinigingsredenen gesloten worden. De bevolking werd in de overblijvende Landsgevangenissen ondergebracht, hetgeen hier en daar, in verband met de stijging van de criminaliteit (voornamelijk lichte vergrijpen), soms tijdelijke over vulling van de gevangenissen ten gevolge had. De tewerkstelling van alle veroordeelden door middel van geregelden, hunne reclasseering voorbereidenden en te stade komenden arbeid, kon in 1934 niet in dezelfde mate geschieden als vroeger. Door gebrek aan orders moest in enkele gevangenissen het groote ambachts bedrijf geheel of gedeeltelijk worden opgeheven. De in het vorig Verslag (blz. 273) reeds vermelde moeilijkheden betreffende de tewerkstelling van veroordeelden bleven bestaan. De concentratie van de communistische veroordeelden in afzonderlijke straf inrichtingen (Ambarawa en Pamekasan) bleef gehandhaafd, terwijl de afzonderlijke afdeeling van de gevangenis te Tjipinang (Meester-Cornelis), waarin in vorige jaren ook gestraften van die categorie gehuisvest waren, werd opgeheven. De behandeling van de jeugdige veroordeelden ondervond geen principieele wijziging. Eén jeugdgevangenis — die te Banjoebiroe — werd einde 1934 als jeugd gevangenis opgeheven en tot ontlasting van de huizen van bewaring in Midden- Java als strafinrichting voor volwassen gestraften in gebruik genomen. De jeugdige gevangenen werden allen geconcentreerd in de jeugdgevangenis te Tanahtinggi, waar door opheffing van het groot ambachtswerk voldoende plaatsruimte was beschikbaar gekomen. Het volgend staatje geeft een overzicht van het gemiddelde aantal der per dag in de Landsgevangenissen van Nederlandsch-Indië aanwezige personen, verdeeld naar landaard en sexe, in de jaren 1925 tot en met 1933. De totale capaciteit van de Landsgevangenissen, d.w.z. het aantal personen waarvoor deze gestichten zijn ingericht, verminderde in verband met de om be zuinigingsredenen voortgezette opheffing van eenige gevangenissen van 60 7 1 4 op einde 1932 tot 57 995 op einde 1933. De geregelde tewerkstelling van gestraften leverde, zooals reeds boven vermeld, BESTRIJDING! VAN MISDADIGHEID. 261 in verband met de economische crisis groote moeilijkheden op. Uit de volgende cijfers over de bedrijven in de 26 gevangenissen van Nederlandsch-Indië, waar „ambachtswerk" wordt verricht, blijkt het aantal der verschillende bedrijven en de verkoopwaarde der gedurende 1932 vervaardigde artikelen: 1 zeepziederij (f 31 368), 2 boekbinderijen (f 21 345), 1 blikslagerij (f 23 622), 1 batikkerij (f 1564), 1 drukkerij (f 65 382), 1 leerlooierij (f 103 116), 1 schoenmakerij (f 248 682), 1 zeil- en zadelmakerij (f 66 670), 2 wasscherijen (f 1486), 1 enveloppenmakerij (f 9240), 1 schriftenmakerij (f 211826), 5 kleermakerijen (f 531441), 6 weverijen (f 521011), 19 vlechterijen (f 134 439), 8 houtbedrijven (f 281854), 4 smederijen (f 56 792), 2 passementerieën (f2O 327), 10 cementwerken (f 69 221), 6 steen klopperijen (f 3599), 17 andere arbeid (en magazijn) (f 29 010), 1 breierij (f 1785) en 1 ververij (f 129 733), tezamen f 2 563 513. In de meeste der overige Landsgevangenissen (bijna uitsluitend „huizen van bewaring") werden de gevangenen op andere wijze te werk gesteld (steenkloppen, vlechtwerk, touwslagerij en vezelbereiding, weefwerk, zand- en steenenhalen, enz.). De opbrengst in Nederlandsch-Indië van dezen arbeid over 1933 bedroeg flB 683, hetgeen een gemiddelde opbrengst per man en per dag van f 0,03 5 beteekent. Al deze bedrijven worden binnen de muren uitgeoefend. Het volgend overzicht betreft de tewerkstelling buiten de gevangenismuren. De kosten van het gevangeniswezen per man en per dag in de jaren 1923 tot en met 1932 bedroegen 26; 27; 26; 25: 36; 41; 42,9; 35,6; 28,8 en 22,3 cent. Tot stand kwam een nieuwe regeling nopens de verpleging van gevangenen en veroordeelden bij vervoer tusschen in Nederlandsch-Indië gelegen plaatsen (I. S. 1934 n°. 144), zoomede een nieuwe regeling nopens het vervoer van en de tegemoetkoming in het levensonderhoud aan tot een vrijheidstraf veroordeelde Europeanen en met dezen gelijkgestelden bij het einde van den straftijd (I. S. 1934 n°. 145). Nadere bijzonderheden omtrent een en ander vindt men vermeld in de door den dienst van het gevangeniswezen samengestelde verslagen van het gevangenis wezen. DE SOCIALE TOESTAND. 262 Strafrechtelijke dwangopvoeding. In 1934 werden 140 jeugdigen ter beschikking van de Regeering gesteld, werden 9 minderjarigen vastgezet in een door den Directeur van Justitie aangewezen Lands of particulier opvoedingsgesticht en werd 1 voogdij-pupil op grond van art. 6a der Dwangopvoedingsregeling (I. S. 1929 n°. 5) in een Landsopvoedingsgesticht opge nomen. De noodzaak tot verdere bezuiniging op de Landsuitgaven leidde er toe, dat het Landsopvoedingsgesticht voor jongens en dat voor meisjes te Tangerang aan het beheer van den Bond van Pro Juventute-vereenigingen werd overgedragen. Einde 1934 bevonden zich in de overgebleven 3 Landsopvoedingsgestichten 577 pupillen, van wie er 546 Regeerings- en 1 voogdijpupil waren en de overige 30 behoorden tot de categorie, welke gevormd wordt door hen op wie de civiel rechtelijke maatregel van vastzetting wordt toegepast. Aan particuliere zorg waren 232 Regeeringspupillen en 18 gevallen van vastzetting toevertrouwd. De regelmatig binnenkomende rapporten betreffende hot gedrag en de levens omstandigheden van voorwaardelijk en onvoorwaardelijk ontslagen pupillen luiden over het geheel gunstig. In den opzet en de werkmethode van de Landsopvoedingsgestichten kwam geen wijziging. Wol werd het door de tijdsomstandigheden moeilijker om voor de aanwezige werkplaatsen opdrachten te vinden. Reclasseering. Einde 1934 werd ook het laatste overgebleven gedeelte van den „buitendienst" der reclasseering (twee Landsambtenaren der reclasseering en één adjunct-Lands ambtenaar der reclasseering) opgeheven. Het toezicht op het geheele reclasseerings wezen geschiedt thans uitsluitend vanwege het Hoofdkantoor van het Tucht-, Opvoedings-, Reclasseerings- en Armwezen en kan zich uiteraard slechts tot de hoofdzaken bepalen. Een regeling is in voorbereiding om in de door het wegvallen van den buiten dienst ontstane leemte zonder kosten voor het Land te voorzien, waarbij vooral alle aandacht op West-Java wordt geconcentreerd, maar toch zooveel mogelijk wordt getracht om ook in de andere plaatsen op Java, waar vruchtbaar reclas sceringswerk ontstaan is, de kern daarvan te handhaven. In het bijzonder wordt hierbij gestreefd naar een op peil houden van den arbeid van de particuliere reclas seeringsorganisaties. Door verschillende reclasseeringsvereenigingen werd in 1934 goed werk verricht, zoowel op het gebied van de voorwaardelijke veroordeeling, de voorwaardelijke invrijheidstelling, als met betrekking tot den steun aan onvoorwaardelijk ontslagen gevangenen, enz. Enkele dezer vereerrigingen (de Inheemsche reclasseerings instelling „Indonesia" en de Chineesche vereeniging „Chung Hwa Hui") ontplooiden zoodanige activiteit, dat nieuwe afdeelingen konden worden opgericht. Het in het vorig Verslag beschreven commissie-stelsel, dat een onderdeel zal vormen van bovenbedoelde nieuwe regeling, kon nog geen verdere uitwerking vinden. Het Centraal College voor de Reclasseering gaf in 259 gevallen betreffende voorwaardelijke invrijheidstelling advies en kweet zich ook overigens op voor beeldige wijze van zijn adviseerende taak. Dactyloscopie. Het aantal nieuw ingeschreven signalementen bedroeg 13 228, aan de hand waarvan 1962 personen konden worden herkend. BESTRIJDING VAN MISDADIGHEID. 263 Waar de overgroote meerderheid der toegezonden signalementen door gevangenis wezen en politie werden toegezonden, zijn uiteraard ook de inlichtingen omtrent do herkende personen in hoofdzaak aan die diensten verstrekt. Een overzicht van de verdeeling der 13 228 signalementen over de verschillende bij het Centraal Kantoor voor Dactyloscopie aangesloten diensten, alsmede van de aantallen aan die diensten verstrekte inlichtingen, zijn vermeld in staat 102 van het Statistisch Overzicht over het jaar 1933. Het aantal malen, dat aan het Centraal Kantoor is verzocht om ambtseedige rapporten betreffende op de plaats des misdrijfs achtergelaten vingerafdrukkon, dan wel betreffende in civiele processen ontkende vingerafdrukken, bleef ge durende de laatste jaren vrijwel constant. Van 1924 tot en mot 1933 worden achter eenvolgens bij dat kantoor rapporten uitgebracht in 25, 20, 36, 36, 35, 40, 34, 36, 51 en 52 zaken. Crimineele Statistiek. Bij onherroepelijk gewijsde van don gouvernementsrechter (uitgezonderd de militaire rechtspraak) werden in 1933 terzake van misdrijf berecht 44 817 personen (in 1932 42 483), van wie 33 943 (in 1932 32 826) of 'bijna 75% (in 1932 ruim 77 %) zijn schuldig bevonden en veroordeeld. Bij verdeeling van do veroordeelden naar landaard en geslacht zijn de cijfers — de tusschen ( ) vermelde cijfers hebben betrekking op 1932 — aldus: 418 (338) Europeanen, van wie 402 (321) mannen en 16 (17) vrouwen; 30 017 (30 363) Inlanders, van wie 28 502 (28 781) mannen en 1515 (1582) vrouwen; 1993 (2125) Vreemde Oosterlingen, van wie 1926 (2073) mannen en 67 (52) vrouwen. De bewerking van de reeds vroeger geëntameerde statistiek over terzake van misdrijf door den Inheemschen rechter berechte personen, is thans in een zoodanig stadium gekomen, dat de eerste cijfers daarvan kunnen worden medegedeeld. Bij onherroepelijk gewijsde van den Inheemschen rechter werden in 1933 terzake van misdrijf berecht 8642 personen, van wie 7293 of 84 % zijn schuldig bevonden en veroordeeld, te weten: 6737 mannen en 556 vrouwen, uiteraard allen van in heemschen landaard. DE SOCIALE TOESTAND. 264 C. BESTRIJDING VAN ONZEDELIJKHEID. Bestrijding van ontucht en van den handel in vrouwen en kinderen. De bezuiniging op de gouvernementsdiensten had voor het Regeeringsbureau tot bestrijding van den handel in vrouwen en kinderen — dat voor een deel in zijn taak de hulp van andere diensten behoeft — vanzelf ten gevolge, dat het zijn werkzaamheden niet zoo intensief kon doen zijn als wel wenschelijk is. Toch werd met de beschikbare middelen het mogelijke gedaan om gevallen op het spoor te komen. De strafbare feiten, ten dezen in 1934 aan het licht gekomen, vallen, wat vrouwen handel o.a. aangaat, voornamelijk onder de bepalingen van de artt. 285, 287, 296, 297, 328 en 330 van het Wetboek van Strafrecht. Door het Bureau werden in de periode 1 Juli 1933 tot 1 Juli 1934 7 ge vallen van vrouwenhandel, 3 gevallen van koppelarij, 66 gevallen van clandestien bordeelbedrij f of het verschaffen van rendez-vous-gelegenheid, 2 gevallen van souteneurschap en 32 andere zeden- of daaraan verwante misdrijven be handeld. Betreffende eenige gevallen werd met centrale buitenlandsehe autoriteiten contact verkregen. Evenals in de voorafgegane jaren, werden ook m 1934 verschillende minder jarigen (te verstaan als maatschappelijk minderjarigen, d.w.z. zij, die nog niet hun eigen brood verdienen kunnen) die zonder wettigen verzorger in Indië aankwamen en als zoodanig onder de dagelijksche leiding van het Regeeringsbureau staan, in het gezin van een te goeder naam en faam bekend staand landgenoot op genomen dan wel, bij ontbreken van zulk een verzorger, in een gesticht geplaatst. 97 immigranten kwamen op deze wijze onder de controle van het Regeerings bureau. In het geheel stonden aan het einde van 1934 366 jeugdige immigranten onder het toezicht van dit kantoor. De Directeur van Binnenlandsch Bestuur werd in Deoember 1933 door de Regeering gemachtigd om, in plaatsen waar zich de behoefte daartoe doet gevoelen, tot de aanstelling als onbezoldigd politie-ambtenaar over te gaan van roods bij particuliere instellingen op het gebied van vrouwen- en kinderbescherming werkzame vrouwen. In 1934 werden twee vertegenwoordigsters van de 1.E.V.-Vrouwen organisatie als zoodanig aangesteld. Bestrijding van verspreiding van ontuchtige vitaaven. In hot tijdvak I Juli 1933 tot 1 Juli 1934 werd meermalen handel in pornografische producten ontdekt. In 2 gevallen betrof het in Nederlandsch-Indië vervaardigde uitgaven, in de overige gevallen waren deze uit het buitenland (China, Parijs, Hamburg en Dresden) af komstig. De centrale autoriteiten van deze landen zijn omtrent de desbetreffende adressen ingelicht. In één geval deed een centrale autoriteit in Kuropa het verzoek om een onderzoek in te stellen naar do bestelling door personen in Indië van porno graf ische werken bij een firma in het betrokken land. VERDOOVENDE MIDDELEN EN ALCOHOL. 265 D. GEBRUIK VAN VERDOOVENDE MIDDELEN EN ALCOHOL. De Opiumregie. Nieuwe regelen zijn vastgesteld voor de verdeeling van het gebied van Neder landsch-Indië in kringen voor de aanwijzing in hoever het gebruik van regie-opium is toegestaan (G.B. 3 Febr. 1934 n°. 23 in I.S. n°. 59, juncto G.B. 14 Sept. 1934 n°. 11 in I.S. n°. 561). De in 1929 aangevangen daling van het debiet van regie-opium zette zich, voor wat betreft Java en Madoera, in nagenoeg onverminderde mate voort. In dat gebied werd 156 470 thail (in 1933 207 694 thail) regie-opium verkocht, derhalve 24,66 % minder dan in 1933. In de Buitengewesten echter kwam de debietsdaling tengevolge van den eenigermate verbeterden welstand der bevolking (hoofdzakelijk in die gebieden, waar de bevolkingsrubbercultuur een voornaam middel van bestaan oplevert) tot staan; hier werd 274 879 thail regie-opium verkocht (in 1933 267 848 t ha il), of 2,6 3% meer dan in 1933. In geheel Nederlandsch-Indië bedroeg de verkoop 431 350 thail, tegen in 1933 475 542 thail. De bruto-opbrengst bedroeg op Java en Madoera f 4 694 110 (in 1933 f 6 230 831), in de Buitengewesten f 6 451 289 (in 1933 f 6 430 505) en in geheel Nederlandsch-Indië f 11 145 399 (in 1933 fl2 661336), dus onderscheidenlijk 24,66 % minder, 0,32 % meer en 11,97 % minder dan in 1933. In verband met het afnemend debiet kon het aantal opiumverkoopplaatsen op Java en Madoera van 515 tot 408 worden teruggebracht. In de Buitengewesten werd het aantal vcrkoopplaatsen eveneens teruggebracht (van 400 tot 395). In hoofdzaak geschiedde dit in die gewesten, waar nog achteruitgang van den verkoop plaats had. Het aantal opiumverkoopplaatsen, waarvan het beheer met dat van zoutverkoop plaatsen was gecombineerd, bedroeg einde van het verslagjaar op Java en Madoera 162 en in de Buitengewesten 72. Voor zoover deze combinaties in 1934 tot stand kwamen, werd de personeelsformatie, waar mogelijk, verder ingekrompen. Het aantal wettige opiumverbruikplaatsen (kitten) daalde op Java en Madoera van 8 tot 6, doch steeg in de Buitenge westen van 24 tot 26. Het aantal gebruikslicentics daalde op Java en Madoera van 53 817 op einde 19113 tot 41 368 op einde van 1934 en in do Buitengewesten van 7710 tot 7162. Deze vermindering is toe te schrijven aan het niet vernieuwen van de ver gunningen na afloop van het. licentiejaar, indien van de oude vergunningen gedurende geruimen tijd geen gebruik was gemaakt, alsmede aan overlijden, vertrek naar elders van en staking van het opiumgebruik door schuivers. Het belangrijkst was de daling Van het aantal uebruikslicentiehouders in de provincie Oost-Java (van 25 473 tot IS 979) en in Bangka en Onderhoorigheden (van 2967 tot 2620). Het aantal Europeanen en met dezen gelijkgestelden, in het bezit van een gebruiks licentie, bedroeg 2. Van het aantal gebruikslicentiehouders hadden op 31 December 1934 slechts 145 (naar schatting) den leeftijd van 30 jaar nog niet bereikt. Het aantal vervoerslicenties steeg van 166 op einde 1933 tot 179 op einde 1934. In het verslagjaar werd van het debiet in Nederlandsch-Indië 4,12 % op vervoers licenties ingekocht, tegen 2,96 % in 1933. In 1934 was het gebruik van regie-opium per Chineeschen schuiver 7,98 thail (vorig jaar 7,42 thail) en per Inlandschen schuiver 2,04 thail (vorig jaar 2,14 thail). ler 100 000 inwoners bedroeg het gebruik op Java en Madoera 375 thail (vorig jaar 498 thail) of 14,48 kg (19,22 kg), in de Buitengewesten 1446 thail (1409 thail) of 55,82 kg (54,39 kg) en in geheel Nederlandsch-Indië 710 thail (783 thail) of 27,41 kg (30,22 kg). Per hoofd van de bevolking werd gemiddeld aan regie-opium besteed op Java en Madoera f 0,11 (vorig jaar f 0,15), in de Buitengewesten f 0,34 (vorig jaar f 0,34) en in geheel Nederlandsch-Indië f 0,18 (vorig jaar f 0,21). Het aantal aanhalingen van regie-opium bedroeg 1012, tot een totale hoeveelheid DB SOCIALE TOESTAND. 266 van ruim 269 thail, tegen 1021 aanhalingen van ruim 208 thail in 1933. Niet van de regio afkomstig opium werd aangehaald in 954 gevallen tot een hoeveelheid, welke kan worden gelijkgesteld met 21 905 thail tjandoe van goede hoedanigheid, tegen 808 aanhalingen en 12 272 thail in 1933. Andere verdoovende middelen dan opium werden in 111 gevallen aangehaald tot een gezamenlijke hoeveelheid van 2,270 kg, tegen 87 aanhalingen en 1,167 kg in 1933. Groote aanhalingen van sluikopium hadden plaats te Tandjoengpriok, Batavia, Cheribon, Semarang, Tandjoengperak, Lolok (Bengkalis), Makassar, in den Riouw archipel en op Poelau Dinar (Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo). Het aangehaal de werd o.m. aangetroffen in zendingen toiletpoeder, draadnagels, uien, thee en rotan, in passagiersgoed aan boord van schepen, tijdens een huiszoeking en in op zee drijvende zakken. Bij G. B. 26 April 1934 n°. 7 (J. C. n°. 35) is aan de Anti-Opiumvereeniging te Batavia een subsidie van f 2500 toegekend ter bevordering van de door haar te voeren propaganda tegen het opiumgebruik gedurende het jaar 1934. Ditzelfde geschiedde tot een bedrag van f 1875 aan de Nederlandsch-Indische Groot-Loge van de Inter nationale Orde van Goede Tempelieren ( G.B. 28 Juni 1934 n°. 47, J.C. n . 54) en tot een bedrag van f 1000 aan de Nederlandsch-Indische Anti-opium-vereeniging te Bandoeng (G. B. 20 Sept. 1934 n°. 19, J. C. n°. 77). Aan de Anti-Opiumvereeniging te Batavia werd verder een subsidie toegekend van f 2872 voor het verleenen van nazorg aan personen, die een geneeskundige behandeling ter ontwenning van het gebruik van verdoovende middelen hebben te ondergaan. Zij exploiteert voor dat doel het landhuis Tandjoeng-West te Pasar Minggoe bij Batavia, waar in 1934 190 gewezen narcoticomanen werden opgenomen. Voor het voeren van anti-opiumpropaganda werd bovendien uit de loterijgelden f 2500 aan de Anti-Opiumvereeniging te Batavia en f 1740 aan de Nederlandsch- Indische Groot-Loge der Internationale Orde van Goede Tempelieren uitgekeerd. Ten behoeve van haar doorgangshuis Tandjoeng-West ontving de Anti-Opiumver eeniging te Batavia uit de loterijgelden f 1461. De propaganda geschiedde op de gebruikelijke wijze door middel van radio toespraken, lezingen, verspreiding van periodieken en anti-opiumgesehriften, het uitkomen met stands op jaarmarkten (Pasar Gambir te Batavia en Pasar Malam te Semarang), het verleenen van bemiddeling bij de opname in hospitalen voor anti-opiumbehandeling, persoonlijke aanraking met opiumschuivers, het plaatsen van artikeltjes over opiumbestrijding in do Maleische en Maleisch-Chineesche pers en het houden van toespraken in de hoogste klassen van Hollandsch-Inlandsche en Hollandsch-Chineesche scholen over de gevaren aan opiumgebruik verbonden. Behandeling van opiophagen. Ook in 1934 bleef de subsidie van Regeeringswege ten behoeve van de behande ling van opiophagen beperkt tot het Zendingshospitaal „Immanuel" te Bandoeng, dat in 1934 in zijn Anti-Opium-Paviljoen 567 (in 1933 633) patiënten verpleegde, lijdende aan een chronische vergiftiging met organische stoffen. Van hen waren 125 verslaafd aan morfine (in de meeste gevallen gecombineerd met cocaïne), 242 aan opium on djitjeng beide, 177 aan opium alleen en 2 aan djitjeng alleen. Van de patiënten hebben zich 62 aan de behandeling onttrokken,.nog vóór zij genezen waren; 11 zijn aan longtuberculose overleden; de overigen konden genezen worden ontslagen. In Gouvernements ziekeninrichtingen en in door het Gouvernement gesubsi dieerde particuliere ziekeninrichtingen zijn in 1934 1579 (in 1933 1183) patiënten opgenomen, lijdende aan chronische vergiftiging met organische stoffen. Hiervan VERDOOVENDE MIDDELEN EN ALCOHOL. 267 overleden 16 (in 1933 15). De meesten van deze patiënten zijn opiophagen, ofschoon in de laatste jaren een toename van het aantal morphinisten geconstateerd wordt. Alcoholgebruik. Ook in 1934 werd door de artsen van den Dienst der Volksgezondheid aan het Hoofd van den Dienst geregeld bericht gezonden, wanneer alcoholgebruik onder de Inheemsche bevolking in hun ressorten voorkwam. Het zijn wederom dezelfde streken, die reeds in vorige Verslagen genoemd werden, waar men van alcoholgebruik of -misbruik door de Inheemsche bevolking kan spreken. De Dajakkers maken meestal alleen misbruik van alcohol (toewak) bij bijzondere gelegenheden (bruiloften, sterfgevallen, bezoeken van B. B. ambtenaren e.d.). Hetzelfde is het geval in sommige streken van den Oost-Archipel, terwijl in andere streken van dat gebiedsdeel alcohol een dagelijksche drank is, zonder dat men daarom altijd van alcoholmisbruik zou mogen spreken. Bedoeld worden inheemsche, zelfbereide alcoholische dranken, zooals toewak, sagoweer, enz. Voor nadere gegevens wordt naar het Indisch Verslag over 1933 verwezen. Het alcoholgebruik in West-Ceram is nog steeds groot. Dat de bevolking ten- gevolge daarvan, en van het door haar gebruikte minderwaardige voedsel, in aantal zou verminderen, zooals door sommigen wordt gemeend, kan door den Dienst der Volksgezondheid voorloopig niet worden bevestigd, aangezien de Volkstelling van 1930 heeft uitgewezen, dat daar gedurende het tijdvak 1920—1930 een niet onaan zienlijke bevolkingsvermeerdering heeft plaats gehad. Als bijzonderheid wordt van Ambon vermeld, dat in tijden van voedsclschaarschte het sago weer-gebruik dikwijls toeneemt om het tekort aan voedingsstoffen aan te vullen. Uit Roeteng (Manggarai, eiland Flores) werd medegedeeld, dat daar in 1934 vrij veel gevallen van gastro-enteritiden zijn voorgekomen tengevolge van toewak misbruik. Ter vergisting van de suikerpalmwijn worden namelijk verschillende boomwortels en bastsoorten gebruikt, welke waarschijnlijk een prikkelwerking op het organisme uitoefenen. DE SOCIALE TOESTAND. 268 E. GEZONDHEIDSZORG. Gezondheidstoestand van de bevolking. Geboorte- en sterftecijfers. De in 1934 gerapporteerde sterfgevallen onder de Inheemsche bevolking van Java en Madoera vertoonen, vergeleken met die van 1933 (beide berekend op de bevolkingscijfers gevonden bij de volkstelling van 1930) een algemeene stijging en wel voor de provincies West-, Midden- en Oost-Java van respectievelijk 1,9°/oo> 2,2 °/ 00 en 1,3 %n en voor de Gouvernementen Jogjakarta en Soerakarta van 2,4 °/oo resp. 2 "/jo van het zielental. Ook wanneer men de sterfte berekent over de bestuurscijfers of over de ge middelde bevolkingssterkte, valt een algemeene stijging te constateeren, welke des te opvallender is, omdat do sterfte op Java en Madoera van 1930 t/m 1933 voortdurend en geleidelijk gedaald is. Een uitzondering maakt de provincie West- Java, waar de sterfte een geleidelijke onafgebroken stijging vertoonde, welke van 1933 op 1934 het dubbele bedroeg van het gemiddelde voor de voorafgegane jaren. Behalve het in 1934 abnormaal slechte oogstjaar voor Java en Madoera, zijn ook de minder gunstige economische omstandigheden op deze verhooging van de mor taliteit van invloed geweest. De verhoogde sterfte in West-Java wordt bovendien mede veroorzaakt door de uitbreiding van de pest in verschillende streken van dat gebied. De sterfte aan pest bedroeg in 1934 1,86 °/oo van ne * zielental, tegen 1,38 °/ 0 o hi 1933. Ongeveer I j i van de toename der sterfte in West-Java van in totaal 1,9 °/ 00 van het zielental komt dus voor rekening van de pest. Ook de malaria is op Java en Madoera een niet te verwaarloozen factor geweest voor het sterftecijfer van de bevolking. De volgende regentschappen vertoonden in 1934 een stijging van het sterftecijfer van meer dan 2 °/ 00 van het zielental (de tusschen haakjes geplaatste cijfers zijn die van 1933): geneeskundig ressort West-Java : Tjiandjoer 24,1 °/oo (18,8), Bandoeng 30,2 %„ (24,8), Tasikmalaja 24,8 % 0 (20,6), Tjiamis 25,4 %, (21,2), Garoet 35,1 "/„o (32,4); in Midden-Java is, behalve in Grobogan en Koedoes, in alle regentschappen het sterftecijfer gestegen, het meest in Tegal 29,2 % 0 (23,1), Tjilatjap 21,8 % 0 (16,9), Karanganjar 20,2 °/oo (15,4), Bandjarnegara 23,1 °/oo (19.2) en Poerworedjo 22 "/„q (17,9); Jogjakarta: een stijging van meer dan 2°/oo van het zielental in de regent schappen Bantool 19,7 0 / M (16,5), Goenoengkidoel 16,7 °/ 00 (12,9), Adikarta 16,4 °/ w (13,9) en in Soerakarta: in alle regentschappen; in Oost-Java: Soerabaja 22,5 "/„q (20,2), Grisee 18,8 (14,9), Bodjonegoro 15,7 °/ 00 (12,8), Toeban 19,9 °/oo ( 16 > 5 ). Kediri 18,4 °/ 00 (16,2), Pasoeroean 28,9 °/ 00 (25,4), Kraksaan 24 °! m (19,3), Loemadjang 22,9 "/„o (20,3) en Banjoewangi 15,6 %„ (13,5). De regentschappen met de hoogste sterftecijfers zijn in West-Java Garoet 35,1 % 0 , in Midden-Java Tegal 29,2 °/ 00 , in Jogjakarta Bantool 19,7 °/0 0 , in Soerakarta Klaten 18°/ 00 en in Oost-Java Pasoeroean 28,9 °/oo- De over 1934 berekende promille-cijfers van het aantal aangegeven geboorten zijn ongetwijfeld te laag, hoewel die van Jogjakarta en Soerakarta wellicht nauw keuriger zijn dan die van de andere gewesten van Java en Madoera. Niet mag uit het oog worden verloren, dat de Vorstenlanden in de afgeloopen decennia een abnormaal groot accres hebben vertoond, dat waarschijnlijk in do laatste jaren nog niet zoo sterk zal zijn gedrukt. Dit in aanmerking genomen, kunnen de volgende cijfers genoemd worden. De over 1934 berekende promille-cijfers van het aantal aangegeven geboorten zijn in West-Java in 12 regentschappen gedaald (het meest in Serang 27,7%,, (in 1933 32,3) en Lebak 87,9%, (31,9) ) en in 6 regentschappen een weinig gestegen; in Midden-Java in 18 regentschappen gedaald (het meest in Wonosobo 33,2 %o (36,8) en Koetoardjo 27,1 % 0 (32,3) ) en in 7 gestegen (het meest in Blora 27,4 °/ 00 (23) en Poerwokerto 35°/oo (30,3) )en in één gelijk gebleven; in GEZONDHEIDSZORG. 269 Jog Jakarta in 3 gedaald (het meest in Adikarta 31,9 %o (44) ) en in 3 gestegen (het meest in Goenoengkidoel 44°/ 00 (36,7) ); in Soerakarta in alle 6 regentschappen gestegen (het meest in Sragen 41,3°/uo (33,9) ); in Oost-Java in 16 regentschappen gedaald en in 16 gestegen; hier zijn de verschillen met 1933 slechts gering. Slechts de volgende regentschappen vertoonen een geboortecijfer lager dan 20°/oo (de tusschen haakjes geplaatste cijfers zijn die van 1933): Soekaboemi 18 °/ 00 (21,2), Tjiandjocr 18,5 °/ OT (20,8), Soerabaja 18,7 %, (20), Modjokerto 19,9 %,, (20,1), Bondowoso 15,4 "/„o (16,7), Panaroekan 16,1 (15,6) en Djember 15,7 °/ 00 (13,6). Volgens de verstrekte gegevens zou in alle regentschappen een over het algemeen flink geboorte-overschot bestaan, met uitzondering van de volgende regentschappen, waar de sterftecijfers grooter waren dan de geboortecijfers: Tjiandjoer ( — 5,6 Bandocng ( — 5,2°/ 00 ), Garoet ( — 6,3°/oo)> Soerabaja ( —■ 3,8°/oo) en Panaroekan (-0,9 0/oe). De geboorte-overschotten voor de verschillende provincies zijn als volgt: West- Java 5 "/„o, Midden-Java 8,8 "/„o, Jogjakarta 19,2 °/ 00 , Soerakarta 22,7 °/oo> Oost- Java 9,7 °/oo van het zielental. Het vermoeden, dat daar, waar de sterfte verhoogd was, de geboortecijfers zouden dalen, gaat voor de meeste regentschappen niet op. Zoo zijn bijv. in de 6 regentschappen van het gouvernement Soerakarta niet alleen de sterfte- maar ook de geboortecijfers gestegen. Het geboortecijfer voor geheel Java en Madoera bedraagt 28,5 °/oo> het sterfte cijfer 19,2 °/oo' zoodat het geboorte-overschot 9,3 % 0 zou bedragen, tegen 11,3 %o in 1933. Er moet hier echter wederom de nadruk op gelegd worden, dat de geboorte cijfers en de zuigelingen-sterfte nog verre van nauwkeurig bekend zijn. Hieronder volgen nog enkele algemeene gegevens omtrent sterfte en geboorte op Java en Madoera. Gezien de nog niet geheel betrouwbare sterfte- en geboortecijfers is het niet juist om deze als hoofdzakelijke basis voor de beoordeeling van den gezondheids toestand der Inheemsche bevolking van Java en Madoera te bezigen. Een relatieve vergelijkende waarde hebben zij echter ongetwijfeld. Wat de seizoen verschillen betreft, kan medegedeeld worden, dat de sterfte op Java en Madoera het hoogst geweest is in het 4de kwartaal, het laagst in het 2de kwartaal, behalve in Oost-Java, waar het Iste kwartaal het laagste sterftecijfer te zien gaf. De hoogste geboortecijfers vielen, evenals in 1933, voor alle ressorten in het 2de kwartaal en de laagste in het 4de kwartaal. De ervaring heeft geleerd, dat het op en neer gaan der sterftecijfers in nauw verband staat met de wisseling van de moessons. Bij een kwartaalsgewijze vergelij king, zooals boven geschied is, dient rekening te worden gehouden met de om standigheid, dat deze moessons niet in alle deelen van Java en Madoera gelijktijdig optreden. Ook de sterftecijfers der Inheemsche bevolking in de voornaamste plaatsen DB LANDSFINANCIEN. 27 t.v. (I. S. n°. 390) voor het tijdvak 1 Juli 1934 tot 1 Juli 1937 werden gewijzigd en aangevuld. Deze maatregelen werden bekrachtigd bij de wet van 30 Nov. 1934 (I. S. n°. 676). Bij de wet van 20 Juli 1934 (N. S. n°. 421; I. S. n°. 485) werd, door een aanvulling van het tweede lid van artikel 3 der Indische Tariefwet, de mogelijkheid geopend tot vrijstelling of teruggaaf van invoerrecht voor machinerieën en grondstoffen voor nieuwe industrieele bedrijven, Bij diezelfde wet werden eenige wijzigingen in het tarief aangebracht o.m. met betrekking tot do heffing van invoerrechten op kaas (post 14), vruchtenessences (post 162), drukwerken (posten 334 en 341) en appendages voor leidingen van dampen, gassen en vloeistoffen (post 779). De vaststelling van de sterkte van bij don invoer als gedistilleerd te belasten vloeistoffen (bijzondere bepaling n°. 3 bij den tariefpost 159) vond plaats bij de R. V. in I. S. 1934 n os . 10, 376 en 610. De aanwijzing van eenige producten, welke bij den invoer onder bepaalde omstandigheden niet als gedistilleerd, doch met een waarderecht worden belast (bijzondere bepaling n°. 5 bij den tariefpost 159) geschiedde bij de R. V. in I. S. 1934 n°. 11. Bij de „Gedis tilleerd-vrijdom-verordening" (I. S. 1934 n°. 666) zijn nieuwe regelen vastgesteld voor het verleenen van vrijdom van invoerrecht en van accijns voor gedistilleerd en eenige producten, bereid met gedenatureerd gedistilleerd, zoomodo voor houtgeest (methyl-alcohol), foesololie en amyl-, bytyl- en propyl-alcoholen, een en ander voorzoover voor bepaalde daarin aangegeven doeleinden bestemd. Krachtens het eerste lid van artikel 3 der Indische Tariefwet werden eenige verdere voorwaardelijke vrijstellingen van invoerrecht verleend (I. S. 1934 nos. 368 en 546). Ten einde de tijdelijke heffing van een bijzonder uitvoerrecht op bevolkingsrubber mogelijk te maken had — onder nadere bekrachtiging door de wet; zie N. S. 1934 n°. 716 — bij Ord. van 31 Mei 1934 (I. S. n°. 341) (in werking getreden met ingang van 1 Juni 1934) de noodige aanvulling plaats van de artikelen 5 en 9 van de Indische Tariefwet. De tarieven van uitvoerrechten op boschproduetcn, vastgesteld in artikel 3 van I. S. 1910 n c . 628, werden — onder nadere bekrachtiging door de wet; zie N. S. 1934 n°. 557 — met ingang van 12 Augustus 1934 omgezet in een uniform tarief van vijf procent der waarde. (I. S. 1934 n°. 471). Bij Ord. in I. S. 1934 n°. 707 (goedgekeurd bij de wet in N. S. 1935 n°. 223) werd bepaald, dat gedurende het tijdvak 1 Januari 1935 tot en met 30 Juni 1936 geen recht zal worden geheven bij uitvoer uit Java on Madoera van aldaar geteelde tabak, niet bereid voor de Inlandsche markt. De bij G. B. 22 Sept. 1933 n°. 37 ingestelde commissie van advies voor partieele herziening van de douane-wetgeving is ontbonden (G. B. 10 Aug. 1934 n°. 30). In den loop van 1934 kwam een nieuwe regeling tot stand van de organisatie van don dienst der in- en uitvoerrechten en accijnzen (zie I. S. 1931 nos. 361 en 477). De Ord. op het statistiekrecht (I. S. 1934 n°. 517) werd met ingang van 20 October 1934 aangevuld met een vrijstelling van statistiekrecht bij invoer van niet aan invoer recht onderworpen zeeschepen en de daartoe behoorende en daarmede ingevoerd wordende machinerieën en gewone scheepsinvciitarisartikelen (I. S. 1934 n°. 585). Wegens overtreding van de bepalingen op de tolrechten werden in 1934 afgedaan 896 bekeuringen (waarvan 794 bij onderhandsche schikking), tegen 616 (538) in 1933. De regeling op hot verleenen van vrijdom van accijns voor Inlandsch gedistilleerd op Java on Madoera word herzien (I. S. 1934 n°. 665). Op den accijns op benzin* werden ook voor het jaar 1934 33£ opcenten gehandhaafd (I. S. 1933 n . 505). De met- ingang van 1 Januari 1935 in den beuzino-accijns aangebrachte wijzigingen werden hiervóór reeds bij de motorvoertuigenbelasting vermeld. De accijns op bier, welke tot 10 Januari 1934 f 3 per h.l. bedroeg (I. S. 1933 n°. 488), werd met ingang van dien datum gebracht op een bedrag van f 7,50 per h.l. (I. S. 1933 n°. 489 j°. DE SOCIALE TOESTAND. 270 van Nederlandsch-Indië zijn in 1934 ten opzichte van 1933 gestegen en wel het sterkst in Sabang van 16,7 op 32,6 %„, Toeloengagoeng van 18,7 op 28 °/oo> Pasoe roean van 29,6 op 38,1 °/ 00 , Tjilatjap van 21,9 op 28,5 %o> Probolinggo van 15,5 °/ 00 op 21,3 °/ 00 , Tegal van 18,3 op 23,9 °/ 00 en Medan mot Belawan van 25,1 op 30,4 "/00. Tegenover een stijging van hot sterftecijfer in 28 plaatsen, staat oen daling in 8 plaatsen. Het aantal opgegeven sterfgevallen in die steden, waar de doodschouw-ordon nantie toepasselijk is verklaard, zal wel niet al te veel bezijden de waarheid zijn. De promille-sterftecijfers echter zijn zeker in de meeste plaatsen niet juist, omdat het zielental van de steden niet precies bekend is. Daarom zijn zij berekend over de volkstellingscijfers van 1930, in welke cijfers op tal van plaatsen natuurlijk vrij groote veranderingen zijn opgetreden. Voor enkele plaatsen echter wordt over uitgebreider gegevens beschikt. Zoo kan de daling van de sterfte in Modjokerto van 19,3 °/oo i n 1933 tot 16,6 °/ 00 in 1934 gedeeltelijk toegeschreven worden aan de aldaar zeer flink aangepakte weg- en kampongverbetering, waardoor de gezondheidstoestand belangrijk verbeterd is. De stijging te Bandoeng (van 16,6 °/o 0 in 1933 tot 18,9 °/ 00 in 1934) kan voor bijna de helft toegeschreven worden aan de verhoogde sterfte aan post, die in 1933 1,5°/ 00 en in 1934 2,4 %<, van de Inlandsche bevolking bedroeg. De stijging te Tjilatjap (van 21,9 op 28,5 %o) moet toegeschreven worden aan de malaria-uit barsting in het 4de kwartaal. In Semarang kwamen veel besmettelijke buikziekten en influenza-gevallen voor, de laatste dikwijls gevolgd door pneumonieën. In Soerabaja steeg het aantal typhus en paratyphus-gevallen, terwijl veel jonge kinderen aan catarrhale aandoeningen stierven. De promille-cijfers voor de Chineesche bevolkingsgroep in de steden mogen hier achterwege blijven, daar de Chineesche bevolking een zeer variabele sterkte heeft. De groep „Andere Vreemde Oosterlingen" is in vele plaatsen te klein om ten aanzien daarvan een nadere beschouwing der sterftecijfers te rechtvaardigen. De gegevens omtrent sterfte en geboorte in de Buitengewesten zijn uitermate schaarsch en zelden betrouwbaar. Op Bah en Lombok bedroeg volgens opgaaf het gemiddelde sterftecijfer 13,8 °/oo> het geboortecijfer 12,6 °/oo! heide cijfers zijn waarschijnlijk te laag. Opleiding van geneeskundig en technisch personeel. Aan de drie Centrale Burgerlijke Ziekeninrichtingen, zoomede in de Gouver nements Burgerlijke Ziekeninrichtingen te Manado en Singaradja, werden leerlingen opgeleid tot mantri-verpleger(eegster) en in de drie eerstgenoemde groote zieken huizen werd tevens aan mantri-verpleegsters gelegenheid gegeven zich te bekwamen tot vroedvrouw. Opleiding voor vroedvrouw had mede plaats in de Gouvernements maternité te Medan en de particuliere inrichtingen Boedi Kemoeliaan en Palang Doewa te Batavia-Centrum; verder in de maternité van het Leger des Heils te Soerabaja, in het Gemeentelijk Ziekenhuis te Bandoeng, in de Provinciale Ziekenhuizen te Tegal en te Koedoes, in het Ziekenhuis der Vereeniging „Ziekenzorg" te Soerakarta en in de Zendingsziekenhuizen te Modjowarno, Soerakarta, Jogjakarta, Kelet, Poerwodadi, Blora, Poerworedjo, Malang, Tjideres, Keboemen, Bandoeng en Magelang. Voor de opleiding tot mantri-verpleger(eegster) was ook gelegenheid in eenige daartoe geëigende particuliere ziekeninrichtingen, waarvan verschillende worden beheerd door de Zending en de Missie. Na voltooide opleiding werd aan de leerlingen, OEZONDHEIDSZOBO. 271 nadat dezen met goed gevolg het van Gouvernementswege ingesteld examen hadden afgelegd, het Landsdiploma uitgereikt. \n do krankzinnigengestichten en in het doorgangshuis voor krankzinnigen te Grogol (Batavia) bestond gelegenheid zich to bekwamen voor het diploma niantri vcrpleger(eegster) bij het krankzinnigenwezen. De gediplomeerde analisten (bacteriologen en scheikundigen) werden opgeleid aan het Geneeskundig Laboratorium, doch wegens de noodzakelijke bezuiniging worden thans geen nieuwe leerlingen meer aangenomen. De apothekers-assistentenschool is einde Juni 1934 opgeheven (I. S. 1934 n°. 392). De vijfjarige opleiding voor tandarts aan de School tot opleiding van Indische tandartsen te Soerabaja werd in 1934 gevolgd door 68 leerlingen, terwijl bij het afgenomen eindexamen aan 6 studenten het Indisch tandartsdiploma kon worden uitgereikt. De Nederlandsch-Indische artsenschool te Soerabaja telde gedurende 1934 327 leerlingen. Aan 26 studenten werd het Indisch-arts-diploma uitgereikt. In 1934 zijn de laatste abituriënten afgeleverd van de thans opgeheven school tot opleiding van Indische artsen te Batavia. De bij G. B. 27 Oct. 1933 n°. 1 ingestelde commissie, welke tot taak had van advies te dienen nopens de vraag: I°. of het mede ter voorziening in de personeels behoefte van het Land noodzakelijk c.g. gewenscht moet worden geacht, de twee vormen van artsenopleiding in Nederlandsch-Indië, te weten die aan de Genees kundige Hoogeschool en die aan de Nederlandsch-Indische Artsenschool, te besten digen en de twee genoemde instituten als zelfstandige inrichtingen naast elkaar te doen voortbestaan; 2°. of door samenvoeging van de beide sub I°. bedoelde inrichtingen op één plaats — al dan niet gepaard gaande met wijziging in de orga nisatie van een van beide, dan wel van beide opleidingsvormen — een belangrijke besparing op de Landsuitgaven kan worden bewerkstelligd, en op welke wijze deze samenvoeging zou moeten geschieden, is ontbonden (G. B. 28 Juni 1934 n°. 21). Medisch-Hygiënische Propaganda. Het werkprogramma van de Afdeeling Medisch-Hygiënische Propaganda om vatte voor het jaar 1934 het bestudeeren en beproeven van methoden en hulp middelen, welke in Nederlandsch-Indië en in andere landen bij de Medisch-Hygië nische Propaganda reeds in gebruik zijn; het uitwerken van nieuwe methoden en hulpmiddelen; het demonstreeren van methoden en hulpmiddelen; en het vervaar digen en verstrekken van propaganda-materieel. De Afdeeling beschikt over een voorraad photo's en photo-cliché's, lantaarn platen, demonstratie-platen (waarvan vele in kleurendruk), 35 mm films en gedrukten, alle betreffende verschillende onderwerpen, ziekten, enz. Verder heeft de Afdeeling een voorraad filmprojectie-toestellen, electrische generatoren voor gebruik in de desa's, waar geen electrische stroom aanwezig is voor het vertoonen van de films. Voorts acetyleen tooverlantaarns, ander materieel, en handkarren voor het transport der projectie-toestellen en generatoren. Maatregelen werden getroffen voor een doelmatige aanwending van het in bruikleen afgestaan materiaal. Bij het uitbreiden van het werk in de kampong wordt zeer omzichtig te werk gegaan, teneinde te voorkomen, dat de bevolking in haar oude gewoonten terugvalt. Dank zij de verstrekking van geboorte- en sterftc-formulieren kon het systeem der registratie van geboorten en sterften in de desa's, dat reeds eenige jaren aan den gang was, worden voortgezet. Verzonden werden: 75 films, 92 apparaten, enz., 131 platen, 150 drukwerken en 67 diversen. DE SOCIALE TOESTAND. 272 In 1934 werden vele nieuwe demonstratie-platen (waarvan enkele gekleurd), nieuwe films, nieuwe copieën van oude films, nieuwe photo's en ander propaganda materieel vervaardigd. Gedurende het jaar werden nos. 69 t/m 100 van de „Korte Berichten" door de Afdeeling uitgegeven. In verband met de geboden versobering werden minder tentoonstellingen over hygiënische onderwerpen georganiseerd. Het nut van deze tentoonstellingen is trouwens geenszins evenredig aan de daaraan verbonden hooge kosten. Het film- en photo-atelier vervaardigde gedurende 1934: 12 film copieën, 366 photo's, 128 reproducties, 3442 afdrukken, 882 vergrootingen, 416 verkleiningen, 129 lantaarnplaten en 25399 meters positieve film. Wetenschappelijke onderzoekingen. Landskoepokinrichting en Instituut Pasteur. De bereiding van droge vaccine levert technisch geenerlei moeilijkheden meer op; het gebruik er van neemt gelei delijk toe, zoodat thans 37 vaccine-districten, behoorende tot de verst verwijderde c.g. moeilijk bereisbare gebiedsdeelen, er van worden voorzien. In de antirabische afdeeling werd het experimenteel onderzoek in zake do antigene werkzaamheid van het virus fixe in verschillende modificaties voortgezet; het aantal antirabisch behandelde gebetenen is nog te gering om een definitief oordeel te mogen uitspreken over de beste bereidingswijze van het virus fixe, al zijn de voor loopige uitkomsten met het formol-vaccin ook bevredigend. Een gedeeltelijk over zicht van dit zeer omvangrijk en baanbrekend onderzoek is reeds neergelegd in het werk van Maria J. van Stockum, getiteld: „New principles of anti-rabic treatment and rabies statistics". Verder heeft de experimenteele vaccinatie met levende pestbacillen tot zoodanige gunstige resultaten geleid, dat zij tot hoopvolle verwachtingen stemde met betrekking tot de mogelijkheid van toepassing op den mensch. Nadat een aantal inentingen met het levend vaccin in stijgende doses bij vrijwilligers de onschadelijkheid er van had aangetoond, is een proefneming volgens de alterneerende methode (de eenige weg om tot een volkomen vergelijkbaar onderzoekmateriaal te kunnen komen) ingezet in de beide onderdistricten Bandjaran en Batoedjadjar. Dank zij de intensieve hulp en voortvarendheid van het Inlandsch Bestuur is deze vaccinatie, ± 37 000 personen omvattend, vlot verloopen; de voorloopige resultaten zijn zeer bevredigend. In 1934 werden in het Geneeskundig Laboratorium te Batavia op de bacterio logische en serologische afdeelingen resp. 10 579 (in 1933 9433) en 13 539 (in 1933 12 213) routine-onderzoekingen verricht. Door opheffing van het Proefstation voor de waterzuivering Manggarai werden daarenboven de routine-onderzoekingen van dat proefstation voortaan in dit laboratorium verricht. Uitbreiding van het serologisch bloedonderzoek leidde tot het vaststellen van het regelmatig voorkomen ook in Batavia van tropical typhus, een aan vlektyphus verwandte ziektegroep; een als meer betrouwbaar bekend geworden serologische typhus-reactie stelde ten aanzien van die grootere specificiteit grootendeels teleur. Uitvoeriger onderzoek van verschillende paratypheuze ziekten en paratypheuze voedselvergiftigingen bracht onverwacht veelvuldig voorkomen daarvan in Batavia aan het licht. Dit onderzoek leidde tot enkele nieuwe vondsten; het werd in de Mededeelingen van den Dienst der Volksgezondheid (1935, afl. 3) gepubliceerd. Een in de West-Europeesche steden gedurende de laatste jaren veelvuldig waargenomen vorm van baeillaire dysenterie („Sonne") bleek in Batavia gematigd endemisch te heersenen. De morbiditeit van typhus, paratyphus A en baeillaire dysenterie bleek in Batavia, GEZONDHEIDSZORG. 273 te oordcelen naar de ingekomen onderzoekingen, toe te nemen tot bijna het dubbele gedurende de loop van het jaar en plotseling af te nemen in het eerste jaarkwartaal; deze seizoen-invloed was elk der 4 laatste jaren dezelfde. Diphtherie in Batavia bleek praktisch uitsluitend te worden veroorzaakt door een type diphtherie-baeterie, dat in West-Europa als „gematigd" bekend staat en sinds eenige jaren wordt onderscheiden van het „ernstige" type; het algemeen zeer mild verloop van de diphtherie in Batavia valt daarmede goed te rijmen. De pogingen tot bereiding van een werkzaam vaccin tegen de ziekte van Weil leidden nog niet tot bevredigende resultaten. Een uitgebreid onderzoek van de endemiologie der ratten-lepra in Batavia werd aangevangen met de bedoeling na te gaan, in hoever deze dier-lepra vergelijk baar is met lepra bij den mensch en of kennis omtrent ratten-lepra kan bijdragen tot de kennis der menschen-lepra. Dit onderzoek bracht onder meer het belang rijke feit aan den dag, dat een van ratten-lepra niet te onderscheiden rattenziekte teweeggebracht kan worden door inwrijven van het dier met modder uit kampongs, waar ratten-lepra veel voorkomt en dat het ontstaan dezer infectie vermoedelijk mede samenhangt met deficiëntie in de voeding der dieren. Onderzoek ter plaatse van lijders aan de z.g. bongkrek-vergiftiging bracht het reeds in het laboratorium vermoede feit aan het licht, dat een deel der ziektever schijnselen berust op een door het vergif veroorzaakte sterke en aanhoudende daling van het bloedsuikergehalte. Door toediening van suiker kon echter het leven wel worden verlengd, doch de dood in ernstige gevallen niet worden voorkomen. Het aantal „onderzoekingen ten bate van derden" verricht door de Chemische afdeeling bedroeg 152 (in 1933 441), waaronder zoowel die van voedingsmiddelen en verbruiksartikelen, als van klinisch-chemischen en toxicologischen aard. Boven dien werden adviezen uitgebracht over voeding van gevangenen, alsmede over voedingskwesties in Zuidoost-Celebes. De financieele resultaten van het vitamine-bedrij f (ter bereiding van anti-beri beri praeparaten) waren gunstiger dan die der voorafgegane jaren, ondanks het ont breken van leveringen aan de hadji-transporten. Een aantal B r vitamine-praeparaten uit den handel werd op het gehalte aan Bj-vitamine onderzocht. De proeven over het vitamine-gehalte van rijstsoorten van verschillenden slijp graad en op verschillende manieren toebereid, werden voortgezet; nagegaan werd welke de meest doelmatige bereidingswijze in dit opzicht is. Ten behoeve van den Militair Geneeskundigen Dienst werd een onderzoek ingesteld naar het Bj-gehalte van de aan de militairen verstrekte rantsoenen; hiervoor was het noodig om ook andere rantsoensamenstellingen uit binnen- en buitenland in oogenschouw te nemen. Ook over de algemeene samenstelling der militaire rantsoenen werd advies uitge bracht. In verband met deze onderzoekingen bleek het van belang van tal van voor name voedingsmiddelen nogmaals het vitamine Bj-gehalte te bepalen, en dit uit te drukken in Internationale Eenheden. Het onderzoek naar den aard der bongkrek-vergiftigingen werd zoowel te velde als in het laboratorium en zoowel in bacteriologisch als chemisch opzicht voort gezet. Het gelukte van de bacterie tal van variaties te verkrijgen en beide vergiften in zuivere (of bijna zuivere) vorm te isoleeren. Ook kon vastgesteld worden, welke der twee vergiften in hoofdzaak het typische vergiftigingsbeeld veroorzaakt, welke laatste voornamelijk uit de gevolgen eener heftige en langdurige hypoglycaemie bestaat. Een diepgaande studie werd gemaakt van visch, zoowel in verschen (en toe bereiden) toestand als gedroogd. Nagegaan werd de invloed van het claytonneeren (voor het ontratten van schepen) op het Bj-vitamine-gehalte van rijst; zoowel vochtige als vèr-geslepen rijst verliest veel van dit vitamine door deze bewerking. IS DE SOCIALE TOESTAND. 274 Tenslotte werden nog verschillende voedingsmiddelen onderzocht op hun voe dingswaarde, o.a. enkele sago-soorten van Celebes, tandjang-peulen, gaber, e.a. Het gelukte de chemische structuur op te helderen van het djengkol-zuur, het giftige bestanddeel van de djengkol-boon. De micro-analytische afdeeling was in 1934 buitengewoon actief; niet minder dan 320 (in 1933 230) micro-analyses werden verricht. Begonnen werd voorts met een studie van moedermelk in verband met het gehalte aan de vitaminen A en C. Door de hulp van het nieuwe Instituut voor Volksvoeding konden bij de Che mische Afdeeling enkele krachten aangesteld worden, waardoor het beter dan voor heen mogelijk werd om de opgedragen taak te volbrengen. In 1934 werden in het Gewestelijk Laboratorium voor Midden-Java te Semarang 25 255 (in 1933 25 944) onderzoekingen verricht. Evenals in 1933, is in 1934 een groot aantal (2254) onderzoekingen op diphtherie bacillen geschied, ditmaal hoofdzakelijk als gevolg van een diphtherie-epidemie in de afdeeling Bojolali. Het is wel opmerkelijk, dat er twee perioden in het jaar zijn, waarin een groot aantal diphtherie-onderzoekingen verricht werd, nl. in de eerste helft van het jaar in de maanden April/Mei en in de tweede helft van het jaar in de maanden Augustus t/m October. Deze beide toppen waren ook in 1933 zeer duidelijk waar te nemen. Van de onderzoekingen op tuberculose-bacillen waren van de microscopische 20 (7,6 %) en van de dierproeven 10 (16,4 %) positief; van die op lepra-bacillen (11) was geen enkele positief. Het materiaal voor malaria-onderzoek (839) was veel kleiner dan in 1933 (1573), daar in 1934 in Semarang en omgeving geen malaria-explosies zijn voorgekomen. Het aantal onderzoekingen op Weil Felix met het oog op het voorkomen van tropische typhus exanthematicus is ook dit jaar wederom gestegen (van 226 in 1933 tot 331 in 1934). Van de water-onderzoekingen (319) waren 214 voldoende, van de aerblanda onderzoekingen (72) waren 42 en van die van limonade (74) waren 62 voldoende. Uitgaande van het Afdeelingslaboratorium van den Dienst der Volksgezondheid te Soerabaja werden in 1934 9 dienstreizen ondernomen, alle ten behoeve van waterleidingsonderzoek. Op de bacteriologische en parasitologische afdeeling werden o.a. 1743 (in 1933 1359) reacties van Widal verricht, waarvan 626 positief op typhus, 56 op paratyphus A en 10 op paratyphus B; 946 onderzoekingen van f acces op bacillaire dysenterie, waarvan 196 positief; 1562 monsters van ontlasting werden onderzocht op proto zoën, wormeieren, enz.; 354 (in 1933 337) op tuberculose, waarvan 53 (in 1933 49) positief; 1257 (in 1933 1066) op gonoeoccen, waarvan 360 (in 1933 232) positief; 1721 (in 1933 3903) op diphtherie, waarvan 437 (in 1933 454) positief; 62 (in 1933 11) op lepra, waarvan 8 (in 1933 5) positief. Het aantal malaria-praeparaten voor klinisch-diagnostisch onderzoek bedroeg 371 (in 1933 1291), waarvan 32 (in 1933 104) positief. Voor het bloedonderzoek op sepsis buiten Soerabaja wordt een speciale werkwijze gevolgd, vergezeld van een gebruiksaanwijzing voor de artsen. In het geheel werd 69 auto-vaccins bereid tegen verschillende aandoeningen. Verder werden o.a. nog verricht 74 Aschheim-Zondek-reacties, waarvan 39 positief, en 44 reacties van Paul-Bunnell bij verschillende vormen van angina gepaard met klierzwellingen. Over de resultaten van het nog niet beëindigde onder zoek zal later bericht worden. In de serologische afdeeling werden 23 035 (in 1933 19 809) onderzoekingen verricht, waarvan 2524 monsters door particuliere geneesheeren werden ingezonden; de rest was afkomstig van de ziekeninrichtingen en poliklinieken van het Gouver- GEZONDHEIDSZORG. 275 nement en de Zending. Het materiaal bestond voor 97,3 % uit sera. Hoofdzakelijk werden onderzoekingen volgens Wassermann en volgens Sachs-Georgi verricht. Van de 22 212 vergelijkbare reacties bestond in 96,5 % overeenstemming tusschen de beide reacties. In 1934 werden van 196 (in 1933 171) lijken praeparaten ter onderzoek op pest ontvangen, afkomstig uit het Tongger-gebergte. Twee praeparaten waren positief; zij stamden uit het onderdistrict Poespo. In totaal werden 188 ratten en 3 tjiloeroets op pest en op de aanwezigheid van vlooien onderzocht; 180 waren afkomstig uit de havenpakhuizen, 2 van een sleepboot, 6 van prauwen en 3 uit woonhuizen te Soerabaja. In de chemische afdeeling werden in 1934 105 (in 1933 227) monsters bacterio logisch onderzocht (65 acr-blanda-, 39 limonade- en 1 stroopmonster). Van het zwembad van de marine-kazerne Oedjoeng werden 16 monsters onder zocht, terwijl 174 drinkwatermonsters en 39 andere watermonsters onderzocht werden. Tenslotte werden o.a. nog 137 physiologisch-chemische onderzoekingen verricht van bloedsuiker-, glucose-, vet-, ureurn-gehalte, enz. Nagegaan werd hoe de resultaten waren van een conserveering der slijmvlokjos in physiologisch NaCl, waaraan 30 % glycerine werd toegevoegd. Deze methode bleek inderdaad een belangrijk hulpmiddel te zijn. Tenslotte zij nog vermeld, dat de typhus in 1934 in Soerabaja een sterke toename vertoond heeft tegenover vorige jaren, met de hoogste cijfers van Mei t/m September. Het aantal der in 1934 door het Gewestelijk Laboratorium te Makassar verrichte scheikundige, bacteriologische, parasitologische, serologische en drinkwater-, zwem water-, limonade- en rattenonderzoekingen bedroeg 10 757 (in 1933 7385), waarvan o.a. 136 onderzoekingen op tuberculose, 360 op lepra, 2705 op malaria, 244 op filaria en 357 op ratten. In het geheel werden 8 dienstreizen ondernomen. Het nieuwe tarief voor werkzaamheden, verricht ten behoeve van derden door het Geneeskundig Laboratorium te Batavia-Centrum, de Afdeehngslaboratoria te Semarang, Soerabaja en Makassar en het Laboratorium bij de Landskoepokinrichting en het Instituut-Pasteur te Bandoeng is opgenomen in Bb. n°. 13269. Op 24 November 1934 werd het Proefstation voor waterzuivering Manggarai samengevoegd met het laboratorium voor technische hygiëne en assaineering der Technische Hoogeschool te Bandoeng. Onderzoekingen ten behoeve van centrale drinkwaterleidingen werden verricht voor Bagansiapiapi, Balikpapan, Bandoeng, Bengkalis, Den Pasar-Tabanan, Djambi, Fort van der Capellen, Gianjar, Indramajoe, Karangasem, Kendal, Kloengkoeng, Laboehan bilik, Langsa, Lembang, leprozerie Malalajang (Manado), Muntok, Padang, Pajakoemboeh, Palembang, Pangkalanbrandan, Pangkalpinang, Poerwakarta, qua rantaine-station Poeloe Roebiah, Samarinda, sanatorium Noöngan (Manado), Sigli, Singaradja-Boeleleng, Solok, Takengon, Tandjoengkarang-Telokbetong, Tandjocng pinang, Tasikmalaja, Tjepoe en Zuid-Soerabaja. Adviezen omtrent drinkwatervoorzieningsvraagstukken werden uitgebracht aan 20 plaatsen, 2 ziekeninrichtingen, 3 strafgevangenissen, 6 zwembaden, 6 onder nemingen en aan 15 particuliere maatschappijen. De waterleidingen van Batavia, Tandjoengpriok, Buitenzorg, Soekaboemi, Tjimahi, Tjiandjoer, Tasikmalaja, Garoet, Tangerang, Rangkasbitoeng, Tandjoeng karang en Telokbetong werden, evenals in vorige jaren, ook in 1934 aan periodieke onderzoekingen onderworpen. In 1934 werden ten behoeve van den aanleg en de controle van drinkwater leidingen en zwembaden 523 monsters en ten behoeve van zeeschepen 136 monsters water bacteriologisch onderzocht. DE SOCIALE TOESTAND. 276 De taak van het proefstation omvat ook het onderzoek van ijs en koolzuur houdende dranken. Over dit onderwerp verscheen een publicatie van J. K. Baars: Het gebruik van salicyl-zuur en benzoë-zuur bij de bereiding van limonades en siropen in Nederlandsch-Indië. Voor het onderzoek van de producten van ijs-, limonade-, aor blanda- en stroop fabrieken werden 1028 monsters en voor speciale onderzoekingen 1908 monsters bacteriologisch verwerkt. Chemisch werden onderzocht: 305 monsters water, 10 zandmonsters, 1 koolsoort, 3 monsters aluin, 2 monsters marmer, 5 monsters waterleidingbuizen, 71 monsters ketelsteen en 10 monsters caporiet. Tenslotte werden nog onderzocht 72 monsters van limonade-fabrieken, 47 monsters ten behoeve van zwembaden, terwijl voor speciale onderzoekingen 722 analyses (samengevat in series van minstens 5 bepalingen) werden verricht, in totaal 4745 onderzoekingen. Op het gebied van drink- en zwemwaterzuivering werden de volgende, ten deele reeds gepubliceerde speciale onderzoekingen verricht: waterzuiveringstech nologie in Nederlandsch-Indië (door C. P. Mom); de beoordeeling van een drink watervoorziening op grond van het bacteriologisch onderzoek (door N. D. R. Schaafs ma); drinkwater-desinfectie (door J. K. Baars); een modern Indisch zwembad (door J. K. Baars); biologische zandfilters met visschen (door J. K. Baars); over de coagulatie van organische stoffen in water door middel van kalk en door middel van electrische stroom; over de binding van chloor aan phenolen en de daarbij optredende reuk- en smaakverschijnselen; over den invloed van actieve kool op de dissimulatie van organische stof in water. Omtrent het probleem van den faecaal-afvoer publiceerde N. D. R. Schaafsma het resultaat van zijn onderzoekingen over septic-tanks en zinkputten voor den faecaal-afvoer in de tropen. Dienstreizen zijn gemaakt naar: Bagansiapiapi, Balikpapan, Bandoeng, Beng kalis, Benkoelen, Brebes, Buitenzorg, Cheribon, Den Pasar, Djambi, Jogjakarta, Fort van der Capellen, Fort de Koek, Garoet, Gianjar, Indramajoe, Karangasem, Kisaran, Kloengkoeng, Kotaboemi, Koetaradja, Kratjak, Laboehanbilik, Lahat, Langsa, Lembang, Madjalengka, Magelang, Malang, Medan, Muntok, Noesa Kam bangan, Padang, Pajakoemboeh, Palembang, Pangkalanbrandan, Pangkalpinang, Pasir Boengoer, Pasoeroean, Pekalongan, Pemalang, Pengalengan, Poerwakarta, Rangkasbitoeng, Sabang, Samarinda, Sawahloento, Semarang, Sigli, Singapore, Singaradja, Soebang, Soekaboemi, Soekanegara, Soerabaja, Soerakarta, Takengon, Tandjoengkarang, Tandjoengpinang, Tandjoengpoerba, Tangerang, Tasikmalaja, Tegal, Tjibadak, Tjimahi en Tjisaroea. Voorkoming en bestrijding van besmettelijke ziekten en volksziekten. Ver hooging van het peil der volksgezondheid. De voorkoming en beteugeling van besmettelijke ziekten in Nederlandsch-Indië is geregeld in de epidemie-ordonnantie (I. S. 1911 n°. 299, zooals sedert gewijzigd en aangevuld), welke van toepassing is op de volgende ziekten: pest, cholera, pokken (variola en variolois), diphtherie, buiktyphus (typhus abdominalis) en para-typhus A, baeillaire dysenterie en meningitis cerehro-spinalis epidemica. De pestziekte in Nederlandsch-Indië bleef in 1934, evenals tijdens het vooraf gegane jaar, beperkt tot Java, waar de ziekte hevig heerschte. Was 1933 reeds een topjaar, het aantal in 1934 vastgestelde pestgevallen was wederom aanzienlijk grooter; het bedroeg 23 267 ziektegevallen, waarvan 23 239 sterfgevallen (in 1933 resp. 16 969 en 16 881). De stijging van het cijfer in 1934 berust niet op uitbreiding van het pestgebied, waarvan de grenzen sinds 1933 nagenoeg onveranderd bleven, GEZONDHEIDSZORG. 277 maar moet aan de wederom toegenomen intensiteit van de epidemie worden toe geschreven. Bijzondere oorzaken zijn hiervoor niet aan te wijzen; wèl kan aangenomen worden, dat zij de uiting is van het doorzickingsproees in do residentie Priangan (de voornaamste ziektehaard), dat nu reeds ongeveer twee jaar aanhoudt en welhaast zijn hoogtegrens moet bereiken, zoodat een geleidelijke teruggang van de epidemie in deze thans hevig geteisterde streken wel spoedig verwacht mag worden. De verspreiding van de pestgevallen in 1934 was als volgt: 20 569 in West-Java, 2668 in Midden-Java en 2 in Oost-Java. In Midden-Java komt de ziekte nog voor in het gouvernement Jogjakarta en in de residenties Kedoe en Pekalongan. In beide eerstgenoemde streken neemt zij geleidelijk af (in Jogjakarta 177 in 1934 tegen 258 in 1933; in Kedoe 171 in 1934 tegen 267 in 1933). In de residentie Pekalongan bevindt zich het pestgebied in do regentschappen Tegal en Brebes, voornamelijk in de noordelijke helft van de gordel zóne om den Goenoeng Slamet. Bij 1933 vergeleken, was er in 1934 een belangrijke toonamo (1831 gevallen in 1934, tegen 1057 in 1933). Het voornaamste pestgebied der laatste jaren blijft de provincie West-Java, inzonderheid de residentie Priangan. Buiten Priangan komt in West-Java nog pest voor in de residenties Cheribon (de Tjeremai-zöne, in het regentschap Madjalengka) on Buitenzorg (regentschap Tjiandjoer); in deze beide residenties neemt de ziekte echter af (Cheribon 28 gevallen in 1934 tegen 40 in 1933; Buitenzorg 13 gevallen in 1934 tegen 35 in 1933). Van de residentie Priangan is het regentschap Bandoeng bijkans geheel besmet, het regentschap Garoet voor het grootste deel, van de regent schappen Tasikmalaja en Tjiamis de noordwestelijke helft, van het regentschap Soemedang ongeveer een derde deel. De grootste intensiteit bereikte de epidemie in het gebied van de hoogvlakte van Lèlès-Garoet met de omringende berghellingen. Maar ook op de hoogvlakte van Bandoeng woedde de ziekte hevig. De inlichtingsdienst moest in 1934 geleidelijk worden uitgebreid, niet zoozeer in omvang als wel in sterkte, wegens de noodzakelijkheid om de bezetting van het pestgebied op te voeren. De moeilijkheden met de bevolking in verband met de toepassing der puncties, waarvan in het vorig Verslag gewag is gemaakt, verdwenen geheel. Slechts hier en daar blijkt nog van tegenzin in den vorm van clandestiene begravingen. Punctie wei gering doet zich thans weinig voor. In verband hiermede mogen de officiëele pestcijfers van 1934 vollediger en meer betrouwbaar worden geacht dan die van 1933. Longpestgevallen deden zich te midden der dichte builen post epidemie vooral in Priangan in talrijken vorm voor (in 1934 3454 longpestgevallen, waarvan 3352 in Priangan) en wel ten bedrage van 16,3 %. Hier en daar ontstonden in bepaalde desa's lokale explosies, welke door de toegepaste afzonderingsmaatregelen worden gedoofd. Over het algemeen behield do longpest echter het karakter van oen inciden teele variatie op de pestepidemie. Tot een longpest-epidemie van eigen karakter kwam het nergens. De bestrijding van de pestziekte door middel van woningverbetering ging ook in 1934 regelmatig voort. In 1934 werden 23 990 gebouwen (woningen en anderszins) verbeterd, tegen 28 438 in 1933. Do lichte daling van het totaal houdt verband met lokale bijzonderheden; de capaciteit van den dienst is niet gewijzigd. De woningverbetering vond toepassing in de residenties Jogjakarta (3371 huizen) en in Kedoe (2369), waar /.ij welhaast is geëindigd; verder in de residenties Pekalongan en Priangan, waar zij geregeld voortschrijdt (resp. 8810 en 9440 verbeterde woningen in 1934). In de residentie Priangan ondervond men in den aanvang des jaars van bevol kings/.ijde vrij veel economische bezwaren tegen de woningverbetering. Het gelukte hieraan tegemoet te komen. DE SOCIALE TOESTAND. 278 De bewaking van de woningtoestanden in do oude, reeds verbeterde en bevrijde; pestgebieden van Oost- en Midden-Java in den vorm van toezicht op alles, wat nieuw gebouwd wordt, bleef onveranderd gehandhaafd. Dit bouwtoezicht wordt uitgeoefend in de residenties Malang, Kediri, Madioen, Semarang, Kedoe, Pekalongan, Banjoemas, Cheribon en Priangan, benevens in de gouvernementen Soerakarta en Jogjakarta. Nieuwe eischen, te stellen bij de verbetering van pestgevaarlijke gebouwen, de oprichting van nieuwe en de uitbreiding, verandering of verplaatsing van be staande gebouwen, zijn opgenomen in Bb. n°. 13180. De voorschriften nopens door den havenarts te Tandjoengpriok af te geven ver klaringen strekkende tot vrijstelling van ontratting, zijn opgenomen in Bb. n°. 13129. Voor de tarieven voor het onderzoek van vaartuigen op de aanwezigheid van ratten ter verkrijging van een verklaring tot vrijstelling van ontratting zie men Bb. n°. 13130. Het faciliteiten besluit 1934 voor de behandeling van uit pestbesnictte havens komende onbesmette (pestvrije) schepen is opgenomen in Bb. n°. 13298. Als een belangrijk nieuw gezichtspunt voor de bestrijding van de epidemie kwam tegen het einde van 1934 de peetvaccinatie aan de orde. Nadat de directeur van het Instituut-Pasteur te Bandoeng op grond van zeer talrijke en overtuigende proeven een zekere stam van avirulent geworden pestbacillen, afkomstig van een in Priangan bemachtigde pestrat (z.g. Tjiwideh-stam), geschikt had verklaard voor de aanwending als massa-vaccin, is door het Hoofd van den Dienst der Volks gezondheid besloten, dat in 1935 een begin zal worden gemaakt met de stelselmatige massa-vaccinatie van de geheele bevolking der peststreken. De beide laatste maanden van 1934 werden benut voor een voorbereidende proefneming, bestaande uit de alterneerende toepassing van deze vaccinatie in de onderdistricten Bandjaran en Batoedjadjar (regentschap Bandoeng). Deze proef vaccinatie werd vóór het einde des jaars voltooid, terwijl de resultaten, welke zeer bevredigend waren, tot Mei 1935 geobserveerd worden. Op een immuniteits-cffect van ± 90 % der ingeente bevolking schijnt wel gerekend te mogen worden. Dit is een veel betere uitslag dan de soortgelijke proefneming, welke in 1920—1921 op .Java met de toenmaals in zwang zijnde vaccins werd verkregen; het immuniteits effect bedroeg toen niet meer dan 50 %. Het aantal gerapporteerde pokkengevaMen op Java en Madoera bedroeg in 1934 4 (in 1933 7) en wel één geimporteerd geval in Midden-Java (Pekalongan) en 3 gevallen in Soerakarta. In de Buitengewesten werden 5 gevallen gerapporteerd (in 1933 60), waarvan 4 in de residentie Palembang. Ook in de residentie Tapanoeli zijn enkele gevallen voorgekomen. Door een intensieve inenting van de bevolking in de bedreigde streken kon een uitbreiding der ziekte verhinderd worden. Het aantal gerapporteerde gevallen van typhus abdominalis bedroeg voor .lava en Madoera 2688 met 416 sterfgevallen, tegen 2387 en 332 in 1933. Ruim één derde dezer gevallen kwam voor rekening van de hoofdsteden Batavia (377), Semarang (177) en Soerabaja (397). De cijfers voor de Buitengewesten zijn 242 (in 1933 255); de meeste gevallen werden gemeld van de Oostkust van Sumatra (111) en van Celebes en Onderhoorig heden (38). Paratyphus A. Op Java en Madoera kwamen 260 gevallen (waarvan 3 met doodelijken afloop) en in de Buitengewesten 15 gevallen voor. Diphtherie. Het aantal op Java en Madoera voorgekomen gevallen, voorzoover gerapporteerd, bedroeg 839, waarvan 83 sterfgevallen, tegen 603 en 47 in 1933. GEZONDHEIDSZORG. 279 De ziekte kwam van Januari tot en met Mei 1934 in den vorm van een epidemie voor te Bojolali (200 zieken, waarvan 18 overleden). Van de Buitengewesten werden 42 (in 1933 80) gevallen gemeld. Baeillaire dysenterie-gevailen kwamen ten getale van 742 (in 1933 526) met 118 (in 1933 61) sterfgevallen op Java en Madoera voor, waarvan bijna de helft in West- Java; zoo bijv. te Batavia (mcl. Tandjoengpriok) 195 (in 1933 161) gevallen. In de Buitengewesten werden 818 gevallen bekend gemaakt (in 1933 921), waarvan in Manado 123, Celebes en Onderhoorigheden 464 en de Oostkust van Sumatra 169, terwijl op Timor ook een vrij uitgebreide epidemie geheerscht heeft. Meningitis cerebro-spinalis epidemica. Van deze ziekte werden voor Java en Madoera 7 gevallen gemeld met 5 sterfgevallen (in 1933 15 gevallen, waarvan 9 met doodelijken afloop); voor de Buitengewesten waren de cijfers 1 geval (in 1933 2 gevallen). De cijfers van de zooeven besproken besmettelijke ziekten moeten als minima beschouwd worden. Het komt namelijk niet zelden voor, dat het uitbreken van een grootere of kleinere epidemie door de bevolking niet onmiddellijk aan het Binnen landsch Bestuur of aan den arts gemeld wordt, waardoor deze laatste dikwijls niet tijdig in staat is om den aard der ziekte vast te stellen of om het juiste aantal lijders op te geven. Dit geldt uiteraard het meest voor afgelegen streken in de Buiten gewesten met een min of meer primitieve bevolking. Is eenmaal een epidemie uitgebroken — of zelfs al bij het voorkomen van slechts enkele gevallen —, dan wordt getracht door isolatie van de lijders en/of vaccinatie op groote schaal een uitbreiding van de ziekte te stuiten. De voorkoming van de overbrenging van besmettelijke ziekten over zee is geregeld in de quarantaine-ordonnantie (I. S. 1911 n°. 277, zooals sedert gewijzigd en aan gevuld), welker bepalingen gelden voor pest, cholera en gele koorts. De kennisgeving van besmettelijke ziekten in havens buiten Nederlandsch-Indië geschiedt, voor wat betreft de havens in de z.g. „Eastern area", welke Zuid- en Oost-Afrika, Egypte, Azië, Australië en Oceanië omvat, door bemiddeling van het „Eastern Bureau" van de Hygiëne-Organisatie van den Volkenbond te Singapore, aan de instand houding van welk bureau Nederlandsch-Indië jaarlijks bijdraagt en in den Raad van Advies waarvan het vertegenwoordigd is. In den loop van 1934 werden door de Nederlandsch-Indische Regeering, ten gevolge van door tusschenkomst van het „Eastern Bureau" ontvangen radiografische berichten, de volgende havens buiten Nederlandsch-Indië wegens pest besmet verklaard: Bagdad, Bassein, Saigon en Tanger. Van Bagdad kon de besmetverklaring in den loop van het jaar weder opgeheven worden; die van Bombay (sinds 1914), Colombo (1928), Pnom-Penh (1933) en Rangoon (1914) moest gehandhaafd blijven. Wegens cholera werden in 1934 besmet verklaard de havenplaatsen Bassein, Bombay, Chittagong, Madras en Vizagapatam; de besmetverklaringen van Bombay en Vizagapatam konden in den loop van het jaar weder opgeheven worden, evenals die van Cebu (1933). Calcutta is sinds 1916 onafgebroken besmet verklaard geweest. Géén Nederlandsch-Indische havenplaatsen werden in 1934 wegens cholera, pest of gele koorts besmet verklaard. Wel kwamen te Batavia 6 doodelijke gevallen van pest voor, maar waar het hier geïmporteerde gevallen en contactpersonen betrof, bestond geen aanleiding tot besmetverklaring. Wel werd de havenplaats- Batavia (Tandjoengpriok) door de Federated Malay States en door de Straits Settlements wegens het voorkomen van die in October geïmporteerde gevallen besmet verklaard; deze besmetverklaring duurde echter slechts 8 dagen, aangezien bleek, dat dank zij de genomen voorzorgsmaatregelen geen verdere gevallen voorkwamen. Wat de bestrijding van volksziekten betreft, kan het volgende medegedeeld worden. DB lINANOTEELE TOESTAND. 28 1934 n°. 3). Op 1 Januari 1934 trad in werking de . suikeraccijna-Ordoimmntie 1933 (I. S. 1933 n°. 351). Het bedrag van den accijns werd bepaald op f 2 per 100 k.g. I "it voeringsvoorschriften terzake zijn vervat in I. S. 1933 n°. 