10 verkiest, zoolang het niet door tractaten met andere landen daarin is gebonden. Speciale wetten tegen immigratie van Chineezen. J ) Zoo zien wij dat de Vereenigde Staten van Amerika in 1879 een wet aannemen, waarbij de immigratie der Chineezen kortweg werd verboden, niettegenstaande zij in 1868 een verdrag met China hadden aangegaan, waarin de vrije emigratie en vestiging der wederzijdsche onderdanen was bepaald. De President sprak dan ook zijn veto uit tegen het besluit van het congres. Men verlangde nu eene wijziging van het tractaat met China. In 1880 had die wijziging plaats. De Vereenigde Staten beloofden de Chineesehe immigratie niet te verbieden, en de in de republiek aangekomen Chineezen dezelfde behandeling toe te staan als aan de onderdanen van de meest begunstigde natie. China daar entegen stond aan de Vereenigde Staten het recht toe om de immigratie te regelen en tijdelijk te verbieden. Op grond van dit verdrag verbood de Unie in 1882 de immigratie der Chineezen voor een tijdperk van 10 jaren. In dien tijd waren er ongeveer 105.000 Chineezen in de Unie. Deze stonden in Californië aan groote afpersingen bloot, en daarom bood China aan om de emi gratie naar Amerika te bemoeilijken. Toen een daarop betrekking hebbend verdrag, waarover in 1888 werd onderhandeld, niet tot stand kwam, verbood de Unie de verdere toevoer van Chineezen voor den tijd van 20 jaren, en sloot ook de Chineezen uit, die, reeds in Californië gevestigd, juist naar hun vaderland op reis waren. In 1894 keurde China de door de Vereenigde Staten van Amerika genomen maatregelen goed. Het congres werkte de tegen de Chineezen genomen bepalingen verder uit en deze werden in 1902 voor onbepaalden tijd in werking gebracht. De handelingen van de Unie vonden navolging in Australië. In 1888 werd reeds bepaald, dat de schepen voor elke 500 ton inhoud, slechts één Chinees mochten ontschepen. Sedert de totstand koming van het Gemeenebest zijn alle kleurlingen-immigranten uitgesloten. Slechts zij, die eene Europeesche taal kunnen spreken en schrijven, mogen Australië binnen komen. 1) Zie Dr. Alfred Zimmermann, blz. 171. 100 (a) waarvan Annammieten . . . ± 14.500.000 Cambodjaneezen en Maleiers 1.500.000 Chineezen 300.000 Europeanen 10.000 Laos (bergstammen) . . . 1.500.000 Andere stammen .... 50.000 Volgens deze verdeeling zou het totaal zijn 17.860.000, dus ruim 2 millioen meer dan het totaal der afzonderlijke landen, wat niet juist kan zijn. Girault (blz. 361 —362) geeft een andere opgave. Volgens hem is de totale bevolking van Indo-China 18.000.000 waarvan Annammieten. . . . 15.000.000 Cambodjaneezen . . . 1.000.000 Chams 150.000 Chineezen 300.000 Europeanen .... 11.000 Andere stammen . . onbepaald. 5. De Chineezen in Azië onder Duitsch gezag. A. Be Chineezen in Kiautschou. ! ) De inbezitneming van de baai van Kiautschou door Duitsch land had op 14 November 1897 zonder bloedvergieten plaats door een landingscorps groot 30 officieren en 687 man van het eskader van den vice-admiraal von Diederichs. Aanleiding tot deze inbezitname was de moord gepleegd op 2 missionarissen in Shantung. Duitschland zond dadelijk versterkingen om zoo noodig het veroverde gebied krachtdadig tegen Chineesehe aanvallen te verdedigen. Tot vechten kwam het niet. Na eenig aarzelen sloot de Chineesehe regeering 6 Maart 1898 een verdrag met Duitschland, waarbij een strook land om de bocht van Kiautschou voor den tijd van 99 jaren in pacht werd afgestaan. Hiermede had Duitschland wat het al eenigen tijd begeerde, namelijk een steunpunt voor zijn steeds toenemenden handel met China. 2 ) Het pachtgebied is 540 vierkante Kilometer groot, en telt 1) Zie von Lignitz, blz. 82 en vgd. 2) Zie „Land und Leute des Kiautschougebietes", blz. 4. 101 eene bevolking van 150,000 Chineezen. *) Deze wonen verspreid in dorpen van 2 a 3000 zielen elk. In het pachtgebied bevindt zich ook de vrijhaven Tsingtau. Door de groote uitgaven, die de Duitschers aan de verbeteringen der haven hebben ten koste gelegd, neemt het scheepvaartverkeer steeds toe, vooral ook door den aanleg van een spoorweg naar het zwaar bevolkte achterland. Veel stelt men zich voor van de ontginning der in het pacht gebied liggende kolenvelden. Een groot voordeel hierbij was, dat men vroeger voldoende Chineesche koelies kon krijgen om in de mijnen te werken tegen een goedkoop dagloon van 60 pf. a 1 Mark, maar in de allerlaatste jaren is daarin verandering gekomen. Zoo nu en dan houden de koelies werkstakingen, en bovendien verlaat de Chinees zonder reden de mijnen, omdat hij het werken als landbouwer verre prefereert. De betrokken mijnbouwmaat schappij heeft daarom woningen voor 600 arbeiders gebouwd en het dagloon verhoogd in verhouding tot de plaats gehad hebbende stijging van de prijzen der levensmiddelen. Sedert 1902 worden jaarlijks 60 Chineesche jongens in een cursus van 4 jaren op een ambachtsschool opgeleid. Die jongens worden na beëindiging hunner opleiding tewerk gesteld op de scheepstimmerwerven. De Duitsche handelaren gaan zeer gemoedelijk met de Chineesche bevolking om en vertoonen in het geheel niet de zekere hoog hartigheid der Engelsche en Amerikaansche handelaren. Dat deze karaktertrek een der redenen is van het succes van den Duitschen handelsman, is wel aan te nemen. B. De Chineezen op de Samoa-eilanden. 2 ) Met de eenige jaren geleden ingevoerde Chineesche koelies (800) heeft men gunstige resultaten gehad. Vermoedelijk zullen °ok in de overige aan Duitschland toebehoorende eilanden in de Stille Zuid-Zee Chineesche koelies moeten worden ingevoerd, aangezien de bevolking weinig arbeidzaam is, en bovendien steeds in getalsterkte achteruitgaat. 1) Von Lignitz geeft als aantal inwoners ruim 60.000 op. 2) Zie Von Lignitz, blz. 141. 102 6. De Chineezen in Azië onder Portugeesch gezag. C. De Chineezen in Macao. ] ) De Portugees Rafael Perestrello voer in 1516 van Malacca in een jonk naar China en was de eerste, die een schip onder Europeesche vlag in de wateren van China bracht. Verscheidene landgenooten volgden hem na. In 1537 vestigden de Portugeezen zich te Macao, onder voorgeven dat zij daar hutten wilden op richten voor het drogen der goederen, die bestemd waren om als tribuut aan den Keizer van China te worden opgebracht, doch door stormen gedurende de zeereis nat waren geworden. In 1573 sloten de Chineezen Macao met een muur van het overige China af. In 1587 werd er in Macao zelf een Chineesche magistraat aangesteld om de in de stad wonende Chineezen te besturen. Behalve te Macao waren de Portugeezen ook gevestigd op enkele andere plaatsen op de kust van China, o. a. te Ningpo. In 1544 werden zij evenwel uit Ningpo verdreven, omdat zij zich herhaaldelijk schuldig maakten aan het rooven van Chi neesche vrouwen en meisjes uit de omliggende dorpen. Ter bevordering van den handel zonden de Portugeezen 4 keeren gezantschappen naar Peking, doch steeds zonder resul taat, niettegenstaande de leden dier gezantschappen zich op allerlei manieren vernederden. De invloed en de handel der Portugeezen in China verminderden steeds. In de 19 de eeuw kwam Macao weer op door den smokkelhandel in opium, en later door den koeliehandel. Die koeliehandel werd op de schandelijkste wijze gedreven; allerlei lieden werden door de koelieronselaars gevangen genomen en in de barakken te Macao opgesloten om van daar verder te worden verscheept. Toen eene Chineesehe commissie de slechte behandeling der koelies op Cuba en in Peru aan het licht bracht, drong Enge land er op aan den koeliehandel te Macao te sluiten. Dit ge schiedde in 1875, niettegenstaande de protesten der belang hebbenden. De Chineezen hebben nooit het schiereiland, waarop Macao 1) Zie S. Wells Williams, dl. I, blz. 170, dl. H, blz. 378, 428, 430, 634, 662, 715. 103 ligt, aan den Portugeeschen kroon afgestaan, al waren ze on machtig om de export van koelies te beletten. In 1862 sloot de Gouverneur Guimareas te Peking een tractaat met China, waarbij de suprematie van de Portugeesche autoriteiten over het stuk grond binnen de afscheidingsmuur meer stilzwijgend werd erkend, dan wel openlijk verklaard. In art. 9 werd immers wederzijds het recht toegekend consuls te benoemen. De Chineezen kwamen evenwel op de gedachte, dat zulks zoude medebrengen eene erkenning van de onafhankelijkheid der kolonie, en weigerden de bekrachtiging van het tractaat, indien niet uitdrukkelijk hunne bezitsrechten op het schiereiland werden erkend. Het tractaat is daarom nooit bekrachtigd 1 ), doch dit heeft niet belet dat de handel zijn gewonen gang gaat. Het aantal Chineesche inwoners neemt langzaam toe en bedraagt thans ongeveer 73,000 zielen. Bovendien wonen er in Macao 7000 Portugeezen en lieden van andere nationaliteit. Sedert de vermoording van hunnen Gouverneur in 1849, hebben de Portugeezen aan China niet meer de 600 tails jaarlijksche grondbelasting betaald. In dat jaar is ook voor de Chineezen te Macao eene aparte wetgeving ingevoerd, doch deze wetgeving verschilt slechts zeer weinig van de voor de Portugeezen zei ven geldende. De opkomst van Hongkong heeft Macao veel afbreuk gedaan. Vele rijke Chineezen hebben toen Macao verlaten. Dat vele Chineezen nog steeds vasthouden aan het denkbeeld, dat Macao staat onder suzereiniteit van China, blijkt ook uit het hieronder volgende bericht, overgenomen uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 3 April 1909: De Macao-quaestie. Te Kanton is een vergadering gehouden, georganiseerd door de Kantonsche vereeniging voor zelfbestuur, ter behandeling van de Macao-quaestie. De ver gadering besloot, zich tot de centrale regeering te Peking te wenden met het verzoek, het Chineesch-Portugeesche traktaat regelende de betrekkingen van Macao tot Portugal en China, in te trekken; voorts van Portugal de teruggave te eischen van Macao aan China of — indien dat laatste niet be reikbaar zou zijn — althans aan te dringen op een jaarlijksche schatting, door Macao te betalen aan China, als een bewijs van China's suzereiniteit over het Macao-gebied. 1) Eene andere voorstelling geeft Chester Holcombe. Zie het daaromtrent medegedeelde in Hoofdstuk „China". 104 Voorts vond de Kantonsche Vereeniging voor zelfbestuur, dat er maar krasse maatregelen moesten worden genomen voor het geval, dat Portugal de door China te stellen eischen niet zou inwilligen. In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 24 April 1909 komt het volgende bericht voor: China en Portugal liggen al eenigen tijd met elkaar overhoop over een grenskwestie in de Portugeesche kolonie Macao. China beweert, dat Portugal daar meer grondgebied bezet dan het toekomt. Om Portugal te dwingen, zoo verneemt de N. Y. Herald, gaat China nu ten N. en ten Z. van Macao een vrijhaven openen. Hung-tsjou, op 15 K.M. ten N.0., is Donderdag geopend. Ten Z.W. zal, op 65 K.M. afstand, binnenkort de andere worden geopend. Zoo denkt China Macao dood te drukken. Ten slotte eene verklaring van den naam Macao. Oorspronko lijk had men dichtbij die plaats een afgodsbeeld, bekend onder den naam van , Ama." Ama-kau beteekent „ de haven van Ama". De Portugeezen schreven Amacao, later verkort tot Macao. 7. De Chineezen onder Russisch gezag. >) Toen de Mongolenvorst Dzengiskhan bij de uitbreiding van zijn gebied in aanraking kwam met de nomadenvolkeren ten Noorden van den Kaukasus, en hen bestreed, kwamen de Russen die volkeren te hulp. Zoo had in 1223 voor de eerste maal een samentreffen plaats tusschen Mongoolsche en Euro peesche troepen. De aanvankelijk overwinnende Russen werden ten laatste verslagen; de Grootvorst van Kijew zelf geraakte in gevangenschap. De Mongolen zetten evenwel hun krijgstochten niet voort. In 1227 stierf Dzengiskhan en werd opgevolgd door zijn zoon Ogdai. Deze breidde zijn rijk uit in de richting van China, waar, in het Noorden, toen de Nü-chen-dynastie heerschte, doch nog maar weinig macht had. De provinciën Petsjili, Shantung, Shansi en Liaotung waren reeds in het bezit der Mongolen. Deze laatsten sloten een verbond met de Sung dynastie van Zuid-China. In 1234 werd de laatste Nü-chen keizer door het vereenigde Mongoolsche-Zuid-Chineesche leger verslagen. Shensi werd aan de Mongolen toebedeeld, Honan aan de Sung-dynastie.. Deze verovering van Noord-China was voor de Mongolen stammen van veel beteekenis. Hierdoor kwamen zij in nauwere aanraking met Chineesehe beschaving, en veel werd door hen 1) Zie Helmolt. Weltgeschichte. Zweiter Band, blz. 169 en vgd. 105 overgenomen, wat zeden en gewoonten betreft. Ook het staats bestuur werd op Chineesche leest geschoeid. Na de verovering van Noord-China wendden de Mongolen zich naar het Westen. In de jaren 1235 — 1241 veroverden zij Rusland en drongen door tot in Hongarije; wellicht zouden zij nog verder zijn doorgetrokken, indien zij niet op het bericht van den dood van Ogdai naar Rusland waren teruggetrokken. x ) De verschillende Russische Grootvorstendommen bleven na de groote Mongolenoorlogen van 1235—1241 onder de heerschappij van het gele ras. Drie eeuwen duurde de Mongool-Tartaarsche heerschappij. Deze was niet drukkend, daar van de overwonnen volkeren alleen hooge tribuutbetalingen werden gevorderd, doch overigens in vrij onaf hankelij ken toestand werden gelaten. De Grootvorst van Moskou werd als eerste erkend en aansprakelijk gesteld voor het binnenkomen van de schattingen door de overige Grootvorsten op te brengen. Toen na het einde van de 13 de eeuw de Mongool-Tartaarsche en Turksche stammen tot den Islam overgingen, werd hunne overheersching van de Russen steeds drukkender, die niet meer zoo vrij in godsdienstzaken werden gelaten. Iwan 111 voelde zich in 1468 sterk genoeg om de tribuutbetaling te weigeren en zijn tweede opvolger Iwan IV, de Verschrikkelijke, onderwierp de Tartarenrijkjes Kazan in 1552, Astrakan in 1556. Hiermede werd de veroveringspolitiek van het Czarenrijk ingeluid. In 1598 werd een nakomeling van Dzengiskhan, Kozumkhan genaamd, die zich keizer van Siberië noemde, nabij Tobolsk verslagen en naar Turkestan verdreven. Slechts eenige jaren daarna trokken Kozakken als jagers en avonturiers verder oost waarts, aangelokt door den voordeeligen pelshandel. Kolonisten volgden vrijwillig en gedwongen. In 1607 werd de streek van de Jenisseisk bereikt, in 1628 Krasnojarsk, in 1639 de zee bij Ochotsk, terwijl in 1648 de Behringstraat door den Kozak Deschnew werd ontdekt. (Naderhand, in 1740, is de straat nog maals ontdekt door den in Russischen dienst staanden Deenschen kapitein Behring. Het bericht van de ontdekking van Deschnew was in Irkutsk blijven liggen.) Ongehinderd voeren de Kozakken de Amoer af tot aan hare monding. Zij overschreden in het jaar 1653 de waterscheiding 1) Von Lignitz, blz. 14-21. 106 tusschen het Baikalmeer en de Amoer, het Joblonowy-gebergte en kwamen tot in de streek van het tegenwoordige Tschita. De Mantsjoes waren in dien tijd te veel met China bezig om de noodige aandacht te wijden aan de herhaalde grensschen dingen. Nadat China geheel onderworpen was, sloten de Mant sjoes in 1688 te Nertschinsk een verdrag met de Russen, waarbij deze laatsten alle annexatiën, door de Kozakken in het Amoergebied gedaan, moesten teruggeven; alleen het land, ge legen tusschen het Baikalmeer en het Jablonowy-gebergte bleef aan Rusland. Gedurende de eerstvolgende 170 jaren hield de offensieve be weging van Rusland naar het Oosten op. Doch na de aanvallen van Engeland en Frankrijk op het Chineesche rijk, in het midden van de 19 de eeuw, hervatte Rusland zijne voorwaartsche beweging. In Centraal-Azië nestelden de Russische troepen zich in 1853 in Syr Daria; in 1866 werd Taschkent, in 1668 Samarkand, in 1873 Chiwa veroverd en in 1871 het vruchtbare, aan China toebe hoorende, Kuldscha bezet. De Russen hadden Kuldscha bezet om dit uit handen te houden van den Mohammedaanschen vrijbuiter Jakub Beg, die de Chineezen in 1865 uit Oost-T urkestan ver dreven had, en zich te Kaschgar had gevestigd. Jakub Beg wees in 1872 eene toenadering van Rusland af, doch sloot een handels verdrag met de Engelsch-Indische regeering. In het jaar 1876 naderde, detachementsgewijze door de Gobi woestijn voortrukkend, een Chineesch leger van 30—40,000 man om Oost-Turkestan en Kuldscha te hernemen. Jakub Beg werd in 1877 vermoord en daarna Oost-Turkestan heroverd. Op het verzoek van China om Kuldscha aan haar af te staan, antwoordde Rusland ontwijkend. De gevolmachtigde afgezant van China Chungow, sloot daarop te Petersburg een tractaat met Rusland, waarbij een groot deel van Oost-Turkestan aan dat land werd afgestaan, terwijl bovendien Rusland nog eene schade loosstelling van 5 millioen roebels zou ontvangen als vergoe ding voor de z.g.n. in bewaring houding ten behoeve van China. ! ) Toen Chunghow met dit tractaat te Peking kwam, was iedereen zoo verontwaardigd, dat hij in de gevangenis geworpen werd, en zeker onthoofd zou zijn geworden, indien de gezanten 1) S. Wells Williams, dl. H, blz. 728 en vgd. E. H. Parker, blz. 98. 107 der Vreemde Mogendheden niet voor hem in de bres waren gesprongen. Chunghow werd uit de gevangenis ontslagen. Zijn vervanger, de gevolmachtigde afgezant Markies Tsang, sloot daarop met Rusland een tweede tractaat, waarbij nagenoeg geheel Oost-Turkestan aan China teruggegeven werd tegen eene schadeloosstelling van 9 millioen roebels voor de gedane uit gaven. Dit tractaat is in Augustus 1881 bekrachtigd. Met het voortschrijden der Russen in de richting van Centraal- Azië ging gepaard eene beweging in Oostelijke richting. In 1854 overschreed generaal Murawiew in vollen vredestijd de Chineesche grenzen Zuid-Oostelijk van het Baikalmeer en kwam aan de Amoer, waar hij zich nestelde. Deze annexatiën werden langs de Amoer voortgezet tot aan de kusten van den Stillen Oceaan. China was toen ter tijd met Engeland en Frankrijk in moeilijkheden gewikkeld, en om van de Russen af te zijn, werd bij verdrag van 22 Mei 1858 de door Rusland gepleegde land roof aan de Amoer gesanctionneerd. Doch Rusland, profiteerende van de verslagenheid der Chineesche regeering, toen in den herfst van 1860 het Fransch-Engelsche expeditiecorps voor Peking stond, perste China bij verdrag van 14 November van dat jaar den afstand af van de geheele kuststrook Oostelijk van de Ussuri, met een schoone baai nabij de Koreaansche grenzen. Daar werd toen de oorlogshaven Wladiwostok gebouwd. Rusland's beweging naar het Oosten ging voort; bij verdrag van 7 Mei 1875 met Japan gesloten, stond dit rijk het eiland Sachalin en de Koerillen af. Was het wonder, dat zoowel China als Japan het steeds verder voortdringen van Rusland met be zorgdheid gadesloegen ? China was bevreesd voor de inbezitneming van Mantsjoerijë, Japan voor Korea, en beide landen hadden die streken elk voor zich bestemd voor de emigratie van de steeds toenemende bevolking. China's en Japans bezorgdheid, sloeg over in angst en verontwaardiging toen Rusland, door middel van zijn Transsiberischen spoorweg zich in Mantsjoerijë nestelde, en later zich in Port-Arthur en Talien-Wan vastzette. Eene botsing van Rusland met Japan was onvermijdelijk, wilde Japan Korea niet in handen van de eerstgenoemde mogendheid zien. Het is bekend, dat Japan door den gelukkig gevoerden oorlog aan Rusland heeft kunnen toeroepen: „Halt, tot hier toe en niet verder". Korea kan nu door Japan gebruikt worden voor emigratiedoeleinden. China evenwel heeft het z. g. n. tijdelijk 108 bezette Mantsjoerijë nog niet in haar volle bezit teruggekregen. De Russen hebben de volkeren die zij onderwierpen nooit zoo streng behandeld. De onder Russisch gezag staande Chineezen bleven in het genot van hunne zeden, gewoonten en gebruiken. De overheersching werd niet zwaar gevoeld. ') In 1897 bevonden zich in het Amoer-gebied naast 118.500 Russen een 25—30.000 Chineezen. Door de onlusten na 1900 zijn er vermoedelijk velen uitgeweken, doch het kan geen twijfel lijden, dat in de toekomst eene talrijke emigratie van Chineezen naar het Amoer-gebied zal plaats vinden. (Zie blz. 23). Indien Rusland te eeniger tijd met Japan in overeenstemming kan komen omtrent de verdeeling van Mantsjoerijë, zal het aantal Chineesche onderdanen van den Czar belangrijk ver meerderen. 8. De Chineezen onder Japansch gezag. A. Eigenlijk Japan en Korea. '-') De oorsprong van het Japansche volk ligt in het duister. Balz en Rein, twee der meestbevoegden tot oordcelen in deze zaak, nemen aan, dat Japan bevolkt is door Mongoolsche rassen, die uit Noordelijk China via Korea in Japan zijn geïmmigreerd. Hoe dit ook zij, vast staat dat Chineesche reizigers 3 ) en hande laren voortdurend Japan en Korea hebben bezocht, en geleide lijk de Chineesche beschaving in Japan invoerden. Doch toen in de jaren 552—621 Chineesche Boeddhistische missionnarissen naar Japan overstaken, en de Japansche bevolking tot het Boed dhisme bekeerden, werden de Chineesche beschaving, zeden en gewoonten algemeen door de bewoners van Japan aangenomen. Ook de regeeringsvorm werd geheel op Chineesche leest ge schoeid. Het gezag werd gecentraliseerd en berustte bij den Mikado als souverein; het gezag van dezen „Zoon des Hemels" was absoluut; de ministers waren aan hem verantwoordelijk. In werkelijkheid had de Mikado, die zijn leven sleet te midden van vrouwen en priesters, niets te zeggen. 1) Zie H. Gottwaldt, blz. 88. 2) Zie B. H. Chamberlain, blz. 401. Het door hem aangehaalde oordeel van Dr. E. Balz is te vinden in het werk van dezen laatste, getiteld: „Die Körperlichen Eigenschaften der Japaner". 3) Zie B. H. Chamberlain, blz. 231. 109 Verschillende invloedrijke familiën hadden achtereenvolgens het gezag in handen. In 1185 kreeg Yoritomo, het hoofd van de Minamoto's, van den Mikado den titel van Shogun, welke titel te voren gegeven werd aan de generaals, die tegen de Aino's of tegen de oproerige provinciën gevochten hadden. Van nu af aan beteekende die titel feitelijk Imperator. Gedurende de jaren 1190—1867 werd Japan in werkelijkheid door die Shoguns geregeerd, en was de Mikado alleen in naam souverein. Doch van 1205 —1333 beteekende de macht van de Shoguns ook weinig; toen berustte het daadwerkelijke gezag bij de z. g. „Regenten" van de Hojofamilie. Nadat in 1867 het Shogunaat was afgeschaft, werd de Mikado in zijn gezag hersteld. Eenige jaren daarna begon de moderni seering van Japan, welke in korten tijd zulke buitengewone resultaten had. Met China, waarvan het oude Japan geheel zijn cultuur ontving, ook wat filosofie, godsdienst, wetenschappen, kunsten en letterschrift betreft, zijn de betrekkingen gedurende eeuwen goed geweest. We moeten evenwel melding maken van eene mislukte poging van Kublai Khan, toen deze op den troon van China zetelde, om Japan aan zijn uitgestrekt wereldrijk te hechten. De door Kublai Khan gezonden vloot werd door de „Regenten" verslagen. ') In 1592 zond de Shogun Hideyshi twee legers, elk van 40,000 man sterk, een Christelijk onder Konischi en een Boed dhistisch onder Kato, naar Korea. Zijn bedoeling was om via Korea China binnen te rukken en dat rijk te veroveren. Korea delfde het onderspit, vooral omdat de aanvallers betere wapenen hadden; de Japanners hadden van de Portugeezen het maken van vuurwapenen en buskruit geleerd. Tot eene blijvende be zetting van Korea kwam het niet. De Japansche legers keerden in 1598 naar Japan terug, ook wegens oneenigheid tusschen de beide aanvoerders. Eerst in 1894 begon Japan weer den strijd met China om Korea. China werd verslagen, moest Liao-tung afstaan en eene zware oorlogschatting betalen, doch door tusschenkomst van Rusland, Frankrijk en Duitschland, was Japan verplicht, in stede van met Liao-tung, zich met Formosa tevreden te stellen. 1) Zie v. Lignitz, blz. 16. 11 J ) Uitzonderingswetten voor de Chineezen-immigratie bestaan verder o.a. in de republieken Columbië, (wet van 29 November 1892) Equador, (decreet van 12 October 1899) Panama (wet van 11 Maart 1904) Costa-Rika, (decreet van 22 Mei 1897, gewijzigd 6 Maart 1904) Mexico. Verder vinden wij dergelijke bepalingen voor de Philippijnen (Chinese exclusion regulations approved May 3,1905) de Britsche koloniën in Zuid-Afrika, en Nieuw-Zeeland (An Act to regulate the immigration of Chinese, 1881, n. 47) met de latere wijzigingen, het laatst in 1901). 2 ) Dat ontduikingen plaats hebben, blijkt o.a. uit een bericht uit Ottawa, dat er in Canada voortdurend Chineesehe koelies, die ƒ 1200 per man moeten betalen om in Canada te worden toe gelaten, op valsche stukken als kooplui, die dat hoofdgeld niet behoeven te betalen, het land zijn binnengekomen. Men ver moedt, dat er zoo een 300 Chineezen zijn binnengeslopen. In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 30 Mei 1908 vond ik het volgende bericht: Het is bekend, hoe streng de immigratie-wetgeving van de Vereenigde Staten waakt tegen het binnenkomen van Chineesehe koelies. Toch trachten voortdurend Chineesehe arbeiders het beloofde land binnen te dringen. Om de waakzaamheid der immigratie-beambten te verschalken nemen deze koelies hun toevlucht tot de meest gedurfde kunstgrepen. Dezer dagen is te Washington bericht ontvangen van een immigratie beambte te El Paso (Texas), dat 12 Chineezen in kisten per spoor uit Mexico naar een stad binnen de Vereenigde Staten waren verzonden. Maar door een verzuim waren er geen luchtgaten in de kisten aangebracht; en bij opening °P de plaats van aankomst bleken alle 12 gesmokkelde mannen te zijn ge stikt. Een soortgelijke ramp moet kort geleden zijn voorgevallen. Chineezen die op clandestiene wijze naar de Vereenigde Staten wilden worden gebracht, verstopten zich in een koelruim van een vleeschboot. Toen zij werden ont dekt, waren zij doodgevroren. Dergelijke smokkelpartijen geschieden met behulp van Chineezen binnen de Vereenigde Staten, die hun op minder-gebruikelijke wijze verzonden landge nooten aan het station van aankomst in ontvangst weten te nemen, zonder dat het de aandacht trekt der autoriteiten. Tropische landen hebben gekleurde arbeidskrachten noodig. Wanneer wij den blik wenden naar de tropische landen, waar 1) Zie: „Elenco di leggi decreti e regolamenti circa I'émigrazione enz.", 2) Nieuwe Rotterdamsche Courant, 23 September 1908. 110 In 1900 traden tijdens den Boksersopstand de Japansche troepen wederom tegen de Chineezen ten strijde. Na den Russisch- Japanschen oorlog is Japan begonnen Korea geheel aan zich te trekken. Er is dus reden genoeg voor China om Japan wantrouwend gade te slaan. Bovendien heeft Japan, vooral in de laatste jaren, de Chineesehe revolutionnaire partij in het geheim zooveel mogelijk gesteund. Van de in Japan verblijvende Chineezen, ongeveer een 7000-tal *), behooren velen tot degenen, die gekant zijn tegen de huidige Chineesehe regeering. Nog in 1908 bleek het aan China hoe weinig goedgezind Japan haar is. Wij bedoelen het Tatsoe-Maroe-incident. In het Buiten landsch Overzicht over het jaar 1908 schreef de Nieuwe Botter damsche Courant in haar nummer van 5 Januari 1909 daarover als volgt: Het Japansche stoomschip Tatsoe-Maroe, met een lading wapentuig aan boord, werd door Chineesche kanonneerbooten aangehouden in de wateren bij Macao. Sommigen zeggen, dat die aanhouding geschiedde in volle zee, anderen weer, dat de Tatsoe-Maroe werd genomen in Portugeesche wateren. Hoe dit zij, het schip werd opgebracht en naar een Chineesche haven gesleept. Het vermoeden lag n.l. voor de hand, dat het wapentuig in quaestie bestemd was voor opstandelingen in de zuidelijke provincies van China. Japan stelde een ultimatum, eischte schadevergoeding voor de lading, het tijdverhes, enz., voorts bestraffing der verantwoordelijke Chineesche autoriteiten en de aan bieding van verontschuldigingen door China. De Chineezen waren niet zoo goed, of zij moesten op alle punten toegeven. Japan — van zijn kant — beloofde dat het voortaan strenger dan tot dusver zou waken tegen het smokkelen van wapentuig uit Japan naar Zuid-China. In China werd de vernedering, het Rijk aangedaan door Japan, zeer gevoeld. De verbittering uitte zich in een boycotbeweging tegen Japansche waren en Japansche handelshuizen in China. Vooral te Kanton is de beweging zeer krachtig ge weest; zij heeft aan den Japanschen handel veel nadeel toegebracht. Ook te Hongkong is die anti-Japansche boycot-beweging in gang gekomen; hetgeen daar heeft geleid tot krachtige onderdrukkingsmaatregelen van den kant der Britsche autoriteiten. De in Korea wonende Chineezen, ongeveer 3700 lieden sterk 2 ), worden door de Japanners met weinig egards behandeld. 1) Zie H. Gottwaldt, blz. 89. 2) Von Lignitz, blz. 14—21. 111 B. De Chineezen op Formosa. De eerste Chineezen op Formosa. ') Formosa werd door de Chineezen ontdekt in het jaar 607 na Chr. Drie jaren later zonden zij er eene militaire expeditie heen. Toen ter tijd was Formosa bewoond door een volksstam van uit de Philippijnen daarheen geïmmigreerd. Veel aanrakingen hadden de Chineezen na die expeditie niet meer met Formosa; doch na de komst der Hollanders in de Chineesche wateren werd hun aandacht meer op dat eiland gevestigd. De Hollanders op Formosa. 2 ) In 1622 verschenen de Hollanders voor Macao met een eskader van 17 schepen, maar werden door de Portugeezen van daar verdreven met verlies van hunnen admiraal en on geveer driehonderd man. De Hollanders trokken zich terug en vestigden zich in 1624 op de Pescadores-eilanden. De bezetting hiervan was den Spanjaarden en den Chineeschen autoriteiten in Foehkiën een doorn in het oog. De Hollanders begonnen, zooals in die dagen gewoonte was, een fort te bouwen, en dwongen de Chineezen het werk te doen, hen daarbij zeer hard behandelende. Velen der arbeiders waren gevangenen, door de Hollanders in verschillende gevechten gemaakt. De Chineesche autoriteiten drongen er op aan, dat de Hollanders een gezantschap zouden zenden naar China; dientengevolge werd van Mildert naar Amoy afgevaardigd, en de sub-prefect zond dezen door naar den Gouverneur te Fuchow. De Gouverneur besloot een afgezant te zenden naar de Hollanders, en deelde hun mede, dat een ver gunning tot handel drijven zou worden verleend, indien zij zich terugtrokken naar Formosa; dit voorstel werd echter afge slagen. Na herhaalde gevechten, waarbij de Chineezen steeds versterkingen kregen, terwijl de Hollanders daarvan verstoken bleven, namen dezen het voorstel aan en trokken zij zich terug naar Formosa, waar zij het fort Zeelandia in 1624 stichtten. Men verhaalt, dat de Chineezen 5000 man op een der Pescadores eilanden hadden geland, en het goede resultaat, dat zij tegen- 1) Zie Berthold Laufer, blz. 254. 8) Zie Wells Williams, dl. 11, blz. 433. 112 over de Hollanders hadden bereikt, gaf hun den naam van dapper te zijn, en verhinderde voorloopig aanvallen van anderen op hun territoir. Het was ongetwijfeld een handig voorstel van de Chineezen geweest om den Hollanders Formosa in ruil voor de Pescadores-eilanden aan te bieden, want zij hadden op eerst genoemd eiland' niet de minste rechten en kenden nauwelijks de grootte en de bewoners er van. De Hollanders trachtten er hun macht te vestigen, wat hun slechts gelukte voor het deel, onmiddellijk om het fort Zeelandia liggende. Gedurende den strijd na de omverwerping van de Ming-dynastie emigreerden duizenden Chineezen naar Formosa; gedeeltelijk vestigden zij zich onder het Hollandsche gezag, gedeeltelijk vormden zij onafhankelijke kolonies. Door hun vlijt werd het verlaten eiland weldra in een vruchtbare streek veranderd en de produktie van rijst en suiker voor export vermeerderde. De immigratie nam zulke groote afmetingen aan, dat de Hollanders er ongerust over begonnen te worden en maatregelen namen om de landing der immigranten tegen te gaan. Dit verbitterde de Chineezen en deed hen er over denken om de Hollanders van het eiland te verjagen. De handel der Hollanders met China bleef intusschen zeer ge ring in vergelijking met dien van hunne concurrenten, de Portu geezen, en toen de Mantsjoes den troon beklommen hadden, besloot de regeering te Batavia om een gezantschap naar Canton te zenden met verzoek handel te mogen drijven. In Januari 1653 werd Schedel daarheen gezonden met een rijkelijk bevracht schip, maar de Portugeezen beletten allen handel, zelfs nadat het gezantschap aanzienlijke sommen aan de Chineesche autori teiten cadeau had gegeven en van den gouverneur vergunning had verkregen om een factorij te mogen bouwen. Men gaf Schedel evenwel den raad, dat het goed zou zijn, indien de Hollanders een gezantschap zonden naar Peking; derhalve ver trokken als afgevaardigden van de Oost-Indische Compagnie in 1655 Goyer en Keyzer naar Peking. Het resultaat was even wel nihil. Hunne geschenken werden aangenomen en andere er voor in de plaats gegeven; zij vernederden zich op allerlei wijzen, maakten de „ kotow" (het zich voorover ter aarde werpen) voor den Keizer in persoon, voor zijn ledigen troon, voor zijne brieven enz. en bewezen den Chineeschen autoriteiten alle gewenschte eer, doch het eenige resultaat van al die slaafschheid was de 113 vergunning om eens in de 8 jaren een gezantschap te mogen zenden, waarbij tevens vier schepen mochten komen om handel te drijven. Koxinga verovert Formosa. Goyer en Keyzer verlieten China in 1657, en kort daarop begon de Chineesche hoofdman Ching Ching-kung (Koshinga, of Koxinga zooals de Portugeezen en in navolging ook de Hollanders hem noemden) een aanval voor te bereiden op Formosa. De Hollanders, dezen aanval voorziende, waren begonnen het fort Zeelandia te versterken; Koxitfga, van zijn kant, had de Chineesche bewoners van het eiland met zijn plan in kennis gesteld. Hij zette zijne krljgstoerustingen te Amoy voort, onderwijl handel drijvende met de Hollanders op Formosa, om hun in den waan te brengen, dat hij een strijd tegen de Mantsjoe's beoogde, totdat de Hollanders, gerustgesteld, den ter hunner hulpe gezonden admiraal met zijne schepen weder hadden doen vertrekken naar Java. In 1661 landde Koxinga met een leger van 25.000 man op Formosa. De Hollanders werden weldra in hun fort Zeelandia belegerd. Ten slotte, ontbloot van alle hulpmiddelen, gaf de Gouverneur Coyett het fort aan Koxinga over, onder beding van vrijen overtocht naar Batavia van het geheele garnizoen. Het beleg had 16 maanden geduurd en was den Hollanders te staan gekomen op een verlies van 1600 man. Bij aankomst te Batavia werden Coyett en de leden van zijn raad gevangen gezet, hunne goederen verbeurd verklaard en Coyett zelf werd voor levenslang naar Banda verbannen. „Men kan niet," schrijft Davidson, x ) „de verrichtingen van den Gouverneur en zijn kleinen troep getrouwe volgelingen te Formosa hebben nagegaan, zonder verontwaardigd te zijn over de door de arrogante Hollandsche autoriteiten te Batavia ge nomen maatregelen, die zonder twijfel strekken moesten om hun eigen schuld te verbergen. Hadden deze verwaande heeren zich verwaardigd den flinken Coyett te steunen, het eiland Formosa ware wellicht tot den huidigen dag eene Hollandsche bezitting geweest. 1) Zie Davidson, blz. 46. 8 114 Later zag men het onrecht in aan Coyett begaan, en de Prins van Oranje riep hem terug van zijn ballingsoord om in zijn vaderland de rest van zijn leven als vrij man te slijten. Zulks was evenwel eene schamele vergoeding voor de diensten aan zijn land bewezen." (os) ! ) Het verlies van Formosa bracht den raad van Batavia er toe om eene expeditie uit te zenden naar Amoy, waar Koxinga nog een garnizoen had. Twaalf schepen werden onder commando gesteld van Bort, die in 1662 voor den mond van de rivier Min aankwam, waar hij een bezoek ontving van afgevaardigden van den Gouverneur, met de uitnoodiging om twee officieren te zenden ter bespreking van de te nemen krijgsoperatiën tegen Amoy. Deze bespreking leidde tot niets en daarop begon Bort zelfstandig een aanval op Amoy, doch zonder resultaat. Hij keerde in 1663 naar Batavia terug, maar werd met een sterkere macht weer naar Foehkiën teruggezonden met opdracht om, zoowel op de Mant sjoes als op de Chineezen, het verlies van Formosa te ver halen. De Gouverneur ontving hem vriendelijk, en met vereende krachten werd nu Amoy ingenomen en daarmede de onderwerping der geheele provincie aan de Mantsjoe-dynastie voltooid. Als belooning voor zijn hulp, waarvan de waarde moeilijk te schatten is, leende de Gouverneur aan Bort twee jonken om Formosa te hernemen, maar Koxinga lachte om de kleine macht tegen hem uitgezonden en Bort vertrok onverrichter zake naar Batavia. 2 ) Toen Koxinga zich onbetwist heer en meester wist van Formosa, installeerde hij er zich zelf als vorst, en vestigde zijn hof in het fort Zeelandia. De Chineesehe wetten, gewoonten en wijze van bestuur werden door hem ingevoerd. De inboorlingen werden door hem zacht behandeld, zoodat zij hem zeer ver eerden. Daar zeer veel vruchtbaar land braak lag, zette hij zijn leger aan den akkerbouw. De immigratie van Chineezen werd op allerlei wijzen bevorderd; de immigranten kregen gratis land en moesten eerst na drie jaren belasting betalen. (a) Zie voor enkele bijzonderheden van 't beleg van 't fort Zeelandia de achtergevoegde bijlage, getiteld: „Bijvoeghsel" enz. 1) Zie Wells Williams, dl. 11, blz. 437. 2) J. W. Davidson, blz. 49-256. 