10 dezer streken de gemiddelde dichtheid opgenomen met daarnaast de cy'fers (van 1930) van de dichtstbevolkte provinciën van Nederland. De zeer dichtbevolkte streek van Cheribon zet zich voort in de vlakte van de reside&ntie Pekalongan tot ongeveer aan Soebah waar het heuvelland tot bijna aan zee komt. Deze uit door rivieren, waarvan vooral de Pemali en Tjomal zeer belangry'k zy'n, afgevoerd alluvium bestaande kustvlakte met een technisch verbeterde bevloeiïng, die al uit het begin van de vorige eeuw dateert *-), een bekende suiker streek waar niet min der dan 17 suikerfa brieken, waarvan een op een particulier land (Ketanggoengan-West), staan, is in twee streken nog dichter bevolkt dan het Cheribonsc-he Ploembon (1074,8) en wel in het district Adiwerno in het regentschap Tegal en in het district Pekalongan in het regentschap van dien naam. Dan zien wij in de districten Brebes, Slawi, Pemalang, Tjo mal, Wiradessa, Ke doengwoeni en Batang cijfers van 700 tot bijna 1 000. Het valt op, dat het meest westelijke kustdistrict, Tandjoeng, nog geen 500 zielen per km 2 telt. Lagere cijfers hebben ook de Tegalsche districten Pangkah (497,5), het meer zuidelijk gelegen Balapoelang (464,6) en Soerodadi (439,7), dat aan de noordkust ligt; Pangkah en Balapoelang hebben echter groote arealen djatibosch. Het Pekalongansche Kadjen (396,2), dat voor een klein deel in het gebergte ligt, heeft een nog lager cy'fer. In Oost-Soebah begint weer de vlakte, die in Noord- Kendal doorloopt tot Semarang. Deze vlakte van Kendal waarvan Mohr 2 ) in 1922 voorspelde, dat zy' zich voortdu rend zou uitbreiden en vruchtbaarder zou worden en waar 3 suikerfabrieken liggen, is ingedeeld in drie districten. Wcleri, dat, hoewel het voor ruim 10% van zy'n areaal uit djatibosschen bestaat toch bijna 770 zielen per km 2 telt; Kendal, dat nog meer djatibosch heeft, is nagenoeg even dichtbevolkt; Kaliwoengoe, echter, dat bijna 25% djatibosch en bovendien aan de kust byna 3 200 bouw (ruim 2 200 ha) vischvy'vers 3 ) heeft, telt byna 415 zielen per km 2 . De Serajoe-vlakte, een „mooie ry'ke vlakte, een lust voor het oog" 4 ), eens, toen de Serajoekloof er nog niet was, een groot meer, nu een rijstland met slechts 5 suikerfa brieken, beslaat het gebied van de districten Banjoemas (bijna 514 zielen per km 2), Soempioeh (541,4) en Poer waredja (523,2) 5), die alle drie voor een onbeteekenend deel in het Serajoe-gebergte liggen, Soekaradja (836,8), het dichtstbevolkte district van deze vlakte, voorts meer noordelijk, Poerbalingga (766), dat slechts voor een klein deel op de Slamethelling ligt en ten slotte Poerwokerto (709,3), dat ook gedeeltelijk tegen den Slamet aan ligt. De beide andere Poerwokertosche districten Djatilawang (327,9), vroeger Djamboe 6 ) gehecten, dat in het midden een vlakte heeft, die aansluit bij de Krojasche vlakte, en Adjibarang (339,8), dat een op den Slamet gelegen berg district is, liggen beiden buiten deze vlakte. In het zuiden van Midden-Java heeft men in het oude Bagelen in de regentschappen Karanganjar, Keboemen, Koetoardjo en Poerworedjo, die merkwaardige Oeroet sewoe, een gebied benoorden de duinen (die al in Zuid- Kroja beginnen en in Zuid-Jogjakarta eindigen) bestaande uit een of twee soms meer aan de duinen evenwijdig loopen de reeksen van „dy'ken", oudere duinenruggen w r aar de huizen en erven met goed gedijende klapperboomen, staan, terwy'l op verscheidene plaatsen tusschen deze ruggen of op de hellingen daarvan vruchtbare sawah's of tegalan's liggen 7 ). Benoorden deze strook is een lange vlakte waar de hoofdplaatsen liggen en de groote verkeerswegen loopen en nog grond gewonnen is, toen men de moerassen, die tengevolge van het niet door de duinen naar zee af te voeren water ontstaan waren, geheel of gedeeltelijk wist droog te leggen 8 ). De districten, die in dit gebied liggen zijn in Karanganjar: Poer i n g met een dichtheid van 580 zielen per km 2 en Pedjagoan (711,1 zielen per km 2 ), in Keboemen: Keboemen (907), Koetowi nangoen (707,5) en Premboen (641,6), in Koetoardjo: Koetoardjo (723,5), waar het restant van een der bovenbedoelde moerassen (Wawar) te vinden is, Poerwodadi (501,7) en eigenlijk ook Pitoeroeh (619,1). Weer noordelijker liggen districten, die maar een deel van hun areaal in de vlakte hebben, zoo bijvoorbeeld Rowokclc (431,3), het meest westelijke district van deze streek, dat voor een groot deel in het Karangbolonggebergte ligt, dan Gombong (432,2), Karanganjar (445,9) en de boven (blz. 8) reeds genoemde districten Alihan, Kemiri, Loano en Tjangkrep, bovendien nog het zeer dicht bevolkte Poerw.oredjo (998,3). Tot deze streek, die slechts 2 suikerfabrieken ryk is, kunnen wij nog rekenen in het westen Kro j a (dichtheid: 629,1) vroeger Adiredja geheeten, nog niet zoo lang geleden „een troosteloos moeras" 9 ) en aan de andere zy'de Adikarto (699,1) het in Jogjakarta gelegen Pakoe alamsch district tevens regentschap, waar de suikerfabriek Sewoegaloer ligt. Van de Vorstenlandsche vlakten zijn die van Jogjakarta (regentschappen Bantoel en Jogja karta) (het gebied tusschen de Progo in het westen en de Opak in het oosten, het oude Mataram) en van Klaten met een deel van Soerakarta door den Merapi vrucht baar gemaakt. In deze aaneensluitende vlakten telt men in het Jogjasche gedeelte naast eenige rietlanden 16, in het Klatensehe gedeelte 9 suikerfabrieken, maar daarnaast in Klaten niet minder dan 18 en in Jogja dicht aan de Klatensehe grens ook nog 2 tabaksondernemingen. 1) Zie Onderzoek Mindere Welvaart, deel Vila, blzz. 156 e.v. en Samentrekkingen Mindere Welvaartsverslag, Irrigatie van residentie Pekalongan. Zie over deze streek Veth 111, t. a. p. blzz. 438 e.v. en Mohr, t. a. p. blzz. 117—120. 2) T. a. p. blz. 119—120. 3 ) Landrente-monografie van het regentschap Kendal (1932). 4 ) Mohr, t. a. p. blzz. 124—125. Zie ook Veth 111, t. a. p. blzz. 444—445. 5 ) Niet te verwarren met het Kedoesche Póerworedjo. 6 ) Zie A. C. Koorenhof's Kapport over den landbouw-econo mischen toestand van dit district. (Buitenzorg z.j.). 7 ) Zie over het ontstaan van deze streek: Mohr t. a. p. blzz. 125—128. Zie over de strook: Vcth 111, t. a. p. blzz. 452 e.v. en Dr. C. L. van Doorn. Schets van de economische ontwikkeling der afdeeling Póerworedjo, (1926). 8 ) Zie hierover Van Doorn, t. a. p. blzz. '5 e.v. en Samentrek kingen Mindere Welvaart residentie Kedoe (Irrigatie). 8) Veth 111, t. a. p. blz. 452. Teksttabel No. 23 (vervolg). 100 101 SUMMARY IN ENGLISH. § 1. Comments on the reliability of the figures. (*) Although it may be assumed that the general Standard °f accuracy of the figures was high, there is a chance that ln the large urban eentres, where the mobility of the Population is great, the tellers may have made errors, or jhat tellers who were not fully conversant with the district m which they had to work (as may have happencd in the large cities and on large privately administered estates with Chartered Rights ("private lands"; particuliere landerijen) We re not always given information of equal accuracy. kmce they were compelled to accept the statements of the en umerated as being truc, it is not impossible that in those Places some faulty data may have been included. Thus it ls v ery doubtful if the various criteria necessary for fixing ihe population group wherein the enumerated shotild have elonged (legality of marriage or legality of the legitima ion of children) were always correctly reported. It was als o remarked more than once during the control at the "me and later when the data were being worked up (in ttle Central Census Bureau) that the tellers had not always ke l>t the differentiation between the various population £ r oups equally clearly before their eyes, especially in the lar ge urban eentres. Ift determining the percentage increase of the population . y Districls (table 5) the boundaries as they were 11 1930 were strictly adhered to and, where they tffered from those of the District of the same name in 9 20, the number of inhabitants in 1920 of the area embraced by the 1930-District was calculated for deter ming the comparative population increase. This calculation was impossible to make for the majority the Districts and Regencies in the Governments of Jog- and Surakarta because of the extensive changes üa t had been made in the boundaries of villages, Districts n d Regencies there. It was, however, possible to make the ic ulation for either of the two Governments as a whole ne e their boundaries had not been altered in the period "om 1920 to 1930. Races. (Chapter III.) (2) Since in Middle Java and the Native States the popula lon is almost 100% Javanese, the tellers had but little lieulty on this score in filling in the census forms. The e uhood that errors were made will only exist, therefore, ei> e persons of other race were found, principally in the cities. Movement of the population. Chapter IV.) n studying the figures for the Districts, it was remarked at a n unusually large number of people, who had emigratcd to places at a distance from the place of their birth, gave as their District of birth the District bearing the name of the Regency. It is almost eertain that many persons made the mistake here of giving the "Regency" in vyhieh they were boni instead of the "District" as requested. It is probable that this error was made only by those living at the time of the census outside the Regency of their birth. During the taking of the census information was reeeived from various sourees that a vast number of the people — either at the order of their village headman or on their owii initiative — returned to their native village to be cnumerated there. In all probability a large percentage of these people, had they not returned home, would have been among the group of temporary residents in the place of their sojourn. Civil condition and age. (Chapter V.) A mistake commonly made by the tellers was to forget to fill in the column "unmarried" in the case of non adults. To this mistake is to be attributed the rather high percentage of "Civil Condition unknown" returns appearing among the non-adults. Perhaps in the Regencies of Rembang and Pekalongan the number of married non-adults as given is rather too small. In the large cities and in genera! in those places where the tellers were not personally acquainted with the enumer ated, it is probable that a number of unmarried women have reported themselves as married through shame of admitting that they were not. It is impossible to say with certainty whether the mistake was of ten made in some of the districts of grouping divorced persons with widows (and also widowers) owing to the fact that in the vernacular the same word is sometimes used for both states. Polygamy was probably concealed in the cities and, generally, in all districts where the tellers could not readily control the facts; in the country districts con cealment was found to be not only impossible but also unnecessary. Quite often the number of wives was not filled in at all in the column reserved for reeording that fact, so that the Central Census Bureau was forced to regard the number of wives as "unknown" in quite a number of cases; it may be assumed that in the majority of these cases the man was married to but one wife, so that the number of men married monogamously as recorded is rather too low. The relationship existing between the various age-groups is given by Regencies in Subsidiary Table 8 on page 53. On account of the very slight knowledge that the natives have of their exact age, eertain social groupings closely connected with the lifetime of the subject have been made use of in this connection. In the first group were placed normal children not yet able to walk, in the second all other non-adults, and in the third all the adults. As a Standard it was taken that a girl was adult when she was marriageaMe and a boy when he was physically able to go to work. It was emphasized to the tellers in all districts that not all married trirls need of IQ T ttle sake of Drevitv > readers are referred to the "Census oa 030 i a Netherlands India", Vol. 1, pp. 92 to 96, for comments the data themselves. m 0 belative figures relating to the size of the age-groups of the important races or racial groups have not been published in l a „ S , Volnme: sec Table 10 of Vol. 1 of the "Census of 1930 in Nether andB India". 102 necessarily be "adult". In the Regency of Rembang this instruetion was not accurately observed. It was not difficult to determine the limits of the first group, that of children who could not yet walk. The tellers had far more difficulty, however, in determining the border-line between groups II and 111, that is to say between the non-adults and adults. The standards of "ability to work" for the boys and "marriageability" for the girls could both of them (and especially the latter) be determined along social as well as along physical lines. From the reports of some of the regional leaders (geweste lijke leiders) of the Census in Middle Java, Jogjakarta and Surakarta, the impression is gained that it was the physical factors for the determination of adultness that were usually considered as being most important. For girls, in that case, the onset of the catamenia was taken as the determining factor; for boys the simple fact that they appeared to be physically capable of taking a share in the work of the fields or elsewhere. It is far from eertain, however, whether this rule was applied universally, or whether criteria of a more social nature were sometimes applied. It is possible that in eertain regions (Rembang for instance) where girls marry young they might have been enumerated as adults at a lovver age than in other regions where they marry later in life. Figures according to the actual years of life, which might only be given by those who knew their age exactly, proved unsuitable for publication. Types of Ilouses and Heads of Families. (Chapter VI.) Houses were divided into three groups according as to whether they were built entirely of stone, were furnished with a permanent roof, or were of impermanent construc tion. The percentage of dwellings where it is not known to what group they belong is under 1% in Middle Java. Jogjakarta and Surakarta. In this category are included, amongst others, all foundations and institutions, since these the tellers have not classified. From the unusually low relative number of heads of families enumerated in eertain parts of the Regencies of Pekalongan and Pemalang it must be deduced that too few persons have been reported as heads of families in those districts. For the general difficulties encountered in enumerating the heads of families the reader is referred to the "Census of 1930 in Netherlands India", Vol. 1., page 95. Literacy. (Chapter VII.) Here and there it has been observed (from other data in the census forms, such as the occupation of the enumer ated and the amount of schooling he has had) that the tellers sometimes left the column for literacy blank by mistake. Against this is the fact that, espeeially in the cities where the people are inclined to brag about a slight know ledge of writing and of Dutch, somc persons have been recorded as literate who eould hardly have qualified under the customary standards. Religion. (Chapter VIII.) Nothing need be said about the reliability of the figures for the religion of the Ambonese, Bataks and Menadonese. Ph ysical infmnities. (Chapter IX.) In geaeral, the figures for the number of totally blind deserve more credit than those for the number of deaf mutes. Here and there, it is truc, it has been proved that one or two persons blind in onc eye have been included i n the enumeration, but, on the other hand, the impression is gained that many persons who were only deaf have been included among the deaf-mutes. The regulations have been particularly abused in connection with persons suffering from senile deafness. But for all that, the figures for the deaf-mutes are more reliable here than those for West- Java. Persons engaged in a classified occupation (Chapter X.) The relat ive, number of workers in the Regencies of Grobogan, Pati and Blora in Middle Java, and in the Regencies of Sragen, Klaten and Surakarta in the Government of Surakarta, is so high that it must be presumed that in these districts a wider definition of a "worker" has been applied than elsewhere. It is also possible that the figures for the Regencies of Bantoel (Jogjakarta) and for Magelang and Batang (Middle Java) are also somewhat too high. The number of married men reported to be engaged in some classified occupation in eertain districts of the Regency of Pemalang is too low. § 2. General remarks about the figures. Introduction. The Province of Middle Java, covering an area of 28,167.28 km.2 (10,875.60 sq. miles), consists of 5 Residencies, 26 Regencies, 125 Districts and 418 Sub districts. Privately administered estates with Chartered Rights ("private lands"; particuliere landerijen) ( l ) are only met with in this region in the municipality oi Samarang and in the Regencies of Brebes and Japara; they are few in number and very small in size. Further there are 5 Municipalities, and many tovrns (called kottas) summarised in table 2. The boundaries of the Municipality of Samarang are coincident with those of the District of the same name. Several islands are also included in Middle Java. The best known are the Karimoendjawa group to the north of Java included in the Regency of Japara, and the large island of Noesa Kembangan opposite the small town of Tjilatjap close to the south coast, on which only convicts and the necessary guards reside. The "Governments" (that is to say an administratie unit under the supervision of a Governor) of Jogjakarta and Surakarta consist entirely of four Native States> which may be compared with the Native States of t' lo British Indian Peninsula. In either Government there are two such States. (!) Sec the "Census of 1930 in Netherlands India", Vol. li page »2; also Table 7. 103 Roughly 95% of the Government of Jogjakarta is taken U P by the State of that name with an area of 3,023.4 km 2 U,167.36 sq. miles) ; the second State, that of Pakoealaman, ls thus quite small. In. the Government of Surakarta lic the Native States of Surakarta, with an area of 3,288.2 km' (1,269.60 sq. and Mangkoenegaran, whose area is 2,750.7 km 2 ( J >062.07 sq. miles). The Native State of Surakarta, often ab breviated in both speaking and writing to "Solo", has, urther, two enclaves in the territory of the Government Jogjakarta, namely Kottagede-Solo and Imogiri. Both en claves are Districts, which for practical reasons are ln eUuled under the Regency of Bantoel in the Native State of Jogjakarta. The Native State of Mangkoenegaran has so an enclave in the Government of Jogjakarta included n the Regency of Goenoengkidoel; it is called NgaAven an d is a Sub-district of the Regency mentioned. * n the Government of Surakarta (in the Regency of Ojolali) lies an enclave included under the Province of *"udl e Java in the Regency of Samarang and the District °f Tengaran. Ihe Native State of Jogjakarta embraces four Regencies Jogjakarta, Bantoel, Koelonprogo and Goenoengkidoel), *• Districts, amongst which are included the District of ttagede-Solo that Avas mentioned above (not to be e °nfused with Kottagede-Jogja) and Imogiri, 60 Sub ls ti'icts including the above mentioned enclave of Ngawen, an d 794 villages. The Native State of Pakoealaman has v 2 Regencies, called Pakoealaman and Adikarto es Pectively. The Regency of Pakoealaman is, however, er .V tiny, consisting only of a section of the city of °Sjakarta in which the Princc Pakoe Alam resides. The *egen e y of Adikarto that is situated in the south of the overnment of Jogjakarta consists of one District, four s and 52 villages. the Native State of Surakarta numbers four Regencie3 platen, Bojolali, Sragen and Surakarta), 21 Districts, ° 6 Sub-dist ricts, and 1,240 villages. The Native State of ar *gkoenegaran has two Regencies (Kotta Mangkoenegaran ail( i Wonogiri), 9 Districts, 40 Sub-districts and 750 Vll lages. Ihere are also European Civil Servants in these Native a tes; in either of the Governments is a Governor, and ver hint the Residents (one in the Government of gjakarta and two in that of Surakarta) each of whom cets the affairs of a Residency. In the tables the Bencies are grouped according to their respective n the Governments of Surakarta and Jogjakarta are no nieipalities, but each of the two principal cities (hearing Pectively the same names as the Governments) numbers ° Ver 100,000 inhabitants. 0) The city of Jogjakarta lies the most part in the Native State of that name and only small section of it is in the Native State of Pakoealaman. city 0 f Surakarta also lies in two Native States, the lon of it in the State of Surakarta had a population j 1i 4,628, while in the portion within the State of Shoenegaran were 34,957 persons. of the population. (Sec Tables Ito 9). Middle which covers so much more ground, also contains far more inhabitants than the Governments of Surakarta and Jog jakarta. The popula tion of the Native States is shown in Table 8 and that of some (but far from all) of the privately administered estates with Chartered Rights ("private lands"; particuliere landerijen) in Table 6. The number of Europeans in the Province of Middle Java and in both the Governments of Jogjakarta and Surakarta taken to gether is less than the number of Euro peans in either of the Provinces of "West or East Java. These Europeans are for the most part concentrated in the larger or smaller towns; in Middle Java to 80.6% of their total number, iin Jogjakarta to 77.1% and in Surakarta to 65.1%. In some of these cities and towns they form from about 2% to a f uil 8% of the total inhabitants. In the rural districts live at the most three or four Europeans per 1,000 of the total inhabitants. The number of Chinese in the Province of Middle Java and the Governments of Surakarta and Jogjakarta is markedly smaller than that in the Province of West Java. In these districts more than in the latter Pro vince they are found concentrated in cities and villages, in Middle Java to 65.6% of their total number, in Sura- karta to 67.1% and in Jogjakarta to 73.2%, as against 52% in the Province of "West Java. In eertain of these cities and towns they form from about 5% to about 26% of the total inhabitants. The other foreign Asiatics (mostly Arabs) make up only a very small part of the total and live mostly in the cities and towns. More than 90% of the natives live in the open country; only 2.97% of the people in the Province of Middle Java and the Governments of Surakarta and Jogjakarta were enumerated in the cities of over 100,000 inhabitants. Relation of the sexes. (Sec Tables 3 and 4). The women form the ma jority of the native population in central Java also. But along side of several Dis tricts and countless towns where more than 1,100 women were found per 1,000 men, there were 20% of the Districts where a male majority or only a very slight female majority was recorded. The great excess of women in the towns is largely attributable to the migration of women from the country to the towns. There are also regions in which an extensive emigration of the men is the principal cause of the surplus of women (for instance in the southern part of the Province of Middle Java). However, the influence of c Oaf le Government of Surakarta or Jogjakarta must not be o r tl USed ' th erefore, with the Native State, the Regeney, the District >e City O f the game aame. 104 emigration can only be judged accurately when the emigra tion figures toother parts of Netherlands India are known. Is the excess of births of boys over those of girls genera] J Does this excess of boys change to one of girls at a lower age-level here than in the countries of Western Europef And, if so, is this, then, not also one of the possible causes of the excess of women found here? The answer in all probability is yes; but there is no real certainty, since the records of births and deaths kept by the village elerks are so unreliable (*). The question then arises; to what causes is the compara tively small number of women in eertain Regencies, such as Temanggoeng, Wonosobo, Grobogan, and in South Pekalongan, East Surakarta, etc, to be ascribed? This is in all probability not attributable to a large immigration of men; possibly, indeed, to a higher mortality among the women, since in such mountainous districts they must work much harder. However, according to statements made by medical experts, it has not been found that more women than men succumb to the diseases (plaque, malaria, and dysentery, for instance) endemic in several of these districts ( 2 ). In some of the Districts, (for instance ia those of the Regency of Grobogan) it might be possible to deduce from the figures relating to the age-groups (sec Subsidiary Table 7 on page 50) that the excess of boys in the youngest group is greater than elsewhere and could be the cause, or one of the causes, of the lower relative number of women. Density of the population. (Sec Table 9). Central Java is one of the most thickly populated regions in the whole world. The figures for eertain of the Districts on the north coast of the Province of Middle Java in the Regencies of Tegal and Peka longan are exception ally high, showing over 1,000 persons per km 2 (over ± 2,500 per sq. mile). But the figures for other Districts along the north coast are not low, nor are those from various Districts in South Middle Java and the two Governments of Jogjakarta and Surakarta. Here the figures lic between 500 and 1,000 persons per km 2: the District of Klaten in Surakarta had even over 1,100 persons per km 2 (i.e. over ± 2,800 per sq. mile). The lowest figures (between 100 and 200 persons per km 2) were reported from the marshy regions where the excess of water is difficult to dram away (West Tjilatjap) and also in districts with extensive forests (the south of the Residency of Pekalongan, the Residency of Japara- Rembang, and parts of Surakarta). These forests, parti cularly the teak forests in the eastern part of Middle -lava. can sometimes cover more than 50% of the total surface of the district. Therefore the figures given in Table 9, column 8, showing the number of natives per km 2 of arable land ( 4 ) gives a more accurate picture of the density of the popula tion. The figures given in the same table showing the number of natives per km 2 of sawahs (irrigated riee f ields) should be considered in connection with the relative extent of this sort of land in the given District. In Administrative Districts which consist wholely or in large part of built-up areas' districts (Samarang, Jogjakarta, Surakarta, Koedoes, Pekalongan, etc.) or in the mountains where there are but few sawahs, these figures are, of course, exceedingly high. Growth of the population. (Sec Tables 5 and 7). In the following insert-table the growth of each of the popula tion groups and of the total population of the Province of Middle Java and the Governments of Jogjakarta and Surakarta is given expressed as a percentage of the number of inhabitants in 1920. It is noticeable that the native inhabitants of the densely populated Governments of Surakarta and Jogja karta show so high a percentage increase. It is a pity that it is only from a few of the Regencies and Districts in these two Governments that the percentage increments can be calculated. (sec page 101). The explanation of any increase or decrease observed i s much hampered by the lack of trustworthy figures f° r births and deaths (sec note i 1)). It can only be said with any degree of certainty that: 1. immigration has played an important part in the increase in eertain Districts of the Regencies of Tjilatjap and Sragen; 2. emigration has had an important influence on th p slight increase or actual decrease noted in some Districts of the Regencies of Karanganjar, Keboemen. Koetoardjo, and Poerworedjo; 3. the slight increase or actual decrease of the population in eertain Districts of the Regencies of Temanggoeng, Wonosobo, Bandjarnegara, Brebes, Pekalongan, Batang) Demak, Pati, Rembang, and Blora is closely connected with the high mortality in those regions. ( 5 ) For the explanation of eertain high percentage increments it is necessary to rely on conjeetures that may be made from the figures of the first age-group (sec below). The population increase in the Municipalities and tov?n s > which is in general quite high, is principally to ° e ascribed to immigration. Race. (Sec Table 10) Middle Java consists to aboti* 98% and the Governments of Surakarta and Jogjakarta to almost 100% of Javanese. In the western part of Middl e Java, however, live some 175,000 Snndanese. Among members of the various races of the Outer (!) In this eonnection sec "The numerieal evolution of population, with particular reference to the population of Java (Comitato Italiano per lo studio del problemi della popolazione Eoma, 1932") by J. vnn Gelderen. (2) Compare the "Census of India 1921" Vol. 1, Pt. 1 pp. 145 and 146. (3) I.e. of the entire population including both native and foreign members. (») For the definition of "arable land" as here used sec tb« "Census of 1930 in Netherlands India", Vol. 1, page 92. ( 5 ) Sec Subsidiary Table lon Page 16 for the areas stricke 0 with plaque. 105 Jslands found here, the most important are the Malays. " n ahassans, Ambonese, and Timorese. Migration. (Sec Tables 11 to 14, and text on pp. 20 seqq.). % the term "migration" in this connection we understand anv move from the place of birth (*) to some other Place ( 2 ), in which the enumerated was living at the time °i the census; immigration signifies, therefore, a move to *e place of residence and emigration a move from the Pïace of birth. The only important immigration area lay in the western Part 0 f the Regency of Tjilatjap; the regions mentioned in Subsidiary Table 2 on page 30 are of far less moment. 1,1 Subsidiary Table 5 on page 31 are to be found " c figures for the immigration into Municipalities ail d towns. It appears from these latter figures that from over 40% to almost 48% of the people of two Municipalities an d two towns came from elsewhere: the little town of tjilatjap shows as high as 55% of its inhabitants bom s i'where. At the same time it may be seen from the same able what an important part the migration of the women 0 the towns has played. It is remarkable that the women °tten play a very important röle not only in the migration 0 the towns, but also in that to the open country (sec Tables on page 30 and the Dutch text on PP- 26 and 27). It i s only for the Municipality of Samarang and the Clt ies of Jogjakarta and Surakarta that the immigrants av e been classified according to their age. It would a Ppear from these figures that the number of adults among ftes e immigrants is particularly high. "He full significance of emigration is not yet determina le , since the Central Census Bureau at the time that this Publication went to press had not yet completed the an alysis of the figures from a large residual section of w «therlands India. Only when the entire labour has been c °mpieted will it be possible to say for the whole Archipel ,|y " how many persons bom in the Districts of the rovince of Middle Java and the Governments of Jogja apa t and Surakarta are now living elsewhere. In x Planation it should be added that the number of persons 0lr t these Districts who have emigrated to places outside tb e Netherland Indian Archipelago is so small as to be e Kligible: this is a matter very strictly controlled by the G °vernment. -viturally the volume of migration from place to place Un the boundaries of central Java (the Province of 1( hlle Java and the Governments of Jogjakarta and Büra karta) is known (3). In Subsidiary Table 6 Page 32 the absolute and relative number of 'tfrants from eertain definite emigration areas has been tod and also a division of these emigrants according to 1 distance they have travelled. It was necessary to r am from publishing the figures for emigration by striets, since in that case the Districts bearing the same am- e as the Regencies would usually have shown far too figures (sec above, page 101). The emigration areas ' Le. in Java and Madura the District of birth; in the Outer ' ln,l s the Sub-division (Onderafdeeling) of birth. ( > i-e. District. (8\ , r . Al 'tually the number of emigrants who have moved from the Mli° n m f)upstiun int<) West Java is also known, but these figures fo J(i published later in the Complete Report when all the figures "e migrations within Netherlands India have been finally handled embraced the Districts with the largest excess of emigration over immigration, (that is to say, the Districts in which the figure obtained by subtracting the number of immigrants from the number of emigrants was highest). The number of temporary residents, that is to say those who at the time of the census were enumerated in one or other District of Middle Java or of the Governments of Jogjakarta or Surakarta, but who lived elsewhere, was very small (sec columns 8 to 16 inclusive of Tables 13 and 14). The highest figures were reported from some of the Municipalities and towns. Age-groups. In the regions under consideration the following were enumerated per 100 persons in each of the age-groups: The figures for the first age-group (ehildren who eould not yet walk; thus ehildren at most about 1% years old) show the exeess of births over deaths of ehildren bom during the period of some 18 months just previous to the taking of the census. To the second group belong all other non-adults. The relative magnitude of the total group of non-adults (i.e. the age-group I plus the age-group II) may have been influenced by three factors: 1. the amount of the exeess of births over deaths; 2. migration, whieh influenees the percentage of the adults directly, but has also an indirect effect on the percen tage of the non-adults; 3. the age-limit taken between the groups of non-adults and adults. It is, of course, not at all easy to decide whieh of the three factors has been of determining influence. It is assumed that: 1. the relatively small number of non-adults in the Regencies of Rembang and Blora and also in Temang goeng is due to the small exeess of births over deaths in this group during the past few years; 2. the relatively large number of non-adults in Wonogiri and Goenoengkidoel (in the Regencies that lic in the mountainous district to the south) and Sragen is due to a large exeess of births over deaths in this group during the past few years; 3. in the Regeneies of Keboemen, Karanganjar, and parts of the Regeneies of Tegal and Brebes emigration of adults may have given rise to a proportionately large group of non-adults; although from the high relative figures of the first age-group in the Districts of Tegal and Brebes (sec Subsidiary Table 7 on page 50) it might also be coneluded that the number of births there during the previous years must have been high (or, on the other hand, the infant mortality low) so that it is possible that there also a large exeess of births over deaths in the group of the non-adults could have been responsible for the proportionato increase of this group; 4. in an immigration ares such as the Regency of Tjilaljap, and also in Municipalities and towns whither many 106 adults migrate the group of non-adults will be small, a fact that in the Municipalities and towns may also be attributable to a high infant mortality or a lower birth rate as a result of birth control; 5. in Eembang in all probability the age-limit between the groups of non-adult and adult women was placed lower than elsewhere; 6. perhaps (as a result of hard labour) the wonien in the Governments of Surakarta and Jogjakarta and in the Regencies of Magelang, Temanggoeng and Wonosobo become sexually mature later in life than those elsewhere. The relative magnitude of the third age-group (the adults) is also, of course, influeneed by the three factors mentioned in the preceding column. That (indirect) in fluence has already been considered. From the figures of this third age-group it is impossible to deduce where the mortality among the adults is high. A consideration of the relationship between the sexes in cach of the three age-groups can give some indication of the origin of the general sex-relationship of the tot-al population. It is particularly striking that in certain of the Regencies of Surakarta and Jogjakarta and of the Residency of Kedoe (the Regencies of Magelang, Temang goeng and Wonosobo) the number of girls in the second age-group is extraordinarily high in relation to the number of boys. The question arises whether (as has been suggested above) in those regions also the girls as a result of toilsome work become sexually mature later in life than elsewhere. Civil condition. (Sec Table 15 and Subsidiary Table 9 on page 54). In the table given below are the figures showing the civil condition of each sex per 100 members: The differences between Middle Java, Jogjakarta and Surakarta on the one hand and West Java on the other are striking; it would appear that in West Java the number of persons divorced is greater. This is still more clearly brought out in a study of the table of civil condi tion for adults calculated per 100 of each sex (sec also Subsidiary Table 10 on page 55). Furthcrmore it now becomes apparent that the relative number of unmarried persons in Middle Java, Jogjakarta and Surakarta is far higher than in West Java. It is probable that persons in Middle Java, Jogjakarta and Surakarta marry later in life than those in West Java and moreover that in the latter Province more young unmarried women are married by divorced men. A striking observation is that there are more married women than married men; this is to be ascribed to: 1. polygamous marriages; 2. the temporary absence of some of the married men; and, perhaps, also to: 3. the fact that some of the women declared falsely that they were married. Taking all these factors into account, the number of married men temporarily absent may be estimated at about 70,464 in Middle Java, 5,081 in Jogjakarta and 6,184 in Surakarta. From the figures showing the number of married non adults (i.e. persons in the age-groups I and II) it would appear that child-marriage is most prevalent in the Regencies of Keboemen, Koetoardjo, Tjilatjap, Pekalongan, Sragen and Wonogiri. The Regency of Keboemen has the highest figure and there about 4*4% of the non-adult boys and of the non-adult girls are married. Child-marriages are entered into in the usual way, but cohabitation is postponed until the girl is sexually mature. The marriages appear, indeed, to be often of but short duration; the returns show a large number of divorced young girls, especially in the above-mentioned regions. One even finds instanees where such young girls have been widowed. In Subsidiary Table 12 on page 57 are given figures that have never previously been published showin? the number of divorces and marriages registered before the Muhammadan religious officials during the years 1929, 1930 and 1931. The relative figures should be compared with the Regency figures. The number of divorces (after deducting the number of divorces recalled by the man after he had repudiated his wife, in accordance witli Muhammadan law) is calculated for the three years mentioned per' 1,000 married men as enumerated in tb<s census of 1930. The number of marriages is calculated per 1,000 persons also as enumerated in the census of 1930. Here again the fact referred to above in the next column is noticeablc, namely that there were relatively far less divorces in Middle Java, Jogjakarta and Surakarta than in West Java; thus the number of divorces per 1,000 mar ried men in 1930 in Middle Java was 44.2, in Jogjakarta 29.1, in Surakarta 31.4, but in West Java 64! Polygamy. (Sec Table 16). From the table inserted here in the margin it appears that not more than a fu u 2% (in Surakarta even less than 2%) of türt adult men are married to more than one wif e - In some few of the Regencies and Districts this figure is as high as 5%; the figures for the Municipalities and towns are seldom above By 2 %. By far the majority of the adult men who are polygamously married have two wives. For ' comparison of the relative figures for 1920 and 19*> sec page 49. Dwelling places. (Sec Tables 20 and 21). At the risk of redundaney, it may be observed here once more to m B * the matter quite clear that it is only figures rclating t 0 dwelling places occupied principally by natives that a rt now under consideration. 107 The large percentage of houses with permanent roofs in Surakarta is striking. Indeed as a measure against the plaque many houses have been furnished with a per manent roofing there during the past few years. A large percent age of houses in some °i the Regencies of Middle Java (for instance Temanggoeng, "onosobo, and Magelang) have also been fitted with such °ots for the same reason. * n the Regency of Klaten the number of stone houses is large; not less than 19% of all the houses are built of thi * material. In the Municipalities and towns the percentage of welling places with permanent roofs is quite high, usually oetween 80% and 100%. The figure for the capital of the r °vince of Middle Java, Samarang, is, however, lower ' n °t quite 77%). In two small towns that are noted for eir rich native merehants, Kottagede (lying in the overnment of Jogjakarta) and Koedoes (in the Regency f Koedoes) almost half (46.3%) of the houses were built stone. In eleven other small towns more than half of e houses belong to the third group mentioned above. Number of persons per house. (Sec Table 21). This ?ure was obtained by dividing the total number of the «tive inhabitants by the number of houses of which the m eipal oceupant was a native. No really truc picture of o average number of native oecupants of a native house r more properly, of a house of which the principal cu pant is a native) is obtainable in this way; firstly Ca use natives also sometimes live in "non-native" houses; - p ondly because, especially in the large cities and towns, e number of oecupants per native house is very varying; a thirdly because, again principally in the cities, a large mber of temporarily present or temporarily absent per s can greatly disturb the value of such an average The figure is, therefore, of most value when PPued to the open country. He average number of oecupants per house is slightly higher in Jogjakarta and Middlc Java than in Surakarta. The high est figures in the Dis tricts and certain Mu nieipalities and towns '' ' & full six. Only in one or two Distriets were less tour occupants per house noted. H eads of families. (Sec Tables 17, 18 and 19). There more men than women who are heads of families, es Peeially in Jogjakarta and Surakarta the number of ■ 1 male heads of families is high. Naturally the non-adult heads of fam ilies are in a great minority. Since a mar ried man is the indi cated prineipal bread- c 0 ner a family, the married male heads of families s titute more than four-fifths of the total. As a matter of fact, not all married men are heads of families; it is remarkable that in West Java the relative number of married men who are not heads of families is smaller than that in Middle Java, Jogjakarta and Surakarta. Perhaps there is in central Java a larger relative number of young married men who are economically dependent on others than in West Java. As a rule, these young married men are still living with their parents or par ents-in-law. Here and there the percentage of married men not heads of families is even higher than 25% (in eertain Districts of Pemalang and Pekalongan). Also perhaps here and there errors have been made by the tellers. Furthermore it is not impossible that there are propor tionally more married women serving as principal bread winners for the family in place of their husbands in Middle Java, Jogjakarta and Surakarta than in West Java. From the above table it appears that there were pro portionally many more married women in the group of female heads of families in Middle Java and the Governments of Jogjakarta and Surakarta than in West Java. Moreover in Middle Java and the Governments of Sura karta and Jogjakarta more married women were functioning as principal breadwin ners for families than in West Java. It is remarkable that in eertain Municipa lities and almost 70% of all the towns the percentage of married women who were heads of families was higher than the average for Middle Java. In those places, too, where many married men had emigrated leaving their families behind them the percentage could be quite high (from 4% to 6%). Though it is a rather rough means of ealculation, the average size of a family may be deduced by dividing the total population by the number of heads of families. The average for Middle Java calculated in this way was 4.57, that for Jogjakarta 4.73, and that for Surakarta 4.67. Number of literates. (Sec Tables 22 to 29 and text on pp. 67 seqq.). The relative number of literates is shown as a percentage of the total population in the marginal table here inserted. Literacy was highest in the Regencies of Temanggoeng, Keboe men, Grobogan, Ka ranganjar, Jogjakarta, Surakarta, Banjoemas and Batang. The high est figures of all were, 108 of course, found in the Municipalities and towns. especially in the two capital cities of the Governments of Jogjakarta and Surakarta and in eertain of the small towns; the percentages rise in these places to between 17% and 20%. The lowest figures (1% to 2%) are found in the southern highlands of the Governments of Jogjakarta and Surakarta, that is to say in the Regencies of Goenoeng kidoel and Wonogiri, and further in the rural districts of the Regencies of Surakarta and Sragen. The figures are also low in the densely populated country regions of Pekalongan, Tegal and the Governments of Jogjakarta and Surakarta. For the more important figures relating to these Districts, Municipalities and towns, the reader is referred to Subsidiary Table 14 on page 76. The number of literates has increased considerably during the past ten years (sec Subsidiaiy Table 16 on page 79); in several Regencies it has trippled in that time, while in the Regency of Wonosobo it has increased more than fivefold since 1920. In general the non-adult literates appear to have increased relatively more than the adult literates and the women more than the men. Although the objections to co-edueation have been re moved by the Government as far as possible through the opening of girls' schools of various grades, the number of female literates still remains smaller than the number of male. The greatest advances have been made in the number of non-adult female literates in the Regency of Temang goeng, in eertain of the Garrison Towns, such as Salatiga and Magelang, and in the two capital cities of the Governments of Jogjakarta and Surakarta, and especially in eertain of the smaller towns. Literacy and school ing. From the table appendcd it appears that but a very small percentage of the non-adult literates have learned to read and write outside the schools. This percent age is much higher among the adults, especially in the Governments of Jogjakarta and Surakarta. Literacy in Dutch. (Sec Tables and text on page 73). The relative number of readers and writers of Dutch among the native population is naturally quite small. In Middle Java almost 62%, in Jogjakarta over 73% and in Su rakarta almost 70% of these literates were concentrated in the Municipalities and towns, since it is there that the schools are situated in which natives can leam Dutch, and also because the graduates of these schools can find the occu pations they scek in such places. The figures for the cities and towns are given on page 78. Although the number of persons literate in Dutch is still very small in comparison with the total population, if their number is compared with that reported in 1920 it will be found that it has more than doubled in Middle Java, trippled in Jogjakarta and increased in Surakarta more than fourfold (sec Subsidiary Table 17 on page 80). Here again the number of women literates in Dutch has increased more than the number of men. It appears also that the percentage of women among those literate in Dutch is higher than that among the literates in genera!. In Middle Java 14.7%, in Jogjakarta 11.6%, but in Surakarta only 7.7% of the persons literate in Dutch have acquired their knowledge of what is to them a foreign longue other than in a School devoted to Western elcmen tary cducation (sec Table 28). Religion. (Sec Table 30). Among the three races of Ambonese, Bataks, and Menadonese the Protestants are in the majority. The natives of the region under discussion are almost all nominally Muhammadan. Physical infirmities. (Sec Tables 31 and 32 and text on page 82)- The largest relative number of persons to tally blind is found in the regions where trachoma rages along the north coast. Here there were from 4 to 8 totally blind per 1,000 inhabitants. The relative number of deaf-mutes in Middle Java, Surakarta and Jogja karta is considerably lower than in West Java, bat the figures returned from the lat ter Provinee were cef' tainly too high. The number of to- tally blind persons who were at the same time deat'-nuitt' was only about one in ten-thousand. The number of those engaged in a classified occupation (See Table 33 and text on pp. 84 seqq.). The number of workers per 100 persons of either sex and per 100 persons of the entire population is given in the appendcd marginal table. There are thus in Middle Java, Jogjakarta and Surakarta proportionately more workers than in West Java; it & particularly the women workers who show such a large proportional excess over those * the latter Province 1' is truc, indeed, tb» the percentages of th ,s (female) group of work ers was based in eer- tam of the Regencies of Middle Java (Grobogan, Pati, au Blora), of Surakarta (Klaten, Sragen, Surakarta, an Bojolali), and of Jogjakarta (Bantoel) on a broade* interpretation of the meaning of "a definite occupation page 102), but that does not alter the fact that m Regencies of central Java figures were returned betW* 6 'I\', and :57%, while in the Province of West Java oïdi' one Regency showed a percentage higher than 20%. As a rule the figurea for the total number of worke 109 ar e highest in regions where in addition to agriculture other occupations or occupational groups are of signifi- Ca nee, for instance the industries carried on in the Regen tes of Bantoel, Jogjakarta, and Koelonprogo in the Government of Jogjakarta and also in Pekalongan, and !e non-native agricultural industries (sugar production an d tobacco growing) in the Regencies of Klaten, Kotta tangkoenegaran and Bojolali in the Government of Sura ar ta an d the Regencies of Jogjakarta and Bantoel in the Government of Jogjakarta. In the Regencies of Grobogan, Pati, Blora, and Magelang Middle Java, and Sragen and Bojolali in Surakarta the ar ge number of persons engaged in a definite occupation s a ttributable to the extraordinary large number of farm orkers. We shall revert to the figures for farmers Presently. *n the Municipalities and towns where the occupations re highly diversified the percentage of workers is high. Gf course, almost all the married men are engaged in ome definite occupation, but in eertain of the mountain ls tricts, in the immigration areas of Tjilatjap, and in me towns the percentage of married men who are unem pl °yed is quite high (about 10% to 20% of the total of e married men). The unmarried male workers are rather merous i n eertain regions where there are many young er usmen or where many persons are employed in non a tive agricultural work, and further in many Municipal ni es and towns. It i s striking that in Jogjakarta not less than 46.3% of e large number of working women are engaged in one * other of the industrial occupations; for Middle Java •fes percentage is 27.4%, for Surakarta 20.7% and for e st Java 24.2%. Proportionally many more women are Saged in business in central Java than in West Java. several of the Districts of the Governments of Jogja ar ta and Surakarta the non-native agricultural industries r m an important souree of income for the women. Since e batik industry is carried on in many of the Municipa- Ul es and towns, quite often from 30% to 40% of the men were enumerated in such places as engaged in a mite occupation. In the little commercial town of ttagede-Jogjakarta there were even 48% of the women e mployed.0 yed. The number of farm workers and other important occupations. (Sec Table 34 and the text on pp. 89 seqq.). In judging the figures given in the marginal table here- with, the remark made on page 102 to the effect that in eertain of the Regencies of Middle Java (Grobo gan, Blora, Pati, and Magelang) and in the Government of Sura karta (Sragen and Bo- jolali) the figures are too high, should be borne in mmd. The number of farm workers per 100 total workers is low in regions where there is an actively earried-on home industry (the Regencies of Jogjakarta and Bantoel in the Government of Jogjakarta; the Regencies of Kotta Mang koenegaran and Surakarta in the Government of Surakarta; and the Regencies of Pekalongan, Tegal, Banjoemas and Koedoes ( 2 ) in the Province of Middle Java) ;in districts with non-native agricultural industries (the Regencies of Klaten, Surakarta, Bantoel, and Jogjakarta) ; and in Districts where there are many coolies, who, while workers, cannot easily be classified under any definite form of occupation (Tegal) although they have been entered in the tables under "Occupational group No. 51"; and, of course, in the cities. In the three large cities (Samarang, Jogjakarta, and Surakarta) the number of workers is relatively greatest in the occupational group of "industry" and in the occupa tion "household duties". In Samarang the number of coolies mentioned in the last paragraph is also large (sec also Subsidiary Table 23 on page 99). The numbers of persons engaged in other important occupations of a non-agricultural nature have been entered in groups, classified according to the scheme mentioned in the note i 1). This table is so obvious that no elucidating remarks are needed here. (*) Occupations 1 and 2in the scheme on page 84, ( 2 ) Many native cigarettes are made here. In Jogjakarta zy'n van de tien buiten de stad gelegen districten van de regentschappen Bantoel en Jogjakarta er zes, die dichtheidscijfers van 800 tot 900 hebben: in het zuiden Kebonongan i), een aan de kust gelegen klapperrijke streek met een rand van duinen, Pandak en Bantoel ieder met een klein stukje in het Zuider gebergte, Godejan in het westen en dicht bij de hoofdstad in het Noorden Mlati en in het zuidoosten Kotta- gede waar het aardige oude stadje 2 ) van dien naam bekend °"i haar inheemsehe nijverheid en handel in ligt. Een klein deel van dit stadje is met een ver daarvan in het Zuider- gebergte gelegen gebied Solosche enclave; ook Imogiri (Solo) ligt in dit gebergte (zie boven blz. 1). De distric ten Sleman en Kalasan zyn niet zoo dichtbevolkt de andere omdat zij beiden gebied op den Merapi hebben. Het regentschap K1 a t e n heeft een zeer dichtbevolkt gebied, vooral om de hoofdplaats heen, bui ten de kotta heeft het district Klaten een dichtheid van 1005,6 per km 2. Evenals Ka lasan en Sleman heb ben ook Gondangwi- Hangoen en Djatinom wat lagere cyfers, omdat de noor delijkste stukken van hun territoir tegen den op liggen / vlakte van Klaten gaat over in die van Soerakarta Wa ar de dichtstbevolkte districten zijn: Kartasocra (874,2 zielen per km 2) met 1 suikerfabriek en enkele tabakslanden, ■^ a njoedono (677,6) met 1 suikerfabriek, en dan om de hoofdplaats Solo, de districten Soerakarta, dat buiten de h °ofdplaats 3) e en dichtheid heeft van 2 746,1 per km 2, dichtheid nog grooter dan die van Pekalongan, Tegal en Adiwerno (zie boven blz. 10) en Kotta Mangkoenega ran 4 ), dat buiten de stad een dichtheid van 522,1 per kl * 2 heeft. Hooge dichtheidscijfers in het hoogland van Kedoe. *-edoe is alty'd bekend geweest om haar dichtopeemvonende evolkinsr. Dat in het Magelangsche hoogdal die dichtheid groot moet zy'n zagen wy reeds aan de cy'fers van Ban- d °ngan en Tegalredjo. Het district .Magelang met de gemeente telt ongeveer 1100 zielen, zonder gemeente bijna "1 zielen per km 2 . lets meer heeft het zuidelijker gelegen (652,8), iets minder Sa lam (633,9); Cl den liprg 0n echter gedeeltelijk op den Merapi. Weer lager zyn de cy'fers van de Temanggoengsche districten Temanggoeng (572,8) en Parakan (405,5), maar hooger is het cijfer van het bezuiden den Soendoro gelegen hoogland van Wonosobo (608,7). Dichtheidscijfers in enkele gemeenten. Na- tuurlyk is de dichtheid in de steden groot. In nevenstaand tabel letje zyn de cy'fers van de gemeenten en de beide Vorstenland sche hoofdplaatsen op- genomen. Opvallend groot is de dichtheid van Solo, Jogja en Pekalongan. Aantal inlanders per km- sawah en per km 2 bouwgrond. In tabel 9 zyn naast bevolkingsdichtheidscijfers ook nog — zelden gepubliceerde — cijfers van het aantal Inlan ders per km 2 sawah en het aantal Inlanders per km 2 bouwgrond, opgenomen. Deze ongewone cijfers behoeven eenige toelichting. Aantal Inlanders per km- sawah. Jogjakarta blijkt het grootste aantal Inlanders per km 2 sawah van geheel Java te hebben, daarop volgen Soorakarta, Oost-Java, Midden-Java en ten slotte West-Java. De hoogste districts cy'fers vindt men na tuurlijk daar waar wei nig sawah's zy'n, dus in gemeenten als Se marang en Pekalongan en kottas als Jogjakarta en Soerakarta. Buiten deze steden beginnen de hoogste cijfers tusschen 3 000 en 4 000, doch in de Vorstenlanden zjjn zy hooger, en wel in de sawaharme streken van Goenoengkidoel (Jogjakarta) en het Koelonprogc-sche Pengasih waar cijfers tusschen 4 000 en 5 000 zyn aangetroffen, en nog hooger cijfers hebben de Bojolalische districten Ampel (8 390,5) en Bojolali (5 991,6) waar dan ook de sawah's maar een klein percentage van het totaal districtsareaal innemen. Het zou te veel tekstruimte vereischen om nu ook de andere eyfers te bespreken. Er moet dus volstaan worden met een verwijzing naar de betrekkelijke tabel. Aantal Inlanders per km- bouwgrond. Het aantal In landers per km 2 bouwgrond is wederom in Jogjakarta het hoogst, daarop volgen Midden-Java, Soerakarta, Oost-Java en tenslotte West-Java. Dit cyfer geeft eigen lijk aan de dichtheid van de Inlandsche be volking in het door haar bewoonde en be bouwde gebied; het is dus hooger dan het ) Zie over deze streek: Dr. L. Adam. Enkele gegevens omtrent en econonüschen toestand van de kaloerahan Sidoardjo, (1929). > Zie over dit stadje H. J. van Mook in Koloniaal Tijdschrift, •> aa rg. 15 (1926). ) Het gebied buiten de kotta is slechts 2,56 km 2 groot, rn het Mangkoenegarasche rijk liggen twee suikerfabrieken. 