440. De ontvangsten aan accijnzen hebben over 1933 en 1934 beloopen: 1934 1933 Accijns op Inlandsch gedistilleerd ... f 569680 f 462 150 Accijns op bier 344 039 97 925 Tabaksaccijns 8 707 144 10 566 275 Accijns oj) petroleum 11233 011 10 377 790 Accijns op benzine 16 956 208 16 626 143 Accijns op lucifers 2521982 3 141218 Suiker-accijns 6 500 979 — f 46 833 013 f 41271801 Wegens overtreding van de gedistilleerd-acch'nsbepalingen werden in 1934 afgedaan 417 bekeuringen, togen 530 in 1933; wegens overtreding van de tabaks accijnsbepalingen werden in 1934 afgedaan 1883 bekeuringen, waarvan 582 bij onder handsche schikking, tegen 1513 (1443) in 1033, terwijl wegens overtredingen der suikeraccijnsbepalingen werden afgedaan 12 bekeuringen, alle bij onderhandsche schikking. Pachten. Wegens hot verstrijken van de termijnen van de loopende contracten vond verpachting van het recht tot het houden van de particuliere pandhuizen in 1934 plaats in de residentiën Westerafdeeling van Borneo, Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo, Molukken en Timor en Onderhoorigheden. In die gewesten is de pandhuis dienst nog slechts gedeeltelijk ingevoerd. Evenals in 1933 werden do rechten, in verband met de onzekere tijdsomstandigheden, slechts voor den tijd van één jaar in pacht afgestaan. Met uitzondering van do hoofdplaats Koepang (residentie Timor en Onderhoorigheden), waar f 5 280 werd bedongen tegen f 660 in 1933, bleven do biedingen gelijk aan dan wel beneden die van het voorafgegane tijdvak. Licontiën tot hot houden van een pandhuis of bank van leening werden niet meer uitgereikt. Zooals reeds in het vorig Verslag is medegedeeld, word Int recht tot don verkoop en het houden van gedistilleerd (arak) in de residentie Riouw en Onderhoorigheden, uitgezonderd den Poelautoedjoch-archipel en het op den vasten wal van Sumatra gelegen gedeelte van het gewest, na oen herverpachting bij inschrijving afgestaan voor f 26 400. Het gedistilleerd in den l'oclautoedjoeh-archipel werd voor den tijd van één jaar verpacht voor f 960 (vorig tijdvak f 3 300). De wijziging van het pacht -reglement, waarbij een snellere berechting van overtredingen is ingevoerd (f. S. 1935 n°. 73) en waardoor de pachters meer bescherming zullen genieten dan tot dusver, heeft de sedert uitgebrachte biedingen reeds gunstig bcinvloed (f 2 400 en f 43 200 voor het recht tot don verkoop van gedistilleerd in onderscheidenlijk den Poelautoedjoeh-archipel en het overige Riouw on onderhoorigheden; zie boven). Het recht tot alleen verkoop van laroe ter hoofdplaats Koepang (residentie Timor en Onderhoorigheden) werd verpacht voor den tijd van één jaar tegen f 3 660 (vorig tijdvak f 3 540). De opbrengst van de verpachtingen in de Buitengewesten bedroeg in totaal f 65054, tegen f 58449 in 1933. De licentiën voor het houden van Chineesche dobbelspelen brachten f 123 972, of f 4 600 meer op dan in 1933 (f 119 338). 4. Belastingen in arbeid. Bij Ord. van 3 Dec. 1934 (I. S. n . 661) zijn do heerendiensten in do provinciën West-, Midden- on Oost-Java opgeheven. DE SOCIALE TOESTAND. 280 Malaria. Onder auspiciën van de hygiënische sectie van den Volkenbond werd in 1934 te Singapore de eerste Internationale Cursus in de malaria-leer gehouden, welke uit een theoretisch en een practisch gedeelte bestond. De theoretische lessen, omvattend haematologie, protozoölogie, entomologie, kliniek, prophylaxis, zwart waterkoorts-actiologie en -epidemiologie, vingen einde April aan en namen 30 dagen in beslag. Het practische gedeelte, z.g. fieldwork, dat 3 weken duurde, had plaats voor een dool van de cursisten op het Maleischo schiereiland en voor een ander deel op Java. De cursisten, die Java bezochten, werden in de gelegenheid gesteld kennis te maken met de practische uitvoering van de verschillende methoden van malaria bestrijding aan de kust en in het binnenland. In aansluiting aan de assaineering van het Tjipadani-gebied (zie Indisch Verslag 1934, blz. 294), werd in 1934 een aanvang gemaakt met de gezondmaking van de Tjiandjoer-vlakte. De cijfers, aangevende de milt-indices van do bevolking rondom Tjiandjoer, wijzen op het bestaan van een ernstigen chronisch-endemischen toestand, welke de uitvoering van een assaineeringsplan onafwijsbaar urgent maakt. Blijft deze achterwege, dan zullen epidemische opflikkeringen telkenmale te verwachten zijn. Besloten werd de assaineering in gedeelten uit te voeren. De kosten zullen worden betaald door het Gouvernement, de provincie en het regentschap. Het eerste gedeelte van de assaineering van Tjiandjoer is in de 2de helft van 1934 gereed gekomen. De kosten bedroegen f 33 000; de bijdrage van 's Landswege was f 16 500 en die van het regentschap f 4000, terwijl de rest uit de provinciale kas werd verstrekt. Na de tot standkoming van de voorzieningen in Pekalongan in 1933, waarvoor van 's Landswege een tegemoetkoming werd verleend van f 4200, bleken de ludlow i broedplaatsen in het door de bevolking wederrechtelijk ontgonnen terrein langs den Boomweg (zie Indisch Verslag 1934, blz. 294) te zijn verdwenen. Nadere onder zoekingen wezen uit, dat het werk niet voldoende was om ook aan het ten zuiden daarvan gelegen chineesche kerkhof zijn malaria-gevaarlijk karakter te ontnemen. Voor het vereischte assaineeringswerk van betrekkelijk geringen omvang, hetwelk omvatte het dempen van de poelen tusschen de grafheuvels en den aanleg van afwateringsgoten, werd aan de gemeente Pekalongan van 's Landswege een tegemoet koming verleend van f 1950. In 1934 werd met de werkzaamheden begonnen voor de assaineering van de kotta Patjitan (Soerabaja) onder leiding van den Directeur van de Regentschaps werken; in 1935 kan het werk worden voltooid. In overleg met het hoofd van het provinciaal assaineeringskantoor te Soerabaja werden twee kali's te Sergang en Djankong (regentschap Soemenep) uitgezocht voor proef-assaineering. Het resultaat is geweest, dat steeds een open verbinding bleef bestaan van de vele riviertjes met de zee, waardoor de broedgelegenheid van de gevaarlijke A. ludlowi var. Sundaiea aanmerkelijk afnam. Ten einde een inzicht omtrent den invloed op de volksgezondheid van de assai neering van de kuststrook van Tegal te verkrijgen, werd in het eerste kwartaal 1934 de milt-index der kinderen bepaald van enkele noordelijk gelegen kampongs, die eertijds zwaar werden geteisterd door chronisch-endemisch malaria, t.w. Medja boeng en Pendjalan in het oostelijke en Asemtiga, Tegalsari, Kraton-lor in het westelijk stadsgedeelte. De assaineeringswerken van Tegal-Oost en Tegal-West waren respectievelijk in Augustus 1928 en medio 1929 voltooid. De werken omvatten ophooging en afwatering benevens drainage van groote malaria-gevaarlijke com plexen. Voor Medjaboeng bleken de gevonden milt-indices bij kinderen boven en beneden 6 jaar te zijn onderscheidenlijk 5 en 4,5 %, voor Pendjalan resp. 8 en 0 %. Milt-indices. GEZONDHEIDSZORG. 281 DE SOCIALE TOESTAND. 282 Do zeer lage waarden bij de kleine kinderen wijzen er op, dat do laatste 6 jaar de infectiekansen zeer gering zijn. De enkele voelbare milten zijn klein en kunnen, waar zij bij kinderen boven 6 jaar hard aanvoelen, gevoegelijk worden beschouwd als restanten van infecties, geacquireerd in de periode vóór de gezondmaking. Dat de in 1934 gevonden lage waarden wel het gevolg zijn van de tot stand gekomen assaineeringswerken leert de volgende tabel, welke aangeeft de milt-indices in de verschillende voorafgegane jaren, gevonden door artsen van de Afdeeling Malaria bestrijding. Onmiddellijk na het bekend worden van malaria-epidemieën werd door den Dienst der Volksgezondheid op ruime schaal en kosteloos chinine ver strekt aan de bevolking volgens een systeem, dat het grootst mogelijk effectief nut garandeert. De explosie van malaria in Tjilatjap moet toegeschreven worden aan invasie van kwaadaardige anopheles-soortcn, afkomstig van een zone benoorden Tjilatjap. In verband hiermede werd onmiddellijk geadviseerd, de behandeling van deze brood plaatsen met larvendoodende middelen intensief ter hand te nemen, waarvoor meer personeel in dienst werd gesteld. Door het Regentschap werd systematisch voedsel verstrekt zoowel in de kotta als in de andere noodlijdende districten, terwijl de Dienst der Volksgezondheid te Tjilatjap zelf de chininisatie zeer intensief aanpakte. Hieraan is het te danken, dat de sterfte, die bij epidemieën, zij het dan ook tijdelijk, een hoogte kan bereiken van 300 tot 400 % 0 , te Tjilatjap niet hooger kwam dan 78 % 0 . Ook in het regentschap Tjiandjoer werden malaria-explosies waargenomen. Om aan deze explosies eens en vooral een eind te maken, is —gelijk hierboven reeds werd vermeld — besloten de Tjiandjoer-vlakte te assaineeren. In het betrokken gebied wordt thans door den Dienst der Volksgezondheid propaganda gevoerd voor het zooveel mogelijk gelijktijdig beplanten van do sawahs en het hygiënisch exploiteeren van de visch vijvers, zoodat daar geen malaria-gevaar uit kan voortkomen. In April—Mei 1934 werd een belangrijke verhooging van de malaria-morbiditeit geconstateerd in Tanah Merah (Boven-Digoel), zoowel onder de geïnterneerden als onder de militairen. De betrokken inspecteur schreef deze epidemische opflikkeringen toe aan een vermeerderde productie der anophelinen in Maart en April 1934, samenhangend met het overstroomd worden van de lage gronden langs de Digoel-rivier, Opgemerkt zij, dat de toename van de malaria in April en Mei 1934 blijkens de maandverslagen van den gouvernementsarts te Tanah Merah sterker was onder de militairen dan onder de geïnterneerden, hetgeen verklaard wordt door de omstandig heid, dat laatstbedoelde groep, die veel langer in de streek verblijft dan de militairen, een sterkeren graad van immuniteit heeft verkregen. Voortgezet werd het onderzoek naar de oorzaak van de malaria op de aangevraag de kolonisatie-terreinen op Poelaulaoet. De voornaamste malaria-overbrenger aldaar is A.müiimus var. flavirostris (van 2770 imagines werden 2 positief bevonden). Advies werd gevraagd voor een te stichten kolonisatie van Sangireezen, Manado neezen, enz. aan de Radjegwesi-baai (Zuidkust van hot regentschap Banjoewangi). Gezien de zware malaria-explosies in deze streek en gezien het feit, dat A.ludlowi var. sundaica in de onmiddellijke nabijheid van de aangevraagde terreinen werd gevonden, werd uitdrukkelijk afgeraden in deze streek te koloniseeren. De toestand in de Oostelijke kampong van de gemeente Pasoeroean is wat betreft malaria in de laatste jaren verergerd tengevolge van de gevaarlijke broedplaatsen in de vischvijver- en brakwaterstrook van het aangrenzende deel van het regentschap Pasoeroean. Assaineeringsplannen werden ontworpen; gemeente en regentschap zullen in de kosten bijdragen. GEZONDHEIDSZORG. 283 Te Batavia werden voor malaria-mantri in Opleiding genomen 5 cursisten, benevens 12 volontairs. Aan het einde van 1934 waren nog in opleiding 5 volontairs, zoomede 2 candidaten landschaps-mantri's. In Soerabaja werden hi opleiding genomen 7 nieuwe cursisten en een gelijk aantal volontairs. Aangezien het reeds lang bestaande vermoeden, dat de tuberculose in Nederlandsch- Indië als een veel voorkomende echte volksziekte beschouwd moet worden, meer en meer bevestigd werd, heeft de Dienst der Volksgezondheid in den loop van 1934 de eerste stappen gedaan om te trachten tot een effectiever bestrijding van deze ziekte te geraken. Ofschoon door vele artsen uit bijkans alle deelen van den Archipel het voorkomen van tuberculose onder de Inheemsche bevolking gemeld wordt, zijn deze gegevens, wat het aantal gevallen en de ernst der ziekte betreft, over het algemeen nog vaag. Een epidemiologisch onderzoek zal dus aan de bestrijding moeten voorafgaan. Nadat enkele artsen in vorige jaren zulk een epidemiologisch onderzoek in som mige streken (Bataklanden, Amboina, enz.) hadden verricht, heeft de Regeering in 1934 op Java een onderzoek doen instellen naar het voorkomen van tuberculose onder de Inheemsche onderwijzers. Zooals verwacht werd, is het aantal der aan deze ziekte lijdende onderwijzers naar verhouding groot. Maatregelen zijn in overweging om in dezen toestand verbetering te brengen. Ook in 1934 moest wederom aan een groot aantal Inheemsche landsdienaren wegens tuberculose ziekteverlof verleend worden, en wel aan 21,4 % (in 1933 22,9 %) van het totale aantal van deze categorie van ambtenaren verleende ziekteverloven. Afgekeurd wegens deze ziekte werden 16,6 % (in 1933 17,5 %) van alle afkeuringen van Inheemsche landsdienaren wegens ziekte. Zooals hieronder uitvoeriger zal worden medegedeeld, is te Noöngan het door de Minahasa-Jubileum-Stichting opgerichte, door het Gouvernement gesubsidieerde Koningin.Emma-Sanatorium voor longlijders in 1934 geopend, waardoor een uit breiding van het aantal beschikbare bedden voor tuberculose-lijders is verkregen. Voor bijzonderheden omtrent de andere sanatoria voor longlijders moge naar de paragraaf over de ziekenverzorging worden verwezen. Met waardeering kan hier melding gemaakt worden van de werkzaamheid van het particulier initiatief, dat naast en met den Dienst der Volksgezondheid den strijd tegen de tuberculose heeft aangebonden. In 221 gouvernements- en door het Gouvernement gesubsidieerde ziekeninrich tingen werden in 1934 7547 (in 1933 in 230 ziekeninrichtingen 6562) tuberculose patiënten opgenomen; 1536 (in 1933 1392) van hen overleden, d.i. 20,4 % (in 1933 21,2 %). Het hooge sterfte-percentage is o.a. te wijten aan het feit, dat de lijders zich meestal eerst in het ziekenhuis laten opnemen, als hun toestand reeds ernstig is. Tot de oogziekten, die veel aangetroffen worden, behoort het trachoom. In sommige streken, waar het bijzonder veelvuldig voorkomt, zijn speciale medici aangowc/.en voor de bestrijding van die ziekte, zooals in de regentschappen Tegal en Pemalang. Op de in die regentschappen zich bevindende 17 (in 1933 17) poliklinieken, waar grootendeels trachoom-patiënten behandeld worden, werden in 1934 aan 5405 (in 1933 6934) nieuwe patiënten, die aan trachoom leden, consulten verleend. Hierin zijn de schoolkinderen niet begrepen. Het aantal oude patiënten, dat voor trachoom onder behandeling is geweest, is natuurlijk vele malen grooter dan het zooeven genoemde getal voor de nieuwe patiënten. In de Gouvernements Burgerlijke Ziekcninrichting te Pemalang, het Kardinah- Ziekenhuis te Tegal en op de polikliniek te Ketanggoengan (reg. Brebes) werden tezamen 435 (in 1933 904) oogheelkundige operaties verricht. DE SOCIALE TOESTAND. 284 In sommige poliklinieken werd voortgegaan met de heffing van een kleine bijdrage van de patiënten, zonder dat dit over het algemeen een ongunstigen invloed op het polikliniek-bezoek scheen uit te oefenen. In de propaganda-methoden is in zoover een verandering gekomen, dat de openbare lezingen langzamerhand zijn afgeschaft, daar gebleken is, dat deze minder goede resultaten opleverden dan de huislezingen. Het houden van huislezingen over trachoom werd dientengevolge uitgebreid, terwijl ook oriënteerende onder zoekingen over de verspreiding van trachoom onder de bevolking plaats vinden. De daarbij verzamelde gegevens worden vastgelegd op formulieren, waarbij ook gegevens omtrent het voorkomen van andere ziekten vermeld worden. Framboesia. Het over deze ziekte in het Verslag over 1933 gezegde geldt eok voor het jaar 1934, in het bijzonder wat betreft de algemeene verspreiding der ziekte en de moeilijkheid de lijders er toe te krijgen, zich meer dan éénmaal met neosalvarsan te laten inspuiten. Het aantal in 1934 in gouvernements- en in door het Gouvernement gesubsidieerde ziekeninrichtingen behandelde patiënten met framboesia bedroeg 12 802 (in 1933 11 893). Het aantal op de poliklinieken behandelde lijders was vanzelfsprekend vele malen grooter. Lijders aan geslachtsziekten worden behandeld in de verschillende ziekeninrich tingen, wanneer hospitaalbehandeling noodzakelijk is, en verder op de algemeene poliklinieken. In 1934 werden in de ziekeninrichtingen behandeld 15 852 (in 1933 16 854) lijders aan geslachtsziekten. Op de speciaal ook voor lijders aan geslachtsziekten ingerichte polikliniek te Tandjoengperak (Soerabaja), waarvan ook door zeelieden gebruik gemaakt wordt, werden 644 (in 1933 1000) consulten verleend aan lijders aan geslachtsziekten (aan Europeanen 16, Chineezen 42, Inlanders 565, Andere Vreemde Oosterlingen 21). Voortgegaan werd met de opsporing en behandeling van lijders aan venerisch granuloom, welke ziekte in Nederlandsch-Indië tot dusver uitsluitend bij de bevolking van Zuid-Nieuw-Guinee is geconstateerd. De bestrijding van deze ziekte wordt bemoeilijkt, doordat de lijders dikwijls óf in het geheel niet ter behandeling komen óf zich aan de behandeling onttrekken, vóórdat zij geheel genezen zijn. Op hot vasteland van Zuid-Nieuw-Guinee schijnen thans geen ernstige haarden meer te bestaan. Op het Frederik Hendrik-eiland en op Komolom echter komt de ziekte nog veelvuldig voor. Er bestaan 5 hulp-hospitalen, elk met één ziekenoppasser, speciaal voor opname en behandeling van lijders aan granuloma venereum. Lepra. Met de in 1932 aangevangen wijze van oriënteerend lepra-onderzoek en van lepra-bestrijding werd ook in 1934 voortgegaan en wel in de regentschappen Grisee, Lamongan, Ngandjoek, Kediri, Djombang, Bangkalan, Sampang, Paniekasan, Soemenep en Blora. Het regentschap Grisee is in zijn geheel afgewerkt; alle patiënten (415) zijn geïsoleerd, grootendeels in afzonderlijke hutjes op het eigen erf, enkele beter gesitu eerden in eigen kamers. Voor de wijze van het onderzoek zij naar het Indisch Verslag over 1933 verwezen. Gedurende dat onderzoek is gebleken, dat de patiënten gaarne behandeld willen worden, dat de bevolking er zich van bewust is, dat de ziekte van mensch op mensch wordt overgebracht en dat zij daarom in principe genegen is om de patiënten te isoleeren, maar dat daaraan, wat geliefde huisgenooten en lepreuze kinderen betreft, niet altijd de hand wordt gehouden. Op grond van deze opvattingen zijn de volgende maatregelen voor de leprozen in Grisee genomen. Getracht wordt om het nauwe contact, vooral bed-contact, tusschen leprozen en gezonde kinderen tot een minimum te beperken. Om dit to bereiken worden de leprozen in een klein hutje op het eigen erf ondergebracht; GEZONDHEIDSZORG. 285 ze blijven dus in het familie- en desa-verband. Getracht wordt verder om alle pa tiënten een individueele behandeling deelachtig te doen worden, hetzij klinisch hetzij poliklinisch. Behalve de bovenbeschreven voortzetting en uitbreiding van het werk, werden nog twee nieuwe gewesten geëntameerd (Bali en Lombok en Manado). De voorkoming en beteugeling van het lepra-gevaar op Bali en Lombok heeft de bijzondere aandacht gehad, zoowel van het Binnenlandsch Bestuur als van den Dienst der Volksgezondheid. Tengevolge daarvan is het lot der leprozen aldaar zeer verbeterd. In Maart 1934 zijn een elftal desa's op Bali onderzocht, welke bij de bevolking bekend staan als lepra-haarden. Daar de begingevallen der ziekte te verwachten zijn onder de kinderen van 1 tot 15 jaar, heeft men voor dit onderzoek speciaal kinderen van dezen leeftijd laten opkomen en verder volwassenen, die huisgenooten zijn of geweest zijn van lepra-lijders. Behalve dit klinisch onderzoek werd van bijna iedere onderzochte een bloed-, reiz-serum- en neusslijm-praeparaat gemaakt. De resultaten van het onderzoek wezen uit, dat van de 5388 onderzochte personen 48 lepreus waren en 5 verdacht, terwijl de lepra-dichtheid in die 11 als lepra-haarden bekende desa's 1 °/o 0 bedroeg. In een bijeenkomst op Bali zijn de resultaten van dat onderzoek uiteengezet, waarvan de volgende suggesties een uitvloeisel zijn. In plaats van poliklinische behandeling van de zieke bevolking, meer massale bestrijding en hygiënische verzorging door den Dienst der Volksgezondheid, zooals algemeene scabies-behandeling, algemeene wormbehandeling bij kinderen, enz. Verzoek aan den Dienst der Volksgezondheid om op de maandelijksche bijeen komsten van de krama-desa het een en ander voor te dragen omtrent lichaams en desa-hygiëne. Verzoek aan den Dienst der Volksgezondheid om de Balineesche vertaling van de Maleische lepra-brochure te doen verspreiden onder de klyans (desa-adathoofden), onderwijzers, enz. Verzoek dat de poenggawa's (districtshoofden) geregeld zullen nagaan, of de lepra-brochure wordt gelezen door de perbekels (gouv. desahoofden) en de klyans. Voorgesteld wordt om geregeld het een en ander uit de lepra-brochure voor te lezen op de maandelij ksche bijeenkomst van de krama-desa. Vooral is het desahoofd verplicht geregeld de desabewoners te wijzen op het gevaar van: het slapen van kinderen met leprozen in hetzelfde bed en het dragen van kinderen door leprozen, omdat kinderen meer gevoelig zijn voor de ziekte. Elke desa heeft een lepra-comité; het desabestuur is ambtshalve desa-comité. Het lepra-comité behartigt de preventieve maatregelen in de desa ter voorkoming van nieuwe infecties. Bij het constateeren van een „kusta"-geval (beginnende vlekkenvorm) in de desa, brengt het lepra-comité de zieke bij den betreffenden geneesheer voor diagnos tiek, advies en behandeling. Aangezien het kusta-stadium ook besmettelijk is, moeten hierbij eveneens afzonderingsmaatregelen worden getroffen. Het lepra-comité beslist, waar een zieke afgezonderd zal worden: in de tebê (onrein gedeelte van het erf), in de palemahan-desa (desa-areaal) of in de onder af deelingsleprozerie . Overal zullen lepra-behandelingspunten worden vastgesteld, waar begingevallen poliklinisch behandeld kunnen worden. Voor de uitvoering van deze plannen heeft men zich van de medewerking van de desabesturen verzekerd. Overal op Bali en Lombok kunnen bovendien lepra-lijders, die nog te genezen zouden zijn, geregeld de noodige specifieke behandeling genieten. Met deze behande ling zijn de plaatselijke artsen belast; zij ontmoeten de lepra-lijders op de z.g. lepra punten, thans ten getale van 56 over Bali en Lombok verspreid. DE SOCIALE TOESTAND. 286 Manado heeft een nieuwe leprozerie te Malalajang gekregen, terwijl een speciaal daarvoor opgeleide gouv. Indisch arts bezig is, de patiënten (naar schatting 700) in de Minahasa te onderzoeken en volgens het centrale kaartsysteem te registreeren. Hoewel de juiste gegevens over geheel Nederlandsch-Indië nog niet bekend zijn, kan men wel reeds zeggen, dat de lepra niet gelijkelijk over indië verspreid is. Naast sporadische gevallen komen meestal lepra-haarden voor. Wat bijv. Java betreft, zijn meer lepra-gevallen in Oost-Java dan in Midden-Java en hier (Midden-Java) weer meer dan in West-Java. Terwijl verscheidene regentschappen in Midden en West-Java geen enkel lepra-geval kennen, telt bijv. Grisee 415 gevallen, Lamongan en Djombang elk ongeveer 300 lijders. Op Sumatra vindt men haarden in de gewesten Atjeh en Onderhoorigheden, Oostkust van Sumatra, Tapanooli on Palembang; op Borneo in de afdeelingen Singkawang en Oeloe Soengai; op Celebes in de afdeelingen Bone, Paréparé, Mandar, Loewoe, Donggala, Gorontalo en Manado; in de residentie Timor en Onderhoorig heden vooral op de eilanden Soembawa en Alor; in het gouvernement der Molukken speciaal op de eilanden Ambon en de Oeliasers. Bij de beoordeeling van het reeds verrichte werk, waarvoor in buiten- en binnen land veel belangstelling getoond werd, dient niet vergeten te worden, dat het boven uiteengezette leprawerk zijn oorsprong gevonden heeft in de vondst van de hoofd gouv. artsen Sardjito en Sitanala van de z.g. dikke-druppel-methode voor het aan toonen van lepra-bacillen in het bloed. De toepassing van deze methode bij het onderzoek in bepaalde streken maakt het mogelijk om bacillendragers op het spoor te komen, die anders misschien aan de aandacht ontsnapt zouden zijn. Het veldwerk wederom heeft o.a. bewezen, dat de toepassing van de huis-isolatie in de praktijk geen moeilijkheden oplevert, omdat deze isolatie oorspronkelijk door de bevolking zelf reeds werd toegepast. De bestudeering van het lepra-vraagstuk geschiedt in de lepra-kliniek en in het afdeelingslaboratorium, beide te Semarang. In de klinieken worden verschillende aanbevolen medicamenten op hun thera peutische waarde onderzocht en toegepast, zooals methyleenblauw, trypanblauw en brilliantgroen, naast de gewone chaulmogra-praeparaten. Bij de bestrijding van de bijkomstige ziekten worden niet alleen Wassermann- en Sachs-Georgi-reacties verricht, maar ook de Kahn-reactie. In den laatsten tijd werd ook intensief nagegaan de invloed van het dieet op de verschillende huidverschijnselen der lepra. In de stad Semarang zijn 162 patiënten geregistreerd en op de bekende kaarten klinisch genoteerd. Van deze patiënten worden diegenen in de kliniek opgenomen, van wie verwacht mag worden, dat de therapie eenig effect zal hebben. Ook worden die patiënten opgenomen, waarvoor klinische observatie noodig geacht wordt. Poliklinische behandeling wordt tweemaal 's weeks in de beide lepra-poliklinieken te Semarang verricht. In het laboratorium worden infectie-proeven met apen, cavia's, konijnen, ratten en kippen verricht; ook worden culturen uit materiaal van patiënten op verschillende voedingsbodems aangelegd. Met antigen, bereid uit de verkregen culturen, worden complement-bindingsproeven met patiënten-sera en contröle-sera verricht, waarvan de uitkomsten voldoende bevredigend zijn om het onderzoek voort te zetten. Ankylostomiasis. De bestrijding van deze ziekte bestaat uit individueele be handeling, waarvoor, evenals bij de framboesia, eenige artsen zijn aangewezen, doch zij berust in hoofdzaak bij den Medisch-Hygiënischen Propaganda-dienst, welke door filmvertooningen, voordrachten, enz. tracht aan de bevolking eenig begrip van do wijze van infectie met mijnwormen en de vermijding daarvan bij te brengen. In 1934 werden in de gouvernements- en de door het Gouvernement gesubsidieerde ziekeninrichtingen 7368 (in 1933 6004) lijders aan ankylostomiasis opgenomen. GEZONDHEIDSZORG. 287 De Demonstratie-Regentschaps-Gezondheidsdienst en het Opleidingscentrum te Poerwokerto. Ondanks de voorgestelde plannen om de werkzaamheden voor hygiënische propaganda, welke in Nederlandsch-Indië in 1924 een aanvang namen, te ontwikkelen tot algemeene hygiënische programma's, bleef het werk op vele plaatsen slechts beperkt tot de bestrijding van bodem- en waterverontreiniging. Teneinde het pro gramma verder op te bouwen, werd later voor dat speciale doel personeel aangesteld, doch het werk bleef op de meeste plaatsen beperkt. Om deze redenen werd het noodzakelijk geacht een Regentschaps-Gezondheids dienst te organiseeren, welke tevens zou dienen als opleidingscentrum voor doktoren en overig personeel. Poerwokerto werd hiervoor bestemd. In dit opleidingscentrum te Poerwokerto kunnen bezoekers kennis nemen van de techniek van het ontwikkelen van een algemeen programma voor hygiëne en de opleiding van het personeel in de techniek van het werk. Dit is van groot belang, omdat vele artsen hoofdzakelijk zijn opgeleid voor ziekenhuis- en kliniekwerk of particuliere praktijk en daarom geneigd zijn te veel nadruk te leggen op de behan deling der patiënten. Met behulp van films, tentoonstellingen, vertooningen van lantaarnplaten, lezingen en huisbezoek wordt belangstelling gewekt voor hygiënisch leven. Vooral de laatstbedoelde vorm van propaganda levert goede resultaten op. Het hygiëne-centrum is de plaats, waar de gezonde zuigelingen door hun moeders geregeld worden gebracht om te worden gewogen, genieten en onderzocht door den dokter en de vroedvrouw, waar de zwangeren komen voor onderzoek en advies, en geregeld demonstraties in hygiëne worden gegeven aan de doekoens. Het programma van dezen Regentschaps-Gezondheidsdienst omvatte in 1934 de volgende werkzaamheden: huis aan huis propaganda door hygiëne-mantri's; lezingen en demonstraties voor schoolkinderen; openbare lezingen en demonstraties; lezingen en demonstraties voor onderwijzers, voor speciale groepen, enz.; oriën teerend onderzoek; hygiënische inspecties van woonhuizen en erven, broodbakkerijen, limonade-fabrieken, pasars, warongs, enz.; laboratorium-onderzoekingen speciaal van urine en ontlasting; haemoglobine-onderzoekingen; speciaal hygiëne werk op de scholen; het werk der hygiëne-centra voor zwangeren, kraamvrouwen en zuige lingen; propaganda betreffende het voorkómen van bodem- en waterverontreiniging, framboesia, pokken, enz.; propaganda voor het koken van drinkwater; het ver zamelen van geboorte- en sterftecijfers en het bestudeeren van de verzamelde gegevens. Assaineeringswerken, kampongverbeiering en drinkwatervoorzieningen. In verband met den toestand van 's Lands financiën moest de uitvoering van de verdere plannen tot assaineering van de vischvijverstrook ten noorden van Batavia ook voor 1934 uitgesteld worden. Het in 1933 aangevangen werk ter aanvulling van de reeds verbeterde vijvercomplexen werd voltooid. Ter verkrijging van een Landssubsidie werden ten behoeve van verschillende ge meenten o.a. Makassar, Meester Cornelis, Medan, Modjokerto en Pekalongan adviezen op rioleerings- en afwateringsgebied, alsmede inzake kampongverbetering uitgebracht. Verschillende Departementen en Locale Ressorten werden van advies gediend over assaineeringswerken, o.a. te Bangoredjo, Batavia, Djombang, Manokwari, Padang, Pontianak, Tandjoengpinang en Ternate. In 1934 werden door het Land geen nieuwe drinkwaterleidingen aangelegd; de nieuwe aanleg beperkte zich tot kleine werken in de Buitengewesten voor de verbetering van de afwatering in hoofdzaak in het belang van de bestrijding van de malaria. Het voor deze werken en voor het aanbrengen van verbeteringen aan enkele bestaande drinkwaterleidingen in 1934 bestede bedrag bedroeg ± f 28 300. DE SOCIALE TOESTAND. 288 Het aantal door het Land in 1934 geëxploiteerde drinkwaterleidingen bedroeg 23. Door het aanbrengen van verdere bezuinigingen konden de exploitatie-uitgaven van deze bedrijven verminderd worden van i f 179 400 in 1933 tot ± f 152 900 in 1934. Tegenover deze mindere uitgaven stonden echter ook mindere inkomsten, als gevolg van de afname van het aantal aansluitingen aan de drinkwaterleidingen en van een verminderd gemiddeld waterverbruik per aangeslotene. Hierdoor daalden de inkomsten van ± f 497 400 in 1933 tot ± f 478 400 in 1934. In 1934 werd, in overleg met de Hoofden van gewestelijk bestuur, een aanvang gemaakt met het onderzoek naar de maatregelen welke genomen konden worden om het gebruik van leidingwater, ook door de minder gegoeden, zooveel mogelijk te bevorderen. Voor enkele bedrijven werden daartoe, ten behoeve van laatstge noemde bevolkingsgroep, zeer lage tarieven vastgesteld, terwijl ook voor de beter gesitueerden de tarieven in het algemeen werden verlaagd. De waterleiding voor Samarinda, door het landschap Koetai gefinancierd, werd begin 1934 voltooid en in bedrijf gesteld. De drinkwaterleidingen te Indramajoe en Rangkasbitoeng bleven in beheer bij den Dienst der Volksgezondheid. Ten behoeve van locale ressorten werden talrijke adviezen uitgebracht en/of ontwerpen opgemaakt voor den aanleg, vernieuwing, verbetering of uitbreiding van drinkwatervoorzieningen, met name voor Batoe, Djambi, Fort de Koek, Indramajoe, Langsa, Padang, Padangsidimpoean, Pajakoemboeh, Rangkasbitoeng, Salatiga, Samarinda, Sigli, Soekaboemi, Tabanan en Denpasar, Tasikmalaja, Telokbetong en Tondano. Bovendien werden voor de waterleidingen van de sanatoria te Noöngan, Tjisaroea en Patjet en de leprozerie te Malalajang adviezen verstrekt. Van de adviezen aan particulieren verdient vermelding het rapport aan de Twent sche Textielcommissie over de watervoorziening van een eventueel in Oost-Java te stichten textielbedrijf. Door het Proefstation voor Drink- en Afvalwaterzuivering te Manggarai werden voor talrijke waterleidingen onderzoekingen verricht, zoowel ter plaatse als in het laboratorium, en adviezen uitgebracht. Volkshuisvesting. Het eerste gedeelte van het bouwplan Kwitang-Oost der gemeente Batavia, dat gefinancierd werd door een van Landswege gegarandeerde leening van f 100 000, kwam in 1934 gereed. Het huizenbezit der verschillende vennootschappen was aan het einde van 1934 als volgt (de vermelde huurprijzen zijn die geldende op einde 1934): GEZONDHEIDSZORG. 289 Ook gedurende 1934 werd, waar mogelijk, de ziekenverzorging aan het particulier initiatief en aan locale ressorten overgedragen, hetgeen echter in verband met de tijdsomstandigheden in langzaam tempo geschiedde. Voorts konden enkele verzoeken om overdracht op grond van daartegen gerezen godsdienstige of politieke bezwaren niet worden ingewilligd, terwijl een te ver doorgevoerde overgave van Landszieken inrichtingen tevens op moeilijkheden zou stuiten ten opzichte van het Landspersoneel, dat om verschillende redenen door de nieuwe exploitanten vaak niet kan worden gehandhaafd. Uit een oogpunt van volksgezondheid zullen verschillende Lands ziekeninrichtingen gehandhaafd moeten blijven, aangezien zij niet alleen voor de individueele ziekenverzorging van zeer groot belang zijn, maar omdat zij voor den Dienst der Volksgezondheid vaak belangrijke aanwijzingen verstrekken over in bepaalde streken heerschende besmettelijke en volksziekten, en voorts in meerdere of mindere mate opleidings- en studiecentra zijn van de door den Dienst der Volks gezondheid opgeleide artsen en van het verplegend personeel. Een belangrijk punt van overweging, dat ook reeds in studie is genomen, vormt ten slotte de af wenteling van een deel der kosten van den Dienst der Volksgezondheid op de bevolking der betrokken streken. 19 Ziekenverzorging. DE LANDSFINANCTËN. 29 De residentie Lampoengsche Districten is aangewezen als gebiedsdeel, bedoeld in art, 4 van de Ord. in I. S. 1931 n°. 483, waar diensten kunnen worden gevorderd voor het vervoeren van gouvernements goedoren en gelden en van in dienst reizonde Landsdienaren (I. S. 1934 n°. 182). 5. De Indische Bedrijvenwet. De havens Tandjoengpriok en Soerabaja (I.S. 1934 nos. 109 en 110) en 's Lands caoutchouc bedrij f (I. S. 1934 n°. 410) zijn aangewezen tot Landsbedrijf in den zin van de Indische Bedrijvenwet. Bij Ord. van 29 Deo. 1934 (I. S. n°. 753) zijn ten aanzien van enkele Lands bedrijven voor de jaren 1933 t/m 1937 regelen vastgesteld betreffende de berekening van het bedrag der afschrijvingen op de bezittingen. De begrootingsrokoning dor gezamenlijke Landsbedrijven over het dienstjaar 1931 is vastgesteld bij de wet van 30 Nov. 1934 (N. S. 1934 n°. 629, 1. S. 1935 n°. 45). 6. Het beheer der geldmiddelen en de controle daarop. Ten aanzien van het beheer van on de controle op de Landsfinanciën moge in het algemeen worden verwezen naar het Verslag 1934 (blz. 32 e.v.). In Januari 1929 werd oen aanvang gemaakt mot de invoering van een nieuw stelsel van administratie dor Landskassen, waarmede beoogd werd de Algemeene Ontvangers zooveel mogelijk te ontlasten van de steeds in omvang toenemende boek houding, zoodat zij zich meer aan het eigenlijke kasbeheer kunnen wijden, een verscherping van de controle op bedoelde kashouders en een snellere afwikkeling van de begrootings-administratio. De invoering van het stelsel leidde ertoe, dat de administratie der Algemeene Ontvangers geleidelijk word teruggebracht tot een zuivere kasadministratie, terwijl de begrootings-administratie, welke dienen moet om aan de departementen van alge meen bestuur en de Algemeene Rekenkamer de gegevens te verschaffen voor de begrootingsboekhouding, werd overgebracht naar voor bepaalde ressorten opgerichte centrale administratiekantoren; de debiteuren-administratie wordt thans geheel bij de hulpordonnateurskantoren gevoerd, terwijl do belastiiig-debiteuren-administratie is overgebracht naar do Inspecties van Financiën. De vereenvoudiging van de admini stratie heeft geleid tot de overbrenging van de kassen der vendukantoren naar de Landskassen, zoodat de vendurekeningen niet meer bij de vendukantoren maar rechtstreeks bij de Landskassen worden voldaan en de vendumeesters c.g. boek houders-kassier geen geldelijke verantwoordelijkheid meer dragen in den zin van artikel 77 van de Indische Comptabiliteitswet. In Juli 1934 werd overgegaan tot een verdere vereenvoudiging en decentralisatie van de administratie der kohicrbelastingen. De reorganisatie van de administratie der Landskassen, zoomede de doorvoering van bovenbedoelde vereenvoudigde administratie der kohierbelasting, is thans in geheel Nederlandsch-Indië voltooid. Kantoren voor de Administratie van Lands kassen zijn gevestigd te Batavia, Semarang, Soerabaja, Makassar, Bandjermasin, Pontianak, Medan, Palembang en Padang. Een verdere vereenvoudiging der kasadministratie en tevens bezuiniging op de uitgaven welke aan 's Lands financieele administratie zijn verbonden, werd voorts gevonden in de overdracht van kaswerkzaamheden aan den Postdienst. Hiermede werd een aanvang gemaakt in de provincie West-Java en reeds in den loop van 1935 zullen deze werkzaamheden zóó ver zijn gevorderd, dat op Java en Madoera alle werkzaamheden welke door plaatsvervangende, dienstdoende en hulpontvangers voor de perceptie werden verricht, aan den Postdienst kunnen worden overgegeven. De Landskassen te Meester Cornelis, Banjoemas, Blora, Keboemen, Ngandjoek en Probolinggo zijn opgeheven (Bb. n°. 13258). DE SOCIALE TOESTAND. 290 Gouvernements centrale burgerlijke ziekeninrichtingen. Uit het volgend overzicht van de beheersuitkomsten over de jaren 1931, 1932 en 1933 en de voorloopige uit komsten van 1934 blijkt, dat op de uitgaven in de drie onderstaande zieken inrichtingen wederom belangrijk werd bezuinigd. Evenals in 1933 werden deze bezuinigingen in hoofdzaak verkregen door daling van de prijzen der voedingsmiddelen en door een verdere korting op de salarissen, gaande tot 25 %, gevolgd door invoering van de H. B. B. L. Gouvernements burgerlijke ziekeninrichtingen. Einde 1933 bedroeg het aantal burgerlijke Landsziekeninrichtingen op Java en Madoera 42 en in de Buitengewesten 28, terwijl einde 1934 die aantallen onderscheidenlijk 35 en 27 bedroegen. Gedurende 1934 werden de Landsziekeninrichtingen te Loeboekpakam, Tange rang, Japara, Pekalongan, Pemalang, Probolinggo, Wonosobo en Malang met een capaciteit van 586 bedden opgeheven, zoodat einde 1934 de opname-capaciteit van de resteerende 62 gouvernements burgerlijke ziekeninrichtingen 3675 bedroeg. Uit onderstaand overzicht blijkt, dat de uitgaven in vergelijking met 1933 met ruim f 300 000 zijn teruggeloopen, als gevolg van de verdere daling van de prijzen der levensmiddelen, de korting op de salarissen en overdracht van 8 gouver nements burgerlijke ziekeninrichtingen, waaronder de ziekeninriehtin<_ r te Malang met een capaciteit van 275 bedden. GEZONDHEIDSZORG. 291 De levensmiddelen voorziening omvatte in 1934 de volgende inrichtingen: 3 centrale burgerlijke ziekeninrichtingen met 697 721 voedingsdagen (678 431) 70 gouvernements burgerlijke ziekeninrichtin gen met 873 904 „ (923 666) 4 krankzinnigengestichten met 2 859 713 „ (2 787 078) 5 doorgangshuizen voor krankzinnigen met 392 683 „ (340 050) 7 verpleegtehuizen voor krankzinnigen met 101 947 „ (105 325) De kosten van de gewone voeding, inclusief de verstrekte extra- en dieetvoeding, bedroegen voor de: 3 centrale burgerlijke ziekeninrichtingen f 125 523 (f 131361) 70 gouvernements burgerlijke ziekeninrichtingen ... 68 950 ( 93 767) 4 krankzinnigengestichten 225 390 (253 191) 5 doorgangshuizen voor krankzinnigen 28 672 ( 26 617) 7 verpleegtehuizen voor krankzinnigen 8 611 ( 10 820) Totaal .... f 457 146 (f 515 756) De gemiddelde kostprijs der geheole voeding is derhalve voor de: 3 centrale burgerlijke ziekeninrichtingen f 0,18 (f 0,19 3 ) 70 gouvernements burgerlijke ziekeninrichtingen 0,079 ( 0,10') 4 krankzinnigengestichten 0,079 ( 0,09) 5 doorgangshuizen voor krankzinnigen 0,073 ( 0,07 8 ) 7 verpleegtehuizen voor krankzinnigen 0,084 ( 0,10 3 ) De hoogere gemiddelde kostprijs van de voeding in de drie centrale burgerlijke ziekeninrichtingen ten opzichte van de andere gouvernements burgerlijke zieken inrichtingen is te verklaren uit het feit, dat die instellingen te Batavia en te Soerabaja tevens onderwijs-inrichtingen zijn, welke omstandigheid ten gevolge heeft, dat door de verschillende in die ziekeninrichtingen werkzame hoogleeraren (specialisten) hoogere eischen aan de voeding worden gesteld, zich uitende in meer extra- en dieet voeding. Aan laatstbedoelde ziekeninrichting is tevens een afdeeling ter verpleging van marine-personeel verbonden, welke er bovendien toe medewerkt, dat het algemeen peil van de voeding daar hooger is dan in de beide andere centrale ziekenhuizen, zoodat de kostprijs der voeding vooral te Soerabaja boven het gemiddelde uitkomt. Gesubsidieerde particuliere ziekeninrichtingen. Einde 1934 bedroeg het aantal ziekenhuizen 51 en het aantal hulpziekenhuizen 41, tegen 47 ziekenhuizen en 43 hulpziekenhuizen in 1933. Bijgekomen zijn de door de Missie op 1 Juli 1934 over- DB SOCIALE TOESTAND. 292 genomen gouvernements burgerlijke ziekeninrichtingen te Pekalongan en Pemalang en het aan de Missie op 1 Januari 1934 overgedragen gemeenteziekenhuis te Soe kaboemi. Opgeheven is het hulpziekenhuis te Manna (op 1 Juli 1934). Voorts is het hulpziekenhuis van de Missie te Tomohon, met terugwerkende kracht tot 1 Januari 1934, als ziekenhuis erkend. Bovendien zijn de gouvernements burgerlijke ziekeninrichtingen te Malang en Wonosobo in 1934 door de Zending overgenomen en worden deze verder als uitbreiding van de reeds bestaande zendings ziekenhuizen aldaar door de Zending geëxploiteerd. Hieronder volgt een vergelijkend overzicht over 1933 en 1934 van de meest belangrijke ziekeninrichtingen. Gesubsidieerde locale ziekeninrichtingen. Het aantal locale ziekeninrichtingen, in 1933 15 bedragende, werd verminderd met 1 (het op 1 Januari 1934 aan de Missie te Soekaboemi overgedragen gemeenteziekenhuis aldaar) en vermeerderd met 3 (de op 1 April, 1 Juni en 1 October 1934 door het regentschap Japara, de gemeente Probolinggo en het regentschap Tangerang overgenomen gouvernements burgerlijke ziekeninrichtingen aldaar). De in 1934 met verschillende autonome gebiedsdeelen gevoerde onderhandelingen, welke nog niet alle zijn afgeloopen, leidden reeds tot resultaten betreffende het z.g. „Vrouwenhospitaal" te Medan en de Lands burgerlijke ziekeninrichtingen te Pandeglang en Kendal, welke — echter eerst per 1 Januari 1935 — aan de gemeente Medan en de regentschappen te Pandeglang en Kendal zullen overgaan, het eerste, om als onderdeel van het reeds bestaande gemeenteziekenhuis verder te worden geëxploiteerd. In verband met den stand van 's Lands geldmiddelen zijn bij Ord. van 10 Dec. 1934 (I. S. n°. 674) maatregelen genomen tot beperking der uitgaven ten behoeve van de subsidieering van particuliere ziekeninrichtingen en ziekeninrichtingen van autonome gebiedsdeelen. Hierna volgt een vergelijkend overzicht over 19152 en 1933 berteffende de beheersuitkomsten, verleende subsidies in het exploitatie-verlies van de gesubsi dieerde afdeeling, enz. GEZONDHEIDSZORG 293 Verpleging voor opiophagen. Aan de aan het zendingsziekenhuis „Immanuel" te Bandoeng verbonden afdeeling voor de verpleging van opiophagen werd in 1934 een subsidie in de exploitatie-kosten toegekend tot een bedrag van f 1388, tegen f 2966 in 1933. Verpleging van psychisch minderwaardigen te Temanggoeng. De verpleging van geestelijk invalide personen in deze inrichting draagt vrijwel een stationnair karakter. Sanatoria voor longlijders. ') De cijfers over 1934 zijn nog niot bekend. DE SOCIALE TOESTAND. 294 Poliklinieken. Ook gedurende 1934 had de decentralisatie van het polikliniek wezen de volle aandacht en werden van de nog resteerende Landspolikliniekeii wederom eenige aan de regentschappen overgedragen. Daar, waar het nog niet moge lijk was om de salarissen van het Lands verplegend personeel ten volle door de regentschappen te doen dragen, werden de personeelskosten, evenals het vorig jaar, nog ten deele ten laste van den Lande genomen, waaraan echter in 1935 definitief een einde komt. Ook op de gewesten buiten Java en Madoera werden, waar mogelijk, Lands poliklinieken aan de Inlandsche gemeenten overgedragen. Leprozengestichten *) De cijfers over 1934 zijn nog niet bekend. Krankzinnigenverzorging. Het verpleegtehuis voor krankzinnigen met de daaraan verbonden gouver nements burgerlijke ziekeninrichting te Loeboekpakam (gouv. Oostkust van Suma t ra) is 27 Maart 1934 gesloten. In 1934 is op initiatief van prof. dr. P. M. van Wulfften Palthc de eerste par ticuliere kolonie voor rustige Inheemsche patiënten te Lenteng-agoeng (bij Batavia) gesticht. De verpleging en behandeling van zielszieken zijn, in verband met de moderne inzichten omtrent de verzorging van krankzinnigen, belangrijk herzien en verbeterd en vraagstukken als arbeidstherapie en nazorg voor krankzinnigen, enz. hebben thans de bijzondere aandacht. Vooral de individueele arbeidstherapie wordt in de bestaande inrichtingen intensief en met succes toegepast. Einde 1934 bedroeg de capaciteit van alle inrichtingen tezamen 9298 bedden, welke als volgt waren verdeeld: Krankzinnigengestichten: Lawang -f Pasoeroean 3300 Buitenzorg + Semplak 2015 Sabang 1328 Magelang 1294 7937 GEZONDHEIDSZORG. 295 Doorgangshuizen: Batavia-Centrum (Grogol) 342 Semarang (Sompok) 266 Soerabaja (Pegirian) 202 Soerakarta (Mangoendjajan) 150 Medan (Gloegoer) 150 1110 Verpleegtehuizen: Bangli 52 Padang 50 Makassar 46 Palembang 45 Manado 34 Bandjermasin 24 251 Einde 1933 waren in de gestichten, doorgangshuizen en verpleegtehuizen tezamen 8985 bedden, zoodat gedurende het verslagjaar 1934 een toename heeft plaats gehad van 313 bedden. Stand van het aantal verpleegden einde 1934 in alle krankzinnigen gestichten, doorgangshuizen en verpleegtehuizen. DE SOCIALE TOESTAND. 296 Verloop der patiënten gedurende 1934 in de krankzinnigengestichten met een totale capaciteit van 7973 bedden. Verloop der patiënten gedurende 1934 in de doorgangshuizen met een totale capaciteit van 1110 bedden. Verloop der patiënten in de verpleegtehuizen met een totale capaciteit van 251 bedden. GEZONDHEIDSZORG. 297 Verloop der patiënten gedurende 1934 in alle krankzinnigengestichten, doorgangs huizen en verpleegtehuizen tezamen met een totale capaciteit van 9298 bedden. In alle gestichten bestaat voortdurend het streven om de gestichtshuishouding op een solider en economischer basis te stellen en de exploitatie-kosten overeen te brengen met de toegestane gelden. Ondanks de belangrijk ingekrompen fondsen is het toch mogen gelukken ge durende 1934 in de gestichten eenige noodzakelijke verbeteringen aan te brengen, welke mogelijk zijn geworden door de uitbreiding van de arbeidstherapie. De afdeehng werktherapie van het krankzinnigengesticht Lawang heeft o.a. een steenbakkerij en een eigen weverij gekregen, zoodat de benoodigde kleeren, evenals in het gesticht te Magelang, voor een groot deel plaatselijk kunnen worden aangemaakt. In de gestichten te Magelang en Sabang werd de individuëele werktherapie opgevoerd en op groote schaal met succes toegepast. Te Sabang werd overgegaan tot de stichting van een kolonie — op een terrein van ± 60 bouw — voor ontslagen patiënten, die om verschillende redenen niet meer naar hun plaats van herkomst kunnen terugkeeren. In 1934 werd het sde doorgangshuis voor krankzinnigen te Gloegoer (bij Medan) geopend. Bij de oprichting van dit doorgangshuis werd het verpleegtehuis te Loeboek pakam opgeheven en de inventaris naar Gloegoer overgebracht. Dit doorgangshuis heeft een belangrijke verbetering in den bestaanden toestand gebracht. De particu liere en plantershospitalen in de omgeving zijn van de verpleging van krankzinnigen ontlast. De plannen om het verpleegtehuis te Makassar tot een 6de doorgangshuis om te bouwen hebben vasten vorm aangenomen, ook mede dank zij den krachtigen steun van de landschappen. De evacuatie van chronische lijders naar de gestichten vindt geregeld plaats, doch kon in 1934 geen vlot verloop hebben wegens gebrek aan verpleegruimte in de gestichten. Door de opening van het verpleegtehuis te Bangli in 1933 is niet alleen het transport van patiënten van Bali naar Java verminderd, doch is tevens voor de eilanden Bah, Lombok en misschien ook voor Soembawa en Flores een gelegenheid geopend voor de verpleging van krankzinnigen. l ) In 1934 werden van do doorgangshuizen en verpleegtehuizen 724 patiënten naar de verschillende krankzinnigengestichten overgebracht. Dit aantal patiënten is tweemaal als „bijgekomen" genoteerd: de eerste maal bij hun opneming in hot doorgangshuis of verpleeg tehuis on de tweede maal bij hun opname in het krankzinnigengesticht, zoodat gedurende 1934 het juiste aantal bijgekomen patiënten, 3699 — 724 = 2975 bedroeg. DE SOCIALE TOESTAND. 298 Pharmaceutische aangelegenheden. De kosten, verbonden aan de geneesmiddelen-aanschaffing voor rekening van den Dienst der Volksgezondheid, bleven in 1934 op 7,5 ton gouds (in 1930 nog 15 ton). De kosten, verbonden aan den aanschaf van neosal varsan voor de framboesia bestrijding, zijn thans 10 % van dit budget (in 1930 13 %), terwijl de kinine-aankoop thans 18 % (in 1930 7 %) van de totaal-kosten uitmaakt. Dit laatste wordt ver oorzaakt doordat, kinine niet noemenswaard in prijs daalde. In 1934 werden 4 apotheken gesloten (te Batavia-stad, Cheribon, Semarang en Tegal) en 4 geopend (te Palembang, Soerabaja, Batavia-Centrum en Tegal). Het aantal eigenlijke particuliere apotheken bleef 73, waarin 194 assistenten een werkkring vonden, onder wie 48 vrouwelijke. Aan 7 apothekers en aan 29 assistenten, onder wie nog slechts 8 met Europeesch diploma, werd de acte van toelating uit gereikt. De in Indië opgeleide assistent verdringt dus met groote snelheid den assistent met Europeesch diploma. Voor het te Batavia-Centrum afgenomen examen van Indisch apothekers-assistent slaagden 21 candidaten, onder wie 11 vrouwelijke. De apothekers-assistenten school te Batavia-Centrum is in Mei 1934 gesloten en de opleiding overgebracht naar de apotheken der drie groote ziekeninrichtingen op Java. Ziekteverloven en afkeuringen van Landsdienaren. In 1934 werd aan 15 mannelijke en 4 vrouwelijke landsdienaren (in 1933 26 en 10) een buitenlandsch ziekteverlof verleend. Van de ziekte-oorzaken vormden, zooals gewoonlijk, de functioneele neurosen en psychosen de grootste groep, namelijk 47,4 % (in 1933 44,4 %). De overige cijfers zijn te klein om daaruit conclusies omtrent het voorkomen van ziekten onder de Europeesche landsdienaren te kunnen trekken. Binnenlandsche ziekteverloven werden in 1934 verleend aan 673 (in 1933 740) mannelijke en 167 (in 1933 262) vrouwelijke Europeesche landsdienaren en aan 2949 (in 1933 3320) mannelijke en 76 (in 1933 67) vrouwelijke Inheemsche lands dienaren. Wederom kon geconstateerd worden, dat de functioneele neurosen en psychosen percentsgewijs verreweg de belangrijkste ziektegroep vormen (18,6 %, tegen 16,7 % in 1933 en 12,5 % in 1932), waarvoor aan Europeesche landsdienaren een binnenlandsch verlof verleend werd. Dan volgen de ziekten der spijsverterings organen met 8,5 % (in 1933 7,1 %) en tuberculose met 7,5 % (in 1933 7,5 %). Het malaria-cijfer daalde van 5,4 % in 1933 tot 4,3 % in 1934. Bij de Inheemschen speelde de tuberculose de voornaamste rol met 21,4 % (in 1933 22,9 %; in 1932 21,5 %). Daarna volgden venerische ziekten met 14,2 % (syphilis 5 %), tegen in 1933 14,4 %, en de ziekten der ademhalingsorganen met 9,1 % (in 1933 7,9 %). Het percentage voor malaria bedroeg slechts 3,9 (in 1933 5,3 %). Het cijfer voor beri-beri is nog steeds zeer laag, namelijk 2,3 % (in 1933 2,1 %). Zoowel voor Europeesche als voor Inheemsche landsdienaren steeg het cijfer voor typhus abdominalis resp. van 2,9 % en 3 % in 1933 tot 3,5 % en 5,7 % in 1934, een stijging, welke ook-waargenomen werd bij het totale aantal gemelde gevallen van typhus abdominalis in den Archipel. Afgekeurd wegens ziekte werden in 1934 172 Europeesche landsdienaren (in 1933 226), waarvan 36,1 % (in 1933 40,3 %) wegens functioneele neurosen en psy chosen, 12,2 % (in 1933 12,4 %) wegens ziekten van het hart en van de vaten, 9,9 % (in 1933 6,2 %) wegens organische ziekten van zenuwstelsel en zintuigen met uitzondering van het oog, 5,8 % (in 1933 2,7 %) wegens ziekten van de spijs verteringsorganen en 5,2 % (in 1933 12 %) wegens tuberculose. Het aantal in 1934 wegens ziekte afgekeurde Inheemsche landsdienaren bedroeg 1619 (in 1933 1444), waarvan 19 % (in 1933 20,6 %) wegens oogziekten (mcl. 3,9 % trachoom), 16,6 % (in 1933 17,5 %) wegens tuberculose, 9,5 % (in 1933 5,6 %) wegens ziekten van de ademhalingsorganen en 8,3 % (in 1933 9,9 %) wegens ziekten van het hart en van de vaten. JEUGDZORG. 299 F. JEUGDZORG. Kinderbescherming. a. Zorg voor weezen en verlaten kinderen. Van de op dit gebied werkzame in stellingen herdacht wederom een drietal haar langdurig (125, 80 en 40 jarig) bestaan in Nederlandsch-Indië. Dank zij het middel der groote geldloterijen kon het werk der kinderbescherming, zij het met de door de omstandigheden opgelegde beperking in de uitgaven, worden gehandhaafd. De moeilijkheid om de oudere pupillen aan betrekkingen te helpen, bleef echter bestaan. Voorts worde molding gemaakt van de oprichting van Inheemsche weeshuizen te Jogjakarta, Batavia, Meester Cornelis en Soerabaja, waaruit blijkt dat ook de particuliere Inheemsche wereld in deze soort van arbeid belang gaat stellen. b. Voogdijvoorziening. Betreffende 47 minderjarigen werd een voogdijvoor ziening getroffen, welke aanleiding gaf tot toekenning van de in I. S. 1928 n°. 179 bedoelde subsidie. e. Het Instituut der Gouvernementspupillen. Wijl in verband met de ophelïing van dit Instituut geen nieuwe pupillen daarvoor worden aangewezen, en een aantal door het bereiken van de gestelde leeftijdsgrens of terugkeer naar de familie als zoodanig werd afgevoerd, liep het aantal dezer minderjarigen terug van 248 aan het einde van 1933 tot 207 op einde 1934. Werd in 1933 een bedrag van f 74 442 aan retributies voor deze pupillen uit gegeven, in 1934 bedroeg dit f 63 283. Internaatswezen. In 1934 werd aan particuliere internaten geen bijdrage meer verleend. Van de aan de openbare opleidingsinrichtingen verbonden internaten werden er, tegelijk met de betrokken scholen, een viertal opgeheven (Serang, Salatiga en Pematang siantar voor jongens. Soerakarta voor meisjes). In verband met de reorganisatie van de opleidingsschool voor Inlandsche amb tenaren te Makassar werden de leerlingen dier school ondergebracht in het internaat der jongensiiormaalschool te genoemder plaatse. Lichamelijke opvoeding. Na de in het vorig Verslag vermelde afschaffing van het gymnastiekonderwijs op de Mulo-scholen, volgde vermindering van de voor dit vak op de middelbare en technische scholen uitgetrokken lesuren met één voor elk studiejaar. Over de invoering van lichaamsoefeningen aan de openbare hoogere burgerschool te Medan en aan het Christelijk lyceum te Bandoeng werden besprekingen gevoerd. De Gen tcng-school te Soerabaja benoemde een eigen leerares. Aan verschillende kweekscholen is bij wijze van proef overgegaan tot opleiding volgens de methode-Gaulhofer, beschreven in het boek van Dobbenga. Over de resultaten kan nog geen oordeel worden uitgesproken, doch het laat zich aanzien, dat deze nieuwe methode voornamelijk aan de Hollandsch-Inlandsche kweekscholen door de groote mate van initiatief en zelfstandigheid, welke de onderwijzer moet bezitten, te hooge eischen stelt aan de kweekelingen. In 1934 heeft de 10de Tienkamp om den Gouverneur-Generaals-Wisselbeker plaats gehad, welke wederom een groot succes was. Van de 10 deelnemende kweek scholen en middelbare opleidingsscholen voor Inlandsche ambtenaren won de Hol landsch-Inlandsche kweekschool te Bandoeng den beker; van de 11 normaalscholen was die van Salatiga N°. 1. De deelnemers gaven zeer goede prestaties te zien. BETREKKINGEN MET HET BUITENLAND. 3 HOOFDSTUK I. DE STAATKUNDIGE TOESTAND. A. BETREKKINGEN MET HET BUITENLAND. 1. Nederlandsch-Indië en de Volkenbond. a. Organisatie van de statengemeenschap. Ten behoeve van het Technisch Comité van de Budgetaire Commissie der Ontwapeningsconferentie werden ook door Nederlandsch-Indië de gevraagde budgetaire gegevens over 1932 verstrekt. Hierbij bleek, dat het stelsel van publicatie van defensie-uitgaven overeenkomstig het opgesteld ontwerp-verdrag het bezwaar had een wel zeer omvangrijken arbeid te vorderen, weshalve de Indische Regeering aandrong op vereenvoudiging van dat stelsel. De bezwaren werden onder de aandacht van de conferentie gebracht. Naar aanleiding van de internationale actie om te komen tot een uitvoerverbod van wapenen naar Bolivia en Paraguay, waaraan ook de Nederlandsche Regeering, voor zoover de bestaande wettelijke bepalingen het toelieten, deelnam, werd nagegaan in hoever bijzondere maatregelen moesten worden genomen om te verzekeren, dat uitvoer van wapenen naar genoemde landen evenmin uit Neder landsch-Indië zou plaats hebben. Aangezien krachtens de vuurwapenordonnantie (I. S. 1925 n°. 498) voor den uitvoer van de in die ordonnantie genoemde vuur wapens steeds een vergunning noodig is, waren voorshands geen nadere voor zieningen noodig. b. Economische, financieele en verkeersbetrelckingen. In zijn eerste gewone zitting van het zittingsjaar 1934/1935 bracht de Volksraad advies uit over de wetsontwerpen tot toepasselijk verklaring op Nederlandsch-Indië, Suriname en Curacao van de Geneefsche wisselrecht- verdragen van 1930 (zie Indisch Verslag 1931, blz. 7) en behandelde het College tevens een ontwerp-ordonnantie, waarbij het Indische wisselrecht in overeenstemming werd gebracht met het nieuwe internationale wisselrecht (onderwerp 21 en I. S. 1934 n°. 502). In zijn tweede gewone zitting van hetzelfde zittingsjaar behandelde de Volksraad een gelijksoortig wetsontwerp en ontwerp-ordonnantie met betrekking tot de cAègwerec/i'-verdragen en het Indische chèqucrecht (onderwerp 118 en I. S. 1935 n°. 77). Het verdrag betreffende economische statistieken trad met ingang van 5 Mei 1934, doch onder bepaalde reserves (zie Indisch Verslag 1933, blz. 3, j°. 1932, blz. 5), voor Nederlandsch-Indië in werking (I. S. 1933 n°. 309). Naar aanleiding van het verzoek van het Volkenbondssecretariaat om de opmerkingen te mogen vernemen, waartoe de door het Comité van Statistiek deskundigen opgestelde minimumlijst van goederen voor de internationale handels statistiek aanleiding gaf, deelde de Indische Regeering mede, dat er naar zou worden gestreefd de Indische en de internationale naamlijst geleidelijk nader tot elkaar te brengen zonder aan de waarde van de Indische statistiek — die haar eigen behoeften heeft — en aan haar continuïteit afbreuk te doen. Het verdrag nopens de belastingheffing van vreemde motorrijtuigen (zie Indisch Verslag 1933, blz. 4) trad op 16 Juli 1934 voor Nederlandsch-Indië in werking (I. S. 1934 n°. 122). De Directeur van Financiën werd gemachtigd om besturen van als rechtspersoon erkende, behartiging van verkeorsbelangen ten doel heb bende vereenigingen te machtigen tot het afgeven van internationale belasting cartiets, bedoeld in artikel 3 van het verdrag, en om met betrekking tot verleening, weigering, uitrekking en registratie dier bescheiden en tot de verdere uitvoering van het verdrag de noodige voorschriften vast te stellen. Deze vaststelling geschiedde I INANCIEELE TOESTAND. 30 B. DE FINANCIËN DER ZELFBESTURENDE LANDSCHAPPEN. De Landsbijdrage tot dekking der tekorten op de gewone diensten der Land- Bohapsbegrootingen bedroeg voor 1934 f I 426 293, tegen f 1 497 805 in 1933. Deze vermindering had plaats niettegenstaande het feit, dat de kassen van Sanggau en Matang (Westerafdecling van Borneo) voor het eerst armlastig werden. De in de Landschaps-huishouding tot stand gekomen aanpassing aan de ver minderde middelen werd verder doorgevoerd. In eenige kasgebieden had financieel herstel plaats: zoo konden de kassen van Bima (Timor en Onderhoorigheden) en van Ternate, Tidore en Batjan (Molukken) in 1934 voor het eerst zonder Landssteun aan hare verplichtingen voldoen, terwijl door eenige landschappen in Manado een gedeelte van de toegestane Landsbijdrage ongebruikt in 's Lands kas kon worden teruggestort. De Landschapskassen van Sambalioeng en Goenoeng taboer (Zuider- en Ooster afdeeling van Borneo) werden tot één kas samengevoegd. Bij Ördn. van 30 Nov. 1934 (I. S. nos. 657 en 658) zijn onderscheidenlijk do opcenten op de personeele belasting en de opcenten op de verponding in de gewesten Soerakarta en Jogjakarta verhoogd. De desbetreffende gegevens in hot tweede deel van dit Verslag geven een beeld van den toestand van de Landschapsfinaneiön. DB SOCIALE TOESTAND. 300 Aan den Vijfkamp om den Zilveren Discus van den Directeur van Onderwijs en Eeredienst werd door 19 middelbare scholen deelgenomen; ook hier was de Hollandsch- Inlandsche kweekschool te Bandoeng N°. 1. Behalve deze door de Inspectie voor de lichamelijke opvoeding georganiseerde wedstrijden, werden nog vele plaatselijke school wedstrijden gehouden. Het aantal vaardigheidsproeven, door den Bond voor lichamelijke opvoeding aan leerlingen van verschillende scholen uitgereikt, bleef ver beneden het normale tengevolge van de geldelijke bijdrage, welke thans wordt geëischt. Vermelding verdient nog de eerste deelneming van Nederlandsch-Indië aan de Oostersche Olympische spelen, welke in Mei 1934 te Manilla zijn gehouden. Deze deelneming droeg een oriënteerend karakter. De Inspecteur voor de lichamelijke opvoeding bevond zich onder de officieele vertegenwoordigers; de uitzending van de deelnemers werd gefinancierd door de Stichting „Fonds ter bevordering van de sport in Nederlandsch-Indië". ARMENZORG. 301 G. ARMENZORG. Een nieuwe regeling van de armenzorg kwam tot stand bij Ord. van 13 Jan. 1934 (I. S. n°. 26) en is in werking getreden op 1 Juni 1934 (zie I. S. n°. 330). In deze ordonnantie wordt bepaald, dat de regeling van de armenzorg op Java en Madoera behoort tot de huishouding van de stadsgemeenten en regentschappen; in de Buitengewesten tot die van de gemeenten. Buiten dit gebied zullen algemeene armencommissies worden ingesteld. De bij die regeling in acht te nemen beginselen zijn de volgende: I°. de armenzorg wordt zooveel mogelijk overgelaten aan religieuze en maat schappelijke instellingen of gebruiken; 2°. de overheidszorg vanwege de betrokken rechtsgemeenschappen draagt een aanvullend karakter; 3°. de zelfstandigheid der onder I°. bedoelde instellingen wordt, met inachtneming van een behoorlijke samen werking, zooveel mogelijk gehandhaafd. De bij de openbare verkoopingen, zoomede op loterijen en premieleeningen ten behoeve van de armen geheven gelden zijn bij Ord. van 13 Jan. 1934 (I. S. n°. 27) verhoogd, welke verhooging 1 October 1934 is ingegaan (zie I. S. n°. 511). Bij G. B. 24 Dec. 1934 n°. 23 (I. S. n°. 705) zijn, voor zooveel noodig, ingetrokken de regelen betreffende armenverzorging in I. S. 1886 n°. 127, 1921 n°. 768 en 1925 n°. 166 en is bepaald dat de kapitalen en bezittingen van de te Batavia, Semarang en Soerabaja gevestigde commissies tot ondersteuning van behoeftige christenen zullen worden overgedragen aan de stadsgemeenteraden van Batavia, Semarang en Soerabaja. DE SOCIALE TOESTAND. 302 H. BESCHERMING VAN HET GRONDBEZIT. Overheidsbemoeienis met uit te geven gronden. a. Van wege hel Land. De bij G. B. 15 Juni 1931 n°. 13 ingestelde commissie inzake het grondbezit van Indo-Europeanen deed reeds een paar deelen van haar verslag verschijnen. Ook in 1934 werd een mild standpunt ingenomen ten aanzien van verzoeken, strekkende ter verkrijging van faciliteiten in de betaling van erfpachts-canon en wel in dezen vorm, dat in gevallen, waarin daartoe aanleiding bestond, aan erfpachters werd vergund om den achterstalligen canon aan te zuiveren in payementen. Op die wijze werd reeds een niet onbelangrijk deel van den achterstand over vorige jaren afbetaald. In 1934 werd aan canon ontvangen f 3 066 590, tegen f 1 802 162 in 1933. Bij G. B. 6 Maart 1934 n°. 39 (Bb. n°. 13202) is het gebied aangewezen, waarin geen woeste gronden meer in erfpacht zullen worden uitgegeven. b. Van wege de Zelfbesturen. In den toestand van de landbouwondernemingcn in de Vorstenlanden kwam geen verbetering, hetgeen onder meer ten gevolge had, dat nog op ruimere schaal conversie-rechten werden prijsgegeven. Eenige ondernemingen gaven die rechten op alle bouwgronden prijs, terwijl in een enkel geval tevens de fabriek voor goed werd gesloten. In de meeste gevallen evenwel wordt met de moge lijkheid rekening gehouden, dat wanneer de tijden gunstig worden, de suikerfabrieken hun arbeid weder zullen kunnen aanvangen, zij het op beperkter basis. Ten aanzien van laatstbedoelde ondernemingen heeft de prijsgeving der conversie-rechten ten gevolge ,dat zij nagenoeg geheel in gelijke positie komen te verkeeren als die in de Gouvernementslanden, welke thans ook stilliggen. Gaan zij weer werken, dan zullen zij de beschikking over voor den aanplant benoodigde gronden door middel van vrije inhuur van de bevolking moeten trachten te verwerven. Voor die ondernemingen behooren de voorrechten bij de agrarische reorganisatie verleend, tot het verleden; zij komen nu dadelijk te verkeeren in den toestand, zooals men zich dien na omme komst van de 50-jarige conversie-periode had gedacht. Voordeel levert dit op voor de gebruiksgerechtigden onder de bevolking, die hun grond dus nu reeds onbezwaard hebben ontvangen, tegen jaarlijksohe betaling van de landrente. Voor de Zelfbesturen beteekent de prijsgeving een sterke daling van hun inkom sten, aangezien de door de bevolking opgebrachte landrente slechts een geringe tegemoetkoming is voor de veel hoogere pachten, welke tevoren door de conversie ondernemingen werden betaald ten behoeve van de Zelfbestuurskassen. Bij Ord. van 8 Nov. 1934 (I. S. n°. 616) is het Vorstenlandsche grondhuurregle ment nader gewijzigd, voor wat betreft de periodieke herziening van de minimum grondhuurprijzen (art. 15). Had deze periodieke herziening tevoren om de tien jaren plaats, thans moet zij om de vijf jaren geschieden, waardoor deze speciale Vorsten landsche regeling meer in overeenstemming werd gebracht met die, welke in de Gouvernementslanden geldt. Ingevolge art. 11 van genoemd grondhuurreglement wordt de door den onder nemer te betalen pacht van de conversie-gronden telkens om de tien jaren herzien. Thans is dit artikel aangevuld met de bepaling dat, desgewenscht, de ondernemer de verklaring kan afleggen er mede in te stemmen, dat de jaarlijks te betalen ver goeding onderworpen zal zijn aan een herziening om de vijf jaren, terwijl tevens regels gegeven zijn teneinde deze verklaring ook voor rechtsopvolgers bindend te doen zijn. Deze wijziging werd bewerkstelligd, teneinde een snellere aanpassing aan de zich wijzigende omstandigheden te kunnen verkrijgen, door veelvuldiger herziening van BESCHERMING VAN HET GRONDBEZIT. 303 de minimum-grondhuurprijzen (c. g. dus tevens van de aan de Zelfbesturen ver schuldigde pacht-vergoeding). De voor de Vorstenlanden geldende opstalregeling (Bb. nos. 9005 en 9826) onder ging een wijziging, welke werd neergelegd in G. B. 13 Juli 1934 n°. 19 (Bb. n°. 13289). De bedoeling van deze wijziging is om de Vorstenlandsoho regeling in overeen stemming te brongen met die voor uitgifte van gronden met het recht van opstal in zelfbestuursgebied in de Buitengewesten (G. B. 23 Aug. 1931 n°. 5 in Bb. n°. 12640). Overheidsbemoeienis met de particuliere landerijen. De toestand van 's Lands financiën liet ook in 1934 geen terugkoop van particu liere landerijen toe. Uitvoering der grondhuurordonnantie. Ook in 1934 streefden vele suikerondernemingen wegens inkrimping van den rietaanplant naar verbreking van grondhuur-contracten. In de overgroote meerder heid der gevallen konden de daarvoor benoodigde minnelijke schikkingen tusschen huurders en verhuurders tot stand komen. Kadastrale en topografische opnemingen. A. Het kadaster. Wegens de verder doorgevoerde bezuiniging en de voort gezette inkrimping van de personeelsformaties bleef het aantal in 1934 afgeleverde technische werkstukken beneden dat van het voorafgegane jaar. Hierdoor — en mede als gevolg van de nog steeds voortdurende daling van de grondprijzen — bleven ook de kadastrale inkomsten beneden die van het vorig jaar (in 1934 ± f 253 000, tegen in 1933 ± f 279 000). Daarentegen bleef het aantal door den nood der tijden gedwongen openbare verkoopingen van onroerende goederen stijgen. In de jaren 1930 t/m 1934 bedroeg dat aantal achtereenvolgens 1157, 1086, 1308, 1559 on 1644. Het kadasterkantoor te Kediri is 1 Maart 1934 opgeheven en het ressort daarvan gevoegd bij het kadasterkantoor te Soerabaja. B. Topografische opnemingen. Geodetische werkzaamheden werden door de triangulatie-brigade verricht op de eilanden Sumatra, Celebes en Borneo. In Atjeh breidden de verkenningen en de pilaarbouw zich geleidelijk over de Oost- en Noordkust uit tot Seulimeum, terwijl de hoekmetingen stelselmatig volgden. Met het oog op de voorgenomen hydrografische herziening van de Gaspar-straten werden de nog ontbrekende aansluitingsmetingen tusschen het Bangka- en Billiton net tot stand gebracht. Op grondslag van de in 1933 verrichte werkzaamheden ter verbetering van de lineaire afmetingen en de oriënteering van het locale triangulatie-net der Bataafsche Petroleum Maatschappij (B. P. M.) werden de gegevens van dit, zich tusschen Balikpapan en Samarinda (Borneo) uitstrekkende, net omgerekend in definitieve coördinaten van het sedert 1924 voor geheel Nederlandsch-Indië aangenomen alge meene systeem. Hierop werd voortgearbeid door verkenningen, pilaarbouw en hoek afmetingen in de terreinen, welke niet of onvoldoende bestreken worden door het 8.P.M.-net, dat uiteraard beperkt is tot het voor oliewinning in aanmerking komende gebied. De stelselmatig elkaar opvolgende veldwerkzaamheden (verkenning, pilaarbouw en hoekmeting) op Celebes werden voortgezet tot het Poso-meer in het hart van het eiland. DE SOCIALE TOESTAND. 