115 Formosa onder het bestuur van China. Koxinga stierf in 1667 op 39-jarigen leeftijd, en daar zijne opvolgers niet zulke krachtige persoonlijkheden waren, slaagde China erin om in 1683 Formosa weer in bezit te krijgen. Het eiland werd een prefectuur van de provincie Foehkiën onder den naam van Taiwan. De nieuwe heerschers traden eerst zachtzinnig, doch later zeer hard tegen hunne onderdanen op Formosa op, zoodat herhaaldelijk opstand tegen de Mantsjoe regeering ontstond. De mandarijnen persten de nieuw-aangekomen Chineesehe immigranten zooveel mogelijk uit, met het gevolg, dat dezen in schuld geraakten, en als slaven bij de mandarijnen in dienst moesten treden. Toch kwamen er steeds meerdere immigranten uit China, aange lokt door den zeer vruchtbaren bodem. Formosa voerde weldra veel rijst uit naar de Chineesehe kustplaatsen en werd die aanvoer door opstand of stormen tijdelijk belemmerd, dan trad dadelijk een nijpend gebrek in die kuststreek van China op. In de jaren van de 18 d 0 en 19 de eeuw duurde het Chineesehe wanbestuur voort. De Chineesehe bevolking vocht herhaaldelijk onder elkander en ook met de oorspronkelijke, Maleische be volking , die langzamerhand naar de bergen was teruggedrongen. In 1842, kort na het einde van den Chineesch-Engelschen oorlog, strandden twee Engelschen schepen kort na elkander op de kust van Formosa. De bemanning, voorzoover zij er het leven had afgebracht, werd door de Chineesehe autoriteiten gevangen genomen en daarna ter dood gebracht. Deze schandelijke daad wekte ten rechte groote verontwaardiging op, doch een oorlog werd vermeden, doordat China op zich nam de schuldige autori teiten op Formosa te degradeeren en te verbannen. Daarna had nog menige plundering van gestrande schepen plaats, totdat ten slotte een Japansch schip in 1871 op de Zuidkust van Formosa strandde en 54 man van de bemanning door de inboorlingen werden vermoord. China draalde met ge noegdoening te verstrekken en daarop zond Japan in 1874 eene expeditie naar Formosa, met de bedoeling het eiland voor goed te bezetten. Door het betalen van 500,000 taels wist China nog het dreigende gevaar van inbezitneming door Japan te voor komen. 116 Onderwijl waren verscheidene havens op Formosa voor den vreemden handel opengesteld. Het aantal schipbreuken en plunderingen nam voortdurend weer toe. Toch moet men niet alle gerapporteerde gevallen onvoorwaardelijk gelooven; immers, gewetenlooze reeders en gezagvoerders lieten soms meermalen hunne schepen aldaar stranden, in de hoop of de verschuldigde assurantie machtig te worden, ofwel van de Chineesche regeering eene vergoeding te erlangen. Formosa had nu eenmaal in dat opzicht eenen slechten naam, en daarvan trachtte men te profiteeren. 1 ) Gedurende de jaren 1884—1885 werd Formosa, naar aan leiding van den oorlog met China, door de Franschen geblokkeerd. Merkwaardiger wijze hebben de Chineezen op Formosa, in hun samen treffen met de Fransche troepen, zich krijgshaftig gedragen, en bij verschillende gelegenheden de Franschen tot een terug tocht gedwongen. In 1887 werd Formosa van de provincie Foehkiën afgescheiden en tot eene zelfstandige provincie verheven. Tevens kreeg het eiland een afzonderlijken gouverneur. De Chineesehe bevolking had in al die jaren de inheemsche rassen steeds zeer ruw behandeld. Bloedige gevechten waren er voortdurend geleverd en menig offer was aan weerskanten ge vallen. Herhaaldelijk werden door de Chineesehe autoriteiten straf expedities tegen die z.g.n. wilden afgezonden, doch het resultaat was zeer gering. De inboorlingen daalden onverwachts van hunne woonplaatsen in de bergen naar de lager gelegen streken af, en overvielen en vermoordden de Chineesehe landbouwers, waarna zij dan de afgesneden hoofden der Chineezen medenamen als krijgstrofeeën. Erger nog maakten het de Chineezen. Deze ont hoofden niet alleen de in hunne handen gevallen wilden, doch, geloovende kracht en moed te zullen verkrijgen, indien men het vleesch van de wilden opat, sneden zij dikwerf de lichamen der gevallen vijanden in stukken en boden het vleesch dier wilden soms openlijk ter verkoop aan. In 1891 nog werd zulk vleesch 1) Bekend is het geval van een Amerikaansch schip, dat men in 1878 in 't Zuiden van Formosa liet zinken, waarop de gezagvoerder beweerde, dat zijn schip was gestrand en geplunderd. Amerika zond 3 oorlogsschepen met een eisch van schadevergoeding, doch onderwijl bracht een zendeling de ware toedracht der zaak uit. Zie Davidson, blz. 216. 117 evenals varkensvleesch, in manden op de markt van Tokoham gebracht en in het openbaar, ook ten aanschouwe van de Westersche vreemdelingen, verkocht. Formosa onder Japansch bestuur. 1 ) Ten gevolge van den voor China ongelukkig afloopenden oorlog met Japan, werd, bij de vrede van Shimonosekiin 1895, het eiland Formosa aan Japan afgestaan. De inwoners van For mosa waren met dien afstand in het geheel niet ingenomen en zonden afgevaardigden naar den Keizer te Peking om den afstand niet te doen doorgaan, en toen zulks niet mogelijk bleek, rie pen de Chineezen op Formosa de republiek uit. Ongetwijfeld zat China hierachter. Men hoopte, dat als de republiek in staat was de Japanners te weerstaan, Formosa weer bij het Chineesche rijk zou worden toegevoegd. De Japanners hebben tegen de republikeinen nog heel wat moeten vechten. Zij verloren hierbij aan dooden 164, aan gewonden 515 man, doch aan ziekten stierven 4,642 man, terwijl naar Japan werden geëvacueerd 21,748 zieken, en bij het einde van den veldtocht werden nog 5,246 man in de hospitalen op Formosa verpleegd. De Chineezen verloren 6,760 aan dooden, doch dit aantal getelde lijken geeft op lange na niet de groote verliezen weer. In December 1895 was de republiek vernietigd en Formosa in handen der Japanners. Hierna duurden de kleinere guerilla gevechten nog langen tijd. Groote rooverbenden maakten de streken buiten de grootere steden onveilig. Het vinden dier roovers was zeer moeielijk. 's Nachts werd b.v. een dorp aangevallen en be roofd , overdag waren de roovers reeds ver gevlogen. Een Japansche troep werd hen achterna gezonden, doch kon niets verdachts ontdekken. De roovers van den nacht werkten vreedzaam op de velden als onschuldige landbouwers. Kon men dan geene be richten krijgen? Zeker, doch hoe dikwijls bleken die nietvalsch te zijn! Menig onschuldige Chinees verloor zijn leven door de wraakzucht van zijnen rasgenoot, die, om enkele dollars te verdienen, hem ten onrechte als roover bekend stelde bij de Japansche autoriteiten. De slechte elementen onder de Chi neezen brandschatten hunne rijkere landlieden, en wilden deze 1) Zie J. W. Davidson, blz. 275—370. 118 laatsten niet voldoende afschuiven, dan werden zij als rebellen aangegeven! De Japanners hebben nu dan ook alle vertrouwen in hunne Chineesche spionnen verloren. En zoo duren die onge regeldheden tot op den huidigen dag voort. x ) De bevolking bestaat thans urt + 114,000 z. g. n. wilden, d. z. de oorspronkelijke bewoners van Maleische origine, die hunne woonplaatsen hebben in de bergstreken, tot eene totale uitgestrektheid van 7,500 vierkante mijlen; nagenoeg de helft van het eiland nemen die lieden dus in beslag. De andere helft wordt geoccupeerd door: 2 ) 22,392 Japansche mannen 1,464,776 Chineesehe mannen 10,728 „ vrouwen 1,233,069 , vrouwen Totaal 33,120 „ inw. 2,697,845 „ inw. Het bestuur is geheel in handen der Japanners; aan de nieuwe onderdanen is nog niet het minste zelfbestuur toegekend. Aan het hoofd staat de Gouverneur-Generaal, direct verantwoordelijk aan den Minister van Binnenlandsche Zaken van Japan. De Chineezen zijn voor het grootste deel landbouwers, ook beheerschen zij nagenoeg den geheelen handel. Een beroeps statistiek volgt hierachter: 1) Zie J. W. Davidson, blz. 564. 2) ld. blz. 598—599. 119 12 het eigenlijke veldwerk voor blanken niet mogelijk is, dan zien wij, over het algemeen genomen, dat de landen die gebrek aan arbeidskrachten hebben, eene geheel andere houding tegenover de immigratie van kleurlingen aannemen. Voor die landen is het verkrijgen van kleurlingen-arbeiders dikwerf eene levens questie. De koloniseerende Europeesche rassen voorzagen in vroegere eeuwen in die behoefte door aanvoer van slaven in grooten getale. Er ontstond een levendige handel in gekleurde menschen. Slavenarbeid. l ) Reeds in 1444 werd voor den slavenhandel in de Portugeesche havenplaats Lagos een compagnie opgericht. De op de Westkust van Afrika bemachtigde negerslaven werden hoofdzakelijk in Madeira voor de suikerindustrie gebruikt. Spanje gebruikte voor zijne nieuw-ontdekte koloniën in Amerika eerst de inboorlingen van het land zelf. Toen deze voor het zware werk ongeschikt bleken, en in groote massa's stierven, haalde men negerslaven uit Afrika. Franschen, Engelschen en Hollanders volgden het voorbeeld van de Portugeezen en Spanjaarden. De volgende cijfers geven een denkbeeld van de uitgebreidheid van den toenmaals bloeienden handel in slaven. In Jamaika alleen was het aantal negerslaven in 1662 500, in 1698 was dit getal gestegen tot 40,000, in 1775 tot 192,000. Velen stierven van gebrek; van 1709—1775 zijn er totaal 474,700 naar Jamaika vervoerd. In Virginië bevonden zich in 1755 reeds 100,000 negerslaven. Naar de Fransche koloniën werden van 1767—1777 gemiddeld jaarlijks ongeveer 30.000 slaven vervoerd. In 1779 werd het aantal slaven in de Fransche koloniën geschat op 478.000. In 1790 waren er alleen op St.-Domingue ongeveer 452.000. In de negentiende eeuw begon de strijd tegen den slavenhandel hoe langer hoe heftiger te worden; door de publieke opinie ge dwongen namen de betrokken regeeringen krachtdadige maat regelen. Vooral Engeland heeft in de afschaffing van den slaven handel en de slavernij zich met recht een eereplaats verzekerd; het heeft een werkzaam aandeel er in gehad. 1) Zie: Dr. Alfred Zimmermann, blz. 141—173. 120 Wreetheden door de Chi nesen, gedu rende het be leg gepleegt. Snijden twaelf perso nen den neus, ooren en han den af. Bijlage. De volgende bladzijden zijn letterlijk overgenomen nit: 't Verwaerloosde Formosa, [vide literatuuropgave] en wel van de blz. 57 en vgd., doch, voor 't gemakkelijker lezen, met verandering van lettertype. Byvoeghsel van eenige aenmerckelijcke Saeken, rakende de oprechte gront der Sinese wreetheden en tyranny; gepleeght aen de Predicanten, Schoolmeesters, ende de Nederlanders aldaer. Hier mede souden wy het verhael van Tayouans J ) belegeringe mogen besluyten, maer alsoo voor desen hier te Lande een groot geroep is gheweest van der Chinesen wreetheden, tyran nyen en vrouwe-schendingen aan de Nederlanders, geduyrende deselve belegeringe gepleeght, ende dat daer van niet een enekelt woort gerept wort in ons Verhael, om den draet daer van niet af te breecken, soo vinde geraetsaem, als eene toegifte alhier in 't korte te verhalen, wat de waarheydt van die saecke zy. 't Is dan sulcks, dat Coxinjaes Soldaten eenige van de onsen in de Piscadores verrast en gevangen bekomen hebbende, twaelf a dartien persoonen van dese ghevangens ghescheept wierden op een Coya, ofte kleen Chinees Vaertuygh, om naer Formosa in Coxinjaes Leger ghebracht te worden, welcke gevangenen met dit Scheepje in 't gesichte van 't Casteel Zeelandia gekomen wesende, zoo deede de sucht tot de natuyrlijcke Vryheyt en vreese van in een eeuwige slavernye te moeten verblijven, hen lieden resolveren dit Scheepje af te loopen, met de Chinesen die daer op waren den hals te breecken en haer alsoo in 't Casteel te salveeren, waer toe de apparentien van een goet succes niet vreemt waren, alsoo dit Scheepje maer met omtrent de dartigh Chinesen gemant was, waer van de eene helfte des nachts de wacht waernam, terwijlen de andere helfte lagh en sliep, sulcks dat dartien gheresolveerde gasten, vijftien Chinesen onverhoets op 't lijf vallende seer gemackelijk souden hebben konnen afmaken, en meester van 't Schip wesen, al eer de resterende slapende hadden wacker geworden, en in postuur van defensie konnen sijn; welcken aenslagh onder henlieden dus onderlinghe beslooten en belooft hebbende elckanderen daer in getrouwelijck bij te staan, soo wierde de uitvoeringhe van dien 1) d. i. de plaats, waar 't fort Zeelandia lag. 121 Cmysigen twee school meesters le vendig. uytgestelt tot de aenstaende nacht, nadat de helfte der Chinesen omtrent een uyr souden geslapen hebben, edoch onder en tussen een van de dertien, sijnde een Fransman Estienne genaemt, in vreese vervallende, dat bovenghemelte aenslagh mochte mis lucken, en hij daer door in gevaer van 't leven gheraeken, soo ontdeckte dese bloode poltron deselve beraemden aenslagh met alle sijne omstandigheden aen de Chinesen, dewelcke aen stonts daer op aen de andere Chinesen Vaertuygen zeyn van onraet doende, soo wierden dese twaelf Nederlanders gevat en geboeyt in Coxinjaes Leger gebracht, alwaer hun verweten sijnde dat sich ondanckbaer betoont hadden, voor dat men hen het leven verschoont hadde, so wierdense gesententieert, dat tot exempel van anderen de neus en ooren afgesneden, mits gaders de handen afgekapt souden worden, waer mede 't voor verhaelde feyt hadden willen perpetreren, ende uyt singuliere gratie hier bij gevoeght, dat aenstonts naer de executie sy lieden in 't Casteel Zeelandia souden mogen gaen, om van onse Chirurgijns henlieden te laten cureren, alsoo onwaerdigh geacht wierden de Chinese Medicamenten daer toe te gebruycken, en mede dat de Chinesen hun oock niet al te wel op de Chirurgie en verstaen, gelijck dan vervolgens gemelte gevangenen in de stadt Zeelandia gebracht, ende aldaer soodanigh geexecuteert sijn gheworden, en met de afgesneden neusen, ooren ende handen, met een toutjen om den hals hangende, noch bebloet in 't Casteel Zeelandia uyt de Stadt quamen aengeloopen, en 'tbloet door onse Chirurgijns noch tijdigh gestelpt wierde, soo dat alle te samen daer van genesen ende op gekomen zijn, blijvende gemelte Franse verrader in 't Leger bij Coxinja, aen wien noyt vernomen hebbe dat eenigh leet is aengedaen is geworden, alhoewel mede gheloove dat oock geene groote caressen sal ont vangen hebben, vermits de Europische Natie in 't generael by de Chinesen in kleenachtinghe is, ende de Chinesen niet veel wercks van verraders sijn maeckende. By na uyt de selfde oorsaeck, als nu verhaelt is, sijn twee Nederlantsche Schoolmeesters op eene seer wreede maniere ge doot geworden, waer van den toeval sich dusdanigh toegedragen heeft: wanneer Coxinja in den beginne des Oorloghs met sijne troupen op Formosa ghelant, sich meester van den platten Lande gemaeckt, ende de Formosanen meest onder sijne gehoor saemheyt gebracht hadde, en met eenen vele der Nederlanders, 122 Vermoorden en onthalsen overdeshon dert gevan gen Neder landers. soo Predicanten, Schoolmeesters als Soldaten, dewelcke ten platten Lande in de Dorpen verordineert waren geweest, hunnen dienst te doen, gevangen bekomen hadden, soo onderstonden twee der gevangene Schoolmeesters, de Formosanen van de Dorpen, daer in sy ghelegen hadden, tegen Coxinja op te roe kenen, en tot rebellie te verwecken, deselve animerende dat de Chinesen in hare Dorpen logerende onverhoets op 't lijf souden vallen, en den neck breken, ende dat daer in van andere Dorpen lichtelijck souden nagevolgt worden, welcken bommel uytbrekende, ende door eenige der inwoonderen aen de Chinesen ontdeckt sijnde, wierden dese twee Schoolmeesters door de handen en voeten, yeder op een groot houte kruys genagelt, ende al soo vast gespykert, met de Kruysen in de ghemelte Dorpen opgherecht met afkundinghe in de Chinese tale, dat wie voortaen, soo wel Nederlanders als Formosanen, sich onder staen soude diergelijcke feyten te practiseren, gelijck dese mis dadigers gedaen hadden, dat die gene met dese selfde, ende noch wreeder straffe souden gedoot worden; gelijck eenige maanden daer aen door een generale massacre, van over de vijf hondert gevangen Nederlanders oock is komen te gebeuren; want als door voorsichtigh beleyt des Gouverneurs Coyett de saken soo wijsselijck aengeleyt wierden, dat Coxinja geene andere hoope meer overigh scheen te hebben van 't Casteel Zeelandia te overmeesteren, als door langhdurigheyt van tijt, honger, en versterf der belegerden, en dat hij geresolveert hadde met loosheyt, en bedrogh uyt te voeren, 't geene dat met ghewelt voor hem niet doenelijck scheen, soo sont hy den Predicant Hambroeck, dewelcke nevens andere Nederlanders van den platten Lande in sijne handen gevallen was, binnen 't Casteel Zeelandia, met last ende ordre, dat hy de belegerden met alle middelen soude persvaderen sich aan Coxinja over te geven, also doch tegens hem in 't langhe niet bestant soude konnen blijven, dat hij hen als noch alle ghenade aanboodt, maer in ghevalle deselve niet prompt geaccepteert wierde, dat alsdan niet anders als alle bedenckelijcke straffen ende tormenten te verwachten soude hebben, ende soose door hopeloose resistentie hem noch meerder irriteerden, dat alsdan wellichtelijck sijne gramschap soude komen uyt te barsten over de ghevangene Nederlanders, dewelcke hy uyt het Fortje Provintia ende van den platten Lande in sijn ghewelt bekomen hadde, met welcken 123 De Chinesen gebruycken der Hollan deren vrou wen tot hare bijsitten. Do. Hambroeck afgevaerdigt, moetende sijn vrouw, nevens twee van sijne kinderen bij Coxinja in 't Leger verblijven, totonder pant en verseeckeringhe van sijne wederkomste; (Bekend is, dat de dappere predikant, instede van zijne landgenooten tot de overgave over te halen, juist hen aanspoorde om het verzet tot het uiterste vol te houden, waarna hij zich wederom naar het leger van Coxinga begaf, niettegenstaande twee zijner dochters in het kasteel Zeelandia zijnde, hem smeekten niet terug te gaan, daar een wisse dood hem dan wachtte. Coxinga was zeer vertoornd over de halsstarrigheid der Hollanders, en toen velen zijner soldaten door de Formosanen werden vermoord, liet hij het bericht verspreiden, dat zulks geschiedde door opstoken der Hollandsche gevangenen. Hij gaf toen bevel om, zooals onze geschiedschrijver verder mededeelt): „ dat men alle de ghevangene Nederlanders, alles wat manne lijck was, sonder eenighe verschooninge en onderscheydti soude ter neder maken, en om 't leven brengen: welcke ordre soo ras ghegeven, soo ras geexecuteert wiert, en vielen de Chinese Soldaten als verhon gerde wolven op dese ellendighe onweerbare menschen, deselve son der eenige barmhertigheyt op alderhande wrede manieren doodende, wordende 't meeste gedeelte van hen onthooft, alsoo de Chinese Soldaten de lust ware overgekomen, de deugt van hare sabels en houwers op de Nederlanders te proberen, ende na dat de principaelste Dorpen en Plaetsen van Formosa met dit ver gooten Nederlands bloet besproeyt, ende de vermoorde lighamen berooft en gheplundert te hebben, maecktense groote kuylen, waer in vijftigh a sestigh rompen by malkanderen wierpen, ende met aerde bedeckten, sijnde in dese generale massacre wel ruym over de vijf hondert menschen deerlijck omgebracht, ende van 't leven berooft geworden, en is niemant verschoont ge worden, als den gevangen Landtdrost Jacobus Valentijn, nevens noch omtrent de twintigh persoonen die hy by hem was heb bende, dewelcke naer 't overgaen des Casteels Zeelandia ge samentlijck naer China vervoert zijn, alwaer als noch gevangen sitten. Eenige Vrouwen en Kinderen sijn in gemelte verwoet heyt mede omgebracht, en van de geenen die overschootennam yder Chinees Bevelhebber die geene naer sich, die hem best behaegde latende het uytschot aen Jan Hagel, van welcke vrouwlieden sommige goede, sommige quade saeken hadden, naer dat een goeden ofte quaden meester aentroffen, want de geene die in handen van ongetroude Chinesen vervielen, wierden van deselve doorgaens seer gecaresseert, alsoo de Chinese Natie seer vrouwsieck is, ende dat een Hollantse vrouw voor hen 124 lieden wat nieuws was, sulx dat dese vrouw-lieden naderhant haer lieden den koop niet seer hart beklaegden, wanneer volgens capitulatie bij overgave des Casteels bedongen, weder in onse handen gelevert wierden, hebbende haer niet eens geobsteert, of schoon een halve Chinees in 't lijf hadden, dat noch aen sommige Nederlanders trouden, die haer voor goede weduwen aennamen, sijnde Matroosje en Soldaetje, daer te Lande soo vies niet als er maer gheen been in vinden, trouwens sommige mosten oock soo lange met haer trouwen wachten, tot dat het packje eerst gelost was; de andere Hollantse vrouws-persoonen dewelcke aen getroude Chinesen waren te beurte gevallen, die en waren der soo wel niet aen als de eerste, door dien de Chinese wijven met den jaloersen drommel beseeten, deselve veele plagen en tormenten aen deden, haer gebruyckende voor haere slavinnen, nevens dewelcke sy den dagelfjcksen arbeyt van water halen, hout hacken, rijs stampen en soo voorts mosten volbrengen, waer over dese vrouws-persoonen op hare wederkomste en verlossinge seer hart over de Chinesen klaegden, en der selver wreetheden seer breet extendeerden, en de geene dewelcke de lelijkheyt van hare backhuysen, spijt hare eygen backhuysen, eerlijck gelaten hadden, dese waren die geene, die het meeste grosseerden, en hare mede mackersen beschuldigden van met de Chinesen geboeleert ende vrolijck geweest te hebben." (Onze geschiedschrijver betoogt dan het onware van de in Europa loopende geruchten als zouden de Chineezen de groote moordpartijen hebben gepleegd op de Christenen van wege hun vasthouden aan dien godsdienst; de predi kanten en schoolmeesters verdienen niet den roem van martelaren voor de heilige zaak. Trouwens erg gunstig laat de schrijver zich niet uit over die predikanten, immers hij verhaalt): „Wel is waer, dat gemelte Broeders hen lieden al tij t op Formosa seer yverigh hebben ghetoont, om de harten te be keeren, maer dit was om de Vellen te hebben, waer van ghe heele Scheepsladingen na Japan versonden, dat hen lieden oock geene wint-eyeren en ley, en ick kender wel een die daer mede twee tonnen gouts overgegaert en t'huys gebracht heeft, en met reeden, want die den altaer dient, die moet er van leven, 't welk niet alleen van den geestelijcken, maer oock van den wereltlijcken dienst te verstaen is, gelijck Compagnies dienaren geheel India door genoeghsaem betuygen, met in korte Jaren groote Rijckdommen by een te vergaderen, ick spreeck maer 125 van sommige, en niet van alle, nam non cuivis hominum con tingit adire Corinthum, want elck en is sijn geluck soo goedt niet, ende dese laetste worden onder ons Oost-Indies Vaerders de conscientieuse ghenaemt, also men haer gedurigh by na niet anders uyt den mont hoort komen: „ als hadde ick oock soo willen doen als die ofte die, ick soude mede so veel goets wel hebben konnen krijgen, maer ick en hebbe mijne conscientie niet begeren te besmetten;" en soo voorts, quasi vero, als ofte ymant suleken sware en penible reyse, als die na Oost-Indien is, soude by der handt nemen, en soodanigen verre vaerwater willen overvaren, met intentie om aldaer vliegen te vangen, of om het sobere tractamentje te ghenieten, dat de Compagnie aen hare dienaren is gevende, het welcke naulijcks toereyken kan, om daer mede maendelijcks des wijfs Thee-back naer behooren te voorsien, soo kostelij cke en dier koop teeren is 't daer te Lande, ende alsmen dan niets van sijn selver en hadde, ofte door behoorlijcke middelen niet en wiste te prospereeren, waer van soude men leven, en Wijf en Kinderen konnen onderhouden, en wat sou er teghens den ouden dagh overschieten, wanneer men met de oude honden aan den Dijck gejaeght wordt? even wel als ick hier segghe dat men voor sijn selven mede magh uyt sijn oogen sien, om wat over te gaderen tegens den ouden dagh, soo en versta ick daer niet mede, dat men de Compagnie en sijn Betaels-Heeren magh ontrou wesen, en haer fraudeeren; maer oordeele dat sulcks door behoorlijcke middelen behoort te geschieden waer toe daer te lande hondertderley occasion voor vallen, waer van wel veele soude konnen aanwijsen; maer en begeere de secreten van de misse niet te openbaren, ende eene nodeloose haet op mijnen hals te laden, 't is my genoegh als met den vinger aengewesen te hebben datmen in Oost-Indien in Compagnies dienst wel kan rijck worden, ende niet te min de Compagnie getrouw ende eerlijck dienen, alhoewel daer uyt mede niet en volgt alle de geene die uyt India rijck t'huys komen, dat die de Compagnie trouw en eerlijckgedienthebben, Want hier menigh boeverijtje en schelmstuck onderloopt, voor namelijck van die in korte jaren groote rijckdommen t'huys Brengen. 126 9. De Chineezen in Siam. J ) In de Chineesche kronieken wordt Siam voor het eerst ge noemd onder de Tsin-dynastie (303—416 n. Chr.). In latere jaren betaalde Siam schatting aan China en onder de Ming-dynastie werd Siam als een bevriende maar eenigszins ondergeschikte staat beschouwd. Beide rijken hebben bij voortduring goede be trekkingen met elkander onderhouden. Dat zulks ten goede kwam aan de immigratie van Chineezen, kan als van zelf sprekend worden aangenomen. Hoeveel Chineezen in den loop der tijden zijn geïmmigreerd, valt niet nauwkeurig te berekenen. Men schat het aantal Chineezen in Siam thans op ongeveer 2.500.000. Daar het ruwe grensgebergte zeer moeielijk te passeeren is, had de immigratie nagenoeg uitsluitend over zee plaats. 2 ) Reeds in 1744 vergunde de Chineesche regeering aan Chi neesche reeders om hunne schepen in Siam, waar de kosten ge ringer waren, te laten bouwen, en ze daarna in China te doen registreeren. Enkele jaren later werd de handel met Siam aan gemoedigd door de bepaling, dat gezagvoerders, die van Siam meer dan 2000 pikoel rijst hadden ingevoerd, beloond zouden worden met een mandarijnen-knoop. Nergens zijn de Chineezen zoo talrijk vertegenwoordigd als wel in Siam. Zij spelen in het maatschappelijke verkeer eene overwegende rol. Bijna de geheele handel is in hunne handen; de landbouw wordt door de inboorlingen gedreven. Naar invloed op politiek gebied hebben de Chineezen weinig gestreefd, anders zoude Siam vroeger wellicht eene Chineesche kolonie zijn geworden. 1) H. Gottwaldt, blz. 75. 2) Friedrich Ratzel, blz. 163. 128 (blz. 67). Onder de geestverwanten van later tijd wordt de gou verneur-generaal Myer genoemd, die als minister in 1856 eene „gepeperde" redevoering hield over de practijken der Chineezen in verband met de verminderde welvaart van Indië, en op dat tijdstip herhaalde, wat de gouverneur-generaal Van O verstraten zestig jaren te voren zeide, n.m.l. dat de Chineezen de bloed zuigers der Javanen zijn. Mr. Margadant is tegen de immigratie van Chineezen. Een der gezaghebbende schrijvers over koloniale vraagstukken, Mr. Margadant, is hevig gekant tegen de immigratie der Chineezen. Dit blijkt uit hetgeen hij hierover zegt, nl.: *) „Zeer belangrijk voor Ned.-Indië is het vraagstuk der toe lating van Chineezen binnen het koloniaal gebied; en bij de be handeling dezer kwestie moet men, sprekende van Chineezen in Ned.-Indië, dezen onderscheiden in Chineezen, kortelings uit China gekomen en Chineezen, die sedert eeuwen behooren tot de gevestigde bevolking aldaar, zich hebben vermengd met de inheemsche bevolking; van deze vallen twee groepen op te merken: de naarstige sobere Chineezen, en de andere groep, die zich de aanbidding van het gouden kalf tot eenig doel stelde. Deze laatste groep is een kanker geworden. Door de regeling van 1866 met hare latere aanvullingen werd het toestroomen mogelijk van de meest abjecte elementen uit het onmetelijke Chineesche rijk. Het uitschot emigreert naar Ned.-Indië, waar het een land vindt, dat het, wat nergens het geval is, (a) met open armen ontvangt. Hier vinden zij eene be volking, die eene welkome prooi belooft voor hun fortuin zoeken. Het is zoo noodig om van die emigranten een aanzienlijk hoofd geld te eischen bij toelating, een hoog zegelrecht voor de toe latingskaart, een zeer hoog recht voor de acte van vestiging, die hen tot ingezetene maakt, zoolang men niet zijn toevlucht wil of durft nemen tot den meer afdoenden maatregel van een verbod van toelating, dat wellicht aanvankelijk eenig gekrijsch zou veroorzaken, edoch zonder eenig gevolg, want hoe luide ook Chineesch geschreeuw klinkt, laffer volk bestaat niet ter wereld, en het kloek optreden van één Europeaan doet eene 1) Zie Margadant, dl. Hl, pag. 246-249. (a) De onjuistheid dezer bewering blijkt uit het vorige hoofdstuk. 129 groote menigte uiteenstuiven in lafhartigheid en angst, (a) Thans vormt die immigratie van Chineezen eene zeer flottante be volking, die in Ned.-Indië komt stroopen en op alle wijzen geld zoekt te vergaren, om dan weer terug te keeren naar haar land en aan anderen den weg te wijzen, hoe men het kortst tot dat doel kan geraken. Men moge eindelijk de oogen openen voor het gevaar dat eene regeling als de tegenwoordige bij de toelating dier vreemdelingen voortdurend oplevert." Mr. D. Fock is den Chinees weinig goedgezind. Over deze materie laat zich Mr. D. Fock, de latere minister van Koloniën, als volgt uit: *) „Ik wil een oogenblik stilstaan bij eene aangelegenheid, die in meerder opzichten ten nauwste verband houdt met de economische toestanden op Java. Name lijk: de herziening der regelingen betreffende de toelating, vesti ging en beweging der Oostersche vreemdelingen. Er zijn genoeg aanwijzingen, waaruit kan worden opgemaakt, dat de vreemde Oosterlingen dikwijls een pernicieuzen invloed in de binnenlanden uitoefenen. Dit is reeds zoo vaak betoogd en met bewijzen gestaafd, dat ik daaromtrent niet in bijzonder heden behoef te treden. Meer dan ooit is het vraagstuk thans van actueel belang, nu maatregelen tot verheffing van den eco nomischen toestand worden beraamd, waarvan sommige door de vreemde Oosterlingen met leede oogen zullen worden aange zien. Ik wijs op de regeling van het landbouwcrediet. Ik acht het boven twijfel verheven, dat de Regeering bij hare pogingen tot vestiging van een billijk landbouwcrediet en bestrijding van den woeker, in den Chinees en den Arabier een geduchten tegenstander zal ontmoeten, te meer nu door de afschaffing der belangrijkste pachten aan Chineesche zijde kapitalen zijn vrijge komen, welke de bezitters natuurlijk zullen trachten op winst gevende wijze te plaatsen. Het middel om den schadelijken invloed der Vreemde Ooster lingen op de inlandsche huishouding te fnuiken, of althans zooveel mogelijk te keeren, ligt mijns inziens in eene verscher- (a) Onze troepen, die zoo'n hardnekkigen tegenstand van de Chineesche kongsies in de Westerafdeeling van Borneo moesten overwinnen, zullen van die lafhartigheid wel een ander idéé hebben dan Mr. Margadant. ™~.u.um,iguc:iu. «ci ecu aixiLcu iucd ucuucu yt-au. jju.1 . m .11 < . 1) Zie Mr. D. Fock. „Beschouwingen en voorstellen enz." blz. 3—4. 9 13 Het is wel te begrijpen, dat de koloniën zich zoolang mogelijk verklaarden voor de handhaving van den voor haar in economi schen zin voordeeligen toestand, en de maatregelen, tegen de slavernij genomen, met leede oogen aanzagen. De vrij verklaarde slaven weigerden in vele streken te werken en het daardoor ontstane gebrek aan werkkrachten veroorzaakte dan een crisis, welke, al naar mate in de dringende behoefte door geïmmigreerde koelies kon worden voorzien, korter of langer duurde. West-Indië kréég er een gevoeligen knak door, en wist zich geruimen tijd hiervan niet te herstellen. Na afschaffing der slavernij, koelie-arbeid gebezigd. Toen men dus in de koloniën gedwongen werd naar vrije koelies om te zien, sloeg men het oog op Aziaten. Men schijnt hiertoe gekomen te zijn door de gunstige resultaten, welke men in 1815 in Mauritius had verkregen met het gebruiken van Indische gestraften. Bovendien waren sedert jaren tal van Indiërs geëmigreerd, vooral na misoogsten. Van deze omstandigheid werd gebruik gemaakt door zooveel mogelijk de Indische landverhuizers te bewegen naar Mauritius te gaan. Van 1843—1860 zijn naar Mauritius alleen geïmmigreerd ongeveer 274.000 Indiërs, van welk getal er slechts 49.000 weer weggetrokken zijn. De immi granten werden in den regel voor 5 jaren gehuurd tegen een vast maandelijksch loon van 4 dollars of tegen een bepaald dagloon. Bovendien kregen zij vrijen overtocht. In de jaren 1848—1860 immigreerden ongeveer 18.500 Indiërs in Britsch West-Indië. De Franschen begonnen na de opheffing van de slavernij ge deporteerden naar Guyana te zenden en de immigratie van blanken in West-Indië van staatswege te bevorderen. Tevens trachtte men koelies uit Pondicherry en China, en negers uit Afrika te betrekken. Om den invoer van Indiërs en Chineezen aan te moedigen, werd aan de scheepskapiteins een premie van 250 francs voor iederen volwassen koelie beloofd. De genomen maatregelen hadden geen voldoende resultaten; Engeland kwam er tegen op en beschouwde de transportschepen van koelies als slavenschepen. De Indiërs en Chineezen kwamen ook veel te duur uit, daar men de premie spoedig moest verhoogen tot4oo en 500 francs. 130 ping der voorschriften op hunne toelating in de binnenlanden, zoowel wat hunne vrijheid van beweging als hunne vaste vesti ging aangaat. Het zou mij te ver voeren, indien ik hier een omstandig betoog wilde leveren met betrekking tot deze moeilijke kwestie. Ik volsta dus met de aandacht er voor te vragen en den raad te geven om te onderzoeken in hoever het passenstelsel en de wij ken-ordonnantie (Ind. Stbld. 1866 N°. 57) nadere herziening behoeven. Doch ook de regelingen op de toelating en vestiging van de aankomende Oostersche Vreemdelingen moeten aan een nauw gezet onderzoek worden onderworpen. De bestaande bepalingen (Ind. Stbld. N°. 40) en de sedert daarin aangebrachte wijzigingen zijn te slap en, als ik mij niet bedrieg, in hare uitvoering veelal gebrekkig. Een nauwkeuriger onderzoek naar den persoon en de voor nemens van den aankomenden vreemdeling is noodig; eene ver scherping van de voorwaarden voor zijne toelating noodzakelijk. Voor zoover de Chineezen aangaat, schijnt mij een scherper controle zoo goed uitvoerbaar, omdat wij in onze Ambtenaren voor Chineesehe Zaken zulke uitnemende krachten bezitten voor het toezicht op de immigratie. Er wordt, mijns inziens, van hunne bekwaamheden veel te weinig partij getrokken. Vergis ik mij niet, dan zullen die ambtenaren zelven mij dit moeten toegeven. Het is niet mogelijk in enkele woorden uiteen te zetten, hoe de regeling zou moeten zijn. Om de gedachten te bepalen, ver meld ik slechts, dat ik mij eene regeling in dien zin voorstel, dat de aankomende Chineezen geleid worden voor den Ambtenaar van Chineesehe Zaken, die hen een verhoor doet ondergaan en daarna advies over de toelating moet uitbrengen, of wel de bevoegdheid zal hebben zelf eene beslissing te nemen. Ik ver moed, dat met eene dergelijke regeling geene blijvende ver hooging van uitgaven gemoeid zal zijn, en geloof stellig dat, al mogen er kosten aan verbonden zijn, het bedrag toch laag zal blijven. Maar hoe dit ook zij, de zaak is belangrijk genoeg om haar in ernstige overweging te nemen, en ik meen haar dus, in aan sluiting aan mijne verdere voorstellen, met nadruk ter over weging te moeten voordragen." 131 We kunnen met het bovenstaande volstaan om in het licht te stellen, dat tot zelfs in den laatsten tijd, er nog eene strooming bestaat tegen de Chineezen. Ook vele artikelen in de dagbladen getuigen van dien anti-Chineezen geest, hoewel niet ontkend kan worden, dat er meer en meer stemmen opgaan ten gunste van de Chineezen. Van meer belang is het om te weten, hoe de regeering zich tegenover hen gedraagt. De thans geldende bepalingen en voorschriften omtrent de toelating van Chineezen in Ned.-Indië. De tegenwoordige houding der regeering in zake toelating der Chineezen wordt beheerscht door art. 105 R. R. in verband met art. 106 R. R. en de daaruit voortgevloeide ordonnantiën. Artikel 105 van het Regeeringsreglement van 1854 luidt: Met uitzondering van de personen van 's Rijkswege naar Nederlandsch-Indië gezonden, mag niemand zich van elders aldaar vestigen zonder schriftelijke vergunning, op Java en Madura, van den Gouverneur-Generaal, elders, van den hoogsten gewestelijken gezaghebber. De voorwaarden der toelating van Nederlanders en vreemdelingen worden bij algemeene verordening geregeld. Aan Nederlanders, welke de bovenvermelde vergunning verkregen hebben, kan niet dan in het geval en op de wijze, bij art. 45 vermeld, het verblijf in Nederlandsch-Indië worden ontzegd. In verband met artikel 105 bepaalt artikel 106 van het Regeeringsreglement: Ingezetenen van Nederlandsch-Indië zijn, behalve de inboorlingen des lands, allen die op den voet, bij het vorig artikel bepaald, hun verblijf binnen Nederlandsch-Indië gevestigd hebben. Naar aanleiding van al. 2 van art. 105 R. R. werden de voor waarden der toelating van de Oostersche vreemdelingen ge regeld bij Stbld. 1866 N°. 56, die in 1872 bij Stbld. N°. 40 in overeenstemming werden gebracht met de nieuwe voorschriften omtrent de toelating van Europeanen en met hen gelijkgestelden, gegeven in Stbld. 1872 N°. 38. Na de sedert plaats gehad hebbende wijzigingen luiden de be palingen der in Stbld. 1872 No. 40 afgekondigde ordonnantie van den Gouverneur-Generaal van 12 Maart 1872, houdende bepalingen op de toelating in Nederlandsch-Indië van Oostersche 132 vreemdelingen of met Inlanders gelijkgestelde personen, niet behoorende tot de ingezetenen van den Nederlandsch-Indischen archipel, aldus: Art. 1. Oostersche vreemdelingen zijn verplicht binnen drie dagen na hunne aankomst in Nederlandsch-Indië zich bij het hoofd van plaatselijk bestuur aan te melden en te doen blijken wie zij zijn en van waar en met welk doel zij in Nederlandsch-Indië komen. Nadat zij hieraan hebben voldaan, wordt hun een toelatingskaart uitge reikt, geldig voor den tijd van zes maanden, welke termijn evenwel, op daartoe gedaan verzoek, kan worden verlengd. Verzuim van aangifte binnen den termijn van drie dagen wordt gestraft met eene boete van f 5.