8) De oppervlaktecijfers van Semarang, Pekalongan, Tegal en Magelang zijn verstrekt door het Kadaster, het cijfer van Soera karta door het Kantoor van Agrarische Zaken. Het cijfer van Jogjakarta is dat van het district van dien naam, dat officieel gelijk is aan de hoofdplaats (zie boven blz. 1); het dichtheidscijfer zou vermoedelijk nog hooger zijn, indien het naar de oppervlakte van het door het Volkstellingskantoor als stad beschouwde deel was berekend. 11 Getalsterkte der bevolk elk onderdistrict. *> Populatio 11 *) TABEL 1 TABEL 1 1) Voorzoover beschikbaar zijn voor de Vorstenlanden de cijfers van 1920 per regentschap vermeld. The figures of 1920 are published for the Native States per regency as far as available. 113 112 TABEL 1 (VERVOLG) TABEL 1 (VERVOLG) 114 115 TABEL 1 (VERVOLG) TABEL 1 (VERVOLG) 116 117 TABEL 1 (VERVOLG) TABEL T (VERVOLG) 119 118 12 cy'fer van het aantal Inlanders per km 2 van het geheele gebied, de bosschen, moerassen, woeste gronden, wegen, rivieren en ondernemingen, waarop zakelijke rechten van het Burgerlijk Wetboek (erfpacht, bijv.) rusten, inbegre pen. Is het verschil tusschen de beide cijfers groot, dan is het complex dezer laatstgenoemde gron den uitgestrekt. De allerhoogste cy'fers van het aantal Inlanders per km 2 bouwgrond moeten dus wederom in de zeer dichtbevolk te steden waar belang rijke complexen grond door Europeanen met het een of ander aan het Burgerlijk Wet boek ontleend zakelijk recht worden geoccu peerd, en waar veel verkeerswegen zy'n, Worden gezocht (Se marang, Jogjakarta, Soerakarta). In neven staande tabel zijn de hoogste districtscy'fers (behalve die van Semarang, Jogjakarta en Soerakarta) vermeld, daarnaast de cyfers van de gewone dichtheid per km 2 doch van de Inlandsche bevolking alleen. Vergelijkt men beide cijferreeksen dan ziet men de groote verschillen in districten met een gemeente of kotta binnen hun gebied (Pekalongan ■*), Tegal *), Magelang i), Klaten, Kendal, Poerwokerto, Pemalang, Keboemen). Het vrij groote ver schil van het district Kebonongan in het zuiden van Jogjakarta is waarsehy'nhjk toe te schry'ven aan het uitgestrekte ongeoccupeerde duinengebied, dat men in dat district aantreft, terwijl dat van Weleri zy'n verklaring vindt in het betrekkelijk uitgestrekte djatiboschareaal van dat district (zie boven blz. 10). Zeer dicht opeengepakt woont ook de bevolking van die districten welke 900 tot 1000 Inlanders per km 2 bouwgrond (d.i. ongeveer 6 a 8 Inlanders per bouw) tellen: de meesten daarvan zy'n Vorstenlandsche districten (Mlati, Bedji, Gondangwinangoen, Delanggoe, Kartasoera en Ktffta Mangkoenegaran) 2 ) en voorts het district Soekaradja in Banjoemas, het Pemalangsche Tjomal en het district Batang in het regentschap van dien naam. Het geringst is de laatstgenoemde dichtheid in Midden- Java in de districten Madjenang (byna 255 Inlanders per km 2 bouwgrond) in Tjilatjap, Kaloran (282) in Temang goeng, Oendakan (267) in Koedoes, Karimoendjawa (120) in Japara; en in de Vorstenlanden: het Goenoengkidoel sche district Plajen (276,4), het Sragensche Gesi (265) en het Wonogirische Woerjantoro (289). Cyfers van 300 tot 500 zy'n aangetroffen in andere districten van Wonogiri, Goenoengkidoel en Sragen, en verder in enkele bergdistricten van Bandjarnegara, Wono- sobo en het zuidely'k deel van de residentie Pekalongan, in Sidare dja (Tjilatjap), Djoe mapolo (Kotta Mang koenegaran) , Karang gede en Djoewangi (Bojolali) en Nang goelan (Koelonprogo). Dat de densiteit van vele bovenvermelde minder „dichtbevolkte" districten met groote boseharealen aanmer kelijk grooter wordt wanneer de dichtheid per km 2 bewoon- en bebouwbaar gebied wordt berekend, spreekt van zelf en blykt uit de cijfers van bovenstaand tabelletje. 1) Het aantal Inlanders per km 2 bouwgrond in het district Pekalongan buiten de gemeente bedraagt 2 043,3; in Tegal buiten de gemeente 1 230,3 en in Magelang buiten de gemeente 707,95. 2 ) De in Jogjakarta (regentschap Bantoel) gelegen districten Godejan, Kottagede-Jogja en Pandak hebben cijfers iets boven de 1000. §6. Bevolkingstoename 3 ). Toename der totale bevolking. In de tabellen 5 en 7 is de bevolkingssterkte van 1930 vergeleken met die van 1920 4). in Midden- Java is de totale bevolking met slechts 12,5% (van het zie lental van 1920) toe genomen d.i. nog min der dan het accres van de bevolking in Neder land over de laatste decade en nog minder dan het accres van geheel Java en Ma- doera. Bijzonder groot blykt de aanwas te zijn van Soerakar ta, hooger zelfs dan dat van West-Java, terwy'l ook Jogjakarta een niet onbeteekenende toename te zien geeft. Accres van de uit heemsche bevolkings groepen. Van de uit heemsche 'bevolkings groepen zijn in Mid den-Java en Soerakar ta de andere Vreemde Oosterlingen het sterkst toegenomen, terwijl in Jogjakarta de Chineezen het hoogste accrescyfer vertoonen. De Vreemde Oosterlingen (andere dan Chineezen) zy'n in de gemeenten Semarang, Pekalongan en Tegal en d 3 kotta Soerakarta, waar hun zielental het hoogst is, sterk toegenomen, het meest in Solo (61,4%; van 860 op 1 388 zielen), in Semarang en Pekalongan meer dan 50% en in Tegal 46,5%. Over het algemeen is van deze bevolkings groep het aantal vrouwen meer toegenomen dan het aantal mannen. De accrescy'fers van de Chineezen van de gemeente Pekalongan zy'n niet minder dan 135%; het Chineezental is er dus meer dan verdubbeld. Veel lager, maar toch 3 ) Zie tabellen sen 7. 4 ) Zie boven blz. 3. TABEL 1 (VERVOLG) TABEL 1 (VERVOLG) 121 120 TABEL 1 (VERVOLG) TABEL 1 (VERVOLG) 122 123 TABEL 1 (VERVOLG) TABEL 1 (VERVOLG) 125 124 TABEL 1 (VERVOLG) TABEL 1 (VERVOLG) 126 127 TABEL 1 (VERVOLG) TABEL 1 (VERVOLG) 128 129 13 lang niet gering zijn de percentages van Semarang (39%) en Magelang (39,2%) en in de Vorstenlanden die van de hoofdplaatsen Jogjakarta (58%) en Solo (41,5%). Van de beschikbare kotta-cijfers valt het accres van het stadje Poerwokerto (86,1%) op. Bij het beoordeelen van deze relatieve cijfers (niet alleen van de Chineezen, maar ook van andere uitheemsche bevolkingsgroepen) mag men niet nalaten ook steeds daarnaast de absolute cy'fers te raad plegen, omdat vaak hooge accrespercentages betrekking hebben op lage absolute cy'fers. In de residentie met het geringste aantal Chineezen, Banjoemas, is hun accres relatief het hoogst (47,9), terwy'l 111 de residenties Pekalongan, Kedoe en Semarang de aamvaseijfers schommelen tusschen 37 en 39%. Geringer ls de toename van de Chineezen in Japara-Rembang '22,3%). Van de regentschapscijfers moeten vermeld wor den Tjilatjap (55,1%), Karanganjar (50,8%), Poerwokei to (60,3%), Pekalongan (60,1%), Wonosobo (71,9%) en Kendal (59,1%) ; lage aanwascijfers hebben de regentschap- Pen Temanggoeng (12,3%), Rembang (11%), Koedoes (21,2%), Tegal (22,8%). Van de Vorstenlandsche cy'fers is alleen bekend, dat in de regentschappen Adikarto, Koelonprogo en Goenoeng kidoel de aanwas der Chineezen relatief groot maar in a bsoluten zin klein is; dat die aanwas in het gebied van ds '''"-'■ntsehappen Pakoealaman, Jogjakarta en Bantoel teza men 71,7% en in het regentschap Klaten 55,2% bedraagt. Hi< ronder nog enkele cijfers van de toename der Chi neezen in enkele gebieden buiten gemeente of kotta waar l & 1930 het zielental meer dan 3 000 bedroeg i) : In het gouvernement Jogjakarta zijn onder de Chineezen üe vrouwen meer toegenomen dan de mannen. In Soera karta en Midden-Java ontloopen de percentages elkaar niet ccl. Het zou te ver voeren om in deze publicatie de Ult eenloopende percentages van steden en platteland te Spreken. ■De hooge accrespercentages van de Europeanen corres- P°ndeeren vaak met lage absolute cijfers. In de gemeenten 155 de toename het hoogst in Salatiga (63,7%), Pekalongan ; van 595 zielen op 891 zielen) en Magelang )_ Op de hoofdplaats Jogjakarta is het aantal * Ur opeanen met 50%, in Solo met 32,1% toegenomen. Aan 3 accrespercentages van de kottas, die nog bovendien nv olledig zijn, kan niet veel beteekenis gehecht worden, zij op te kleine absolute getallen betrekking hebben. P c toename op het „platteland" is alleen van beteekenis de residentie Pekalongan buiten de beide gemeenten Pe kalong an en Tegal (accres = 26,3%), in het gouverne "«tt Soerakarta buiten de kottas Solo, Blaten, Bojolali n Sragen maar vooral in hëT~göTTTernement °gjakarta bÜïfende hoofdplaats (48,6%). In de resi entie Banjoemas buiten de kottas Tjilatjap, Banjoemas, Poerbalingga en Poerwokerto en in de residentie Semarang buiten de gemeenten Semarang en Salatiga en de kottas Kendal, Ambarawa en Demak, is het aantal Europeanen afgenomen. In de residentie Kedoe buiten de kottas Wonosobo, Keboemen, Poerworedjo en Temanggoeng en de gemeente Magelang is het geringe aantal Europeanen van 714 in 1920 tot 914 in 1930 gegroeid. De cy'fers van Rembang buiten de kottas uit beide jaren kunnen niet vergeleken worden, omdat het cy'fer van de kotta Lasem van 1920 ontbreekt. In Midden-Java en het gouvernement Jogja karta is het aantal Europeesche vrouwen meer toegenomen dan het aantal mannen; in Soerakarta is het accrespercen tage van beide geslachten nagenoeg gelijk. Accres van de inheemsehe bevolking; algemeene cijfers. De inheemsehe bevolking is het minst toegenomen in Midden-Java. Dat bly'kt natuurlijk ook uit de regentschaps cijfers. Was in West-Java het laagste regentschapsaccres- cy'fer ruim 9% (van het zielental in 1920), in Midden-Java is 1 a 2% het geringste aanwaspercentage (re gentschappen Koetoar djo en Temanggoeng). Zelfs is er één regent- schap waarvan het zielental in de periode 1920—1930 is afgenomen met 3%, namelijk Wonosobo. Percentages boven 20% zijn alleen gevonden in de regentschappen Tjilatjap Accrespercentagea van districten in Midden-Jnva 17 districten boven 20%, 52 „ met 10 tot 20%, 42 „ „ 0 „ 10%, 1-i „ n decres. (29,8%) en Pemalang (20,2%). Van de 125 districten (zie neven staand tabelletje) heb ben er 14 een bevol kingsdecres d.z. Poe ring (Karanganjar), Batoer (Bandjarnega- ra), Bawang (Batang), de Wonosobosche districten Lek sono, Garoeng, Wonosobo en Sapoeran, verder Koetowinan goen (Keboemen), Koetoardjo (Koetoardjo), Bandongan (Magelang), Parakan en Tjandiroto in Temanggoeng, Selokaton (Kendal) en Pamotan (Rembang). Zeer gering, 1 a 2%, is de toename in de districten Keboemen en Premboen in Keboemen; Pitoeroeh in Koetoardjo; Tjang- krep en Loano in Poerworedjo; Binan goen, Kragan en Sedan in Rembang. Van de Vorstenlan den zh'n helaas! slechts enkele cijfers van de bevolkingstoename per district en regentschap te geven (boven blz. 3). Aleen van de Soerakartasche distric ten Kotta Soerakarta en Tawangsari (regent schap Soerakarta), Sra gen, Gondang en Ma saran in Sragen, Bojo lali, Ampel en Karang gede in Bojolali, Woer jantoro, Batoeretno en . Met uitzondering van het regentschap Rcmbang, omdat, ninicr genoeg, het zleleütal van Aa kotta Lasem in 1920 niet ke ud i s . TABEL 1 (VERVOLG) TABEL t (VERVOLG) 130 131 TABEL 1 (VERVOLG) TABEL 1 (VERVOLG) 132 133 TABEL 1 (VERVOLG) TABEL 1 (VERVOLG) 134 135 TABEL 1 (VERVOLG) TABEL 1 (VERVOLG) 136 137 TABEL 1 (VERVOLG) TABEL 1 (VERVOLG) 1) Enclave Soenansgebied. Enclave of the terrüory of the Sunan. 2) Enclave Mangkoenegaransche Rük. Enclave of the terrüory of the Mangkoenegaran. 138 139 14 Poerwantoro in Wonogiri, de regentschappen Klaten, Goe noengkidoel, Koelonprogo, Adikarto en~PakoealamaTi, die tussehen 1920 en 1930 niet van grens veranderd zijn, en ook van dat gedeelte van Jogjakarta, dat gevormd wordt door de regentschappen Jogjakarta en Bantoel (vroeger Mataram geheeten) kunnen aanwaspercentages gepubliceerd worden. Hoog z\jn de cijfers van alle Solosche ressorten behalve Kotta Soerakarta en de twee Bojolalische districten Bojolali en Ampel. De Jogjakartasche cijfers zjjn lager, met uitzondering van Goenoengkidoel, welks zielental met 28% is toegenomen. Cijfers van 1920 betrouwbaar? De hooge accrescijfers van de Vorstenlanden doen vermoeden, dat de cyfers van 192Q_3 laag waren. Het staat echter lang niet vast of dit vermoeden wel gerechtvaardigd is. Maar het is natuurlij k mogely'k, dat — ook in Midden-Java — in 1920 fouten by' de telling van de bevolking zy'n gemaakt. Factoren, die de toe- of afname van de bevolking ver oorzaken. Er zy'n drie factoren, die de toe- of afname van de bevolking veroorzaken: 10. de geboorte; 20. de sterfte; 30. de migratie. Het is niet alty'd even gemakkely'k om voor ieder district te bepalen welke der drie factoren zy'n invloed doet gelden. In de eerste plaats kunnen alle drie factoren tegelijk in dezelfde of in aan elkander tegengestelde richting werken en bovendien is de intensiteit van ieder dier krachten niet in cy'fers te bepalen. De geboorte- en sterftecijfers, door dorpsschrijvers ge brekkig en onvolledig genoteerd, worden algemeen bnbe tronTyhflftr~OTwfnt. ij". De geboortecijfers worden met eens de publicatie waard geoordeeld, terwy'l ook aan de sterfte cijfers — vóór 1922 gewestsgewijze in de Jaarcijfers van ; het Koninkrijk der Nederlanden, in en na dat jaar, afdeelingsgewijze en soms regentschapsgewijze, in het Statistisch Jaaroverzicht van Nederlandsch-Indië (in 1930 in deel II van het Indisch Verslag) gepubliceerd — weinig waarde gehecht kan worden, ook aL omdat als regel de bevolkingscijfers en dus het aantal overledenen op de 1 000 zielen niet juist kunnen zijn. Van de migratie zullen wy" nu, dank zij deze Volkstelling, binnenkort weten hoeveel het aantal op den Volkstellings dag nog levende immigranten en emigranten per district bedraagt. Het laatste cy'fer kan echter pas bekend zijn wanneer alle Volkstellingsgegevens van geheel Neder landsch-Indië verwerkt zijn. De cijfers van de immigranten echter zijn nu al bekend, zoodat wy' kunnen beginnen met na te gaan of de immigratie een belangrijken invloed op het bevolkingsaccres heeft gehad. "' / Immigratie en bevolkingstoename. Aangezien aan de getelden is gevraagd waar zy" geboren waren, kon dus voor ieder district bepaald worden hoeveel inwoners elders geboren waren, dus in het district geïmmigreerd waren. De eenige immiigratiedistricten van beteekenis zijn in Tjilatjap gelegen: Madjenang, Sidaredja en Tjilatjap; hier zijn dan ook hooge accrescijfers, in Sidaredja zou zelfs de bevolking in de periode 1920—1930 verdubbeld zijn. Belangrijk is ook de invloed van de immigratie op het * accres van de Sragensche districten in Soerakarta; in het 1 distr iet "_oadaüfi, is de bevolking met 48%, in Masaran met tt 43,8% en in Gesi met 37% toegenomen. 1 Het kan ook zyn, dat een immigratie van een vorige generatie (misschien ook wel meerdere vorige generaties) haar nawerking op het accres in de periode 1920 —1930 heeft 2 ). Wellicht is dit het geval in de Pemalangsche districten Randoedongkal, Tjomal en Watoekoempoel; in de publicaties van de Mindere Welvaartscommissie van het jaar 1905, namelijk, leest men van een immigratie in het regentschap Pemalang uit Pekalongan en Tegal 3 ). Invloed van een groote nataliteit. Als een groote aanwas niet aan immigratie is toe te sehryven, dan moet, indien de cyfers van 1920 niet te laag zijn, wel een hoog geboorte cijfer oorzaak van den bijzonderen bevolkingsgroei zy'n. Misschien is dit het geval in de districten Bantarkawoeng (Brebes), Djatinegara (Tegal), Tjendono (Koedoes) Bangsri (Japara), in de Wonogirische districten Woerjan toro, Batoeretno en Poerwantoro, en in de regentschappen Goenoengkidoel en Klaten. By' de behandeling~vOTilöoï3* stuk V zal blyken dat dëzê veronderstelling voor enkele dezer ressorten eenigen steun vindt in de cy'fers van de leeftijdsgroepen. De opgevraagde geboortecijfers der genoemde districten over de jaren 1929, 1930 en 1931 zy'n van Bantarkawoeng, Djatinegara, Woerjantoro, Batoeretno wel hooger 4 ) dar_. die van een groot aantal andere districten van Midden- Java en de Vorstenlanden, maar, zooals al meermalen is gezegd, betrouwbaar zy'n die cy'fers niet. Gering bevolkingsaccres tengevolge van emigratie. Hoewel de volle omvang van de emigratie nog niet te bepa len is kan toch wel gezegd worden, dat het zeer geringe accres van de oud-Bagelensche districten Pedjagoan, Keboemen, Premboen, Alihan, Pitoeroeh, Kemiri, Poerwodadi, Poer woredjo, Tjangkrep en Loano en het decres van Poering, Koetowinangoen en Koetoardjo althans gedeeltelijk aan emigratie kan toegeschreven worden. Dat de bevolkingsaanwas van de emigratiedistricten Karanganjar (aanwas: 15,8%) in het regentschap Karang anjar en Tandjoeng (12,8%) en Brebes (13,1%) in Brebes grooter zh'n, kan misschien het gevolg zy'n van hoogere geboortecijfers in die streken, hetgeen o.m. uit een relatief-groote eerste leefty'dsgroep (zie hoofdstuk V) is af te leiden. Invloed van de mortaliteit. Groote sterfte onderjjin deren en volwassenen kan den invloed van hooge geboortecijfers, die. naar men veronderstelt, onder Javanen regel zijn, geheel elimineeren en het aecrespercentage verlagen. Dat de pest, die in de regentschappen Temanggoeng, Wonosobo (uitgezonderd Ngadisono), Magelang, Bandjar negara, Semarang, het Kendalsche Selokaton, Zuid-Pcka longan (vooral Paninggaran, Bawang, Bandar, Balapoelang, Boemidjawa, Boemiajoe) en in de Vorstenlanden (vooral 2 ) De immigranten, in den regel jonge menschen van een leeftijd waarop zij nog veel kinderen kunnen verwekken, produceeren een volgende generatie, die de bevolking in aantal doet groeien. 3 ) Onderzoek Mindere Welvaart, deel IXo, blz. 35 en Samen trekkingen van afdeelingsverrslagen residentie Pekalongan, (Econo mie van de desa) blz. 5—6. 4 ) Meer dan 35 geboren kinderen op de 1000 zielen (volgens de volkstellingscijfers 1930). i) Vermoedelijk worden, bijvoorbeeld, geboorte en sterfte van zuigelingen die maar enkele uren of dagen leven, vaak niet aan geteekend. Zie J. van Gelderen. The numerical evolution of population, with particular reference to the population of Java (Comitato per lo studio dei problemi della popolazione, 1932) blz. 9. TABEL 1 (VERVOLG) TABEL 1 (VERVOLG) 140 141 TABEL 1 (VERVOLG) TABEL 1 (VERVOLG) 142 143 TABEL 1 (VERVOLG) TABEL 1 (VERVOLG) 145 144 Getalsterkte der bevolking in de s ee nten en andere samenwoningscentra. Population of the centra of population. TABEL 2 TABEL 2 1) Gegevens niet beschikbaar. — Figures not avaüable. 146 147 TABEL 2 (VERVOLG) TABEL 2 (VERVOLG) *) Gegevens niet beschikbaar. — Figures not avaüable. 148 149 en Bojolalische districten, de dessa's op den \ leramjn~Thr-flintrintnTi1eramjn~Thr-flintrintnTi TT-iliian pn Sleman, dft beide groote 1 hoofdplaatsen en het kleine stadje Kottagede) in hevige I woedt of heeft gewoed, mede schuld heeft aan de \ a ?e aanwascy'fers van vele dezer streken, is vanzelfsprekend ' en kan ook blijken uit de achter in dit hoofdstuk op z - 16 opgenomen teksttabel No. 1 1 ). In die tabel 2l Jn niet de districten van de Vorstenlanden opgenomen, flidat de bevolkingsaanwas alleen bekend is van de districten Bojolali (16,3%), Ampel (9,6%) en het regent- Sch ap Klaten (20,2%) 2). Opmerkelijk is het hooge a ccrespercentagè van klatëh waar van 1920 tot en met 9 30 niet minder dan 8 865 personen aan de gevreesde 2le kte overleden zy'n 3). » Nu is in vele der genoemde streken de pest niet de eenige ° r zaak van een gering accres of een decres van de bevol ll1 ?- Zoo schijnen ook malaria en dysenterie, vooral . u ssehen 1923 en 1928 in het regentschap Bandjarnegara j in Karangkobar) zeer vele slachtoffers geëischt te I ebben 4) _ n j n sommige streken van de regentschappen j ■belang, Temanggoeng en het zuidelijk deel van de Pekalongan komt, volgens den Inspecteur van e n Dienst der Volksgezondheid van Midden-Java, endemi '-e eh malaria voor. I , volksziekte als de malaria zal ongetwijfeld ook liaar v loed op een geringen bevolkingsaanwas uitoefenen, JJvoorbeeld, aan de zuidkust het district Kroja en de Uid-Bagelensche districten, en aan de noordkust de distric -11 Demak, "Wedoeng en Samboeng in Demak; Tajoe 5 ) ft Djoewana in Pati; Waroe, Binangoen en Kragan in Dibang. Maar ook meer in de binnenlanden van Rembang, ° r a., enkele Grobogansche districten en wellicht ook in en <lakan waar de Rawah besar ligt. . Va ö zuisjelingensterfte (d.w.z. kinderen beneden 1 jaar) •illeen bekend, dat die zeer hoog moet zijn. Uit de 'cijïers van de gemeenten SemarSKgy T^Sg&L^P m ~n blijkt dat het °S?ste relatieve aantal sterfgevallen tot ruim _43% _van .. aantal geboren kinderen, gaat 6) ; in Salatiga zijn de e? s veel lagefT In de gemeente Semarang was het aantal 11 ie der der jaren 1929, 1930 en 1931 overleden zuigelingen 32,8, 30,8 en 32,3% van het totaal aantal an ders. Die percentages van Tcgal, Magelang en at iga zijn lager; van Pekalongan zyn geen cijfers van Ul geli ngensterfte bekend. O-p 1 inderdaad in de regentschappen Wonogiri en Goe- n gkidoel en de districten Tjendono (Koedoes), Bangsri vu^ en en^e l e Sragensche districten het groote be , een gevolg is van de aldaar geconstateerde 2, e ster ftecijfers 7 ) (ongeveer 10 tot en met 15 pro mille) van de betrouwbaarheid dier cijfers. Hooge sterftecijfers (25 a, 40%) en een gering accre3 gaan samen in Temanggoeng, Wonosobo, Magelang, Ban djarnegara en Koetoardjo, soms ook in Batang. Gering accres tengevolge van lage geboortecijfers. Kan misschien in enkele streken een laag accrespercentage veroorzaakt zijn door een geringe nataliteit? Algemeen veronderstelt men, dat de vruchtbaarheid der Javaansche vrouw groot is en dat — althans op het platteland — opzettelijke geboortebeperking, bijvoorbeeld door middel van abortus 8 ), niet of zelden toegepast wordt 1 ."- —* Of echter de vruchtbaarheid tengevolge van, bijvoorbeeld, malaria of geslachtsziekten afneemt, daaromtrent kan de niet betrouwbare geboortenstatistiek ons niet inlichten. Toch mag niet onvermeld blijven, dat in de Rembangsche districten waar de bevolkingsaanwas by'zonder gering is, de geboortecijfers van 1929, 1930 en 1931 in vergelijking met andere districten, en ook het relatieve aantal op 7 October 1930 getelde kinderen, die nog niet kunnen loopen (kinderen van de eerste leeftijdsgroep), zeer laag zijn 9 ). In de Blorasche districten doet zich hetzelfde geval voor. Accres in gemeenten en kottas. Het bevolkingsaccres van de gemeenten is over het algemeen hoog, van 23% in Tegal tot 46,7% in Magelang. Het kan echter verband houden met . uitbreiding van het gebied (zie boven blz. 3). Van de 5 gemeenten hebben alleen Semarang en Salatiga haar gebied niet vergroot. Pekalongan werd met ± 156 ha, Tegal met 58 ha, Magelang met 268 ha uitgebreid. In hoofdstuk IV zal blijken, dat de hooge aanwascijfers van deze gemeenten evenals die van vele kottas grooten deels aan immigratie is toe te schrijven. De sterftecijfers der gemeenten, die daar waar de doodschouw verplicht is 10 ) een grooten graad van be trouwbaarheid kunnen hebben, zijn in het ne venstaand tabelletje opgenomen n). Die van Semarang zijn ongeveer evenhoog als die van de gemeente Batavia in 1930 12 ). Aangezien niet bekend is, welke grenzen in 1920 voor de kottas zijn aangenomen, zijn de oorzaken van het accres (voor zoover bekend) der kottas, dat vooral in Poerwo kerto, Pati, Temanggoeng en Sragen heel groot is, niet te bepalen. Vermoedelijk, echter, zy'n de hooge aanwasper centages van Tjilatjap (52,1%), Wonosobo (43,2%), Poerworedjo (37,1%) en Sragen (84,2%) voor een belang rijk deel toe te schry'ven aan imimigratie. Gerin»- is het accres (iets meer dan 10%) in de kottas Banjoemas en Kendal. In Demak en Rembang is het zielental sterk afgenomen; minder is het decres van *an c flfers van het aantal aan pest overledenen zijn ontleend ]} en ambtelijk verslag van de afdeeling Pestbestrjjding van den t Uss Ool< van het district Karanggede (23,2%), maar daar zijn W en !920 en 1930 slechts 36 sterfgevallen tengevolge van pest 3 ° ns tateeïd. aantal sterfgevallen in het regentschap Bojolali bedroeg Ata Pel Waarvan 3 674 in het district Bojolali en 3 213 in het district 't) 'l pc n moeten in die jaren ±12 000 personen aan ïtgg e alar ia en dysenterie gestorven zijn (mededeeling van den avan Baiidjarnegara). * ie I>. H. Burger, t. a. p. blz. 5. et cijfer van de geboorten, wordt echter niet betrouwbaar 7 ) Er zijn alleen sterftecijfers van de laatste jaren (van 1929 t/m 1931, soms ook van 1928) geraadpleegd. 8) Zie over abortus op Java: J. P. Kleiweg de Zwaan in Mensch en Maatschappij 1928, blzz. 34, 42, 131 en 140. ») De geboortecijfers zijn vooral laag in Soelang en Kragan, en, in 1930, in Pamotan en Sedan. De kindersterfte moet echter, volgens den Assistent-resident Mr. Van Werkum, zeer groot zijn. 10) Zie Regeeringsalmanak 1933, deel I, blz. 393—394. 11) Van Salatiga waren geen cijfers van sterfte van Inlanders alleen bekend. l«) Zie Volkstelling 1930, deel I, blz. 11. 15 Indeelinff van de bevolking naar § s gi*oep en geslacht in elk district. x > Classification of the population a \s to race and sex in each district. *> Relatieve cijfers. Kelative numbers. TABEL 3 TABEL 3 !) Voorzoover beschikbaar zün de cüfera van 1920 opgenomen. The figureë of 1920 are publithed as far as avaüable. 150 151 TABEL 3 (VERVOLG) TABEL 3 (VERVOLG) 153 152 TABEL 3 (VERVOLG) TABEL 3 (VERVOLG) 155 154 TABEL 3 (VERVOLG) TABEL 3 (VERVOLG) 157 156 TABEL 3 (VERVOLG) TABEL 3 (VERVOLG) 159 158 Japara. Het is niet te zeggen of deze lage aecrescy'fers en de decrescyfers verband houden met groote sterfte, emigratie *) of grenswijzigingen. Aanwas van mannen en vrouwen. Zoowel in Midden- Java als in de Vorstenlanden is het accres van de vrouwen grooter dan dat van de mannen. In het gros der regentschappen en districten blykt zich dan ook hetzelfde ver schijnsel voor te doen, dat natuurlijk weer samenhangt met de beide boven blz. 5 vermelde factoren, die het vrouwen overschot doen ontstaan: een grootere deelneming van de mannen aan de migratie en een grootere mortaliteit onder de mannen dan onder de vrouwen. De oorzaken, boven blz. 6 vermeld, van het geringe vrouwental kunnen in het ty'dvak 1920—1930 een dusdanig e werking hebben gehad, dat zjj in de Tjilatjapsehe districten Madjenang en Sidaredja, het Bandjarnegarasche Karang' kobar, de Wonosobosche en enkele Temanggoengsch e districten, in Selokaton en Bodja van Kendal, in de gemeente Semarang, in enkele Demaksche, Patische e fl Grobogansche districten, in alle districten van Koedoes, e° nog enkele Soerakartasche districten een grooter acereS (of kleiner decres) onder de mannen dan onder d* vrouwen tengevolge hebben gehad. In byna alle boven blz. 6 vermelde districten m et een gering vrouwental is dus het aantal mannen meer toe genomen (of minder afgenomen) dan het aantal vrouwe" ; uitzonderingen zijn Pringsoerat (Temanggoeng) en Man?' gar (Grobogan). Zeer gering is het verschil in toename i n de districten Bandar (Batang), Temanggoeng, Wonosobo- Merkwaardig is ook, dat in de meeste van de bedoeld 6 districten de meerdere toename (of het mindere decres) van de mannen voornamely'k onder de onvolwassenen is constateeren. Zelfs is dit het geval in de immigratie districten Madjenang en Sidaredja. !) De emigratie uit kottas of gemeenten is niet in cijfers te bepalen; zie beneden hoofdstuk TV. CIJFERS VAN HET GERAPPORTEERDE AANTAL AAN PEST OVERLEDENEN IN MIDDEN-JAVA. REPORTED DEATHS FROM THE PLAGUE IN MIDDLE-JAVA. Teksttabel — Subsidiary table No. 1. 16 Indeeling van de bevolking in de stadsgemeenten en andere samenwoningscentra naar bevolkingsgroep en geslacht. Population of the municipalities and towns. Belative n*"*"' TABEL 4 160 Bevolking van 1930 uitgedrukt in % van 1920. J) Population of 1930 in % of 1920. 1} TABEL 5 °oï j — -Phe <j ors tenlanden z(jn de cijfers voorzoover zy bekend aün vei-meld. Jw es of the Native States are published as far as avaüable. 161 TABEL 5 (VERVOLG) 162 TABEL 5 (VERVOLG) 163 TABEL 5 (VERVOLG) Getalsterkte der bevolking van de particuliere landerijen, welke op 1 Januari 1932 nog niet afgekocht waren. Population of the private lands, still being such on the first of January 1932. TABEL 6 164 Getalsterkte der bevolking in de zelfbesturende rijken. Number of population in the Native States. TABEL 7 Bevolking van stadsgemeenten en andere samenwoningscentra in 1930 uitgedrukt in % van 1920. l > Population of the municipalities and other centra of population of 1930 in % of 1920. « TABEL 8 4 * /ar 0 If r ,, de gegevens van 1920 voor deie kottas beschikbaar zijn. "ie figure» of 1920 for these towns are avaüable. 165 Bevolkingsdichtheid en aantal Inlanders per km 2 bouwgrond. Density of population and number of Natives per square kilometre native lands. TABEL 9 166 TABEL 9 (VERVOLG) r v 'Bcliv(jvers inbegrepen. 167 TABEL 9 (VERVOLG) 1) Zoutwater-v.schvüvers inbegrepen. 168 TABEL 9 (VERVOLG) 169 HOOFDSTUK 111. LANDAARDEN. D § 1. Inleiding. Het is niet gemakkely'k criteria van het begrip landaard te geven. Definities, die toch maar de tellers tot verwar rin g en misvatting zouden brengen, zy'n vermeden. Volstaan werd met een in overleg met deskundigen samengestelde üjst van landaarden. In die ly'st werden hoofdgroepen, zooals: Javanen, Soendaneezen, Madoereezen en kleinere groepen waarvan het om bepaalde redenen wensehelijk was de grootte te bepalen, zooals Badoej's, Hepokkers, Oesingers, Tenggereezcn enz. opgenomen. Als criterium voor het bepalen van het begrip landaard heeft zooveel mogely'k gegolden: de gemeenschappebjke cultuur, en voor de kleinere groepen in het byzonder ook nog hun neiging, om zich niet met andere landaarden te vermengen. Het spreekt vanzelf, dat in de publicaties van Java en Madoera de op die eilanden voorkomende landaarden v oorop gesteld zy'n. Voor de landaarden der Buitenge besten moest nat'uurly'k, om geld en plaats te sparen, naar beperking gestreefd worden. Daarom zy'n zy' in 16 groepen ondergebracht, zoo bijvoorbeeld de groep: landaarden van -Viord-Sumatra, Batak's, Minangkabauers enz. In tabel 10 Zl Jn regentschaps- en residentiesgewyze naast de cy'fers der Ja ndaarden van Java en Madoera de cy'fers van groepen v an landaarden der Buitengewesten, maar dan alleen van die landaarden- en landaardgroepen, welke het sterkst v ertegenwoordigd waren, opgenomen; daarvan zy'n dan absolute cy'fers en ook het percentage, dat elke landaard °f landaardgroep van de totale bevolking uitmaakt, vermeld, voor geheel Midden-Java en ieder der gouvernementen J °gjakarta en Soerakarta zy'n de cy'fers van eiken landaard a fzonderlijk vermeld. Hoewel in tabel 10 alleen regentschapscy'fers zy'n opge nomen, beschikt het Volkstellingskantoor ook over districts-, gemeente- en kottacyfers, waarvan de belangrijkste tusschen en tekst in zy'n vermeld; de cy'fers zy'n echter niet °nderdistrictsgewy'ze door de machines verwerkt. Aan het e nd van tabel 10 zy'n de cy'fers van de gemeente Semarang en de hoofdplaatsen Soerakarta en Jogjakarta opgenomen. Indien een verkeerde (d.w.z. niet in de lijst voorkomende) 1 niet meer te corrigeeren, of heelemaal geen landaard v,, '"d opgegeven, werd by de bewerking dit negatieve begeven onder „onbekend" gebracht. ■°e getelde, wiens ouders tot verschillende landaarden •ehoorden, werd gerekend te zy'n van den landaard van en vader; het kind van een Minangkabauschen vader enter werd beschouwd te zy'n van den landaard van de °eder. De gehuwde vrouw bleef haar eigen landaard, " al verschilde die van dien van haar man, behouden, enoorde die vrouw tot een andere bevolkingsgroep (Chi f, zen en andere Vreemde Oosterlingen) dan werd die " ( 'P in de tellijst vermeld. Een Chineesche of Arabische nw met een Javaan gehuwd, bijvoorbeeld, werd (hoewel Inlander geteld) als Chineesche of Arabische inge ven. Van de Europeesche vrouw, met een Inlandschen c * gehuwd, moest de nationaliteit (byv. Nederlandsche, to^! tsche ' Fransche, enz.) genoteerd worden. Het Volks gskantoor heeft deze met Inlanders getrouwde en ook als Inlanders getelde vrouwen onder de groep overige landaarden gevoegd. § 2. De betrouwbaarheid der cijfers. Behoudens de in hoofdstuk I vermelde algemeene opmer kingen over de betrouwbaarheid der cyfers valt ten aanzien van dit onderwerp nog het volgende mede te deelen. Aangezien in Midden-Java en de Vorstenlanden de bevolking voor bijna 100% uit Javanen bestaat, hadden de tellers met de invulling van de tellysten weinig moeilijk heden. De kans op het maken van fouten zal dan ook alleen daar bestaan hebben, waar andere landaarden voor kwamen, vooral in de steden. In het district Tegalredjo (Magelang) was van 1116, in eenige Tegalsche districten van 3 686 en in het district Paninggaran van 1942 getelden geen landaard vermeld, zoodat zy' naar de groep: onbekend zyn overgebracht; zij zullen wel grootendeels Javanen zy'n. Aangezien uit enkele aanwijzingen is gebleken, dat het cy'fer van het aantal als Inlanders getelde met Inlanders gehuwde vrouwen, die oorspronkelijk tot een andere bevol kingsgroep behoorden 2 ),- niet geheel betrouwbaar bleek, is publicatie achterwege gelaten. Deze groep is v.z.v. de regent schappen betreft naar de groep „overigen" overgebracht. Wegens een vergissing van het Volkstellingskantoor is een (onbeduidend) aantal Maleiers van Zuid-Sumatra ondergebracht in de groep Maleiers. De eerste groep is dus een weinig te klein, de tweede een weinig te groot. Het is nog mogelijk dat hier en daar Minangkabauers en wellicht ook andere Sumatranen zich als Maleiers hebben laten tellen. 2 ) Het getelde aantal is klein: in Midden-Java 28, in Jogjakarta 6 en in Boerakarta 20. §3. Landaarden. De' Soendaneezen in Midden-Java. Van de geheele Inlandsche bevolking in Midden-Java bestaat 98,2% uit Javanen. Het aantal Soendaneezen, dat in Midden-Java is geteld, maakt slechts 1,63% van de totale inheemsehe bevolking uit; het absolute aantal is 178 924. Van deze 178 924 zielen zy'n er in de twee westely'ke regentschappen van Midden-Java, Brebes en Tjilatjap, 175 712 geteld. De meesten zijn aangetroffen in de districten Madjenang (Tjilatjap), Bandjar ardja (Brebes) en Bantarkawoeng (Bre bes) . In Madjenang en Bantarkawoeng zijn zelfs meer Soendaneezen dan Javanen. In meer oostelijke districten (Sidaredja in Tjilatjap en Tandjoeng in Brebes) zy'n zy' verre in de ■> Zie tabel 10. 17 TABEL 9 (VERVOLG) 170 Getalsterkte van belangrijke landaarden. Numbers of some important races and tribes. TABEL IQ 172 TABEL IQ (VERVOLG) 173 TABEL IQ (VERVOLG) 174 TABEL IQ (VERVOLG) 175 TABEL IQ (VERVOLG) 176 TABEL 1O (VERVOLG) 177 TABEL 1O (VERVOLG) 178 TABEL IQ (VERVOLG) 179 18 minderheid. In het district Tjilatjap waren er slechts 1 041, in Kroja 200, in Boemiajoe 221 en in (het district) Brebes 82. Overige landaarden van Java in Midden-Java. Van de overige landaarden van Java in de provincie Midden-Java tellen alleen de Madoereezen meer dan 1000 zielen (1053 in totaal) waarvan ongeveer de helft (516 zielen) in de gemeente Semarang en 116 in het regentschap Magelang, waarvan 94 in de gemeente van dien naam zy'n aange troffen. De meesten van hen oefenen het een of ander beroep in de kleedingindustrie uit. Het valt op, dat er in Midden-Java nog 573 Batavianen zy'n geteld, waarvan 284 in de gemeente Semarang en 103 in het district Tjilatjap (waarvan vermoedelijk een groot aantal op Noesa Kembangan). In Semarang telt men onder hen verscheidene bedienden. Van de 1 208 zielen van de Karimoendjawa-eilamden is de meerderheid, d.i. 1 030 zielen (515 m. en 515 vr.) Ja vaan; de rest bestaat uit 177 Maleiers (115 m. en 62 vr.) en 1 Soendanees. Landaarden van Java in de Vorstenlanden. De Vorsten landen zyn nog meer „Javaansch" dan Midden-Java; bijna 100% van de bevolking bestaat uit Javanen. De overige Javasche landaarden hebbeïr- «kis-— een- zeer geringe numerieke beteekenis. Het grootst in aantal zijn nog de Soendaneezen, in Soerakarta zijn zij 572 man. in Jogjakarta 658 man sterk; zy zijn voornamelijk in de kottas geconcentreerd. De landaarden van de Buitengewesten. In Midden-Java zjjn van de landaardgroepen der Buitengewesten de be langrijkste: de Molukkenbewoners (3 076 zielen), waaron der natuurlijk de Amboneezen, en de landaarden van Noord-Celebes (2 520 zielen) waaronder natuurlijk de Minahassers de overgroote meerderheid vormen. Andere groepen (met meer dan 1000 leden) zijn de Maleiers (1791 zielen), (waaronder de Maleiers in engeren zin) en de Timoreezen 247 zielen) waaronder de Timoreezen in engeren zin (zie tabel 10) het sterkst vertegenwoor digd zijn. Ook de Boe gineozen tellen meer dan 1000 zielen, nl. 1199, maar daarvan waren er 888 zonder beroep in het district Tjilatjap, dus vermoedelijk in het gevangenenoord Noesa Kembangan. De Minahassers, Amboneezen en de Timoreezen moet men in de garnizoensplaatsen zoeken, dus voornamelijk in de gemeenten Magelang, Semarang en in de districten Salatiga, Ambarawa en Gombong en in de beide Vorsten landsche hoofdplaatsen. In de garnizoenen van Salatiga, Ambarawa, Jogjakarta en Soerakarta liggen weinig of geen Timoreezen. De Maleiers zijn voornamelijk aan de kust gevestigd en wel in de gemeenten Semarang (284), Tegal (135), Pekalon gan (257) alwaar velen vervaardigers van en handelaren in textiele stoffen zyn, het district Tjilatjap (382; vermoede lijk grootendeels gevangenen op Noesa Kembangan). In de Vorstenlanden zy'n de landaarden van den over wal maar heel kleine groepen. Vrij belangrijk is de groep van 132 mannelijke en 121 vrouwely'ke Bandjareezen in de kotta Soerakarta waar de meesten van hen handelaren zijn. §4. Toename van Soendaneezen en Javanen. De vergelijking van het accres van de Soendaneezen met dat van de Javanen is natuurlijk alleen van beteekenis in die districten waar de Soendaneezen het sterkst vertegen woordigd zijn. In nevenstaand tabelletje zy'n de accres percentages opgenomen. Helaas! moeten zy' als onbetrouw baar beschouwd worden. Dat het aantal Soendaneezen in het district Bantarka woeng zou afgenomen zy'n komt ook den Regent van Brebes, aan wien wij hierom trent inlichtingen ver zochten, zeer onwaar schijnlijk voor. Naar het oordeel van de zen bestuursambtenaar moeten in 1920 vooral vergissingen begaan zy'n in de grensdessa's waar de bewoners zoowel Soendaneesch als Javaansch schy'nen te spreken. Van Bandjarardja uit moeten nog al wat Soendaneezen naar Dcli en elders ver huisd zijn; het lykt o.i. niet waarschijnlijk, dat die emigratie van zoodanigen omvang is geweest, dat het aantal Soendaneezen met 6% zou afgenomen zy'n. Het decres van de Soendaneezen in Tandjoeng kan misschien aan emigratie toegeschreven worden. Het decres van Javanen in Madjenang en hun abnormaal accres in Ban tarkawoeng schy'nt ons volkomen onverklaarbaar toe. Geslachtsverhouding van eenig-e landaarden. De sexe verhouding onder de Javanen van Midden-Java is natuur- lijk ongeveer gelijk aan die van de geheele inheemsche bevolking van die provincie. De Soendaneezen hebben een geringer vrouwen overachot dan de Ja* vanen. De Madoeree zen en de belangrijk ste landaarden van de Buitengewesten hebben groote mannenover- schotten, vooral de Madoereezen en Maleiers. Vergelijkt men de geslaehtsverhouding van Javanen en Soendaneezcn in het regentschap Brebes, dan blykt dat de Java nen een grooter vrou wenoverschot (1 075 vrouwen op de 1000 mannen) hebben dan de Soendaneezen (1 061 vrouwen); voor het regentschap Tjilatjap zy'n deze cy'fers 1 013 en 1 012. l n nevenstaand tabelletje zy'n eenige districtscyfers vermeld, waaruit blijkt, dat de Javanen in Madjenang en Sidaredja en de Soendaneezen in Sidaredja mannenoverschotteu hebben. TABEL 1O (VERVOLG) 180 TABEL IQ (VERVOLG) 181 TABEL IQ (VERVOLG) 182 Het migratieverband van de, tijdens de teU 1 e inheemsche bevolking. Migration of the native popw & ent/ during the census. TABEL 11 Absolute cijfers Absolute numbers TABEL 11 184 185 Het migratieverband van de, tijdens de teff* UWe zige inheemsche bevolking. Migration of the native pop^ tlê during the census. Kelaticve cijfefrs Relative numbefs TABEL 12 TABEL 12 187 186 Het verband tusschen woondistrict en geb°° r voor de inlieemsche bevolking. l > Connection between the district of domicite of the native population. 1} TABEL 13 Absolute cijfers Absolute numbers TABEL 13 •* 1 1) Voor de tijdelijk aanwezigen, (welke in deze tabel zijn opgenomen) die hun woonplaats in de Buitengewesten hadden, moet het tabelhoofd als volgt gelezen 8 ~ „onderafdeeling"; voor „regentschap" - „af deeling" ; voor „gewest" - „eilandengroep" (o Sumatra en omliggende eilanden; 6 Borneo; c Celebes en omliggende eilanden; d alle overige eilanden). In 4, sen 6 voor „Buitengewesten" — „Java en Madoera"; voor „Java en Madoera" — „Buitengewesten ■ I,( < > ■ . . . in!i , ea j o t „rnvinee" fa Sumatra and surrounding islands; b Borneo; 1) For the persons temporarüy present (entered in this table) ivho had their domicüe- in the Outer Pnmncis, the head of the table must be read as /o" o */'»/ * ail -Wvo n " instead of „district"; „diviswn" tnstead of „regency ; „group of vtland tnatea* of „proimce .(a bumatra ana surrounamg wa, c Celebes and surrounding islands; d all other islands). In columns 4, 5 and 6 „Java and iladura" instead of „Outer Provinces" ; „Outer Provinces" insteaa 188 189 Leeftijdsgroepen van enkele landaarden. In onderstaande tabel zy'n de relatieve cy'fers van het aantal personen per leefty'dsgroep van eenige landaarden van Midden-Java vermeld. De drie leeftijdsgroepen (die in hoofdstuk V behandeld zullen worden) zyn: le. de eerste leefty'dsgroep d.z. kinderen, die nog niet kunnen loopen; 2e. overige onvol wassenen; 3e. de volwassenen. Uit de cijfers blijkt, dat bijna alle niet-Javanen ver houdingsgewijze een grooter groep volwassenen hebben dan de Javanen. In Midden-Java bijvoorbeeld is van alle Javanen 58,9% volwassen, van de Madoereezen 83,7%, van de Maleiers 76,5%, van de Amboneezen 64%, van de Boegmeezen 97,2%. In de Vorstenlanden doet zich het zelfde verschijnsel voor. In Midden-Java hebben alleen de Soendaneezen en de landaarden van Noord-Celebes een leef tij dsgroepeering als die van de Javanen. Van beteekenis is natuurlyk vooral die van de Soendaneezen in Brebes en Tjilatjap. Gelijk uil onderstaande tabel blijkt is in het regentschap Brebes het percentage onvolwassenen (dus leeftijdsgroep I en II) onder de Javanen hooger dan het percentage onvolwasse nen onder de So-endaneezen; de cijfers van de volwassenen zijn natuurlijk onder de Soendaneezen hooger. In Tjilatjap verschillen de relatieve cjjfers van de grootte der leeftijds groepen der beide landaarden niet veel. l ) Degenen, waarvan de leeftijdsgroep onbekend was inbegrepen. 19 Het verband tusschen woondistrict en gebo° Het voor de inheemsche bevolking. l) Connection betiveen the district of domiciw >»v ° lr tlidistrict of the native population. 1} Relatieve cijfers Belative numbe.rs TABEL 14 TABEL 14 1) Voor de tijdelijk aanwezigen, (welke in deze tabel zijn opgenomen) die hun woonplaats in do Buitens-westen hadden, moet het Übalhoofd als volgt gelezen *° (J f j 8tf 'et" —. , iOn( i el . a f(i ee ii n g" ■ voor „regentschap" — „afdeeling"; voor „gewest" — „eilandengroep" (o Sumatra en omliggende eilanden; b Borneo; c Celebes en omliggende eilanden; d alle overige eilanden). In 4, sen 6 voor „Buitengewesten" — „Java en Madoera"; voor „Java en Madoera" — „Buitengewesten •. j t i «■ "*ub rf . 1) For the persons temporarily present (entered in this table) vhn hnd ihrir ,lm,ii,-ile in the Outer Provinces, the head of the table must be read as /""" ,j ol ' " a 'ïision" instead of district"; „du'isicm" inslead of „regency"; „group of island" instead of „province". (a Sumatra and surrounding islands; b Borneo; c Celebes and surrounding islands; d all other islands). In columns 4, 5 and 6 „Java and Madura" instead of „Outer Provinces" ; „Outer Provinces" it> sli l 191 190 Indeeling van de bevolking naar geslacht en burgerlijken staat per leeftijdsgroep- Classification of the native population according to sex and civil condition per age period. TABEL 15 i) Waaronder degenen, waarvan de burgerlijke staat niet bekend is. Included those, whose cicil condition is unki. 194 TABEL 15 (VERVOLG) """«fedT* degenen ' waarvim do burgerlijke staat niet bekend is. 'ftose, whose civil condilion is uuknown. 195 TABEL 15 (VERVOLG) 1) Waaronder degenen, waarvan de burperlijko slaat niet bekend is. Inrhided those, whose civil eondition is unfou 196 TABEL 15 (VERVOLG) * ci Wc( ed e , r i, degenen > waarv an de burgerlijke staat niet bekend is. •■noee, whosc civil condition is unknown. 197 TABEL 15 (VERVOLG) 1) Waaronder degenen, waarvan de burgerlijke staat niet bekend is. Included those, whose civil condition is unknou-n. 198 TABEL 15 (VERVOLG) de genen, waarvan de burgerlijke staat niet bekend is. "io«e, whose civü condition is unknown. 199 2 en de nog te publiceeren uitkomsten betreffende de Vreemde Oosterlingen. Met uitzondering van de tabellen 1 tot en met 9, 30 tot en met 32 zijn alle cijfers regentschapsgewijze ge publiceerd ; de meeste tabellen geven echter nog bovendien cijfers van de stadsgemeente Semarang en de hoofdplaatsen Jogjakarta en Soerakarta. In den tekst zullen, voorzoo ver de beschikbare ruimte het toelaat, belangrijke ge gevens van districten, kleinere stadsgemeenten en kottas (die allen op het Volkstellingskantoor te raadplegen zu'n) niet onvermeld blijven. Bjj de beoordeeling van de cijfers (speciaal de rela tieve) van het regentschap Pakoealaman heeft men in het oog te houden, dat dit regentschap slechts een zeer klein deel van de hoofdplaats Jogjakarta uitmaakt en niet meer dan 10 051 zielen telt. Op grond van dit geringe zielental en van het eigenaardige stadskarakter van dit ressort is vergelijking van de relatieve cijfers van dit regentschap met die van andere regentschappen van de Vorstenlanden en Midden-Java in de volgende hoofdstukken achterwege gelaten. De betrouwbaarheid der cijfers komt bij de afzonderlijke bespreking der onderwerpen ter sprake. Over het alge meen kan gezegd worden, dat de graad van betrouwbaar heid der plattelandscijfers, verzameld door tellers, die van de getelden en hun levensomstandigheden letterlijk alles wisten, hooger is dan die van de cijfers der steden, hoewel toch ook liet cijfermateriaal van de drie groote steden Semarang (waar warme belangstelling en intensieve medewerking van de gemeente werd ondervonden), Jogja karta en Soerakarta zeer deugdelyk bleek te zijn. De toelichtende tekst zal zich in elk der volgende hoofd stukken bepalen tot een inleiding, waarin de beteekenis van de door den teller verzamelde gegevens uiteengezet wordt; een oordeel over de betrouwbaarheid der cijfers, en tenslotte een toelichtende beschrijving met behulp van de cijfers. Deze toelichtende beschrijving beoogt — in ds eerste plaats — een resumptie te geven van de belangrijk ste der in de tabellen gepubliceerde cijfers, ten behoeve van hen, die lust noch tn'd hebben om de uitgebreide tabellen te raadplegen en niettemin zich algemeen oriën teeren willen over de behandelde stof. Doch ook voor hen, die zich zetten tot het lezen van de tabellen, kan de toe lichting nuttig of noodzakelijk zijn, omdat de meeste cijfers betrekking hebben op geheele regentschappen, en veelal pas begrepen kunnen worden, wanneer daarnaast de districtscn'fers geplaatst zijn; bovendien kan een tabellen lezer, vooral, indien hij met land en volk niet of maar oppervlakkig bekend is, niet zonder een leiddraad, een wegwijzer, die hem voor het inslaan van dwaalwegen waarschuwt, den weg in het cijfermateriaal vinden. Ten slotte wordt in de toelichtende beschrijving getracht de opvallende cijfers te verklaren, een taak, die met behoed zaamheid uitgevoerd dient te worden, doch zelfs dan lang niet altu'd tot definitieve resultaten leidt. Slechts hier en daar zijn de cijfers vergeleken met die van volkstellingen van andere landen, voornamelijk die van Britsch-indië en Nederland. Bij de beoordeeling der cijfers van Britsch-indië heeft men in het oog te houden, dat zij als regel betrekking hebben op de geheele bevolking, zoowel in- als uitheemsche, welk laatste element echter zoo klein is, dat het nagenoeg geen invloed op de cijfers uitoefent. HOOFDSTUK IV. VERPLAATSING VAN DE BEVOLKING. « § 1. Inleiding. De Volkstelling van 1930 is de eerste, die gegevens ver zameld heeft over de verplaatsing van de bevolking. Aan de getelden is namelijk gevraagd in welk bestuurs ressort zy' woonden en geboren waren. Voor Java en Madoera is als bestuursressort gekozen het district en voor de Buitengewesten de onderaf deeling. Als regel was het district waar iemand geteld was ook tevens zijn woon- en geboortedistrict. Maar in im|migratie streken was toch een belangrijk percentage van de bevolking elders geboren. Een derde mogelijkheid was, dat iemand in een bepaald district geteld was maar daar niet woonde. Deze groep van ty'dely'k-aanwezigen kon in hun eigenlijk woondistrict, maar ook in een ander district — hetzij het teldistrict of een ander district — geboren zyn. Dit verband nu tusschen het teldistrict, het geboorte district en het woondistrict wordt in tabellen Nos. 11 en 12 genoemd migratieverband. Uit die tabellen kan men regentschapsgewijze een beeld krijgen van den trek der bevolking. Het zou natuurlijk beter geweest zijn die cy'fers districtsgewy' ze te publiceeren en tevens te vermelden van welk district (onderafdeeling) de eldersgeborenen afkom stig waren; die gegevens zouden echter veel te omvangrijke tabellen vereischen. Doch, aangezien het Volkstellingskan toor wel over de gegevens beschikt, kunnen de belangrijkste daarvan in den tekst vermeld worden. Het was te voorzien, dat het antwoord op de vraag naar een eldersgelegen woon- of geboortedistrict (c.g. -onderaf deeling) nog al eens aan duidelijkheid te wemschen zou overlaten. Eén der grootste moeilijkheden waarmee de Volkstelling te kampen had was de groote frequentie van wijzigingen in de grenzen en zelfs in de namen van be stuursressorten. De getelden gaven dus, vooral wanneer zij al langen tijd geleden hun geboortedistrict (onderafdee ling) verlaten hadden, nog vaak de oude namen van de vroegere ressorten op. Daarom werd aan iederen teller een handleiding versteekt waarin de oude en nieuwe namen naast elkaar werden geplaatst, zoodat onjuiste antwoorden tot juiste herleid konden worden. Het begrip woondistrict (c.q.-onderafdeeling) moest in enkele gevallen nog nader gedefinieerd worden. Zoo werd als woonplaats van kost kinderen, leerlingen, pupillen, die als regel in internaten, pesantrèn's, opvoedingsgestichten, kosthuizen e.d. over nachten, genoteerd het district (of onderafdeeling) waar de betrokken instelling of het kosthuis werd aangetroffen, óók in het geval deze personen tijdens de telling, bijvoor beeld, met vacantie thuis vertoefden. Gestraften, die een vrijheidsstraf van één jaar of langer ondergingen, werden gerekend in de gevangenis te wonen; van anderen werden hun eigenlijke woonplaatsen genoteerd. Zij, die opgenomen waren in krankzinnigengestichten of leprakolonies werden „Het is stellig niet te veel gezegd, dat de kennis der volksverplaatsing noodzakelijk is voor het begrijpen der Inlandsche maatschappij". „Nijpend doet zich bij het nagaan der ver schijnselen thans echter het gebrek aan materiaal gevoelen". (Mever Ranneft in Tijdschrift B. B. deel 49 1916 blz. 173). gerekend te wonen in het district waarin de betrokken in richting gevestigd was. Daarentegen werden zy' die in ziekenhuizen of hospitalen verpleegd werden, beschouwd als te wonen in het district waar hun woondessa gelegen was. Overigens gold als definitie van wonen: een gevestigd verbly'f hebben. Zy', dus, die tydely'k in een stad of op een suikerfabriek verbleven, om na eenigen tijd (soms maanden) weer terug te keeren naar hun dessa waar zy' hun gezin achterlieten, hadden natuurlijk in die dessa hun eigenly'ke woonplaats. Stond men voor moeily'ke gevallen, voornamelijk in groote steden, dan gold als criterium van „een gevestigd verbly'f" een minimum termijn van onge veer een half jaar, die men op de telplaats had doorgebracht of voornemens was door te brengen. Indien geen woondistrict ingevuld was, dan werd het teldistrict als woondistrict beschouwd. Een niet opgegeven of ingevulde naam van het geboortedistrict moest natuurlijk als onbekend beschouwd worden. Wist iemand zich den naam. van het geboortedistrict niet meer te herinneren, dan werd getracht of men den naam van het dorp en het regentschap (residentie) te weten kon komen. De getelde, die buiten Java en Madoera woonde of geboren was, moest naast de woon- of geboorteonderafdeeling ook de residentie opgeven. Stond de teller voor moeilijke gevallen, dan diende hij altijd de hulp van Inlandsche bestuurs ambtenaren in te roepen. In de tabellen 13 en 14 zjjn absolute en relatieve cijfers verzameld van hen: 10. die in hetzelfde district woonden waar zij geboren zijn; 20. wier geboorte- en woonplaats niet in hetzelfde district, maar wel in hetzelfde regentschap liggen; 30. wier geboorte- en woonplaats niet in hetzelfde regent schap maar wel in hetzelfde gewest liggen; 40. wier geboorte- en woonplaats niet in hetzelfde gewest maar wel op Java en Madoera liggen; 50. die in de Buitengewesten geboren zijn; 60. die buiten Nederlandsch-Indië geboren zyn. Deze gegevens, die de bedoeling hebben om de grootte van den kring aan te gevem, waarbinnen trekkers of emigranten zich bewegen, betreffen de op 7 October 1930 feitelij k-aanwezige inheemsche bevolking, dus alle Inlan ders, die op dien datum ergens in de provincie Midden-Java (c.g. het gouvernement Soerakarta of Jogjakarta) zijn aangetroffen. Onder hen zijn er — het werd zoo juist al opgemerkt — die elders wonen, ook die buiten Java (dus in de Buitengewesten) hun woonplaats hebben. Voor hefl zyn de opschriften van de genoemde tabellen onjuist; vandaar de aan die tabellen toegevoegde noot. Het werd overbodig geacht voor dit kleine groepje menschen nog een afzonderlijke tabel te maken. § 2. De betrouwbaarheid der cy'fers. In de vorige paragraaf is al medegedeeld, dat met ds i) Zie tabellen 11, 12, 13 en 14. 20 TABEL 15 (VERVOLG) !) Waaronder degenen, waarvan de burgerlijke staat niet bekend is. Included thoac, wkose civil cond'd'wn is unknown. 