304 Op het observatie-station te Tjililitan (nabij Batavia) werd regelmatig voort gegaan met de bijdrage van Nederlandsch-Indië in de internationale bestudeering van de beweging der aardas binnen het aardlichaam. De eerste kaarteering van de Buitengewesten (taak der 4 opnemingsbrigades), schaal 1 : 50 000 voor de gecultiveerde en schaal 1 : 100 000 voor de nog niet gecul tiveerde gebieden, werd voortgezet. De kaarteering van de gewesten Atjeh (Tamiang en Langsa), Tapanoeli (Bataklanden), Djambi (benedenstroomgebied der Batang hari) en Bangka (Toboali) vorderde met resp. 2902, 691, 10 483 en 1261 km 2 , totaal 15 337 km 2 . Een aanvang werd gemaakt met de kaarteering op Borneo, welke gedurende het verslagjaar 240 km 2 van het Balikpapan-Samarinda-complex besloeg. De regelmatige voortgang van de kaarteering op Celebes omvatte 3668 km 2 van het grensgebied tusschen het Zuidwestelijk schiereiland en Midden-Celebes. Het voortgezette experiment van de grootendeels op mechanischen voet geschoei de luchtfotogrammetrische kaarteering leverde ook gedurende het verslagjaar goede resultaten op, zich uitstrekkende over 1272 km 2 van Bangka (Belinjoe). Een vluchtige opneming (niet dan wel slechts gedeeltelijk, berustende op geode tischen grondslag en spoedshalve toegepast op de kleine, weinig volkrijke eilanden) had plaats op Noord- en Zuid-Pagai, tot de Mentawai-eilandengroep behoorende. De totale oplevering bedroeg 1744 km 2 . De voortgezette kaarteering van Timor en Soemba strekte zich uit over resp. 2455 en 1785 km 2 . Samenvatting van de eerste kaarteering der Buitengewesten. Op den voet van de periodieke herziening van de 1 : 5000 landrente-kaarten (zie hieronder) worden 1 : 25 000 topografische manuscriptenbladen aangelegd, welke bij gebleken noodzaak tot het herdrukken van een bepaald topografisch detailblad den grondslag vormen voor het samenstellen van de voor de reproductie bestemde moederteekening. De metingen ten behoeve van de 10-jaarlijksche herziening van den landrente aanslag strekten zich uit over 790 500 ha van Java, gelegen in de regentschappen Krawang, Tasikmalaja, Tjilitjap, Blora, Bodjonegoro, Kediri en Bondowoso. In de afdeeling Hoeloesoengai van de residentie Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo werd het landrente-areaal over een oppervlakte van 63 900 ha herzien. De werkzaamheden op Celebes droegen het karakter van nieuwe metingen, gericht op de eerste invoering van den landrente-aanslag in de zelfbesturende 1 ) Met uitzondering van verkennings-, patrouille- en route-kaarten. BESCHERMING VAN HET GRONDBEZIT. 305 landschappen der afdeelingen Bone en Parepare; de afgewerkte uitgestrektheid besloeg 72 500 ha. Met de oplevering gedurende 1934 van 30 700 ha in de afdeeling Zuid-Bali kwam de herzieningsarbeid van dit eiland gereed. In het herzieningstijdvak No vember 1928 —Juni 1934 is op Bali aan inheemsche bouwvelden een oppervlakte van 399 640 ha afgewerkt, waarvan 348 658 ha of 87 % landrenteplichtig. Aangezien een herziening van het stabiele landrente-areaal op Lombok niet van strikt nood zakelijken aard was, werd het landrente-detachement van Bah en Lombok 1 Juli 1934 opgeheven. Op het eiland Bangka werd voortgegaan met het opmeten en in kaart brengen van grondstukken (hoofdzakelijk pepertuinen) ten behoeve van de in 1930 aange vangen registratie van den domeingrond, welke door de niet-inheemsche bevolking (Chineezen) wordt geoccupeerd; gedurende 1934 strekten deze werkzaamheden zich uit over 1323 grondstukken. In de afdeeling Bataklanden (res. Tapanoeli) werden de metingen voortgezet, welke gegevens moeten verschaffen omtrent de mutaties in de reeds gekaarteerde en geregistreerde grondstukken (sawah), welke door de inheemsche bevolking in individueel bezit worden geoccupeerd. Gedurende 1934 werden aldus 695 splitsingen annex uitbreiding (inkrimping) van het sawah-bezit verwerkt, terwijl van de zijde der bevolking 496 aanvragen binnenkwamen om kaartjes op gezegeld papier, betrek king hebbende op de door belanghebbenden geoccupeerde grondstukken. De samenstelling van de 1 : 5 000 000 overzichtskaart nadert haar voltooiing, terwijl van de Nederlandsch-Indische bijdrage voor de 1 : 1 000 000 internationale wereldkaart het blad Serawak gereed kwam. Aan de hand van de in 1933 voltooide, 26-bladige landbouwstatistiekkaart van Java, schaal 1 : 150 000, werden de betreffende oppervlakte-registers regent schapsgewijze samengesteld met een onderverdeeling in districten inzake de uit gestrektheid van het landrente-areaal, de gemeentelijke weidegronden, de erfpachts gronden (particuliere landerijen e.d.), de djati- en wildhoutbosschen alsmede natuur monumenten (complex-gewijze) en tot slot de niet-geoccupeerde domeingronden. Van de 1 : 250 000 overzichtskaart van Sumatra kwamen de 3 bladen Sinabang, Goenoengsitoli en Siak Sri Indrapoera gereed, zoodat van dit 28-bladige kaartwerk nog 9 bladen samengesteld dienen te worden. De 10-bladige 1 : 750 000 overzichts kaart is op 1 blad na voltooid. Bij het reproductie-bedrijf van den Topografischen Dienst verschenen in druk 35 topografische detailbladen, waarvan 10 betrekking hebben op West-Java, 23 op Midden-Java en 2 op Oost-Java. Voorts werd met de reproductie van 16 bladen de 26-bladige landbouwstatistiek kaart, schaal 1 : 150 000 afgewerkt. De reproductie omvatte 65 topografische detailbladen (5 van Sumatra's Westkust, 14 van de Oostkust van Sumatra, 4 van Djambi en 42 van Bangka). Voorts verschenen 2 bladen (Riouw-archipel en Palembang-Djambi) van de overzichtskaart 1 : 750 000 in druk. De reproductie van de 1-bladige 1 : 2 000 000 overzichtskaart van Borneo kwam gereed. Van de Westerafdeeling verscheen 1 topografisch detailblad in ver beterden herdruk. Van het zuidwestelijk schiereiland van Celebes verschenen 4 topografische detailbladen. Van Bah kwam de reproductie der laatste 2 detailbladen gereed. Voorts verscheen 1 topografisch detailblad van Lombok en 1 detailblad der vluchtige opname van Soemba. In druk verschenen 1 detailblad van de vluchtige opname van Halmahera en de 1 : 500 000 overzichtskaart van dit eiland. 20 DE SOCIALE TOESTAND. 306 I. ARBEID. Bescherming van Nederlandsch-Indische werknemers in het buitenland. Bij G. B. 8 Febr. 1934 n°. 12 (J. C. n°. 13), juncto G. B. 27 Febr. 1934 n°. 27 (J. C. n°. 19), is, met vrijstelling van het in art. 1 der Ord. van 9 Jan. 1887 (I. S. n°. 8) bedoeld wervingsverbod, aan den Consul-Generaal van Frankrijk voor Neder - landsch-Indië te Batavia voor den tijd van één jaar vergunning verleend tot het aanwerven van ten hoogste 1610 Inlanders van Java voor het verrichten van uit sluitend bovengrondschen arbeid op de in de Fransche kolonie Nieuw-Caledonië gelegen ondernemingen van landbouw, mijnbouw en nijverheid. Met het oog op de hervatting sedert einde 1933 van de uitzending van arbeiders naar Nieuw-Caledonië, vertrok in Mei 1934 een arbeidsinspecteur in opdracht van de Regeering naar deze Fransche kolonie, teneinde een onderzoek in te stellen naar de arbeidstoestanden, waaronder de van Java afkomstige arbeiders aldaar werkzaam zijn en naar de wijze, waarop de bij de werkovereenkomst vastgestelde arbeidsvoorwaarden worden nageleefd. Reeds eerder werd een zoodanig bezoek door een Nederlandsch-Indischen arbeidsinspecteur aan dat gebied gebracht, de laatste maal in 1928. Werd het toen noodzakelijk geacht speciale aandacht te wijden aan het terug zendingsvraagstuk, sedert de door de Koninklijke Paketvaart Maatschappij tot stand gebrachte geregelde verbinding tusschen Java en Nouméa deden zich in dit opzicht in de laatste jaren geen moeilijkheden meer voor; klachten van arbeiders over het ontbreken van gelegenheid tot repatrieeren, werden ditmaal dan ook niet bij den arbeidsinspecteur voorgebracht. Op 1 Januari 1934 bevonden zich in Nieuw-Caledonië 4331 Javaansche contract arbeiders, alsmede 680 aldaar gevestigde vrije Javanen. Omtrent de voorwaarden, waarop vrije arbeiders naar Britsch Noord-Bornco zouden kunnen emigreeren, werd nog geen volledige overeenstemming tusschen de betrokken Regeeringen bereikt. De voorgenomen wijziging van de arbeidswetgeving voor de Straits Settlements kwam in 1934 tot stand. Daarbij is de „Netherlands Indian Labourers Protection Ordinance", welke in de praktijk reeds niet meer werd toegepast, ingetrokken, zoodat thans ook de mogelijkheid, dat arbeiders van Java daar te lande onder poenale sanctie zouden worden tewerkgesteld, is komen te vervallen. Tegelijkertijd is de „Ordinance n°. 197 (Labour)" der Straits Settlements aangevuld met een op het tewerkstellen van op Java aan te werven vrije arbeiders betrekking hebbend hoofdstuk, hetgeen voorloopig slechts theoretische waarde heeft, aangezien aan een zoodanige aanwerving sedert jaren geen behoefte bleek te bestaan. De in de Gefedereerde Maleische Staten gelegen onderneming „Selborne Plan tation", welke in 1934 nog een vergunning tot het aanwerven van arbeiders op Java had loopen, ging in het begin van dat jaar tot sluiting over. De op de onderneming aanwezige arbeiders zijn naar Java teruggezonden, voor zoover zij er niet de voor keur aan gaven daar te lande te blijven. In 1934 zijn 1498 arbeiders uit het buitenland naar Java teruggekeerd; het meerendeel daarvan was afkomstig uit Nieuw-Caledonië. Naar deze Fransche kolonie vertrokken in dat jaar 1041 personen. Naar Suriname zijn in 1934 geen contractarbeiders of kolonisten uitgezonden; evenmin had terugzending van arbeiders van daar naar Java plaats. Arbeidsvoorwaarden. Werden door de plantersvereenigingen tor Oostkust van Sumatra, als gevolg zoo wel van de slechte vooruitzichten bij de verschillende cultures als van de daling van ARBEID. 307 den levensstandaard, in de afgeloopen jaren herhaaldelijk wijzigingen gebracht in de bestaande loonrcgelingen, welke tot verlaging van de inkomsten van de arbeiders leidden, in 1934 bleven de laatstelijk ingevoerde regelingen nagenoeg onveranderd van kracht. Bij de ondernemingen, aangesloten bij de Dcli Planters Vereeniging (D.P.V.), welke voor zoover betreft de tabaksondernemingen uitsluitend, en voorzoover betreft de ondernemingen van anderen aard vrijwel uitsluitend met vrije arbeiders werken, bedroeg het loon voor eiken werkdag 32 et. voor mannen en 27 et. voor vrouwen, met een tijdelijken toeslag van 5 et. Op de ondernemingen, aangesloten bij de Algemeene Vereeniging van Rubber planters ter Oostkust van Sumatra (A.V.R.0.5.), kwamen de vrije arbeiders ook in 1934 tot dezelfde inkomsten als de vrije werkkrachten bij de D.P.V., echter met dit verschil dat deze inkomsten hier waren uitgedrukt in 34 et. loon per werkd&g voor mannen en 29 et. voor vrouwen, met daarentegen een opzegbaren toeslag van 3 et. Aan deze categorie arbeiders op de ondernemingen, vallende onder de regelingen van beide plantersvereenigingen, werd dus geen loon meer uitbetaald over de vrije dagen (hari's besar). Uitbetaling van loon over de rustdagen is echter voorgeschreven ten aanzien van de arbeiders werkzaam op den voet van de koelie-ordonnantie. Teneinde op die A.V.R.0.5.-ondernemingen, waar nog van contract-arbeid wordt gebruik gemaakt, voor de arbeiders in reëngagementscontract tot ongeveer gelijke inkomsten als voor de vrije werklieden te komen, gaf de A.V.R.O.S. daarom in 1933 in overweging de verhooging met 5 et., boven de zoowel voor immigratie- als voor reëngagementscontracten vastgestelde minimum-loonen van 32 et. voor mannen en 27 et. voor vrouwen, welke voor de groep reëngagisten gebruikelijk was, terug te brengen tot 2 et. Deze maatregel en het niet meer uitbetalen van loon over vrije dagen aan de vrije arbeiders, kwam dus in 1933 feitelijk neer op een loonsverlaging van ± 3 et. per dag over de geheele linie. In 1934 kwam de A.V.R.O.S. tot de conclusie, dat de kosten van levensonderhoud voor de arbeidersbevolking opnieuw waren gedaald. Na vergelijking van de door haar verzamelde gegevens met de door de arbeidsinspectie opgemaakte koelie budgets bleken deze kosten, sedert de berekening daarvan in 1932 door een vanwege de Permanente Arbeidscommissie te Medan ingestelde commissie, inderdaad gemid deld met ± 3 et. te zijn teruggeloopen. # Deze resultaten gaven de A.V.R.O.S. aanleiding begin Januari 1935 een nieuwe loonsverlaging aan haar leden in overweging te geven van 2 et. voor elke categorie van arbeiders. Daarbij werd tevens voor het eerst een loonbedrag aangegeven voor nieuw aangekomen vrije arbeiders. Deze nieuwe loonen bedragen dus: voor nieuwelingen werkzaam op een poenale sanctie-contract 30 et. voor mannen en 25 et. voor vrouwen; voor nieuwelingen werkzaam op een vrije arbeidsovereenkomst 32 et. voor mannen en 27 et. voor vrouwen zonder uitbetaling van loon op vrije dagen; voor reëngagisten werkzaam op een poenale sanctie-contract 30 et. voor mannen en 25 et. voor vrouwen, met een opzegbaren toeslag van 2 et.; voor reëngagisten werkzaam op een vrije arbeids overeenkomst 32 et. voor mannen en 27 et. voor vrouwen zonder uitbetaling van loon op vrije dagen en met een opzegbaren toeslag van 3 et. Een uniforme loonregeling komt verder nog voor in de Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo. Het bestuur van de Algemeene Landbouw- en Industrievereeniging aldaar stelde de dagloonen voor vrije arbeiders eind 1934 voor haar leden vast op 27 et. voor mannen en 22 et. voor vrouwen. Deze bedragen gaan slechts weinig uit boven de door de arbeidsinspectie berekende kosten van levensonderhoud en be- DE SOCIALE TOESTAND. 308 vatten dus niet de daarboven gebruikelijke marge voor prijsschommelingen en extra-uitgaven. Voor zoover de vorenbedoelde uniforme toonregelingen niet op de ondernemingen in de genoemde gewesten — en in de eveneens tot het rayon van de A.V.R.O.S. behoorende gewesten Atjeh en Onderhoorigheden en Tapanoeh ■ —- van toepassing zijn, komen, evenals op de cultuurondernemingen in de overige Buitengewesten, onderling wel eenigszins varieerende loonbedragen voor, zonder dat deze evenwel belangrijk afwijken van de hierboven genoemde bedragen. Op mijnbouw-ondernemingen, ondernemingen tot winning van aardolie en andere speciale bedrijven, waarbij in vele gevallen een deel van het werkvolk als „skilied labourers" kan worden aangemerkt, worden over het algemeen veel hoogere loonen toegekend. In het panglong-gebied in Riouw en Onderhoorigheden en in de afdeeling Beng kalis der Oostkust van Sumatra zette de loonsverlaging zich in 1933 nog verder voort. In deze streken bedroegen de loonen gemiddeld, met inbegrip van vrije voeding: 1932 1933 boomkappers § 20.77 $ 18.— boomschillers 17.70 14.90 zagers 20.40 16.60 trekkers 13,— 11,50 wegwerkers 15, — 14,70 Daarbij dient dan tevens nog in aanmerking te worden genomen de devaluatie van den Straits-dollar, welke in 1933 van f 1, — tot f 0,90 terugliep. Voor zoover dit van invloed was op de prijzen der aan te koopen goederen, zooals dit het geval was met het opium, hetwelk tegen Nederlandsch-Indischen prijs wordt berekend, be teekende deze devaluatie een extra loonsverlaging met 10 %. Op Java heeft de loonsvermindering zich ook in 1934 over alle bedrijven voort gezet met dien verstande, dat in de tweede helft van 1934 in de meeste bedrijven een geringe stijging van de loonen viel te bespeuren. Hieronder volgen de gemiddelde dagloonen in centen over de laatste 7 jaren op drie thee-ondernemingen, gelegen in verschillende deelen van Priangan. ') Verwerkt onder fabrieksvolk. ARBEID. 309 In deel II van dit Verslag zijn nog een tweetal tabellen opgenomen, waarin een vergelijking gegeven wordt betreffende de loonen gedurende de laatste jaren in de suikerindustrie. Arbeidsbemiddeling en Werkloosheidsbestrijding. Ook in 1934 vertoonde het aantal ingeschreven arbeidszoekenden bij de arbeids beurzen in Nederlandsch-Indië op het einde van het jaar een stijging vergeleken bij de overeenkomstige cijfers van 1932 en 1933, gelijk uit onderstaand overzicht kan blijken. Indien echter het aantal ingeschrevenen over het geheele jaar 1934 genomen wordt, dan valt een teruggang te constateeren bij het aantal werkzoekenden en een stijging bij het aantal wer geversaan vragen. Desondanks blijft het aantal plaatsingen in 1934 achter bij dat van 1933. De desbetreffende cijfers volgen hier. Een belangrijke daling in het aantal werkzoekenden vond plaats in de groep Europeanen (van 9867 in 1933 tot 8597 in 1934). Het aantal werkgeversaanvragen voor Europeanen bleef echter nagenoeg constant, doch het aantal plaatsingen liep achteruit (van 1739 in 1933 tot 1541 in 1934). Een ongunstige verhouding tusschen het aantal plaatsingen en werkgevers aanvragen doet zich eveneens voor bij de groep Inheemschen, aangezien tegenover 5669 werkgevers-aanvragen slechts 3908 plaatsingen te boeken vallen. Definitieve conclusies omtrent het verloop van de arbeidsmarkt zijn ook in 1934 uit deze beschikbare cijfers niet te trekken, eerstens omdat het aantal inge schrevenen bij de arbeidsbeurzen lang niet alle werkloozen omvat en vervolgens omdat de schommelingen in het aantal werkzoekenden, werkgevers-aanvragen en plaatsingen niet van zulk een aard zijn, dat men van een bepaalde richting kan spreken. Slechts kan eenig voorbehoud worden geconstateerd, dat een zekere mate van stabiliteit in de werkloosheid is ingetreden. Werkzoekenden, werkgeversaanvragen en plaatsingen bij de Arbeidsbeurzen. DE FINANCIËN DER PROVINCIËN, ENZ. 31 C. DE FINANCIËN DER PROVINCIËN, GEMEENTEN, REGENTSCHAPPEN EN PLAATSELIJKE RADEN. Ook in 1934 bleek het noodzakelijk de Landsbijdragen aan de autonome gemeen schappen verder te verminderen. De zoogenaamde crisiskortingen moesten worden verhoogd tot een bedrag van f 8 672 994, of f 1 346 054 meer dan de korting over 1933. Nopens deze verminderingen werd uiteraard overleg geploegd met do betrokken locale besturen. De formeele regeling van deze crisis-korting vond plaats bij Ord. van 3 Sept. 1934 (I. S. n°. 536), doch reeds van I Januari van dat jaar af word met de ontworpen kortingen bij do uitbetaling van do vaste Landsbijdragen rekening gehouden. Met inachtneming van t\e in 1032 vastgestelde on sindsdien gehandhaafde ver minderingen van de Landsuitkeeringen, verband houdende met de op de salarissen van het locale personeel toe te passen kortingen ad f 1 214 952, welke werden op gelogd boven de vorengenoemde crisiskortingen, bedroeg do totale korting in 1934 derhalve f 9 887 946. Subsidies ten behoeve van de uitvoering van locale werken werden ook thans slechts toegekend, indien de urgentie onafwijsbaar vaststond en het betrokken ressort niet in staat was de uitvoering uit eigen middelen te financieren, zoodat op deze soort tegemoetkomingen nog eenige bezuiniging ten opzichte van 1933 kon worden vorkregen. Het aantal openbare gemeenschappen, dat- in het geheel geen vaste Landsuit keering moor ontvangt, vermeerderde in 1934 ton opzichte van 1933 met 9. De bestaande subsidiciegelen voor door autonome gebiedsdeelen geëxploiteerde ziekeninrichtingen worden aangevuld in dier voege, dat den Oouverneur-Generaal de bevoegdheid word gegeven do hierbedoelde tegemoetkomingen aan bepaalde maxima te binden, alsook om de jaarlijkscho tegemoetkomingen tijdelijk voor allo krachtens die regeling ondersteunde ziekeninrichtingen evenredig te verminderen, indien do op de Landsbegrooting uitgetrokken fondsen niet toelaten, dat zij onverkort worden uitgekeerd. (I. S. 1934 n°. 674). Ook door middel van taakafWenteling op de openbare gemeenschappen werd naar verdere bezuiniging gestreefd. Hoewel een formeele wettelijke voorziening houdende oen algemeene regeling van overdracht der individueele ziekenzorg, nog niet tot stand kwam. werd incidenteel aan deze overdracht voortgang gegeven. Hot beheer van de binnen dë z.g. uitgezonderde gebieden gelegen irrigatie-werken werd van 1 Januari 1934 af ondershands, en met ingang van 1 Januari 1935 krachtens de Ord. in I. S. 1934 □ . 550. juncto 1. S. 1934 n .692, definitief'aan de betrok ken provincies overgedragen. Eenig toezicht op d<- hierbedoelde groote werken blijft echter nog wel bestaan, aangezien zij voorshands niet zonder Landsbijdragen tot stand kunnen worden ge bracht on aldus vallen onder de in dr Ord. van 11 Sept. 1934 (I. S. n°. 548) vervatte bepalingen betreffende het toezicht op de uitvoering van openbare werken van open bare gemeenschappen, waarvoor van Landswege subsidie is verleend. In dit verband verdient nog vermelding de Ord. in I. S. 1934 n°. 549, welke bepalingen bevat omtrent de uitvoering van nader bij liogeeringsverordening aan te wijzen burgerlijke Landswerken door openbare gemeenschappen. Wettehjk vastgelegd werd voorts het beginsel, dat daar waar zelfstandige ge meenschappen bestaan, de regeling van de armenzorg - ■ welke overigens zooveel mogelijk aan religieuze en maatschappelijke instellingen moet worden overgelaten —■ tot de taak der stadsgemeenten, gemeenten en regentschappen behoort (I. S. 1934 n°. 26). Evenals het vorig jaar, word ook thans naar bezuiniging gestreefd door de samenvoeging van eenige regentschappen. Zoo werd met ingang van 1 Januari 1935 DE SOCIALE TOESTAND 310 Opvallend is de sterke afneming van het aantal werkzoekende Europeanen in de cultures, waartegenover echter een nog grooter toeneming in vrijwel alle andere groepen te constateeren valt. Evenals het vorig jaar is de werkloosheid onder de Europeanen het grootst in de technische beroepen, handel en administratie. De cijfers aangaande het verloop van de arbeidsmarkt van Inlanders en Chineezen leveren geen bijzondere gezichtspunten op, behoudens de sterke stijging van het aantal werkzoekende Inheemsche ambachtslieden, welke voor een groot deel moet worden toegeschreven aan do sluiting van enkele belangrijke werkplaatsen van de Staatsspoorwegen, te Manggarai en Madioen. Indeeling van de werkzoekenden in beroepsgroepen. Steunverleening. Door het Centraal Comité en de ± 70 daarbij aangesloten plaatselijke en ge westelijke comités werd ook in 1934 de bestrijding van de gevolgen der werkloos heid door middel van steunverleening regelmatig voortgezet, waarbij wederom de medewerking werd ondervonden van het Leger des Heils, do Amsterdamsche Maatschappij voor Jongemannen en de Centrale Stichting voor Katholieke Tehuizen voor crisis-werkloozen. De omvang van deze steunverleening door de stcuncomité's op Java moge blijken uit het overzicht, hetwelk aantoont, dat aan de voortdurende stijging van de steun verleening in de voorafgegane jaren in 1934 een einde is gekomen. Dit verschijnsel vindt ten deele zijn oorzaak in een door het Centraal Comité getroffen maatregel, welke de overheveling van de daarvoor in aanmerking komende werkloozen naar Armenzorg beoogt, doch anderzijds «ijzen de steun cijfers over 1934 op een zekere stabilisatie van den toestand op de arbeids markt. De financieele gevolgen van de overheveling naar Armenzorg spreken uit de cijfers voor de maanden Mei en Juni, welke een daling van ruim f 9000 ver toonen. De totale uitgaven der stcuncomité's, het Centraal Comité inbegrepen, hebben over 1934 i f iy 3 millioen beloopen. Deze uitgaven worden voor f 600 000 gedekt door particuliere bijdragen, voor f 400 000 door ondernemersbijdragen, voor f2OO 000 door opbrengsten van loterijen, voor f 100 000 door subsidies van de lagere overheden en voor f 150 000 door Regeeringssubsidie. De zware druk, welke do steunverleening aan werkloozen op de gemeenschap legt, en vooral de overweging, dat die druk langzamerhand haar tijdelijk karakter heeft verloren, bracht het Centraal Comité tot een belangrijke wijziging in de richt ARBEID. 311 lijnen voor 1935, waarbij het beginsel van een verplichte contra-prestatie voor den steun haar intrede heeft gedaan. Volgens de richtlijnen zullen de werkloozen na afvloeiing van de armenzorg-gevallen in twee groepen verdeeld worden: zij, die volgens de normen der arbeidsmarkt een redelijke kans maken om een nieuwe betrekking te vinden en zij, die wegens hun leeftijd of andere eigenschappen, daarvoor niet meer in aanmerking komen. Voor de eerste groep zal de steun op den gebruike lijken voet worden voortgezet met een maximum van 2 jaar, voor do tweede groep zullen maatregelen worden getroffen waardoor tewerkstelling als contra-prestatie voor den steun wordt mogelijk gemaakt. Tewerkstelling van jeugdige werkloozen vond in 1934 reeds plaats in de werkcentrale, welke door het Leger des Heils te Bandoeng is geopend. Deze inrichting biedt plaats aan ± 120 personen, die daarin con ambacht kunnen leeren of uitoefenen. Degenen, die zonder geldige redenen opzending weigeren, worden van verderen steun uitgesloten. Ook uit het „5-ton-fonds" ten behoeve van de suiker-crisis-werkloozen werden in 1934 de uitkeeringen regelmatig voortgezet. Uit het volgend overzicht blijkt, dat het aantal door dit fonds gesteunde Europeanen van 451 in Januari steeg tot 672 in September, waarmede uiteraard de uitgaven gelijken tred hielden. In totaal werd aan Europeanen uitgekeerd f 382 845. Wat de Inheemschen betreft, was het verloop onregelmatiger, omdat aan do geleidelijke stijging van het aantal steuntrekkers van ruim 5000 in Januari tot 7(544 in November, na afvoering van de steuntrekkers met 5 tot 10 jaar dienst, een einde werd gemaakt, waardoor het aantal terugviel tot 5811 in December. In totaal werd aan deze groep f 153 652 uitgekeerd. Uitkeering van het 5-ton fonds over 1934. DE SOCIALE TOESTAND. 312 De Indische Maatschappij voor Individueele Werkverschffing (1.M.1.W.), welke haar werkzaamheden medio 1933 heeft aangevangen, ontplooide zich krachtig in den loop van het jaar 1934. Aan het einde van het jaar werden door de 1.M.1.W. 32 cursussen gehouden, waarbij aan ruim 1000 jeugdige werkloozen onder wijs werd gegeven. De 1.M.1.W. verschafte voorts in het eerste jaar van haar bestaan rechtstreeks werk aan 73 mannelijke leerkrachten en administratief personeel bij de cursussen, terwijl een 100-tal Europeanen individueel gesteund werd en 120 Europeanen gesteund werden in eigen of in gesteunde bedrijfjes, terwijl bovendien nog 500 Inheemschen langs dezen weg werden geholpen. Het aantal afdeelingen der 1.M.1.W. breidde zich naar gelang van de behoefte uit en omvat thans 11 afdeelingen (Batavia, Buitenzorg, Bandoeng, Cheribon, Semarang, Jogjakarta, Soerakarta, Soerabaja, Malang, Probolinggo en Medan). Hoe langer hoe meer brak zich in 1934 de gedachte baan, dat met individueele werkverschaffing niet kan worden volstaan, doch dat daarnaast ook collectieve werkverschaffing ter hand zou moeten worden genomen, zij het aangepast aan de Indische toestanden. De eerste schreden op dien w r eg werden gezet door de oprichting van de specerijen-, speelgoed-, tuinbouw-, witkalk- en andere bedrijfjes te Soerabaja, welk voorbeeld op enkele andere plaatsen gevolgd werd. Aan het einde van het jaar kwam, mede in verband met de plannen van het Centraal Comité tot oprichting van werkcentrales, de inrichting van industrieele bedrijfjes op den voorgrond. Vermelding verdienen ten slotte nog de oprichting van een siersteenslijperij te Bandoeng, de proeven met vlascultuur te Soekamadjoe, de oprichting van een werkkamp voor de opleiding in den landbouw van werkloozen te Lawang, Salatiga en Soekaboemi, alsmede de oprichting van een rijwielmontage-werkplaats te Jogja karta. Aantal gesteunden en uitgekeerde bedragen in 1934 op Java. Werkverschaffing. ARBEID 313 In verband met de steeds verder om zich heen grijpende gevolgen der werkloos heid, achtte de Regeering eind 1934 de tijd gekomen om het vraagstuk van de werkloosheid in vollen omvang in studie te doen nemen. In verband hiermede werd het Kantoor van Arbeid opgedragen rapport uit te brengen omtrent den omvang van de werkloosheid en de maatregelen, welke zouden moeten worden genomen, om tot een doelmatiger bestrijding te komen. Het als resultaat van deze studie opgesteld werkplan ter bestrijding van do werkloosheid omvat eenerzijds de financiering van het Centraal Comité en de 1.M.1.W. voor de normale behoeften en anderzijds de financiering van de bijzondere maat regelen, welke in het werkplan worden voorgesteld, waarbij is uitgegaan van de volgende beginselen: a. de werkloozen-steunverleening behoort tot de taak van het particulier initiatief, daarbij gesteund door de Overheid; b. werkverschaffing is taak van de Overheid, daarbij gesteund door het particulier initiatief. De in het werkplan aangegeven maatregelen omvatten de volgende punten: beperking van den import van vreemde werkkrachten, welk vraagstuk sedert bij ordonnantie is geregeld; verruiming van Overheidsvraag naar werkkrachten, welk punt nog in studie is; verlenging van den militairen diensttijd, waaraan gevolg is gegeven door de mogelijkheid open te stellen voor maximaal 200 jongelieden om door te dienen na volbrenging van hun werkelijken diensttijd; uitbreiding van de 1.M.1.W. -cursussen, waaraan geleidelijk gevolg gegeven wordt; overleg met de werkgevers, teneinde zooveel mogelijk de benoodigde werkkrachten van de Indische arbeidsmarkt te betrekken; uitbreiding van de individueele 1.M.1.W.-werkverschaffing door het verleenen van rentelooze voorschotten voor den opzet van éénpersoonsbedrijfjes; uitbreiding van de 1.M.1.W.-bedrijfjes, waarin werkloozen collectief tewerk worden gesteld, zoo eenigszins mogelijk op commercieele basis; het bevorderen van den klein-woningbouw door opnieuw de gelegenheid open te stellen voor het verleenen van Lands-garanties aan de daarvoor in aanmerking komende naamlooze vennoot schappen voor de volkshuisvesting; landbouw-kolonisatie op Java en in de Buiten gewesten met annex daaraan de oprichting van werk- en leerkampen voor den landbouw; het inrichten van werkkampen en werkcentrales door de steuncomite's voor gesteunde werkloozen, die niet op commercieele basis tewerkgesteld kunnen worden; de tewerkstelling van Inheemsche intellectueele werkloozen ten algemeenen nutte zonder salaris doch met behoud van hun steun; de uitvoering van groote bouwwerken op groote plaatsen, teneinde aan geschoolde Inheemsche en Chineesche vakarbeiders werk te verschaffen; kolonisatie van Inheemschen, alsmede het in richten van werkcentrales voor Inheemschen en Chineezen. Arbeidswetgeving. De beide in 1932 getroffen crisismaatregelen (I. S. 1932 nos. 97 en 98), respec tievelijk nopens de terugzending van arbeiders, die buiten Nederlandsch-Indië in dienst zijn genomen of aangeworven en nopens den opzeggingstermijn, in acht te nemen door werkgevers bij de beëindiging van arbeidsovereenkomsten, werden in verband met het voortduren van de crisisomstandigheden bij Ord. van 24 Febr. 1934 (I. S. n°. 96) nader met één jaar verlengd. Bij R.V. van 14 Mei 1935 (I. S. n°. 170) werden de bijdragen, verschuldigd voor plaatselijk in dienst genomen arbeiders, zooals bedoeld in art. 3, lid 1, lid 3, eerste en tweede zinsnede, en lid 4 van de ordonnantie tot instelling van een Registratie kamer te Medan, gewijzigd en per arbeider vastgesteld op respectievelijk f 0,45, f 3,75, f 30 en f 0,75. Krachtens art. 45 van de koelie-ordonnantie 1931 (I. S. n°. 94) wordt deze ordonnantie in 1936 herzien, ten einde den arbeid onder werkovereenkomsten met poenale sanctie verder te beperken dan wel af te schaffen. 1)10 SOCIALE TOESTAND. 314 In verband hiermede werd de Permanente Arbeidscommissie te Medan uit genoodigd omtrent deze herziening en de tot dit doel nader te treffen maatregelen van advies te willen dienen. Voorts moge hier nog vermeld worden, dat een nieuwe wervingsordonnantie op het Kantoor van Arbeid in bewerking is. Het vóór-ontwerp voor een plantersregeling, geldende voor geheel Nederlandsch- Indië, werd aan de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties toegezonden met verzoek terzake van advies te willen dienen. Het ligt in de strekking van dit ontwerp, dat de bestaande assistenten-regeling voor Sumatra eerlang zal komen te vervallen. Arbeidsinspectie. Algemeene opmerkingen. In 1934 moesten de uitgaven van dezen dienst wederom worden beperkt, hetgeen oen ingrijpende inkrimping van de arbeidsinspectie ten gevolge had. Als afdeelingshoofd bleef slechts de inspecteur der Iste klasse te Medan behouden. Aan zijn afdeeling, tevoren omvattende de gouvernementen Oostkust van Sumatra (met uitzondering van de afdeeling Bengkalis) en Atjeh en Onderhoorigheden, werden de gewesten Tapanoeli en Sumatra's Westkust toegevoegd. Voor het arbeids toezicht in dit uitgestrekte gebied zijn voorts nog twee arbeidsinspecteurs beschikbaar, doordat zoowel de standplaatsen Langsa in Atjeh en Onderhoorigheden en Padang ter Sumatra's Westkust als de afzonderlijke ressorten Medan, Tebingtinggi, Pema tangsiantar en Rantauprapat ter Oostkust van Sumatra moesten worden opgeheven. De beide overgebleven ressortsinspecteurs zijn geplaatst te Bindjai en te Kisaran. De inspecteur der Iste klasse te Batavia, met wiens afdeeling begin 1934 de afdeeling Palembang was samengevoegd, moest tegen het einde van dat jaar eveneens afvloeien; de leiding van deze afdeeling, omvattende Java en de overige Buiten gewesten, berust thans rechtstreeks bij den chef van de arbeidsinspectie. Op Java zijn ressortsinspecteurs geplaatst te Batavia, Semarang en Soerabaja, aan wie tevens het wervingstoezicht, waarvoor vroeger afzonderlijke ambtenaren waren aangesteld, moest worden opgedragen. Bij aanvullende begrooting is de tevoren met het wervingstoezicht belaste afzonderlijke arbeidsinspecteur te Batavia alsnog gehandhaafd. Het arbeidstoezicht in de Buitengewesten, voorzoover onder de rechtstreeksche leiding van den chef van de arbeidsinspectie staande, is thans zoodanig ingedeeld, dat dit in Zuid-Sumatra en op het eiland Bangka door don te Lahat (Palembang) geplaatsten inspecteur wordt uitgeoefend, terwijl de ressortsinspecteur te Tandjoeng pinang het panglonggebied, benevens de ondernemingen in de afdeeling Bengkalis, in Riouw en Onderhoorigheden, de Westerafdeeling van Borneo en het tinbedrijf op Billiton onder zijn toezicht heeft. Voor het arbeidstoezicht in de Molukken, Celebes en Onderhoorigheden, Manado en de Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo waren na deze vergaande bezuiniging geen inspecteerende ambtenaren meer beschikbaar, zoodat dit moest worden over gedragen aan het Binnenlandsch Bestuur. Daartoe zijn in deze gewesten eenige hoofden van onderafdeelingen, waar ondernemingen in den zin van art. 1 der koelie ordonnantie 1931 zijn gelegen, door den directeur van Justitie aangewezen als fun geerend arbeidsinspecteur. Deze bestuursambtenaren hebben in bedoelde functie de instructies en aanwijzingen te volgen van den chef van de arbeidsinspectie, aan wien zij ook hun bevindingen moeten rapporteeren, hetgeen met het oog op de onmisbare uniformiteit van inspecteeren noodzakelijk is. Rapporten van de bestuursambtenaren, die zijn bolast met de functie van arbeidsinspecteur, worden echter steeds door tusschenkomst van het hoofd van het gewestelijk bestuur inge- ARBEID. 315 diend, welke autoriteit tevens afschriften ontvangt van de rechtstreeks aan de fungeerende arbeidsinspecteurs te zenden instructies van voornoemden chef. Een instructie is aanstonds na hun aanwijzing als zoodanig aan deze functio narissen verstrekt; deze stemt zooveel mogelijk overeen met de medio 1934 op ver schillende punten eenigszins gewijzigde instructie voor de inspecteerende ambtenaren bij de arbeidsinspectie. Het voornaamste verschil met de vroegere instructie bestaat hierin, dat steeds, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, de inspecties van tevoren — d.w.z. niet eerder dan 24 uur — zullen worden aangekondigd. Sedert 1930 bestond de gedragslijn dat in den regel de ressortsinspecteur vooraf van zijn bezoek kennis gaf, doch dat een twaalftal criteria waren aangegeven, welke steeds tot een onaan gekondigde inspectie behoorden te leiden. Deze criteria zijn thans beperkt tot één geval, namelijk wanneer zoodanig alar meerendo berichten omtrent de arbeidstoestanden op een onderneming zijn ont vangen, dat de ressortsinspecteur zich onverwijld derwaarts dient te begeven. Overigens gaat het niet meer om de vraag of de inspectie al dan niet tevoren zal worden aangekondigd, doch of zij al dan niet geheel of gedeeltelijk in tegen woordigheid of buiten tegenwoordigheid van den beheerder en het toezicht houdend personeel zal worden gehouden. In het vorenbedoeld geval vindt de inspectie buiten tegenwoordigheid van den beheerder plaats. Evenals dit tevoren ten aanzien van het niet-aankondigen der inspecties was geschied, zijn eenige gevallen vastgelegd, waarin een inspectie buiten tegenwoor digheid van het leidende of toezicht houdende personeel dient te worden gehouden, namelijk: in bepaalde gevallen, nadat een koelie-aanval op de onderneming voor kwam; bij veroordeeling wegens een z.g. klapzaak, vrijheidsberooving of knevelarij; bij opzettelijk onrechtmatige kortingen op de loonen en bij het afdwingen van overwerk of werk op rustdagen. Aan den afdeelingschef is voortaan overgelaten de beoordeeling van de vraag, of een relatief hoog percentage gestraften wegens overtreding van de koelie-ordon nantie of een hoog aantal deserties een reden oplevert voor het inspecteeren buiten tegenwoordigheid van den beheerder c.s. De tevoren hiervoor aangenomen limiet toch bleek in de practijk niet te voldoen. Bij aanwijzingen omtrent het bestaan van minder gunstige arbeidsverhoudingen zal het voorts aan het oordeel van den ressortsinspecteur zijn overgelaten op welke wijze hij de inspectie houdt. Hieronder volgen thans eenige gegevens omtrent het arbeidstoezicht in 1933 en voorzoovor mogelijk over hot jaar 1934. Aangezien die gegevens, voorzoover betreft de ressorten op Java, voor een belangrijk deel op andere regelingen zijn geba seerd dan die geldende voor de Buitengewesten, zijn zij ook na de samenvoeging van beide inspectie-diensten afzonderlijk vermeld, terwijl aan het toezicht in het panglong-gebied wederom eenige afzonderlijke beschouwingen zijn gewijd. Buitengewesten. Teneinde geen onzuiver beeld te verkrijgen van het aantal in 1934 onder toezicht van de arbeidsinspectie staande ondernemingen in vergelijking met het ten vorige jare over 1933 vermeld cijfer van 562, zij thans alleen tegenover elkaar gesteld het aantal zoodanige ondernemingen in die jaren in de gewesten uuur de arbeidsinspectie zelf het toezicht uitoefent, zijnde 463 einde 1934 tegen 478 in 1933. Onder een onderneming in den zin der koelie-ordonnantie, c.g. de vrije arbeidsregeling in I. S. 1911 n°. 540 „Ten tweede", blijken n.l. in de opgaven van de fungeerende arbeidsinspecteurs somtijds ook kleine ondernemingen te worden ge rekend, welke steeds als kleinbedrijven (in den zin van art. 1, 2de lid, der koelie ordonnantie 1931) van dat toezicht zijn uitgezonderd geweest. Bovendien komt DE SOCIALE TOESTAND. 316 het voor, dat deze functionarissen gegevens indienen omtrent grootere onderne mingen, die wel met contract-arbeiders zouden kunnen werken, doch die uitsluitend inheemsche — d.w.z. uit het gewest afkomstige — arbeiders in dienst hebben en die zoodoende eveneens buiten het arbeidstoezicht vallen, indien althans niet krach tons I. S. 1928 n°. 341 de bepalingen van voornoemde vrije arbeidsregeling op haar van toepassing zijn verklaard. Ook deze, buiten het arbeidstoezicht vallende onder nemingen waren door de arbeidsinspectie steeds buiten de opgaven ge houden. De overgang van contractarbeid naar vrijen arbeid zette zich in 1933 en 1934 nog voort. In de Molukken, Celebes en Onderhoorigheden, de Westerafdeeling van Borneo en de Lampoengsche Districten wordt reeds niet meer van contractarbeid gebruik gemaakt. In Djambi was dit reeds sedert jaren niet het geval, terwijl in Bali en Lombok en Timor en Onderhoorigheden nooit contractarbeid heeft bestaan. In Manado, de Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo en Benkoelen werken nog slechts enkele ondernemingen met contractanten; op sommige daarvan worden geen reëngagementscontracten meer aangegaan. Ook in de meeste overige gewesten neemt het aantal contractarbeiders geleidelijk af, zooals blijkt uit de volgende cijfers, aangevende het aantal contractanten en vrije arbeiders (d.w.z. werkzaam op den voet van I. S. 1911 n°. 540, dus van buiten het gewest afkomstig) over de vier laatste jaren: Contractanten Vrije arbeiders Einde 1931 203 366 156 267 „ 1932 54 103 209 355 1933 25 992 217 487 1934 17 052 225 161 Naar verhouding wordt in de gewesten Atjeh en Onderhoorigheden, Tapanoeli en Sumatra's Westkust nog het meest met contractarbeiders gewerkt. In het van ouds voornaamste cultuurgebied ter Oostkust van Sumatra daarentegen bedroeg het aantal contractanten einde 1934 nog slechts 6016. Over het algemeen is de verschuiving van contractarbeid naar vrijen arbeid van gunstigen invloed geweest op de arbeidsverhoudingen, al zullen ook andere omstandigheden, zooals de in vorige jaren bij de terugzending van arbeiders op groote schaal toegepaste selectie, daarbij in aanmerking zijn te nemen. In ieder geval lijdt het geen twijfel, dat de verhouding tusschen werkgever en werknemer op de ondernemingen, waar met het vroegere machtsmiddel van opzending van onwillige contractanten naar den rechter is gebroken, thans meer is gebaseerd op onderling vertrouwen, en dat de werkgever meer belang is gaan stellen in de levens omstandigheden van het werkvolk op zijn onderneming. Op verschillende ondernemingen bleven enkele voordcelen, welke de koelie ordonnantie aan de arbeiders toekent, voor het sedert in vrijen arbeid in dienst zijnde werkvolk gehandhaafd. Daarentegen kwam het in 1933 nog voor, dat vrije arbeiders ter bestraffing waren opgezonden en ook waren gestraft wegens feiten, welke slechts in de koelie-ordonnantie strafbaar zijn gesteld. Het aantal koelie-aanvallen over 1933 is reeds in het vorig Verslag opgenomen, waarbij tevens de aanslag met doodelijken afloop op een mijnopzichter in Benkoelen is vermeld. Voor 1934 zijn de cijfers voorzoover thans bekend: 14 aanslagen op Europeesch toeziend personeel, waaronder 1 bedreiging, en 39 aanslagen op Inlandsch personeel, waaronder 3 bedreigingen, terwijl in één geval in het gewest Oostkust van Sumatra een mandoer tengevolge van den aanslag overleed. ARBEID. 317 Het aantal zoogenaamde klapzaken verschilde in 1933 niet veel van de daar omtrent voor het jaar 1932 in het vorig Verslag opgenomen cijfers. Over de jaren 1931 t/m 1933 zijn deze cijfers als volgt: Het aantal in 1933 gehouden inspecties verschilde nog niet belangrijk van dit aantal over 1932; voor de Oostkust van Sumatra althans zijn de cijfers 345 inspecties waarvan 10 onaangekondigd, tegen 387 waarvan 11 onaangekondigd in 1932. Bij het controleeren van de administratie bleek het invullen van het register voor vrije arbeiders hier en daar nog onvoldoende te geschieden. Overigens werd geconstateerd, dat verschillende thans uitsluitend met vrije arbeiders werkende ondernemingen de bij de koelie-ordonnantie voorgeschreven boeken, welke dus nu niet meer zijn vereischt, handhaafden; o.m. was dit het geval bij de tabaksonder nemingen ter Oostkust van Sumatra. Hoewel in een enkel geval tot sluiting van een hospitaal uit bezuinigingsover wegingen moest worden besloten, gaf de geneeskundige verzorging over het algemeen reden tot tevredenheid, terwijl de gezondheidstoestand van de arbeiders gunstig was. De huisvesting van de koelie-bevolking was behoorlijk en gaf geen aanleiding tot opmerkingen. In den loop van 1933 liep het aantal panglongs, voornamelijk voor zoover betreft de houtskoolbranderijen in Riouw en Onderhoorigheden, nog eenigszins terug en wel tot 315. Nieuw werkvolk voor de panglongs werd in 1933 te Singapore bijna niet aan geworven, aangezien door de vermindering van het aantal bedrijven gedurende de afgeloopen jaren voldoende arbeiders in het panglong-gebied beschikbaar waren. Werklooze panglong-koelies komen overigens thans niet meer voor. Op de met Chineezen werkende balkenkapperijen en brandhoutkapperijen in Riouw en Beng kalis waren einde 1933 respectievelijk 697 en 590 arbeiders werkzaam; omtrent de houtskoolbranderijen, welke na de inkrimping van de arbeidsinspectie niet meer geregeld konden worden geinspecteerd en de met Maleiers werkende panglongs zijn geen nauwkeurige gegevens beschikbaar. De behandeling van het werkvolk gaf over het algemeen geen reden tot onte vredenheid. In 1933 werd door de arbeidsinspectie slechts éénmaal proces-verbaal opgemaakt wegens overtreding van het panglong-reglement. Deze zaak had echter geen voort gang, doordat de panglong inmiddels was gesloten en de verantwoordelijke personen naar Singapore waren vertrokken. Zeven gevallen van lichte mishandehng werden bovendien bij den magistraat voorgebracht. In één geval werd een mandoer wegens wangedrag tegenover het werkvolk op aandringen van de arbeidsinspectie ontslagen. Een ernstig arbeidsconflict deed zich verder voor op een panglong in Riouw, DE SOCIALE TOESTAND. 318 waar een Chineesche mandoer, die de loonen had verlaagd zonder den beheerder daarin te kennen en die tevens hardhandig zou zijn opgetreden, met bijlslagen door twee koelies om het leven werd gbracht. Met betrekking tot de geneeskundige verzorging van do panglong-koelies, welke over vijf ziekenfondsen is verdeeld, kan worden medegedeeld, dat de houtskool branderijen in de afdeeling Bengkalis, welke door haar verspreide ligging toch niet voor haar koelies van deze geneeskundige behandeling konden profiteeren, thans ook van bijdragen aan het ziekenfonds, waaronder zij ressorteeren, zijn vrij gesteld. Wordt eenzelfde maatregel ook voor Riouw ingevoerd, dan zullen de daardoor vrijkomende reservefondsen van een tweetal ziekenfondsen onder meer worden aangewend voor het terugzenden naar China van, meest oude, koelies uit het geheele panglong-gebied, indien deze door een der geneesheeren voor het panglong-werk zullen worden afgekeurd. Ook in 1933 deden zich bij het sluiten van eenige panglongs moeilijkheden voor ten aanzien van de uitbetaling van achterstallige loonen. In enkele gevallen, dat op deze uitbetaling moest worden aangedrongen, werd daaraan aanstonds voldaan. In eenige andere gevallen kon het beslagleggen op de panglong worden voorkomen, doordat deze door tusschenkomst van den houtvester ondershands kon worden verkocht. Kwamen hierdoor veel eerder dan bij een beslaglegging de gelden van de opbrengst der panglong beschikbaar, waaruit 60 % van de loonvorderingen kon worden betaald, niettemin bleek toch reeds een gedeelte van het werkvolk naar Singapore te zijn vertrokken alvorens het hun toekomende loon te hebben ont vangen. Java. Tot de belangrijkste werkzaamheden, welke in 1934 door de Arbeids inspectie op Java en Madoera werden verricht, behooren de verschillende inspecties in groot- en kleinbedrijven, het desa-crisisonderzoek en de strootjes-enquête in Midden- en Oost-Java. Door de ambtenaren der Arbeidsinspectie werden gedurende 1934 45 groot bedrijven (dit zijn bedrijven niet meer dan 200 arbeiders) en 157 klein-bedrijven (met 10 tot 200 arbeiders) geinspecteerd, terwijl z.g. vliegende inspecties, overdag voornamelijk met het oog op kinderarbeidscontröle, verricht werden in 477 be drijven en 's nachts, voornamelijk ter controle van den vrouwennachtarbeid, in 246 bedrijven. Evenals gedurende de jaren 1931 —1933 werd ook in 1934 een onderzoek ge houden naar den omvang der werkloosheid in de desa's. In de betreffende z.g. desa-crisis-rapporten werd geconstateerd, dat dank zij het bij de werkloos geworden arbeiders op de ondernemingen of in de groote steden nog bestaan van den band met den grond bijzondere steun-maatregelen achterwege konden blijven. Voor de zoozeer verminderde werkgelegenheid elders werd door een intensiever grond bewerking en soms een toenemende huisindustrie in de desa eenige eompensalie verkregen. In een der in West-Java gelegen desa's werden voor het eerst sedert de crisis intrad, verschijnselen waargenomen, die indirect tot ongerustheid aan leiding gaven, n.l. de vermindering van den veestapel door verkoop en de toe nemende inbreng in de pandhuizen — volgens de bevolking — om de belasting te kunnen betalen en den schralen tijd door te komen. In verschillende der be zochte desa's — voornamelijk in Midden-Java — heeft de toenemende geld schaarschte den desa-man veelal juist datgene ontnomen, wat wel niet direct nood zakelijk is, doch dienen moet om het leven te veraangenamen. De op Java ondernomen strootjes-enquête bleef gedurende het verslagjaar niet beperkt tot Midden-Java, doch strekte zich sedert Mei 1934 ook uit over do strootjes-industrie in Oost-Java. In 1934 werden 532 van dit soort tabaksfabrieken ARBEID. 319 bezocht (15 groot- en 517 klem-bedrijven). Deze onderzoekingen hebben een zeer groot deel van den voor inspecties beschikbaren tijd opgecischt en hebben uiteraard meer omvat dan bij normale inspecties het geval is. In het vorig Verslag werd opgemerkt, dat controle wordt uitgeoefend op over matigen arbeidsduur (14 en meer uren per etmaal) in verschillende bedrijven. Tot einde 1934 is overmatige arbeidsduur geconstateerd in 113 bedrijven, voornamelijk rijstpellerijen, krosok-loodsen, olie- en ijsfabrieken. In het overgroote deel dezer fabrieken en werkplaatsen is inmiddels dat euvel ondervangen en wel veelal door een tweede of derde ploeg arbeiders tewerk te stellen of door het rouleeren van werkvolk. Gedurende het verslagjaar werden 97 controle-bezoeken aan de apotheken afgelegd en respectievelijk 51 en 14 bezoeken aan de veembedrijven en prauwen veeren ter controle van de ingebruikneming en het bijhouden van de registers van vrije dagen (I. S. 1933 nos. 72 en 268). In 19 apotheken, 15 veembedrijven en 4 prauwenveeren bleek geen register aangelegd te zijn; slechts in één geval (apotheek) werd deswege proces-verbaal opgemaakt; in alle andere gevallen werd met het geven van een waarschuwing volstaan. Gedurende het verslagjaar werden door de ressortsinspecteurs 378 roosters van de dienst- en rusttijden der chauffeurs van openbare motorrijtuigen (I. S. 1933 nos. 86 en 138) geregistreerd. De ressortsinspecteurs werden door de Gouverneurs tot onbezoldigd politie-ambtenaar in hun ressort aangewezen, tot het opsporen van de feiten, strafbaar gesteld in art. 95 (1), sub c, van het laatstgenoemde Staatsblad en wat daarmede rechtstreeks in verband staat. De bedoelde controle op de naleving der dienst- en rusttijden volgens de door de betrokken autoriteit goedgekeurde dienstroosters kon door hen om verschillende redenen gedurende het verslagjaar nog niet worden terhand genomen. Voornamelijk in verband met de beide crisis-ordonnanties werd in zeer vele gevallen advies aan werknemers en ook aan werkgevers gegeven. In 454 gevallen werd door de ressortsinspecteurs daadwerkelijk bemiddeling verleend bij geschillen tusschen werkgevers en de verschillende groepen van werknemers. Van deze ge vallen waren er einde 1934 8 onafgedaan, terwijl in 2 gevallen het bemiddelings verzoek werd ingetrokken. Van de overige 444 gevallen werden er 246 met succes behandeld, 72 werden naar den rechter verwezen, terwijl in 126 gevallen de klacht ongegrond bleek te zijn, de bemiddeling gestaakt moest worden wegens wangedrag van de werknemers, of werkgevers niet in staat bleken om te betalen, enz. Tijdens de behandeling failleerden eenige betrokken werkgevers en werd de zaak naar de Weeskamer verwezen. Voor zoover kon worden nagegaan, levert het nakomen der verplichtingen, omschreven in de vrijwillige overeenkomsten ter beperking van den halfwassenen arbeid tusschen de verschillende tabaksondernemingen in Midden- en Oost-Java en het Kantoor van Arbeid, geen bezwaren op en houden de bedrijfsleiders zich stipt aan de vastgestelde uren. Verdere beperking van den arbeid van halfwassenen kwam gedurende het verslagjaar ook in andere bedrijven (kapokpellerijen, strootjes makergen, enz.) welhaast automatisch tot stand tengevolge van overvloedig aanbod van volwassen arbeidskrachten. In 1934 werd slechts ten behoeve van twee bedrijven — beide rubberonder nomingen — een vergunning voor het bezigen van vrouwennachtarbeid verleend. In de bedrijven, waarvoor het gebruikmaken van vrouwennachtarbeid in het algemeen is toegestaan (zie art. 1 van G. B. 17 Dec. 1925 n°. 13 in I. S. n°. 648) had in vergelijking met 1933 een belangrijke vermeerdering van dezen arbeid plaats, zooals de volgende cijfers verduidelijken. DE FINANCIEELE TOESTAND. 32 het regentschap Kraksaan opgeheven en gevoegd bij het regentschap Probolinggo (I. S. 1934 n°. 708); evenzoo het regentschap Grisee, dat gedeeltelijk gevoegd word bij het regentschap Soerabaja, gedeeltelijk bij het regentschap Lamongan (I. S. 1934 n . 709): hel regentschap Trenggalek, dat gedeeltelijk werd gevoegd bij het regentschap Toeloengagoeng, gedeeltelijk bij het regentschap Patjitan (I. S. 1934 n°. 710) en het regentschap Bangil, dat gedeeltelijk werd gevoegd bij het regentschap Pasoeroean, gedeeltelijk bij het regentschap Malang (I. S. 1934 ii°. 711). Ook in 1934 werden door de autonome gemeenscha ppen nog enkele leeningen gesloten. Het College van Gedeputeerden van den Provincialen Raad van West-Java bekrachtigde een kasgeld leening van de stadsgemeente Bandoeng ten bedrage van f 300 000; dat van Midden-Java bekrachtigde een leening der stadsgemeente Sema rang groot f 75 000 rentende 2 l / 2 % tegen parikoers voor den aankoop van een pand voor uitbreiding van het gemeentehuis aldaar; terwijl Gedeputeerden van den Provincialen Raad van Oost-Java een leening van het regentschap Lamongan bekrachtigden tot een bedrag van f 60 000 tegen een maximale rente van 5 % en een uitgiftekoers van minstens 97% % voor de electrificatie van de hoofdplaats Lamongan, welke leening echter in 1934 nog niet werd geplaatst. I te met het financieel beheer verband houdende voorgenomen herziening van de locale begrotingsvoorschriften (zie vorig Verslag, blz. 35) kwam in het verslagjaar nog niet tot stand. De opcentenverordoningen der autonome gemeenschappen on do opcenten regeling in I. S. 1925 n°. 250 zijn herzien bij Ord. van 20 Dec. 1934 (I. S. n°. 691). DE SOCIALE TOESTAND 320 Bij de suikerindustrie, welke gedurende den maaltijd eveneens van vrouwen nachtarbeid kan gebruikmaken, liep in 1934 wederom het aantal werkende fabrieken terug van 97 tot 51, in 33 waarvan des nachts vrouwen werden tewerkgesteld; per fabriek bedroeg het percentage des nachts werkende vrouwen 77, tegen 76 % in 1933. De beide volgende staatjes vermelden het aantal geconstateerde overtredingen van de wettelijke bepalingen nopens den vrouwennachtarbeid en den kinderarbeid. ARBEID. 321 Het aantal bekend geworden klapzaken betrof in één geval een Europeeschen employé in een wasscherij en in 20 gevallen Inlandsche mandoers en koehes. Gedurende de laatste 10 jaren (1925 tot en met 1934) bedroeg het aantal klapzaken achtereenvolgens 90, 89, 89, 121, 143, 31, 18, 28, 24 en 21. In 1934 werden 12 koelie-aanvallen gerapporteerd, tegen 8 in 1933 en 7 in 1932. Vijf aanvallen hadden plaats op Europeesche toezichthouders en de zeven overige op Inlandsche schrijvers, mandoers en koelies. Gedurende het jaar 1934 werden door de Arbeidsinspectie 13 stakingen geregi streerd, waarvan in 4 bedrijven uitsluiting der arbeiders het gevolg was. In de onderstaande staten volgen eenige gegevens met betrekking tot de geregi streerde stakingen en uitsluitingen. Uitsluiting had plaats in de volgende bedrijven. DE SOCIALE TOESTAND 322 Het aantal stakingen gedurende de laatste jaren vertoont het volgende beeld. Geclassificeerd naar de redenen der stakingen wordt gedurende de afgeloopen jaren het volgende beeld verkregen. Werving van arbeiders. Overtrof in de jaren 1930 t/m 1933 het aantal uit de Buitengewesten terugge keerde contractanten verre het aantal onder het wervingstoezicht vallende uit gezonden nieuwelingen, voor het eerst vertoonde in 1934 het aantal emigranten weder een, zij het gering, overschot. Het totaal aantal repatrianten toch bedroeg 4537, tegen 4954 naar de Buitengewesten verscheepte contractanten. Overigens houdt de betrekkelijk geringe vraag naar contractarbeiders voor een deel verband met de sterk gewijzigde verhouding tusschen het aantal op de onder nemingen in de Buitengewesten in dienst zijnde contractanten en dat der vrije arbeiders; wettelijk is een geleidelijke overgang van contractarbeid naar vrijen arbeid bij de koelie-ordonnantie 1931 voorgeschreven, doch in de praktijk is deze ARBEID. 323 omzetting in veel sterker mate, uit opportuniteitsoverwegingen, door de onder nemingen toegepast. Het had daarom kunnen zijn, dat bij een beperkte vraag naar contractanten een groote behoefte aan uitzending van vrije arbeiders had bestaan. Dit was echter in 1934 niet het geval. Het aantal door de Vrije Emigratie van de Dcli Planters Vereeniging (D. P. V.) en de Algemeene Vereeniging van Rubberplanters ter Oostkust van Sumatra (A. V. R. 0. S.) (V. E. D. A.) uitgezonden emigranten, bestemd als vrije arbeider op verschillende ondernemingen op Sumatra werkzaam te zijn, bedroog 2878 lieden, van wie i 1000 nieuwelingen waren. Met de V. E. D. A.-contractanten waarbij 311 nieuwelingen, tezamen bedroeg het totaal door deze vrije emigratie uitgezonden personen 3336, tegen 4472 in 1933. Het aantal V. E. D. A.-repatrianten bedroeg 2575. Door het Algemeen Delisch Emigratie Kantoor (A. D. E. K.) werden voorts 444 vrije arbeiders uitgezonden, tegen 397 in 1933. De z.g. Karanganjar-werving van het Zuid- en West-Sumatra-Syndicaat moest wegens bezuinigingsredenen worden stopgezet. Wel vertrokken door bemiddeling van deze organisatie, behalve de contractanten die hierboven in het totaalcijfer van verscheepte contractarbeiders zijn opgenomen, in 1934 tevens een aantal vrije arbeiders naar Zuid-Sumatra, tot een totaal van 658. Op andere wijze, zooals door het op Java aanwerven van vrije arbeiders door ondernemingspersoneel, werd bovendien nog een aantal zoodanige werkkrachten naar de Buitengewesten overgevoerd. Over het algemeen kan evenwel worden gezegd, dat het in 1934 in de Buiten gewesten aanwezige werkvolk ongeveer in de behoefte voorzag, hetzij dat de arbeidersbevolking op de ondernemhigen op peil bleef, hetzij dat zij met in het gewest aanwezige arbeiders kon worden aangevuld. Van de fusie van de beide bestaande Eigen-Wervingsorganisaties, welke reeds eenige jaren in overweging was, is door het Zuid- en West-Sumatra-Syndicaat ten slotte afgezien. De in bewerking zijnde herziening van de wervingsordonnantie zal dus niet, zooals in het voornemen lag, van één gecombineerde wervingsorganisat ie kunnen uitgaan. Bij die herziening wordt thans een regeling in overweging genomen, waarbij de sedert medio 1927 geheel vrijgelaten aanwerving van vrije arbeiders in zooverre weder onder toezicht zal worden gesteld, dat zij alleen door tusschenkomst van de cvenbedoelde wervingsorganisaties zal mogen geschieden, onder de bestaande Overheidscontrole. De opgedane ervaring, dat vrije arbeiders door willekeurige wervers zonder voldoende voorlichting worden uitgezonden, en het gevaar dat er in is gelegen, dat op deze wijze ongunstige elementen opnieuw zouden kunnen worden aangenomen, hetgeen dank zij de dactyloscopische registratie bij de Eigen- Wervingsorganisaties niet mogelijk is, hebben de wenschelijkheid van een zoo danige wettelijke regeling aangetoond. Hierbij zij nog gememoreerd, dat de „aanwerving van arbeidskrachten in de overzeesche gewesten en de andere gebieden met soortgelijke arbeidsverhoudingen" op de agenda is geplaatst van de in Juni 1935 te Genève te houden 19de Internationale arbeidsconferentie. Aan de Nederlandsche delegatie naar deze conferentie is de chef van de arbeidsinspectie met buitenlandsch verlof H. J. Top als technisch raadsman toegevoegd. Vakbeweging. Waren er op 1 Januari 1933 125 vakorganisaties met een totaal van 86 883 leden, op 1 Januari 1934 bedroegen deze cijfers respectievelijk 97 cri 67 620. Volledige cijfers over den stand aan het einde van het jaar 1934 kunnen nog niet verstrekt worden. DE SOCIALE TOESTAND. 324 De actie der ambtenaren-organisaties was hoofdzakelijk gericht op het tegengaan van verdere positie-verslechteringen teneinde deze tot zoo klein mogelijke proporties terug te brengen. Ër werden pogingen in het werk gesteld om te komen tot de oprichting van een Algemeen Nederlandsch-Indisch Vakverbond, dat de belangen van alle ambtelijke zoowel als particuliere werknemers in Nederlandsch-Indië zou behartigen. Deze pogingen leidden evenwel nog niet tot het beoogde doel. Een stap in deze richting was het instellen door de besturen van het Verbond van Overheidsdienaren en van de Federatie van Particuliere Werknemers van een commissie ter regeling van een georganiseerde samenwerking. In October 1934 werd een basis van samenwerking bereikt. De ontevredenheid onder het personeel bij den Telefoondienst jegens de leiding van de Vereeniging van Hooger en Middelbaar Personeel bij den P.T.T.-dienst (den Postbond) leidde tot uittreding van alle telefoonbeambten te Bandoeng, die besloten een eigen vakvereeniging te stichten. Door den Plantersbond en den Suikerbond werd wederom geageerd voor de bekende programpunten: Plantersregeling, Ouderdomsvoorziening en Werkloos heidsverzekering. Door de Vereeniging van Assistenten in Dcli werd een krachtige actie gevoerd tot behoud van de bestaande Assistentenregeling voor Sumatra, welke op eenige punten gunstiger is dan het vóór-ontwerp der Algemeene Plantersregeling. Ten slotte verdient nog vermelding dat te Batavia-Centrum een Inlandsche plantersvereeniging werd opgericht, Sarekat Penaman Indonesia (S. P. I.) geheeten. KOLONISATIE EN EMIGRATIE. 325 J. KOLONISATIE EN EMIGRATIE. Zooals in het Indisch Verslag 1933 (blz. 375) werd opgemerkt, moest na de mas sale overbrenging van kolonisten naar de Lampoengsche Districten in het jaar 1932, van verdere overbrenging van emigranten voorloopig worden afgezien, wijl men nog niet beschikte over voldoende gegevens omtrent de geschiktheid van nieuwe kolonisatie-terreinen. Werden er in 1933 geen nieuwe kolonisten naar de Lampoengs gezonden, in 1934 werd de uitzending hervat en werden wederom 1375 lieden overgebracht, die groepsgewijze plaatsing vonden op goede gronden in Lampoengsche marga's en sedert in eigen behoefte kunnen voorzien. Intusschen zijn in het begin van 1935 de mogelijkheden voor Javanen-kolonisatie in de Lampoengsche Districten in oen geheel nieuw stadium getreden, daar nabij Soekadana een groot bevloeiïngswerk wordt aangelegd, waardoor de mogelijkheid wordt geopend om groote aantallen kolonisten aan goede gronden te helpen. In verband hiermede konden begin 1935 reeds i 3500 gezinnen naar de Lampoengs vertrekken. Naar de kolonie bij Perbo in Benkoelen, waarvan aanvankelijk werd verondersteld dat zij weinig uitbreidingsgelegenheid bood, konden in 1933 wederom een 80-tal gezinnen vertrekken. In 1934 werd opnieuw een groep van ruim 300 gezinnen naar dezelfde streek overgebracht. Beide groepen ontvingen voorschotten van de Ben koelensche credietbank. Begin 1935 werden 400 gezinnen gezonden naar een iets verderafgelegen terrein in de onderafdeeling Lais, terwijl 200 gezinnen bestemd werden voor een terrein in de onderafdeeling Redjang, nabij de Palembangsche grens en 4 kilometer van den spoorweg Tebingtinggi —Loeboeklinggau verwijderd. Uit de omstandigheid, dat men het in Benkoelen nog niet geheel kan stellen zonder het verstrekken van voorschotten blijkt, dat de kolonisatie aldaar nog niet zoo ver is gevorderd als in de Lampoengsche Districten. In Benkoelen gaat het nog om vestiging van verschillende kernen, welke in latere jaren zullen moeten uitgroeien tot groote nederzettingen, zooveel mogelijk volgens het Lampoengsche sj'steem. In de Lampoengsche Districten immers zijn reeds belangrijke kernen aanwezig van heden met tamelijk ruim grondbezit, die, vooral in den oogsttijd, behoefte hebben aan hulpkrachten, zoodat de nieuwe kolonisten, die tegen het begin van den oogsttijd worden uitgezonden, van den eersten dag af in hun onderhoud kunnen voorzien. Werden in de jaren 1932, 1933 en 1934 de reiskosten nog geheel voor rekening van den Lande genomen, thans is het mogelijk met de emigranten overeen te komen, dat zij in de komende jaren een uniform bedrag van f 12,50 per gezin als bijdrage in die reiskosten aan den Lande restitueeren. De lust tot emigreeren is in verschillende streken op Java thans dermate ont wikkeld, dat velen genoegen nemen met het aanbod van droge gronden, terwijl voorheen slechts het vooruitzicht van sawah-bezit de menschen tot emigreeren kon doen besluiten. Ook thans valt nog weinig te zeggen omtrent de perspectieven, welke de kolo nisatie van Europeanen op Nieuw-Guinee biedt. Ook omtrent de mogelijkheden op Poelau laoet, waar de Stichting Kolonisatie Poelau Laoet (S. K. P. L.) haar terrein van werkzaamheid hoeft, staat nog weinig vast. Door middel van zoo genaamde contact-vergaderingen wordt door den Directeur van Binnenlandsch Bestuur met' de vertegenwoordigers van de verschillende zich voor de kolonisatie interesseerende vereenigingen geregeld voeling gehouden. DE SOCIALE TOESTAND. 326 K. OVERHEIDSBEMOEIENIS MET BEDRIJVEN. Veiligheidstoezicht. Onder den drang van den minder gunstigen toestand van 's Lands financiën moest ook in 1934 weder tot verdergaande personeels-inkrimping worden overgegaan. Terwijl in 1932 en 1933 reeds de inspectie-afdeelingen VIII en VII (resp. met standplaatsen Padang en Palembang) werden opgeheven, moest in het verslagjaar tot de opheffing van de inspectie-afdeelingen V en VI (resp. met standplaatsen Malang en Bandoeng) worden overgegaan. In verband hiermede werd de Java inspectie opnieuw gereorganiseerd en in 3 afdeelingen verdeeld, n.l. de nog over gebleven afdeelingen II (standplaats Soerabaja) en 111 (standplaats Batavia), terwijl een nieuwe inspectie-afdeeling I (standplaats Jogjakarta) word ingesteld. Thans is dus ten behoeve van het toezicht op het stoomwezen en de fabrieks installaties Nederlandsch-Indië slechts in 4 inspectie-ressorten verdeeld, met stand plaatsen te Batavia, Jogjakarta, Soerabaja en Medan, zulks in tegenstelling met een 3-tal jaren geleden, toen ditzelfde gebied verdeeld was over 8 inspectie-afdeelin gen. Ook de personeels-formatie van het hoofdkantoor van den dienst, waaronder begrepen het personeel, belast met het toezicht op de electrische installaties in de fabrieken en werkplaatsen, werd nog belangrijk ingekrompen. Deze bezuinigingsmaatregelen hebben weder voor de betrokken inspecteurs een belangrijke vermeerdering van werkzaamheden medegebracht. Want niet alleen werden door deze samenvoeging van ressorten de afstanden, welke door de inspec teurs bij het verrichten van hunne werkzaamheden afgelegd moeten worden, zeer aanzienlijk vergroot, doch ook het aantal te inspecteeren stoomtoestellen en fabrieks installaties werd per inspecteerend ambtenaar met ± 50 % vermeerderd. Hierbij komt nog, dat de technische en finantieele moeilijkheden van vele ondernemingen en fabrieken voor de inspecteurs vele extra-werkzaamheden medebrengen, aangezien zulks herhaaldelijk het verrichten van extra-keuringen en inspecties en het ver strekken van speciale adviezen in verband met mogelijk te verleenen dispensaties of termijn-verlengingen, medebrengt. Toezicht op stoomtoestellen. Door de stopzetting van ondernemingen en bedrij ven verminderde het aantal stoomtoestellen, welke periodiek gekeurd moesten worden, zoodat bij het stoom-toezicht in dit opzicht eenige verlichting van werk zaamheden ontstond. Daartegenover staat echter, dat thans, en zulks in tegenstelling met vroegere jaren, vele extra-keuringen aan reeds oude stoointoestellen moeten worden verricht, welke toestellen onder betere tijdsomstandigheden reeds lang afgedankt zouden zijn. Ook wordt een bloeiende handel in overtollig geworden stoomketels en stoomvaten gedreven. Het telkens verwisselen van gebruiker ver zwaart hot oefenen van het toezicht in niet geringe mate. Met betrekking tot de buiten gebruik gestelde stoomtoestellen moge hol; worden opgemerkt, dat bij een groot aantal daarvan deze maatregel van tijdelij ken aard is, waarom een deugdelijke conserveering van deze toestellen noodig is, teneinde ze in korten tijd weder bedrijfsgereed to kunnen maken. Bij dit conserveeren werd door de inspecteurs in vele gevallen van advies gediend en wordt nu hier dan (laai een controle op den toestand dier toestellen uitgeoefend. Voorts nam het aantal keuringen en beproevingen, welke op verzoek van het Nederlandsche Stoomwezen bij stoomtoestellen aan boord van onder Nederlandsche vlag varende schepen worden verricht, niet onbelangrijk toe. Het mag verder in deze ongunstige tijdsomstandigheden zeker als een verblijdend verschijnsel worden aangemerkt, dat gedurende de tweede helft van het verslagjaar een zekere opleving in het gebruik van stoomtoestellen viel waar te nemen, doordat van een niet onbelangrijk aantal gebruikers het verzoek werd ontvangen hunne OVERHEIDSBEMOEIENIS MET BEDRIJVEN. 327 roods gedurende verscheidene jaren buiten bedrijf staande stoomketels weder in gebruik te mogen nemen. De commissie in Nederland, belast met het samenstellen van nieuwe „Grond slagen voor de berekening van de wanddikten en samenstellende deelen van stoom ketels en andere stoomtoestellen", waarin Nederlandsch-Indië door 2 leden is ver tegenwoordigd, zette hare werkzaamheden in nauwe samenwerking met het Veilig heidstoezicht voort. Meer in het bijzonder werd de aandacht besteed aan het samen stellen van een ontwerp voor de „Grondslagen voor de berekening van vlakke ketelwanden", een onderwerp, dat veel bijzondere studie en een uitvoerige gedachten wisseling heeft medegebracht. Met het gereedkomen van dit gedeelte zullen dan de voornaamste hoofdstukken der oude grondslagen zijn herzien en aangevuld. Een zeer waardevolle aanwinst in deze nieuwe voorschriften zijn o.m. de uit voerige eischen, welke met betrekking tot de sterkte en wijze van uitvoering van laschverbindingen zijn opgenomen, aangezien de oude voorschriften in dit opzicht zeer onvolledig waren en de moderne techniek op steeds uitgebreider schaal van deze soort verbinding bij de constructie en reparatie van stoomtoestellen gebruik maakt. Ongevallen, welke aan constructie-gebreken van stoomtoestellen moesten worden toegeschreven, zijn in het verslagjaar niet voorgekomen. Wel zijn enkele ongevallen gemeld, welke een gevolg waren van minder goed onderhoud en minder deskundige bediening van stoomketels. Een geval van explosie kwam voor bij een z.g. „zelfkoker", een stoom-produ ceerend toestel, gebruikt bij de fabricatie van sereh-olie, welk toestel echter geen stoomketel in den zin van de stoomwet is. Toezicht op de mechanische installaties. Wat deze werkzaamheden betreft, moge in de eerste plaats worden medegedeeld, dat dank zij de bevredigende samenwerking, welke geleidelijk met de leiders van fabrieken en ondernemingen is verkregen en het goede contact, dat in den loop der jaren met de leveranciers van machines en apparaten is ontstaan, bij de oprichting van nieuwe bedrijven en bij de uitbreiding dan wel de verandering van bestaande fabrieks-installaties, steeds in meerdere mate met de inzichten en de eischen van het Veiligheidstoezicht rekening wordt gehouden, zoodat in de installaties dier bedrijven en fabrieken in dat opzicht geleide lijk bevredigender toestanden zijn gaan heersenen. Tengevolge van de goede voorlichting breekt zich hoe langer hoe meer het inzicht baan, dat het noodig is om uitsluitend zoodanige machines en toestellen te bestellen en op de markt te brengen, welke reeds bij den bouw in de fabriek voorzien zijn van die beschermingen, welke voor de veilige bediening daarvan noodzakelijk zijn te achten. Ook de in de latere jaren meer op den voorgrond tredende toepassing van individueele electrische aarddrijving door middel van transmissie-assen, riem schijvon en drijfriemen, heeft het ongevallengevaar in gunstigen zin bcinvloed. Toch bestaan nog vele installaties, waarin, wat het gevaar voor het ontstaan van ongevallen en de hygiënische toestanden betreft, nog zeer ongewenschte toestanden heerschen. Behoudens deze meer zichtbare bronnen van gevaar, welke in meerdere of mindere mate aan iedere machine verbonden zijn, moet de oorzaak der ongevallen ook in vele gevallen bij onvoorzichtigheid der slachtoffers zelve worden gezocht. Voorts is bij vele soorten van machines het aanbrengen van een afdoende beveili ging uiterst moeilijk en legt deze dikwijls aan de bediening meer moeilijkheden in den weg. Het is daarom begrijpelijk, dat in dergelijke gevallen bij den arbeider een zekere tegenzin in het aanbrengen van de noodige beveiligingen valt waar te nemen,welke er toe leidt dat de aangebrachte beschermingen dikwijls weer buiten gebruik worden gesteld. Hoewel de dienst poogt om zoodanige beveiligingen te DE SOCIALE TOESTANO. 