— voor eiken dag verzuim, met dien verstande echter, dat het bedrag niet hooger mag klimmen dan tot f 100. —. Art. 2. Deze toelatingskaarten geven het recht om zich gedurende den daarin bepaalden tijd op te houden in de voor den algemeenen handel ge opende havens, alsmede op de plaatsen of in de streken, na opgave door de betrokkenen op de toelatingskaart te vermelden. Plaatsen in de residentiën Soerakarta en Djokjakarta mogen niet in de toe latingskaart worden vermeld 1). De voorschriften der ordonnantie van 6 Juni 1866, Stbl. N°. 57 zijn op be doelde personen van toepassing. Wanneer de toegelaten persoon op andere plaatsen of in andere streken wordt aangetroffen dan waar het verblijf hem is toegestaan, wordt de toe latingskaart door het hoofd van gewestelijk bestuur ingetrokken. Art. 2a. 2) H e t voorschrift in artikel 1, tweede alinea, lijdt uitzondering ten aanzien van hen, die in eenig gewest, waar ter regeling van de onder linge rechten en verplichtingen der werkgevers en der van elders afkomstige werklieden op ondernemingen van land- of mijnbouw of nijverheid, bijzondere bepalingen zijn vastgesteld, ten behoeve van een zoodanige onderneming als werklieden zijn aangebracht. Voor hen geldt de met den eigenaar of adminis trateur gesloten overeenkomst als toelating op de onderneming voor den tijd, gedurende welken de overeenkomst wordt nageleefd. Gedurende dien tijd is ook artikel 4 op de bedoelde werklieden niet van toepassing. Art. 2b. De in artikel 1 vermelde personen kunnen in bijzondere omstan digheden voor een bepaalden tijd vergunning bekomen tot reizen, hetzij in geheel Nederlandsch-Indië, hetzij in een of meer bijzonder aangeduide ge deelten van Nederlandsch-Indië. De vergunning wordt gevraagd aan den Gouverneur-Generaal. Het verzoek wordt ingediend door tusschenkomst van het hoofd van gewest, waar de reiziger is aangekomen of voorloopig verblijf houdt. Aan de vergunning kunnen zoodanige voorwaarden of beperkingen (wat 1) Deze alinea is ingevoegd bij Stbl. 1891, N°. 214. 2) De artikelen 2a en 26 zijn ingevoegd bij Stbl. 1896, N°. 161. 133 de te bereizen streken betreft) verbonden worden, als in het belang der orde en rust en in het belang der veiligheid van den betrokken persoon noodig worden geacht. Wanneer een reiziger, ingevolge een verkregen vergunning tot reizen, in eenig gewest buiten Java en Madoera aankomt, geeft hij daarvan terstond kennis aan het hoofd van gewestelijk bestuur, dat hiervan door een visa op de vergunning doet blijken. De Gouverneur-Generaal kan de door Hem verleende vergunning intrekken. Die intrekking heeft altijd plaats, wanneer een reiziger de voorwaarden of beperkingen, aan de vergunning verbonden overtreedt, of zonder de in de vorige alinea bedoelde kennisgeving reist. Een verleende vergunning kan tijdens het verblijf van den betrokken persoon in een gewest buiten Java en Madoera door het hoofd van gewestelijk bestuur geschorst worden, voor zooveel dat gewest betreft, wanneer dit in het belang der orde en rust of in het belang der veiligheid van den reiziger noodig wordt geacht. In afwachting van de nadere bevelen van den Gouverneur-Generaal, die aanstonds door hem gevraagd worden, wijst het hoof d van gewestelijk bestuur den reiziger, voor het geval dat deze het gewest niet wenscht te verlaten, óf een voorloopige verblijfplaats aan, óf een bepaald gedeelte van het gewest, dat hij zal mogen bezoeken. Op de in dit artikel bedoelde reizigers zijn de vigeerende bepalingen op het passenstelsel voor Inlanders en met dezen gelijkgestelde personen niet van toepassing. Art. 3. De schriftelijke vergunning tot vestiging of inwoning in Nederlandsch- Indië, te verleenen op Java en Madoera door den Gouverneur-Generaal, elders door den hoogsten gewestelijken gezaghebber, wordt door den belang hebbende aangevraagd door tusschenkomst van het hoofd van het gewest, of van het hoofd van bestuur der af deeling, waar binnen de plaats gelegen is, waar hij is aangekomen of voorloopig verbhjf houdt. De verzoeker moet doen blijken genoegzame middelen van bestaan te be zitten, of door werkzaamheid te kunnen verkrijgen. Bij weigering der gevraagde vergunning tot vestiging of inwoning, geeft de hoogste gewestelijke gezaghebber van die weigering aan den Gouverneur- Generaal, deze laatste aan den Minister van Koloniën kennis. Art. 4. Die, geen ingezeten van Nederlandsch-Indië zijnde, zonder toe latingskaart , of na den daarbij bepaalden termijn in Nederlandsch-Indië wordt aangetroffen en niet reeds eene zoodanige kaart of eene vergunning tot ves tiging of inwoning in Nederlandsch-Indië heeft aangevraagd, alsmede hij, ■wien de vergunning tot vestiging of inwoning is geweigerd, of wiens toe latingskaart is ingetrokken, wordt door het hoofd van gewestelijk bestuur mondeling gelast, Nederlandsch-Indië te verlaten binnen een telkens bij den last tot vertrek te bepalen termijn. Na verloop van dien termijn wordt hij door de openbare macht, op een met redenen omkleed bevel van het hoofd van gewestelijk bestuur, op de minst kostbare wijze uit Nederlandsch-Indië verwijderd. Hij is aansprakelijk voor de kosten der verwijdering. 134 Het bevel tot verwijdering wordt in afschrift aan den Directeur van Justitie : ) medegedeeld. Oostersche Vreemdelingen, die in de termen vallen van de eerste zinsnede van de eerste alinea van dit artikel en afkomstig zijn van een niet door de zee van ons gebied gescheiden grensgebied eener vreemde mogendheid, kunnen, wanneer zij door overschrijding van de landgrens ons gebied hebben betreden, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, op last van het betrokken hoofd van gewestelijk bestuur zonder vorm van proces worden aangehouden, en over de grenzen gebracht, tenzij het ver moeden bestaat dat zij zich in het vreemde gebied aan een strafbaar feit hebben schuldig gemaakt. '-) Art. 5. Tot de uitvaardiging van het bevel van verwijdering, bedoeld in de tweede zinsnede van het eerste lid van het vorige artikel s ), wordt niet overgegaan, dan nadat de betrokkene in zijne verdediging is gehoord, of daartoe mondeling opgeroepen. Gedurende een maand te rekenen van den dag, waarop de betrokken persoon daarvan in kennis is gesteld, is van dat bevel, door tusschenkomst van het hoofd van gewestelijk bestuur, beroep toegelaten op den Gouverneur- Generaal. Door het aanteekenen van beroep wordt de uitvoering van het bevel ge schorst totdat de Gouverneur-Generaal daarover hebbe beslist. Art. 6. Die vergunning tot vestiging of inwoning in Nederlandsch-Indië hebben verkregen, mogen zich vestigen op alle plaatsen, waar wijken zijn aangewezen voor den landaard, waartoe zij behooren, op den voet der ordon nantie van 6 Juni 1866, Stbl. N°. 57. De residentiën Soerakarta en Djokjakarta zijn hiervan uitgezonderd, tenzij in de vergunning uitdrukkelijk verklaard wordt, dat zij ook voor die residen tiën of eene daarvan geldt 4 ). Art. 7. (Ingetrokken bij Stbl. 1890, N«. 187). Art. 8. De bepalingen dezer verordening zijn niet van toepassing op Oos tersche vreemdelingen, die ingevolge de tractaten op den voet der meest begunstigde natie in Nederlandsch-Indië worden toegelaten. Op deze personen zijn van toepassing de bepalingen, vervat in het Konink lijk besluit van 15 September 1871, N°. 1, Stbl. 1872, N°. 38 »). 1) Bij Stbl. 1905, N°. 362 zijn de woorden: „Gouverneur-Generaal" veran derd in „Directeur van Justitie". 2) Dit laatste lid is aan artikel 4 toegevoegd bij Stbl. 1905, N». 489. 3) De woorden: „bedoeld in de tweede zinsnede van het eerste lid van het vorig artikel," zijn ingevoegd bij Stbl. 1905, N°. 489. 4) Deze tweede alinea is aan artikel 6 toegevoegd bij Stbl. 1891, N°. 214. 5) Voor hen gelden de bepalingen voor Europeanen en daarmede gelijk gestelden. 135 Stbl. 1872, N°. 40, geldt niet voor Sumatra's Oostkust en de eilanden der residentie Riouw en onderhoorigheden. Wij teekenen hierbij aan, dat Stbl. 1875, N°. 59 de residentie Oostkust van Sumatra uitzondert van de werking dezer ordon nantie, terwijl zij tevens voor dat gewest bijzondere voorschriften vaststelt tegen misleiding en dwang bij het aangaan en tenuit voerleggen van huurovereenkomsten met Oostersche vreemde lingen, welke voorschriften gewijzigd zijn bij Stbl. 1875, N°. 168. Ingevolge Stbl. 1892, N°. 32 zijn de bepalingen van Stbl. 1872, N°. 40 en volgende wijzigingen in de residentie Riouw en onder hoorigheden alleen van toepassing op het gedeelte der residentie, dat aan den vasten wal van Sumatra gelegen is. Voor den aanvoer van Chineesche mijnwerkers op Banka voor de gouvernements-exploitatie aldaar geldt het Banka-reglement. Wenken voor de toepassing der ordonnantie van Stbl. 1872, N°. 40. Het bleek der regeering vrij spoedig, dat de bij de ordonnantie van 12 Maart 1872, Stbl. N°. 40 vastgestelde bepalingen op de toelating in Nederlandsch-Indië van Oostersche vreemdelingen en de voor de verschillende gewesten vigeerende bepalingen omtrent de reispassen niet overal stipt worden nagekomen. Zij heeft het daarom noodig geacht, bij circulaire van 6 Augustus 1877 aan de hoofden van Gewestelijk bestuur op Java en Ma doera, die voorschriften in herinnering te brengen en tevens eenige wenken te geven, op de toepassing betrekking hebbende: a. Er moet streng worden toegezien, waartoe de hoofden der Oostersche vreemdelingen Vreemde Oosterlingen op hunne ver antwoordelijkheid behooren mede te werken, dat Oostersche vreemdelingen bij aankomst in Nederlandsch-Indië zich tijdig bij het hoofd van plaatselijk bestuur, ter erlanging van eene toe latingskaart , aanmelden. b. Er moet nauwlettend voor worden gewaakt dat die personen zich nergens anders ophouden dan in de voor den algemeenen handel geopende havens, of op de plaatsen of in de streken op de toelatingskaart vermeld. c Stbl. 1872, N°. 40 laat geene bevoegdheid om aan Ooster- 136 sche vreemdelingen, dat zijn zoodanige vreemde Oosterlingen, die geen ingezetenen van Nederlandsch-Indië zijn, te vergunnen het binnenland te bereizen, zelfs niet, wanneer zij voorzien zijn van een toelatingskaart. d. Aan laatstbedoelde personen mogen mitsdien geene reis passen worden afgegeven, en ten hunnen aanzien behoort zoo noodig, art. 4 van Stbl. 1872, N°. 40 te worden toegepast. Het hierboven onder c en d bepaalde kan als vervallen worden beschouwd door Stbl. 1896, N". 161, (zie art. 2b Stbl. 1872, N". 40 op blz. 132). e. Wat eindelijk de reispassen betreft, het in de betrekkelijke reglementen ten aanzien van sommige categoriën van personen gemaakte voorbehoud, dat die passen geweigerd kunnen worden, wanneer het belang der openbare rust het tijdelijk verblijf van den aanvrager in de binnenlanden of op eenige bijzondere plaats onraadzaam maakt, moet er toe leiden, om aan bedoelde per sonen die passen slechts uit te reiken in het geval, dat zij ter goeder naam en faam bekend staan; behoorende er wijders op te worden gelet dat zij, zooals bepaald is bij Stbl. 1875, N°. 103 zonder eene bijzondere vergunning van het hoofd van plaatselijk bestuur, op den pas bekend gesteld, zich gedurende het tijdvak, waarvoor de pas geldig is, niet langer dan een maand in het geheel in dezelfde afdeeling ophouden. (Bijblad N°. 3218). Dezelfde circulaire is gericht aan de hoofden van gewestelijk bestuur buiten Java en Madoera, met uitzondering van den slotzin, welke alleen betrekking heeft op genoemde eilanden. (Bijblad N°. 3219). Het was der regeering gebleken, dat ook na de afzending der circulaire van 6 Augustus 1877, zich in Nederlandsch-Indië Oostersche vreemdelingen hebben gevestigd, zonder in het bezit te zijn van de vereischte akte van inwoning of toelatingskaart. Bij Gouvernementscirculaire van 15 Mei 1879 is mitsdien bij de hoofden van gewestelijk bestuur op en buiten Java, met uit zondering van den resident der Oostkust van Sumatra en van den gouverneur van Atjeh en onderhoorigheden, nader met ernst aangedrongen op eene stipte naleving van de bepalingen omtrent de toelating van bedoelde vreemdelingen in Nederlandsch-Indië en van de wenken in de circulaire van 6 Augustus 1877 gegeven. (Bijblad N°. 3458). Aan Chineezen moet bij aankomst in Indië eene gedrukte 137 herinnering uitgereikt worden, waarbij zij opmerkzaam worden gemaakt op de voorschriften aangaande de toelating in Neder landsch-Indië (Bijblad N°. 4140). Alleen zij, die nalatig zijn geweest eene toelatingskaart te vragen na daartoe te zijn aangemaand, moeten worden vervolgd voor de overtredingen vervat in Stbld. 1872 N°. 40 (Bijblad N°. 4534). Deze circulaire werd later te ver gaande geacht, en daarom werd bepaald, dat in die circulaire had moeten worden mede gedeeld, dat vervolging achterwege kan blijven ten opzichte van hen, die inderdaad geacht kunnen worden onbekend te zijn gebleven met de betrekkelijke voorschriften. (Bijblad N°. 5250). In Bijblad N°. 4701 is opgenomen de circulaire van den l Bten Gouvernements-Secretaris van der Wijck, gedagteekend Bui ten zorg, 9 Juni 1891, N°. 1316, gericht aan de hoofden van ge westelijk bestuur, waarbij dezen werden aangeschreven, geen borgstelling te vorderen van vreemdelingen, die in Nederlandsch- Indië wenschen te worden toegelaten. Zulks was, in strijd met de bepalingen vervat in Stbl. 1872, N°. 40 en 41, in enkele residentiën op Java geschied bij de toelating van vreemde Oosterlingen. In Bijblad 6700 is opgenomen de circulaire van den l Bten Gouvernement-Secretaris, dd. 22 Maart 1907, N°. 782, gericht aan de hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur in Neder landsch-Indië. Die circulaire luidt: Door den Consul der Nederlanden voor Japan te Kobe is, in overleg met zijn ambtgenoot van China aldaar, voor te goeder naam en faam bekend staande, in Japan woonachtige Chineezen, die zich naar Nederlandsch-Indië wenschen te begeven, de gelegenheid opengesteld tot bekoming van een identiteitsbewijs, hetwelk, volgens mededeeling van den heer van Oordt van Lauwenrecht, zal zijn ingericht op de volgende wijze. In den linkerbovenhoek is op het stuk het portret van den houder geplakt; net stempel van het Chineesehe consulaat is half op het bovenste gedeelte van dat portret, half op het papier afgedrukt, het stempel van het consulaat der Nederlanden half op het onderste gedeelte van het portret, half mede op het papier. Het stuk bevat eene in het Chineesch of Engelsch gestelde verklaring van den Chineeschen Consul nopens de identiteit van den houder en het doel van diens komst in deze gewesten, en daaronder van den Consul der Neder landen, dat de verklaring inderdaad van den Chineeschen Consul afkomstig is, gevolgd door een vertaling van die verklaring in het Nederlandsch. Onder mededeeling van het vorenstaande heb ik de eer, op last van den Gou- 138 verneur-Generaal, _ te verzoeken om Chineezen , die in het bezit van ' UW.Ed.G. een dergelijk identiteitsbewijs zich bij U aanmelden, met de meeste welwillendheid te bejegenen en hun geenerlei moeilijkheden in den weg te leggen. In het algemeen is het de wensch van Zijne Excellentie, dat elders woonachtige voorname Chineezen, die Nederlandsch-Indië bezoeken , met voorkomendheid worden behandeld en gewezen op de bestaande gelegenheid (Stbl. 1896 N". 161) om van den Landvoogd vergunning te bekomen tot reizen, hetzij in geheel Nederlandsch- Indië, hetzij in een of meer bijzonder aangeduide gedeelten daarvan. De l ste Gouvernements-Secretaris, Hüi-shoit Pol. Instructie voor de hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur. Ter uitvoering der in Stbl. 1872, N°. 40 opgenomen ordon nantie werd bij besluit van den Gouverneur-Generaal van 12 Maart 1872, N°. 6, opgenomen in Stbl. 1872, N°. 41 eene instructie vastgesteld voor de hoofden van gewestelijk en plaatselijk be stuur in de havens voor den algemeenen handel opengesteld, welke instructie bij Stbl. 1873, N°. 167 uitgebreid is voor de hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur in alle de havens van Nederlandsch-Indië. De instructie luidt nu aldus: Art. 1. De hoofden van plaatselijk bestuur in alle de havens van Neder landsch-Indië, houden een register aan overeenkomstig model A, waarin aanteekening wordt gehouden van de aanmelding, waartoe Oostersche vreem delingen krachtens art. 1 der ordonnantie van 12 Maart 1872 Stbl. N°. 40 verplicht zijn, met bekendstelling of de daarbij bedoelde toelatingskaart is uitgereikt, geweigerd, verlengd of ingetrokken, en c. g. met vermelding van de plaatsen of streken, tot welke de toelating buiten de voor den algemeenen handel geopende havens is uitgestrekt. Art. 2. Ingetrokken bij Stbl. 1905 N». 363. Art. 3. Ingetrokken bij Stbl. 1905 N°. 363. Art. 4. De uit te reiken toelatingskaart is ingericht overeenkomstig het model B. In geval van verlenging wordt geene nieuwe kaart uitgereikt maar de verlenging onder de dagteekening, waarop zij verleend wordt, in het register opgenomen, en daarvan met dagteekening en onderteekening op de uitge gereikte toelatingskaart aanteekening gehouden. Dj geval van intrekking der toelatingskaart, wordt daarvan in het register in zelfder voege als van de inschrijving volledig aanteekening gehouden. 139 Art. 5. In geval het hoofd van plaatselijk bestuur vermeent, dat bij de aanmelding van een persoon niet voldoende blijkt wie hij is, van waar en met welk doel hij komt, geeft hij van zijne bevinding bericht aan het hoofd van gewestelijk bestuur, die omtrent de al of niet toelating in het algemeen of omtrent de toelating op plaatsen en in streken buiten de voor den alge meenen handel geopende havens beslist. Indien de toelatingskaart wordt geweigerd, wordt onverwijld overgegaan tot de toepassing van het voorgeschrevene bij de artt. 4 en 5 der ordonnantie van 12 Maart 1872 Stbl. N». 40. Art. 6. Het bevel rtot verwijdering, bedoeld bij art. 4 der ordonnantie, wordt ingericht overeenkomstig het model C. Art. 7. Het verzoekschrift, waarbij naar aanleiding van art. 5 der ordon nantie beroep wordt gedaan op den Gouverneur-Generaal, wordt door tusschen komst van den directeur van justitie met den meesten spoed opgezonden, voorzien van consideratiën en advies. Art. 8. In geval de betrokkene niet zelf in de kosten zjjner verwijdering voorziet, wordt hij bij de eerste gunstige gelegenheid als passagier der laagste klasse aan boord van een vaartuig geplaatst, bestemd om hem naar de een of andere nabij gelegene haven buiten Nederlandsch-Indië over te brengen. Art. 9. De schriftelijke vergunning van een hoofd van gewestelijk bestuur buiten Java en Madoera tot vestiging of inwoning in Nederlandsch-Indië, bedoeld bij art. 3 der ordonnantie, is ingericht overeenkomstig model D. 14 Om goedkooper aan koelies te komen deed Frankrijk ver schillende stappen. In 1861 bewoog het, tijdens de onderhande lingen omtrent een handelsverdrag met Engeland, dit land tot het toestaan van het betrekken van koelies uit Indië. De koelies zouden steeds voor 5 jaren geëngageerd worden, en na afloop van het contract op kosten der Franschen worden teruggebracht. Engeland bedong tevens, dat de koelies per week slechts 6 dagen en per dag slechts 9M 2 uur behoefden te werken, en dat bij het begin minstens 25 °/ 0 en daarna meer vrouwen zouden worden mee ingevoerd. Aan de Engelscbe consuls was het recht van toezicht toegestaan. De Fransche regeering heeft bij de uitvoering van het ver drag verschillende wetten in de koloniën uitgevaardigd, die ten doel hadden de koelies te beschermen. Doch van Engelsche zijde werden steeds klachten aangevoerd over gruwelijke be handeling der koelies. Nadat herhaalde vertoogen vruchteloos gebleven waren, stelde Engeland het verdrag voor Guyana van 1868 —1871 voorloopig en daarna in 1878 definitief buiten werking. In 1879 en 1882 geschiedde zulks ook voor Réunion en in 1889 verbood Engeland ook de verdere emigratie van koelies naar de Fransche Antillen. Frankrijk verscherpte daarop de wetten ter bescherming van de koelies en knoopte nieuwe onderhandelingen met Engeland aan. Het bereikte intusschen slechts bij voorkomende gelegen heden een tijdelijke vergunning om Indiërs uit te voeren, hoewel het in 1893 aan Engelsche commissarissen toestond eene enquête te houden over den toestand der koelies in Réunion. Aanwerving van koelies in de Engelsche, Fransche en Neder landsche koloniën, met bestemming elders, verboden. Wanneer wij nagaan op welke wijze in den tegenwoordigen tijd in de behoefte aan kleurlingen-arbeiders wordt voorzien, dan zien wij, dat, in het algemeen genomen, Engeland, Frankrijk en Nederland den uitvoer van arbeiders uit hunne Indische koloniën hebben verboden. De koloniale staten, welke niet zoo gelukkig zijn bezittingen in Indië te hebben, zijn voor het ver krijgen van werkkrachten aangewezen op Afrika, China en Polynesie. 140 Model A. Register van aangekomen Oostersche vreemdelingen in Neder landsch-Indië , aangehouden krachtens Gouvernements-besluit van den 12 den Maart 1872, N°. 6, ter voldoening aan de ordonnantie dd. 12 Maart 1872, Stbl. N°. 40. Model B. (Vrij van zegel). Toelatingskaart. Aan N. N., geboren te , oud jaren, van beroep , laatst gewoond hebbende te en op den aangekomen te , met het schip , gezagvoerder , met het doel , wordt vergund op den voet der ordonnantie van 12 Maart 1872, Stbl. N°. 40, voor den tijd van zes maanden zich op te houden in de voor den algemeenen handel geopende havens, alsmede 141 Model C. (Vrij van zegel). Bevel van verwijdering. De (titel van het hoofd van gewestelijk bestuur); overwegende, dat (met aanduiding van den persoon, vermelden de redenen, welke aanleiding geven tot het bevel van ver wijdering) ; overwegende, dat N. N. behoorlijk is opgeroepen geworden om te worden gehoord; beveelt N. N. voornoemd zich uit Nederlandsch-Indië te ver wijderen. , den _ 19 De (titel van het hoofd van gewestelijk bestuur), (Naamteekening) Model D. (Zegel ƒ I.—). Vergunning tot vestiging. De (titel van den hoogsten gewestelij ken gezaghebber buiten Java en Madoera); gelezen hebbende het verzoek van N. N., geboren te , oud jaren, van beroep , laatstelijk gewoond hebbende te en in Nederlandsch-Indië aange komen den 19 met het schip , gezagvoerder ; overwegende, dat de verzoe -i— heeft doen blijken genoeg zame middelen van bestaan te bezitten of door werkzaamheden te kunnen verkrijgen; verleent aan N. N. voornoemd vergunning om op den voet der ordonnantie van 12 Maart 1872, Stbl. N°. 40, zich in Neder landsch-Indië te vestigen. Gegeven den 19 . De (titel van den hoogsten gewestelijken gezaghebber), (Naamteekening) 142 In Stbl. 1892, N°. 138 is bepaald, dat met handhaving in zoover van art. 1 der ordonnantie van den 16 den Februari 1875, Stbl. N°. 59, nopens de toelating en vestiging van Chineezen in de residentie Oostkust van Sumatra de volgende artikelen zullen gelden: Art. 1. Chineezen, niet in het bezit zijnde van eene schriftelijke vergunning tot vestiging in Nederlandsch-Indië, die in de residentie Oostkust van Sumatra vertoeven ') op een plaats waar een hoofd hunner natie gevestigd is, zijn verplicht binnen drie dagen na hunne aankomst zich bij dat hoofd aan te melden en te doen blijken wie zij z\jn, vanwaar en met welk doel zij komen, en dat zij genoegzame middelen bezitten of door werkzaamheid kunnen ver krijgen om in hun levensonderhoud te voorzien. Verzuim van aangifte binnen den termijn van drie dagen wordt gestraft met een geldboete van een tot vijf en twiutig gulden. Art. 2. Wordt met de verstrekte opgaven genoegen genomen, dan reikt het hoofd aan den betrokkene een toelatingskaart uit, geldig tot hare intrek king of hare vervanging door een schriftelijke vergunning tot vestiging. Wanneer het hoofd bezwaar heeft met de verstrekte opgaven genoegen te nemen, dan wordt door het hoofd van plaatselijk bestuur beslist. De toelatingskaart geeft het recht om zich op te houden in het geheele gewest dan wel slechts in die plaatsen welke op de toelatingskaart zijn vermeld. De toegelaten persoon is verplicht op elke plaats, waar hij verblijf houdt en waar een hoofd zijner natie gevestigd is, zich bij dat hoofd aan te melden, binnen den termijn en op straffe als bij art. 1 gesteld. Art. 3. De toelatingskaart kan door het hoofd van gewestelijk bestuur worden ingetrokken, als de houder wordt aangetroffen op eene andere plaats dan op de toelatingskaart is vermeld, of om andere redenen. Art. 4. Chineezen, aan wie een toelatingskaart is geweigerd, wier toe latingskaart is ingetrokken of die, na gestraft te zijn ingevolge art. 1 dezer ordonnantie, verblijf houden op eene plaats, waar een hoofd hunner natie gevestigd is, zonder in het bezit te zijn vaneen toelatingskaart, worden wan neer zij niet zelf in de kosten hunner verwijdering kunnen voorzien, van be stuurswege op de minst kostbare wijze uit het gewest verwijderd. Art. 5. De bepalingen der vier voorgaande artikelen zijn niet toepasselijk op werklieden, ten behoeve van ondernemingen van land- en mijnbouw en nijverheid als bedoeld in de ordonnantie van 13 Juli 1889 en 24 December 1891, Stbl. 1839 N». 138 en 1891 N°. 264, aangebracht. Voor hen geldt de met den eigenaar of administrateur der onderneming gesloten overeenkomst als toe lating voor den tijd gedurende welken de overeenkomst wordt nageleefd. Art. 6. Aan Chineezen, die in de residentie Oostkust van Sumatra verblijf houden, wordt, op hun verzoek, door het hoofd van gewestelijk bestuur op 1) Het woord „vertoeven" is bij Stbl. 1893 N°. 36 in de plaats gekomen van de oorspronkebjke woorden „zich nederzetten". 143 den voet der vigeerende bepalingen op de toelating van Oostersche vreem delingen in Nederlandsch-Indië een schriftelijke vergnnning tot vestiging of inwoning in Nederlandsch-Indië verleend wanneer gebleken is, dat de ver zoeker genoegzame middelen van bestaan bezit of door werkzaamheid kan verkrijgen en dat geen grond, ontleend aan het algemeen belang, zich tegen het verleenen der vergunning verzet. Bij weigering der gevraagde vergnnning kan het hoofd van gewestelijk bestuur de toelatingskaart al dan niet intrekken. Art. 7. Chineezen, die bij de inwerkingtreding dezer ordonnantie reeds ge vestigd zijn op eene plaats, waar een hoofd hunner natie gevestigd is, zijn gehouden, binnen een maand zich aan te melden op de in art. 1 bedoelde wijze, op straffe als bij dat artikel gesteld. B. Vestiging van Chineezen. Zooals we reeds zagen (blz. 131), worden Oostersche vreemde lingen door hun verblijf binnen Nederlandsch-Indië te vestigen, ingezetenen van Nederlandsch-Indië. Wanneer heeft nu de Oos tersche vreemdeling zijn verblijf in Nederlandsch-Indië gevestigd? Hieromtrent geeft Bij blad N°. 4702 eenige inlichtingen. In dat Brjblad is opgenomen de circulaire van den l Bten Gouverne ments-Secretaris Sweerts, gedagteekend Buitenzorg 25 October 1889, N°. 2484, gericht aan de Hoofden van Gewestelijk Be stuur, waarbij te kennen werd gegeven, dat voor het inge zetenschap van Nederlandsch-Indië vestiging daar te lande een vereischte is. „Artikel 106 van het Regeeringsreglement," zoo luidt die circulaire, „noemt ingezetenen de personen, die hun verblijf binnen Nederlandsch-Indië gevestigd hebben. Die vestiging moet geschied zijn op den voet, bij artikel 105 bepaald; dat wil zeggen: aan die vestiging moet eene vergunning zijn voorafge gaan. Opdat men ingezetene worde is de vergunning op zich zelve dus niet voldoende: zij moet door vestiging gevolgd zijn. In overeenstemming daarmede is ook artikel 4 der Algemeene Bepalingen van wetgeving voor Nederlandsch-Indië. Of iemand geacht kan worden ergens gevestigd te zijn, is eene quaestie van feitelijken aard, welke voor elk bijzonder geval, naar gelang der omstandigheden, moet worden beant woord, en derhalve het best ter plaatse beoordeeld kan worden. Uit het vorenstaande volgt niet alleen dat men, om inge zetene van Nederlandsch-Indië te worden, na verkregen vergun ning, zich in Nederlandsch-Indië gevestigd moet hebben, maar 144 ook dat die vestiging moet voortduren opdat men ingezetene blijve. Uit den aard der zaak moet dit niet aldus worden opge vat dat men, door tijdelijk Nederlandsch-Indië te verlaten, zijn ingezetenschap zoude verliezen; maar wel is dat het geval met iemand, die ophoudt hier te lande zijn domicilie te hebben. Deze zienswijze komt overeen met de door het Hoog-gerechtshof van Nederlandsch-Indië gegeven beslissing: dat een Chinees, die vergunning verkregen heeft tot vestiging in Nederlandsch-Indië , en na een jaar naar China terugkeert , niet als ingezetene van Neder landsch-Indië kan worden beschouwd. (Vgl. Mr. J. H. Abendanon, Ned. Indische Rechtspraak, blz. 247)." Voor de Chineezen, in Nederlandsch-Indië gevestigd, zijn al van ouds bijzondere bepalingen gegeven. Artikel 96 van het Regeerings-Reglement van 1818 luidde: „Chinezen, Mooren, Arabieren en andere vreemden, niet tot de Europeërs behoorende, welke zich in eene der plaatsen van Nederlandsch-Indië vestigen, worden, zooveel mogelijk, onder hoofden van hunne natiën gesteld, alles naar luid der verordeningen, daaromtrent gemaakt of nog te maken." Dit artikel ging nagenoeg ongewijzigd over in de Reg. Regl. van 1827 (art. 96), van 1830 (art. 94), en van 1836 (art. 81). Van eene verplichting tot het wonen in wijken was toen dus in het Reg. Regl. zelf geen sprake. Toch bestond die verplich ting al van ouds her. Bij resolutie van den Gouverneur-Generaal ad interim in rade van 12 Augustus 1835 N°. 1 opgenomen in Stbl. 1835, N°. 37, werd die verplichting herhaald. Bedoeld Stbl. luidt: „Aan de plaatselijke autoriteiten op Java wordt te kennen gegeven, dat hier en daar eene neiging is bespeurd, om de op Java aanwezige vreemde Oosterlingen zooals Maleiers, Boegmeezen, Chineezen, enz. te amalgameeren onder de Javaansche bevolking; de Regeering acht dit ondoelmatig en ver langt integendeel, dat de aloude gewoonte, om dusdanige vreemdelingen in afzonderlijke wijken of buurten onder een hoofd van hun eigen landaard te doen wonen, in stand worde gehouden, en dat zij mitsdien, bij voorkomende gelegenheden, in dezen zin zullen hebben te handelen, zonder eenige afwijking." Toen de Chineezen daarop te streng werden geweerd, werd bij besluit van den Minister van Staat, Gouverneur-Generaal, van 29 Augustus 1846, N°. 7 (Stbl. 1846, N°. 24), omtrent de toelating van Chineezen en andere vreemde Oosterlingen in de binnenlanden van Java den plaatselij ken autoriteiten van Java aangeschreven: 145 „om Chineezen en andere vreemde Oosterlingen niet algemeen te beletten om zich in de binnenlanden van Java te vestigen, op zoodanige plaatsen, waar nog geene afzonderlijke wijken voor hen bestaan, maar slechts te zorgen, dat zij zich afzonderlijk vestigen in daartoe door het bestuur aan te wijzen buurten op de hoofdplaatsen der residentiën, der hoofdafdeelingen of regentschappen en der enkele mindere af deelingen of districten, welke voor den handel doeltreffend gelegen zijn en alwaar voor den sluikhandel de toe lating ter woon van Chineezen en andere vreemde Oosterlingen niet be denkelijk is. Zullende nochtans voor de landerijen welke aan particulieren toebehooren ten deze opzichte uitzonderingen moeten worden toegelaten." De verplichting tot het wonen in wijken werd opgenomen in het Reg. Regl. van 1854 en wel in art. 73, welk artikel zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming goedge keurd werd *). Het artikel werd opgenomen mede na het betoog van den heer Rochussen, dat aan de uitbreiding en vestiging der Chi neezen zekere perken moesten worden ingesteld 2 ), doch ook de regeering had in de memorie van 15 Juli 1854 zich minder gunstig over de Chineezen uitgelaten s ). Dit nu nog geldende artikel luidt: „ Vreemde Oosterlingen, in Nederlandsch-Indië gevestigd, worden zooveel doenlijk in afzonderlijke wijken vereenigd, onder de leiding van hunne eigene hoofden. De Gouverneur-Generaal zorgt dat die hoofden van de ver eischte voorschriften worden voorzien." Al spoedig, in 1858, werd der regeering de vraag gedaan of Europeanen in de buurten, voor vreemde Oosterlingen aange wezen, mogen wonen. Bij Gouvernements-missive van 18 Jan. 1859 (Bijblad N°. 634) is daarop te kennen gegeven: „ Deze vraag heeft reeds vroeger bij de regeering een punt van overweging uitgemaakt en is, met het oog op Stbl. 1835 N°. 37 in ontkennenden zin beantwoord. De bestemming van de wijken of buurten der vreemde Ooster lingen is, dat alléén deze aldaar wonen zullen, en wel elke landaard af zonderlijk in de voor denzelven bestemde wijk; brengende de aangehaalde bepaling echter niet mede, dat niemand anders dan vreemde Oosterlingen m hunne buurten eigenaars van den grond of de perceelen kunnen zijn." 1) Zie L. W. C. Kenchenius, dl. HJ, pag. 670. 2) Zie E. de Waal, dl. I, pag. 180. 3) Zie L. W. C. Keuchenius, dl. 11, pag. 533. 10 146 Aan deze missive is niet de hand gehouden. In de Chineesche wijken vindt men thans ook Europeanen en inlanders wonen; vele kantoren van Europeanen zijn aldaar gevestigd. Trouwens, bij de eerste aanwijzing van Chineesche wijken op de verschil lende plaatsen werden dikwerf reeds door andere landaarden bewoonde plekken grond daarvoor aangewezen, terwijl na de aanwijzing die bewoners er bleven wonen. De wijken-ordonnantie. x ) In Stbl. 1866, N°. 57 werd opgenomen de ordonnantie van den Gouverneur-Generaal van 6 Juni 1866, houdende bepalingen op het vereenigen in afzonderlijke wijken van dein Nederlandsch- Indië gevestigde vreemde Oosterlingen, of van alle in Ned.-Indië gevestigde personen van Oostersche afkomst, oorspronkelijk aan Ned.-Indië vreemd. De bepalingen dier ordonnantie zijn: Art. 1. (Na de wijziging bij Stbl. 1871 N°. 145.) De Gouverneur-Generaal wijst de plaatsen aan, waar hij wijken van Oostersche vreemdelingen noodig acht. De aanwijzing der wijken zelve geschiedt door de hoofden van gewestelijk bestuur. Art. 2. Voor vreemde Oosterlingen is de vestiging in de voor hunnen landaard bestemde wijken verplichtend. Voor vestiging buiten de wijken op de plaatsen bij art. 1 bedoeld, wordt vereischt eene nadere vergunning van het hoofd van plaatselijk bestuur, die, bij weigering daarvan, kennis geeft aan het hoofd van gewestelijk bestuur. Art. 3. In het belang van landbouw en nijverheid of van 's lands pachten en openbare werken zijn de hoofden van gewestelijk bestuur bevoegd aan vreemde Oosterlingen te vergunnen zich op plaatsen, waar hun geene wijken aangewezen zijn tot wederopzeggens toe neder te zetten, (het 2de Üd is in getrokken bij Stbl. 1885 N». 131). Art. 4. De vreemde Oosterlingen, die op het tijdstip van de uitvaardiging dezer verordering buiten de voor hen bestemde wijken, in dessa's, op dessa gronden, op particuliere landerijen of wel op andere plaatsen zijn gevestigd, blijven aldaar toegelaten. Deze toelating geldt tevens voor hunne afstammelingen of rechtverkrijgenden bij versterf. Art. 5. Het hoofd van gewestelijk bestuur is niet bevoegd aan vreemde Oosterlingen, die op grond van art. 2, 2de lid vergunning verkregen hebben, of krachtens art. 4 dezer verordening bevoegd zijn, zich buiten de voor hen bestemde wijken te vestigen, te gelasten hun verblijf derwaarts over te brengen. 1) Stbl. 1866 N». 101 verklaart dat de bij Stbl. 1866 N°. 57 vastgestelde bepalingen niet van toepassing zijn op de residentie Riouw en onderhoorigheden. 147 Art. 6. Vreemde Oosterlingen, die zich in strijd met deze verordening vestigen buiten de voor hunnen landaard aangewezen wijken, verbeuren eene boete van f 25 tot f 100. Zij zijn verplicht, op eerste aanzegging, hunne woonplaats naar een dier wijken over te brengen, en kunnen des noods door de openbare macht daartoe worden gedwongen. Ik merk hierbij op, dat volgens bijblad N°. 6055 vergunningen aan vreemde Oosterlingen om zich te vestigen op plaatsen, waar hun geen wijken zijn aangewezen, niet mogen worden verleend in het belang van den handel; immers naar de meening van den Gouverneur-Generaal kan onder den term „nijverheid" voorkomende in de bepaling van art. 3 van Stbl. 1866 N°. 57 het drijven van handel niet worden begrepen. Van belang is ook de inhoud van bij blad N°. 6312. De resident van Kediri had aan drie Chineezen, die sinds lange jaren ge woond hadden op plaatsen, waar geene wijken voor personen van hunnen landaard zijn aangewezen, bevel gegeven om te verhuizen naar eene plaats waar wel eene wijk voor hen be stond ; doch na een rekest te hebben ingediend aan den Gouverneur- Generaal mochten die Chineezen daar blijven wonen. Bedoeld bijblad vermeldt verder: „De Gouverneur-Generaal acht in gevallen als deze, waar de betrokkenen 20 en meer jaren ongemoeid zijn gelaten, eene strenge toepassing dier bepa palingen niet wel te verdedigen. In het ontwerp eener nieuwe wijkenordonnantie, welke naar de Gouverneur- Generaal hoopt, spoedig zal kunnen worden vastgesteld is dan ook een voor schrift opgenomen, waardoor dergelijke langdurige vestigingen zullen worden gewettigd, zoodat zijne Excellentie wenscht, dat in elk geval met het terug zenden naar de voor hen aangewezen wijken van Chineezen, die gedurende tteerdere jaren als rustige ingezetenen in de dessa's hebben gewoond, zal worden gewacht totdat de nieuwe wijkenordonnantie zal zijn tot stand gekomen." Bij Gouvernements-missive, dd. 20 April 1906, N°. 1125, ge richt aan de hoofden van gewestelijk bestuur, is te kennen ge geven als volgt (Bijblad N°. 