200 Polygamie bij de inheemsehe bevolking. Polygamy of the native population. TABEL 16 201 Gezinshoofden, ingedeeld naar geslacht en burgerlijken staat voor de inheemsche bevolking. Sex and civil condition of the heads of families. Absolute nur^ efS TABEL 17 ') Waaronder degenen, vaarvan de burgerlijke staat onbekend is. Includtd thoBe, uhose civü condition is unlr 204 Gezinshoofden, ingedeeld naar geslacht en burgerlijken staat voor de inheemsche bevolking. Sex and civil condition of the heads of families. Relatieve cijfers Belative numbers TABEL 18 " o!t 'W,,,' 1 '' ! -' t ' 1 »"' i. waarvan da burgerlijke staat onbekend ia. "»«, whose civil condttion b »„; ■ 205 Aantal gezinshoofden ingedeeld naar geslacht per 100 personen van gelijken burgerlijken staat. Sex of the heads of families per 100 persons of equal civil condition. TABEL 19 1) Waaronder degenen, waarvan de burgerlijke staat onbekend is. Included those, whose civil condition is unknoa u. 206 Soort der woonhuizen, waarvan de hoofdbewoner Inlander is. Type of dwellings, the principal inhabitant of ivhich being a Native. Absolute cijfers Absolute numbers TABEL 2O 207 Soort der woonhuizen, waarvan de hoofdbewoner Inlander is. Type of dwellings, the principal inhabitant of which being a Native. TABEL 21 •Selative *** 208 21 beantwoording der vraag naar een eldersgelegen geboorte of Avoondistrict (onderafdeeling) moeilijkheden werden ondervonden; vooral in de groote steden hadden tellers en getelden veel moeite geboorte-districtsnamen te weten te komen. Wisten de getelden nog de dessa en het regentschap waar zy geboren waren of woonden, dan konden het Inlandsch bestuur en Volkstellingskantoor vaak nog het district uit de opgegeven namen herleiden. Was ook dit laatste niet mogely'k, dan had men toch in allen gevalle de wetenschap, dat de persoon elders geboren was of elders woonde, zoodat in allen gevalle het migratieverband en de afstand tusschen geboorte- en woonplaats, het in de tabellen 13 en 14 opgenomen gegeven, bekend waren. By' het beschouwen van de distrietscyfers is het opge vallen, dat een bijzonder groot aantal personen als geboortedistrict hebben opgegeven het district, dat tevens de naam van het regentschap is (byv. Keboemen, Poerwo re djo, enz.). Het is zoo goed als zeker, dat door verscheide en abusievelijk het geboorteregentschap in plaats van het geboortedistrict is opgegeven; zoo, byvoorbeeld, zal iemand "eweerd hebben in Keboemen geboren te zy'n, terwijl hjj ei genlijk had moeten zeggen: het district Alihan van het re gentschap Keboemen; deze fout is waarschijnlijk alleen ge haakt door getelden, die buiten hun regentschap woonden. Gedurende de Volkstelling werd van verschillende zijden het bericht ontvangen, dat tal van .personen —■ hetzij op bevel van hun dorpshoofden hetzy' uit eigen wil — naar hun dorpen terugkeerden om daar geteld te worden. Naar alle waarschijnlijkheid zou een groot percentage dezer "eden, indien zij niet weggeloopen wa_ren, tot de ty'dely'k a anwezigen behoord hebben. Resumeerende, kan dus geconcludeerd worden, dat over net geheel de gegevens over de verplaatsing der bevolking, dank zy' de correctie van het Inlandsch bestuur, maar v °oral die van de betrekkelijke afdeeling van het Volkstel "Uüskantoor, vry" betrouwbaar zy'n, zoodat nu voor het eerst betrekkelijk zuiver beeld van den trek der bevolking ls verkregen. §3. Immigratie. Wat de cijfers van de immigratie zeggen. Wie in het cci *e district is geboren en gedurende de telling in een andere woonde is dus op de eene of andere wyze voor goed «aar het laatste district verhuisd, is derhalve daar: lr nmigrant. Hoe hij daar gekomen is, direct of indirect andere districten) is niet te zeggen, omdat immers aa Q de getelden niet gevraagd is welke hun vroegere woon °-istricten waren. Of hij buiten het door hem opgegeven Woondistrict ook nog een andere woonplaats heeft, die hij geregeld weer bezoekt is niet uit de cyfers te constateeren, de getelde .maar één woonplaats had op te geven. * bij alleen of met zy'n gezin zich verplaatst heeft is uit aanwijzingen (grootte van het mannenoverschot, in immigratiestreken) voor een groote van landverhuizers soms wol te vinden, hoewel — orni tijd, ruimte en geld te sparen — de immigranten, met van die van de gemeente Semarang en de °°fdplaateen Jogjakarta en Soerakarta niet naar leeftyds- P*°epen en burgerlijken staat zy'n gesorteerd. Ook omtrent et ty'dstip van verhuizing kan de Volkstelling niet dan a ge aanwijzingen verstrekken, die uit de cijfers van den ev olkingsaanwas vallen af te leiden. Wet spreekt van zelf, dat verplaatsingen binnen het district niet uit de cy'fers te lezen zijn. Ook dus niet de verplaatsing van het platteland van een district naar de gemeente of kotta van hetzelfde district. Ten slotte heeft men te bedenken, dat een verhuizing over enkele honderden meters, bijvoorbeeld van den eenen kant der districtsgrens naar de andere zy'de als immigratie (of emigratie) *) wordt opgevat. Immigratie in Midden-Java van buiten de provincie. Naast de 778 593 personen (377 720 mannen en 400 873 vrouwen) of 7,1% van het totale zielental der provincie, die binnen Midden-Java verhuisden, bedroeg het aantal immigranten, die buiten Midden-Java geboren waren 129 973 d.i. 1,2% van het totale zielental aan Inlanders van Midden-Java, waarvan uit: De meeste immigranten komen dus uit Oost-Ja.ya: 60i&. van die immigranten komen uit de regentschappen Bodjo- negoro, Toeban, Soera baia, Ngawi en Ma dioen. Van de ruim 38 000 immigranten uit de oostelyke provincie van Java trokken er 15 100 naar het regent schap Blora en slechts 2 150 naar het regent- schap Rembang en 6 911 naar het regentschap Semarang en voorts 1101 naar het ver afgelegen regentschap Tjilatjap, 1487 naar het regentschap Koedoes en 1517 naar het regentschap Magelang. Ongeveerji3% van de immigranten van de Vorstenlanden komt uit de regentschappen Jogjakarta, Bantoel, Klaten, Bojolali en Soerakarta. Uit het gouvernement Soerakarta trokken er 15 018 naar het regent schap Semarang, 4 447 naar het regentschap Grobogan, 1006 naar Kendal en 1 536 naar Magelang. Uit het ge- west Jogjakarta verhuisden de meesten naar de regent schappen Magelang (6 307), Semarang (3 769), Tjilatjap (1635), Poerworedjo (1548), Koetoardjo (1424) en Temanggoeng (1163). Van de 27 146 immigranten van West-Ja va was ongeveer 70% afkomstig uit de twee aangrenzende re gentschappen Tasikma laja en Cheribon en voorts uit Bandoeng, Batavia en Tjiamis. Het derde deel van de in West-Java gebore nen d.i. 8 718 personen *) Zie over het begrip emigratie de volgende paragraaf. Alphabetisme van de inheemsehe bevolking. Literacy of the native population. 1} TABEL 22 _Sïïr««*** 1) In de totalen zijn degenen met onbekenden leeftyd begrepen. Totals inclusive of those, uith age unknown. Ie Leeftijdsgroep = kinderen, die nog niet kunnen loopen. lat Age period = infants not yet bcing able to walk. 2e Leeftijdsgroep = overige on volwassenen. 2nd Age period = other persons not full-grown. 3e Leeftijdsgroep = volwassenen. 3rd Age period = adults. A 210 TABEL 22 (VERVOLG) 211 TABEL 22 (VERVOLG) 212 TABEL 22 (VERVOLG) 213 TABEL 22 (VERVOLG) 214 TABEL 22 (VERVOLG) 215 TABEL 22 (VERVOLG) 216 Alphabetisme van de inheemsehe bevolking. 1} Literacy of the native population. 1} Relatieve cijfers Selative numbers TABEL 23 T total ° tIM « in?) • n degenen met onbekenden leeftijd begrepen, "twrae of those, with age unknown. 217 TABEL 23 (VERVOLG) 218 TABEL 23 (VERVOLG) 219 vestigde zich in Tjilatjap; verder woonde er nog een groot aantal in de regentschappen Brebes (3 982), Semarang (3 757), Tegal (1514) en Pekalongan (1182). De ruim 15 000 im migranten van den overwal (waarvan de meest en uit de m nevenstaand tabelle tje vermelde gewesten komen) zyn grooten deels neergestreken in de stad Semarang en in garnizoensplaatsen. Een belangry'k con tingent zat gevangen in Noesa Kembangan (Tjilatjap). De in Sumatra's Oostkust geborenen zullen wel grootendeels in Dcli geboren Javanen zijn. Immigranten in de Vorstenlanden. Van het totale zielental in de Vorsten landen is 1,9% elders buiten de Vorstenlan den geboren. De meeste immigran ten komen uit Midden- Java ; van de 36 064 aldaar geborenen wo nen er 15 792 (7 436 m. en 8 356 vr.) in het gouvernement Jogjakarta en 20 272 (9 984 m. en 10 288 vr.) in het gouvernement Soerakarta. Het zy'n vooral de regentschappen Semarang, Grobogan, Keboemen, Poerworedjo en Koetoardjo waar het grootste aantal dezer immigran- ten geboren zijn. Van de regentschappen Se marang en Grobogan, maar zelfs ook van Keboemen uit trokken er meer naar Soerakar ta dan naar Jogjakar ta ; van de beide andere regentschappen uit trokken er meer naar Jogjakarta. Deze eldersgeborenen vestigden zich grootendeels in de ste den en in aangrenzende streken (Bojolali, Sragen en Koelonprogo). Van de 25 594 immigranten uit Oost-Java vestigde natuurly'k het meerendeel zich in het gouvernement Soera- karta, namelijk 20 872. Uit het regentschap Ngawi zy'n slechts 257 personen in het gou vernement Jogjakarta geteld, uit Patjitan 141, uit Ponorogo 165, uit Magetan 150, uit Madioen '671 en uit Kediri 418. De in de residentie Madioen geborenen migreerden grootendeels naar Sragen en de hoofdplaats Solo. De migratie van West-Java en den overwal naar de Vorstenlanden is van weinig beteekenis. Uit West-Java komen de meesten van de regentschappen Batavia en Bandoeng, terwijl van de Buitengewesten Sumatra's Oost kust en de Molukken het vaakst als geboorteland zijn genoemd. Immigratiestreken. Waar dus het aantal eldersgebo renen (zie kolom 6 van tabellen 11 en 12, speciaal 12) groot is — aanmerkelijk grooter dan het aantal weggetrok kenen — hebben wij met een immigratiestreek te maken. De regentschapscy'fers van de tabellen kunnen niet anders dan globale gegevens verstrekken, kunnen ons alleen zeggen, dat wy' de immigratiestreken moeten zoeken in de regentschappen Tjilatjap, Semarang, Blora, Sragen, Soera karta, Kotta-Mangkoenegaran, Jogjakarta en Pakoealaman. In al deze regentschappen is meer dan 10% (in Tjilatjap zelfs iets meer dan 30%) van het zielental elders geboren. In Pakoealaman is dit percentage 38,6, maar dit zeer kleine regentschap is, zooals boven blz. 1 al is opgemerkt, een klein gedeelte-van de hoofdplaats Jogjakarta. En in gemeen ten en kotta 's is het aantal eldersgeborenen meestal groot. In de regentschappen waar dus het zielental van een gemeente of kotta een belangrijk percentage van het regentschaps zielental uitmaakt, zooals de gemeente Semarang en de kottas Ambarawa, Oengaran en Salatiga alwaar ruim 33%, de kotta Jogjakarta waar 27,5% en de kotta Soera karta (v.z.v. dit in het regentschap Soerakarta ligt) waar 30% en dezelfde kotta voorzoover zy' in het regentschap Kotta Mangkoenegaran ligt, waar 11% van het regent schapszielental is geteld, in al deze .regentschappen is het hooge cy'fer van de eldersgeborenen toe te schrijven aan het groote aantal eldersgeborenen in genoemde steden. Immigratie buiten de steden. Immigratie van groote beteekenis op het platteland, zooals die in West-Java in liet Indramajoesche Ka.ndangh.aoer, het Tasikmalajasche Bandjar, het Tjiandjoersche Tjirandjang en de Krawangsche districten Pamanoekan en Pagaden, waar 38 a 45% van het zielental eldersgeboren zy'n, is geconstateerd, vindt men in Midden-Java alleen in de Tjilatjapsehe districten Sidaredja (53,6%) en Tjilatjap buiten de kotta (37,8%). Weliswaar is ook op de Karimoendjawa-eilanden het relatieve aantal eldersgeborenen groot, bijna 60%, maar het absolute aantal is gering, niet meer dan 711. Tusschen 20 en 30% zyn de cijfers van het Tjilatjapsehe Madjenang (28,7%) en hot Sragensche Gondang (23,1%). tusschen 10 en 20% die van het Tegalsche Soerodadi (15,7%), het Batangsehe Soebah (12,6%), het Kendalsche Bodja (18%), het Blo rasche Randoeblatoeng (19,8%) en het Sra gensche Gesi (13,2% )• De cy'fers van deze districten zijn opg e ' nomen in teksttabel No. 2 (blz. 30). Daar zal men — in de laatste kolom —■ ook vinden het relatieve immi grantenoverschot d.w.z het aantal immigranten min het aantal emi granten, dat binnen Midden-Java en ds Vorstenlanden !) is verhuisd. Er zy'n buiten de in die x ) Zie voor de reden waarom wij alleen dit beperkte emigranten tal berekenen, § 4 van dit hoofdstuk. 22 TABEL 23 (VERVOLG) 220 TABEL 23 (VERVOLG) 221 TABEL 23 (VERVOLG) 222 Alphabeten van de inheemsehe bevolking ingedeeld naar hen die al dan niet lager onderwijs genoten. Native literates, classified as to having received schooling or not. Absolute cijfers Absolute numbers TABEL 24 223 224 TABEL 24 (VERVOLG) 225 TABEL 24 (VERVOLG) 226 TABEL 24 (VERVOLG) 227 TABEL 24 (VERVOLG) Geslachtsverhouding van de alphabeten van de inheemsehe bevolking, die al dan niet lager onderwijs genoten. 1) Sex-proportion of the native literates. 1) TABEL 25 1) In de totalen zijn depenen met onbekeuden leeftijd begrepen. Totals incluêive of those, with age unknown. 228 229 TABEL 25 (VERVOLG) tabel genoemde, nog tal van andere plattelandsdistricten, die weliswaar meer dan 10% immigranten hebben, maar daarnaast een groot percentage emigranten tellen, zooals Uit het tabelletje onderaan blz. 22 blykt. Ook zy'n natuurlijk de immigratiecijfers, maar ook de emigratiecy'fers van de districten, die een gemeente, kotta of een plaats, die niet a is kotta is beschouwd (Gombong byv.), binnen het gebied hebben, hoog. By de beoordeeling van deze cijfers heeft men in het oog te houden, dat de cyfers van het totaal aantal emigranten grooter zal zy'n; hier zy'n immers alleen gepubliceerd de cijfers van de emigranten, die binnen Midden-Java en de Vorstenlanden zy'n verhuisd. Immigratie-gebied van Tjilatjap. Bewesten Maos ligt het groote nog niet „volgeloopen" Tjilatjapsehe immigra hegebied, bestaande uit de districten Tjilatjap buiten de Kotta, Sidaredja en Madjenang. In teksttabel No. 4 (zie blz. 31) j s een globaal overzicht gegeven van het aantal lr nmigrantcn uit de belangrijkste emigratiegebicden. Daar- u t blykt, dat de groote stroom van immigranten komt uit o ud-Bagelcn, d.i. die dichtbevolkte zuidelijke strook van -"idden-Java, gevormd door de regentschappen Karang an jar, Keboemen, Koetoardjo en Poerworedjo. In ieder der districten Madjenang en Tjilatjap is 2 / 5 deel, in Sidaredja meer dan de helft der immigranten uit dit deel ari Java afkomstig. Belangrijk is ook de trek van het ■lüordelijk deel van Banjoemas (voornamelijk de regent raappen Poerwokerto en Banjoemas; minder belangry'k Znn Poerbalingga en Bandjarnegara) naar Tjilatjap en IJ adjenang en V an het regentschap Tjilatjap zelf naar ' 'daredja. Van veel minder beteekenis is de stroom van mvmigranten uit West-Java, zelfs in het aan Priangan district Madjenang. Ook van het noorden Residentie Pekalongan) uit en van de Vorstenlanden en U °st-Java zijn er weinigen naar deze nieuW-ontgonnen "teeken getrokken. Teksttabel No. 3 geeft van eenige regentschappen, en eet iige daartoe behoorende districten, de cijfers van het ar ital aldaar geboren, maar naar West-Tjilatjap getrok en - immigranten. daaruit blijkt, dat de „bronnen" van de groote stroomen an landverhuizers voornamelijk liggen in Oost-Tjilatjap l,tt - r oja), vrywel geheel Karanganjar, in Keboemen (voor- a melijk; de districten Keboemen, Premboen, Koetowinan goen ), in het noorden voornamelijk de districten Soem -0 e« (Banjoemas) en Djatilawang (Poerwokerto). Minder ''t'kenend zy'n de bronnen in Poerworedjo, Poerbalingga, oord-Poerwokerto en — in de residentie Pekalongan — e hes (waarvan Boemiajoe nog het belangrijkste emigra °district is) en de residentie Priangan. Uit het regent- a P Bandjarnegara trokken slechts iets meer dan 200 en schen naar het Tjilatjapsehe. Van het betrekkelijk groote tal i n Tjilatjap buiten de kotta aangetroffen in de vengewesten geboren personen (in totaal 2 482) zal meerendeel wel in het Noesa Kembangansche ge- Van genenoord geteld zy'n. mmigratie in het Sragensche. Minder belangrijk dan 1 atjap, maar toch niet onbeteekenend, is het immigratie- in het Sra S ensche district Gondang dat 10 788 ers geborenen telt, waarvan er ruim 8 000 uit aan i Zen de regentschappen afkomstig zy'n; de meeste granten komen echter uit de districten Sragen (1 280 en 1247 vr.) en Karangpandan (1003 m. en 919 vr.) en verder van de Nga wische districten Gen dingan (310 m. en 373 vr.) en Ngrambe (399 m. en 420 vr.). De migratie beperkte zich hier dus voornamelijk tot een heel wat klei neren aangrenzende!! kring dan die van Tjilatjap. Hetzelfde kan gezegd worden van de migratie naar het andere Sragensche immigratie-district Gesi. Hier waren van de bijna 7 000 eldersgeborenen er 2 416 (1228 m. en 1188 vr.) uit het regentschap Grobogan en 3 231 (1582 m. en 1649 vr.) uit het regentschap Sragen; velen waren af komstig uit het Sragensche district Gemolong (1 04G m. en 1086 vr.). Andere immigratiegebieden. Deze trek over korten afstand is ook het kenmerk van de migratie naar de boven blz. 22 genoemde districten Soerodadi (Tegal), Soebah (Batang) Randoebla toeng (Blora). Uit het marginaal tabelletje kan blyken, dat verre weg het grootste deel van de eldersgeborenen uit de aangrenzende districten afkomstig is. Over grooteren afstand migreer den de in Bodja getelde eldersgeborenen; slechts 36,7% was van aangrenzende districten afkomstig. Velen (1347 m. en 1322 vr.) kwamen uit het regentschap Magelang, vooral uit de districten Salaman (588 m. en 565 vr.) en Moentilan (225 m. en 209 vr.) ; van nog verder kwamen ruim 400 Poerworedjoërs en bijna 500 menschen van het gouvernement Soerakarta. Belangrijk was de trek naar Soerodadi van uit de districten Tegal (1273 m. en 1167 vr.) en Adiwerno (1 248 m. en 1 511 vr.); naar Soebah van Weleri (1 662 m. en 1918 vr.) uit; naar Randoeblatoeng van uit Ngawen (1110 m. en 1066 vr.) en Karangdjati (2 091 m. en 2 381 vr.); Bodja telde slechts 2 643 menschen (1294 m. en 1 349 vr.) in het regentschap Kendal maar 3 953 menschen (2 084 m. en 1869 vr.) in het regentschap Semarang geboren; de meesten kwamen van de districten Tengaran, Salatiga, Ambarawa, Kaliwoengoe en Kendal. De trek naar de steden. De trek naar de stadsgemeen ten en kottas is over het algemeen groot, ook naar klei nere kottas, uitgezonderd Kendal (13,4%), Boemiajoe (10,2%), Soekaradja (slechts 9,8% immigranten), Brebes (5,4%), Slawi (9,3%), Pemalang (9,6%), Kedoengwoeni (8,8%), Batang (7,2%) en Kaliwoengoe (8,4%). In teksttabel No. 5 (blz. 31) zijn de overige kottas en de stadsgemeenten opgenomen. Het valt op, dat de steden Semarang, Soerakarta en Jogjakarta lager percentages hebben dan Batavia en Bandoeng; Sema rang staat ongeveer op één lijn met Meester Cornelis. Het aller hoogst is het relatieva aantal immigranten ia de kottas Tjilatjap 23 230 TABEL 25 (VERVOLG) 231 TABEL 25 (VERVOLG) 232 TABEL 25 (VERVOLG) Aantal alphabeten dat lager onderwijs genoot of genoten had, uitgedrukt in °/ 0 van het totaal alphabeten. Literates with elementary education in % of total literates. TABEL 26 T ' 4al « friS'*" ziin de Kenen met onbekenden leeftüd begrepen. c ««ii- e of those, with age unknown. 233 Nederlandsch-schrijvenden van de inheemsche bevolkingsgroep ingedeeld naar hen, die al dan niet Westerscli lager onderwijs genoten. Western elementary schooling of Dutch literates (Natives). Absolute Absolute TABEL 27 234 235 TABEL 27 (VERVOLG) 236 TABEL 27 (VERVOLG) 237 TABEL 27 (VERVOLG) 238 TABEL 27 (VERVOLG) van de Nederlandsch-schrijvenden van de inheemsche die al dan niet Westersch lager onderwijs genoten. 1J Sex-vrovortion of the Natives ownine Dutch literacv. V TABEL 28 Z " n de Kenen met onbekenden leeftijd begrepen. ■ *i« of those, wilh age unknown. 239 (55,3% immigranten) en Tjepoe (47,7%). Van de minste beteekenis zy'n in dit opzicht Poerbalingga (15%), Pati (15,4%), Lasem (16,1%), Weleri (16,5%) en Wates (16,6%); slechts iets hooger is het cy'fer van de gemeente Pekalongan. Verscheidenheid van immigranten. Naast veelheid is ook verscheidenheid van de immigranten een kenmerk van de trek naar stad en kotta. Er is, namelijk, onder de eldersgeborenen van zoon stad verscheidenheid van stand, klasse, beroep, herkomst, enz. Men ziet er naast de groote massa van lieden uit het platteland, die in allerlei bedrijven koeliewerk verrichten, de dienaren van het Land, de provincie, regentschap, gemeente, particuliere lichamen, verder personeel en leer lingen van scholen, personeel en verpleegden van zieken huizen en gestichten, handelaren, njjveren, huisbedienden, enz. De volkstellingscy'fers kunnen alleen de verscheidenheid van herkomst dezer immigranten aangeven, aangezien een sorteering der immigranten naar beroepen, om de kosten, achterwege gelaten moest worden. In onderstaande tabel is het relatieve aantal immigranten van de gemeenten en enkele kottas, gesplitst naar hen, die in het regentschap, die buiten het regentschap, maar in Midden-Java en de Vorstenlanden en die in overig Nederlandsch-Indië zyn geboren. De gemeenten en kottas met het hoogste percentage eldersgeborenen uit overig Nederlandsch-Indië zijn gar nizoensplaatsen (Salatiga, Magelang, Poerworedjo, Amba rawa), waar natuurlijk vele militairen uit allerlei oorden van den Archipel liggen. Dat de kottas in het oostelijk deel van Midden-Java en Soerakarta (Tjepoe, Blora, Rembang, Sragen) hooge percentages hebben, moet toegeschreven worden aan het betrekkelijk groote immi grantental uit Oost-Java. Het een en ander kan duidelij ker blaken uit het hieronderstaand tabelletje: Immigranten uit de Buitengewesten in gemeenten en kottas. De garnizoensplantsen Magelang, Poerworedjo en Ambarawa tellen naar verhouding vele in de Buiten gewesten geborenen. In Magelang zijn het voornamelijk menschen, die geboren zijn in de Minahassa, in de afdeeling Timor en eilanden en in de onderafdeelingen Amboina en Saparoea; in Poerworedjo menschen geboren in de onder afdeelingen Amboina en Saparoea; en in Ambarawa menschen afkomstig uit Sumatra's Westkust, voornamelijk uit de onderafdeeling Sawahloento. Immigranten uit Oost-Javia in gemeenten en kottas. Van de eldersgeborenen van het stadje Tjepoe is meer dan de helft in Oost- Java geboren. Ook in andere kleine in het oostely'ke deel van Mid den-Java en Vorsten landen gelegen plaats jes als Blora en Sragen wonen velen, die uit Oost-Java afkomstig zijn. Dat de trek uit deze provincie naar de steden Semarang en Soerakarta groot is, bljjkt uit het 'bovenstaand tabelletje. Uit de residentie Bodjonegoro trokken er 1 247, uit de residentie Soerabaia 1224 en uit de residentie Madioen 1 481 naar de stad Semarang. In de stad Soerakarta zü n de meesten (2 676) in de residentie Madioen geboren, terwijl van de ruim 5 000 uit Oost-Java afkomstige immi granten van Tjepoe er 3 994 in de residentie Bodjonegoro (grootendeels in het regentschap van dien naam) zijn geboren. De trek uit de Vorstenlanden naar enkele gemeenten e» kottas van Midden-Java. De gemeenten Salatiga, Sema rang, Magelang en de kotta Ambarawa tellen onder hun immigranten velen, die in de Vorstenlanden zijn geboren- Hieronder eenige cijfers: *) Inclusief degenen met onbekende geboorteplaats en personen in het buitenland geboren. 24 240 TABEL 28 (VERVOLG) 241 TABEL 28 (VERVOLG) 242 TABEL 28 (VERVOLG) 243 TABEL 28 (VERVOLG) A.antal Nederlandsen-schrijvenden dat Westersch lager onderwijs genoot of genoten had in % van het totaal Nederlandsen-schrijvenden. x) Percentage Dutch literates with Western elementary education. 1) TABEL 29 1) In de totalen lijn degenen met onbekenden leeftijd begrepen. Totals inclusive of those, with. age unknown. 244 Indeeling van de Amboneesche, Bataksche en Manadoneesche bevolking naar hun godsdiensten. i-J l-J Religion of the Ambonese, Batak and Manadonese population. > TABEL 3O 246 Personen met lichaamsgebreken bij de inheemsehe bevolkingsgroep. 1) Infirmity amongst the native population. h TABEL 31 1) Ie Leeftijdsgroep — kinderen, die nog niet kunnen loopen. lst Age period = infants, not yet being able to walk. 2e Leeftijdsgroep = overige onvolwassenen. 2nd Age period = other persons not full-ffrown. 3e Leeftijdsgroep = volwassenen. Srd Age period = adultt. In de totalen zijn desenen met onbekenden leeftijd begrepen. Totals inclusive of those, wüh age unhnown. 248 249 er sonen met lichaamsgebreken bij de inheemsche bevolkingsgroep, uitgedrukt in °/oo van de totalen per leeftijdsgroep. v Infirmity amongst the native population in °/00. TABEL 32 Otal * incfu"- Z " n dp S« ne » me t onbekenden leeftijd begrepen, '""'e of those, with age tmknown. De trek uit Midden-Java naar de Vorstenlandsche hoofdplaatsen. De trek uit Midden-Java naar de hoofd- Plaats Soerakarta is van minder beteekenis dan die naar Jogjakarta hetgeen ook uit onderstaande cijfers kan \ blijken. Opmerkelijk is het betrekkelijk groot aantal uit Keboe- afkomstige lieden in de stad Soerakarta. Overigens schijnen maar weinigen uit oud-Bagelen zich in de Vorsten ■tandsche hoofdplaatsen te vestigen. Immigranten uit West-Java naar enkele gemeenten en kottas. De migratie van West-Java naar de gemeenten en kottas van Midden-Java en Vorstenlanden is van weinig beteekenis. Van de meeste beteekenis is zy' nog Voor de meest westely'k gelegen gemeenten Pekalongan en - Tegal, maar ook voor Tjilatjap, Salatiga, Poerworedjo en Ambarawa. Het absolute aantal dezer immigranten in leder der genoemde gemeenten en kottas blijft echter oeneden 1000. De trek van het platteland naar de gemeente Semarang. "Ü komen nu tot de trek van de „binnenlanden" van de provincie naar de stad, maar moeten ons tot de hoofd eken bepalen. Van de trek naar de gemeente Semarang geeft het nevenstaand tabelletje een algemeen beeld. Meer dan de helft (ruim 62%) van de immigranten komt uit de residenties Se marang, Kedoe en Ja- Para-Rcmbang. Uit de residentie Banjoemas komen er onge- veer evenveel (1588 m. en 951 vr.) als uit het gouvernement Jog jakarta. Meer (2 099 m. en 1553 vr.) zy'n er afkomstig uit de residentie Pekalongan, de meesten uit de re gentschappen Pekalon gan (776 m. en 580 vr.) en Tegal (550 m. en 446 vr.). In het nevenstaand tabelletje vindt men het aantal immigran ten uit de regentschap pen van de residenties Semarang, Kedoe en Japara-Rembang. Meer dan 14 van alle immigranten van Semarang blijken in de regentschappen Semarang, Ma gelang en Demak geboren te zyn. Van de districtscijfers, die in den regel, vermoedelijk om de boven blz. 21 vermelde redenen, het hoogst zyn in de districten met den regentschapsnaam, vermelden wij alleen die van Oengaran (797 m. en 913 vr.), Ambarawa (1146 m. en 1251 vr.), Salatiga (1731 m. en 1849 vr.), Mranggen (605 m, en 734 vr.), Petjangakan (494 m. en 739 vr.), Djoewana (485 m. en 383 vr.), Moentilan (446 m. en 516 vr.) en het Koctoardjosche Poerwodadi (603 m. en 554 vr.). Evenals in de gemeente Batavia doet zich ook in Sema rang het verschijnsel voor, dat mensehen uit een bepaalde streek of uit een bepaald dorp één en hetzelfde beroep uitoefenen. Zoo moeten, naar de Regent van Semarang ons mededeelde, koelies angkatan (sjouwers, pakkendra gers) uit Bagelen, karren voerders en havenkoelies uit Demak, .safe-verkoopers uit Demak, Mranggen en Madoera, peijeZ-verkoopsters en koopvrouwen uit Soerakarta afkom stig zijn. De trek van het platteland naar de beide Vorstenland sche steden. Van de immigranten van de stad Soerakar ta 1 ) was 67,9% afkomstig uit het gouvernement van dien naam; in Jogjakarta was 58,5% in het gouvernement van dien naam geboren. In nevenstaand ta belletje vindt men re gentschapscijfers. Op vallend is, dat er nog zoovelen uit het afge legen Wonogiri naar de hoofdstad trekken; iets meer dan de helft dezer immigran ten (1109 m. en 1128 vr.) woonde in het Mangkoenegarasche deel. De districten (buiten de districten Kotta Mangkoenagaran en Soerakarta) waar de meeste immigranten geboren zijn, zijn: Slechts 4,9% van de eldersgeborenen (1105 m. en 1481 vr.) is afkomstig uit het gouvernement Jogjakarta; daarvan is ongeveer de helft (522 m. en 753 vr.) uit het regentschap Jogjakarta. !) De stad Soerakarta bestaat uit twee deelen, het ééne deel ligt in het rijk Soerakarta en telt 114 628 zielen, het andere met 34 957 zielen ligt in het rijk Mangkoenegaran (zie boven blz. 1). 25 Aantal beroepsbeoefenaars en landbouwers van de inheemsehe bevolking' Number of Natives exercising an occupation and peasants. TABEL 33 252 253 TABEL 33 (VERVOLG) 254 TABEL 33 (VERVOLG) 255 TABEL 33 (VERVOLG) Aantal mannen en vrouwen, beroepsbeoefenaars, per 100 personen van gelijken burgerlijken staat. — Number of males and females exercising an occupation per 100 persons of equal civil condition. TABEL 34 256 26 Van de ruim 40 000 eldersgeborenen in de stad Jogjakarta i) is iets meer dan de helft (58,5%) afkom stig van het gouverne ment van dien naam. Van deze 23 568 immi granten zy'n er 10 536 geboren in het regent- schap Bantoel, d.i. ongeveer twee maal zooveel als het aantal, dat in het regentschap Jogjakarta is geboren. Hieronder zijn de hoogste districtscijfers vermeld: De migratie naar de kleinere gemeenten. Omtrent de trek van het platteland naar de kleinere gemeenten dienen wy' slechts enkele cijfers te vermelden. Van de 7 713 eldersgeborenen van Tegal komt 72,3% uit de residentie Pekalongan en wel ruim 34% (1113 m. en 1520 vr.) uit het regentschap Tegal en 22,4% (701 m. en 1 029 vr.) uit het naburige regentschap Brebes. Het immigrantental uit de overige regentschappen van de genoemde residentie is heel wat geringer, uit Pemalang ruim 650, uit Pekalongan ruim 420, uit Batang ruim 130 zielen. De weinig beteekenende trek naar de gemeente Peka longan beperkt zich ook grootendeels tot de residentie van dien naam; 64% van de 9 763 immigranten waren ergens in die residentie geboren. De meesten waren uit de regentschappen Pekalongan (937 m. en 1 323 vr.), Tegal (619 m. en 806 vr.), Pemalang (497 m. en 565 vr.) en Batang (402 m. en 612 vr.). Het relatieve immigrantental van Magelang is hoog, niet minder dan 44,5% van het zielental, maar ruim i/ 5 deel daarvan is buiten de provincie geboren. Van de res teerende 11 413 immigranten uit Midden-Java zijn er 5 860 (2 381 m. en 3 479 vr.) uit het regentschap Magelang en daarvan 1 765 (715 m. en 1 050 vr.) uit Moentilan en 1 317 (560 m. en 757 vr.) uit Salaman; voorts veel geringere aantallen uit het regentschap Semarang (557 m. en 626 vr.) en uit het gouvernement Jogjakarta (811 m. en 1 049 vr.). De trek uit Semarang is belangrijker dan die uit verschillende Kedoesche regentschappen o.a. Poerwo redjo (864 zielen), Temanggoeng (884 zielen), Koetoardjo (410 zielen), Wonosobo (384 zielen) en Keboemen (295 zielen). Salatiga, dat maar de helft van het zielental van Mage lang heeft, telt onder haar inwoners nog ruim 30% elders geborenen. Van de 6 165 eldersgeboren personen zijn er 3 469 in Midden-Java geboren, de meesten in het regent schap Semarang (740 m. en 850 vr.) en in de residentie Kedoe (440 m. en 468 vr.). /De trek naar de kottas. Procentsgewijze tellen de kottas Tjilatjap en Tjepoe nog meer immigranten dan Magelang (zie boven blz. 24). In Tjilatjap is ongeveer 70% van de eldersgeborenen afkomstig uit de regent schappen Tjilatjap (2 946 zielen), Karanganjar (2 110 zielen), Banjoemas (1873 zielen), Poerbalingga (1144 zielen), Poerwokerto (1134 zielen) en Keboemen (1403 zielen). Tjepoe telt meer eldersgeborenen uit het regentschap Bodjonegoro (1 557 m. en 1 908 vr.) dan uit de geheele residentie Japara-Rembang (1415 m. en 1456 vr.), terwijl slechts ruim 18% (820 m. en 953 vr.) van alle immigranten in het regentschap geboren waren. Dit laatste percentage immigranten, dat uit het regent schap komt, wisselt in de verschillende kottas onge veer tusschen 10% en 40%. In kleinere plaatsjes als Banjoemas, Oengaran, Poerwodadi, Klaten, Wonosobo, Rembang, Japara, is het hoog; in Lasem is het ongeveer 60%, in Kottagede meer dan 60%. Maar er zy'n ook kleine kottatjes met een laag percentage, byv. Demak, Sragen, Koetoardjo. De grootere kottas als Poerworedjo, Poer wokerto, Koedoes, Pati, Poerbalingga, Blora, Ambarawa hebben nog al uiteenloopende percentages, van ongeveer 8% in Poerwokerto tot ± 30% in Pati. Van eenige grootere en bekende kottas publiceeren wy" alleen de volgende cijfers: Trek van de vrouwen naar de stad. Beziet men de cijfers van de mannelijke en vrouwelijke eldersgeborenen van teksttabel No. 5, dan blykt, dat in alle ge meenten en in nagenoeg alle kottas de vrouwen in de meerderheid zy'n. Dit verschijnsel is in Nederland alleen in de grootere bevolkingscentra 3 ) geconstateerd, doch hier in Midden- Java en de Vorstenlanden ziet men het zoowel in de steden van meer dan 100 000 inwoners als in de kleinere kottas. 1) Bestaande uit een deel, dat in het gebied van het rijk Jogjakarta ligt (111 928 zielen) en een klein deel, dat tot het rijk Pakoealaman behoort (10 051 zielen). Zie boven blz. 1. 2) Van de in Adikarto geborenen woonden 258 mannen en 322 vrouwen in het Pakoealamsche stadsdeel. 3 ) Statistiek van Nederland No. 378 (Volkstelling van 31 Decem ber 1920) blz. 38—39. Zie ook Dr. C. A. Verrijn Stuart. Inleiding tot de becefening der statistiek deel I blz. 176—177 (1928). Vrouwen nemen vaak meer deel aan de migratie dan de mannen. De lezer, die tabel 13 raadpleegt, zal op merken, dat in Midden-Java, Soerakarta en Jogjakarta onder drie groepen van de feitelijke bevolking een meerderheid van vrouwen is, namelijk onder hen, waarvan geboorteplaats en woonplaats 1° niet in hetzelfde district, maar in hetzelfde regentschap, 2° niet in hetzelfde regentschap maar in hetzelfde gewest, en 3° niet in het zelfde gewest, maar in Java en Madoera liggen. Opmerkenswaardig is, dat in West-Java *) in die drie groepen een mannenoverschot is, zoodat hieruit de con clusie getrokken kan worden, dat aan de migratie naar en in Midden-Java en de Vorstenlanden — in tegenstelling met West-Java — meer vrouwen dan mannen deelnemen. Dat wil echter nog niet zeggen, dat in Midden-Java en de Vorstenlanden (rela tief) meer vrouwely'ke immigranten zijn dan in West-Java. Uit ne venstaand tabelletje (ontleend aan tabel No. 12) blykt het relatieve aantal Vrouwelijke immigranten in Midden-Java het geringst, in Soerakarta het hoogst te zy'n, terwijl in Jogjakarta het c "fer iets hooger is dan in West-Java. Belangrijke migratie van vrouwen naar Vorstenlanden en Midden-Java. Onder de ruim 17 000 immigranten in de Vorstenlanden uit de residentie Madioen zijn de vrouwen in de meerderheid. Uit Nga wi, Magetan en Ma dioen trekken zij voor namelijk naar het re gentschap Sragen en de hoofdplaats Solo, uit Ponorogo en Patji- an naar Wonogiri (vooral naar Poerwantoro) en de genoemde hoofdplaats. onder de immigranten uit de residentie Kediri U 526 m. en 1 719 vr.) is een klein vrouwensurplus. -Een dergely'k klein vrouwensurplus treft men ook aan mider de immigranten uit de residentie Madioen (3 581 Q ' en 3 738 vr.) in Midden-Java; wat grooter is het vrou ensurplus onder de immigranten uit de residentie Bodjo ne Boro (8 353 m. en 9 041 vr.). Van de ruim 9 000 vrou eu uit deze residentie zy'n er 6 213 in het regentschap °djonegoro geboren; meer dan de helft daarvan (3 697) °°nt in het district Tjepoe. Ook uit Ngawi trokken er Vele n naar dit district. u e migratie van de Vorstenlandsche vrouwen. Uit alle e Sentsehappen van de Vorstenlanden (met uitzondering van Goenoengkidoel, Kotta Mangkoenega ran en Wonogiri) bly ken meer vrouwen dan mannen naar Midden- Java getrokken te zijn; de meesten wel uit- de regentschappen Jogja karta, Bantoel, _Klatenj_ Bojolali en Soerakarta. Van de ruim, 5 000 vrouwen uit Bojolali trokken er 3 431 naar het regentschap Semarang en 1251 naar het regentschap Grobogan; terwyl van de bijna 5 600 vrouwen uit Soerakarta er 3 121 in het regent schap Semarang woonden. Binnen het gouvernement Jogjakarta verplaatsten zich in totaal 40 974 mannen en 64 790 vrouwen, binnen het gouvernement Soerakarta 91799 mannen en 111708 vrouwen. Dus ook aan de migratie binnen ieder der ge westen nemen de vrouwen meer deel dan de mannen. Migratie der vrouwen in Midden-Java. Van de 26 re gentschappen hebben er 18 een vrouwensurplus onder hun eldersgeborenen; Tjilatjap, Poerbalingga, Poerwokerto, Bandjarnegara, Brebes, Pemalang, Kendal en Rembang hebben een mannenoverscliot (zie tabel No. 11 speciaal de kolommen 5 en 6). In West-Java hebben alle regent schappen op één na een mannenoverschot onder de elders geborenen. De in teksttabel No. 2 vermelde immigratiedistricten van Midden-Java hebben allen, op Soerodadi (Tegal), Soebah (Batang) en Randoeblatoeng (Blora) na, een mannenoverschot onder de immigranten. Opmerkelijk is echter, dat onder de immigranten in Tjilatjap uit het regentschap Keboemen meer vrouwen dan mannen zyn geteld (zie teksttabel No. 3). Onder de in de Buitengewesten gebo renen een mannenover- schot. Uit het neven staand tabelletje kan blyken, dat onder de migranten, die in de Buitengewesten zyn ge- boren een mannenoverschot is. § 4. Emigratie. De volle omvang der emigratie nog niet te bepalen. Het is boven blz. 6 al medegedeeld, dat de omvang van de emigratie pas te bepalen is wanneer men voor geheel Nederlandsch-Indië weet hoeveel menschen er in de districten van Midden-Java en de Vorstenlanden geboren zijn. Omvang emigratie binnen Midden-Java en de Vorsten landen. bokend hoeveel menschen zich binnen het moot e gebied van"Tn'tff!ê'n-Java fllus de Vorgtenlanden hebban verplaatst, Tn teksttabel No. 6 (zie blz. 32) zijn van de voornaamste emigratiegebieden de cijfers van het aantal dezer verhuizers, emigranten, d.z. dus zij, die in de districten van deze gebieden geboren, maar gedurende de telling in een ander district van de groote middelmoot van Java (Midden-Java plus Vorstenlanden) woonden. Van een publicatie dezer cijfers per emigratiedistrict is afge zien, omdat vele emigranten en wel speciaal zy, die buiten hun geboorteregentschap woonden in plaats van hun geboortedistiïet hun geboorteregentschap 2 ) opgaven (boven blz. 21), zoodat het aantal emigranten uit het district met den naam van het regentschap te hoog en die van de andere districten van dat regentschap te laag waren. Daarom leek het beter van kringen van districten, die de hoogste emigranten-overschotten (aantal emigranten 2 ) Soms wel een grooter ressort, (denk aan namen als .Togjakarta en Soerakarta, die op de gouvernementen betrekking kunnen hebben). ' Zie tabel No. 14 van Volkstelling 1930 deel I. 27 28 minus aantal immigranten) hebben, de cijfers van het aantal emigranten te vermelden. Tevens is om een denk beeld te geven van den afstand, die de emigranten afleg den, het relatieve aantal emigranten dat binnen het regentschap, dat naar aangrenzende regentschappen en dat nog verder verhuisde, in de drie laatste kolommen van genoemde tabel vermeld. De migratie naar West-Java. Hoewel de cijfers van het aantal personen, dat naar West-Java emigreerde (en daar gedurende de telling nog woonde) bekend is, zijn die niet in genoemde teksttabel, maar hieronder afzonderlijk opgenomen: Hieruit bljjkt, dat voor Brebes en de Oud-Bagelensche regentschappen Keboemen, Karanganjar en Poerworedjo de emigratie naar West-Java van de grootste en voor de oostelijker gelegen gebieden (Magelang en de Vorstenlan den), daarentegen, van de minste beteekenis is. De emigratiegebieden van Banjoemas en Kroja. Uit de emigratiegebieden Banjoemas (Soekaradja, Soempioeh, Banjoemas) en Kroja (het district Kroja) trokken de meesten naar het aangrenzende Tjilatjapsche imirngratic gebied. Vandaar dat het gros (77,6%) der emigranten van Banjoemas in „aangrenzende regentschappen" huist, terwijl byna 85% van de emigranten uit Kroja binnen het regentschap (Tjilatjap) verhuisden. De emigratie uit Oud-Bagelen. Uit Oud-Ba gelen, d.w.z. de emigratiegebieden Karanganjar, Keboemen, Koetoardjo en Poerworedjo (ieder het geheele regentschap omvattende), trokken tal van menschen weg, vooral uit Karanganjar en Keboemen. Ook van hieruit gaat de trek voornamelijk naar het westen (Tjilatjap). Opvallend is, dat van de Kebocmensehe emigranten ruim 75%, van de Koetoardjo sche ruim 52% en van de Poerworedjosche ruim 47% zich over grooten afstand verplaatsten. Van de 182 004 personen, die uit dit zuidelijk deel van Midden-Java naar elders binnen de provincie Midden-Java en de beide Vorstenlandsche gouvernementen emigreeren den woonden er 67 815 of ruim 37% in het Tjilatjapsehe immigratiegebied; 17,5% of 31831 personen trokken naai de residentie Banjoemas (zonder Tjilatjap), 24% of 43 682 personen naar de residentie Kedoe en 6,6% of 12 087 personen naar de residentie Semarang. Van deze laatsten, ruim 12 000 personen, vestigden zich 8 529 "(4 992 m. en 3 537 vr.) in de gemeente Semarang; heel veel (3 485) kwamen er uit Keboemen (zie boven blz. 25). Naar de Vorstenlanden trokken er maar weinigen, naar Jogjakarta 4 154 (1 996 m. en 2 158 vr.) en naar Soerakarta 2 951 personen (1604 m. en 1347 vr.). Opmerkelijk is, dat de emigratie uit het regentschap Koetoardjo zooveel geringer is dan uit ieder der andere regentschappen van dit gebied. Emigratiegebied Magelang. Het emigratiegebied van Jlao-elang (het geheele regentschap) is het minst beteeke nende van de in Midden-Java gelegen gebieden. Ook naar West-Java is, gelijk al opgemerkt werd, de migratie van weinig belang. Van degenen, die zich buiten het regent schap verplaatsten trokken de meesten naar de gemeente Semarang (6 296 personen), het gouvernement Jogjakarta (5 796 personen) *) en het regentschap Kendal (3 074 personen), voornamelijk naar Bodja. De emigratiegebieden van Brebes en Tegal. Het emi gratiegebied van Brebes bestaat uit de districten Brebes en Tandjoeng. De andere districten hebben een zeer gering aantal emigranten in Midden en West-Java. Het emigratiegebied van Noord-Tegal bestaat uit de zeer dichtbevolkte districten Tegal en Adiwerno, benevens de districten Slawi en Pangkah. De andere districten met uitzondering van Soerodadi (dat immers onder de immi gratiestreken werd gerekend, zie boven blz. 23) hebben zelfs geen emigrantenoverschot. 2 ) De emigratie uit het genoemde gebied van Brebes naar West-Java (voornamelijk Indramajoe en Krawang) 3) is van grooter beteekenis dan die naar Midden-Java, welke laatste dan nog zich hoofdzakelijk bepaalt tot de residentie Pekalongan. Immers van de 19 619 emigranten woonden er 11 813 in het regentschap Brebes en 5 854 in het overige deel van de residentie Pekalongan. Ook de emigratie van Noord-Tegal bepaalt zich voorna melijk tot de regentschappen van de residentie Pekalongan; niet minder dan ruim 93% van de emigranten wonen daar. Emigratiegebied Jogjakarta. Aangezien meer dan 50% van de emigranten uit Jogjakarta die in Midden-Java woonden als geboorteplaats het gouvernement Jogjakarta opgaven, is dit geheele gewest als emigratiegebied be schouwd. Vermoedelijk is de emigratie uit het in het Zuidergebergte gelegen regentschap Goenoengkidoel en uit Koelonprogo het geringst. Uit de cijfers van teksttabel No. 6 blijkt, dat meer dan % van de emigranten (40 974 m. en 64 790 vr. in totaal 105 764 personen of 6,9% van het totale zielental) zich binnen het gouvernement verplaatste 4 ). In Midden-Java en Soerakarta woonden dus 15 210 mannen en 19 084 vrouwen, die in het gouvernement Jogjakarta geboren waren. De migratie, binnen het gouvernement bepaalt zich hoofdzakelijk tot een korte-af stands-verplaatsing naar naburige ressorten. Belangrijk is de trek naar de hoofdstad (zie boven blz. 26). Ook van hen, die de grenzen van a ) Naar Soerakarta trokken slechts 1 712 menschen. -) Zelfs niet wanneer men het aantal emigranten, dat naar West- Java trok, meetelt. 3 ) Zie Volkstelling 1930 deel I blz. 24. 4 ) Kolom 6 van teksttabel No. 6 moet voor het emigratiegebied Jogjakarta gelezen worden: binnen het gouvernement. 29 het gewest overschreden, is het grootste aantal in de buurt gebleven. Een beteekenende trek over grooten afstand is die naar de gemeente Semarang (zie boven blz. 24) en die naar het regentschap Tjilatjap waar 1635 in Jogja geborenen wonen. Emigratiegebied Soerakarta. Hoewel van de emigranten u it het gewest Soerakarta afkomstig, maar betrekkelijk Weinig hun geboortegouvernement (in plaats van geboorte uistrict) hebben opgegeven, is toch, omdat vermoed wordt, dat die fout door de in de Buitengewesten wonende emigranten wel gemaakt zal worden, ook het geheele gouvernement Soerakarta als één emigratiegebied be schouwd. Maar ook hiervan is het zuidelijke bergachtige deel, Wonogiri, de streek met het minste relatieve emigran tental; bovendien heeft Sragen ook veel immigratie (zie b °ven blz. 23). ■Nog meer dan in Jogjakarta concentreert zich hier de migratie hoofdzakelijk in het gewest. Binnen dat gebied Ver plaatsten zich 91799 mannen en 111708 vrouwen, in to taal 203 507 personen of ruim 8% van het zielental. Ook üle r weinig massale verplaatsing over grooten afstand; a lleen de „nagari" (hoofdstad) trekt vele menschen uit v ei afgelegen oorden tot zich. Hetzelfde beeld vertoonen de cy'fers van de — weinig Steekenende — migratie naar Midden-Java en Jogjakarta. Tjilatjap trok maar V/2 pro mille (tegen 1,2% uit °gja) van alle emigranten; wat meer (zie boven blz. 24) Migreerden er naar de gemeente Semarang, overigens be perkt zich de migratie tot aangrenzende ressorten. Zelfs aar West-Java is er maar weinig volksverplaatsing (zie tab el op blz. 28). Samenvatting. Feitelijk zou men van drie emigratie gebieden kunnen spreken: 1. Zuid-Midden-Java (Banjoe- Illas , Kföjr en oud-Bagelen) ; 2. de Vorstenlanden en Magelang; 3. het Noordwestelijk deel vaïTTle residentie p ekalongan. Het eerstgenoemde gebied is het meest beteekenende, ook e l omdat het gunstig ligt ten opzichte van de nog niet ijVolgeloopen", dunbevolkte streken van Tjilatjap en est -Priangan, maar het schy'nt toch, dat de menschen uit d-Bagelen (speciaal Karanganjar, Keboemen en Poerwo- e djo) niet tegen verhuizingen over grooten afstand opzien. Veel minder belangrijk zy'n de beide andere gebieden, x s dan de trek van Brebes naar Indramajoe en Krawang West-Java niet onbeduidend. Opmerkelijk gering is het atieve aantal emigranten, die de grenzen van de zoo ehtbevolkte Vorstenlanden overschrijden en zich in Mid en - en West-Java hebben gevestigd. 1.,.. War e beteekenis van de emigratie kan echter pas Uken, wanneer straks de cy'fers van geheel Nederlandsch ndië bekend zyn. §5- Het aantal tijdelijk-aanwezigen. Aa ntal tijdelijk-aanwezigen gering. Onder de tijdelijk aanwezigen w r orden verstaan zy', die niet op hun woonplaats (d.w.z. woondistrict of woononderafdeeling) zyn geteld, dus tijde lijk buiten hun woon district (of woononder afdeeling) vertoefden. Hun aantal (zie tabel len 11 en 12 kolommen 8 t/m 16) is in Midden-Java en Vorstenlanden procents gewijze veel geringer dan in West-Java. De regentschaps cy'fers bereiken geen van allen 1%, terwy'l in West-Java vy'f regentschappen ruim 1% tijdelijk-aanwezigen tellen. Enkele cijfers van gemeenten en kottas. Alleen in enkele kottas en gemeenten, soms ook in de nabyheid van kottas (Koedoes buiten de kotta bijv. waar byna 5% van het zielental tijdelijk vertoefde), is het percentage wat hooger. In kleine plaatsjes als Poerwodadi, Wonosobo, Demak hoort ongeveer 3!/2% (in Poerwodadi zelfs 4%) van het geringe zielental niet op de plaats thuis. Hoewel in de grootere steden het percentage geringer is (tusschen 1 en 3%) zy'n de Aantal tijdelijk-aanwezigen in de gemeenten en kütta's in. vr. tot. Semarang 2 698 967 3 6(35 Pekalongan 706 907 1613 Soerakarta 1 G 37 1216 2 853 Jogjakarta 881 471 1352 absolute cyfers veel hooger, zoo bijvoorbeeld in Semarang, Pekalongan, Soerakarta en Jogjakarta. In Semarang komt ongeveer 80% van deze tgdelijk aanwezigen van buiten de residentie van dien naam; er waren er uit oud-Bagelen meer (838) dan uit de residentie Semarang (734). Een groot aantal hoorde in Keboemen thuis. Ook waren er velen in de residentie Eembang woonachtig. Van de tydelijk-aanwezigen van Jogjakarta was iets meer, van die van Soerakarta iets minder dan de helft uit het gouvernement afkomstig. Doch van de 1613 t\jdelyk aanwezigen van Pekalongan was meer dan 70% in de residentie woonachtig. Misschien zou het aantal van deze uitzwermende menschen grooter geweest zijn, indien niet velen van hen naar hun woonplaats waren teruggekeerd (zie boven blz. 21). De meeste tijdelijk aanwezigen in hun woondistrict geboren. Uit tabel 11 blijkt, dat de meeste tijdelijk-aan wezigen in hun eigen woondistrict zy'n gebo ren. Degenen, die hun geboorteplaats bezochten (kolommen 8 t/m 10 van de tabellen Nos. 11 en 12) waren veel geringer in aantal. 3 HOOFDSTUK 11. GETALSTERKTE EN TERRITORIALE VERSPREIDING DER BEVOLKING. § 1. Inleiding. De gepubliceerde bevolkingscijfers hebben betrekking °P de feitelijke bevolking, d.i. dus de bevolking, die in den nacht van 7 op 8 October 1930 in een bepaald gebied aanwezig was. Zij, die wegens avond- of nachtwerk niet •O hun huis werden aangetroffen (ook karrevoerders en Passargangers) benevens de visschers, die uitgevaren vaaren, werden beschouwd thuis te zijn. Het aantal der ln genoemden nacht getelde personen aan boord van groote schepen is niet in het zielental begrepen; het cijfer van deze kleine groep van personen zal later in het Eindverslag gepubliceerd worden. De onderscheiding in Inlanders (Inheemschen, Inheem sehe bevolking), Europeanen, Chineezen en andere fleemde Oosterlingen behoeft, hoewel verondersteld mag borden, dat z\] algemeen bekend is, toch nog eenige toe lichting. Onder de Inlanders vallen niet de met Euro peanen gelijkgestelden en Inlandsche vrouwen, die met een niet-Inlander zijn getrouwd, maar wel de niet-Inland- Sche vrouwen, die met Inlanders gehuwd zijn. Als Europeanen zijn geteld allen, die tot eenige Europeesche Nationaliteit of landaard van Europa, Amerika, Afrika (denk aan Zuid-Afrika) en Australië behooren; bovendien °°k de Japanners, Philippino's, Armeniërs, Turken, ■Egyptenaren, Perzen i); voorts ook de met Europeanen gelijkgestelde andere bevolkingsgroepen behalve de gelijk gestelde Chineezen; deze allen met hun vrouwen en kinderen. Van de Chineezen zijn niet als zoodanig geteld de Chineeschc vrouwen, die met een niet-Chinees getrouwd, maar wel de vrouwen van een andere bevolkingsgroep, die met een Chinees gehuwd zijn, z °omede de met Europeanen gelijkgestelden. De kinderen natuurüjk weer ingedeeld in de groep vau hun vader. Als andere Vreemde Oosterlingen zn'n geteld de Ara bieren, Voor-Indiërs, Mooren, maar ook allerlei Aziaten Ult de om Nederlandsch-Indië liggende gebieden, zooals ac Siameezen, en de Maleiers afkomstig van Britsch 'talaya, waaronder ook Broenei (Noord-Borneo) hoort, Syriërs, Abessiniërs, allen met hun vrou wen en kinderen. De vrouwen echter, die met een Europeaan. Chinees of Inlander zijn getrouwd, gaan over n de groep waartoe hun mannen behooren. De met Europeanen gelijkgestelden zijn, gelijk boven vermeld er d, als Europeaan geteld. "nder ~vrouwen en kinderen" werden verstaan de ettige echtgenooten en de wettige of erkende kinderen. In de tabellen 2, 4 en 7 zjjn gegevens van de bevolking °Pgenomen van de stadsgemeenten en verder van die welke naar de meening van het plaatselijk estuur als belangrijke centra aangemerkt kunnen worden. e voorgeschreven grenzen tan de meeste dezer plaatsen "■ v oortaan kortheidshalve kottas 2 ) te noemen — bleken aak in zulke oude besluiten vastgelegd te zijn, dat bn' de Volkstelling in overleg met het Bestuur nieuwe grenzen moesten worden vastgesteld. Bij de vaststelling van de bevolkingstoename per dis trict (tabel 5) is het cijfer der bevolkingssterkte van 1920 berekend over een gebied gelijk aan het districtsgebied van 1930. Deze herleiding heeft echter niet plaats gehad bij het vergelijken van het zielental der stadsgemeenten en kottas (tabel 7). De groei van de bevolking in die centra kan dus samenhangen met een territoriale uitbrei ding. Van eenige kottas kon het zielental van 1920 niet opgegeven worden. Ook van de Vorstenlandsche distric ten ontbreken de cijfers van 1920, omdat de bedoelde her leiding hier onmogelijk was. Alleen van enkele districten in Soerakarta en van enkele regentschappen, waarvan de grenzen tusschen 1920 en 1930 ongewijzigd zijn gebleven, zou de aanwas van de bevolking bepaald kunnen worden. Bij het vergelijken van de cijfers der beide laatste volkstellingen houde men in het oog, dat in 1920 de met Europeanen gelijkgestelde Chineezen als Europeanen zijn geteld. De cijfers van de oppervlakte (d.w.z. de totale oppervlakte met alle tot het gebied behoorende wateren inbegrepen) der districten in tabel 9 zjjn verstrekt door den Topografischen Dienst, die van de oppervlakte van bouwgronden door het Centraal Kantoor voor de Statistiek. De laatste cijfers zijn in km 2 uitgedrukt, om die te vergelijken met de dicht heidscn'fers, die, naar internationaal gebruik, per km 2 becn'ferd plegen te worden. In dezelfde tabel is het aantal Inlanders per km 2 sawah en per km 2 bouwgrond, waaronder verstaan moet worden: bevloeibare en niet-bevloeibare akkers, wisselvallige bouwvelden, woonerven, vischvn'vers 3 ), nipahbosschen, enz. waarop Inlandsche 'bezits-, gebruiks of genotsrechten worden uitgeoefend, opgenomen. Dit cijfer geeft (vooral voor districten met een groot bosch areaal), beter dan de dichtheid per km 2 van het geheele districtsareaal, onbewoond en onbebouwd gebied inbegrepen, een beeld van de densiteit der Inlandsche bevolking. de v I>eZe Zi^n in Volkstelli "g 1930 deel I blz - 2 a busievelijk onder reernde Oosterlingen gerekend. Ho \De groote „kotta'a" Jogjakarta en Soerakarta (Solo) zullen °fdplaatsen genoemd worden. 3 ) In den regel echter niet de zoutwatervischvijvers. §2. De betrouwbaarheid der ch'fers. Hoewel de graad van betrouwbaarheid der cijfers hoog mag heeten, is er een kans, dat de tellers in sommige steden, waar zn niet in hun ressort thuis waren en de bewegelijkheid der bevolking groot was, niet altijd even juist ingelicht werden. Aangezien zij mededeelingen van de getelden als waar hadden aan te nemen, is het niet onmoge lijk, dat onjuiste gegevens verstrekt werden. Zoo valt bijvoorbeeld zeer te betwijfelen of de wettigheid van het huwelijk of de wettigheid en erkenning der kinderen wel altijd naar waarheid werden medegedeeld. Ook kunnen natuurlijk tellers kleine fouten gemaakt heb ben. Zoo werd nog al eens bij de controle en later bh' de verwerking opgemerkt, dat de onderscheiding tusschen de verschillende bevolkingsgroepen — speciaal in de groote stadsgemeenten — niet altijd even scherp in het oog werd gehouden. Verder zjjn wellicht visschers, die buitenshuis ergens aan den wal vertoefden, zoowel daar als op hun woonplaats geteld. AANTAL IMMIGRANTEN IN EENIGE DISTRICTEN. NUMBER OF IMMIGRANTS IN SOME DISTRICTS. Teksttabel — Subsidiary table No. 2. AANTAL IMMIGRANTEN IN DE TJILATJAPSCHE DISTRICTEN, NUMBER OF IMMIGRANTS IN THE TJILATJAP-DISTRICTS. !) Van deelen van districten is het aantal emigranten niet bekend. The number of emigrants from parts of the districts are unknown. Teksttabel — Subsidiary table No. 3. 30 AANTAL IMMIGRANTEN IN TJILATJAP UIT BELANGRIJKE EMIGRATIEGEBIEDEN, NUMBER OF IMMIGRANTS IN TJILATJAP FROM SOME IMPORTANT TERRITORIES OF EMIGRATION. Teksttabel — Subsidiary table No. 4. AANTAL IMMIGRANTEN IN STADSGEMEENTEN EN KOTTAS. NUMBER OF IMMIGRANTS IN MUNICIPALITIES AND TOWNS. Te ksttabel — Subsidiary table No. 5. 31 EMIGRATIE BINNEN MIDDEN-JAVA EN DE VORSTENLANDEN. EMIGRATION IN THE CENTRAL PART OF JAVA. Teksttabel — Subsidiary table No. 6. 1 ) Zie voor de grenzen van het emigratiegebied blz. 28 e.v. The ooundaries of these territories are described on page S 8 seqq. 2 ) Onder aangrenzende regentschappen wordt verstaan: de regentschappen die grenzen aan dat regentschap waarin het district van het emigratiegebied ligt. ünder „iordering regencies" are understood: regencies bordering that regency in which the district of emigration is situated. 32 HOOFDSTUK V. LEEFTIJDSGROEPEN EN BURGERLIJKE STAAT. J > § 1. Inleiding. In tabel 15 vindt men per geslacht en leefth'dsgroep een regentschapsgewijze opgave van het aantal ongehuw den, gehuwden, weduwnaren (weduwen) en gescheidenen. Onder ongehuwden worden verstaan zij, (ook kinderen) die nooit gehuwd geweest zyn. Als gehuwd werd be schouwd hij (zij), die in zijn (haar) omgeving als gehuwd doorging, ongeacht of aan zekere huwelyksformaliteiten al dan niet is voldaan. Onder weduwe wordt verstaan zy', die haar man door den dood heeft verloren en sedert niet ls hertrouwd; onder weduwnaar de man, die zijn laatst overgebleven vrouw door den dood heeft verloren. De Gescheiden vrouw is zij, die van haar man is gescheiden en sedert niet is hertrouwd; de gescheiden man, hy', die Van zh'n laatst overgebleven vrouw is gescheiden en sedert ni et is hertrouwd. De man, dus, die van één of meer zijner Vrouwen gescheiden, maar nog gehuwd is, werd niet als gescheiden beschouwd. Wat Mohammedanen betreft Werden gerekend gescheiden te zy'n: «■) zh", wier huwelijk door den rechter ontbonden is verklaard (pasah), b) vrouwen over wie de talak (verstooting) is uitgesproken, °ngeacht of dit één of meermalen is geschied, en of de door de Mohammedaansche wet voorgeschreven termijn Waarna een volgend huwelijk aangegaan mag worden UcZc/«A tijdperk) al dan niet verstreken is, c) mannen, die over hun laatst overgebleven vrouw de talak hebben ül tgesproken, ongeacht of dit eens of meermalen is ge- Se hied, en die haar niet weder als vrouw tot zich genomen hebben. In den tekst is regentschapsgewyze de verhouding der e eftijdsgroepen aangegeven. In de eerste leefth'dsgroep Werden opgenomen normale kinderen die nog niet loopen *°nden, in de tweede leefth'dsgroep de overige onvolwas senen en j n <jerde leeftijdsgroep de volwassenen. Als e gel is algemeen aangenomen, dat de volle wasdom by' Meisjes met de huwbaarheid en bh' de jongens met de Werkbaarheid begint. Uitdrukkelijk is overal aan de ellers medegedeeld, dat niet alle gehuwde meisjes vol gassen behoeven te zh'n. £>e leeftijd in jaren, d.w.z. het aantal malen, dat de te ellen persoon verjaarde, mocht alleen genoteerd worden, n dien de getelde zelf, of één zijner huisgenooten dien auwkeurig kon opgeven. Schatting van den leeftyd Was uitdrukkelijk verboden. Ook de getelden wier leeftyd Jaren bekend was, werden in één der genoemde groepen ondergebracht. In tabel 16 zy'n regentschapsgewijze opgenomen de abso te cy'fers van het aantal mannen, die met één, met twee, et drie of met vier en meer vrouwen gedurende de eiling gehuwd waren, onverschillig of deze vrouwen al dan niet in hetzelfde huis of op dezelfde plaats woonden aanwezig waren. Aan het slot van deze tabel zy'n de cy'fers der gemeente e niarang en van de beide Vorstenlandsche hoofdplaatsen Ve rmeld. 