328 ontwerpen, welke zoomin mogelijk moeilijkheden bij het gebruik der machines in den weg leggen, zoo is zulks toch en vooral bij meer ouderwetsche constructies niet steeds mogelijk. Onder deze omstandigheden is het dan ook een eerste ver eischte om strenge controle te houden, waarbij de betrokken werklieden en werk bazen telkenmale in hun eigen belang op de gevaren worden gewezen. Verder vinden nog een groot aantal ongevallen hun oorzaak in minder bevredi gende toestanden op het gebied van fabrieks-hygiëne. Zoo is het noodig gebleken ook de volle aandacht te schenken aan de gevaren, welke veroorzaakt worden door het inademen van voor de gezondheid gevaarlijke gassen en dampen, stof e.d. In de bedrijven, waar dergelijke bronnen van gevaar aanwezig waren, werd het gebruik van doelmatige gasmaskers voorgeschreven, terwijl op het aanbrengen van een goede ventilatie en van stof af zuiginrich tingen werd aangedrongen. Gedurende het verslagjaar werd in dit opzicht meer in het bijzonder de aandacht gewijd aan de meng-installaties, waarin benzine met tetra-aethyl lood wordt ver mengd, wegens het daarbij aanwezige gevaar voor het ontstaan van lood vergiftiging; voorts aan de verchroom-installaties wegens de voor de gezondheid gevaarlijke chroomzure dampen; aan de desinfectie-installaties voor tabak in sigaren- en sigaret tenfabrieken in verband met het gebruik van het brandgevaarlijke en voor de ge zondheid schadelijke zwavelkoolstof; aan de oorzaken, welke geleid hebben tot het ontstaan van stofexplosies, meer in het bijzonder in damar-fabrieken, enz. Van de hem bij het Veiligheidsreglement toegekende bevoegdheid om voor bepaalde installaties meer gedetailleerde voorschriften vast te stellen, maakte do Chef van het Veiligheidstoezicht gebruik om „Speciale bepalingen" samen te stellen voor „Fabrieken en werkplaatsen, waarin hchtontvlambare stoffen worden aange maakt, behandeld of verwerkt". Meer in het bijzonder werden in deze bepalingen voorschriften opgenomen voor „machinale kapokzuiverings-installaties" en voor „petroleum-raffinaderijen met de bijbehoorende installaties". Reeds in vroegere Verslagen werd op het groote nut van de veiligheids-propaganda de aandacht gevestigd. Ook gedurende het verslagjaar werd hiermede voortgegaan en door middel van publicaties in technische tijdschriften en ook in de dagbladen alsmede door de uitgave van eenige nieuwere veiligheidsplaten, de voorlichting van bedrijfsleiders, assistenten en werklieden op het gebied van de beveiliging bevorderd en propaganda gemaakt voor het „veiligheids-idee". Toezicht op de electrische installaties. Het toezicht van Overheidswege op de electrische sterkstroominstallaties van fabrieken en werkplaatsen in Nederlandsch- Indië wordt door de steeds uitgebreider toepassing van den electrischen stroom zeer omvangrijk. Het gebruik van nieuwe electrische machines en toestellen brengt mede, dat nieuwe bronnen van gevaar ontstaan voor de arbeiders, die daarmede moeten werken. Door bestudeering van deze nieuwe problemen moet het electro technische toezicht zich in de eerste plaats omtrent de mate van gevaar, welke het gebruik van nieuwe werktuigen en toestellen medebrengt, een zuiver omlijnd beeld vormen. Door een belangrijke hoeveelheid statistisch materiaal, hetwelk gedurende de laatste jaren werd verzameld en in het verslagjaar nader werd uitgewerkt, werd een nog juister inzicht gekregen in de gevolgen, welke de toepassing van deze nieuwe werkmethoden en het gebruik van deze nieuwe toestellen medebrengt. De in voorbereiding zijnde nieuwe voorschriften voor electrische sterkstroom installaties, waarvan reeds in vroegere Verslagen gewag werd gemaakt, moeten in verband hiermede nog nader worden aangevuld en gewijzigd. Het ontwerp dezer voorschriften nadert echter thans zijn voltooiing. Een gedurende het verslagjaar ingestelde redactie-commissie heeft reeds de vaststelling van de eindredactie der voorschriften, voorzoover deze geheel gereed zijn, in handen. OVERHEIDSBEMOEIENIS MET BEDRIJVEN. 329 Voorts werd over verschillende aangelegenheden in overleg getreden met de technische adviseurs der voornaamste cultuur- en industrieele ondernemingen. Van de gelegenheid om op het hoofdkantoor van den dienst adviezen en inlichtin gen in te winnen nopens don aanleg van electrische sterkstroom-installaties werd wederom veelvuldig gebruik gemaakt, terwijl met de importeurs van electrisch materiaal en installateurs van electrische installaties het goede contact en de noodige samenwerking behouden bleef. Het resultaat van deze bemoeiingen is, dat nagenoeg alle nieuwe electrische installaties reeds bij de eerste inspectie konden worden goedgekeurd. Het inspecteeren der verschillende electrische installaties vond overigens geregeld voortgang, terwijl aan verscheidene leiders van bedrijven, wier installaties niet onder direct toezicht van den dienst vallen, op aanvraag adviezen werden verstrekt. In verband met de sterk ingekrompen personeelsformatie voor het electro technisch toezicht, kon echter slechts een geringer aantal inspecties worden gehouden dan in vroegere jaren mogelijk was. De werkplannen worden thans zoo opgezet, dat de installaties zooveel mogelijk eenmaal in de 3 jaren worden bezocht. In het verslagjaar werd voorts voltooid het kaartsysteem, bevattende de belang rijkste gegevens van alle bedrijven, voorzien van electrische installaties (met uit zondering van de bedrijven ressorteerende onder de Departementen van Oorlog en der Marine). Overigens werden bij het toezicht op de electrische installaties onder den invloed van de wereld-crisis dezelfde moeilijkheden ondervonden als bij het toezicht op de mechanische fabrieks-inrichtingen. Van de leiders van vele bedrijven, waarvan de installaties nog niet aan de te stellen eischen voldeden, werd wederom het verzoek ontvangen om verlenging van den gestelden termijn voor het aanbrengen van de noodig geoordeelde verbeteringen. Waar zulks toelaatbaar bleek, werden deze ter mijnverlengingen toegestaan. Ter voorlichting van bedrijfsleiders en fabrieksemployé's, werden gedurende het verslagjaar wederom een aantal, op de in veiligheidstcchnisch opzicht juiste uitvoering van electrische installaties betrekking hebbende verhandelingen, in technische tijdschriften gepubliceerd. Uitvoering van de fabriekenordonnantie. Evenmin als in 1933, werden in 1934 vergunningen op den voet van de „fabrieken ordonnantie" tot uitbreiding van bestaande of oprichting van nieuwe suikeronder nemingen verleend. In verband met de noodzakelijke saneering van de suikerindustrie zullen aan vullende regelingen worden ontworpen, voor welk doel een Regeeringscommissio werd ingesteld. ECONOMISCH OVERZICHT. 33 Gedurende 1934 vormde de grootere stabiliteit in het conjunctuur-verloop een relatief gunstig element in den economischen toestand van Nederlandsch-Indië als geheel, doch het niveau was wederom lager dan in de voorafgegane crisisjaren. Ook de monetaire situatie onderging bij een vrij stabiele dollarkoers en een geleidelijk verkregen vastere verhouding tusschen dollar en pond geen schokkende wijzigingen; de nieuwe devaluaties (Tsjechoslowakije en Argentinië) waren daarbij voor Nederlandsch-Indië van geen ingrijpende beteekenis. Het feit, dat Indië voor de eerste maal rechtstreeks betrokken was bij een aantal handelsovereenkomsten en -afspraken, noopte de Indische Regeering, meer nog dan in voorafgegane jaren, tot het voeren van een actieve economische politiek. Om den export te stimuloeren, of althans zooveel mogehjk te behouden, was het onvermijdelijk een deel van den import kunstmatig te regelen, omdat de algemeene stelling, dat de invoer moet worden betaald met den uitvoer, dreigt te worden beperkt tot den stelregel, dat men slechts kan verkoopen aan dengene, van wien men ook koopt. De productie bleef in een groot aantal landen der wereld constant voor grond stoffen; zij bedroeg minder voor agrarische en meer voor industrieproducten; de industrieele bedrijvigheid en het volume van den wereldhandel namen toe, terwijl de waarde van dien handel nog verder daalde. De prijzen der granen op de wereld markt stegen; die voor industrie-producten daalden aanzienlijk, hetgeen een belangrijke prijsdaling beteekende voor vele in voergoederen in Indië en den ruilvoet gunstig beïnvloedde. De stijgende prijsbeweging der granen ging echter gepaard aan een daling van de prijzen der meeste koloniale producten. In Indië bleef de maïsprijs, door een regeling met de Nederlandsche Graan centrale gesteund, in den loop van 1934 stijgen. De padi-prijzen konden zich ook in verhouding tot de rijstprijzen nog verder verbeteren, voor zoover de voor invoer gesloten gebieden betreft, welke reeds in 1933, dank zij dat invoerverbod, onaf hankelijk waren geworden van het buitenlandsch marktverloop. Naast de bestaande productie-beperkingen ten aanzien van suiker en thee werden in 1934 restrictie-maatregelen getroffen voor kma, alsmede voor ondernemings en bevolkingsrubber. De prijzen voor thee en rubber verbeterden door de restrictie aanzienlijk; de toestand der overige koloniale handelsgewassen on genotmiddelen was minder gunstig, behalve die voor peper, nootmuskaat on foelie. De prijzen voor export-suiker bleven op een verlieslatend niveau. Het volgend overzicht van het verloop van een aantal prijzen van belangrijke uitvoerartikelen goeft een beeld van de bovengeschetste ontwikkeling voor Nederlandsch-Indië. 33 HOOFDSTUK 111. DE ECONOMISCHE TOESTAND. A. ECONOMISCH OVERZICHT. DE STAATSINRICHTING. 330 HOOFDSTUK VI. DE STAATSINRICHTING. A. DE REGEERING. De Gouverneur-Generaal maakte van 15 September tot 15 October 1934 oen reis naar de gewesten Celebes en Onderhoorigheden, Zuider- en Oosterafdeeling van Bornoo, Manado en de Molukken, na voor den duur Zijner afwezigheid van den zetel des bestuurs, ingevolge art. 14 van de Indische Staatsregeling, het dagolijksch beleid der zaken te hebben opgedragen aan den Vicc-President van den Raad van Neder landsch-Indië, Dr. J. W. Meyer Ranncft (I. S. 1934 nos. 533 en 601). Bij K. B. 22 Juni 1934 n°. 34 is, mot ingang van 23 Augustus 1934, op zijn verzoek eervol ontslag verleend aan den heer G. R. Erdbrink als lid van den Raad van Nederlandsch-Indië. Bij K. B. 16 Nov. 1934 n°. 47 is, met ingang van 31 December 1934, op zijn verzoek eervol ontslag verleend aan Pangcran Adipati Ario Koesoemo Joedo als lid van dien Raad, terwijl bij K. B. 28 Dec. 1934 n°. 83 — met ingang van 1 Januari 1935 — in zijn plaats als zoodanig is benoemd prof. dr. Raden Ario Hocsein Djaja diningrat, hoogleeraar aan de Rechtshoogeschool te Batavia. De bezoldiging van den Vice-President en de leden van den Raad van Neder landsch-Indië is opnieuw vastgesteld bij K. B. 23 Maart 1934 n°. 50 (I. S. n°. 195). Bij de wet van 29 Dec. 1934 (N. S. 1934 n°. 720, I. S. 1935 n°. 52) zijn de artt. 7 en 11 van de Indische Staatsregeling gewijzigd, ten einde de mogelijkheid te openen tijdelijk het getal leden van den Raad van Nederlandsch-Indië niet op zes te handhaven. De bij G. B. 4 Dec. 1930 n°. lx (zio Verslag 1931, blz. 435) ingestelde commissie voor Regeeringspublicatics is ontbonden (G. B. 22 Juni 1934 n°. 17). DE VOLKSRAAD. 331 B. DE VOLKSRAAD. De Volksraadpositieregeling onderging wijziging bij Ord. van 28 Maart 1934 (I. S. n°. 177). Bij Ord. van 24 Maart 1934 (I. S. n°. 161) is de bezoldiging van den secretaris en het overig personeel van den Volksraad opnieuw geregeld. Gedurende het jaar 1934 hield do Volksraad drie zittingen, namelijk de tweede gewone zitting 1933—1934 (10 Januari 1934 —20 Februari 1934), de tweede buiten gewone zitting 1933/1934 (14 Mei 1934 —24 Mei 1934) en de eerste gewone zitting 1934/1935 (15 Juni 1934—13 September 1934). In de tweede gewone zitting van het zittingsjaar 1933 —1934 vereenigde do Volksraad zich met eenige aanvullende begrootingen voor 1934, o.m. een achttal begrootingen tot verhooging, verlaging en toevoeging van posten van uiteenloopenden aard (Ond. 104) en een aanvullendo begrooting, welke verband hield met de hor verkaveling der departementen van Financiën, Landbouw, Nijverheid en Handel, Burgerlijke Openbare Werken en Gouvernementsbedrijven (Ond. 105). In deze zitting verleende het College voorts zijn medewerking tot de totstand koming van de ordonnantie tot opheffing van de Centrale Kas en tot instelling van een Algemeene Volkscredietbank voor geheel Nederlandsch-Indië (Ond. 36), alsmede van twee ordonnanties tot invoering der kina-restrictie (Ond. 102). De Volksraad verwierp een ontwerp-ordonnantie tot invoering van oen crisis heffing 1934 op het inkomen (Ond. 89); de ordonnantie is door den Gouverneur- Generaal met toepassing van de z.g. korte conflictenregoling (Indische Staats regeling art. 90, lid 1, sub 2°) vastgesteld. Eveneens is de korte conflictenregeling toegepast ten aanzien van de ordonnantie tot het doen vervallen van de in het Indisch burgerlijk pensioenreglemont en het niet-Europeesch locaal pensioenreglement voorkomende vrijstelling van contributie plicht voor ambtenaren op een bezoldiging van minder dan f 50 's maands (Ond. 131), van welke ordonnantie de Volksraad het ontwerp geamendeerd had aangenomen. Het College vereenigde zich met een ontwerp van wet, houdende machtiging tot het sluiten van sa-contracten met de Bataafsche Petroleum Maatschappij, de Nederlandsche Koloniale Petroleum Maatschappij en de N. V. „Nederlandsche Pacific Petroleum Maatschappij" betreffende de opsporing en ontginning van aard olie in het gouvernement der Molukken (Ond. 122). Uitvoerige beschouwingen werden in die zitting gewijd aan de ontwerpen der herziene bezoldigingsregeling voor de burgerlijke en militaire landsdienaren („H.8.8.L. 1934"en„M.8.R. 1934";0nd. 114), waaromtrent de Landvoogd den Raad om advies had verzocht. Do behandeling van deze ontwerpen leidde tot aanvaarding door het College van enkele moties — een motie-de Hoog, waarbij o.a. de wensen werd uitgesproken geen nieuwe salarisregeling in te voeren vóór 1 Januari 1935, alsmede een motie-Van Lonkhuyzen, strekkende tot verbetering van de regeling der overgangsbezoldiging — en, ten slotte, tot afwijzend advies. Van de hier besproken periode verdient verder vermelding de behandeling en de aanneming door den Volksraad van de reeds in het Indisch Verslag 1934 ge noemde ontwcrp-initiatief-ordonnantie-Sandkuyl c.s. (Ond. 67) en van een initiatief ontwerp, ingediend door den heer Fruin c.s. (Ond. 113), beide wijziging van de or donnantie op de inkomstenbelasting beoogende. Do Regeering verklaarde bij kabi netsbrief van 19 Februari 1934 bezwaar te hebben de ordonnanties vast te stellen. Ten slotte zij de aandacht gevestigd op de interpellatie-Kan over voornemens der Regeering tot contingentecring van import-artikelen (Ond. 121), waarbij de Begeering door den Directeur van Economische Zaken aan den Raad inlichtingen deed verstrekken. De tweede buitengewone zitting van het zittingsjaar 1933-1934 werd geheel DE STAATSINRICHTING. 332 lusteed aan de behandeling van zes ontwerp-ordonnanties betreffende de rubber restrictie (Ond. 169). Deze ontwerpen ontmoetten op twee punten ernstigen tegen stand in den Volksraad, ten eerste inzake de voorgostelde verdeeling van het voor Nederlandsch-Indië vastgesteld uitvoorquotum voor bevolkings- en ondernemings rubber, ten tweede wat betreft het bijzonder uitvoerrecht van bevolkingsrubber. Het College vereenigde zich met een amendement-Kasimo, dat beoogde de ver houding der basis-quota voor ondernemings- en bevolkingsrubber gedurende de geheele restrictie-periode op 100—100 te stellen en, na verwerping van de ontwerp ordonnantie tot heffing van een bijzonder uitvoerrecht op bevolkingsrubber, met een amendement-Roep op de bevolkings-rubber-uitvoer-ordonnantie, dat ter ver vanging van het uitvoerrecht voor de bevolkingsrubber een restrictie-systeem in het leven wilde roepen, neerkomend op restrictie per gewest, rechtsgemeenschap en individu. In de restrictie-regeling, welke is vastgesteld met gebruikmaking van de bevoegdheid, aan den Gouverneur-Generaal toegekend bij art. 90, lid 1, sub 2°, der Indische Staatsregeling, hoeft de Regeering én de oorspronkelijk voorgestelde quota-verhouding 7iy 2 : 100 én het bijzonder uitvoerrecht gehandhaafd. In de eerste gewone zitting van het zittingsjaar 1934 —1935 werd een groot deel van don spreektijd, uitgetrokken voor de begrooting 1935 (Ond. 1), in beslag genomen door beschouwingen over 's Lands financieolen toestand on de financieele politiek. Daarbij kwamen o.a. het algemeen begrootingsaspect, de Indische schuld, de salaris post, de pensioenslast, het vraagstuk van devaluatie der munteenheid en de belasting politiek ter sprake. Van vele zijden kwamen tegen het belastingstelsel grieven tot uiting, welke resulteerden in de verwerping van enkele — hieronder te bespreken — belasting voorstellen der Regeering on in de aanneming van een motie-Kan (Ond. I—Alg. Ged., st. 7), houdende verzoek tot instelling van een commissie tot bestudeering van den belastingdruk. De Regeering verklaarde echter bezwaar te hebben aan den in de motie necrgelegden wensch gevolg te geven. Eveneens stond Zij afwijzend tegenover een amendement-Thamrin (Ond. I—Afd. 111, st. 21), dat der Regeering machtiging wilde verleenen tot heffing van een uit voerrecht op ondernemingsrubber, waardoor voor 1934 een bate van ruim f 8, voor 1935 van ± f 9% millioen werd verwacht. Ook de economische toestand eisehte bij de behandeling der begrooting voor 1935 veler belangstelling op. Zoo worden er beschouwingen gewijd aan do rijstpolitiek, de handels- en exportgewassen, restrictie, contingenteering, zoomede andere vraag stukken betreffende den handel met het buitenland, en bevordering van de nijverheid. Voorts werden debatten gehouden over sociale onderwerpen als de werkloosheid en do kolonisatie. De Volksraad nam zeven amendementen aan, welke op de begrooting voor 1935 betrekking hadden, waarvan er vier door den Gouverneur-Generaal bij de vast stelling der begrooting zijn overgenomen. De gedrukte stukken geven een overzicht van do vaststelling der afdeelingen en de amendementen (Ond. I—Alg. Ged., st. 15), alsmede van de door het College aangenomen moties (st. 16). Onder de verschillende aan den Volksraad in den loop dezer zitting aangeboden ontwerpen van aanvullende begrooting voor 1934 en 1935 bevonden er zich drie (Ond. 12, 60 on 62) welke verband hielden met het voornemen der Regeering tot invoering van een loonbelasting en tot wijziging van do inkomstenbelasting-ordon nantie, wat dit laatste betreft in hoofdzaak in dien zin, dat de totale door crisis heffing 1934 en inkomstenbelasting opgelegde last in het jaar 1935 voor 2/3 deel werd verwerkt in het grondtarief der inkomstenbelasting en voor 1/3 in op dat tarief te heffen 50 Landsopconton. Tegelijk mot do ontwerp-ordonnantie tot invoering eener loonbelasting (Ond. 55, st. 2 A) werden de aanvullingsbegrootingen, voorzoover op de loonbelasting betrekking hebbende, door het College verworpen. Eveneons DE VOLKSRAAD. 333 werd de met bedoelde aanvullende begrootingen samenhangende ontwerp-ordon nantie tot wijziging van de inkomstenbelasting (Ond. 55, st. 2 B) verworpen; de desbetreffende aanvullende begrootingen worden aangenomen, echter geamendeerd (bij amendement-Thamrin) in dien zin, dat de samensmelting der crisisheffing met de inkomstenbelasting niet zou plaats vinden. De ordonnanties zijn in hoofdzaak overeenkomstig de ingediende ontwerpen door den Gouverneur-Generaal op eigen gezag en verantwoordelijkheid vastgesteld. Met een ontwerp-aanvullende begrooting betreffende afdeeling VI (Ond. 69), waarbij de Regeering een uiteenzetting gaf betreffende de nieuwe richtlijnen der houtvervreemdingspolitiek, kon het College zich vereenigen. Van de overige onderwerpen, welke de Volksraad in de eerste gewone zitting 1934 —1935 in behandeling nam, mogen de volgende worden vermeld: a. ontwerp van wet tot vermindering van het aantal leden van het College van Gedelegeerden (Ond. 5); b. ontwerp van wet tot toepasselijkverklaring op Nederlandsch-Indië, Suriname en Curacao van de Geneefsche verdragen inzake het wisselrecht, enz. en ontwerp-ordonnantie, houdende nieuwe regeling van do wisselbrieven, enz. (Ond. 21; zitt. 1933 —1934, Ond. 127); c. ontwerp van wet tot vermindering van het aantal leden van den Raad van Nederlandsch-Indië (Ond. 25; zitt. 1933 —1934, Ond. 168); d. intcrpollatic-De Dreu inzake de invoering van z.g. „brugklassen" (Ond. 27); e. ontwerp-ordonnantie inzake het opleggen van administratieve straffen on het beroep daarop (deel van de regeling van den rechtstoestand van ambtenaren: Ond. 36; zitt. 1933—1934, Ond. 156); /. ontwerp van wet houdende machtiging tot het sluiten van sa-contracten met de „Mijnbouw Maatschappij Zuid-Bantam" betreffende de opsporing en ontginning van goud, zilver, enz. in de residentie Bantam (Ond. 39); g. ontwerp-crisis-cement-invoerordonnantie 1934 (Ond. 44); h. ontwerp van wet inzake de wijze van financiering der pensioenfondsen (Ond. 51); i. ontwerp ordonnantie tot nadere wijziging en aanvulling van het Indisch burgerlijk pensioen reglement (Ond. 52); j. ontwerp-ordonnantie tot nadere wijziging en aanvulling van het niet-Europeesch locaal pensioenreglement en het pensioenreglement voor bij zondere leerkrachten (Ond. 70). Het College van Gedelegeerden deed gedurende het jaar 1934 wederom tal van ontwerp-ordonnanties af, waarvan de Volksraad zich de behandeling niet had voorbehouden. Hieronder bevonden zich eenige zeer belangrijke ontwerpen, met name crisismaatregelen, ten aanzien waarvan de Gouverneur-Generaal een termijn bepaald had, binnen welken de Volksraad hem zijn besluit moest mededeelcn, zoodat de Volksraad van zijn recht van voorbehoud geen gebruik kon maken. De voor naamste der door het College van Gedelegeerden behandelde ontwerp-ordonnanties zijn die, welke betrekking hebben op: a. de vaststelling van een nieuw wetboek van militair strafrecht en van een nieuw wetboek van krijgstucht voor Nederlandsch- Indië (zitt. 1933 —1934, Ond. 82); 6. de wijziging van den derden en vierden titel van het wetboek van koophandel, enz. (betr. het schepelingenrecht) (zitt. 1933—1934, Ond. 85); c. de regeling van de armenzorg, enz. (zitt. 1933 —1934, Ond. 86); d. de verzekering van de marktpositie van rijst en kedelé (zitt. 1933 —1934, Ond. 139); e. de invoer van suiker (zitt. 1933 —1934, Ond. 142); /. de herziening van de regeling van de beslechting van douane-geschillen (zitt. 1933 —1934, Ond. 161; zitt. 1934— 1935, Ond. 15); g. de overdracht van bevoegdheden in verband met uitgifte in erf pacht (zitt. 1934—1935, Ond. 40); h. de bodrijfsreglementeering (zitt. 1934 —1935, Ond. 75); i. de beperking van den invoer van bier (zitt. 1934 —1935, Ond. 77); j. de wijziging van hot tarief van invoerrechten en de wijziging en aanvulling van de tabaksaccijns-ordonnantie (zitt. 1934—1935, Ond. 81); k. de samenvoeging van de stadsgemeenten Batavia en Meester Cornelis (zitt. 1934 —1935, Ond. 92); l. de tijdelij ke beperking van den invoer van bontgeweven stoffen (zitt. 1934 —1935, Ond. 97); m. de opheffing van de regentschappen Kraksaan, Grisee, Trenggalek en Bangil DË STAATSINRICHTING. 334 (zitt. 1934 —1935, Ond. 99); n. de afschaffing der motorvoertuigenbelasting, ver hooging van den benzine-accijns en invoering van een belasting voor motorvoer tuigen met bijzonderen motor (zitt. 1934-—1935, Ond. 107); o. de tijdelijke beperking van den invoer van gebleekte katoenen stoffen (zitt. 1934—1935, Ond. 108); p. de tijdelijke opheffing van het uitvoerrecht op Java-tabak (zitt. 1934 — 1935, Ond. 109). Al deze ordonnanties werden in overeenstemming met het College vastgesteld, met uitzondering van de geamendeerde ontwerp-ordonnanties tot herziening van de regeling van de beslechting van douane-geschillen en van de door het College verworpen ontwerp-ordonnantie tot overdracht van bevoegdheden in verband met do uitgifte in erfpacht. De Gouverneur-Generaal heeft van deze beide ontwerpen een tweede behandeling verzocht. De herhaalde toepassing gedurende de laatste jaren van de korte conflicten regeling — o.a. in het jaar 1934 zeven maal — gaf don hoor Fruin aanleiding bij het College van Gedelegeerden een verzoek in te dienon om inzake die toepassing een interpellatie tot de Regeering te mogen richten (zitt. 1934 —1935, Ond. 80), welk verzoek door het College werd ingewilligd. De Regeering beantwoordde de in het interpellatie-voorstel geformuleerde vragen schriftelijk, onder mededeeling, dat een mondelinge gedachtonwisseling over deze aangelegenheid Haar ondoeltreffend voorkwam (deze regeeringsmededeeling is opgenomen in stuk 2 van Ond. 80). Een interpellatie-voorstel van den heer Kan inzake de rijstpolitiek in verband met eenige maatregelen van recenton datum werd eveneens ingewilligd (zitt. 1934 — 1935, Ond. 89). In dit geval deed de Regeering door Haar gemachtigde, den directeur van Economische Zaken, het College mondeling de gevraagde inlichtingen ver schaffen. Omtrent de drie in 1934 gehouden zittingen van den Volksraad volgen hieronder eenige cijfers, waarbij voor wat betreft het aantal vergaderingen in de gewone zittingen, ter vergelijking, tusschen haakjes de cijfers van overeenkomstige gewone zittingen in de drie voorafgegane jaren zijn vermeld. Gedurende 1934 werden 140 verzoekschriften bij den Volksraad ingediend en werden door do leden van het College 119 schriftelijke vragen gesteld, waarvan 31 op de vragendagen mondeling door de Regeering werden beantwoord. DE DEPARTEMENTALE ORGANISATIE. 335 C. DE DEPARTEMENTALE ORGANISATIE. De werkkring van de departementen van algemeen bestuur in Nederlandsch- Indië is nader gewijzigd (zie I. S. 1934 n°. 603), waarbij de dienst van den mijnbouw van het departement van Economische Zaken is overgegaan naar het departement van Verkeer en Waterstaat. Bij Ordn. van 8 Febr. 1934 (I. S. n°. 63) en 22 Dec. 1934 (I. S. n°. 704) zijn eenige voorzieningen getroffen verband houdende met do wijziging van den werkkring van eenige departementen van algemeen burgerlijk bestuur. Aan den heer mr. J. J. Schrieke is, met ingang van 28 Juni 1934, op zijn verzoek eervol ontslag verleend als Directeur van Justitie, terwijl in zijn plaats als zoodanig is benoemd de heer mr. K. L. J. Enthoven, hoofdambtenaar voor de wetgeving bij hot departement van Justitie. Met ingang van 16 Mei 1934 is dr. A. D. A. de Kat Angelino, hoofdambtenaar ter beschikking van den Gouverneur-Generaal, belast met de waarneming van de functie van Directeur van Onderwijs en Eeredienst voor den duur van het aan prof. dr. B. J. O. Schrieke verleend verlof. Met ingang van 22 Augustus 1934 is mr. G. H. C. Hart benoemd tot Directeur van Economische Zaken, als opvolger van wijlen den heer ir. E. P. Wellenstein. Het tarief van onderzoekingen en andere werkzaamheden in het Landsarchief is opgenomen in Bb. n°. 13327. DE STAATSINRICHTING. 336 D. HET BESTUUR. Europeesch bestuur. De organisatie van het Europeesch bestuur onderging in 1934 de volgende wijzigingen. Bij Ord. van 10 Dec. 1934 (I. S. n°. 672) is het bestuur in de Vorstenlanden met ingang van 1 Januari 1935 gereorganiseerd. Daarbij werd de functie van resident opgeheven en werden de aan deze bestuursambtenaren opgedragen bevoegdheden, enz. opgedragen aan de assistent-residenten, die voortaan met het bestuur over een afdeeling in die gewesten zijn belast. Voor nadere voorzieningen in verband met deze reorganisatie zie men I. S. 1934 n°. 673. Met het oog op deze reorganisatie is voorts de „Instructie voor Gouverneurs van Provinciën en Hoofden van andore aan te wijzon gewesten" nader gewijzigd voor wat betreft de vervanging bij afwezigheid, belet of ontstentenis van don Gou verneur, voorzoover het de uitoefening van de hem opgedragen Landstaak betreft (I. S. 1934 n°. 702). In verband met de opheffing van enkele regentschappen is op de betrekkelijke regentschapshoofdplaatsen de assistent-residentspost opgeheven: met ingang van 1 Januari 1934 geschiedde zulks definitief te Koetoardjo on Pamekasan en met ingang van 1 Januari 1935 te Grisee, Trenggalek, Bangil en Kraksaan. Bij Ord. van 17 April 1934 (I. S. n°. 198) is het hervormde gewest „Gouvernement dor Molukken" weder omgezet in een residentie, waar het bestuur is georganiseerd overeenkomstig de te dezen aanzien voor de overige Buitengewesten geldende beginselen. In verband hiermede werd een nieuwe administratieve indeeling voor dit gewest vastgesteld (I. S. 1934 n°. 620). Voor het gouvernement Atjeh en Onderhoorigheden en de residentie Bangka on Onderhoorigheden werd een nieuwe administratieve indeeling vastgesteld (I. S. 1934 nos. 539 en 573). Voor een wijziging van de grens tusschen de gewesten Westerafdeeling van Borneo en Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo zie men I. S. 1934 n°. 20. Voor alle gewesten buiten Java en Madoera werden de mogelijkheden overwogen om tot bezuiniging te komen, o.a. om door wijziging van de administratieve in deelingen tot een kleinere personeelsformatie te geraken. Het meerendeel van de mogelijk geachte personeelsinkrimpingen werd in praktijk gebracht bij onderhandsche regelingen (opdracht van het bestuur over twee onder afdeelingen aan één onderafdeelingschef e.d.) met de bedoeling de werkelijk mogelijk blijkende samenvoegingen en herverdeelingen vast te leggen in nieuwe gewestelijke administratieve indeelingen, welke in het Staatsblad zullen worden opgenomen. In 1934 geschiedde zulks slechts ten aanzien van bovengemelde gewesten. De controleurs van het Ja va-corps en van het Buitengewesten-corps werden in het afgeloopen jaar nagenoeg alle tot assistent-resident bevorderd, zoodat thans in de controleursrangen vrijwel uitsluitend ambtenaren van het z.g. vereenigd corps dienen. Enkelen van dit corps werden intusschen ook reeds tot assistent-resident benoemd. Ook in 1934 werd een aantal bestuursambtenaren, dat de inmiddels vervangen driejarige opleiding voor den Indischen administratie ven dienst had genoten, aan gewezen voor het volgen van de aanvullende academische studie. Wat betreft de uitzending van afgestudeerde Indologen kan worden vermeld, dat in 1934 21 voor den bestuursdienst bestemde personen werden uitgezonden en do overige candidaat-Indisch-ambtenaren na beëindiging van hun studie in Neder land op wachtgeld werden gesteld. In 1934 had geen aanwijzing van nieuwe candidaat-Indisch-ambtenaren plaats. Inheemsch bestuur. In de organisatie van het Inheemsch bestuur op Java kwam in 1934 wijziging, doordat om bezuinigingsredenen werd overgegaan tot opheffing van eenige regentschappen. HET BESTUUR. 337 Met ingang van 1 Januari 1934 werden de regentschappen Koetoardjo en Pame kasan opgeheven en werd het gebied daarvan gevoegd bij respectievelijk de regent schappen Poorworodjo on Soemenep (I. S. 1933 nos. 526 en 527). Met ingang van 1 Januari 1935 werden voorts de regentschappen Grisee, Treng galek, Bangil on Kraksaan opgeheven, terwijl het gebied van deze ressorten werd gevoegd respectievelijk bij de regentschappen Soerabaja, Toeloengagoeng, Pasoe roean en Probolinggo (1. S. nos. 708 t/m 711). Om bezuinigingsredenen werd voorts nog wijziging gebracht in de administratieve indeeling in districten on onderdistricten der regentschappen in de Gouvernements landen van Java en Madoera (zie I.S. 1934 nos 17, 682 en 714). Ook de formaties van het Inlandsch bestuur in de Buitengewesten werden zooveel als onder de gegeven plaatselijke omstandigheden mogelijk word geacht, gewijzigd en ingekrompen. Het ten aanzien van hot Europeesch bestuur in dit opzicht hiervóór vermelde geldt m.m. evenzeer voor het Inlandsch bestuur. Zoo bevat I. S. 1934 n°. 573, houdende de administratieve indeeling van de residentie Bangka en Onderhoorigheden, een algeheele reorganisatie van de distriets indeeling en in verband daarmede van het districtsbestuur. Wat betreft de aanvulling van den Inlandschen Bestuursdienst met gediplomeer den dient te worden vermeld, in 1934 de candidaat-ambtenaren voor den In landschen Bestuursdienst, die hun studie aan Opleidingsscholen te Magelang on Bandoeng hadden beëindigd, niet dadelijk alle als ambtenaar bij den Inlandschen Bestuursdienst konden worden geplaatst, wijl in de verschillende Gouvernements landen op Javp en Madoera en in de Buitengewesten nog over een alleszins voldoend aantal van die ambtenaren werd beschikt. In afwachting van hunne plaatsing, werd voor betrokkenen een wachtgeld regeling in het leven geroepen. In 1934 werd voorts de aanwijzing van jongelieden voor de studie aan een Op leidingsschool voor Inlandsche bestuurambtenaren zeer beperkt. Bij G. B. 1 Febr. 1934 n°. 38 is een commissie ingesteld welke der Regeering van advies heeft te dienen omtrent de vraag of met de bestaande opleiding van eandidaat-Indischo ambtenaren (ciba's) aan de daarvoor ingestelde middelbare scholen on de later daarop volgende opleiding van daarvoor aangewezen ambtenaren aan de Bostuursschool te Batavia, de algemeene ontwikkeling van deze ambtenaren op zoodanig peil wordt gebracht, dat zij voldoet aan de eischen, welke de bestuurs voering op Java en Madoera thans stelt aan hot Inlandsch bestuur in het algemeen en aan de bekleeders van de hoogste functies bij den Inlandschen bestuursdienst op die eilanden in het bijzonder; zoo de vraag niet ten volle bevestigend wordt be antwoord, omtrent de wijze, waarop in de behoefte aan meer of andere opleiding ware te voorzien. Het bestuur over Vreemde Oosterlingen. Met ingang van 31 Maart 1934 werd het instituut van Chineesche officieren op Java en Madoera, met uitzondering van de hoofdplaats Batavia, geheel opgeheven (I. S. 1934 n°. 181), terwijl op deze eilanden ook de formatie van het Chineesche wijkbestuur werd ingekrompen. In de gewesten buiten Java en Madoera werd voortgegaan met de opheffing van eenige ambten (posten) van Chineesch officier en wijkmeester (I. S. 1933 n°. 443, juncto 1934 n°. 493). Ten aanzien van het bestuur over Vreemde Oosterlingen, geen Chineezen zijnde, dient te worden vermeld, dat in vele gevallen werd overgegaan tot intrekking, c.g. vermindering van de door betrokkenen genoten toelagen. Overige aangelegenheden. Onder den naam van „herziene reisregeling 1933" (I. S. 1934 n°. 121) werden eenige wijzigingen en aanvullingen aangebracht in de 22 DE STAATSINRICHTING. 338 artikelen 2 on 2a van de „Reisregeling 1918/1924" (I. S. 1918 n°. 694, juncto 1924 n°. 548) houdende do regeling van eventueele beperkingen, welke onder bepaalde omstandigheden kunnen worden gesteld ten aanzien van het oponthoud en het reizen in daartoe aan te wijzen gebiedsdeelen, door personen, dio aldaar niet woon achtig zijn. Bij G. B. 26 Febr. 1934 n°. 1 (I. S. n°. 94) zijn de landstreken in de residentie Bangka en Onderhoorigheden aangewezen waar het reizen alleen is geoorloofd met een paspoort. Vastgesteld zijn de grenzen van de onderafdeelingshoofdplaats Pakanbaroe (gouv. Oostkust van Sumatra) (Bb. n°. 13261), van Siborongborong en Doloksanggoel (res. Tapanooli) (Bb. n°. 13296), van de gewestelijke hoofdplaats Soerakarta, de rogentschapshoofdplaatsen Klaten. Sragcn, Bojolali, Wonogiri en do districts hoofdplaats Karanganjar (gouv. Soerakarta) (Bb. n°. 13318), van de onderafdeelings hoofdplaats Djeneponto (gouv. Celebes en Onderhoorigheden) (Bb. n°. 13323), van de onderafdeelingshoofdplaats Maros (gouv. Celebes en Onderhoorigheden) (Bb. n°. 13336) en van de onderafdeelingshoofdplaats Soenggoe minasa en do plaats Malino (gouv. Celebes en Onderhoorigheden) (Bb. n c . 13379). DE RECHTERLIJKE MACHT. 339 E. DE RECHTERLIJKE MACHT. Bij Ord. van 31 Juli 1934 (I. S. n°. 484) zijn de bepalingen omtrent de benoem baarheid tot rechterlijke ambten en tot advocaat on procureur in het reglement op de rechterlijke organisatie en het rechtsreglement Buitengewesten in overeen stemming gebracht met de hoogeronderwijs-wet en de hoogerondorwijs-ordonnantie, volgens welke regelingen voor de benoombaardheid tot rechterlijk ambtenaar on advocaat en procureur als eisch is gesteld, niet dat de betrokkene den graad van „doctor in de rechtswetenschap" bezit (zooals in eerstgenoemd reglement wordt gevorderd), doch dat hij de hoedanigheid van „moester in de rechten" heeft ver worven. Tevens werd het in de laatste twee leden van art. 186 (oud) van dat reglement geregelde procureursexamen afgeschaft, aangezien dit instituut geen reden van be staan meer hoeft, waar thans bij verschillende Raden van Justitie geen tekort meer is aan gegradueerde procureurs en niet te verwachten is dat dit tekort in de toekomst zal ontstaan, nu in Nederlandsch-Indië zelf do gelegenheid is opengesteld tot het behalen van do hoedanigheid van meestor in do rechten. Aan hen, die tot procureur werden benoemd onder vigeur van de afgeschafte bepalingen, is de bevoegdheid gelaten als zoodanig te blijven optreden. De landraden te Kendal, Tooban en Djombang zijn met ingang van 1 April 1934 samengevoegd met onderscheidenlijk die te Semarang, Bodjonegoro en Mod jokerto (I. S. 1934 n°. 73). De landraden en residentiegerechten te Kootoardjo en Sampang zijn met ingang van 1 Mei 1934 opgeheven, terwijl de rechtsgebieden van die rechtbanken en gerechten zijn samengevoegd met die van den landraad on het residentiegerecht respectievelijk te Poerworedjo en to Pamekasan (I. S. 1934 n°. 137). Omtrent de opheffing van de landraden en residentiegerechten te Bindjai (Oost kust van Sumatra) en Langsa (Atjeh en Onderhoorigheden); te Kotaagoeng en Menggala (Lampoengsche Districten); en te Kadjang en Bikeroe (Celebes en Onder hoorigheden) zie men I. S. 1934 nos. 646, 379 en 107. Hot rechtsgebied van de landraden en residentiegerechten in het gouvernement Atjeh en Onderhoorigheden is herzien (zie I. S. 1934 n°. 540). Hot rechtsgebied van do landgerechten te Cheribon, Indramajoe, Poerworedjo en Bangkalan is gewijzigd (zie I. S. 1934 n°. 289). Voor de opdracht van het fungeerend landrechterschap aan eenige ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur in de provincie Midden-Java zie men I.S. 1934 n°. 428. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 34 De in 1934 behaalde tabaksprijzen waren zeer laag, vooral in de tweede helft van het jaar. Dank zij o. a. een sterke inkrimping van de productie van dit monopolie artikel, steeg de gemiddelde veilingprijs van Deli-tabak echter van 123 tot 137 et. per "4 kg. De Vorstenlandsche tabak bracht in 1934 (oogst 1933) echter niet meer op dan 26 et. per "/£ kg, tegen 34 et. in 1933. De overige Java-tabak daalde van 24 et. tot 20 et. per l / 2 kg. In den volgenden tabel wordt een overzicht gegeven van den geheelen in- en uitvoer. De uitvoerhoeveelheid in 1934 was hooger dan in 1933 voor rubber, peper, palmolie, aardolieproducten, tin en wildhout, daarentegen lager voor maïs, copra, krosok-tabak, thee en suiker. De totale uitvoer is toegenomen; ook de totale uitvoerwaarde is, ondanks do relatief sterk gedaalde prijzen, een weinig gestegen. Prijzen van een aantal belangrijke uitvoerartikelen (in guldens). In- en uitvoer van Nederlandsch-Indië {exclusief goud en zilver, postpakketten, passagiersgoederen en scheepsgebruik). DE STAATSINRICHTING. 340 F. DE POLITIE. In overleg met de Bestuurshoofden werd een nieuwe formatie voor de algemeene politie opgesteld, gebaseerd op de allernoodzakelijkste behoefte, welke formatie reeds gedeeltelijk in 1934 is verwezenlijkt. Verdere doorvoering van de voorstellen der „Leger-Politie-Commissie" leidde eveneens tot bezuiniging. Zoo werden, met uitbreiding van de in art. 3 van G. B. 13 Juni 1933 n°. 8 (I. S. n°. 272) gegeven opsomming van bestuursafdeelingen, de residenties Bantam, Buitenzorg, Semarang en Kedoe aangewezen als gebieds deelen, waar een deel der veldpolitie wordt vervangen door politioneel opgeleide militairen van de op Java gelegerde marechaussee-compagnieën (I. S. 1934 n°. 680). Door deze uitbreiding zijn de voorstellen van genoemde Commissie voor zoover mogelijk bleek ten uitvoer gelegd. Voorts heeft do voortdurende depressie in de cultures er toe geleid dat moest worden voortgegaan mot buitendienststelling van ten behoeve van eenige cultuur ondernemingen in dienst gesteld politiepersoneel. De met ingang van 1 Januari 1934 in werking getreden regeling betreffende do werving en het ontslag van agenten en posthuis-commandanten der algemeene politie is opgenomen in Bb. n°. 13144, juncto n°. 13370. Do sterkte van de algemeene politie op 1 Januari 1935 is als volgt: Java en Madoera. Stads- en bestuurspolitie : 4 hoofdcommissarissen, 5 adjunct-hoofdcommissarissen, 14 commissarissen Iste klasse, 5 wedana's, 24 commissarissen 2de klasse, 19 hoofd inspecteurs, 32 assistent-wedana's, 84 inspecteurs Iste klasse, 109 inspecteurs, 614 mantri's-politie, 208 hoofdagenten, 20 hoofdrechercheurs, 20 hoofdposthuis commandanten, 490 posthuiscommandanten, 430 rechercheurs, 324 leerling-recher cheurs, 3391 agenten met verband, 8595 agenten zonder verband. Gewestelijke en opium-recherche: 1 commissaris Iste klasse, 3 wedana's, 5 com missarissen 2de klasse, 12 assistent-wedana's, 1 hoofdinspecteur, 2 inspecteurs, 63 mantri's-politie, 4 hoofdrechercheurs, 193 rechercheurs, 43 leerling-rechercheurs. Veldpolitie: 10 commissarissen Iste klasse, 1 commissaris 2de klasse, 8 hoofd inspecteurs, 54 inspecteurs Iste klasse, 33 inspecteurs, 159 mantri's-politie, 48 hoofdagenten, 30 hoofdposthuiscommandanten, 240 posthuiscommandanten, 2909 agenten met verband. Cultuur politie : 1 mantri-politie, 1 posthuiscommandant, 19 agenten met verband. Buitengewesten. Stads- en bestuurspolitie: 2 commissarissen Iste klasse, 5 commissarissen 2de klasse, 4 assistent-wedana's, 4 hoofdinspecteurs, 18 inspecteurs Iste klasse, 20 in specteurs, 162 mantri's-politie, 48 hoofdagenten, 8 hoofdrechercheurs, 4 hoofd posthuiscommandanten, 89 posthuiscommandanten, 116 rechercheurs, 32 leerling rechercheurs, 1045 agenten met verband, 2229 agenten zonder verband. Gewestelijke en opium-recherche: 2 commissarissen Iste klasse, 2 wedana's, 1 commissaris 2de klasse, 14 assistent-wedana's, 1 hoofdinspecteur, 2 inspecteurs lste klasse, 3 inspecteurs, 65 mantri's-politie, 4 hoofdagenten, 8 hoofdrechercheurs, 220 rechercheurs, 30 leerling-rechercheurs. DE POLITIE. 341 Veldpolitie: 2 hoofdcommissarissen, 5 adjunct-hoofdcommissarissen, 11 com missarissen Iste klasse, 6 commissarissen 2de klasse, 17 hoofdinspecteurs, 51 in specteurs Iste klasse, 58 inspecteurs, 122 mantri's-politie, 22 hoofdagenten, 67 hoofdposthuiscommandanten, 436 posthuiscommandanten, 13 rechercheurs, 5 leerling-rechercheurs, 4029 agenten met verband. Cultuurpolitie: 3 inspecteurs, 2 hoofdagenten, 7 posthuiscommandanten, 48 agenten met verband, 144 agenten zonder verband. DE STAATSINRICHTING. 342 G. DE ZEEMACHT. De Koninklijke Marine. Het eskader in Nederlandsch-Indië bestond in 1934 uit den kruiser Java, de groep torpedobootjagers en de divisie onderzeebooten. De verschillende tot het eskader behoorende eenheden oefenden meestentijds in groeps-, c.g. divisie-verband. In Maart werd een reis gemaakt om Sumatra waarbij Singapore word aangedaan. Gedurende de maand Juni was het eskader in Straat Makassar. In Juli en Augustus werd geoefend in do Flores-zee. Eind Augustus ver toefde het eskader ter reedo Batavia, waar het gecombineerde oefeningen met de landmacht hield. Daarna werd een reis gemaakt langs de Zuidkust van Java. De schepen onder bevel van den Commandant der Marine te Soerabaja oefenden meestentijds in de nabijheid van Soerabaja. Enkele malen werden oefentochten gemaakt, o.a. naar do reede van Batavia, de Kleine Soenda-eilanden, Borneo, Sumatra en de eilanden in de Zuid-Chineesche Zee. De mijnenleggers oefenden in Straat Makassar en in de nabijheid van Soerabaja. De vliegtuigen maakten in groepsverband oefentochten naar Tandjoengpriok, Straat Makassar, rond Celebes en door de Molukken. De beide flottielje vaartuigen ondernamen verschillende reizen voor vlagvertoon in den Archipel, waarbij o.a. de Molukken, de Kleine Soenda-eilanden en de eilanden in de Zuid-Chineesche Zee bezocht werden. Het flottieljevaartuig Soemba escorteerde in September den Gouverneur-Generaal op zijn reis naar de Molukken. Na de voorvallen, vermeld in het Verslag over 1933, werden verschillende maat regelen genomen ter verbetering van den geest van het personeel, welke sedert niet te wenschen overlaat. In verband met de aanhangige reorganisatie-plannen voor het korps Inlandsche schepelingen bleef de, aanneming voor dit korps gesloten. Voor het korps Inlandsche bedienden werden 66 personen aangenomen. Aan do geestelijke verzorging van de militairen der Zeemacht werd de noodige aandacht besteed; de beoefening van sport werd zooveel mogelijk bevorderd. De gezondheidstoestand van het personeel der Zeemacht was over het algemeen goed. Oorzaken van een niet algeheel gunstigen toestand waren influenza en angina epidemieën; op één bodem kwamen 3 gevallen van buiktyphus voor. Er werden 37 Europeanen afgekeurd voor de tropen, terwijl 25 Inlanders on geschikt voor den dienst bloken te zijn. Het ziektc-percentage voor malaria bleef gunstig. Het aantal venerische ziekten nam in deze periode af, bij het Europecsch pers< meel van 434 tot 374 en bij de Tnlandsche schepelingen en bedienden van 282 tot 2I)S. Het toezicht op de uitoefening van de bestrijdingsmaatregelen werd verscherpt. Gevallen van typhus en para-typhus deden zich slechts sporadisch voor. De inentingen tegen cholera, typhus, para-typhus en pokken hadden een gewoon verloop en vonden weinig moeilijkheden. Enkele lichte gevallen van beri-beri deden zich voor. In 1934 overleden 3 Europeanen en 4 Inlanders. De Gouvernements Marine. Einde December 1934 bestond hot korps ambtenaren uit 140 man (17gezaghebbers, 59 officieren en 64 werktuigkundigen), mot inbegrip van één gezaghebber, gedeta cheerd bij het Hoofdkantoor van Scheepvaart. Hierbij zijn inbegrepen 20 ambte naren, die buiten de sterkte van hun korps dienst doen aan boord der schepen van DE ZEEMACHT. 343 de bebakening en kustverlichtlng, bij de uitdieping van het Westervaarwater naar Soerabaja en het vaarwater naar Pontianak, de blaugasfabriek te Soerabaja, de Gouvernementsoploiding tot motorist te Tandjoengpriok en bij de werkplaats voor herstelling der gewestelijke vaartuigen te Bengkalis. Eén officier verliet wegens afkeuring den dienst, terwijl één werktuigkundige naar een anderen Landsdienst overging. De vloot was einde December 1934 bemand mot 545 schepelingen. In 1934 werden 21 schepelingen aangenomen, terwijl 510 schepelingen hun dienstverband ver lengden. Door de Commissie van Georganiseerd Overleg mot do Gezaghebbers en Officieren en door de Commissie van Georganiseerd Overleg met de Werktuigkundigen werd gedurende 1934 2 maal vergaderd. Voortgegaan werd met de voorbereidond-militaire opleiding van de ambtenaren der Gouvernements Marine (I. S. 1930 n°. 364). Het gouvernemontsopnemingsvaartuig Orion word in Juli 1934 vervangen door het gouvernementsstoomschip Zuiderkruis, welk schip tevens voor eventueolo her stellingen aan zeekabels beschikbaar blijft. Ter vervanging van de Zuiderkruis, welke te Tandjoengpriok mede voor den algemeenen dienst in station was, werd de Bellatrix in dienst gesteld; de Orion werd opgelegd. Het stoomschip Eridanus m station Atjeh werd vervangen door de Sirius, welk laatste schip in hot station Amboina tevoren vervangen was door de Fomalhaut. De gouvernementsstoomschepon Edi, Dog, Van Doorn en Zwaluw zijn uit de sterkte afgevoerd (G. B. 29 Aug. 1934 n°. 37). Het Marine-Etablissement. Ook in 1934 werden door het Marine-Etablissement hoofdzakelijk herstellingen verricht aan schepen van de Koninklijke Marino, terwijl nagenoeg alle herstellingen aan schepen, ressorteerende onder het Hoofdkantoor van Scheepvaart en andere departementen, bij wijze van steun, werden overgedragen aan de N. V. Droogdok Maatschappij Soerabaja, met uitzondering van de herstellingen aan de gouver nementsstoomschepen Zuiderkruis en Fazant en het gewestelijk vaartuig Pandora, welke door het Marine-Etablissement werden uitgevoerd. Ook de verbouwing van het stoomschip Zwaluw tot loodslichtschip geschiedde door het Marino- Etablissement. Tijdens hot periodiek onderhoud van don kruiser Java werden, behalve de ge wone werkzaamheden, verschillende herstellingen verricht, terwijl deze bodem oen moderniseering onderging, welke einde 1934 nog slechts gedeeltelijk was voltooid. Do kruiser Sumatra bleef na het afbreken der proef tochten aan het einde van 1933 gedurende het geheele jaar 1934 in conservatie en onderging dezelfde moderniseering als de Java. De torpedobootjagers Van Ghent en Kortenaer werden gereedgemaakt voor vertrek naar Nederland. De torpedoboot jagers Banckert en Van Nes ondergingen oen algemeene revisie. De flottieljevaartuigen, mijnenleggers, mijnenvegers on oiiderzeebooten kregen hot voorgeschreven onderhoud. Het pantserschip De Zeven Provinciën en hot opnemingsvaartuig Ti/ih man bleven gedurende het geheele jaar 1934 in conservatie. Het 3000-tons dok werd gedurende 1934 bij do N ■ V. Droogdok Maatschappij Soerabaja gedokt. De capaciteit van de centrale lasschorij werd met de aanwezige middelen be langrijk opgevoerd om aan de snel stijgende eischen van het bedrijf te voldoen. Tenslotte werd de bedrij f sboekhouding gereorganiseerd on vereenvoudigd. DE STAATSINRICHTING. 344 Regelingen van verschillenden aard. Bij G. B. 6 April 1934 n°. 17 (I. S. n°. 190) zijn maritieme kringen Tarakan en Balikpapan (Oostkust van Borneo) ingesteld. Een nieuwe regeling kwam tot stand van de bezoldiging van het personeel, behoorende tot het korps Inlandsche schepelingen bij de Koninklijke Marine (I. S. 1934 n°. 191, j°. n°. 357). Voor nadere wijziging van het reglement voor het korps mindere schepelingen der gouvernements marine (I. S. 1910 n°. 68) zie men I. S. 1934 n°. 525. De regeling van het personeel der Koninklijke Marine-reserve is nader gewijzigd bij K. Bn. 22 Sept. 1934 n°. 35 (I. S. n°. 591) on 7 Nov. 1934 n°. 35 (I. S. n°. 684). Voor nadere wijziging van het schccpsvoedingreglemcnt voor de Zeemacht zie men Bb. nos. 13152 en 13305. DE LANDMACHT. 345 H. DE LANDMACHT. Mededeelingen van algemeenen aard. Ingevolge G. B. 26 Febr. 1934 n°. Is (I. S. n°. 105) is met ingang van 20 Maart 1934 in werking getreden de bij K. B. 15 Dec. 1933 (I. S. 1934 n°. 100) vastgestelde „Regeling van de benoeming on het ontslag van de opperofficicren van het Konink lijk Nederlandsch-Indisch Leger". Bij hetzelfde K. B. werd de „Regeling van de bevordering, het ontslag en het op non-activiteit stellen van do Europeesche officieren, behoorende tot de Neder landsch-Indische landmacht", vastgesteld bij K. B. 2 Sept. 1910 (I. S. n°. 592), ingetrokken. Bij hetzelfde G.B. trad in werking de bij Ord. van 26 Febr. 1934 (I.S. n°. 101) vastgestelde „Regeling van de bevordering en het ontslag van de Europeesche en de op gelijken voet behandelde officieren van het Nederlandsch-Indisch Leger beneden den rang van opperofficier, zoomede van de op nonactiviteitstelling van die officieren en van de opperofficieren". Laatstgenoemde regeling houdt o.m. in, dat de bevordering tot den rang van kolonel bij keuze zal geschieden. Met intrekking van de bestaande (zie I.S. 1934 n°. 102), kwamen bij G.B. 26 Febr. 1934 n°. 1 z (I.S. n°. 105) tot stand nieuwe regelen voor het onderzoek naar de onbekwaamheid of ongeschiktheid van officieren, zoomede een nieuw reglement betreffende de samenstelling en de wijze van werken van de raden van onderzoek en van appèl. Een nieuw reglement op do tweede klasse van militaire discipline kwam tot stand bij R.V. van 5 Mei 1934 (I.S. n°. 292), terwijl bij R.V. van denzelfden datum (I.S. n°. 293) een nieuw reglement betreffende de krijgstucht in Nederlandsch-Indië is vastgesteld. Bij G. B. 25 Mei 1934 n°. 35 (I.S. n°. 337) is bepaald, dat de Ord. van 28 Maart 1934 (I.S. n°. 167) tot vaststelling van het Wetboek van Militair Strafrecht voor Nederlandsch-Indië en van 28 Maart 1934 (I.S. n°. 172), houdende bepalingen omtrent den overgang van de oude tot do nieuwe militaire straf- en tuchtwetgeving en tot het brengen van overeenstemming tusschen de bestaande wettelijke bepalingen en die nieuwe wetgeving, in werking treden 1 October 1934. Bij G. B. 24 Sept. 1934 n°. 18 werd een nieuw „Voorschrift op de militaire eer bewijzen, de saluutschoten, enz." vastgesteld. Bij G. B. 29 Dec. 1934 n°. 20 (I.S. n°. 746) zijn de gevallen nader omschreven waarin het recht om oen onderscheidingsteeken wegens langdurigen trouwen dienst bij het leger te dragen, verloren gaat. Bij de behandeling in den Volksraad van de bij G. B. 22 Juli 1932 n°. 24 (I.S. n°. 401) afgekondigde ordonnantie betreffende „Regelen inzake het georganiseerd overleg omtrent algemeene ambtenaarsbelangen" word door eenige leden van dien Raad de wenschelijkheid bepleit om ook de militaire Landsdienaren te betrekkon bij de werkzaamheden van de bij deze ordonnantie ingestelde commissie voor overleg, dan wel een afzonderlijken vorm van georganiseerd overleg voor de militaire Lands dienaren in te voeren. In verband daarmede zijn bij G. B. 30 Juni 1934 n°. 17 afzonderlijke „Regelen inzake overleg met militaire belangenvereenigingen nopens algemeene belangen van militaire Landsdienaren" vastgesteld. Bij Ord. van 15 Nov. 1934 (I.S. n°. 630) is — met intrekking van de bestaande regeling (zie I.S. 1934 n°. 631) — vastgesteld een nieuwe regeling betreffende de onderluitenants van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch leger. Als gevolg van de nieuwe regeling zullen de onderluitenants worden benoemd uit de onderofficieren van de wapens, diensten of inrichtingen, die: a. voldoen aan oen examen, b. den leeftijd van 40 jaren nog niet hebben bereikt en c. ten minste 12 DE STAATSINRICHTING. 346 en ten hoogste 18 werkelijke, voor pensioen tellende dienstjaren kunnen doen gelden. Ter vervanging van ter zake bestaande voorschriften zijn in de algemeene order voor het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger 1934 n°. 3 „Maatregelen ter voor koming van politieke misdraging door en ontoelaatbare politieke beinvloeding van tot het leger behoorende militaire en burgerlijke Landsdienaren" opgenomen. Bij G. B. 5 Mei 1934 n°. 24 (I.S. n°. 295) zijn vastgesteld: a. nadere voorschriften betreffende de wijze van uitvoering van de doodstraf, uitgesproken tegen militairen; b. een regeling betreffende de onderlinge rangs- en standsverhouding der officieren en der militairen benoden den rang van officier behoorende tot het leger in Neder landsch-Indië en de niet rechtstreeks tot hot leger behoorende korpsen; c. een kanteeken voor den militair, die ongewapend op post of op uitkijk is gesteld; d. bepalingen betreffende de wijze waarop aan een gedcolto der krijgsmacht wordt bekend gemaakt dat het door het militair gezag is aangewezen, hetzij ter deel neming aan oen militaire expeditie, hetzij ter bestrijding eener vijandelijke macht, hetzij ter handhaving der onzijdigheid van don Staat, hetzij ter voldoening aan een vordering van het bevoegd gezag in geval van oproerige beweging; e. regelen voor het in hot belang van den gestrafte brengen van wijziging in de plaats waar, en de wijze waarop het verzwaard of het streng arrest wordt ondergaan; /. regelen, naar welke aan de met licht of met verzwaard arrest gestrafte militairen kan worden toegestaan godsdienstoefeningen bij te wonen; g. regelen, naar welke vrijstelling kan worden vorleond van opgelegde krijgstuchtclijke straffen; h. regelen, naar wolko do militair, die zich over een hem gegeven order of naar aanleiding van een beslissing waarin hij als strafopleggor is betrokken geweest, bezwaard acht, bevoegd is deswege te doen beslissen. Al deze bepalingen zijn 1 October 1934 in werking getreden. Landsverdediging. In 1934 word voortgegaan met de reorganisatie van hot leger. De verlegging van de grens tusschen de militaire afdeelingen op Java werd echter nog uitgesteld met hot oog op de daaraan verbonden financieele consequenties. Met de daarvoor beschikbare middelen werd met kracht voortgewerkt aan de voorbereiding van de locale verdediging van de oliehavens ter Oostkust- van Borneo en van Soerabaja. De in het Verslag over 1933 genoemde ,onder voorzitterschap van wijlen den Minister van Staat A. F. W. Idenburg ingestelde „Commissie voor de reorganisatie van de weermaeht" bracht begin 1934 haar berslag uit. Inmiddels onderging het leger in Nederlandsch-Indië nog sterke versoberingen waardoor de begrooting voor 1935 vergeleken met do vorige reeds een verlaging te zien gooft, wolko overeenkomt met de door genoemde commissie beoogde bezuiniging. Sterkte en samenstelling van het leger. De in hot Verslag 1933 vermelde uitbreiding van de kust- en luchtdoelartillerie kwam tot stand. In verband met hot door do legerinkrimping ontstane overcompleet aan offi cieren bij de verschillende wapens en diensten, werden in 1934 geen jongelieden tot de officiersopleiding voor het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger aan de Koninklijke Militaire Academie toegelaten. In 1934 is de gelegenheid tot vrijwillige dienstneming opengesteld geweest voor alle wapens en voor den hospitaaldionst. In totaal zijn tot een vrijwillige verbintenis toegelaten 473 Europeanen (van wie lis in Nederlandsch-Indië) on 1947 niet-Europcanen. DE LANDMACHT. 347 Dienstplicht- en reserve-personeel. Met de opleiding van reserve-officieren en militie-plichtigen voor den gasdienst werd een aanvang gemaakt. Nieuwe cursussen werden ingesteld voor de opleiding tot reserve-kapitein bij de infanterie en de artillerie. Opleiding van dienstplichtigen tot reserve-officier vond ook in dit verslagjaar niet plaats. Wol werden eenige dienstplichtige tandartsen, aan wier diensten bij mobilisatie behoefte bestaat, tot reserve-officier benoemd. De toelagen, welke kunnen worden toegekend aan op verzoek benoemde reserve officieren, zijn herzien (zie I.S. 1934 n°. 395). De daggelden dor reserve-officieren van hot leger zijn herzien (zie I.S. 1934 n°. 336). Bij K.B. 27 Sept. 1934 n°. 3 (I.S. n°. 574) is het dienstplichtbesluit voor Neder landsch-Indië en de regeling voor het reserve-personeel van het Koninklijk Neder landsch-Indisch leger nader gewijzigd. Do dienstplichtregeling voor Nederlandsch-Indië (I.S. 1924 n°. 44) is nader ge wijzigd bij R.V. n van 3 Mei 1934 (I.S. n°. 285) en 5 Mei 1934 (I.S. n°. 294). De herhalingsoefeningen voor militieplichtigen vonden normaal voortgang, terwijl weder ééndaagsche schietoefeningen voor den landstorm werden gehouden, nadat deze eenige jaren achterwege waren gebleven. De sterkte-overzichten van reserve, militie en landstorm zijn opgenomen in het tweede deel van dit Verslag. Het aantal reserve-officieren bleef sedert 1931 vrijwel constant (± 1500). De sterkte van de militie liep met ± 550 man terug, die van den landstorm niet bijna 200 man. Militaire bijstand ter handhaving van orde, rust en veiligheid. In den loop van 1934 werd uitvoering gegeven aan het besluit om oen gedeelte van de veldpolitie te vervangen door logerafdeelingon. In het gewest Atjeh en Onderhoorigheden werden enkele plaatselijk opkomende verzetsbewegingen door de waakzaamheid van het Bestuur en krachtig preventief militair machtsvertoon in de kiem gesmoord. Op 11 Mei 1934 wist een brigade van het detachement Sintang (Wcstorafdoeling van Borneo) een voorgenomen sncltocht van Kantoek-Dajaks onder de Iban-Dajaks door tijdig ingrijpen te voorkomen. Op de plaats van samenkomst (monding van do Soongai Soewai in Sintang) werden 47 Kantock-1 >ajaks, onder wie de hoofdaanleggers, gevangen genomen en aan het Bestuur overgegeven. Tot geruststelling van de bevol king en tor voorkoming van sneltochten, werd voorloopig een intensieve patrouille gang in genoemde streek gehandhaafd. Onrust in hot landschap Laura (Wcst-Soemba, sedert December 1933 een veld politiercssort), als gevolg van de sedert oenigon tijd hoersehendo spanning tusschen twee politieke partgen, maakte preventief machtsvertoon door 1 brigade van het detachement Waingapoe in de tweede helft van Januari noodig. In samenwerking nut de veldpolitie werd de rust hersteld. In verband met de ontheffing van den Sultan van het landschap Dompo (Oost- Soembawa) werd onrust onder de bevolking voorzien. Als preventieve maatregel daartegen werd op 17 Februari, op wolken dag de Sultan mot zijn beide zoons naar Koepang vertrok, een colonne sterk 3 brigades in Dompo aan land gezet. In Juli kon de colonne met één brigade worden verminderd. Een sterkte van 2 brigades blijft voorloopig gehandhaafd. Op 21 Juli en volgende dagen vonden op het eiland Adonara (afd. Oost-Flores) wederzijds moorden plaats tusschen de Demons on Padjis, onderscheidenlijk onder- DE STAATSINRICHTING. 348 danen van do landschappen Larantoeka en Adonara. Deze moordpartijen, waaraan niet zelden honderden gewaponden deelnemen, spruiten voort uit sedert lang tusschen beide partijen bestaande veoten. Nadat het Bestuur op 1 October militairen bijstand had ingeroepen, herstelden drie brigades van het detachement Larantoeka in korten tijd orde en rust. Op 1 Januari 1935 kon de troepensterkte worden teruggebracht tot 2 brigades. Behalve de door het leger verrichte wacht- en transportdiensten ten behoeve van civiele departementen, werd op Java in 1934 geen militaire bijstand verleend. Een veertigtal politioneel opgeleide onderofficieren en minderen van de mare chaussee-compagnie te Madjalengka worden van 1 Juni tot 1 December 1934 aan de veldpolitie toegevoegd, ter bestrijding van den clandestienen aanmaak van en den smokkelhandel in zout in de strandgebieden van de regentschappen Indramajoe en Cheribon. De wapens en diensten. Infanterie. Tengevolge van de inkrimping van het officierskorps der infanterie in 1933 overtrof het aantal door de Koninklijke Militaire Academie in 1934 afge leverde officieren de behoefte. Evenwel zullen die officieren nog vóór Juli 1935 kunnen worden uitgezonden zonder de begrootingsformatie te overschrijden. De uitgebreide dienstneming van niet-Europeescho militairen in 1914, had ten gevolge, dat in 1934 een groot verloop plaats had onder het tot die categorie behoorend militair personeel. Daardoor moest in verslagjaar wederom een groot aantal niet- Europeesche recruten worden aangenomen en hot aantal leerlingen op de kader school sterk worden opgevoerd. De bevorderingsvooruitzichten voor het kader zijn tengevolge van de in 1933 plaats gehad hebbende afvloeiing verbeterd. Doordat een groot aantal van de Manadoneesche jongelieden, die zich voor dienstneming aanmeldden, moest worden afgekeurd, kon het tekort aan militairen van dien landaard niet geheel worden aangevuld, in verband waarmede de formatie sterkte niet vóór medio 1936 zal zijn bereikt. Bij twee der vier afdeelingen mitrailleurs en infantcrie-geschut werden gedurende het verslagjaar Stokes Brandt-mortieren in dienst gesteld. Na een voortgezette beproeving werd het model van den U-lap en de vervoers wijze daarvan, n.l. op een drietal rijwielen, vastgesteld. Proeven, genomen met karabijn-mitrailleurs met dubbelen schoudersteun, leverden gunstige resultaten op, zoowel voor wat betreft een aanmerkelijke ver eenvoudiging van de schietopleiding als ten aanzien van de bruikbaarheid van dit wapen tot op afstanden van ± 1000 m. Bij de infanterie werden verder een 15-tal lichte Madsen-affuiten voor karabijn mitrailleurs in beproeving genomen. Nagenoeg allo mitrailleurs zijn thans voorzien van het luchtdoelvizier. In het verslagjaar verscheen een nieuw schietvoorschrift voor de mitrailleurs. Bijzondere aandacht werd geschonken aan het onderwijs op de korpsscholen voor wat betreft de voorbereiding van militairen voor de toelatingsexamens tot de kaderschool en den leergang voor administrateur. Dit was noodzakelijk, teneinde het aantal militairen, dat voor opleiding voor kaderbetrekkingen in aanmerking komt, te vergrooten, aangezien door de opheffing van het instituut van aanbevolen militairen, in den vervolge het kader uitsluitend uit den troep zal voortkomen. Het aantal Europeesche brigadiers en niet-Europeesche korporaals, dat met goed gevolg het toelatingsexamen voor opleiding tot den hoogeren rang aflegde, was niet voldoende om in de behoefte te voorzien. In verslagjaar werd nog geen aanvang gemaakt met de opleiding tot gymnastiek- DE LANDMACHT. 349 onderwijzer, vermits het aantal beschikbare gymnastiekonderwijzers voorloopig nog voldoende is. Cavalerie. In 1934 vond weder aankoop van remonte-paarden in Australië plaats. Van den aankoop werden 157 rijpaarden bestemd voor de cavalerie, 22 rij paarden on 35 draagtrekpaarden voor de artillerie. De organisatie van de eskadrons werd dusdanig gewijzigd, dat ieder eskadron instede van met 3, in den vervolge met 6 karabijn-mitrailleurs zal zijn uitgerust. Artillerie. In verband met de gewijzigde taakverdooling tusschen marine en landmacht, werd in 1934 nog een aantal kanonnen met munitie van hot Departement der Marino in Nederlandsch-Indië (o.g. van het Departement van Defensie in Neder land) overgenomen. De uitzending van luchtdoel-mitrailleurs van 12,7 mm., met een beperkte hoe veelheid munitie, had voortgang. I )e proeven met de getransformeerde veldaffuit werden in verslagjaar beëindigd. De transformatie is opgedragen aan de Artillerie-inrichtingen aan de Hembrug. De opstelling van het kustgeschut van middelbaar kaliber kreeg in verslagjaar nagenoeg geheel haar beslag. Het bij de kustartillerie te bezigen vuurleidingssysteem voor de directe richting werd in verslagjaar ontworpen, terwijl do daarvoor benoodigde instrumenten bij den Artillerie-Constructie-Winkel werden aangemaakt en in dienst gesteld. Met het ontwerpen van een vuurleidingssysteem voor de indirecte richting, was de daarmede belaste commissie einde 1934 nog niet geheel gereed. De beproeving van het 10,5 cm.Ld. materieel werd in verslagjaar beëindigd met het schieten van de oorlogs- en de oefeningsschootstafel. Genie. Bij het bataljon pioniers werd voortgegaan met de geleidelijke uitbreiding van het pasklaar materieel voor brugslag, bestemd voor een bruggetreinafdeeling, waarvan de organisatie in voorbereiding is. De opbouw van de onderdeelen van het sedert 1933 opgericht technisch bataljon werd met voortvarendheid voortgezet. Verschillende proefnemingen vonden plaats o.a. met draagbare radiostations voor de artillerie en cavalerie, op het gebied van radio verbinding tusschen vlieg tuigen en grondstations en met lichte lijn- en stationsauto's voor de regiments verbindingssectie. De strategische radiostations werden op 2-wielige aanhangwagens gemonteerd, waardoor het in vredestijd op te leggen aantal automobielen belangrijk daalt. De bij de Luchtvaart-afdeeling gedetacheerde radio-afdeeling hield regelmatig verbinding met de uit Nederland te Tjililitan aankomende K.L.M.-vliegtuigen, voor het verstrekken van gegevens aangaande de weersgesteldheid op de Bandoeng sche hoogvlakte. In verslagjaar kwam de samenvoeging van den Transportdienst der Luchtvaart afdeeling met de Automobielcompagnie tot stand, waardoor alle legerautomol.ieleii thans bij laatstgenoemd onderdeel in beheer zijn. De werkzaamheden niet betrekking tot de geniewerken werden hoofdzakelijk beperkt tot verdere verbetering van de huisvesting van gehuwde onderofficieren en minderen, eenige uitbreiding en verbetering van de kampementen en het gewoon onderhoud. De kampementsverbouwingen, enz., verband houdende met het overnemen van een deel der taak van de veldpolitie door het leger, kwamen in 1934 gereed. Voorts werden verbeteringen aangebracht in de water- en lichtvoorziening. ECONOMISOH OVERZICHT. 35 Neemt men dat deel van de productie in oogenschouw, hetwelk in den export tot uitdrukking komt, dan geeft de volgende tabel een beeld van den algemecnen ontwikkelingsgang. De invoerhoeveelheid was grooter voor metalen, machinerieën, meststoffen en bouwsteenen en veel minder voor eetwaren, genotmiddelen en textielgoederen. Het herstel van het aandeel der productieve goederen in het totaal van den invoer duurde voort, zij het nog in een zeer geleidelijk tempo. Voor de meest ken- Oewicht in millioenen kg (bruto), waarde in millioenen guldens (exclusief goud en zilver, postpakketten, passagiersgoederen en scheepsgebruik). di: sta \tsin ricHTÏNG. 