4698): „Naar den Gouverneur-Generaal is gebleken, bestaat in sommige gewesten het gebruik, dat Chineezen of andere vreemde Oosterlingen, die van de eene voor hun landaard aangewezen wijk naar de andere wenschen te verhuizen, daar toe vergunning moeten vragen aan het hoofd van plaatselijk bestuur. Aangezien deze formaliteit op geen enkele wettelijke bepaling berust en slechts tot nuttelooze correspondentie aanleiding geeft, heb ik de eer, op last van den Gouverneur-Generaal, UH.Ed.G. te verzoeken aan bedoeld gebruik, voor zoover het ook in het door u beheerd gewest toepassing vindt, een ei nde te willen maken." (Was onderteekend door den l sten Gouvernements-Secretaris). 148 C. Reizen van Chineezen. Bij Stbl. 1863, N°. 83 werden voor Java en Madoera de be palingen herzien omtrent het passenstelsel voor de inlanders en daarmede gelijkgestelden. Voor de Chineezen zijn van belang de volgende artikelen: Art. 3. Personen, die met inlanders zijn gelijkgesteld, en inlanders, die niet op Java en Madoera te huis behooren, moeten voor reizen zoo te land over Java en Madoera als over zee, voorzien zijn van een pas, kosteloos af te geven door of namens het hoofd van gewestelijk of plaatselijk bestuur, volgens het aan deze ordonnantie gehecht model lett. B. Deze passen zijn geldig voor een jaar. Zij worden in het belang van handel en nijverheid of ter bereiking van een ander geoorloofd doel verleend en kunnen worden geweigerd, wanneer het belang der openbare rust het tijdelijk verblijf van den aanvrager in de binnenlanden of op eenige bijzondere plaats onraadzaam maakt. (De 4de alinea luidt na wijziging bij Stbl. 1875 N°. 103, nader gewijzigd bij Stbl. 1892 N°. 220 aldus:) De personen, hier bedoeld, mogen zonder eene bijzondere vergunning van het hoofd van plaatselijk bestuur, op den pas bekend gesteld, zich gedurende het tijdvak, waarvoor de pas geldig is, niet langer dan een maand in het geheel in dezelfde afdeeling ophouden; en zulks op straffe eener geldboete van f 10, — kunnende zij zoo noodig met den sterken arm gedwongen worden de afdeeling te verlaten. Zij moeten hunne passen ter viseering aanbieden aan het hoofd van ge westelijk of plaatselijk bestuur op de hoofdplaatsen van gewesten en afdee lingen, welke zij op hunne reis doortrekken, zoomede aan het districtshoofd op de hoofdplaatsen der districten, waar zij zich langer dan 24 uren ophouden. Deze bepaling is mede van toepassing op de personen, in dit artikel bedoeld, voor het oponthoud op tusschenplaatsen gedurende eene zeereis. (Bij Stbl. 1886 N°. 56 is hierbij gevoegd:) Bij reizen per spoor of tram of op eene postkar behoeft de pas niet ter viseering te worden aangeboden op plaatsen, waar de reiziger zich niet langer dan 24 uren ophoudt. Art. 4. Wanneer iemand wordt aangehouden, omdat hij niet van den noodigen pas is voorzien of omdat de pas verjaard is, wordt hij onver minderd het bepaalde bij de publicatie van 12 Febr. 1850 Stbl. N°. 6 opge zonden aan het hoofd van het plaatselijk of gewestelijk bestuur der plaats, waar de aanhouding geschiedt, dat onmiddellijk een onderzoek omtrent hem instelt. Zoo daartegen geene bezwaren bestaan, reikt dat hoofd aan den aange houdene een pas uit tot voortzetting der reis. In het tegenovergestelde geval wordt de aangehoudene teruggevoerd naar de plaats waar hij, blijkens zijn verjaarden pas, of bij gemis van pas, volgens zijne verklaring te huis behoort. (Bij Stbl. 1904 N°. 378 zijn achter art. 4 de volgende bepalingen gevoegd:) 149 Art. 4a. Personen, met inlanders gelijkgesteld, die ingezetenen zijn van Nederlandsch-Indië, zoomede buiten Java en Madoera gevestigde inlanders, te goeder naam en faam bekend staande, kunnen van het hoofd van het gewest hunner inwoning eene schriftelijke vergunning bekomen om op Java en Madoera — zonder voor elke reis van een pas te zijn voorzien — zich per spoor of tram te begeven naar aan de spoor- of tramlijn gelegen hoofd plaatsen van gewesten, afdeelingen en districten in een of meer in die ver gunning aangeduide residentiën, Soerakarta en Djokjakarta uitgezonderd. Deze vergunningen, welke te allen tijde kunnen worden ingetrokken, worden uiterlijk voor den tijd van een jaar verleend. De intrekking der vergunningen, hetzij geheel of gedeeltelijk, geschiedt, ook wanneer zij voor meer dan een gewest gelden, door de autoriteit, die haar heeft verleend. Bij verschil van meening tusschen de betrokken hoofden van gewestelijk bestuur omtrent de wenschelijkheid van die intrekking, beslist de Gouverneur-Generaal. In afwachting van hare intrekking kan eene verleende vergunning door een hoofd van gewestelijk bestuur, voor zooveel zijn gewest betreft, worden geschorst. Art. 4b. De strafbepaling, vervat in de ordonnantie van 28 Mei 1874 Stbl. N°. 140 is van toepassing in de gevallen, dat wordt gebruik gemaakt van eene ten behoeve van een ander persoon verleende schriftelijke ver gunning, als in het vorig artikel bedoeld a). Art. 5. (Vervallen door Stbl. 1870 N°. 80 en Stbl. 1871 N°. 130.) Art. 6. (Bijgevoegd bij Stbl. 1870 N°. 88, kan als vervallen worden be schouwd, volgens de bedoeling, doch niet volgens de letter van Stbl. 1892 N°. 220. Dit artikel luidde of luidt dan:) Zij, die vervallen in de boete, bepaald bij de publicatie van 12 Februari 1850, Stbl. N°. 6, worden bij wanbetaling gestraft met gevangenis, acht dagen niet te bovengaande. Art. 7. (Bijgevoegd bij Stbl. 1870 N». 88, gewijzigd bij Stbl. 1892 N<>. 220.) Bij verzuim van den pas ingevolge de betrekkelijke voorschriften vervat in art. 1 en 3, ter viseering aan te bieden wordt de schuldige gestraft met eene geldboete van ƒ 10. In bij blad N°. 6416 is opgenomen een telegram van den Gouvernements-Secretaris dd. 11 Januari 1906 N°.3l. De inhoud van bedoeld bijblad is: „In een geval, dat een Chinees, die in het bezit was van eene toelatings kaart en zich bevond op eene plaats in het binnenland op die toelatingskaart a) Stbl. 1874, N°. 140 bepaalt: „Met ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon voor den tijd van één tot drie maanden wordt gestraft hij, die in de gevallen, waarin hij volgens de wettelijke be palingen van eenen reispas moet zijn voorzien, en zonder daardoor te plegen een der misdrijven, bedoeld bij de artt. 106 en 107 van het wetboek van strafrecht voor de Inlanders in Nederlandsch-Indië, gebruik maakt van eenen ten behoeve van een ander persoon nitgereikten pas. 15 Verbod van uitvoer van negers. Nadat Afrika door de verschillende mogendheden onderling verdeeld werd, is de uitvoer van arbeiders uit hunne bezittingen door hen verboden. Slechts bij uitzondering wordt bij bijzondere gelegenheden de uitvoer van de eene kolonie naar de andere toegestaan. In zulke gevallen worden borgstellingen voor de terugbrenging der arbeiders geëischt, en voorwaarden omtrent hunne betaling en behandeling gesteld. Liberia uitgezonderd. Alleen van Liberia heeft heden ten dage nog regelmatig een grootere uitvoer van arbeiders plaats. De regeering van Liberia heft een belasting op den uitvoer en heeft maatregelen getroffen voor de betaling en de bijtijdsche terugzending der koelies. Eanakans. De werkkrachten die de eilanden der Stille Zuidzee opleveren, werden eerst gebruikt in het Zuidelijk deel van Australië. Hier voldeden zij niet, doch in Queensland waren zij den planters van veel nut. De middelen, die de planters aanwendden om aan die werkkrachten te komen, waren zeer bedenkelijk. Met list en geweld werden de inboorlingen aangeworven op de Nieuwe Hebriden, de Salomonseilanden, en in den Bismarck Archipel. Door dat ook de Fransche koloniën in de Stille Zuidzee, de Fidsji eilanden en Samoa groote vraag deden naar die inboorlingen, hekend onder den naam van „kanakans", ontstond er omstreeks 1870 een levendige handel in die kanakans, welke gaandeweg het karakter van slavenhandel aannam. Engeland trad hier het eerst tegen op. De transportschepen werden door kruisers ge ïnspecteerd. De behandeling der kanakans leverde veel klachten op en der halve verbood Queensland in het jaar 1885 de verdere aanwerving na 1890. De belanghebbenden in de suikerindustrie ageerden hier z eer krachtig tegen, daar het verbod van aanwerving aan de industrie eene groote schade zou berokkenen. De aanwerving Werd in 1892 weer toegestaan, doch op aandringen der blanke arbeiders nam het Australische Gemeenebest in 1901 een besluit, waarbij bepaald werd, dat van af 1 April 1904 de verdere toe- 150 vermeld, zijne reis wilde voortzetten naar eene plaats, niet op die kaart ver meld, is door de Regeering beslist, dat het bestuur op eerstbedoelde plaats de toelatingskaart kan aanvullen met de plaats waarheen de Chinees zich verder wilde begeven en hem daarheen een pas kon worden uitgereikt." Stbl. 1908 N°. 208 geeft te kennen, dat in afwachting eener algeheele herziening van het passenstelsel alvast wordt bepaald: „ Op de door de Regeering aangestelde hoofden van vreemde Oosterlingen, zoowel zij, die in werkelijken dienst zijn, als zij, die met een titnlairen rang bekleed zijn, op hen, die als Chineesche of Inlandsche leden aan de Wees kamer te Batavia dan wel aan een der Wees- en Boedelkamers in Neder landsch-Indië zijn verbonden, alsmede op de eervol uit 's lands dienst ont slagenen, dan wel eervol van hunne functiën ontheven titularissen als bovenbedoeld, zijn niet toepasselijk de op het stuk van reizen voor vreemde Oosterlingen uitgevaardigde en nog uit te vaardigen beperkende bepalingen." Reispassen voor Soerakarta en Djokjakarta. In Stbl. 1891 N°. 214 is afgekondigd de ordonnantie van den Gouverneur-Generaal van 2 October 1891 luidende aldus: Art. 1. De hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur mogen geene reispassen verleenen aan Chineezen voor de residentiën Soerakarta en Djok jakarta, zonder vooraf daarop het gevoelen van de residenten van gemelde residentiën te hebben ingewonnen, en in geval deze daartegen zwarigheid maken mogen zoodanige reispassen niet worden afgegeven dan krachtens uitdrukkelijke machtiging van den Gouverneur-Generaal. Chineezen, ingezetenen van Nederlandsch-Indië, die in een der residentiën Soerakarta en Djokjakarta worden aangetroffen zonder in het bezit te wezen van een geldigen reispas, en zonder in dat gewest gevestigd te zijn, worden gestraft met eene geldboete van zes en twintig tot zestig gulden, of met ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van dertien tot twintig dagen. Daarna worden zij nit het gewest verwijderd. A. o o- I betreffen aanvullingen van de ordonnantie van 12 Maart 1872 b. ) Stbl. N°. 40. Zie aldaar bij de noten. Voor de gewesten in de Buitenbezittingen zijn ook voor het reizen der Oostersche vreemdelingen bepalingen gegeven, die in hoofdzaken met elkander overeenkomen, en alle geschoeid zijn naar de voor Java en Madoera gegeven voorschriften. Wij hebben in de bovenstaande bladzijden gegeven de thans geldende bepalingen omtrent de toelating, vestiging en het reizen der Chineezen in Nederlandsch-Indië. 151 Uit de hieronder volgende, uit de Koloniale Verslagen geputte cijfers, blijkt, dat Nederlandsch-Indië nagenoeg onbeperkt open staat voor de Chineezen. Ook blijkt, dat het aantal Chineezen, aan wie eene akte van vestiging wordt verleend, of wel uit Nederlandsch-Indië is gezet, zeer gering is. ■o a <r> ,2 't © > T 3 (-1 <D * 43 J-t 3 as B DS g "o o O) C CD <D o 3 'p Sh >i 03 05 O &D 'S a M CD «t—i O 03 >~5 Oh O CD g o 3 o 3 g a> N cd cd g •i-H "03 a 03 «1 152 Aantal Chineezen aan wie op Java en Madoera eene vergunning tot vestiging werd verleend of geweigerd. Aantal Chineezen aan wie op de Buitenbezittingen eene toelatingskaart werd verleend en geweigerd. 153 a) waarvan 2178 in Atjeh; door toevoeging van Tamiang aan het gewest, is aldaar in de laatste jaren eene groote stijging van het aantal verleende toelatingskaarten te constateeren. 154 a) 818 in Palembang. 6) 160 in Palembang. c) 117 in BaÜ en Lombok. d) 110 in Atjeh. Aantal Chineezen aan wie op de Buitenbezittingen eene vergunning tot vestiging werd verleend of geweigerd. 155 Aantal personen krachtens art. 4 Stbl. 1872, N°. 40 uit Ned.- Indië vertrokken of verwijderd. [Bronnen: de Koloniale Verslagen.] A. Java en Madoera. Toelichting. Eene verklaring waarom Soerabaja hier het hoogste aantal cijfers behaalt, vindt men in de inhoud van de brochure van een oud ambtenaar B. 8., hierachter verkort opgenomen. B. Buitenbezittingen. 156 Brochure van een ond-ambtenaar B. B. over de toelating van Chineezen. In een brochure, gedrukt bij Matzen Sand en Co. te Soerabaja in 1893 getiteld: „Een woord over en voor de Chineezen, in verband met de bepalingen op hunne toelating in Nederlandsch- Indië (Staatsblad 1872 N°. 40) door een oud-ambtenaar van Binnenlandsch Bestuur," wordt er reeds op gewezen, dat de ordonnantie er zich niet over uit laat op welke wijze de V. O. moet doen blijken wie hij is. (art 1) Dit geeft in de practijk aanleiding dat verscheidene bestuurshoofden de ordonnantie verschillend interpreteeren. Zoo wees die oud-bestuursambtenaar erop, dat vooral te Soerabaja men er streng de hand aan hield, dat de nieuw-aangekomenen zich legitimeerden door vertoon van een pas. Velen konden dat niet doen, en werden dus af gewezen. Bovendien eischte het toenmalige hoofd van plaatselijk bestuur, dat de nieuw-aangekomenen al dadelijk een beroep, ambacht of emplooi bij de hand hadden, terwijl de ordonnantie hiervan bij het aanvragen der toelatingskaart niet spreekt, maar eerst bij de aanvraag der schriftelijke vergunning tot vestiging. Ook was het zeer ongemotiveerd, dat het bestuur te Soerabaja aan hen, die een toelatingskaart verkregen hadden, weigerde een pas af te geven voor plaatsen buiten Soerabaja, hoewel de ordonnantie in artikel 2 duidelijk zegt, dat de voor 6 maanden toegelatene zich mag vestigen op alle voor den algemeenen handel opengestelde havens, en ook op andere plaatsen of streken door hen op te geven. Wat was nu het resultaat van die enge interpretatie, die streed met de bedoelingen van den wetgever? Dat zij, die toegelaten waren, binnen Soerabaja waren opgesloten en bleven; het weinige, dat zij uit hun land hadden medegenomen, werd spoedig verteerd, zij konden geen emplooi vinden, pleegden kleine vergrijpen, kwamen voor de politierol, en werden als vagebonden de koloniën uitgezet. De schrijver der brochure weet dit aan het plaatselijk bestuur te Soerabaja, dat aan alle toegelatenen de vrije beweging belet had, en hen de mogelijkheid ontnomen had, om buiten Soerabaja werk te vinden. 158 als gasten geherbergd in een openbaar gebouw, en kregen daar zindelijk en overvloedig eten en drinken. De Maradja (Maharadja) zond in 992 een gezantschap naar China, zooals velen zijner voorgangers hadden gedaan. In 1129 gaf de Keizer van China aan den vorst van Java hooge titels 1 ). De Chineesche expeditie van 1292. In het eind der dertiende eeuw bestonden in het stroom gebied der Brantasrivier een tweetal Hindoe-Javaansche rijkjes, in het Noorden Toemapel en in het Zuiden, in het Kedirische, Daha. In 1292 zond de Chineesehe regeering eene groote expe ditie naar Toemapel. Toen het Chineesehe leger op Java landde, was aan het bestaan van Toemapel reeds een einde gemaakt door Adji Katang, vorst van Kalang of Daha. De Chineesehe bevelhebbers lieten zich verleiden het binnenland in te trekken om de macht van Daha te vernietigen. Op den terugweg werden zij aangevallen door een legerhoofd van het vroegere Toemapel, die een gedeelte van de krijgsmacht van laatstgenoemd rijkje had weten te sparen. De Chineezen waren toen genoodzaakt zich aan boord hunner schepen te begeven, waarmede de expeditie eindigde, die eigenlijk haar reden van bestaan had verloren, toen Toemapel niet meer bestond. De Chineesehe geschiedboeken geven vele bijzonderheden omtrent die expeditie van 1292. De aanleiding tot dezen tocht was de volgende: 2 ) Toen de beroemde Mongolen vorst Koeblai Khan in 1280 het Hemelsche rijk had veroverd, volgde hij de gewoonte der Chineesehe vorsten door aan de omliggende staten kennis te geven van de troonsbestijging. De Javanen, die zooveel eeuwen in goede verstandhouding met China geweest waren, mishan delden thans den gezant. Het duurde eenigen tijd eer Koeblai Khan de gelegenheid gunstig zag om hen hiervoor te straffen. Marco Polo schrijft, dat de Groote Khan geen kans zag het eiland in bezit te nemen door den grooten afstand en de kosten van de expeditie. Maar niet lang na het vertrek van den Venetiaan werden deze moeilijkheden overwonnen. Tot bevelhebbers van het naar Java te zenden leger benoemde keizer Sjih-tsoe (de 1) Zie P. J. Veth: „Java", dl. I, blz. 56-58. 2) ld. blz. 60 en vgd. 159 Chineesche naam van Koeblai) de officieren Sjih-pi, Ike Meseen Kau Hsing. De beide eersten waren Mongolen, de laatste was een Chinees. Eerst liet de keizer Sjih-pi bij zich komen en zeide tot hem: .Onder mijn officieren zijn er weinig, die mijn volle vertrouwen bezitten, daarom wensch ik deze Javaansche zaak toe te vertrouwen aan u". De andere antwoordde: _ Als de Keizer gelast, dat zijn dienaar aanvoere, hoe zou deze dan bevreesd kunnen zijn voor zijn lijf?" Toen Sjih-pi en zijn mede-aanvoeders hun laatste audiëntie hadden, zei de Keizer tot hen: „ Als gij op Java aankomt, moet gij duidelijk proclameeren aan het leger en het volk van dat land, dat de keizerlijke regeering vroeger gemeenschap met Java heeft gehad door gezanten van weerszijden en in goede verstandhouding er mede geweest is, maar dat zij den laatsten keizerlijken gezant Meng Tsjhi in het gelaat gebrandmerkt hebben als een dier, en dat gij zijt gekomen om hen daarvoor te straffen." Nu kreeg de stadhouder van Foehkiën bevel om soldaten te verzamelen uit zijne eigene en twee aangrenzende provinciën, tot een aantal van twintig duizend, om een Bevelhebber van den Rechter Vleugel en een van den Linker Vleugel aan te wijzen, benevens vier Bevelhebbers van Tien duizend; en om duizend schepen uit te rusten met voorraad voor een jaar en met veertig duizend staven zilver. In de eerste maand van het jaar 1293 landde men op Biliton, beraadslaagde daar over het plan voor den veldtocht en zaagde er timmerhout om kleine booten te maken voor het opvaren der rivieren. In de tweede maand gingen Ike Mese en een zijner onder bevelhebbers scheep, vergezeld van hunne secretarissen en van drie officieren van den Vrederaad, die belast waren met de onderhandelingen met Java en de andere rijken. Java is hier niet den naam des eilands, maar van het rijk, waarmede China vooral handel dreef, dat van Toemapel. Zij werden begeleid door een Bevelhebber van Tienduizend, die vijfhonderd nian aanvoerde in tien schepen. Zij zouden de bevelen van den keizer overbrengen, dus waarschijnlijk trachten de Javanen nog langs den weg des vredes tot onderwerping te bewegen. Intusschen volgde het groote leger naar de Karimon Djawa eilanden en van daar naar Toeban, aan de kust van Rembang, 16 lating van kanakans zou verboden zijn. Het verzet van Queens land er tegen had geen resultaat. Thans worden de kanakans nog gebruikt voor de Fransche, Duitsche en Amerikaansche bezittingen in de Stille Zuidzee. Hier bestaan ook bepalingen omtrent de transportschepen, de behandeling der kanakans gedurende de reis en op de plantages. China, hoofd markt van arbeiders voor tropische landen. Van oneindig meer belang voor het verkrijgen van de noodige werkkrachten in tropische landen is tegenwoordig China. 160 dat in een later Chineesch bericht, van 1418, genoemd wordt als een belangrijke handelsplaats, die meer dan duizend huis gezinnen telt, waaronder een groote Chineesche kolonie. Te Toeban ontmoetten Sjih-pi en Kau Hsing Ike Mese elkander weder. Nu werd besloten — de vredelievende zending was dus stellig mislukt — het halve leger aan wal te zenden en de andere helft tegelijkertijd in de schepen te doen opvaren. Sjih-pi ging over zee naar den mond van de rivier van Sedajoe, waarmede de Solo bedoeld moet zijn, en van daar naar de Kali Mas of rivier van Soerabaja. Tegelijkertijd leidden Kau Hsing en Ike Mese de overige troepen, uit ruiterij en voetvolk bestaande, en marcheerden van Toeban over land; een van de Bevelhebbers van Tienduizend voerde de voorhoede aan. Drie hoofdofficieren werden in snelvarende booten van Sedajoe afgezonden, dat dus in handen der Chineezen schijnt te zijn gevallen, met bevel de drijvende brug van Madjapahit te nemen en zich dan bij het leger te voegen op zijn weg naar de Kali Mas. In dezen tijd had Java (Toemapel) een oude veete tegen het naburige land Kalang (Daha) en de koning van Java, Hadji Ka-ta-na-ka-la (Krtanagara) was reeds gedood door den vorst van Kalang, Hadji Katang genoemd; zoo was dus aan hem reeds de straf voltrokken die de Chineezen hem wilden komen toedienen. De schoonzoon van den eersten, Toehan Pidjaja, had Hadji Katang aangevallen, maar kon hem niet overwinnen. Hij had zich daarom naar Madjapahit teruggetrokken en toen hij hoorde dat Sjih-pi met zijn leger was aangekomen, zond hij boden naar de officieren van den Vrederaad met een beschrij ving van de rivieren en zeehavens en ook een kaart van het vijandelijke Kalang, terwijl hij zijn onderwerping aanbood en om bijstand verzocht. Zelf kon hij zijn leger niet verlaten; daarom gingen drie Chineesche officieren tot hem en kwamen terug met zijn eersten minister en veertien anderen, die het leger des Keizers verwelkomden. Op den eersten dag der derde maand werden de troepen ver zameld aan de Kali Mas, die uitloopt in de straat van Madoera. Dit is de ingangspoort van Java en een punt, dat de eerste minister van Kalang, Hi-ning-koean, ondanks herhaalde aan maning tot overgave, wilde verdedigen. De bevelhebbers van het keizerlijke leger maakten een kamp in den vorm van een halve maan en lieten het veer onder be- 161 waking van een Bevelhebber van Tienduizend. De vloot in de rivier en het volk en de ruiterij op den oever trokken toen ge zamelijk op, en Hi-ning-koean, dit ziende, vlood des nachts, waarop meer dan honderd schepen met duivelskoppen op den steven genomen werden. Nu werd aan een sterke macht gelast, den mond der Kali Mas te bewaken en toen rukte de hoofdmacht van het leger op. Boden kwamen van Toehan Pidjaja, berichtend dat de koning van Kalang hem tot Madjapahit vervolgd had en verzoekend om troepen te zijner bescherming. Ike Mese en een van zijn luite nants snelden naar hem toe en een officier volgde met een troepenmacht naar Tjanggoe, de voorhaven van Madjapahit. Ka Hsing rukte in tusschen ook in de richting van Madjapahit op, maar toen hij hoorde dat het niet bekend was of de soldaten van Kalang veraf of dichtbij waren, ging hij naar de Kali Mas terug. Ten laatste kreeg hij bericht van Ike Mese, dat de vijand dien avond zou naderen en ontving order om weer naar Madja pahit op te rukken. Op den zevenden dag naderden de soldaten van Kalang van drie zijden om Toehan Pidjaja aan te vallen en op den achtsten, vroeg in den morgen, leidde Ike Mese een deel der troepen voorwaarts om den vijand in het zuidwesten aan te tasten, maar hij ontmoette hem niet; Kau Hsing vocht met den vijand in het zuidoosten en doodde vele honderden, terwijl de rest naar de bergen vluchtte. Tegen het midden van den dag naderden de vijanden ook van het zuidwesten; Kau Hsing ontmoette ze weder en tegen den avond waren zij verslagen. Nu sprak Kau Hsing, die een Chinees was: . Hoewel Toehan Pidjaja onderworpen is, zal, als hij eens berouw krijgt van zijn besluit, en zich met Kalang vereenigt, ons leger in een zeer moeilijke positie zijn,'en wij weten niet, wat zou kunnen ge beuren." Hij ried dus aan Kalang geheel ten onder te brengen. Op den vijftienden werd het leger gesplist in drie afdeelingen °m Kalang aan te vallen; er werd afgesproken dat zij elkaar den negentienden ontmoeten zouden bij Daha de hoofdstad van Kalang. Een deel van de troepen volgde de rivier, de Brantas op waarts, Ike Mese trok langs den oostelij ken weg en Kau Hsing nam den westelijken, terwijl Toehan Pidjaja met zijn leger de achterhoede aanvoerde. Den negentienden kwamen zij bij het 11 162 versterkte Daha aan, waar de vorst van Kalang zich verdedigde met meer dan honderd duizend soldaten. De slag duurde van 's morgens zes tot 's middags twee uren en driemaal werd de aanval hernieuwd. Toen was de vijand verslagen en vluchtte. Verscheidene duizenden stortten zich in de rivier en verdronken, meer dan vijfduizend werden neergesabeld. De koning nam de wijk in de binnenstad, de Kraton; onmiddelijk werd deze om singeld en de koning aangemaand zich over te geven; des avonds kwam de koning uit de kraton, de bevelen des keizers werden aan hem overgebracht en hij werd gelast zich terug te trekken. Zijn vrouw, zijne kinderen en officieren werden door de overwinnaars medegenomen, die daarna aftrokken. Verscheidene kleinere staten werden eveneens tot onder werping gebracht. Een zoon van Hadji Katang vluchtte naar de bergen, maar Kau Hsing ging hem met een duizend man achterna en bracht hem gevangen terug. De korte uitstap van den Chineeschen bevelhebber was voor de expeditie noodlottig; de beide Mongolen lieten zich vangen door Javaansche geslepenheid. Uit het slot van het verhaal dei overgaaf van Daha mag worden afgeleid, dat de overwinning der Chineezen duur genoeg gekocht was om hen te bewegen tot het openen van onderhandelingen en daarna tot den terug tocht. Dit schijnt Toehan Pidjaja tot verraad te hebben aange spoord. Hij vroeg aan Sjih-pi en Ike Mese verlof naar zijn land terug te keeren, ten einde een nieuwen brief van onderwerping aan den keizer gereed te maken en kostbare voorwerpen te ver zamelen om die aan Koeblai ten geschenke te geven. Zij stemden daarin toe en gaven hem twee officieren mee met twee honderd man. Maar onderweg vermoordde Toehan Pidjaja de beide officieren, en van de omstandigheid dat het leger terugtrok gebruik makend, viel hij het van twee kanten aan. Sjih-pi was in de achterhoede en werd van het overige leger afgesneden. Al vechtende moest hij zich vele mijlen een weg banen voor hij de schepen bereikte; toen hem dat gelukt was, had hij meer dan drieduizend man verloren. Kau Hsing was reeds teruggekeerd vóór het verraad van den Javaan bekend werd en keurde dadelijk het goed vertrouwen van zijn medebevelhebbers af. Hij slaagde er met de anderen in om Toehan Pidjaja terug te werpen. In weerwraak werden Hadji Katang en zijn zoon gedood, wat aan Toehan Pidjaja niet 163 onaangenaam geweest zal zijn. De drie generaals waren nu oneenig of zij den oorlog zouden voortzetten. Dit geschiedde niet. Met de gevangenen en de gezanten der kleinere staten en een grooten oorlogsbuit zetten zij naar China koers. Sjih-pi en Ike Mese werden beiden door den keizer gestraft met het verlies van een derde van hun eigendom; de eerste, die zooveel man schappen verloren had, bovendien met zeventien zweepslagen; later werden beiden echter in hun eer hersteld. Kau Hsing werd beloond met eene groote som in goud. Na de expeditie zijn de betrekkingen tusschen China en Java geruimen tijd gestaakt. Zooals te verwachten was, zijn de betrekkingen tusschen China en Java na den oorlog geruimen tijd gestaakt. Althans eerst de geschiedenis der Ming-dynastie, die in 1368 opdeMon goolsche volgde, maakt weer van wederzijdsche gezantschappen melding en ook van de aanwezigheid van tal van welvarende Chineesche koloniën op Java. In het laatst der veertiende eeuw wordt voor het eerst vermeld, dat op Java een westelijke en een oostelijke koning regeeren. Wellicht hebben toen de be trekkingen der Chineezen met de Soenda-landen een aanvang genomen. ') De Chineesche berichten uit de vijftiende eeuw vermelden meer van westelijk Java dan de oudere berichten zulks deden; zij noemen Pekalongan, Bantam, de Soenda-landen; maar toch blijft ook nu het oosten — Java in engeren zin — het gewichtigste deel. Er worden vier steden genoemd, alle zonder muren: Toeban, Grissee, Soerabaja en Madjapahit, waar de koning woont. Diens kraton heeft een goed onderhouden baksteenen muur van meer dan dertig voet hoogte en meer dan honderd voet lengte met een dubbele poort. Evenals in Toeban wonen in Grissee en Soerabaja vele rijke Chineezen. Hoe de Chineezen vroeger handel dreven. De wijze waarop de Chineezen te Bantam, door henHa-Kang genoemd, handel dreven, wordt aldus beschreven: 1) Zie P. J. Veth: „Java", dl. I blz. 69. 164 *) Zoodra een Chineesch schip is aangekomen, komt er een hoofd aan boord om inlichtingen in te winnen. De gezagvoerder geeft hem een mand met sinaasappelen en twee kleine pajoengs. Het hoofd geeft van een en ander per brief kennis aan den koning en bij het binnenkomen van de rivier worden vruchten en stukken zijde aan den vorst ten geschenke gezonden. De koning heeft vier Chineesche en twee inlandsche schrijvers om zijn boeken bij te houden en op elk schip fungeert een Chinees, die de inlandsche taal machtig is, als tolk. Voor den handel heeft de koning buiten de stad twee plaatsen aangewezen, waar de winkels zijn gebouwd; in den morgen gaat men naar de markt om handel te drijven en tegen den middag is het handelen beëindigd. Portugeesche en Spaansche berichten over de Chineezen. Toen de Portugeezen op Java kwamen, bevonden zij ook dat er een drukken handel tusschen China en Java bestond. Zoo vertelt reeds Duarte Barbosa van Lissabon, die in den aanvang der zestiende eeuw aan de kust van Malabar verblijf hield, dat er van uit de Soenda landen vele slaven naar China worden uitgevoerd 2 ). De schrijver De Herrera zeide in 1523 van Grissee, dat het 30,000 Mohammedaansche inwoners telde, en dat er een grooten handel in porcelein, zijde en andere waren van China, Borneo enz. gedreven werd 3 ). In 1536 werd Java bezocht door den Spaanschen reiziger Andres de Urdaneta, die wel alleen Panaroekan aandeed, maar toch weet mede te deelen, dat de Sultan van Demak toenmaals de voornaamste vorst des eilands en dat Soenda aan hem onder worpen was. De Portugeezen lagen met hem overhoop; de peper van West-Java werd dan ook toenmaals geheel naar China uitgevoerd *). Houding der eerste Hollanders tegenover de Chineezen. Den 23 Btßn Juni 1596 werd het eerst de Nederlandsche vlag op de reede van Bantam ten toon gespreid. Onze schepen werden 1) Zie Groenevelt: „Notes" blz. 56. 2) Zie P. J. Veth: „Java" dl. I, blz. 249. 3) id. , blz. 275. 4) id. , blz. 286. 165 met argwaan ontvangen: men vreesde met vrijbuiters te doen te hebben. Maar toen de Hollanders te kennen gaven, dat zij kwamen om handel te drijven, veranderde de houding. De schepen werden omringd door schuitjes die allerlei ververschingen aanboden. Het voordek der schepen veranderde weldra in een bazaar, waar behalve Javanen, Arabieren, Klingaleezen en Turken ook Chineezen om strijd hunne waren uitstalden '). Onze eerste zeevaarders waren vol lof over de werkzaamheid der Chineezen. In de instructie van 1617 wordt dan ook aan de Indische regeering aanbevolen hen op de Molukken niet slechts toe te laten, maar ook aan te lokken, als zijnde „indu strieus, naarstig en ongewapend." Jan Pieterszoon Coen ver klaarde van hen: „ Daar is geen volck in de werelt die ons beter dienen dan Chineezen" en .in Batavia connen niet te veel versamelt worden" 2 ). Opmerkelijk is het ook dat Pieter van den Broek tijdens het beleg van Jakatra in 1619 de Chineesche taal gebruikte om met den belegerenden Pangeran te onderhandelen, aangezien in het fort niemand de Javaansche schrijftaal machtig was 3 ). Toen deze Pieter van den Broek eenige maanden later Bantam blokkeerde kreeg hij vele Chineezen in handen, die allen naar Batavia werden overgebracht waardoor de grondslag werd ge legd van de later daar zoozeer bloeiende Chineesehe volks planting. Intusschen was de inlandsche bevolking van Batavia geheel gevlucht; maar hoewel de rijksbestuurder van Bantam aan Javanen en Chineezen op doodstraf verboden had naar Batavia te gaan en dit ook elders op Java zooveel mogelijk belet werd, baatte het weinig toen zij bespeurden dat er voor deel te behalen was. Den ll den October 1619 was het aantal Chineezen reeds tot 400 geklommen en werden zij gesteld onder het bestuur van een kapitein hunner natie 4 ). Een grooten dienst bewezen de Chineezen in 1627 aan Coen toen deze tijdens zijn tweede Gouverneur-Generaalschap met Bantam onderhandelde. Een troep gewapende Bantammers drong den 24 9ten December 1627 in Batavia, met het voornemen om 1) Zie P. J. Veth: „Java", dl. I, blz. 325. 2) Zie Romer: „ Chineezen vrees", Vragen des tijds 1897, overgenomen in de Locomotief 3 Juli 1897. 3) Zie P. J. Veth: „Java", dl. I, blz. 345. 4) id. , blz. 350. 166 den Gouverneur-Generaal te vermoorden en het kasteel te over rompelen. Eenige Chineezen waarschuwden Coen, zoodat het ver raad geen succes had. Toen in 1628 Batavia door de Javanen werd aangevallen, vochten de Chineezen van Batavia met groote woede aan onze zijde en brachten den Javanen menig verlies toe J ). De Chineesche opstand van 1740. 2 ) Nadat de Gouverneur-Generaal Zwaardecroon in 1725 uit eigen beweging was afgetreden, werd hij opgevolgd door weinig beteekenende, willekeurig handelende Gouverneurs-Generaal. Onder hen maakten de Compagnies dienaren zich schuldig aan knevelarijen en afzetterijen der bevolking. Onder deze omstandigheden werd Adriaan Valckenier in 1737 tot Gouverneur-Generaal aangesteld. Hij zag niet in dat een rechtvaardiger behandeling der ingezetenen noodzakelijk was om te voorkomen dat dezen, verbitterd en getergd, tot verzet zouden overslaan. In Batavia bestond toen een groot deel dier ingezetenen uit Chineezen, welke jaarlijks vermeerderden, daar de Chineesehe jonken er voortdurend nieuwe fortuinzoekers aanbrachten, waaronder vele slechte elementen. Groote voor rechten waren hun van tijd tot tijd toegekend; vooral ook had de zich meer en meer ontwikkelende landbouw hunne nijverheid, vernuft en werkzaamheid in de handen gewerkt, zoodat velen zich in korten tijd schatten wisten te verzamelen. Maar die zelfde ontwikkeling van den landbouw had ook veroorzaakt, dat de Chineezen zich niet alleen in de stad Batavia, maar ook in hare omstreken zich wijd en zijd verspreiden, en dus een behoorlijk toezicht bemoeilijkten. Reeds vroeger had men reeds nu en dan hunne al te groote vermeerdering en uitbreiding met eenige bekommering aan gezien; vooral had de Gouverneur-Generaal De Haan maat regelen daar tegen genomen, maar de groote voordeel en die men van hen trok, deden onder zijne opvolgers elke bepaling, die strekken moest om die uitbreiding tegen te gaan, in de pen blijven; en ging men nu en dan er toe over, dan was 1) Zie P. J. Veth: „Java", dl. I, blz. 375, 377, 378. 2) Zie W. R. van Hoëvell: „Batavia in 1740". blz. 8—53. 167 hetgeen men deed niet doelmatig en niets afdoende, of werd in de hand der trouwelooze ambtenaren een middel tot wille keurige onderdrukking, afpersing en uitzuiging. Wij herinneren hier slechts aan het besluit onder Diederik Durven genomen, dat ieder Chinees, die in deze kolonie wilde blijven, daartoe bij rekest verlof zou moeten verzoeken, ten einde hierdoor te zien hoe groot hun getal was. Maar door de inhaligheid der ambtenaren, aan wie de uitvoering van dien maatregel was opgedragen, en die voor ieder verlof, dat zij op zulk een verzoekschrift uitreikten, zich lieten betalen, wisten vele Chineezen dit bevel te ontduiken, en werd het doel gemist. Bovendien legde men een hooge belasting op de Chineezen die warongs hielden en zich van de inkomsten daarvan geneerden. Deze bepaling drukte niet zoozeer op de gegoeden, de land bouwers, de handelaren en dergelijken, maar juist op dat gedeelte, dat niets te verliezen had en verwekte onder hen groote ontevredenheid. Ondertusschen was Baron van Imhoff, gewezen landvoogd van Ceylon en Raad van Nederlandsch-Indië in 1738 in de hoofdstad aan gekomen. Deze maakte de regeering opmerkzaam op de al te groote vermenigvuldiging der Chineezen, op het aanzienlijk getal dier vreemdelingen, dat geen genoegzaam bestaan had en daardoor zich schuldig maakte aan roof, diefstal en moord. Wel was er reeds vroeger in 1732 bepaald, dat de Chineezen, welke in de bovenlanden van Batavia zonder vast verblijf en als vagebonden werden aangetroffen, naar de Kaap zouden worden overgebracht (zie de Originele Generale Resolutiën der Hooge Regering van den 18den Julij 1732), maar die maat regel was bijna zonder uitwerking gebleven. Nu echter werd op voorstel van van Imhoff vastgesteld, dat alle verdachte en buiten de stad rondzwervende personen, tot die natie behoorende naar Ceylon zouden worden vervoerd. (Vergelijk de Originele Generale Resolutiën der Hooge Regering van 25 Julij 1740). Hetgeen hierboven van de hebzucht en inhaligheid der ambte naren is gezegd, ontnam aan dit besluit alle goede uitkomsten en deed het zelfs de schromelijkste gevolgen na zich slepen. Immers niet alleen zulke rondzwervende leegloopers, maar ook dikwijls gegoede en rijke Chineezen, werden door hen, die met de uitvoering van dit besluit waren belast, op eene wille keurige en verraderlijke wijze gevangen genomen en met balling- 168 schap bedreigd, zoo zij niet voor eenen hoogen losprijs hunne vrijlating wilden koopen. Door zulk eene handelwijze bleef niet alleen de stand van zaken dezelfde, maar werd de verbittering tegen het bestuur en de vrees voor zelfbehoud ook onder de gegoede klasse al grooter en grooter. De Chineezen, die te Batavia zelve hun verblijf hadden, woonden niet in een afzonderlijk gedeelte, maar overal tusschen de Europeanen in en hadden op verscheidene plaatsen de beste buurten ingenomen. Gelijk tegenwoordig dreven zij ook toen een grooten handel voornamelijk in thee, porcelein, zijden stoffen, lakwerken enz. Velen oefenden ambachten uit of waren aannemers van pachten. Anderen hielden gaarkeukens voor de matrozen en soldaten, terwijl weer anderen hun onderhoud vonden in het waterhalen, visschen of het vervoeren van menschen in prauwen van het eene einde der stad naar het andere. Hunne hoofden hadden den titel van Kapitein en Luitenant. Die, welke buiten Batavia woonden, hadden zich in de Ommelanden verspreid, en waren voornamelijk in de nabij heid der suikermolens of op die plaatsen, waar zij zich het best op den landbouw konden toeleggen, gevestigd. De Gouverneur-Generaal Valckenier werd den 28 Bten September 1740 plotseling uit zijne zorgeloosheid gewekt door de tijding, die hem door drie Luitenants der Chineezen werd medegedeeld. Zij betrof eenen door de Chineezen in de bovenlanden gesmeden opstand tegen het bestuur. In allerijl belegde hij een vergadering van de Leden der Hooge Regeering, doch de vergadering sloeg weinig geloof aan de verhalen der drie Luitenants, vooral daar de Kapitein der Chineezen Nie Hoe Kong verklaarde van een en ander niets te weten. Men vergenoegde zich dus met aan de Hoofden der Chineezen alle mogelijke waakzaamheid aan te bevelen, en een onderzoek naar de verdachte plaatsen te laten doen, terwijl de verdere behandeling der zaak aan het stedelijk bestuur werd opgedragen. Intusschen sloegen de Chineezen buiten de stad tot daad werkelijk verzet over en vielen onze troepen aan. Eene poging van Van Imhoff om de opstandelingen langs minzamen weg de wapens te doen neerleggen, mislukte. De woedende muitelingen liepen overal het land om Batavia af. Overal was hun weg met bloed geteekend, overal werd geplunderd, geroofd en gemoord. Te Batavia zelf was men met vrees en kommer vervuld. 