2. De betrouwbaarheid der cy'fers. °ngehuwden. Een veel voorkomende fout van de tellers was het niet-invullen van de kolom ongehuwden voor onvolwassenen. Daaraan is het vrij hooge percentage onbekende burgerlijke staat van de onvolwassenen toe te schrijven. Volwassen gehuwden. In groote steden en in het alge meen daar waar de tellers de getelden niet kenden, hebben wellicht enkele ongehuwde vrouwen, uit schaamte voor den ongehuwden staat, gezegd, dat zij gehuwd waren. Polygamie. Polygamie zal wel verzwegen zy'n in steden en overal daar waar de tellers dit gegeven niet konden controleeren; op het platteland was verzwijging onnoodig (enkele gevallen van Inlandsche ambtenaren e.a. die poly game huwelijken liever geheim hielden, uitgezonderd) en onmogelijk. Vaak werd in de betrekkelijke kolom het aantal vrouwen van gehuwde mannen niet ingevuld, zoodat dus het Volkstellingskantoor genoodzaakt was in zulk een geval het aantal vrouwen als onbekend te beschouwen; men kan wel aannemen, dat in de meeste dezer gevallen de man met één vrouw getrouwd was, zoodat het aantal mannen, dat met één vrouw getrouwd is een ietwat te laag is. Weduwen (weduwnaren) en gescheidenen. Hooge cijfers van het aantal weduwen in enkele streken van Koetoardjo, Demak, Pati, Rembang en Japara zijn in West-Java, vooral in Bantam, ook geconstateerd 2 ) en hebben daar doen vermoeden, dat de tellers by vergissing gescheiden vrouwen als weduwen hebben geteld, omdat in het Soendaneesch en het Javaansch voor beide groepen één zelfde woord bestaat. Of die fout ook in bovengenoemde streken van Midden-Java is gemaakt, is niet met zekerheid te zeggen. Leeftijd in jaren. Dit gegeven is helaas! onbetrouw baar gebleken. Bijna alle gewestelijke en plaatselijke leiders van de Volkstelling rapporteerden al, dat de leef tijd — tegen de voorschriften in — geschat was. Ook uit de cyfers, zelfs uit die van den leeftyd der alphabeten van wie verwacht werd dat zy' hun leeftyd met juistheid zouden kunnen opgeven, is gebleken, dat een abnormaal groote groep van getelden een leeftijdscijfer in vijf- of tientallen had opgegeven. Daarom is voorloopig van publicatie dezer cy'fers afgezien. Leeftijdsgroepen. Het constateeren van het criterium der eerste groep (kinderen, die nog niet loopen) was niet moeilijk. Meer moeilijkheden zullen de tellers gehad heb ben met het vaststellen van de grens tusschen groep II en groep 111 d.w.z. tusschen onvolwassenen en volwassenen. Uit de straks te bespreken afwekende cijfers van de vrouwen in de regentschappen Rembang waar relatief heel weinig onvolwassen meisjes en in Klaten en Bojolali waar relatief veel onvolwassen meisjes zijn geteld zou men de conclusie kunnen trekken, dat daar de bedoelde grens tusschen onvolwassenen en volwassenen anders is getrokken dan elders. Het zelfde zou men kunnen conclu deeren uit het geringe relatieve aantal onvolwassen jongens in de regentschappen Temanggoeng, "VVonosobo en Magelang en elders. Criteria van socialen en physieken aard kunnen hier 2) Zie Volkstelling 1930 deel I blzz. 38 en 48. > Zie tabellen 15 en 16. 33 toegepast zijn. Het is, bijvoorbeeld, mogely'k, dat de meisjes in Rembang heel jong trouwen en dus al heel gauw als volwassen worden beschouwd, hoewel zij in physieken zin nog niet huwbaar zyn. Bovendien zy'n hier, naar de Regent zelf mededeelt, gehuwde meisjes, ook. al waren zy naar de opvatting van de tellers onvolwassen, als volwassen beschouwd. Hoewel dit niet geheel juist kan zyn (er zijn in Rembang 619 gehuwde onvolwassen meisjes geteld), is er misschien toch wel een neiging onder de tellers geweest, om gehuwde kinderen zooveel mogelyk als volwassenen te tellen. In Klaten en Bojolali kan het omgekeerde het geval zijn. Maar een andere mogelijkheid zou zijn, dat in deze en andere Vorstenlandsche regent schappen en mogelijk ook in Kedoesche regentschappen de meisjes tengevolge van zwaren arbeid later geslachts rijp zy'n dan elders. *) Ook de werkbaarheid van de jongens kan door sociale (economische omstandigheden of de adat omtrent het tijd stip waarop men dessa-diensten begint te verrichten) en physieke factoren bepaald worden. Overigens krygt men uit de cy'fers den indruk, dat over het algemeen zeer veel zorg aan het verzamelen van deze gegevens is besteed. 1) In Europa begint de menstruatie bij boerenmeisjes, die zwaar lichamelijk werk verrichten, later dan by meisjes uit de stad. Zie hierover o.m. Eodenwaldt in Ons Nageslacht jg. 4 (1931) blz. 151 en de litteratuur vermeld in het artikel van Muller aangehaald in noot 4. § 3. Indee 1 i n g der onderwerpen. Om de cy'fers van den burgerlijken staat te kunnen verklaren is een voorafgaande bespreking van de leeftijds groepen noodzakelijk. Deze bespreking moet uitvoerig zijn. omdat het voor deze zoo dicht bevolkte gewesten in het middengedeelte van Java van de grootste beteekenis is een — zij het dan ook nog een zeer gebrekkig — inzicht te krygen in de leeftijdsgroepeering van de bevolking en de oorzaken van de geslachtsverhouding. Achtereenvolgens zullen behandeld worden de cyfers van de grootte der leeftijdsgroepen, de vergelijking met de cijfers van 1920, de geslachtsverhouding in de leef tijdsgroepen in het algemeen en daarop de sexe-verhouding in streken met een bijzonder groot algemeen vrouwen overschot en in streken met een gering vrouwental. Eerst daarna komt de burgerlijke staat ter sprake. § 4. De grootte der leeftijdsgroepen. Eerste leeftijdsgroep. Tot de eerste leefty'dsgroep be hooren de kinderen, die nog niet kunnen loopen, d.z., naar de meening van des kundigen, de kinderen, die hoogstens 15 a 18 maanden oud zy'n. Hun aantal geeft dus aan: hot geboorteoverschot (aantal geborenen mi nus aantal overlede nen) van de zuigelin- gjen geboren in een ty'dvak van ongeveer V/2 jaar, dat op den Volkstellingsdag eindigde. In nevenstaand tabelletje is dit aantal uitgedrukt in % van het zielental 2) en j n % van het aantal gehuwde volwassen vrouwen 3 ). Uit de cijfers blykt, dat het relatieve aantal getelde kinderen, die nog niet loopen kunnen in West-Java grooter is dan in Midden-Java en de Vorstenlanden; Soerakarta blijkt het laagste cy'fer te hebben. Tweede leeftijdsgroep. Tot de tweede leeftijdsgroep behooren de overige onvolwassenen. Dat deze groep onder de jongens grooter is dan onder de meisjes moet toege- schreven worden aan het feit, dat de jon gens later volwassen worden dan de meisjes. Indien de geslachts rijpheid bij de meisjes als criterium van de huwbaarheid en dus ook van het volwassen- zijn werd beschouwd, dan zouden zy ongeveer in het 14e of 15e levensjaar volwassen zy'n. 4 ) Voor de jongens begint de werkbaarheid op lateren leeftyd. 5 ) Onvolwassenen. De eerste en tweede leefty'dsgroep vormen tezamen de groep der onvolwassenen. In Soera karta, Jogjakarta en West-Java is ruim 42%, in Midden- Java byna 41% van de bevolking onvolwassen. In nevenstaand tabel letje zy'n de relatieve cyfers van de beide geslachten vermeld. De regentschapscy fers van de mannen varieeren tusschen 39,4 en 48,5%. In 23 re- gentschappen schommelen de cy'fers tusschen 42 en 47%. De cyfers van de vrouwen varieeren tusschen 32,4% en ruim 43%, maar de meeste (20) regentschappen hebbeu cyfers tusschen 37 en 41. Volwassenen. De derde leefty'dsgroep is de groep van volwassenen, die in Soerakarta 57,4%, in Jogjakarta 57,9%. in Midden-Java 58,9% en in West-Java 57,5% van de geheele bevol king uitmaken. De cy fers van de mannen en vrouwen vindt men in nevenstaand tabelletje. De regentschapscy'- fers van de mannen varieeren tusschen 51,3 en 60,4% doch 3 ) Dit laatste cijfer (dat geen vruchtbaarheidscijfer in d«n zin zooals bedoeld door Dr. C. A. Verrijn Stuart. Inleiding tot de beoefening der Btatistiek (1928) deel I blzz. 249 e.v. genoemd kan worden), is om de relatieve grootte van deze leeftijdsgroep te bepalen bruikbaarder dan het andere (% van het zielental), omdat dit z°° afhankelijk kan zijn van de relatieve grootte van de andere leeftijds groepen. •*) Zie de zeer belangrijke mededeelingen over het begin der gesladitsrijpheid bij Javaansche meisjes: Dr. H. Muller uit Soerabaia in Mededeelingen 1). V. G. in Ned.-Indië 1932 afl. 1 en in Hande lingen Ce N.-I. Natuurwetenschappelijk congres van 22 —26 Sopt. 1931 te Bandoeng. 5 ) Misschien wel om zoo lang mogelijk de dorpsdiensten te ont loopen, tenminste indien inderdaad de werkbaarheid als het criterium van den vollen wasdom wordt beschouwd (zie Kerkkamp in Economist 1908 blz. 603). 2 ) Voor de regentschapscijfers zie men de teksttabel No. Bop blz. 53. 34 de meeste (24) regentschappen hebben cy'fers tusschen 53 en 58%. De cy'fers van het relatieve aantal volwassen vrouwen schommelen tusschen 56,9 en 67,5%, terwy'l de meeste (26) regentschappen cyfers tusschen 58 en 63% hebben. Pactoren, die de grootte der groepen van onvolwassenen e n volwassenen beïnvloeden. De grootte der beide groepen van onvolwassenen en volwassenen wordt bepaald door: le - geboorte en sterfte; 2e. migratie; 3e. de leeftijdsgrens tusschen onvolwassenen en volwassenen. Aangezien van de geboorte en sterfte betrouwbare cy fers ontbreken, van de migratie, speciaal de emigratie de gegevens nog niet compleet zy'n, (zie boven blz. 27), van den leeftyd waarop Javaansche jongens en meisjes als vol- Wassen worden beschouwd, weinig bekend is, is het uiterst nioeily'k te constateeren hoe de drie bovengenoemde facto ren de grootte der groepen van onvolwassenen en volwas senen hebben beïnvloed. Daar van de migratie nog het meest bekend is, zullen wy' den invloed daarvan op de leeftijdsgroepeering eerst nagaan. Veel volwassenen in gemeenten en kottas. De invloed van immigratie blykt het sterkst in de hooge relatieve Cn fers van de derde leeftydsgroep in gemeenten en kottas. de 100 mannen zy'n er in Semarang, Ambarawa, Mage lang en Solo 67 a 69 volwassen; voor de vrouwen zy'n de Cl Jfers nog hooger, 70 a 72 in Semarang, Magelang, Uinanggoeng, Japara, Rembang, Jogjakarta en Soerakar ta > en zelfs byna 73 in het stadje Lasem. Alleen van de immigranten van de gemeente Semarang en de hoofdplaatsen Jogjakarta en Soerakarta zijn de Cl Jfers van de leeftijdsgroepen bekend. De leefty'dsgroe- Peering dier immigranten van genoemde drie steden ziet er als volgt uit: Uit deze cy'fers blijkt hoe buitengewoon groot het antal volwassenen onder de eldersgeborenen, vooral öe vrouwen, is. Het is dns begrijpely'k, dat zy het percentage van het °taal aantal volwassenen sterk doen sty'gen. In immigratiestreken op platteland minder volwassenen. In de immigratiestre ken op het platteland zy'n de cijfers van de derde leefty'dsgroep lang niet zoo hoog als in de gemeenten en kottas. Alleen in Tji latjap buiten de kotta (de mannen) en Bodja (mannen en vrouwen) zy'n de percentages ver boven de gemiddelden der gewesten. In Ma djenang en Sidaredja zyn de cy'fers aan- merkelyk lager. In Eandoeblatoeng is het aantal volwassen vrouwen vry groot. In Karimoendjawa (waarvan echter de absolute cijfers zeer laag zijn) en de Sragensche distric ten Gemolong en Gesi zijn do relatieve cijfers enkele procenten beneden het gemiddelde van het gewest. Invloed van de emigratie. Waar veel volwassenen weg trekken en geen andere factoren de leeftijdsgroepeering beïnvloeden, moet de derde leeftijdsgroep klein zyn. Dat wil nog niet zeggen, dat overal waar deze groep klein is, emigra tie op groote schaal plaats heeft. De laag ste regentschapscy'fers van de derde leefty'ds groep zy'n gevonden in Brebes, Tegal, Pema lang, Karanganjar, Keboemen, Poerwore djo, Sragen, Wonogiri, Koelonprogo en Goe- noengkidoel; doch of die lage percentages in alle regent- schappen grootendeels aan emigratie van volwassenen is toe te schrijven, valt zeer te betwijfelen; hoogstwaarschijnlijk wel in Keboemen, Karanganjar en Poerworedjo, misschien ook in Koelonprogo (waar de cyfers van mannen en vrou- wen zeer laag zy'n) en gedeelten van Brebes en Tegal. Waar vermoedelijk geen invloed van de emigratie is. De re gentschappen waar de lage cyfers van de volwassenen zeer waar schijnlijk niet toe te schryven zijn aan cmi- gratie, zy'n Pemalang (hier zy'n alleen de cijfers van de mannen laag), Sragen, Wonogiri en Goenoengkidoel. Invloed van sterfte. Een kleine groep van volwassenen zou ook kunnen veroorzaakt worden door groote sterfte in die groep. Zonder een betrouwbare en naar leeftijds- groepen ingedeelde sterftestatistiek is niet te constateeren waar lage relatieve cy'fers van de derde leeftydsgroep mede toe te schry'ven zijn aan een groote mortaliteit in die groep. Misschien in Zuid-Bagelen en Noord-Tegal? Invloed van geboorte en sterfte. De relatieve grootte van de groep van volwassenen wordt natuurlijk ook mdi reet bepaald door factoren, die de grootte van de groep der onvolwassenen onmiddellijk beïnvloeden. Die factoren zy'n voornamelijk geboorte en sterfte. Het is, namely'k, mogelyk, dat in een periode vóór de telling tengevolge van hooge geboortecijfers (c.g. een geringe sterfte onder de onvolwassenen) de groep van onvolwassenen bijzonder groot is. Wellicht is dit het geval in Goenoengkidoel, Wonogiri en Sragen, en vermoedelijk ook in Brebes en Tegal. Het tegengestelde geval zou men mogelyk in Rembang, Magelang, Wonosobo en Temanggoeng kunnen constateeren. Hooge cijfers van de eerste leeftijdsgroep. Heel duide- lijk is de invloed van geboorte en sterfte tezamen op de grootte van de eerste leeftijdsgroep te constateeren. Zooals boven blz. 34 reeds werd uiteengezet, bestaat deze groep 35 uit het geboorteoverschot van de zuigelingen, die gedurende een periode van iy 2 jaar vóór de telling zy'n geboren. De hoogste relatieve cijfers van die eerste leeftijdsgroep vinden vrij in één aaneenge sloten complex van regentschappen in het westen van Midden- Ja va ; zeer hoog zijn de cijfers in Tegal en Brebes. Deze hooge cijfers beteekenen, dat in be doelde periode de ge- boortecijfers hoog (c.g. de sterftecijfers laag) geweest moeten zijn. De cy'fers van Tegal en Brebes zy'n daarom merkwaardig, omdat zij vrijwel in alle districten (buiten de kottas) zoo hoog zy'n (zie teksttabel No. 7 op blz. 50) en ook, omdat onder die districten er zijn (Tandjoeng, Brebes, Tegal, Adiwerno) waar veel emigratie is geconstateerd. In het emigratiegebied van Zuid-Midden-Java zy'n de cy'fers van de eerste leefty'dsgroep normaal, uitgezonderd de Karanganjarsche districten Rowokele, Pedjagoan en Ka ranganjar met ongeveer 28 a 30 kinderen van deze groep per 100 gehuwde volwassen vrouwen, en het Tjilatjapsche district Kroja (met byna 30 kinderen per 100 gehuwde volwassen vrouwen). Het zy hier, om misverstand te voorkomen, nog eens uitdrukkelijk medegedeeld, dat deze hooge cy'fers betrek king hebben op een groot geboorteoverschot onder de zuige lingen (d.w.z. het aantal geboren zuigelingen minus het aantal gestorven zuigelingen) gedurende een bepaalde periode. Het is dus geen geboortecijfer, al kan het een aanwijzing omtrent de grootte van de nataliteit geven, maar dan ook alleen omtrent de nataliteit gedurende de periode van, ongeveer iy 2 jaar vóór d)e telling. Lage cijfers van de eerste leeftijdsgroep. De laagste regentschapscy'fers zijn gevonden in Soerakar ta, Kotta Mangkoene garan, Wonogiri, Rem bang, Blora, Pati en Grobogan, dus in het oostelijk deel van Mid den-Java en in een deel van het gouverne ment Soerakarta, twee aaneengesloten gebieds deelen. In deze regentschap pen is dus het geboor- tecyfer laag (c.g. de kindersterfte groot). Opmerkelyk is vooral het lage cijfer van Rembang. Evenals in West-Java zy'n de relatieve cijfers van deze eerste leefty'dsgroep ook laag in byna alle gemeenten en kottas, het laagst in Soerakarta, Magelang, Oengaran, Sragen, Temanggoeng, Rembang, Lasem en Tjepoe. Groote zuigelingensterfte, geboortebeperking of geringe vruchtbaar heid van de vrouw kunnen oorzaak zijn van dit algemeen voorkomend verschijnsel. Ook hier dient, om mislezen van de cy'fers te voorkomen, uitdrukkelijk medegedeeld te worden, dat deze lage cy'fers betrekking hebben op een laag geboorteoverschot onder de zuigelingen (dus aantal geboren minus aantal gestorven zuigelingen) gedurende een bepaalde periode. Het is dus geen geboortecijfer, al kan het een aanwijzing omtrent een lage nataliteit geven, maar dan ook alleen omtrent de nataliteit gedurende de periode van ongeveer iy 2 jaar vóór de telling. Bepaling van de leeftijdsgrens tusschen onvolwassenen en volwassenen. Zooals boven blzz. 33—34 reeds werd medegedeeld kunnen in een bepaalde streek jongens of meisjes op jongeren of ouderen leeftijd volwassen worden of als volwassen worden beschouwd dan elders. Dit kan na- tuurly'k invloed hebben op de grootte der leeftijdsgroepen. Opmerkelijk laag is het cijfer van de onvolwassen vrou- wen in Rembang. Weliswaar hebben de aangrenzende regentschappen Pati en Blora en ook het in Oost-Java gelegen Toe ban (34,8%) ook lage cyfers, maar zy' zy'n toch aanmerkelijk hoo ger dan dat van Rem bang. Wellicht trou wen de meisjes in Rembang op zeer jeugdigen leeftyd, zoodat verscheidenen van hen, al waren zij dan in physieken zin nog niet volwassen, toch door de tellers als zoodanig zy'n beschouwd. Gehuwde onvolwassen meisjes zy'n dan ook vaak als vol- wassen beschouwd (zie boven blz. 34). Uit het bijzonder geringe relatieve aantal onvolwassen mannen (ruim 40%) in de regentschappen Magelang, Temanggoeng, Wonosobo en eenige districten van Kendal (Selokaton), Bandjarnegara (Batoer), Bojolali (Ampel) zou mogelijk af te leiden zy'n, dat de jongens hier op jeug- digeren leeftyd dan elders werkbaar zy'n, misschien, omdat in deze bergstreken economische omstandigheden hen al jong tot mee-arbeiden noodzaken of, omdat al van ouds de heeren- of dessadiensten zoo zwaar waren, dat zy' eerder dan elders dienstplichtig werden. Maar er zijn bovendien gronden aan te wy'zen voor de conclusie, dat het geringe aantal jongens hier toe ta schryven zou zy'n aan lage geboortecijfers (c.g. hooge cjj- fers van de sterfte onder onvolwassenen), zooals boven blz. 35 al verondersteld werd. Merkwaardig is, dat het aantal onvolwassen vrouwen in verscheidene Vorstenlandsche regentschappen, vooral Kla- ten, Bojolali, Soerakarta en Sragen in verhouding tot het totaal aantal vrouwen, doch ook in verhouding tot het aantal jongens (zie beneden § 6) groot is. Het laatste verhoudingscijfer (dus aantal meisjes op de 1 000 jongens) is ook hoog in Magelang, wat lager, maar toch ook nog hoog, in Temanggoeng en Wonosobo. Zy'n mogely'k de meisjes hier op lateren leeftijd huwbaar of — tengevolg e van zwaren arbeid — op lateren leeftijd geslacht.sri.jp (zi e boven blz. 34) dan elders? Of ook mannen op lateren leeftijd volwassen worden oi als volwassen worden beschouwd dan elders is uit de cijfer* niet te concludeeren. § 5. Vergelijking met de cy'fers van 1920. Inleiding. In 1920 werd alleen een onderscheiding i° onvolwassenen en volwassenen gemaakt. Als volwassene» 36 37 werden beschouwd zy, die 15 jaar en ouder waren. Als kenmerk van het bereiken van den 15-jarigen leeftijd werd aangenomen: de huwbaarheid. De cijfers der onvolwassenen. In teksttabel No. 8 (blz. 53) zijn de verhoudingscy'fers dezer twee groepen met die van de overeenkomstige groepen van 1930 verge- leken. In het neven slaand tabelletje zy'n de cijfers der onvolwas senen der gewesten van beide jaren onder el kaar gezet. Hieruit blijkt, dat alleen in Soerakarta de cy'fers van beide jaren zeer weinig uiteenloopen. In Midden-Java is het percentage onvolwas- se »i mannen in 1930 1% (van de totale bevolking) hooger, terwijl van de meisjes de relatieve grootte in 10 jaar weinig gewijzigd is. In Jogjakarta daarentegen zy'n de percentages y an de jongens zoowel als van de meisjes in 1930 lager. Indien men zou mogen aannemen, dat in 1920 en 1930 ongeveer dezelfde leeftijdsgrens tusschen onvolwassenen en volwassenen getrokken was, dan zouden de verschillen tusschen de cijfers van ieder der beide jaren op een rela 'e v ' u toename of afname der beide groepen wijzen. Het staat echter niet vast of overal wel in beide jaren dezelfde grens tusschen de beide groepen is gesteld. "°vcndien is van den graad van betrouwbaarheid der c 'Ufers van 1920 niets bekend. Die onzekerheid maakt het Moeilijk om de verschillen tusschen beide jaren te verklaren. Toch moet op enkele cyfers de aandacht gevestigd worden. Waar in Midden-Java het aantal onvolwassen mannen ln 1930 grooter was. In 18 van de 26 regentschappen van Midden-Java is het relatieve aantal onvolwassen mannen in 1930 grooter. Belangrijk is het verschil tusschen de cijfers Va 'i 1920 en 1930 in Poerbalingga, Brebes, Tegal, Batang, Keboemen en Rembang, wat minder in Tjilatjap, Karang a, i.iar, Poerwokerto, Pemalang en Kendal. Waar in Midden-Javia het aantal onvolwassen vrouwen ln 1930 grooter was. In slechts 11 van de 26 regent schappen van Midden-Java is het relatieve cijfer van de °nvohv asS en vrouwen in 1930 hooger, doch alleen in Watjap en Batang is het verschil van beteekenis. Waar in Midden-Java het aantal onvolwassen mannen en vrouwen in 1930 geringer was. Een belangrijk relatief - oermger aantal onvolwassen mannen tellen de regentschap- Peil Bandjarnegara, Wonosobo en Semarang, terwijl de v °Uwen in Karanganjar, Bandjarnegara, Pemalang, v °nosobo, Semarang, Grobogan en Japara naar verhou- Cln '- P het sterkst in aantal zijn afgenomen. Opvallend is le. dat de cijfers van de meisjes in het meerendeel der regentschappen zeer weinig verschillen, et ?een doet vermoeden, dat in beide jaren werkelijk uit kering i s gegeven aan het voorschrift, dat de huwbaarheid 1 net criterium van volwassen zijn moest beschouwd worden; 2e. dat het in 1930 al zoo lage relatieve cijfer van de meisjes in Rembang (zie boven blz. 36) in 1920 ook laag was, zelfs iets lager (31,76 tegen 32,43 in 1930) 3e. dat de relatieve cy'fers van de jongens van Magelang en Temanggoeng (zie boven blz. 36) eveneens in beide jaren laag waren (in Temanggoeng zelfs 0,5% lager), ter wijl Wonosobo en Bandjarnegara in 1920 hoogere cy'fers hadden. Vorstenlanden. Allereerst de cijfers van Jogjakarta. Hier was vergelijking met 1920 alleen mogely'k voor de regentschappen Adikarto, Koelonprogo, Goenoengkidoel en het overig deel van het gouvernement (d.z. de regentschap pen Bantoel, Jogjakarta en Pakoealaman). In al deze ressorten zy'n zoowel de cyfers van de meisjes als van de jongens in 1920 hooger. Zeer hoog — misschien wel abnormaal-hoog • — waren de cijfers van de onvolwas senen in dat jaar in Goenoengkidoel, veel hooger dan die regentschappen in Midden-Java in hetzelfde jaar; ook in Koelonprogo waren deze cy'fers hoog. Van het gouvernement SoeraJcarta zy'n alleen regent schapscy'fers van Klaten te vergelijken; daar blijken de cijfers van onvolwassen mannen en vrouwen in 1930 iets hooger te zy'n. De cijfers der volwassenen. Over de vergelijking van de cijfers der volwassenen behoeft natuurlijk niet veel meer gezegd te worden. Waar de cy'fers van de onvolwassenen in 1920 of 1930 hooger (lager) waren, daar waren de cy'fers der volwassenen lager (hoo ger). Zooals wij boven blz. 35 zagen, kan de migratie een be langrijken invloed op de grootte van deze groep uitoefenen. Men zou geneigd zyn te beweren, dat in Keboemen, Karanganjar, Brebes en Tegal de relatieve cijfers van de volwassen mannen in 1930 zoo veel lager waren, omdat de emigratie uit die streken tusschen beide jaren is toegenomen, terwijl het cyfer van de mannen van Semarang in 1930 hooger was, omdat wellicht de immigratie in de gemeente Semarang en misschien ook in de andere hoofdplaatsen van het regent schap gedurende de periode 1920—1930 is toegenomen. Opvallend is, dat in Jogjakarta het relatieve aantal volwassenen (mannen zoowel als vrouwen) in 1930 zooveel grooter was dan in 1920. > Exclusief het aantal personen waarvan de leeftijdsgroep onbe nd was. In teksttabel No. 8 zijn de cijfers berekend op 100 personen " s "/ het aantal waarvan de leeftijdsgroep onbekend was. § 6. De geslachtsverhouding van ieder der leeftijdsgroepen. Geslachtsverhouding van de eerste leeftijdsgroep. De geslachtsverhouding van ieder der drie leeftijdsgroepen kan ons iets leeren omtrent het ontstaan van de in hoofd stuk II § 2 behandelde sexe-verhouding van het geheele zielental. In de eerste leeftijdsgroep 2 ) van Midden-Java en Jogjakarta is in tegenstelling met Soerakarta en West-Java 2 ) Zie voor absolute cijfers tabel No. 15. een meisjesoverschot. Groot is dit overschot niet, vooral niet in Jog jakarta. In Midden- Java zijn van de 26 regentschappen er 19, die een numerieke meerderheid van meis- jes hebben. Het grootst (in relatieven zin) is die meerder heid in de regentschappen Bandjarnegara ] ), Peka longan 2 ), Semarang 3 ), Kendal 4 ) en Goenoengkidoel 5 ), veel minder in Brebes, Pemalang, Tegal, Wo nosobo, Poerworedjo, Japara, Pati en Bojo lali ; minimaal gering is het excedent in I'otTwokerto, Poerba lingga, Tjilatjap, Ba tang, Temanggoeng, Blora, Remlbang, Klaten en Koelonprogo. Opmerkelijk is, dat dit meisjesoverschot in 4 gemeenten (Pekalongan, Tegal, Semarang en Salatiga) en in 23 kottas is geconstateerd. Van de districten (voorzoover zy' buiten gemeente of kottas liggen) had ongeveer 60% een meisjesoverschot. (iroote jongensoverschotten onder de kinderen van deze eerste leeftijdsgroep hadden de regentschappen Koetoardjo (districten Kemiri, Koetoardjo buiten de kotta, Poerwoda di), Demak (Mranggen, Grogol, Demak buiten eU kotta en Samboeng), Grobogan (Manggar, Poerwodadi buiten de kotta, Grobogan en Kradenan), Koedoes (voornamelijk Oendakan), Adikarto, Jogjakarta (voornamelijk Sleman), Sragen (voornamelijk Sragen buiten de kotta en Masaran), Kotta Mangkoenegaran (voornamelijk Karanganjar) en Wonogiri (alle districten op Poerwantoro na). Men heeft by de beoordeeling van deze gegevens niet uit het oog te verliezen, dat zy' betrekking hebben op een geboorteoverschot onder zuigelingen, die gedurende de boven blz. 34 bedoelde periode van ± 18 maanden zy'n geboren. Toch doet het zoo zeer verspreide verschijnsel van een meisjesoverschot onder deze kinderen vermoeden, dat dit overschot als regel in tal van districten al in de laagste leeftijdsgroepen is te constateeren. Geslachtsverhouding in de tweede leeftijdsgroep. In de tweede leeftijdsgroep zy'n de jongens in de meerderheid, omdat zy' op ouderen leeftyd als volwassen worden be schouwd dan de meis- jes. Op de 1 000 jon- gens van deze groep telt men in Soerakarta het grootste aantal meisjes, veel meer dan in Midden-Java en West-Java. Uit de hieronderstaande regentschapscy'fers blykt, dat zoowel de drie hoogste cijfers (van Klaten, Magelang en Bojolali) als het laagste cijfer (van Rem bang) ö ) bijzondere afwijkingen vertoonen. Bovendien zijn de hoogste cijfers ook veel hooger dan de maxima van West-Java (918) en Oost-Java (915), terwijl het laagste cijfer aanmerkelijk lager is dan dat van West- Java (826) en Oost-Java (853,7). Dat het relatieve aantal meisjes van de 2e leeftijdsgroep van Rembang gering is, werd reeds boven blz. 36 medegedeeld. Opmerkelijk is het boven blz. 36 reeds vermelde ver schijnsel, dat in niet minder dan 4 Vorstenlandsche en ccnige Kedoesche regentschappen het aantal meisjes van deze tweede leeftijdsgroep — in verhouding tot de jongens — zoo groot is. Geslachtsverhouding in de derde leeftijdsgroep. Het aantal vrouwen van de derde leefty'dsgroep (d.z. dus de volwassen vrouwen) is grooter dan het aantal mannen van die groep. Berekent men weer het aantal vrouwen op de 1000 mannen, dan blijkt, dat de cijfers van Midden-Java en Jogjakarta ongeveer gelijk zyn en Soera karta een veel lager en West-Java een veel hooger cijfer heeft. Hieronder zyn de regentschapscijfers vermeld: a ) Speciaal het district Wanadadi met 2 035 jongens en 2138 meisjes. 2 ) Speciaal het district Pekalongan buiten de gemeente met 2 598 jongens en 2 810 meisjes. 3) Speciaal de districten Oengaran buiten de kotta met 2 216 jongens en 2 486 meisjes en Ambarawa buiten de kotta met 2 699 jongens en 2 876 meisjes. 4 ) Speciaal de districten Selokaton met 1 880 jongens en 1 988 meisjes en Weleri buiten de kotta met 3 862 jongens en 3 982 meisjes. 5 ) Speciaal liet district Plajen met 2 668 jongens en 2 840 meisjes. •) Ook de Pekalongansche districten Doro met 788 en Pekalongao buiten de gemeente met iets minder dan 800 meisjes op de 1 000 jongens vertoonen zeer afwijkende cijfers. ") Zie voor de cijfers van Pakoealaman boven blz. 2. 38 39 Drie factoren beïnvloeden de grootte van dit vrouwen overschot ; le. de migratie; 2e. het verschil in leeftijdsgrens tusschen onvolwassenen en volwassenen; 3e. het verschil tusschen de mortaliteit van mannen en die van vrouwen. Invloed van de migratie is duidelijk te onderkennen in de hooge cijfers van Tegal, Brebes en eenige Bagelensche districten waar veel volwassen mannen wegtrekken en in net lage cy'fer van Tjilatjap waar veel volwassen mannen 2l Jn heen getrokken. Het groote vrouwenoverschot van Rembang is zeer waar schijnlijk veroorzaakt doordat daar de laagste leeftijds grens voor de volwassen vrouwen lager is getrokken dan elders (zie boven blz. 36). En misschien was in eenige * oi'stenlandsche regentschappen (Sragen, Bojolali, Klaten), m de Kedoesche regentschappen Temanggoeng, Wonosobo en in het regentschap Semarang het vrouwenoverschot onder de volwassenen grooter geweest, indien daar andere leeftijdsgrenzen tusschen onvolwassenen en volwassenen vastgesteld (zie boven blz. 33 en 34). De invloed van de derde der bovenvermelde factoren kan zonder betrouwbare sterftecijfers niet geconstateerd Worden (zie boven blz. 35). §?• Geslaehtsverhouding in de leeftjjds groepen in ressorten met een groot algemeen vrouwenoverschot. Districtscijfers. In onderstaande tabel vindt men de r,| .licis van de geslachtsverhouding in de leeftijdsgroepen Va 'i die districten, welke 1060 of meer vrouwen op de 1 000 mannen tellen: Factoren, die het vrouwenoverschot veroorzaken. Er z^n < gely'k boven blz. sal uiteengezet is, twee factoren, die een groot vrouwenoverschot kunnen doen ontstaan: 1. grootere mortaliteit onder mannen dan onder vrouwen; 2. grootere deelneming van de mannen aan de emigratie. Het verschil in mortaliteit tusschen de beide geslachten is bijna onmogelijk uit de grootte (zie blz. 35) en uit de geslachtsverhouding (zie eind § 6) van de volwassenen af te leiden; wat minder moeilijk uit de genoemde gegevens van de le. en 2e. leeftijdsgroep, dus onder de onvolwas senen. Betere levenskansen van de meisjes. Waar het aantal meisjes in le. en 2e. leeftijdsgroep op het aantal jongens groot is, daar zullen waarschijnlijk al in de jongere leef tijdsgroepen de meisjes numeriek een beteekenende plaats innemen, wellicht reeds een overwicht vormen, misschien zelfs al onder de geborenen. Mogelijk is dit het geval in de Tegalsche districten Slawi, Balapoelang en Boemidjawa, verder in Brebes; van het Klatensehe Delanggoe is niet met zekerheid te zeggen of het groote aantal meisjes in de 2e leeftijdsgroep niet in verband staat met het feit, dat de meisjes hier op lateren leeftijd volwassen worden of als volwassen worden beschouwd (zie boven blz. 34). Misschien zou men hetzelfde kunnen eoncludeeven uit een groot aantal meisjes op de 1 000 jongens in de tweede leeftijdsgroep, ook al is er geen of een gering meisjesover schot in de eerste leeftijdsgroep (Tenggeles, Tjangkrep, We doeng) maar in het Magelangsche Salam en de Jogjasehe districten Kottagede, Mlati en Kalasan en het Klatensehe Gondangwinangoen kan het groote relatieve aantal meisjes ook veroorzaakt worden door het boven blz. 36 vermelde verschijnsel. Niet met zekerheid kan men zeggen, dat in die districten waar, bijvoorbeeld, minder dan 885 meisjes op de 1000 jongens (het Midden-Java gemiddelde) in de tweede leef tijdsgroep geteld zijn (Petjangakan, Tjomal, Soelang, Waroe, Kedoengwoeni, Kajen), de mortaliteit onder de jongens minder zou zyn dan in de vorengenoemde dis tricten, omdat immers ook hier de grens tusschen onvol wassenen en volwassenen heel anders getrokken kan zy'n dan elders. Maar opvallend is toch wel, dat zulk een gering aantal meisjes (in verhouding tot de jongens) maar in weinig districten is aangetroffen, en, dat de heel lage cy'fers van de Rembangsche districten Waroe en Soelang toch ook in dit verband abnormaal lijken. Invloed van de emigratie. In de derde leeftijdsgroep is in 24 van de 36 boven in de tabel vermelde districten het aantal volwassen vrouwen op de 1000 volwassen mannen grooter dan 1 200. In verscheidene districten zal dit groote aantal vrouwen wel het gevolg zy'n van emi gratie van volwassen mannen, zoo bijvoorbeeld in Keboe men, Poerworedjo, Brebes, Tandjoeng, Adiwerno, Pedja goan, misschien ook in Slawi en Balapoelang (hoewel ook daar de andere factor invloed kan uitgeoefend hebben) en het Poerworedjosche Tjangkrep. Aangezien echter de volle omvang van de emigratie nog niet te bepalen is (zie boven blz. 27) is het moeily'k te zeggen of by'v. ook het groote vrouwenoverschot onder de volwassenen van Petjangakan, Kadjen, Tjomal en Bandjarardja aan een belangrijke migratie van mannen is toe te schrijven. Indien dit niet het geval is en, indien in deze districten dezelfde scheidingslijn tusschen onvol wassenen en volwassenen is aangenomen als elders, dan zou men moeten concludeeren, dat hier onder de volwas ■* v.z.v. buiten de kotta (gemeente) gelegen. 4 § 3. Bevolkingssterkte i). Zielental van Midden-Java en Vorstenlanden. De cijfers van het zielental van de provincie Midden-Java en de Vorstenlanden zijn in nevenstaand tabelletje opgenomen. De meeste provinciën van Britsch- Indië hadden in 1931 een grooter zielen)al. -i In tabel 8 zgn opgenomen de cyfera van het zielental der Vorstenlandsche rijken; in het margi naal tabelletje zh'n zij vergeleken met die van enkele zelfbasturende rijken in Britsch-Indië en Malaya. 3 ) Zielental regent schappen, districten en onderdistricten. Ner gens in Midden-Java heeft men regentschap- pen als Bandoeng, Buitenzorg en Krawang in West-Java met een zielental boven het millioen. De grootste bevol kingssterkte, tusscheu 600 000 en 700 000 zielen hebben Brebes, Tegal, Semarang on Magelang; en de geringste beVolkingssterkte, tusschen 200 000 en 300 000 hebben Koedoes, Batang, Rembang, Bandjarnegara, Poerworedjo, Koetoardjo en Temanggoeng. De Vorstenlandsche regent schappen 5) tellen hoogstens wat meer dan een half millioen zielen (Wönogiri, Klaten, Bantoel) en minstens ruim 100 000 zielen (Adikarto). Het gemiddeld zielental per district is in Midden-Java ± 89 000, in het gouverne ment Soerakarta ± 85 000 en in Jogjakarta ± 91000; het gemiddeld zielental per onderdistrict bedraagt in Midden-Java ongeveer 26 000, in Soerakarta 20 000, in Jogjakarta 24 000. Zielental van particuliere landerijen. Alleen van twee particuliere landen, Ketanggoengan-West en Teloekawoer- Bodrolangoe was het mogelijk het zielental te bepalen (zie tabel 6) ; van de in de gemeente Semarang gelegen landjes kon het zielental niet berekend worden. Zielental van stadsgemeenten en kottas. Van de stads gemeenten heeft Semarang verreweg het grootste zielental (217 796), meer dus dan de twee groote Vorsten landsche hoofdplaatsen Soerakarta (165 484) en Jogjakarta (136 649). Veel geringer is de bevolkingssterkte van de gemeenten Pekalongan (65 982), Magelang (52 944), Tegal (43 015) en het heel kleine Salatiga (24 274). Van de kottas hebben Koedoes (54 524) en Poerwokerto (33 266) het grootste zielental, terwijl Tjilatjap, Pemalang, Batang, Poenvoredjo, Pati en Tjepoe meer dan 20 000 zielen tellen. Ter toelichting van tabel 2, 4 en 7 is hieronder vermeld waar enkele minder bekende kottas liggen: Kotta: Regentschap: Soekaradja Banjoemas Boemiajoe Brebes Slawi Tegal Kedoengwoeni Pekalongan Weleri Kendal Kaliwoengoe Koedoes Oengaran Semarang Ambarawa Semarang Lasem Rembang Poerwodadi Grobogan Tjepoe Blora AVates Adikarto Zielental van uitheemsche bevolkingsgroepen. Het zielen tal van de Europeanen van de geheele middelmoot van Java (provincie Midden-Java plus Vorstenlanden) is geringer dan hun zie lental in West-Java en Oost-Java. Zoowel in Midden-Java als in de Vorstenlanden zijn zjj stork geconcentreerd in de steden; in Midden- Java is 80,6% van hen in gemeenten en kot- ta's, in Jogjakarta (in de kottas) 77,1% en in Soerakarta (in de kottas) 65,1% geteld. Het is dus daarom, dat zij 'in enkele gemeenten en kotta 'fl een percentage van 3 tot ruim 8% van de totale bevolking uitmaken, terwijl hun Zielental Europeanen en hun percentage van de totale bevolking in enkele gemeenten en kottas. aandeel in de totale bevolking van stad en platteland nog niet eens 1/2% is. Van de Vorstenlandsche kot tas- v alt hot op, dat in Klaten en Jogja karta verhoudingsge wijs meer Europeanen wonen dan in de stad Soerakarta. Opmerke lijk is verder het hooge percentage Europeanen in de garnizoensplaatsen Salatiga en Magelang. Op het platteland (buiten de stadsdistricten) zijn cijfers tusschen 2_ en 4 pro mille het hoogst; men vindt die in streken met suikerfabrieken of andere onder nemingen, doch ook in districten met gezondheidsoorden waar gedurende de vacantie, die juist in den Volkstellings tijd viel, vele Europeanen vertoefden. De Chineezen zh'n in Midden-Java en de Vorstenlanden zoowel in absoluten als rela tieven zin van aanmer kelijk mindere nume rieke -beteekenis dan g West-Java. Van de Ï64224~Chineezen va» Midden-Java en de Vorstenlanden is ruim 55% geteld m !) Zie tabellen 1, 2, 3, 4, 6 en 8. 2) Zie voor enkele cijfers Volkstelling 1930, deel I, blz. 3. 3 ) De cijfers van. Britsch-Indië ontleend aan de voorloopige uitkomsten van de volkstelling van 1931. Zie Resolution of the Government of India van 13 April 1932. Zie voor Britsen Malaya The Census of British Malaya 1931, tabel I, pag. 120—121. 4) De Solosche enclaves inbegrepen; de enclave Kottagede telt 15 338, de enclave Imogiri 21833 en de enclave Kgawèn 10 500 zielen. 5 ) Het kleine ruim 10 000 zielen tellende regentschap Pakoe alaman uitgezonderd. senen een groote sterfte van mannen moet hebben plaats gehad. Dat de hooge cyfers van het aantal vrouwen in de Rembangsche districten (Waroe en Soelang), waar weinig emigratie moet zy'n op een groote mortaliteit van de man nen zou wijzen, terwijl onder de kinderen van de 2e leef tijdsgroep nu juist het mannelijk geslacht zoon groot numeriek overwicht heeft, is een bewy's te meer, dat de cy'fers van Rembang niet met die van andere regentschap pen te vergelijken zyn. Lage cijfers in de 3e leeftijdsgroep. Het betrekkelijk geringe aantal volwassen vrouwen in Delanggoe, Gondang winangoen en Kalasan, dat gepaard gaat met een groot relatief aantal meisjes in de 2e leefty'dsgroep, zou kunnen beteekenen: le. dat er veel volwassen mannen geïm migreerd of 2e. volwassen vrouwen geëmigreerd zijn; 3e. dat de mortaliteit der volwassen vrouwen er grooter is dan elders; 4e dat de leeftijdsgrens tusschen onvolwassen en volwassen vrouwen hier op ouderen leeftijd ligt dan elders (zie boven blzz. 33—34). Bekend is echter alleen, dat de immigratie van mannen in deze districten niet groot is; er is dus moeilijk een keuze uit de drie andere gevolg trekkingen te maken, maar misschien is er het meest voor de vierde conclusie te zeggen. De cijfers der gemeenten en kottas. Hieronder zy'n alleen opgenomen de cijfers van gemeenten en kottas met 1 080 vrouwen en meer op de 1 000 mannen: De factor van de migratie. Het groote (relatieve) aantal volwassen vrouwen — 19 van de 25 stadjes hebben meer dan 1 200 volwassen vrouwen op de 1 000 mannen — moet hoogstwaarschijnlijk grootendeels aan immigratie van volwassen vrouwen toegeschreven worden (zie boven blz. 26 en blz. 35). Of ook de hooge cijfers van de meisjes der 2e leeftijds groep een gevolg kan zy'n van immigratie van meisjes (die bijv. in batikkery'en gaan werken), is niet zeker. Grooter levenskans van de meisjes. Het is mogelijk, dat deze cy'fers verklaard zouden kunnen worden uit een geringere mortaliteit onder de meisjes. Die conclusie vindt nog steun in het feit, dat in zoovele gemeenten en kottas een meisjesoverschot in de Ie leeftijdsgroep is (zie boven blz. 38). Opvallend groot is weer het aantal meisjes in de plaatsen, die gelegen zjjn in de Vorstenlanden en Kedoe (zie boven blz. 36), namelijk in Wonosobo, Temanggoeng, Kottagede, "VVates, Magelang en Soerakarta; ook wel in Banjoemas, maar daar is ook het aantal vrouwen in de derde leeftijdsgroep groot, wat in de andere stadjes niet het geval is. De af wy kende cijfers van de Rembangsche kottas Rembang en Lasem vallen weer op. § 8. Geslachtsverhouding der leeft ij ds groepen in streken met een gering vrouwental. De cijfers. In onderstaande tabel zijn de cyfers van de geslachtsverhouding in ieder der leeftijdsgroepen opge nomen van die districten welke minder dan 1 010 vrouwen op de 1 000 mannen tellen: Geringe mortaliteit onder de jongens. Opvallend is al dadelyk, dat in niet minder dan 23 van de 39 districten een jongensoverschot in de le. leeftijdsgroep is. In eenige van deze districten (Sidaredja, Tjilatjap, Poerwodadi, Grobogan, Mranggen, Tajoe, Manggar) is ook het relatieve aantal jongens in de tweede leeftijdsgroep vrij groot- Trouwens in nog andere districten (Doro, Selokaton, Singenkidoel, Leksono, Madjenang, Kragan en Bandar) blijft het aantal meisjes op de 1 000 jongens beneden de 885, d.i. het Midden-Java-gemiddelde; abnorniaal-laag schijnen ons echter de cijfers van het Rembangsche Krag' lll en het Pekalongansche Doro toe. 1 ) Voorzoover buiten de kotta gelegen. 40 41 Het is niet onmogelijk, dat in de genoemde districten (d.z. alle districten van Tjilatjap, nagenoeg alle districten van Grobogan, verder Selokaton in Kendal, Leksono in Wonosobo, Tajoe in Pati en Bandar in Batang) het geringe vrouwental is toe te schry'ven aan een in vergelij king met andere streken geringe mortaliteit onder het jonge mannelijke geslacht. Districten met veel meisjes in de tweede leeftijdsgroep. ™ r zijn echter ook districten met een groot meisjestal in verhouding tot de jongens namelijk wederom de Vorsten landsche en Kedoesche districten (vgl. boven blz. 36). Het geringe jongensoverschot van deze leeftijdsgroep gaat ov er in een gering vrouwenoverschot in de 3e leeftijds groep, dat niet veroorzaakt kan zijn door een buitengewone niniiig ra tic van mannen of — voorzoover bekend — door ee n beteekenende emigratie van vrouwen. Indien hier geen af wy'kende leeftijdsgrens tusschen onvolwassenen en v °lwassenen bestaat, dan moet men wel aannemen, dat de "lortaliteit van het jonge vrouwelijke geslacht gering, maar die van het volwassen vrouwelijke geslacht zeer groot moet zijn. De factor van de migratie. Dat de immigratiedistricten Madjenang, Sidaredja, Tjilatjap, Gesi, Gemolong en Bodja maar een gering vrouwenoverschot onder de volwassenen "ebben, moet zeker wel gedeeltelijk aan een belangrijke immigratie van mannen toegeschreven worden, hoewel to ch, zooals wy boven zagen, in de Tjilatjapsche districten °°k een belangrijk numeriek mannelijk element onder de Jongeren mede oorzaak van het geringe vrouwental in "et algemeen en het geringe aantal vrouwen onder de Volwassenen in het bijzonder is. §9. Burgerlijke sta a t. Inleiding. Indeeling van de onderwerpen. In het belang van de °verzichtelijkheid zal de burgerlijke staat in drieën wor den onderverdeeld. In het eerste deel, dat in deze para graaf wordt behandeld, zal een overzicht gegeven worden Va n het totaal aantal gehuwden, ongehuwden, -weduw naren (weduwen) en gescheidenen waarvan de relatieve e flfers zijn opgenomen in teksttabel No. 9 op blz. 54, w aarop volgt een vergelijking van deze cy'fers met die Va n 1920. In § 11 zal de burgerlijke staat van de en in de daaropvolgende paragraaf die van volwassenen ter sprake worden gebracht. Aantal gehuwden. Dat het huwelijk op Java en Madoera zoo veel algemeener is dan in Nederland valt uit de cy'fers van neven staand tabelletje te lezen. Daaruit bly'kt namelijk, dat het rela tieve aantal gehuwden van Midden-Java en de Vorstenlanden groo ter is dan dat van Nederland. De cy'fers van Jogjakarta, echter, zijn opvallend lager dan die van Midden- en West-Java. Meer gehuwde vrouwen dan gehuwde mannen. Uit de absolute cijfers van tabel no. 15 blijkt, dat er zoowel in Midden-Java als in de Vorstenlanden meer gehuwde vrouwen dan gehuwde mannen zijn geteld. Dit verschil is toe te schrijven aan: le. de polygame huwelijken; 2e. het tijdelijk wegtrekken van gehuwde mannen; 3e. misschien de omstandigheid, dat er vrouwen zijn, die ten onrechte hebben opgegeven, dat zij gehuwd zijn. Indien van de polygame huwelijken het aantal vrouwen en de woonplaats dier vrouwen bekend was en indien men de factor onder 3 uitschakelt, zou men kunnen berekenen hoeveel gehuwde mannen zich gedurende den Volkstellingsdag buiten Midden-Java bevonden. Nu zyn echter van de polygame huwelijken alleen bekend da huwelijken met twee, met drie en met vier of meer vrouwen, zoodat van de laatstgenoemden niet precies het aantal vrouwen berekend kan worden. Bovendien is niet naar de woonplaats van de vrouwelijke echt genooten gevraagd. Neemt men nu, voor Midden-Java, aan, dat de polygaam gehuwde mannen met hoogstens 4 vrouwen getrouwd waren en dat de echtgenooten van bedoelde mannen allen in Midden-Java woonden, dan is het aantal tijdelijk uit de provincie weggetrokken mannen 70 464 d.i. 3,1% van alle gehuwde mannen van Midden-Java 2 ). Voor Jogjakarta zy'n deze cyfers 5 081 en 1,6%; voor Soerakarta 6 184 en 1,2%. Alle regentschappen hebben een „gehuwde-vrouwen-over schot" (bruto). Maakt men echter voor ieder dier regentschappen de bovenbedoelde berekening, dan blijkt alleen het regentschap Semarang een „gehuwde-mannen overschot" te hebben. De regentschappen welke de hoogste percentages van het (netto) gehuwde-vrouwen-overschot hebben, zy'n in het nevenstaande marginale staatje met de absolute en relatieve cy'fers opgenomen. Het is wel opmerkelijk, dat deze cyfers hoog zyn in de regentschappen met veel emigratie (oud-Bagelen, Brebes, Tegal, Banjoemas). De cyfers van de Vorsten landen zyn laag; be neden 1% (van de gehuwde mannen) zijn de cy'fers van Bojolali, Sragen en Soerakarta; tusschen 1% en 2% die van Bantoel, Jogja karta (regentschap) en Goenoengkidoel, tusschen 2 en 3% die van Adikarto en Wonogiri. Ook in de residentie Semarang, het grootste gedeelte van Japara-Rembang (Koedoes, Pati, Blora), Oost-Pekalongan (Batang), gedeelten van Kedoe (Wonosobo, Temanggoeng, Magelang) en Banjoemas (Bandjarnegara, West-Tjilatjap, Poerwokerto) waren ds gehuwde mannen blijkbaar meer hokvast, althans op den ) Zie voor de cijfers van de Britsch-Indische provinciën, de Philip- P" ö en en Nederland: Census of India 1921, Vol. I, part. I, blz. 166; v ensus «f the Philippine Islands (1918), vol. 11, blz. 41; Statistiek an Nederland, volkstelling 1930, dl 11, blz. 260. 2 ) In West-Java was dit cijfer 1,9%. dag van de Volkstelling. De hoogste absolute districtscijters (tusschen 2 000 en 2 200) vonden wy' in Keboemen buiten de kotta, Adiwerno (Tegal), Brebes buiten de kotta en Tandjoeng (Brebes). Getallen tusschen 1000 en 2 000 werden geconstateerd in de districten Kroja (Tjilatjap). Poering, Pedjagoan (Karanganjar), Soekaradja (Banjoe mas), Poerbalingga, Boemiajoe, Bandjarardja (Brebes), Slawi, Balapoelang (Tegal), Pemalang, Tjomal (Pemalang), Kedoengwoeni (buiten de kotta), Wiradessa (Pekalongan) en in Weleri (Kendal). Aantal ongehuwden. Het relatieve aantal (per 100 personen van ieder geslacht) onge huwden, d.w.z. nog nooit-gehuwden, is, vooral onder de man nen, het hoogst in de Vorstenlanden. Voor de regentschapscy'fers verwijzen wy naar teksttabel No. 9 op blz. 54. Cijfers van geschei denen. Het relatieve aantal gescheidenen (per 100 personen van ieder geslacht) blijkt in West-Java aanmer kelijk hooger te zy'n dan in Midden-Java en de Vorstenlanden. Vergelijkingen met Britsch-Indische provinciën is niet mogelijk, omdat aldaar in 1921 de gescheidenen en de weduwnaren (weduwen) in één groep zijn samengebracht. Van andere Aziatische landen zijn geen cy'fers gevonden. Cijfers van weduw naren en weduwen. De percentages der weduwnaren (per 100 mannen) zy'n in Mid den-Java en de Vor stenlanden hooger dan in West-Java. Wat de weduwen betreft, valt het hooge cy'fer van Midden-Java op !) Zie voor de cijfers van de Br.-Indische provinciën, de Philip pijnen en Nederland: Census of India 1921 Vol. I, part. I, blz. 166; Census of the Philippine Islands (1918), Vol. 11, blz. 41; Statistiek van Nederland, volkstelling 1930, t. a. p. blz. 260. 