350 Luchtvaart-afdeeling. De Luchtvaart-afdoelincr beschikte einde 1934 over 38 vliegers (onder wie 7 reserve-officieren en 9 onderofficieren). Het aantal leerlingen bedroeg 10. In het verslagjaar werden 6 groot militaire brevetten uitgereikt. Het aantal gebreveteerde waarnemers bedroeg einde 1934 6!» (onder wie 22 vliegers en 22 reserve-officieren). In het cursusjaar 1933 —1934 volgden 1 kapitein der genie, 2 luitenants der artillerie en 5 luitenants-vlieger de opleiding tot waarnemer. Aan allen kon na afloop van den cursus het brevet worden uitgereikt. Aan de N. V. Nederlandsche Vliegtuigenfabriek werd opdracht gegeven een proefvliegtuig te bouwen in verband met de voorgenomen aanschaffing van reserve verkenningsvliegtuigen. De hoofdingenieur van de Luchtvaart-afdeebng en een officier-vlieger werden in commissie naar Nederland gezonden om toe te zien op en van advies te dienen bij den bouw van dat proef-verkenningsvliegtuig. Drie ongevallen hadden plaats, bij één waarvan een onderofficier-leerling-vlieger het leven verloor. De foto-technische dienst verrichtte kaarteeringswerkzaamheden op Sumatra. Aan do Nederlandsch-Indische Vliegclub werd wederom technische hulp en voorlichting verleend. Ten behoeve van de dienstregeling op eenigo vliegterreinen tijdens de Londen — Melbourne-Race stelde de Luchtvaart-afdeeling personeel en materieel ter beschik king. Intendance. In 1934 werd het kleedingvraagstuk wederom in studie genomen. De in 1935 in beproeving te nemen grijsgroene velduniform zal bestaan uit korte broek, overhemd en bamboehoed; de uitgaanstenue uit lange broek, overhemd met zwarte das en open jas met gordel van dezelfde stoffage. Na eventueele invoering zal de blauwe uniform voor militairen beneden den rang van adjudant-onderofficier kunnen vervallen. De benoodigde grondstoffen kimnen geheel in Xederlandsch-Indië worden vervaardigd. Ook in 1934 werd er naar gestreefd de aanschaffingen van het voor het leger benoodigde zooveel mogelijk in Nederlandsch-Indië te doen plaats vinden. De in 1934 voortgezette prijsdaling van levensmiddelen bracht wederom ver laging mede van de prijzen der in de levensmiddelencontracten voor het jaar 1935 opgenomen artikelen, echter niet in die mate als in de drie voorafgegane jaren. De voedinggelden voor 1935 konden, op enkele uitzonderingen na, dan ook slechts een geringe verlaging ondergaan. In 1934 kwam een nieuw tarief n°. 40 (Voeding in de militaire ziekeninrichtingen) tot stand, waardoor, zonder kostenvermeerdering, meer afwisseling in de voeding mogelijk is en de administratie wordt vereenvoudigd (I. S. 1934 n°. 124). Bij G. B. 4 Oct. 1934 n°. 20 (I. S. n°. 576) werd een nieuw „Reglement op hot houden van de openbare aanbestedingen voor leveringen, transporten, het ver richten van werkzaamheden, enz. ten behoeve van 's Lands dienst in Nederlandsch- Indië" vastgesteld, dat op een nader te bepalen tijdstip in werking zal treden. De aan officieren en onderofficieren tot en met den rang van sergeant-majoor toe te kennen excursie-gelden werden met ingang van 1 Januari 1935 voor zoover noodig in overeenstemming gebracht met de aan burgerlijke Landsdienarcn in de Buitengewesten uit te keeren overeenkomstige toelagen. Militair geneeskundige dienst. De militaire en de medisch-technische opleiding van het hospitaal-personeel werd op een hooger peil gebracht door verlenging van don duur van de opleiding, welke tot nu toe 5 maanden bedroeg (2 maanden militaire 1)1-: LANDMACHT. 351 vorming bij het depot-bataljon en 3 maanden vakopleiding bij een groot hospitaal), tot 20 maanden (6 maanden militaire vorming en 14 maanden vakopleiding). Voorts werd do leerstof voor de verschillende opleidingscursussen aangevuld en werden de eischen voor de verschillende rangen verzwaard. In 1934 werd een pharmaccutisch voldlaboratorium ontworpen, dat gemakkelijk op één auto kan worden vervoerd. Voor de beschrijving daarvan zij verwezen naar het Indisch Militair Tijdschrift 1934 n°. 12. De samenstelling van eon mobiel veldlaboratorium voor bacteriologisch onderzoek is in voorbereiding. In verband met het streven het oorlogsmaterieel van don geneeskundigen dienst zooveel mogelijk aan do internationaal vastgestelde eischen te laten voldoen, werd oen nieuw model identiteitsplaatje ontworpen, overeenkomstig de eischen van do. „Commission Internationale de standardisation du matériol sanitaire". Officieren en minderen (ook verpleegsters der militaire hospitalen) namen aan gascursussen deel. Kon verbandplaatsafdceling voor gaszieken, met mobiele ontsmettingsafdecling (zie bijlage Indisch Militair Tijdschrift 1934 n°. 9), kroeg grootendeels haar beslag. Wekelijks werden voordrachten, gewijd aan onderwerpen van militair-medischen medisch-tactischen en militair-hygiënischen aard gehouden, waarvan de verslagen regelmatig circuleeren, ook op de posten in de Buitengewesten. De jonge officieren van gezondheid worden voor het opdoen van practische troepenervaring 2 maanden bij den troep gedetacheerd. Een regeling voor de opleiding van militieplichtige apothekers tot reserve-mili tair apotheker is in voorbereiding. Einde 1934 was het aantal reserve-officieren van gezondheid, dat voor indeeling op Java en in de Buitongewesten bestemd is, respectievelijk 77 en 43, terwijl op dat tijdstip bij den militair geneeskundigen dienst als militicplichtigen waren ingedeeld 1 adjudant-onderofficier, 1 sergeant, 18 brigadiers en 77 soldaten. De centrale verstrekking van geneeskundige behoeften vond regelmatig plaats. Tot de geregelde afnemers behooren ook do leiders van gemeentelijke, provinciale en gesubsidieerde particuliere ziekeninrichtingen. In 1934 verschenen statistische overzichten van de behandelde zieken der kolo niale troepen over het jaar 1933. Militair diergeneeskundige dienst. Het ambulance-materieel, dat van 1913 dateert, werd gemoderniseerd. De in 1933 geconstrueerde apotheekwagen D.D. werd gedurende alle in West- Java gehouden meerdaagsche oefeningen met succes op zijn constructie en inventaris beproefd en vormt een zeer belangrijk onderdeel van de veldziekenstal-afdeeling. Het hoef beslag met uit de hand vervaardigde hoef ijzers voldeed over het algemeen aan do gestelde eischen. De publicaties, verschenen over speciaal beslag tot het tegengaan van het uit glijden op asphaltwcgcn, gaven den indruk, dat de genomen proeven met betrokking tot het beslag van het legerpaard van weinig belang zijn. De gezondheidstoestand van de legerpaarden was over het jaar 1934 bevredigend en ten aanzien van het voorkomen van besmettelijke ziekten zeer gunstig. In een der garnizoenen had een tekort aan krijtwit in de voeding tot gevolg, dat zich bij een Australisch troepenpaard weer voor het eerst sinds April 1926 een geval van osteofibrose (osteoporose, ostemalacie) voordeed. Topografische dienst. De verrichtingen van den topografischen dienst worden besproken bij de behandeling van de bescherming van het grondbezit (hoofdstuk V, afdeeling H). DE STAATSINRICHTING. 352 Oefeningen. Evenals in 1933 werd ook in 1934 zooveel mogelijk hot normale schema van meerdaagsche troepenoefeningen, zooals in de voorschriften aangegeven, gevolgd. In verband met de wisseling van het commando over het Iste en 2de regiment infanterie werden bij deze onderdeelen de meerdaagsche regimentsoefeningen onder leiding van de regimontscommandanten vervangen door enkele eendaagsohe oefe ningen in de omgeving van de garnizoenen. Tor beperking van het oefenprogramma worden de oefeningen in afwisselend terrein slechts gehouden bij de Iste divisie. Bij elke divisie werd 1 groote troepenoefening in hot raam van de landsdefensie gehouden; bij de Udo divisie werd deze oefening voorafgegaan door oen kader oefening in hetzelfde terrein onder leiding van den divisie-commandant. Bij elke oefening bedroeg de sterkte aan troepen ongeveer 2 regimenten infanterie nul hulpwapens,. terwijl strijdkrachten van de Koninklijke Marine eveneens aan de oefeningen deelnamen. De schietoefeningen met mitrailleurs voor hoofdofficieren en kapiteins onder leiding van de divisie-commandanten kwamen te vervallen. Onderdoelen van de Luchtvaartafdeeling namen aan alle troepenoefeningen in grooter verband deel, terwijl wederom oefeningen werden gehouden in samen werking met den Marine Luchtvaartdienst. Overigens werden bij de Luchtvaart-afdeeling de gebruikelijke oefeningen in bommenwerpen en in schieten met mitrailleurs op grond- en luchtdoelen gehouden. In de omgeving van Soerabaja werden schietoefeningen gehouden met het kustgeschut en in de omgeving van Batavia met mobiele artillerie in afdeelings verband. Voorts hebbon in de omgeving van Tandjoengpriok schietoefeningen plaats gehad met het mobiele geschut teneinde ervaringen op te doen met hot be vuren van doelen op zee. Evenals vorige jaren, hadden in do nabijheid van de groote garnizoenen m le ningen voor den geneeskundigen dienst te volde plaats tor beoefening van: eerste hulpverleening op het gevechtsveld, afzoeken van het gevoehtsveld, vormen van gewondennesten, afvoer van de hulpverbandplaats, dienst op de wagenplaat-ni on oprichten van en dienst op do verbandplaats van een divisie-hoofdverbandplaats afdeoling. Doordat de reorganisatie en moderniseering van het materieel der militair geneeskundige oorlogsformaties in 1934 grootendeels haar beslag kregen (een nadere uiteenzetting met tabellarische toelichtingen van een en ander is te vinden in de extra bijlage van hot Indisch Militair Tijdschrift 1934 n°. 9), konden de geneeskundige formaties bij de geneeskundige regimentsoefeningen in October en November 1934 geheel met het nieuwe materieel worden uitgerust. Aldus konden in de 4 groote garnizoenen op Java de werkzaamheden van de hulpverbandplaats-, de verband plaats- en de transportafdeelingen, in de nieuw ontworpen formaties en volledig met het gemoderniseerde materieel uitgerust, worden beoefend. Voorts word gedemonstreerd hoe op een verbandplaats op eenvoudige doch doeltreffende wijze een afzonderlijke afdeeling voor de eerste behandeling van gaszieken met hot beschikbare materieel kan worden ingericht. Gezondheidstoestand en hygiënische maatregelen. Door liet invoeren van een nieuwe methode van prophylaxis der geslachtsziekten kondon de z.g. prophvlaxis-kamers in de kampementen vervallen. Als gevolg van gewijzigde opvattingen omtrent de malaria-behandeling en pro phylaxis wordt- de prophylaotisohe ehinine-verstrekking bij meerdaagßcheoefeningen op Java als regel beperkt tot do nog niet genezen malarialijders. Hij patrouilles in de Buitengowosten heeft verstrekking aan alle deelnemers plaats. DE LANDMACHT. 353 In den loop van 1934 zijn in het Koninklijk Koloniaal Militair Invalidenhuis op Bronbeek nabij Arnhem opgenomen 25 oud-militairen (23 uit Nederlandsch- Indië en 2 uit West-Indië) en zijn uit de sterkte afgevoerd 35 man (10 wegens over lijden en 25 die op verzoek of om andere reden ontslagen zijn). Dientengevolge telde het gesticht einde 1934 92 verpleegden (11 gegradueerden en 81 minderen), tegen 102 verpleegden (23 gegradueerden en 79 minderen) einde 1933. Gerekend over het geheele jaar, huisvestte het gesticht in 1934 gemiddeld 96 man per dag. In do ziekeninrichting waren, bij het einde van elk kwartaal van 1934, in verpleging achtereenvolgens 25, 25, 23 en 20 man. Met de vervulling van verschillende betrekkingen waren eindo 1934 belast 37 verpleegden, onder wie 6 gegradueerden. De uitgaven voor het invalidenhuis bedroegen in 1934 f 84 307 oi — na aftrek van de ten bate van het gesticht ingehouden gagementen en pensioenen ad f 38 877 — f 4543(1. 23 In verband met het voorkomen van eenige gevallen van buiktyphus bij kort te voren uit Nederland aangekomen recruten die aldaar cholera-typhusvaccin injcctics hadden ontvangen, zal de vaccinatie van voor Nederlandsch-Indië bestemde recruten in Nederland met in het Instituut-Pastour te Bandoeng bereide vaccins geschieden. De onderzoekingen betreffende de actieve immunisatie tegen tetanus werden geacht in een zoodanig stadium te zijn getreden, dat mot de toepassing daarvan in het leger een aanvang kon worden gemaakt. Verschillende redenen hebben er toe geleid de vrouwen en kinderen niet in deze actieve immunisatie te betrekken. Sinds de afschaffing van do zilvervliesrijst op Java en in een aantal garnizoenen in de Buitengewesten kon geen vermeerdering van het aantal beri-bcri-gevallen worden geconstateerd. Een onderzoek naar het vitamine-gehalte van de menage voeding der inheemsche militairen had plaats in het geneeskundig laboratorium te Weltevreden. Uit dit onderzoek is gebleken, dat dit vitaminen-gehalte voldoende hoog is. Korpsen niet rechtstreeks tot het leger behoorend In tegenstelling met voorafgegane jaren, bevinden zich bij het korps barisan te Bangkalan onder de gegadigden voor het volgen van de officiersopleiding weer jongelieden uit den inheemschen adel. Wederom nam personeel van de korpsen aan de vaardigheidsproef voor het leger deel. Van het Legioen van Mangkoe Nagoro slaagdon 2 officieren en 15 logion nairs beneden dien rang; van de korpsen barisan van Madoera 3 officieren en 46 barisans beneden dien rang. Koninklijk Koloniaal Militair Invalidenhuis op Bronbeek. DE STAATSINKU IITING. 354 I. DE LANDSDIENAREN. Gedurende 1934 worden wederom verschillende maatregelen getroffen zoowel tot inkrimping en versobering van de personeelsformaties als tot vermindering van de door de Landsdienaren individueel genoten inkomsten. 1. Personeelsversobering en daarmede samenhangende regelingen, Afvloeiing en inkrimping der formaties. Tengevolge van de steeds verdergaande inkrimping van de personeelsformaties is het meermalen voorgekomen, dat moest worden overgegaan tot ontslag uit 's Lands dienst- en |iensionneering van personen, uier omstandigheden, gezinszorgen als anderszins van dien aard waren, dat het ontslag hen in ernstige moeilijkheden bracht. Bij Regeeringsrondschrijven van 5 Febr. 1934 (Bb. n°. 13 170) is er de aandacht van de hoofden der departementen van algemeen bestuur op gevestigd, dat een zoodanig ontslag in vele gevallen zal kunnen worden voorkomen, indien de mogelijkheid wordt geschapen voor jongere, nog niet pensioengerechtigde, Landsdienaren om, in de plaats van betrokkenen, den actieven dienst te verlaten. In verband hiermede is bij genoemde Regeeringscirculaire voor Landsdienaren, behoorende tot korpsen met een bestaand of te verwachten overcompleet aan personeel, onder bepaalde, in de circulaire nader omschreven en bij Regeerings rondschrijven van 12 Nov. 1934 (Bb. n°. 13 349) gewijzigde beperkende bepalingen, de gelegenheid opengesteld om op verzoek op wachtgeld te worden gesteld. Aan deze Landsdienaren wordt bij hun vrijwillig ontslag uit de betrekking, wachtgeld wegens overcompleet verleend voor ten hoogste 5 jaar en uiterlijk tot aan het tijdstip, waarop zij in het genot van verminderd of hooger pensioen kunnen worden gesteld. Voorts werd daarbij bepaald dat zij, die een zoodanig ontslag hebben verkregen, niet meer voor herplaatsing in den actieven dienst in aanmerking komen, zulks teneinde te bevorderen, dat een blijvende vermindering van het ambtenarenkorps kan worden bereikt door de uit dergelijke ontslagen voortvloeiende vacatures, met inachtneming van de grootst mogelijke soberheid bij den opzet der verminderde formaties, door in actieven dienst zijnde dan wel onvrijwillig op wachtgeld gestelde krachten aan te vullen. Ingevolge de op het stuk van afvloeiing van overcomplete Landsdienaren be staande bepalingen kan tot dusver hun pensionneering eerst plaats vinden, indien of zoodra zij aanspraak konden doen gelden op normaal pensioen, derhalve nadat zij o. m. het voor normaal pensioen vereischte aantal dienstjaren hadden vervuld. I ïij Regeeringsrondschrijven van 23 Oct. 1934 (Bb. n°. 13 342) is bepaald, dat in den vervolge ambtenaren, wier diensten overbodig zijn geworden en voor wie geen uitzicht bestaat op een spoedige herplaatsing, uit 's Lands dienst worden ontslagen, indien of zoodra zij krachtens de overgangsbepalingen vervat in de Ord. in I. S. 1934 n°. 554 (zie onder „Pensioenen en onderstanden") recht kunnen doen gelden op pensioen. Zijn dezulken op dat oogenblik nog geen 55 jaar oud, dan wordt hun geen lager pensioen toegekend dan ion bedrage van 40 ten honderd van den pen sioensgrondslag, tenzij het percentage van den pensioensgrondslag, hetwelk hun bij doordienen tot het bereiken van den leeftijd van r>r> jaar als pensioen zou worden toegekend, minder dan 40 zou bedragen, in welk geval hun pensioen wordt toegekend tot dit lagere percentage van den pensioensgrondslag. Daarnaast bestaat dan de mogelijkheid om aan hen, die na een diensttijd van tenminste 10 jaar wegens overtolligheid eervol uit de betrekking zijn ontslagen, en wier wachtgeldtijd is verstreken, doch die nog niet het voor pensioen vereischte aantal dienstjaren hebben, na het bereiken van den 45-jarigen leeftijd op hun verzoek eervol ontslag uit 's Lands dienst te verleenen, onder toekenning van evenredig pensioen op den voet van het Indisch burgerlijk pensioenreglement. DB LANDSDIENAREN. 355 Waar blijkens het vorenstaande, bij de beantwoording van de vraag of be trokkenen voor pensionneering wegens overtolligheid in aanmerking komen, het zwaartepunt ligt in de onmogelijkheid van herplaatsing nadat recht op pensioen is verkregen, bestaat geen aanleiding om de vorenstaande regeling mede toe te passen op gehuwde-ambtenaressen-niet-kostwinsters, ten aanzien van wie immers als gedragslijn is aangenomen, dat zij niet in aanmerking komen voor herplaatsing. Deze ambtenaressen zullen daarom niet voor ontslag uit 's Lands dienst wegens overtolligheid zijn voor te dragen. Ongeacht het aantal dienstjaren, mits dit ten minste 10 bedraagt, zal aan haar op haar verzoek, na het bereiken van den leeftijd van 45 jaar, eervol ontslag uit 's Lands dienst — niet wegens overtollig heid — kunnen worden verleend, waarna haar met toepassing van het daaromtrent in het Indisch burgerlijk pensioenreglement bepaalde, een evenredig pensioen zal worden toegekend. Dit belet intusschen niet haar overeenkomstig de bestaande bepalingen in het genot te stollen van één jaar wachtgeld tot een bedrag van 33% % van haar activi teitsbezoldiging, ook al zijn zij bij de opwachtgeldstelling geen jaar meer van den 45-jarigen leeftijd verwijderd of zelfs al hebben zij dien leeftijd alsdan reeds over schreden. Onderstandsregeling voor tijdelijk personeel, dat wegens overtolligheid is ontslagen. Ofschoon tevoren (Bb. n°. 12622) voor toekenning van onderstand aan wegens overcompleet ontslagen tijdelijk personeel als eisch is gesteld, dat dit personeel tenminste 10 jaren dienst heeft, is, in verband met de tijdsomstandigheden en de noodzaak tot zeer strenge afvloeiingsmaatregelen, bij Regeeringsrondschrijven van 2 Jan. 1934 (Bb. n°. 13143) bepaald, dat van dien termijn voor den duur van het jaar 1934 in dier voege zal worden afgeweken, dat aan tijdelijke Landsdienaren, die wegens overtolligheid worden ontslagen en bij hun ontslag een diensttijd van minder dan 10 jaren, doch van tenminste 5 jaren kunnen doen gelden, bij gebrek aan middelen van bestaan gedurende de maanden, die in 1934 na den ingang van hun ontslag nog zullen verloopen, een bijzondere maandelijksche uitkeering kan worden toegekend ten bedrage van 20 % van hun laatstgenoten salaris tot een maximum van f 15. Deze regeling hield geen consequenties in ten opzichte van reeds eerder ontslagenen. Aangezien het met het oog op den toestand van 's Lands financiën noodzakelijk word geacht om ook in 1935 voort te gaan met inkrimping van de personeelsformaties werd een dergelijke regeling ter ondersteuning van wegens overtolligheid ontslagen tijdelijke Landsdienaren ook voor dat jaar getroffen (Bb. n°. 13391). Wachtgelders. In de Regeeringscirculaire van 6 April 1934 (Bb. n°. 13235) is te kennen gegeven dat, alvorens ter vervulling van vacatures, in actieven dienst werkzame ambtenaren van het eigen corps te bevorderen, niet behoeft te worden nagegaan of wellicht elders in den Landsdienst op wachtgeld of non-activiteit gestelde Landsdienaren te vinden zijn, die voor de betrekkelijke plaats geschikt zijn te achten, doch wel of daarvoor zoodanige personen aanwezig zijn, die tevoren bij hetzelfde corps dezelfde of hoogere betrekkingen vervulden. Bij G. B. 8 Nov. 1934 n°. 14 (Bb. n°. 13362) is een regeling getroffen krachtens welke candidaat-Inlandsche bestuursambtenaren, die het einddiploma der middel bare opleidingsscholen voor Inlandsche ambtenaren hebben verkregen en van wie op het tijdstip, waarop zij voor den Inlandschen bestuursdienst lichamelijk geschikt zijn bevonden, niet kan worden verklaard dat zij binnen twee maanden bij dien dienst kunnen worden geplaatst, in afwachting van een zoodanige plaatsing, dan wel van een plaatsing in een andere hun passende landsbetrekking, in het genot van wachtgeld worden gesteld. DE STAATSINRICHTING. 356 Volontairs in 's Lands dienst. Voor zoover daaraan in de personeelsorganisatie behoefte bestaat, kunnen bij het Departement van Financiën en de daaronder ressorteerende diensten en kantoren volontairs worden toegelaten, met inachtneming van de daartoe in de begrooting gestelde grenzen. De desbetreffende regeling is vastgesteld bij G. B. 5 Juli 1934 n°. 13 (Bb. n°. 13287). Buitenlandsehe verloven. Bij tot 1 April 1934 terugwerkende Ord. van 16 Oct. 1934 (I. S. n°. 588) is wijziging gebracht in de overgangsbepalingen betreffende de buitenlandsehe verloven, vervat in de Ord. in I. S. 1931 n°. 465, terwijl bij met ingang van 1 Januari 1935 in werking getreden Ordonnanties van denzelfden datum (l. S. nos. 589 en 590) een beperking is ingevoerd op de derde Europeesche verloven resp. voor burgerlijke on militaire Landsdienaren, hierop neerkomende, dat aan spraak op verlof wegens langdurigen dienst driemaal wordt verkregen en wel telkens na ten minste zes volle jaren dienst in Nederlandsch-Indië, met dien verstande evenwel, dat voor hen, die den 45-jarigen leeftijd nog niet hebben bereikt, aanspraak op een derde zoodanig verlof niet eerder wordt verkregen dan na ten minste een en twintig volle jaren dienst in Nederlandsch-Indië. Echter zullen zij, die op 1 Januari 1935 reeds tweemaal in het genot van buitenlandsch verlof zijn geweest, in elk geval aanspraak kunnen doen gelden op een derde zoodanig verlof zeven en een half jaar na ommekomst van het laatste verlof. 2. Vermindering van de individueele inkomsten der Landsdienaren. Bezoldiging. In het vorig Verslag werd medegedeeld dat, in afwachting van de invoering van de Herziene Bezoldigingsregeling, geen verdere salariskortingen werden ingevoerd boven die, vermeld op blz. 409 en 410 van het Verslag over het jaar 1932. De toenmaals in uitzicht gestelde nieuwe bezoldigingsregeling, welke een zeer aanzienlijke bezuiniging op de Landsuitgaven met zich mede brengt, werd (ijdens het verslagjaar vastgesteld bij G. B. 14 Maart 1934 n°. 1 (I. S. n°. 135, juncto nos. 475, 526, 565, 573 en 636) en trad onder den naam van ..Herziene bezoldigings regeling voor burgerlijke landsdienaren 1934" of „H. B. B. L. 1934" in werking met ingang van 1 April 1934. Bij G. B. 17 Maart 1934 n°. 21 (I. S. n°. 142, juncto n°. 654) werd vastgesteld de Militaire bezoldigingsregeling 1934 („M. B. R. 1934") en trad mede met ingang van 1 April 1934 in werking. In verband met eerstgenoemde regeling werden bij G. B. 16 Maart 1934 n°. 2 (I. S. n°. 139) nader vastgesteld de bezoldigingen van den Algemeenen Secretaris, de Directeuren der departementen van algemeen burgerlijk bestuur, den President van het Hooggerechtshof, den Procureur-Generaal bij het Hooggerechtshof en de Gouverneurs der provincie-;. Bij K. B. 1 I Aug. 1934 n°. 117 (I. S. n°. 570) is goedgekeurd dat de bezoldiging, verbonden aan het ambt van adspirant-ambtenaar voor Chineesche, Zaken met ingang van 1 Juni 1934 met 25 % is verminderd. De bij G. B. 26 April 1932 n°. 1, juncto G. B. 21 Juli 1932 n°. 22, ingestelde commissie voor de salarisherziening is ontbonden (G. B. 19 April 1934 n°. 1), terwijl is ingesteld een commissie welke o.a. belast is met de taak, haar opgelegd bij do H. B. B. L. 1934 en de M. B. R. 1934 (bezoldigingscommissie). Wachtgeld, onderstand bij wijze van wachtgeld en non-activiteitstraktement. Bij G. B. 25 April 1934 n°. 3 (1. S. n°. 209, juncto n°. 584) kwam een nieuw reglement tot stand voor de toekenning van wachtgeld, onderstand bij wijze van wachtgeld en non-activiteitstraktement aan burgerlijke Landsdienaren, dat met ingang van 1 Mei 1934 in werking is getreden en waarbij o. m. het volgende is bepaald. Wachtgeld DE LANDSDIENAREN. 357 wordt onder nader omschreven voorwaarden toegekend aan in vasten burgerlijken dienst zijnde Landsdienaren, die wegens oorzaken buiten hun schuld of toedoen eervol uit hunne betrekking zijn ontslagen en wel voor ten hoogste één jaar, welke termijn in bijzondere, nader aangeduide gevallen kan worden verlengd. Het wacht geld bedraagt 33V 3 ten honderd van het traktement dat in actieven dienst zou worden genoten, doch kan niet meer dan f 500 's maands bedragen. Met tijdelijke afwijking van het voorgaande, wordt aan Landsdienaren, met uitzondering van gehuwde Landsdienaressen, die wegens intrekking van de betrekking dan wel wegens inkrimping van den dienst eervol uit hunne betrekking zijn ontslagen, wachtgeld toegekend tot wederopzeggens, doch ten hoogste voor den duur van vijf jaar. Aan gehuwde Landsdienaressen-kostwinsters, die in hetzelfde geval verkeeren, wordt wachtgeld toegekend telkens voor een tijdvak van ten hoogste één jaar, tot een maximum van vijf jaar. Aan laatstbedoelde categorie Landsdienaren, van wie bij het ontslag wordt verklaard, dat zij volledig geschikt zijn voor de laatstelijk door hen bekleede betrekking en die derhalve zoo spoedig mogelijk moeten worden herplaatst bij den dienst of het dienstvak, waaruit zij afkomstig zijn, wordt verhoogd wachtgeld toegekend en wel gedurende de eerste twee jaren van den wachtgeldtijd, voorzoover in Nederlandsch-Indië genoten, 50 ten honderd van het traktement dat in actieven dienst zou worden genoten, en voorzoover buiten Nederlandsch- Indië genoten, 50 ten honderd van de eerste f 1000, vermeerderd met 40 ten honderd van het daarboven uitgaand bedrag; voorts (gedurende den op bedoelde tweejarige periode volgenden tijd) 40 ten honderd van genoemde bezoldiging, een en ander met dien verstande dat geen hooger wachtgeld wordt toegekend dan f 750 's maands. Dit verhoogde wachtgeld wordt vermeerderd met een bedrag gelijk aan 30 ten honderd van meergenoemde bezoldiging over de maanden van den wachtgeldtijd, welke vallen binnen den termijn van vier maanden na de aanzegging van ontslag uit de betrekking wegens overtolligheid. Aan niet op verzoek eervol uit hunne betrekking ontslagen Landsdienaren, die ingevolge de bepalingen der nieuwe regeling niet of niet langer in de termen vallen voor toekenning van wachtgeld en die op grond van de bestaande bepalingen nog geen recht op pensioen kunnen doen gelden, kan, bij gebrek aan middelen van bestaan, tijdelijk een onderstand worden verleend, doch in geval het ontslag wegens ongeschiktheid is verleend slechts dan, indien verklaard is, dat de betrokkene nog wel geschikt geacht wordt het Land in een andere betrekking dan de laatstelijk bekleede te dienen. De onderstand bedraagt 30 ten honderd van meergenoemde bezoldiging, een bedrag van f 250 's maands niet te boven gaande en kan in geen geval langer dan gedurende vijf jaren worden toegekend. De gezamenlijke duur van een eventueel eerder verleend wachtgeld en den onderstand mag niet langer dan vijf jaren zijn. Non-activiteitstraktement wordt toegekend aan Landsdienaren, die uit Nederland voor den Indischen dienst zijn uitgezonden in afwachting van hunne aanstelling, alsmede aan hen, die, na ommekomst van een hun wegens ziekte of langdurigen dienst verleend buitenlandsch verlof, niet worden herplaatst. Het wordt voor ge noemde categorie van uitgezonden Landsdienaren toegekend tot het bedrag van het bij de acte van aanstelling bepaald voorloopig traktement en voor de overigen tot een bedrag van 33V3 ten honderd van het traktement dat in actieven dienst zou worden genoten. De duur van het non-activiteitstraktement komt overeen met die van het wachtgeld, toegekend aan Landsdienaren, die wegens intrekking van de betrekking dan wel wegens inkrimping van den dienst eervol uit hun betrek king zijn ontslagen. De toekenning van verhoogd non-activiteitstraktement is in overeenstemming met die van verhoogd wachtgeld geregeld. Aan do volgens deze regelingen in het genot van wachtgeld of non-activiteits traktement gestelde Landsdienaren, die één of meer schoolgaande kinderen te hunnen laste hebben, wordt een „kindertoelage" verleend ten bedrage van 2% ten honderd DE STAATSINRICHTING. 358 van het maandelij ksch bedrag dier inkomsten tot een maximum van f 10 per maand per schoolgaand kind, een en ander met inachtneming van de ten deze in de H. B. B. L. 1934 gestelde regelen. Bij G. B. 29 Mei 1934 n°. 30 (I. S. n°. 351) is het wachtgeld van burgerlijke Landsdienaren, die lid zijn van het College van Gedeputeerden van de provincie West-Java, vastgesteld op de helft van de laatstelijk in werkelijken dienst genoten bezoldiging. Verlofbezoldiging. Bij Ord. van 29 Maart 1934 (I.S. nos. 178 en 179) is, met ingang van 1 April 1934, wijziging gebracht in de tot dusver geldende degressieve tarieven voor de berekening van de verlofsalarissen zoowel voor burgerlijke als voor militaire Landsdienaren. Bij G. B. 1 Juni 1934 n°. lz (I.S. n°. 355) is ingetrokken het K. B. 11 Maart 1925 n°. 77 (I.S. n°. 137), houdende machtiging om aan Nederlandsch-Indische burgerlijke Landsdienaren, die met verlof wegens ziekte in Europa vertoeven, een bijslag toe te kennen tot een bedrag van ten hoogste dertig ten honderd van het hun toekomend ver lof traktement, terwijl daarbij voorts nog is ingetrokken art. 3 punt a van K. B. 28 Juli 1922 n°. 16, waarbij dezelfde regeling was getroffen ten aanzien van officieren en militairen van lageren rang. Standplaatstoelagen. De voor burgerlijke Landsdienaren zoowel als voor de militairen der Land- en Zeemacht geldende „Standplaatstoelage-regeling 1934" kwam tot stand krachtens G. B. 21 Maart 1934 n°. 10 (I.S. n°. 148, juncto nos. 232 en 600), onder intrekking van de tevoren vigeerende standplaats- en kindertoelage regeling in I. S. 1927 n°. 358, zooals deze sedert herhaaldelijk is gewijzigd en aan gevuld. Dienstbelang- en Boven-Digoel-loelagen. Bij G. B. 22 Maart 1934 n°. 9 (I.S. n°. 153) is, met ingang van 1 April 1934, ingetrokken het in het vorig Verslag genoemd G. B. 3 Juni 1933 n°. 19 (I. S. n°. 264) voor zoover daarbij is bepaald, dat de dienst belangtoelagen aan Landsdienaren op zeer verafgelegen vestigingen worden teruggebracht tot 83 % van de bedragen, waarop zij oorspronkelijk zijn vast gesteld. De in de vorige Verslagen besproken regeling der Boven-Digoel-toelagen werd bij G. B. 1 Juni 1934 n°. 20 (I. S. n°. 353) aangevuld met de vaststelling van zulke toelagen voor gediplomeerde gezaghebbers en vervolgens bij G. B. 29 Dec. 1934 n°. 15 (I. S. n°. 752) ingetrokken, waarbij tevens de Directeur van Binnenlandsch Bestuur werd gemachtigd om den in de onderafdeeling Boven-Digoel geplaatsten wedana c.g. assistent-wedana in het genot te stellen van eene bijzondere toe] van ten hoogste f 65 en f 37,50 boven de op grond van bestaande bepalingen toe gekende standplaatstoelage. Andere bijzondere inkomsten en toelagen. De overgangstoelagen, genoten op grond van art. 28 van de 8.8.L. 1925/31 (I. S. 1931 n°. 410) — welke werden toe gekend tot bedragen gelijk aan hetgeen op 31 Januari 1925 aan vaste inkomsten meer werd genoten dan het totaal der inkomsten volgens de 8.8.L. zou moeten bedragen, verminderd met het bedrag der eventueele overgangsbezoldiging — zijn, gerekend van 1 April 1934, teruggebracht tot 75 % en met ingang van 1 Juli en 1 Oc tober 1934 tot onderscheidenlijk 50 % en 25 %, terwijl daarbij tevens bepaald werd, dat zij met ingang van 1 Januari 1935 geheel worden ingetrokken, oen en ander met dien verstande, dat overgangstoelagen len bedrage van minder dan f 10 's maands al dadelijk gerekend van 1 April 1934 geheel vervallen (I. S. 1934 n°. 187). DB LANDSDIENAREN. 359 3. Andere maatregelen. Maandlooners en werklieden. Betreffende de aanneming en de dienst voorwaarden van werkkrachten op maandloon werd bij G. B. 2S Febr. 1934 n°. 5 (I. S. n°. 111, juncto nos. 381 en 751) een reglement („Maandloonersreglcment 1934") in het leven geroepen, terwijl bij dezelfde gelegenheid een dergelijk reglement voor werklieden in doorloopende dienstbetrekking en daarmede overeenkomende werkkrachten („Werkliedenreglement 1934") tot stand kwam. Deze beide reglementen zijn in werking getreden met ingang van 1 April 1934. Huisvesting. Een nieuwe regeling nopens de voorziening van Landswege in de huisvesting van burgerlijke Landsdienaren kwam onder den naam „Burgerlijke woningregeling 1934" tot stand bij G. B. 20 Maart 1934 n°. 24 (I. S. n°. 147, juncto nos. 188, 352, 468 en 655), terwijl de „Woninghuurregeling Zeemacht" (I. S. 1925 n°. 150) is gewijzigd en aangevuld (I. S. 1934 nos. 191, 365 en 600) en het militair tarief n°. 36 (I. S. 1929 n°. 60), regelende de huisvesting van het militair en burgerlijk personeel behoorende tot het Departement van Oorlog, nader is gewijzigd (Bbn. nos. 13 233, 13 313 en 13 366). Ziektekosten. Een nieuwe regeling van de verleening van een tegemoetkoming aan Landsdienaren in de kosten van geneeskundige behandeling en (of) verpleging kwam tot stand bij G.B. 19 Dec. 1934 n°. 1 (I. S. n°. 689), waarbij wijziging is gebracht in de voorwaarden onder welke die kosten kunnen worden vergoed tot de helft van het bedrag, dat binnen een tijdsverloop van zes achtereenvolgende maan den meer is uitgegeven, dan 15 % van de over dat tijdvak door den betrokken Lands dienaar van den Lande genoten inkomsten bedraagt. Bij G. B. 4 Mei 1934 n°. 14 (I. S. n°. 288) werd nader gewijzigd het militair tarief n°. 39 (I. S. 1925 n°. 59) o.m. regelende de door de in militaire ziekeninrichtingen opgenomen patiënten te betalen verpleeggelden on begrafeniskosten, alsmede de hun aankomende hospitaaltoelagen. Bij B. 8 Maart 1934 n°. 23 (I.S. n°. 124) werd een nieuw militair tarief n°. 40, regelende de voeding in de militaire zieken inrichtingen, van kracht. Voorts werden bij G. B. 23 Oct. 1934 n°. 12 (I. S. n°. 600) de bestaande regelingen voor de geneeskundige behandeling van het personeel der Zeemacht, alsmede dat der oorlogsmarine, en zijn gezinsleden en de bij verpleging in ziekeninrichtingen verschuldigde verpleeggelden gewijzigd en aangevuld. Buitenlandsehe verloven. De regeling inzake tegemoetkoming aan van buiten landsch verlof terugkeerende ambtenaren, die in de maand van terugkomst hun dienst niet hebben kunnen aanvaarden (I. S. 1931 n°. 319) is aangevuld bij G. B. 9 Mei 1934 n°. 22 (I. S. n°. 300). Ontspanningsverloven. Een regeling van de aan burgerlijke Landsdienaren voor den normalen duur van twaalf werkdagen per jaar te verleenen z.g. ontspannings verloven werd vastgesteld bij Ord. van 28 Juli 1934 (I. S. n°. 479), waarbij tevens werd bepaald, dat zoodanig verlof voor ambtenaren, die het wenschen door te brengen op een ander eiland dan waarop zij zijn geplaatst, wordt verlengd met den duur van de bootreis heen en terug met een maximum van zeven dagen voor beide reizen tezamen, welke termijn slechts in bijzondere gevallen tot twee weken kan worden verlengd. Overtocht. Bij G. B. 27 Aug. 1934 n°. 16 (Bb. n°. 12 317, juncto n°. 13 361) zijn vastgesteld de nieuwe bepalingen omtrent de rangschikking in klassen van Lands- BB ECONOMISCHE TOESTAND. 36 merkende groepen in beide categorieën was dat aandeel, in % van het totale in voergewicht: 1929. 1932. 1933. 1934. voor consumptieve goederen . . . 45,2 57,1 56,5 52 4 „ productieve „ .... 41,0 28,7 30,7 32,3 De volgende tabel geeft een inzicht in de verandering in de herkomst en be stemming van den in- en uitvoer, exclusief goud, zilver, passagiers-, post- en bootpakkctgoederen, uitgedrukt in % van de totale waarde: Het export-saldo in 1934 nam toe en bedroeg, inclusief goud- en zilverzendingen, ook per postpakket, 252,2 mm gulden, tegen 192,5, 202,8, 208,3, 269,2, 321,8 en 559,8 mm gulden in de jaren 1933 tot en met 1928. Een bedenkelijk verschijnsel blijft echter, dat ook dit jaar het uitvoer-saldo werd verkregen met behulp van een niet onaanzienlijken gouduitvoer uit de reserves der bevolking (24 mm gulden per postpakket, in 1933 31 mm gulden). Het uitvoeroverschot steeg in 1934 aanzienlijk en werd bijkans in zijn geheel aangewend om daarmede de aan het buitenland, inclusief Nederland, verschuldigde betalingen te voldoen. Een kort overzicht van de voornaamste posten van die balans volgt hieronder. Eenige posten der Indische betalingsbalans. 4 ) Hieronder oen emissie van het Gouvernement van 108 millioen. ") Grootondoels uitgiften van Nederlandsen-Indische leeningen. s ) Voorloopig cijfer. DE STAATSINRICHTING. 360 reizigers naar en van Nederlandsch-Indië. Uit deze bepalingen wordt hier aangehaald, dat in de Iste klasse reizen burgerlijke ambtenaren met een bezoldiging van f 575 of meer, officieren van de Landmacht met den rang van kapitein en hooger en Marine-officieren met dien van luitenant ter zee der Iste klasse on hooger, terwijl in de 2de klasse reizen de burgerlijke Landsdienaren met een bezoldiging van minder dan f 575, doch van niet minder dan f 275 voor zoover de mannelijke, en f 200 voor zoover de vrouwelijke betreft, benevens de jongelieden bestemd om in Nederland te worden opgeleid voor den bestuursdienst en dezulken bestemd voor de Koninklijke Militaire Academie en het Koninklijk Instituut voor de Marine. Mede reizen in de zelfde klasse van de Landmacht de luitenants, onderluitenants en de andere onder officieren boven den rang van sergeant-majoor, en van de Marine de officieren met den rang van luitenants ter zee 2de on 3de klasse en onderofficieren boven den rang van sergeant-majoor. Uitrustingskosten. Na intrekking bij Ord. van 9 Mei 1934 (I. S. n°. 298) van het K. B. 8 Jan. 1924 n°. 18 (I. S. n°. 159), is bij G. B. van denzelfden datum n°. lz (I. S. n°. 299) vastgesteld een nieuwe regeling betreffende de toekenning van voorloopige bezoldiging en tegemoetkoming in de uitrustingskosten van voor 's Lands burgerlijken dienst uitgezonden personeel. Bij G.B. 11 Aug. 1934 n°. 16 (I. S. n°. 510) werd een nieuwe regeling in het leven geroepen betreffende de tegemoetkoming in de uitrustingskosten voor officieren, bestemd voor den Indischen dienst. Reis- en verblijfkosten. Daar de met ingang van 1 April 1934 ingevoerde nieuwe bezoldigingsregelingen een wijziging op zeer korten termijn noodzakelijk maakten van de groepindeeling dor Landsdienaren in het Algemeen Roisreglemcnt (I. S. 1921 n°. 422) werd bij, met ingang van 1 April 1934 in werking tredend G. B. 27 Maart 1934 n°. 1 (I. S. n°. 165) overgegaan tot vaststelling van een nieuwe groepindeeling in zes groepen der Landsdienaren met betrekking tot hunne aanspraken op vergoeding voor reis- en verblijfkosten, naar den maatstaf hunner maandelijksche bezoldiging en de militairen van leger en vloot naar hun militairen rang. Bij Ord. van 27 April 1934 (I. S. n°. 211) werden, met intrekking van het Algemeen Reisreglement (I. S. 1921 n°. 422), nieuwe algemeene beginselen vastgesteld ton aanzien van het voor 's Lands rekening nemen van uil gaven ter zake van dienst reizen binnen Nederlandsch-Indië, waarna bij G. B. 27 April 1934 n°. 2 (I. S. n°. 212) de datum van inwerkingtreding dezer „Reis-ordonnantio" op 1 Mei 1934 weid gesteld, waarbij mede een nieuwe klasse-indeeling bij reizen te watei binnen Neder landsch-Indië is vastgesteld en overigens werd bepaald, dat, voor zoover zij met de „Reis-ordonnantie" niet in strijd zijn, de voorschriften omtrent het reizen voor Landsrekening, voorkomende in voornoemd Algemeen Reisreglement, zooals ge wijzigd en aangevuld, laatstelijk bij reeds genoemd G. B. 27 Maart 1934 n°. 1 (I. S. n°. 165), voorshands van kracht blijven. Bij G. B. 13 April 1934 n°. 32 (Bb. n°. 13 220) werd do „Burgerlijke Automobiel regeling" (Bb. n°. 12 539) op verschillende punten gewijzigd. Bij G. B. 12 Sept. 1934 n°. 19 (I. S. n°. 555) werd vastgesteld een nieuw militair tarief n°. 4, regelende de aanspraken op reis- en verblijfkosten en transportmiddelen der militaire Landsdienaren. waarvan, krachtens Bb. n°. 13 355, de datum van in werkingtreding werd bepaald op 1 Januari 1935. Bijzondere onderstanden. In het Regeeringsrondschrijven van 17 Dec. 1934 (Bb. n°. 13 375) is bepaald dat de z.g. behooftigheidsonderstanden ook kunnen worden toegekend c.g. doorbetaald aan (gewezen) Landsdienaren, die zich in (pre ventieve) hechtenis bevinden dan wel gevangenisstraf ondergaan, indien de levens- DE LANDSDIENAREN. 361 omstandigheden van het gezin van den betrokkene daartoe aanleiding geven, in welk geval die inkomsten gedurende do vrijheidsberooving geheel of ten deele aan het gezin i.e. zullen worden uitbetaald. In het Regecringsrondsehrijvon van 31 Juli 1934 (Bb. n°. 13 307) is nader bepaald het tijdstip van ingang van schorsingsonderstand. Pensioenen. Bij G. B. 6 Jan. 1934 n°. 19 (I. S. n°. 14) zijn, in afwachting van de mogelijkheid om zulks ook voor de andere locale ressorten te doen, de locale ambten bij de stadsgemeente Batavia en de provincie West-Java ingedeeld in de drie pensioengroepen A, B en C, bedoeld bij art. 3 van het Europeesch locaal pen sioenreglement 1931 (I. S. 1931 n°. 500), terwijl bij G.B. van denzelfden datum n°. 20 (I. S. n°. 15) is bepaald, dat de vastgestelde of nog vast te stellen indeeling in pensioengroepen van de locale ambten mede zal gelden voor de ambten, bekleed door burgerlijke Landsdienaren die ter beschikking zijn gesteld van een provincie of van een als zelfstandige gemeenschap aangewezen gedeelte van een provincie op een bezoldiging ten laste van de begrootingen dier gemeenschappen. Bij Ord. van 3 Maart 1934 (I. S. n c . 115) is de vrijstelling van de verplichting tot betaling van contributie ten behoeve van de pensioenen bij een bezoldiging van minder dan f 50 's maands opgeheven. Bij G. B. 20 Maart 1934 n°. 23 (I.S. n°. 146) is bepaald dat na de inwerkingtreding van de „H. B. B. L. 1934" de burgerlijke en locale ambten, zoomede de betrekkingen, bekleed door de bijzondere leerkrachten met betrekking tot de daaraan verbonden rechten en aanspraken op pensioen, in afwachting van de herziening der pensioenwetgeving, ingedeeld blijven in de pensioensgroep waarin zij op 31 Maart 1934 waren ingedeeld. Bij Ord. van 23 Maart 1934 (I. S. n°. 156) zijn in verband met de invoering, op 1 April d.a.v., van de „M. B. R. 1934", eenige bijzondere voorzieningen getroffen inzake het gelijktijdig genot van militair pensioen en andere inkomsten van den Lande, de toepasselijkheid van het diensttijdpensioen reglement voor Europeesche onderofficieren en de betaling van contributie ten behoeve van de pensioenen. Bij R. V. van 19 Juni 1934 (I. S. n°. 384) zijn enkele uitvoeringsvoorschriften voor het Europeesche en het niet-Europeesche locaal pensioenreglement 1931 vastgesteld, in hoofdzaak betrekking hebbende op het verleenen van ontslag uit de bet rekking wegens overtolligheid en de gevolgen daarvan wat het pensioen betreft. Bij G. B. van dienzelfden datum n°. 23 (I. S. n°. 385) zijn voorts nog uitvoeringsvoorschriften in verband met het niet-Europeesch locaal pensioenreglement 1931 vastgesteld, welke betrekking hebben op de beoordeeling van de ongeschiktheid om verder te dienen. Bij Ord. van 11 Aug. 1934 (I. S. n°. 509) — bekrachtigd bij de wet van 27 Nov. 1934 (N. S. 1934 n°. 603, I. S. 1935 n °_ 7) j s een voorziening getroffen om te voorkomen dat de burgerlijke en locale ambtenaren en de bijzondere leerkrachten die met ingang van een datum, gelegen tusschen den dag van invoering van de „H. B. B. L. 1934" en dien van inwerking treding der pensioenregelingen, wegens overtolligheid eervol en met recht op pensioen zijn ontslagen, wat hun pensionneering betreft, anders zouden worden behandeld dan degenen wier ontslag, verleend onder gelijksoortige omstandigheden, vóór 1 April is ingegaan. Bij Ord. van 13 Sept. 1934 (I. S. n°. 554) is het Indisch burgerlijk pensioenreglement nader gewijzigd en aangevuld, voornamelijk wat betreft de diensttijd- en leeftijdseischen, de diensttijdberekening, de termijnen voor de berekening van den pensioensgrondslag, de indeeling van de ambten in pensioenscroepen, het pensioenspercentage, het maximum-bedrag van het pensioen en de betaling van contributie ten behoeve van de pensioenen. Bij Ord. van 14 Sept. 1934 (I. S. nos. 556 en 557) zijn het niet-Europeesch locaal pensioenreglement 1931 en het pensioenreglement voor bijzondere leerkrachten en bij K. B. 11 Oct. 1934 (N. S. n . 544, I. S. n°. 594) het Europeesch locaal pensioenreglement 1931 in overcenkomstigen zin gewijzigd en aangevuld. Bij R. V. van 12 Nov. 1934 (I. S. DX STAATSINRICHTING. 362 n°. 629) zijn enkele uitvoeringsvoorschriften voor het niet-Europeesch locaal pen sioenreglement 1931 vastgesteld, regelende de mogelijkheid om zich in bepaalde gevallen aan de toepasselijkheid van dat reglement te onttrekken. Bij de wet van 28 Dec. 1934 (N. S. n°. 703, I. S. n°. 748) zijn voorzieningen getroffen betreffende de wijze van financieren van de pensioenen der Europeesche en Inlandsche burger lijke en militaire Landsdienaren in Nederlandsch-Indië en voor de uitkeeringen aan weduwen en weezen dier Landsdienaren. Pensioen- en Weduwen- en Weezenfondsen. Bij K. B. 29 Maart 1934 (N. S. n°. 133, I. S. n°. 329) heeft, in verband met de invoering van de „H. B. B. L. 1934", wijziging plaats gehad van de bepalingen in het Reglement voor het Weduwen en Weezenfonds van Europeesche burgerlijke ambtenaren en in het Europeesch locaal pensioenreglement 1931 voorkomende, betreffende de mogelijkheid om bij vermindering van de bezoldiging deelgenoot in die fondsen te blijven naar reden van een fictieve hoogere bezoldiging. Bij R. V. van 30 Aug. 1934 (I. S. n°. 534) is de rente van 4% %, door het Land te vergoeden over in 's Lands kassen berustende saldi van de rekeningen betreffende de niet-Europeesche burgerlijke en militaire weduwenpensioenen, tot 4 % terug gebracht. Bij de wet van 29 Dec. 1934 (N. S. 1934 n°. 721, 1. S. 1935 n°. 4) is nader geregeld de tijdelijke korting op Indische pensioenen, vastgesteld bij de wet van 29 Dec. 1933 (N. S. n°. 763, I. S. n°. 562), ten aanzien van pensioenen en onderstanden, gebaseerd op herziene regelingen. Belastingen. Bij G. B. 16 Mei 1934 n°. 31 (Bb. n°. 13256) zijn nieuwe voorschriften vastgesteld nopens het toezicht op de betaling van door ambtenaren verschuldigde belastingen. Eed. Bij Ord. van 23 Maart 1934 (I. S. n°. 159) is een algemeene regeling ge troffen voor het afleggen van den ambtseed door burgerlijke Landsdienaren. Voor schriften tot uitvoering hiervan zijn opgenomen in I. S. 1934 n°. 160. DE PROVINCIËN, GEMEENTEN, REGENTSCHAPPEN EN LOCALE RESSORTEN. 363 d. DE PROVINCIËN, GEMEENTEN, REGENTSCHAPPEN EN LOCALE RESSORTEN. Op Java en Madoera kwamen eenige wijzigingen tot stand in verband met de samenvoeging van regentschappen, waarvan de belangrijkste zijn vermeld in afdeeling D van dit hoofdstuk. Voorts werden met ingang van 1 Januari 1935 de stadsgemeenten Batavia en Meester Cornelis tot één gemeente vereenigd, doordat laatstgenoemde stadsgemeente werd opgeheven en hot gebied daarvan werd getrokken bij dat van Batavia (I. S. 1934 n°. 687). In verband met de aan deze samenvoeging verbonden consequenties werd de schuld van de stadsgemeente Meester Cornelis aan den Lande wegens verstrekte voorschotten ten behoeve van het grondbedrijf tot een bedrag van f 1 943 738 kwijtgescholden (I. S. 1934 n°. 686). Aangezien de opheffing van de stadsgemeente Meester Cornelis van invloed zou zijn op de hoofdplaats van hot regent-schap van dien naam, werd voorts bepaald, dat na de samenvoeging van de stadsgemeenten, de hoofdplaatsen van de regent schappen Batavia en Meester Cornelis hun tegenwoordigon naam zullen blijven behouden (I. S. 1934 n°. 745). In 1934 werden wijzigingen gebracht in de samenstelling van enkele vertegen woordigende colleges. Het aantal leden voor de groep onderdanen-Nederlanders van den Ambon-raad werd van 4 tot 5 verhoogd, terwijl het aantal zetels voor de groep Inheemsche onderdanen-niet-Nederlandcrs van 21 tot 20 werd teruggebracht (I. S. 1934 n°. 204). Van den Minahasa-raad werd het aantal leden van de groep Inheemsche onder - danen-niet-Nederlanders van 18 op 24 gebracht, waarbij tevens werd bepaald, dat van deze 24 Inheemsche leden er 18 door verkiezing worden aangewezen (I. S. 1934 n°. 200). Deze wijziging werd in het leven geroepen, ten einde de 6 tot den ouden adel van het Land (bangsa) behoorende districtshoofden, die te voren steeds aan den verkiezingsstrijd moesten deehiemen, een plaats in den raad te verzekeren. In verband hiermede werd bepaald, dat hot lidmaatschap van den Minahasa-raad verbonden is aan het ambt van districtshoofd binnen het ressort van dien raad (I. S. 1934 n°. 200) (vgl. art. 4, lid 1, van het decentralisatie-besluit). Het tijdstip van de verkiezingen voor den Ambon-raad on voor den Minahasa raad werd in overeenstemming gebracht met dat voor do gemeenteraden, doordat bij Ordn. in I. S. 1934 nos. 125 en 199 werd bepaald, dat voortaan de periodieke verkiezingen in Juni in stede van in Juli zullen worden gehouden. Bij G. B. 19 Mei 1934 n°. 19 (J. C. n°. 42) is een commissie ingesteld, welke tot taak heeft een onderzoek in te stellen naar de werking der in Nederlandsch- Indië bestaande stelsels van verkiezing van de leden der vertegenwoordigende lichamen, dienaangaande de Regeering van raad te dienen, eventueel onder over legging van geformuleerde voorstellen tot wijziging van die stelsels en met bevoegdheid om desgewenscht ook voor beëindiging van het haar opgedragen algemeen onderzoek te komen met voorstellen tot incidenteele herziening. Met betrekking tot het lidmaatschap van de Colleges van Gedeputeerden werd een nadere voorziening getroffen voor het geval, dat militairen tot lid van een dergelijk college worden gekozen. De toekenning van non-activiteitstractement voor officieren en onderluitenants, die lid zijn van het College van Gedeputeerden, is gelijk gemaakt aan de betrekkelijke regeling voor burgerlijke Landsdienaren (I. S. 1934 n°. 103), terwijl voorts een non-activiteitsregeling werd vastgesteld voor mindere militairen, die bedoeld lidmaatschap hebben aanvaard (I. S. 1934 n°. 104). Aangeteekend wordt hierbij, dat het wachtgeld voor burgerlijke Landsdienaren, die lid zijn van het College van Gedeputeerden van de provincie West-Java, nader werd gesteld op de helft van de laatstelijk in werkelijkcn dienst genoten bezoldiging (I. S. 1934 n°. 351). I ) E STAATSINRICHTING. 364 Ten aanzien van het toezicht op do provinciale, standsgemeente- en regentschaps raden werden enkele regelingen getroffen. De desbetreffende organieke ordonnanties zijn in dien zin gewijzigd en aangevuld, dat aan den Gouverneur-Generaal de bevoegdheid is toogekond een onderzoek te doen instellen naar de wijze, waarop de medewerking der betrokken besturen aan de uitvoering van algemeene ver ordeningen (medebestuur) wordt verleend, zoomede naar alle aangelegenheden de autonomie betreffende, terwijl voorts aan bedoelde besturen een algemeene verplichting tot het geven van alle door de Regeering gewonsehte inlichtingen werd opgelegd (I. S. 1934 n°. 547). Tevens werden toezichtsregelingen in het leven geroepen betreffende de uitvoering van openbare werken (I. S. 1934 nos. 548 en 549) (vgl. afd. C van hoofdstuk II van dit Verslag). Met betrokking tot de belastingwetgeving dient vermeld te worden, dat de besturen van de zelfstandige gemeenschappen, bedoeld in art. 121, en van gebieds deelen met eigen geldmiddelen, bedoeld in art. 123 van de Indische Staatsregeling, zijn ingeschakeld bij de uitvoering van de bepalingen van de loonbelasting-ordon nantie (I. S. 1934 n°. 611), overeenkomstig bij regeeringsverordening te stellen regelen. Deze regeeringsverordening is opgenomen in I. S. 1934 n°. 641, waarbij het toezicht op de naleving van de voorschriften der loonbelasting-ordonnantie werd opgedragen aan de besturen der gemeenten en stadsgemeenten — dus niet aan de regentschapsbesturon —, terwijl voorts is bepaald, dat aan deze gemeen schappen terzake van de kosten voor haar aan do verleende medewerking ver bonden, een vergoeding uit 's Lands kas zal worden toegekend. In verband met de invoering van de loonbelasting en de daarmede samen hangende wijzigingen in de Landsinkomstenbelasting-ordonnantie (vgl. I. S. 1934 n°. 612) was het noodig voorzieningen te treffen ten aanzien van de opcenten heffingen van de lagere gemeenschappen op laatstgenoemde belasting. Immers door de verhooging van het tarief der Landsinkomstcnbclasting zouden de locale opcenten een hoogere last dan to voren op de ingezetenen leggen, hetgeen uiteraard niet de bedoeling is geweest. Daarom werd bepaald, dat de bestaande locale verordeningen tot het heffen van opcenten op do hoofdsommen dor aanslagen in de Landsinkomstenbelasting zullen worden toegepast in dien zin, dat het aantal opcenten bij een heffing van 3 tot on mot 7, van 8 tot en met 11, van 12 tot en met 15, van 16 tot en met 19, en van 20 opcenten verminderd wordt respectievelijk met 1, 2, 3, 4en 5, terwijl het bedrag van den aanslag in hoofdsom in overeenstemming is gebracht met de nieuwe wijze van berekening der Landsinkomstenbelasting (I. S. 1934 n°. 691). De raden der locale gemeenschappen werden voorts bevoegd verklaard deze bepaling in te trekken, indien zij tot wijziging van het aantal opcenten wenschen over te gaan. In verband met den wensch om de Lands- en locale heffingen op motorrijtuigen door een eenvoudiger stelsel te vervangen, werd de benzine-accijns verhoogd en werden de Landsmotorvoertuigcnbelasting-ordonnantie Java en Madoera-1933, de ordonnantie op de motorvoortuigonbelasting Buitengewesten, de ordonnantie op de Vorstenlandsche motorrijtuigenbelasting, alsmede de verordeningen van de locale ressorten in de Buitengewesten op de heffing van belastingen op het motor verkeer met ingang van 1 Januari 1935 vervallen verklaard (I. S. 1934 nos. 716 en 717). Voorts werd een nieuwe motorvoertuigenbelasting in het leven geroepen voor motorvoertuigen, welke gedreven worden door andere brandstof dan die, bedoeld in I. S. 1934 n°. 717, voor motorvoertuigen, welke wel door benzine worden gedreven, doch waarvan het toelaatbaar totaal gewicht 5500 kg of meer bedraagt, alsmede voor de aanhangwagens van motorvoertuigen (I. S. 1934 n°. 718). De wegverkeersverordening (I. S. 1933 n°. 138) werd in dien zin gewijzigd en aangevuld, dat de aan de lagere wetgevers terzake van de verkeersregelingen toe- DE PROVINCIËN, GEMEENTEN, REGENTSCHAPPEN EN LOCALE RESSORTEN. 365 gekende bevoegdheden aanzienlijk werden uitgebreid en verruimd (I. S. 1934 n°. 642). De werkzaamheden van de in het Verslag over 1933 besproken overdrachts commissie vonden gestadig voortgang. Zoo zijn bijv. de hiervóór reeds besproken toezichtsmaatregelon (I. S. 1934 nos. 547, 548 en 549) een uitvloeisel van voorstellen van deze commissie. DE STAATSINRICHTING. 366 K. DE ZELFBESTURENDE LANDSCHAPPEN. De bestuursvoering in het landschap Dompoe (onderafd. Bima, afd. Soembawa, res. Timor en Onderhoorigheden) liet onder het bestuur van den Sultan Moehamad Siradjoeddin veel te wenschen over. Verschillende pogingen om hierin verbetering te brengen faalden, omdat de Sultan en zijn beide zonen, mede onder den invloed van hun familie, weigerden met het Europeesch Bestuur mede te werken tot het bereiken van normale toestanden in dat landschap, o. a. op het gebied van recht spraak, heerendienst on belastinginning. De Sultan werd herhaaldelijk op zijn tekortkomingen gewezen, echter zonder eenig resultaat, zoodat de bestuursvoering steeds meer te wenschen overliet en ten slotte tot zijn ontheffing moest worden overgegaan (G. B. 15 Jan. 1934 n°. 11). Wijl voorts een voortgezet verblijf van Moehamad Siradjoeddin en zijn beide zonen Abdul Wahab en Abdullah een ernstige belemmering vormde bij do pogingen om in het landschap Dompoe beter geregelde toestanden te scheppen en een voortdurend gevaar zou opleveren voor de openbare rust en orde in de afdeeling Soembawa, werd bij G. B. 22 Juni 1934 n°. 20 krachtens art. 37 der Indische Staatsregeling aan hen het verblijf in die afdeeling ontzegd. Het bestuur over het landschap Dompoe werd in afwachting van nadere voor ziening opgedragen aan een bestuurscommissie, bestaande uit de tot Djenelli benoemde personen Mohamad Saleh, ex-ratoe perintah en Achmad, hoofd-gclarang van Dompoe. De veranderde bestuursvoering is door de bevolking rustig opgevat; thans wordt onder toezicht van een speciaal met de leiding van den gang van zaken in Dompoe belasten bestuursambtenaar orde gesteld op de bestuursvoering, waarin einde 1934 reeds een groote verbetering was te constateeren. In hetzelfde gewest bleken Boeloe Engge en Oemboe Dondoe alias Oemboe Rewa Mbakoe, onderscheidenlijk waarnemend bestuurder van Wadjowa en van Momboro (onderafd. Wcst-Soemba, afd. Soemba), van hun positie misbruik te hebben gemaakt. Beide functionarissen werden dientengevolge door den Resident van Timor en Onderhoorigheden met gebruikmaking van de hem bij art. 6, lid 2, der „Zelfbestuursregelen 1927" (I. S. n°. 190) verleende bevoegdheid in afwachting van den uitslag van het ingesteld gerechtelijk onderzoek in de uitoefening van hunne waardigheid geschorst. Als bestuurder van het landschap Mollo (onderafd. West-Soemba, afd. Soemba) werd bij G. B. 23 Maart 1934 n°. 20 Toea SonbaE erkend en bevestigd. Op verzoek werd Kefi Lelan bij G. B. 23 Mei 1934 n°. 31 eervol ontheven van zijn waardigheid van waarnemend bestuurder van het landschap Miomaffo (onder afd. Noord-Midden-Timor, afd. Timor en eilanden); het bestuur werd tijdelijk in handen gesteld van een bestuurscommissie, bestaande uit Kaoe Maoek, zelf bestuurder van Beboki, en Tasaib Malafoe, zelfbestuurder van Insana. Als waarnemend bestuurder van het landschap Laoera (onderafd. Zuid-Midden- Timor, afd. Timor on eilanden) trad op Roea Kaka, die bij G. B. 12 Nov. 1934 n°. 37 als zoodanig werd erkend en bevestigd. In het gouvernement Celebes en Onderhoorigheden werd Andi Batari, waar nemend bestuurder van het landschap Pemboeang (onderafd. Madjene, afd. Mandar), bij G. B. 23 Mei 1934 n°. 36 op verzoek eervol ontheven van de waarneming van het bestuur over genoemd landschap. La Wello Ije'na Banti, zelfbestuurder van Allah (onderafd. Enrekang, afd. Paréparé), werd bij G. B. 25 Mei 1934 n°. 45 eervol van zijn waardigheid ontheven; met het bestuur werd tijdelijk belast Pasanrangi, zoon van den defungeerenden bestuurder van dat landschap. Als bestuurder van het landschap Laiwoei (onderafd. Kendari, afd. Boeton en Laiwoei) werd Tekaka bij G. B. 23 Mei 1934 n°. 42 erkend en bevestigd. DE ZELFBESTUREN DE LANDSCHAPPEN. 367 Bij G. B. 28 Juni 1934 n°. 18 werd Patta Achmad op verzoek eervol ontheven van de waardigheid van bestuurder van het landschap Enrekang (onderafd. Enrekang, afd. Paréparé); tot opvolger van den afgetreden Aroe van Enrekang werd aangesteld Andi Mohamad Tahir. Wegens hoogen leeftijd werd de zelfbestuurder van Maloewa (onderafd. Enrekang, afd. Paréparé) bij G. B. 12 Nov. 1934 n°. 18 op verzoek eervol van zijn waardigheid ontheven, terwijl het bestuur over dit landschap tijdelijk werd opgedragen aan Tambone, den zoon van den afgetreden bestuurder. Boestari Pattana Lantang, bestuurder van het landschap Tapalang (onderafd. Mamoodjoe, afd. Mandar), verzocht eveneens wegens hoogen ouderdom om ont heffing van zijn waardigheid, welke werd verleend bij G. B. 12 Nov. 1934 n°. 19; met het bestuur over dit landschap werd tijdelijk belast Abdul Havid alias Pattana Pantong. In het gouvernement Atjeh en Onderhoorigheden overleed op 18 Augustus 1934 Ali Tjot Darat, waarnemend bestuurder van het landschap Boebon (onderafd. Meulaboh, afd. Westkust van Atjeh). Op 5 Juni 1934 overleed de zelfbestuurder van hot landschap Koetabaroe (lë Leubeuë) (onderafd. Sigli, afd. Pidië); met het bestuur werd tijdelijk belast Teukoe Ma'Ali. Bij G. B. 31 Maart 1934 n°. 15 werd Teukoe Ali Basjah ontheven van zijn waardigheid van bestuurder van het landschap Langsa (onderafd. Langsa, afd. Oostkust van Atjeh); als waarnemend bestuurder trad op Teukoe Radja Mohamad Ali, die bij G. B. 8 Aug. 1934 n°. 26 werd erkend als waarnemend bestuurder over dat landschap. Op verzoek werd bij G. B. 22 Aug. 1934 n°. 14 Teukoe Thji' Mohamad Thajob wegens ziekte eervol ontheven van zijn waardigheid van bestuurder van het landschap Peureula (onderafd. Langsa, afd. Oostkust van Atjeh); met het bestuur over Peureula werd tijdelijk belast Teukoe Tjoet Achmad. Bij G. B. 8 Sept. 1934 n°. 26 werd Teukoe Tjhi' Mahmoed erkend en bevestigd als waarnemend bestuurder van het landschap Tjoenda (onderafd. Lho' Seumawè, afd. Noordkust van Atjeh). De z.g. korte verklaring werd afgelegd door Banta Tjoet als bestuurder van het landschap Siah Oetama (onderafd. Takengon, afd. Gajo- en Alaslanden), waarna hij bij G. B. 24 Oct. 1934 n°. 30 als zoodanig werd erkend en bevestigd. Eveneens werd de korte verklaring afgelegd door Teukoe Lotan, optredend bestuurder van het landschap Sawang (onderafd. Lho' Seumawè, afd. Noordkust van Atjeh), welke korte verklaring bij G. B. 19 Dec. 1934 n°. 13 werd goedgekeurd en bekrachtigd, waarbij Teukoe Lotan tevens werd erkend en bevestigd als bestuurder van het landschap Sawang. Bij G. B. 12 Nov. 1934 n°. 36 werd Soe' Gam erkend en bevestigd als bestuurder van het landschap Leukon (onderafd. Simeuloeë, afd. Westkust van Atjeh). In het gouvernement Oostkust van Sumatra werd bij G. B. 5 Jan. 1934 n°. 33 Toean Gomok erkend en bevestigd als bestuurder van het landschap Raja (onderafd. Simeloengoen, afd. Simeloengoen en de Karolanden) en bij G. B. 12 Juni 1934 n°. 24 Datoek Abdoel Djalil alias Abdoelrani als bestuurder van het landschap Pasisir (onderafd. Batoebara, afd. Asahan). In de residentie Rimiw en Onderhoorigheden werd Radja Ismail tijdelijk belast met het bestuur over het landschap IV Kota di Hilir (onderafd. Koeantan-districten, afd. Inderagiri). In de residentie Westerafdeeling van Borneo overleed op 25 April 1934 Ade Mohamad Dj oen, waarnemend bestuurder van het landschap Sintang (onderafd. DE STAATSINRICHTING. 368 en afd. Sintang); met het bestuur werd tijdelijk bolast Raden Abdoelbahri Danoe Perdana, de tweede zoon van den gewezen Panembahan, Hadji Goesti Adi Abdoel Madji Kesoema Negara. Tengkoe Andoet, bestuurder van het landschap Soekadana (onderafd. Soekadana, afd. Ketapang), overleed op 29 April 1934; het bestuur werd tijdelijk opgedragen aan Tengkoe Abdul Hamid, Pangeran Bandahara van dat landschap. DE WATERSCHAPPEN. 369 Ook gedurende 1934 streefden de drie Vorstenlandsche waterschappen Opak- Progo, Dengkeng en Bengawan naar beperking van uitgaven. In verband hiermede werd de aanleg van nieuwe werken zooveel mogelijk nagelaten en het personeel nog verder ingekrompen, terwijl de salarissen een belangrijke vermindering onder gingen, waarbij zooveel mogelijk naar overeenstemming met de H. B. B. L. werd gestreefd. De noodzaak tot bezuinigen gaf mede aanleiding tot het overwegen van de mogelijkheid de drie waterschappen onder een éénhoofdige leiding te plaatsen. Terzake werd overeenstemming verkregen tusschen de instanties, welke der Regeering van advies moeten dienen nopens de noodige wijzigingen van de Vorstenlandsche waterschapsordonnantie. De met het oog op een oordeelkundiger territoriale indeeling van de waterschappen Dengkeng en Bengawan voorgestelde wijziging van de grenzen dier waterschappen had de Regeering eind 1934 nog niet bereikt, doch heeft inmiddels begin 1935 haar beslag gekregen. Het waterreglement van het waterschap Dengkeng werd bij besluit van den Gouverneur van Soerakarta van 24 Dec. 1934 n c . 581 goedgekeurd. Deze goed keuring heeft ten gevolge, dat dit waterschap thans zijn autonome rechten volledig zal kunnen uitoefenen. De Minister van Staat, Minister van Koloniën, H. COLIJN. 24 L. DE WATERSCHAPPEN. ECONOMISCH OVERZICHT. 37 De ruilvoet, ofschoon nog steeds zeer nadeelig, is gedurende 1934 blijvend verbeterd. De indexcijfers voor het prijsniveau van den in- en uitvoer bedroegen: In verband met een belangrijke structuurwijziging in den aard van den me n uitvoer sedert 1928/29 is een vergelijking van de statistiekwaarde per ton van dien in- en uitvoer niet meer rechtstreeks bruikbaar. De aanvankelijke tendens naar goedkooper invoergoederen is meer dan geneutraliseerd door het wegvallen van groote hoeveelheden goedkoope producten (rijst, kedelé, Portland-cement en in mindere mate metalen), waartegenover een nagenoeg stabiele invoer van textielen van hooge waarde bleef bestaan. Bij den uitvoer valt op overeenkomstige wijze een aanzienlijke toename van goedkoope aardolieproducten, een afname van zeer in prijs gedaalde suikers en een vrijwel constant gebleven uitvoer van overige producten van hooge waarde te constateeren. De toestand heeft zich derhalve aldus gewijzigd, dat ook bij gelijkblijvende prijsverhoudingen — dus zonder verslechtering van den netto-ruilvoet — uitvoer en invoer zoodanig zijn samengesteld, dat een grooter export-volume noodig is om een kleiner import-volume te bekostigen 1 ). Gaat men nu verder het prijsverloop van de 15 invoergroepen afzonderlijk na 2 ), dan blijkt, dat een invoer van gelijke ') Een in- en uitvoer van gelijke samenstelling als in 11)34 en gelijk volume als in 1929 zouden in laatstgenoemd jaar oen waarde hebben gehad van onderscheidenlijk ± 1240 en 1250 mm gulden, instede vau de 1090 en 1450 mm gulden, welke de samenstelling in 1929 met zich bracht. *) Dus met verwaarloozing van de — soms ook belangrijke —■ verschuivingen van do Structuur binnen die groepen. Indexprijzen van groothandelsprijzen. INHOUD. 371 INHOUD. Blz. I. De staatkundige toestand 3 A. Betrekkingen met het buitenland 3 1. Nederlandsch-Indië en de Volkenbond 3 2. Economische en Verkeersbetrekkingen 5 3. Juridische betrekkingen 7 4. Overige aangelegenheden 9 B. De inwendige politieke toestand 11 1. Inleiding 11 2. Partij groepeeringen onder de Europeesche bevolking ... 11 3. De Inlandsche beweging 12 4. De Chineesche beweging 16 11. De financieele toestand 16 A. De Landsfinanciën 16 1. Algemeen overzicht 16 2. 's Lands Vermogenstoestand. Leeiüngen 18 3. Belastingen in geld 22 4. Belastingen in arbeid 28 5. De Indische bedrijvenwet 29 6. Het beheer der geldmiddelen en de controle daarop ... 29 B. De financiën der zelfbesturende landschappen 30 C. De financiën der provinciën, gemeenten, regentschappen en plaatse lijke raden 31 111. De economische toestand 33 A. Economisch overzicht 33 B. Landbouw 41 1. Overzicht van den landbouw 41 2. Overzicht van de verschillende landbouwgewassen .... 47 3. Overheidszorg voor den landbouw 63 4. De Gouvernements landbouwondernemingen 69 C. Veeteelt 75 Overzicht van den veestapel 75 Overheidszorg voor den veestapel 78 Nederlandsch-Indische Veeartsensehool 82 Dierenbescherming 82 D. Visseherij en vischteelt 84 1. Zeevisscherij 84 2. Binnenvisscherij en vischteelt 84 E. Jacht en inzameling van bosch- en andere natuurproducten . . 86 1. De jacht 86 2. Inzameling van bosch- en andere natuurproducten .... 86 INHOUD. 372 Blz. F. Boschbouw 87 1. Overzicht van den boschbouw en de boschexploitatie . . 87 2. Djatibedrijf 89 3. Dienst der wildhoutbosschen op Java en Madoera .... 90 4. Bosschen in de Buitengewesten 92 5. Boschinrichting 94 6. Boschbouwproef station 94 G. Winning, verwerking en afzet van delfstoffen en andere oerproducten; geologische onderzoekingen 96 1. Overzicht van de winning van delfstoffen 96 2. Tin 97 3. Steenkolen 99 4. Goud en zilver 102 5. Aardolie en aardgas 104 6. Andere oerproducten 106 7. Zoutwinning en zoutverkoop 107 8. Overheidszorg voor de delfstoffenwinning 110 H. Nijverheid 116 1. Algemeen overzicht 116 2. Afzonderlijke bedrijven 116 3. Waterkracht en electriciteit 121 4. Overheidszorg voor de nijverheid 122 5. Indische Centrale Aanschaf f ingsdienst 122 I. Handel . . - 129 1. Groothandel 129 2. Tusschen- en kleinhandel 145 3. Venduwezen 146 4. Middenstandswezen 147 5. Handelstentoonstellingen en jaarmarkten 148 6. Kamers van koophandel, handelsvereenigingen en andere organisaties op handelsgebied 148 7. Overheidszorg voor den handel 149 8. IJkwezen 150 J. Munt-, crediet- en bankwezen, coöperatie 153 1. Muntwezen 153 2. De groote banken 154 3. Volkscredietwezen 160 4. Coöperatie 165 5. De pandhuisdienst 167 6. De postspaarbank . . . 171 7. Andere spaarinstellingen 173 INHOUD. 373 Blz. K. Verkeer 176 1. Overzicht van het verkeer 176 2. Landwegen en bruggen 178 3. Het wegverkeer 181 4. Railverkeer 185 5. Havenbedrijf en baggerbedrijf 192 6. Bebakening, kustverlichting, loodswezen, hydrografische opnemingen 195 7. Scheepvaart 198 8. Burgerlijk luchtverkeer 203 9. Post, telegraaf en telefoon 206 10. Toerisme 211 L. Waterstaat 212 1. Bevloeüng 212 2. Landsgebouwen 213 IV. De cultureele toestand 216 A. Christelijke on Mohammedaansche eeredienst 216 Christelijke eeredienst 216 Mohammedaansche eeredienst 220 B. Onderwijs 221 C. Kunsten en wetenschappen 243 De oudheidkundige dienst 243 Natuurbescherming 244 Vulkanologisch onderzoek 245 Enkele wetenschappelijke instellingen 246 D. De volkstelling 250 E. Publiciteit 251 De Pers 251 Lectuurvoorziening 251 Bioscoopfilms en filmkeuring 252 Radio-omroep 253 V. De sociale toestand 255 A. Recht en rechtsbedeeling 255 Het recht 255 De rechtspraak ' 257 Aanverwante onderwerpen 258 B. Bestrijding van misdadigheid 260 Gevangeniswezen 260 Strafrechtelijke dwangopvoeding 262 INHOUD. 374 Blz. Reclasseering 262 Dactyloscopie 262 Crimineele statistiek 263 C. Bestrijding van onzedelijkheid 264 D. Gebruik van verdoovende middelen en alcohol 265 De opiumregie 265 Behandeling van opiophagen 266 Alcoholgebruik 267 E.. Gezondheidszorg 268 Gezondheidstoestand van de bevolking. Geboorte- en sterftecijfers 268 Opleiding van geneeskundig en technisch personeel 270 Medisch-hygiënische propaganda 271 Wetenschappelijke onderzoekingen 272 Voorkoming en bestrijding van besmettelijke on volksziekten. Ver hooging van het peil der volksgezondheid 276 De demonstratie-regentschaps-gezondheidsdienst en het opleidings centrum te Poerwokerto 287 Assaineeringswerken, kampongverbetering en drinkwatervoor zieningen 287 Volkshuisvesting 288 Ziekenverzorging 289 Krankzinnigenverzorging 294 Pharmaceutische aangelegenheden 298 Ziekteverloven en afkeuringen van Landsdienaren 298 F. Jeugdzorg 299 Kinderbescherming 299 Internaatswezen 299 Lichamelijke ontwikkeling . 