169 Zeven of acht duizend Chineezen in de stad en meer dan zestig duizend in hare omgeving konden een gelijk tij digen aanval van binnen en van buiten wagen en dan waren de ge volgen niet te berekenen. De Europeanen van minderen stempel begonnen de Chineezen in de stad te mishandelen. Dit liep zoo hoog, dat de Baron van Imhof den 7 den October in de vergadering der Hooge Regeering ter tafel bracht, hoe de Chineezen sedert enkele dagen aan vele beleedigingen en kwade bejegeningen waren onderhevig geweest, zoo van den gemeenen man langs de straten, door het afdwingen van geld, als aan de wachten, waar zij aangehouden en op eene onbehoorlijke wijze behandeld werden, zonder dat zij daartoe de minste aanleiding gaven. Door de regeering werd daarop bij openlijke bekendmaking ver ordend, dat ieder, die het waagde de Chineesche ingezetenen, op welke wijze ook, te beleedigen of in hunne nering te hinderen, naar bevinding van zaken met kettingslag of andere „arbitrale correctie" zou worden gestraft. De ongerustheid nam evenwel toe. Vele Chineezen zonden vrouwen en kinderen, kostbaarheden en huisraad in prauwen weg. In de voorsteden vertoonden zich gewapende Chineezen, die weigerden hunne wapens neer te leggen. Het werd duidelijk, dat de Chineezen in de stad in verbinding stonden met de muitelingen daar buiten. De poorten van de stad werden daarop gesloten en niemand mocht er meer in of uit. Bij openlijke afkondiging werd overal bekend gemaakt, dat het den Chineezen niet meer vrij stond zich na half zeven uur 's avonds buiten hunne huizen te begeven, dat ze na dien tijd hunne deuren gesloten moesten houden en geen licht of lantaarns buiten de huizen mochten laten schijnen, terwijl alle overtreders van dit bevel met den dood werden bedreigd. Dit had plaats den 8 8ton October. In dienzelfden nacht nog werd Batavia herhaalde malen door de muitelingen van buiten verwoed aangevallen, doch zij werden steeds met verlies door onze troepen op de vlucht geslagen. De Chineezen in de stad hadden de hun gegeven bevelen strikt opge volgd; niemand had zich na half zeven 's avonds op straat vertoond. Het was dus zeer vreemd van den Gouverneur- Generaal Valckenier om in den ochtend van den 9 don October in de vergadering der Hooge Regeering voor te stellen om de stad van de Chineezen, die zich nog in groot aantal bevonden, 170 te ontruimen. Van Imhoff was zeer verontwaardigd over dit voorstel en deed van zijn kant het voorstel om alle huizen der Chineezen te doorzoeken, en waar er wapens of verzamelingen van volk zouden worden gevonden, zouden die wapens in beslag genomen en het volk in boeien geslagen worden, doch de overige goede Chineezen, evenals te voren, ongemoeid te laten, mits zij zich aan de algemeene bevelen, een paar dagen geleden gegeven, onderwierpen. Dit besluit werd met algemeene stemmen, op die van den Gouverneur-Generaal na, genomen. Kort na het uiteengaan van de vergadering, hoogstwaarschijnlijk door in het geheim gegeven bevelen van Valckenier, ontstond er binnen de muren van Batavia een tooneel, dat voor altijd een donkere vlek in onze geschiedboeken heeft geworpen. Er ontstond in de Utrechtsche straat brand in eenige Chineesche huizen, wat eene groote opschudding teweeg bracht. Ambachts lieden, matrozen en soldaten ijlden er heen, en pleegden de schandelijkste ongeregeldheden. Het vuur verspreidde zich verder en verder; op andere plaatsen brak het vuur ook uit, en plunde rend en moordend trok het gemeen door de straten. Al wat tot de Chineesche natie behoorde, oud en jong, arm en rijk, werd vermoord. Eerst den 12 don October was de brand in de stad opgehouden. Het bleek toen dat er ongeveer zes of zeven honderd groote en kleine Chineesche huizen in de stad en voor steden waren vernield. Ongeveer 10,000 Chineezen waren om gebracht. Den 16 den October hield de Hooge Regering eene belangrijke vergadering, waarbij eene „Generale amnestie" werd verleend aan alle Chineezen, die zich vrijwillig kwamen onderwerpen. Tegelijker tijd tastte men de muitelingen in de omstreken van de stad die zich bleven verzetten, krachtdadig aan. Men verjoeg hen verder de binnenlanden in. Zoo keerde de rust te Batavia terug en de regeering schreef den 15 d9n November eenen dank, boete en bededag uit, op den 23 sten daaraanvolgende te vieren. Nu werden middelen bedacht om de Chineesehe kolonie weer op de been te brengen. Men was er evenwel huiverig voor om de Chineezen op nieuw in de stad te laten wonen, en een zeker uitgestrekt land, buiten den boom aan de westzijde der groote rivier gelegen, werd tot een vast verblijf der Chineezen aange- 171 wezen. Zoo heeft dus het tegenwoordige Chineesehe kamp aan den in 1740 uitgebarsten opstand zijn bestaan te danken. Ondertusschen was de tijd van de gewoonlijke aankomst der Chineesehe jonken wederom aangebroken. Men was bevreesd, dat zij, hoorende van de pas plaats gehad hebbende moord op de Chineezen, bevreesd zouden zijn Batavia aan te doen en de voordeelige handel met China dan zou verloopen. Men liet in de straten van Singapore en Banka vaartuigen kruisen en op elk der kruisvaartuigen werden een of twee vertrouwde Chi neezen geplaatst, om aan alle jonken, die men ontmoeten mocht, aan te zeggen, dat ze veilig op de reede van Batavia konden ankeren, om even als te voren hunnen handel onge stoord te drijven, mits ze zorg droegen, dat geen van de medegebrachte manschappen elders aan wal werd gezet. Toen dan ook 3 Februari 1741 het bericht van de aankomst der eerste jonken aankwam, hadden de genomen voorzorgen hun doel bereikt en door eene welwillende behandeling te betrachten leed de handel nagenoeg geene schade. Men was ook bevreesd voor den indruk, dien de moord zou maken op de Chineesehe bevolking in China en dat daardoor onze plaatselijke handel aldaar zou worden benadeeld. Men gaf daarom aan een der naar China terugkeerende jonken een brief mede, bestemd voor den Keizer van China om het gebeurde in een verklaarbaar daglicht te plaatsen. De Keizer, die allen die zijn land verlaten hadden niet meer tot zijn onderdanen rekende en niets om hun lot gaf, verwaar digde zich niet op het schrijven eenig antwoord te geven. ') De Chineezen, hoewel uit den omtrek van Batavia ver jaagd, breidden hunne macht steeds uit. De Inlandsche vorsten, die hunne afhankelijkheid van de Compagnie met tegenzin droegen, zagen met genoegen den moeilijken toestand door den opstand der Chineezen geschapen. De regeering begreep dit zelf ook zeer goed, en reeds den I5 den October had zij den Gezag hebbers van Semarang, Bantam en het Opperhoofd te Cheribon bevolen, om met behoedzaamheid van het gebeurde aan den Soesoehoenan, den Sultan en de Prinsen kennis te geven. Hunne betuigingen van vriendschap, trouw en verkleefdheid waren in de ondubbelzinnigste woorden vervat en schenen alle 1). Zie W. R. van Hoëvell: „Batavia in 1740", blz. 106-110. 172 vrees weg te nemen. Zelfs boden de Sultan van Bantam en de Vorsten van Cheribon aan de Compagnie hunnen bijstand aan, en verleenden hulp van troepen en ammunitie. Maar het bleek weldra, dat dit slechts geschiedde om zoo mogelijk de regeering in slaap te wiegen, en dat zij in het geheim de Chineezen in hunne vijandelijkheden aanmoedigden en versterkten. Ook dezen wisten van hun kant zich in de gunst der Javanen in te dringen; velen omhelsden het Mohammedaansche geloof, gaven zich Javaansche namen en titels, en volgden de Javaansche zeden en gebruiken. In de maand Juni 1741 werden de opstandelingen door een macht van 7000 man onder het opperbevel van den Commis saris Roos uit de omstreken van Bekassie verdreven, maar werdra verspreidden zij zich in de Preanger Regentschappen, in het Cheribonsche en verder over geheel Java. Van Semarang ontving men kort daarop de verontrustende tijding dat de geheele omtrek in vollen opstand was, dat regenten zich bij de opstandelingen voegden en dat de Hoofdregent van Semarang zijn hof verlaten had, en de wapenen tegen de Compagnie keerde. De Soesoehoenan Pakoe Boewana II zeide den Chineezen in het geheim toe, dat ze, in het geval de Hollanders van Java werden verjaagd, de zeeplaatsen zouden mogen bezetten, en dus meester van den handel zouden worden; maar hij betuigde aan de regeering, dat al hetgeen door de Javanen was onder nomen tegen de Compagnie, buiten zijn weten geschiedde, en beloofde zelfs zijne krijgsmacht te zullen uitzenden om zijne onderdanen tot hunnen plicht te brengen. Te Semarang werd men door die betuigingen van vriendschap verblind. Men hoorde van alle zijden wel kwaad gerucht, maar vertrouwde toch op de goede gezindheid van den vorst. Men zag zich wel van alle kanten omsingeld; men vernam wel dat Rembang door den vijand was ingenomen en afgeloopen, dat Joana en Demak door de onzen was verlaten, maar men vertrouwde den Soesoehoenan toch, totdat hij eindelijk zijne vermomming afwierp, de sterkte te Kartasoera belegerde, de bezetting allen toevoer afsneed, haar eindelijk verjoeg, den commandant en eenige anderen vermoordde, en de overigen met vrouwen en kinderen gevangen nam. De Soesoehoenan had zijne weifelende houding laten varen toen hij zag dat de Chineezen werkelijke voordeden behaalden, 173 niettegenstaande, tengevolge der uit Semarang gegeven bevelen, op vele der oostwaarts gelegen posten de Chineezen, ook zonder dat zij nog blijk van slechte gezindheid hadden gegeven, waren van kant gemaakt J ). Nu was de oorlog openlijk uitgebarsten. Doch de Soesoehoenan verliet na eenigen tijd de Chineezen en hunnen aanhang, en verzocht weder het vriend- en bondgenootschap met de onzen te vernieuwen. Dit namen wij aan, echter onder voor den Soesoe hoenan zeer bezwarende voorwaarden. Deze waren hoofdzakelijk de volgende: alle krijgsgevangenen moesten worden terug ge geven; aan de Compagnie werden afgestaan: het eiland Madoera, Soerabaja, alles wat daar beoosten ligt tot Balimboangan toe, Rembang, Japara en Semarang met de daaronder behoorende landen. De Chineezen en hun aanhang, zich van den Soesoehoenan verlaten ziende, keerden hunne wapens tegen hem. Zij stelden eenen jongeling, Mas Grendie tot Soesoehoenan aan, onder den titel van Hamangkoerat Hamangkoe Boewana, trokken naar Kartasoera en namen deze hoofdplaats bij verrassing zonder veel tegenstand in, daar Pakoe Boewana, op de tijding van de komst der vijanden, zijn hof in stilte verlaten had. Niet lang echter duurde de regeering van den nieuwen vorst, en al spoedig werd de wettige Soesoehoenan in zijn rijk hersteld. Hiermede was de macht der Chineezen gebroken. De Chineezen gedurende de laatste jaren der Oost-Indische Compagnie. Al vrij spoedig namen de Chineezen weer eene in economischen zin gunstige positie in. Velen traden op als landhuurders en landeigenaren. 2 ) De Compagnie was begonnen met landverkoop, eerst bij taxatie, later bij publieken verkoop. De Javanen, die den grond v óór den afstand bewoonden, bleven daarop gevestigd. In 1739 Werd het hun zelfs verboden te verhuizen, wat toch plaats had. Onder den Gouverneur-Generaal De Klerk zijn bij plakkaat van 31 December 1778 eenige bepalingen gegeven omtrent de ver houding tusschen de opgezetenen en den landheer. De Chi- 1) Zie P. J. Veth: „Java", deel II blz. 144. 2) Zie P. J. Veth, deel 11 , blz. 246. 174 neezen op de particuliere landen waren tot bevordering van den landbouw van de betaling van hoofdgeld vrijgesteld ! ). De uitgevaardigde bepalingen schijnen niet goed opgevolgd te zijn geworden, want later in 1802 hadden, tengevolge van knevelarijen door de Chineezen, onlusten plaats in het Cheri bonsche. Hier en daar werden de Chineezen vermoord en weg gejaagd 2 ). Dit Cheribon werd in het laatst der 18 de eeuw zoowel door de Compagniesdienaren als door de Chineezen beschouwd als te zijn bij uitstek geschikt om groote geldsommen in hunne zakken te doen vloeien. De resident ontving van den Chineeschen fabrikant van looden pitjis (Chineesche duiten) een pachtsom van 1500 rijks daalders 'sjaars, van den pachter der passen voor de Chineezen 2000 rijksdaalders 3 ). De Chineezen onder het bestuur van Daendels. 4 ) Toen Daendels in 1808 het bestuur over Nederlandsch-Indië aanvaardde, verklaarde hij dan ook van Cheribon „ dat dit sedert jaren het meest gedrukte deel van het eiland (Java) was. De residenten en mindere ambtenaren veroorloofden zich allerlei knevelarijen. Zij, zoowel als de Chineezen, huurden dessa's en trokken daarvan, in arbeid en produkten, veel meer dan met de billijkheid bestaanbaar was, terwijl zij aan de opgezetenen veel minder overlieten dan voor hun levensonderhoud vereischt werd. Derhalve waren duizenden Cheribonners, mannen, vrouwen en kinderen om een geringe schuld verpand. De ongelukkigen werden in de huizen hunner schuldeischers, zoo Europeanen als Chineezen, als slaven gehouden, totdat zij hunne schuld hadden afgelost, wat hun meestal onmogelijk was." r> ) Geen wonder dus dat, toen de Gouverneur Engelhard met de Sultans van Cheribon den l ßten September 1808 een nieuw contract aanging, aan de Chineezen het huren van dessa's en het verblijf in de binnenlanden werd verboden. 6 ) Dit verbod werd door Daendels bevestigd, doch in de 1) Zie P. J. Veth, deel 11, blz. 247. 2) id. , blz. 259. 3) id. , blz. 226. 4) id. , blz. 228. 5) id. , blz. 261. 6) id. , blz. 269. 175 Preanger werd de vestiging van Chineezen aangemoedigd om de vrije cultuur van tabak en katjang tanah te bevorderen. Daendels wees aan de Chineezen, die tot dus ver uit deze residentie ge weerd waren, onbebouwde gronden ter nederzetting toe. x ) 2 ) Toen ter tijd lag tusschen de residentiën Tegal en Peka longan het land Oeloe Djami dat voor 5000 rijksdaalders in geld en een leverantie van 300 a 400 kojans rijst aan den kapitein der Chineezen te Semarang verhuurd was. 3 ) De landschappen Panaroekan en Besoeki, grootendeels beantwoordende aan de tegenwoordige regentschappen van dien naam, waren voor eene jaarlijksche opbrengst van 10 kojans rijst en een paar duizend rijksdaalders, later tot 7500 rijks daalders vermeerderd, aan den Kapitein-Chinees van Soerabaja verhuurd. 4 ) Nu is wel merkwaardig het feit, dat de regentschappen °P Java's Noordkust, die in den gunstigsten toestand verkeerden, hun bloei aan het bestuur van Chineezen te danken hadden. Terwijl de Chineezen de bevolking veelal uitzogen, waar zij voor korten tijd afzonderlijke dessa's in huur hadden, waren zij als landheeren op groote schaal beter dan de regenten. Oeloe Djami Wordt door den Gouverneur Van Overstraten het volkrijkste regentschap bewesten Semarang genoemd, en hij geeft als oor zaken daarvan op de billijke behandeling der bevolking, de bevrijding van de gewone heerendiensten en de gegoedheid van den Chinees, waardoor hij in staat was zaaipadi in voorschot te verstrekken en daardoor den landbouw ten zeerste te doen toenemen. De beide eerste redenen golden nog in hoogere mate voor de Chineesche huurlanden in den Oosthoek, de strandvlakten v an Besoeki en Panaroekan. Ook hier waren de heerendiensten nagenoeg geheel afgeschaft en werd de bevolking voor den vereischten arbeid betaald; moerassen werden gedempt, bosschen Uitgeroeid en althans in Besoeki bijna alle bereikbare grond tot den landbouw geschikt gemaakt. En wat niet minder hoog te stellen is: de van den landman gevorderde schatting werd in verhouding tot den oogst gebracht. Gevolgd werd deze wijze !) P- J. Veth, dl. 11., blz. 286. 2) id. , blz. 231. 3 ) id. , blz. 232. 4) id. , blz. 239. 176 van handelen door den regent van het kleine landje Bangil. Deze regent, die van Chineesche afkomst was, had zijn landje zeer voortreffelijk in cultuur gebracht, waarom dan ook Malang en Ngantang onder zijn bestuur werden gesteld. !) In de Ommelanden van Batavia legden de Chineezen zich veelal toe op de suikercultuur. Reeds in 1779 waren er 55 suiker molens , waarvan er 24 aan Europeesche, en 26 aan Chineesche eigenaars behoorden, terwijl er 5, die op grond van de Compagnie stonden, verhuurd werden. 2 ) Onder Daendels bleef de verkoop van landerijen niet tot de omstreken van Batavia beperkt, maar werd ook tot Oost-Java uitgebreid. Behalve eenige grondstukken rondom Semarang en Soerabaja, werden daar zelfs geheele gewesten vervreemd. De Chineesche huurder van Besoeki en Panaroekan kocht beide landen voor een betrekkelijk kleine som, terwijl Probolinggo verkocht werd aan den Kapitein-Chinees van Soerabaja; het bracht een millioen rijksdaalders op, die de kooper aannam in twintig halfjaarlijksche termijnen te betalen. De Chineezen onder het bestuur van Barnes. 3 ) Ook Raffles profiteerde van de diensten van Chineezen als dat in zijn kraam te pas kwam, en wist die diensten goed te beloonen ook. Zoo gaf hij aan den kapitein der Chineezen te Djokjakarta, ter belooning van de diensten die hij aan de Engel schen bewezen had, duizend tjatjah's land, toegewezen uit de domeinen van den Sultan. Toen die Kapitein-Chinees tot den islam was overgegaan, verhief de Sultan hem tot Raden Toe menggoeng. 4 ) Raffles was er overigens op uit om de onder de Chineezen staande landen weer aan de regeering terug te brengen. Van een in 1813 uitgebroken oproer in Probolinggo, waar de bevol king gebukt ging onder zware heffingen tot betaling van de bedongen koopsom, maakte Raffles gebruik om Probolinggo weer terug te koopen. Doch die opstand te Probolinggo diende Raffles ook als voorwendsel om Besoeki en Panaroekan terug te koopen. 1) P. J. Veth, dl. 11, blz. 245. 2) id. , blz. 294. 3) id. id. blz. 307. 4) id. id. blz. 310. 177 Terecht zag de Gouverneur-Generaal van Britsch-Indië, lord Moira, in de laatste daad eene groote onrechtvaardigheid; hij gelastte Raffles beide landen weer aan den Chineeschen eigenaar aan te bieden, die echter schijnt geweigerd te hebben ze opnieuw te aanvaarden en genoegen nam met eene schadeloosstelling in geld en een landgoed in erfpacht, welke vergoeding ook de kinderen van den vermoorden landheer van Probolinggo ont vingen. ] ) Aan Raffles komt ook de eer toe het zout beter verkrijg baar voor de bevolking te hebben gesteld, en de administratie toch voordeeliger voor de regeering te hebben ingericht. Tijdens de compagnie was de zoutaanmaak en handel geheel in handen van de hoofden der Chineezen, die alle gunstig voor de zoutfabrikatie gelegen plaatsen in het Gouvernement van Java's Noordoostkust van de regenten pachtten. De helft van den pachtschat kwam aan de Compagnie; maar de bevolking der zoutdessa's was geheel aan de Chineezen overgeleverd; zij moest voor hen in heerendienst in de zoutpannen werken en hun de gewone belastingen opbrengen, welke laatste meestal reeds den pachtschat dekten, zoodat het zout aan den Chineeschen pachter op niet meer te staan kwam dan de aanzienlijke geschenken, die hij jaarlijks aan den Gouverneur der Noord-Oostkust moest opbrengen. Raffles nu maakte van den zoutaanmaak een Gouvernements monopolie bij de proclamatie en het reglement van 22 November 1813. Voor den aanmaak werden met de bewoners der zout dessa's vrijwillige overeenkomsten aangegaan. De Chineezen na het herstel van het Hollandsche gezag. 2 ) Onder Raffles hadden de Chineezen vrijelijk in de Preanger Regentschappen gezworven, hoewel reeds een plakaat van 1764 hun, buiten bijzondere vergunning, den toegang tot dat gedeelte van Java ontzegd had. Door dat rondzwerven werd het koffie monopolie ernstig bedreigd, omdat Chineesche handelaren de koffie heimelijk opkochten en uitvoerden. Bij' besluit van 6 Juni 1820, Stbl. n°. 22 werd het oude verbod van toegang tot de 1) P. J. Veth, dl. n, blz. 330. 2) ld. , blz. 346. 12 178 Preanger Regentschappen door den Gouverneur-Generaal Van der Cappellen vernieuwd. Deze maatregel moge voor het koffie-monopolie voordeelig ge weest zijn, voor de bevolking was die maatregel allerverderfe lijkst. De Chineezen toch, die het land doorkruisten, brachten den inlander zijne lijnwaden; zij waren de tusschenpersonen tusschen den landbouwer en den groothandelaar. De Europeanen konden die rol niet overnemen, daar ook aan hen bij publicatie van 9 Januari 1821, Stbl n°. 6 verboden werd in de Preanger handel te drijven of er zich te vestigen, zonder schriftelijke vergunning van den Resident. De kleinhandel in de Preanger werd nu geheel gemonopoliseerd door een rijken Chinees te Buitenzorg, die hem dreef door tusschenkomst van Javaansche agenten en, daar alle mededinging geweerd was, zich groote winsten kon toeëigenen. ') Van der Cappellen maakte door het geven van zeer strenge bepalingen bij publicatie van 6 Mei 1823, Stbl. n°. 17 feitelijk geheel een einde aan de landinhuring door Chineezen en andere vreemdelingen, ook door Europeanen, tot dusver in de Vorsten landen geschied. 2 ) Intusschen begon men de Chineezen ook meer en meer als een gevaar voor de openbare rust te beschouwen. Gevallen van samenspannend verzet tegen het Nederlandsche gezag hadden plaats in 1825 te Batavia en Semarang, in 1829 te Batavia, in 1832 te Krawang, in 1836 te Bantam en Batavia. 3 ) In 1839 bracht de Chinees Boengseng, die zich als Arabier voordeed en aan zijn voorgeven kracht bijzette door het gemak, waarmede hij de Arabische taal sprak, in vereeniging met Raden Prawira Sentana, de rust in Djokjakarta ernstig in gevaar. 4 ) „Destijds en later", schrijft de Waal, „bestonden onder ambte naren en ingezetenen in Indië tegen de Chineezen, namelijk tegen de groote meerderheid, dus met volle erkenning van prijzenswaar dige uitzonderingen, nog andere ernstige staatkundige bezwaren. Zij kunnen aldus ongeveer weergegeven worden. In het oog van den type-Chinees heiligt eigenbelang alle middelen. Zelfs de aan- 1) P. J. Veth, dl. 11, blz. 350. 2) E. de Waal, I, blz. 171. 3) P. J. Veth: dl. 11, blz. 398. 4) E. de Waal, I, blz. 172. 179 zienlijke koopman en landeigenaar schaamt zich niet oneerlijk te zijn: getuige een reeks van bedriegelijke bankbreuken. Bij den winkelier, rondventer, ambachtsman, is overvragen, en wel van verscheidene kapitalen boven den prijs, waarop hij zijn diensten of waren schat, algemeen; bij den ambachtsman het vluchten met genoten voorschotten niet zeldzaam. Deze geweten loosheid van den Chinees werkt verderfelijk op de inlanders. De meer ontwikkelden volgen hem na; men bespeurt dan ook, op plaatsen waar veel Chineezen zijn, bij inlandsche rond venters en ambachtslieden in hoogen graad het buitensporige overvragen. De overigen strekken hem tot prooi. Hij verschijnt hun, wan neer zij geen geld en de meeste begeerten hebben; krediet op grove woekerrente maakt hen vaak voor altijd zijn schuldenaars. Slaat de berooide inlander tot diefstal over, het is alweder de Chinees, die hem voor het ontvreemde, geld verschaft. De hoogere inlander verbindt zich met den Chinees door huwelijken. Een aantal inlandsche hoofden zijn verwanten, ook afstammelingen van Chineezen. Moet door deze vermaag schapping de invloed van den vermogenden Chinees toenemen, een wezenlijk politiek overwicht over den inlander verkrijgt hij door het monopolie der pachten van 'slands middelen. De pachter treedt in de binnenlanden op met een steeds ge ëerbiedigden lastbrief van het bestuur. Hoe de Chinees dien misbruikt, hoe bij hem in den regel alles wijkt voor meedoogen loos eigenbelang, bewees elk onderzoek naar de praktijk der passerpacht, elke ontdekte sluikhandel in opium. De geschiedenis dwingt hier bij te voegen: in dien „vroegeren" tyd, den tijd van den geldnood in het moederland, trok het Neder landsche bestuur den pachter voor boven den belastingschuldige. In weerwil van alle milde verzekeringen der wet, werd de inlander feitelijk aan den Chineeschen pachter overgeleverd, voor de knevelarijen des pachters het oog geloken, ja hem bij de publieke opveiling door hooge ambtenaren oogluiking beloofd. Welke politieke betrekking moest uit deze toewijding der hoogste Europeesche ambtenaren aan het staatsbelang voort spruiten, tusschen hen en den vermogenden Chinees? Zijn finan cieele onmisbaarheid begrijpend, zag hij op hen neer. Terwijl zij z °o blijkbaar ongaarne een mindere opbrengst der verpachtingen aan de regeering zouden berichten, stelde hij hen gerust: hij zou voor een goed bod zorgen. 18 gebracht, dat zij nog met hunne familieleden konden terugkeeren. De emigratie bleef voortduren en nam zelfs groote afmetingen aan, toen bij het verdrag van Nanking in 1842 o. a. Amoy werd opengesteld voor den algemeenen handel. In theorie werden aan de emigratie geene belemmeringen meer in den weg gelegd sedert artikel 5 van het tusschen China'en Groot-Britannië gesloten verdrag van 24 October 1860 bepaalde: „Zijne Majesteit de Keizer van China zal door een bijzonder edict de Gouverneurs-Generaal van alle provincies gelasten, in hun gebied bekend te maken, dat het aan alle Chineesehe onder danen vrijstaat, naar de Britsche koloniën of andere vreemde landen te emigreeren en met Britsche onderdanen arbeidscon tracten af te sluiten." In de praktijk was het emigreeren evenwel allesbehalve aan lokkelijk daar de emigranten bij hun terugkeer aan allerlei knevelarijen bloot stonden. Intusschen drong de Chineesehe regeering herhaaldelijk er op aan, den koeliehandel te Macao tegen te gaan, aangezien die meer en meer op slavenhandel begon te gelijken. Om aan dien handel een einde te maken werd den sden5 den Maart 1866 tusschen de ge zanten van Groot Britannië en Frankrijk eenerzij ds, en het Tsung li-Yamen anderszij ds, een verdrag omtrent de emigratie gesloten, tot welk verdrag later Pruisen, Rusland, de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en in 1873 ook Nederland toetraden. De Fransche regeering weigerde evenwel de ratificatie en stelde eenige veranderingen voor, die de goedkeuring van Enge land wegdroegen. China protesteerde en de onderhandelingen werden daarna verlegd naar Londen en Parijs, waaropeen aldaar uitgewerkt „Reglement International d'Emigration" in 23 artikelen in 1867 naar Peking gezonden werd. De Chineesehe regeering nam met dit reglement geen genoe gen, zoodat het niet in werking kwam. Het oorspronkelijke ontwerp werd door haar afgekondigd, doch door den tegenstand der mogendheden, welke met China reeds verdragen hadden afgesloten, zijn de -bepalingen nooit opgevolgd. Maar ook de Chineesehe regeering zelve hield zich niet aan het door haar afgekondigde reglement ! ), zooals bleek toen Deli-planters 1) De officieele vertaling van het reglement is opgenomen op blz. 27 in de bijlage A van dit hoofdstuk. 180 Tegelijk is de vermogende Chinees metterdaad de meerdere of de begunstiger van menigen Europeaan, wiens beroep mede brengt geld te verdienen. Geldelijke meerderheid nu laat gemeen lijk niet na, zich te gevoelen en te doen gevoelen. Vandaar in de verhouding van den vermogenden Chinees tot den Europeaan een opvallende wijziging, vergeleken met hetgeen zij bijvoorbeeld na 1816 was. In 1837 schreef eene commissie van notabelen te Batavia: „Het ontzag van den Chinees is thans zoo gedaald, dat de Europeaan, welken rang hij ook bekleedt, alle omzichtigheid moet gebruiken om niet op de openbare wegen door wagens en bendie. over reden te worden. Op de openbare verkoopingen scheppen rijke Chineezen er behagen in, door het bieden van buitensporige prijzen de Europeesche gegadigden, en in het bijzonder die van rang, te leur te stellen. Zij voeren er dikwijls het hoogste woord."" Geen wonder dan ook, dat bij besluit van den Gouverneur- Generaal van 14 November 1837, N°. 1, de aanbreng van Chineesehe nieuwelingen werd verboden, met intrekking van al het daarmede strijdige. Dit verbod vinden wij in Stbl. 1837, N°. 58, luidende: a. De aanbreng van zoogenaamde Chineesehe nieuwelingen op Java, onverschillig van waar en op welke plaats, is voortaan en totdat deswege anders zal zijn beslist, verboden. b. Voor eiken Chinees, die, in contraventie van het voorschreven verbod, mocht worden aan land gezet, zal eene geldboete worden verbenrd van f6O (vijftig gulden) zilvergeld, te verhalen op den aanvoerder of den gezaghebber van het schip of vaartuig, waarmede de aanvoer geschiedt. c. Dien onverminderd zal de aanvoerder of gezaghebber van het betrokken schip of vaartuig verplicht zijn, iederen aangebrachten chineeschen nieuweling weder uit te voeren; zullende hij wijders verbeuren eene boete van fSO (vijftig gulden) zilvergeld voor iederen chinees, die zich, bij het vertrek van het schip of vaartuig, niet aan boord mocht bevinden of waarvan niet blijkt, dat hij weder van Java vertrokken of intusschen overleden is. d. Ter handhaving van de voorschreven bepalingen, zal de betrokken plaatselijke autoriteit verplicht zijn om, zoowel bij de aankomst als bij het vertrek der schepen of vaartuigen, waarmede de in deze bedoelde aanvoer gewoonlijk plaats vindt, het aan boord aanwezige getal der zoogenaamde nieuwelingen nauwkeurig te doen constateeren, en zal aan de gezagvoerders van zoodanige schepen of vaartuigen geen verlof tot vertrek worden gegeven, alvorens gebleken zij, dat door hen niet in contraventie der tegenwoordige bepalingen is gehandeld; zullende hun deze bepalingen, bij derzelver aan- 181 komst ter reede, door of van wege de betrokken plaatselijke autoriteit moeten worden medegedeeld. e. Onder het tegenwoordig verbod zijn niet begrepen zoodanige Chineezen, die door het Gouvernement tot speciale einden mochten worden ontboden. Aanteekening. Stbl. 1838, N°. 40 verplicht een ieder, die huisvesting verleent aan Chineesehe nieuwelingen, daarvan binnen 24 uren aan de politie kennis te geven, onder verbeurte eener boete van / 100. — Stbl. 1846, N°. 16 vordert de borgstelling voor onderhoud, bedrag en kosten van eventueele terugzending van Chineesehe nieuwelingen door twee hunner op de plaats van aankomst gevestigde landgenooten, welke bepaling bij Stbl. 1860, N°. 68 van toepassing is verklaard voor de residentie Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo. — Het verbod tegen den aanbreng van Chineesehe nieuwelingen op Java is bij Stbl. 1844, N°. 5 gedurende enkele jaren buiten werking gesteld voor de hoofdstad Batavia, voor zooveel betreft ambachtslieden, die terstond bij aankomst onder een bekenden geschikten baas in dienst kunnen treden. — De bepalingen van Stbl. 1837, N°. 58 en Stbl. 1838, N u . 40 zijn toepasselijk verklaard: bij Stbl. 1846, N°. 25 op het eiland Banka, en bij Stbl. 1853, N°. 56 voor de Westerafdeeling van Borneo, welk verbod voor laatstgenoemd gewest echter bn' Stbl. N°. 80 is ingetrokken ! ) - -2) Toen Duymaer van Twist als Gouverneur-Generaal optrad, kreeg hij na de aanvaarding van het bestuur hoogst ongunstige indrukken omtrent de Chineezen. De in den bundel „berichten over de werking der passerpacht" beschreven kwellingen en afzetterijen, door Chineezen den weer loozen inlander aangedaan, schreiden ten hemel. In 1851 werd dan ook de passerpacht afgeschaft. Bij het verdwijnen van dit middel onderging de politieke kracht van den Chinees een ge duchten knak. In het midden van 1851 vernam de resident van Japara door geheime nasporingen, dat de Chineezen te zijnent en elders het plan smeedden, om op een feestdag in Augustus, indien zich dan een gunstig verschijnsel vertoonde, een beslissenden stap te doen, betere voorwaarden omtrent verblijf af te dwingen, enz. Op 1) Zie J. Boudewijnse en G. H. van Soest. De Indo-Nederlandsche Wet geving. Tweede deel, blz. 216. 2) Zie E. de Waal, I, blz. 175-183. 182 zyn betoog zond de regeering naar Japara een kompagnie Afri kanen en 40 man kavalerie. Daar en elders werden een aantal Chineezen genoeg schuldig bevonden om in hechtenis genomen, 19 om uit Nederlandsch-Indië verwijderd te worden. De afkondi ging van Stbl. 1851, N°. 63 was er ook het gevolg van. (Zie verder het Hoofdstuk: De Chineesche geheime genootschappen). Talrijke ontduikingen van 'slands rechten door Chineezen, vooral ten opzichte der opiumpacht kwamen aan het licht. Alleen in Rembang en Pasoeroean werden in 1852 niet minder dan 25 kisten gesloken opium achterhaald, en wat men daarbij bevond duidde op een veel grootere hoeveelheid, die ontsnapte. De hoofdaanleggers van dezen sluikhandel waren rijke Chineezen. Men betrapte er enkelen, meest pachters en onderpachters, ook suikerfabrikanten. De vermogende sluikers in Pasoeroean, door huwelijken aan verscheidene inlandsche hoofden verwant, bij de bevolking zeer ontzien, sloegen tegen den resident, toen deze den getrouwen en kundigen patih van Pasoeroean met een onderzoek belastte, een verregaand stoutmoedigen toon aan. De Gouverneur-Generaal verbande drie van hen voor onbepaalden tijd naar Banda, drie naar Ternate en twee naar Ambon, om er te verblijven onder streng toezicht der politie. Voor dit bevel bukten zij. Wegens hun voorafgegane openbare trotseeringen des bestuurs, werd het op openbare, plechtige wijze voltrokken. Nadat zij in hechtenis genomen waren, verscheen in den vroegen morgen van 10 Maart 1855 onverwachts een oorlogstoomschip der eerste klasse ter reede van Pasoeroean. Al spoedig ver spreidde zich onder alle standen der bevolking de mare, dat daarmede de Chineesche „ groote heeren" buiten Java zouden worden „ uitgeworpen". Duizenden stroomden langs de beide oevers van de rivier samen, om het naar boord brengen bij te wonen. Gelijk vanzelf spreekt geschiedde dit vrij langdurig ver voer onder behoorlijk gewapend geleide. Rust en orde werden geen oogenblik verstoord. Bovenstaande feiten brachten de Indische regeering er toe om een minder vrijgevige staatkunde jegens de Chineezen te volgen. De uitzonderingen op het verbod van den aanvoer van nieuwe lingen werden met 1 Juli 1852 ingetrokken, en beperking der aanwezige Chineezen werd als beginsel op den voorgrond gesteld. De talrijke Chineezen in de residentie Semarang werden bijeen gebracht in zes verblijfplaatsen (wijken of kampen), die in 183 Rembang in slechts drie, in Krawang in vier. Die daarbuiten woonden moesten binnen een bepaalden tijd verhuizen, tenzij zij gebezigd werden bij de pachten of op de landbouwonderne mingen, of wel op de hoofdplaatsen van distrikten vastigheden bezaten van minstens f SOO waarde; deze eigendommen mochten echter bij overgang niet meer door Chineezen bewoond worden. In Rembang werden langs de kust niet minder dan 20 Chineesche vestigingen geheel opgebroken. Ook door toepasselijkverklaring op Vreemde Oosterlingen van sommige deelen der wetboeken voor Europeanen (Stbl. 1855, N°. 79) trachtte men de Chineezen te beteugelen. De Europeesche koopman zou daardoor meer vat hebben op den Chinees bij bedriegerijen. Ook de regeering in Nederland achtte nu beteugeling en be perking der Chineezen noodig. In het Regeeringsreglement van 1854 werd de verplichting tot het wonen in wijken voorgeschreven. (Artikel 73. Zie blz. 145). Tot aanwijzing der wijken werd in October 1856 aan den heer E. de Waal opgedragen, om na overleg met de gewestelijke besturen, voorstellen te doen. Dit overleg had mondeling plaats gedurende een reis in de jaren 1856 en 1857, doch door ziekte bereisde de Waal slechts elf gewesten. De door hem geraad pleegde residenten kwamen met hem hoofdzakelijk overeen, om bij de in te dienen voorstellen uit te gaan van het beginsel: zooveel mogelijk beteugeling der Chineezen. Voortdurende wering van Chineesche nieuwelingen dus, de in Nederlandsch-Indië aanwezige Chineezen samen te brengen in een klein getal wijken, geen wijken aan te wijzen dan waar een Europeesch ambtenaar, met politiemacht bekleed, het gezag voert, of wel in de on middelijke nabijheid van zulk een ambtenaar. Geen Chinee sche hoofden beneden den rang van officier aan te stellen; want de zoogenaamde wijkmeesters bieden zeer weinig waar borgen aan. De Chineezen buiten de wijken moeten staan onder het inlandsche bestuur. Voorloopig bleef het bij die voorstellen; eerst in 1866 werden bij Stbl. N°. 