2 ) Statistiek van Nederland, volkstelling 1930, t. a. p. blz. 260. § 10. Vergelijkingen met de cyfers van 1920. De cijfers van 1920. De cijfers van den burgerlijken staat van 1920 geven alleen totalen, dus geen splitsing in onvolwassenen en volwassenen. In teksttabel No. 9 (blz. 54) zijn naast deze totalen (relatieve cijfers) die van 1930 geplaatst; de regentschapscy'fers van 1920 waren nog nimmer gepubliceerd. De beperkte tekstruimte noopt tot een beknopte bespre- king. Waar in het volgende sprake is van toe- of afname wordt bedoeld, dat in 1930 het in teksttabel No. 9 gepubli- ceerde relatieve cijfer van 1930 hooger of lager is dan in 1920. Een groote toe- of afname beteekent een verschil tusschen de percentages van 1920 en 1930 boven 1. Onder aantal is te verstaan het relatieve aantal. De cijfers der gewesten. De cijfers van de provincie Midden-Java vertoonen in het algemeen weinig verschillen. Opmerkelijk echter zijn de veranderingen in den burger lijken staat in de Vorstenlanden. Hieronder zijn van ieder der gouvernementen het aantal ongehuwden, gehuw den, personen in weduwenstaat en gescheidenen per 100 personen van ieder geslacht opgenomen; daarnaast zyn de cyfers van Midden-Java geplaatst. Opvallend is de sterke afname van de personen in weduwenstaat waarvan de verklaring dadelijk ter sprake zal komen. Met deze afname is gepaard gegaan een toename van de gehuwden. Regentschapscijfers. Van de Vorstenlandsehe regent schappen zyn er maar enkele waarvan de cyfers van 1930 met die van 1920 te vergelijken zyn (zie boven blz. 3). Wy - zullen ons dus voornamelijk bepalen tot de eyfers der regentschappen van Midden-Java. De groote verschillen zijn geconstateerd in 50% van de regentschappen. Opvallend zijn de verschillen van de cijfers der weduwen; over het algemeen was het relatieve aantal personen in weduwenstaat, evenals in West-Java, itt 1920 qrooter, vermoedelijk tengevolge van de influenza epidemie van 1918 en 1919, die in 1920 nog niet geheel verdwenen was. Het decres van deze groep heeft natuurlijk een accres van de ongehuwden en gehuwden tengevolge. Zie, byvoorbeeld, den burgerleken staat der vrouwen van Tjilatjap, Pekalongan, Batang, Kendal, Demak, Koedoes, Pati en Grobogan. In Semarang, Japara, Adikarto, Koe lonprogo en Goenoengkidoel ging het decres van de weduwen alleen gepaard met een accres van de gehuwden. Bijzonder groot is het decres der weduwen en van de weduwnaren in Demak, Koedoes, Japara en Adikarto, daar zal dus de sterfte in 1920 wellicht zeer groot geweest zyn. Het decres van de weduwnaren was vooral groot io Temanggoeng, Semarang, Demak, Koedoes, Adikarto, Klaten; het ging in den regel samen met een accres van gehuwden. Waar de weduwnaren en weduwen over het algemeen in 1930 geringer in aantal waren, moet het accres — z 0 het dan een zeer gering accres — van Bandjarnegara en Wonosobo wel opvallen. Een ander punt, dat onze aandacht verdient, is het decres van de gehuwden (gepaard gaande met een accres 42 de ongehuwden) in emigratiestreken als Keboemen, koetoardjo, Tegal en Brebes, misschien wel als gevolg van emigratie, die dan in Keboemen, speciaal wat de gehuwde mannen betreft, groot geweest moet zy'n; het decres van gehuwde vrouwen is er geringer. Waar het aantal gehuwden in 1930 aanmerkelijk veel grooter is dan in 1920 en dat groote verschil niet alleen |mt gevolg van het decres van de personen in weduwenstaat ls > moet het wel uit een decres van andere groepen te verklaren zijn. Zoo valt ons allereerst op de afname van de ongehuwde wannen van Temanggoeng, Semarang, Goenoengkidoel en °°k van Adikarto. In Semarang, Goenoengkidoel en Adikarto ls Z Ü wellicht te verklaren uit het decres van onvolwassenen v ZJ e boven blz. 37), maar in Temanggoeng is het rela tieve aantal jongens in 1930 grooter, zoodat hier een andere (ons onbekende) oorzaak in het spel is. Van beteekenis ls ook het decres van ongehuwde vrouwen in Adikarto, vat samengaat met een decres van onvolwassen vrouwen; minder is het verschil in de andere regentschappen. Het aantal gescheidenen is in 1930 over het algemeen geringer. Groote verschillen geven de cyfers van mannen e n vrouwen in Pati en Kendal, van mannen in Koedoes en Wen-iak, van vrouwen in Rembang en Blora, te zien. • *1. Burgerlijke staat van onvolwassenen. Inleiding. In verband met het bestaan van kinderhu- d.w.z. huwely'ken van twee onvolwassenen of van °en volwassene met een onvolwassene, is het noodzakelijk burgerlijken staat der onvolwassenen, d.z. dus kinde e n van de eerste en leeftijdsgroep, te bespreken. "e cijfers van onvolwassen gehuwden. Het aantal ge nuwde kinderen van de eerste leefty'dsgroep (nog-niet-100- Pende kinderen), waarvan men de absolute cyfers in tabel •^ (l - 15 vindt, is gering. Van veel meer beteekenis zy'n de Cn fers der tweede leefty'dsgroep (andere onvolwassenen). e cy'fers van de regentschappen met de hoogste percen a ges zy'n hieronder opgenomen; et aantal gehuwde kinderen van Keboemen blijkt bij der groot te zy'n, het is relatief veel grooter dan dat en Serang in West-Java, waar de percentages gehuwden van leeftijdsgroep II onderscheidenlijk 1,79 en 1,65 zijn. Gehuwde kinderen in Keboemen. Uit het volgend tabel- letje kan bly'ken, dat in de Keboemensche districten Premboen en Koetowinangoen het grootste aantal gehuwde kinderen van de 2e leeftijdsgroep is geteld: Gehuwde kinderen in overig Bagelen. Het aantal kin- derhuwelijken in het overige deel van Bagelen is veel geringer dan in Keboemen. Het geringst is het aantal gehuwde kinderen van leeftijdsgroep II in Karanganjar; in geen enkel district is meer dan 1% dier kinderen in den echt verbonden. Wel is dit het geval in de districten Pitoeroeh en Koetoardjo van het regentschap Koetoardjo en in Poerworedjo en Tjangkrep in Poerworedjo. In de residentie Banjoemas. Van de residentie Banjoe- mas zyn alleen in het regentschap Tjilatjap, speciaal de districten Kroja, Sidaredja en Tjilatjap buiten de kotta en verder in de districten Poerwaredja en Soempioeh van Banjoemas veel gehuwde kinderen. Overal elders telt men op de 100 kinderen niet eens 1 gehuwd kind. In de residentie Pekalongan. In de residentie Pekalon- gan is het speciaal het regentschap van dien naam waar het kinderhuwelyk blijkbaar nog het meest in zwang is, vooral in de districten Paninggaran, Doro, Kadjen en Wi- radessa, dus — evenals in de regentschappen Batang en Pemalang waar de hoogste cy'fers in de districten Tjomal, Bandar en Bawang voorkomen — in districten, die buiten de hoofdplaats liggen. In het westelijk deel van de resi- dentie (regentschappen Tegal en Brebes) zyn de relatieve cijfers zeer laag. In het overig deel van Midden-Java. Van de geheele oostelijke helft van Midden-Java (Oost-Kedoe, de residen- ties Semarang en Japara-Rembang) heeft het regentschap Rembang relatief het grootste aantal gehuwde kinderen, echter niet meer dan 7 op de 1000 kinderen van de 2e leeftijdsgroep; Soelang en Pamotan zy'n hier de districten waar 1% en meer van de kinderen een echtverbintenis hebben aangegaan. In de Vorstenlanden. In de Vorstenlanden dienen de Soerakartasche regentschappen Sragen (vooral de distric- ten Gemolong en Gesi) en Wonogiri (Djatisrono en Poerwantoro) genoemd te worden; in het overige deel van Soerakarta en over geheel Jogjakarta, ook in het aan Wonogiri grenzende Goenoengkidoel zy'n maar weinig ge- huwde kinderen geteld. Vermeldenswaardig is het door een der Zelfbestuurders (het Hoofd van het Mangkoenegarasche Vorstenhuis) uitgevaardigd verbod aan 's Prinsen verwanten, ambtenaren en dienaren om hun dochters of vrouwelijke pupillen uit te 43 44 huwen zoolang zij den leeftijd van 16 jaar nog niet hebben bereikt 1 ). In gemeenten en kottas. Evenals in West-Java zijn ook in Midden-Java en de Vorstenlanden de relatieve cy'fers van het aantal gehuwden uit de tweede leeftijdsgroep van gemeenten en kottas zeer laag, namely'k beneden 0,5%, behalve in Kedoengwoeni in Pekalongan (0,53%), Lasem (0,60%) en Tjepoe (0,52%). Eenige cijfers. Buiten de bovengenoemde Keboemensche districten zyn de cy'fers tusschen 2 en 3% het hoogst. Hieronder nog enkele absolute en relatieve districtscy'fers: Vorm van het kinderhuwelijk. Uit de cy'fers blykt, dat er veel meer gehuwde meisjes dan jongens zijn. Hieruit kan afgeleid worden, dat tal van meisjes getrouwd zy'n met volwassen mannen. De huwelijkssluiting (ningkah) heeft dan op de gewone wyzc plaats en wordt gevolgd door de zg. ontmoeting en het huwelijksfeest; de samenleving van het jonge paar, echter, wordt als regel opgeschort tot het meisje volwassen is. Een tweede vorm is het zg. gantoeng kawin ook wel gantoeng ningkah, gantoeng bodja en, in Banjoemas, toenggon genoemd, waarby' twee onvolwassen kinderen midtlels de ningkah in den echt worden verbonden, terwy'l de ontmoeting, het huwelijksfeest en natuurly'k ook de samenleving worden uitgesteld; deze vorm komt zeer weinig voor. Motieven van het kinderhuwelijk. Het zijn, naar het eenparig oordeel van eenige Regenten van Midden-Java, voornamelijk economische motieven, die de ouders er toe brengen hun onvolwassen dochters uit te huwen aan een volwassen echtgenoot die dan by de schoonouders intrekt en hen bij het werk helpt 2 ). Vandaar de vele huwelijken tusschen onvolwassen meisjes en volwassen mannen. Alleen de Regent van Pekalongan deelt mede, dat in zy'n ressort geen economische maar wel moreele en ideëele (w.o. ook godsdienstige) motieven voor een kinder huwely'k bestaan. Korte duur van het kinderhuwelijk. Over de motieven kunnen de cijfers weinig zeggen. Doch wel bevestigen zy' het algemeen oordeel van de genoemde Regenten, dat het kinderhuwelyk vaak van korten duur is. In tabel No. 15 vindt men de absolute regentschapscyfers van het aantal gescheiden kinderen (Ie en 2e leefty'dsgroep), dat vooral in Tjilatjap, Poerwokerto, Keboemen en Wonogiri groot is. Toch zy'n deze cy'fers, zoowel de absolute als de relatieve, veel lager dan die van Cheribon en Serang in West-Java. In Cheribon was ruim 2%, in Serang bijna 2% van de meisjes der 2e leefty'dsgroep, in Tjilatjap (dat het hoogste regentschapscy'fer van Midden-Java en de Vorstenlanden heeft) slechts 0,5% gescheiden. Onvolwassenen in weduwenstaat. In totaal telt Midden- Java 582 onvolwassen weduwnaren en 1562 weduwen, Soerakarta 57 weduwnaren en 172 weduwen, Jogjakarta 41 weduwnaren en 98 weduwen. Zelfs onder de zuigelin gen zyn er nog 114 geteld, die in weduwenstaat geraakt waren hetgeen echter niet aannemelijk voorkomt. Vergelijkingen met 1920 onmogelijk, liet zou belangrijk geweest zyn te weten of het aantal gehuwde onvolwassenen sinds 1920 was toe- of afgenomen. Helaas! is echter in de gegevens van 1920 de burgerlijke staat niet ge splitst in onvolwassenen en volwassenen, zoodat vergelijking onmogelijk is. !) Zie hierover A. Mühlenfeld in De Taak I, Nov. 1917, blz. 160. - Zie over het kinderhuwelijk: Adatrechtbundels 19, blzz. 68 —74 en deel 34, blzz. 88—90. § 12. Burgerlijke staat van volwassenen. Opmerkelijke verschillen met West-Java. De cijfers van den burgerlijken staat der volwassenen van Midden- Java en de Vorstenlanden (en ook die van Oost-Java welke ook hieronder gepubli ceerd worden) vertoo nen zeer frappante verschillen met die van West-Java. Beginnen wy' met de volwassen mannen- Dadelijk valt op, dat er in West-Java naa r verhouding veel minder ongehuwde, maar veel meer gehuW" de mannen zyn dan in het overige deel van Java en Madoera, terwijl ook het relatieve aantal g e ' scheiden mannen i° de westelijke provinc ie grooter is. De burgerlijke slaat van de volwassen vroU' wen vertoont ongeveer hetzelfde beeld. We- derom minder ongehuwden en meer gehuwden en gescln' 1 denen in West-Java. Meer echtscheidingen in West-Java. De sterke afwij kingen van de cy'fers van West-Java berusten gedeeltelijk op het veel grooter aantal echtscheidingen in die provincie- Uit teksttabel No. 10 (blz. 55) blykt, zooals straks zal 45 aangetoond worden, dat in Midden-Java en de Vorsten landen het aantal echtscheidingen veel geringer is dan in West-Java. Dit heeft tengevolge, dat het aantal gescheiden vrouwen daar naar verhouding veel grooter is, omdat immers de eenmaal gescheiden vrouw in den regel niet meer hertrouwt. De geseheiden mannen hertrouwen als regel met jonge °ngehuwde vrouwen. Hoe grooter het aantal echtscheidin gen hoe geringer dus het aantal nog-niet-gehuwde vrouwen. Vandaar, dat de cyfers van de gehuwde vrouwen in West-Java lager zyn dan in Midden-Java en de Vorstenlanden. Jongere huwelijksleeftijd in West-Java. Het kleinere aan tal ongehuwde vrouwen in West-Java wijst er tevens °T>. dat de meisjes er op jeugdigeren leeftyd trouwen dan öders op Java, tenminste, indien men van de veronderstel- Wlg uitgaat, dat het over geheel Java en Madoera gewoonte ls niet ongetrouwd te blijven. *) Geldt dit ook voor de bannen, dan moeten ook zij in West-Java over het '"gemeen jonger trouwen dan in Midden-Java en de Vorstenlanden. Veel ongehuwde vrouwen in Jogjakarta. By zonder groot i s het aantal ongehuwde volwassen vrouwen, veel geringer dan elders is het aantal gehuwde vrouwen in Jogjakarta. Daar moet dus de huwelijksleeftijd van de vrouwen hooger zijn dan in West- en Midden-Java en in S °erakarta. Weer ongehuwde mannen dan ongehuwde vrouwen. Er •Ba meer ongehuwde volwassen mannen dan ongehuwde volwassen vrouwen, omdat de meisjes in den regel op ï®ügdigeren leeftyd trouwen dan jongens. Bovendien w °rden vele jonge ongehuwde vrouwen door geseheiden mannen en weduwnaren getrouwd. Opmerkelijk gering is dit verschil in Jogjakarta, vermoe- omdat le. in Jogjakarta de meisjes later trouwen _ an elders tengevolge waarvan het leeftijdsverschil der jonggehuwden gering moet zijn; 2e. hier minder echt scheidingen plaats hebben dan elders zoodat minder jonge or, gehuwde vrouwen door gescheiden mannen worden etrouwd. Maar mogelijk is ook, dat er uit Jogjakarta ele ongehuwde mannen weggetrokken zyn; het bovenbe °elde geringe verschil is namelijk ook te constateeren in waar veel geëmigreerd wordt (Brebes, Keboemen, Poerworedjo). Waar veel ongehuwde volwassen mannen zijn. Van de p ïentsehappen van West-Java telt Batavia het grootste antal volwassen ongehuwde mannen op de 100 volwassen armen, namelijk iets meer dan 13. In Midden-Java en de ors tcnlanden heeft men niet minder dan 29 regentschap- Cn van de 38, die cyfers hebben van 14 en hooger, terwijl et hoogste cy'fer iets boven de 19 komt! 2 ) Dat zy'n bekende cy'fers! De hoogste cy'fers hebben de regentschappen Bojolali ™N), Wonosobo (19,16), Semarang (19,03), Adikarto (19 >°1), Temanggoeng (18,81), Demak (18,45), Pati (18 > 2 8), Klaten (18,12) en Koelonprogo (18,01). Ho °ge cijfers in districten met weinig volwassen r °Uwen. Het spreekt vanzelf, dat in de regentschappen met een gering vrouwental (Bojolali, Wonosobo, Semarang, Temanggoeng) de mannen zich niet gemakkelijk een levensgezellin kunnen kiezen. Bijzonder hoog zy'n de cy'fers van enkele districten met een in verhouding tot de mannen gering aantal volwassen vrouwen: Karangkobar (20,4) in Bandjarnegara, Garoeng (23,6) in Wonosobo, Temang goeng buiten de kotta (22,7), Selokaton (20) in Kendal, Karimoendjawa (25,6), Tajoe (20,8) in Pati, Djatinom (20,8) in Klaten en ten slotte de Bojolalische districten Ampel (20,5), Bojolali buiten de kotta (20,9), Karanggede (20,3) en Djoewangi (20,3). Xatuurly'k zy'n er nog tal van andere districten met een gering vrouwental te noemen waar 18 a 20% van de volwassen mannen ongehuwd is. Dat een zeker „tekort" aan huwbare vrouwen ook in West-Java de percentages van de ongehuwde mannen verhoogde, spreekt vanzelf, maar deze zy'n (in Krawang en Zuid-Preanger bijvoorbeeld) niet hooger dan 13; slechts in één district steeg het cy'fer tot 14,7. Dat in de bovenvermelde regentschappen en districten de mannen over het algemeen later huwen dan elders is wel zoo goed als zeker. Misschien blyven er zelfs wel in streken met een vrouwentekort nog verscheidenen tot aan hun dood ongehuwd. Veel ongehuwde mannen in enkele gemeenten en kottas. In teksttabel No. 11 (blz. 56) vindt men de relatieve cyfers van den burgerlijken staat van volwassenen in gemeenten en kottas. Daaruit blijkt, dat men in enkele gemeenten (Semarang, Magelang, Salatiga) en kottas (Poerworedjo, Weleri, Ambarawa, Japara, Koedoes, Rem bang, Blora, Tjepoe, Klaten, Bojolali, Soerakarta en Jogjakarta) ook 18 tot iets meer dan 23 (Klaten) onge huwden op de 100 volwassen mannen telt. In West-Java vindt men die cyfers alleen in de drie groote gemeenten Batavia, Meester Cornelis en Bandoeng en het garnizoens plaatsje Tjimahi. Het is wel waarschijnlijk, dat deze hooge cy'fers, althans gedeeltelijk zy'n toe te schrijven aan het feit, dat stads menschen later trouwen dan plattelandsmenschen, misschien zijn er in gemeenten en kottas onder de mannen velen, die verstokte vrijgezellen zijn. Ook zal de trek van het platteland naar de stad vele ongehuwden naar gemeenten en kottas brengen. Trek van ongehuwden naar de stad. Toch schijnt die trek althans naar de drie groote steden Semarang, Jogjakarta en Soerakarta niet zoo heel groot te zy'n. Alleen voor deze steden zyn de eldersgeborenen (immigranten) naar burgerlijken staat gesorteerd. Hieronder het resultaat: Daaruit blijkt, dat onder de geboortebevolking van deze steden (d.w.z. onder de in die steden geboren bevolking) het percentage ongehuwde volwassenen per geslacht niet veel met dat van de eldersgeborenen verschilt. ? Zie voor Midden- en Oost-Java: Van Vollenhoven. Het adat ent van Nederlandsch-Indië I, blz. 527. Pakoealaman niet medegerekend. 46 Waar veel ongehuwde vrouwen zijn. In West-Java telt het regentschap Meester Cornelis het grootste aantal ongehuwde vrouwen op de 100 volwassen vrouwen, namelijk ruim 8. Dat is voor West-Java een abnormaal-hoog cy'fer, een normaler cy'fer is 5 a 6. In het gouvernement Jogja karta hebben twee regentschappen (Adikarto en Koelon progo) ruim 11 volwassen ongehuwde vrouwen op de 100 volwassen vrouwen het hoogste regentschapscijfer van geheel Jwva en Madoera! En cyfers tusschen 8 en 10 zijn nog gevonden in de regentschappen Goenoengkidoel (9,33), Bantoel (8,75), Jogjakarta (9,10), Soerakarta (8,43), Bojolali (8,83), Klaten (9,71), Semarang (8,46). Het zyn dus alle regentschappen van het gouvernement Jogjakarta, drie Soerakartasche regentschappen en slechts één regentschap van Midden-Java waar zooveel volwassen ongehuwde vrouwen zy'n geteld, hetgeen, gelyk boven blz. 45 al medegedeeld werd, toegeschreven moet worden aan een lateren huwelijksleeftijd, maar ook aan het geringe aantal echtscheidingen tengevolge waarvan de „vraag" naar jonge ongehuwde vrouwen geringer is dan elders waar het aantal echtscheidingen grooter is. Dat in deze regent schappen meer vrouwen tot hun dood ongehuwd blijven dan elders, lykt niet aannemelijk, misschien wel in de stad Semarang en de beide Vorstenlandsche hoofdplaatsen. Hoog kan men in Midden-Java nog de regentschapscy'fers van Brebes (7,08), Poerworedjo (7,35), Temanggoeng (7,48), Karanganjar (6,91) en Magelang (6,96) noemen. Merkwaardig is, dat in regentschappen met een „vrouwen tekort" (Temanggoeng, ook Bojolali en Semarang) waar men zou verwachten, dat maar weinig vrouwen ongehuwd zouden blijven, het aantal nog-niet-gehuwden groot is. Van de districts- en kottacyfers zy'n de hoogste wel die van het district Pengasih (Koelonprogo) en de kotta Klaten waar ruim 12 van de 100 volwassen vrouwen ongehuwd zy'n. Cyfers van 9 en 10 zyn natuurlijk in nagenoeg alle districten en kottas van de bovengenoemde Vorstenlandsche regentschappen aangetroffen en verder in Midden-Java nog in de districten Bantarkawoeng (9,1) in Brebes, Garoeng (10) in Wonosobo, Temanggoeng buiten de kotta (9), Selokaton (9,7) in Kendal en Salatiga buiten de kotta (10,4); en voorts in de kotta Poerworedjo (10,6) en do gemeente Salatiga (9,8). Niet minder dan 19 van de 43 gemeenten en kotta 's hebben cy'fers van 7 en meer ongehuwde vrouwen op de 100 volwas sen vrouwen; in West-Java zijn er slechts 4, waar zulke hooge cy'fers zyn geconstateerd. Vermoedelijk trouwen de stadsvrouwen in het algemeen later dan de plattelandsvrou wen ; misschien ook bly'ft er, gelijk zoo juist al verondersteld werd, byv. onder de vele geïmmigreerde vrouwen een groot percentage tot aan hun dood ongehuwd. Lage cijfers van ongehuwden. Het minste aantal onge huwde mannen (10 tot en met 12) per 100 volwassen mannen hebben de regentschappen Pekalongan (10,10), Keboemen (10,75), Tegal (11,47), Pemalang (11,87) en Banjoemas (12). Zy' komen als regel voor in die districten waar een groot vrouwenoverschot onder de volwassenen is, bijvoorbeeld: Kroja (Tjilatjap), eenige districten in Banjoemas, Tan djoeng en Brebes in Brebes; in Tegal buiten de kotta, Adiwerno, Slawi buiten de kotta, Balapoelang in Tegal; Pemalang en Tjomal in Pemalang; Kedoengwoeni buiten de kotta, Wiradessa, Pekalongan buiten de gemeente. De zeer lage cy'fers van de Keboemensche districten Koeto winangoen (8,8) en Premboen (6,9) zullen zeer zeker ook hun verklaring vinden in het groote aantal kinderhuwe lijken (zie boven blz. 43) en vermoedelijk ook een jeugdigen huwelijksleeftijd voor volwassenen. Het minste aantal ongehuwde vrouwen (3 a 5) per 100 volwassen vrouwen is geteld in de regentschappen Peka longan (3,28), Rembang (3,46), Batang (4,36), Tjilatjap (4,86), Blora (4,88) en Poerwokerto (4,93). Er is een zeer frappant verschil tusschen den burger lijken staat van de volwassen vrouwen van Pekalongan, Batang, Tjilatjap en Poerwokerto eenerzij ds en Rembang en Blora anderzijds (zie het marginale tabelletje). De eerste vier regent schappen hebben naast lage cy'fers van onge huwde vrouwen hooge cijfers van de gehuw den en normale cijfers van het aantal niet-meer-gehuwden (weduwen en geschei denen). In Blora en Rembang is zoowel het relatieve aantal ongehuwde als het aantal gehuwde volwassen vrouwen gering, maar het aantal niet-meer-gehuwde vrouwen bij zonder groot. Gehuwden. Als regel is natuurlijk het cijfer der ge huwden laag wanneer dat der ongehuwden hoog is, en omgekeerd. Vandaar de hooge cy'fers van 80 a 83 gehuwde mannen per 100 volwassen mannen in Pekalongan, Banjoe mas, Brebes, Tegal, Pemalang en Keboemen en de lage cijfers van 70 a 74 in Temanggoeng, Wonosobo, Semarang en Adikarto. Voor de vrouwen is, gelyk boven al aangetoond werd, de regel niet zonder uitzonderingen, omdat de percentages van de niet-meer-gehuwde vrouwen zoo uiteenloopen. Hoog zijn de cijfers (72 a 74 gehuwde vrouwen op de 100 vol wassen vrouwen) in Pekalongan, Sragen en Kotta Mang koenegaran. lets lager zyn de percentages van de bovenvermelde regentschappen met weinig ongehuwde vrouwen: Poerbalingga, Batang en Tjilatjap. In twee regentschappen, Brebes en Temanggoeng, zy'n de cy'fers van ongehuwde en gehuwde vrouwen vrij hoog, maar die van de niet-meer-gehuwde vrouwen laag. Het geringste aantal gehuwde vrouwen (6* a 68 per 100) vindt men niet alleen in regentschappen met veel ongehuwde vrou wen (zie marginaal staatje). In het ooste lijke deel van Midden- Java (Rembang, Blora, Japara, Demak) gaan lage cy'fers van onge huwde vrouwen g e ' paard met lage cy'fer s van gehuwde vrouwen, omdat er zoovele weduwen (Demak) of zoovele gescheidene vrouwen (Rembang, Blora en Japa ra) zy'n geteld. Weduwnaren. Het relatieve aantal weduwnaren is heel hoog (veel hooger dan het hoogste regentschapscy'fer van 47 West-Java, namelijk ruim 3% van de volwassen mannen) m de regentschappen Temanggoeng (7% van de volwassen bannen), Magelang (6%), Koetoardjo (5,4%), Poerwore djo (5,1%), Semarang (5,2%) en Adikarto (5%), zeer la ag in Wonogiri (1,9%), Banjoemas (2,8%), Poerwokerto (2.3%), Japara (2,6%), Blora (2,8%), Sragen (2,8%) en Goenoengkidoel (2,2%). Opmerkelijk hoog zy'n de. cy'fers van alle Temanggoeng- Sehe districten en de Magelangsche districten Salaman, ■legalredjo, Grabag, Magelang buiten de gemeente en andongan, het Semarangsche district Ambarawa buiten e kotta en Poerwodadi van Koetoardjo. In eenige dezer stl 'icten zal het geringe vrouwental onder de volwassenen vellieht oorzaak zyn, dat weduwnaren niet gemakkelijk hertrouwen. Gescheiden mannen. Het relatieve aantal gescheiden mannen is in Midden-Java en de Vorstenlanden aanmerke 4)K lager dan in West-Java; 5 a 6 gescheidenen op de 00 volwassen mannen zijn wel de hoogste regentschaps «iifers (Tjilatjap en Poerwokerto). Het zy'n de Tjilatjap sche districten, Karimoendjawa en de kotta Ambarawa waar (relatief) de meeste gescheiden mannen zijn geteld. Niet-meer-gehuwde vrouwen. De Vorstenlandsche re- gentschappen hebben de geringste percen tages niet-meer-gehuw de vrouwen, namelijk 20 a 22% van de vol wassen vrouwen. Al leen Soerakarta, Jogja karta en het zeer kleine Pakoealaman ebben eenige procenten hoogere cijfers. In de regentschappen van de residenties Pekalongan, Ka njoemas en Kedoe (op Koetoardjo en Poerworedjo na) Van Midden-Java schommelen de cy'fers tusschen 21,5 en Temanggoeng) en ruim 23,5% (Poerwokerto, «atang, Magelang). Hoog zyn de cyfers in het oostelijke deel van Midden av a, daar stijgen de cy'fers tot ruim 28 (Pati en Blora) en zelfs tot 32,4% in Rembang. Een typisch verschil met West-Java is, dat in Midden ava geen verband bestaat tusschen het relatieve aantal et-meer-gehuwde vrouwen en de geslachtsverhouding , °-er de volwassenen zooals dat in de westelyke provincie geconstateerd. 1 ) Regentschappen met groote vrouwen verschotten (1200 en meer vrouwen op de 1000 mannen) de volwassenen hebben allen op Rembang en a Para na, betrekkelijk weinig (Brebes, Banjoemas en e gal zelfs zeer weinig) volwassen vrouwen, die niet meer behuwd zijn. w el iq het relatieve aantal niet-meer-gehuwde vrouwen eermg j n regentschappen met een gering vrouwenoverschot "der de volwassenen, bijvoorbeeld Temanggoeng, Bojolali, ra gen, Kotta Mangkoenegaran en Bandjarnegara. weduwen. Het is wel merkwaardig, dat de onbetrouw ar schijnende hooge cyfers van het relatieve aantal e( lu\ven van Bantam 2) in West-Java nu in Midden-Java weer teruggevonden worden. In de regent schappen Rembang, Pati, Demak, Koedoes en Koetoardjo en in 13 districten zyn cijfers van 20 weduwen en meer op de 100 vol wassen vrouwen ge vonden; dat wil dus zeggen, dat op vijf vol wassen vrouwen meer dan een weduwe te tellen is. Districtscyfers van 18 a 20% zy'n ook niet zeldzaam (Kadjen en Doro in Pekalongan; Batang buiten de kotta in Batang; Pitoeroeh en Kemiri in Koetoardjo, Tjangkrep in Poerworedjo; Salaman en Moentilan in Magelang; Kendal buiten de kotta in Kendal; Samboeng en Grogol in Demak; Singcnkidoel in Grobogan; Tjendono, Oendakan en Tenggeles in Koedoes; Tajoe, Tlogowoengoe en Pati buiten de kotta in Pati; Panolan buiten de kotta, Djepon en Karangdjati buiten de kotta in Blora). Deze hooge cijfers moeten hun verklaring vinden in een naar verhouding grootere mortaliteit onder de mannelijke dan onder de vrouwelijke echtgenooten. Het verschil tus schen beider mortaliteit wordt vergroot, indien in het algemeen de man aanmerkelijk ouder in leeftyd is dan zy'n vrouw. Of in de genoemde streken dat leeftijdsverschil inderdaad groot is, is moeilijk te constateeren. Waar veel volwassen mannen met onvolwassenen trouwen zou het aantal weduwen ook groot kunnen zijn. Van de districten met het relatief-grootste aantal gehuwde meisjes (zie boven blz. 44) hebben Pamotan, Koetoardjo, Kadjen, Pitoeroeh, Doro, Poerworedjo en Tjangkrep ook relatief veel weduwen (18 a 22% van de volwassen vrouwen). Er zyn echter ook districten als Poerwantoro en Gemolong met betrekkelijk veel gehuwde onvolwassenen en bijzonder weinig weduwen, maar hier is het vrouwenoverschot onder de volwassenen gering; misschien zy'n hier veel weduwen hertrouwd. Koetowinangoen en Premboen (zie boven blz. 43) tellen ruim 16 weduwen op de 100 volwassen vrouwen. Het geringste aantal weduwen tellen de beide in het Zuidergebergte gelegen regentschappen Goenoengkidoel en Wonogiri (onderscheidenlijk 11,7 en 12,4% van de volwas sen vrouwen). Ook Sragen (13,1%), Poerwokerto (13,9%), Kotta Mangkoenegaran (14,6%), Pemalang (14,7%), Poer balingga (14,7%) en Tjilatjap (14,9%) hebben lage cy'fers. Groot aantal weduwen in gemeenten en kottas. In de gemeenten en kottas is het weduwental groot (zie teksttabel No. 11 op blz. 56) ; percentages van 20 en meer zyn niet ongewoon, er zy'n er zelfs van 24 (Japara en Kottagede), van ruim 25 (Pati), van ruim 26 (Demak), van 29 (Rembang) en van 30% (Lasem). Is er een trek van weduwen van het platteland naar de stad? 3 ) Uit de volgende cyfers van Semarang, Jogjakarta en Soerakarta, de eenige steden waar de elders- J Volkstelling 1930, deel I, blz. 47. Volkstelling 1930, deel I, blzz. 38 en 48 en zie over de betrouw aHleid d er cijfers van Midden-Java, boven blz. 33. 3 ) Zooals in Nederland, zie Statistiek van Nederland No. 378 (volkstelling 1920) blz. 63. 48 geborenen naar leef tijdsgroep en burger lijken staat zy'n gesor teerd, blijkt, dat het percentage weduwen onder de geboortebe volking alleen in Soe rakarta aanmerkelijk lager is dan het per- centage weduwen onder de eldersgeboren vrouwen, maar aangezien omtrent het ty'dstip waarop de eldersgeboren vrouwen weduwe werden niets bekend is, valt uit deze cyfers omtrent een migratie van weduwen naar de stad niets af te leiden. De gescheiden vrouwen. De hoogste relatieve regent schapscy'fers van volwassen gescheiden vrouwen zyn aan merkelijk lager dan die van West-Java (tusschen 12 en 14 gescheidenen op de 100 volwassen vrouwen): Rembang telt in procenten van de volwassen vrouwen 10,2, Blora 9,8, Goenoengkidoel 9,8, Poerwokerto 9,7 en Wonogiri 9,6 geseheiden vrouwen. Van de districten zy'n te noemen Adjibarang (10,4%) in Poerwokerto, Panolan buiten de kot ta (10,1%) in Blora, Soelang (10%), Kragan (10,5%) en Sedan (11,1%) in Rembang, Batoeretno (10%) en Djatis rono (10,2%) in Wonogiri en ten slotte Semanoe (10,3%) en Wonosari (10,3%) in Goenoengkidoel. Het allerlaagste cy'fer, 4,8%, heeft Adikarto in Zuid- Jogjakarta. Overigens zy'n er nog 7 regentschappen met cyfers tusschen 5 en 6%; Temanggoeng, Bojolali, Peka longan, Klaten, Magelang, Batang en Semarang. In den regel hebben kottas en gemeenten hoogere cy'fers van gescheiden vrouwen dan de districten van hetzelfde regentschap. Uit de nevenstaande cy'fers van Semarang, Jogjakaita en Soera karta blykt, dat het percentage gescheiden volwassen vrouwen on der de in deze ste den geboren volwassen vrouwen lager is dan het percentage volwas sen gescheiden vrou wen onder de volwas- sen eldersgeboren vrouwen, maar aangezien omtrent het ty'dstip waarop de eldersgeboren vrouwen gescheiden waren niets bekend is, valt ook uit deze cy'fers niets met zekerheid te concludeeren. Aantal huwelijken en echtscheidingen in 1929, 1930 en 1931. In teksttabel No. 12 op blz. 57 zyn opgenomen nog nimmer gepubliceerde absolute en relatieve cyfers van het aantal huwelijken en echtscheidingen, die in ieder der jaren 1929, 1930 en 1931 door de Mohammedaansche godsdienstbeambten zy'n geregistreerd. In de laatste 6 kolommen zy'n de relatieve cyfers opge nomen, die vooral onze aandacht zullen trekken: le. het aantal echtscheidingen (minus de herroepingen) per 1 000 gehuwde mannen en 2e. het aantal huwely'ken per 1 000 zielen; de cy'fers van het zielental en van het aantal gehuwde mannen zijn van de Volkstelling 1930. Betrouwbaarheid dezer cijfers. Omtrent de betrouw baarheid dezer cijfers zy'n ons geen gegevens bekend. Volgens de mededeeling van verscheidene Regenten, zoowel van Midden-Java als van de Vorstenlanden, komt in hun ressorten de in enkele streken van West-Java 1 ) geconsta teerde gewoonte om echtscheidingen pas te rapporteeren wanneer de reeds verstooten vrouw een tweede huwelijk wenscht te sluiten, niet voor. Het aantal echtschei dingen. Uit het ne venstaand tabelletje blykt, hoe groot het aantal echtscheidingen in West-Java is in ver gelijking met dat in Midden-Java en de Vorstenlanden. Verband aantal gescheiden vrouwen en aantal echt scheidingen. Aangezien gescheiden vrouwen niet gemak kelijk hertrouwen, zou men uit het aantal by' deze Volkstelling getelde gescheiden vrouwen mogen afleiden, dat het aantal echtscheidingen in sommige streken groot of klein is. Waar dus veel gescheiden vrouwen zy'n moet het aantal echtscheidingen in den regel groot zijn. Hoewel de cy'fers van teksttabel No. 12 betrekking hebben op een periode van drie jaren en de cijfers van 1930 en 1931 bly'kbaar door den abnormalen economischen toestand zy'n beïnvloed, blykt toch in de regentschappen Poerwo kerto, Rembang en Blora die in Midden-Java het grootste relatieve aantal volwassen gescheiden vrouwen hebben, het aantal echtscheidingen ook groot te zy'n. Maar in de in het Vorstenlandsche Zuidergebergte gelegen regentschappen Wonogiri en Goenoengkidoel, die relatief nagenoeg evenveel volwassen gescheiden vrouwen tellen als Poerwokerto en Blora, zy'n veel lagere cijfers van het aantal echtscheidin gen, hoewel zij met de cijfers van het Soerakartasche regentschap Sragen de hoogste van de Vorstenlanden zy'n. De regentschappen Koetoardjo, Wonosobo en Demak (in 1929 en 1930) hebben hooge echtscheidingscijfers in ver houding tot het betrekkelijk geringe aantal gescheiden vrouwen. De regentschappen met het geringste relatieve aantal volwassen gescheiden vrouwen, Semarang, Magelang, Temanggoeng, Pekalongan, Batang, Bojolali, Klaten, Adikarto 3 ) en Koelonprogo hebben behalve Temanggoeng en Bojolali (speciaal in 1929), lage relatieve echt scheidingscijfers. Het aantal huwelijken. Ook wat het relatieve aantal huwelijken be treft heeft West-Java aanmerkelijk hoogere cijfers dan Midden- Java en de Vorsten landen. In 1929 varieerden de regentschapscijfers tusschen 25,5 (Rembang) en 11,13 (Soerakarta) ; in 1930 tusschen 24,08 (Rembang) en 8,78 (Koelonprogo); in 1931 tusschen 22,47 (Tjilatjap) en 9,52 (Koelonprogo). D e 1) Zie Volkstelling 1930, deel I, blz. 49. 2 ) Waar hier en in den volgenden tekst van het aantal echt scheidingen wordt gesproken wordt daarmee bedoeld: het aantal echt scheidingen minus het aantal herroepingen. 3 ) Adikarto is in teksttabel No. 12 samengevoegd met Pakoealam an ' De zeer lage absolute cijfers van laatstgenoemd regentschap zull eö echter de relatieve cijfers van Adikarto weinig vitiëeren. eyfers van Koelonprogo in 1930 en 1931 zijn maar weinig hooger dan de nuptialiteitscy'fers (aantal huwely'ken per 1000 zielen) van Europeesche landen als Duitschland (8,7), België (8,8), Frankrijk (8,3), Polen (9,7), Roemenië (9,2) i). § 13. Polygamie (Polyginie) 2 ). Aantal volwassen polygaam-gehuwde mannen. In deze Paragraaf zullen alleen besproken worden de cyfers van de volwassen polygaam gehuwde mannen, om dat er onder de on volwassen mannen in Midden-Java slechts 22, in Jogjakarta 3 en in Soerakarta 3 met meer dan één vrouw gehuwd waren. Het relatieve cijfer der volwassenen is in -Midden-Java en Jogjakarta hooger dan in West-Java en Soerakarta. De regentschapscy'fers zy'n het hoogst in Banjoemas ( 4 >5%), Batang (3,6%), Japara (3,6%), Pekalongan (3.4%), Adikarto (3,2%) en Kendal (3,2%). Hooge districtscy'fers. Van de districtscijfers zijn er '"aar twee, die meer dan 5 polygaam-gehuwde mannen op de 100 gehuwde volwassen mannen aanwijzen, namelijk "oerwaredja (5,6) en Banjoemas buiten de kotta (5,4), Q eiden in het regentschap Banjoemas gelegen. Cijfers tusschen 4 en 5 zy'n geconstateerd in Batang en bandar (Batang) ; Wiradessa en Kadjen (Pekalongan) ; "°dja in het regentschap Kendal; Bangsri in het regent s °hap Japara. De meeste polygaam-gehuwde mannen met twee vrou wen getrouwd. Uit de absolute cy'fers van tabel 16 blijkt, dat verreweg de mees te polygaam-gehuwde mannen met twee vrouwen getrouwd zijn. In het marginale ta belletje vindt men de cijfers van het percen tage volwassen poly- «aam-gehuwde mannen, die met 2 vrouwen getrouwd waren. Cy'fers tusschen 3 en 4% vinden wij in tal van districten: *»Toja (Tjilatjap), Soempioeh, Soekaradja (Banjoemas), °°miajoe buiten de kotta, Brebes buiten de kotta (Brebes), Balapoelang, Boemidjawa (Tegal), Soebah (Batang), buiten de kotta (Pekalongan), Tjomal. a n,joemoedal (Pemalang), Salaman, Salam (Magelang), *eleri, Kendal en Kaliwoengoe, allen buiten de kotta \*vendal), Mranggen (Demak), Petjangakan (Japara), (Bojolali), Kartasoera (Soerakarta), Poerwantoro (Wonogiri), Adikarto buiten de kotta (Adikarto). Lage cijfers. Beneden 1% zjjn de regentschapseijters van Keboemen, Rembang en Blora en de districtscijfers van Alihan en Keboemen buiten de kotta (Keboemen), Pati buiten de kotta en Djoewana (Pati), vrijwel alle districten en alle kottas van Rembang en Blora. De cijfers in de gemeenten en kottas. De cijfers van gemeenten en kottas zijn allen hoog in Banjoemas (4,5%), Boemiajoe (4,4%), Weleri (3,4%), Kendal (3,7%), Soerakarta (3%) en "Wates (3,2%). De gemeenten tellen 2 a. 2J/ 2 % polygaam-gehuwde mannen, Salatiga slechts 1,8%. Vergelijking met de cijfers van 1920. Het aantal poly iraam-gehuwde mannen in 1920 is niet gesplitst in volwassenen en onvolwassenen, zoodat alleen totalen bekend zyn. In alle gewesten is het percentage gehuwde mannen met meer dan één vrouw in 1930 hooger. Veel hooger is het in Jogjakarta. Zeer groot is de toename (in relatieven zin) in de Jogjasche regentschap pen Adikarto (van 1,49% in 1920 op 3,16% in 1930) en ook in de regentschappen Jogjakarta, Pakoealaman en Bantoel tezamen (van 1,29% in 1920 op 2,35% in 1930); veel geringer verschillen geven Goenoeng kidoel (1,21% in 1920 en 1,89% in 1930) en Koelonprogo (1,95% en 2,62%). Hieronder volgen de regentschapscijfers van Midden- Java en die van het Soerakartasche regentschap Klaten: X ) Alle cijfers zijn van 1930 en ontleend aan Aperju de la eoiographie des divers pays du monde (1931) blz. XXIII. In was het cijfer in 1930: 7,9: hetzelfde cijfer had Japan 111 1929. *) Zie tabel 16. 49 de residenties Pekalongan, Semarang en Japara-Rembang, aan de noordkust dus. Meer dan in West-Java zjjn zy in de gemeenten en kottas geconcentreerd, in Midden-Java voor 65,6%, in Soerakarta voor 67,1% en in Jogjakarta voor 7 3,2%, tegen West-Java 52%. In verscheidene de zer gemeenten en kot ta.'s maken zij dan ook een belangrijk percen tage van de totale bevolking uit, in het Rembangsche plaatsje Lasem zelfs ruim 26%. Opvallend zjjnde veel goyliigfefé" percentages uï~3i Vorstenlandsche hoofdplaatsen Soera karta. en Jogjakarta; Klaten echter heeft een vëül hooger verhou dingscnïer. Buiten de gemeente- en kotta-districten vindt men relatief de meeste Chineezen in de districten Djoewana (2,69%) in Pati en Parakan (2,45%) in Temanggoeng. Het geringst is hun a antal in de Vorstenlandsche regentschappen Koelonprogo (°>o9%), Goenoengkidoel (0,08%), Bojolali (0,25%) en Wonogiri (0,28%), en verder in de regentschappen Karang an jar (0,42%) en Demak (0,45%). Ook de andere Vreemde Oosterlingen (voor het meerendeel Arabieren) zijn zoowel in absoluten als rela tieven zin in Midden- Java en de Vorsten landen in geringer aan- tal aanwezig dan in West- en Oost-Java. Meer dan de helft van de in Midden- Java getelden wonen in de kotta Pekalongan (2 730 zielen), de gemeente Semarang (2 329 zielen) en de kotta Tegal (1260 zielen). Toch is er niet meer dan 78,76% in gemeenten en kottas geteld in Midden-Java; voor de Vorstenlanden waren de cijfers: in Jogjakarta 81,2% en ln Soerakarta 96,9%. Verdeeling van Inlandsche bevolking over steden en Matteland. Evenals in West-Java woont de Inlandsche e volking van Midden-Java en de Vorstenlanden voor me er dan 90% op het platteland. In Midden-Java is slechts 3,1% van de totale Inlandsche be volking in gemeenten, in Jogjakarta 7,9% in de kotta van dien naam en in Soerakarta 5,9% in de hoofdplaats geteld. Alleen deze enters zijn met die van 1920 te vergeleken: voor 1 idden-Java was dat 2,5%, voor Jogjakarta 7,4% en voor oer akarta 6,1%. Alleen in Soerakarta dus, is het cijfer ; in het algemeen zjjn de verschillen niet groot. eer gering is het percentage van de bevolking, dat once ntreerd is in steden met meer dan 100 000 in woners: Semarang, Jogjakarta en Soerakarta; van de meer dan 15 millioen zielen van Midden-Java en de Vorstenlanden is slechts 2,97% in die drie steden geteld, doch in 1920 nog minder: 2,63%. Van belangrijke beteekenis kan de bevolking van ge meenten of kottas voor het regentschap, waarin die plaatsen liggen, zijn, zoo bijvoorbeeld de gemeenten Semarang en Salatiga met de kotta : s Ambarawa en Oengaran waar ruim 33% van de bevolking van het regentschap Semarang is geteld, of de kotta Soerakarta waar ruim 30% en de kotta Jogjakarta waar ruim 27% van het zielental van het betrekkelijk regentschap ge concentreerd is. §4. De verhouding der geslac h t e n. ] ) Geslachtsverhouding bij de uitheemsche bevolkings groepen. De Europeanen hebben als regel een mannen overschot. De uitzonderingen hebben in de meeste ge vallen betrekking op zeer geringe absolute cijfers en zullen dan ook veroorzaakt zjjn door toevallige omstandigheden. De Chineezen hebben in enkele regentschappen waar zij in vrij grooten getale voorkomen vrouwenoverschotten, zoo bijvoorbeeld in Grobogan, Blora, Pati en Rembang; opmerkelijk is vooral het groote vrouwenoverschot in de kotta Lasem. Van de andere Vreemde Oosterlingen valt het vrouwenoverschot in het regentschap Pekalongan op. In de monografiën over Europeanen en Vreemde Ooster lingen zal dit onderwerp uitvoeriger behandeld worden. Vrouwenoverschot onder de Inlandsche bevolking. ()nder de Inlandsche bevolking is een vrouwenoverschot, dat in het gouvernement Soerakarta. het kleinst is. Geen enkel regentschap heeft het exorbitant-hooge vrou wenoverschot van Ga roet (1120 vrouwen op de 1000 mannen) in West-Java, maar wel zijn er vjjf distric ten (Slawi, Keboemen, Poerwoxedjo, Jogjakarta en Soerakarta) en niet minder dan 16 kottas en 1 gemeente in Midden-Java en de twee hoofdplaatsen Soerakarta en Jogjakarta in de Vorsten landen met een vrouwental van meer dan 1100, in het bekende stadje van batikker\jen Lasem van zelfs ruim 1 281 op de 1 000 mannen. Hoe het vrouwenoverschot ontstaat. In eenige Euro peesche landen doet zich het verschijnsel voor, dat, niet tegenstaande er meer jongens dan meisjes geboren worden, op de totale bevolking toch een vrouwensurplus ontstaat, dat dan alleen verklaard kan worden uit twee factoren: betere levenskansen van het vrouwelijk geslacht en groo tere deelneming van het mannelijk geslacht aan de migratie -)■ Jongensoverschot onder de geborenen. Een jongens overschot onder de geborenen in Midden-Java en de !) Zie tabellen 3 en 4. 2 ) Zie Dr. CA. Verrijn Stuart. Inleiding tot de beoefening der statistiek, (1928), deel I, blz. 170. Zie over het jongensoverschot onder de geborenen het interessante artikel van Mr. H. W. Metliorst in De Economist, 1923, blzz. 489 e.v. 5 CIJFERS VAN LEEFTIJDSGROEPEN VAN EENIGE DISTRICTEN, GEMEENTEN EN KOTTAS. FIGURES ABOUT AGE PERIODS OF SOME DISTRICTS, MUNICIPALITIES AND TOWNS. Teksttabel — Subsidiary table No. 7. 50 geksttabel No. 7 (vervolg). 51 Teksttabel No. 7 (vervolg). 52 AANTAL ONVOLWASSENEN EN VOLWASSENEN IN 1920 EN 1930 (RELATIEVE CIJFERS). NUMBER OF NOT FULL-GROWN PERSONS AND ADULTS IN 1920 AND 1930 (RELATIVE NUMBERS). Teksttabel — Subsidiary tablc No. 8. 53 INDEELING DER BEVOLKING VAN 1920 EN 1930 NAAR DEN BURGERLIJKEN STAAT (RELATIEVE CIJFERS) RELATIVE NUMBERS OF THE CIVIL CONDITION IN 1920 AND 1930. Teksttabel — Subsidiary table No. 9. 54 INDEELING DER VOLWASSENEN NAAR DEN BURGERLIJKEN STAAT. (RELATIEVE CIJFERS). CLASSTFICATION OF THE ADULTS ACCORDING TO CIVIL CONDITION. (RELATIVE NUMBERS) Teksttabel — Subsidiary table No. 10. 55 CIJFERS VAN DEN BURGERLIJKEN STAAT VAN VOLWASSEN MANNEN EN VROUWEN IN GEMEENTEN EN KOTTAS. CIVIL C ON DIT lON OF THE POPULATION IN MUNICIPALITIES AND TOWNS. Teksttabel — Shtbsidiarg table No. 11. 56 HUWELIJKEN EN ECHTSCHEIDINGEN IN 1929, 1930 EN 1931 MET VERHOUDINGSCIJFERS GEBASEERD OP CIJFERS VAN DE VOLKSTELLING 1930. MARRIAGES AND DIVORCES IN 1929, 1930 AND 1931 WITH PROPORTIONAL NUMBERS, BASED ON THE FIGURES OF THE CENSUS OF 1930. Teksttabel — Subsidiary table No. 12. 57 HOOFDSTUK VI. SAMENWONING. *> §1. Inleiding. In dit hoofdstuk vindt men verzameld en toegelicht de gegevens omtrent den aard der woonhuizen en omtrent de gezinshoofden. In tabel No. 20 is opgenomen het aantal bewoonde steenen huizen, huizen met permanente daken en alle andere huizen, doch alleen de huizen waarvan de hoofd bewoner Inlander was. In tabel No. 21 zyn de relatieve cijfers van dezelfde soorten van huizen bijeengebracht. Onder huizen worden alleen verstaan bewoonde huizlen en gebouwen (ook gestichten, internaten, pesantrèn's), woonvlotten of woonvaartuigen, dus niet: leegstaande of nog niet voltooide huizen. Een steenen huis is een huis waarvan de omwanding geheel of voor het grootste gedeelte uit steenen is opgetrokken. Een huis met een permanent dak is een niet-steenen woning, waarvan het dak geheel of voor het grootste gedeelte uit pannen of zink bestaat. Een steenen woning met een dergelyk dak valt dus onder het begrip: steenen woning. De derde groep omvat alle andere huizen, ook woonvlotten en -vaartuigen. De definitie van „hoofdbewoner" behoefde geen verdere toelichting. De mogelijkheid bestaat, dat in de bovenbe doelde woningen niet-Inlanders huisden. Evenzoo kunnen in een huis waarvan een niet-Inlander de hoofdbewoner is, Inlanders (bijv. bedienden) aangetroffen worden. De uitkomsten van de woningtelling kunnen als een „nevenproduct" van de Volkstelling worden beschouwd. Zy beantwoorden dus allerminst aan de eischen van een woningstatistiek zooals die van de gemeente Semarang 2 ). In de tabellen Nos. 17, 18 en 19 vindt men allerlei absolute en relatieve cijfers van de gezinshoofden. Onder gezinshoofd wordt verstaan hij of zij, die hoofdkostwinner (-kostwinster) is voor zijn (haar) gezin. Woont dus een vader of moeder bij zijn (haar) volwassen, gehuwde(n) of ongehuwde(n) zoon (dochter) in, dan kan de zoon (dochter) gezinshoofd zyn. Omgekeerd kan de vader of moeder gezinshoofd zyn, wanneer een volwassen, gehuwde of ongehuwde zoon of dochter by hem (haar) inwoont. Aangezien op den Volkstellingsdag alleen de feitelijk aanwezige bevolking geteld werd, kon in gezinnen waarvan de hoofdkostwinner zich op dien dag elders bevond, dus geen hoofd genoteerd worden. Zoo kon zich dus het geval voordoen, dat ergens een gezinshoofd werd geteld wiens gezin zich elders bevond. Werden in een huis meerdere gezinnen, ieder met eigen kostwinners, aangetroffen, dan dienden natuurlijk meerdere gezinshoofden in die woning geteld te worden. Alleenwonenden, die niet de hoofdkostwinner van een gezin waren en personen, die één jaar of langer gevangenisstraf ondergingen, werden niet als gezinshoofd beschouwd. Personen, die slechts in het onderhoud van een gezin bijdroegen, derhalve geen hoofdkostwinner waren, mochten niet als gezinshoofd geteld worden. De uitkomsten hebben uitgewezen, dat ook wel onvol wassenen als gezinshoofd zy'n beschouwd. Vermoedelyk zullen deze gronden of andere bezittingen verworven hebben, uit welker opbrengst bun mede-gezinsleden werden onderhouden. Deze Volkstelling geeft voor het eerst cijfers van gezins hoofden. De bedoeling der Commissie voor de Volkstelling 1930 was „om iets te weten te komen omtrent het gezin of de familie, omdat die samenwoningseenheid demogra phisch en sociologisch vooral hier te lande van eminente beteekenis is" 3 ). De lezer zij er echter op voorbereid, dat de cijfers meer betrekking hebben op de gezinskostwinners dan op de gezinnen zelve. Men stelle zich dus niet voor straks gegevens te zien omtrent gezinssamenstelling (het aantal kinderen, personen in dienstbetrekking, huurders, kost kinderen), gezinsomvang (die aanwijzingen kan geven omtrent de huwelijksvruchtbaarheid, de sterfte, het wegtrekken van kinderen enz.) en gezinstypen (normale type van gezin; kinderlooze gezinnen, ouderlooze gezinnen, enz.). Evenmin verwachte men cijfers van „personen niet in gezinnen levenden", van alleenwonenden, dus. Wie maar eenigszins bekend is met de ingewikkelde familieverhoudingen en gezinssamenstelling in deze landen zal begrypen, dat de tijd nog niet gekomen is, om hier aan een gezinsstatistiek zooals die in Nederland 4 ), waar zij, naar de meening van C. A. Verren Stuart 5 ), zelfs nog weinig ontwikkeld is, te beginnen. lets zal alleen gezegd kunnen worden van de gemiddelde grootte van een gezin en het aantal gezinnen. Dit laatste gegeven krijgt echter pas waarde wanneer het vergeleken kan worden met dat van vroegere volkstellingen; clan kan bijv. verband gezocht worden tusschen relatieve verminde ring of vermeerdering van gezinnen en de veranderingen in de cijfers van de gehuwden. Een enkel woord over het begrip: gezin. In Nederland heeft men bij de beide jongste Volkstellingen onder gezin verstaan: „allen, die samenwonen of geacht worden samen te wonen d.i. met elkander het huiselijk verkeer te dee len" 6). Het Nederlandsch-Indische Volkstellingskantoor volstond met een definitie van gezinshoofd, maar bedoelde wel het gezin als een samenwoningseenheid te beschouwen. Toch zal het in de praktijk herhaaldelijk zijn voorgekomen, dat de groep van door den hoofdkostwinner verzorgde personen niet met dien kostwinner, of, dat de leden der groep onderling niet met elkander samenwoonden. Ook kan zich het geval voordoen, dat in één woning twee of meer gezinnen ieder met een kostwinner huisden. Desniettemin zullen, vooral op het platteland verreweg de meeste dezer groepen van verzorgden ook wel samenwonings eenheden zijn. 2 ) P. Michel. Woningregistratie te Semarang. Locale Belangen, 19S0, 17e jaargang, blzz. 306—321. 3 ) Eerste nota nopens de grondslagen der in 1930 hier te lande te houden volkstelling, blz. 50. 4 ) Statistiek van Nederland No. 378 (volkstelling 1920) blz. 5 2 e.v.; zie ook F. Burgdörfer. Das Bevölkerungsproblem, seine BrfaS' sung durch Familienstatistik und Familienpolitik (1917). 5 ) Dr. C. A. Verrijn Stuart. Inleiding tot de beoefening der Statistiek, deel I, 1928, blz. 198. 8 ) Definitie gezin in model K. van de lle volkstelling in Neder land. §2. De betrouwbaarheid der cyfers. Het percentage huizen waarvan onbekend is tot welke groep zy behooren, is in de gewesten Midden-Java, i) Zie tabellen Nos. 17 t/m 21. 58 59 Jogjakarta en Soerakarta beneden 1%, d.i. lager dan in West-Java (ruim 1%) ; tot deze groep behooren alle gestichten, die de tellers niet geclassificeerd hebben. Het hoogst is bedoeld percentage in de regentschappen Karang an Jar, alle regentschappen van de residentie Pekalongan en het regentschap Magelang; over het algemeen zy'n de Cl Jfers in gemeenten en kottas hoog. De telling van de gezinshoofden moet wel op verschillen de bezwaren gestuit zy'n. De grootste moeite zullen de tellers wel gehad hebben in gevallen, dat in één huis meerdere kostwinners waren. Vormden dan inwonende jonggehuwde paren een zelfstandig gezin ? Was de weduwe 01 gescheiden vrouw, die met haar gezinnetje by' anderen 111 woont zelf hoofdkostwinster of niet? En dan was er de moeilijke vraag of gehuwde mannen, dle hun gezin achterlieten, en of gehuwde vrouwen wier bannen elders (byv. in de Buitengewesten) woonden, al °* niet hoofdkostwinner (hoofdkostwinster) waren. De fouten, die eventueel met de beantwoording van deze dragen zijn gemaakt, zullen weinig invloed op de cijfers gehad hebben, doch uit de straks nader te bespreken cijfers au enkele districten van de regentschappen Pekalongan Paninggaran, Pekalongan v.z.v. buiten de gemeente gele gen en misschien ook Kadjen en Doro) en Pemalang Utandoedongkal, Banjoemoedal, Watoekoempoel) zou men boeten opmaken, dat daar de tellers zich weinig aan de oorschriften hebben gehouden. §3. Woningen. 1 ) " e cijfers van de gewesten. In het nevenstaand tabel- letje zy'n de relatieve cyfers van het aantal steenen woningen, wo ningen met permanen te daken voorzien en overige woningen ver meld. Opmerkely'k is lo het groote aantal van permanente daken voorziene woningen in Soerakarta en 2o het in verhouding tot West- 11 Midden-Java groote aantal steenen woningen in de Vorstenlanden. Veel huizen met permanente daken in het pestgebied. at het gouvernement Soerakarta zoo veel woningen met Permanente daken telt is toe te schrijven aan de ter be rijding van de pest alhier uitgevoerde woningverbetering, andaar dan ook, dat in de Klatensehe districten Gondang mangoen en Djatinom en in de Bojolalische districten m Pel, Bojolali buiten de kotta, Banjoedono, Temon en aranggede meer dan 80%, in Djatinom, Bojolali, Ampel Karanggede zelfs meer dan 90% der huizen van daken zijn voorzien. °k in andere streken waar de pest heerscht of heerschte a en wij zulke hooge cy'fers. In de Temanggoengsche rieten, bijvoorbeeld, zy'n bijna alle huizen met perma e daken bedekt; evenzoo in alle Magelangsche distric , °P Salam na waar echter toch 79% van de huizen tot bedoelde groep behoort; ook in de Semarangsche districten Ambarawa en Salatiga v.z.v. zy buiten de kotta liggen en Tengaran. In Wonosobo zijn de cyfers veel lager, in drie districten tusschen 70 en 80%, in Leksono 57,5% en in Ngadisono waar bijna geen pest is geconstateerd 36,8%. In Bandjarnegara is het cy'fer van Batoer het hoogst (90,1%), daarop volgen Bandjarnegara (74,1%), Karang kobar (66,3%) en Wanadadi (52,2%). In de tegen den Merapi gelegen Jogjasche districten Sleman (42,6%), Kalasan (48,4%) en Mlati (40,6%) waar de woningverbetering pas begonnen is en de pesthaarden zich tot enkele hooggelegen onderdistricten beperkten, zijn de percentages beneden de 50. In het Zuid-Pekalongansche gebergte is in 1925 de woning verbetering begonnen 2 ) ; hier is het percentage huizen met permanente daken in enkele districten als Doro, Paning garan, Bawang, Boemidjawa, Banjoemoedal, Watoekoem poel zeer laag, beneden 6%, in Paninggaran zelfs beneden 0,5%; in Bandar telt men 26% van deze huizen. Hooger zijn de percentages in Zuid-Brebes bijv. Boemiajoe buiten de kotta (62,7%), Bandjarardja (50%) en Bantarkawoeng (30%). Andere streken met veel huizen met permanente daken. Buiten de genoemde streken is de permanente dakbedekking ook zeer verbreid in de regentschappen Blora en Rembang, vooral in Blora waar buiten het district Randoeblatoeng (met 84,6% huizen met permanente daken) byna geen huis zonder die dakbedekking is. In Rembang loopen de cy'fers nog al uiteen: de districten Sedan en Pamotan hebben de hoogste cyfers, tusschen 80 en 90%, dan volgen Soelang (70,7%), Binangoen buiten de kotta (75,9%), Kragan (79,3%) en ten slotte Waroe buiten de kotta (51,9%). Hoog zy'n de cy'fers (tusschen 80 en 100%) ook in Grobogan behalve in Manggar en Singenkidoel. Men zou zeker geen hooge cy'fers (tusschen 80 en 100%) verwachten in het in het Zuidergebergte gelegen regent schap Wonogiri (en' in het daaraan grenzend district Djoemapolo van Kotta Mangkoenegaran). In Wonogiri schy'nen vroeger veel voorkomende brandstichtingen 3 ) oorzaak geweest te zy'n, om de daken van atap door die van pannen te vervangen. In Djoemapolo schynt deugde lijk materiaal voor pannen beschikbaar te zy'n 4 ). Dat het Keboemensche district Alihan een hoog percen tage (81,3%) heeft, behoeft ons niet te verwonderen; hier ligt immers Soka, een bekend centrum van pannenfabricage. Waar veel steenen woningen voorkomen. Steenen woningen komen het meest voor in de regentschappen Klaten (bijna 1!)', i. Bantod (ir>,G r ; ), Keboemen (12,1-%) en Tegai (11,9%); daarop volgen Koedoes (9,8%) en J Koetoardjo (6,7%). " Heel hooge districtscü.fers hebhen Klaten buiten de kotta (:'.:;.s<7 )en Keboemen buiten de kotta (33,4%). Cijfers van 20% en hooger hel)ben Delanggoe (25,7%) in Klaten, Pandak_ (21,5%1_en_ Kebonongan (2"ÏJ,7%) m BaïïtöëTën -Kiïïwërno (20%) in Tegal; cpers tusschen 10 en 20%: Bantoel (16%), Imogiri Solo (15,2%), Kottagede Solo buiten de kotta (13,6%), Kottagede Jogja buiten de kotta 2) In 1925 is men in het district Bawang begonnen, in 1927 in Balapoelang, in 1928 in Boemiajoe en Bandar, in 1929 in Paning garan en in 1930 in Doro. 3 ) Mededeeling van den Eegent van Wonogiri. *) Mededeeling van den Eegent van Kotta Mangkoenegaran. z ie tabellen 20 en 21. 6 Vorstenlanden is wel waarschijnlijk, doch staat met de weinig betrouwbare geboortecijfers niet positief vast. Op een vraag aan alle Regenten in Midden-Java en de Vorstenlanden omtrent de geslachtsverhouding der ge borenen in 1929, 1930 en 1931 werd geantwoord, dat in 1929 5 regentschappen (Tegal, Japara, Temanggoeng, Semarang en Jogjakarta), in 1930 10 regentschappen (Poerworedjo, Tegal, Magelang, Japara, Pati, Rembang, Brebes, Soerakarta, Jogjakarta, en Bantoel) en in 1931 7 regentschappen (Japara, Rembang, Temanggoeng, Poer balingga, Pemalang, Wonosobo en Jogjakarta) van de 37 regentschappen een meisjesexcedent onder de geborenen hadden. Opvallend is, dat juist in het jaar van de Volks telling (1930) dit verschijnsel verbreid was over meer dan 14 van het aantal regentschappen en dat het zich alle drie jaren in twee regentschappen, Japara en Jogja karta. voordeed. Invloed van de migratie. Neuten de mannen meer deel aan de migratie dan de vrouwen? Die vraag is, gelijk in hoofdstuk IV zal blijken, alleen te beantwoorden v.z.v. zij de migratie van op 7 October 1930 getelde personen, die buiten hun district van inwoning zijn geboren, betreft. Dat wil dus zeggen, dat alleen cijfers bekend zijn van migratie van op bedoelden datum nog levende personen. ïligratie-cijfera van weggetrokken personen, die vóór den boyengenoemden datum overleden zijn, ontbreken. Bovendien is van het aantal emigranten alleen maar dat aantal bekend, dat van zh'n geboortedistrict verhuisde naar zijn woondistrict ergens in Midden-Java, Vorsten landen en West-Java; het aantal naar Oost-Java en de Buitengewesten geëmigreerden is dus voorloopig nog onbekend. Bovendien is het niet uitgesloten, dat vele geëmigreerde mannen overleden zy'n. Er kan dus nog niet met zekerheid vastgesteld worden in hoeverre de vrouwenoverschotten van oud-Bagelen, van de districten Tandjoeng en Brebes, van eenige Tegalsche districten, van enkele Vorstenlandsche districten aan een groote emigratie van mannen is toe te schrijven. Met meer zekerheid kan gezegd worden, dat de groote vrouwenoverschotten van de kottas en de Vorstenland sche hoofdplaatsen en ook van de districten waar die plaatsen in liggen hoofdzakelijk verband houdt met een groote trek van vrouwen naar die steden. Betere levenskansen van de vrouw. Of de mortaliteit onder de vrouwen geringer is dan onder de mannen is al evenmin met cyfers aan te toonen. Indien er inderdaad meer jongens dan meisjes worden geboren, dan zou uit het feit, dat tal van districten met een vrouwenoverschot, dat zeer waarschijnlijk niet een gevolg van de migratie kan zijn (in Boemidjawa van Tegal, in Tjomal van Pemalang, in Kadjen van Pekalongan, 0111 enkele voorbeelden van districten met zeer groote vrouwenoverschotten te noe men), wel af te leiden zyn, dat de vrouwen een betere levenskans hebben. Ook is uit het in hoofdstuk V te bespreken cijfermateriaal van de leeftijdsgroepen af te leiden, dat in de meerderheid van de districten zelfs al onder de zuigelingen een meisjes overschot bestaat. Dit verschijnsel zou — alweer veronder stellende, dat onder de geborenen een jongensoverschot is — er op wyzen, dat de zuigelingensterfte meer slachtoffers onder de jongens dan. onder de meisjes telt. De vraag is of in enkele streken ingeval van epidemieën de mannen niet een betere levenskans hebben. In de rap porten van de volkstellingen in Britsch-indië meent men de mannenoverschotten, die daar veel voorkomen, te moeten toeschrijven aan een grootere mortaliteit van vrouwen in streken waar malaria, pest en influenza heerschen x ). Uit de beschikbare cijfers van aan pest gestorven mannen en vrouwen in Temanggoeng blijkt, dat in het algemeen de mannensterfte grooter is dan de vrouwensterfte. Of de malaria in de verschillende malariahaarden van Midden- Java en de Vorstenlanden meer slachtoffers onder de vrouwen dan onder de mannen maakte, staat niet vast. -1 Er is ook geen cijfermateriaal, dat de veronderstelling van de Regenten van Pekalongan en Wonosobo, als zou den de vrouwen in bergstreken wegens zwaren arbeid een grootere sterftekans hebben dan mannen, zou kunnen bevestigen. Waar het vrouwental gering is. Het is een zeer opmer kenswaardig verschijnsel, dat in niet minder dan 37 (d.i. ongeveer 20%) van de 173 districten van Midden-Java en de Vorstenlanden een mannenoverschot of een zeer gering vrouwenoverschot geconstateerd is, namely'k in drie van de vier districten van het regentschap Tjilatjap, in het district Karangkobar van Bandjarnegara, in vier districten van de residentie Pekalongan, Doro, Paninggaran, Bawang en Bandar, in twee Kendalsehe districten, Selokaton en Bod ja, in bijna alle districten van do regentschappen Temang goeng en Wonosobo, in Karimoendjawa (Ja para), Tajoe in Pati, Oengaran en Ambarawa in Semarang, Mranggen in Demak, in vier van de zes districten van Grobogan, nl. Singenk i d o e 1, Mang gar, Poerwodadi en Grobogan, verder Kragan in Rembang, vier Sragensche districten Ges i, Gem 0 long, Gondang en Masaran, de Bojolalische districten Karanggede en Temon en ten slotte Karangpandan, Karanganjar en Djoema polo in kotta Mangkoenegaran en Wonogiri in Wonogiri. Het geringste vrouwental hebben Karimoen djawa met ruim 914, Tjilatjap met bijna 963 en het Temanggoengsche Tjandiroto rriet ruim 964 vrouwen op de 1 000 mannen. Geslachtsverhouding dezer districten in vroegere jaren. In 1920 hadden verscheidene dezer districten eveneens een gering aantal vrouwen, hoewel over het algemeen meer dan in 1930. Ook in 1905 zijn in Karangkobar, Doro, Bawang, Leksono, Kaloran, Tjandiroto, Grobogan en in eenige Soerakartasche districten lage cijfers gevonden; Paningga ran, Bandar, Parakan, Selokaton, Manggar hadden een vrouwenoverschot van 20 a 30 op de 1 000 mannen, Oenga ran zelfs 32 en Poerwodadi byna 64. 3 ) 1) Zie Census of India, 1911, vol. I, part I, blzz. 211—212 en Cencus of India, 1921, vol. I, part I, blzz. 145—146. 