299 G. Armenzorg 301 H. Bescherming van het grondbezit 302 Overheidsbemoeienis met uit te geven gronden 302 Overheidsbemoeienis met de particuliere landerijen 303 Uitvoering der grondhuurordonnantie 303 Kadastrale en topografische opnemingen 303 I. Arbeid 306 Bescherming van Nederlandsch-Indische werknemers in het buitenland 306 Arbeidsvoorwaarden 306 Werkloosheidsbestrijding en arbeidsbemiddeling 309 Steunverleening 310 Werkverschaffing 312 Arbeidswetgeving 313 INHOUD. 375 Blz. Arbeidsinspectie 314 Werving van arbeiders 322 De vakbeweging 323 J. Kolonisatie en emigratie 325 K. Overheidsbemoeienis met bedrijven 326 Veiligheidstoezicht 326 Uitvoering der fabrieken-ordonnantio 329 VI. De Staatsinrichting 330 A. De Regeering 330 B. De Volksraad 331 C. De departementale organisatie 335 D. Het Bestuur 336 Het Europeesch Bestuur 336 Inheemsch bestuur 336 Het bestuur over Vreemde Oosterlingen 337 Overige aangelegenheden 337 E. De rechterlijke macht 339 F. De politie 340 G. De Zeemacht 342 De Koninklijke Marine 342 De Gouvernements-Marine 342 Het Marine-etablissement 343 Regelingen van verschillenden aard 344 H. De Landmacht 345 Mededeelingen van algemeenen aard 345 Landsverdediging 346 Sterkte en samenstelling van het leger 346 Dienstplicht- en reservepersoneel 347 Militaire bijstand ter handhaving van orde, rust en veiligheid . 347 De wapens en diensten 348 Oefeningen 352 Gezondheidstoestand en hygiënische maatregelen 352 Korpsen niet rechtstreeks tot het leger behoorend 353 Koninklijk Koloniaal Invalidenhuis op Bronbeek 353 I. De Landsdienaren 354 Personeelsversobering 354 Vermindering van de individueele inkomsten der Landsdienaren 356 Andere maatregelen 359 J. De provinciën, gemeenten, regentschappen en locale ressorten . . 363 K. De zelfbesturende landschappen 366 L. De waterschappen 369 DE ECONEMISCHE TOESTAND. 38 samenstelling als in 1934 in 1929 een statistiekwaarde zou hebben gehad van f 358 per bruto ton. Een dergelijke berekening voor den uitvoer geeft voor 1929 een vergelijkbare statistiekwaarde van f 123 per ton. De aldus gecorrigeerde waardebedragen per ton in- en uitvoer geven het volgende ontwikkelingsbeeld: De ruilverhouding blijkt dus, indien men rekening houdt met de structuur verandering van in- en uitvoer, niet zoo ongunstig als uit de gemiddelde waarden per ton alleen zou kunnen worden geconcludeerd. In meerdere mate dan in 1933 moest de Begeering regelend tusschenkomst verleenen op het gebied van het internationaal handelsverkeer, van de import-organisatie en van de bescherming en stimuleering van de binnenlandsche industrie. De maatregelen zijn van drieërlei aard: contingenteering van invoeren, al dan niet met een nadere verdeeling tusschen bepaalde landen van herkomst, licentieering van importeurs en reglementeering van binnenlandsche bedrijven, tot het tegengaan van destructieve concurrentie. Hierbij staat een nauwe economische relatie met Nederland steeds op den voorgrond en wordt het consumentenbelang steeds voor oogen gehouden. Een verder beginsel van Overheidsingrijpen op economisch terrein blijkt uit een zoo ruim mogelijke samenwerking met het bedrijfsleven. De eerste toepassingen van de ordonnantie op de bedrijfsreglementeering konden eerst in 1935 worden uitgewerkt. De aandacht bleef gericht op ontwikkeling van nieuwe binnenlandsche productie, welke gestimuleerd werd mede door contingen teering van den invoer van cement, bier, aardewerk, oostpannen, bontgeweven en gebleekte stoffen. Het industrialisatieproces vordert slechts zeer geleidelijk, terwijl bij het verleenen van bescherming of van organisatorischen steun rekening gehouden dient te worden met de omstandigheid, dat door industrialisatie de handelsverhoudingen tot hot buitenland worden gewijzigd. Het ontbreken van betrouwbare productiestatistieken maakt het moeihjk te beoordeelen, of en in hoeverre die nieuwe binnenlandsche productie of productie uitbreiding de vermindering van den invoer compenseert; in de meeste gevallen is van compensatie nog geen sprake. Toch kan uit een aantal in voer vergelij kingen de beteeken is van deze eigen voorziening althans eenigermate worden benaderd. Ten aanzien van de volgende tabel moet worden bedacht, dat met betrekking tot cement en bier bescherming van de eigen industrie plaats vindt bij een sterk verminderde totale consumptie, terwijl in sommige gevallen de binnenlandsche voorziening een substituut is (aanstekers voor lucifers), dan wel ten deele zonder industrie plaats vindt (zelfgerolde strootjes en sigaretten). ECONOMISCH OVERZICHT 39 Uit bovenstaande tabel blijkt, dat het aanpassingsproces van prijzen en kosten zich voortzette, In de zuiver inheemsche sfeer kwam de daling van kosten tot Invoer van goederen, welke door eigen voorziening wordt vervangen (in tonnen bruto). Indexcijfers van kleinhandelsprijzen en de kostenvan voeding (indexcijfers 1913 = 100). DE STAATKUNDIGE TOESTAND. 4 bij het besluit van genoemd departementshoofd van 10 April 1935 (Bb. n c . 13450). De Indische Regeering kon zich in beginsel vereenigen met de nieuwe voor stellen van het voorbereidend Volkenbondscomitó betreffende de unificatie van de regelen inzake bebakening (zie Indisch Verslag 1931, blz. 8). c. Bestrijding van het misbruik van opium en andere verdoovende middelen. Tot wetswijziging, ten doel hebbende het mogelijk te maken vreemdelingen, die zich schuldig hebben gemaakt aan opiummisdrijvon, uit te leveren (zie Indisch Verslag 1932, blz. 8), werd nog niet overgegaan, aangezien deze materie was be trokken in het in 1933 door do Raadgevende Opiumcommissie opgesteld ontwerp verdrag tot onderdrukking van den smokkelhandel in verdoovende middelen en dus in breeder verband in beschouwing diende te worden genomen. I )e Xederlandsche Regeering gaf te kennen, dat Zij Zich in beginsel mot dat ontwerp-verdrag kon vereenigen. Aan de hand van de van do verschillende landen ingekomen antwoorden stelde de Raadgevende Commissie in 1934 een nieuw ontwerp op, dat nog bij de Indische Regeering in studie is. Ter zake van de voorgenomen beperking van den verbouw van papaver en cocablad (zie Indisch Verslag 1932, blz. 8) beantwoordde Nederlandsch-Indië de door het Volkenbondssecretariaat opgestelde vragenlijsten. De Raadgevende Opiumcommissie vestigde do aandacht op het gevaar van het binnensmokkelen van verdoovende middelen langs den luchtweg. De Neder landsch-Indische wetgeving biedt voorshands voldoenden waarborg, dat ook dit euvel kan worden tegengegaan. Naar aanleiding van de door do deskundigen-commissie van den Volkenbond aanbevolen universeele onderzoekingsmethode voor het bepalen van het morphinc gehalte van ruw opium, vestigde de Indische Regeering de aandacht op de wen schelijkheid om daarin alsnog een correctie aan te brengen in verband mot den invloed van klimatologische omstandigheden. d. Gezondheidszorg. In verband met den toestand van 's Lands financiën werd de bijdrage van Nederlandsch-Indië aan het Epidemiologisch Bureau te Singapore, te beginnen met 1935, verlaagd van f 10 000 tot f 7500. Aan het o. a. op Java gehouden practische gedeelte van den door genoemd bureau te Singapore georganiseerden internationalen malaria-cursus werd door de Nederlandsch-Indische autoriteiten volle medewerking verleend. Deelneming aan den cursus door Indische artsen was evenwel niet mogelijk, aangezien geen Gouvernementsmedici voor langeren tijd aan hun werk konden worden onttrokken. e. Kinderbescherming. Naar aanleiding van de aanbevelingen van het Comité voor de bescherming van de jeugd nopens den weerslag van de crisis en de werk loosheid op de kinderen en jonge menschen, deelde de Indische Regeering mede, dat de Oostersche maatschappij in structuur en gesteldheid zoodanig verschilt van de Westersche, dat noch de crisisnood op denzolfden voet bestreden, noch do bestrijdingsmiddelen op dezelfde leest geschoeid kunnen worden, doch dat het vraagstuk der jeugdwerkloosheid onder het Europeesche bevolkingsdeel en de gevolgen daarvan de belangstelling der Regeering hebben en dat het mogelijke wordt verricht om dit euvel te bekampen. f. Intellectueele samenwerking. Het door de organisatie voor intellectueele samenwerking opgesteld ontwerp voor een internationale regeling betreffende het gebruik van de radio in het belang van den vrede zal ook op Xederlandsch-Indië van toepassing kunnen worden verklaard, wijl de omroepconcessie van de Nirom reeds zoowel de noodzakelijke bepalingen bevat om het omroepen van voor de DE ECONOMISCHE TOESTAND. 40 stilstand als gevolg van de maatregelen tot stabilisatie van de rijst- en padi-prijzen. Voor de niet-Inlandsche, met name voor de Europeesche bevolking, zette zich de verlaging van levenskosten voort. Het verschil tusschen klein- en groothandels prijzen bleef echter nog vrij groot. Verschillende contingcnteerings- en licentieerings maatregelen hadden mede de strekking stabiliseerend of verhoogend op het prijs niveau te werken. Van Overheidswege werden prijsstijgingen echter zooveel mogelijk tegengegaan. De voortgezette prijsdaling op velerlei gebied, de deflatiepolitiek, geringer voorraadvorming, terugloopende omzetten en koopkracht, al deze factoren werkten samen om de in vorige jaren reeds zoo belangrijk ingekrompen credietvTaag nog verder te doen slinken. Zoowel de debiteurencijfers der particuliere banken als die van het Volkscredietwezen getuigen daarvan. De reeds sterk afgenomen totale geldcirculatie verminderde wederom met ruim 15 millioen gulden. Met betrekking tot het bank- en credietwezen vallen de reorganisaties van de Nederlandsch-Indische Excompto Maatschappij en de Nederlandsche Handel maatschappij te memoreeren, benevens de concentratie van de Volks- en Afdeelings banken in de Algemeene Volkscredietbank. De aanpassing van vracht- en krachttarieven blijft op vele punten nog steeds bij het conjunctuurniveau achter, hoewel de heroriënteering bij de Staatsspoorwegen gunstig was zoowel voor het bedrijf als voor het publiek en het goederenverkeer. Het Land, ten slotte, kon het verschil tusschen uitgaven en inkomsten wel vorder verkleinen, doch nog niet geheel opheffen. LANDBOUW. 41 B. LANDBOUW. 1. Overzicht van den landbouw. a. Moessonverloop 1 ). Het moessonverloop op Java kenmerkte zich door een vroeg ingevallen, overigens vrij normalen westmoesson 1933/34 met te veel regens in Oost- Java, een matig drogen oostmoesson en een vrij vroeg ingevallen westmoesson 1934/35. Tot midden Januari was de westmoesson matig met over het algemeen normalen regenval. Daarna, tot het einde dier maand, nam hij in kracht toe; de regenval was over geheel Java toen aan den hoogen kant (bandjirs in West- en Midden- Java). Gedurende de maanden Februari, Maart en April heerschte een matige westmoesson, waarna de kentering intrad. In Februari en Maart was de regenval over het algemeen normaal in West- en Midden-Java; in Oost-Java viel echter in Februari te veel regen, terwijl voor Maart een normale neerslag werd gemeld. In April was de neerslag zeer verschillend. Met uitzondering van Bantam, de Westvlakte van Batavia tot aan den Tjitaroem en het oostelijk deel van de vlakte van Soerabaja, hadden in deze maand de noordelijke residenties en in het zuiden de residenties Priangan, Kedoe en Banjoemas normale regens; in de overige residenties werd algemeen een surplus geconstateerd. Van de tweede helft van Mei tot en met September heerschte een matig sterke oostmoesson. In Mei, Juni en Juli was de regenval over het algemeen aan den lagen kant. In Augustus was de val gering. September had een tekort aan regens, behalve in Bantam en Cheribon, waar de regenval normaal of aan den lagen kant was, en in Batavia en Priangan, welke normale en zwaardere regens hadden. Omtreeks half October trad de kentering in, welke afwijkingen naar beide kanten bracht. In November kregen West- en Midden-Java normale en zwaardere regens bij aanvangendon westmoesson, terwijl in Oost-Java een overmaat werd geconstateerd. In December was de regenval normaal, behalve in Bantam, waar een tekort optrad. Sumatra (en omliggende eilanden) had in de eerste vijf maanden van 1934 een regenval, welke in het algemeen geringer was dan het veeljarig gemiddelde. De maanden Juni en Juli waren over het algemeen regenrijk; Augustus had een belangrijk tekort in de Lampoengs en in Benkoelen. Ook September was voor de laatstgenoemde streken en tevens voor Tapanoeli vrij droog. October bracht een normalen en November een boyennormalen neerslag, met uitzondering voor Atjeh en de Oostkust van Sumatra, die in November beneden-normale tot normale regens kregen. In December was de regenval over het algemeen aan den lagen kant. Gedurende de maand Januari violen in nagenoeg geheel Borneo zware regens; het tweede kwartaal was echter weer droger dan normaal. De maand September was voor de Westerafdeoling vrij droog. Gedurende hot vierde kwartaal was de regenval normaal mot in eenige stroomgebieden zeer zware regens, welke over stroomingen veroorzaakten langs de Kapoeas, do Molawi-rivier en de Amoentai. De regenval op Celebes was gedurende 1934 in het algemeen normaal of daar boven; in Juli zelfs zeer hoog. Door den grooten regenval bleef ook de waterstand in de meren zeer hoog. Op do Kleine Soenda-eilanden waren Mei en Juni over het algemeen zeer droog, doch in Juli was de val ver boven normaal. In September werd weder een belangrijk tekort aan neerslag geboekt, doch November was wederom vrij nat met een regenval, welke niet zelden ruim hot tweevoudige bedroeg van de middel waarde. December was vrij normaal, met plaatselijke tekorten. In het algemeen was 1934 voor de Molukken zeer regenrijk, met uitzondering van April en Mei, waarin de regenval normaal of minder dan normaal was. x ) Ontleend aan het „Kort overzicht van l;< I «m 1 in 1934" door dr. H. I. Beriagejr DE ECONOMISCHE TOESTAND. 42 b. Bouwgronden 1 ). De volgende tabel geeft de uitgestrektheid van de bouw velden der Inlandsche bevolking, gesplitst in sawahs en droge gronden. De landrente plichtig geworden zccvischvijvers en de hoema-blokken in Zuid-Bantam zijn niet in de cijfers der droge gronden opgenomen, wèl de erven, de nipahbosschen en, sedert 1926, de tijdelijk bij de bevolking in gebruik zijnde gronden (uit de bosch reserve, op particuliere landerijen en erfpachtsperceelen). Volgens de in 1932 door de Agrarische Inspectie van het Departement van Binnenlandsch Bestuur gehouden enquête naar den aard van het grondbezit bedroeg de totale oppervlakte aan erven in dat jaar ;4- 1 252 000 ha. Het oppervlak van de tijdelijk bij do bevolking in gebruik zijnde gronden op Java bedraagt als volgt: c. Oogstrcsultaten. Éénjarige Inlandsche gewassen. Als gevolg van de veel grootere mislukkingen werd in 1934 een kleiner areaal van éénjarige gewassen geoogst dan in het voorafgegane jaar. ') Voor detail-gegevens wordt verwezen naat het Statistisch Jaaroverzicht van Neder. landseh-lodtè over hei jaar !'■».'!!, deel II van dit Verslag. 2 ) Verbeterdo cijfers. Uitgestrektheid der Inlandsche bouwejronden op Java en Madoera. LANDBOUW 43 Een inzicht in de totale bedrijvigheid in de sawah- en tegalancultuur geeft de volgende staat. Uit dit overzicht blijkt, dat zoowel in het eerste als in het tweede halfjaar minder geoogst werd dan in het vorig jaar. Blijft het cijfer voor Java en Madoera voor het eerste halfjaar van 1934 zelfs iets beneden het gemiddelde van 1924/1933, voor het tweede halfjaar wordt het gemiddelde toch nog overtroffen. Het totaal der geoogste uitgestrektheden was 4 % kleiner dan in 1933; ver geleken bij het gemiddelde van de jaren 1924/1933 echter nog 4 % grooter. De staande aanplant op het eind van 1934 was ongeveer 6 % grooter dan die op einde 1933 en 12 % grooter dan het veeljarige gemiddelde. Een meer gedetailleerd overzicht van de geoogste oppervlakten der voornaamste eenjarige Inlandsche landbouwgewassen is in onderstaanden staat opgenomen. Geoogste (geslaagde) uitgestrektheden éénjarige gewassen (in duizendtallen hectaren). Geoogste (geslaagde) uitgestrektheden op Java en Madoera. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 44 De geoogste oppervlakte sawahpadi en gogo-rantja was practisch gelijk aan die van 1933 en 8 % grooter dan het gemiddelde in 1924/1933. Vooral van padi-gogo en maïs werden kleinere arealen geoogst dan in vorige jaren. De ongunstige cijfers voor deze gewassen zijn voor een deel toe te schrijven aan de vroege oogsten in het laatste kwartaal van 1933, waardoor de oogstcijfers in de eerste maanden van 1934 nadeelig werden beïnvloed; voor maïs geldt dit in vrij sterke mate. De geoogste oppervlakte van cassave was een weinig grooter dan in 1933 en gemiddeld in 1924/1933. Betreffende de overige gewassen kan gezegd worden, dat de geslaagde oppervlakten ongeveer gelijk waren aan die van het veeljarig gemiddelde, uitgezonderd kedelé. Van laatstgenoemd gewas was de geoogste oppervlakte iets kleiner dan in 1933, doch ongeveer 34 % grooter dan het veeljarig gemiddelde. De ramingen der producties, welke volgens de gebruikelijke methoden geschiedden, zijn in den volgenden staat samengevat. De gemiddelde proefsnitopbrengsten, welke voor de productieborekening van 1934 zijn gebruikt, zijn over het geheel lager dan die der vorige jaren, vooral die van cassave en bataten. In de verdeeling der gewassen over sawahs en droge gronden kwam, vergeleken bij 1933, vrijwel geen verandering. In 1934 werd 57 % van alle gewassen van de sawahs geoogst en 43 % van de droge gronden; voor 1933 bedroegen deze cijfers respectievelijk 56 % en 44 %. In do Buitengewesten werd de productie van éénjarige voedselgewassen wederom sterk beïnvloed door de lage prijzen van de meeste handelsgewassen. Over het algemeen waren de oogstresultaten gunstig. In Zuid-Colebes en in do lebakstreken van Palembang was de rijstoogst zeer goed. De maïsoogst in Znid-Celebes was daarentegen slecht, hetgeen was te wijten aan de ongunstige weersgesteldheid en aan de omstandigheid, dat do gronden in het merengebied wederom slechts voor een gering gedeelte droog vielen. Oogstmislukkingon van zoodanigon omvang, dat de voedselvoorziening gevaar liep, kwamen alleen voor in eenige kleine gebieden van de residentie Timor en Onderhoorigheden en in het Molawi-gobiod van de Weaterafdeeling van Borneo. Het reeds in vorige jaren geconstateerd streven dor bevolking naar betere voorziening in hare voedselbehoefte kwam ook in 1934 weer duidelijk tot uiting. Voornamelijk werd dit streven opgemerkt in de klappergebieden, hetgeen verband houdt met de zeer lage copraprijzen; ook in de andere gewesten bestond echter nog steeds de neiging om do teelt van voedselgewassen uit te breiden. Geoogste hoeveelheden op Java en Madoera (in duizendtallen quintalen). LANDBOUW. 45 Andere cultuurgewassen. Evenals in hot vorig Verslag zullen ook thans allo gegevens betreffende de andere cultuurgewassen worden verwerkt in het overzicht van de verschillende landbouwgewassen. d. Crisismaatregelen in het belang van den landbouw. De moeilijkheden, welke de aanpassing van het productie-apparaat aan de nieuwe economische verhoudingen ondervindt, hebben de Regeering genoopt tot het voeren van een actieve politiek ten aanzien van hot landbouwbedrijf. Reeds in 1933 had zulks tot een reeks van belangrijke maatregelen gevoerd. Deze bleven in 1934 van kracht, terwijl voorts nieuwe cultures binnen de werkingssfeer der economisch-agrarische politiek worden getrokken. Een kort overzicht van de maatregelen, welke op dit gebied zijn getroffen, volgt hieronder. Suiker. De suikeruitvoer-ordonnantie (I. S. 1931 n°. 114), welke de deelneming van Nederlandsch-Indië aan de Chadbourne-overecnkomst regelt, en de verband suiker-ordonnantie (I. S. 1932 n°. 643), welke den afzet van de Java-suiker in handen legt van een centrale verkooporganisatie (de N. I. V. A. S.), bleven in 1934 onge wijzigd gehandhaafd. Op grond van deze laatste ordonnantie bleef de suikerverkoop centraal onder Regeeringstoezicht plaats vinden, terwijl de Regeering verder Haar bemoeienis bleef verleenen bij de vaststelling van de grootte en de verdeeling van den rietaanplant. De bestaande wetgeving werd in 1934 aangevuld met de suikerinvoer-ordonnantie (I. S. 1934 n°. 194), welke een verbod van suikerinvoer binnen het tolgebied van Nederlandsch -Indië bewerkstelligde; deze maatregel vond haar oorsprong in het bestaan van oen niet onbelangrijk verschil tusschen de prijzen, waarvoor de Java suiker naar hot buitenland moest worden verkocht en het binnenlandsch prijsniveau, waardoor een herinvoer van suikers en een strijd op de locale markt dreigde. Ten slotte werd ter uitvoering van de crisisuitvocr-ordonnantie 1933 de suikerriet - plantmateriaal-uitvoer-verordering (I. S. 1934 n°. 527) afgekondigd, welke maatregel beoogt een ongewenschten uitvoer van plantmateriaal uit Nederlandsch-Indië te voorkomen. Thee. De wetgeving, welke de deelneming van Nederlandsch-Indië aan de internationale thee-restrictie regelt, n. 1. de theeuitvoer-ordoimantio (I.S. 1933 n°. 220), de theeaanplant-ordonnantie (I. S. 1933 n°. 221) en de theezaaduitvoer ordonnantie (I. S. 1933 n°. 326), bleef gedurende 1934 van kracht. Verschillende aanvullende maatregelen zijn in den loop van 1934 getroffen, waarvan allereerst genoemd mogen worden die, welke ten dool hebben om aan de bevolking het haar toekomend deel van do opbrengst van het product te verzekeren. Zoo is gestreefd naar een geleidelijker verdeeling van het opkoop-quotum over het licentiejaar, naar een betere verdeeling van het quotum over het productiegebied en naar de vaststelling van een redelijke verhouding tusschen opkoopprijs en markt prijs. Voorts is de bemoeienis met den opkoop meer onder rechtstreeksch toezicht van het Binnenlandsch Bestuur gebracht, terwijl ten slotte scherpe maatregelen tegen smokkelarij zijn getroffen. Men zie hieromtrent I. S. 1934 n os . 120, 154, 559 on 560. <f l7W ö Be B in Februari 1934 kwamen tot stand de kina-uitvoer-ordonnantie (1. S. n°. 69), de kina-aanplant-ordonnantie (I. S. n°. 70) en de kina-uitvoer verordening (I. S. n °. 71), welke ten doel hebben de nadeelen der in de kinacultuur bestaande overproductie te bestrijden. Evenals bij thee ligt het zwaartepunt dezer regelingen in een licentieering van den export, een plantverbod en een verbod tot uitvoer van plantmateriaal. Naast deze bescherming van de cultuur zijn maat regelen getroffen om een ongewenschte prijsopdrijving te voorkomen. Zoo is de Gouverneur-Generaal bevoegd een licentiejaar vóór het einde daarvan te beëindigen, DE ECONOMISCHE TOESTAND. 46 indien prijsverhooging van kinazouten en kinapreparaten in Nederlandsch-Indië zonder zijn goedkeuring plaats heeft. Ook kan de Gouverneur-Generaal de maximale uitvoerhoeveelhcid in den loop van een licentiejaar verhoogen, indien hom zulks onder meer voor bestrijding van malaria noodig en gewenscht voorkomt. De instructie voor Regeoringscommissirissen voor do kma is opgenomen in Bb. n°. 13302. Rubber. De reeds sedert geruimen tijd gevoerde internationale rubberrestrictie onderhandelingen hebben geleid tot het sluiten op 7 Mei 1934 van een internationale overeenkomst inzake de rubber-restrictie tusschen de Regeeringen van Frankrijk, Engeland, Britsch-Indië, Nederland on Siam (bekend gemaakt in I. S. 1934 n°. 541), welke overeenkomst ten doel heeft de bestaande wereldvoorraden tot een normaler peil te doen dalen, het aanbod stelselmatig aan de vraag te doen aanpassen en een redelijken prijs te handhaven, loonond voor doelmatig werkende producenten. Deze doeleinden worden nagestreefd door een beperking van de rubberproductie (export-restrictie en limiteering der voorraden in de productielanden), een belem mering van do uitbreiding van het productie-apparaat (het aan banden leggen van den bij plant in de deelnemende landen en een uitvoerverbod van plantmateriaal uit die landen) en het stimulooron van do vraag (research en propaganda). De totaal ton uitvoer toegelaten hoeveelheid wordt over de deelnemende gebieden verdeeld naar verhouding der z. g. basisquota. Deze basisquota zijn voor de meeste landen berekend door uit te gaan van de gemiddelde producties in 1929 t/m 1932 en deze te vermeerderen met den toeslag voor het in productie komen of in productie toenemen der jonge aanplantingen. De internationale uitvoering is in handen gelegd van een internationaal comité, het „International Rubber Regulation Committee", dat samengesteld is uit delegaties van de deelnemende productiegebieden en te Londen zitting heeft. Aan de genoemde internationale overeenkomst is in Nederlandsch-Indië gedurende 1934 uitvoering gegeven bij het volgend complex van wettelijke maatregelen: een aanvulling van de artikelen 5 en 9 der Indische Tariefwet, waardoor het mogelijk is gemaakt bij regeeringsverordening onbeperkt bijzondere u'tvoerrechten te heffen van bevolkingsrubber (I. S. n°. 341); de ondernemingsrubberuitvoer-ordonnantic (I. S. n°. 342); de bevolkingsrubberuitvoer-ordomiantie (I. S. n°. 343); de rubber plantmateriaaluitvoer-ordoiinantie (I. S. n°. 344); de rubberinvoer-ordonnantie (I.S. n°. 345); de rubberaanplant-ordonnantie (I.S. n°. 346); de ondernemings rubberuitvoer-verordening (I. S. n°. 347); de bevolkingsrubberuitvoer-verordening (I. S. n°. 348) en een verordening tot vaststelling van het bijzondere uitvoerrecht op bevolkingsrubber met ingang van 1 Juni 1934 (I. S. n°. 349). Bij deze wetgeving is een scherp onderscheid gemaakt tusschen de ondernemings cultuur (inclusief de bevolkingsrubber van Java) en de bcvolkingscultuur in de Buitenge westen. Het in totaal aan Nederlandsch-Indië toegewezen basisquotum, dut voor de periode 1934 t/m 1938 jaarlijks respectievelijk 357 632, 406 400, 450 088, 474 472 en 492 760 metrieke tonnen bedraagt, is tusschen deze beide productiebromien verdeeld op basis van de verhouding 100 : 71 y 2 , d. i. de voor de bevolkingscultuur gunstigste verhouding in één der jaren van de internationaal als basis aangenomen periode 1929/1932. Voor de ondernemingscultuur wordt de restrictie doorgevoerd door middel van een individueele licentieering der ondernemingen, waarbij het totale ondernemings quotum wordt verdoold op basis van de potenticele productie-capaciteit der bedrijven. In het eerste restrictiejaar kon dit beginsel slechts zeer globaal worden gerealiseerd on met de bijzondere omstandigheden van de verschillende ondernemingen geen rekening worden gehouden, aangezien daartoe, door de snelle wijze waarop de restrictie werd ingevoerd, onvoldoende gegevens ter beschikking stonden. LANDBOUW. 47 Op de bevolkingscultuur werd in 1934 geen individueele restrictie toegepast, doch de totale uitvoerhoeveelheid gereguleerd door middel van een wisselend uit voerrecht. Uit de opbrengst van dit recht werden vele maatregelen in het belang van de betrokken streken bekostigd. Belangrijke bedragen werden beschikbaar gesteld voor verlichting van belastingen en heerendiensten, enz. 2. Overzicht van de verschillende landbouwgewassen. a. Granen. Aanplant en prodtulie. Java en Madoera. Sawahpadi. Het totaio sawahpadi-areaal bedroeg 3 611 227 ha, tegen 3 512 076 ha in 1933 on 3 240 797 ha gemiddeld in 1924/1933. De mislukkingen waren in 1934 relatief groot, nl. 273 101 ha, togen 188 494 ha in 1933 en 159 376 gemiddeld in 1924/1933. Do geoogste uitgestrektheid was daardoor slechts weinig grooter dan hot vorig jaar en bedroeg 3 338 126 ha, tegen 3 323 582 ha in 1933 en 3 081 421 ha gemiddeld in 1924/1933. De uitbreiding van de sawahpadi ten opzichte van het tienjarig gemiddelde had voornamelijk plaats in het tweede halfjaar. Deze groote uitbreiding van de oostmoesson-padi (padi-gadoe) moet worden toegeschreven aan de suikerrestrictie, den, vooral in Oost-Java, gunstigen regenval, on de minder goede oogstresultaten van de westmoesson-padi. Van de totale mislukkingen in 1934 kwamen 31,1 % voor in West-Java, 23,9 % in Midden-Java en 45,0 % in Oost-Java. De belangrijkste mislukkingen werden gerapporteerd voor de residenties Bodjonegoro (55 491 ha), Batavia (39 144 ha), Soerabaja (24 224 ha), Cheribon (20 081 ha), Semarang (17 323 ha), Japara/Rembang (17 103 ha), Banjoemas (16 993 ha), Bantam (15 360 ha), Malang (12 203 ha) en Kediri (11 694 ha). Dit zijn in het algemeen streken met een riskante padicultuur. l>e mislukkingen werden voor twee derden veroorzaakt door ziekten en plagen, vooral mentek, overigens door overstroomingen, droogte en andere oorzaken. Volgens de gebruikelijke methode is de totale opbrengst van sawahpadi op Java en Madoera in 1934 geschat op 66 236 764 quintalen droge padi, tegen 70 073 816 quintalen in 1933 en 65 359 520 quintalen gemiddeld in 1924/1933. Aan de hand van deze cijfers wordt de gemiddelde opbrengst voor Java en -Madoera in 1934 geraamd op 19,8 quintaal droge padi per geslaagde hectare, tegen 21,1 g/ha in 1933 en 21,2 g/ha gemiddeld in de jaren 1924/1933. De mindere opbrengst in 1934 moet in hoofdzaak aan ziekten en plagen en ongunstige weersomstandigheden worden geweten. Padi-gogo. De geoogste (geslaagde) uitgestrektheid padi-gogo op Java en Madoera bedroeg in 1934 392 475 ha, tegen 454 342 ha in 1933 en 428 936 ha ge middeld in 1924/1933. Een deel van den westmoesson-aanplant 1933/1934 werd, zooals bereids op gemerkt, reeds in December afgeoogst, aan welke omstandigheid de mindere uit gestrektheid in 1934 voor een deel moet worden geweten. van de belangrijkste padi-gogo-gebieden hadden Bantam en Priangan een groot aandeel in den achteruitgang ten opzichte van 1933 van de geoogste uit gestrektheid van geheel Java en Madoera; in Soerakarta, Malang, Kediri en Madioen was de inkrimping van de cultuur niet groot, terwijl in Jogjakarta een geringe uitbreiding plaats vond. De mislukte uitgestrektheid padi-gogo bedroeg 2726 ha, tegen 1856 ha in 1933 en 2870 ha gemiddeld in 1924/1933. Do grootste mislukkingen werden vermeld voor Kediri,. Bantam en Bodjonegoro. DE ECNOMISCHE TOESTAND. 48 De totale padi-gogo-productie wordt voor 1934 geraamd op 4 622 000 quintalen droge padi, togen 5 253 000 quintalen in 1933 en 5 247 000 quintalen gemiddeld in 1924/1933. Aan de hand van deze cijfers wordt de gemiddelde productie in 1934 geschat op 11,8 g/ha droge padi, tegen 11,6 g/ha in 1933 en 12,2 g/ha gemiddeld in 1924/1933. Mais. In totaal werd 1 848 209 ha maïs geoogst, tegen 2 204 471 ha in 1933 en 1 916 960 ha gemiddeld in 1924/1933. In 1934 had 27,8 % van de geoogste uitgestrektheid maïs betrekking op sawahs en 72,2 % op droge gronden; voor 1933 waren deze cijfers practisch gelijk, terwijl de gemiddelden voor 1928/1933 respectievelijk 26,1 en 73,9 bedroegen. De kleinere geoogste uitgestrektheid in 1934 ten opzichte van 1933 moet, zooals reeds opgemerkt, voor een groot deel worden toegeschreven aan de vroege oogsten van den westmoesson-aanplant 1933/1934 in de laatste maanden van 1933. In bijna alle streken met een groote uitgestrektheid sawah-maïs liep de geoogste oppervlakte, vergeleken bij 1933, achteruit; op Madoera werd echter een practisch even groote uitgestrektheid geoogst, terwijl in Semarang een vrij belangrijke uit breiding plaats vond. Ook in de tegalanmaïs-gebieden was de geoogste uitgestrektheid bijna overal kleiner dan in 1933; slechts op Madoera had een geringe uitbreiding plaats. In 1934 mislukte 56 394 ha maïs (relatief het meest op sawahs), tegen 74 534 ha in 1933 en 30 032 ha gemiddeld in 1924/1933. De grootste mislukkingen kwamen voor in de residenties Bodjonegoro, Madoera, Malang, Japara/Rembang, Besoeki, Kediri en Semarang. De totale maïs-opbrengst wordt voor 1934 op 17 197 000 quintalen droog zaad geraamd, tegen 21 268 000 quintalen in 1933 en 18 901 000 quintalen gemiddeld in 1924/1933. De uit laatstgenoemde cijfers berekende gemiddelde opbrengst bedroeg 9,3 g/ha droog zaad, tegen 9,6 g/ha in 1933 en 10,0 g/ha gemiddeld in 1924/1933. De lagere opbrengst per ha in 1934 moet in hoofdzaak aan minder gunstige weersomstandig heden worden toegeschreven. Buitengewesten. Rijst. Het rijstinvoer-excedent bedroog 242 384 ton, togen 265 826 ton in 1933 en 275 753 ton in 1932. Het aandeel van Java in deze invoeroverschotten steeg van 6234 ton in 1932 tot 19 981 ton in 1933 en 31 967 ton in 1934. Bij beschouwing van de gewestelijke rijst in voero verschotten blijkt, dat het oostelijk gedeelte van de Buitengewesten, omvattende de gewesten Zuider- en Ooster afdeeling van Borneo, Celebes en Onderhoorigheden, Manado, Molukken, Bedien Lombok en Timor en Onderhoorigheden, als één geheel beschouwd self-supporting is geworden. Sumatra — mot uitzondering van de Oostkust van Sumatra — had een invoer excedent van dz 20 000 ton, de tineilandon hadden te zamen een invoeroverschot van dz 50 000 ton, terwijl dit overschot voor de Westera)'deeling van Borneo ± 27 500 ton bedroeg. Beide laatstgenoemde gebieden met een belangrijke Chineesche be volking, die zich weinig met voedsellandbouw bezighoudt, zijn in het algemeen wegens groote bodemarmoede weinig geschikt voor de teelt van voedselgewassen. Voor Atjeh en Onderhoorigheden verdween het rijstinvoer-overschot, dat in de voorafgegane jaren als regel vrij belangrijk was. In 1934 werd wederom eenige uitbreiding gegeven aan het sawahareaal. Ter Oostkust van Sumatra bedroeg het rijstinvoer-excedent 139 408 ton, tegen zz 133 000 ton in 1933. De invoer van rijst uit het buitenland beliep in 1934 niet minder dan 133 629 ton of bijna twee derden van den totalen invoer van buiten landsehe rijst in de Buitengewesten. LANDBOUW. 49 Tapanoeli, Sumatra's Westkust, Benkoelen en de Lampoengsche Districten bleken in de laatste jaren nagenoeg self-supporting. Alleen Benkoelen, Sumatra's Westkust en de Lampoengs hadden gedurende 1934 nog een rijstinvoer-oversohot van res pectievehjk 1000, 1000 en 2000 ton ten behoeve van de koelie-bevolking op de ondernemingen. De rijstoogst was in deze gebieden in het algemeen be vredigend. Dank zij een goeden oogst van de padi in de lebakgebieden bleef het rijstinvoer overschot voor de residentie Palembang beperkt tot 6871 ton: tegenover een invoer van 11 001 ton (waarvan 10 217 ton afkomstig van Java) stond een uitvoer van 4130 ton, waarvan 1620 ton naar Java en 2510 ton naar andere Buitengewesten. De inferieure doch goedkoope Palembang-rijst bleek in de stad Batavia vrij goed te kunnen worden geplaatst. Het rijstinvoeroverschot bedroeg voor Djambi in 1934 7700 ton. De invoer bestond voor de helft uit buitenlandsehe rijst, terwijl 2876 ton uit Java werd betrokken. In Riouw en Onderhoorigheden, Bangka en Billiton zijn de jaarlij ksche rij stin voer excedenten per hoofd van de bevolking zeer hoog. Hot afgeloopen jaar heeft daarin — met een invoeroverschot van 38 391 ton — geen verbetering gebracht, omdat vooral Bangka en Billiton uit zeer schrale gronden bestaan, welke weinig geschikt zijn voor de teelt van voedselgewassen. Indien de consumptie van de bij de tinwinning werkzame koelies geschat wordt op 2000 ton, dan bedraagt het invoeroverschot voor de eigen bevolking van Bangka en Billiton ruim 36 000 ton. De ingevoerde rijst bestaat voor het overgroote deel uit gebroken Siam-rijst. De inkomsten, welke de bevolking van Bangka in staat moeten stellen rijst aan te koopen, worden hoofdzakelijk verkregen uit do pepercultuur. In 1934 waren deze inkomsten ruim voldoende, dank zij de vrij goede prijzen van de witte peper. Daar de prijzen aan zeer groote fluctuaties onderhevig zijn, is de afhankelijkheid van de bevolking van deze cultuur een omstandigheid, welke bij zeer lage prijzen tot ernstige moeilijk heden kan leiden. Het rij stinvoer-overschot van Riouw en Onderhoorigheden bedroeg 13 767 ton. De invoer bestond nagenoeg geheel uit buitenlandsehe rijst ten behoeve van den Riouw-archipel. Het rijstinvoer-excedent van de Wester af deeling van Borneo bedroog 27 516 ton, tegen 26 108 ton in 1933. De import van rijst uit Java steeg van 5541 ton in 1933 tot 8131 ton in 1934. De aanplant van rijst werd in het kustgebied, met uitzondering van Landak, belangrijk uitgebreid. Gedurende 1934 werd in de Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo 29 450 ton meer ingevoerd dan uitgevoerd. De invoer uit hot buitenland bedroeg slechts 336 ton, tegen 8784 ton in 1933. Uit Zuid-Celebes werd 16 460 ton rijst betrokken. In 1933 bedroeg het rij stin voer-overschot van dit gewest 28 269 ton, zoodat in 1934 nagenoeg geen wijziging in de situatie is gekomen. Celebes en Onderhoorigheden. Zuid-Celebes heeft zich in de laatste jaren tot een belangrijk uitvoergebied van rijst ontwikkeld. Terwijl in de jaren vóór 1931 het uitvoer-excedent van Celebes ± 16 000 ton per jaar bedroeg, steeg deze hoeveelheid tot 28 378 ton in 1933, mede dank zij gunstige opgstresultaton. In 1934 bedroeg de uitvoer zelfs 41 347 ton tegenover een invoer van 1508 ton. De padi-oogsten zijn in het algemeen zeer goed geweest. De invoer in Manado bedroeg 30 978 ton, tegen ± 33 000 ton in de beide voor afgegane jaren. De invoer was grootendeels afkomstig van Zuid-Cclebos. Uit het buitenland werd 12 104 ton ingevoerd, een vrij belangrijke import, welke te ver klaren is door het weder openstellen voor invoer van buitenlandsehe rijst van de Sangir- en Talaud-eilanden in Maart en April 1934 en van het overige gebied van deze residentie in Juli voor 50 % en van October af voor 100 %. 4 BETREKKINGEN HBT HET BUITENLAND. 5 goede internationale verstandhouding schadcijke mededeelingen tegen te gaan, als om het gebruik van do radio voor beter begrijpen der volkeren onderling te bevorderen. Het ontwerp-verdrag nopens het terugzenden van ontvreemde kunstschatten gaf aan de Indische Regeering geen aanleiding tot opmerkingen. g. Arbeidsorganisatie. In I. S. 1934 N°. 514 werd aanteekening gehouden van het Koninklijk besluit houdende bekendmaking van de in 1932 door de 4de Arbeidsconferentie aangenomen wijziging van het Statuut der Internationale Arbeidsorganisatie, welke wijziging betrekking heeft op de samenstelling van den Raad van Beheer. De 18de Arbeidsconferentie, waaraan, evenals vorige jaren, Dr. E. Moresco als technisch raadsman van de Nederlandsche Rogeeringsafgevaardigdcn deelnam, was voor Indië van weinig belang. Van de drie onderwerpen, welke in tweede lezing worden behandeld — vermin dering van den arbeidsduur, verzekering tegen werkloosheid on verschillende vormen van hulpverleening aan werkloozen, en regeling van de rusttijden en van de wisseling van werkploegen in glasblazerijen —, betroffen de eerste twee een vraagstuk ten aanzien waarvan in Nederlandsch-Indië een wettelijke regeling nog niet mogelijk werd geacht, terwijl het derde onderwerp alleen betrekking had op automatische glasfabrieken, waaronder de Indische niet zijn te rekenen. Voorts behandelde de conferentie o. a. in eerste lezing een herziening van het op Nederlandsch-Indië van toepassing zijnd verdrag betreffende don arbeid van vrouwen gedurende den nacht. 2. Economische en verkeersbetrekkingen. a. Handelspolitiek. De Nederlandsch-Indische handelspolitiek bewoog zich in 1934 verder op het gebied van contingenteering en licentiooring. Ook de wijze waarop de handelsbetrekkingen mot andere landen werden geregeld onderging wijziging. Was vroeger hoofddoel der onderhandelingen elkaar een behandeling te verzekeren gelijk aan die van de mecstbegunstigde natie, thans worden zij veel eer gevoerd op de basis van het „do ut des"-beginsel. Tegenover afneming van of verleening van contingenten aan Indische producten moest Nederlandsch-Indië ook den invoer uit het betrokken land bevorderen, hetzij door het reserveeren van contingenten, hetzij door tarief-concessies. Een belangrijke rol bij de onderhande lingen speelt dan de activiteit of passiviteit der handelsbalans. In sommige gevallen kon voor den uitvoer van Indië voordeel worden verkregen, doordat de gezamenlijke Nederlandsche on Indische handelsbalans tegenover het betrokken land passief was, ook al wees de Indische handelsbalans, op zich zelf beschouwd, een actief saldo aan. In 1934 dood voorts een nieuw element zijn intrede in de Indische handels politiek: de regeling van het betalingsverkeer. In I. S. 1934 N°. 632 werd afgekondigd de „Wet Internationaal Betalingsverkeer 1934", houdende regeling tot afweer van nadeelige gevolgen van beperkende bepalingen inzake dat verkeer en in N°. 634 het „Besluit Internationaal Betalingsverkeer Nederlandsch-Indië 1934", uitgevoerd bij regeeringsverordening en besluit van den Gouverneur-Generaal (I. S. 1934 Nos. 693 en 694). De in 1934 met Chili, Duitschland en Turkije gesloten clearingsverdragen konden nu ook op Nederlandsch-Indië van toepassing worden verklaard (Chili: I. S. 1935 N°. 2, Duitschland: I. S. 1935 N°. 302). b. Handelsbetrekkingen met verschillende landen. In verband met de zeer sterke passiviteit van de handelsbalans tusschen Nederlandsch-Indië en Japan en de noodzaak om steeds meer maatregelen te nemen tot bescherming van het economisch bestel van Nederlandsch-Indië noodigde de Nederlandsche Regeering de Japansche uit tot het houden van handelsbesprekingen over een aanvullend DE ECONOMISCHE TOESTAND. 50 Bali en Lombok had in 1934 een uitvoer-excedent van 31 980 ton rijst, tegen 18 334 ton in 1933. Dank zij gunstige oogstresultaten kon een dergelijke hoeveelheid rijst voor export ter beschikking komen. Het rijstinvoer-excedent van Timor en Onderhoorigheden, dat van 1928 t/m 1931 gemiddeld 2600 ton bedroeg en in 1932 en 1933 nog ± 1600 ton, veranderde in 1934 in een klein uitvoer-excedent van 457 ton. De oogstresultaten zijn dan ook in het algemeen bevredigend geweest. Alleen in enkele gemeenten in het Noorden van Manggarai, in één gemeente in de onderafddeeling Endeh, in eenige gemeenten, behoorende tot de voormalige onderafdeeling Maoemere, en in de landschappen Masoe en Taboendoeng van de onderafdeeling Oost-Soemba trad voedselschaarschte op in een dergelijke mate, dat van Overheidswege in het tekort moest worden voorzien. In 1934 werd vooral in het ressort Endeh onder invloed van den Landbouwvoorlichtingsdienst het sawahareaal belangrijk uitgebreid. Do door dezen Dienst ingevoerde en gepropageerde rijstvarieteit padi-tjina heeft plaatselijk de inheemsche variëteiten in belangrijke mate verdrongen; de padi tjina geeft niet alleen zekere en ruime opbrengsten, doch ook de kwaliteit wordt door de bevolking gewaardeerd. Sago is op de meeste eilanden van de Molukken hoofdvoedsel, doch in de kustplaatsen hebben de goedkoopere rijstsoorten de sago verdrongen. Daar grond en klimaat zich in vele gevallen niet goed voor de rijstcultuur leencn — dus de eigen productie moeilijk kan worden opgevoerd —, is het niet te verwachten, dat de rijstinvoeren in dit gebied zullen verminderen. In 1934 bedroeg de invoer van rijst in dit gewest 15 560 ton, een hoeveelheid, welke slechts weinig afwijkt van den gemiddelden invoer gedurende de laatste tien jaren. Ladang-rijst. De teelt van ladang-rijst leverde in 1934 over het algemeen be vredigende resultaten op, behalve in de residentie Benkoelen, waar de ladang padi te lijden heeft gehad van de droogte, welke in het begin van het jaar heeft geheerscht. Mais. In Zuid-Celebes zijn de resultaten van de maïs-cultuur in 1934 evenals in 1933 zeer slecht geweest, hetgeen moet worden geweten aan de ongunstige weers gesteldheid en aan de omstandigheid, dat de gronden in het merengebied wederom slechts voor een gering gedeelte droog vielen en dus niet konden worden beplant. De uitvoer van het gewest Celebes en Onderhoorigheden bedroeg dan ook slechts 12 011 ton, tegen 31 235 ton in 1933 en 66 216 ton in 1932. b. Andere éénjarige gewassen. Java en Madoera. Cassave. Dit gewas werd geoogst van 763 851 ha, tegen 700 688 ha in 1933 en 723 066 ha gemiddeld in 1924/1933. In 1934 had 5,0 % van de geoogste uit gestrektheid betrekking op sawahs en 95,0 % op droge gronden; deze cijfers wijken zeer weinig af van die voor 1933 en van de veeljarige gemiddelden. Evenals voor geheel Java en Madoera werd in de meeste belangrijke cassave gebieden een grootere uitgestrektheid geoogst dan in 1933; alleen in Bodjonegoro en in Semarang waren de geoogste oppervlakten ongeveer dezelfde als die van verleden jaar. De, in hoofdzaak door droogte, mislukte uitgestrektheid cassave bedroeg 4426 ha, tegen 2383 ha in 1933 en 1386 ha gemiddeld in 1924/1933. In het tweede halfjaar werden vele cassave-aanplantingen vroeger dan normaal geoogst, met name in de gebieden, waar de padi-oogsten waren tegengevallen. De opbrengsten van deze vroeg geoogste aanplantingen waren uiteraard belangrijk landbouw. 51 minder dan normaal. Hierdoor en deels door droogte werd de gemiddelde productie voor Java en Madoera gedrukt; zij bedroeg naar schatting 76 g/ha versche wortels, tegen 84 g/ha in 1933 en 81 g/ha gemiddeld in 1924/1933. De totale productie van cassave wordt voor 1934 geraamd op 57 935 000 quintalen versche wortels, tegen 58 313 000 quintalen in 1933 en 58 338 000 quintalen ge middeld in 1924/1933. Door de groote vraag naar cassave-producten voor binnenlandsche consumptie kregen de opkoopfabrieken in Priangan doorloopend weinig aanbod van grond stoffen, terwijl ook de exporteurs van gaplek en gaplek-meel te Soerabaja en Semarang voortdurend moeite hadden om aan product te komen. Tot Augustus bestond van buitenlandsehe zijde weinig belangstelling voor tapioca-producten, ondanks het feit, dat exporteurs eenige malen hunne vraag prijzen verlaagden. Verscheidene fabrikanten in Priangan gingen er toe over, een deel van hun productie op de locale markt te brengen, naar het heette met succes. Ook had eenige export van tapioca in verpakking voor detail-verkoop plaats naar landen in het Verre Oosten. Medio Augustus begon de markt echter vrij snel op te loopen, in hoofdzaak door vraag uit Amerika. Een en ander had tot gevolg, dat de prijzen van cassave-wortels en gaplek in het binnenland sterk opliepen. Bij het begin van 1934 bedroeg de gemiddelde pasar-prijs op Java en Madoera voor cassave n°. 1 f 0,70 per 100 kg, om in de eerste helft van het jaar langzaam, daarna sneller, te stijgen tot f 1,15 in December. Gaplek vertoonde een zelfde prijsbeweging en steeg van f 1,07 per 100 kg in Januari tot f 2,79 einde verslagjaar. Plaatselijk waren de prijsverhoogingen veel grooter dan deze gemiddelden aangeven. Voor verschillende kwaliteiten fabrieksmeel, welke bij den aanvang van 1934 te Batavia f 4,37 tot f 5,02 per 100 kg noteerden, bedroeg de prijs aan het einde van het jaar f 5,66 tot f 6,88. Flakes A en seeds A kwamen van f 6,88 op f 8,50 a f 8,90; pearls A van f 7,28 op f 9,31 a f 9,47. Ook gaplek en gaplek-meel liepen belangrijk op. De Soerabaja-noteering voor gaplek bedroeg bij het begin van 1934 per 100 kg fo. wagon f 1,88, per einde van het jaar f 3,64; de Semarang-noteering van gaplek-meel per 100 kg fo. wagon liep op van f 1,55 tot f 2,76 a f 3,24. Inclusief de productie van de cassave-ondernemingen bedroeg de Java-export van tapioca-meel 93 203 ton, tegen 106 863 ton in 1933 en 96 208 ton gemiddeld in 1924/1933; van pearls, seeds, flakes en siftings bedroeg de uitvoer 19 474 ton, tegen 17 239 ton in 1933 en 21 285 ton gemiddeld in 1924/1933. In 1934 bedroeg de export van gaplek 25 353 ton, tegen 29 639 ton in 1933 en 29 327 ton gemiddeld in 1926/1933; van gaplek-meel bedroeg de uitvoer slechts 6975 ton, tegen 17 860 ton in 1933 en 83 249 ton gemiddeld in 1926/1933. Bataten. De geoogste uitgestrektheid bedroeg 163 156 ha, togen 159 846 ha in 1933 en 158 174 ha gemiddeld in 1924/1933. Van de geoogste uitgestrektheid in 1934 had 41,2 % betrekking op sawahs en 58,8 % op droge gronden; deze cijfers wijken weinig af van die van 1933 en zijn bijna dezelfde als de veel jarige gemiddelden. De mislukte uitgestrektheid bataten bedroeg in 1934 767 ha, tegen 1382 ha in 1932 en 492 ha gemiddeld in 1924/1933. De bataten-productie wordt voor 1934 geschat op 10 688 000 quintalen versche knollen, tegen 11420 000 quintalen in 1933 en 10 572 000 quintalen gemiddeld in 1924/1933. De gemiddelde opbrengst in 1934 wordt getaxeerd op 65 g/ha versche knollen, tegen 71 g/ha in 1933 en 67 g/ha gemiddeld in 1924/1933. Aardappelen. Dit gewas werd geoogst van 16 949 ha, tegen 17 455 ha in 1933 en 19 475 ha gemiddeld in 1924/1933. Van de geoogste uitgestrektheid in 1934 had 10,5 % betrekking op sawahs en 89,5 % op droge gronden; vergeleken bij vorige jaren ging de sawahcultuur DE ECONOMISCHE TOESTAND. 52 achteruit, in 1933 had nl. 13,7 % van de geoogste uitgestrektheid betrokking op sawahs en 86,3 % op droge gronden, terwijl de gemiddelden voor 1928/1933 res pectievelijk 15,8 % en 84,2 % bedroegen. Vergeleken bij 1933, breidde de cultuur zich in de belangrijkste aardappelcentra Malang en Kedoe iets uit; de teelt werd echter ingekrompen in Priangan, terwijl de geoogste uitgestrektheid in Soerakarta ongeveer op hetzelfde peil bleef. De totale opbrengst van aardappelen wordt geschat op 845 000 quintalen knollen, tegen 793 000 quintalen in 1933 en 947 000 quintalen gemiddeld in 1924/1933. De gemiddelde opbrengst in 1934 wordt geraamd op 50 g/ha knollen, tegen 45 g/ha in 1933 en 49 g/ha gemiddeld in 1924/1933. Andere knolgewassen. In 1934 werd een uitgestrektheid van 107 475 ha andere knolgewassen geoogst, tegen 102 385 ha in 1933 en 107 271 ha gemiddeld in 1924/1933. Van de in 1934 geoogste uitgestrektheid had 4,4 % betrekking op sawahs en 95,6 % op droge gronden; voor 1933 bedroegen deze cijfers 3,9 % en 96,1 %, terwijl de veeljarige gemiddelden vrijwel dezelfde zijn als de cijfers voor 1934. Aardnoten. De geoogste uitgestrektheid aardnoten bedroeg 207 863 ha, tegen 218 054 ha in 1933 en 208 216 ha gemiddeld in 1924/1933. Van de in 1934 geoogste uitgestrektheid had 41,9 % betrekking op sawahs en 58,1 % op droge gronden; in 1933 werd naar verhouding iets meer van de sawahs geoogst, terwijl de gemiddelde cijfers voor de periode 1928/1933 zeer weinig af wijken van die voor 1934. In vrijwel alle voor sawah-aardnoten belangrijke productie-gebieden ging de geoogste uitgestrektheid, vergeleken bij 1933, achteruit, het sterkst in Malang en in Soerabaja; alleen in Soerakarta had een vrij belangrijke uitbreiding plaats. Terwijl in de meeste voor tcgalan-aardnoten belangrijke streken de cultuur achter uitging of practisch gelijk bleef, breidde de teelt zich in Jogjakarta en in Soerakarta vrij sterk uit. In 1934 mislukten 2019 ha aardnoten, tegen 1376 ha üi 1933 en 1057 ha gemiddeld in de jaren 1924/1933. De aardnoten-productie wordt voor 1934 geraamd op 1 494 000 quintalen droog zaad, tegen 1 608 000 quintalen in 1933 en 1 526 000 quintalen gemiddeld in 1924/1933. Aan de hand van deze cijfers wordt de gemiddelde productie in 1934 getaxeerd op 7,2 g/ha droog zaad, tegen 7,4 g/ha in 1933 en 7,4 g/ha gemiddeld in 1924/1933. De uitvoer van gepelde aardnoten naar het buitenland daalde sterk en bedroog slechts 6743 ton, tegen 16 706 ton in 1933 en 13 279 ton gemiddeld in 1924/1933, welke daling niet werd gecompenseerd door de stijging van den uitvoer van on gepelde aardnoten; de export van ongepelde aardnoten bedroeg nl. 1279 ton, tegen 746 ton in 1933 en 3237 ton gemiddeld in 1924/1933. Van aardnoten-olie werd in 1934 uitgevoerd 4488 ton, tegen 5246 ton in 1933 en 2358 ton gemiddeld in 1924/1933. Kedelé. De geoogste uitgestrektheid kedelé bedroog 271 334 ha, tegen 280 494 ha in 1933 en 202 395 ha gemiddeld in 1924/1933. Van de in 1934 geoogste uit gestrektheid had 84 % betrekking op sawahs on 16 % op droge gronden; voor 1933 bedroegen deze cijfers 82,9 % en 17,1 %, terwijl de gemiddelden voor de periode 1928/1933 78,9 % en 21,1 % zijn. Gedurende de laatste jaren nam dus de sawahcultuur in beteekenis toe, hetgeen voornamelijk aan de suikerrestrictie moet worden toegeschreven. In de meeste belangrijke sawah-kedelé-gebieden ging de geoogste oppervlakte, LANDBOUW. 53 vergeleken bij 1933, achteruit; in Soerabaja en in Kediri had echter uitbreiding plaats, in geringe mate ook in Malang. Van de streken met een belangrijke tegalan kedelé-cultuur gaf Malang een vrij groote uitbreiding te zien, terwijl in Soerakarta en Jogjakarta de cultuur tamelijk sterk werd ingekrompen. De mislukte uitgestrektheid bedroeg 5323 ha, tegen 12 839 ha in 1933 on 3608 ha gemiddeld in 1924/1933. De mislukkingen in 1934 werden in hoofdzaak veroorzaakt door Plagiodera-aantasting en droogte. De kedelé-productie wordt voor 1934 op 1 754 000 quintalen droog zaad ge taxeerd, tegen 1 815 000 quintalen in 1933 en 1 222 000 quintalen gemiddeld in 1924/1933. De gemiddelde opbrengst wordt voor 1934 geschat op 6,5 g/ha droog zaad, in 1933 was de geraamde gemiddelde opbrengst dezelfde, terwijl in 1924/1933 de productie gemiddeld 6 g/ha bedroeg. De invoer uit het buitenland van dit belangrijke voedingsmiddel daalde wederom sterk en bedroog in 1934 voor Java en Madoera slechts 22 092 ton, tegen 47 655 ton in 1933 en 79 715 ton gemiddeld in 1924/1933. Andere peulvruchten. Van deze gewassen werden 228 101 ha geoogst, tegen 226 557 ha in 1933 en 213 858 ha gemiddeld in 1924/1933. Van de in 1934 geoogste uitgestrektheid had 42,8 % betrekking op sawahs en 57,2 % op droge gronden; voor 1933 bedroegen deze cijfers 40,5 % en 59,5 %, terwijl de gemiddelden voor 1928/1933 43,7 % en 56,3 % zijn. Vergeleken bij 1933 vertoonden de streken met de grootste geoogste uitgestrekt heden andere peulvruchten meerendeels uitbreiding van de cultuur; in Japara/ Rembang en in geringe mate in Malang had echter inkrimping plaats. De mislukte uitgestrektheid bedroeg 5527 ha, tegen 12 017 ha in 1933 en 3000 ha gemiddeld in 1924/1933. Een van de belangrijkste gewassen van deze groep is kratok (Phaseolus lunatus). In 1934 w-erd van kratok-zaad 2170 ton uitgevoerd, tegen 5205 ton in 1933 on 5696 ton gemiddeld in 1930/1933. De uitvoer is practisch geheel voor Japan bestemd. Inlandsche tabak. De geoogste uitgestrektheid bedroeg 167 609 ha, tegen 129 758 ha in 1933 en 156 023 ha gemiddeld in 1924/1933. Do cultuur van sawah-tabak werd in 1934 sterk uitgebreid; 45,1 % van de geoogste uitgestrektheid had betrekking op sawahs on 54,9 % op droge gronden, tegen 38,4 % en 61,6 % in 1933 en 43,8 % en 56,2 % gemiddeld in 1928/1933. De sterkste uitbreiding van de sawah-tabak vond plaats in het belangrij ke tabakscentrum Bodjonegoro. De in 1934 geoogste oppervlakte was hier bijna driemaal zoo groot als die in 1933. Ook in Besoeki breidde de sawahtabak-cultuur zich sterk uit, in Kedoe was de toeneming het kleinst. Aan de cultuur van tegalan tabak werd eveneens in Bodjonegoro en Besoeki de grootste uitbreiding gegeven, terwijl de uitgestrektheden in Kedoe en Banjoemas slechts geringe wijzigingen ondergingen. In 1934 mislukten 3623 ha tabak, tegen 14 387 ha in 1933 en 2179 ha gemiddeld in 1924/1933. De opkoopfirma's in de verschillende productie-eentra op Java richtten haar belangstelling, meer dan in vorige jaren, hoofdzakelijk op het betere product en betaalden hiervoor over het algemeen redelijke prijzen. In vele streken bleven de landbouwers met vrij groote hoeveelheden onverkoopbaar product van inferieure kwaliteit zitten, welke zij meestal, zij het tegen zeer lage prijzen, aan Chineesche opkoopers konden slijten. Het volgend staatje geeft een overzicht van dr krosok-opkoopprijzen in de 1 iclangrijkste productie-gebieden. DE ECONOMISCHE TOESTAND 54 De uitvoer naar het buitenland van Java-krosok bedroeg 20 484 ton, tegen 24 918 ton in 1933 en 37 996 ton gemiddeld in 1924/1933. De export van andere Java-tabak (in hoofdzaak Besoeki- en Loemadjang-blad) bedroeg 3072 ton, tegen 4483 ton in 1933 en 5008 ton gemiddeld in 1926/1933. In vorenstaande cijfers is de ondernemingstabak van Besoeki inbegrepen, de Vorstenlanden-tabak echter niet. Voor Java-krosok was de stemming op de veilingen in Nederland in het algemeen weinig geanimeerd. Voor de goede kwaliteiten bestond bevredigende kooplust tegen relatief goede prijzen; van de mindere soorten, welke een groot percentage van de aanvoeren uitmaakten, werd de afzet echter hoe langer hoe moeilijker. De gemiddelde prijs voor Besoeki-krosok bedroeg op de veilingen 15 et. (vorig jaar et.), voor Loemadjang 21 et. (vorig jaar 18 et.), voor Rembang 9 et. (vorig jaar 8 et.), voor Kedoe II et. (vorig jaar 12 et.), alles per y 2 kg. Inlandsch suikerriet. Geoogst werden 10 783 ha, tegen 10 827 ha in 1933 en 13 947 ha gemiddeld in 1924/1933. Van die uitgestrektheid had 37,6 % betrekking op sawahs en 62,4 % op droge gronden, tegen respectievehjk 35,3 % en 64,7 % in 1933 en respectievelijk 36,2 % en 63,8 % gemiddeld in 1928/1933. In Madioen en vooral in Japara/Rembang breidde de cultuur van sawahriet zich uit, in Kediri en Semarang werd de cultuur ingekrompen; in laatstgenoemde residentie werd zeer weinig riet geoogst. In het belangrijkste gebied voor tegalan riet, de residentie Kediri, was de geoogste uitgestrektheid iets kleiner dan die van 1933. Niet alle bevolkingsriet op Java en Madoera wordt tot Inlandsche suiker ver werkt; ruim een vierde deel wordt gewoonlijk bestemd voor „kauwriet" en als versnapering op de pasars verhandeld, terwijl nog op zeer geringe schaal bevolkings riet wordt opgekocht door de suikerfabrieken Meritjan en Pesantren in het regent schap Kediri. Naar schatting werd ± 75 % van den totalen aanplant verwerkt tot Inlandsche suiker. De totale productie van Inlandsche suiker bedroeg ± 427 607 quintalen, tegen 448 363 quintalen in 1933 en 567 573 quintalen gemiddeld in 1929/1933. Aan de hand van laatstgenoemde cijfers is de gemiddelde opbrengst in 1934 te schatten op 53,7 g/ha suiker, tegen 61,4 g/ha in 1933 en 61,7 g/ha gemiddeld in 1929/1933. De uitvoer bedroeg slechts 2831 ton, tegen 12 227 ton in 1933 en 19 149 ton gemiddeld in 1924/1933. Uien. De geoogste uitgestrektheid uien bedroeg 17 340 ha, tegen 16 767 ha jn 1933 en 13 627 ha gemiddeld in 1924/1933. Van de in 1934 geoogste uitgestrekt- LANDBOUW. 55 heid had 52 % betrekking op sawahs en 48 % op droge gronden; deze cijfers wijken weinig af van die voor 1933 en van de veeljarige gemiddelden. Van de gebieden met een belangrijke cultuur van sawah-uien vertoonde Pekalongan een vrij sterke achteruitgang; in Cheribon, Kediri en Malang breidde de cultuur zich daarentegen uit. Batavia gaf een sterke uitbreiding van de teelt van tegalan-uien te zien; in de overige belangrijke gebieden weken de geoogste uitgestrektheden slechts weinig af van die in 1933. De uitvoer van uien naar het buitenland bedroeg 1620 ton, tegen 1855 ton in 1933 en 1705 ton gemiddeld in 1926/1933. Lombok. De lombok-cultuur ging in 1934 in uitgestrektheid iets achteruit. In totaal werd 76 216 ha geoogst, tegen 78 492 ha in 1933 en 63 716 ha gemiddeld in 1924/1933. De uitvoer van lombok naar het buitenland bedroeg 1699 ton, tegen 2635 ton in 1933 en 1609 ton gemiddeld in 1924/1933. Groenten. Do in 1934 .geoogste uitgestrektheid groenten bedroog 10 874 ha, tegen 10 336 ha in 1933 en 15 072 ha gemiddeld in 1924/1933. Sedert 1930 worden stijgende hoeveelheden versche kool naar Singapore uit gevoerd. Deze export bedroeg in 1934 1435 ton, tegen 577 ton in 1933 en 434 ton gemiddeld in 1930/1933. In het district Kalisat van het regentschap Djember werden gunstige resultaten verkregen met rechtstroekschen uitvoer van kool naar Singapore door organisaties van Inheemsche planters. Do uitvoer van andere versche groenten naar Singapore steeg eveneens en bedroeg in 1934 57 ton, tegen 48 ton in 1933 en 29 ton gemiddeld in 1926/1933. Hiertegenover staat echter een groote daling van den uitvoer van gedroogde groenten (andere dan uien) gedurende de laatste jaren. In 1934 bedroeg die export slechts 542 ton, tegen 1214 ton in 1933 en 2410 ton gemiddeld in 1926/1933. Katoen. Van dit gewas werden 11 440 ha geoogst, tegen 8094 ha in 1933 en 8796 ha gemiddeld in 1924/1933. De in 1934 geoogste uitgestrektheid sawahkatoen bedroeg 82,2 % van het totaal, tegen 76,2 % in 1933 en 75,5 % gemiddeld in 1928/1933. De grootste vermeerdering vertoonde Japara/Rembang; ook in Semarang had uitbreiding plaats, terwijl in Madioen slechts weinig meer dan in 1933 word geoogst. De opkoopprijs van ongezuiverde Demak-katoen was ongeveer dezelfde als in 1933 en bedroeg f 5,70 a f 6,50 per quintaal; het handgezuiverd product bracht in beide jaren f 22 a f 23 per quintaal op. Inclusief de onderneming-productie bedroeg de uitvoer van ontpitte katoen 911 ton, tegen 943 ton in 1933 en 498 ton gemiddeld in 1924/1933; van niet-ontpitte katoen bedroeg de export 116 ton, tegen 206 ton in 1933 en 186 ton gemiddeld in 1924/1933. Djarak (Ricinus communis). De geoogste uitgestrektheid bedroeg 11 189 ha, tegen 15 594 ha in 1933 en 11 094 gemiddeld in 1924/1933. Daar djarak gewoonlijk als tusschengewas wordt geplant, levert de bepaling van de uitgestrektheid moeilijkheden op. Uit een gehouden enquête is gebleken, dat in vele gevallen te laag is gerapporteerd, zoodat kan worden aangenomen dat de beteekenis van de djarakcultuur belangrijker is dan uit de cijfers betreffende de geoogste uitgestrektheden zou zijn af te leiden. In 1934 bedroeg de uitvoer van djarakpittcn 5 973 ton, tegen 7 610 ton in 1933 en 4 358 ton gemiddeld in 1924/1933, DB F.CONOMISCHE TOESTAND. 56 Widjen (Sesamum oriëntale). Van dit gewas werden 15 095 ha geoogst, tegen 15 801 ha in 1933 en 14 015 ha gemiddeld in 1924/1933. In 1934 bedroeg de uitvoer van sesamzaad 2 680 ton, tegen 2 032 ton in 1933 en 3 881 ton gemiddeld in 1924/1933. Indigo. Do geoogste uitgestrektheid indigo bedroeg 2 469 ha, tegen 2 101 ha in 1933 en 3 919 ha gemiddeld in 1924/1933. dierst. In 1934 werden 15 157 ha gierst geoogst, tegen 15 180 ha in 1933 en 13 303 ha gemiddeld in 1924/1933. Overige eenjarige landbouwgewassen. De cultuur dezer gewassen bleef vrijwel stationnair. De geoogste oppervlakte bedroeg 335 659 ha, tegen 320 364 ha m 1933 en 315 670 ha gemiddeld in 1924/1933. Buitengewesten. Op Bali, waar over een betrouwbare landbouwstatistiek wordt beschikt, bedroeg de geoogste oppervlakte 1% meer dan in 1933, doch 3% minder dan in 1932. Terwijl in 1933 de geoogste oppervlakte van alle gewassen, met uitzondering van aardnoten, kedelé en tabak, verminderde in vergelijking met de geoogste oppervlakte in 1932, zette deze vermindering zich in 1934 alleen voort bij maïs en bataten. Voor sawah padi steeg de geoogste oppervlakte van 88 535 ha in 1932 en 88 424 ha in 1933 tot 94 596 ha in 1934. In 1934 is 1 208 ha (1,08%) sawah-padi mislukt, tegen 1 693 ha (1,59%) in 1933 en 693 ha (0,67%) in 1932. De belangstelling voor de teelt van tweede gewassen bleef in Atjeh en Onderhoorig heden toenemen. Gele Manado-maïs werd op vrij groote schaal verbouwd in de onderafdeeling Sigli. De aanplant van kleine uien word in de onderafdeeling Bireuën verdubbeld. De vele regens in de maanden Juü en Augustus veroorzaakten hier echter een oogstmislukking van ruim 70%. De voortgezette propaganda voor de teelt van katjang kedelé heeft geleid tot uitgestrekte aanplantingen in de onder afdelingen Meulaboh, Bireuën, Langsa en Tamiang. De beperking van den invoer van buitenlandsehe kedelé en kedelé-producten hield de prijzen van deze producten op een redelijk peil. De Arachis-cultuur is van belang in de onderafdeelingen Langsa, Tamiang, Idi, Bireuën, Sigli en Tapatoean. In de laatstgenoemde onderafdeeling werd de teelt van dit gewas in 1931 door don Landbouwvoorlichtingsdienst ingevoerd; in 1934 werd uit de haven Tapatoean reeds 20 ton aardnoten uitgevoerd. Uitbreiding van de groententeelt had plaatst in de onderafdeelingen Takengon en Lam Meulo. De sterke fluctuaties in de prijzen van nagenoeg alle groenten werkten remmend op de uitbreiding van deze cultuur. De teelt van tweede gewassen werd in Tapanoeli en Sumatra's Westkust eenigs zins uitgebreid. De teelt van tweede gewassen bleef op Bangka hoofdzakelijk beperkt tot de cassave-cultuur. De Landbouw voorlichtingsdienst verstrekte aan de inheemsche bevolking van Bangka en Billiton groote hoeveelheden cassave-stekken van de soorten Valenca, Mangi on Basiorao, welke veel hoogere producties leveren dan de inheemsche soorten, terwijl bovendien de beide eerstgenoemde soorten het ook in smaak van de inheemsche winnen. De teelt van katjang-tanah is op Bangka niet mogelijk gebleken. c. Ooft. Het vroeg invallen van don westmoesson had een ongunstigen invloed op den mangga-oogst in Oost-Java. Daardoor was vooral de kwaliteit van de vruchten in de tweede seizoenhelft slecht en duurde de oogst een maand korter dan gewoonlijk. LANDBOUW. 57 De aanvoeren waren gering, doch de prijzen waren iets hooger dan in 1933. Hot vervoer per spoor bedroeg 2300 ton, hetgeen dz 1000 ton minder was dan in 1933. De oogst van citrusvruchten in Oost-Java was eveneens slecht. Het vervoer por Staatsspoor, dat in 1933 nog ruim 930 ton bedroog, daalde tot 495 ton in 1934. De oogst van mangga's in Cheribon was boter dan in 1933, hoewel do kwaliteit der vruchten tegenviel door insecten-aantasting. Terwijl in 1933 door allo vervoer middelen + 7500 ton mangga's vervoerd werden, steeg dit tot ± 7750 ton in 1934. Do oogst van citrusvruchten in de omgeving van Garoet was slecht. De door de Staatsspoor vervoerde hoeveelheid daalde van 766 ton in 1933 tot 495 ton in 1934. Ook de hoeveelheid verzonden kcsemck verminderde van 1315 ton in 1933 tot 954 ton, hoewel de totale oogst beter was dan in 1933. In de Ommelanden van Batavia was do vruchtdracht van enkele vruchten soorten, zooals ramboetan-simatjan, pompelmoes, docrian en sawo, beter, van ramboetan-lebakboeloos, doekoe, djerook-djepoen, djcrook-siem, mangga e. a. daar entegen slechter dan in 1933. De per Staatsspoor vervoerde hoeveelheid vruchten als maatstaf genomen, is de totale oogst slechter geweest dan verleden jaar. Toen werden 14 000 ton vruchten verzonden, tegen 11000 ton in 1934. De export van versche vruchten uit Tandjoengpriok naar Singapore nam echter zeer toe (van 91 ton in 1933 tot 403 ton in 1934). De pisang-uitvoer uit Banjoewangi naar Australië bleef nog steeds stijgen; do laatste drie jaren werden respectievelijk 1415, 1868 en 1934 ton uitgevoerd. In de manggistan-streek om Wates bij Jogjakarta mislukte do manggistan-oogst, terwijl do mangga-oogst in Jogjakarta en Soerakarta onbevredigend was. d. Suik o r. De situatie op de suikermarkt en in de suikercultuur bleef ongunstig. Hoewel het wereldverbruik de productie wederom overtrof, bleven de prijzen dalen en kwam bijv. de noteering te Amsterdam voor witte suiker van f 4,87 5 per 100 kg in Januari op f 3,37 5 aan het einde van het jaar. De N.I.V.A.S. moest dan ook herhaaldelijk haar limites voor export verlagen. De prijs voor locale consumptie van superieur kwam echter gedurende 1934 van f 5,40 op f 5,80 per 100 kg. De Java-suikcrexport bleef op laag peil en beliep in 1934/1935 1 188 000 ton, tegen 1 109 000 ton in 1933/1934 on 1 332 000 ton in 1932/1933. De productie werd drastisch beperkt. Oogst 1934 bedroog 646 000 ton, tegen 1 396 000 ton in 1933, terwijl oogst 1935 wordt getaxeerd op 481 000 ton. De ge middelde opbrengst bedroog in 1934 169,5 g/ha, tegen 157,4 g/ha in 1933. Dank zij deze sterke oogst beperkingen verminderde de Ja va-voorraad in 1934 van 2 776 000 ton tot 2 070 000 ton. In fhiancicel opzicht is 1934 voor de suikerfabrieken een ongunstig jaar geweest, waarin de exploitatiekosten niet door de verkoopprijzen werden gedekt. Het totale geldbedrag, dat door de industrie in den vorm van loonen, grond huren en betaling voor leveringen onder de bevolking werd gebracht, wordt voor het oogstjaar 1934 getaxeerd op 10 a 15 % van het bedrag, dat gemiddeld in de jaren 1929/1931 door de suiker hi circulatie werd gebracht (in het oogstjaar 1933 bedroeg dit verhoudingscijfer nog 30 %, in het oogstjaar 1932 nog 60 %). e. Tabak. Na 4 Sumatra-oogsten, welke slechts tegen verliesgevende prijzen konden worden verkocht, liet de verkoop van oogst-1933 oen bevredigende winstmarge over. Door een restrictie van ± 45 %, vergeleken bij de jaren 1926/1929, on een drastische kostprijs verlaging heeft men dit resultaat weten to bereiken, waarbij nog dient te worden opgemerkt, dat oogst-1933 van zoor goede kwaliteit was. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 58 Volgens een overzicht van de firma Ingwersen en Co. werd deze oogst, bestaande uit 133 601 pakken, verkocht voor gemiddeld 137 et. per y 2 kg, tegen 122 y 2 et. per y 2 kg voor 140 839 pakken oogst-1932. In aanmerking genomen, dat de maat schappijen de kostprijzen, vergeleken bij het vorig jaar, met 30 % hebben weten te verminderen, wordt voor oogst-1933 een bruto-winst van ± f 5 000 000 be cijferd, tegen een verlies van f 5 418 000 op oogst-1932. Buiten deze berekening vallen ± 1600 pakken, die in 1934 naar Java en ± 4000 pakken, die naar China werden verscheept. Het betreft hier inferieure kwaliteiten, welke voorheen meeren deels voor vernietiging in aanmerking kwamen. De uitkomsten van de Vorstenlandsche tabakscultuur waren zeer teleurstellend. De kwaliteit van oogst-1933 was veel minder dan die van oogst-1932 en zelfs op laatstgenoemd product werd nog geen winst gemaakt. De geheele oogst, welke uit 112 452 pakken bestond, werd verkocht tegen gemiddeld 26 et. per % kg (vorig jaar 122 467 pakken a 34 et. per y 2 kg). Wel bestond bij deze prijzen over het algemeen bevredigende kooplust, zoodat in verslagjaar, behalve de geheele oogst-1933, ook nog het restant van oogst-1932, zijnde 17 000 pakken, van de hand ging. Voor de tabaksondernemingen in Besoeki waren de financieele resultaten in 1934 wederom teleurstellend. Ondanks een inkrimping van den aanplant van 50 %, vergeleken bij dien van 1931, en een ongeveer even groote beperking van den opkoop van bevolkingsblad, bracht de bladtabak op de veilingen gemiddeld slechts 27% et. per l / 2 kg op (vorig jaar 32% et.) endehangkrosok23ct. (vorig jaar 24% et.). De uitvoer van Deli-tabak bedroeg 11 113 ton, tegen 9449 ton in 1933 en 16 543 ton gemiddeld in 1924/1933. In 1934 werd 9073 ton Vorstenlanden-tabak uitgevoerd, tegen 9899 ton in 1933 en 10 572 ton gemiddeld in 1926/1933. /. Rubber. De rubbercultuur werd in 1934 geheel beheerscht door het tot stand komen van de restrictie, welke reeds werd besproken in de paragraaf „Crisismaatregelen in het belang van den landbouw". Het gunstig verloop der onderhandelingen had te voren reeds een belangrijke prijsverhooging in het leven geroepen. De noteeringen, welke zich in 1932 en begin 1933 op een peil van 7 a 8 et. per y 2 kg hadden bewogen, waron de eerste maanden van 1934 reeds op een niveau van 15 a 16 et. gekomen, terwijl de Batavia-markt op 8 Mei 23 et. noteerde. De prijsstijging had een sterke vergrooting van de uitvoeren ten gevolge, speciaal van bevolkingsrubber. Mede op grond van deze omstandigheid word het wenschelijk geoordeeld de restrictie geleidelijk in te voeren; het restrictiepercentage voor Juni on Juli werd vastgesteld op 0 %, voor Augustus en September op 10 %, voor October en November op 20 % en voor December op 30 %. Gemiddeld gaf dit een beperking van ± 13 %. Op het bericht van deze geleidelijke invoering vertoonde de speculatief op gedreven markt een inzinking tot 17% et. op 24 Mei, waarna een nieuw herstel intrad, zoodat in Juli een maandgemiddelde van 22 et. en in Augustus van 23 et., met een hoogste noteering van 24 et., kon worden behaald. Aan dit oploopen der prijzen word een einde gemaakt door de besprekingen in het International Rubber Regulation Committee, welke resulteerden in de vaststelling van het restrictie percentage voor het eerste kwartaal 1935 op 25 tegenover het reeds vastgestelde percentage voor December 1934 van 30. Een geleidelijke daling van den prijs trad in, waardoor de gemiddelde noteering in October, November en December uit kwam op 20%, 19% en ruim 19 et. Het gemiddeld prijsniveau van de eerste restrictie-periode bedraagt daardoor 21 et. LANDBOUW. 