56 en 57, nieuwe regelen omtrent toelating en verblijf van Chineezen gegeven, in een geheel anderen geest dan die overheerschend was in de jaren 1851—1856. De bepa lingen werden in 1872 bij Stbl. N°. 42, nog in iets milderen geest herzien. (Zie blz. 131). 184 Uit een politiek oogpunt is ten opzichte der Chineezen nog van belang het medegedeelde in het Koloniaal Verslag van 1887 waar men leest: „In Tegal en Pekalongan bleken onder een deel der daar gevestigde Chineezen, namelijk de singkehs (in China geborenen), woelingen voorbereid te worden, waarop ook in bh' het bestuur ontvangen anonyme brieven gedoeld was. Het verscherpte bestuurstoezicht op de gangen van sommige Chineezen uitgeoefend, belette dat de plannen tot rijpheid kwamen. Vermoedelijk waren de maatregelen tot bestrijding van den sluikhandel in opium aan de zaak niet vreemd. Zeker is het, ,-door enkele arrestatiën en huiszoekingen aan het licht gebracht, dat o. a. te Klidang (Pekalongan) en te Tegal werkelijk oproerige neigingen onder Chineezen hadden bestaan, met ver takkingen te Batang (Pekalongan) en te Semarang." Na dien tijd zijn de Chineezen rustige onderdanen van het Ned.-Indische Gouvernement geweest. Omtrent de in de laatste jaren op den voorgrond getreden Chineesche kwestie zal hierna worden gehandeld. B. DE TEGENWOORDIGE TOESTAND DER CHINEEZEN OP JAVA EN MADOERA. a. De beteekenis der Chineezen op Java en Madoera in verge lijking met die der andere bevolkingsgroepen in Nederlandsch-Indië. De door de volkstelling van 1905 verkregen bevolkingscijfers *), welke, wat aangaat de Europeanen en Chineezen, veel vertrouwen verdienen, en die, betreffende de inlanders, met de noodige restrictie behooren te worden aangenomen, toonen aan, dat van de 563.449 Chineezen ultimo 1905 in Nederlandsch-Indië aan wezig, er 295.193 op Java en Madoera wonen, en 268.256 inde Buitenbezittingen, dus wat aangaat die beide gebieden in de verhouding van 10: 9 ongeveer. In 1880 bedroegen de cijfers voor Java en Madoera 206.931 Chineezen en voor de Buitenbezittingen 136.862 dus in 25 jaren voor Java en Madoera eene vermeerdering van 88.262 of 44 °/ 0 1) Zie de bijlagen I (blz. 207), en la (blz. 208). 185 en voor de Buitenbezittingen 131.394 Chineezen of bijna 50 °/ 9 . Hiertoe heeft Sumatra's Oostkust het meeste bijgedragen. In dat tijdvak 1880—1905 steeg op Java en Madoera het aantal Europeanen van 33.708 tot 64.917. , Arabieren , 10.506 „ 19.148. , andere Vr. O. „ 2.547 „ 2.842. „ inlanders „ ruim 19,5 millioen tot ruim 29,7 millioen. De percentsgewijze toename der Chineezen op Java blijft dus belangrijk achter bij die der Europeanen en Arabieren, welke categoriën van personen nagenoeg verdubbeld zijn, en nog meer achter bij de percentsgewijze toename der Inlanders, die bijna 53 °/o bedroeg. Waar in 1880 de Chineezen nog iets meer dan 1 °/ 0 der totale bevolking, toen bijna 19,8 millioen bedragende, uitmaakten, bleven zij in 1905 beneden de 1 °/ 0 . Terwijl in 1880 de verhou ding der Europeanen tot de Chineezen was ongeveer van 2:12, was die in 1905 van 2:9. Gaan we na hoe de verspreiding der Chineezen op Java en Madoera is, dan zien we, dat bijna het derde deel van het totale aantal, gevestigd is in de residentie Batavia, waar de Chineezen ongeveer 4,5 °/ 0 der bevolking uitmaken; in Cheribon vormen zij nog ongeveer 1,3 °/ 0 der bevolking, overal elders blijven zij beneden de 1 °/ 0 , terwijl de verhouding tot de totale bevolking het ge ringst is in Madoera, waar die nog geen 1/5 °/ 0 is. Men moet bij die verhoudingscijfers vooral niet vergeten dat de Chineezen gecontrentreerd zijn op plaatsen, waar wijken voor hen zijn aangewezen, en dat ruim 1/5 van het totale aantal der Chineezen op Java en Madoera gevestigd is in de drie voor naamste handelssteden; immers Batavia telt 28.150, Semarang 13.636 en Soerabaja 14.843 Chineesehe inwoners, te zamen 56.629 Chineezen. In elk gewest van Java en Madoera zijn de Chineezen voor het grootste deel gevestigd op de gewestelijke en afdeelings hoofdplaatsen (uitgezonderd de gewesten Batavia, Cheribon en Banjoemas). Het sterkst geconcentreerd zijn de Chineezen in de residentie Djokjakarta, waar nagenoeg allen zijn gevestigd op de hoofdplaats. Van de 295.193 Chineezen op Java en Madoera wonen er 168.472 °P de gewestelijke en afdeelingshoofdplaatsen (Bangkalan niet mede gerekend). Van de overige 126.721 Chineezen elders in de 186 gewesten wonenden, zijn er nog 72.606 gevestigd in de residenties Batavia en Cheribon, zoodat voor geheel overig Java en Madoera slechts 54.115 Chineezen wonen buiten de gewestelijke en af deelingshoofdplaatsen. Wanneer men bedenkt dat hiervan het grootste aandeel woont op de onderafdeelingshoofdplaatsen, dan ziet men hoe zeer weinig Chineezen wonen buiten de onmiddelijke nabijheid van Euro peesche bestuursambtenaren, hoe streng het wijkenstelsel de Chineezen weert uit de binnenlanden van Java en Madoera J ). In de Buitenbezittingen steeg het aantal Europeanen in het tijdvak 1880—1905 van 7.966 tot 15.993 en verdubbelde dus ongeveer, evenals dat met de Chineezen het geval is geweest. De verhouding van de Europeanen tot de Chineezen is hier gebleven van 1:17. De meeste Chineezen vinden wij in de residenties Sumatra's Oostkust, Riouw, Banka en de Westerafdeeling van Borneo, die tezamen 209.798 Chineezen tellen, terwijl alle andere gewesten der Buitenbezittingen gezamelijk] slechts 58.458 Chineezen tellen. Gezamenlijk maken de Chineezen in de Buitenbezittingen ongeveer 3,5 °/ 0 der totale bevolking uit. In Sumatra's Oostkust vormen zij ruim 17°/ 0 , in Riouw op Banka 38 °/ 0 en in de Westerafdeeling van Borneo ongeveer 11 °/ 0 der totale bevolking. Men krijgt al dadelijk eene voorstelling van de geheel andere omstandigheden, waarin de Chineezen op Java en Madoera leven in tegenstelling met die op de Buitenbezittingen, indien men let op de cijfers betrekking hebbende op het verschillend ge slacht. Op Java en Madoera waren er ult°. December 1905 van het mannelijk geslacht 157.870 personen tegen 137.323 van het vrouwelijk geslacht, terwijl de cijfers zijn voor de belangrijkste Chineezengewesten der Buitenbezittingen: 1) Zie bijlage 16 (blz. 209). 187 b. Het ontstaan der Chineesehe kwestie op Java en Madoera. Wanneer we thans de Chineezen op Java en Madoera nader beschouwen, dan is een der eerste vragen die zich aan ons op doet: hoe komt het nu, dat we in de laatste jaren, tegenover die slechts 1 °/ 0 der bevolking uitmakende Chineezen in eene zoo moeilijke positie zijn gekomen? Tot voor kort hebben wij hen slechts gekend als vreedzame burgers'), gehoorzame onder danen, goede belasting betalers 2 ), die oogenschijnlijk met ons bestuur geheel tevreden waren. Van waar die veranderde houding, die vrij plotseling zich uitende ontevredenheid? Duurde diemis öoegdheid wellicht al lang en is de openbaring er van het gevolg van het wegtrekken van het gordijn, dat den bestaanden toestand voor onze oogen verborg? Wij hebben wel sedert onzen komst in den archipel tegenover de Chineezen, die zich toen reeds aldaar bevonden, en tegen over hunne later komende rasgenooten, eene steeds wisselende 1) Zie bijlage H (blz. 213). 2) Zie bijlage 111 (blz. 214) en lila (blz. 215). Hier zij nog aangeteekend, dat volgens het K. V. 1908 in de belasting op de bedrijfs- en andere inkomsten °P Java en Madoera in 1907 waren aangeslagen 71.298 Vr. O. over een totaal bedrag van de belastingplichtige inkomens van f 21,003,410,60 5 . Het bedrag van den aanslag was f 775,665.61. Voor de Buitenbezittingen bedroeg het aantal aangeslagenen 166,270; het totaal bedrag van de belastingplichtige inkomens f 40,201,304.675; het totaal bedrag van den aanslag f 1,246,587.80 5 . Zoowel op Java en Madoera als in de Buitenbezittingen is de belasting progressief. 188 houding aangenomen. Dan weer werden de Chineezen als onmis bare elementen beschouwd, van wie veel nut en voordeel ge trokken konden worden, dan weer werden zij met wantrouwen gade geslagen; hunne komst op Java werd dan zooveel mogelijk belemmerd. Ja, eens ging de haat jegens hen zoo ver, dat in 1740 bij eene groote moordpartij meer dan 10.000 Chineezen werden afgemaakt. En toch, van eene Chineesehe kwestie in de gedaante, zooals zij thans te voorschijn is getreden, was in vroegere jaren geen sprake. Men had toen alleen te maken met de verhouding tusschen de regeering en de Chineezen. Bij alle maatregelen, ten opzichte der Chineezen genomen, beoogde de regeering, toen deze nog was de koopmansregeering van de Oost-Indische Com pagnie, alleen de belangen dier Compagnie, toen zij later was vertegenwoordigster van het rijk in Europa, de belangen van het moederland. Of daarbij werden geschaad de belangen van de in Indië wonende Europeanen, of van de Inlanders, kwam er betrekkelijk weinig op aan. Daar de regeering nagenoeg uitsluitend lette op de belangen van den fiscus, was het niet te verwonderen, dat zij de Chi neezen weerde uit de binnenlanden, indien deze lieden daar als hare concurrenten dreigden op te treden, doch hunne toe lating toestond, waar de pachtmiddelen zulks vereischten. Wat zouden de opbrengsten der opium-, pandhuis- en speelpachten enz. zijn geweest, indien men den Chineeschen bondgenoot in de binnenlanden niet had gehad? Waar men den Chinees dikwerf hard viel om zijn schraapzucht, zijne uitbuiting ten nadeele der inlandsche bevolking, vergete men niet, dat achter den Chinees stond de regeering, die, in hare onderdanen vooral eene bron van geldelijk voordeel ziende, voor eene ren dabele exploitatie van die bron den Chinees in dienst nam. Toen met de veranderde tijdsomstandigheden en opvattingen van koloniaal bestuur, de regeering overging tot eigen beheer van de vroeger verpachte middelen, schakelde zij den Chinees uit hare verhouding tot de inlandsche maatschappij. De Chinees, met zijn kapitaal geplaatst buiten het arbeidsveld, totdusver zoo voordeelig door hem bewerkt, zag om naar andere terreinen voor plaatsing van zijne vrijgekomen gelden. Was tevoren de Chineesche kwestie, zoo zij al mocht bestaan hebben, eene, die de regeering en hare Chineesche onderdanen betrof, nu nam zij 189 eene andere gedaante aan en bedreigde den Europeeschen kolonist. De kapitaal-krachtige Chinees zag weldra in, dat, waar hem de toegang tot de inlandsche maatschappij geheel was afgesloten, hij zich moest opwerken tot de tot dusver alleen door Europeanen ingenomen positie, wilde hij de vele beletselen voor de vrije ontwikkeling van zijne economische talenten doen vallen. De tijdgeest was hem gunstig. Met krachtige hand had deze het Oosten toegankelijk gemaakt voor het Westersche weten. En toen een der Oostersche rijken zich met het wapen in de vuist had doen opnemen in de rij dier mogendheden, die zich zei ven als dragers der hoogste menschelijke beschaving be schouwen , verloor het blanke ras in de oogen van den Oosterling het monopolie van superioriteit. Het bewustzijn drong tot hem door van de mogelijkheid om de meerdere kennis van den Wes terling eveneens in zich op te nemen, en met dat bewustzijn ontstond bij de hoogststaanden der verschillende rassen der Oostersche maatschappij de drang naar onderwys. Op Java nu nam de Chinees in het streven naar ontwikkeling eene voorste plaats in. Luider dan de stem van den bescheiden Javaan liet hij zijn eisch om onderwijs weerklinken, en toen de regeering met Hollandsche bedachtzaamheid wat lang uit bleef met de vervulling der billijke verlangens, hielp de Chinees zich zelf, en allerwegen verrezen de scholen der opgerichte Tiong Hoa Hwe Koan-vereeniging. Waar hulp der Hollandsche regeering in den eersten tijd op zich liet wachten, bood China steun, en de regeering van dit land, profiteerende van de voor haar gunstige stemming van de Java-Chineezen, zond inspecteurs en mandarijnen om de, zij het misschien uit baatzuchtige overwegingen betoonde gevoelens van trouw en aanhankelijkheid, te versterken >). De beste leerlingen der Chineesehe scholen op Java liet de Chineesehe regeering op hare kosten naar Nanking overkomen, daardoor een bewijs van belangstelling gevende, dat dubbel gewaardeerd werd, waar het Hollandsche bestuur tot dusver zoo stiefmoederlijk had gehandeld. Zoo zag menig Ja va-Chinees den weg, die naar de positie van 1) En met succes! Men leze in de Ned.-Indische dagbladen, hoe bij elk vernieuwd bezoek, het laatst door den regeeringscommissaris Ong Tay Tjeng met twee Chineesche oorlogschepen, gebracht, steeds meerdere aanhankelijk heid wordt betoond. (Vide o. a. Bat. Nbld. 15 April 1909). 19 trachtten contract-koelies te krijgen met inachtneming van die vastgestelde bepalingen. En toen in 1874 eene naar Havanna gezonden Chineesehe commissie aan hare regeering verslag uit bracht over de zeer slechte behandeling der Chineesehe arbeiders in Cuba en Peru, lag het voor de hand, dat bij het sluiten van het Spaansch-Chineesch verdrag van 17 October 1877 de emigratie onder contract uitdrukkelijk werd verboden. Slechts zij, die bij vrijwillig vertrek naar het buitenland, uit eigen middelen de reiskosten betaalden, kregen vergunning te emi greeren. Deze bepalingen werden nu ook van kracht verklaard voor alle verdragsstaten, doch op de vertogen van de Vreemde Mogendheden, dat China niet zonder hen te raadplegen, de be palingen van de vroeger met hen gesloten verdragen kon wijzi gen , gaf China toe, en de bepalingen van het Spaansch-Chineesch verdrag bleven dan ook alleen gelden voor Cuba. Met de bedoeling om de Chineezen, die in het buitenland tot rijkdom waren gekomen weer naar hun vaderland terug te halen, Werd het in 1728 gegeven verbod tot terugkeer in China bij keizerlijk edict van 13 September 1893 ingetrokken, en den ambtenaren werd gelast, aan de terugkeerende emigranten den meest mogelij ken steun te verleenen. De in het buitenland ge vestigde, aldaar rijk geworden Chineezen, lieten zich echter niet verlokken om terug te komen. Op voorstel van den gouverneur van Foehkiën werd bij keizerlijk edict van 24 Mei 1899 eene soort van kamer van koophandel te Amoy opgericht, waarin geene regeeringsambte naren of beambten zitting mogen hebben, voor welke categoriën Van personen de teruggekeerde emigranten eene groote vrees schijnen te hebben. Op dezelfde wijze werd later te Swatow eene dergelijke kamer van koophandel gevormd, waarvan de openbaar gemaakte statuten luiden als volgt: nDe bescherming van de uit het buitenland teruggekeerde emigranten, is de voornaamste taak van de kamer van koophandel, teruggekeerde emigranten worden door hunne landslieden lastig gevallen. Zoodra namelijk zij met hunne spaarpenningen terugkeeren, worden zij van alle kanten aangesproken over schuld vorderingen, die hun geheel onbekend zijn. Ook komen van alle kanten bloedverwanten op hen af met verzoek om geld te 190 gelijkwaardigheid met den Europeaan zou leiden, gaan in eene richting via China, verwachtte hij van dat land de opruiming der bepalingen, die hem als ras achteruit zetten. Meer dan ooit ging hij zich Vreemden Oosterling, Chinees van China voelen, om des te meer kans te hebben, langs diplomatieken weg de gelijkstelling met Europeanen te verkrijgen. Hebben de Chineezen, die zulks deden, den juisten weg ge kozen ? Men mag het betwijfelen. Immers, onze regeering kan en mag niet toelaten, dat thans, op aandrang van China, aan alle Chineezen de gelijkstelling met Europeanen wordt verleend, zoolang niet tal van onze wetten zijn gewijzigd. Door alle Chi neezen tot de positie van den Europeaan te verheffen, plegen wij een groot onrecht tegenover de klasse van hoogstaande in landers, die ons met recht voor de voeten zullen gooien, dat wij hen achterstellen bij den minsten Chineeschen koelie. Wat zullen de gevolgen wezen der gelijkstelling der Java- Chineezen voor de wet met Europeanen? Laten wij, alvorens die vraag te beantwoorden, eerst nagaan I hoe de huidige economische positie der Chineezen is. Volgens de in 1905 verzamelde gegevens betreffende de be roepen en bedrijven, J ) zien wij, dat 20,500 Europeanen een beroep uitoefenen tegen 77,700 Vreemde Oosterlingen 2 ). Weinig concurrentie van Vreemde Oosterlingen ondervinden een kleine 10,000 Europeanen, die direct of indirect aan het Gouvernement hun levensonderhoud danken, zooals ambtenaren, gepensionneerden, notarissen enz. De resteerende ruim 10,500 Europeanen onder houden zich, evenals de Vreemde Oosterlingen door handel, nijverheid, landbouw en andere beroepen. De statistiek wijst aan, dat in den handel zijn betrokken 2,400 Europeanen naast 32,000 Vreemde Oosterlingen. In het alge meen kan men zeggen dat de Europeesche en de Chineesche handel elkander aanvullen ; immers de eerste is groot-, de laatste tweede handshandel. Als 2 do handshandelaar kan de Europeaan bijna niet 1) Zie de bijlagen IV (blz. 216), en IVa (blz. 218). 2) Afzonderlijke gegevens voor de Chineezen alleen zijn niet gepubliceerd; men gelieve bij de beoordeeling der toestanden, uit die cijfers afgeleid, er wel op te willen letten, dat in die cijfers zijn begrepen ook de andere Vr. O. 191 I tegen den Chinees concurreeren; deze is op dat terrein zoo goed als alleen-heerscher, en daarvan gebruikmakende kan hij, door aan een sluiting, druk uitoefenen op den Europeeschen groothandelaar. De plaats gehad hebbende boycots hebben dat bewezen. Als groot handelaar ondervindt de Europeaan bovendien de mededinging van de vroeger in gouvernementspachten vastliggende, sedert vrijgekomen Chineesche grootkapitalen. Door gelijkstelling der Chineezen met Europeanen zal hunne 2 de handshandel, wegens het daardoor ontstane vrije verkeer op Java, nog krachtiger worden; en voor de toekomst zal een opkomen van den Europeeschen kleinhandelaarsstand zeer moei lijk zijn. Voor de inlandsche bevolking daarentegen is die instrooming van Chineesche handelaren in de dessa's niet altijd en overal nadeelig. Wanneer men de afdeelingsverslagen van de Mindere Welvaartcommissie inziet en wel die, behandelende de uitkomst der onderzoekingen naar handel en nijverheid, dan vindt men de meest verschillende antwoorden op de vraag (N°. 369 c. welke vraag luidt): „Wordt de uitbreiding van den handel be lemmerd door toelating en verblijf van Oostersche vreemdelingen in de binnenlanden, waardoor de inlandsche handelaar als het Ware verdrongen wordt?" >) Die antwoorden hebben het nadeel van zeer subjectief te zijn, doch zijn aan den anderen kant leerzaam, omdat zij de mee ningen leeren kennen van de commissies van onderzoek, hoofd zakelijk van de officiëele bestuurders dus. In het algemeen genomen is men in West-Java zeer voor, in Oost-Ja va tegen de toelating van den Chineeschen handelaar in de binnenlanden, terwijl in Midden-Java de voor- en nadeelen even groot worden geacht. Doch een onbelemmerd toelaten der Chineezen wordt bijna nergens wenschelijk geacht. Steeds houdt men vast aan de voorwaarden: „strenge controle" en .tijdelijkheid der te verleenen vergunning" om bij gebleken misbruiken dadelijk tot intrekking te kunnen overgaan. Waar de antwoorden aldus luiden kan men niet verwachten, dat de regeering zondermeer den Chinees voor de wet gelijk zal stellen met den Europeaan. Trouwens, ook het nieuwe artikel 109 van het Regeeringsregle ment maakt uitdrukkelijk onderscheid tusschen: 1) Zie de bijlagen V (blz. 219) en VI (blz. 224). 192 a. bepalingen voor Europeanen, b. „ „ Inlanders; en c. „ „ vreemde Oosterlingen. De bovengestelde voorwaarden, waaronder volgens de Mindere Welvaart-Commissie, de ruimere toelating in de binnenlanden kan geschieden, namelijk „strenge controle" en „tijdelijkheid van de te verleenen vergunning" brengen mede een passenstelsel. Eene algeheele afschaffing daarvan zal de eerstvolgende regeling ons dus waarschijnlijk niet brengen. Trouwens, de Gouverneur- Generaal heeft zelf eene algeheele herziening van het passenstelsel in uitzicht gesteld, geene afschaffing. Ook het behoud van de verplichting tot het wonen in wijken is te verwachten. De statistiek wijst verder aan, dat 4600 Europeanen en 9200 Vreemde Oosterl. hun levensonderhoud in den landbouw vinden. Hier bestaat tusschen beide rassen veel minder belangenstrijd dan in den handel. Van de 9200 landbouwende Vr. O. bevinden er zich reeds 8500 in de residentie Batavia, zoodat voor geheel overig Java slechts 700 Vr. O. tegen den Europeaan in het strijdperk kunnen treden. De Chinees nu is behalve particulier landeigenaar ook erfpachter en inhuurder van gronden der be volking op kleinere schaal. Als concurrent van den Europeaan is hij thans op landbouwgebied hoofdzakelijk te vreezen als particulier landeigenaar. Vroeger was hij door zijn erfrecht, dat gericht was op behoud van het groot-landbezit, veel bevoorrecht boven den Europeaan en den Inlander, die een op verdeeling gericht erfrecht hebben. Thans, nu de bepalingen betrekkelijk de legitieme portie van toepassing zijn verklaard op de erfenissen der Chineezen, is zulks wel verminderd, maar niet geheel, want nog steeds worden alleen de mannelijke erfgenamen tot het erven bij versterf geroepen. De vrees, vroeger wel eens geuit, dat er in de op Java levende maatschappij een machtige stand van Chineesche landeigenaren zal ontstaan, behoeft niet groot te zijn, waar de regeering terugkoop of onteigening der particuliere landerijen in het uitzicht heeft gesteld. Indertijd stelde het kamerlid Mr. Fock voor, om daarbij aan vankelijk alle Vreemde Oosterlingen van de perceelen te ver wijderen, terwijl later wellicht aan enkelen vrijheid zal worden gelaten zich op het tot het staatsdomein teruggebrachte perceel te vestigen. Zoodra de regeering tot den terugkoop of de onteigening 193 overgaat, worden wederom groote Chineesehe kapitalen gedwon gen naar andere beleggingsoorden om te zien, en wordt daarbij de Chineesehe bevolking uit de teruggekochte of onteigende perceelen verdreven, dan zal de thans heerschende ontevreden heid onder de Chineezen een veel grooteren omvang nemen, en mijn inziens, terecht. Ik kan mij dus niet vereenigen met het door Mr. Fock geopperde plan, en zou liever de van hunne landsheerlij ke rechten beroofde Chineezen willen laten waar zij zijn. Met een enkel woord wijs ik hier nog op de waarschijnlijk heid van groote toeneming van clandestien grondbezit door Chineezen in streken, waar de inlander individueel grondbezitter is, zoodra den Chineezen grootere vrijheid van beweging over Java wordt toegestaan »). Bij de door de statistiek opgegeven getallen van 2000 Euro peanen en 6000 Vreemde Oosterlingen, die in nijverheid en ambacht hun bestaan vinden, merken we op, dat ook die personen tegen elkander concurreeren, waarbij thans de Europeaan nog be voorrecht is door zijne betere positie. Doch boven de speciale belangen van den Europeeschen ondernemer staat het algemeen belang, en vooral ten opzichte van een opbloeien van Java in industrieëlen zin, kan de Chinees ons gewichtige diensten be wijzen. Men wil thans door het geven van ambachtsonderwijs den landbouwenden Javaan, voor zoover zulks wenschelijk en mogelijk is, herscheppen in een ambachtsman, doch men vergeet, dat door theoretische kennis alleen, deze gedaanteverwisseling niet in het leven te roepen is. Praktijk is eveneens noodig, en die praktijk kan de Javaan opdoen bij den Chinees. Geef den Chinees mogelijkheid in de binnenlanden industrieën in het leven te roepen, de Javaan zal er van profiteeren. Het is te voorzien, dat bij meerdere vrijmaking van Chi neesche kapitalen (bv. door de opheffing der particuliere lande rijen) ook in nijverheidsondernemingen veel geld zal worden gestoken. Ik wijs hier terloops op de na de invoering der opium- en pandhuisregie opgerichte Chineesche houtaankap maatschappijen, die in Rembang zoo hoogst nuttig voor het algemeen belang werken. 1) Zie de bijlagen VU (blz. 226), "VTH (blz. 231) en IX (blz. 233). 13 194 Ten slotte blijven over 1700 Europeanen en 30,000 Vreemde Oosterlingen, levende door het uitoefenen van diverse beroepen. Wat de Chineezen aangaat, velen hunner zijn loonbedienden en koelies bij hunne eigen rasgenooten en ook bij Europeanen. Hier hebben Europeanen en Chineezen geen belangenstrijd. Tot dusverre stelde ik in het licht eenige gevolgen, verbonden aan eene gelijkstelling van alle Chineezen ') op Java en Madoera met Europeanen, dus in de oogen van hen, die zoo bang zijn voor het toekennen van meerdere rechten aan Chineezen, de ongun stigste mogelijkheid. Maar, zooals men op blz. 203 lezen kan, zoo ver ga ik niet. Volgens het aldaar voorgestelde zullen de \meeste Chineezen, wat rechten en plichten aangaat, gelijkgesteld worden met de Inlanders. Geen Chineezen vrees heeft mij er toe geleid, om alle onont wikkelde Chineezen terug te willen dringen in de inlandsche maatschappij, doch de overweging, dat die personen eerder in de inlandsche, dan in de Europeesche maatschappij behooren. Indien de inlandsche maatschappij die Chineezen in zich op neemt, zal haar zulks ten goede komen; op de wijze, zooals ik boven reeds aangaf, zal de Chineesehe handelaar leven en ver tier in de binnenlanden brengen, hij zal er klein-industriën en ambachten scheppen, hij zal er het drijven van landbouw op hoogeren peil voeren. En, ik wil het hier terloops even opmerken, zoogoed als de ontwikkelde Chineezen voor de wet met de Europeanen gelijk gesteld behooren te worden, dient zulks ook te geschieden met de hoogontwikkelde leden der inlandsche maatschappij, indien zij dat tenminste verzoeken, wat nog de vraag zal zijn. c. Hoe de Chineesche kwestie behoort te worden opgelost. Wij hebben nu in vogelvlucht gezien, waar en hoe de Chineezen op Java en Madoera leven en werken, welke positie zij in de maatschappij aldaar innemen. Zonder mij nu verder te willen verdiepen in de vraag, op welke wijze de regeering de Chineesehe kwestie zal oplossen, eene vraag, die toch niet juist te beantwoorden zal zijn, daar 1) Met inbegrip van alle andere Vreemde Oosterlingen. Zie blz. 190. 195 de regeering hare voornemens in deze slechts voor een deel heeft geopenbaard, wil ik hier eene schets geven van de noodzakelijk te nemen maatregelen om de Chineesehe beweging te brengen in banen, die haar zullen leiden naar het in het algemeen belang gewenschte doel. Allereerst: de kwestie der immigratie. Voor Java, met zijne dichte, steeds toenemende bevolking *) kan eene toestrooming van immigranten alleen wenschelijk zijn, indien de hoedanigheid dier lieden factoren in zich bevat, welke strekken kunnen tot vermeerdering of bespoediging van de ontwikkeling der reeds aanwezige bewoners. Dank zij onze liberale wetgeving te dien opzichte staat Java voor een ieder, bijna zonder eenige restrictie, open, en stroomen dan ook jaarlijks een 4000 tal Chineezen dit voor hen gastvrije land binnen 2 ). Nu bevatten deze arme en berooide, weinig ontwikkelde immigranten geene elementen, die dadelijk mede kunnen werken aan de op heffing van Java, hetzij in geestelijken of in materieelen zin. Zeker, er zullen onder die nieuw-aangekomenen enkele personen zijn, die zich na verloop van tijd kunnen ontwikkelen tot voor de gemeenschap nuttige leden, doch verreweg de meerderheid leidt een armoedig bestaan, en wordt geëxploiteerd door de reeds gevestigde rasgenooten. Java heeft die Singkehs niet noodig; ons eigen belang schrijft ons dus ten hunnen opzichte voor: „sluiting van Java". Onze toelatingswetgeving behoort dus in dien zin veranderd te worden, dat alleen voor welgestelde of bekwame Chineezen Java open staat. Voor de toelating is een eisch naar bekwaam heid of het betalen van een hoog toelatingsrecht noodzakelijk. Bij sluiting van Java voor de arme Singkehs zullen de thans reeds op dat eiland gevestigde Chineezen ter voorziening in de voor hunne zich uitbreidende industrieën vereischte arbeids krachten zich moeten wenden tot de inlandsche bevolking. Daar die vraag naar inlandsche arbeidskrachten geleidelijk aanvangt en toeneemt, zal er gelegenheid zijn voor den Chineeschen werkgever om door gestadige uitbreiding van het inlandsche personeel, dit laatste voor zijne taak berekend te maken. Waar we met de kwestie der immigratie te doen hadden met 1) Zie de bijlagen I (blz. 207) en X (blz. 234). 2) Zie blz. 151. 196 de in Nederlandsch-Indië binnenkomende Chineezen, met de vreemdelingen, zullen we thans onze aandacht een oogenblik wijden aan de in Nederlandsch-Indië gevestigde Chineezen. In welke verhouding staan nu die laatst bedoelde Chineezen tot den staat? Zij zijn ingezetenen, doch geen Nederlan ders, maar wel Nederlandsche onderdanen, hoewel de wetgever dit laatste nergens uitdrukkelijk verklaart. De regeering heeft er zich tot dusver van afgemaakt met eene negatieve bepaling. Zij beschouwt als Nederlandsche onderdanen, ten minste zoo lang dit onderwerp niet door eene speciale wettelijke verordening is geregeld, hen die in Nederlandsch-Indië zijn geboren uit mede aldaar gevestigde ouders, met uitzondering van hen, die als onderdanen van een anderen staat moeten worden erkend. (Bijblad N°. 5909). Door deze laatste zinsnede wordt de geheele bepaling op losse schroeven gezet. Wie worden nu als onderdanen van een anderen staat erkend? Deze vraag is vooral met betrekking tot de in Indië levende Chineezen van belang. Zijn de op Java levende Chineezen onderdanen van den Keizer van China, zij, die van ouder tot ouder op Java woonden, inlandsche vrouwen totecht genooten namen, terwijl bij hen zelfs de Chineesche spreek- en schrijftaal in het vergeetboek raakte? Men kan dat toch moeihjk volhouden. O zeker, onze regeering heeft hen steeds beschouwd als Vreemde Oosterlingen, houdt hen kunstmatig in de cate gorie der vreemdelingen. Doch gesteld, dat China zich wilde mengen in de aangelegenheden der Java-Chineezen met de bewe ring, dat die Java-Chineezen behooren tot de onderdanen van het Chineesche rijk, dan zou onze regeering ongetwijfeld zulk eene inmenging niet dulden, en het beweerde Chineesche onder daanschap niet willen erkennen. Wie is Chinees? Feitelijk is dat eene vraag die thuis hoort op het gebied der ethnologie. Een begrip van nationaliteit kent de Chinees in het algemeen niet. Het woord Chinees duidt aan een rasbegrip. Wel is de Chineesche regeering in den laatsten tijd bezig dat rasbegrip om te zetten in een nationaliteitsbegrip. Die pogingen worden ook gedaan bij de in het buitenland wo nende Chineezen. Deze laatsten, levende onder verlichter regee ringen , zullen eerder dat begrip van nationaliteit in zich kunnen opnemen, dan de talrijke millioenen in de binnenlanden van China zelf. 197 Onze regeering behoort nu de Chineesche voor te zijn. Zij moet, onafhankelijk van China, het onderdaanschap onzer Chi neesche ingezetenen regelen. Br moet worden in het leven geroepen eene algemeene regeling van het Nederlandsche onderdaanschap, aangevende de wijze waarop het wordt verkregen en verloren, benevens de rechten en verplichtingen aan dat onderdaanschap verbonden. Uit die regeling moet volgen: „Nederlandsch onderdaan door geboorte is de Chinees, in Neder landsch-Indië geboren uit aldaar gevestigde ouders." Hierdoor wordt verder voorkomen, dat de in Indië wonende Chineezen zich gaan rekenen te behooren tot het staatsverband van het Chineesche rijk, een denkbeeld dat kans heeft geleidelijk veld te winnen. Wanneer wordt overgegaan tot de toelating van Chineesche consuls, dan zullen die inheemsche Chineezen buiten hunne bemoeienis blijven. Ik kan hier met genoegen constateeren, dat de regeering, getuige de bij Koninklijke Boodschap van den 16 den April 1909 ingediende ontwerpen van wet: 1. tot regeling van het Nederlandsch-onderdaanschap van hen, die herkomstig zijn uit Nederlandsch-Indië, en 2. tot wijziging van wetten in verband met het Nederlandsch onderdaanschap van hen, die herkomstig zijn uit Nederlandsch- Indië , de door mij voorgestane richting uit wil *). Nadat we de kwestiën van immigratie en onderdaanschap zullen hebben geregeld, kunnen we overgaan tot behandeling van de eischen, die de Jong-Chineesche partij op Java thans laat hooren. Die eischen betreffen: I°. opheffing van het passenstelsel en van de verplichting tot het wonen in wijken, 2°. het verkrijgen van beter onderwijs, en 3°. zoo mogelijk, en dit is wel de belangrijkste eisch, volkomen gelijkstelling met Europeanen. Wat nu het passenstelsel en de verplichting tot het wonen in wijken aangaat, we hebben te voren reeds even opgemerkt 2 ) dat beiden bestendigd zullen worden in de door de regeering te geven nieuwe regeling. In een Gouvernementsbesluit van den 1) Zie bijlage XI (blz. 235). 2) Zie blz. 191. 198 16 den Januari 1905 n\ 222 a spreekt de Gouverneur-Generaal de hoop uit dat de nieuwe wijkenordonnantie spoedig zal kunnen verschijnen en hij verlangt intusschen, dat met het terugzenden naar de voor hen aangewezen wijken van Chineezen, die gedu rende meerdere jaren als rustige ingezetenen in de dessa's hebben gewoond, zal worden gewacht, totdat de nieuwe ordon nantie zal zijn tot stand gekomen, aangezien er een voorschrift in is opgenomen, waardoor dergelijke langdurige vestigingen zullen worden gewettigd. (Bijblad N°. 6312, zie blz. 147). Aan de verlangens der Chineezen x ) zal dus niet geheel worden voldaan, doch uit het bovenstaande concludeer ik met genoegen, dat de regeering eene liberaler regeling zal geven, dan velen harer adviseurs wenschelijk achten, die de Chineezen zooveel mogelijk uit de binnenlanden willen houden. En toch, de tijd zal komen, of de regeering wil of niet, dat het passenstelsel en het systeem van opsluiting in wijken ver vallen zullen. In onze eeuw van steeds vermeerderend verkeer per boot, per spoor en tram, weldra ook per automobiel, zal de handhaving van het passenstelsel spoedig gevoeld worden als zulk eene belemmering van de persoonlijke vrijheid, zal blijken zulk een beletsel te zijn voor het drijven van handel, dat de onhoudbaarheid dier maatregelen ieder duidelijk zal zijn. Terecht, immers, nadat op de wijze, zooals ik reeds aangaf, het overgroote deel dier Chineesehe bevolking tot onze onder danen zal zijn verklaard, is eene handhaving van dwangwetten voor slechts het één honderdste deel der bevolking van Java ter bescherming van de rest, gelijk aan eene verklaring van minderwaardigheid van die rest, welke zij niet verdient. Is de 1) Het bestuur van de Tiong Hoa Hwe Koan vereeniging schreef mij: „Het behoeft geen nader betoog voor hen, die Indië kennen, dat het vragen van passen beteekent: zich onderwerpen aan allerlei afpersing en willekeur van lagere en hoogere ambtenaren. De praktijk heeft geleerd dat slechts de goeden door het passenstelsel getroffen worden; zij toch hebben niet graag, dat voor zulk een overtreding zij voor de „rol" moeten verschijnen, gevolg hiervan: belemmering der Chineezen in hunne werkzaamheden." Waar de slechte elementen onder de Chineezen geen, of wel andermans passen gebruiken, en door omkooperijen van de lagere inlandsche beambten zich van straf weten te verschoonen, is de vraag, of het nut van het passen stelsel wel opweegt tegen de groote nadeelen daaraan verbonden, wel ter overdenking waard. 199 Javaan dan zoo economisch zwak, dat een enkele Chinees hem ten verderve stort? Neen, vrijheid van beweging voor al onze onderdanen, daar moet het heen. Deinst de regeering terug om dadelijk, in eens, die vrijheid te decreteeren, zij kan overgangsmaatregelen treffen, die den gewenschten toestand zullen inleiden. Die maatregelen moeten van tijdelijken aard zijn, bestemd om spoedig te ver dwijnen. De tijdelijkheid ervan moet niet zijn van die soort, die een gooi doet naar de eeuwigheid, zooals in Nederlandsch-Indië wel eens voorkomt. Bij wijze van overgangsmaatregel kan bv. al dadelijk worden toegestaan aan eiken Chinees, voorzien van een identiteitsbewijs, om zich zonder pas te bewegen langs alle heerendienstwegen op Java en Madoera, en te overnachten op alle districts- en onder districtshoofdplaatsen aan die wegen gelegen. In verband hier mede moet aan eiken in Nederlandsch-Indië geboren Chinees worden toegestaan zich metterwoon te vestigen op de hoofd plaatsen der districten en onderdistricten. Vreest men voor een inwonen der Chineezen tusschen de woningen der Europeanen, dan kan men voor sommige gedeelten van de hoofdplaatsen van gewesten en afdeelingen bepalen, dat daar alleen Europeanen en de met hen gelijkgestelden mogen wonen, met behoud natuurlijk van reeds verkregen rechten van personen van andere landaarden, die er zich reeds op mochten hebben gevestigd. Aldus werkt men het ontstaan van Europeesche buurten in de hand. Door opheffing van het passen- en wij ken-stelsel zal de inlander vertrouwd raken met den omgang met den Chinees, hij zal van hem kunnen leeren en profiteeren. Wel zal een enkele in den beginne benadeeld worden, doch deze geringe debetzijde zal ruimschoots worden opgewogen door het voordeel van: den inlander rijp te hebben gemaakt voor aanrakingen met andere volkeren, met andere rassen, dan waartoe hij zelf behoort, hem te hebben opgeleid voor een succesvolle intrede in het wereldverkeer. Wij moeten niet steeds den inlander beschouwen als een plantje, dat wij in de broeikas moeten groot brengen. „Alleen strijd, de harde, de louterende, de veredelende strijd, zal hem tot vollen wasdom kunnen brengen" ] ). En waar die strijd onder ons toe- 1) Zie Romer: „Chineezenvrees", Vragen des tijds 1897. 