2 ) Bij de malariaepidemie van April tot Juni 1932 zouden il Gemolong en Masaran (Sragen) meer mannen dan vrouwen over leden zijn. (Mededeeling van den Gouvernementsarts). De Kegent van Bandjarne'gara deelt mede, dat, volgens de bevolking, in Karangkobar bij de hevige dysenterie-, pest- en malariaepidemieën van 1923—1928 de sterfte onder vrouwen en kinderen het grootst was. 3 ) Van de districten Sapoeran, Ngadisono, Kragan, Mrangge ll ' Djoemapolo en Temon zijn de cijfers van de gcslachtsverhouding i n 1905 niet berekend, omdat die districten onder dien naam in dat jaar niet bekend waren of aan de grenzen veel gewijzigd is. 60 (12,9%) en Godejan (11,7%) in Bantoel, Gondangwi nangoen (16%) in Klaten, Pedjagoan (11,8%) in Karang anjar, Tegal buiten de gemeente (12,2%), Pangkah (10,6%) en Balapoelang (10%) in Tegal, Koedoes buiten de kotta (12,7%) en Tjendono in Koedoes (14,6%). Waar weinig steenen huizen en weinig huizen met permanente daken zijn. Van de derde groep huizen, die niet van steen zy'n opgetrokken en geen permanente daken hebben zy'n er relatief het meest geteld in de regent schappen Pekalongan, Batang, Kendal, Demak, Koedoes, Japara, Pati, Tjilatjap, Poerbalingga en Adikarto. Buiten deze regentschappen zy'n nog hooge cijfers gevonden in Zuid-Pemalang, zelfs ook in Tjomal, waar 93,5% der huizen tot de bovengenoemde groep behoort, de districten Soem pioeh en Soekaradja buiten de kotta (ieder bijna 78%) in Banjoemas, het Karanganjarsche Rowokele (75,4%) en het Tegalsche Djatinegara (76,4%). De woningen in de gemeenten en kottas. Totnogtoe was alleen sprake van huizen op het platteland. In de gemeenten en kottas is in den regel het relatieve aantal huizen met permanente dakbedekking grooter dan op het platteland behalve, natuurlyk, in het gebied waar de pest heerscht of geheerscht heeft en in stad en land maar weinig huizen zonder permanente daken zy'n (Magelang, Temang goeng, Salatiga, Oengaran). Hooge cyfers van dit soort huizen hebben ook Tjepoe, Blora, Poerwodadi en Sragen; cijfers tusschen 80 en 90% hebben Poerworedjo, Boemiajoe, Ambarawa, Rembang, Lasem, Jogjakarta en Soerakarta. Lager is het cy'fer van de gemeente Semarang waar byna 77% van de huizen van de bedoelde daken zy'n voorzien, iets minder dan in Wonosobo (79,6%). Hierop volgen: Brebes (65,2%), Wates (62,1%), Keboemen (58,6%), Tegal (56,8%), Slawi (58%), Poerwokerto (50,1%). Zeer laag zijn de percentages van Batang (6,5%), Kedoeng woeni (8,4%) en Pati (13,8%). De steenen woningen zy'n in groot aantal geteld in de twee bekende stadjes met rijke handelaren Kottagede, waar byna de helft (46,3%) van de huizen van steen zyn, en Koedoes (25,6%), verder Klaten (37,8%), Tegal (32,6%), Keboemen (36,9%), Koetoardjo (26%), Slawi (25,7%). Daarop volgen eenige kottas met meer dan 10% van deze huizen: Boemiajoe (12,5%), Brebes (11,5%), Kedoeng woeni (10,7%), Ambarawa (10,3%), Jogjakarta (10,1%), en één gemeente, Pekalongan (12,3%). Opvallend laag zijn de cy'fers van Semarang (5,1%) en Magelang (4,9%). De kottas waar het grootste percentage huizen nog niet van steen is of nog niet van een permanente dakbedek king voorzien is, zijn: Batang (86,9%), Kedoengwoeni (80,3%), Pati (80%), Kendal (75,7%), Tjilatjap (73,5%), Pekalongan (67,9%), Soekaradja (60,8%), Kaliwoengoe (60,6%), Poerbalingga (57,5%), Japara" (50,8%) en Koe does (50,2%). §4. Het aantal zielen per huis. hoofdbewoner is). Maar geen zuiver beeld! Allereerst al, omdat Inlanders (bijv. bedienden) ook wel in „niet-In landsche huizen" (d.w.z. huizen waarvan de hoofdbewoner een niet-Inlander is) wonen. In de tweede plaats kan, speciaal in groote steden en kottas, het aantal inwoners van een Inlandsen huis zeer uiteenloopend zijn. Men denke eens aan het verschil in inwonertal van een krot of een hut eenerzyds en van een kazerne of internaat anderzijds. De aanwezigheid van deze laatste inrichtingen kan het gemiddelde cijfer zeer vitiëeren. In de derde plaats kan een groot aantal tijdelijk-aanwezigen of tijde lijk-afwezigen veroorzaken, dat men geen zuiver denkbeeld kry'gt van het aantal in normale omstandigheden in een huis wonende personen. Waarde van het cijfer. In tabel No. 21 vindt men het gemiddelde aantal zielen per huis. Dit cijfer is verkregen door het zielental van de Inheemsche bevolking te deelen door het aantal huizen waarvan de hoofdbewoner een Inlander is. Men heeft dus zoo een beeld van het ge middeld aantal Inlandsche bewoners van een „Inlandsen huis" (juister gezegd: een huis waarvan een Inlander de Nu laten deze factoren hun storenden invloed het sterkst gevoelen in groote gemeenten en enkele kottas, waar groote inrichtingen als kazernes, koelie-pondok's en internaten zy'n, waar vele Inlandsche bedienden bij Euro peanen inwonen en waar een va-et-vient van koelies, gasten, kostgangers enz. is. Veel meer waarde heeft het bedoelde gemiddelde cy'fer dus voor het platteland. hooger dan in West- Java. De cijfers van de gewesten. Het gemiddeld aantal inwoners per huis is in Midden-Java en Vorstenlanden Hooge cijfers. Een gemiddelde van 6 en ruim 6 inwoners per huis, dat nergens op het platteland in West-Java voorkomt is hier in eenige districten aangetroffen: Tandjoeng en Brebes buiten de kotta in Brebes, Tegal buiten de gemeente, Adiwerno, Balapoelang, Pangkah, Soerodadi in Tegal, Watoekoempoel in Pemalang; en ook in drie gemeenten en eenige kottas: Brebes, Tegal, Slawi, Pemalang, Pekalongan, AVonosobo, Magelang, Koedoes, Sragen en Klaten. Cijfers tusschen 5 en 6 zy'n in tal van districten en kottas geteld. Lage cijfers. Het eenige regentschapsgemiddelde, dat be neden het cy'fer 4 is, is dat van Demak (3,94). De districten Grogol, Demak buiten de kotta en Samboeng in dit regent schap en Karimoendjawa in Japara zy'n de eenige van Midden-Java en Vorstenlanden waar men gemiddeld min der dan 4 menschen per huis telt. §5. Vergel ij kingen met de cyfers van 1920 i). Toename van huizen in de gewesten. Sinds 1920 i s het aantal woningen in de gewesten Jogj a ' karta en Soerakartu het sterkst toegenomen veel sterker dan IJI West- en Midden-Java. Verband tusscheo huizen-toename en bevolkingstoename. De toename van het aantal huizen houdt natuurlijk verband met het *) De cijfers van 1920 betreffen een ressort gelijk aan dat va» 1930 met uitzondering van de cijfers der gemeenten en kottas. bevolkingsaecres. Hieronder de regentschapscy'fers van °eide soorten van accres: Ift de meeste regentschappen is (in tegenstelling met * est-Java) het aantal huizen meer toegenomen dan het z jelental. Opmerkelijke uitzonderingen op dezen regel 'Ju de cijfers van de regentschappen Pekalongan, Klaten, Br ebes, Semarang, Kendal. " Toename van verschillende soorten van huizen. In het *°%ende tabelletje vindt men de percentages van toename va n de drie soorten van huizen in de gewesten: Het deeres van het aantal steenen huizen in Midden av a is een gevolg van het groote deeres van dat soort huizen in Temanggoeng (in 1920: 24 961 en in 1930: 360). Daar zijn, namelijk, ter bestrijding van de pest vele met ongebakken steenen gebouwde hui zen (blijkbaar een ty pische bouwwijze van deze streek) in andere huizen omgezet. In dien men het aantal steenen huizen van Te manggoeng niet mee rekent, dan zou in Mid- den-Java een gering accres (van 55 742 op 56 645) te eonstateeren zijn, geringer dan dat van de Vorstenlanden. Ook de huizen met permanente dakbedekking zijn in de beide Vorstenlandsche gouvernementen belangrijk in aantal toegenomen; Klaten heeft een zeer hoog accres, maar ook in andere regentschappen van Soerakarta (Bojolali en misschien ook Wonogiri) zal het aantal van dit soort huizen sterk vermeerderd zijn. De derde groep van woningen blijkt in alle gewesten in aantal afgenomen te zijn, vooral, alweer, in de Vorsten landen. Eenige regentschapscijfers van Midden-Java. Het aan- tal steenen huizen is, behalve in Temang goeng ook in enkele andere regentschappen afgenomen. De toena me van het aantal steenen huizen is in vele regentschappen relatief hoog; de abso- lute cy'fers zijn echter natuurlijk meestal laag. In het hiernevenstaande tabel - letje zijn eenige hooge absolute cyfers ver meld. Opmerkelijk is de toename in Japara. Ook in Koedoes is men tusschen 1920 en 1930 vele steenen huizen gaan bouwen. Gering is de toena me van het aantal steenen huizen in Tegal (van 12 036 op 12 983) en in Magelang (van 1382 op 1540). Dat de permanente dakbedekking meer in zwang is gekomen, blijkt uit de algemeene toename van het aantal huizen met die bedekking. Het ge ringst blijkt dit accres te zy'n in de regent schappen Poerbaling ga, Pekalongan, Rem bang en Blora. Hier is het accrespercentage niet hooger dan 20. De hoogste relatieve accrescijfers zijn gevonden in de volgende regentschappen: — Met de regentschappen Bantoel en Pakoealairum. 61 Aantal inwoners per huis in 1920 en 1930. Het gemid deld aantal inwoners per huis is in ieder der gewesten blykens het marginale tabelletje in de perio de 1920—1930 niet gewijzigd. De regent schapscy'fers geven wel verschillen te zien. De grootste verschillen ge- ven de cy'fers van de in de nevenstaande tabel opgenomen regentschappen te zien; van de 11 regentschappen hebben er maar drie een hooger eyfer in 1930: Brebes, Semarang en Klaten: § 6. Gezinshoofden 1 ). Meer mannelijke dan vrouwelijke gezinshoofden. Er stenlanden. zijn veel meer manne lijke dan vrouwely'ke gezinshoofden, gelyk uit het nevenstaand tabelletje blykt. Rela tief het grootst is het aantal mannclyke ge zinshoofden in de Vor- Regentschappen met de hoogste percentages vrouwelijke gezinshoofden. Het grootste relatieve aantal vrouwelijke gezinshoofden is geteld in de regentschappen Poerworedjo (17% van alle gezinshoofden), Demak (16,2%), Japara (15,6%), Rembang (14,9%), Tegal (14,5%) en Karang anjar (14,1%). In West-Java gaan deze hooge percentages samen met een groot relatief aantal weduwen en gescheiden vrouwen, die onder de vrouwelijke gezinshoofden aldaar een belang rijk percentage uitmaken. Ook in de bovengenoemde regentschappen van Midden-Java is, met uitzondering van Tegal en Karanganjar, het aantal niet-meer-gehuwde vrouwen groot. Maar er zyn ook regentschappen met veel niet-meer-gehuwde vrouwen en betrekkelijk weinig vrou welijke gezinshoofden, zoo byv. Pati waar 13,3% van de gezinshoofden van het vrouwelijk geslacht is, Blora waar dit percentage 12,9 is, Koedoes met 12%, Kendal met 13,6% en Koetoardjo met 13,4%. In deze regentschappen treedt dus een belangrijk percentage van weduwen en gescheiden vrouwen niet als hoofdkostwinster van ande ren op. Waar weinig vrouwelijke gezinshoofden zijn. De regent schappen met het geringste aantal niet-meer-gehuwde vrouwen, Bojolali, Sragen, Kotta Mangkoenegaran en Koelonprogo hebben ook een gering percentage vrouwe lyke gezinshoofden (8,4 tot 11,3%) ; gering is dat per centage ook in Bandjarnegara en Goenoengkidoel, die ook betrekkelijk weinig gescheiden vrouwen en weduwen tellen. Weinig vrouwelijke gezinshoofden in gemeenten en kotta s. In gemeenten en kottas is het percentage vrou welijke gezinshoofden laag; de meeste cijfers schommelen tusschen 8 en 13%, zeer laag is het cyfer van Tjilatjap (5,3%) en bijzonder hoog (boven het Midden-Java-gemid delde) zy"n de cyfers van Oengaran (14,8%), Demak (18%), Rembang (17,1%), Lasem (16,5%), Haten (15,4%), Bojolali (14,7%), Kendal (14,5%), Kedoeng woeni (15,6%) en vooral Kottagede (23,6%). Aantal onvolwassen gezinshoofden zeer gering. Het aantal onvolwassen gezinshoofden is uiteraard zeer ge ring. Uit teksttabel No. 13 op blz. 66 blijkt, dat in Midden-Java tegenover 2 394 196 volwassen slechts 4 071 onvolwassen gezinshoofden staan; in Jogjakarta zyn deze cyfers 324 621 en 442, in Soerakarta 542 434 en 592. In den tekst zullen nu verder de cijfers van het totaal aantal gezinshoofden (onvolwassenen en volwassenen) besproken worden. De meeste gezinshoofden gehuwde mannen. De aan- gewezen hoofdkostwin- ner van een gezin is natuurly'k de gehuwde man. Daarom maken de mannely'ke gehuw de gezinshoofden meer dan 4 / 5 deel van het totaal aantal gezins- hoofden uit. Van alle mannelijke gezinshoofden is, gelijk uit tabel 18 kan blijken, meer dan 90% ge huwd. De regentschaps cy'fers schommelen tus schen 90,96% (Te manggoeng) en 97%. Niet alle gehuwde mannen gezinshoofd. Uit tabel 19 kan men zien, dat lang niet alle gehuwde mannen gezinshoofd zyn. Uit neven- staand tabelletje blijkt, dat het percentage ge huwde mannen, dat gezinshoofd is, in West- Java hooger is dan in Midden-Java en d e Vorstenlanden. Is m West-Java het laagste regentschapspercentage ruim. 87,3, in Midden-Java en d# Vorstenlanden hebben niet minder dan 23 van de 3» regentschappen 2 ) lagere cijfers, varieerende tusseheö 87,3% en 78%. 2 ) Waaronder Pakoealaman (zie boven blz. 2). i) Zie tabellen 17, 18 en 19. 62 63 Gehuwde mannelijke beroepsbeoefenaars, die geen ge zinshoofd zy'n. Het blijkt bovendien ook nog, dat er in Midden-Java en de Vorstenlanden procentsgewyze veel meer gehuwde mannelijke beroepsbe oefenaars (d.z. dus personen, die het een of ander beroep uit oefenen, zie hoofd stuk X), die geen gezinshoofd zyn, dan in West-Java. Dat "Jkt uit het marginaal tabelletje waarin de cjjfers van de gewesten zyn vermeld, ifr Midden-Java en de Vorstenlanden is ruim 6% van e gehuwde mannen wel beroepsbeoefenaar maar geen ge- Zl nshoofd. in West-Java slechts ruim 3%. Hoewel deze m annen wel een beroep uitoefenen, z\jn zij toch niet in ta &t als hoofdkostwinner voor anderen op te treden. vele jonggehuwde mannen nog geen gezinshoofd. Het Preekt natuurlijk vanzelf, dat gebrekkige en bejaarde °g gehuwde mannen niet den kost kunnen verdienen °°r anderen. Maar ook schijnen er onder de gehuwde la nnen, die wel tot werken in staat zijn, namely'k beroeps eoefenaars, te zy'n, die niet als hoofdkostwinners kunnen ptreden; en die groep is in Midden-Java en de Vorsten uden relatief grooter dan in West-Java. Vermoedely'k ehooren hiertoe jonggehuwde mannen, die wel een be -OePe P uitoefenen, maar nog economisch afhankely'k zyn van "deren; men denke aan pas getrouwde paren, die by ur i ouders inwonen. Wellicht is deze categorie in het flzonder in Midden-Java en de Vorstenlanden grooter da u in West-Java. *"outen in de telling? Er is echter aanleiding om aan e nemen, dat in sommige districten fouten zyn gemaakt; °°dat de bedoelde conclusie voor sommige streken niet ol ider nader onderzoek mag worden getrokken. Abnor aa l laag zyn de percentages van de Pemalangsche dis lc ten Randoedongkal waar slechts ongeveer 74% van e gehuwde mannen gezinshoofd is, Watoekoempoel met e °nts 67,7% en Banjoemoedal met 77,5% ; en verder de e «alongansche districten Paninggaran (71,8%) en Peka °gan n buiten de gemeente (74,2%). Deze lage cy'fers 0111 en nergens anders in de districten van Midden-Java *de Vorstenlanden voor 1 ), wel echter in eenige dis tri cten van Oost-Java. behuwde vrouwen als kostwinster. Indien vele gehuwde °uwen in plaats van hun echtgenooten den kost voor gezin verdienen, dan zou ook dat een oorzaak van geringere aantal mannelijke gehuwde gezinshoofden n nen zy'n. Inderdaad is het percentage gehuwde vrou n dat gezinshoofd is, in Midden-Java en Vorstenlanden l °°ger dan in West-Java (zie beneden). Maar groot is [ verschil niet en bovendien bestaat de mogelijkheid, lt v ele gehuwde vrouwen als gezinshoofd optreden, om at hun mannen afwezig zyn. Of buiten het stadje Kotta ' ecle (i n Jogjakarta) waarvan het bekend is, dat vele gehuwde vrouwen met een niet onbeteekenenden handel het geld voor hun gezin verdienen, ook nog elders (byvoorbeeld in Pekalongan en Noord-Pemalang) een dergelijke economische positie van de vrouwely'ke echt genooten bestaat, zou plaatselijk te onderzoeken zijn. Waar weinig gehuwde mannen gezinshoofd zijn. De abnormale cijfers van Pekalongan en Pemalang bly'ken wel uit de cy'fers van onderstaand tabelletje waarin de regent schappen met de geringste percentages gehuwde mannelijke gezinshoofden zyn ver meld. Of nu inderdaad in deze regentschap pen om economische of sociale 2 ) rede nen het aantal inwo nende gehuwde eco nomisch afhankelijke, jonge mannen naar verhouding by'zonder groot is of, dat er hier fout dan wel naar anderen maatstaf dan elders is geteld, kan zonder plaatse lijke kennis niet beoordeeld worden. Het zy'n zoowel dunbevolkte (byv. Paninggaran en Doro in Zuid-Pekalon gan, Bantarkawoeng in Brebes, Djatinegara in Tegal, Karimoendjawa, Sedan in Rembang, Djatisrono en Poer wantoro in Wonogiri) als dichtbevolkte districten (Peka longan buiten de gemeente, Kedoengwoeni en Wiradessa in Pekalongan, Tjomal in Pemalang, Balapoelang in Tegal, Koetowinangoen en Premboen in Keboemen, Kebonongan en Pandak in Bantoel), dat het percentage gehuwde mannen, dat als gezinshoofd kan optreden, laag (d.w.z. beneden 84%) is. Evenals in West-Java al geconstateerd werd, is ook in gemeenten en kottas dit percentage nog al laag, het allerlaagst in Kottagede (70,5%), omdat, zooals boven al medegedeeld werd in dit handelsstadje vele gehuwde vrouwen hoofdkostwinsters zy'n. Waar veel gehuwde mannen gezinshoofd zijn. In onderstaand tabelletje vindt men de regentschappen waar hooge (de hoogste) percentages van gehuwde, mannen gezinshoofd zijn. Opvallend is het groote aantal gehuwde mannelijke gezinshoofden in het in het Jogjasche Zuider- gebergte gelegen Goe noengkidoel, dat nu eens een groote tegen stelling vormt met het daaraan grenzende in het Soerakartasche Zuidergebergte gelegen Wonogiri waar juist, gelijk uit het vorig tabelletje bleek, het percentage gehuwde in I>e al Zeer la S e cijfers tusschen 78 en 80% zyn geconstateerd ■ echts 8 districten: Kadjen in Pekalongan, Djatinegara in Tegal, ban " noead ï awa in Japara, Premboen in Keboemen, Sedan in Rem " D jepon in Blora, Djatisrono en Poerwantoro in Wonogiri. 2) Het kan zijn, dat de adat voorschrijft, dat pasgehuwde kinderen eenigen tijd bij hun ouders blijven inwonen of, dat op jeugdigen leeftijd gehuwd wordt (misschien in Pekalongan, Keboemen, Wono giri en Bembang) en dus vele gehuwde zeer jonge zoons nog niet in eigen huis zouden kunnen trekken. In Brebes, Blora, Keboemen, Pekalongan, Pemalang en Wonogiri is het gemiddeld aantal zielen per huis groot, hetgeen kan betee kenen, dat daar naar verhouding meer gehuwde kinderen inwonen dan elders. mannen, dat kostwinner is voor anderen, gering is-. Districtscijfers van 90% en hooger zyn o.m. gevonden in de bergdistricten van Goenoengkidoel en Bandjarnegara, verder in de Bojolalische districten Ampel en Bojolali buiten de kotta, in Grobogansche districten en in de dichtbevolkte districten als die van Klaten, het district Banjoedono in Bojolali, Moentilan in Magelang, eveneens in de dunbevolkte Demaksche vlaktedistricten (met uit zondering van Wedoeng). Overige mannelijke gezinshoofden. Behalve gehuwde mannen kunnen ook nog ongehuwde mannen, weduw naren en gescheiden mannen gezinshoofd zijn; zij maken in Midden-Java niet meer dan 5,11%, in Soerakarta 4,95% en in Jogjakarta 5,42% van alle mannelijke gezinshoofden uit (zie tabel 18). Dat zy niet de aangewezen kostwinners van anderen zy'n, kan blijken uit de cy'fers van tabel 19. Op de 100 gescheiden mannen waren in Midden-Java bijna 24, in Soerakarta ruim 29 en in Jogjakarta ruim 28 ge zinshoofd; van 100 weduwnaren waren in Midden-Java bijna 44, in Soerakarta byna 39 en in Jogjakarta byna 44 ge zinshoofd. De cijfers van de ongehuwde mannelijke gezinshoofden zy'n zeer laag, omdat het aantal ongehuwde onvolwassenen ook medegerekend wordt. Maar ook zelfs wanneer men het aantal gezinshoofden op de 100 volwassen ongehuwde mannen berekent, is het cy'fer laag; in Midden- Java ruim 5, in Soerakarta ruim 6 en in Jogjakarta pre cies 6. Vrouwelijke gezinshoofden. Uit de cyfers van onder staande tabel: blykt, dat er onder de vrouwelijke gezinshoofden in Midden-Java en de Vorstenlanden naar verhouding veel meer gehuwde vrouwen zijn dan in West-Java. Met de weduwen samen maken zy' meer clan % van alle vrouwe lijke gezinshoofden uit. Gehuwde vrouwelijke gezinshoofden. Dat de gehuwde vrouwen ook meer als gezinskostwinster optreden dan in West-Java blijkt uit nevenstaand tabel letje. De hoogste re gentschapscy'fers heb ben Tegal (4,66%) en Pekalongan (4,33%), vooral in de districten Kadjen (5%), Peka- longan buiten de gemeente (4,6%), Tegal buiten de ge meente (6,3%), Adiwerno (5,7%), Slawi buiten de kotta (4,6%), Balapoelang (6%), Soerodadi (4,3%). In de districten waar veel gehuwde mannen wegtrekken (zie boven blz. 41) is het percentage gehuwde vrou welijke gezinshoofden nogal hoog, bijv. in Tandjoeng (4,7%), Brebes buiten de kotta (4,8%), de bovengenoemde Tegalsche districten en Keboemen buiten de kotta (5,8%). Veel gehuwde vrouwelijke gezinshoofden in kleine gemeenten en verscheidene kottas. Opmerkelijk is, dat 3 gemeenten (Tegal, Salatiga en Magelang) en bijna 70% van de kottas een percentage gehuwde vrouwen dat ge zinshoofd is, hebben, dat boven het Midden-Java-gemiddel de is. Het hoogst zijn de cijfers in het reeds genoemde Kottagede (10,8%), Bojolali (7,4%), Klaten (7,6%), Kedoengwoeni (5,7%), Boemiajoe (5,2%), Sragen (5%), Wonosobo (4,8%), Tjilatjap f 4,7%), Demak (4,4%) en Jogjakarta (4,2%). In de gemeenten Tegal, Pekalongan en Semarang zyn de percentages bqna aan de 3 toe, in Salatiga en Magelang ruim 3. Weduwen en gescheiden vrouwen als gezinshoofd. Van de weduwen en ook van de gescheiden vrouwen is ifl Midden-Java en de Vorstenlanden een kleiner percentage gezinshoofd dan in West-Java. Het hoogste percentage gezinshoof den onder de weduwen hebben de regentschap pen Demak (44,1%) l )t Poerworedjo (42,3% )> Karanganjar (39,2%) en Japara (35,4%)- Eenige regentschappen met veel weduwen hebben eej} betrekkelijk gering percentage gezinshoofden onder hen, zoo bijv. Rembang (29,9%), Pati (29,8%), Koedoes (26%). De meeste gezinshoofden onder de gescheiden vrouwe» hebben de regentschappen Demak (31) 2 ), Japara (25,7), Kendal (24,5) en Klaten (24). Eenige regentschappen met betrekkelijk veel gescheiden vrouwen hebben een vrij gering percentage gezinshoofden onder hen, bijv. Rembniig (16,5%), Blora (17,5%), Poerwokerto (17,2%). In de gemeenten en kottas is het percentage weduwen en gescheiden vrouwen dat hoofdkostwinster is laag; opmerkelijke afwijkingen hebben Tjilatjap met 40% ge zinshoofden onder de weduwen en Kendal met 62,8% gezinshoofden onder de gescheiden vrouwen. In onderstaand tabelletje is het percentage ongehuwde volwassen 3 ) vrouwen dat gezinshoofd was, opgenomen. In de regentschappen met een relatief groot aan tal ongehuwde volwas sen vrouwen (zie bo ven blz. 46) is liet percentage gezinshoof den gering, zeer gering is het in de Jogjakar- tasche regentschappen. Vermeldenswaardig is, dat in het Blorasche Panolan buiten de kotta meer dan de helft (53,8%) van de volwassen ongehuwde vrouwen gezinshoofd is. Is hier door de tellers geen fout gemaakt? Aantal gezinshoofden; relatieve cijfers. In tabel No. 19 is per regetit' schap het totaal aan tal gezinshoofden V e 100 zielen berekend- Dat aantal blykt jj* Midden-Java en & e Vorstenlanden gcrin- 1) Zeer opvallend is het hooge cijfer van liet district Grog o (60,1%). 2 ) Wederom valt het cijfer van Grogol op (43,3%). 3) In tabel 18 is het percentage ongehuwde vrouwen (onvolwasse en volwassen), dat gezinshoofd was, opgenomen. 64 65 ger te zijn dan in West-Java, voornamely'k omdat in de eerstgenoemde gewesten een relatief geringer aantal ge huwde mannen gezinshoofd is (zie boven blz. 44). De regentschappen waar van de gehuwde mannen het geringste percentage gezinshoofd is (Pemalang, Wonogiri, " r ebes, Pekalongan, Keboemen) en de regentschappen met r elatief-veel ongehuwde volwassenen (Adikarto, Koelon progo en Bantoel) hebben ook naar verhouding het gering de aantal gezinshoofden. Het grootst is dit aantal in -L'ernak, Temanggoeng en Magelang. Demak telt veel gehuwde mannely'ke gezinshoofden en veel vrouwelijke gezinshoofden (zie boven blz. 62), Temanggoeng telt r elatief en absoluut veel mannelijke gezinshoofden, die Weduwnaar zijn en Magelang heeft een groot percentage gehuwde mannen en weduwnaren dat hoofdkostwinner is. Meer gezinshoofden dan huizen. In den regel is het (absolute) aantal gezinshoofden grooter dan het aantal hoewel de verschillen niet groot zijn. Het grootst ls het verschil in de regentschappen Tegal, Goenoengki ü °el, Brebes, Koedoes, Pekalongan, Pemalang en Bandjar negara ; van de districten in deze regentschappen vermel den -wij : Tegal buiten de gemeente, Adiwerno, Slawi buiten de kotta, Balapoelang en Pangkah in Tegal; "nosari in Goenoengkidoel; Tandjoeng en Brebes buiten ac kotta in Brebes; Tenggeles in Koedoes, Pemalang buiten e kotta in Pemalang; Karangkobar en Batoer in Ban larnegara. Verder doet zich dit verschynsel ook voor alle gemeenten en byna alle kottas, ook in de hoofd kaatsen Jogjakarta en Soerakarta. In deze streken komt het dus meer dan elders voor, at meerdere gezinshoofden in één huis wonen. Opmerke- Jk i S; fai jjg regentschappen Pemalang, Pekalongan en r ebes veel gezinshoofden in verhouding tot het aantal Uizen, doch weinig gezinshoofden in verhouding tot het Eiel ental tellen. Meer huizen dan gezinshoofden. Waar meer huizen dan gezinshoofden zy'n, zooals bijv. in de regentschappen einak en Rembang en in gedeelten van de regentschappen , a ten (districten Bedji, Gondangwinangoen), Bojolali ls tricten Ampel, Bojolali en Banjoedono), Soerakarta Jstricten Kartasoera en Tawangsari), Sragen (districten Gesi en Masaran) en Jogjakarta (districten euian, Kalasan, Mlati), moeten dus meerdere huizen zon der gezinshoofd zy'n. Of in die woningen de kostwinners afwezig waren dan wel de hoofdbewoner met zijn gezin nog afhankelyk van elderswonenden was, is niet te zeggen. Gemiddelde gezinsgrootte. Men kan een gemiddelde gezinsgrootte bepalen door het aantal gezinnen te deelen op dat deel van de bevolking, dat in gezinnen leeft (d.w.z. het zielental minus de alleenwonenden). Met de cy'fers van deze Volkstelling is zulk een berekening niet te maken. Bekend is immers alleen het aantal gezinshoofden, dat niet gelijk is aan het aantal gezinnen, omdat men gezinnen heeft zonder gezinshoofden en gezinshoofden zonder gezinnen; bovendien kunnen de tellers te veel of te weinig gezinshoofden geteld hebben. Evenmin is bekend het aantal alleenwonenden. Deelt men dus het aantal gezinshoofden op het zielental dan krijgt men een onzuiver gemiddelde van de gezinsgrootte; echter wordt het cy'fer voor de meeste plat telandsstreken weinig door de bedoelde fac- toren gevitiëerd. Wel echter dient men voorzichtig te zy'n in het beoordeelen van de sterk afwy'kende cijfers. Regentschapscy'fers als die van Brebes (5), Pemalang (5,1), Koelonprogo (5), Wonogiri (5,1), Keboemen (4,9), bcteekenen, dat de gezinnen in die streken over het alge meen groot en lage cy'fers als die van Demak (4), Tjila tjap (4,3), Magelang (4,3), Temanggoeng (4,3), dat de gezinnen daar over het algemeen klein zy'n, maar, gelijk zoo juist gezegd is, is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat de verschillen tusschen het aantal gezinshoofden en het aantal gezinnen abnormaal groot is. Misschien is, bijvoorbeeld, in Pemalang en Wonogiri het cijfer van de gemiddelde gezinsgrootte te hoog, omdat er veel minder gezinshoofden dan gezinnen zy'n; het omgekeerde zou wel licht in Demak te constateeren zy'n. Heel onzuiver zijn natuurlyk de gemiddelden van de gemeente Semarang (4,4) en de Vorstenlandsche hoofd plaatsen Jogjakarta (4,9) en Soerakarta (4,5). Hooge cy'fers hebben de volgende gemeenten en kottas: Peka longan (5), Tegal (5,2), Brebes (5), Boemiajoe (5), Ke boemen (5,2), Kedoengwoeni (5,2), het laagste cy'fer heeft het stadje Demak (4). GEZINSHOOFDEN INGEDEELD NAAR GESLACHT, BURGERLIJKEN STAAT EN LEEFTIJDSGROEPEN i). SEX, CIVIL CONDITION AND AGE PERIODS OF THE HE ABS OF FAMILIES 1). Teksttabel — Subsidiary table No. 13. l ) In de totalen zijn de onbekenden begrepen. Totals inclu-ded indeterminate persons. 66 HOOFDSTUK VII. ALPHABETISME » § 1. Inleiding. Iv de tabellen 22 en 23 zijn opgenomen de absolute en r elatieve cyfers van het totaal aantal alphabeten, maar ook Va n hen, die Nederlandsch en hen, die niet Nederlandsch kunnen schry'ven. Als alphabeten in het algemeen werden beschouwd zij, uie (niet zonder fouten) aan een kennis een briefje konden schrijven over een alledaagsch onderwerp in welke taal en letterschrift dan ook. Zy', die gedurende de Volkstelling n °g schoolgaande kinderen waren en die minstens in de uerde klasse van een dessa-school, een gouvernementssehool °f een daarmede gelyk te stellen particuliere school zaten, w erden ook geteld onder hen, die de schrijfkunst machtig waren. lemand werd beschouwd Nederlandsch te kunnen schry- wanneer hy' (alweer, niet zonder fouten) aan een kennis in die taal een briefje kon schry'ven over een alle- Uaajjsch onderwerp. Zy', die gedurende de Volkstelling schoolgaande kinderen waren en in de derde klasse van een °Penbare of daarmede gelijkgestelde particuliere school van lager onderwy's zaten, werden gerangschikt onder "en, die Nederlandsch konden schrijven. !n de tabellen 24, 25, 26, 27, 28 en 29 zy'n opgenomen aJ lerlei cijfers over alphabetisme in verband met al of niet genoten lager onderwy's. Aan de getelden is namelijk ook gevraagd of zy' een lagere school bezochten of bezocht had a en alwaar by' het onderwy's als voertaal eenige inheemsche aal werd gebruikt en ook of zy' een dergelyke school waar net Nederlandsch als voertaal werd gebruikt bezochten of "adden bezocht. Onder de eerstgenoemde scholen werden gerangschikt: openbare volks- en standaardscholen en uaarrnede overeenkomende particuliere scholen; onder de laatstgenoemde scholen: de H. I. S., de Schakelschool en de *uropeesche Lagere school en overeenkomstige particuliere Sc holen. Pesantrèn's (godsdienstscholen) waar o.m. rekenen Uderwezen werd, werden ook als scholen beschouwd. § 2. De betrouwbaarheid der cijfers. Wet is hier en daar gebleken (uit andere gegevens van e getelden, zooals het uitgeoefend beroep en het genoten e hoolonderricht), dat de tellers wel eens de kolom van het Phabetisme b\j vergissing oningevuld lieten. staat tegenover, dat vooral in de steden waar men gauw prat gaat op een beetje kennis van de schrijfkunst n v an het Nederlandsch, enkelen als alphabeet zullen zh'n «enoteerd, die het vereischte briefje niet zouden geschreven kll nnen hebben. § 3. Alphabetisme in het algemeen. Gewestelijke cijfers. Het aantal alphabeten (zoowel erlandsch-schry' venden als anderen) op de 100 zielen is in Midden-Java en de Vorstenlanden aan merkelijk lager dan in West-Java. Opvallend laag zijn de cijfers van de beide Vorsten landsche gouvernemen- ten, waar, naar men meende, zeer velen het Javaansche letterschrift machtig zouden zy'n. Regentschapscy'fers. Om een algemeenen indruk te geven beginnen wij eerst de regentschapscy'fers (percentage van de totale bevolking) hieronder op te nemen: By het raadplegen van deze cijfers heeft men in het oog te houden: 10. dat Pakoealaman een klein deel van de hoofdplaats Jogjakarta uitmaakt (zie boven blz. 2) en hoofd plaatsen over het algemeen hooge alphabeten cy'fers hebben (zie beneden) ; 20. dat deze hooge cijfers van gemeenten en kottas een belangrijken invloed hebben op de betrekkelijk hooge regentschapspercentages van Jogjakarta, Soerakarta en Semarang. Hieruit blijkt, dat, naast de regentschapscijfers ook de gemeente-, kotta- en districtscijfers geraadpleegd dienen te worden. Waar hooge en lage cijfers te vinden zijn. Het blijkt dan al dadelijk — een vanzelfsprekend feit —, dat in gemeenten en kottas de cijfers aanmerkelijk hooger zijn dan de regentschapsgemiddelden; bijna al deze plaatsen hebben meer dan 10 alphabeten op de 100 zielen; het maximum gaat iets boven de 20. Met uitzondering van byna alle Temanggoengsche districten en de Karimoendjawa-eilanden heeft geen enkel plattelandsdistrict meer dan 10% alphabeten. Van 7 tot 10% zy'n de cyfers van vele districten in oud-Bagelen (Zuid-Midden-Java) Banjoemas en Poerwokerto van Oost- Batang, van Oost- en Midden-Grobogan, en van gedeelten van Wonosobo, Bandjarnegara en Demak. De laagste cy'fers schommelen tusschen 1 en 5% van het zielental en zy'n aangetroffen op het platteland van de Vorstenlanden, van de regentschappen Pekalongan, Tegal, Semarang, Japara (behalve de Karimoendjawa), het grootste deel van Kendal en Koedoes, Zuid-West-Demak, Zuid-Oost-Pati, West-Tjilatjap en een klein deel van Magelang, Wonosobo en Poerwokerto. Allerlaagste cijfers. Het laagste relatieve aantal alpha beten — 1 a 2 op de 100 zielen — is geteld in het Zuiden ' z ie tabellen 22 t/m 29. 67 68 van de Vorstenlanden, in het Wonogirische en Goenoengki doelsche Zuidergebergte, maar ook in het zuidely'ke deel van het regentschap Soerakarta (Bekonang, Soekohardjo, Ta wangsari) en verder in de Sragensche districten (Gemo long, Gesi en Masaran). Merkwaardig is, dat ditzelfde lage percentage ook gevonden is in het district Pekalongan v.z.v. het buiten de gemeente ligt. De hooge cijfers van de gemeenten en kottas. Het zyn niet de gemeenten, die zoo bijzonder veel alphabeten tellen. Het cy'fer van Semarang, ongeveer evenhoog als dat van Batavia, is aanmerke ly'k lager dan de hoog ste kottacijfers, die tevens de hoogste cij fers van geheel Mid den-Java en de Vor stenlanden zy'n, nl. Klaten (20,4%) en Wonosobo (20,3%), maar ook lager dan de met gemeenten te vergely'ken Vorstenlandsche hoofdplaatsen, die ook hoogere cijfers hebben dan de twee garnizoens plaatsen Salatiga en Magelang. Byzonder laag is het cy'fer van de gemeente Pekalongan. Na Klaten en Wonosobo hebben Keboemen (19,2%), Poerworedjo (19%), Banjoemas (19,7%), Poerwodadi (17,6%) van Grobogan en Koetoardjo (17,5%) de hoogste cy'fers, die echter heel wat lager zyn dan die van de Priangansche stadjes Tasikmalaja (byna 27%) en Soeme dang (23,7%) in West-Java. Cijfers van 15 tot 17% komen in de kleine kottas met uitzondering van Poerwokerto (16,4%) niet voor. Slechts vy'f (Temanggoeng, Oengaran, Demak, Rembang, Blora) hebben ruim 14 alphabeten, twee (Poerbalingga, Ambara wa) hebben byna 13 alphabeten op de 100 zielen. Verder hebben Tjilatjap, Boemiajoe, Kendal, Japara, Sragen, Pati, Kottagede en Bojolali percentages boven de 10. Weinig alphabeten in de kottas van de residentie Pekalongan. Niet alleen de gemeenten, maar ook de kottas van de residentie Pekalongan, tellen weinig alpha beten. Zoo heeft Pemalang slechts een percentage van 6 en Batang een van ruim 6, Slawi slechts een van 5,6 en Kedoengwoeni een van 4,9. Beter is het cijfer van Brebes (8), dat niet zoo ongunstig afsteekt bij de andere laagste kotta-cy'fers (tusschen 9 en 10%) als die van Soekaradja, Koedoes en Wates, of die van Weleri (7,6%). Plattelandscijfers het hoogst in Temanggoeng. In Te manggoeng is, gelijk boven al medegedeeld werd, het alphabetisme op het platteland het verst gevorderd. Het Volksonderwijs is hier dan ook veel eerder begonnen dan in de aangrenzende volkrijker regentschappen Wonosobo en Magelang i). Het hoogst is het alphabetenpercentage (14,2%) natuurlyk in de nabijheid van de hoofdplaats, iets lager is het in Parakan (13,2%) met zy'n bekend tabakshandelscentrum, Pringsoerat (12,2%) en Tjandiroto (12,5%) maar veel lager in het veel armere district Kaloran (7,4%). Hooge cijfers in Keboemen, Oost-Batang en Grobogan. Lager, maar voor Midden-Java nog vry' hoog zy'n percen tages van 8 tot 10, in het regentschap Grobogan, doch alleen in de districten, die al van ouds tot dit regentschap behoorden en niet in de pas aan oud-Grobogan toegevoegde districten Singcnkidoel en Manggar, die 5,4 en 5% alpha beten tellen. Van Keboemen hebben het district van dien naam 2 ) en Alihan alleen de genoemde cy'fers. Koetowi nangoen telt ruim 7 en Premboen bijna 7 alphabeten op de 100 zielen. Opmerkelijk zy'n ook de cy'fers (byna 10%) van Soebah en Bawang in het oostelijk deel van Batang, hooge cy'fers voor de residentie Pekalongan waar percen tages tusschen 3 en 6 wel het meest voorkomen. Hooge cijfers in de residentie Banjoemas. De residentie Banjoemas telt verscheidene districten met 7 a 9 alphabeten op de 100 zielen, zoo in alle districten van Karanganjar uitgezonderd het heuvelachtige Rowokele waar echter het percentage nog 6,6% bedraagt, dan in Banjoemas speciaal Soempioeh en Banjoemas buiten de kotta met ruim 8%, in het Poerwokertosche Djatilawang met ruim 7%, in het Tjilatjapsche Kroja met bijna 8% en ten slotte het district Bandjarnegara met 8,1%. Het alphabetisme in de residentie Kedoe. De residentie Kedoe heeft buiten Temanggoeng en Keboemen de hoogste cyfers in Oud-Bagelen, Koetoardjo buiten de kotta (7,6%), Poerwodadi (7,1%), Pitoeroeh (6,9%), Poerwo redjo buiten de kotta (6,4%) en Tjangkrep (6,1%), maar ook nog in twee Wonosobosche districten Leksono (7,9%) en Garoeng (6,4%), die zelfs hooger zyn dan het cy'fer van Wonosobo buiten de kotta (5,8%). Cijfers van 5 en ruim 5 hebben de districten van Magelang op Tegalredjo (4,1%), Salam (3,5%) en Bandongan (3,7%) na. Cijfers van 4 tot 6% alphabeten in bergdistricten. Vele van deze districten liggen geheel of gedeeltelijk in het gebergte waar behoefte aan onderwijs gering of moeilijk te voldoen is. In de residenties Pekalongan, Banjoemas, Kedoe en Semarang vinden wij nog eenige van zulke districten met cijfers, die 1 a 2% onder het Midden-Java gemiddelde (5,9) zijn: Kemiri (Koetoardjo), Loano (Poerworedjo), Tjilatjap buiten de kotta (Tjilatjap)) Poerbalingga buiten de kotta, Bobotsari en Boekatedja (Poerbalingga), Adjibarang (Poerwokerto), de Bandjar negarasche districten Karangkobar 3 ), Batoer 3 ) en Wanadadi, verder Bantarkawoeng, Bandjarardja, Watoe koempoel, Bandar in de residentie Pekalongan, Sapoeraö en Ngadisono (Wonosobo), Bodja, Selokaton en Welen buiten de kotta (Kendal), Salatiga buiten de kotta en Tengaran (Semarang). De lage cijfers van de residentie Pekalongan. Hoe laag de cy'fers op het platteland van de residentie Pekalongan (buiten Oost-Batang) zy'n blykt nu uit het feit, dat tal van in de vlakte gelegen districten als Tandjoeng, Tjomal en Kadjen ongeveer evenhooge percentages hebben als ds i) In 1911 telde Temanggoeng 50 volksscholen, Magelang 3 en Wonosobo nog geen enkel. In 1921 waren deze cijfers onderscheiden lijk 176, 76 en 82; in 1930: 187, 106 en 15S. Bovendien is sinds 1927 en 1928 in Temanggoeng veel gedaan, om (ook onder de ouderen) het alphabetisme te verbreiden. (Mededeelingen van den betrokken hoofdschoolopziener). 2 ) V.z.v. het buiten de kotta ligt. 3 ) Deze tellea iets meer dan 6 alphabeten op de 100 zielen. 69 JUistgenoemde bergdistricten, terwijl tal van districten, zelfs die welke vlak by' kottas en gemeenten liggen (Boemiajoe, Tegal, Adiwerno, Slawi, Pemalang) maar ook 1Q Soerodadi, Boemidjawa, Randoedongkal, Doro, Kedoeng- Woeni buiten de kotta en Wiradessa maar 3 a 4% a lphabeten tellen, percentages als die van dunbevolkte districten als Madjenang en Sidaredja in Tjilatjap en het D emaksche Grogol. Lage cijfers in Kendal. Ook in het regentschap Kendal zn u op het platteland de cyfers laag, niet alleen in de eeds genoemde bergdistricten, maar ook in Kaliwoengoe ( 4 >2%) en Kendal (5,6%). Alphabetisme in het oostelijk deel van Midden-Java. In Ue oostelijke regentschappen (Demak, Grobogan, Koedoes, a ti, Japara, Rembang en Blora) zy'n buiten de reeds genoemde Grobogansche districten alleen in de Demaksche districten Samboeng (7,1%) en Demak buiten de kotta ">!%), de Patische districten Tajoe (6,4%), Djoewana 6 > 9 %) en Pati buiten de kotta (6,3%) en de Blorasche districten Ngawen (6,4%) en Karangdjati buiten de kotta ''!%), Tenggeles (7,3%) in Koedoes, de cyfers boven het P r ovincie-gemiddelde. lets beneden dit gemiddelde liggen l eyfers van Wedoeng (5,7%) in Demak, Tlogowoengoe ( 5 > 8 %) in Pati en Djepon (5,8%) in Blora. opvallend laag is het relatieve alphabetental in de middellijke nabijheid van enkele kottas, bijv. Koedoes l %), Japara (3,8%), Binangoen (3,9%), Waroe (2 > 9 %) en Panolan (4,6%). van de overige districtseyfers kan nog gezegd worden, at twee districten van Koedoes (Oendakan en Tjendono), Vee van Japara (Petjangakan en Bangsri), twee van Pati Jakenan en Kajen), één van Blora (Randoeblatoeng) en en van Rembang (Pamotan) cyfers tusschen 4 en 5% ebben en, dat drie Rembangsche districten (Soelang, 5^ a gan, Sedan) tusschen 3en 4%, het Demaksche Grogol > 7 % en Mranggen 2,7% alphabeten tellen. -Het alphabetisme in de Vorstenlanden. In de Vorsten gen i s ,j e ontwikkeling van het zoogenaamde volksonder wijs verre by' die van het standaardonderwy's 1 ) en het st ersch lager onderwy's achtergebleven; het onderwy's \ " de dessa nogmaar weinig verbreid 2 ). Daarom f stl er de cy'fers van heTalphabeUsilnè 6|) Iret-eoo dicht l 'olkte platteland laag. Nergens behalve in de vlak om 1 steden Jogja en Solo gelegen gedeelten komen de cijfers .- n rj e hoogste cijfers (dus tusschen 4 en 5%) ven wyïrr~het Jogjasehe deel (Sleman, Godejan, Ban ' Pandak en Kebonongan). Cy'fers als die van de "ibangsche districten (tusschen 3 en 4%) zijn geconsta . rei in alle districten vaji_J£lai£ii_ op Bedji na dat een er van ruim 2% heeft, verder in Kartasoera (Soera (lV on dang (Sragen), Karanganjar en Karangpandan , ta Mangkoenegaran), voorts in het zuiden van Jogja ,, a (Adikarto buiten de kotta en Nanggoelan) en Sa n, Mlati en Kottagede-Jog ja buiten de kotta, in de > tschappen Jogjakarta en Bantoel. Lager alweer (tusschen 2 en 3%) zy'n de cy'fers van Pengasih en de twee Solosche enclaven in het gouvernement Jogjakarta en in het andere gewest: Sragen buiten de kotta, Wonogiri, Bedji en nagenoeg alle Bojolalische districten, terwy'l de aller laagste cyfers niet alleen van de Vorstenlanden, maar ook van Midden-Java (tusschen 1 en 2%) in de overige districten, dus voornamely'k die van Goenoengkidoel, Wonogiri, Sragen en het zuidelijke deel van het regentschap Soerakarta gevonden zy'n. Meer mannelijke dan vrouwelijke alphabeten. Het aan tal mannelijke alphabeten is grooter dan het aantal vrou welijke alphabeten. In tabel 25 vindt men o.m. het aantal vrouwelijke alphabeten op de 100 alphabeten, zoowel voor de 2e en de 3e leefty'dsgroep als voor het totaal, aangegeven. Hieronder de cyfers der gewesten: Vrouwelijke alphabeten in de Vorstenlanden. Hoewel het aantal vrouwelijke alphabeten in verhouding tot het aantal vrouwen (tabel No. 23) in de Vorstenlanden geringer is dan in Midden-Java (zie § 4 en § 5), is het aantal vrouwely'ke alphabeten in verhouding tot de mannelijke alphabeten (tabel No. 26) er grooter dan in Midden-Java. Dit verschil is toe te schry'ven aan het feit, dat in de Vorstenlanden een belangrijk contingent van het rela tiefgeringe aantal alphabeten afkomstig is van de standaardscholen en de inrichtingen van westersch onderwijs (zie boven), die door vele meisjes bezocht worden. 3 ) In West-Java is niet alleen het aantal vrouwely'ke alphabeten in verhouding tot het totaal aantal alpha beten, maar ook in verhouding tot het aantal vrouwen (zie § 4 en § 5) grooter dan in Midden-Java en de Vorstenlanden. Percentage meisjes onder de onvolwassen alphabeten hooger. Het percentage meisjes onder de onvolwassen alphabeten is hooger dan het percentage vrouwen onder de volwassen alphabeten. Dit verschil zou nog grooter zy'n, indien de grens tusschen leefty'dsgroep II en leefty'dsgroep 111 voor de meisjes en jongens op denzelfden leeftyd was bepaald; hoogstwaarschijnlijk echter zy'n in de tweede leeftijdsgroep nog jongens van 16 en misschien wel van 17 of 18 jaar opgenomen, terwy'l meisjes van dien leeftyd als volwassenen zy'n beschouwd (zie boven blz. 34). Voor de regentschapscijfers betreffende het aantal vrou welijke alphabeten op de 100 alphabeten verwijzen wij kortheidshalve naar tabel No. 23. W P an^aar donderwijs is het onderwijs op de gewone Inlandsche s taa e "°l e u, die meestal op grootere en kleinere hoofdplaatsen PUtt 'ï son derwijs is het allerelementairste onderwijs, dat op het Weot °P schooltjes van meestal drie klassen wordt gegeven; terscti ï Voe rt la ger onderwijs is lager onderwijs met Nederlandsch als a ) z' le o.a. Publicaties van de H.1.0.-commissie No. 7 blz. 10. §4. Onvolwassen alphabeten. Het relatieve cijfer der onvolwassen alphabeten. De onvolwassen alphabeten moet men, gelijk boven al opge merkt werd, in de tweede leeftijdsgroep zoeken. Maar onder die groep vallen kinderen van 1% tot 15 of 16, misschien wel 17 jaar (zie boven blz. 34). In tabel 23 zjjn de eyfers gepubliceerd van het aantal van deze jonge 3) Vgl. Publicaties H.1.0.-commissie No. 7 blz. 10—11. 7 Oorzaken van dit geringe vrouwental moeilijk te constateeren. De oorzaken van een mannenoverschot of een gering vrouwenoverschot in deze districten kunnen zijn: 10. een grootere deelneming van mannen aan de immigratie n aar deze streken (c.g. een grootere emigratie van vrouwen uit zulke streken) ; 20. een grootere mortaliteit onder vrouwen dan onder mannen of weliswaar een grootere mortaliteit onder mannen dan onder vrouwen, maar met geringer verschil tusschen beider mortaliteit dan in andere streken; 30. het bestaan van een bijzonder groote groep van onvolwassenen. Er is een algemeene neiging, om de eerste oorzaak (immigratie van meer mannen dan vrouwen) als de eenige °°rzaak of de hoofdoorzaak van een gering vrouwental te '«■schouwen J ). Men zy met zulk een conclusie voorzichtig! •Misschien zy'n de bekende Tjilatjapsehe immigratiedistric ten en wellicht ook het Sragensche Gondang, het Kendalsche Bod ja en de Karimloendjawa-eilandcn de eenige districten Waar deze oorzaak van een beteekenenden invloed op het gering aantal vrouwen is. De tweede bovengenoemde oorzaak (het verschil in mor taliteit van mannen en vrouwen) is nog moeilijker te consta teeren (zie boven blz. 6). Niet onwaarschy'nly'k zy'n, gely'k straks in hoofdstuk V nader uiteengezet zal worden, in de geslachtsverhouding van de onvolwassenen aanwijzingen te Vl nden, dat in de Tjilatjapsehe districten Sidaredja en "jilatjap buiten de kotta, het Demaksche Mranggen, de 'jiobogansche districten Manggar, Poerwodadi buiten de kotta, (irobogan en Kradenan en misschien ook in het Pati- Se he Tajoe het aantal jongens in verhouding tot de meisjes grooter is dan elders, zoodat wellicht de mortaliteit onder hen hier geringer is dan in vele andere districten. De derde bovengenoemde oorzaak verdient nog eenige nadere toelichting. Het kan zy'n, dat, bijvoorbeeld, ten gevolge van een immigratie van een vorige generatie, in een bepaalde streek het geboortecijfer in sterke mate toegenomen is. Onder de onvolwassenen is gemeenlijk een grooter percentage personen van het mannelijk ge dacht dan onder de volwassenen. En aangezien hier tengevolge van de stijging van het geboortecijfer een grootere groep onvolwassenen is ontstaan, zal daardoor de geheele bevolking naar verhouding meer na nnen tellen dan in het geval, dat het geboortecijfer niet ou de zijn toegenomen. Zoolang het tengevolge van de Ve rhooging van het geboortecijfer verstoorde evenwicht usschen volwassenen en onvolwassenen niet hersteld is. * ll 'len de hier beschreven gevolgen op de getalsverhouding an beide geslachten zichtbaar blijven. Het spreekt vanzelf, dat in het algemeen elke sterke ver ooging van het geboortecijfer eenzelfden invloed op de Machtsverhouding van de totale bevolking kan hebben. Het is jammer, dat ook deze — misschien wel zeer teekenende — oorzaak zonder gedetailleerde cy'fers van » e °oorte, sterfte en leeftijden niet te constateeren is. Maar et is wel merkwaardig, dat in de meeste districten met eeri gering vrouwental in het tijdvak 1920—1930 de oenanie van de mannelijke bevolking het grootst onder e onvolwassenen is geweest (zie § 6 slot). Geslachtsverhouding in de drie leeftijdsgroepen. De sexeverhouding in ieder der drie leeftijdsgroepen (1. de kinderen, die nog niet kunnen loopen; 2. de overige on volwassenen; 3. de volwassenen) komt in hoofdstuk V ter sprake. De cy'fers dier verhouding kunnen eenige (helaas nog zwakke) aanwijzingen geven omtrent het ontstaan van het vrouwenoverschot. Regel is, dat — met enkele uitzonderingen — in de 2e leeftijdsgroep meer jongens dan meisjes en in de 3e leefty'dsgroep meer vrouwen dan mannen zy'n. In de le leeftijdsgroep is gely'k boven blz. 6 bleek, vaak een nieisjesoverschot. ) Bijvoorbeeld D. H. Burger in zijn belangwekkende Vcrgelij jy Van den economischen toestand der districten Tajoe en m enan (Batavia, z.j.) op blz. 5 waar hij vermoedt, dat het van het Patische district Tajoc aan deze oorzaak te schrijven is. Met de Volkstellingscijfers valt dit vermoeden *°««k te steunen. 2) Statistiek van Nederland. Volkstelling 31 December 1930, deel I, blz. 330, kolom 11. § 5. Bevolkingsdichtheid. Algemeene cijfers. De beide Vorstenlandsche gouverne menten en de provincie Midden-Java zijn aanmerkelijk dichter bevolkt dan West-Java. Zeer hoog zyn de cyfers van de Vorstenlanden; Jogjakarta telt op één km 2 bijna twee maal zooveel zielen als Ne derland en 2 a 4 maal zooveel als de drie in 1921 dichtstbevolkte provinciën van Britsch indië. Het is dan ook in deze zelfbesturende ryken, dat men de meest dichtbevolkte re- gentschappen vindt, zoo bijvoorbeeld Jogjakarta (860,5), Klaten (819,6), Bantoel (800,46), Soerakarta (760) en Adikarto (699,1). In Midden-Java zy'n het Tegal (659,2) en Keboemen (601,8), die de hoogste cijfers hebben, maar daarnaast mogen toch de noordkust-regentsehappen Peka longan en Semarang, en die van Banjoemas (Banjoemas, Poerbalingga en Poerwokerto), die van Zuid-Midden-Java (Karanganjar, Keboemen en Poerworedjo) het Kedoe sche regentschap Magelang en ten slotte in het oosten Koedoes, allen met cijfers tusschen 500 en 600 zielen per km 2 niet onvermeld blijven; iets lagere cyfers hebben Koetoardjo (493,8) en Pemalang (468,5) en, in Jogjakarta, Koelonprogo (441,7). De laagste cijfers, tusschen 200 en 300 zielen per km 2 vinden wij in de regentschappen in het zuidergebergte van de Vorstenlanden (Wonogiri, Goenoengkidoel) en de in het gebied van de djatibossehen gelegen regentschappen Rembang, waar volgens de inlichtingen van den Dienst der Boschinrichting ± 20%, Grobogan waar 34,3% en Blora waar 46,2% van het regentschapsgebied overdekt is met bosschen; ten slotte in het westen het regentschap Tjilatjap. De cy'fers tusschen 300 en 400 zielen per km 2 zijn gevonden in bergregentschappen (Bandjarnegara, Wono sobo, Temanggoeng, Bojolali) in regentschappen met bergland en vlakte (Brebes, Batang, Kendal, Pati, Sragen en Mangkoenegaran) en verder in Demak en Japara. De dunst-bevolkte districten. Met uitzondering van de in de Java-zee gelegen Karimoendjawa-eilanden waar 25 zielen per km 2 wonen heeft geen enkel district van Mid den-Java en de Vorstenlanden dichtheidscyfers van minder 70 alphabeten op de 100 kinderen van de geheele tweede leeftijdsgroep. Dit percentage kan natuurlijk nooit de 100 bereiken, omdat immers een bepaald deel van de kinderen van deze groep, naar ruwe schatting ruim de helft, namelijk de kinderen van IV 2 jaar tot ongeveer 8 jaar l ), onmogelijk alphabeet kunnen zy'n. In Midden-Java relatief evenveel onvolwassen alphabe ten als in West-Java. In het onderstaand tabelletje is van de jongens en van de meisjes ieder en van de beiden tezamen het percentage alphabeten bepaald (zie tabel 23). Opmerkelijk is, dat in Midden-Java op de 100 jongens (van leeftydsgroep II) meer alphabeten zy'n geteld dan in West-Java waar toch het alphabetisme al zeer gevorderd is. Het percentage meis jes, dat alphabeet is, is echter in West-Java hooger. Toch heeft ten slotte Midden-Java een evenhoog percentage van jeugdige alphabeten, als West-Java. De cyfers van de Vorstenlanden zijn wat de jongens betreft veel lager dan die van Midden- Java, maar het relatieve aantal meisjes-alphabeten is in Jogjakarta niet veel geringer dan dat van Midden-Java. De regentschapscijfers. In de hieronder opgenomen tabel zijn de regentschapscijfers 2 ) opgenomen: Bespreking van deze cy'fers moet beperkt blijven tot enkele algemeene opmerkingen. Allereerst vallen alweer op de hooge cijfers van de jongens-alphabeten in Temang goeng, dat verre boven de andere regentschappen uitsteekt, maar ook een veel hooger percentage heeft dan de Priangan sche regentschappen van West-Java (die slechts 13 a 16 alphabeten op de 100 jongens tellen). Het relatieve alphabetental van Grobogan en Keboemen is ook hooger dan het hoogste regentschapscijfer van West-Java (15,9 in Soemedang), terwy'l dat van Keboemen hooger is dan dat van Garoet (14,4) en Bandoeng (13,4). Batang heeft een iets hooger, Poerworedjo een iets lager percentage dan Bandoeng, terwijl Banjoemas, Poerwokerto, Karanganjar, Wonosobo en Blora een wat hooger relatief cijfer dan Tjiandjoer hebben. De laagste cy'fers zijn aangetroffen in de Vorstenlanden en enkele regentschappen van de residentie Pekalongan; Batang echter neemt een bijzonder hooge plaats in boven staande tabel in. De cyfers der meisjesalphabeten, in Temanggoeng bijzon der hoog, varieeren in andere regentschappen tusschen 0,2 (Wonogiri en Goenoengkidoel) en 3,3% (Keboemen, Karanganjar, Bandjarnegara). Alleen Temanggoeng, Keboemen, Batang, Banjoemas, Poerwokerto, Karanganjar, Poerworedjo, Wonosobo, Bandjarnegara, Pati, Jogjakarta en Soerakarta hebben cy'fers boven het Midden-Java-gemid delde (1,9%). Jogjakarta en Soerakarta hebben in ver houding tot het aantal jongens-alphabeten nog al veel meisjes, die de schrijfkunst machtig zijn. Grobogan en Blora daarentegen hebben naast betrekkely'k veel jongens alphabeten een zeer gering aantal meisjesalphabeten. De meest belangrijke cijfers van gemeenten, kottas en districten vindt men in teksttabel No. 14 (op blz. 76), zoodat hier in den tekst volstaan kan worden met eenige algemeene opmerkingen. Jongensalphabeten in gemeenten en kottas. In de Oost-Priangansche kottas Tjiamis, Tasikmalaja, Garoet en Soemedang zy'n 30 a 34 alphabeten op de 100 jongens (van leefty'dsgroep II) geteld, cijfers, die niet ver meer van het maximum af zijn 3 ). T n Midden-Java zy'n 25 a 29 de hoogste cijfers (in de kottas Keboemen, Wonosobo, Poer woredjo, Koetoardjo, Banjoemas, Klaten, Temanggoeng en de gemeente Salatiga). De gemeenten, behalve Salatiga> hebben veel lagere cyfers, die ook lager zyn dan de percentages van de Vorstenlandsche hoofdplaatsen. Opmer kely'k is het bijzonder lage cy'fer van Pekalongan (6,3). Het gros der kottas heeft percentages tusschen 10 en 20; beneden de 10 zijn de cijfers van Slawi (8,8%)» Pemalang (7,9%) en Kedoengwoeni (7%) allen in de residentie Pekalongan gelegen, en verder Kaliwoengo e (7,8%) in Kendal. De meisjesalphabeten in gemeenten en kottas. Van de meisjes (van de 2e leeftijdsgroep) zijn in de kotta 9 (Banjoemas, Wonosobo, Keboemen, Klaten, Poerworedjo) Soerakarta) hoogstens 10 tot 13 alphabeten, tegen ruim 23 i n de Priangansche kottas Garoet en Tasikmalaja. De van de gemeenten en de Vorstenlandsche steden zy'n behal ve Soerakarta beneden de 10. Pekalongan heeft wederom een zeer laag cijfer. De meeste kottas tellen 5 a 1 alphabeten op de 100 meisjes; beneden de 5 zy'n de cyf erS van Tjilatjap (4,4), Soekaradja (2,1), Boemiajoe (4,9)' Brebes (3,1) Slawi (1,6), Pemalang (2,6), Kedoengwoeni (1,5), Batang (1,8), Sragen (3,2), Bojolali (3,6), KoedoeS (2,8), Tjepoe (3,6), Kaliwoengoe (0,3). 1) Aannemende dat kinderen op liun 6e jaar naar school gaan en 2 jaar later alphabeet worden. 2 ) Met uitzondering van die van Pakoealaman (zie boven blz. 2). 3 ) Zie Volkstelling 1930 deel I blz. 68. De hoogste cijfers op het platteland. Op het platteland Va n Temanggoeng en in één district van Grobogan vinden het grootste aantal jongensalphabeten op de 100 jongens (van leeftijdsgroep II) namelijk 20 tot 24, cijfers, die men m de Preanger nergens (behalve in één district) buiten de kottas en de gemeenten heeft geconstateerd. Daar zy'n Percentages tusschen 15 en 20 de hoogste; deze treft men 111 Midden-Java in eenige districten van Grobogan, Keboe- Batang en ook in één district van Temanggoeng (Kaloran) en Wonosobo (Leksono) aan (zie teksttabel No. 14). Temanggoeng heeft buiten de kotta ook het grootste relatieve aantal meisjesalphabeten, namelijk ruim 9 •) op °- e 100 meisjes (van leeftijdsgroep II), een percentage, dat m West-Java maar zelden wordt overtroffen. Maar bui ten Temanggoeng, in districten van Keboemen, Bandjarne gara, Wonosobo, Batang, Banjoemas en in het Poerwoker to sche Djatilawang dalen de cy'fers tot 5, 4 en 3 (zie te ksttabel No. 14). l ) w tiet district Temanggoeng buiten de kotta telt er zelfs 12. §5. Volwassen alphabeten. Onder volwassen alphabeten ook nog jongeren. De ez er zij vooraf er op geattendeerd, dat de laagste leeftijds grens van de volwassenen ongeveer 15 a 17 jaar kan zijn. _ r zyn dus onder de volwassen alphabeten nog tal van Jongeren. Meer volwassen dan onvolwassen alphabeten. Uit de absolute cy'fers van tabel No. 22 blijkt, dat overal meer v °'Wassen dan onvolwassen alphabeten zy'n. In Midden av a is de verhouding (tusschen onvolwassenen en volwas sen) l . i n Jogjakarta 1 : 2,1, in Soerakarta 1 : 2,9 n in West-Java 1 : 2. Het grootst is dus het verschil ln Soerakarta. Daar waar veel volwassenen immigreeren zooals in het egentschap Tjilatjap, of in regentschappen met groote e den waar de volwassen alphabeten hun werk zoeken °°als Semarang ten Jogjakarta, maar ook in regentschappen v anr het alphabetisme nog weinig verbreid is, zooals het °gjasche Goenoengkidoel en alle regentschappen van °erakarta, zy'n de verschillen tusschen het aantal onvol assen en volwassen alphabeten het grootst. tn de regentschappen met een meer verbreid alphabetisme °oral onder de onvolwassenen), zooals in Temanggoeng, r °bogan, Keboemen, Batang, Banjoemas is het verschil üet geringst. uiting van de vordering van het alphabetisme onder meisjes in de laatste jaren is het feit, dat in eenige gentschappen het aantal vrouwely'ke onvolwassen alphabe teti grooter is dan het aantal volwassen alphabeten. Dv allend zyn vooral de cy'fers van Karanganjar, Banjoe- s > Keboemen en Temanggoeng. Percentage volwas sen alphabeten in de gewesten. Van de vol wassen mannen is in West-Java een hooger percentage de schry'f kunst machtig dan in Midden-Java en de Vorstenlanden. Groot et verschil onder de vrouwen. Regentschapscijfers. De regentschapscijfers zijn, naat volgorde van het percentage alphabeten onder de volwasse nen gerangschikt, in de volgende tabel opgenomen; Temanggoeng staat wederom No. 1 op het lystje 2 ). Zoowel op het platteland (behalve Kaloran) als op de hoofdplaats zijn de cijfers hoog. De hooge plaatsen, die de regentschappen Soerakarta, Jogjakarta en Semarang in deze tabel innemen zy'n toe te schry'ven aan de hooge cijfers van de steden of stadjes in die regentschappen. De cy'fers van de vrouwely'ke alphabeten zy'n over het algemeen laag. Op de 100 volwassen vrouwen zijn niet meer dan 2 a 4 de schrijfkunst machtig. In meer dan 59% van de regentschappen daalt dit cy'fer beneden 1. Voor de belangrykste distriets-, gemeente- en kottacijfers verwy'zen wy wederom naar teksttabel No. 14. Cijfers van gemeenten en kottas. Van de kottas heb ben er niet minder dan dertien 30 tot ruim 41 mannely'ke alphabeten op de 100 volwassen mannen. Heel hoog zy'n de cijfers van de Vorstenlandsche hoofdplaatsen Soerakarta (40,4), Jogjakarta (36,8), Klaten (41,4) en in Midden-Java Wonosobo (40) en Banjoemas (39,5)7 behalve in de gemeente Bandoeng en de kottas Tasikmalaja en Tjimahi vindt men nergens in West-Java zulke hooge cijfers. Van de gemeenten hebben Magelang (33,2) en Salatiga (34) hooge cyfers, Semarang (25,9) en Tegal (23,3) wat lagere en Pekalongan (13,8) het laagste cy'fer, niet veel hooger 2 ) In de Preanger zijn de cijfers van de mannelijke en vrouwelijke alphabeten over het algemeen wat hooger. 