59 In de statistische positie van het product is in 1934 nog geen verbetering in getreden. De restrictie van 13 % gedurende 7 maanden is betrekkehjk gering te noemen, terwijl bovendien de basisquota hoog liggen ten opzichte van de uitvceren der voorafgegane jaren. Bovendien was de export in de maanden, welke aan de restrictie voorafgingen, zeer ruim. Ondanks het sterk toegenomen wereldverbruik (925 000 ton in 1934, tegen 809 000 ton in 1933 en 685 000 ton in 1932) zijn dan ook de wereldvoorraden nog toegenomen. Volgens opgave van het International Rubber Rcgulation Committee kwamen de stocks van 616 000 ton op 1 Januari 1934 op 682 000 ton op 1 Juni, om gedurende de restrictie te verminderen tot 679 000 ton. De financieele resultaten van de ondernemingsrubbercultuur zijn echter door de restrictie aanmerkelijk verbeterd. Een gemiddelde prijs van 21 et. per % kg, zooals deze in de eerste restrictieperiode werd bereikt, opent voor het meerendeel der ondernemingen een matige winstmogelijkheid, al wordt, door do zware kapitali satie, welke in de rubbercultuur heeft plaats gehad, op dit niveau voor vele be drijven nog geen volledige rentabiliteit bereikt. Een belangrijk deel dor gesloten ondernemingen is weer in tap genomen; aan onderhoud wordt meer aandacht besteed, zoodat de werkgelegenheid in 1934 is verruimd. Het aanbod van arbeidskrachten was groot, zoodat in het loonpeil vrijwel geen verandering kwam. De ondernemingsuitvoer bedroeg gedurende de restrictiemaanden 99 101 ton, hetgeen 6902 ton minder is dan het toegewezen quotum van 106 003 ton. In aan merking genomen, dat aan hot einde van het jaar een voorraad ondernemings rubber van 11 891 ton aanwezig was, heeft, indien bij het begin van de restrictie geen voorraad was, de reëele productie 110 992 ton bedragen en het quotum dus met eenige duizenden tonnen overtroffen. Ten aanzien van de bevolkingsrubber is de restrictie eveneens geleidelijk in werking gesteld. Zoo werd het bijzonder uitvoerrecht voor Juni en Juli vastgesteld op slechts 5 et. per % kg, voor Augustus op 8 et., terwijl het met ingang van September 1934 op 10 et. werd gebracht. De zeer hooge uitvoeren van bevolkmgs rubber in de maanden Maart, April en Mei van respectievelijk 20 700 ton, 21 100 ton en 28 800 ton werden door deze rechtheffing teruggebracht tot 16 200 ton in Juni, 16 500 ton in Juli, 12 800 ton in Augustus en 15 900 ton in September 1934. Desondanks werden in deze periode de toegestane maandquota niet on belangrijk overschreden. Handhaving van hot uitvoerrecht op 10 et. per % kg was echter bij de prijsdaling, welke in September en volgende maanden intrad, voldoende om den bevolkingsuitvoer te verminderen tot 5700 ton in October en 4800 ton in November. Op 16 December werd hot uitvoerrecht verlaagd tot 8 et. per % kg, waardoor een gedeelte van den binnenlandschcn voorraad kon worden gespuid en de December-uitvoer 12 200 ton bedroeg. De gevolgen van de restrictie voor de bij de bevolkingscultuur betrokken gewesten zijn in het eerste restrictiejaar gunstig geweest. Afgezien van de inkomsten van het bijzonder uitvoerrecht, waarvan de opbrengst in 1934 ruim 11,5 millioen gulden bedroeg, is in de rubbergewesten gedurende de maanden Juni t/m December door den rubberuitvoer oen bedrag in omloop gekomen, dat ongeveer hot vier voudige bedraagt van een gemiddelde 7-maandelijksehe periode van 1932 en ruim 25 % meer dan een dergelijke periode in do depressiejaren 1931 en 1933. DE STAATKUNDIGE TOESTAND. 6 handelsverdrag. Die besprekingen zouden in het bijzonder ten doel moeten hebben door het verzekeren van een grooteren uitvoer van Indische producten naar Japan verbetering te brengen in de handelsbalans en in het algemeen kunnen dienon voor hot behandelen van alle punten, die van belang zijn voor de economische relaties tusschen beide landen, waaronder begrepen de contingenteering van den invoer in Nederlandsch-Indië en de vrachtverdeeling tusschen de Nederlandsche on Japansche vlag in hot goederenverkeer tusschen Nederlandsch-Indië en Japan. De conferentie werd op 8 Juni 1934 officieel te Batavia geopend, doch moest eind December worden geschorst, aangezien het voorshands niet mogelijk bleek s| il ciaal met betrekking tot de scheepvaartkwestie en de verhooging van den Indischen export tot overeenstemming te komen. Hoewel derhalve het gesteld doel nog niet kon worden bereikt, hadden de besprekingen toch dit resultaat, dat zij leidden tot een beter begrijpen van olkaars standpunt en moeilijkheden. De Vervangend Eerste Minister en Minister van Buitenlandsehe Zaken van het Australisch Gemeenebest, J. G. Latham, die een zending ter bevestiging on ver sterking van de vriendschappelijke betrekkingen met het Verre Oosten ondernam, verbleef van 4 tot 11 April op Java als gast der Indische Regeering. Dr W. M. F. Mansvelt begaf zich op 20 Februari 1934 in opdracht der Regeering naar Australië, ten einde gegevens te verzamelen omtrent de mogelijkheden, welke de Australische markt biedt voor den afzet van Nederlandsch-Indische producten, welk vraagstuk door hem niet alleen uit oen zuiver commercieel, maar tevens uit een handelspolitiek oogpunt moest worden bezien. Dr. Mansvelt verbleef daar te lande ongeveer zeven maanden. In zijn eerste gewone zitting van het zittingsjaar 1934/1935 bracht de Volksraad advies uit over het ontwerp van wet tot goedkeuring van de op 6 Juni 1934 te Berlijn gesloten overeenkomst nopens het goedcronverkecr tusschen Nederlandsch-Indië en Duitschland. Tegenover de door Duitschland verleende concessies werden voor don duur der overeenkomst eenige Indische invoerrechten verlaagd (onderwerp 31). In dezelfde zitting adviseerde de Volksraad tot aanneming van het wetsontwerp houdende goedkeuring van het op 29 Januari 1934 te Montevideo tusschen Nederland en Uruguay gesloten verdrag van handel en scheepvaart (onderwerp 46). Op 9 April 1934 word te 's-Gravenhagc gesloten een aanvullende overeenkomst o]) het Nederlandsch-Tsjcchoslowaakseh handelsverdrag van 20 Januari 1923 (I.S. 1925 N°. 36); over de desbetreffende goedkeuringswet bracht de Volksraad advies uit in zijn tweede gewone zitting van het zittingsjaar 1934/35 (onderworp 136). In I. S. 1934 N°. 152 werd aanteekening gehouden van do op 31 Januari 1934 tusschen Nederland en Argentinië gewisselde nota's ter voorloopige regeling van de wederzij dsche handelsbetrekkingen en van het deviezen verkeer. c. Rubberrestrictie. Op 7 Mei 1934 word te Londen tusschen de Regeeringen van frankrijk, Engeland, Britsch-Tndië, Nederland en Siam een overeenkomst gesloten betreffende de beperking van de productie on den uitvoer van rubber (I. S. 1934 N°. 541). Ter uitvoering van deze overeenkomst, die op 1 Juni in werking trad, werden in Nederlandsch-Indië de noodige wettelijke voorzieningen afgekondigd in I . S. 1934 Nos. 342 t/m 348. d. Dubbele belasting. Tot dusver voorzag de Indische wetgeving op do in komsten- en vermogensbelasting alleen in voorkoming van dubbele belasting ten aanzien van binnen Nederlandsch-Indië wonenden, die in Nederland, Suriname of Curacao aan die belastingen waren onderworpen. Bij Ord. van 5 Mei 1934 (I. S. N°. 291) werd die mogelijkheid ook geopend ten aanzien van personen, die aan een belasting naar inkomen of vermogen zijn onderworpen in landen, welker wetgeving in een wederkeerige vrijstelling ter vermijding van dubbele belasting DE ECONOMISCHE TOESTAND. 60 g. Kin a. De kinacultuur verkeerde reeds langen tijd in een toestand van overproductie. De in 1913 tusschen bastproducenten en kininefabrikanten gesloten en sedert verlengde en gewijzigde kina-overeenkomst beoogt de cultuur tegen een te groote capaciteit te beschermen en een loonenden prijs te handhaven. Vermits echter op uitbreiding van den aanplant destijds geen beperking werd gelegd, breidde de cultuur zich van 1913 tot 1933 met 50 % uit, terwijl het productievermogen per ha door cultuurtechnische verbeteringen steeds toenam; dientengevolge ver meerderde de potcntiecle capaciteit van de cultuur van 600 000 kg zwavelzure kininc tot dz 1 200 000 kg in 1933. Daartegenover bleef het verbruik de laatste jaren schommelen tusschen 450 000 en 550 000 kg, ondanks de gevoerde propaganda en het tegen lagen prijs ter beschikking stellen van groote hoeveelheden kinine aan den Volkenbond ten behoeve van kininisatie van malaria-gebieden. Onder deze omstandigheden moesten de producenten, die bij de kina-overeen komst waren aangesloten, zich een restrictie opleggen, welke allengs tot 60 a 70 % hunner potentieele productie steeg. Desondanks was in 1933 op de ondernemingen en in de opslagplaatsen te Amsterdam en Bandoeng een voorraad van ±17 000 000 kg bast aanwezig, hetgeen bijna het dubbele is van het jaarlijksch verbruik. De ongunstige marktpositie en de toenemende beteekenis van den uitvoer der buiten de kina-overeenkomst staande producenten waren oorzaak, dat op verzoek van belanghebbenden door de Regeering werd ingegrepen. Op 1 Maart 1934 traden nl. de „kina-uitvoerordonnantic" (I. S. 1934 n°. 69, juncto n°. 592), de ~kina-aanplant-ordonnantie" (I. S. 1934 n°. 70) en de „kina-uitvoer-verordening 1933" (I. S. 1934 n°. 71) in werking. Als gevolg van dezen maatregel werd de productie-beperking, welke reeds sedert eenige jaren door de ondernemingen, welke in relatie staan met de te Amsterdam gevestigde „Vereeniging van kinabast-producenten", in acht werd genomen, mede van kracht voor die producenten, die geen contact met die vereeni ging onderhielden. Aangezien de gezamenlijke opbrengst der laatstbedoelde, zoogenaamd vrije, ondernemingen nog geen 3 % bedraagt van de totale productie van kinabast in Rubberuitvoer (in tonnen van 1000 kg). LANDBOUW. 61 Nederlandsch-Indië, beteekende de invoering van de wettelijke kina-restrictie in hoofdzaak slechts een consolidatie van den bestaanden toestand. Dientengevolge kon niet worden verwacht, dat na 1 Maart 1934 de prijs van het product zou oploopen. Immers werd slechts beoogd om aan de groep van vrije kinaplanters de mogelijkheid te ontnomen, om, profiteerendo van de maatregelen, welke door een groote groep van kina-planters in het belang van een prijsstabilisatie waren genomen, hun productie ten koste der overige producenten te vorhoogen. Voor den uitvoer van kinabast moge worden verwezen naar onderstaand overzicht. De gunstige ontwikkeling van de theemarkt in 1933 is door een terugslag gevolgd. Wel bleef de restrictie gehandhaafd, doch een verlaging van het restrictie-percentage voor de deelnemende landen van 15 op 12*4 % en hoogere uitvoeren der „outsiders" gaven aanleiding tot een vrij ruim aanbod, waartegenover een vermindering van het verbruik stond. De voorraden in Engeland namen in 1934 dan ook eenigszins toe en bedroegen op het einde van het jaar 303 millioen lbs, tegen 288 millioen lbs op einde 1933. De prijs bewoog zich onder invloed hiervan in dalende richting. Het gemiddelde der Amsterdamsche veilingen bedroeg begin Januari 44 et. per % kg> steeg tot 47 et. einde Februari en liep vervolgens terug tot 31% et. einde September; een herstel bracht deze noteering vervolgens op 34 y 2 et. in December. De internationale propaganda tot opvoering van het theeverbruik werd krachtig voortgezet. De financieele resultaten der ondernemingscultuur zijn uiteraard in den loop van 1934 geleidelijk minder gunstig geworden. Einde van het jaar was de toestand echter nog niet zorgwekkend. Ook toen bestond nog een dragelijke marge tusschen verkoopprijzen en exploitatiekosten. De opkoopprijzen van bevolkingsthee bedroegen in Januari gemiddeld 6,14 et. per kg, stegen tot 7,74 et. in Maart, om vervolgens eerst vrij snel, later in langzamer tempo terug te loopen tot 5,24 et. in December. De verschillende maatregelen tot stabilisatie van de opkoopprijzen hebben tot gevolg gehad, dat deze daling geen grootere afmetingen heeft aangenomen, terwijl de toestand in de bevolkingscultuur verbeterde. In de statistische positie van cacao kwam practisch nog geen verbetering. Ook in 1934 bleef het restrictie vraagstuk onopgelost. Afgezien van kortstondige prijs- Uitvoer van kinabast uit Nederlandsch-Indië (in tonnen). Uitvoer van thee naar het buitenland (in tonnen, netto). DE ECONOMISCHE TOESTAND. 62 verhoogingen onder speculatieve invloeden, welke bij cacao steeds een groot aandeel in de prijsvorming hebben, is voor de naaste toekomst geen blijvende prijs verhooging van eenige beteekenis te verwachten, aangezien een dergelijke stijging de consumptie, welke juist dank zij de lage prijzen toenam, spoedig zou doen afnemen, waardoor een verdere verslechtering van de statistische positie zou intreden. De vraag naar ~edel"-cacao schijnt hoe langer hoe minder te worden. De Java-cacao liep althans weer sterk in prijs achteruit. Bedroeg de Batavia-noteering voor ongesorteerde Priangan-kwaliteit bij don aanvang van 1934 nog f 23,48 per 100 kg, in den loop van het jaar daalde deze prijs geleidelijk tot f 14,57, zonder do schommelingen op de wereldmarkt te volgen. De uitvoer van eacaoboonen bedroeg 2093 ton, tegen 1467 ton in 1933 en 1317 ton gemiddeld in 1924/1933. j. Nootmuskaat en foelie. De prijzen voor nootmuskaat bleven onbevredigend, hoewel eenige verbetering viel te bespeuren. Foelie kon echter zeer belangrijk in prijs verbeteren, waardoor de situatie voor de perkeniers veel gunstiger werd. De noteering te Makassar voor Banda-noot steeg van f 15,30 in het eerste kwartaal tot f 18,60 per 100 kg in het vierde kwartaal. Voor Banda-foelie was de gemiddelde prijs te Makassar f 101,20 per 100 kg in het eerste kwartaal, f 102,55 in het tweede kwartaal, f 124,65 in het derde kwartaal en f 147,05 in het vierde kwartaal van 1934. De uitvoer van nootmuskaat bedroeg 3059 ton (omgerekend op „geklopt", waartoe „nootmuskaat in den dop" met 30 % werd verminderd); de uitvoer van foelie beliep 648 ton. In 1933 bedroegen deze uitvoeren respectievehjk 3075 en 656 ton. k. Kruidnagelen. De prijs voor kruidnagelen kon zich niet handhaven; te Amsterdam hep de noteering echter verhoudingsgewijs sterker terug dan te Makassar, waar de prijs per 100 kg daalde van gemiddeld f 45,05 in het eerste kwartaal tot f 37,80 in het derde kwartaal. Het laatste kwartaal gaf een kleine verbetering bij een gemiddelden prijs van f 38,85. De Buitengewesten exporteerden in 1934 naar het buitenland 281 ton kruid nagelen, tegen 246 ton in 1933. De uitvoer naar Java overtrof wederom dien naar hot buitenland. Java importeerde in 1934 1933 ton kruidnagelen, waarvan 316 ton afkomstig van de Buitengewesten; voor 1933 waren de overeenkomstige cijfers respectievelijk 1573 en 297 ton. I. Aetherische oliën. De prijzen van citronella-olio brokkelden gedurende 1934 met kleine schom melingen geleidelijk verder af. In Januari werd te Batavia voor ready- of dichtbij levering nog f 0,95 a f 1 per kg betaald, welke prijs in den loop van het jaar langzaam terugging tot f 0,70 a f 0,72 in October. In November liep het product even op tot f 0,79 a f 0,80, op welk niveau vrij veel zaken tot stand kwamen, ook voor termijn-levering tegen prijzen, welke voor Juli/December 1935-levering dz f 0,06 hooger lagen. Daarna daalde de prijs in December tot f 0,74 a f 0,76. Aan het einde van het jaar sloot de markt vrij lusteloos. De opkoopprijzen van sereh-gras waren uiteraard eveneens laag en varieerden van f 0,30 tot f 0,50 per 100 kg. Hoewel gedurende 1934 steeds berichten binnenkwamen, dat de bevolking haar sereh-aanplantingen verwaarloosde, zelfs geheel verliet en omzette in cultures van andere gewassen, zijn deze feiten nog niet in verminderde exporten tot uit drukking gekomen. Inclusief de ondernemings-productie bedroeg de uitvoer van LANDBOUW. 63 citronella-olie uit Nederlandsch-Indië in 1934 de reeord-hoeveelheid van 1791 ton, tegen 1529 ton in 1933 en 1024 ton gemiddeld in 1924/1933. Ceylon exporteerde dit jaar 682 ton citronella-olie, tegen 663 ton in 1933. Bij verwaarloozing van den onbeteekenenden export van andere landen, nam dus het aandeel van Nederlandsch-Indië in de wereldproductie nog iets toe. 3. Overheidszorg voor den landbouw. Met ingang van 1 Februari 1934 werden de Afdeeling Landbouw (omvattende landboiiwvoorliehtingsdienst, landbouwonderwijs, landbouweconomie, tuinbouw, zee- en binnenvisscherij) en het Algemeen Proefstation voor den Landbouw samen gevoegd tot één Dienst voor Landbouw en Visseherij (I. S. 1934 n°. 24). Het Hoofd van den nieuwen dienst bleef belast mot de directe leiding van genoemd proefstation. In den aard der werkzaamheden van den Landbouurvoorlichtingsdienst kwam in zoover eenige verandering, dat verscheidene landbouwconsulenten betrokken werden in aangelegenheden samenhangende met de getroffen restrictie-maatregelen. Groote aandacht werd besteed aan opvoering en qualiteitsverbotering van de Inheemsche landbouwproductie, terwijl tevens het zoeken naar en het beproeven van nieuwe gewassen in verschillende gebieden een onderwerp van bemoeienis uit maakten. In geheel Nederlandsch-Indië eischte de voedsellandbouw bijzondere opmerkzaamheid. Vooral in de Buitengewesten zijn het echter ook de handels gewassen, welke aandacht vragen, daar zij voor de bevolking nog steeds een nood zakelijke bron van inkomsten vormen. Het aantal variëteiten-, kunstmest-, groenmest- en cultuurmethodeproeven, genomen in overleg met het Landbouwkundig Instituut van het Algemeen Proef station voor den Landbouw, was wederom aanzienlijk. De in eenig opzicht superieur gebleken rassen van eenjarige cultuurgewassen werden weer meer verbouwd als uitvloeisel van de demonstraties, welke volgden op de variëteitenproeven. Speciale vermolding verdienen in dit verband de rijstsoort Tjina, de tegen slijmziekte resistente Arachis Schwarz n°. 21 en de witte en zwarte kedelé respectievehjk nos. 29 en 27. Ondanks de moeilijke tijdsomstandigheden, hebben de proefnemingen met kunstmest voortgang gehad. In verschillende gewesten zijn bij zeer uiteenloopende gewassen, zooals rijst, padi gogo, mais, aardappelen, uien en peper, rendabele tot zeer hooge opbrengstvormcerderingon verkregen bij toepassing van bepaalde kunst meststoffen, waarbij uiteraard de grondsoort een voorname factor is. Aan het groenmest-vraagstuk werd wederom veel aandacht besteed. Het gebruik van groenbemesters is in vele streken tot een gewoonte geworden bij de bevolking, niet alleen door de opbrengstvermeerdering of de aanplantmogelijkheid van de gewassen, doch vooral door de geringe arbeids- en onkostenvermeerdering. Combinaties met kunstmest kwamen ook voor. Op Java is het de Crotalaria juncea, welke herhaalde lijk op den voorgrond treedt, waar een korte grooiduur noodzakelijk is. In het Oosten van den Archipel bemoeilijkte de langdurige droogte het vinden van een geschikten Icguminoos. Met de in het vorig Verslag afzonderlijk genoemde proeven met het ensileeren van gras op Madoera werden gunstige resultaten verkregen. De proefnemingen met de boschveldbouwmethode op steile, armelijke terreinen in het grensgebied Cheribon Priangan werden tot 170 ha uitgebreid. Het onderzoek naar landbouwtechnische en agronomische of aanverwante aange legenheden maakte naast de proefnemingen een deel van de werkzaamheden uit, welke behooren tot de taak van het personeel van de landbouwvoorlichtingsdiensten. Voor het maken van propaganda voor locaal mogelijk gebleken bedrijfsver boteringen werd wederom van verschillende, aan de omstandigheden aangepaste middelen gebruik gemaakt. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 64 De duizenden over alle ressorten verspreide demonstraties bewezen wederom goede propaganda-diensten. Waar de beoogde bedrij fsverbeteringen navolging vonden, moesten zij niet zelden worden opgevolgd door uitbreiding van de aan plantingen, zoodat de behoefte aan zaad of plantmateriaal grooter werd. In eenige gevallen leerde de bevolking zelf in de behoefte voorzien (groenbemestorszaden on zaden van enkele cultuurgewassen), in andere kon het particuliere initiatief de taak overnemen (kunstmest-verkoop). In de Buitengewesten trekken vooral die demonstraties de aandacht, welke verband houden met de cultuur van handolsgewassen. Genoemd worden in dit verband: bestrijding van wantsenaantasting van peper op Bangka en in West-Borneo, bodembedekking van koffietuinen in Tapanoeli met gesneden alang alang, gebruik van grooter formaat aardappelpoters ter Sumatra's Westkust, verbeterde instal laties voor de bereiding van volledig marktwaardige native smoked sheet in cenige rubberstreken, verbeterde copraboreiding in Atjeh, in Manado en West-Borneo, vervanging van Inheemsche rijst variëteiten door witte exportsoorten, enz. In West-Java vond conversie van oude bevolkings-theetuinen in Assam-tuinen verderen voortgang. De dienst nam met landbouw-stands deel aan verschillende pasar malams. In de provincie Oost-Java bleven 9 permanente landbouwtoonkamers talrijke be zoekers trekken; ook de stands op de regentschapspasars van Malang hadden succes. Voordrachten met of zonder lichtbeelden gaven wederom in vele ressorten gelegenheid tot het propageeren van uiteenloopende zaken. De 9 bestaande landbouwtijdschriftjes, waarvan 3 op Java en 6 in de Buiten gewesten, bleven gehandhaafd. De landbouw voorlichtingsdienst te Padang zette naast de uitgave van een maandblad ook de wekelij ksche prijsberiehtgeving voort en gaf een zoer goedkoope almanak tani voor 1934 uit, waarvan de oplaag spoedig was uitver kocht. Elders verschenen gedrukten voor bepaalde propagandistische doeleinden. Behalve in Manado, op Celobes en Timor, vermeld in het vorig Verslag, werden ook tuinenwedstrijden georganiseerd in het regentschap Bondowoso en op Bali en Lombok. Als propagandamiddel werden in het ressort Bodjonegoro in 16 desa's tooneelvoorstellingen met landbouwkundige strekking gegeven. Excursies met groepen landbouwers naar proef- of demonstratie-aanplantingen werden in enkele ressorten wederom ondernomen. Behalve do vorengenoemde meer algemeene propagandamiddelen had ook het persoonlijk contact niet zelden oen belangrijke beteekenis. Een telling in het regent schap Malang, waar bovendien speciale bijeenkomsten met landbouwers werden georganiseerd, wees uit, dat het aldaar geplaatst personeel 4400 bezoekers ontving. Het nuttig effect van de „commissies-tani" als schakel tusschen de bevolking en den voorlichtingsdienst in de Vorstenlanden en op Celebes, kwam bij verschillende gelegenheden weder tot uiting. De aanraking met verschillende coöperaties of gelijksoortige organisaties bleef bestaan. In het bijzonder verdient de organisatie van koolplanters in het ressort Besoeki vermelding, welke wegens haar groote activiteit succes boekte met recht streeksche verzending van haar product naar Singapore, mede dank zij de intensieve hulp van den aan den Consul-Generaal der Nederlanden aldaar toegevoegden adjunct tuinbouwconsulent. In Oost-Java heeft de verhoogde activiteit bij de bevolkingsrietcultuur het ge bruik van zwavelzure ammoniak in enkele streken doen toenemen; zoo in het gewest Madioen zelfs met 920 quintalen; in Malang verdubbelde het verbruik, ook in Soera baja was toename te constateeren. In Probolinggo nam het kunstmestverbruik voor tabakskweekbedden toe. In het gouvernement Soerakarta was de uiencultuur in de regentschappen Bojolali en Klaten oorzaak van een sterk vermeerderd gebruik van zwavelzure ammoniak, in totaal 218 quintalen, terwijl in Wonogiri de toepassing LANDBOUW. 65 van dubbel-superfosfaat op sawahs toenam. De provinciale landbouwvoorlichtings dienst van West-Java leverde 832 quintalen kunstmest; ter Sumatra's Westkust, waar het gebruik achteruitging, leverde de dienst nog 760 quintalen. Op Timor werden 64 ploegen verkocht, in Oost-Java, waar particuliere ploeg smeden bovendien aanzienlijke aantallen aanmaakten on aan don tani verkochten tegen zeer lage prijzen, nog 100 stuks geïmporteerde ploegen. De provincie Oost-Java leverde voorts aan de bevolking 330 quintalen groen mestzaden, 929 quintalen zaadpadi, 349 quintalen arachis en 183 quintalen kedelé zaad. In Atjeh werden 2335 oculaties van vruchtboomen geleverd. Dit gewest nam 381 kg loodarsenaat op en Sumatra's Westkust 6900 kg. De voorlichtingsdienst in Tapanoeli leverde 60 000 koffie-bibits, die ter Westkust van Sumatra 138 000 kruidnagelzaden. Behalve met betrekking tot voornoemde werkzaamheden, hadden de ambtenaren van de landbouw voorlichtingsdiensten nog bemoeienis met talrijke andere aan gelegenheden, zeer uiteenloopciido gebieden rakende en in 1934 niet zelden betrekking hebbende op of verband houdende met crisismaatregelen. Verschillende landbouw consulenten hadden zitting in commissies. Met verscheidene diensten zooals het Boschwezen, het Volkscredietwezen, den Irrigatie- en den Veeartsenij kundigen dienst, werd samengewerkt, terwijl met het Biimenlandsoh Bestuur uiteraard een nauwe samenwerking bestond. De landbouwvoorlichtingsdienston hadden bij de bestrijding van de in verscheidene rijstgebieden in grooten getale voorkomende veldratten allen steim van Bestuur en bevolking. Met groot succes werd de methode met het uitleggen van varkensvergift toegepast, waarbij voortdurend contact werd gehouden met het Instituut voor Plantenziekten, dat deze methode had uitgewerkt en meermalen op onderdeelen verbeterd. Wat de irrigatie-aangelegenheden betreft, werd in 1934 door het hoofd van den dienst advies uitgebracht over 14 bevloeiïngsontwerpen, waarvan 11 betrekking hadden op Java en 3 op de Buitengewesten. Afzonder lijk mogen worden genoemd de bemoeienis met kolonisatie-aangelegen - heden in een viertal streken en wel met betrekking tot de Javanen-kolonisaties in de Lampoengs en Benkoelen, en voorts de kolonisaties van Europeanen op Poeloe Laoet en Nieuw-Guinee. In verscheidene ressorten werden door proefsnitten groote aantallen opbrengst-be palingen gemaakt, betrekking hebbende op uiteenloopende gewassen. Eenige ontworp gewestelijke keuren, meest productenkeuren, werden voorts in behandeling genomen. De voorlichting aan klein-landbouwers nam belangrijk toe; zij is vooral van beteekenis in de provincies Oost- en West-Java, waar honderden adviezen werden verstrekt. Een der meest doeltreffende middelen ter verbreiding van landbouwkennis, ter propageering van verbeteringen en invoering van nieuwigheden, vormt het landbouw onderwijs. Aan de Middelbare Landbouwschool te Buitenzorg behaalden 15 leerlingen het einddiploma landbouw, 11 leerlingen dat voor boschbouw. Voor de Cultuurschool te Soekaboemi waren die getallen 19 en 10. Aan de Cultuurschool te Malang kon het gewone einddiploma landbouwkundige richting uitgereikt worden aan 26 leer lingen en het einddiploma van den technischen cursus (vierde klasse) aan 12 leer lingen. De Cultuurschool te Soekaboemi werd einde 1934 gesloten, terwijl de beide gelijksoortige inrichtingen te Malang werden samengevoegd, zoodat daar voortaan de landbouwkundige, boschbouwkundige en technische opleiding vereenigd zijn (een nieuw reglement is opgenomen in Bb. n°. 13299). Het aantal bedrij fsscholen — 6 op Java en 1 in de Buitengewesten — bleef constant door sluiting van de school te Madja en opening van die te Tegalgondo. 5 DE ECONOMISCHE TOESTAND. 66 De belangstelling van de bevolking voor landbouwonderwijs, zich in sommige streken uitende in een drang naar oprichting van desa-cursussen, was van dien aard, dat in enkele ressorten hot beperkte personeel niet meer kon voldoen aan de toenemende vraag. Het aantal cursussen steeg van 139 in 1933 tot 171 in 1934, waarvan 170 op Java met 3223 leerlingen. Het aantal normaalscholen, waar door adjunct-landbouwconsulenton werd lesgegeven teneinde in enkele daarvoor in aanmerking komende vakken meer landbouwkundige begrippen in te voeren, verminderde van 7 tot 4 door opheffing van de scholen te Serang, Salatiga en Djember. Do opleidingsbedrij ven voor Inlandsche landbouwonderwijzers te Pantjasan — voorheen Kota Batoe — en Togalgondo leverden achtereenvolgens 21 on 10 gediplomeerden af. Het laatstgenoemde bedrijf werd opgeheven. De gevormde krachten zijn bestemd om les te geven aan daarvoor speciaal ingerichte Ode klassen van standaard- of vervolgscholen met landbouwloerplan, waarvan er 76 bestonden, nl. 75 van het Gouvernement en 1 aan oen bijzondere school. In de wijze, waarop do voortzetting van de onderzoekingen en de voorlichting op tuinbouwgebied geschiedde, kwam geen wijziging; evenmin in de in onderzoek zijnde vraagstukken, daar uiteraard de proeven met overjarige tuinbouwgewassen gedurende verscheidene jaren dienen te worden voortgezet. Het aantal door den Tuinbouwkundigen Dienst geleverde planten steeg van 40 000 tot 76 000, waar tegenover de waarde van deze en van geleverde vruchten en ander materiaal f 31 500 bedroeg. De koolcultuur, waarmede in verschillende ressorten de landbou wconsulenten tevens een intensieve bemoeienis hadden, trad nog sterker op den voorgrond dan in 1933, vooral in Djember (Oost-Java). Zooals hierboven reeds is vermeld, nam vooral de uit voer naar Malakka toe. Ook de uitvoer van kool van de Karo-hoogvlakte nam toe. De uitvoer van aardappelen uit laatstgenoemd gebied ging evenals die uit Java achteruit, ton deele als een gevolg van de zeer lage vrachtprijzen van Japan, anderzijds door het torugloopen van de cultuur in het Karo-gebied tengevolge van het ernstig optreden van aardappelziektcn, waartegen nog geen afdoende maatregelen zijn gevonden. Door onderzoekingen on berichtgevingen van de adjunct-tuinbouwconsulenten te Singapore, Cheribon en Malang werd het inzicht in de factoren, welke den handel in tuinbouwproducten beheerschen, verder verbeterd. De werkzaamheden van het bijenstation te Koetowinangoen werden met be vredigend resultaat voortgezet. Het onderzoek naar den economischen toestand en de samenstelling van het bevolkingsvoedsel te Koetowinangoen kon worden afgesloten. Het rapport werd gepubliceerd tezamen met de bewerking van een uitgebreid chemisch onderzoek van aldaar gebezigde voedingsmiddelen, terwijl een beoordeeling van den gezond heidstoestand het boekwerk besluit. Uit die onderzoekingen is gebleken, dat het erf van groote beteekenis is in de geld- en voedselhuishouding; dat de marge tusschen kosten der voeding en totaal inkomen zeer gering is; dat de voeding over het algemeen zeer voldoende mag worden genoemd; dat alleen dierlijke eiwitten en dierlijke vetten in de voeding te weinig voorkomen, zoodat de productie daarvan zoo mogelijk gesti muleerd dient te worden. Het Algemeen Proefstation voor den Landbouw onderging in 1934 enkele wijzigingen. Het Scheikundig Laboratorium werd een onderdeel van het onder de Afdeeling Nijverheid ressorteerend Laboratorium voor Scheikundig Onderzoek, dat thans naar wensch de benoodigde analyses verricht. Voorts werd besloten het onderzoekings werk op tuinbouwtechnisch gebied, dat voornamelijk in enkele groote tuinen van den voorlichtingsdienst werd verricht, van den tuinbouwkundigen dienst over te brengen naar het proefstation, waarop in de begrooting 1935 is gerekend. De samenwerking van het Landbouwkundig Instituut met de centrale en de LANDBOUW. 67 provinciale landbouwvoorlichtingsdiensten was wederom zeer vruchtbaar. Dank zij die samenwerking kon in den oostmoesson een groot aantal variëteitenprooven mot kedelé worden genomen. Er werden reeds aanwijzingen verkregen, dat de nieuwe zwartzadige variëteiten Kawi en Tjeromai onder bepaalde omstandigheden nog beter zullen zijn dan de reeds zoozeer ingeburgerde n°. 27, terwijl de witzadige Gedoh waarschijnlijk n°. 29 plaatselijk zal verdringen. Do in het vorig Verslag genoemde nieuwe en goedkoope proefvcldmethoden werden vrij algemeen toegepast en bleken zeer bevredigende resultaten op te leveren. Mede daardoor kon de door de tijdsomstandigheden geboden inkrimping van het aantal veldproeven worden beperkt. Van bijzondere beteekenis is hot bereikte snelle tempo van de verwerking en roneografische publicatie van do resultaten der in vroegere jaren genomen proeven. In verband met het feit, dat in gebieden met rij stoverschot steeds meer beteekenis wordt gehecht aan de uitlevering in de pellerijen werd een aanvang gemaakt mot do bestudeering van de peleigcnschappen van rijstvormen. Veel aandacht werd besteed aan import van katoenzaad on aan proeven met dit gewas, waarvoor do omstandig heden thans gunstiger bleken dan in de voorafgegane periode met hooge prijzen voor de andere landbouwproducten. Van een 25-tal variëteiten werden onder voor katoen zoo gunstig mogelijke omstandigheden van klimaat on bodemgesteldheid proefaanplantingen aangelegd. Bij de veredeling van de rijst werd in de tuinen op 4 belangrijke bodem typen een steeds grootere plaats ingeruimd aan de bastaard selectie, welke elders voor andere eenjarige gewassen zulke belangrijke resultaten heeft afgeworpen. De ressorten, waarin de geïntensiveerde rijst-selectie wordt toegepast, werden vermeerderd met twee in de provincie Midden-Java, terwijl daarmede werd begonnen in twee ressorten van de Buitengewesten, nl. Palembang en Makassar. Behalve van de boven reeds genoemde kedelé konden ook van Arachis enkele nieuwe rassen worden afgegeven ter toetsing onder verschillende omstandig heden. Van beide gewassen werden door natuurlijke en kunstmatige bastaardoering eenige nieuwe kruisings-populaties verkregen voor verdere selectie. Het selectie werk met cassave ondervond tegenspoed door het mislukken van den zaad-aanplant te Patjet. De in hot vorig Verslag genoemde planten van Zanzibar-kruidnagel werden naar verschillende centra verzonden, van waar meerendeels gunstige berichten omtrent de ontwikkeling werden ontvangen. Voortgegaan werd met selectie en in zameling van Derris-vormen, terwijl speciale aandacht werd besteed aan de ver menigvuldigingvan de vormen met een hoog rotenon-gehalte in de wortels. Aanvragen om plantmateriaal van Aleurites verminderden; van kapok en van geselecteerde klapperboomen werd uit de eigen tuinen veel materiaal verkocht. Van kapok werden nieuwe kruisingen verricht, voornamehjk met een uit den Congo verkregen groot vruchtigen vorm. De importen van rozengeranium uit Réunion leverden slechts een gering aantal goedgroeiende planton. Aan het Plantkundig Laboratorium — na de afscheiding van het Scheikundig Laboratorium thans het eenige laboratorium van de Afdeeling Laboratoria in functie — werd het onderzoek naar voor gomziekte immune onderstammen voor djeroek mams voortgezet. Enkele van de oudere planten werden aangetast, doch het aantal veel belovende exemplaren werd met 55 uitgebreid. Een publicatie verscheen over den invloed van temperatuur en vochtigheid op don verwekker van de gomziekte, de Phytophthora parasitiea. Het onderzoek naar de oorzaken van de mentek-ziekte van de rijst leerde, dat de vergelingsverschijnselen aan de bladeren moeten berusten op een vergaanden afbraak van de in de bladeren aanwezige eiwitten. Die storing van de eiwitstofwisseling wordt, naar mag worden geconcludeerd, voor een belangrijk deel door klimatologische omstandigheden bepaald. Het onderzoek over de knolletjes bacteriën van kedelé werd voortgezet, waarbij een aanvang werd gemaakt met de bestudeering van het stikstof bindend vermogen van de vele geïsoleerde stammen. Naast het omvangrijke advieswerk kon door den staf van het Instituut voor DE ECONOMISCHE TOESTAND. 68 Plantenziekten voortgegaan worden mot verschillende onderzoekingen over ziekten en plagen van cultuurgewassen. Ook in 1934 werkte het instituut met den landbouw voorlichtingsdienst samen om in West-Brebes door middel van een zaaitijdsregeling den witten rijstboorder te bestrijden; het succes was minder dan in vorige jaren, doch de landronte-afschrijving ten bedrage van f 25 000 geeft zeer waarschijnlijk oen overdreven indruk van de werkelijke schade. De bestrijdingsmethode van ook in 1934 locaal in groote aantallen optredende veldratten weid nog verbeterd; zij word op Java met succes uitgevoerd over 245 000 ha rijstvelden. Bij rijstplanten met mentek-acht'ge verkleuringen werd meermalen het voorkomen van hot aaltje Tylenchus oryzae geconstateerd. Tegen do Braohartona-plaag in de klappergebieden van Midden-Java werd, behalve plaatselijke bckapping, op 5 plaatsen bestuiving met dusturan door motorverstuivers toegepast, waarbij slechts in één geval succes achterwege bleef. Ter biologische bestrijding van do Brontispa- en Aleurodieus plagen van den klapper in Zuid-Celebes werd voortgegaan met parasieten-zendingen; van Brontispa-parasioten werden 400 000 stuks verzonden met het resultaat dat eind 1934 op de betreffende plaatsen een parasiteering van 60 —80 % kon worden geconstateerd. Het in 1933 onderbroken onderzoek omtrent het verband tusschen de geelziekte in de peper op Bangka en het voorkomen in de wortels van het aaltje Tylenchus similis kon worden hervat; voor het zoeken van bestrijdingsmaatregelen wordt bij het onderzoek samengewerkt met het Bodemkundig en het Landbouw kundig Instituut. In de Lampoengsche Districten werd een variëteit peper gevonden. welke vrijwel onvatbaar is voor voetrot; met het reeds door de bevolking toegepaste aanplanten van die „lada belantoeng" kan groote schade worden voorkomen. In verband met de reeds eenige jaren loopende bestudeering van de aardappel-shjm ziekte werd hot beproeven van zaailingen van Zuid-Amerikaansche „wilde" aard appelen voortgezet, waarbij reeds menige vrij resistente typen werden verkregen, welke echter door andere eigenschappen nog niet voor de praktijk geschikt zijn. Bij do studie van de schadelijke boschinsectcn word een uitvoerig onderzoek ingesteld naar de vatbaarheid van een groot aantal houtsoorten voor „boeboek"-aantastin<r. De maatregelen tegen de verspreiding van de groote achaat-slak bleken niet afdoende te zijn; op Java werd de slak roods op vier plaatsen geconstateerd. Ter biologische bestrijding van de Opuntia-plaag in het Paloe-dal (Celebes) werd uit Australië de sohildluis Dactylopius tomentosus ingevoerd. De plantenkeuring bleef bevredigend functionnceren; onderschept werden o.a. levende stadia van de gevreesde Middel landsche Zee-fruitvlieg in nectarinen en perziken uit Zuid-Afrika en de cotton boll weevil (Anthonomus grandis) in katoenzaad afkomstig uit Florida. De opkweek van vlaszaad in quarantaine leverde volkomen ziektevrij zaad op, waarmede op verschillende plaatsen proofaanplantingen zullen worden aangelegd. Het Bodemkundig Instituut ging voort met de kaarteeringswerkzaamheden in do noordelijke rijstvlakten van West-Java: behalve voor Noord-Bantam met West- Batavia en Noord-Krawang zijn bij den voorlichtingsdienst grondkaarten beschik baar voor de vlakte van Indramajoe. Daarnaast moest aandacht worden geschonken aan eenige geen uitstel gedoogende incidenteele opnamen of verkenningen, waarvan de opname voor de uitbreiding der Javanen-kolonisatie in de Zuid-Lampoengs afzonderlijke vermelding verdient. Eenige copieën van de in 1930/1932 van de Vorsten landen vervaardigde grondkaarten werden op aanvraag vervaardigd; in Soerakarta werd daarvan gebruik gemaakt bij de.pachtherzicningen. Van de afdeeling Monggot kon aan het Boschwezen een grondkaart worden afgeleverd. Aan het Indisch Comité voor wetenschappelijke onderzoekingen werden als resultaat van de onder zijn auspiciën ondernomen bodemkundige expeditie naar Noord-Nieuw-Guinee de verslagen over Hollandia, Manokwari, Angi-Angi, Momi-Ransiki-delta's en Sorong verstrekt, terwijl het laatste verslag, over Amberbaken, in concept gereed kwam. Behalve do vele analysen ten behoeve van de grondkaartoeringon word in het LANDBOUW. 69 laboratorium voor grondonderzoek een drietal door de praktijk aan de orde gestelde onderzoekingen verricht, t.w. over de fijnheid waartoe het inheemsche natuurfosfaat dient to worden vermalen, over de toepassingsmogelijkheden van het op verschillende plaatsen door den Opsporingsdienst van het Mijnwezen gevonden aluminiumfosfaat en een systematisch onderzoek naar mogelijk ook bodemkundige oorzaken van de reeds bovengenoemde geelziekte bij peper op Bangka. In het irrigatie-laboratorium werden in verband met bevloeiingsplannen het water en slib van eon aantal rivieren op bruikbaarheid gekeurd, terwijl ook klachten over water of slib van bestaande bevloeiingen werden onderzocht. Adviezen werden uitgebracht over de kolonisatie terreinen Perbo (Benkoelen) en Soekadana (Lam poengs), terwijl een onderzoek werd ingezet omtrent de mérites van een plan om door een aftapping van de kali Serajoe groote rijstvlakton technisch te bevloeien. Voorts moet worden vermeld een algemeen bodemkundig advies over het voor kolonisatie van Europeanen beschikbaar gesteld terrein op Poeloe Laoet. Het mineralogisch laboratorium van het Bodemkundig Instituut verrichtte hoofdzakelijk analysen voor de bij de kaarteering benoodigde classificatie en nomen clatuur der grondsoorten. Het stelde uit de van Noord-Nieuw-Guinee verkregen gesteente-monsters een type-collectie samen. Aan het klapperproefstation te Manado werd voortgewerkt aan de selectie; de zaadtuinen van de kunstmatig bestoven noten te Mapanget, Djailolo en Marinsow kwamen gereed. Ook de bestudeering van de biologie van den sabelsprinkhaan (Sexava) word voortgezet; als resultaat van in 1933 overgebrachte parasieten bleek op Tagoelandang in Juli het aantal geparasiteerde sprinkhanen ongeveer 40 % te bedragen. Op de Soola-eilanden werd in 1934 de ei-parasiet ingevoerd. Te Manado werden de kweekproeven met de plaatselijk voorkomende vcldsprinkhanen (Valanga) en hartbladkcver (Plesispa) beëindigd. Over de slakrupsenplaag in het Paloe-dal werden geregeld gegevens ontvangen van den adjunct-landbouwoonsulent ter plaatse. Van de resultaten der loopende landbouwkundige proeven dient vermeld, dat in de kuststreek tusschen Poigar en Bintaoena, waar de klappers slecht groeien door gebrek aan kali en fosfor, clean-weeding gunstig bleek te werken. In verband met het relatief hooge prijsverschil tusschen sundried- en mixed-copra werd veel aandacht besteed aan de bereiding van een goed product, waarvoor een aan de bevolkings behoefte aangepaste methode werd uitgewerkt. De belangstelling verminderde tegen het eind van het jaar sterk, toen het prijsverschil zeer gering werd. 4. De Gouvernements landbouwondernemingen. a. 's Lands Cacmtchoucbedrijf. Einde 1934 omvatte dit bedrijf 15 onderne mingen, namelijk 11 rubber-ondernemingen (waarvan een tweetal met klapper- en kapokaanplantingen), 1 getahpertja- (tevens rubber-) onderneming (Tjipetir), 1 olie palm- (tevens rubber-) onderneming (Majang), 1 koffie-onderneming (Bangelan) en 1 hars- en terpentijn-bedrij f (in de Gajo-landen). Het areaal bedroeg 29 200 ha, namelijk 15 606 ha rubber, 1141 ha getahpertja, 766 ha koffie, 3747 ha oliepalm, 923 ha klapper, 362 ha kapok en 6655 ha demien bosschen (hars- en terpentijnbedrijf). Hiervan waren in productie: 11 937 ha rubber = 76,5 % (vorig jaar 70,1 %) 1 141 „ getahpertja = 100- %( „ „ 100- %) 521 „ koffie = 68- %( „ „ 49,3 %) 1 986 „ oliepalm = 53- %( „ „ 53,3 %) 923 „ klapper = 100- %( „ „ 100- %) 272 „ kapok = 75,1 %( „ „ 73,2 %) 6 255 „ deimenbossehen = 94,- %( „ „ 97,- %) BETREKKINGEN MET HET BUITENLAND. 7 voorziet. Ten aanzien van landen, wier wetgeving geen bepalingen kent ter vermijding van dubbele belasting, zou ter voorkoming daarvan bij verdrag een regeling moeten worden getroffen. De met Japan getroffen regeling tot wederzijdsche vrijstelling van belasting op inkomsten en winsten voortvloeiende uit het internationaal zeescheepvaart bedrij f (Indisch Verslag 1934, blz. 9) werd ook van toepassing voor Noorwegen, Duitschland en Italië. In I. S. 1934 N°. 535 werd afgekondigd een ordonnantie tot wijziging van de ordonnanties op de vennootschapsbelasting 1925, de inkomstenbelasting 1932 en de vermogensbelasting 1932, ten einde de heffing van dubbele belasting van lucht vaartmaatschappijen te vermijden. e. Internationaal Ijandbouw Instituut te Rome. In 1934 werd alles in het werk gesteld om de activiteit van dit Instituut moer aan te passen aan de behoeften van don nieuwen tijd door er naar te streven die gegevens te verzamelen en te verspreiden, die in deze tijden van crisis van direct nut kunnen worden beschouwd en kunnen leidon tot goed begrip van de oorzaken en gevolgen van de heerschende economische verwarring. Het publicceren van zuiver technisch-wetenschappelijke gegevens zou meer worden overgelaten aan wetenschappelijke periodieken, dio buiten het Instituut verschijnen. Hoewel de Indische Regeering kon instemmen met het door het Landbouw Instituut opgeworpen denkbeeld om te trachten door een internationale conventie eenheid te brengen in de methoden van het analyseeren van wijn, zou een des betreffende regeling voorloopig toch niet in Nederlandsch-Indië kunnen worden toegepast wegens het ontbreken van een regeling in den geest van het wijnbesluit of de warenwet in Nederland, met den daarbij behoorendon keuringsdienst. Invoering van een zoodanigen dienst stuit thans af op de daaraan verbonden kosten. /. Luchtvaart. In I. S. 1934 N°. 205 werd afgekondigd de „Luchtvaartordon nantie 1934" ter uitvoering van enkele bepalingen van het Luchtvaartbesluit. De ordonnantie sluit aan bij de voorschriften van het Luchtvaartverdrag (I. S. 1928 N°. 536) en de daarbij behoorende besluiten van de Commission Internationale de Navigation Aérienne. Ten behoeve van de deelnemers aan de luchtrace Londen —Mclbourne werden in Nederlandsch-Indië voor zoover noodig maatregelen getroffen. In verband met bet openen van de luchtlijn tusschen Singapore en Australië werd aan de Britscho luchtlijn het recht gegeven passagiers, post en vrachtgoederen te vervoeren tusschen alle Nederlandsch-Indische luchthavens eenerzij ds en alle buitenlandsehe, w. o. Nederlandsche, anderzijds; voorts van Soerabaja naar alle beoosten de luchthavens in Nederlandsch-Indië gelegen plaatsen en terug. g. Post- en radioverkeer. Het op 23 Maart 1934 op het Xde Congres der Alge meene Postvereeniging te Cairo geteekonde Algemeene Postverdrag en 5 van de op dat Congres geteekende overeenkomsten traden op 1 Januari 1935 ook voor Neder landsch-Indië in werking (I. S. 1934 N°. 652). De uitvoeringsregelingen werden afgekondigd in I. S. 1934 Nos. 754 en 755. Op de in het najaar van 1934 te Lissabon gehouden 3de bijeenkomst van het Comité Consultatif International des Radiocommunications was ook Nederlandsch- Indië vertegenwoordigd. 3. Juridische betrekkingen. a. Arbitrage en verzoeningsverdragen. In I. S. 1934 Nos. 31, 93 en 151 werd aanteekening gehouden van de Koninklijke besluiten houdende bekendmaking van DE ECONOMISCHE TOESTAND. 70 Uit dit overzicht bhjkt, dat alle producties, met uitzondering van de koffie- en oliepalmproducten, belangrijk gestegen zijn. Ondanks de met ingang van 1 Juni 1934 van kracht geworden rubberrestrictie was de rubberproductie, tengevolge van het tapbaar worden van jonge aanplantingen en tijdelijke verzwaring van de exploitatie in het tijdvak voorafgaande aan het in werking treden van de restrictie, hooger dan het voorafgegane jaar. Wegens den onbevredigenden afzet van de gele getah (uitsluitend langs mechani schen weg bereid) werd de productie hiervan geheel stopgezet, terwijl daarentegen de productie van de z.g. witte getah belangrijk kon worden opgevoerd. De koffieproductie viel tegen, tengevolge van voor bloeislaging en besontwikkeling ongunstige weersomstandigheden. De opbrengst van oliepalmproducten had voor 1934 belangrijk hooger kunnen zijn, ware het niet dat, als gevolg van overproductie van onderling substitueerbare oliën en vetten en voornamelijk ook door de in Mei 1934 in de Vereenigde Staten van Amerika ingestelde „Processing tax", de prijzen voor de palmolie en pitten binnen zeer korten tijd op een dusdanig laag niveau kwamen, dat zware verliezen op de directe exploitatiekosten onvermijdelijk zouden worden. In verband hiermede werd dan ook in Juli 1934 de geheele palmolie-exploitatie tijdelijk gestaakt. In December liepen de prijzen weer zoodanig op, dat kon worden besloten deze exploi tatie te hervatten. De hars- en terpentijnproductie kon mede belangrijk worden opgevoerd door het in exploitatie nemen van nieuwe natuurlijke dennenbosschen, terwijl bovendien de bosschen, welke voor verjonging in aanmerking kwamen, voordat die maatregel werd toegepast, eerst in z.g. zwaartap werden genomen. Hoewel getracht werd te bezuinigen, waar en voor zoover zulks zonder schade aan het bedrijf mogelijk was, bleven de kostprijzen van rubber, koffie en palmolie boven die van het voorafgegane jaar. Voor de rubber hangt deze stijging van don kostprijs o.a. samen met de omstandigheid, dat in 1934 niet onaanzienlijke uitgaven voor herplanting (geleidelijke vervanging van oude aanplanten door nieuwe, uit sluitend geplant met geselecteerd hoogwaardig plantmateriaal) moesten worden gedaan. De kostprijs van de palmolie werd abnormaal verhoogd door het tijdelijk stopzetten van de exploitatie, waardoor de algemeene kosten veel zwaarder dan normaal op de verkregen hoeveelheid product kwamen te drukken, terwijl door De producties bedroegen als volgt: LANDBOUW. 71 de mislukking van den oogst de kostprijs van koffie zeer ongunstig werd beïnvloed. De kostprijzen van de overige producten konden, zooals uit het volgend overzicht blijkt, nog verder worden teruggebracht. De verkoop van alle producten van 's Lands Caoutchoucbedrijf geschiedde, evenals in vorige jaren, uitsluitend door tusschenkomst van de Nederlandsche Handel Maatschappij, deels in Nederlandsch-Indië en deels in Nederland. Deze verkoop omvatte: Rubber (mcl. zoolcrepe) 6 386 249 kg gemidd. a 34,45 et. per kg netto =f 2 199 746 Getahpertja (gele) . . 3 239 „ „ „ 215,98 „ „ „ „ = 6 995 (witte) . . 84 537 „ „ „ 275,02 „ „ „ „ = 232 491 (extractie) 2 155 „ „ „ 209,06 „ „ „ „ = 4 504 Koffie 121 781 „ „ „ 22,40 „ „ „ „ = 27 274 Palmolie 1 353 007 „ „ „ 5,79 „ „ „ „ = 78 401 Palmolie 184 935 „ „ „ 2,— „ „ „ „ = 3 699 Palmpitten 305 775 „ „ „ 3,93 „ „ „ „ = 12 020 Palmpitten 46 800 „ „ „ 1,20 „ „ „ „ = 562 Klappers 329 890 stuks „ „ 73,86 „ „ 100 stuks „ = 2437 Copra 907 300 kg „ „ 3,84 „ „ kg „ = 34 836 Kapokpluis .... 14 658 „ „ „ 26,94 „ „ „ „ = 3 949 Kapokpitten .... 21 910 „ „ „ 1,86 „ „ „ „ * 08 Kapokkolven ... . 4 508 400 stuks „ „ 82,23 „ „ 1000 stuks „ = 3 707 Hars 749 076 kg „ „ 5,85 „ „ kg „ - 43 842 Terpentijn 338 909 „ „ „ 16,62 „ „ „ » 56 319 Totaal .. . f 2 711 190 Onder den invloed van de restrictie-maatregelen onderging de gemiddelde rubberprijs een flinke stijging. De prijzen voor de overige producten liepen evenwel Kostprijzen van de verschillende producten per kg in centen, inclusief alle afschrijvingen en de rente over de boekwaarde van het in het produceerende gedeelte van het bedrijf gestoken kapitaal. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 72 terug. Dank zij de opgevoerde rubberproductie en den hoogeren prijs voor dit product bedroegen de netto bedrij fsontvangsten desondanks ruim f 1 000 000 meer dan in het voorafgegane jaar, waardoor de exploitatie-resultaten eveneens veel gunstiger werden. De exploitatie-uitgaven bedroegen f 1 929 254, de ten laste der exploitatie rekening komende rente bedroeg f 743 634, terwijl voor een bedrag groot f 558 638 word afgeschreven. De netto-bedrijfsontvangsten (inclusief alle bijzondere ontvangsten en waarde vermeerdering van de eind voorraden) beliepen f 2 834 643. Bovendien werd ten gunste van de verlies- en winstrekening gebracht een bedrag van f 4669 wegens rente over de vorderingen welke tegenover de belegde reserve staan. Het exploitatie-verlies (inclusief f 1 302 272 voor rente en afschrijvingen) voor 1934 kwam hierdoor op f 392 214, tegen f 835 993 over 1933. De kapitaalsuitgaven konden in 1934 aanmerkelijk worden teruggebracht, eensdeels door vermindering van het nog niet produceerend areaal, anderdeels door zoover mogelijk doorgevoerde beperking der aanschaffingen. Deze uitgaven, welke — met inbegrip van de bouwrente ad f 261 982 —f 631 325 beliepen, kunnen als volgt voor de verschillende cultures worden gespecifi ceerd: Totaal. Waarvan rente Rubbercultuur f 320 360 (f 150 918) Getahpertja-cultuur 36 599 ( — ) Koffiecultuur 31412 ( 7 319) Oliepalmcultuur 205 532 ( 99 205) Kapokcultuur 5 759 ( 2 388) Hars- en terpentij nbedrij f ... 31 663 ( 2 152) f 631 325 (f 261 982) Het totale in het bedrijf geinvesteerd kapitaal bedroeg einde 1934 f 18 609 980, als volgt over de verschillende cultures verdeeld: Rubbercultuur f 10 845 309 Getahpertja-cultuur 954 702 Koffiecultuur 564 740 Oliepalmcultuur 5 062 322 Klappercultuur 726 558 Kapokcultuur 209 840 Hars- en terpentijnbedrij f 246 509 Totaal f 18 609 980 Een overzicht van de winsten of verliezen van 's Lands Caoutchoucbedrijf over de jaren 1924 (het eerste jaar dat belangrijke winst opleverde) t/m 1934 is vervat in de volgende tabel: LANDBOUW. 73 b. 's Lands Kma- en Theebedrijf. De afzet van kinabast is gebleven beneden het peil van 1933, zoodat de baten, én door lageren middenprijs én door geringeren omzet terugliepen. Voor 1933 kon de inkomstenvermindering, welke ontstond door de in Maart 1933 doorgevoerde prijsverlaging van 25 %, goeddeels worden opgevangen door verder doorgevoerde bezuinigingsmaatregelen. Voor 1934 was daarvan uiter aard minder effect te verwachten, hetgeen door grootere beperking van den oogst nog werd geaccentueerd. Was voor de kma de gemiddelde netto-opbrengst per kg product minder gunstig dan in 1933, voor de thee was zij gunstiger, hetgeen aan tweeërlei invloed moet worden toegeschreven: in de eerste plaats de door de restrictie verbeterde marktpositie, welke vooral in de eerste maanden van het jaar tot uiting kwam, en ten tweede de verbetering van de qualiteit door het ouder worden van de theeheesters. De iets hoogere middenprijs komt echter niet tot uitdrukking in de financieele resultaten van het thee-bedrijf, omdat door een relatief hoogere rente en afschrijving alsmede doordat een gedeelte van den jongen aanplant nog niet in volle productie kwam, de kostprijs van het product meer steeg dan de gemiddelde netto-opbrengst. Hoewel voor de kma zoowel als voor de thee de directe productie-kosten daalden, konden deze gunstige resultaten geen uitdrukking vinden in het behalen van een grootere winst. Zoowel voor de kma- als voor de thee-cultuur werd een vruchtbare samenwerking onderhouden met de desbetreffende proefstations, zoowel op het gebied van selectie als van practisch werk en bereiding, welke samenwerking én voor het bedrijf én voor de proefstations van groote beteekenis is. Over het algemeen was de weersgesteldheid in 1934 voor dit Landsbedrijf, zoowel voor de kma- als voor de theecultuur, niet ongunstig. De totale jaarhjksche neerslag was op bijna alle afdeelingen iets boven het 10 -jaarhjksche gemiddelde, terwijl geen bijzonder lange droge perioden voorkwamen. In Augustus kwamen op de hoogere ondernemingen in Pengalengan zeer zware nachtvorsten voor, waarbij vooral aan de theetuinen groote schade werd toegebracht. De thee-afdeeling van dit bedrijf (Pasir Junghuhn) had weinig van vorst te lijden. ') In procenten van het produeeerende gedeelte van het bedrijf op einde 1934. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 74 Wat betreft het optreden van ziekten en plagen is het jaar 1934 gunstig geweest. Djamoer oepas, wortelschimmels, stamroest en stamkanker bleven dit jaar beperkt. Helopeltis, zakrupsen en spanrupsen richtten geen ernstige schade aan, terwijl andere rupsen niet veelvuldig voorkwamen. In de droge maanden kwamen op de afdeeling Tirtasari de in het vorig Verslag genoemde grijze snuitkevers en schildluizen wederom veelvuldig voor, echter niet in verontrustende mate. Ook het voorkomen van engerlingen en bladrollers in de theetuinen gaf geen reden tot ongerustheid of het nemen van bijzondere maatregelen. In samenwerking met het Proefstation voor Kma werden enkele nieuwe toets en selectietuinen aangelegd. Ook in 1934 kon niet op groote schaal worden overgegaan tot de zoozeer gewenschte verjonging van den kina-aanplant, doordat de groote bastvoorraden en de relatief geringe afname nog steeds de uiterste beperking van den oogst vereischen. De be haalde oogst is dan ook vrijwel geheel afkomstig van het cultuur-technisch nood zakelijkste uitdunnen, opsnoeien en oogsten van zieke boomen. Enkele zeer kleine perceeltjes werden ter afronding van het areaal geheel afgerooid. Einde 1934 besloeg het met kma beplante oppervlak van dit bedrijf 932,99 ha. De oogst aan kinabast bedroeg 431 741 kg, waarvan 23 892 kg pharmaceutischc bast. De jaaroogsten 1933 en 1932 bedroegen resp. 551 480 en 613 302 kg bast. De verkoopen beliepen gezamenhjk 587 804 kg bast, tegen 394 501 kg in 1933 en 554 745 kg in 1932, waardoor de eind voorraad eind 1934 werd gebracht op 917 443 kg bast, hetgeen 137 663 kg minder is dan einde 1933, zoodat de voorraad kinabast met ruim 13 % werd ingekrompen. De loopende selectie en andere proeven bij het theebedrij f konden dit jaar worden gecontinueerd, waardoor, speciaal uit de plantwijdte-proeven, thans enkele zij het uiteraard nog voorloopige conclusies konden worden getrokken. Het met thee beplante oppervlak, groot 571,21 ha, onderging door verschillende mutaties en tengevolge van een plaats gevonden heropmeting in 1934 eenige wijziging. Bovendien zijn nog 9,09 ha als kweekerij in gebruik genomen. In 1934 werd in de theefabriek te Pasir Junghuhn verwerkt 1 710 152 kg nat blad, waaruit werd verkregen 386 425 kg droge thee, waartegenover 314 243 kg werd verkocht, zoodat de voorraad thee einde 1934 steeg tot 93 709 kg. De middenprijs 1934 bedroeg 66,57 et. per kg, tegen 62,42 et. in 1933 en 44,75 et. in 1932. De kostprijs te Batavia/Tandjoengpriok bedroeg in 1934 inclusief rente en afschrijving, 60,07 et. per kg, tegenover 56,85 en 70,76 et. per kg in 1933 en 1932. Einde 1934 werd een regeling ontworpen om de theeverbruikende Landsinstel lingen te voorzien van thee, afkomstig van dit Lands-bedrijf, waarbij als principe werd aangenomen, dat op de aldus te leveren thee geen winst zou mogen worden gemaakt. Deze regeling zou het voordeel hebben, dat niet onnoodig geld uit 's Lands kas vloeit, terwijl het theebedrijf door verhoogden omzet een lageren kostprijs kan verkrijgen. Met de proeven voor het cultiveeren van gewassen, welke zekere handelswaarde hebben, doch waarvan de cultuur óf nog niet in Indië werd geëntameerd, óf nog niet slaagde, werd voortgegaan. VEELEETT. 75 C. VEETEELT. Overzicht van den veestapel. In de provincie Oost-Java werd in verband met de vermindering van het veteri nair personeel de jaarlijksche veetelling alleen op het eiland Madoera gehouden. De sterkte van den veestapel is zoowel op Java als daarbuiten eenigszins achter uitgegaan. De verdeeling van het aantal paarden en het groothoornvee over den archipel einde 1934 (1933) blijkt uit het volgend overzicht. Paardenstapel. De achteruitgang van den paardenstapel bedroeg in 1934 op Java ruim 6000 stuks (2,68 %). De vermindering van het aantal valt vooral in de Vorstenlanden (3,93 %) en in de provincie Oost-Java (4,05 %) te constateeren; in West-Java is het aantal paarden met 2,32 % achteruitgegaan, terwijl het in Midden-Java vrijwel constant is gebleven. Het verdringen van het paard door vracht- en personenauto's, waaraan in de voorafgegane jaren de achteruitgang van den paardenstapel hoofdzakelijk was te wijten, heeft zich blijkbaar niet meer voort gezet. In de provincie Midden-Java werd voor het verkeer over kleine afstanden meer gebruik gemaakt van door dieren voortbewogen voertuigen. In de Buitengewesten is de sterkte van den paardenstapel vrijwel onveranderd gebleven. Tegenover een kleine toename op de oostelijke eilanden, staat een ongeveer even groote afname op Sumatra, hoewel hier in eenige streken de belangstelling voor de paardenfokkerij geenszins verminderd is. Runderstapel. De sterkte van den runderstapel is op Java van 4 079 349 in 1933 teruggeloopen tot 3 839 687 in 1934, hetgeen een achteruitgang beteekent van 5,87 %. Hoewel dit percentage door de geringe nauwkeurigheid van de gegevens niet geheel vaststaat, is het zeker, dat de lage veeprijzen de aanfok niet aanmoedigen en dat in verschillende streken meer vee dan vroeger van de hand wordt gedaan. Zooals uit de cijfers betreffende de verschillende deelen van Java blijkt, valt de vermindering van het aantal runderen alleen in de Vorstenlanden en in de provincie Oost-Java waar te nemen, dus in streken, welke door de inkrimping van de suiker industrie het meest zijn getroffen. In de Buitengewesten is het aantal runderen eveneens achteruitgegaan. De ver mindering bedroeg op Bali ± 21 000 stuks (9 %), op Sumatra ruim 6 000 stuks (1,7 %) en op Borneo 350 stuks (1,5 %). Op Celebes is de runderstapel in het zuidelijk gedeelte (ambtskringen Makassar en Watampone) met enkele honderden dieren toegenomen, in het noordelijk gedeelte (ambtskring Manado) daarentegen met bijna 3 000 runderen achteruitgegaan. Op de overige eilanden buiten Java viel een geringe toename te constateeren. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 76 De belangstelling van de bevolking voor de runderfokkerij bleef, ondanks de lage veeprijzen, vooral in de Buitengewesten bevredigend. De volbloed Ongole-fokkerij op Soemba 's in 1934 zoowel qualitatief als quant' tatief vooruitgegaan. Het aantal runderen nam hier met ruim 20 % toe en steeg van 16 247 tot 18 770. Op Bali en Lombok liet de opkomst bij de selecties te wenschen over; verder bleek, dat clandestiene castratie op groote schaal plaats gehad moet hebben. De fokkerij van Balineesch vee in Zuid-Celebes ontwikkelde zich op zeer bevre digende wijze; vooral in de dicht bevolkte streken, waar het economische nut van het Bali-rund als ploegdier, melkproducent of slachtdier het grootste is. In de ambts kringen Makassar en Watampone waren einde 1934 7979 Bali-runderen aanwezig, verdeeld over 315 koppels. Op Timor ging het met de Bali-fokkerij, ondanks den geringen afzet, eveneens naar wensch. De Madoereesche fokkerij op Flores breidde zich met 7 nieuwe koppels uit. Wegens de moeilijkheden een afzetgebied te vinden, beperkte de economische beteekenis van den rundveestapel zich hier voorloopig tot plaatselijke slacht- en mestproductie. Buffelstapel. De sterkte van den buffelstapel op Java is wederom achteruit gegaan en wel met ruim 40 000 dieren (2 %). In de provincie West-Java bedraagt de achteruitgang bijna 3 %, in de Vorstenlanden ruim 7 % en in de provincie Midden- Java 0,4 %. Daartegenover staat een kleine vermeerdering van het aantal buffels in Oost-Java (met 0,34 %). Ook in de Buitengewesten is de buffelstapel bijna overal numeriek achteruit gegaan. Op Sumatra werden in 1934 bijna 12 000 buffels (ruim 3 %) minder geteld dan in 1933. Uit dezen staat blijkt dat het aantal schapen en geiten belangrijk is verminderd. Voor de geitenfokkerij, in het bijzonder voor de verbetering van het inheemsche ras door kruising met het Etawa-ras, bestond vrijwel in alle streken van Nederlandsch- Indië groote belangstelling. De varkens fokkerij, op Java uitsluitend gedreven door Chineezen en een klein aantal Europeanen, was niettegenstaande de belangrijke daling van de kosten van het voer niet zeer loonend, aangezien de prijzen der varkens laag bleven. Omtrent den varkensstapel in de Buitengewesten kan alleen vermeld worden, dat op Lombok de animo voor de varkensfokkerij tengevolge van de slechte prijzen gedaald is en dat het gelukt is voor de varkens van het eiland Nias een afzetgebied op de Oostkust van Sumatra te vinden. Met de fokkerij van de Koomsch-katholieke Missie op Flores met Etrropeesche varkens ging het ook in 1934 naar wcnsch. Kleinveestapél. Voorzoover gegevens omtrent den kleinveestapél op Java bekend zijn geworden, was de sterkte ervan einde 1934 (1933) als volgt: VEETEELT. 77 Pluimveestapel. De belangstelling van de inheemsche bevolking voor de ratio neele hoenderfokkerij bleef gering. Omtrent de door Europeanen gedreven fokkerijen van raskippen valt te vermelden, dat een aantal werkloozc Europeanen begonnen is kleine hoenderparken op te zetten. De oendenfokkerij op Bali en Lombok, langs de Noordkust van Java en in enkele streken van Sumatra en Borneo, kon tengevolge van den levendigen handel in eendeneieren haar beteekenis behouden. Algemeene gezondheidstoestand. De algemeene gezondheidstoestand van don veestapel was op Java en in het grootste gedeelte van de Buitengewesten gunstig. Alleen op Roti en Soembawa en in de Minahasa werd de veestapel door miltvuur- on surra-uitbraken vrij ernstig getroffen. Voor het pluimvee vormde de pscudovogelpest een voortdurende bedreiging; hoewol do ziekte vrijwel in alle stroken van Nederlandsch-Indië voorkwam, hooft zij niet zulke groote verliezen als in vroegere jaren veroorzaakt. Vocdselgebrek deed zich nergens voor; hier on daar was in sommige maanden de hoeveelheid vee-voer wel wat schaarscher dan in andere perioden van het jaar. Het systematisch onderzoek op Bali naar het voorkomen van cysticercose bij runderen en buffels werd voortgezet, evenals de propaganda ter bestrijding van deze ziekte. In 1934 werden onder 3838 geslachte en aan keuring onderworpen runderen 1006 met cysticerci behept bevonden, dat is dus 26,21 %. Bij buffels was het besmettingspercentage 9,66 %. Medio 1934 werd begonnen de herkomst van met cysticerci behebt bevonden dieren na te gaan, ten einde zoo mogelijk vast te stellen, in welke streken van Bali de cysticercose het uitgebreidst voorkomt. Evenals in vorige jaren werd trichinosis bij varkens en honden alleen in de Bataklanden on de Oostkust van Sumatra geconstateerd. In eerstgenoemd gebied werden 3406 varkens en 1405 honden onderzocht, waarvan 83 varkens (2,4 %) en 29 honden (2 %) trichineus werden bevonden. Ter Oostkust van Sumatra bleken van 16 753 varkens 213 (1,27 %) en van 792 honden 6 (0,75 %) met trichinen besmet te zijn. Veehandel. De lage marktprijzen voor paarden, runderen, buffels on kleinvee bleven op Java over het algemeen stationnair; alleen in Besoeki en Madioen zijn de prijzen voor runderen en buffels, in Soerakarta die voor buffels en varkens en in West-Java die voor varkens nog iets gedaald. Op Madoera vond een belangrijke prijsdaling van alle diersoorten plaats. Op de Kleine Soenda-eilanden zijn de veoprijzen nog verder gedaald, terwijl zij in de overige gewesten buiten Java vrijwel gelijk bleven aan die van 1933. De lage prijs van Bali- en Lombok-vee heeft den invoer van dit vee in West-Java van 7750 stuks in 1933 doen toenemen tot 15 307 stuks in 1934, met het gevolg dat daardoor het slachtvee van Midden-Java op de markt te Batavia gedeeltelijk is verdrongen. Overigens viel in den veehandel op Java geen noemenswaardige verandering te bespeuren. De doorvoer van runderen en buffels uit Oost-Java door het gouver nement Soerakarta naar Jogjakarta en Midden-Java was belangrijk; de invoer van runderen uit Middon-Java in de provincie West-Java onderging een geringe daling, terwijl die van buffels vrij aanzienlijk is gestegen (van 3920 dieren in 1933 tot 4824 in 1934). De uitvoer van runderen uit Bali bedroeg 34 057 stuks, tegen 27 564 stuks in 1933. De waarde van dezen uitvoer was f 535 600, tegen f 682000 in het jaar tevoren; de gemiddelde prijs per exportdier daalde derhalve van f 24,70 tot f 15,75. Omtrent het verloop van den runderexport van Bali naar de verschillende havens verdient vermelding, dat de export naar Tandjoengpriok on Palembang sterk toenam, terwijl die naar Singapore en Soerabaja vrij belangrijk daalde. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 78 Het aantal uit Bali uitgevoerde varkens liep van 110 520 in 1933 terug tot 108 253 in 1934. Deze achteruitgang komt uitsluitend op rekening van de mindere vraag van Singapore: naar Nederlandsch-Indische havens nam de varkensexport met 151 dieren toe. De waarde der uitgevoerde varkens bedroeg f 730 700, tegen fB3O 120 in 1933; gemiddeld bracht een varken f 7,25 op, hetgeen f 0,26 minder is dan in 1933. De uitvoer van buffels uit Soembawa en Lombok toonde een aanzienlijke toename vergeleken met die in 1933. Invoer van slachtvee in Zuid-Sumatra uit Java, Madoera en Bali had geregeld plaats. Vergeleken met 1933 is de invoer van buffels van Java (Bantam) in de Lam poengsche Districten sterk toegenomen. De afzet van Atjeh-vee naar de Oostkust van Sumatra, welke in 1933 weinig bevredigend was, werd in 1934 in goede banen geleid en vertoonde tegen het einde van 1934 een merkbare opleving. Door verlaging van de vrachttarieven der Koninklijke Paketvaart Maat schappij, welke ook op andere trajecten werd doorgevoerd, kon de uitvoer van buffels uit Sinabang naar de Westkust van Sumatra belangrijk worden opgevoerd. De vleeschprijzen zijn deels op het lage peil van 1933 blijven staan, deels nog verder gedaald. Voor een overzicht van die prijzen diene het volgende staatje: Wat de huiden aangaat, viel een verhooging van de prijzen voor natte huiden en een verlaging van die van droge huiden te constateeren. Natte runderhuiden deden in 3 qualiteiten 12 a 13, 9 a 11 en 7 a 9 gulden per pikol; de prijzen voor natte buffelhuiden lagen tusschen 4 en 7 gulden. Voor droge runderhuiden prima qualiteit werd einde 1934 te Soerabaja, Semarang en Batavia respectievelijk f 38, f 48 en f 40 per pikol betaald. Overheidszorg voor den veestapel. Het personeel bij den Burgerlijken Veeartsenijkundigen Dienst bestond einde 1934 uit 5 inspecteurs, van wie 1 fungeerend, 32 gouvernements veeartsen, 53 gouver nements Indische veeartsen, 1 opzichter, 19 hoofdmantri's, 148 mantri's, 15 schrijvers lste klasse en 12 schrijvers. Aan de provincies op Java waren voor de haar opgedragen werkzaamheden op veeartsenij kundig gebied van bovengenoemd personeel ter beschikking gesteld 3 inspecteurs, van wie 1 fungeerend, 15 gouvernements veeartsen, 24 gouvernements VEETEELT. 