2 x ) Zoo is het steeds toenemen der bevolking de hoofdoorzaak der landverhuizing. Daar landverhuizing op zich zelf, op hoe groote schaal ook toegepast, nimmer de aanwas der bevolking kan stuiten, zal, zoolang niet op andere wijzen de bevolkings toename wordt tegengegaan, de emigratie een dagelijksch ver schijnsel zijn. Slechts voor een klein land kan de emigratie het cijfer der bevolking doen dalen. In lerland is door haar de bevolking gedaald van 8.179.000 in 1842 tot 4.700.000 in 1891. Verschillende wijzen van emigratie. 2 ) De moderne landverhuizing heeft een geheel ander karakter dan die in vroegere eeuwen. De nomaden-volkeren trokken eer tijds van het eene land naar het andere om voedsel voor hunne kudden vee te zoeken. Het waren de hoofden van familiën die met hunne bloed- en aanverwanten, onderhoorigen en slaven, zich in andere oorden nederlieten. In latere tijden kreeg men de verwoestende invallen van barbaarsche stammen, die zich voor korteren of langeren tijd ophielden tusschen de door hen onderworpenen. Nog later zien wij hoe stoutmoedige avonturiers er op uittrekken om goud of andere rijkdommen te bemachtigen, en in nieuw ontdekte streken blijven wonen. Ook verlieten velen om redenen van godsdienst vrijwillig of gedwongen hun land om zich in verwijderde streken daar te vestigen waar zij het dierbare geloof rustig konden belijden. De tegenwoordige emigratie geschiedt niet meer door eene menigte, die gezamelijk eene onderneming en hetzelfde doel beoogt, maar door een groot aantal personen, die ieder voor zich handelen, zonder in eenige betrekking te staan tot hunne mede reizigers. Wetten en regelingen betreffende de emigratie. Waar vroeger het recht om te emigreeren met het oog op de landsverdediging dikwerf door vorsten en regeeringen aan de onderdanen werd onthouden, is thans overal het beginsel van de persoonlijke vrijheid erkend. De thans heerschende wetten en regelingen betreffende de emigratie hebben ten doel zooveel 1) Zie Mr. N. G. Pierson, dl. 2, blz. 181. Zie Wörterbuch der Volkswirtschaft, blz. 278 en vgd. 2) Zie M. Luigi Bodo, blz. 555 en vgd. 20 leenen. Stelt men die lieden niet tevreden, dan worden tegen de teruggekeerde emigranten allerlei valsche klachten ingediend, waardoor zij allerlei overlast ondervinden, in hechtenis genomen worden, enz. Bovendien worden zij door de koelies, die hen van boord halen, bedrogen en bestolen. Ook de tolambtenaren zetten hen af. Dit alles nu tegen te gaan, is de voornaamste taak van de kamer van koophandel." In de eerste jaren moeten werkelijk de beroovingen en afper singen, naar men zegt, veel minder geworden zijn. Het staat te bezien of dit op den duur ook het geval zal zijn. Bij keizerlijk edict van 12 October 1899 werd nog aan alle gezanten en consulaten gelast, de Chineezen, die zich bevinden in het gebied waarvoor zij zijn aangesteld, zooveel mogelijk te helpen en te ondersteunen. Emigratie uit Foehkiën. De emigratie uit Foehkiën heeft voornamelijk plaats over Amoy. In deze plaats zijn verscheidene Chineesehe firma's ge vestigd, die zich uitsluitend met de emigratie occupeeren. Tot ver in het binnenland hebben die firma's hunne agentschappen, die zooveel mogelijk koelies trachten te werven en naar de hoofdfirma te Amoy transporteeren. Daar worden zij gehuisvest en, bij voldoende aantal, naar het buitenland vervoerd. Menschen roof wordt met zware straffen bedreigd, en om een aanklacht van de achtergeblevene familieleden te ontgaan, verzekeren de werfagenten zich daarom te voren van de toestemming dier familie leden. Doch hoevele knoeierijen hebben daarbij niet plaats! Menigmaal ziet men dan ook familieleden even voor het vertrek van het schip, dat emigranten zal vervoeren, aan boord komen om naar verdwenen familieleden te zoeken. Herhaaldelijk kan men lezen van gestolen kinderen en jonge vrouwen, die door gewetenlooze werfagenten naar het buitenland worden verkocht. Ook de emigranten zelf worden dikwijls misleid. Men brengt hen naar geheel andere plaatsen, dan waarvoor zij zijn aan geworven. Onder bedreiging met geweld berusten zij er meestal in, doch soms noodzaken zij den gezagvoerder van een schip om den steven te wenden naar het oord van de hun beloofde bestemming. 200 zicht, onder onze leiding gestreden zal kunnen worden, waar wij de eventueel slechte gevolgen ervan zullen kunnen opheffen, daar is het onze plicht den inlander zelf dien kamp te laten voeren; hij mag niet, als tot dus ver, alleen lijdelijk toeschouwer blijven in den strijd, dien wij, in zijnen naam, voeren tegen het gele ras '). Ik ben nu genaderd aan de verlangens naar beter onderwijs en naar gelijkstelling met Europeanen. Te voren wees ik op enkele gevolgen, die naar mijn oordeel, verbonden zouden zijn aan de gelijkstelling met Europeanen. Eene gelijkstelling van alle Chineezen met Europeanen zal door de regeering in den eersten tijd niet geschieden. Trouwens, de meeste Chineezen op Java, gehuwd met inlandsche vrouwen, zelf veel inlandsch bloed in de aderen hebbende, daar hunne moeders tot hetzelfde gekruiste ras behooren als hunne echtge nooten, staan door die herhaalde bloedmengingen veel dichter bij den inlander dan bij den Europeaan. Doch hiertegenover staat, dat ook bij vele Europeanen in Nederlandsch-Indië het inlandsche bloed overwegend is. En toch voelt hij zich Europeaan, zooals de halfbloed Chinees zich Chinees voelt. Verwacht nu de Chinees door het ingrijpen van den wetgever, dat de Europeaan hem, als hij door de wet tot diens gelijke is verklaard, nu ook in den kring van zijn maatschappelijk leven zal trekken? Zulk eene verwachting, gesteld dat hij die koesterde, zal niet verwezentlijkt worden. De Europeaan zal op hem blijven neerzien met gevoelens van minachting, van afkeer, van haat misschien, doch nooit zal hun wederzijdsch verkeer dat karakter aannemen, dat men zien kan tusschen Europeanen onderling. Ik neem hier het eene ras in zijn geheel tegenover het andere. Ongetwijfeld zullen er onder beide rassen individuen aangetroffen worden, die vrij zijn van rassen-antipathiën, doch deze negatieve karakter-eigenschappen zullen voorshands alleen aangetroffen worden bij de hoogststaanden der beide rassen. Ik ben hiermede gekomen op het gebied van de rassenkwestie, waarin ik mij niet verder wil verdiepen 2 ). Toch wil ik hier enkele opmerkingen maken ter beoordeeling 1) Zie bijlage XH (blz. 246). 2) Zie: „De Rassenkwestie" door S. 8,. Steinmetz. De Gids 1907, eerste deel, blz. 104-139. 201 van wat de regeering eischt met betrekking tot den Chinees, alvorens deze gelijkgesteld kan worden met den Europeaan *). De eisch, dien ik hier op het oog heb, en die alles beheerscht, is, dat het betrokken Hoofd van Gewestelijk Bestuur moet ver klaren of de Chinees bezit: geschiktheid voor de Europeesche maatschappij. In de praktijk vat men dit zoo op, dat, wie geschikt is voor de Europeesche maatschappij, niet meer past in de Chineesehe. Feitelijk moet de Chinees al vereuropeescht zijn, wil hij behooren tot de met Europeanen gelijkgestelden. Door dien eisch sluit de regeering alle Chineezen uit, die hun rasgevoel hoog houden, Chinees willen blijven jn handel en wandel. Is die eisch billijk? Neen, want voor de regeering moeten alle rassen gelijkwaardig zijn; zij mag het Chineesehe ras niet lager stellen dan het Europeesche; zij behoort in te zien, dat de Chinees de gelijke kan zijn van den Europeaan, al blijft hij Chinees. Wil de met Europeanen gelijkgestelde Chinees blijven leven in de Chineesehe maatschappij, omdat hij niet geschikt is voor de Europeesche, dan is dat zijn eigen zaak. De Europeesche maatschappij neemt zulk eenen Chinees toch niet als de gelijke van den Europeaan in zich op, verdraagt hem hoogstens; vol doende reden dunkt ons, dat de Chinees wil blijven in zijn oude omgeving. De regeering laat immers ook den Europeaan vrij om te leven in de Chineesehe of inlandsche maatschappij, als hij zulks verkiest. Voor de gelijkstelling met Europeanen zoude ik willen hebben een eisch van bewaamheid, het afleggen van een examen in de Hollandsche taal. Maar ook alleen dien eisch, dus geen verklaring of de Chinees geschikt is voor de Europeesche maatschappij. Zoo zoude b.v. een ieder, die de Hollandsch-Chineesche school met succes heeft doorloopen, gelijkgesteld behooren te worden met Europeanen. Van dezen maatregel kan echter alleen profi teeren de hedendaagsche Chineesehe jeugd. Voor de ouderen kunnen dan worden ingesteld cursussen in de Hollandsche taal, en zij, die na een speciaal daarover gehouden onderzoek, blijk geven van de Hollandsche taal goed te kunnen spreken en schrijven, moeten op hun verzoek ook gelijkgesteld worden met Europeanen. 1) Zie: Hoofdstuk „De Rechtstoestand der Chineezen in Nederlandsch-Indië ". 202 „De taal is gansch het volk". Waar we onze Chineesehe ingezetenen er toe brengen die taal te leeren spreken en schrijven, hen kennis te doen nemen van wat onze beste schrijvers hebben gezegd, hen Hollandsche couranten te doen lezen, Hollandsche denkwijzen in zich te laten opnemen, dan zullen we hen ook nader gebracht hebben tot ons, Hollanders. En onder de ouderen zal er nog nog eene heele schare zijn, die, in beschaving niet de mindere van een groot deel der Neder landers in Indië, toch niet in staat zijn die cursussen in de Hollandsche taal te volgen. Voor hen moeten de bestaande eischen voorloopig nog blijven bestaan. Trouwens, de thans geldende voorwaarden om gelijkgesteld te worden met Europeanen zijn op papier goed genoeg, doch in de praktijk, waar het oordeel van den plaatselijken en gewestelijken Europeeschen bestuurder den doorslag geeft, blijkt de regeling veel te eng, want menig bestuurder is te veel vooringenomen tegen den Chinees. Men zie slechts naar de rapporten van de Mindere Welvaart- Commissie i ). Ik verwijs o. a. naar het medegedeelde onder Batavia (blz. 219) waar men tracht de Chineesehe vestigingen tot een minimum te beperken, hoewel erkend wordt dat de Vreemde Oosterling over het algemeen goeden invloed uitoefent als opkooper van inlandsche producten. Zie ook het medegedeelde onder Preanger Regentschappen, waar blijkt dat niet de Chineezen, doch de inlanders, arabieren en Europeanen de grootste woekeraars zijn. Toch stelt men ook weer beperkende maatregelen voor de Chineezen alleen voor, (bedoeld zal in elk geval wel zijn ook voor de arabieren) instede van maatregelen te bepleiten tegen den woekeraar in het algemeen. Zie, hoe de afdeelingen Tegal en Salatiga al wat Chineesch is bij voorbaat uit den booze acht. Zie het rapport van de afdeeling Bangkalan, waar eerst het voordeel voor den inlander wordt uiteengezet van eene veelvuldige aanraking met den Vreemden Oosterling, en men toch ver meerdering van deze laatsten wenscht te voorkomen en strenge toepassing eischt van de beperkende bepalingen ten opzichte van het in de binnenlanden verblijf houden van de Chineezen. Ook de dagbladpers brengt menig geval van dien anti-Chineezen geest ter sprake, terwijl zelfs de regeering het helaas nog noo- 1) Zie bijlage V , blz. 219. 203 dig geacht heeft, den hoofden van gewestelijk bestuur aan te schrijven, den landsdienaren op te dragen om inlanders en Vreemde Oosterlingen op behoorlijke wijze te behandelen 1 ); hoewel de inlanders hier nog er bij genoemd worden, was hoogstwaar schijnlijk de behandeling der Chineezen de aanleidende oorzaak der aanschrijving. Zie ook de inhoud van bijblad N°. 6700, opge nomen op blz. 137, waar het nog noodig geoordeeld werd eene beleefde behandeling van Chineezen voor te schrijven. Om nu aan de Chineezen de gelegenheid te geven zich te ont trekken aan dien anti-Chineezengeest, om aan hen zelf de moge heid van gelijkstelling met Europeanen in handen te geven, stel ik bovenbedoelden examen-eisch voor. Voor de Chineezen, die niet dat examen gedaan hebben, moet de inlandsche maatschappij worden opengesteld. Op hen moeten zooveel mogelijk dezelfde publiekrechtelijke bepalingen worden toegepast, als die welke gelden voor de inlanders. Wat de privaatrechtelijke bepalingen betreft, geen toepassing van zuiver Chineesch familierecht, hoogstens handhaving van het Indo- Chineesche recht. Waar wij hier staan tegenover de niet-bezittende klasse der Chineesehe ingezetenen, immers de gegoeden onder hen zullen weldra onder de Europeesche wetgeving staan, daar zal eene regeling van hun familie- en erfrecht gevoegelijk kunnen geschieden in den geest door ons zelf het best geoordeeld, zonder dat zulks ontevredenheid zal opwekken, want dit idieele nadeel voor den armen Chinees wordt ruimschoots opgewogen door de groote reëele voordcelen, verkregen door toepasselijk verklaring op de Chineezen van de voor de inlanders geldende publiek rechtelijke bepalingen. Thans, in verband met het bovenstaande, een enkel woord over het bestuur over de Chineezen op Java en Madoera 2 ). 1) Bij circulaire van den algemeenen secretaris aan de hoofden van ge westelijk bestuur, van 20 Augustus 1904, N°. 3222, bijblad n°. 6061, werd den landsdienaren opgedragen om inlanders en Vreemde Oosterlingen op be hoorlijke wijze te behandelen; immers het was de regeering opgevallen, dat de behandeling dier personen meermalen nog te wenschen liet. Soms vinden de gewraakte handelingen hare oorzaak in minachting van het niet Euro peesche gedeelte van het publiek; maar ook andere motieven laten zich soms gelden, als de zucht om voor bijzonder flink of onkreukbaar door te gaan, of iets dergelijks. 2) Zie voor meerdere bijzonderheden het Hoofdstuk: „De Rechtstoestand der Chineezen in Nederlandsch-Indië." 204 Als de ontwikkelde Chineezen zullen zijn gekomen onder de Europeesche wetgeving, en op de overigen de voor inlanders geldende verordeningen zullen worden toegepast, zijn de z. g. n. Chineesche officieren overbodig geworden. De eene categorie van Chineezen komt direct onder het Europeesche bestuur, de andere onder het inlandsche. Dit sluit niet uit dat in belangrijke Chi neesche centra's ook Chineezen als bestuursambtenaren kunnen optreden, doch deze moeten dan vervullen de functiën die elders de inlandsche ambtenaren uitoefenen, zooals bijvoorbeeld thans reeds het geval is in de Westerafdeeling van Borneo. Op Java en Madoera zijn de Chineesche officieren geen be stuurders; zij heeten te zijn de adviseurs in zaken betreffende Chineesche volksinstellingen en gebruiken, doch zijn, de enkele goeden niet te na gesproken, totaal ongeschikt voor hun taak. Wel is waar zouden zij van nut behooren te zijn bij het bestuur en de rechtspraak over de Singkehs, maar het meerendeel der Chineesche hoofden verstaat zelfs de taal dier nieuwelingen niet, en toont ook weinig belangstelling voor die arme immigranten. Het weinige nut dat van die hoofden kan worden getrokken, zal nog geringer worden, als, zooals ik aangaf, de immigratie zal worden belemmerd. Voor toezicht op de dan in aantal sterk verminderde immigranten kan partij worden getrokken van de kennis onzer ambtenaren van Chineesche zaken, die dan een werkkring behooren te hebben, overeenkomende met die van de „Protectors of Chinese" in de Straits. Thans wordt te weinig geprofiteerd van de bekwaamheden dier ambtenaren, en zulks moet op de goeden onder hen zeker deprimeerend werken. Ten slotte: de onderwijskwestie. Deze kwestie heeft een tal rijk deel der Chineesche ingezetenen in Nederlandsch-Indië geruimen tijd in spanning gehouden. Het wachten eindelijk moede, sloegen de Chineezen zelf de handen ineen, en overal richtten zij scholen op, waar de kinderen Westersche weten schappen zouden kunnen opdoen. Het aantal dier scholen be draagt thans 75 met 150 onderwijzers en ruim 5500 leerlingen. De regeering is evenwel in 1908 aan de vraag naar onderwijs tegemoet gekomen op eene wijze, die allen lof verdient, en naar mijn meening, voorloopig voldoende is. Zij heeft de inlandsche scholen voor alle Chineesche kinderen toegankelijk gemaakt op volkomen dezelfde voorwaarden als voor de toelating van inlanders gelden; ook voor de toelating 205 op de openbare Europeesche lagere scholen worden zij volkomen op gelijken voet met de inlanders behandeld. Bevoorrecht boven de inlanders zijn de Chineezen door de oprichting van de Hol landsch-Chineesche scholen. Immers, de Directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid is verplicht die scholen op te richten, op plaatsen, waar de behoefte daaraan is gebleken. Die scholen zijn bestemd voor Chineesehe kinderen, die ingevolge art. 14 van het Europeesche schoolreglement (Stbl. 1894 N°. 193) ] ) geen plaatsing vinden op de Europeesche scholen, doch wier ouders verlangen, dat zij Europeesch onderwijs zullen genieten. Wanneer komen de Hollandsch-„lnlandsche" scholen? Het onderwijs aan een Hollandsch-Chineesche school wordt geheel in het Nederlandsch en overeenkomstig het leerplan der Europeesche lagere scholen gegeven. Hoezeer die scholen door de Chineezen worden gewaardeerd blijkt uit het feit dat, waar die scholen werden geopend, thans alleen nog maar op de drie hoofdplaatsen van Java en op Makasser, de klassen direct gevuld waren. 2 ) 1) Art. 14, Stbl. 1894, N». 193 luidt: 1. Uitgezonderd de kinderen bedoeld bij alinea 5 van art. 24, worden Inlanders en met dezen gelijkgestelden slechts toegelaten [op Europeesche scholen] wanneer zij de Nederlandsche taal voldoende verstaan en spreken om de lessen der laagste klasse te kunnen volgen. 2. Zij mogen den leeftijd van ongeveer zeven jaren niet overschreden hebben, tenware zij blijken geven reeds de aan een hoogeren leeftijd gestelde vorde ringen, vooral in de Nederlandsche taal, gemaakt te hebben, zoodat zij ge plaatst kunnen worden in eene afdeeling, waar kinderen van hunnen leeftijd onderwijs ontvangen. 3. Geene verdere toelating vindt plaats, wanneer zij dreigt ten gevolge te hebben dat kinderen van Europeanen, wegens overbevolking van de school of van de klasse, afgewezen moeten worden. 4. De in de vorige alinea's gestelde bepalingen, zoomede die betrekkelijk het schoolgeld in art. 24, zijn niet van toepassing, wanneer, ter beoordeeling v an den Gouverneur-Generaal, het in 's lands belang wenschelijk is er in bijzondere gevallen van af te wijken. Alinea 5 van artikel 24 luidt: Kinderen van mindere inlandsche militairen afkomstig uit de residentiën Menado, Amboina, Ternate en Timor, die den Christelijken godsdienst be lijden en zich buiten deze vier gewesten bevinden, kunnen mits op den voet van de alinea's 2 en 3 van art. 14, tot de openbare lagere scholen gratis Worden toegelaten; alinea 4 van dat artikel is op hen niet van toepassing. 2) Zie voor meerdere bijzonderheden omtrent het onderwijs der Chineezen, het daaromtrent medegedeelde in bijlage Xni (blz. 247). 206 Zijn de ontwikkelde Chineezen tevreden? Men hoore de woorden, gesproken door den Kapitein-Chinees Tan Siauw Lip bij de opening van de Hollandsch-Chineesche school te Semarang. Hij zeide: „Nu heb ik nog een wensch en die is, dat het gouvernement, dat nu voor ons begint te zorgen en aan onzen wensch tegemoet komt wat betreft het onderwijs aan Chineezen, het daarbij niet moge laten blijven en nu het begonnen is onderwijs te ver schaffen aan onze kinderen, zoo goed als aan die der Europe anen, dat het de deur een weinig verder moge openzetten en dat aan onze kinderen zal worden toegestaan, examen te mogen afleggen zooals de Hollandsche kinderen, en bij welslagen in die examens, ook geroepen mogen worden tot denzelfden arbeid als de Hollandsche." Lezer! Dezelfde arbeid! Er is naar mijn meening niets, dat zoo bevorderend is voor wederzijdsche waardeering, wederzijdsche toenadering als: dezelfde arbeid. Immers, dezelfde arbeid brengt mede wisseling van gedachten, kan geleidelijk voeren tot ge zamenlijken arbeid. Gezamelijke arbeid brengt mede het leven in een zelfde milieu. Het langdurig leven van het blanke en het gele ras in een zelfde milieu verzacht de rassen-antipathie, versterkt den geest van verdraagzaamheid, leidt het gedachten leven in dezelfde banen, bevordert door de wet der erfelijkheid de gelijkwording van beider geestelijk vermogen, geestelijk kunnen, totdat in de verre toekomst het verschil tusschen Euro peaan en Chinees bijna alleen zal zijn de kleur van de huid. Dat kan zijn een ideaal, het voorshands onbereikbare eind. Het begin, dat is belangstelling, belangstelling voor onzen Chineeschen medeburger van Nederlandsch-Indië. En die belangstelling op te wekken, waar zij nog niet be stond, te verhoogen, waar zij reeds was, is het doel van dit geschrift. 207 Bijlage I. (Zie blz. 184). Java en Madoera. Wat aangaat de uitkomsten der bevolkings-opnemingen is de nauwkeurigheid van sommige gegevens, volgens deskundig oor deel aan gegronden twijfel onderhevig. In de bovenstaande opgaven is het personeel van leger en vloot niet begrepen. 208 Bijlage la. (Zie blz. 184). Buitenbezittingen. 209 Bijlage 16. (Zie blz. 186). Aantooning van het aantal Chineezen op de gewestelijke en afdeelingsplaatsen van Java en Madoera, in vergelijking met het aantal Chineezen in de verschillende gewesten gevestigd buiten die hoofdplaatsen, afgeleid uit de opneming van 1905. 21 Emigratie uit Kwangtoeng. Hongkong en Swatow zijn de havenplaatsen, waar zich de emigranten uit de provincie Kwangtoeng inschepen. Voor zoover de emigratie van Swatow uifc geschiedt, staat zij onder controle van de Chineesehe regeering, in tegenstelling met de emigratie uit Foehkiën, die geheel buiten bemoeienis van de autoriteiten blijft. De oorzaak van de regeeringsbemoeienis te Swatow is gelegen in het feit, dat in 1888 een emigrantenagent, Siao-A-Kai geheeten, veroordeeld werd wegens ontvoering van een koelie met geweld. De consuls der Vreemde Mogendheden boden toen aan den gouverneur van Kwangtoeng een ontwerp-regeling van de emigratie ter beoordeeling aan, welke door dien gouverneur Werd goedgekeurd en afgekondigd. Volgens deze regeling mogen slechts goed ter naam en faam bekende lieden licenties tot het houden van emigrantenbureaus bekomen. De licentiehouders moeten eene borgstelling storten, en voor het vertrek der boot moeten zij aan den betrokken ambtenaar eene lijst toezenden, waarop vermeld staan naam, ouderdom en bestemming van eiken emigrant. Met deze lijst begeeft zich een Chineesehe beambte aan boord en vraagt aan eiken koelie of hij vrijwillig en door niemand verleid, emigreert. Op papier is dus de regeling voldoende, maar in de praktijk laat zij veel te wenschen over. De Chineesehe ambtenaren zien m deze regeling weer een milde bron van inkomsten, vooral Wanneer buitenlandsche mogendheden ongewild de afpersingen bevorderen, door te eischen, dat elke immigrant bij zijne toelating in het bezit moet zijn van een, door het Chineesehe bestuur af gegeven, legitimatie-pas, zooals zulks door de Vereenigde Staten van Amerika geëischt werd voor de immigranten die in de Philippijnsche eilanden wilden immigreeren. Conventie tusschen Engeland en China. Nog dient vermeld te worden dat in 1904 tusschen het Ver enigd Koninkrijk en China eene conventie werd gesloten in zake bet gebruiken van Chineesehe werkkrachten in de Britsche Koloniën en Protectoraten. De vertaling van die conventie vindt men afgedrukt als bijlage B van dit hoofdstuk op blz. 33. 210 211 212 a) Zonder Bangkalan. b) Niet opgegeven. 213 Bijlage 11. (Zie blz. 187). Totaal aantal beklaagden in misdrijf-zaken bij de verschillende rechtscolleges in Nederlandsch-Indië verdeeld naar geslacht en landaard 1 ). Wanneer men de bovenstaande cijfers vergelijkt met het aan tal inwoners van verschillenden landaard in Nederlandsch-Indië in 1905 n. 1. 80.910 Europeanen, 616.007 Vreemde Oosterlingen en 37.020.460 Inlanders, dan blijkt dat er op 1000 Europeanen per jaar voorkwam 1.9 beklaagde 1000 Vr. Oosterl. „ „ „ 1.04 „ 1000 Inlanders „ „ „ 4.9 „ Hoe gunstig steken de Vreemde Oosterlingen, waarvan de Chineezen het hoofdbestanddeel vormen, af bij de overige cate goriën der bevolking, ook al neemt men aan, dat het aantal Inlanders onjuist, bv. een paar honderdduizend te weinig, is op gegeven. Het verschil is nog meer ten gunste dier Vreemde Ooster lingen, wanneer men bedenkt, dat bij hen het mannelijk geslacht zoo overwegend is, en de statistiek aantoont, dat in verhouding zeer veel meer mannen dan vrouwen als beklaagden terecht staan. 1) Zie de Jaarcijfers 1906, blz. 46. 214 Bijlage 111. (Zie blz. 187). x ) Bedrij fsbelasting der Chineezen. Bovenstaande cijfers leeren ons dat op de Buitenbezittingen zoowel het getal aangeslagenen als het bedrag van den aanslag in sterkere mate toeneemt dan op Java en Madoera. 1) Zie de Jaarcijfers 1906, blz. 113. * Het bedrag van den aanslag was samengevoegd bij dat der inlanders en andere Vreemde Oosterlingen. Bijlagk lila. (Zie blz. 187). Aantal Chineezen in de bedrijfsbelasting aangeslagen naar klassen van aanslag. 215 216 Uit vorenstaande cijfers valt af te leiden dat, indien de heffingen alle jaren werkelijk voor Java en Madoera 4°/ 0 en voor de Buitenbezittingen 2% van het belastbaar inkomen hebben bedragen, het aantal arme Chineezen voor beide gebiedsdeelen van Nederlandsch-Indië vrij constant blijft (de abnormale cijfers van 1904 voor Java en Madoera buiten rekening latende), ter wijl het aantal gegoede en rijke Chineezen toeneemt, zoowel absoluut als relatief. Veel waarde kan men aan die gevolg trekking, waarover in enkele dagbladen in Nederlandsch-Indië reeds een alarmkreet is geslagen over het toenemende Chineesche gevaar, niet hechten, aangezien de premisse: elk jaar gelijk matige aanslag van 4°/ 0 en 2°/ 0 van het belastbaar inkomen, in de praktijk niet opgaat. leder, die belast is geweest met den aanslag, weet uit ervaring, dat de raming van het belastbaar inkomen dikwijls een slag in den blinde is, waarbij de cijfers van den vorigen aanslag tot basis strekken, met een sterk uitge sproken tendens om steeds hooger aan te slaan, terwijl tegen gevraagde verlagingen vaak bezwaren worden gemaakt. Bijlage IV. (Zie blz. 190). Gaan wij de beroepen en bedrijven na der Europeesche en daarmede gelijkgestelde bevolking, dan vinden wij de volgende opgaven volgens de vijfjaarlïjksche tellingen : 217 218 Bijlage IV a. (Zie blz. 190). Wanneer we nagaan de beroepen, bedrijven en bedieningen die uitgeoefend worden door de volwassen Vreemde Oosterlingen volgens de in 1905 verzamelde opgaven, dan zien we, dat op Java en Madoera totaal 77.699 personen een beroep uitoefenen waarvan 8572 vrouwen. Uitsluitend met den handel hielden zich bezig 32.042 personen, terwijl er nog 2.441 personen zich bij hun handel met landbouw bezig hielden. Het totaal der landbouwers was 9.190, nagenoeg allen in de residentie Batavia aangetroffen (8.489 personen). Van dit aantal hadden 6.004 eigen bouwland, 1.163 waren huurders en 2.023 waren arbeiders. Bij het verkeerswezen mcl. verhuurders van transportmiddelen vonden 1046 personen een bestaan, daarenboven waren daarvan nog 263 lieden, die daarbij gedeeltelijk landbouw uitoefenden. Huis en stalbedienden waren er bij Europeanen 428 en bij Vreemde Oosterlingen 1.496 personen. Ambachts- en fabrieksnijverheid werd voor eigen rekening gedreven door 5.958 lieden, terwijl nog 239 lieden bovendien ten deele landbouw uitoefenden. De overigen oefenden verschillende beroepen uit. In de Buitenbezittingen oefenen 185.328 volwassen Vreemde Oosterlingen een beroep uit. Hier is niet de handel, doch de landbouw overwegend. Van den landbouw leefden 98.530 personen, doch hier van hadden slechts 7.858 lieden eigen bouwgronden, (de meesten in de Westerafdeeling van Borneo n. m. 1. 5.546 lieden), terwijl er 5.974 huurders van bouwland waren (4.221 in Sumatra's Oostkust, 1.009 in Riouw en Onderhoorigheden, 599 in de Wester afdeeling van Borneo, en de rest verspreid over andere residen ties). Bij den landbouw is het getal der arbeiders 84.698 dus overwegend. Van die arbeiders werden er in Sumatra's Oostkust aangetroffen 70.701, in Riouw 6.235, op Banka 4.979, in de de Westerafdeeling van Borneo 2.621. Uitsluitend van den handel leefden 15.933 lieden, terwijl er bovendien 2.090 naast den handel gedeeltelijk den landbouw beoefenden. 6.835 Vreemde Oosterlingen dreven voor eigen rekening ambachts- 219 en fabrieksnijverheid. Daarnaast waren er 1.006 Vreemde Ooster lingen , die dit deden bij hunne landbouwbezigheden. De overigen oefenden verschillende beroepen uit; o. a. waren er bij den mijnbouw te Banka 11.693 lieden werkzaam. Bijlage V. (Zie blz. 191 en 202). Oordeel van de Mindere Welvaartcommissie over de toe lating en het verblijf van Oostersche Vreemdelingen in de binnenlanden. Bij het onderzoek naar de mindere welvaart der inlandsche bevolking op Java en Madoera komt in de gepubliceerde samen trekking van de afdeelingsverslagen over de uitkomsten der onderzoekingen naar handel en nijverheid deze vraag voor (vraag 369 c): „Wordt de uitbreiding van den handel belemmerd door toe lating en verblijf van Oostersche Vreemdelingen in de binnen landen, waardoor de inlandsche handelaar als het ware ver drongen wordt?" De beantwoording van die vraag is voor verschillende streken zeer verschillend geweest. Hieronder volgt, residentiesgewijze, een kort extract van de gedane antwoorden. 1. Bantam. De toelating en 't verblijf van de Vreemde Oosterlingen is geen belemmering voor den inlandschen handel. Voor Tjaringin wordt zelfs gezegd, dat hunne toelating een vereischte is voor de ontwikkeling van den inlander. Zij koopen boschprodukten, enz. op, die de inlandsche bevolking niet eens de moeite van vervoer naar de passars waard acht. 2. Batavia. Omtrent Krawang wordt opgemerkt, dat er buiten de 5 voor hen bestemde wijken, tal van Chineesche vestigingen voorkomen. De Chineezen wonen daar met vergun ning van den resident, in het belang van landbouw en nijver heid, dan wel krachtens het recht van verjaring. In de laatste jaren wordt op die vestigingen streng toezicht gehouden en getracht ze tot een minimum te beperken, en waar mogelijk, in te krimpen. Toch oefenen de Vreemde Oosterlingen over het algemeen goeden invloed uit als opkooper van inlandsche voort brengselen. 22 Cijfers omtrent de emigratie van Chineezen. *) De uitvoer van koelies geschiedt nagenoeg uitsluitend over zee. De koelies uit de provincie Foehkiën emigreeren via Amoy, die uit Noordelijk Kwangtoeng via Swatow, uit Zuidelijk Kwang toeng via Hongkong. De koelies uit het eiland Hainan emigreeren via Kiungtschou. Van 1876 —1901 emigreerden keerden terug via via Amoy 1.629.947 1.309.787 Swatow 1.794.298 1.307.744 Kiungtschou .... 298.772 296.233 Hongkong 1.130.000 1.090.000 4.853.017 4.003.764 De emigratie had plaats: via via via Amoy. Swatow. Kiungtschou. Totaal. naar Hongkong . . . 83.525 408.424 116.691 608.630 „ Straitssettlements 1.011.581 908.367 116.397 2.036.345 „ Siam — 252.226 — 252.226 „ Manilla .... 228.294 — — 228.294 „ Cochin China . . 47.267 2.148 49.415 „ Saigon .... 12.084 — — 12.084 „ Bangkok. ... — — 56.858 56.858 „ Kustplaatsen . . 97.987 6.678 104.665 „ Sumatra. ... — 79.750 — 79.750 „ Java 7.131 — 7.131 „ Elders 287.332 277 — 287.609 1.629.947 1.794.298 298.772 3.723.017 De cijfers zijn door Gottwaldt ontleend aan de jaarlijks ver schijnende „Returns of Trade and Trade Reports" van de Chineesehe douanedienst. Voor de emigratie via Hongkong waren geen gegevens voor handen; het cijfer 1.130.000 bovenvermeld, is bij benadering verkregen. Men kan aannemen dat meer dan de helft er van naar Singapore vertrok. 1) Zie H. Gottwaldt, blz. 38. 220 3. Preanger Regentschappen. De afdeeling Bandoeng merkt op dat het landbouwcrediet-onderzoek in dit gewest heeft ge leerd, dat de grootste woekeraars inlanders, arabieren en Euro peanen zijn. Evenmin zijn het de Chineezen, die het meest voorschot geven op te veld staande of in te leveren gewassen. Vergunt men aan de Chineezen onder de scherpste controle voorwaardelijk zich op distri ets- en onderdistrictshoofdplaatsen te vestigen en wordt deze vergunning bij gebleken misbruik op geheven , dan zullen zij als opkoopers meer goed dan kwaad doen. De afdeeling Soekaboemi verklaart, dat inderdaad de toe lating en het verblijf der Chineezen, mits onder stevige controle en alleen op de districts- en enkele onderdistrictshoofdplaatsen, een groote steun voor den inlandschen landbouw en van on schatbaar voordeel voor de bevolking zou zijn. De bestaande handelaren zullen niet worden verdrongen, maar de inlandsche handel zal zich uitbreiden door het grootere vertier, en ook gesteund door het vertrouwen dat de handelaren van de Chi neezen genieten, waar eigen rasgenooten hun crediet weigeren. Zelfs de bevolking is ervan overtuigd, dat waar Chineesche kooplieden zijn, de handelswaren goedkoop worden. De afdeeling Limbangan verklaart, dat de toelating der Chi neezen op de passers is een weldaad voor de bevolking. 4. Cheribon. De toelating en het verblijf van Vreemde Oosterlingen in de binnenlanden heeft wel invloed op het bedrijf van den inlandschen handelaar in minder gunstigen zin, doch men overschatte dien invloed niet. Noemt men den groothandel l ste hand, den Chineeschen handel 2 de hand, en het grootste deel van den inlandschen handel 3 de hand, dan heeft men in de binnenlanden 2 de en 3 de hand, neemt men nu de 2 de hand weg, dan zal daarom de 3 ae hand nog geen 2 de hand worden, integendeel, zij zal grootendeels 3 de hand blijven. Het gevolg zal alleen zijn, dat wegens vervoer van kleinere hoeveelheden (de 3 de hand zal zich dan alleen op de hoofdplaatsen kunnen voorzien), de derdehandsprijzen zullen stijgen; de koopers zullen er dus de dupe van zijn, terwijl het aantal handelaren niet zal vermeerderen en daarentegen wel de mogelijkheid bestaat, dat wegens de verhoogde prijzen de omzet vermindert. Voor de zeer enkele inlandsche handelaars, die energie en durf genoeg hebben om hun handel uit te breiden, is de Chineesche concurrentie echter uiterst nadeelig. 221 De Javaan is geen geboren handelaar, hy mist in den regel de noodige energie om zijn handel uit te breiden. De inlandsche handelaar heeft veelal een te kleine omzet, dan dat de Euro peesche handel er zich mee zou kunnen bemoeien en voor ieder een hoofd openen. Bovendien is de identificeering van de groote menigte der inlandsche handelaren voor den groothandelaar te bezwarend. Men kan dit gebrek aan vertrouwen noemen, maar dit ligt minder aan geringschatting der betrouwbaarheid, dan wel daaraan, dat de Europeesche handel geen genoegen kan en mag nemen met den waarborg, dien de inlandsche handelaar kan stellen. Chineesche of Arabische handelaars daarentegen, wier bedrijf op breeder grondslag rust, kunnen personeelen of materieelen borg stellen, terwijl hun persoonlijkheid gemakke lijker te identificeeren is. De Chineesche of Arabische tusschen handel, loopende over eene kleinere hoeveelheid waren, kan kleinere afnemers boeken, en ook, wegens het kleine aantal afnemers, zich zekerheid omtrent hun persoon verschaffen. 5. Pekalongan. De afdeeling Pekalongan is van oordeel dat men de Vreemde Oosterlingen niet in de dessa moet toelaten; zij zouden den inlander te zeer in de verleiding brengen om bij hen geld op te nemen tegen woekerrente, vooral de Arabieren, die hun het geld opdringen, en de schuld stelselmatig laten oploopen, om, wanneer de schuldenaar niet tot terugbetaling in staat is, op diens bezittingen beslag te zeggen. De afdeeling Tegal acht de aanwezigheid van Vreemde Ooster lingen in de binnenlanden ongewenscht, wegens het bedriegen, afzetten en uitzuigen der bevolking. Daarentegen is de afdeeling Pemalang van gevoelen, dat de toelating niet schadelijk is, indien dit geschiedt op beperkte schaal. 6. Semarang. De afdeeling Semarang verklaart, dat de inlander hulp hebben moet van Chineesehe handelaren; bovendien kan de inlander, die er belang in stelt, op handelsgebied van de Vreemde Oosterlingen leeren. Het is gewenscht den Chineezen meer vrijheid te geven in het bezoeken der passars, waar ze leven en vertier brengen in het belang van den inlander. De afdeeling Salatiga weigert de toegang tot de dessa's uit vrees voor verderfelijken invloed op de inlandsche bevolking. 7. Rembang. Ook in deze residentie worden de Vreemde Oosterlingen weinig in de binnenlanden toegelaten. Van belang 222 is de beantwoording van vraag 430 van het welvaartsonderzoek, welke vraag luidt: „Zal de exploitatie van 's lands djati- en wildhoutbosschen in eigen beheer aan de inlandsche bevolking meer stoffelijke voordcelen leveren dan exploitatie door particu lieren?" In de beantwoording dier vraag komt voor de afdeeling Bodjonegoro het volgende voor: „De houtvesters achten het gehalte van de Europeesche beheerders van houtaankappen bij sommige maatschappijen volstrekt niet hoog, en het woekeren door of namens hen zal minstens evenveel voorkomen als door Chineezen. Doch de Europeesche houtaankapmaatschappijen brengen gaarne hunne energieke Chineesche collega's in discre diet by het gouvernement, dat aan het Chineesche kapitaal zoo veel te danken heeft." De ingenieur Elenbaas merkt nog op : „ Dank zij het Chineesche kapitaal, dat bij de invoering der opiumregie vrij kwam, zijn de machtige houtkongsies ontstaan, die de zoo heilzame concur rentie in het leven riepen. Het is nog kort geleden, dat de Directeur van de Ned.-Ind. houtaankapmaatschappij mededeelde, dat hij de groote San Liem kongsie, die zestien boschperceelen exploiteert, geheel gelijk stelde wat organisatie, exploitatie en handel betreft, met de Europeesche maatschappijen. Dat was het eerlijk oordeel van een tot oordcelen bevoegd concurrent." 