71 72 dan de laagste kottacyfers, varieerende tusschen 11 en 14, in de kottas van de residentie Pekalongan en Kaliwoengoe in Kendal. De hoogste percentages vrouwelijke alphabeten hebben de kottas Banjoemas met bijna 8 en Poerworedjo met 7 alphabeten op de 100 volwassen vrouwen, terwy'l Keboemen, Wonosobo, Klaten en Soerakarta cy'fers tusschen 6 en 7 hebben; in West-Java is 17,7 het hoogste kottacijfer (Tasikmalaja). De gemeenten hebben wederom lagere relatieve cyfers. De allerlaagste kottapercentages liggen beneden 1 (in Kaliwoengoe en Lasem). De hoogste cijfers van het platteland. Alleen in twee Temanggoengsche districten en een Keboemensch district telt men meer dan 20 alphabeten op de 100 volwassen mannen; in de Preanger komen deze cijfers in verscheidene districten voor. In enkele districten van de regentschappen Karanganjar, Banjoemas, Batang, Keboemen. Koetoardjo, Temanggoeng en Grobogan en in het district Kroja (Tjila tjap) vinden wij cijfers van 15 tot 20. Van de volwassen vrouwen zy'n op het platteland maar hoogstens 4 a 5 (in Priangan 7 a 9) de schrijfkunst mach tig. Natuurlijk vinden wij die cy'fers weer in Temanggoeng sche districten. Percentages van 2 a 4 zy'n alleen in de districten Bandjarnegara, Bawang, Alihan, Leksono en Temanggoeng buiten de kotta aangetroffen. Voor de belangrykste districts-, gemeente- en kottacyfers verwy'zen wij wederom naar teksttabel No. 14. § 6. Alphabeten zonder schoolonderricht. Inleiding. In de bespreking van de vele in tabellen 24, 25 en 26 vermelde cijfers van het alphabetisme in ver band met het al of niet genoten schoolonderricht zullen wij ons bepalen tot het vermelden van enkele cijfers van alpha beten zonder schoolonderricht. Waar buiten de school de schrijfkunst wordt geleerd. Volgens de bij enkele Regenten ingewonnen inlichtingen, leeren kinderen het Arabische letterschrift in langgar's (dorps- of particuliere godsdiensthuizen), in kleine pesan tren's 1 ) of by' goeroes (godsdienstleeraren) aan huis met het reciteeren van de Koran, in den regel alleen lezen, maar zelden schrijven. Meer komt het voor, dat kinderen al van jongs af aan het Javaansche letterschrift van an deren leeren schry'ven. Zeldzamer is het, dat volwassenen de schrijfkunst van anderen leeren. Niet alle alphabeten hebben schoolonderricht gehad. In tabel No. 26 vindt men het percentage alphabeten dat schoolonderrieht genoot of genoten had. In het marginale ta belletje zijn de per centages van de alpha beten zonder sehool onderrieht voor ieder der gewesten opgeno- men. Het blykt, dat Soerakarta het grootste relatieve aantal alphabeten telt, dat buiten de school de schrijfkunst leerde. Enkele regentschappen (Brebes, Tegal, Soerakartasche regentschappen, Goenoengkidoel) met weinig alphabeten hebben naar verhouding veel en enkele regentschappen (Temanggoeng, Batang, de regentschappen van de residen tie Banjoemas) met veel alphabeten hebben relatief iveinig alphabeten zonder schoolonderricht. Van de volwassenen een veel grooter percentage alpha- beten zonder school onderricht. Onder de onvolwassenen zijn er naar verhouding veel minder, die zonder schoolonderricht alpha beet zy'n geworden dan onder de volwassenen; in Soerakarta blykt zelfs byna V 3 deel van de volwassen alphabeten het schry'ven buiten de school geleerd te hebben. Meer mannelijke dan vrouwelijke alphabeten zonder schoolonderricht. Op de 100 alphabeten zonder school onderricht van ieder der leeftijdsgroepen II en 111 waren er van het vrouwelijk geslacht (zie tabel No. 25) : Er zy'n dus onder deze alphabeten zonder schoolonder richt „mannenoverschotten", die onder de volwassenen grooter zijn dan onder de onvolwassenen. Opmerkelijk is het geringe aantal vrouwen (in verhouding tot het totaal aantal alphabeten zonder schoolonderricht) in Midden- Java, zoowel onder de onvolwassenen als de volwassenen- Het zy'n in die provincie vooral de regentschappen Karanganjar, Keboemen, Demak, Grobogan en alle regentschappen van de residentie Japara-Rembang waar onder de alphabeten zonder schoolonderricht zoo weinig vrouwen zijn. Voor de regentschapscijfers verwy'zen wy' naar de tabel. Onvolwassen alpha beten zonder school onderricht. Op de 100 jongensalphabeten (va* leeftijdsgroep II) zy» er in Midden-Java e ll ieder der Vorstenland sche gouvernementen veel minder zonder schoolonderricht dan in West-Java; van de meisjes ka» hetzelfde gezegd worden. Waar veel jongens- en meisjesalphabeten zonder school onderricht zijn. Het grootste relatieve aantal jongensalpha- beten zonder school onderricht vinden WIJ in de regentschappen Keboemen, Tegal, e ' does, Japara en Poer woredjo. Opvallend i s vooral het hooge abso lute en relatieve cy'fe r van Keboemen. Onder de meisjes alphabeten telt vooral !) De groote pesantren's zullen wel meestal met scholen gelijk gesteld zijn (zie boven blz. 67). 73 ve t regentschap Tegal er velen (wel byna 20%) die de sehryfkunst buiten school hebben geleerd. Het absolute aa ntal is echter niet groot, slechts 160. Volwassen alphabeten zonder schoolonderricht. De Vorstenlandsche gewesten (vooral Soerakarta) blyken relatief veel volwassen alphabeten te tellen, die zonder sehoolon derricht de schrijfkunst machtig zijn geworden. Het zijn dan ook in de regentschappen van die gewesten waar de hoogste cijfers zijn ge- vonden. Alleen in Soerakarta blykt het cy'fer van de r °uwen hooger te zijn dan dat van de mannen. In Goenoengkidoel, Klaten, Bojolali, Soerakarta en Wonogiri hebben op de 100 mannelijke volwassen alphabe e n er ongeveer 31 a3B het schry'ven buiten school geleerd. 11 Midden-Java zy'n het Koedoes, Brebes en Tegal waar, n aar verhouding, de meeste mannen buiten de school om Pnabeet zijn geworden. hoogste regentschapspercentages van de volwassen r ouwelijke alphabeten zonder schoolonderricht zijn weinig hooger; 29 a 33% in Tegal, Goenoengkidoel, Sragen, S °erakarta en Wonogiri. Onvolwassen alphabeten zonder schoolonderricht in semeenten en kottas. Over het algemeen is het percen age onvolwassen alphabeten, dat zich het een of ander et terschrift buiten school heeft eigen gemaakt in gemeen e n en kottas gering, in de gemeenten Semarang, Salatiga Magelang en de twee Vorstenlandsche hoofdsteden s ee hts 3a 9% van de jongens- en 3a 7% van de meisjes- Phabeten. In de gemeenten Tegal en Pekalongan zijn er m eer, die zonder school het schrijven leerden, in Tegal r uim 19% van e j oTl g eris . en niet minder dan ruim 23% an de meisjesalphabeten, in Pekalongan onderscheidenlijk n,il * 17 en byna 9%. va n de kotta 's hebben alleen kleine plaatsjes als Kendal, ahvvoengoe, Lasem en ook het grootere Koedoes hooge cijfers. Volwassen alphabe ten zonder schoolon derricht in gemeenten en kottas. Veel hoo ger is het percentage volwassen alphabeten, die buiten school de schrijfkunst geleerd hebben, zooals uit ne venstaande tabel waar in de cijfers van de gemeenten en grootste kottas zijn vermeld. Opmerkelijk zyn de hooge percentages in Tegal, Pekalongan. Soerakarta en Koedoes. Ook in kleinere kottas • ürebes, Slawi, Kendal, Kaliwoengoe, Ambarawa, Japara, e mbang, Lasem, Kottagede, Klatcn en Bojolali kunnen eze cijfers hoog zyn. § 7. De Nederlandsch-schr ij venden. De cijfers van de gewesten. Het aantal Nederlandsch- schry venden is in ver houding tot het zielen tal natuurlijk zeer ge ring. Uit de cijfers van het marginaal ta belletje ziet men, dat in de Vorstenlanden het relatief aantal Ne- derlandsch-schrij venden het grootst is. Het verschil tusschen de Vorstenlanden eenerzijds en de beide provinciën anderzijds komt nog scherper uit, wanneer men de cijfers naar geslacht en leeftijdsgroep splitst (zie onderstaande tabel) : Opmerkelyk hoog is het cijfer van het relatieve aantal volwassen mannely'ke Nederlandsch-schrijvenden in Jogja karta. In Soerakarta zy'n de cijfers van het mannelijk geslacht ook vry' hoog, maar die van het vrouwelijk geslacht zy'n zoowel onder onvolwassenen als volwassenen laag. Concentratie van Nederlandsch-schrijvenden in de ge meenten en kottas. De relatieve regentschapscy'fers van de Nederlandseh schry venden (zie tabel No. 23) geven geen juist beeld van de verspreiding dezer al phabeten, aangezien zij grootendeels geconcen treerd zijn in gemeen- ten en kottas alwaar immers Inlanders gelegenheid vinden om westersch onderwijs te genieten of betrekkingen te vervullen waarvoor diploma's van de inrichtingen van dat onderwy's worden vereischt l ). Gemeenten en kottas met de meeste Nederlandsch schrijvenden. In teksttabel No. 15 op blz. 78 vindt men de cijfers van het aantal Nederlandsch-schrijvenden in de gemeenten en in die kottas waar hun relatieve aantal (per 100 zielen) hooger dan 1 is. Relatief-groot (tusschen 4 en 6%) is hun aantal in grootere plaatsen als de beide Vorstenlandsche hoofd plaatsen en Magelang, maar ook in kleinere plaaïsên als Klaten, Poerworedjo, Koetoardjo, Poerwokerto en Banjoemas. Op het platteland weinig Nederlandsch-schrijvenden. Buiten de gemeenten en kottas daalt het percentage ver beneden 1. De meesten (2 a 6 Nederlandsch-schrijvenden op de 1 000 zielen) telt men op kleine districts- of regent schapshoofdplaatsen, die niet als kottas zy'n beschouwd J ) Zie ook publicaties Holl.-Inl. Onderwijscommissie No. 5 blz. 21. 74 (Bandjarnegara, Gombong, Karanganjar enz.) of in de nabijheid van een gemeente of kotta (Magelang, Poerwo redjo, Klaten, enz.), doch ook (speciaal in de Vorstenlanden) in ondernemingsgebied (Gondangwinangoen, Delanggoe, Djatinom, Sleman, Kalasan, Godejan, Kottagede-Jogja buiten de kotta). Relatief-veel vrou wen onder de Neder landsch-schrij venden. Het aantal vrouwen onder de Nederlandsch schrijvenden (zie tabel No. 29) is in de drie gewesten aanmerkelijk groot er dan het aantal vrouwen onder de alphabeten, die geen Nederlandsch kun nen schrijven. Waar veel meisjes en vrouwen Nederlandsch kunnen schrijven. De gemeenten en kottas waar de meeste Nederlandsch-schry'vende meisjes zy'n geteld (nl. tusschen 4 en 6% van alle meisjes der 2e leefty'dsgroep) zy'n Poerwo redjo, Magelang, Klaten, Rembang en Jogjakarta. Lager zijn de cijfers van de steden Semarang (2,6) en Soerakarta (3,9). Van de volwassen vrouwen kan in de gemeenten en kottas niet meer dan 2 a 3% Nederlandsch schrijven; die hoogste cijfers zijn gevonden in Jogjakarta, Poerworedjo, Salatiga, Magelang en Banjoemas; Semarang (1,6) en Soerakarta (1,7) hebben wederom lagere cijfers. De absolute cy'fers vindt men in teksttabel No. 15 op blz. 78. Waar veel mannelijke alphabeten Nederlandsch kunnen schrijven. In de gemeenten en kottas Poerworedjo, Koe toardjo, Klaten, Wonosobo, Magelang en Jogjakarta telt men naar verhouding de meeste jongens, die Nederlandsch kunnen schrijven, namelijk tusschen 7 en 11% van alle jongens der tweede leefty'dsgroep. Soerakarta heeft een iets lager cy'fer (6,6), terwy'l Semarang ruim 4 Neder landsch-schrijvenden onder de jongens van de tweede leeftijdsgroep telt. De hoogste cijfers van de mannen schommelen tusschen 7 en 10 per 100 volwassen mannen, namelijk in Klaten, Jogjakarta, Poerworedjo, Magelang en Soerakarta, terwijl Semarang een cijfer van 5,9% heeft. De absolute cijfers zijn in teksttabel No. 15 opgeno men. Percentage Nederlandsch-schrijvenden zonder westersch schoolonderricht. In tabel No. 28 kan men het percen tage Nederlandsch-schrijvenden met westersch schoolonder- richt vinden. In het marginale tabbelletje zijn de percentages Ne derlandsch-schrijven- den zonder schoolon derricht opgenomen. Dat cyfer is in Mid den-Java en de Vor- stenlanden aanmerkelijk lager dan in West-Java. In het algemeen zy'n deze percentages lager dan die van het percentage alphabeten zonder schoolonderricht. Waar veel Nederlandsch-schrijvenden zonder westersch schoolonderricht zijn. In de volgende regentschappen is het relatieve aantal Nederlandsch-schrijvenden, dat buiten de school Nederlandsch heeft leeren schry'ven, het grootst: De absolute cijfers van Goenoengkidoel en Koelonprogo zijn laag. Die van Tegal (absolute zoowel als relatieve cijfers) zy'n hoog; de meeste van deze Nederlandsch schrijvenden zonder schoolonderricht zy'n natuurlijk in de gemeente Tegal (26,5% of in totaal 240 personen) geteld. Uiteenloopende cijfers in gemeenten en kottas. In de gemeenten en kottas varieeren de bovenbedoelde percen tages tusschen 2,1 (Koetoardjo) en 46,6 (Lasem). Van eenige gemeenten en kottas met de meeste Nederlandsch schrijvenden is hieronder het aantal van die alphabeten zonder schoolonderricht vermeld: Het percentage Nederlandsch-sehry'venden dat geen schoolonderricht heeft gehad is relatief het hoogst in Lasem (slechts 27 personen), Boemiajoe (29,7% of H personen), Tegal (zie boven) en Salatiga (zie boven staand tabelletje). § 8. Vergelijkingen met de cy'fers van 1920. Het aantal alphabeten sinds 1920 meer dan verdubbeld. In teksttabel No. I 6 op blz. 79 zy'n de cijfers van de alphabe ten van 1920 en 193° met elkander vergele ken. In het ty'dvak tusschen die beide j a ' ren blykt het aantal personen, dat de schrijfkunst kende, in Midden-Java en de Vorstenlanden meer dan verdubbeld te zy'n. Waar de toename het grootst was. De regentschappen waar het aantal alpha- beten het meest toege nomen is, zijn in het nevenstaand tabelletje opgenomen; hier blykt liet aantal in het tijd vak 1920—1930 meer dan verdriedubbeld te zijn, in Brebes en Temanggoeng vervier dubbeld en in Wono sobo zelfs vervy'l'dub beld. Waar de toename het geringst was. Het geringst was toename m de volgende regentschappen ■ Groote toename onder onvolwassen en vrouwelijke al Phabeten. Uit de hieronderstaande tabel: Hjkt: lo dat de onvolwassen meer zijn toegenomen dan e volwassen alphabeten (behalve de vrouwely'ke alphabeten a n Jogjakarta) ; 2o dat de vrouwelijke alphabeten sterker ijn toegenomen dan de mannelijke, vooral onder de vol wassenen; 3o dat de aanwascy'fers, vooral die van Midden av a, hooger zyn dan die van West-Java. De regentschapscijfers. Vergelijkt men de regentschaps- cijfers van 1920 en 1930 dan valt al dade lijk op, dat het accres zeer groot is in Keboe men, Wonosobo en Temanggoeng, het al lergrootst onder de vrouwelijke alphabeten. Bijzonder groot is het cres van de meisjesalphabeten in Wonosobo. Van de gensalphabeten is de toename, behalve in Wonosobo, Ke e men en Temanggoeng, ook vry groot in Brebes, Koeto -3o en Poerworedjo. In tal van regentschappen is een °°t accres onder de meisjesalphabeten te constateeren, al n et dan niet zoo groot als in de drie bovengenoemde te doesche regentschappen (Poerwokerto, Poerbalingga, Banjoemas, Karanganjar, Brebes, Koetoardjo, Poerworedjo, Kendal, Grobogan, Pati). Brebes, Batang, Keboemen, Wonosobo en Temanggoeng hebben een aanwaspercentage van volwassen mannelijke alphabeten boven het Midden-Java-gemiddelde, maar er zijn meer regentschappen waar het aantal volwassen vrouwelijke alphabeten sterk toegenomen is (Poerwokerto, Poerbalingga, Bandjarnegara, Karanganjar, Brebes, Batang, Klaten en de drie bovengenoemde Kedoesche regentschappen). De Vorstenlandsche cijfers. Aangezien van de Vorsten landen geen complete regentschapscyfers beschikbaar zyn en de alphabeten voor een belangrijk percentage geconcen treerd waren in de twee hoofdplaatsen volgen hieronder de absolute cijfers dier twee steden: Toename Nederlandsch-schrijvenden. Van de vier ge- westen, Midden- en West-Java en de beide Vorstenlandsche gou vernementen, zijn in Soerakarta en West- Java het aantal Nedcr landsch-schry' venden het meest toegenomen. Het grootst is de toename in de regentschappen Batang, Koetoardjo, Poerworedjo, Klaten en Goenoengkidoel (van 11 op 121) ; het geringst in Demak en Koelonprogo. Het aantal meisjes, dat Nederlandsch schrijft, sterker toegenomen dan het aantal jongens. Ook onder deze alphabeten is de toena me van de vrouwen grooter dan onder de mannen. In het margi nale tabelletje zijn de acerespercentages van jongens en meisjes naast elkaar geplaatst. Gering is het verschil in aecres van de jongens en meisjes in Jogjakarta, maar zeer groot is dat in Socrakarta; de aanwas van de meisjes is daar buitengewoon groot. (Iroot is het aceres van de jongens en meisjes — al zijn dan de absolute cyfers van 1930 nog klein — in de regent schappen Tjilatjap, Batang, Keboemen, Koetoardjo en Poerworedjo ') ; van de meisjes vallen dan nog te vermel den de cijfers van Bandjarnegara (van 18 op 73), Rembang (van 22 op 92) en Klaten (van 22 op 136). Het aantal volwassen vrouwelijke Nederlandsch-schrij venden sterker toegenomen dan het aantal mannelijke. 1 ) De groote toename van Goenoengkidoel heeft betrekking op zeer lage absolute cijfers. 75 Ook onder de vol wassen Nederlandsch schrijvenden is het accres van het vrouwe lijk geslacht naar ver houding veel grooter dan van het mannelijk geslacht en wederom is de toename van de vrouwely'ke Nederlandsch-schrijvenden in Soerakarta bijzon der hoog. Merkwaardig is, dat, in tegenstelling met de alphabeten in het algemeen, het aanwaspercentage van de volwassenen hooger is dan dat van de onvolwassenen. Groot is de toename van mannely'ke volwassen Neder landsch-schrijvenden vooral in de regentschappen Batang en Koetoardjo en in Goenoengkidoel (van 9 op 92), en die van de vrouwely'ke in Batang (van 8 op 77), Grobogan (van 15 op 119), Tjilatjap (van 22 op 167), Karanganjar (van 22 op 151) en Klaten (van 24 op 189). De cijfers van de Vorstenlandsche steden. Tot slot, ter verduidelijking van de Vorstenlandsche cy'fers, hieronder de aantallen Nederlandsche alphabeten der beide Vorsten landsche hoofdplaatsen: Hieruit blykt, dat in Soerakarta het accres onder beide leeftijdsgroepen en geslachten grooter is dan in Jogjakarta. AANTAL ALPHABETEN IN ENKELE DISTRICTEN, GEMEENTEN EN KOTTAS. NUMBER OF LIT ER AT ES IN SOM E DISTRICT S, MUNICIPALITIES AND TOWNS. Teksttabel — Subsidiary table No. 14. 76 T eksttabel No. 14 (vervolg). 77 Teksttabel No. 14 (vervolg). AANTAL NEDERLANDSCH-SCHRIJVENDEN IN DE GEMEENTEN EN EENIGE KOTTAS. NUMBER OF DUTCH LITERATES IN THE MUNICIPALITIES AND SOME TOWXS. Teksttabel — Subsidiary table No. 15. i) Degenen met onbekende leeftijdsgroep inbegrepen. Inclvsive of those icith age period unknown. 78 AANTAL ALPHABETEN IN 1920 EN 1930 INGEDEELD NAAR GESLACHT EN LEEF TIJDSGROEP. (ABSOLUTE CIJFERS). NUMBER OF LITERATES IN 1920 AND 1930 CLASSIFIED AS TO SEX AND AGE PERIOD. (ABSOLUTE NUMBERS). Teksttabel — Subsidiary table No. 16. 79 8 dan 100 zielen per km 2, die wij in West-Java in 13 dis tricten in het zuidelijk gebergte aantroffen. De laagste cy'fers, die hier tusschen 100 en 200 zielen per km 2 liggen, zy'n aangetroffen in 9 districten. Aller eerst in het Tjilatjapsehe aan de Preanger grenzende Madjenang (149 zielen per km 2), dat grootendeels bergachtig is en nog voor ruim 37% uit bosschen, woesten grond en ondernemingen bestaat. Dan in het aan Koe ningan (West-Java) grenzende en in Zuid-Brebes gelegen gebergte, dat in Veth's Java *) Pembarisan-gebergte wordt genoemd, gelegen Bantarkawoeng (154,6), dat voor meer dan de helft uit wildhout- en djatibosschen bestaat. Daarna de Zuid-Pekalongansche bergdistricten Doro (142,4), van welks gebied ruim 41% enPaning garan (165) waarvan bijna 34% uit wildhoutbosschen be staat 2 ); de Blorasche districten Ra ndoebl a t o e n g (145,4) met bijna 65% en Djepon (188) met 56,3% en het Rembangsche Soelang (186,7) met 27,2% van het gebied beplant met djatibosschen; ten slotte de in Soera karta gelegen districten Djoewangi (178.4) in het regentschap Bojolali, dat voor byna de helft van zijn territoir uit bossohen bestaat en Gesi (196,9) in Sragen. De meeste bergdistricten 200 — 400 zielen per km 2. De dichtheidscijfers boven de 200 zielen per km 2 komen voor in de geheel of gedeeltelijk in het gebergte gelegen dis tricten. Men kan dit gebergte van de middelmoot van Java onderscheiden in: 10. het westelijk deel, dat uit West-Java komt en zich by den Slamet in tweeën splitst, één noordelijke zeer be langrijke reeks 3 ), die met den Oengaran eindigt ! ,en op de grens van de residenties Pekalongan en Banjoe mas en in het noorden van Kedoe en liet zuiden van Semarang uitloopt (Slamet, Zuid-Pekalongansch ge bergte, Rogodjembangan, Diëngplateau met omliggen de vulkanen, Prahoe, Bismo en in het zuiden Soendoro en Soemibing en in het uiterste oosten Oengaran, Merbaboe en Merapi) en een zuidelijke reeks 4 ) met geen hoogere toppen dan 1100 meter, die ten zuiden van de Serajoe loopt en in de vallei van de Progo in Jogjakarta eindigt; 20. het Zuidergebergte 5 ) in het zuiden van de Vorst ei i landen, dat op de grens van Soerakarta en Madioen tegen den Lawoe stuit, die nog een deel van Oost- Soerakarta beslaat; 30. de twee kalkheuvelketens 6 ) met den Moeria ") in liet oostelijk deel van de provincie Midden-Java. In dit gebergte liggen tal van districten met een dichtheid van 200 tot 400 zielen per km 2. Hieronder volgt een — zeer summiere — opsomming. Wij beginnen met het hoofdgebergte van Midden-Java in het westen en wel met Zuid-Pekalongan; hier hebben Djatinegara, Watoekoempoel, Soebah, Bandar en Bawang cy'fers tusschen 200 en 300; Boemidjawa, Bandjarardja en Randoedongkal hebben cy'fers tusschen 300 en 400. Het Zuid-Pe'kalongansch gebied gaat in Kendal over in het gebied van den Prahoe, het district Selokaton (227,3), en verder oostelijker op de zuidwestelijke hellingen van den Oengaran, het district Bodja (205,6), beiden met erfpachts ondernemingen, terwy'l beoosten Bodja het Zuid-Sema rangsche district Oengaran (292,6) ligt. Tusschen Oengaran en Prahoe, bezuiden Bodja en Selo katon zyn wij in Noord-Kedoe in de Temanggoengsche districten, die behalve Parakan en Temanggoeng cy'fers tusschen 200 en 350 hebben. Het Diëngplateau ligt gedeeltelijk in het noordelijkste deel van het Noord-Wonosobosche district Garoeng (361,2) dat alleen in en om het plaatsje Garoeng, aan de westelijke uitloopers van den Soendoro grenzende zeer dichtbevolkt is, en gedeeltely'k in het Noord-Bandjarnegarasehe district Batoer (308) met zy'n bekend door vele Chineesche tabaks handelaren bew r oond stadje van dien naam. De Goenoeng Bismo, in het zuiden van het plateau is het hoogste punt van het Wonosobosch district Leksono (301,5). Dunner bevolkt is het ten westen van Leksono gelegen Bandjarne garasche Karangkobar (215,7), terwijl de andere twee in dit regentschap gelegen districten Bandjarnegara (357,9) en Wonodadi (373,3) ieder met smalle valleien aan de Serajoe meer dan 300 zielen per km 2 tellen. Van de districten in het Zuid-Serajoe-gebergte vermelden wy' ten slotte nog de Wonosobosche districten Ngadisono (253,2) en Sapoeran (265,7), dat ook gedeeltelijk tegen den Soembing aan ligt, het Keboemensche district Alihan (373,2), dat evenals het Koetoardjosche Kemiri (317,4), zuidelijk gebied in de straks te bespreken zeer dichtbevolkte vlakte van Zuid-Bagelen heeft en het Poerworedjosche Loano (378). En thans het interessante Zuidergebergte, de breede zuidrand van de Vorstenlanden, dat aan de Opak-rivier in Jogja begint en zich tot ver in Oost-Java uitstrekt, hier en daar met djatibosschen beplant, maar overigens vrij wel geheel gedevasteerd, met in het zuiden de merkwaar dige Goenoeng Sew r oe (Duizendgebergte) ~een molshoopen terrein in het groot", kaal en waterarm. Dit gebergte ligt in het zuidelijk deel van het Jogjasch regentschap Bantoel (voornamelijk de onder dit regentschap ressortee rende Solosche enclaves Imogiri en Kottagede), het geheele regentschap Goenoengkidoel, eveneens in Jogjakarta, en het geheele Mangkoenegaransche regentschap Wonogiri hoewel de districten Poerwantoro en Djatisrono ook gedeel tely'k in het Lawoe-gebied liggen. Behalve in het district Imogiri (473,9), d.i. dus een der Solosche enclaven in Jogjasch gebied, dat ook nog een stukje vlakte binnen zy'n territoir heeft, komen de dichtheidscijfers hier nergens boven de 400 zielen per km 2 , zelfs niet in het Wono»irische Batoeretno, dat een stuk vlakte in het bovenstroonmebied van de Solo-rivier heeft. Het hoogst zy'n de cijfers van de districten Wonogiri (371,1), Djatisrono (364,4) en Poer wantoro (308,6), hooger dan de twee tot het regentschap Mangkoenegaran behoorende op den Lawoe gelegen distric ten Karangpandan (288,5) en Djoemapolo (271). De dichtheidscijfers in het gebied van de djatibosschen. Be dichtheidseyfers van de districten, die in het oostelijk deel van Midden-Java, op of tegen de kalkheuvel reeksen liggen, zijn laag, omdat — wij zagen het boven blz. 7 reeds — het reusachtig djatibosehareaal !) Deel IV (1903) blz. 427. 2 ) Gegevens van den Opperhoutvester van Pekalongan. 3) Veth 111, t. a. p. blzz. 427 —438, 443 —445, 456, 457—458. Prof. Dr. E. C. J. Mohr. De grond van Java en Sumatra (1930), blzz. 112—119 en 121—12::. 4) Veth 111, t. a. p. blzz. 427—4129 en 445—448. B) Veth 111, t. a. p. blz. 494 e.v. en Dr. E. C. J. Mohr, t. a. p. blz. 93—94. 6) Veth 111, t. a. p. blz. 508 e.v.; Mohr. t. a. p. blz. 80 noemt de noordelijke een kalkgebergte en de zuidelijke een mergelgebergte. 7 ) Veth 111, t. a. p. blzz. 467 —170 en Mohr t. a. p. blz. 92—93. AANTAL NEDERLANDSCH-SCHRIJVENDE ALPHABETEN IN 1920 EN 1930 INGEDEELD NAAR GESLACHT EN LEEFTIJDSGROEP. (ABSOLUTE CIJFERS). NUMBER OF DVTCH LITERATES IN 1920 AND 1930 CLASSIFIED AS TO SEX AND AGE PERIOD. (ABSOLUTE NUMBERS). Teksttabel — Subsidiary table No. 17. 80 HOOFDSTUK VIII. GODSDIENSTEN VAN AMBONEEZEN, BATAK'S EN MANADONEEZEN. D Inleiding. Alleen aan Amboneezen, Batak's en Mana doneezen is naar hun godsdienst gevraagd. Voor de Christenen moest ingevuld worden het kerkgenootschap, de Christengemeente of godsdienstige gemeente waartoe zij behoorden. Ook van de Heidenen en Mohammedanen "West aanteekening gehouden worden. Voor kinderen moest ln de tellijsten genoteerd worden wat voor hen door hun °uders of verzorgers werd opgegeven. De resultaten zijn Sewestsgewijze in tabel No. 30 opgenomen. troleerd worden; daarom staat bet natuurlijk niet vast, dat de getelden juiste antwoorden hebben gegeven. Betrouwbaarheid. Aangezien de tellers eenvoudig te "Oteeren hadden wat door de getelden medegedeeld werd, **8 het resultaat, dat er zeer uiteenloopende antwoorden (zoo bn'v. Protestant, Protestantsche kerk in Indië dan weer - Hervormd enz.) gegeven werden, zoodat 3 esloten moest worden in tabel No. 30 de drie hoofdgroepen v °orop te stellen: 1. Roomsch-Katholieken; 2. Islam; • Protestanten. Onder de groep: geen godsdiensten vallen egenen, die beweerden niet by de een of andere kerkge °°tschap of gemeente aangesloten te zy'n, maar ook de *elen, aan wie de teller misschien vergeten heeft de vraag stellen. Deze groep is procentsgewijze in Midden-Java n Jogjakarta (waar het aantal Batak's echter slechts 26 edraagt) by' de Batak's het hoogst. De antwoorden van getelden mochten en konden niet door de tellers gecon- De cijfers. Volstaan moet worden met de vermelding van het aantal Roomsen-Katholieken, Mohammedanen en Protestanten op de 100 personen van iederen landaard per gewest: Het absolute aantal Batak's is, vooral in ieder der Vorstenlandsche gouvernementen gering. *) Zie tabel No. 30. 81 HOOFDSTUK IX. GEBREKEN. D §1. Inleiding. Evenals by de vorige Volkstelling zy'n van de personen met gebreken alleen geteld de blinden en de doof stommen. Als blind werden beschouwd de personen, die een vinger, die vlak voor hun oogen werd bewogen, niet zien konden. Wie tegelijk doof en stom was, werd in de kolom van de doofstommen genoteerd. § 2. De betrouwbaarheid der cyfers. Uit een in West-Java gehouden onderzoek is gebleken, dat de tellers niet alleen doofstommen, maar ook dooven hadden genoteerd. Uit de hooge relatieve cijfers van enkele regentschappen als Karanganjar, Brebes, Tegal, Poerworedjo en Adikarto zou men moeten opmaken, dat ook daar en wellicht ook nog wel elders waar de cijfers hoog zijn dezelfde fout is gemaakt. Het cy'fer der blinden verdient meer vertrouwen, al is het dan een ietwat te hoog, omdat soms ook slechtzienden als blinden zyn beschouwd. §3. De blinden De cijfers der blinden. De cijfers van de vier Javasche gewesten loopen nog al uiteen en zijn hooger dan die van Britseh- Indië, Ceylon en Ne derland. In teksttabel No. 18 zyn de absolute en relatieve cy'fers van de regentschappen opge nomen. De hoogste relatieve cyfers zyn gevonden aan de noordkust 2 ) in de districten Tandjoeng (Brebes), Brebes, Tegal, Adiwerno (Tegal), de kotta Slawi (Tegal) en de kotta Pemalang met cy'fers tus schen o en 8 pro mille. In Bandjarardja (Brebes), Slawi buiten de kotta (Tegal), Pangkah (Tegal) en verder in de kottas Soerakarta, Kendal, Kaliwoengoe (Kendal) en Rembang zijn gemiddeld 4 a 5 blinden op de 1000 zielen geteld. Sexe-verbouding. Onder de onvolwassenen van ieder der gewesten en ook in de regentschappen zy'n meer jongens dan meisjes blind; onder de volwassenen echter zijn in de meeste regentschappen de vrouwen in de meerderheid. 2 ) Zie over trachoomhaarden aan de noordkust Prof. Dr. C. Bakker en Mohamad Joesoef in Mededeelingen van den D. V. G. 1928 blz. 158. §4. De doofstommen. De cijfers der doofstommen. De relatieve cyfers van het aantal doofstom men van Midden-Java en Vorstenlanden zijn lager dan die van West-Java. Hooger dan 1 pro mille zijn de regentschapscy'fers van Brebes, Adikarto, Poer woredjo, Tegal en Ka ranganjar, terwy'l de regentschappen Koe- does, Japara, Pati, Rembang en Tjilatjap iets minder dan 1 pro mille doofstommen tellen. Hieronder de absolute cijfers van genoemde regentschappen: De hoogste cyfers in districten, gemeenten en kotta s zyn gevonden in de districten Tandjoeng (1,9 pro mille)» Brebes buiten de kotta (1,9 pro mille), Tegal buiten dö kotta (2 pro mille), in de kottas Tjilatjap (2,2 pro mille)' Brebes (2,1 pro mille), Slawi (3,4 pro mille). §5. Blinden en doofstommen. Het aantal blinden, dat tevens doofstom is, bedraagt i n ieder der gewesten slechts 1 op de 10 000. Hoog zy'n de relatieve regentschapscy'fers van Brebes met 6 en Adikarto met 7 per 10 000 zielen. *) Zie tabellen No. 31 en 32. 82 AANTAL BLINDEN. NUMBER OF BLIND PERSONS. Teksttabel — Subsidiary table No. 18. " e blinden met onbekende leeftijdsgroep inbegrepen. •°«nd persons of unlcnown age-period included. 83 HOOFDSTUK X. DE BEROEPSBEOEFENAARS. « § 1. Inleiding. In tabel 34 zijn regentschapsgewijze verhoudingscy'fers van het aantal beroepsbeoefenaars, ingedeeld naar mannen en vrouwen en naar gehuwden en anderen-dan-gehuwden (in het vervolg eenvoudigheidshalve niet-gehuwden te noe men) opgenomen, terwijl in tabel 33 van dezelfde gegevens de absolute cijfers zyn vermeld met daarnaast de cyfers van het aantal landbouwers, in twee groepen gesplitst: de eigenly'ke landbouwers en degenen, die met tuinbouw en vruchtenteelt hun brood verdienen. De andere cy'fers van de beroepen moeten gereserveerd blijven voor een afzonderlijke publicatie. De belangrijkste cyfers betreffende beoefenaars van andere beroepen of beroepsgroepen dan de landbouw zullen in den tekst ver meld worden. Aan de getelden (ook aan gehuwde vrouwen) is gevraagd om op te geven hun ambt, bediening, beroep of middel van bestaan en daarbij te vermelden in welk bedry'f zy werkzaam waren. lemand wordt gerekend een ambt, bedie ning, beroep of middel van bestaan te hebben, wanneer hij (of zy') als regel een bezigheid verricht, waardoor in het levensonderhoud wordt voorzien of bijgedragen, hetzij door voortbrenging van producten voor eigen gebruik, dan wel door het verkry'gen van een geldinkomen. Deze personen worden dus tot de beroepsbeoefenaars gerekend. Wie arbeid verrichtte zonder daarvoor een be looning (hetzij in geld, hetzy' in natura) of daarvoor slechts versnaperingen te ontvangen werd niet geacht een beroepsbeoefenaar te zy'n. Padi-oogsters (die immers als belooning een deel van de snit kry'gen), zy'n in den regel niet als landbouwers beschouwd. Waardigheden waaraan geen inkomsten verbonden waren, mochten niet worden opgegeven. Indien iemand meer dan één bron van bestaan had, werd dat middel van bestaan ingevuld waarvan men het grootste deel zijner inkomsten verkrijgt dan wel dat be staansmiddel dat het geheele jaar of meestentijds bezigheid gaf. Daarnaast moest vermeld worden het voornaamste nevenmiddel van bestaan d.i. de bezigheid, die in belang ry'kheid op het hoofdmiddel van bestaan volgt. Onder nevenmiddel van bestaan of nevenberoep wordt niet ver staan het hoofdberoep, dat een gehuwde vrouw hetzy' thuis of elders uitoefent (denk aan weven, vlechten, batikken), ook al beschouwt men in de inheemsehe maatschappij het met een dergelijk beroep verdiend geld als neveninkomsten. Het heeft moeite gekost dit aan de tellers duidelijk te maken. De cy'fers van de nevenberoepen zijn niet in deze publicatie opgenomen. Aan de getelden is ook nog gevraagd naar de positie, die zy' in het bedry'f innemen. Positie No. 1 werd toege kend aan beroepsbeoefenaars, die een bedry'f op eigen risico uitoefenen of de verantwoordelykheid van een bedry'f of zelfstandig deel daarvan hebben. Positie 2 en 3 werden gegeven aan de overigen, positie 2 aan personen wier functie zekere opleiding, scholing of ervaring vereischt en positie 3 aan de andere beroepsbeoefenaars. Ook van deze posities zullen geen gegevens in dit boek gepubliceerd worden. Al zijn in de inheemsehe maatschappij de beroepen nog lang niet zoo gedifferentieerd als in een Westersche maat schappij, toch zou het publiceeren der cijfers van alle bestaande door Inlanders uitgeoefende beroepen een veel te lange lijst van namen vorderen. Er moest dus gegroepeerd worden. Er bestaan twee wijzen van groepeering, naar het beroep zelf en naar het bedrijf waarin het beroep wordt uitgeoefend. Maakt men een groepeering volgens het beroep, dan zouden, by'voorbeeld, alle schrijvers (djoeroe toelis) hetzij zy', die in overheidsdienst, dan wel op een suikerfabriek of by' de B. P. M. werken, in één categorie worden ondergebracht. Maakt men een groepeering naar het bedry'f, dan zouden die schrijvers ieder tot de groep van dat bedrijf hooren waar zij werkzaam zy'n. 2 ) De groepeering van de beroepscy'fers van deze Volks telling is geschied volgens de methode van de bedrijfsin deeling en wel volgens een hieronder opgenomen schema, dat met uitzondering van enkele vereenvoudigingen en kleine wijzigingen, overeenstemt met het door het Institut international de Statistique vastgesteld „projet" 3 ) en het bij de Volkstelling van 1921 in Britseh-Indië, Britsch Malaya en Ceylon gebruikt schema: Schema van de bedrij f sindeeling. Occupational scheme. 2 ) Zie hierover o.m. Leerboek der statistische methoden van Mr. D r ' J. H. van Zanten (1931), blz. 137 e.v., alwaar ook de noodige literatuur is vermeld. 3 ) Zie Bulletin de I'lnstitut international de Statistique, toffl 6 VIII, premier livre, p. 240, C II en ook Supplément au tome Xl* de bulletin de I'lnstitut international de Statistique, p. 10 en P- 6 e.v. Zie ook het betrekkelijke Hoofdstuk in deel VI van Volkstelling 1930 (Europeanen). i) Zie tabellen 33 en 34. 84 85 eze lijst behoeft nog eenige — zy' het dan een zeer — toelichting. De met Eomeinsehe cyfers aan > üu ide groepen zullen wy gemakshalve beroepsgroepen, de et 1 tot en met 52 aangeduide categorieën beroepen Q °emen. Als landbouwer (beroep 1) is beschouwd hij, die zy'n roild of aanplant verhuurt of in deelbouw uitgeeft, die . ° u Wg rorif T. 0 f aan pi an t huurt of in deelbouw neemt, die dienst van een ander in den Inlandschen landbouw als gehooide of ongeschoolde arbeider (koelie) tegen beloo k 8 werkzaam is. Uitgezonderd zy'n dan alleen zy', die ' r ° e P No. 2 uitoefenen, d.w.z. zy' die geheel of grooten deels arbeiden voor de teelt van vruchten, groenten en bloemen. Tot degenen, die in de (niet-Inlandsche) suikercultuur (beroep 3) en de overige niet-Inlandsche cultures werk zaam zijn, behooren niet alleen de veldarbeiders met het toezichthoudend personeel, maar ook het fabrieks en kantoorpersoneel, dus bijv. ook machinisten, schrij vers enz. Onder de groep nijverheid (beroepen 13 t/m 21) valt alle werk besteed aan het verwerken of veredelen van producten; onder handel (groep IV; beroepen 26 t/m 35) wordt verstaan waren inkoopen om te verkoopen en geld uitleenen. Allen, die in dienst zy'n van de beroepsbeoefe naars van deze groepen, hooren tot de betrekkelijke groep en het betrekkelijke beroep. Wie dus schry'ver is by' een houthandelaar wordt gerubriceerd onder beroep 29. Men bedenke, dat niet allen, die in Overheidsdienst werkzaam zijn, in groep VI zy'n ondergebracht. Zoo zy'n, om alleen enkele belangrijke categorieën van beroepsbeoefe naars te noemen, de gouvernements- of landschapsonder wijzers onder beroep 40, de doktoren, verplegers onder beroep 37, het Staatsspoor-personeel onder beroep 22 en het personeel van den Post-, Telegraaf- en Telefoondienst onder beroep 23 gerangschikt. Onder beroep No. 49 (groep VII) vallen alle huisbe dienden, ook chauffeurs, paardenjongens enz.; onder beroep No. 50, de onproductieve beroepen, vallen de bedelaars. Verreweg het grootste percentage van de beoefenaars van beroep No. 51 zijn de zg. koeli roepa-roepa, de arbei ders, die niet in vasten dienst van een bepaald bedry'f zy'n, die by voorbeeld vandaag in de riettuinen, morgen by' een dorpsgenoot, een volgenden dag in een fabriek werken. Deze categorie is niet alleen in de steden, maar ook in vele plattelandsdistricten van numerieke beteekenis. § 2. De betrouwbaarheid der cy'fers. De regentschapscy'fers van het relatieve aantal beroeps beoefenaars loopen, gelijk in de volgende paragraaf zal blijken, zeer uiteen, veel meer dan de cijfers van West- Java. Die van de regentschappen Grobogan, Pati, en Blora in Midden-Java en die van Sragen, Bojolali en Klaten zijn, gelijk straks telkens zal blyken, zooveel hooger dan die van andere regentschappen van geheel Java en Madoera, dat men zou moeten veronderstellen, dat hier een vee] ruimere beteekenis aan de definitie „beroepsbeoefe naar" (hy of zij, die als regel een bezigheid verricht), speciaal aan de woorden „als regel" van die definitie gehecht is dan elders. Van een te enge uitleg dier definitie is alleen gebleken in enkele districten van Pemalang; ten minste daar is het aantal gehuwde mannelijke beroepsbeoefenaars onwaarschy'nly'k laag. Het relatieve aantal landbouwers is wederom vooral in de regentschappen Sragen en Grobogan, maar ook in Bojolali, Blora, Pati en Magelang bijzonder groot, Ver moedelijk zy'n ook hier de woorden „als regel" zeer ruim geïnterpreteerd, vooral ten aanzien van die groep van landarbeiders, boeroeh tani, waaronder vele vrouwen, die slechts nu en dan op andermans akkers werken. Bovendien zijn, blijkens inlichtingen van de betrokken Regenten, in Grobogan, Blora, Pati, Sragen, Soerakarta (districten Soekohardjo, Tawangsari en een groot deel van Kartasoera) 86 en Bojolali, en, blijkens inlichtingen van den gewezen ge westelijken leider der Volkstelling van Jogjakarta, ook in één district van het regentschap Bantoel (Jogjakarta) de gehuwde vrouwen, die (buiten hun huiselijken arbeid) geen andere, bezigheid verrichtten dan hun echtgenoot bij zijn landbouwwerkzaamheden behulpzaam te zy'n, tegen de voorschriften in, als regel als landbouwer beschouwd. Vermoedelijk is in Klaten een soortgelijke fout gemaakt. §3. Het aantal beroepsbeoefenaars. Relatieve cijfers der gewesten. Het relatieve aantal beroepsbeoefenaars is in de Vorstenlanden het grootst, veel grooter dan in Midden-Java, terwijl Midden-Java weer een veel hooger percentage heeft dan West-Java. Hoewel ge lijk straks zal blijken, de percentages, althans van Midden- Java en Soerakarta te hoog zijn, zijn toch de cijfers van dit mid dengedeelte van Java hooger dan in West- Java. Zooals straks zal blijken, moet dit verschil toegeschreven worden aan meerdere differentiatie in de beroepen in Mdden-Java en de Vorstenlanden. Het zy'n vooral de huisny'verheid en de westersche cultures, die hier zooveel meer beoefenaars hebben dan in West-Java. Opmerkelijk is verder, dat het aantal vrouwelijke en niet-gehuwde mannelijke beroepsbeoefenaars veel grooter is dan in West-Java. ' Waar de meeste beroepsbeoefenaars zijn. Het zijn drie regentschappen van het oostelijke deel van Midden-Java en drie Soerakartasche regentschappen waar de meeste beroepsbe oefenaars zijn geteld, namelijk meer dan de helft van het totale zielental. Deze cijfers zijn voor Java bijzonder hoog; buiten Midden-Java en de Vorstenlanden is er maar één regentschap (in Oost- Java), dat meer dan 50% beroepsbeoefenaars telt. Zooals in de vorige § reeds medegedeeld werd, heeft men in deze regentschappen het begrip beroepsbeoefenaar ruimer opge vat dan elders. Regentschapscijfers tusschen 40 en 50%. Hoog (tus- schen 40 en 50%) zyn ook de cy'fers van het relatieve aantal be roepsbeoefenaars in al le Jogjakartasche re gentschappen op het in het zuidelijk bergland gelegen Goenoengkidoel na, en in één Mang koenegaransch regent schap benevens Peka longan, Magelang en Regentschapscijfers tusschen 30 en 40%. Er zijn 16 van de 37 regentschappen 1 ), die cy'fers tusschen 30 en 40% hebben; zij liggen allen in Midden-Java. In West- Java hebben slechts 4 regentschappen zulke hooge percentages. De laagste regentschapscijfers. De laagste regentschaps cijfers liggen tusschen 26 en 30%. Zij zy'n geconstateerd in de bergregentschappen Wonogiri, Goenoengkidoel, Ban djarnegara en Wonosobo en verder in Tjilatjap en Pemalang. Aantal beroepsbeoefenaars in het middengedeelte van Java grooter dan in West-Java. Ook wanneer men de n-wnt schappen Grobogan, Blora, Pati, Sragen, Bojolali, Klaten en Soerakarta, waarvan de cy'fers naar alle waar schijnlijkheid te hoog zijn, uitschakelt, dan komt men toch voor het overige deel van Midden-Java plus Vorstenlanden tot een hooger gemiddelde dan West-Java. Het gemiddeld aantal beroepsbeoefenaars op de 100 zielen in dit midden gedeelte van Java minus de genoemde regentschappen bedraagt: 34,74; in Midden-Java zonder de regentschappen Grobogan, Pati en Blora: 33,59. Het cy'fer van West- Java is 29,2. Oorzaken van hooge cijfers. Uit de cyfers van West- Java bleek, dat als regel de hoogste percentages van het aantal beroepsbeoefenaars veroorzaakt werden door het feit, dat buiten den Inlandschen landbouw één of meer beroepen door velen beoefend werden 2 ). Deze regel gaat voor Midden-Java en de Vorstenlanden ook op; naast de» Inlandschen landbouw zijn dan van beteekenis: de nijver heid, de handel, de zg. onvoldoende omschreven beroepen (voornamelijk koeli roepa-roepa, zie boven blz. 85) en in enkele streken de niet-Inlandsche cultures. Er zy'n echter enkele regentschappen, die relatief- veel beroepsbeoefenaars tellen, maar waar naast den landbouw andere beroepen (beroepsgroepen) van weinig beteekenis zyn. Het een en ander kan bly'ken uit het volgende tabelletje met de cy'fers van de 15 regentschappen, die de meeste beroepsbeoefenaars tellen: Batang in Midden-Java. *) Pakoealaman niet medegerekend, zie blz. 2. 2) Zie Volkstelling 1930, deel I, blz. 84. 87 In de regentschappen Grobogan, Sragen, Pati, Bojolali, en Magelang is, in afwijking van den bovenbedoelden re gel, het bijzonder groote aantal landbouwers oorzaak van ne t groote relatieve aantal beroepsbeoefenaars. In hoeverre fte t cijfer van de landbouwers juist is zal in de volgende Paragraaf besproken worden. De Jogjasche regentschappen hebben allen, behalve het 'Wgachtige Goenoengkidoel, hooge cy'fers. Bantoel en "°gjakarta hebben een groot relatief aantal beoefenaars m de groepen nijverheid en handel en in niet-Inlandsche cultures; in Koelonprogo is- vooral de nijverheid, in -Adikarto zijn meer de handel en de niet-Inlandsche cultures van beteekenis. De Soerakartasche regentschappen tellen eveneens allen, )( 'halve het bergachtige Wonogiri, een groot aantal beroeps "'"'leiiaars. Sragen en Bojolali werden boven reeds genoemd; Klaten heeft een zeer hoog percentage beroeps beoefenaars in de niet-Inlandsche cultures (suiker en abak) ; niet gering is dit percentage ook in Kotta Mangkoe e garan waar echter, evenals in het regentschap Soerakarta, °g bovendien de nijverheid veel beoefend wordt. Het regentschap Pekalongan met zijn vele batikkeri.jen eei t het hoogste percentage beroepsbeoefenaars in de groep nijverheid. "ccl beroepsbeoefenaars in gemeenten en kottas. Van 40 gemeenten en kotta.'s hebben er 17 meer dan 40 eï, oepsbeoefenaars op de 100 zielen; twee daarvan hebben r z ell's meer dan 50, namelijk Poerwodadi en Kottagede. mi de drie groote steden heoft alleen Soerakarta een Percentage van meer dan 40, zelfs byna 50%. De kottas ot eijters tusschen 40 en 50 zijn Banjoemas, Soekaradja, "erbaliiiona en Lasem waar een groot aantal vrouwen in 0 batikkerijen werken, verder het stadje Tjepoe met "'•' n petroleumindustrie, het garnizoensplaatsje Ambarawa '' verder Temanggoeng, Pati, Kaliwoengoe, Bojolali, lvlii len en Wates. De overige gemeenten en kottas, op Salatiga met 29,8% 1 Brebes mei 29,3% beroepsbeoefenaars na. hebben per etages tusschen 30 en 40. •" e mannelijke beroepsbeoefenaars. Het relatieve aantal ail »elijk(. beroepsbeoefenaars is in Midden-Java en de Vorstcnlandcn grooter dan in West-Java; heel hoog is het percentage van Soerakarta. Van de 37 -) regent schappen hebben er 24 percentages tusschen 40 en 50 3 ). De overige (Batang, Magelang, Grobogan, Koedoes, atl ' Blora, Jogjakarta, Bantod, Klaten, Bojolali, Sragen, Jakarta, Kotta Mangkoenegaran) tellen 51 tot ruim 58 r °<-'pxbeoefenaars op de 100 mannen; de eqfers van bogan, Sragen, Pati, Blora, Klaten en Soerakarta zijn «zonder hoog (tusschen 55 en 59%). Gehuwde mannelijke beroepsloozen. Natuurlijk zijn bijna alle gehuwde mannen beroepsbeoefenaars. Er zy'n echter enkele regent- schappen, waar het percentage gehuwde mannen, dat een be roep uitoefent beneden de 90% is (zie tabel No. 34 kolom 2), na melijk Tegal (89,8%), Wonosobo (89,7%), Tjilatjap (89,4%), Rembang (87,2%), Wonogiri (85,9%), Pemalang (84,1%). Het cijfer van Pemalang is te laag; in de districten Randoedongkal zou slechts 77,9%, Banjoemoedal 78,7% en in Watoekoempoel 69,2% van de gehuwde mannen beroepsbeoefenaar zijn, hetgeen natuurlijk niet juist kan zijn (zie boven blz. 85). Zulke lage cijfers zijn in geen enkel ander district aange troffen, 80% is het allerlaagste cy'fer. .Men treft dit groote aantal gehuwde mannelyke beroeps loozen waartoe vermoedelijk behooren de ouden van dagen, gebrekkigen en jonggehuwde mannen, die van hun ouders afhankelijk zijn, aan in immigraliedistrieten (Tjilatjap buiten de kotta en Sidaredja), in bergdistricten of gedeel telijk in het gebergte gelegen districten (Boemidjawa, Djatinegara, Paninggaran, Doro, Boemiajoe buiten de kotta, Bandjarardja, de Wonosobosche en Wonogirisehc districten, Parakan en Tjandiroto, Batoer, Tengaran), en slechts enkele vlaktedistricten (Adiwerno, Pangkah, de Rembangsche districten, Alihan, Premboen) en ten slotte in de gemeente Salatiga, de hoofdplaats Jogjakarta en de kottas Poerworedjo, Koetoardjo en Blora. Niet-gehuwde mannelijke beroepsbeoefenaars. Van de niet-gehuwde mannen (d.z. dus nog-niet-ge huwden, weduwnaren en gescheidenen, on volwassenen inbegre pen) is in Midden- Java en de Vorsten landen een veel grooter percentage beroepsbeoefenaar dan in West-Java. In het meerendeel der regentschappen (27 van de 37) 6 ) is dit percentage beneden 20; daar boven is het in Grobogan, Sragen, Klaten, Soerakarta, Pati, Bojolali, Blora, Bantoel, Kotta Mangkoenegaran en Batang. De zeer hooge cijfers van Grobogan (28,7%) en Sragen (28,2%) komen in geheel Java en Madoera slechts voor in de regentschappen Djombang en Modjokerto (Oost-Java). Waar deze niet-gehuwde mannelijke beroepsbeoefenaars in grooten getale aangetroffen zyn, was van hen een groot percentage veehoeder, vooral in de Blorasche, Rembangsche, Patisehe en Sragensehe districten en verder in Soebah, Bawang (Batang). Wiradessa (Pekalongan), Koetowi 4 ) Midden-Java zonder de regentschappen Grobogan, Pati en Blora heeft een gemiddelde van: 91,36; Midden-Java plus Voi hinden zonder deze regentschappen en zonder Sragen, Bojolali, Kluten en Soerakarta 91,58. b) Midden-Java z.mder de regentschappen Grobogan, Tati M Blora heeft een gemiddelde van 12,71), ttióden-Jaya plus Yorsten landen zonder do regentschappen bedoeld in voorgaande noot: 10,41. «) Ju 7 regentschappen IS tot 20%, in 13 io tot 15% en iii 7 regentschappen beneden 10%. West-Java telt 5 regentschappen niet 10—15% en 13 regentschappen met cijfers be neden 10%. Gr 1 percentage is voor Midden -.lava minus de regentschappen '", Pati en Blora: 46.65; voor Midden-Java plus Vpistenlanden g . ' regentschappen en zonder de regentschappen Sragen, lul '. Klaten en Soerakarta: 46,90. us Pakoealaman uitgezonderd (zie boven blz. 8). In West-Java hebben M van de 18 regentschappen deze cijfers. nangoen (Keboemen), Pengasih (Koelonprogo), Imogiri, Bantoel en Pandak (Bantoel), Karanganjar en Karana pandan (Kotta Mangkoenegaran), Soekohardjo en Tawang sari (Soerakarta). In de niet-Inlandsche cultures zijn velen werkzaam in de Vorstenlandsche districten Sleman, Kottagede-Jogja buiten de kotta, Bantoel, Pandak, Karanganjar, Karang pandan, in nagenoeg alle Klatensehe en Bojolalisehe en enkele Sragensche en Soerakartasche districten. Waar van de vele niet-gehuwde mannelijke beroepsbe oefenaars een heel groot contingent landbouwer is, zooals in de Sragensdhe en Grobogansche districten en in het district Kottagede Solo buiten de kotta (Bantoel) en in het Magelangsche Salaman is het begrip landbouwer te ruim opgevat (zie boven blzz. 85, 86 en ook de volgende §). In verscheidene gemeenten en kottas is deze groep van beroepsbeoefenaars groot; van de grootere gemeenten en kottas noemen wij : Semarang (27,3% van de niet-gehuwde mannen), jogjakarta (20,7%), Soerakarta (27,4%), Mage lang (22,1%), Koedoes (20,6%). Veel meer vrouwelijke beroepsbeoefenaars in Midden- Java en Vorstenlanden dan in West-Java. Het percentage vrouwen, dat een be roep uitoefent is in Wist-Ja va veel lager dan in Midden-Jam Nu zijn weliswaar de cijfers van enkele re gentschappen zoowel in Midden-Jav;i (Gïo- bogan en waarschijnlijk ook Pati en Blora) als in de Vorstenlanden (Sragen en misschien ook nog andere als Klaten en Bojolali) te hoog, doch in 15 regentschappen van dit middengedeelte van Java zyn (normale) cijfers tusschen 21 en 37% geconstateerd, terwijl in West-Java nergens buiten Tjiamis (25,49%) zulke hooge regentschapscy'fers zy'n aangetroffen. In onderstaande tabel zyn de cy'fers van alle regent schappen opgenomen: Welke beroepen door vrouwen het meest beoefend worden. In de volgende tabel is van enkele beroepen of beroepsgroepen die voor de vrouwen van de meeste betee kenis zijn, het percentage van het totaal aantal vrouwelijke beroepsbeoefenaars vermeld (zie teksttabellen Nos. 19, 20 en 21 op blzz. 94, 95 en 97). Zeer opvallend is de groote beteekenis van de nijverheid voor de vrouwen in het gouvernement Jagjakarta. Ook de handel is daar voor hen van meer 'belang dan in de andere gewesten. Veel vrouwelijke beroepsbeoefenaars in streken met een veel-beoefende huisnijverheid. Regel is, dat in streken waar een veel-beoefende huisnijverheid bestaat, het percen tage vrouwen, dat een beroep beoefent hoog is. Hoog zijn daarom de cijfers van de districten waar veel gebatikt en (of) geweven werd (Wiradessa en Pekalongan buiten de gemeente in Pekalongan; Poerworedjo buiten de kotta; Koetoardjo buiten de kotta; Pengasih en Nanggoelan in Koelonprogo; Bantoel, Pandak en Kebonongan in Bantoel; Bekonang en Tawangsari in Soerakarta) ; ook in enkele kottas als Banjoemas, Soekaradja, Poerbalingga, Kedoeng woeni, Pekalongan, Tegal, Pemalang, Batang, Lasem en Wates 8 ) waar veel gebatikt werd, is het aantal vrouwelijke beroepsbeoefenaars groot. Groot is ook het aantal vrouwelijke beroepsbeoefenaars in eenige Vorstenlandsche districten (Sleman, Godejan, Mlati, Pengasih, Nanggoelan, Pandak in het gouvernement Jogjakarta en Karanganjar en Karangpandan in het gouvernement Soerakarta), enkele Magelangsche districten (Salaman en Salam) enkele Blorasche districten (Ngawen, Karangdjati en Djepon) en bijna alle districten van het regentschap Karanganjar, waar velen van hen het beroep: bamboe- en houtbewerking uitoefenen. Een derde tak van huisnijverheid van beteokenis is in enkele regentschappen als Koedoes, Japara (vooral Petjan gakan), Bantoel en Keboemen, het bereiden van voe dings- en genotmiddelen. In Koedoes behooren tot deze groep natuurlijk zeer velen, die aan de strootjes industrie meedoen. Waar van de vele vrouwelijke beroepsbeoefenaars eefl belangrijk percentage in de niet-Inlandsche cultures werken. Zeer groot is het percentage vrouwelijke be roepsbeoefenaars, dat in de niet-Inlandsche cultures wei** in enkele districten van Bojolali (Ampel en Bojolali buiten de kotta), Klaten (Klaten buiten de kotta en Djatinom)' Sragen (alleen Sragen buiten de kotta), Kotta Mang koenegaran (Kotta Mangkoenegaran buiten de kotta, 2 ) Beroepen len 2 van het schema op blzz. 84—85. 3 ) Beroepen 3en 4 van het schema. 4 ) Beroepsgroep II van het schema. 5) Beroepsgroep IV van. het schema, o) Beroep 49 van. het schema. 7 ) Beroep 51 van liet schema (grootendeels daglooners). ■ s ) In enkele dezer kottas is meer dan de helft van het tot»* aantal vrouwelijke beroepsbeoefenaars in het genoemde beroep wei» zaaiii, in Kedoengwoeni zelfs ruim 83%, in Soekaradja ruim 629»- i) Midden-Java zonder de regentschappen Grobogan, Pati en Blora heeft een gemiddelde van 21,12; Midden-Java plus Vorsten landen zonder genoemde regentschappen en zonder Sragen, Bojolali, Klaten en Soerakarta: 23,12. 88 89 * ar anganjar, Karangpandan) en Jogjakarta (Sleman ■* Kalasan . Waar van de vele vrouwelijke beroepsbeoefenaars een groot percentage landbouwer is. In de regentschappen Sragen. Grobogan, Blora, Pati en Bojolali en buiten deze itschappen in dé districten Bawang (Batang), Salaman, Salam en Bandongan (Magelang), Bekonang en Soekohar .)o in Soerakarta en Delanggoe en Djatinom in Klaten is an het groote aantal vrouwelijke beroepsbeoefenaars een ee r hoog percentage landbouwer. Omtrent de waarde er cijfers van het groote aantal vrouwelijke landbouwers a l in de volgende § nog het een en ander gezegd worden. vrouwelijke beroepsbeoefenaars in gemeenten en kottas. e t relatieve aantal vrouwelijke beroepsbeoefenaars in gemeenten en kottas is m Midden-Java en de Vorsten andon grooter dan in West-Java. In de kottas waar de atiknyverheid van beteekenis is, is het percentage vrouwen, at een beroep uitoefent meer dan 30%, zoo in de kottas Ba njoemas (42,6%), Soekaradja (41,4%), Poerbalingga ( 38 >3%), Pemalang (32,6%), Kedoengwoeni (43,2%), Lasem (35,7%), Blora (34,3%), Wates (39,3%), Soera karta (42,9%), de gemeente Pekalongan (38,6%). Het ac >je Kottagede niet haar vele vrouwelijke handelaren e *t niet minder dan ruim 48% vrouwen dat beroeps beoefenaar is. Ook in de kottas Temanggoeng (39 >1%), Kaliwoengoe (36,7%), Pati (35,3%), Poerwodadi <Hl%) i), Klaten (38%) en Bojolali (36,3%). De Seraeenten, uitgezonderd Pekalongan en de hoofdplaats hebben cijfers tusschen 20 en 30%; Salatiga j*hter telt bijna 17 beroepsbeoefenaars op de 100 vrouwen. '•''•lits in 7 kottas (in West-Java bijna alle kottas) Meeren de cijfers tusschen 10 en 20. Aantal gehuwde en niet-gehuwde vrouwelijke beroeps e °efenaars. Kr zijn in ieder der gewesten en in ± 80% v,ni de regentschappen meer gehuwde dan niet-gehuwde °Uwelyke beroepsbeoefenaars. Alleen in de regentschap en Tjilatjap. Bandjarnegara. Wonosobo, Temanggoeng, eniarano-, Demak, Rembang zyn de ongehuwden in de e erderheid. Dit is ook het geval onder de beoefenaars au en ] a >j 0 beroepen 0.a.: suikercultuur en huiselijke ei isten, althans in ieder der gewesten. e meeste gehuwda vrouwelijke beroepsbeoefenaars in ' 'hlen-Java en Soerakarta zijn landbouwers; in Jogjakarta e chter het aantal beoefenaars van de nijverheidsgroep er dan twee maal zoo groot als de landbouwers (zie ' ks ltabel Xo. 20 op blz. 95). van de gehuwde vrouwen oefent in Midden-Java en de Vorstenlanden een veel grooter percentage een beroep uit dan in WVst-Java. De regèntSGhspsejj feiN loopen zeer uiteen, van bijna 7% tot ruim 90% (zie tabel No. 34 ° m 5), zooals uit de volgende tabel kan blijken. Ook van de niet-gehuwde vrouwen is in West-Java een geringer percentage beroepsbeoefenaar, hoewel het verschil tusschen West-Java en Midden-Java niet groot is. Er is 'm de regentschaps cijfers van deze be roepsbeoefenaars meer regelmaat dan in die van de gehuwde vrou welijke beroepsbeoefe naars. De Vorsten landsche regentschap- pen (behalve Wonogiri en Goenoengkidoel), Grobogan, Blora en Pati, doch ook Rembang, hebben de hoogste cyfers (tusschen 21 en 33%), doch alle overige regentschappen op Wonosobo (9,4%) na tellen 10 a 20 beroepsbeoefenaars op de 100 niet-gehuwde vrouwen. 4 ) 3) Midden-Java wmder de regentschappen Grobogan, Pati en Blora hoeft een gemiddelde van 15,40; Midden-Java plus Vorstenlanden zonder de in noot 1 op blz. 88 genoemde regentschappen: 16,19. 4) In West-Java hebben 13 van de 18, in Oost-Java 20 van de 32 regentschappen dezelfde cijfers. > Dit cijfer zal wel te hoog zijn, zie boven blz. 85. He f *' (I ''™Java zonder de regentschappen Grobogan, Pati en Blora SoV 6en gemiddelde van 28,53; Midden-Java plus Vorstenlnnden er de regentschappen bedoeld in noot 1 op blz. 88 32,23. §4. De landbouwers en andere belang ry' k e beroe p e n. Het percentage landbouwers in de gewesten. Het aantal landbouwers vormt de grootste groep van alle beroepsbe oefenaars. In Midden-Java, Soerakarta en West-Java is meer dan de helft van hen, die een beroep uit oefenen, landbouwer, in Jogjakarta oefent slechts by'na 42% dit beroep uit (zie laatste kolom van teksttabel No. 20 op blz. 95). Berekent men het aan- tal landbouwers op de 100 zielen, dan loopen de cijfers zeer uiteen. In Soerakarta zou dan meer dan een kwart van de bevolking, in Midden-Java een vijfde deel, in Jogjakarta slechts byna 18% en in West-Java bijna l~i'r uit landbouwers bestaan. Meer differentiatie in de beroepen in Jogjakarta. In Jogjakarta zijn dus, naar verhouding, de meesten onder hen, die een beroep uitoefenen, niet-landbouwers. Dat wil dus ») Beroepen 1 en 2 van het schema op blz. 84. '■) Midden-Java zonder de regentschappen Grobogan, Pati en Blora telt aan landbouwers 54,96% van de beroepsbeoefenaars en 18,46% van het zielental; deze cijfers zijn voor Midden-Java plus Vorsten landen zonder de in noot 1 op blz. 88 genoemde regentschappen: 53,07 en 18,44. 