79 Indische veeartsen, 10 hoofdmantri's, 64 mantri's, 5 schrijvers Iste klasse en 2 schrijvers. Omtrent wijziging van de veeartsenij kundige ambtskringen en de standplaatsen van de gouvernements veeartsen zie men Bb. nos. 13131, 13159 en 13312. De werkzaamheden tot verbetering van den paardenstapel en ter bevordering van de paardenfokkerij waren in hoofdzaak gericht op het bestendigen van reeds behaalde resultaten. In het gewest Manado werden 2 Sandel-Arabische hengsten ingevoerd, die in de onderaf deeling Paloe werden gestationneerd. Voor het regentschap Pekalongan (prov. Midden-Java) werd een dekhengst van Soemba betrokken, terwijl voor het gouvernement Soerakarta 3 Sandel-hengsten op Java werden aangekocht. Voor de paardenfokkerij in West-Java werden 4 Sandelhout-hengsten aange kocht; verder kreeg de provincie van een particulieren paardenfokker een volbloed hengst ten geschenke. Einde 1934 stonden 37 Sandelhout-hengsten en 4 Australische hengsten ter beschikking. Tengevolge van een in October ingevoerd premiestelsel voor de hengstenhouders nam het aantal dekkingen in het vierde kwartaal vooral in de regentschappen Bandoeng en Soemedang belangrijk toe. Op Sumatra heeft het Gouvernement met de paardenfokkerij alleen nog bemoeienis in de residentie Sumatra's Westkust. In verband met het streven van den Minang kabauer om een grooter paard te fokken, is de vraag naar Sandel-Arabische hengsten zeer toegenomen. Aan de vele aanvragen kon slechts in 3 gevallen worden voldaan. Door de over het gewest verdeelde 35 hengsten, waaronder 8 Sandel-Arabieren, werden 1676 merries met succes gedekt. Voor de verbetering van den runderstapel op Java werden in 1934 van gouver nementswege tegen normalen prijs 298 Ongole-stieren, 80 Ongole-vaarzen, waarvan 1 met kalf en 3 Hissar-vaarzen waarvan 1 met kalf, en verder tegen verminderden prijs 21 afgekeurde Ongole-stieren aan de bevolking verstrekt. De normale prijs bedroeg f 75 per dier franco plaats (station) van bestemming, terwijl de verminderde prijs f 30 was loco Pengarasan. Bovendien werden 8 Ongole-stieren en 2 Ongole vaarzen kosteloos vervangen. In de provincie West-Java liep het aantal met Overheidssteun aan de bevolking verstrekte Ongole-dekstieren van 59 door vermindering met 32 en vermeerdering met slechts 22 dieren terug tot 49. In de provincie Midden-Java, waar begin 1934 1435 Ongole-stieren beschikbaar waren, verminderde dit aantal door verkoop, slacht of sterfte met 193 dieren, terwijl slechts 110 nieuwe stieren geplaatst werden, zoodat einde 1934 het aantal dekstieren 1352 bedroeg. In de Vorstenlanden liep het aantal dekstieren van 228 terug tot 206; ook het aantal Ongole-koeien en kalveren — deze worden alleen in Jogjakarta gehouden — ging achteruit en wel van 235 tot 196 stuks. In de provincie Oost-Java verminderde het aantal dekstieren met 25; het bedroeg bij het begin van 1934 1908 en op het einde 1883 stuks, namelijk 1190 Ongole-stieren, 661 Madoereesche stieren en 32 in Indië gefokte zwart bonte Hollandsche stieren. Het aantal Ongole-fokkoeien steeg van 512 tot 544. Op Soemba werden 52 nieuwe particuliere Ongole-koppels gevormd; 34 ervan kwamen in handen van personen, die tevoren geen veebezit hadden. Het aantal aangevraagde contractstieren bedroeg 110 stuks, waarvan tengevolge van de in 1933 ingevoerde strengere selectie onder de jonge stieren slechts 62 verstrekt konden worden. Op Sumatra werden voor de verbetering van den runderstapel uit Padang Mangatas 46 stieren, 7 vaarzen en 2 kalveren uitgegeven. In de Zuider- en Oosterafdoeling van Borneo werden van Soemba 40 Ongole stieren en 15 vaarzen ingevoerd. 1)10 STAATKUNDIGE TOESTAND. 8 de door Nederland onderscheidenlijk met Turkije, Venezuela en Noorwegen op 16 April 1932, 5 April 1933 en 23 Maart 1933 gesloten verdragen tot beslechting van geschillen door rechtspraak, arbitrage en verzoening. b. Uitlevering. Op 22 Mei, 16 Juli en ——— —, — 1934 werden bij notawis -5 September seling onderscheidenlijk met Tsjechoslowakije, Finland en Estland de bepalingen vastgesteld nopens de toepasselijkheid op de buiten Europa gelegen gebieds deelen van het Koninkrijk der Nederlanden van do met die landen door Nederland gesloten verdragen betreffende uitlevering en rechterlijken bijstand in strafzaken (I. S. 1934 Nos. 522, 583 en 699). In 1934 werd door de Nederlandsch-Indische Regoering één .Maleier uitgeleverd aan het Bestuur van Johore en één Portugees aan dat van Timor-üilli. Tot de auto riteiten der Straits Settlements werden twee verzoeken om uitlevering gericht, beide een Chinees betreffende; uitlevering vond echter niet plaats, wijl betrokkenen onvindbaar waren. c. Toelating en uitzetting. Het Toelatingsbesluit word nader gewijzigd on aan gevuld teneinde oenorzijds de mogelijkheid te openen, dat bij ordonnantie wordt voorzien in welke gevallen en tot welk bedrag aanspraak kan worden gemaakt op terugbetaling van hot ontschepingsgeld en anderzijds te bepalen, dat Nederlanders, aan wie binnen /.es weken na hun ontscheping de toelating wordt geweigerd, door en ten laste van de scheepvaartmaatschappij of reederij met welker schip zij in Nederlandsch-Indië zijn aangekomen, worden teruggezonden naar de plaats van inscheping (I. S. 1934 Nos. 397, 607 en 608). De voor 1935 vastgestelde immigratie-quota zijn gelijk aan die voor 1934 (I. S. 1934 N°. 690). liet aantal personen, dat in 1934 in Nederlandsch-Indië werd toegelaten bedroeg 11 899, waarvan 2354 Nederlanders. Voor do overigen bedroegen de aantallen, gegroepeerd volgens de landaarden genoemd in de immigratieregeling in I.S. 1933 N°. 492: Inheemsche bewoners van Fransch Indo-China en Siam: 2: Inheemsche bewoners van Arabic. Palestina, Trans Jordanië, Syrië en Irak: 281; Britsch-Indiërs, Cevlonnooy.cn on Birmanee/.cn: 455: Chineezen: 7512: Japanners en inheemsche bewoners der Japansche mandaatgebieden: 741: Inheemsche bewoners van Malakka, Britsoh Noord-Borneo, Broenei, Serawak, Portugeesch Timor en de Filippijnen: 2; Overige inheemsche bewoners van Azië: 3; Australiërs, Nieuw-Zeelanders en inheemsche bewoners dor Australische mandaatgebieden: 7; Inheemsche bewoners van Afrika: geen; Noord-Amerikanen: 109: Zuid-en Midden-Amerikanen: 1; overige Britsche onderdanen: 138; Duitschers, Oostenrijkers, Denen. Noren, Zweden en Zwitsers: 211; Franschen, Italianen, Belgen, Spanjaarden, Hongaren en Portu geezen: 28; overige bewoners van Europa: 22. De toelating werd geweigerd aan 15 personen (3 Nederlanders, 2 andere Euro peanen, 1 Japanner en 0 Chineezen). I n trekking der toelat ingskaart en uitzetting vonden plaat sm 13 gevallen (12 wegens gevaar voor de openbare rust en orde on 1 wegens veroordeeling tot een misdrijf na de toelating), allen betreffende ('liincc/.cn. Aan één Chinees werd voorts krachtens art. 35 der Indische Staatsregeling het verblijf in Nederlandsch-Indië ontzegd. d. Indische werkkrachten in hd buitenland. In 1934 word één werfvergunning op den voet der regeling in I. S. 1887 N°. 8 verleend, nl. voor 1610 arbeiders voor Nieuw-Caledonië, naar welk gebied 1041 contractarbeiders vertrokken. In 1934 keerden 1198 werklieden uit het buitenland terug. Voor verdere bijzonderheden nopens de arbeidsvoorwaarden, enz. van in het buitenland «erkende Javaansche werklieden wordt verwezen naar de daarop betrekking hebbende § in hoofdstuk V. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 80 Evenals in vorige jaren beperkte zich de bemoeienis van den veeartsenijkundigen dienst met de buffelfokkerij in bijna alle streken van Nederlandsch-Indië tot selectie en castratie van stieren en het tegengaan van het slachten van vrouwelijke buffels, die nog nuttig voor de voortteling worden geacht. Alleen in de provincie Midden- Java werd bovendien ervoor gezorgd, dat speciale dekbuffels ter beschikking staan. Ten einde voor de verbetering van den geitenstapel de beschikking te verkrijgen over een grooter aantal fokdieren, werd einde 1933 besloten 120 a 150 Etawa-geiten en bokken in Britsch-Indië aan te koopen, waarvoor de Regeering f 15 000 beschik baar stelde. In totaal werden 122 dieren aangebracht. In West-Java werd van provinciewege te Soemedang een station voor de teelt van volbloed Etawa-geiten opgericht. De in 1933 in de provincie Midden-Java opgerichte 7 fokkerijen van volbloed Etawa's gingen goed vooruit. Met het ver strekken van fokdieren aan de bevolking werd voortgegaan. Van het gouvernementsfokstation te Pengarasan (nabij Tegal) werden 5 Etawa bokken, 2 geiten en 1 lam aan de bevolking in Midden-Java verstrekt. Einde 1934 waren op dit station 2 dekbokken, 9 moedergeiten, 4 jonge bokjes en 10 geitjes aanwezig. De Etawa-fokkerij te Lcnang Tocpang Beroe op het eiland Soembawa heeft ook in 1934 veel van wormziekten en schurft te lijden gehad. Einde 1934 omvatte de fokkerij 5 dekbokken, 21 jonge bokken, 28 volwassen en 34 jonge geiten (88 dieren, tegen 90 in 1933). De fokkerij van Etawa-geiten te Padang Mangatas (Sumatra) is door groote sterfte tengevolge van worminfecties belangrijk achteruitgegaan. Het aantal geiten verminderde met 26 en bedroeg einde 1934 46. Aan de aanvragen uit de verschillende streken van Sumatra tot verstrekking van Etawa-bokken kon in vele gevallen wegens gebrek aan materiaal niet voldaan worden. Omtrent de schapenfokkerij worde medegedeeld, dat in het regentschap Cheribon van de provincie West-Java 10 dekrammen van het Priangan-ras en in de regent schappen Magelang, Temanggoeng en Poerworedjo van de provincie Midden-Java 9 rammen en 6 ooien van dit ras gestationneerd werden. In de provincie Midden-Java werd door den veeartsenij kundigen dienst aan de bevolking de noodigo voorlichting gegeven betreffende de pluimveeteelt. Met ingang van 1 Januari 1934 werd het Veeartsenij kundig Instituut, dat tevoren rechtstreeks ressorteerde onder den Directeur van Economische Zaken, onder gebracht bij den Burgerlijken Veeartsenij kundigen Dienst. De Directeur werd onder toekenning van den titel „Onderhoofd van den Burgerlijken Veeartsenij kundigen Dienst", nevens zijn eigen functiën belast met werkzaamheden op het hoofdkantoor van dezen dienst te Batavia. Evenals in vroegere jaren heeft het Instituut door verstrekking van entstoffen krachtdadig medegewerkt tot de bestrijding van besmettelijke veeziekten. Aangezien het zwaartepunt van de immunisatorische ziektebestrijding meer en meer op de voorbehoedende entingen wordt gelegd, nam de bereiding van vaccins aanmerkelijk toe, terwijl de behoefte aan sera verminderde. Ten behoeve van de bestrijding van de epizoötische (haemorrhagische) septi chaemie werden 853 liter serum en 744 420 cc vaccin verstrekt, tegen 1178,2 liter serum en 629 940 cc vaccin in 1933. In de veeartsenij kundige ambtskringen Soerakarta, Madioen, Weltevreden en Soekaboemi werden bij ;4- 15 300 buffels prophylactische entingen tegen septi chaemie toegepast. De sedert jaren in Bantam op groote schaal verrichte prophylactische vaccin entingen zijn in 1934 achterwege gebleven. Daarentegen werden, nadat de in 1933 in de Toradjalanden op Celebes toegepaste proef-vaccinaties bij buffels en varkens gunstige resultaten hadden opgeleverd, in 1934 massale entingen in genoemde streek VEETEELT. 81 verricht en wel bij ruim 22 000 buffels en 15 000 varkens. Ook in de aangrenzende onderafdeeling Bone werd het vaccinatiegebied uitgebreid tot 7 districten, waar ruim 21 000 buffels prophylactisch behandeld werden. Verder werden pioerVaoci naties op de eilanden Soemba en Timor bij respectievelijk i 6 000 en 2 400 buffels en runderen verricht. In verband met het uitbreken van septichaemie werden in den ambtskring Makassar i 5700 buffels en runderen gevaccineerd. De uit verschillende ressorten verkregen berichten omtrent de prophylactische en curatieve waarde van het septichaemie-scrum luidden gunstig. Van 329 curatief behandelde dieren herstelden 64 %. Voor de bestrijding van miltvuur werden 498,6 liter serum (in 1933 547,1 liter), 92950 cc vaccin B. R. S. en 25650 cc vaccin P. G. V. (in 1933 samen 151 910 cc) afgeleverd. Behalve twee groote, peracuut verloopende miltvuur-explosies in de landschappen Dompoe en Seteloek (Soembawa) heeft do veestapel weinig van miltvuur te lijden gehad. Entingen met vaccin, ten deele simultaan met serum, werden op groote schaal uitgevoerd in de ressorten Soembawa-besar, Raba en Watampone respec tievelijk bij ± 11 400, 5600 en 1800 dieren, waardoor het miltvuur met succes kon worden bezworen. Op het eiland Lombok, waar in 1933 ± 1400 buffels aan miltvuur zijn gesuccombeerd, werden in 1934 ruim 31 000 buffels preventief gevaccineerd. De in de afdeeling Padang sidimpoean (Sumatra) sinds 1931 ingestelde jaarhjksche miltvuur-vaccinaties werden ook in 1934 herhaald en wel bij 12 600 buffels. Als curativum werd het miltvuurserum bij 124 patiënten toegepast, waarvan 75 t± 57 %) herstelden. Voor de prophylactische entingen tegen boutvuur werden 769 500 cc kiemvrij boutvuur-filtraat en 99,3 1 serum (tegen 792 000 cc en 91 1 in 1933) verzonden. In de bekende boutvuurstreken van Madioen, Soerakarta en Jogjakarta werden met filtraat alleen ± 63 000 runderen en met filtraat, voorafgegaan door serum inspuitingen, i 6000 dieren geënt. Verder werden door het Veeartsenij kundig Instituut nog verstrekt 12 1 serum en 1000 cc vaccin ter bestrijding van de septichaemie der varkens, 14 429 cc vaccin tegen diphterie en pokken bij hoenders, 300 cc serum tegen hoendercholcra, 12,5 1 polyvalent serum tegen cohbacillose en 18,7 1 serum en 140 cc gedoode abortus cultuur voor de bestrijding van besmettelijke abortus der runderen. Het diagnostisch serologisch onderzoek (malleus, abortus, miltvuur, enz.) vond plaats bij 3208 ingezonden sera en andere materialen. Ten behoeve van het diagnostisch onderzoek op malleus en tuberculose werden 10 929 cc onverdunde malleine, 3398 co bovine tuberculine A en 24 339 cc tuberculine B verstrekt. Het onderzoek naar het voorkomen van den gasbacil van Fraenkel in den darm inhoud van gezonde dieren werd afgesloten. In totaal werden gedurende de laatste jaren de faeces of de inhoud van den einddarm van 225 dieren (25 paarden, runderen, buffels, schapen, geiten, katten en honden en 50 varkens) onderzocht. Bij alle dieren kon genoemde bacil worden aangetoond. Voortgezet werd het in verband met de pathogenese van de Osteomyelitis bacillosa bubalorum opgezet onderzoek naar het voorkomen van anaerobe-bacillcn in het beenmerg van gezonde buffels. De stephanofilariosis genoemde huidaandoening bij runderen bleek op grond van materiaal, dat uit de ambtskringen Batavia, Magelang, Poerwokerto en Soera karta werd ontvangen, behalve in Noord-Celebes en Zuid-Sumatra, ook op Java vrij veelvuldig voor te komen. Het onderzoek naar de als „huidknobbelziekte" aangeduide buffelziekte werd door den betrokken afdeelingsleider gedurende zijn Europeesch verlof gecompleteerd, waartoe gastvrijheid werd genoten aan het Pathologisch Instituut van de Faculteit 6 DE ECONOMISCHE TOESTAND. 82 der Veeartsenij kunde te Utrecht. Dit onderzoek, gevoegd bij de in vorige jaren aan het Veeartsenij kundig Instituut verrichte bacteriologische experimenten en klinische waarnemingen, leidde tot de conclusie, dat deze ziekte een door zuurvaste micro organismen veroorzaakte chronische infectieziekte is, welke zeer groote overeenkomst vertoont met lepra tuberosa van den mensch, op grond waarvan aan de ziekte de naam „Lepra bubalorum" werd gegeven. Van de door de Koningin Wilhelmina Jubileum-Stichting toegestane subsidie ten behoeve van het trypanosomen-onderzoek kon gedurende het geheele jaar een chemisch geschoolde medewerker in dienst worden gehouden. Het onderzoek van trypanosomen-enzymen kon zoodoende ten einde worden gebracht. De verkregen resultaten, welke een goed inzicht geven in het probleem der trypanosomen-stof wisseling en -pathogenitcit, zullen t. z. t. in een aantal publicaties worden samengevat. Nederlandsch-Indische Veeartsensehool. Evenals het Veeartsenij kundig Instituut, werd ook de Veeartsensehool met ingang van 1 Januari 1934 met den Burgerlijken Vceartsenijkundigen Dienst tot één Dienst samengevoegd. Op genoemden datum bestond het personeel uit den directeur, tevens belast met het geven van onderwijs, 2 vaste leeraren, 8 tijdelijke leeraren en 3 assistent-leeraren. Het aantal leerlingen bedroeg begin 1934 in 4 studiejaren tezamen 27. Van de 10 leerlingen van het 4de studiejaar slaagden 7 voor het eindexamen. Bij het begin van den cursus 1934 —1935 werd geen eerste studiejaar geformeerd. Einde 1934 waren de verschillende klassen als volgt samengesteld: 2de studiejaar 6 leerlingen, 3de studiejaar 4 leerlingen en 4de studiejaar 7 leerlingen. Dierenbescherming. Een in 1932 van Regeeringswege ingestelde enquête inzake omvang en aard van dierenmishandeling bracht in 1934 aan het licht, dat weliswaar de bestaande wet telijke voorzieningen alle gevallen van strafwaardige mishandeling bestrijken, doch dat de snelheid der berechting van geconstateerde gevallen van mishandeling te wenschen liet. Ten einde een snelle en daadwerkelijke repressie van de meest voorkomende gevallen van dierenmishandeling te bereiken, zijn bij Ord. van 23 Nov. 1934 (I. S. n°. 644) het Wetboek van Strafrecht, het Reglement op de rechterlijke organisatie en het beleid der justitie in Nederlandsch-Indië en het Rechtsreglement Buitenge westen aangevuld en gewijzigd in dien zin, dat de lichte vormen van dieren mishandeling door de landrechters worden berecht. Deze regeling trad 1 Januari 1935 in werking. Nuttig werk op het gebied der dierenbescherming werd verricht door het streven van de „Nederlandsch-Indische Vereeniging tot Bescherming van Dieren" en „het Paardenfonds" om liefde tot en begrip van het dier in breode lagen der bevolking aan te kweeken. Door het plaatsen van drinkbakken, het oprichten van hoefsmederijen onder deskundige leiding, de inrichting van dieren-asyls en een voortdurende controle door daartoe aangestelde opzieners wordt door genoemde vereenigingen in belangrijke mate bijgedragen tot daadwerkelijke verbetering van het lot der trekdieren. In het asyl te Tjipanas (West-Java) werden tal van verwonde of drachtige paarden verpleegd, terwijl regelmatig misvormde of versleten dieren werden afgekocht. Een achttal reserve-paarden was beschikbaar om uitgeleend te worden aan hen wier dieren tijdelijk invalide waren. Ook de klinieken te Batavia en Cheribon bleken in een groote behoefte te voorzien. In eerstgenoemde gemeente werden 618 gebrekkige paarden door de Vereeniging tot Bescherming van Dieren overgenomen. In de provincie Midden-Java werden te Tegal en te Tjepoe afdeelingen van de Nederlandsch-Indische Vereeniging tot Bescherming van Dieren in het leven geroepen. VEETEELT 83 De Vereeniging tot bescherming van dieren in Soerakarta heeft in den loop van 1934 te Solo, Klaten en Karanganjar 432 versleten paarden aangekocht; 375 dezer paarden werden tegen de verminderde slacht belasting van f 1 per dier (I. S. 1933 n°. 352) geslacht, terwijl de rest werd afgemaakt en begraven. Verder werd door die vereeniging naast de reeds bestaande polikliniek een hoefsmederij in bedrijf gesteld. In de provincie Oost-Java werd te Soerabaja een paardenkliniek onder toezicht van den gemeente- en den afdeelingsveearts, en te Malang een dierenpolikliniek onder leiding van de aldaar aanwezige veeartsen opgericht. In den ambtskring Watampone (Zuid-Celebes) werden door de landschappen bescheiden fondsen voor poliklinische behandeling van verwonde paarden beschikbaar gesteld. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 84 D. VISSCHERIJ EN VISCHTEELT 1. Zeevisscherij. In den loop van 1934 werd de taak van de onderafdeeling Zeevisscherij van den Dienst voor Landbouw en Visschcrij vrijwel geheel overgedragen aan de reeds in het Verslag over 1933 genoemde stichting ten algemeene nutte: Het Instituut voor de Zeevisscherij, waarin ook de „Instelling tot exploitatie van proefbedrijven" werd opgenomen. Door dezen vorm is de onontbeerlijke vrijheid verkregen voor de ontwikkeling van de werkzaamheden, waaraan leiding wordt gegeven en waarop toezicht wordt gehouden door een Raad van Toezicht, waarin door den Directeur van Economische Zaken benoemde deskundigen op gebied van credietwezen, inheemsch bedrijfsleven, financiën en economie zitting hebben. De Raad brengt jaarlijks verslag aan genoemden Directeur uit, aan wien hij ook tusschentijds voor stellen kan voorleggen. Volgens art. 2 van de stichtingsacte is het doel de bevordering van de ontwikkeling van het zeevisscherij-bedrij f in den ruimsten zin, hetgeen zal worden nagestreefd door: a. den opzet en de exploitatie van proefbedrijven; b. de aanschaffing van visschersvaartuigen en andere bedrijfsmiddelen en den verkoop daarvan aan de bevolking; c. het verrichten van research werk; d. het bevorderen van den afzet van visseherij-producten; e. het zoo noodig besturen en beheeren van en het houden van toezicht op plaatselijke visch veilingen ten behoeve der visseherij; /. het beheeren van door de sub e bedoelde instellingen gevormde gemeenschappelijke fondsen ter verzekering van prauweigenaren en visschers tegen beschadiging of verlies van prau wen en vischtuig. Einde 1934 bestond de vloot uit het onderzoekingsvaartuig Lajang uitgerust met een 60 PK motor en 22 motorprauwen (motoren varieerend van 10 tot 36 PK), waaronder zoogenaamde voorpostprauwcn, waarmede gegevens omtrent het voor komen van belangrijke hoeveelheden visch worden verkregen ter voorlichting van de visschers. Drie der prauwen werden in 1934 uitgegeven. Substations zijn te Tegal en Semarang opgericht, waartoe mogelijkheid bestond door aanwezigheid van een vischveiling en voldoende havengelegcnheid voor hot binnenkomen van motorprauwen. Een voorloopig onderzoek werd ingesteld naar de mogelijkheid tot oprichting van vischveilingen op een zevental plaatsen in Oost-Java, o. a. te Pasoeroean, Probolinggo, Kraksaan en Besoeki. 2. Binnenvisscherij en vischteelt. De zeer lage vischprijzen waren een groot bezwaar voor het voortzetten van het vischvij versbedrij f. In het bijzonder werd het steeds moeihjker om de zout water vijvers met eenige winst te exploiteeren, daar de pootvisch, welke uit zee moet worden gevangen, schaarsch was en daardoor extra duur werd. De onderafdeeling Binnen visscherij had toen succes met de propaganda voor een bezetting der vijvers met geringere hoeveelheden pootvisch dan de bevolking gewend was. Door den snelleren aanwas per visch waren de finantieele resultaten gunstig. Voorts werd op verscheidene plaatsen door een betere behandeling van den vijverbodem en door bemesting met organische stoffen een betere voedselvoorziening verkregen met als gevolg zeer ver beterde producties. Het exploiteeren van demonstratie-vijvers bleek daarbij het doeltreffendst propaganda-middel. In Midden- en Oost-Java werd bereikt, dat groote oppervlakten verlaten vijvers weer in bedrijf werden gesteld, toen de eigenaren het nieuwe systeem hadden leeren waardeeren. Goede resultaten werden in Midden-Java bereikt door ruilverkaveling van het vijverbezit, waardoor de exploitatie verbeterd en weer loonend werd. Groote bandjirschade werd in Maart 1934 geleden aan een deel der vijvers tusschen VISSCHERIJ EN VISCHTEELT. 85 Semarang en Kendal, terwijl in Oost-Java tengevolge van een bandjir in de Kali Porong ruim 700 ha bevolkingsvijvers werden overstroomd. De credietverschaffing door do Algemeene Volkscredietbank aan de zeer weinig kapitaalkrachtige telers van zoetwatervisch in het gewest Priangan —■ in samen werking met bovengenoemde onderafdeeling — heeft velen voor ondergang behoed. Voor vischteelt tusschen den rijstaanplant werd vooral in Oost- en Midden-Java veel belangstelling gewekt. In eenige streken werd daardoor reeds een voor de bevol king goedkoop eiwitrijk voedsel verkregen. Om aan de daardoor ontstane vraag naar pootvisch te kunnen voldoen, werden er verscheidene Inlandsche teeltbedrijfjes opgericht volgens de aanwijzingen van den dienst. Ook overigens was er een groote vraag aan de gouvernements kweekorijen te Kalen (Soerabaja), Poenten (Malang) en Bandoeng om pootvisch: door die kwceke rijen en de kweckerij bij de rawah Djombor (Klaten) werden ruim 1 300 000 stuks afgeleverd. De zooeven genoemde rawah Djombor werd onder leiding van den betrokken ambtenaar voor de binnenvisscherij door de omwonende bevolking zoover noodig van begroeiing gezuiverd en tot vischwater gemaakt. Ter bezetting van dat 200 ha groote water werd een kweekerijtjc aangelegd. De vischgroei was goed, de opbreng sten waren bevredigend. De exploitatie is in handen van een vereeniging van In landsche belanghebbenden. Aan de verbetering en verdere zuivering van de Rawah Pening werd ook in 1934 voortgewerkt; nog ruim 300 ha drijvende gronden werden afgevoerd, waardoor het vischwater belangrijk werd uitgebreid en de infectie-kans door in de drijvende gronden voorkomende Eichhornia-plantcn verminderd, terwijl tevens bereikt werd dat de rawah meer bevloeiingswater (voor de vlakte van Demak) kon bevatten. Aandacht bleef besteed aan het onderzoek, aan welke voorwaarden de vischteelt op sawahs moet voldoen om een verspreiding van de malaria te voorkomen. Een nauwe samenwerking met den dienst der malariabestrijding bleef gehandhaafd, ook ten aanzien van een hygiënische exploitatie van vijvers. Op vele plaatsen langs de noordkust van Java konden vroeger malaria-gevaarlijke vijvers afdoende ver beterd worden en zonder schade voor de gezondheid in bedrijf gehouden. Het onderzoek naar de waarde van mest en van verschillende voedermiddelen voor productieverhooging werd voortgezet. Daarbij bleek, dat mest, bij voortduring gebruikt, alleen zonder gevaar kan worden aangewend in de toevoerleiding en dat zij in hoofdzaak groei bevorderend werkt voor kleine visch. Grove dedek en boengkil hadden zulk een lage voedingscoefficient, dat zij alleen daar kunnen worden ver voederd, waar zij in eigen bedrijf kosteloos worden verkregen, of waar zij tegen zeer lagen prijs kunnen worden aangekocht. De in het vorig Verslag vermelde gunstige resultaten, welke in vijvers bij het krankzinnigengesticht te Soemberporong werden verkregen, waren aanleiding om ook bij andere openbare instellingen met een groot aantal inwonenden het vijver bedrijf te propageeren ter voorziening in eigen behoefte aan visch voeding. Aanleg van vijvers vond plaats bij het krankzinnigengesticht Kramat (Magelang), bij dat te Buitenzorg, bij de gevangenis te Malang, de jeugdgevangenis te Banjoebiroe en de strafkolonie te Ambarawa. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 86 E. JACHT EN INZAMELING VAN BOSCH- EN ANDERE NATUURPRODUCTEN. 1. De jacht. De in het Verslag over 1933 reeds genoemde „Commissie Jachtwetgeving" kwam voor het eerst in Juni 1934 bijeen; nadat een werkplan was opgesteld, ving zij aan met de voorbereiding van herziening van de jachtordonnantie. Tevens besloot zij in beginsel een afzonderlijke jachtregeling voor de Buitengewesten te ontwerpen. Te dien einde verspreidde zij op groote schaal door tusschenkomst van de hoofden van gewestelijk bestuur een vragenlijst om betere gegevens omtrent beteekenis en aard van de jacht buiten Java en Madoera te verkrijgen. Het ontwerp voor een geheel herziene wetgeving op dit stuk voor Java en Madoera verkeert in een vergevorderd stadium van voorbereiding. Aanteekening verdient, dat voor de jacht in 's Lands ingerichte en overige voor instandhouding aangewezen bosschen op Java en Madoera een speciale vergunning ook voor schadelijk gedierte vereischt is. Alhoewel bierbij het belang der bosschen als zoodanig op den voorgrond staat, is het effect ervan voor bescherming van den wildstand niet zonder beteekenis. Voor jachtgebieden en wildsoorten wordt verwezen naar het vorig Verslag. Plaatselijk, o.m. in het gewest Palembang, werd overlast ondervonden van olifanten in welke gevallen aan militaire jachtpatrouilles verginming werd verleend om enkele exemplaren van deze dieren te schieten. De groote activiteit van de zijde van Bestuur en politie, alsmede de snelle be rechting van voorkomende overtredingen gaan de clandestiene jacht met kracht tegen. Niettemin werden ook in 1934 weder eenige overtredingen geconstateerd. Een krachtige bescherming van het groote wild werd gevonden in de bestaande bepalingen betreffende het verbod van uitvoer, behoudens verguruiing van den Directeur van Economische Zaken, van in het wild levende dieren, alsmede van daarvan afkomstige lichaamsdeelen. Uitgezonderd van dit verbod zijn de huiden van roofdieren — niet van roof vogels — en de reptielenhuiden met uitzondering van die van den reuzenvaraan. Het in 1933 door het Instituut voor Plantenziekten ingesteld onderzoek naar do beteekenis van varanen voor het verdelgen van ratten, is nog niet geëindigd. 2. Inzameling van bosch- en andere natuurproducten. Voor de economische beteekenis van deze boschproducten wordt verwezen naar het Verslag over 1933. De voornaamste uitvoerhavens bleven Bandjermasin, Samarinda, Pontianak, Makassar, Palembang, Padang en Ambon. De totale hoeveelheid producten werd in de douanestatistieken gewaardeerd op f 3,9 millioen, tegen f 3,8 millioen in 1933. Het onderzoek betreffende de winning, de verwerking en de aanwending van damar en copal, vond in 1934 gestadigen voortgang. De export van dit boschbij product nam weder eenigszins toe. BOSCHBOUW. 87 F. BOSCHBOUW. 1. Overzicht van den boschbouw en de boschexploitatie. De economische beteekenis van den boschbouw is in 1934 toegenomen. Als instelling voor het verschaffen van werkgelegenheid, voor de voedselvoorziening van grondbezitloozen in de z.g. boschveldbouwculturen, voor de voorziening van den kleinen man met goedkoop hout en voor het behoud van de productiviteit van landbouwarealen door boschbeschermende maatregelen, enz., verrichtte het bosch wezen goede diensten. Een belangrijk deel der genomen en ontworpen maatregelen kan echter eerst in do resultaten van 1935 en 1936 tot uitdrukking komen. Voor het djatihout van Java bleven de aspecten voor den houtafzet zeer on gunstig; daartegenover viel eenige opleving te constateeren in de productie der panglongbedrijven ter Oostkust van Sumatra en in Riouw en Onderhoorigheden, terwijl voor de andere boschgobieden dor Buitengewesten, vooral die van Borneo, de belangstelling belangrijk toenam, voornamelijk met het oog op de houtvoorziening van Japan, China en Zuid-Afrika. De financieele resultaten waren in 1934 minder ongunstig dan in het vooraf gegane jaar. Het djatibedrijf kon een iets grooter voordeelig saldo boeken, terwijl de nadeelige saldi der andere onderdeden van den dienst, welke niet of niet uit sluitend op het behalen van rechtstreeksch geldelijk voordeel gericht zijn, in totaal verminderden ten opzichte van 1933. Het volgend staatje geeft hiervan een over zicht, waarbij de cijfers voor 1933 als definitief zijn te beschouwen, doch die voor 1934 als voorloopig. De salariskortingen zijn zoowel voor 1933 als 1934 in rekening gebracht. De aankap door het Djatibedrijf liep iets terug ten opzichte van 1933, eveneens de omzet. De gemiddelde prijzen op de venduties met vendumecster bleven constant. De export van djatihout vertoonde een stijging. In het volgend staatje zijn enkele gegevens van 1934 en 1933 naast elkaar gesteld. DE ECONOMISCHE TOESTAND 88 De gecontroleerde oogst van hout en houtskool in de bosschen der Buitengewesten, dus exclusief de voor eigen gebruik door do Inlandsche bevolking gekapte hoeveel heden, is te schatten op 552 600 m 3 timmerhout, 375 600 stapelmeter brandhout en 45 700 ton houtskool (in 1933 resp. 531 900 m 3, 369 200 stapelmeter en 42 200 ton). Van de bovenvermelde hoeveelheden werd op de panglongs in Riouw en Beng kalis in 1934 geproduceerd 188 000 m 3 timmerhout, 145 000 sm brandhout en 38 000 ton houtskool, tegen resp. 159 000 m 3, 117 000 sm en 30 000 ton in 1933. De uitvoer van ebbenhout uit Manado vertoonde een vermindering van 16 % in vergelijking met 1933. Daarentegen was volgens de douanestatistieken de waarde van al de in 1934 uitgevoerde boschproducten 8 % grooter dan in 1933. Op het gebied van cultuuraanleg valt het volgende op te merken. Op Java en Madoera werden aangelegd 9197 ha djaticulturen en 5305 ha wild houtculturen, tegen resp. 7 730 ha en 4 925 ha in 1933. Behalve niet betrekking tot de waardevermeerdering van het boschareaal heeft de cultuuraanleg groote be teekenis voor de voedselvoorziening der bevolking, daar de boomaanplant meestal plaats heeft met tusschenplanting van tweede gewassen door de Inheemsche contrac tanten. In de Buitengewesten werden 360 ha met Pinus Merkusii beplant (300 ha in 1933). De politioneele toestand werd wederom ongunstiger. Alleen bij het Djatibedrijf nam het aantal geconstateerde boschdeheten toe van 33 471 in 1933 tot 39529 in 1934. Tengevolge van de hevige droogte gedurende den oostmoesson 1934 werd het boschareaal vrij sterk door branden geteisterd. De Dienst der Boschinrichting werd in verslagjaar belangrijk ingekrompen. Het Boschbouwproefstation richtte, zooveel mogelijk in samenwerking met andere instituten en particuliere lichamen, zijn aandacht voornamelijk op onderzoekingen welke door de tijdsomstandigheden geboden zijn. De commissie van bijstand en advies inzake het Boschwezen verrichtte belang rijken arbeid. Kwam zij in 1933 gereed met haar advies inzake het contract van het Land met de Vereenigde Javasche Houthandel Maatschappijen, in 1934 werd door haar een advies uitgebracht over de te volgen houtvervreemdingspolitiek, waarmede de Indische Regeering zich heeft kunnen vereenigen. Voorgesteld werd de instructie der commissie eenigszins te wijzigen om haar blijvende bemoeienis met de uitvoering der nieuwe richtlijnen voor houtvervreemdingspolitiek te kunnen geven. BOSCHBOUW. 89 Op het gebied der boschwetgeving valt te vermelden, dat einde 1934 het ontwerp voor een boschordonnantie voor de Buitengewesten den Volksraad bereikte. Dit ontwerp beoogt de tot nu toe gevolgde richtlijnen in het boschbeheer in de Buiten gewesten te consolideeren, en tevens om in de behandeling van zaken meer eenheid te brengen dan onder de huidige gewestelijke regelingen mogelijk is. Provinciale boschverordeningen voor Oost-Java en West-Java werden afge kondigd resp. op 30 Januari en 31 December 1934. Voor nadere wijziging en aanvulling van de verdeeling van Java en Madoera in houtvesterijen en boschdistricten zie men Bb. n°. 13344. Het onderzoek van de gronden behoorende tot het vrij Landsdomein, uitgevoerd door den Dienst der Wildhoutbosschen, had regelmatig voortgang. De reeds inge diende voorstellen omtrent de bestemming van deze gronden hadden betrekking op een oppervlakte van 126 000 ha, waarvan 32 000 ha voor inlijving bij do bosch reserve in aanmerking zijn gebracht. De terreinwerkzaamheden werden in 1934 voor een groot deel beëindigd. 2. Djatibedrijf J ). Tot het Djatibedrijf behoorden einde 1934 35 (35) definitief ingerichte beheers eenheden en 1 (1) boschdistrict (Kangean-Madoera). De uitgestrektheid van het areaal was 804 276 ha (796 680) en vermeerderde dus met 7 596 ha. Deze vermeerderingen (c. g. verminderingen) kunnen als volgt worden gespecifi ceerd. Het bijkantoor van den Technischen Dienst te Bodjonegoro werd opgeheven, zoodat eind 1934 nog bestond een Technische afdeeling op het Hoofdkantoor van het Djatibedrijf, alsmede de boschontsluitingssectie te Salatiga. De lengten der railbanen en van de niet gelegde staven bedroegen resp. 2607,9 km (2597,3) en 138,3 km (143,0). Als gevolg van de vastgestelde nieuwe richtlijnen voor de houtvervreemdings politiek en de oprichting van een centraal verkoopbureau, dat tot taak heeft de verdeeling van de door het Gouvernement gekapte houtmassa en de overdracht van hout aan den particulieren handel, is de verkoopafdeeling van het Djatibedrijf einde 1934 opgeheven. Aan djati-exploitatie-timmerhout werd gekapt 150 924 m 3 (160 441), terwijl aan djatidumüngstimmerhout werd geoogst 81 995 m 3 (81 175). *) In dit Verslag hebben de tusschen haakjes geplaatste getallen betrekking op het dienstjaar 1933. Deze getallen zijn to beschouwen als definitief, de cijfers voor 1934 zijn voorloopig. BETREKKINOEN MET HET BUITENLAND. 9 e. Voeren van rechtsgedingen. De Volksraad adviseerde in zijne eerste gewone zitting van het zittingsjaar 1934/35 (onderwerp 30) over het ontwerp van een alge meencn maatregel van bestuur, bevattende voorzieningen tot uitvoering van het op 31 Mei 1932 te Londen tusschen Nederland en Groot-Britannië gesloten verdrag, houdende bepalingen tot het vergemakkelijken van hot voeren van rechtsgedingen in burgerlijke on handelszaken (vgl. Indisch Verslag 1933, blz. 7). Het verdragende uitvoeringsregeling traden voor Nederlandsch-Indië in werking met ingang van 21 Maart 1935 (I. S. 1935 Nos. 93, 94 en 95). 4. Overige aangelegenheden. a. Grenskwesties op Timor. In Juli en September 1934 werden door Amanoe baners i 400 karbouwen en paarden van onderhoorigen van Miomaffo gestolen; een 70-tal verdachten word aan den gezaghebber van Noord- Middon-Timor over gegeven. Op Nederlandsch gebied werden in 1934 107 paarden en 100 karbouwen vermist, die vermoedelijk door Portugeesche onderdanen waren gestolen; slechts een /.eer gering gedeelte werd achterhaald. In 1934 werden twee Nederlandsche onderdanen door oen Portugeesche militaire patrouille gedood; één in de neutrale zone, gevormd door de grensrivier en één op Nederlandsch gebied; voorts worden twee Nederlandsche onderdanen door Portu geezen meegevoerd, doch later weer vrijgelaten. Invallen van Portugeesche benden hadden niet plaats. b. Bedevaart. Het aantal Mekkagangers bedroeg in het seizoen 1934 —1935 2830. Op 31 December 1934 worden tusschen de Nederlandsche en de Britsehe Begee ring nota's gewisseld, waarbij de duur van de op 19 Juni 1926 gesloten overeenkomst nopens het beheer van het quarantaine-station op het onder Britsch gezag staande eiland Kamaran (I. S. 1927 N°. 488) werd verlengd voor onbopaa-lden tijd mot oen opzeggingstermijn van één jaar. In .Maart 1932 bracht oen Russisch schip te Djeddah pelgrims aan wal zonder, overeenkomstig artikel 127 der Sanitaire Conventie (I.S. 1931 N e . 150), Kamaran te hebben aangedaan. Aangc/.icn een dergelijke overtreding gevaren kan opleveren voor de sanitaire belangen van de pelgrims, word zij door den gedelegeerde van Nederlandsch-Indië gezamenlijk met dien van Britsch-Indië ter kennis gebracht van het Internationaal Gezondhoidsbureau te Parijs. C. Gezondheidx-.unj. Als havens waar de in artikel 2.s der Sanitaire Conventie van 1926 bedoelde certificaten, strekkende tot vrijstelling van ontratting kunnen worden afgegeven, werden aangewezen: Tandjoengpriok (m. i. v. 1 December 1933), Soerabaja (m. i. v. 15 Juni 1934), Belawan-Deli en Makassar (m. i. v. 15 October 1934), Sabang (m. i. v. 1 November 1934) en Semarang (m. i. v. 1 Maart 1935) (Bb. Nos. 13129, 13268, 13331 en 13442). In afwachting van oen herziening der quarantaine-ordonnantie, teneinde daarin de voorschriften van het sanitair verdrag te verwerken, trad op 1 Juli 1934 oen nieuwe faciliteitenregeling in werking voor onbesmette (pestvrije) schepen, komende uit pest-besmette havens (Bb. N°. 13298). Op 22 December 1934 werden te Parijs een tweetal overeenkomsten gesloten betreffende afschaffing van de consulaire visa op gezondheidspassen en betreffende de afschaffing van gezondheidspassen, (vgl. Indisch Verslag 1933, blz. 8). Aangezien de Indische Regeering afschaffing der gezondheidspassen zelve slechts mogelijk achtte ten aanzien van buitenlandsehe havens, waarover het Singapore Bureau volledig is ingelicht, en van Nederlandsch-Indische havens, welke telegrafisch of telefonisch zijn aangesloten, werd alleen de eerstgenoemde overeenkomst mede voor DE ECONOMISCHE TOESTAND. 90 Voor het djatibrandhout bedroeg deze hoeveelheid resp. voor exploitatie en dunning 415 430 sm (407 450) en 124 221 sm (81 616). De afzet van djatitimmerhout liep nog ecnigszins terug, namelijk tot 198 505 m 3 (209 268), die van djatibrandhout vermeerderde eenigszins en bedroeg 608 990 sm (576 171). De voorraad djatitimmerhout nam toe tot 123 060 m 3 (118 451), terwijl die van djatibrandhout een afname vertoont tot 172 125 sm (197 584). De kap door tussehenkomst van aannemers is bij het bodrijf geheel beëindigd; deze bedroeg in 1933 722 m 3 djatitimmerhout en 2266 sm djatibrandhout. Bij overeenkomst tot tusschentijdsche beëindiging van het „Vejahoma-contract" van 12 Juli 1934 werd bepaald, dat deze beëindiging wordt geacht te zijn ingegaan op 1 Juli 1933. Aan de Vejahoma werd in 1934 op basis van een tijdelijke vóór verkoopovereenkomst afgeleverd 26 083 m 3, terwijl in 1933 op het Vejahoma contract werd afgeleverd 26 672 m 3. Op de stapelplaatsleveringscontracten werd afgestaan 4214 m 3 (4570). Op ojienbarc vendutie met vendumeester werd verkocht 47 201 m 3 (45 316) met een opbrengst van flOO5 638 (f 967 087). De gemiddelde prijs bleef constant f 21,31 (f 21,34). De producten werden op vendutie vrijwel tegen limietprijsver kocht. Op openbare vendutie werden verkocht 8 (8) groote kavelingen met een ge zamenlijken inhoud van 2122 m 3 (1950); hiervan kwam geen enkele (1 met 224 m 3 in 1933) kaveling in handen van den groothandel. Door incident celen onder handsehen verkoop werd vervreemd 100 738 m 3 (108 702). Aan den Dienst der Staatsspoorwegen werd verstrekt 4328 m 3 (7064) dwars liggers en 79 849 sm (83 028) brandhout. Voor desawerken werd verstrekt 975 m 3 (827). De uitvoer van djatitimmerhout nam toe tot 12 902 m 3 (8809). Aan dwarsliggers werden geëxporteerd naar de Unie van Zuid-Afrika 961 m 3 (0) on naar Portugecsch Oost-Afrika 1867 m 3 (1272). Aangelegd werden 7815 ha (6775) djati- en 544 ha (601) wildhoutcultuur. De verbrande boschoppervlakte bedroeg 33 902 ha (4378), zijnde 4,6% (0,6) van het totaal voor productie bestemde boschareaal. De geldelijke rekening geeft aan inkomsten f 4 920 610 (f 5 950 495) en aan uitgaven f 4 757 132 (f 5 789 703) en sluit dus met een voordeelig saldo van f 163 478 (f 160 792). Worden de kapitaalsuitgaven en -inkomsten buiten beschouwing gelaten en wordt een vergelijking alléén voor de exploitatie gemaakt, dan bedroegen de inkomsten f 4 917 904 (f 5 945 596), de uitgaven f 4 514 346 (f 5 345 941) en het batig saldo f 403 558 (f 599 655). 3. Dienst der wildhoutbosschen op Java en Madoera. Het areaal der in stand te houden wildhoutbosschen, bij dozen dienst in beheer, was begin 1934 1 724 400 ha groot; einde 1934 bedroeg do oppervlakte 1 743 227 ha. Hot oppervlak der djatibosschen ressorteerende onder dezen dienst besloeg einde 1934 55 277 ha (55 190 ha op eindo 1933), terwijl het oppervlak der niet in stand te houden wildhoutbosschen wordt geschat op 390 000 ha (vorig jaar 307 000 ha). In het opgegeven oppervlaktecijfer der in stand te houden wildhoutbosschen zijn niet begrepen de in 1933 als zoodanig aangewezen complexen, welke in datzelfde jaar tot wederopzegging in gebruik zijn afgestaan aan 's Lands Caoutchoucbcdrijf ten bodrage van 8200 ha. In 1934 werden 5346 ha kunstmatig beboscht, zoodat einde 1934 het kunst matig goreboiseerde oppervlak 77157 ha besloeg. Het gebied der in stand te houden wildhoutbosschen word behalve door aan wijzing ter instandhouding van nieuwe boschcomploxcn ook nog uitgebreid door BOSCHBOUW. 91 afkoop van voor duurzamen bevolkingslandbouw ongeschikte, echter hydrologisch belangrijke terreinen tot een oppervlak van 1158 ha. Het gebied in beheer bij den Dienst der Wildhoutbosschen was gedurende 1934 verdeeld in 17 boschdistricten en 1 houtvesterij. Overeenkomstig de bestemming der door dezen Dienst beheerde bosschen be staat het grootste deel van den arbeid van de boschbeheerders in het onderzoek van de bestaande boschreserves betreffende begroeiing en oogsttoelaatbaarheid, afbakening, grensregeling en kaarteering der reserves, aanleg van cultures op on begroeide of onvoldoende begroeide terreinen en het ontwerpen en voorstellen van uitbreiding der bestaande reserves en exploitatie van het productiebosch, terwijl daarnaast vele adviezen worden uitgebracht aan het Binnenlanclsch Bestuur over uitgifte van gronden in erfpacht, eigendom en opstal of met het Inlandsch bezits recht en ter ontginning aan do bevolking. In verband met do reorganisatie van den Dienst der Boschinrichting en de op heffing van do Opnemingsafdeeling voor Java en Madoera is voor het verrichten van de interne mootwerkzaamheden voor dit dienstvak aan de inspecteurs voor Oost- en West-Java het noodigo mectpersoneel toegevoegd. Tenslotte worde vermeld, dat bij G.B. 6 Maart 1934 n°. 39 (Rb. n°. 13 202), zooals dit is gewijzigd bij G. B. 22 Mei 1934 n°. 30 (Bb. n°. 13 271), de provinciën Oost- on Midden-Java geheel en de provincie West-Java met uitzondering van bepaalde (onder) districten in de residenties Bantam, Buitenzorg en Priangan voor uitgifte van gronden in erfpacht werden gesloten, behoudens voor afstand van grond ten behoeve van den kleinen land- en tuinbouw en in bepaalde zich voordoende bij zondere gevallen. Deze maatregel beteekent voor dit dienstvak een belangrijke beperking der bemoeienis met erfpachtsaangelegenheden. Het vrijlandsdomein-onderzoek heeft regelmatig voortgang. Een overzicht van do resultaten, voor zoover zij voor indiening aan de plaatselijke reboisatiecommissics zijn goedgekeurd, moge hieronder volgen. Behalve de reeds eerder genoemde 5346 ha cultuur in het gebied der wildhout bosschen, werden in 1934 nog 797 ha culturen in het djatiboschareaal van dit dienst vak aangelegd. Totaal werden in 1934 4761 ha met wildhout en 1382 ha met djati beplant. Ook aan de dunning, een der belangrijkste verplegingsmaatregelen van het jonge bosch, werd bijzondere aandacht besteed. Gedund werden in het djatiboschgebied 2785 ha en in de in stand te houden wildhoutbosschen 4399 ha. De volgende staat geeft een overzicht van den aankap, den verkoop en de voor raden der boschproducten bij dezen dienst. DE ECONOMISCHE TOESTAND 92 De groote stijging der djatihoutvoorraden is voor een belangrijk deel te wijten aan de versnelde exploitatie van djatihout op de ontginningsterreinen voor de be volking in Zuid-Banjoowangi, waarvoor de afvoer nog niet gereed kon komen. Dank zij den grooteren afzet van het door aankap in eigen beheer verkregen product, mede in verband met de herziening van de salarissen en reiskosten van het personeel en de beperking van uitgaven tot het strikt noodzakelijke, kon hetnadeelig saldo teruggebracht worden tot f 521 000 (f 776 600 in het vorig jaar). 4. Bosschen in de Buitengewesten. De oppervlakte van de in stand te houden bosschen werd in 1934 uitgebreid met ± 3000 km 2 , zoodat deze op 31 December van dat jaar 93 991 km 2 bedroeg. Aangezien de totale boschoppervlakte naar de jongste schattingen kan worden ge stold op 1 216 400 km 2 , bedraagt aldus de oppervlakte gereserveerd bosch 7,7 % van de totale boschoppervlakte of wel ± 5 % van de totale landoppervlakte. De nadere verkenning van het Noordelijk gebied van de residentie Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo werd in 1934 beëindigd. De resultaten waren zoodanig, dat oen kapitaalkrachtig nationaal concern hier voor de boschexploitatie daadwer kelijk kon worden ge interesseert!. Buitenlandsche houtaankap-ondernemingen werden geleid naar zuidelijker gelegen doelen van het gewest. Door het uitvaar digen van doeltreffende verordeningen, zoowel voor het gebied der zelfbesturende landschappen als voor het rechtstreeks bestuurd gebied, werd de ondernemings aankap op oen juistere basis gebracht dan aanvankelijk het geval was. Niettegenstaan de de doorvoering dezer maatregelen, tengevolge waarvan aan de te ver gaande vrijheid van bedoelde ondernemingen op het gebied van houtaankap een einde werd gemaakt, nam de houtexport belangrijk toe. Deze bedroeg in 1934 uit de Zuider- BOSCHBOUW. 93 en Oosterafdeeling van Borneo ± 66 600 m 3, tegen 34 400 m 3in 1933. Een groot gedeelte van dit hout ging met charterschepen naar Japan (59 709 m 3). Een opleving viel waar te nemen in den houthandel te Singapore, waar de afzet wordt gevonden voor het door panglong-exploitatie gewonnen hout in het gewest Riouw on in de afdecling Bengkalis. Alhier bedroeg do totale productie 188 000 m 3 timmerhout, 87 millioen kg brandhout en 38 millioen kg houtskool, tegen resp. 159 000 m 3, 70 millioen en 30 millioen kg in 1933. Naast een verhoogden afzet werd tevens een stijgende tendenz in de houtprijzen waargenomen. Het werd nog niet raadzaam geacht de in September 1933 ingevoerde als tijdelijk bedoelde verlaging der retributie-tarieven wederom ongedaan te maken. De pogingen, aangewend om de houtmarkt in Zuid-Afrika voor Nederlandsch-Indische houtsoorten te interes seeren, werden gestadig voortgezet door het zenden van kleine partijen hout. Aan de hooge qualiteitsoischon zal beter tegemoet gekomen kunnen worden, wanneer de te Tandjoengpriok door een particuliere instelling te bouwen installatie voor het kunstmatig drogeu van hout in werking is gesteld en de plannen tot het instellen van op Westerschen voet geregelde houtbcdrijven in Borneo en op Sumatra inderdaad tot uitvoering komen. Behalve voor een dergelijk bedrijf op Noenoekan, in het uiterste Noordoosten van Nederlandsch Borneo, bestond belangstelling voor het aldus opnieuw in exploitatie brengen van de bosschen van het eiland Simaloer (Atjeh). Het binncnlandsch houtverbruik nam niet onbelangrijk toe. Exclusief de door de Inlandsche bevolking voor eigen gebruik gekapte massa, welke voor een belang rijk deel aan de controle ontsnapt, doch inclusief het panglonghout, bedroeg in 1934 de totale productie der Buitengewesten 552 648 m 3 timmerhout, 373 565 sm brandhout en 45 727 ton houtskool, tegen resp. 531 851 m B , 369 210 sm en 42 229 ton houtskool in 1933. De uitvoer van ebbenhout uit Manado, waaromtrent in 1933 gunstig kon worden gerapporteerd, toonde wederom een neiging tot inzinken. Uitgevoerd werden in verslagjaar 7 500 ton, tegen 9000 ton in 1933 en 5000 ton in 1932. De uitvoer-waarde bedroeg thans f 245 000, tegen f 380 000 in 1933. Van Timor werd 700 pikol sandelhout verkocht met een opbrengst van fl2 500. De waarde van al het in 1934 uitgevoerde hout en andere houtproducten wordt in de douane-statistieken vastgesteld op f 4,2 millioen gulden, tegen f 3,9 millioen in 1933. Ofschoon de herbebossching van kale terreinen, mede met het oog op de daarmede gepaard gaande financieele consequenties, in de Buitengewesten in het algemeen slechts weinig aandacht kan hebben, kon, ter plaatse waar deze werkzaamheden bereids een aanvang namen, hiermede worden voortgegaan. Aldus werden in 1934 o.a. wederom 360 ha dennebosch (Pinus merkusii) aangelegd op de Toba-hoogvlakte (gouv. Oostkust van Sumatra). Het hier in uitvoering zijnd 10-jarig werkplan voor ziet in den aanleg van een boschcomplex, ter grootte van ± 2500 ha, van groot hydrologisch (en hoogstwaarschijnlijk ook direct economisch) belang, waarvan thans _2 1350 ha zijn beplant. De hier bereids behaalde goede resultaten deden ook elders, zoowel in de Buitengewesten als op Java, belangstelling ontstaan voor de gevolgde methode van kunstmatige herbebossching van kale terreinen, welke de bijzondere technische moeilijkheden, waarmede dergelijke reboisatie's in het alge meen gepaard gaan, op betrekkehjk eenvoudige wijze oplost. De vrij groote damarvoorraden van het z.g. Lokki-bedrijf in de gouvernements doesoens op het schiereiland Hoalmoal (West-Ceram), welke in het vorig jaar door de lage markt onverkocht bleven, konden in 1934 worden afgezet. In exploitatie bleven ± 1000 ha damarbosch, 750 ha begroeid met sago en 30 ha klappertuin. Het boschbeheer door de Inlandsche rechtsgemeenschappen binnen de aan deze ressorten in beheer gegeven kringen (op grond van het agrarisch reglement voor Zuid-Sumatra), zooals dit beheer zich in de laatste jaren in de residentie Palembang DE ECONOMISCHE TOESTAND. 94 heeft ontwikkeld, bleef voor de uitvoering der daarvoor uitgevaardigde regelingen goeddeels steunen op de werkzaamheid van personeel van den Dienst van het Boschwezen. 5. Boschinrichting. Het definitief ingericht djatiboschgebied bestond einde 1934 uit 36 hout vesterijen met een gezamenlijke uitgestrektheid van 743 374 ha, zijnde 91,2 % van het djati boschareaal op Java en Madoera onder beheer van den Dienst van het Boschwezen. Nieuwe bedrijfsplannen voor djatihoutvesterijen werden in 1934 niet opgesteld. Herzien werden de bedrijfsplannen der hout vesterijen Balapoelang, Goendih en Madiocn (bedrijfsperiodc 1934 t/m 1943), terwijl de herziening der bedrijfsplannon voor de houtvesterijen Pemalang, Noord-Randoeblatoeng, Parengan en Kedoeng galar (bedrijfsperiode 1935 t/m 1944), Pati, Zuid-Randoeblatoeng, Djatirogo en Walikoekoen (bedrijfsperiode 1936 t/m 1945) in behandeling is genomen. Deze werkzaamheden werden verricht door een tweetal inrichtingssecties, gevestigd te Salatiga en te Tjepoe. De opnemingsafdeeling voor Java en Madoera, welke einde 1933 bestond uit een hoofdkantoor (te Salatiga) met 2 djati-opnamekantoren (te Salatiga en Blora) en 1 wildhoutopnamekantoor (te Malang), werd in 1934, na reorganisatie van de door het Boschwezen te verrichten opnemings- en kaarteeringswerkzaamheden, opgeheven. Alle fundamenteele opnemings- en kaarteeringswerkzaamheden geschieden voortaan door den Topografischen Dienst; slechts voor de kleinere, interne metingen en zulke, welke niet op den Topografischen Dienst kunnen wachten, is het Bosch wezen een beperkte formatie aan meettechnisch personeel gelaten, dat over de verschillende dienstonderdeelen is verdeeld en onder de rechtstreeksche leiding van dienstvakhoofden tewerkgesteld (voor het Djatibedrijf is het personeel tewerk gesteld onder de inrichtingssectiechefs). Op het hoofdkantoor van den dienst der boschinrichting is een centrale afdeeling voor areaalzaken ingesteld, aan het hoofd waarvan een meetdeskundige is geplaatst. De opnemingsafdeeling voor de Buitengewesten werd begin 1934 eveneens opgeheven; het resteerend personeel werd ter beschikking gesteld van den adviseur voor den dienst der bosschen in de Buitengewesten, aan wien de uitvoering van de hoogerbedoelde reorganisatie, voor zoover betreft de Buitengewesten, werd over gelaten. 6. Boschbouwproefstation. In 1934 behandelde dit Instituut verschillende vraagstukken, zooals die van de verbetering van den cultuuraanleg, van de verpleging, exploitatie en taxatie van opstanden, zoomede die ter bevordering van den export van hout en andere boschproducten. Voor een deel geschiedde deze arbeid gezamenlijk met andere dienstonderdeelen van het Boschwezen of wel zelfstandig, voor een deel in samen werking met verschillende instellingen en maatschappijen. Het onderzoek van de natuurlijke harsen werd, tezamen met den Dienst der Bosschen in de Buitengewesten, het Handelsmuseum en het Scheikundig Labora torium, krachtig voortgezet. De waarnemingen op hydrologisch gebied in het gebergte in het proefterrein Tjiwidej hadden geregeld voortgang, waarbij hulp werd verkregen van het Koninklijk Magnetisch en Meteorologisch Observatorium en de Afdeeling Hydrometrie van het Departement van Verkeer en Waterstaat. De provincie West-Java stelde gelden beschikbaar voor de inrichting van een klein hydrologisch onderzoek in een gebied van tertiaire origine nabij Cheribon, dat berucht is om de daar plaats hebbende af- en uitspoeling. Op cultuurgebied werden in het laagland de proeven over vóórbouw bij djati- culturen, over wildhoutsoorten geschikt voor de beplanting van arme gronden, en over de selectie van den djati voortgezet. Onderzoekingen werden verder gedaan over het gedrag van verschillende vegetatievormen met betrekking tot verdamping en lichtbehoefte, over de kernhoutvorming en takreiniging van verschillende hout soorten en over den invloed van blad vraat op den diktcgroci van den djati. De cultuuronderzoekingen in het gebergte en de onderzoekingen van de industrie- en edelhoutsoorten hadden voortgang, evenals de kiem- en bewaarprocven voor verschillende zaadsoorten. Op eenige plaatsen in Midden- en Oost-Java werden Derris-planten met een hoog rotenon-gehalte der wortels ingezameld voor verdere ver menig vuldiging. Ten behoeve van de zaadselectie van Acacia decurrens var.moUis, een looibastleverendc houtsoort welke thans in groote mate wordt aangeplant, werd een baststudie aangevat. Voor het dunnings- en opbrengstonderzoek werd een groot aantal proefperken voor djati en andere houtsoorten op eenvoudige wijze opgemeten en ook gedund; in verscheidene perken werd tevens het dunningshout in den vorm, zooals het aan de markt wordt gebracht, gemeten. Met de verwerking van laatstgenoemde dunnings gegevens ten behoeve van een rontabiliteitsonderzoek is een begin gemaakt. Een aanvang werd gemaakt met do vergelijkende, mechanische beproeving van Java-, Burma- en Siam-teak. Dit onderzoek kwam in 1934 niet gereed; de uitkomsten der verrichte buigingsproeven geven een aanwijzing, dat Java-djati een middenpositie inneemt. Door het hoofd van de Afdeeling Technologie werd een rapport opgesteld van de in 1933 gemaakte dienstreis naar Australië voor het bestudeeren van de kunst matige droging van hout, een vraagstuk dat voor den export van zachte hout soorten van belang is. In samenwerking met de Koninklijke Paketvaart Maatschappij werd een plan ont worpen voor de op het terrein dezer Maatschappij te Tandjoengpriok op te richten proefdrooginstallatie; de bouw van dezen droogovenwas eind 1934 grootendeels gereed. Voor het onderzoek van de houtverkoling en van de bij deze verkoling ontstaande bijproducten werd een aan de Landbouwhoogeschool te Wageningen geconstrueerde laboratoriumoven in gebruik genomen. Voortgezet werd het onderzoek van de rotan leverende gewassen en van de duurzaamheid van verschillende houtsoorten tegen aantasting door fungi en witte mierensoorten (in samenwerking met het Instituut voor Plantenziekten). Van de in de paalwormproeven in het Panama-kanaal opgenomen Nederlandsch-Indische houtsoorten werd weder een aanvullend rapport ontvangen. In 1934 werd van enkele gebieden in de Buitengewesten, welke voor hout exploitatie van beteekenis zijn, zeer veel herbarium- (± 1700 nummers) en hout materiaal (i 1300 nummers), het meest afkomstig van opgemeten proefbanen, ter identificatie ontvangen. Een belangrijk deel van het materiaal kwam uit Oost- Borneo, een gebied waarvoor thans voor houtexploitatie groote belangstelling bestaat. Van de gegevens der proefbanen uit laatstgenoemd gebied werd, gerang schikt naar houtmassa en handelsgroepen, voor belanghebbenden een overzicht samengesteld. Eenige publicaties verschenen over onderwerpen, verband houdende met de impregnatie van wildhout-spoorwegdwarsliggers, het voorkomen van stoklak in Nederlandsch-Indië, het kunstmatig drogen van hout, de boschbouwkundige be teekenis van enkele ingevoerde Acacia-soorten, en de kern- en spinthoutdikte, de kieming en de selectie van djati. Het contact met instellingen en diensten buiten Nederlandsch-Indië bleef behouden. Het aantal verzoeken om voorlichting, zoowel van den eigen dienst als van andere instellingen en particulieren nam toe. BOSCHBOUW. 95 DE ECONOMISCHE TOESTAND. 96 G. WINNING, VERWERKING EN AFZET VAN DELFSTOFFEN EN ANDERE OERPRODUCTEN; GEOLOGISCHE ONDERZOEKINGEN. 1. Overzicht van de winning van delfstoffen. Zooals uit de onderstaande tabel blijkt, konden zich niet alleen de producties van alle hi Nederlandsch-Indië gewonnen mijnbouwproducten nagenoeg op het peil van 1933 handhaven, maar mochten enkele daarvan een belangrijken vooruit gang boeken. Hoewel de prijzen voor eenige delfstoffen iets verbeterden, bleven deze zich, met uitzondering van goud en tin, nog steeds op een laag niveau bewegen. Door restrictie-maatregelen werden scherpe fluctuaties in de tinprijzen voorkomen. De kolenmarkt ondervond nog steeds zware concurrentie van de verschillende kolenproduceerendo landen met gedeprecieerde munteenheden. In Juli 1934 werd de ontginning van het mijnwerk „Balimbing" op de mijn concessies „Irma" en „Balim" in de residentie Sumatra's Westkust, wegens uit putting van den ertsvoorraad, definitief gestaakt, zoodat het aantal nog produ ceerende goudmijnen einde 1934 slechts 2 bedroeg. Het terugloopen van de edelmetaal-productie is echter in hoofdzaak toe te schrijven aan de verwerking van armere ersten der mijnen „Redjang Lebong" en „Simau". De in 1933 reeds geconstateerde grootere belangstelling voor goudafzettingen bleef gedurende 1934 aanhouden; zoo werden onderzoekingen naar dit edelmetaal verricht in West-Java (resn. Bantam en Buitenzorg), in de gewesten Sumatra's Westkust (mijnconcessie „Abei"), Tapanoeli (mijnconcessie „Pagaran Si Ajoe" c.s.), Oostkust van Sumatra (Bengkalis), Manado (mijnconcessie „Pagoeat") en Wester afdeeling van Borneo (z.g. Chineesche districten) en in Centraal- en Oost-Borneo (Kahajan en Koetai). De ontginning van de goud- en zilverertsgangen der mijnconcessie „Goenoeng Aroem" (res. Sumatra's Westkust) werd in voorbereiding genomen met de be doeling, de mijn in 1935 in exploitatie te brengen. "■) Verbeterd cijfer. Delfstoffenproducties in Nederlandsch-Indië WINNING VAN DELFSTOFEEN. 97 Door belangstellenden uit de Straits is het plan ontworpen voor de winning in klein bedrijf van alluviaal goud in West-Borneo door middel van pompbaggers, welke ontginningswij ze geen groote kapitaals-investatie vcreischt. De oprichting van de N. V. Mijnbouw Maatschappij „Moeara-Sipongi", ge vestigd te Batavia (statuten goedgekeurd bij G. B. 26 Febr. 1935 n°. 23), heeft ten doel de ontginning van de goud-afzettingen op do mijnconcessie „Pagaran Si Ajoe". Nog zij gememoreerd de totstandkoming van een concern, gevormd door de firma Erdmann en Sielcken, de Billiton-Maatschappij en een groep Engelsche belangstellenden, met het doel in con gedeelte van Centraal Nederlandsch-Nieuw- Guinee en van den Vogelkop naar edele en andere metalen te exploreeren. Het onderzoek naar de koperertsgangen bij Wonogiri in do residentie Soerakarta werd door de N. V. „Ishihara Mijnbouw Maatschappij" door middel van tunnels voortgezet en was einde 1934 nog niet afgeloopen. Met betrekking tot andere ertsen zij hier vermeld de belangstelling van parti culiere zijde voor de voor het Gouvernement gereserveerde nikkelafzettingen in Midden - Cele bes. De onderhandelingen tusschen de N. V. Nederlandsch-Indische Bauxiet Ex ploitatie Maatschappij en Japansche afnemers hebben tot een overeenkomst geleid betreffende een jaarlijksche levering van 30 000 ton bauxiet. Inlandsche goudwinning had plaats in de Wester-, Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo. Diamant en steenkolen werden door de bevolking gewonnen in de Wester-, Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo, verder nog zwavel op den berg „Welirang" in de residentie Malang. Voor verdere gegevens moge worden verwezen naar deel II van dit Verslag. 2. Tin. Tin werd door het Land op het eiland Bangka, door de Gemeenschappelijke Mijnbouw Maatschappij „Billiton" op het eiland Billiton on door de Singkep Tin Exploitatie Maatschappij op het eiland Singkep gewonnen — in beide laatstgenoemde ondernemingen is het Gouvernement voor 5/8 aandeelhouder —, terwijl een geringe hoeveelheid door de Inlandsche bevolking rabij Bangkinang (Sumatra's Westkust) werd geproduceerd. De tin-productie blijkt uit den volgenden staat; na Malakka en BoUvia neemt Nederlandsch-Indië nog steeds de derde plaats in. DE ECONOMISCHE TOESTAND. 98 De wereldtinproductie in 1934 bedroeg 109 921 ton, tegen 86 322 ton in 1933. Het wereldverbruik bedroeg 117 335 ton, tegen 129 275 ton in 1933. Tinsituatie. De tusschen Bolivia, Malakka, Nederlandsch-Indië, Nigeria en Siam op 1 Januari 1934 gesloten restrictie-overeenkomst blijft tot 1 Januari 1937 van kracht. Bij deze overeenkomst sloten zich in den loop van het jaar nog de volgende z.g. „outside" producenten aan: Fransch Indo-China, de Belgische Congo en Ruranda Urandi, Portugal en Cornwall op basis van vastgestelde producties. Het productie-quotum bedroeg in 1934 gemiddeld 47,2 % van de standaard tonnages. Het aandeel van Nederlandsch-Indië hierin bedroeg in dat jaar 18 157 long tons, alsmede 1816 long tons metaal voor inbreng in den buffervoorraad van 8282 tons, tot vorming waarvan in den loop van het jaar door het Internationale Tin Restrictie Comité werd besloten, ten einde scherpe fluctuaties in de tinprijzen te voorkomen. De zichtbare wereldvoorraden liepen geleidelijk terug van 29 100 long tons bij den aanvang tot 17 100 long tons op het einde van het jaar. De prijzen varieerden tusschen £ 222 en £ 244 met een gemiddelde van £ 230, tegen in 1933 respectievelijk £ 141, £ 230 en £ 195 per long ton. Gedurende de laatste maanden van het jaar bewoog de tinprijs zich om en nabij £ 228 per long ton. Bangkatinivinning. De netto-productie over 1934 bedroeg 116 060,24 quintalen. tegen 80 586,5 quintalen in 1933. Het grondverzet in de bewerkte groeven bedroeg 9 869 811 m 3. Het totale grondverzet was 10 188 964 m 3 (hiervan 319 153 m 3 vóórafgedekt door de vóór werktuigen bij de baggermolenontginningen), waarvan 4 273 554 m 3 met hand bedrijf en kleinere mechanische hulpmiddelen, zooals grondpompen, terwijl in de baggermolenontginningen 5 915 410 m 3 door 4 tinbaggermolens, waarvan 1 slechts 6 maanden in bedrijf was, en 1 snijkopzuiger werden verzet. Het totaal grondverzet van 1933 bedroeg 12 420 059 m 3, waarvan 921 266 m 3 vóórafgedekt. De ertsreserve op 31 December 1934 werd berekend op 3 980 829 quintalen tin, tegen 3 419 040 quintalen einde 1933. De opbrengst bedroeg f 22 641 535 of f 169,71 per quintaal, tegen f 23 928 267 of f 155,50 per quintaal in 1933. Verkocht werden in 1934 133 415 quintalen, tegen 153 855 quintalen in 1933. De bedrij fsuitga ven, inclusief de aan het Land uit te keeren rente en afschrijving ten bedrage van respectievelijk f 997 076 en f 2 194 425, bedroegen f 9 870 430, tegen respectievelijk f 1 656 557, f 2 189 279 en f 10 171 419 in 1933. De berekende winst, zooals deze op de balans voorkomt, bedroeg f 10 989 378, tegen f 5 995 855 in 1933. De boekwaarde van het bedrijf was einde 1933 f 15 655 295. In 1934 werd op aanleg en uitbreidingsrekening geboekt f 364 048 en afgeschreven f 2 194 425, zoodat de boekwaarde einde 1934 f 13 824 919 bedroeg. Op 31 December 1934 waren bij het bedrijf werkzaam 5300 werklieden, tegen 3932 man einde 1933, terwijl het beheer gevoerd werd door den bedrijfsleider met een staf van 234 (in 1933 243) personen. De gezondheidstoestand van de arbeiders was gunstig. Het ziektepercentage was 1,41 %. Voor verdere bijzonderheden wordt verwezen naar het jaarverslag van de Bangkatin winning. N.V. „Gemeenschappelijke Mijnbouw Maatschappij Billiton". De productie over het werkjaar 1933/1934 (1 Juni 1933—31 Mei 1934) bedroeg 73 724 pikol tin (4482 long tons), togen 4304 long tons in hot werkjaar 1932/1933. WTNNINO VAN DELFSTOFFEN. 99 De gemiddelde mijnwerkerssterkte bedroeg 3143 man, van wie 1964 arbeiders in de ontginningen waren tewerkgesteld; in 1933 waren deze cijfers respectievelijk 3855 en 2026. Over 1934 bedroeg de gemiddelde tinprijs per pikol te Singapore $ 114,13, nl. in gedeprecieerde Singapore-dollars. In goud-dollars uitgedrukt bedroeg de ge middelde prijs $ 71,64, tegen $ 68,99 in 1933. Het aan Billiton toegekende jaar-quotum bedroeg met ingang van 1 Januari 1934 6451 long tons, met 1 April 1934 7212 tons en per 1 Oetober 1934 6451 tons, terwijl voor het tijdvak Juni/December 1934 een extra quotum werd toegekend van 742 tons voor de vorming van een bufferpool. In deze cijfers is het aan de Singkep Tin Exploitatie Maatschappij toegekende quotum begrepen. Sedert 1 Januari 1934 wordt een gezamenlijk quotum voor de Gemeenschappelijke Mijnbouw maatschappij Billiton en de Singkep Tin Exploitatie Maatschappij vastgesteld. Door de verhooging van het quotum per 1 Januari en 1 April 1934 en door een extra-quotum, toegekend aan alle bij de vorige restrictie-overeenkomst aan gesloten producenten om het gedurende die periode te veel geproduceerde tin op te nemen, konden nog twee emmerbaggers en twee spuitbaggers in bedrijf gesteld worden, zoodat einde 1934 7 emmerbaggers en 3 spuitbaggers in bedrijf waren. Singkep Tin Exploitatie Maatschappij „Sitetn". Het bedrijf van de N. V. „Singkep Tin Maatschappij" wordt thans door de N.V. „Singkep Tin Exploitatie Maatschappij" voortgezet, welke vennootschap daarvoor door de Gemeenschappelijke Mijnbouw Maatschappij „Billiton" werd opgericht. De statuten van de „Sitem" zijn opgenomen in Bijvoegsel n°. 572 tot de Nederlandsohe Staatscourant van 19 Maart 1934 n°. 55. Het maatschappelijk kapitaal bedroeg aanvankelijk f 100 000, verdeeld in 100 aandeelen van f 1000 elk en werd later gebracht op f 5 000 000, waarvan f 1 000 000 in 1000 aandeelen van f 1000 is volgestort. Van deze aandeelen zijn er 999 in handen van de N.V. Gemeenschappelijke Mijnbouw Maatschappij „Billiton", terwijl de N.V. „Billiton Maatschappij" één aandeel bezit. Tot cenig lid der Directie is benoemd de N.V. Billiton Maatschappij. De productie over het jaar 1934 bedroeg 824,20 kg tonnen tin, togen 466,91 tonnen in 1933. Het personeel bestond in 1934 uit 13 Europeanen, 300 Chineesche arbeiders en 345 werklieden (van wie 18 vrouwen) van Maleischen en Javaanschen landaard, tegen respectievelijk 15, 210, 192 en 14 in 1933. Do wolframiet-productie bedroeg 2,3 kg ton met een gehalte van 66 % aan W0 3 . In bedrijf waren gedurende gedeelten van het jaar één baggermolen en één spuitontginning. Van „nawasschers" werd nog eenig product verkregen. Het door do tin-restrictie aan Singkep toegekend quotum werd sedert 1 Januari 1934 samen met dat van Billiton vastgesteld; in 1933 bedroeg dit 7660 Straits pikol. De ertsreserve bedroog op 30 Juni 1934 13 044 kg tonnen, tegen 13 528 tonnen op 30 Juni 1933. Voor verdere bijzonderheden betreffende den particulieren tinmijnbouw wordt verwezen naar do jaarverslagen der beide maatschappijen. 3. Steenkolen. Steenkolen werden in 1934 gedolven door het Gouvernement nabij Sawahloento en Tandjoengenim op Sumatra, door particulieren en door Inlanders op Borneo in de volgende hoeveelheden. INDISCH VERSLAG 1935 I. TEKST VAN HET VERSLAG VAN BESTUUR EN STAAT VAN NEDERLANDSCH-INDIË OVER HET JAAR 1934 GEDRUKT TER ALGEMEENE LANDSDRUKKERIJ — 1935/1936 — 'S-GRAVENHAGE