9 hier belangrijke deelen van het districtsgebied beslaan. Deze djati bosschen liggen voor namelijk in alle distric ten van Grobogan en Blora en de zuidelijke districten van Pati ( Kajen en Djakenan) en Rembang (Soelang, Pamotan en Sedan). Voorts ook nog de Soerakartasehe distric ten Djoewangi (Bojo lali) en Gesi (Noord- Sragen). Hier komen, gelyk u it nevenstaand tabelletje blykt, de cy'fers alleen in twee Blorasche districten Karangdjati waar het stadje Blora en waar het stadje Tjepoe ligt, boven do 300. Ook benoorden de rivier Djoewana komen in Pati en Japara djatibosschen voor, namcly'k in de districten Tajoe *), Tlogowoengoe en Bangsri; van deze drie districten heeft het laatste het grootste boschareaal en de geringste dichtheid (221,1), Tajoe telt ruim 350, tlogowoengoe ruim 344 zielen per km 2 . Tot het buiten het djatiboschareaal gelegen gebied kan in dit deel van Midden-Java beschouwen de districten Kragan (dichtheid: 397,7), Waroe (435,1) en eigen hjk ook Binangoen (438,6) in het noorden van Rembang en voorts de districten Djoewana (450,8) cri Pati (545,3) in Pati en in het regentschap Japara bewesten den Moeria Petjangakan (597,4) en Ja- Pa-ra (389,5), ten slotte alle districten van Koedoes (op het straks te noemen Oendakan na) waarvan het district Koed o e s, dat eigenlijk uit het zeer merkwaardige stadje Van dien naam 2 ) en eenige omliggende dorpen bestaat, vanzelfsprekend het dichtstbevolkt is, niet minder dan 1 477 zielen per km 2 telt, terwy'l toch ook Tenggeles (486,5) en Tjendono (516,2) 3 ) aan de zuidzijde van den Moeria ook zeer dichtbevolkt zy'n. Dichtheidscijfers van 200 a 400 in de vlakten. De dicht heidscijfers tusschen 200 en 400 zielen zijn ook in enkele v lakt edistricten gevonden. Zoo hebben alle districten, van vlakte van Demak met uitzondering van Mranggen \455,9) — in het begin van de vorige eeuw nog voor een groot deel een moeras of binnenzee, nu nauwelijks b °ven den zeespiegel uit komend, telkens in den West- overstroomd en moeilijk te bevloeien en lastig af te wateren 4) _ cy'fers tusschen 300 en 400. £ulke opslibbende moerasgebieden vinden wij nog in de •Watjapsche districten Sidaredja en Tjilatjap aan de Tji Tandoewi, hier de grens tusschen West- en Midden-Java, de zeer langzaam dichtslibbende Segara Anakan met haar acht paaldorpen 5 ), en de nauwe straat tusschen Java en het eiland Noesa Kembangan. In deze districten 6) j s de dichtheid geringer dan in Demak; in Sidaredja, dat in het noorden ook nog bergterrein met ondernemingen heeft, 209,8 en in Tjilatjap, waartoe het byna 115 km 2 groote bovengenoemd eiland Noesa Kem bangan hoort, uitsluitend bestemd als gevangenen-oord 7 ), 213,8 zielen per km'-. Ook is natuurlijk het in het district Oendakan, regentschap Koedoes, gelegen moeras, Rawah besar, een der oorzaken van het lage diehtheidscijfer van dit district. Niet laag is dit cijfer van de straks te noemen districten Ambarawa en Salatiga waarin de Rawa Pening ligt. Dichtheidscijfers tusschen 400 — 500. Het is wel een sprekend verschijnsel van de enorme bevolkingsdichtheid van Java. dat de cijfers tusschen 400 en 500 zielen per km-' niet alleen in districten, die grootendeels in de vlakte liggen, zooals er boven reeds enkele genoemd werden (Djoewana, Waroe, Binangoen, Tenggeles) en er in het gouvernement Soerakarta ook nog voorkomen (Sragen. Masaran. Karanganjar. Bekonang, Soekohardjo), maar ook in districten, die een belangrijk deel bergland binnen hun grenzen hebben. Enkele typeerende voorbeelden hiervan zyn de Poerbalinggasche districten Bobotsari en Boekatedja, het Poerworedjosche Tjangkrep, de Koelonpro gosche districten Pengasih en Nanggoelan, de Magelangsche districten Tegalredjo, Bandon?i'an en Grahag, de Sema rangache districten Ambarawa en Tengaran; de gedeelten van deze districten, die in de vlakte liggen, moeten wel zeer volkryk zyn. De meest dichtbevolkte vlakten. Een dichtheid van meer dan 500 zielen per km 2 treft men al leen aan in de vlakten van de Noordkust (re sidentie Pekalongan en regentschap Kendal), de SerajoevlaMe, de vlakte van Zuid-Mid <f.<n-.Tava en de Vor stenlandsche vlakten. In het nevenstaand ta belletje is van ieder 5 ) Waarvan er een, bij de monding der Tji Tandoewi, bij Tasikmalaja hoort. Zie over deze paaldorpen Adatrechtbundel 34, blz. 188 en Jaarverslag Top. Dienst 1920, blzz. 130 e.v. °) Zie over dit gebied Mohr, t. a. p. blzz. 128—130. 7 ) Op den tellingsdag waren er 3 920 zielen w.o. 105 Europeanen (de directeur van de gevangenis, gevangenispersoneel en personeel van het rubberbedrijf waaraan de gevangenen moeten werken). Zonder Noesa Kembangan zou Tjilatjap een dichtheid hebben van 249,7 zielen per kin 2 . 8) Noord-Pekalongan omvat: de districten Brebes, Tegal, Adiwerno, Slawi, Pangkah, Soerodadi, Pemalang, Tjomal, Kodoeng woeni, Wiradessa, Pekalongan en Batang. De Serajoevlakte: de regentschappen Banjoemas en de districten Poerbalingga en Poerwokerto. Zuid-Midden-Ja va: de districten Poering, Pedjagoan, Keboemen, Koetowinangoen, Premboen, Poerwodadi, Koetoardjo, Pitoeroeh, Poerworedjo. De Vorstcnlandsche vlakten: de regentschappen Bantoel, Jogja karta en Klaten en de districten Banjoedono, Kartasoera, Soerakarta en Kotta-Mangkoenegaran. De cijfers van de twee Nedcrlandsche provinciën zijn ontleend aan Statistiek van Nederland (Volkstelling 1930) blz. 330, kol. 11. ) Zie over dit district en hot zuidelijke Patische district Jakenan het boven blz. 7 noot 1 vermelde boekje van D. H. Burger. Zie over dit stadje J. E. Jasper in Nederlandsch-Indië Oud 7e jaarg., (1922), blz. 3 e.v. l Euim 18% van de oppervlakte van dit district is door D °sschen ingenomen. y ) Zie over Demak o.m. Ir. A. Wulff in Korte Mededeelingen 11 de a fdeeling Landbouw, No. 2, (1926) en de daar vermelde -"teratuur. zeggen, dat er in Jogjakarta meer differentiatie in de beroepen is dan in de andere gewesten. Dit blykt duidely'k uit het volgende tabelletje waarin van eenige der belang rijkste beroepen en beroepsgroepen (buiten den Inlandschen landbouw) percentages van het totaal aantal beroepsbe oefenaars zy'n vermeld, ontleend aan de teksttabellen Nos. 19, 20 en 21 op blzz. 94—98. Belangrijk is dus vooral in Jogjakarta het percentage nijveren en handelaren, die met elkander 1 / 3 deel van de beroepsbeoefenaars uitmaken. Ook in de suikercultuur is het aantal beoefenaars in dit gewest het grootst. Regentschapscijfers van het aantal landbouwers. In onderstaande tabel vindt men van elk regentschap het aantal landbouwers op de 100 beroepsbeoefenaars (ontleend aan teksttabel No. 22 op blz. 98) en op de 100 zielen: Uit de tweede reeks van cijfers blijkt duidelijk, dat het aantal landbouwers in Sragen en Grobogan exorbitant hoog is (zie boven blz. 87). Het is waarschijnlijk, dat ook in Bojolali, Blora, Pati en Magelang waar 28 a 31% van de bevolking uit zou bestaan een ruimere definitie van het begrip landbouwer is gevolgd dan elders. Er zijn, namelijk, in enkele districten van deze regent schappen hooge cijfers gevonden, zoo bijvoorbeeld in Sala man (46,3%) en Bandongan (38,9%) in Magelang; Pati buiten de kotta (38,1%); Ngawen (37,1%) en Randoebla toeng (38%) in Blora; Djoewangi (44,8%) en Karanggede (38,4%) in Bojolali. Heel gering is het aantal landbouwers ten opzichte van het zielental in de regentschappen Jogjakarta, Koedoes, Tegal, Pekalongan, Semarang, Banjoemas en Bantoel. Buitengewoon laag is dit cijfer in de districten Adiwerno (Tegal) Pekalongan buiten de gemeente, Kottagede-Jogja buiten de kotta en Pandak (Bantoel) waar op de 100 zielen niet meer dan 5 a 10 landbouwers geteld zyn. Waar weinig differentiatie in de beroepen is. Hier zullen verder alleen besproken worden de cyfers van het aantal landbouwers op de 100 beroepsbeoefenaars. Waai' dit eyfer hoog is, waar dus 70 a 83% van alle menscheii, die een beroep uitoefenen, landbouwer is, daar kan men van een geringe differentiatie in de beroepen spreken, zoo bijvoorbeeld in de regentschappen Goenoengkidoel, "Wono sobo, Temanggoeng, Bandjarnegara en Wonogiri. Groote differentiatie in de beroepen in gemeenten en kottas. Het percentage beroepsbeoefenaars, dat land bouwer is, is in gemeenten en kottas, natuurlijk gering- Zeer laag is het in de Vorstenlandsche hoofdplaatsen Soerakarta (1%), Jogjakarta (2,5%), in de gemeenten Pekalongan (2,3%) en verder in de kottas Lasem (2,8% )> Rembang (2,8%), Koedoes (2,7%). Van de kottas hebben verder nog Poerbalingga, Slawi, Kedoengwoeni, Batang, AVonosobo, Poerworedjo, Ambarawa, Japara, Poerwodadi, Kottagede, Klaten en Sragen percentages beneden de 10; terwijl van de gemeenten alleen Magelang een cijfer boven de 10% (10,17%) heeft. Hoog is het percentage land bouwers (in verhouding tot het totaal aan beroepsbeoefe naars) in de kottas Brebes (21,4%), Pemalang (22%), Welen (26,8%), Kendal (51,6%), Kaliwoengoe (40,5%), Oengaran (23,2%). In enkele hoofdtrekken zal nu de beroepsindeeling van gemeenten en kottas besproken worden. Belangrijkste beroepen van de gemeente Semarang en de beide Vorstenlandsche hoofdplaatsen. Van de dri* groote hoofdplaatsen van Midden-Java en de Vorstenlanden is in het volgend tabelletje een indeeling van de belang rijkste beroepsgroepen en van eenige beroepen weergegeven: Het opvallende van deze cijfers is, dat le. het relatieve aantal landbouwers in Semarang grooter is dan in Soera* karta en Jog Jakarta; 2e. dat de nijverheid op de Vorstcnlandschc hoofdplaatsen van groote beteekenis i s ' dat het (relatieve) aantal huisbedienden en losse koelies in Semarang grooter is dan in de beide andere steden; *) Beroep 1 en 2. -) Het grootste contingent van de beoefenaars der ~onvoldoend omschreven beroepen". 90 e - dat in Semarang relatief meer beoefenaars tot de wroepsgroep transport behooren dan in de beide andere steden. Omtrent de belangrijkste beroepen in deze drie steden "Bidt men cyfers van het aantal beroepsbeoefenaars in teksttabel No. 23 op blz. 99. Beroepen van andere gemeenten en kottas. De toe- gemeten tekstruimte laat niet toe, dat ook van andere genieenten en de kottas cijfers vermeld worden. Op bijna al deze plaatsen is een belangrijk aantal beoefenaars geteld v &n de beroepen: niet-vaste-koelies (eigenlyk: onvoldoende omschreven beroepen) huisbedienden en handel in voedings eu genotmiddelen. Verder ook textielindustrie (vooral D &tiknijverheid) in Banjoemas, Soekaradja, Poerbalingga, Pekalongan, Tegal, Pemalang, Kedoengwoeni, Batang. asi 'ni en Blora; spoor- en tramwegen in Poerwokerto; visschery in Tegal, Batang, Japara en Rembang; in Mage '"'- ni Salatiga, Ambarawa en Poerworedjo het leger. Pvallend is het groote aantal beoefenaars van de textiel "'diistrie in Pekalongan (3 334 m. en 8 244 vr.) en van et beroep bereiding van voedings- en genotmiddelen in Koedoes (4 225 m. en 2 996 vr.). Dat nijverheid en handel n het kleine stadje Kottagede van beteekenis is kan blyken £ u het feit, dat 51,2% (1699 m. en 855 vr.) van de eroepsbeoefenaars tot de groep nijverheid en 26,3% tot de groep handel (170 m. en 1155 vr.) behoort. De cijfers der landbouwers van het platteland. Om een -uiverder beeld van het aantal landbouwers op het platte nd te geven, zijn hieronder de cijfers gepubliceerd van 1 regentschappen voorzoover zy buiten gemeenten en °fta's zijn gelegen : Belangrijke beroepen naast den landbouw. Uit de teksttabellen Nos. 19, 20 en 21 op blzz. 94—98 valt te lezen, dat na het beroep landbouw, de beroepen: niet-Inlandsche suikercultuur, andere niet-Inlandsche cultures, bereiding van en handel in voedings- en genotmiddelen, vervaai-diging van textiele stoffen, hout- en bamboebewerking en ten slotte de onvoldoende omschreven beroepen (eigenlijk grooten- deels niet-vaste koelies) van belang zyn. Waar velen in de suikercultuur werken. In het volgend tabelletje zijn van de regentschappen waar suikeronderne- mingen liggen de cyfers van het aantal Inlanders, dat op die ondernemingen werkt, vermeld: Waar velen in andere niet-Inlandsche cultures werk zaam zijn. De andere niet-liüandsche cultures zyn voor de bevolking blijkbaar alleen van beteekenis in enkele Soerakarlasche regentschappen en in Batang en Kendal. Zieliier de cijfers dezer regentschappen: In twee districten is meer dan 25% der beoefenaars in dit beroep werkzaam, namelijk in het Bojolalische Ampel (30,4% of 1 646 mannen en 3 891 vrouwen) en in Klaten buiten de kotta (25,7% of 10 235 mannen en 7 391 vrouwen). Waar de nijverheid van beteekenis is. i) Waar de batik- of (en) wcef-nijverheid veel beoefend wordt, zal natuurlijk het aantal beoefenaars van het beroep vervaar- diging van textiele stoffen (No. 15 van het schema op blz. 84) relatief groot zijn. Zij zijn niet alleen in grooten getale in enkele gemeenten en kottas geteld, maar ook op hel platteland, speciaal in de regentschappen Pekalongan, Koelonprogo, Koetoardjo, Bantoel, Soerakarta, Banjoemas en Poerworedjo waar meer dan 10% van de beroepsbeoefe !) Zie voor do nijverheid liet door liet Java-instituut uitgegeven deel I van De Inheemsche nijverheid, verder het Batikrapport van Midden-Java en de Vorstenlanden van De Kat Angelino en het standaardwerk van Jasper en Pirngadie. 91 naars dit beroep uitoefent, in Pekalongan zelfs ruim 31%. Hieronder de cijfers van die regentschappen: Zeer groot is het aantal beoefenaars van dit beroep in de volgende districten: Het beroep hout- en bamboebewerking (No. 17 van het schema) heeft de meeste beoefenaars in de volgende regentschappen: De meeste deaec beoefenaars zullen wel vervaardigers zyn van allerlei voorwerpen van bamboe (en andere planten als pandan, gehang, enz.), zooals matten, hoeden, manden, werktuigen, meubels, pajongs enz. j maar tot deze groep behooren ook vervaardigers van houtwerk, zooals meubels, huishoudelijke artikelen enz. De bereiding van voedings- en genotmiddelen is broo van inkomsten voor bijna een kwart deel (24,2%) van de beroepsbeoefenaars ') in Koedoes, de streek van de strootjesindustrie. In het regentschap Japara is dit per centage slechts 11,2% 2 ) en in andere regentschappen blijft het beneden de 10. Waar de handel beteekenis heeft. Van de beroepsgroep handel is het beroep handel in voedings- en genotmiddelen verreweg het belangrijkste (zie teksttabellen Nos. 19, 20 en 21 op blzz. 94—98). Het aantal personen, dat dit beroep uitoefent, maakt in de regentschappen niet meer dan 10% uit. Het hoogst zijn de percentages van Keboemen (8,5%)» Tegal (7,2%), Adikarto (7,2%), Bantoel (7%), Poerba- lingga (6,9%), Poerwokerto (6,7%), Pekalongan (6,6%) en Semarang (6,3%). Waar veel niet-vaste koelies zijn. De groep beoefenaars van de onvoldoende omschreven beroepen bestaat, gelijk boven blz. 85 al is medegedeeld, grootendeels uit koelte roepa-roepa d.z. daglooners, die niet alleen in den landbouw. maar ook in de suiker en in andere bedrijven of bedry'fjes werken en geen grond bezitten, huren, in deelbouw nemen, enz. Die groep is het grootst in de regentschappen Tegal (waar 25,6% van de beroepsbeoefenaars tot deze groep behoort), Koedoes (18,6%), Banjoemas (16,7%). In de Vorstenlanden heeft Bojolali het hoogste cijfer (12,9%)- Het zijn vooral de districten Balapoelang (43,4%), Slawi buiten de kotta, (38,6%), Adiwerno (28,9%), en Tegal buiten de kotta (25,5%) in het regentschap Tegal; Soem- pioeh (33,3%) in Banjoemas; Tenggeles (30,9%) en Tjendono (21,2%) in Koedoes; Karanggede (20,2%) i" Bojolali, waar het relatieve aantal van deze koelies zoo groot is, dat tengevolge daarvan de groep landbouwers er bijzonder klein is. Waar de vruchtenteelt en tuinbouw van beteekenis is- Tot de landbouwers behooren ook zy, die geheel of grooten- deels arbeiden voor de teelt van vruchten, groenten en bloemen- Dit beroep is in Mid den-Java en de Vor stenlanden van veel minder beteekenis dafl in West-Java. De hoog ste absolute districts cijfers zyn gevonden in Bandjarardja (Brebes), Kaliwoengoe buiten de kotta (Kendal), Salaman en Tegal- redjo (Magelang), Ngawen (Blora), Sleman (Jogjakarta) en Enkele andere beroepen van beteekenis. De visscheriê is vooral van beteekenis in het regentschap Eembang w» 81 ïkV< van de beroepsbeoefenaars of 5 171 mannen en H" 1 1 ) Namelijk 10 840 mannen en 17 837 vrouwen. 2 ) Namelijk 4 809 mannen en 7 838 vrouwen. Pengasih (Koelonprogo). 92 93 vrouwen visschers zijn. Veel geringer zy'n de percentages Van Brebes, nl. 2,5% d.i. 4 648 mannen en 345 vrouwen e n Pemalang, nl. 1,9% of 2 387 mannen en 268 vrouwen. Oe regentschappen Tegal, Pekalongan, Demak, Pati en hebben cy'fers van ruim 1%. iJe beoefenaars van het beroep veeteelt zy'n relatief het ë r ootst in de regentschappen Blora (5,9%), Rembang \°% van het totaal aantal beroepsbeoefenaars), Wono giri (3,6%), Grobogan (3,5%), Pati (3,2%), Sragen ( 3 > 2 %), Batang (3,2%), Koelonprogo (2,7%), Karang an Jar (2,6%) en Goenoengkidoel (2,5%). Een belangrijk cloe l van deze beoefenaars zyn veehoeders. vrouwelijke landbouwers. Het percentage vrouwen dat landbouwer is, is in Midden-Java en de Vorstenlanden hooger dan in West-Java. In West-Java hebben alle regentschappen op drie na percentages bene- ven 10. Van de 37 regentschappen 2 ) van Midden-Java ca de Vorstenlanden hebben er 24 eveneens cijfers beneden 10. De overige 13 regentschappen (zie marginaal tabelletje) hebben cy'fers, die va rieeren tusschen 10 en 47. Sragen en Grobo gan hebben weer zeer afwijkende cy'fers, die echter ook geconsta teerd zijn in eenige districten van de an dere in nevenstaande tabel opgenomen re gentschappen. Voor de verklaring dezer hooge percentages zy men Ve rwezen naar blzz. 85—86. Gehuwde en niet-gehuwde landbouwers. In teksttabel 22 op blz. 98 —99 vindt men van ieder der geslachten °eveel % van de gehuwde en hoeveel van de niet-gehuwde r °epsbeoefenaars landbouwer is. De bespreking dezer "lers moet beperkt bly'ven tot enkele opmerkingen. Men an over de cy'fers van ieder dezer categorieën hetzelfde e Bgen wat boven blz. 85 over de landbouwers in het al gemeen is gezegd. *an de gehuwde mannelijke beroepsbeoefenaars is een 5 °°ter percentage landbouwer dan van de niet-gehuwde; n de laatsten beoefent dus een grooter gedeelte een " r °ep buiten den landbouw. Bij de vrouwen is het juist Van de gehuwde vrouwelijke beroepsbeoefe- naars is dus in het algemeen een grooter percentage in beroepen buiten den landbouw werkzaam dan van de niet gehuwde vrouwelijke beroepsbeoefenaars. De uitzonderingen op dezen laatsten regel in de regentschappen Grobogan, Blora, Pati, Sragen, Klaten, Bojolali, Soerakarta en ook in Brebes, Batang doen vermoeden, dat vooral in de zeven eerstgenoemde regentschappen het begrip gehuwde vrouwe lijke landbouwer ruimer is opgevat dan elders (vgl. boven blz. 85). In dit verband moet nog met een enkel woord gewezen worden op een ander cy'fer: het aantal gehuwde vrouwe- ly'ke landbouwers op de 100 gehuwde vrou wen, met andere woor den het percentage ge huwde vrouwen dat landbouwer is. Dat percentage is in West- Java veel geringer dan in Midden-Java en de Vorstenlanden. Toch hebben 17 van de 26 regentschappen van Midden-Java een percentage gehuwde vrouwen, dat landbouwer is tusschen 1 en 10%. Alleen in 8 regentschappen van Midden-Java is dit cy' fer hooger dan 10%. In de bovengenoemde regentschappen Grobo gan, Blora, Pati en verder ook in Mage lang 4) z jjn de cy'fers veel hooger dan elders (zie boven blz. 85). In Poerwore djo en Brebes zou de oorzaak van de eenigszins hooge percentages kunnen zy'n, dat er vele gehuwde mannen naar elders zy'n getrokken (zie boven blz. 41). In de Vorstenlanden hebben alle regentschappen op Jogjakarta (3,1%), Kotta Mangkoenegaran (3,1%) en Wo- nogiri (6,9%) na cy' fers boven de 10%. Het cy'fer van Sragen is zeker veel te hoog. In het regentschap Bo jolali hebben de dis tricten Karanggede en Djoewangi percentages boven de 60. In het Klatensehe district De langgoe en in de dis- trieten Bekonang en Soekohardjo van Soerakarta is meer dan 50% van de gehuwde vrouwen landbouwer. Die cy'fers zy'n te hoog (zie § 2 van dit hoofdstuk op blz. 85). 3) Midden-Java zonder de regentschappen Grobogan, Pati en Blora heeft een gemiddelde van 8,68. *) In enkele districten van Magelang (Salaman en Bandongan), maar ook van Batang (Bawang) en Kendal (Kaliwoengoe buiten de kotta) is het percentage gehuwde vrouwen dat landbouwer is, meer dan 50%. , ' Midden-Java zonder de regentschappen Grobogan, Pati en Blora t een gemiddelde van 7,41; Midden-Java plus Vorstenlanden, zonder genoemde regentschappen en zonder Sragen, Bojolali, ate n, Soerakarta en Bantoel: 7,31. Bus Pakoealaman niet medegerekend, zie boven blz. 2. INDEELING VAN DE INHEEMSCHE BEROEPSBEOEFENAARS NAAR BEDRIJVEN IN MIDDEN-JAVA. CLASSIFICATION OF THE NATIVES ACCORDING TO OCCUPATIONS IN MIDDLE-JAVA l). Teksttabel — Subsidiary table No. 19. *) English translation of the denommation of the occupations on pages 84 —85. 94 No. 19 (vervolg). INDEELING VAN DE INHEEMSCHE BEROEPSBEOEFENAARS NAAR BEDRIJVEN IN JOGJAKARTA. CLASSIFICATION OF THE NATIVES ACCORDING TO OCCUPATIONS IN JOGJAKARTA i). — Subsidiary table No. 20. English translation of the denomination of the occupations on pages 84 —85. 95 Teksttabel No. 20 (vervolg). 96 INDEELING VAN DE INHEEMSCHE BEROEPSBEOEFENAARS NAAR BEDRIJVEN IN SOERAKARTA. CLASSIFICATION OF THE NATIVES ACCORDING TO OCCUPATIONS IN SOERAKARTA i). — Subsidiary table No. 21. Engli s h translation of the denomination of the occupations on pages 84—85. 97 Teksttabel No. 21 (vervolg). AANTAL LANDBOUWERS PER 100 BEROEPSBEOEFENAARS VAN ELK GESLACHT EN BURGERLIJKEN STAAT. NTJMBER OF FARMERS AND PEASANTS PER 100 NATIVES EXERCISING AN OCCUPATION ACCOR DING TO SEX AND GIVIL CONDITION. Teksttabel — Subsidiary table No. 22. 98 Te ksttabel No. 22 (vervolg). BELANGRIJKSTE BEROEPEN VAN DE GEMEENTE SEMARANG EN DE HOOFDPLAATSEN SOERAKARTA EN JOGJAKARTA. T HE MOST IMPORTANT OCCUPATIONS OF THE MUNICIPALITY SEMARANG AND OF THE CAPITALS SOERAKARTA AND JOGJAKARTA i). — Subsidiary table No. 23. English translation of the denomination of the occupations on pages 84 —85. 99 INHOUD. (SUMMARY IN ENGLISH ON PAGE 101) TEKST. blz. A1 Phabetisch register VII Voo rwoord XLX Oof dstuk I. Inleiding 1 °Idstuk 11. Getalsterkte en territoriale verspreiding der bevolking 3 § 1. Inleiding 3 § 2. De betrouwbaarheid der cijfers 3 § 3. Bevolkingssterkte 4 § 4. De verhouding der geslachten 5 § 5. Bevolkingsdichtheid 7 § 6. Bevolkingstoename 12 oof <istuk UI. Landaarden 17 § 1. Inleiding 17 § 2. De betrouwbaarheid der cijfers 17 § 3. Landaarden 17 § 4. Toename van Soendaneezen en Javanen ... 18 °fdstuk IV. Verplaatsing van de bevolking 20 § 1. Inleiding 20 § 2. De betrouwbaarheid der cijfers 20 § 3. Immigratie 21 § 4. Emigratie 27 § 5. Het aantal tjjdeljjk-aanwezigen 29 °fdstuk V. Leeftijdsgroepen en Burgerlijke Staat ... 33 § 1. Inleiding 33 § 2. De betrouwbaarheid der cijfers 33 § 3. Indeeling der onderwerpen 34 § 4. De grootte der leeftijdsgroepen 34 § 5. Vergelijking met de cijfers van 1920 36 § 6. De geslachtsverhouding van ieder der leeftijdsgroepen 37 § 7. Geslachtsverhouding in de leeftijdsgroepen in ressorten met een groot algemeen vrouwenoverschot 39 § 8. Geslachtsverhouding der leeftijdsgroepen in streken met een gering vrouwental 40 § 9. Burgerlijke staat; inleiding 41 § 10. Vergelijkingen met de cijfers van 1920 ... 42 § 11. Burgerlijke staat van onvolwassenen 43 § 12. Burgerlijke staat van volwassenen 44 § 13. Polygamie (Polyginie) 49 blz. Hoofdstuk VI. Samenwoning 58 § 1. Inleiding 58 § 2. De betrouwbaarheid der cijfers 58 § 3. Woningen 59 § 4. Het aantal zielen per huis 60 § 5. Vergelijkingen met de cijfers van 1920 ... 60 § 6. Gezinshoofden 62 Hoofdstuk VII. Alphabetisme 67 § 1. Inleiding 67 § 2. De betrouwbaarheid der cijfers 67 § 3. Alphabetisme in het algemeen 67 § 4. Onvolwassen alphabeten 69 § 5. Volwassen alphabeten 71 § 6. Alphabeten zonder schoolonderricht 72 § 7. De Nederlandsch-schrijvenden 73 § 8. Vergelijkingen met de cijfers van 1920 ... 74 Hoofdstuk VIII. Godsdiensten van Amboneezen, Ba tak's en Manadoneezen 81 Hoofdstuk IX. Gebreken 82 § 1. Inleiding 82 § 2. De betrouwbaarheid der cijfers 82 § 3. De blinden 82 § 4. De doofstommen 82 § 5. Blinden en doofstommen 82 Hoofdstuk X. De beroepsbeoefenaars 84 § 1. Inleiding 84 § 2. De betrouwbaarheid der cijfers 85 § 3. Het aantal beroepsbeoefenaars 86 § 4. De landbouwers en andere belangrijke beroepen 89 Summary in En_ ish III TABELLEN. blz. Hoofdstuk H. 1. Getalsterkte der bevolking in elk onderdistrict. 112 —113 2. Getalsterkte der bevolking in de stadsgemeen ten en andere samenwoningscentra 146—147 3. Indeeling van de bevolking naar bevolkings groep en geslacht in elk district. Relatieve cijfers 150 —151 4. Indeeling van de bevolking in stadsgemeenten en andere samenwoningscentra naar bevolkings groep en geslacht. Relatieve cyfers 160 5. Bevolking van 1930 uitgedrukt in % van 1920. 161 6. Getalsterkte der bevolking van de particuliere landerijen, welke op 1 Januari 1932 nog niet afgekocht waren 164 7. Getalsterkte der bevolking in de zelfbesturende rijken 165 8. Bevolking van de stadsgemeenten en andere samenwoningscentra in 1930 uitgedrukt in % van 1920 165 9. Bevolkingsdichtheid en aantal Inlanders per km 2 bouwgrond 166 Hoofdstuk 111. 10. Getalsterkte van belangrijke landaarden 172 Hoofdstuk IV. 11. Het migratieverband van de, tijdens de telling, aanwezige inheemsehe bevolking. Absolute cijfers 184—185 12. Het migratieverband van de, tijdens de telling, aanwezige inheemsehe bevolking. Relatieve cijfers 186—187 13. Het verband tusschen woondistrict en geboorte district voor de inheemsehe bevolking. Absolute cijfers 188—189 14. Het verband tusschen woondistrict en geboorte district voor de inheemsehe bevolking. Relatieve cijfers 190—191 Hoofdstuk V. 15. Indeeling van de bevolking naar geslacht en burgerlijken staat per leeftijdsgroep 194 16. Polygamie bh' de inheemsehe bevolking 201 Hoofdstuk VI. 17. Gezinshoofden, ingedeeld naar geslacht en burgerlijken staat voor de inheemsehe bevol king. Absolute cijfers 204 18. Gezinshoofden ingedeeld naar geslacht en burgerlijken staat voor de inheemsehe bevol king. Relatieve cijfers 205 19. Aantal gezinshoofden ingedeeld naar geslacht per 100 personen van gelijken burgerlijken staat 206 20. Soort der woonhuizen, waarvan de hoofdbewo ner Inlander is. Absolute cijfers 207 21. Soort der woonhuizen, waarvan de hoofdbewo ner Inlander is. Relatieve cijfers 208 blz. Hoofdstuk VII. 22. Alphabetisme van de inheemsehe bevolking. Absolute cyfers 210 23. Alphabetisme van de inheemsehe bevolking. Relatieve cijfers 217 24. Alphabeten van de inheemsehe bevolking, ingedeeld naar hen, die al dan niet lager onderwijs genoten. Absolute cijfers 223 25. Geslachtsverhouding van de alphabeten van de inheemsehe bevolking, die al dan niet lager onderwijs genoten 228 26. Aantal alphabeten dat lager onderwijs genoot of genoten had, uitgedrukt in % van het totaal alphabeten 233 27. Nederlandsch schrijvenden van de inheemsehe bevolkingsgroep ingedeeld naar hen, die al dan niet Westersch lager onderwijs genoten. Absolute cijfers 234 28. Geslachtsverhouding van de Nederlandsch schrijvenden van de inheemsehe bevolkings groep, die al dan niet Westersch lager onderwijs genoten 239 29. Aantal Nederlandsch schrijvenden dat Wes tersch lager onderwas genoot of genoten had in % van het totaal Nederlandsch schrijvenden 244 Hoofdstuk VIII. 30. Indeeling van de Amboneesche, Bataksche efl Manadoneesche bevolking naar hun gods diensten 246 Hoofdstuk IX. 31. Personen met lichaamsgebreken bjj de in heemsche bevolkingsgroep in West-Ja va 248 32. Personen met lichaamsgebreken bij de inheem sche bevolkingsgroep, uitgedrukt in % 0 van de totalen per leeftijdsgroep 249 Hoofdstuk X. 33. Aantal beroepsbeoefenaars en landbouwers van de inheemsche bevolking 252 34. Aantal mannen en vrouwen, beroepsbeoefe naars, per 100 personen van gelijken burger lijken staat 256 Kaart van de bevolkingsdichtheid van Midden-Java en de Vorstenlanden. IV blz. Burgerlijke staat 42, 45, 46, 48 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 63, 64, 65 Landbouwers 90, 91, 93 Leeftijdsgroepen 36, 37 Migratie 21, 25, 27 Nederlandsen-schrijvenden 75, 76 Polygamie 49 Woningen 59, 61 Zielental 4 Koedoes (regentschap). Alphabetisme 67, 69, 70, 71, 72, 73 Beroepen 91, 92 Beroepsbeoefenaars 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 41, 42, 43, 46, 47 Gebrekkigen 82 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 62, 64, 65 Landbouwers 90, 91 Leeftijdsgroepen 36 Migratie 21, 25 Polygamie 49 Woningen 59, 60, 61 Zielental 4 ■koelie roepa-roepa (zie daglooners). Koelonprogo (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 75 Beroepen 91, 92, 93 Beroepsbeoefenaars 86, 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Bevolkingstoename 13 Burgerlijke staat 41, 42, 45, 46, 48 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 62, 65 Landbouwers 90, 91, 93 Leeftijdsgroepen 35, 37 Migratie 22, 26, 28, 35 Nederlandsen-schrijvenden 74, 75 Polygamie 49 Woningen 61 % Koetoardjo (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 72, 75 Beroepen 92 Beroepsbeoefenaars 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Bevolkingstoename 13, 15 Burgerlijke staat 41, 43, 46, 47, 48 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 62 Landbouwers 90, 91 Migratie 21, 22, 23, 25, 26, 28 Nederlandsen-schrijvenden 75, 76 Polygamie 4!) Woningen 59, 61 Zielental 4 Kotta Mangkoenegaran (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71 Beroepen 91, 92 Beroepsbeoefenaars 86, 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 46, 47 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 61' Landbouwers 90, 91, 93 Leeftijdsgroepen 36 Migratie 22, 23, 25 L a &daarden (groepeering) 17 Landbouwers 85, 89 e.v. I .... 7, 34, 35, 36, 37, 38 II .. 7, 34, 37, 38, 41 111 7, 34, 37, 38, 40 M 18, 19 Ma gelang (regentschap). Alphabetisme 67, 68, 70, 71 Beroepen .... 92 Beroepsbeoefenaars ......"..... 86, 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Bevolkingstoename 15 Burgerlijke staat 4.1, 46, 47, 48 blz. Geslachtsverhouding 3g Gezinshoofden 63, 65 Landaarden is Landbouwers 90, 91, 93 Leeftijdsgroepen 35, 36, 37 Migratie 21, 23, 25, 26, 28 Nederlandsen-schrijvenden 73, 74 Polygamie 49 Woningen gl Zielental 4 Maleiers 18, 19 Manadoneezen (Minahassers) iq, 19, gl Midden-Java (cijfers) j, 4, 5, 7, 11, 12, 13, 16, 17, 18, 19, 21, 22, 25, 27, 29, 34, 35, 37, 38, 41, 42, 44, 47, 48, 49, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 67, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 81, 82, 86, 87, 88, 89, 90, 93 Migratieverband 20 Mortaliteit 6, 7, 14, 35, 39, 40 N Nataliteit 15, 36 O Ongehuwden 42, 45, 46 Onvolwassenen, zie leeftijdsgroepen I en 11. Overheidsdienst 85 P Pakoealaman (regentschap). Alphabetisme 67 Beroepsbeoefenaars 86, 88, 89 Burgerlijke staat 47 Geslachtsverhouding 38 Landbouwers 90 Bevolkingstoename 13 Migratie 22 Zielental 4 Particuliere landerijen 4 Pati (regentschap). Alphabetisme 67, 69, 70, 71, 75 Beroepen 91, 93 Beroepsbeoefenaars 86, 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 41, 42, 43, 45, 46, 47 Gebrekkigen 82 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 62, 64 Landbouwers 89, 90, 91, 93 Leeftijdsgroepen 36 Migratie 25 Polygamie 49 "Woningen 60, 61 Pekalongan (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 75 Beroepen 91, 92, 93 Beroepsbeoefenaars 86, 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 41, 42, 43, 46, 48 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 63, 64, 65 Landbouwers 90, 91 Leeftijdsgroepen 36 Migratie 22, 25, 26 Polygamie 49 Woningen 60, 61 Pemalang (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71 Beroepen 91, 93 Beroepsbeoefenaars 86, 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid .' 7 Bevolkingstoename 13 Burgerlijke staat ........."."..". 41, 43, ië, 47 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 63 j 65 Landbouwers 90, 91 Leeftijdsgroepen 35, z&', 37 Migratie 25, 26, 27 Nederlandsen-schrijvenden 74 Polygamie 49 Woningen 61 Pest 6, 14, 15 IX TABLES. page. Chapter 11. 1. Populat. of each subdistrict 112—113 2. Populat; of the municipalities and other centra ooopulation 146- 147 3. Classificon of the population according to race amsex in each district. (Relative numbers) 150—151 4. Populatie of the municipalities and towns. (Relativermbers) 160 5. Populatioof 1930 in % of 1920 161 6. Populatioof the private lands, still being such on t first of January 1932 164 7. Number ojopulation in the Native States ... 165 8. Populatioiof the municipalities and other centra of pulation of 1930 in % of 1920 ... 165 9- Density ofopulation and numbers of Natives per squareilometre native lands 166 C Hter in. ™- Numbers olome important races and tribes . 172 Ch apter iv. l l- Migration c the native population present during the asus. (Absolute numbers) 184—185 *2. Migration o the native population present during the qsus. (Relative numbers) 186—187 13- Connection tween the district of domicile and the birtlistrict of the native population. (Absolute nubers) 188—189 Connection tween the district of domicile and the birthstrict of the native population. (Relative nui>ers) 190—191 v. D - Classification ? the native population accor ding to sex an civil condition per age period. 194 ' Polygamy of t native population 201 Vl. ■ Sex and eivil condition of the heads of families. (Absute numbers) 204 in * / — " Sex and eivil condit ion of the heads of families. (Relave numbers) 205 • of the heac of families per 100 persons °f equal eivil eidition 206 page. 20. Type of dwellings, the principal inhabitant of which being a Native. (Absolute numbers) ... 207 21. Type of dwellings, the principal inhabitant of Wüich being a Native. (Relative numbers) ... 208 Chapter VII. 22. Literacy of the native population. (Absolute numbers) 210 23. Literacy of the native population. (Relative numbers) 217 24. Native literates, classified as to having received schooling or not. (Absolute numbers). 223 25. Sex-proportion of the native literates, classified as to having received schooling or not 228 26. Number of literates with elementary education, expressed in % of the total of literates 233 27. Natives owning Dutch literacy, classified as to having received Western elementary schooling or not. (Absolute numbers) 234 28. Sex-proportion of the Natives owning Dutch literacy, classified as to having received Western elementary schooling or not 239 29. Persons able to write in the Dutch language with Western elementary education in % of the total of persons able to write in the Dutch language 244 Chapter VIII. 30. Classification of the Ambonese, Batak and Manadonese population as to religion 246 Chapter IX. 31. Infirmity amongst the native population 248 32. Infirmity amongst the native population in °/oo of the numbers total per age period 249 Chapter X. 33. Number of Natives exercising an occupation and pcasants 252 34. Number of males and females exercising an occupation per 100 persons of equal eivil condition 256 Map showing the density of the population of Middle- Java and the Native States. V ALPHABETISCH REGISTER. A blz. Adikarto (regentschap). Alphabetisme 67, 69, 70, 71 Beroepen 91, 92 Beroepsbeoefenaars 86, 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7, 10 Burgerlijke staat 41, 42, 43, 45, 46, 47, 48 Gebrekkigen 82 Geslachtsverhouding 3S Gezinshoofden 65 Landbouwers 90, 91, 93 Leeftijdsgroepen 37 Migratie 26 Polygamie 49 Woningen 60, 61 Zielental 4 Alphabeet (definitie) 67 Atnboneezen 18, 19, 81 Ambtenaren (zie Overheidsdienst). B Bagelen (-oud) 6, 10, 14, 23, 28, 29, 41, 68 Bandjareezen 18 Bandjarnegara (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 75 Beroepsbeoefenaars 86, -88, 89 Bevolkingsdichtheid 7, 8 Bevolkingstoename 13, 14, 15, 16 Burgerlijke staat 41, 42, 43, 47 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 62, 63, 65 Landbouwers 90, 91 Leeftijdsgroepen 37 Migratie 23, 27 Nederlandsch-schrij venden 75 Polygamie 49 Woningen 59, 61 Zit 'ental 4 Banjoemas (regentschap). Alphabetisme 67, 68, 70, 71, 72, 75 Beroepen 91, 92 Beroepsbeoefenaars 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 41, 43, 46, 47 Geslachtsverhouding 38 Landbouwers 90, 91 Migratie 23, 26 Polygamie 49 Woningen 61 Bantoel (regentschap). Alphabetisme 67, 69, 70, 71 Beroepen 91, 92 Beroepsbeoefenaars 86, 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 41, 46 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 65 Landbouwers 90, 91, 93 Migratie 21, 23, 26, 27 Woningen 59, 61 Zielental 4 Batang (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 72, 75 Beroepen 91, 93 Beroepsbeoefenaars 86, 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Bevolkingstoename 15 Burgerlijke staat 41, 42, 43, 46, 47, 48 Geslachtsverhouding 38 Landbouwers 90, 91, 93 Leeftijdsgroepen 37 Migratie 26 Nederlandsch-schrij venden 75, 76 Polygamie 49 Woningen 60, 6.1 Zielental 4 Ba tavianen 18 Be «enden (Huis-) 91 blz. Beroepen. Definitie 84 Door vrouwen uitgeoefend 88, 89 In Midden-Java 90 In de Vorstenlanden 89, 90 Beroepsgroepen 84, 85, 90 Beroepsbeoefenaars. Aantal in Midden-Java 86 „ de Vorstenlanden S 6 Definitie 84 In gemeenten en kottas 90, 91 Beroepsschema 84, 85 Betrouwbaarheid der cijfers 2, 3, 17, 20, 33, 48, 58, 67, 81, 82, 85 Blinden 82 Blinden, die doofstom zijn 82 Blora (regentschap). Alphabetisme 67, 69, 70, 71 Beroepen 92, 93 Beroepsbeoefenaars 86, 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 41, 43, 46, 47, 48 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden v 62, 63, 64 Landbouwers 89, 90, 91, 93 Leeftijdsgroepen 36 Migratie 21, 25 Polygamie 49 Woningen 59, 6.1 Bojolali (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 73 Beroepen 91, 92 Beroepsbeoefenaars 86, 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 41, 45, 46, 47, 48 Geslachtsverhouding 38, 39 Gezinshoofden 62, 63, 65 Landbouwers 89, 90, 91, 93 Leeftijdsgroepen 36 Migratie 21, 22, 25, 27 Woningen , 61 Bouwgronden (definitie) 3 Brebes (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 72, 73, 75 Beroepen 91, 93 Beroepsbeoefenaars 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 41, 43, 45, 46, 47 Gebrekkigen 82 Geslachtsverhouding 38, 39 Gezinshoofden 63, 65 Landaarden 17, 18, 19 Landbouwers 90, 91, 93 Leeftijdsgroepen 35, 36, 37 Migratie 22, 23, 26, 27, 28 Nederlandsch-schrijvenden 74 Polygamie 49 Woningen 61 Zielental 4 C Chineezen 3, 4, 5, 12, 13 Concentratie van bevolking in de steden 5 D Daglooners 8 5, 86, 91, 92 Demak (regentschap). Alphabetisme 6 7, 69, 70, 71, 72 Beroepen 93 Beroepsbeoefenaars 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 42, 43, 45, 46, 47, 48 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 62, 63, 64, 60 Landbouwers 90, 91 Leeftijdsgroepen 38 Migratie 25 VII blz. Nederlandsch-schrijvenden 75 Polygamie 49 Woningen 60, 61 Doofstommen 82 E Echtscheidingen 44, 48 Emigratie 14, 27 e.v., 39 Europeanen 13 G Geboortecijfers (zie Nataliteit). Geboortedistrict of -onderafdeeling (definitie) 20 Geboorteoverschot 34, 36 Gehuwden 41, 46 Gescheidenen 42, 44, 47, 48 Gezin (definitie) 58 Gezinsgrootte 65 Gezinshoofd (definitie) 58 Godsdiensten (alleen van Amboneezen, Bataks en Manadoneezen) 81 Goenoengkidoel (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 72, 73, 75 Beroepen 93 Beroepsbeoefenaars 86, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7, 11 Bevolkingstoename 14, 15 Burgerlijke staat 41, 42, 43, 46, 47, 48 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 62, 63, 65 Landbouwers 90, 91, 93 Leeftijdsgroepen 35, 37 Migratie 26, 28 Nederlandsch-schrijvenden 74, 7"), 76 Polygamie 49 Woningen 61 Grobogan (regentschap). Alphabetisme 67, 68, 69, 70, 71, 72, 75 Beroepen 93 Beroepsbeoefenaars 86, 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 42 Gezinshoofden 63 Geslachtsverhouding 38 Landbouwers 89, 90, 91, 93 Leeftijdsgroepen 36, 37 Migratie 21, 22, 23, 25, 27 Nederlandsch-schrijvenden 76 Polygamie 49 Woningen 59, 61 H Handel (definitie) 85 Huizen, zie woningen. Huwelijk (algemeenheid van het —) 41 Huwelijken. Aantal 48 Kinderhuwelijken 43, 44 I Immigratie 7, 14, 21 e.v. Inlanders (definitie) 3 Inwoners, aantal- per huis 60, 62 J Japara (regentschap). Alphabetisme 67, 69, 70, 71, 72 Beroepen 91, 92 Beroepsbeoefenaars 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 41, 42, 43, 46, 47 Gebrekkigen 82 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 62, 64 Landbouwers 90, 91 Leeftijdsgroepen 36, 37 blz. Migratie 25 Nederlandsch-schrijvenden 74 Polygamie 49 Woningen GO, 61 Javanen 18, 19 Jogjakarta (stad). Administratieve indeeling 1 Alphabetisme ■. 68, 71, 73, 75 Beroepen 90 Beroepsbeoefenaars 88 Bevolkingsdichtheid 11, 12 Burgerlijke staat 45, 48 Geslachtsverhouding 5 Gezinshoofden 64, 65 Immigratie 22, 23, 24, 25, 26, 29, 35 Landaarden 18 Landbouwers 90, 91 Leeftijdsgroepen 35 Nederlandsch-schrijvenden 73, 74, 76 Woningen 60 Zielental 4 Jogjakarta (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71 Beroepen 91, 92 Beroepsbeoefenaars 86, 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 41, 46, 47 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 65 Landbouwers 90, 91, 93 Leeftijdsgroepen 35 Migratie 21, 25, 26, 27 Jongensoverschot onder de geborenen 5 K Karanganjar (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 72, 75 Beroepen 92, 93 Beroepsbeoefenaars 1 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 41, 43, 46 Gebrekkigen 82 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 62, 63, 64 Landbouwers 90, 91 Leeftijdsgroepen 35, 36, 37 Migratie 23, 25, 26, 28, 35 Nederlandsch-schrijvenden 76 Polygamie 49 Woningen 61 Kawin gantoeng 44 Keboemen (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 72, 75 'Beroepen 92 Beroepsbeoefenaars 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 41, 43, 44, 45, 46 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 63, 65 Landbouwers 90, 91 Leeftijdsgroepen 35, 37 Migratie 22, 23, 25, 26, 27, 28, 35 Nederlandsch-schrijvenden 75 Polygamie 49 Woningen 59, 61 Kendal (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 75 Beroepen 91 Beroepsbeoefenaars 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 42, 43 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 62, 64 Landbouwers 90, 91, 93 Leeftijdsgroepen 37 Migratie 21, 23, 25, 27, 28 Polygamie 49 Woningen 60, 61 Kinderhuwelijk (zie Huwelijk). Klaten (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 73, 75 Beroepen 91 Beroepsbeoefenaars 86, 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7, 1* Bevolkingstoename I 5 VIII blz. Poerbalingga (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 75 Beroepen 92 Beroepsbeoefenaars 88, 89 Bevolkingsdichtheid ' 7 Burgerlijke staat 41, 46, 47 Geslachtsverhouding 38 Landbouwers 90, 91 Leeftijdsgroepen 37 Migratie 23, 26, 27 Polygamie 49 Woningen 60, 61 Poerwokerto (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 75 Beroepen 92 Beroepsbeoefenaars 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 41, 43, 44, 46, 47, 48 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 64 Landbouwers 90, 91 Leeftijdsgroepen 36, 37 Migratie 23, 26, 27 Polygamie 49 Woningen 61 Poerworedjo (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 72, 75 Beroepen 92 Beroepsbeoefenaars $8, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 41, 43, 45, 46, 47 Gebrekkigen 82 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 62, 63, 64 Landbouwers 90, 91, 93 Leeftijdsgroepen 35 Migratie 21, 22, 23, 25, 26, 28, 35 Nederlandsch-schrijvenden 75 Polygamie 49 Woningen 61 Zielental 4 Polygamie 49 R Rembang (regentschap). Alphabetisme 67, 69, 70, 71, 75 Beroepen 92, 93 Beroepsbeoefenaars 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Bevolkingstoename 13 Burgerlijke staat 41, 43, 46, 47, 48 Gebrekkigen 82 Geslachtsverhouding 38, 39 Gezinshoofden 62, 63, 64, 65 Landbouwers 90, 91 Leeftijdsgroepen 35, 36, 37 Migratie 21, 25, 27 Nederlandsch-schrij venden 75 Polygamie 49 Woningen 59, 61 Zielental 4 S School-onderricht (definitie) 67 S'emarang (gemeente). Administratieve indeeling 1 Alphabetisme 68, 71, 73, 74 Beroepen 90 Beroepsbeoefenaars 88, 90 Bevolkingsdichtheid 11, 12 Burgerlijke staat 45, 48 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 64, 65 Immigratie 22, 23, 24, 25, 28, 29, 35 Landaarden 18 Landbouwers 90 Leeftijdsgroepen 35 Mortaliteit 15 Nederlandsch-schrij venden 74 Woningen g 0 Zielental " 4 Semarang (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 75 Beroepen 92 Beroepsbeoefenaars 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 42, 43, 45, 46, 47, 48 Geslachtsverhouding 38, 39 blz. Gezinshoofden 63 Landbouwers 90, 91 Leeftijdsgroepen 36,' 37 Migratie 21, 22, 23, 25, 26, 27 Polygamie 49 Woningen 61 Zielental 4 Soendaneezen 17, ig > 19 Soerakarta (stad). Administratieve indeeling 1 Alphabetisme 68, 71, 73, 75 Beroepen 90 Beroepsbeoefenaars 87, 88, 89, 90 Bevolkingsdichtheid n 12 Burgerlijke staat 45, 4g Geslachtsverhouding 5 Gezinshoofden 65 Immigratie 22, 23, 24, 25, 27, 35 Landaarden 18 Landbouwers 90 Leeftijdsgroepen 36 Nederlandsen-schrijvenden 73, 74, 76 Polygamie 49 Woningen 60 Zielental 4 Soerakarta (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 73 Beroepen 91, 92 Beroepsbeoefenaars 86, 87, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Burgerlijke staat 41, 46, 47, 48 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 65 Landbouwers 90, 91, 93 Leeftijdsgroepen 36 Migratie 21, 25, 27 Sragen (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 73 Beroepen 91 93 Beroepsbeoefenaars 86, 87, 89 Bevolkingsdichtheid ..... 7 Burgerlijke staat 41, 43, 46, 47, 48. Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 62, 65 Landbouwers 89, 90, 9l! 93 Leeftijdsgroepen 35, 36 Migratie 22, 23, 25, 27, 29 Steden 4, 15, 23 e.v., 25, 26, 29, 35, 36, 40, 44, 45, 47, 49, 60, 62, 64, 68, 70, 71, 73, 74, 87, 89, 90, 91 Sterfte-cijfers 15 Suikerfabrieken iq i h T Tegal (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 72, 73, 75 Beroepen 91, 92> 93 Beroepsbeoefenaars 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid ' ' 7 Burgerlijke staat 41, 43, 46, 47 Gebrekkigen 82 Geslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 62, 64, 65 Landbouwers 91 Leeftijdsgroepen 35, 36, 37 Migratie 22, 25, 26 Nederlandsen-schrijvenden 74, 75 Polygamie 49 Woningen 59, 6-1 Zielental .' 4 Temanggoeng (regentschap). Alphabetisme 67, 68, 70, 71, 72, 75 Beroepsbeoefenaars ' 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Bevolkingstoename 13, 15 Burgerlijke staat 41, 42, 43, 45, 46, 47, 48 Geslachtsverhouding 6, 38, 39 Gezinshoofden 62, 65 Landbouwers 90, 91 Leeftijdsgroepen 35, 36, 37 Migratie 21, 25, 26 Polygamie 49 Woningen .... 61 Zielental 4 Timoreezen 18, l 9 X blz. Tjilatjap (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 75 Beroepen 93 Beroepsbeoefenaars 86, 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Bevolkingstoename 13 Burgerlijke staat 42, 43, 44, 46, 47, 48 Gebrekkigen 82 Geslachtsverhouding 6, 38 Gezinshoofden 65 Landaarden 17, 18, 19 Landbouwers 90, 91 Leeftijdsgroepen 37 Migratie 21, 22, 23, 26, 27, 28, 29 Nederlandsch-schrijvenden 75, 76 Polygamie 49 Woningen 60, 61 V Verhouding der geslachten 5 e.v., 37 e.v. Volwassenen, zie leeftijdsgroep 111. Vorstenlanden (cijfers) 1, 4, 5, 7, 9, 11, 12, 13, 16, 18, 21, 22, 2-1, 26, 27, 28, 29, 34, 35, 37, 38, 41, 42, 44, 47, 48, 49, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 67, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 81, 82, 86, 87, 88, 89, 90, 93 Vreemde Oosterlingen (andere dan Chineezen) 3, 5, 12 Vruchtbaarheid der vrouwen 15 W Weduwen en Weduwnaren 42, 44, 46 koningen 59 e.v. blz. Wonogiri (regentschap). Alphabetisme 67, 70, 71, 73, 75 Beroepen 93 Beroepsbeoefenaars 86, 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Bevolkingstoename 15 Burgerlijke staat 41, 43, 44, 47, 48 GFeslachtsverhouding 38 Gezinshoofden 63, 65 Landbouwers 90, 91, 93 Leeftijdsgroepen 35, 36 Migratie 25, 27, 29 Woningen 59, 61 Zielental 4 Wonosobo (regentschap). Alphabetisme 67, 68, 70, 71, 75 Beroepsbeoefenaars 86, 87, 88, 89 Bevolkingsdichtheid 7 Bevolkingstoename 13, 15 Burgerlijke staat 41, 42, 43, 45, 46, 48 Geslachtsverhouding 6, 38, 39 Landbouwers 90, 91 Leeftijdsgroepen 33, 35, 36, 37 Migratie 25, 26 Polygamie 49 Woningen 61 Woondistrict of -onderafdeeling (definitie) 20 Z Zelfbesturen 1, 4 Zuigelingensterfte 15 XI AANVULLENDE GEGEVENS. Na de Volkstelling zijn in de administratieve indeeling van Midden-Java wijzigingen aangebracht. Natuurlijk kon bij de verwerking der cijfers niet met deze nieuwe indeeling rekening gehouden worden. Wel was het nog mogelijk het in 1930 getelde zielental van de gewijzigde ressorten te berekenen. BEVOLKINGSCIJFERS VAN DE NA 1930 GEWIJZIGDE RESSORTEN. XIII XIV VOORWOORD. Met de samenstelling van den tekst dezer publicatie was belast de heer Dr. L. Adam. Aan de vele personen, die bij het opstellen van dezen tekst medewerkten wordt hierbij mijn hartelijke dank betuigd. Het Hoofd van het Tijdelijk Kantoor voor de Volkstelling 1930. Batavia ultimo Juni 1933. XIX XV XVI XVII  Hoofdstuk 11. Getalsterkte en territoriale verspreiding der bevolking. Chapter IL Number and distribution of the population. Hoofdstuk 111. Landaarden. Chapter 111. Races and tribes. Hoofdstuk IV. Verplaatsing van de bevolking. Chapter IV. Migration of the population.  Hoofdstuk V. Burgerlijke staat en leeftijd. Chapter V. Civil condition and age. HOOFDSTUK I. INLEIDING. De provincie Midden-Java, ingesteld op 1 Juni 1928, beslaat een oppervlakte van 28167,28 k» 2 (0,82 maal de to tale oppervlakte van Nederland), bestaat uit 5 residenties, 26 regentschappen, 125 districten, 418 onderdistricten. Er 2 fl n particuliere landerijen in de gemeente Semarang en m de regentschappen Brebes en Japara 1), * an de begrenzing der vijf stadsgemeenten Tegal, Peka or igan, Semarang, Salatiga en Magelang kan gezegd worden, at alken van Semarang de grenzen van district en gemeente samenvallen, terwijl de overige gemeenten eeß kleiner gebied beslaan dan de districten van den- Ze lfden naam. Gnder Midden-Java hooren ook nog eenige eilanden a arvan de Karimoendjawa-eilanden in de Java-zee (onder a Para ressorteerende) en het bezuiden Tjilatjap gelegen >> v T oe sa-Kemban.gan de meest bekende zyn. De Vorstenlanden 2 ), een uit den Compagniestn'd ateerende benaming van zelfbcsturende landschappen Q landsche rijken), bestaan uit de gouvernementen Soe- a Karta en Jogjakarta. Soerakarta (Solo) omvat de 2elf bestm-ende landschappen Soerakarta (3 288,23 km.2) geregeerd door den Soesoehoenan, en Mangkoenegaran '50,67 km 2) waarvan de zelfbestuurder den titel van r ms draagt. Jogjakarta omvat het rijk Jogjakarta 023,43 km-) van den Sultan en het prinsdom Pakoeala **- (145,42 km 2). K mnen het gebied van het gouvernement Jogjakarta lig -5 H echter nog enclaves van de beide in Soerakarta gelegen JKen. Allereerst het tot het Soenanaat Soerakarta oorend en in het regentschap Bantoel gelegen district ott agede of Passargede (41,33 km 2) bestaande uit twee andsche gemeenten van het stadje van dien naam waar graven liggen van de eerste Vorsten van Mataram en , °P verscheidene kilometers afstands van dit stadje in zuidelijke Imogirisehe bergland gelegen complex. In tweede plaats het in het regentschap Bantoel gelegen Heens tot het Solosehe rijk behoorend district Imogiri ' ' krm 2 ) met het plaatsje van dien naam waar de tegen heuvel op gebouwde begraafplaats van de Vorsten van fakarta en Jogjakarta ligt, benevens een grootendeels ïeuvelland bestaand gebied. En in de derde plaats de j, ang k°enegaransche enclave Ngawèn (33,48 km 2) in het Goenoengkidoel. het regentschap Bojolali van het rijk Soerakarta ligt TTs een onder het district Tengaran van het regentschap Uit ' UaUy ' ressorteerende gouvernements-enclave Ampel j Vler dessa's bestaande, tezamen 1600 ha groot 3 ) en e Inlanders (4 192 mannen en 4 355 vrouwen) (mannelijke) Europeaan tellende. Met deze enclaves meegerekend wordt ni; de oppervlakte van ieder der zeH'lK-sturende landschappen aldus: Soerakarta 3 359,64 km.2 Mangkoenegaran 2 784,15 „ Jogjakarta 2 902,54 „ Pakoealaman 145,42 „ Het (zelfbesturend) rijk Jogjakarta 4), ook wel sultanaat genoemd, telt vier regentschappen (Jogjakarta, Bantoel, Koelonprogo en Goenoengkidoel), 16 districten w.o. de bovenvermelde districten Kottagede-Solo en Imogiri; verder 60 onderdistricten w.o. de enclave Ngawèn en 774 nieuw gevormde Inlandsche gemeenten — kaloerahan's genoemd 5 ) — en 20 kampong's (die niet als Inlandsche gemeenten te beschouwen zijn) binnen het gebied van de hoofdplaats Jogjakarta. Binnen deze hoofdplaats is ook gelegen een klein deel van het Pakoealmnsch gebied, een uit één kampong bestaand regentschap waar ook het gebouwen complex van het prinselijk verblijf in ligt, en dat bestuurd wordt door 's Prinsen rgksbestuurder. Het regentschap Adikarto, dat met bovengenoemd gebiedsdeel het prinsdom Pakoealaman vormt, ligt ver van de hoofdplaats in het zuiden van het gouvernement Jogjakarta en telt 1 district, 4 onderdistricten en 52 kaloerahan's. Het (zelfbesturend) rijk Soerakarta 6 ), ook wel soena naat genoemd, telt 4 regentschappen (Klaten, Bojolali, Sragen en Soerakarta), 21 districten, 86 onderdistricten en 1240 kaloerahan's; het prinsdom Mangkoenegaran 2 regentschappen (kotta Mangkoenegaran en Wonogiri), 9 districten, 40 onderdistricten en 750 kaloerahan's. Er zyn in de Vorstenlanden geen stadsgemeenten. De belangrijkste plaatsen zijn natuurlijk Soerakarta en Jogja karta. De hoofdplaats Soerakarta bestaat uit vrijwel het geheele district Soerakarta (Soenanaatsgebied) en één onderdistrict van het district Kotta Mangkoenegaran (Mangkoenegaransch gebied). Als hoofdplaats Jogjakarta is door het Volkstellingskantoor beschouwd het complex van 20 kampong's van het Jogjasche rijk en de ééne kampong van Pakoealaman 7 ). Tot de Vorstenlanden behooren geen bewoonde eilanden. Deze publicatie geeft in de achter den tekst opgenomen tabellen (niet te verwarren met de teksttabellen, die achter elk hoofdstuk van den tekst opgenomen zjjn), met uitzondering van de nummers 1 tot en met 9, alleen cijfers van de inheemsche bevolking. De cijfers van de andere bevolkingsgroepen zijn opgenomen in de ver schenen monografie van de Europeanen (deel VI van de definitieve uitkomsten van de Volkstelling 1930) 4 ) Dus wel te onderscheiden van het gouvernement (gewest) van denzelfden naam. 5 ) Zie over de vorming van deze Inlandsche gemeenten, een belangrijk onderdeel van de groote agrarische reorganisatie in de Vorstenlanden: H. J. van Mook in den 15en jaargang van het Koloniaal Tijdschrift (1926), Dr. L. Adam en Dr. A. C. Tobi in hetzelfde tijdschrift 20e cm 21e jaargang (1931 en 1932). Het staatje van het aantal kaloerahan's en kampong's in Jogjakarta op blz. 474 van Koloniaal Tijdschrift 20e jaargang is fout. Koelonprogo telt 120 kaloerahan's, Goenoengkidocl 172 (de 4 van Ngawèn meegerekend) en Jogjakarta 210. «) Wel te onderscheiden van het gouvernement (gewest) van dien naam. ") Officieel wordt de hoofdplaats gevormd door het geheele district kotta Jogjakarta plus de ééne kampong van Pakoealaman. 1) tt Ut n i. ln do Eegeeringsalmanak van 1931 vermelde particuliere een - SOe kan is, volgens inlichtingen van den Eegent van Kendal kjarif eil<lomSperceel ' d at een onderdeel is van het erfpachtsperceel 2) a . angan ; het is dus niet in tabel No. 6 opgenomen. d ee j Iv le ni(yr °ver Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (2e druk) artikgi 626 e ' v "' en in Adatrechtbundel 34 blz. 233 het beroemde bl z 3 8 , an **• -P- Eouffaer, terwijl in Adatreohtbundel 19 tegenover 3 ) S 1 6011 ovcrzicntslcaari .l e der Vorstenlanden voorkomt. 6rave n ° m GrolD0 ff an is sinds 1902 met uitzondering van enkele enclave van Solo meer. Het Gouvernement en het 6a kel e '. "t> en in elkanders gebied 8 zeer kleine enclaves van Vl erkante meters, allen graven.  Hoofdstuk VI. Samenwoning. Chapter VI. Families and houses. Hoofdstuk VIL Alphabetisme en Schoolonderricht. Chapter VIL Literacy and Education. Hoofdstuk VIII. Godsdiensten. Chapter VIII. Religions. Hoofdstuk IX. Lichaamsgebreken. Chapter IX. Infirmity.  Hoofdstuk X. Beroepsbeoefenaars. Chapter X. Natives exercising an occupation.  VOLKSTELLING 1930 DEEL II INHEEMSCHE BEVOLKING VAN MIDDEN-JAVA EN DE VORSTENLANDEN CENSUS OF 1930 IN NETHERLANDS INDIA VOLUME II NATIVE POPULATION IN MIDDLE-JA VA AND THE NATIVE STATES OF JAVA Auteursrechten voorbehouden; overname van gegevens geoorloofd, mits onder duidelijke vermelding van bron. Copyright reserved. Oopying allowed if souree mentioned. DEPARTEMENT VAN ECONOMISCHE ZAKEN LANDSDRUKKERIJ 1934 — BATAVIA      VERBETERD BLAD     aanvullend; beoeyens. Behoort bij Volkstelling 1930 deel II: Inhecmsche Bevolking van Midden-Javs en de Vorstcnlandïn, pag. XVII. c 'jf Volkstelling zijn in do admin is tr .-.iicve indeel ing vin Jogjakarta wijzigingen aangebracht. N»tuurlijk kon bij de varwerking der rt Ss Or ! n ' s * * deze nieuwe indeel ing reköninj gehouden worden. '<7c I w&s het nog mogelijk het in 1930 getelde *ielental van de gewijzigde * sn to berekenen. BEVOLK VAN OU NA !930 GeV.'IJZIGüE RESSORTEN.