8. Soerahaja. Do afdeeling Soerabaja vindt ook dat hoe meer mededinging, hoe beter dit voor den voortbrenger is. Het weren van Vreemde Oosterlingen uit de dessa's ware anders wel gewenscht om het geven van voorschotten op nog te velde staande gewassen en den woeker — waaraan in den laatsten tijd ook Europeanen zich zouden schuldig maken — tegen te gaan. De afdeeling Sidoardjo merkt op dat belemmering van den handel der Chineezen wel in het voordeel van eenige inlandsche handelaren zou zijn, maar niet in het algemeen belang. 9. Pasoeroean. Het antwoord door de afdeeling Pasoeroean gegeven luidt: „Hoe gunstig het verbod aan Vreemde Ooster lingen om dessa's te bezoeken heeft gewerkt, blijkt uit het ontstaan in den laatsten tijd van Javaansche klontongs, waar van verscheidene wel is waar nog zetbazen zijn van Chineezen te Pasoeroean, maar toch ook enkelen hun bedrijf met eigen kapitaal begonnen zijn." 223 Hiertegen merkt de afdeeling Malang juist het omgekeerde op. Daar is men van oordeel dat het sinds jaren weren van Chineezen in de binnenlanden en op de erfpachtsperceelen geen uitbreiding van den inlandschen handel ten gevolge heeft gehad, enkel ongerief voor de daar gevestigde Europeanen. Allerhande arti kelen van dagelijksch gebruik toch, vroeger door Chineesehe handelaars op de perceelen geleverd, moet men thans uit de op grooten afstand gelegen Chineesehe vestigingen betrekken. De afdeeling Bangil vindt ook de aanwezigheid eer een voor dan een nadeel. 10. Besoeki. In deze residentie is men zeer weinig vrijgevig met het verleenen van passen naar de binnenlanden. De afdee ling Djember meent dat de afwezigheid van een wijk voor Vreemde Oosterlingen gunstig gewerkt heeft tot de opkomst en het blijven voortbestaan van den inlandschen handel. 11. Banjoemas. De afdeeling Banjoemas acht de toelating van Vreemde Oosterlingen in de binnenlanden niet nadeelig voor den inlandschen handel. De afdeeling Tjelatjap vermeldt het volgende opmerkenswaardige: „Sedert tal van jaren was door residenten van dit gewest aan Chineezen vergunning verleend zich tijdelijk te vestigen op plaatsen, waar geen wijken voor hen bestonden, tot wederopzeggens toe, of voor den tijd van eenjaar, welke vergunning dan elk jaar verlengd werd voor een gelijk tijdvak en zulks in het belang van den handel, ofschoon Stbl. 1866 N°. 57 dit motief voor dergelijke vergun ningen niet kent. Thans heeft de regeering echter beslist, dat geen vergunningen aan Vreemde Oosterlingen tot tijdelijke vestiging op plaatsen, gelegen buiten de wijken van hun land genooten, mogen worden gegeven, omdat die in strijd zijn met meer genoemd Stbl. In verband hiermede is aan alle Chineezen woonachtig op bedoelde plaatsen, individueel kennis gegeven, dat zij binnen zekeren termijn voor ieder hunner gesteld en waarvan de duur afhankelijk is van het aantal jaren van ves tiging op die plaatsen, moeten verhuizen naar eenige plaats, waar wel een wijk voor hen is aangewezen. Daarna zal het moeten blijken of de inlanders hen op die plaatsen als klein handelaren kunnen vervangen." 12. Eedoe. Men treft hier dezelfde argumenten aan zoowel 224 voor als tegen de toelating der Vreemde Oosterlingen in de binnenlanden als elders zijn vermeld. 13. Madioen. De afdeeling Magetan vindt, dat, mits geen toelating in de dessa's, het verblijf van de Vreemde Ooster lingen in de binnenlanden een voordeel is voor den inlander, die anders geen afzet heeft voor zijn produkten. Dat vervanging door inlandsche handelaren niet waarschijnlijk is, is o. a. gebleken te Donowangsan waar eenige opgeheven Chineesche toko's niet vervangen zijn door inlandsche. Evenmin komen voor Chineesche opkoopers Javaansche in de plaats. 14. Kediri. Hier geldt dezelfde opmerking als voor Kedoe. 15. Madoera. De afdeeling Bangkalan rapporteert: „Door de aanwezigheid van Vreemde Oosterlingen behoeft de inlandsche handel niet altijd verdrongen te worden. Bij veelvuldige aan raking met hen neemt de inlander veel van hun handelsgeest en energie over en door de mededinging, die zij brengen, wordt de inlandsche kleinhandelaar uit de handen gehouden van zijn meergegoede en slimmere landgenooten, die met meer gemak hun praktijken kunnen uitoefenen dan de dadelijk in den kijker loopende Vreemde Oosterling. Dit neemt niet weg, dat ver meerdering van het aantal der laatsten tegengegaan moet worden ten einde mogelijke verdringing van den inlandschen handel te voorkomen en dat beperkende bepalingen ten opzichte van de in de binnenlanden verblijf houdende Chineezen streng toegepast dienen te worden." Bijlage VI. (Zie blz. 191). l ) De handel der Javanen bepaalt zich hoofdzakelijk tot den klein- of derdehandshandel; voor het overige is de handel in handen van Vreemde Oosterlingen of Europeanen. Van de Chi neesche tweedehandshandelaren koopen Javaansche koopvrouwen en inlandsche rondventers lijnwaden en andere artikelen op crediet, gewoonlijk onder voorwaarde dat op den volgenden pas serdag het gekochte moet betaald worden, waarna een nieuwe voorraad wordt ingeslagen, en brengen die naar de dessa's 1) Zie Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, dl. 11, blz. 143. 225 en op de verschillende voor de Vreemde Oosterlingen ontoe gankelijke passers of vullen er hun waroengs mee, die vooral in en om de dessa's en langs de wegen voorkomen, en waarin behalve etenswaren allerlei huishoudelijke benoodigdheden worden verkocht. Baweanners en inlanders van Koedoes zijn in het handeldrijven hun rasgenooten ver vooruit en weten met succes den Vreemden Oosterling concurrentie aan te doen. De eersten trekken over geheel Java en doen met hun handel in kleedjes, lynwaden, sitsen, tricots, flanel en laken den Chineeschen detailverkooper veel afbreuk. Sommigen hebben zich zelfs geheel aan den invloed der Vreemde Oosterlingen als tusschenpersonen onttrokken en slaan hunne waren direct bij de groothandelaren in. Vooral in den Oosthoek verdringen zij, geholpen door de Madoe reezen, die niet minder grooten tusschenhandel drijven, den Chinees van verschillende passers en zorgen, dat de bevolking zich bij hen van alles, wat zij noodig heeft, kan voorzien. In Koedoes is de handel in wit katoen bijna uitsluitend in handen van Javanen en Baweanners; die in tabak en vee wordt er geheel, die in yzer, staal, koper enz. voor de helft, door inlanders gedreven. Dat de Jong-Javanen doordrongen zijn van de beteekenis van den handel als middel om tot meerdere welvaart te kunnen geraken, blijkt uit het volgende bericht overgenomen uit de Locomotief: Door de afdeeling Semarang der vereeniging „Boedi Oetomo" is eene cir culaire verspreid waarin doel en strekking der vereeniging nog eens duidelijk worden uiteengezet. In de circulaire wordt onder meer het volgende gezegd: „Het ligt op onzen weg om een behoorlijk aandeel te krijgen in de voor dcelen van den handel en de industrie. Dit moet natuurlijk gepaard gaan met de beoefening van deugden, o. a. spaarzaamheid, vlijt, kunde en ondernemings geest. Daardoor kunnen wij een kapitaal vormen, dat ons economisch krachtig Waakt. Groote grondbezitters en kooplieden, die een uitgebreiden handel drijven, zooals in Europa en Amerika, hebben wij niet onder de Javanen. De geheele handel is in handen van Europeanen en Chineezen. Verscheidene oorzaken werken dit in de hand, o. a. dat inlandsche kooplieden onder de inlanders meestal niet gezien zijn; zij beschouwen zich dus als minderwaar digen; en menschen die een positie willen hebben, denken er niet aan om hun bestaan te vinden in het handelen. Dit moet nu in den tegenwoordigen tijd niet meer voorkomen; de stand der kooplieden moet opgeheven worden. Dergelijke menschen moeten in de kringen der ambtenaren worden opge nomen, evenals dit het geval is bij de Europeanen." 15 226 De afdeeling stelt voorts het volksonderwijs, de dessaschool op den voor grond en spreekt vervolgens de wenschelijkheid uit der stichting van Euro peesche gouvernementsscholen voor de kinderen der inlandsche priaji's, over eenkomende met de Europeesche school voor Chineezen. Ten einde de kinderen beter voor te bereiden op het genieten van Europeesch onderwijs, zal de afdeeling beginnen met gelden bijeen te brengen voor de oprichting van eene inlandsche fröbelschool te Semarang. Bijlage VIL (Zie blz. 193). Het Chineesche landbezit op Java en Madoera. Werden in vroegere tijden de Chineezen nog geroemd als goede landheeren op groote schaal (blz. 175), in de latere jaren is dit oordeel geheel gewijzigd. Merkwaardig zijn de beschouwingen hieromtrent neergelegd in eene brochure, verschenen in 1861 bij van Wermeskerken te Tiel, getiteld: Twee brieven over de Chinezen en hun landbezit op Java. Veel van wat de schrijver verkondigt, wordt ook thans nog als waarheid aangenomen. De schrijver begint met op den voorgrond te stellen, dat er met hem nimmer polemiek of discussie kan worden verwacht over het gevaarlijke en nadeelige van groot Chineesch landbezit. Dit is geene stelling, geen axioma, het is nog meer: eene waar heid van denzelfden aard als: „dat het vuur brandt". Het doel der Chineesehe maatschappij is, volgens hem, bij de proletariërs, brood voor harden arbeid, dat ze in China niet konden erlangen; — bij de middelklasse, onafhankelijkheid en aisance, zonder eigenlijke kapitaal vermeerdering, in den en geren zin van het woord; — en voor de gegoeden en de werkelijke kapitalisten, epicuristisch genot, zoodra ze eenmaal dat kapitaal bezitten, tegelijk met de, hoewel somtijds falende, pogingen om het te behouden en te vermeerderen. Het doel der Europeesche maatschappij is kapitaalvermeer dering, waarvoor ze zich alle moeilijkheden en bezwaren van een verblijf tusschen de keerkringen getroost. De Inlandsche maatschappij heeft geen doel, of liever, rust is haar eenig doel. De arbeid vindt bij haar slechts eenen prikkel in de brutale eischen van den honger, en kapitaal is bij haar geheel onbestaanbaar. 227 Nu is de afstand tusschen de Europeesche en Inlandsche maatschappij zoo groot, de kloof, die daar tusschen ligt, zoo diep, dat ze niet te dempen is. Daarover moot eene brug liggen, welke beide vereenigt en in gemeenschap brengt, en dat is de Chineesche maatschappij. Hoe zouden de agenten van den wereldhandel op de hoofd plaatsen de millioenen aan waarde kunnen plaatsen, indien er geene tusschenhand was, namelijk de Chineesche groothandelaars? en hoe zouden deze kunnen debiteeren aan de inlanders, indien geene stamgenooten van hen zich leenden, om op duizende punten alles in het klein te slijten aan den inlander, die reeds zoo verre is, dat hij behoefte heeft aan Europeesche lijnwaden en andere handelsartikelen? De Chineezen zijn dus een noodzakelijk kwaad, doch er moet voor gezorgd worden, dat zij nimmer als concurrent optreden van den Europeaan, in alles wat deze als voor zijn doel dienstig kan beschouwen, en zij moeten nimmer in de gelegenheid worden gesteld, om met de kapitalen, die zij van de aan hen overgelaten industrieën overhouden, te concurreeren op de markt van den Europeeschen wereldhandel, en nog minder op het zoo beperkte terrein van emplooi voor de Europeesche kapitalen in landbezit. Hoe komt het dat de particuliere landen, zoo al niet in volstrekte grootte van oppervlakte, ten minste in aantal, voor het meerendeel in handen van Chineezen zijn en daarin blijven? De schrijver der brochure wijt dit aan het zich bevinden der Chineezen in een exceptioneelen rechtstoestand, en aan het feit dat aan hen privilegiën zijn toegekend, die aan de Europeesche maatschappij zijn ontzegd; immers de Chinees bezit het recht om van zijn vast goed in den volsten zin des woords een tnajoraat te maken en het goed aan een bepaald persoon na te laten. Zelfs wanneer een rijke Chinees, die groote vaste goederen bezit, overlijdt en eenige zoons nalaat, die gelijkelijk erven, gebeurt het in den regel nimmer, dat er tusschen hen tot scheiding en deeling wordt overgegaan. Alles blijft in gemeenschap. Bij de Europeanen daarentegen erven de kinderen, ook de meisjes, in gelijke deelen, indien er geen testament wordt nagelaten. De schoonzoons van den overledene hebben in den regel liever contanten, dan een onverdeeld aandeel in een land, Waarvan ze de waarde niet kennen, en de administratie aan 228 een hunner zwagers of aan anderen moeten overlaten. Het einde is, dat het land wordt geveild, en zeer dikwijls door de Chineezen wordt opgekocht. Wat is het zeer eenvoudige middel tot redres? Onderwerp de Chineezen niet alleen aan het Europeesch handels- en zakelijk recht, zoo als reeds heeft plaats gevonden, maar ook aan dat wat den persoon en de erfopvolging regeert. Pas op hen toe alle wetten, waaraan wij onderworpen zijn, en de ophooping van vast goed in eene hand zal daardoor icorden voorkomen. Eigenaardig is het dat de bedoelde schrijver de invoering van een en ander wil verbinden aan eene regeling, waarbij aan Chineezen van Java, met uitsluiting van alle anderen, wordt toegestaan, om gronden op Borneo in eigendom te verkrijgen, niet grooter dan voor eene middelmatige landbouwhoeve of industrieel bedrijf noodig is, waardoor tegelijker tijd een heilzame afleiding plaats heeft, want op Borneo kunnen zij nimmermeer schadelijk zijn, integendeel een middel zijn om van die weinig bevolkte streek met den tijd nog iets te maken. Mr. P. H. Fr omberg heeft in zijn ontwerp „Nieuwe regeling van den privaatrechtelijken toestand der Chineezen" ook in de regeling van het erfrecht der Chineezen het middel gezien om bij hen op hooping van land in eene hand te voorkomen, en wel door de toe kenning van eene legitieme portie aan de wettige afstammelingen, in welken graad zij ook zijn (blz 8). Hij zegt in zijn „Toelichting op de ordonnantie" daaromtrent (blz. 187): „Zekerheid en bevre diging is alleen te verkrijgen op den grondslag van het Euro peesche recht, geschikt voor Chineezen. Een recht van testeeren zoo uitgebreid als maar mogelijk is, ten einde den Chinees vrij te laten zijn zaken te regelen zooals hij zelf wil. Alleen beperkt door een legitieme ten behoeve van de kinderen, ten einde te voorkomen, gelijk thans geschiedt, dat de minderjarige kinderen van een vermogend man, onverzorgd achterblijven. En daar geen gemeenschap van goederen bij huwelijk wordt aangenomen, blijft de nalatenschap van een Chineeschen paterfamilias in haar geheel; niet meer dan de helft daarvan behoeft voor de kinde ren gereserveerd te worden, zoodat over de andere helft bij uitersten wil kan worden beschikt. Bij een uitgebreid recht van testeeren wordt het beginsel los gelaten, dat het goed in de familie moet blijven, en de uitsluiting der dochters van de erfenis verliest daarmede haar basis. De legitieme wordt dus 229 niet beperkt tot de zoons, maar ook tot de dochters uitgestrekt, zij strekt aldus ten behoeve van de kinderen." Tegenover de bedenkingen tegen dat stelsel geopperd, schrijft Mr. P. H. Fromberg in zijn „ Rapport over de Chineezen wet geving." (blz. 17): „Wat de nalatenschap des vaders aangaat, de wet (hieronder te verstaan de wet in China) schrijft imperatief voor, dat deze gelijkelijk aan de zoons behoort. Voor de erfstelling buiten de zoons laat zy' geen ruimte. Doch ofschoon broers volgens de wet gelijk zijn ten aanzien van het familievermogen, wijkt de vader, tot de verdeeling overgaande, soms hiervan af en verdeelt onbillijk. Men legt zich hierbij neer. Maar komt het voor den Chineeschen rechter, dan past deze het wetboek toe, dat geldt voor mandarijnen als handleiding by hunne beslissin gen. Dan verliezen praktijk of gewoonte voor zoover ze met de wet in strijd zijn, hare kracht. Want in China is gewoonte machteloos tegen de bepalingen van de wet, die uitdrukt den wil van den potentaat." Waarom willen de Chineezen dan in Indië onbeperkte testeer vrijheid? Volgens Mr. P. H. Fromberg verlangen zij zulks (blz. 20) «als correctief, om de gelegenheid te hebben het vermogen onverdeeld te houden." En hierin ziet de schrijver van het bedoelde rapport een over wegend bezwaar. Hij schrijft daarover (blz. 21): „Chineezen leven hier te lande te midden van Europeanen en Moslims, wier erfrecht op verdeeling van het vermogen is gericht, terwijl het testament als een gevolg van de legitieme portie, daartegen niet kan reageeren. Staat men Chineezen onbeperkte testeer vrijheid toe, dan geeft men hun de gelegenheid hun fortuinen onverdeeld te houden, door ze op hun oudsten zoon te doen overgaan. Kunstmatig kweekt men dan een machtigen stand van Chineesehe kapitalisten om wie, in volkomen afhankelijk heid, de jongere en onechte broers zich heen scharen. Men geeft hun gelegenheid de landerijen, die bij het overlijden van den Europeeschen eigenaar, als gevolg van het erfrecht niet zelden m veiling komen, op te koopen en te behouden, door ze, feitelijk als majoraat, bij testament telkens op den oudsten zoon te doen overgaan." Mr. P. H. Fromberg acht dit bedenke lijk en gevaarlijk met het oog op de belangen der andere maatschappelijke groepen. Ook andere schrijvers van den tateren tijd zijn zeer tegen het 23 De emigratie neemt in de laatste jaren zeer weinig toe en voorziet op lange na niet in de behoefte aan Chineesehe koelies. Slechts uit een klein deel van de geheele Chineesehe bevol king heeft er emigratie plaats. Wel emigreeren uit de Noorde lijke provincies van China een aantal Chineezen naar Mantsjoerije en naar Mongolië, doch uit de dicht bevolkte provincies van Centraal China heeft geen emigratie plaats. Indien ook die provincies aan de emigratie gaan deelnemen, zullen nog millioenen Chineesehe werkkrachten voor tropische landen beschikbaar komen. Van de 4.85 millioen emigranten van 1876 —1901 zijn er onge veer 4 millioen naar China teruggekeerd. Wanneer men er B°/ 0 voor sterfgevallen aftrekt, dan blijkt, dat er ongeveer 450.000 of 10 °/ 0 in het buitenland zich hebben neergezet. Hoofdzakelijk is dus de emigratie der Chineezen slechts van tijdelijken duur, e U vertoont in karakter veel overeenkomst met de landverhui zing uit Europa naar Amerika in de laatste jaren. In het centraal bureau voor de statistiek te 's-Gravenhage raadpleegde ik de bovenbedoelde „ Returns of Trade and Trade Reports" en vond voor de jaren 1902—1907 de volgende cijfers: Aantal Chineesehe emigranten uit Amoy. 230 Chineesche landbezit. Zoo schrijft bv. F. Fokkens in zijne brochure: „De particuliere Landerijen bewesten de Tjimanoek" (blz. 13): „Op de meeste landerijen regeeren Chineezen en hebben vrij spel. Voorschotten op het gewas, opium schuiven (men denke hierbij aan de bekende circulaire van den resident der Preanger) en meer ondeugden worden daarbij teugelloos in praktijk gebracht. Ik wil hiermee niet zeggen, dat Chineezen juist per sé slechter landheeren zijn dan Europeanen, o neen, ik heb van beide natiën goeden en slechten gekend, doch de Chinees in het alge meen heeft eigenschappen, die in ons oog ondeugden zijn en in zijn oog niets beteeken en. Zoowel bij Europeesche als bij Chi neesche en Arabische landheeren hangt het geheel af van den persoon van den landheer of de inlander goed of niet goed behandeld wordt, en dat is juist de fout. De staat mag de vooruitgang, de welvaart eener bevolking van + anderhalf millioen zielen niet laten afhangen van de goede of minder goede hoedanigheden van enkele personen." Na de verschijning zijner brochure, traden Europeesche land heeren op, die den heer Fokkens bestreden, doch die tevens afkeurden het bezit van particulier land door Chineezen en meenden, dat Chineezen niet als huurders of administrateurs moesten worden toegelaten. Fokkens schrijft daartegen (blz. 71): „Aangezien onder de landeigenaren 204 vreemde Oosterlingen voorkwamen tegenover 94 Europeanen en onder de administra teurs 215 tegen 83, bewezen zij daarmede, al was dit niet hunne bedoeling, het geheel met mij eens te zijn en kenden zij mij het recht toe, in het algemeen van een vicieusen toe stand te spreken." De heer Fokkens vergeet evenwel er bij te vermelden, dat al mogen er meer Chineesche landheeren en administrateurs zijn dan Europeesche, het Europeesche landbezit èn wat uitgestrekt heid èn wat talrijkheid der bevolking nog ver in de meerderheid is. Mr. D. Fock in zijne .Beschouwingen en voorstellen ter verbetering van den economischen toestand der inlandsche bevolking van Java en Madoera" is den Chineeschen landheeren ook niet welgezind. Hij zegt, dat de toestand op de particuliere landerijen onhoud baar is (blz. 126). Hij weet ter verbetering slechts één middel. Namelijk (blz. 127): „de algeheele terugbrenging van de particu liere landerijen tot het Staatsdomein". Dit is slechts te bereiken door onteigening. Er moet een begin gemaakt worden met de 231 afdeeling Meester Cornelis, ook omdat in die streken het grond bezit van Vreemde Oosterlingen overheerschend is (blz. 128). Verder schrijft de heer Fock (blz. 129): „De onteigening behoort, behalve de eigendomsrechten van den landheer, nog te omvatten de bezitsrechten, die op het perceel worden uitgeoefend. Deze onteigening zou ik willen beperken tot de bezitsrechten, die bij Vr. Oosterl. berusten. Met andere woorden: de opgezetenen van inlandschen landaard blijven in het genot van hunne bezitsrechten. De bedoeling hiervan is geene andere dan om alle Vreemde Oosterlingen aanvankelijk van de perceelen te verwijderen. Ik zeg „aanvankelijk", omdat het geval denkbaar is, dat aan som migen later, op den voet der regelen in Ind. Stbl. 1866, N°. 57, vrijheid wordt gelaten zich op het onteigende terrein te vestigen." Toen de heer Fock Minister van Koloniën werd, veranderde zijne meening omtrent de particuliere landerijen niet, en wilde hij ook aan het bestaan dier landerijen een einde maken, doch thans niet meer door onteigening, doch door terugkoop. Daar voor bracht hij f 500.000 op de begrooting. Bij de behandeling van het ontwerp verklaarde hij echter niet afkeerig te zijn van onteigening, waar dit noodig mocht blijken. Bijlage VIII. >) (Zie blz. 193). Uitgestrektheid der gronden op Java door inlanders verhuurd aan landbouw-industrieelen, met opgave van de cultuur die daarop gedreven wordt. 1) Zie de Jaarcijfers 1906, blz. 59. Totale uitgestrektheid der gronden op Java door het Gouvernement in huur of in erfpacht afgestaan naar de soort der ondernemers. o) Voor het jaar 1904 zijn de gegevens niet beschikbaar. 232 233 Bi Jlage IX. o) (Zie blz. 193). Uitgestrektheid en verpondingswaarde der landen op Java aan particu le ren in eigendom afgestaan, verdeeld naar gewesten en nationaliteit <ler eigenaars *). Bron: K. V. *) Zie de Jaarcijfers 1906, blz. 60, > Hieronder begrepen de Naaml. Venn. door Chineezen opgericht. *) Sedert 1816 zijn geen landen in eigendom afgestaan, zoodat de uitgestrektheid de , I(le blijft, al verwisselt de bestemming der gronden en nu en dan de nationaliteit der senaars; door verbetering der opgaven verandert het totaal steeds. > Voor Cheribon, waarvan de cijfers voor 1906 ontbreken, zijn die voor 1905 ingevuld. 234 Bijlage X. (Zie blz. 195). Dichtheid der inlandsche bevolking in 1905. a) o) De hiergegeven, aan het K. V. ontleende cijfers, kunnen geen aanspraak maken op nauwkeurigheid, doch kunnen wel eenigermate dienen voor onder linge vergelijking. 235 Bijlage XI. (Zie blz. 197). Regeling van het Nederlandsch-onderdaanschap van hen, die herkomstig zijn uit Nederlandsch-Indië. Wijziging van wetten in verband met het Nederlandsch onderdaanschap van hen, die herkomstig zijn nit Nederlandsch-Indifc. KONINKLIJKE BOODSCHAP. N°. 1. Mijne Heeren! Wij bieden U hiernevens ter overweging aan twee ontwerpen van wet: I°. tot regeling van het Nederlandsch-onderdaanschap van hen, die herkomstig zijn uit Nederlandsch-Indië, en 2°. tot wijziging van wetten in verband met het Nederlandsch onderdaanschap van hen, die herkomstig zijn uit Nederlandsch- Indië. De toelichtende memorie, die de wetsontwerpen vergezelt, bevat de gronden waarop zij rusten. En hiermede, Mijne Heeren, bevelen Wij U in Godes heilige bescherming. 's-Gravenhage, den 16 April 1909. WILHELMINA. Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. 236 Regeling van het Nederlandsch-onderdaan schap van hen, die herkomstig zijn uit Nederlandse hlndië. ONTWERP VAN WET. N". 2. Wij WILHELMINA, bij be gratie Gods Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz. Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is de kenmerken van het Nederlandsch-onderdaanschap van hen, die herkomstig zijn uit Nederlandsch-Indië, vast te stellen; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Ook wanneer zij geen Nederlanders zijn volgens de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, zijn Nederlandsche onderdanen: I°. zij, die in Nederlandsch-Indië zijn geboren uit ouders aldaar gevestigd, of is de vader niet bekend, uit eene aldaar gevestigde moeder; 2°. de in Nederlandsch-Indië geborenen, wier ouders niet bekend zijn; 3°. de echtgenoote of niet hertrouwde weduwe van een onder daan als bedoeld sub I°. of 2°.; 4°. de buiten Nederlandsch-Indië geboren ongehuwde kinderen van een onderdaan als bedoeld in dit artikel, zoolang die nog geen achttien jaar oud zijn; s°. de buiten Nederlandsch-Indië uit ouders, die onderdanen zijn volgens dit artikel, geboren kinderen, wanneer zij na hun huwelijk of na het bereiken van hun achttiende jaar in het Koninkrijk gevestigd zijn of zich aldaar vestigen, benevens 237 hunne vrouw en hunne ongehuwde kinderen, die nog geen achttien jaar oud zijn, indien zij zich mede in het Koninkrijk vestigen. Artikel 2. Het in artikel 1 bedoelde Nederlandsch-onderdaanschap wordt verloren: I°. door naturalisatie in een vreemd land. Dit verlies strekt zich uit tot de met den genaturaliseerde gehuwde vrouw en zijne kinderen, die nog geen achttien jaar oud zijn; 2°. door te huwen met een man, die niet valt in de termen van artikel 1 sub I°., 2°. of 5°.; 3°. door zonder verlof van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië zich te begeven in vreemden krijgs-of Staats dienst; 4°. door, in geval van verblijf in een vreemd land, na te laten zich binnen drie maanden na aankomst aan te geven bij een Nederlandschen consulairen ambtenaar in dat land en door bij voortgezet verblijf na te laten die aangifte binnen de eerste drie maanden van elk kalenderjaar te herhalen. De aangifte door den man of vader voor zijne vrouw of kin deren en door de weduwe voor hare kinderen geldt voor eigen aangifte van dezen. Wie volgens het sub 4°. bepaalde het Nederlandsch-onderdaan schap heeft verloren en daarna niet in omstandigheden is komen te verkeeren als bedoeld sub I°., 2°. of 3°., herkrijgt het door vestiging in Nederlandsch-Indië. Artikel 3. Deze wet is ook verbindend voor de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen. Lasten en bevelen, dat deze in het Stbl. zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uit voering de hand zulllen houden. Gegeven Be Minister van Koloniën, Be Minister van Buitenlandsche Zaken, Be Minister van Justitie, 238 Wijziging van wetten in verband met het Nederlandsch-onderdaanschap van hen, die herkomstig zijn uit Nederlandsch-Indië. ONTWERP VAN WET. N°. 3. Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden , Prinses van Oranje-Nassau, enz. , enz. , enz. Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het nood zakelijk is eenige wetsbepalingen in beter verband te brengen met het Nederlandsch-onderdaanschap van hen, die herkomstig zijn uit Nederlandsch-Indië; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. In artikel 992 van het Burgerlijk Wetboek en in de artikelen 127, 585 10°. en 768 van het Wetboek van Burgerlijke Rechts vordering wordt respectievelijk in plaats van „Nederlander" en „Nederlanders" gelezen „Nederlandsch onderdaan" en „Neder landsche onderdanen". Artikel 2. In artikel 1 der wet van 29 September 1815 [Stbl. n°. 47), houdende instelling van de Orde van den Nederlandschen Leeuw, wordt in plaats van „alle Nederlanders" gelezen: „Onze onder danen". Artikel 3. In artikel 20 der wet van 13 Augustus 1849 {Stbl. n°. 39), tot regeling der toelating en uitzetting van vreemdelingen, wordt in plaats van „Nederlanders" gelezen: „Nederlandsche onder danen". 239 Artikel 4. In de artikelen 6 n°. 2, 9, 12, eerste lid, 17, 22, 24, 29, tweede lid, 33, 34, eerste lid, 42, eerste lid, 43, eerste lid, 45, eerste lid, 64, eerste lid, 65, eerste lid, 66, 83, 93, eerste üd, en 106, tweede lid, der wet van 25 Juli 1871 (StóZ. n°. 91), houdende regeling van de bevoegdheid der consulaire ambtenaren tot het opmaken van burgerlijke akten, en van de consulaire rechtsmacht, zooals die wet laatstelijk is gewijzigd en aangevuld bij de wet van 7 Juni 1905 (Stbl. n°. 203), wordt in plaats van „Nederlanders" gelezen „Nederlandsche onderdanen" en in artikel 90, eerste lid, dier wet in plaats van „Nederlander", „Nederlandsch onderdaan". Artikel 5. Het bij de slotbepaling der wet van 12 December 1892 (Stbl. n°. 268) gewijzigde artikel 22 der wet van 6 April 1875 (Stbl. n°. 66), tot regeling der algemeene voorwaarden, op welke, ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen, verdragen met vreemde Mogendheden kunnen worden gesloten, wordt gelezen: „Onder Nederlanders verstaat deze wet allen, die Nederland sche onderdanen zijn." Artikel 6. In artikel 1 der wet van 4 April 1892 (Stbl. n°. 55), tot instelling der Orde van Oranje-Nassau, wordt in plaats van „Nederlanders" gelezen „Onze onderdanen". Artikel 7. In de wet van 12 December 1892 (Stbl. n°. 268), op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, worden artikel 7 sub 2°. en artikel 12 gelezen als volgt: Artikel 7 sub 2°.: „Door huwelijk van de Nederlandsche vrouw met een man, die den staat van Nederlander niet bezit." Artikel 12: „Allen, die den staat van Nederlander niet bezitten of niet uit anderen hoofde Nederlandsche onderdanen zijn, zijn vreem delingen." 24 Aantal Chineesche emigranten uit Swatow. Aantal Chineesehe emigranten uit Kiungtschou («) De groote toename van het aantal emigranten naar Bangkok is een gevolg van de zeer verlaagde tarieven van overtocht. Gedurende de jaren 1902 — 1907 keerden terug: via Amoy 349.928, via Swatow 566.018 en via Kiungtschou 114.001 emigranten. Over die drie havenplaatsen te zamen emigreerden dus van 1902 — 1907 1.449.270 Chineezen en keerden terug 1.029.947 Chineezen. Singapore handhaaft zich nog steeds als de voornaamste markt voor het verkrijgen van Chineesehe arbeidskrachten; in 1902 — 240 Artikel 8. In artikel 7 der wet van 30 September 1893 (Stbl. n°. 146), houdende bepalingen op de fabrieks- en handelsmerken, wordt in plaats van „Nederlander" gelezen: „Nederlandsch onderdaan." Lasten en bevelen, dat deze in het Stbl. zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uit voering de hand zullen houden. Gegeven Be Minister van Buitenlandsche Zaken, Be Minister van Justitie, Be Minister van Binnenlandsche Zaken, Be Minister van Financiën, Be Minister van Bandbouic, Nijverheid en Handel, Be Minister van Koloniën, MEMORIE VAN TOELICHTING. N°. 4. Onze wetgeving houdt onvoldoende rekening met het Neder landsch-onderdaanschap van de eigen bevolking van Nederlandsch- Indië, welk onderdaanschap een gevolg is van de Nederlandsche heerschappij in Nederlandsch-Indië. Kenmerken van dat Neder landsch-onderdaanschap zijn niet bij de wet gesteld, en zelfs zou uit de wet op het Nederlanderschap ten onrechte de gevolg trekking zijn te maken, dat zij de eigen bevolking van Neder landsch-Indië niet tot de Nederlandsche onderdanen rekent, waar zij vreemdelingen noemt allen, die niet bij de wet vastge stelde kenmerken van Nederlanderschap dragen. In andere wetten 241 wordt van Nederlanders gesproken in bepalingen, die uit haren aard moeten gelden voor alle Nederlandsche onderdanen, of worden vreemdelingen gesteld tegenover Nederlanders waar be doeld moet zijn ze te stellen tegenover alle Nederlandsche onder danen. Het is dus noodig de kenmerken van het Nederlandsch-onder daanschap der uit Nederlandsch-Indië herkomstigen bij de wet vast te stellen en de redactie van verschillende wetsbepalingen in beter verband te brengen met dat Nederlandsch-onderdaan schap. Tot het een en ander strekken de twee hier nevensgaande wetsontwerpen. Het eerste, dat de kenmerken van het Nederlandsch-onder daanschap van hen, die uit Nederlandsch-Indië herkomstig zijn, vaststelt, volgt in 't algemeen het voorbeeld van de wet op het Nederlanderschap, doch houdt daarbij rekening met de omstan digheden , die zich in — en met betrekking tot — Nederlandsch- Indië voordoen. Bijzondere zorg is gewijd aan de regeling van het genot en van het verlies van Nederlandsch-onderdaanschap door personen die buiten Nederlandsch-Indië verblijf houden en door hunne kinderen. Daaraan is veel gelegen in verband met de consulaire bescherming van onze onderdanen, die zich uit Nederlandsch- Indië naar naburige Oostersche landen verplaatsen. De over weging, dat de in een vreemden Aziatischen Staat geboren kinderen van zulke Nederlandsche onderdanen zich, als zij daar steeds blijven, te veel met de eigen bevolking van dien Staat vereenzelvigen om er bij voortduring als Nederlandsche onder danen te blijven aangemerkt, heeft geleid tot de bepaling in artikel 1, sub 4°. van dit wetsontwerp opgenomen. In artikel 1, sub s°. is van vestiging „in het Koninkrijk" en niet van vestiging „in Nederlandsch-Indië" gesproken met het oog op hl Suriname geboren kinderen van Javaansche immigranten, die na huwelijk of na het bereiken van den achttienjarigen leeftijd in die kolonie blijven. In het tweede wetsontwerp worden in overeenstemming met den considerans slechts de noodzakelijke wijzigingen in de wet geving voorgedragen. Er zijn wettelijke bepalingen, waarin de term „Nederlanders" zou kunnen worden vervangen, doch die wen evengoed ongewijzigd kan laten, omdat zij wel nooit ten 16 242 aanzien van Nederlandsche onderdanen van Indische herkomst toepassing zullen behoeven te vinden. Mocht van de eene of andere bepaling in de practijk blijken, dat zij toch beter ook gewijzigd waren, dan kan de wijziging gemakkelijk volgen. Be Minister van Buitenlandsche Zaken, R. DE MAREES VAN SWINDEREN. Be Minister van Justitie, NELISSEN. Be Minister van Binnenlandsche Zaken, HEEMSKERK. Be Minister van Financiën, KOLKMAN. Be Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, A. S. TALMA. Be Minister van Koloniën, IDENBURG. De Nieuwe Rotterdamsche Courant van 22 April 1909 bevat eene bespreking van die beide wetsontwerpen in de volgende bewoordingen: Nederlandsch onderdaanschap. Hoe doodjammer, dat de twee korte wetsontwerpjes omtrent Nederlandsch onderdaanschap, met hun nog kortere memorietje van toelichting, niet een paar maanden eerder bij de Kamer zijn ingekomen. Want ziehier weer eens een wetsvoordracht, waarvan men gerust kan zeggen, dat spoedige afdoening met zoo min mogelijk wijziging zou wezen in 's lands belang. Men behoeft waarlijk niet te vragen, of er soms over deze voordracht nogal wat gedoctord is. Niet alleen zijn er bijna tien jaar noodig geweest om van de eerste toezeggingen (o. a. Koloniaal Verslag 1900 blz. 1) te komen tot indiening, maar onder de toelichting staan niet minder dan zes ministers namen. En een ontwerp van zes departementen, men weet het, is als een man met zes schoonmoeders, als een ministerie met zes Tweede Kamers. Te meer waardeering verdient de soberheid der stukken, die al het nutte looze ter zijde laten; men heeft dat wel eens anders gezien. Geen lange 243 verhalen over de voorgeschiedenis, die op zijn minst een kwarteeuw terug reikt; noch over de diepgaande meeningsverschillen omtrent den status quo van het onderdaanschap sinds de wet van 1892 op het Nederlanderschap; noch ook over de harmonie met de Grondwet, die gerust onbesproken kon en kan blijven, daar de Grondwet ook in 1887 aan ons vraagpunt niet heeft gedacht en er zich — zoo oordeelde blijkbaar ook de Grondwetscommissie van 1905 — evenmin ten goede als ten kwade mee inlaat. Geen lange uiteen zetting zelfs van de moeielijkheden, die een voorziening zoo dringend noodig maken. Als er onder de 46 millioenen personen, die onze Koningin als hun gebiedster erkennen, slechts 6 millioen (de „Nederlanders") zijn, wier Neder landsche nationaliteit onomstootelijk vaststaat, welke leemte voor onze consuls in Oost-Azië en Djeddah een gedurig bezwaar is; als voor de overigen het verlies der nationaliteit zoo jammerlijk ongeregeld is, dat het Hooggerechtshof te Weltevreden zich vóór eenige jaren heeft laten verleiden om de regels op het verlies van Nederlanderschap maar analogisch toe te passen; als het lastige Chineezenvraagstuk in onze Oost nog te lastiger wordt, doordat niemand met onweerlegbaarheid kan zeggen, welke dier Indische Chineezen nu als Nederlandsche en welke als Chineesche onderdanen zijn te beschouwen — een kwestie, die ondraaglijk worden zou, als het ooit tot Chineesche consuls kwam —; als men in 1899 in de Tweede Kamer heeft kunnen dispu teeren i) over de vraag, die geen vraag moest wezen, of een bij tractaat bedongen gelijkstelling van bijv. Britsche onderdanen met Nederlandsche onderdanen wellicht voor onze Oost impliceert — des neen — dat zij met „Nederlanders" naar de wet van 1892, dus met „Europeanen", moeten worden op één lijn gesteld; — dan is het waarlijk wel verklaarbaar, dat de regeering lange relazen over den bestaanden janboel overbodig rekent. Intusschen, de verdiensten dezer voordracht zijn allerminst louter negatief. Drie groote gevaren waren te vreezen; de regeering heeft ze weerstaan. Het eerste was dit, dat men, voortbouwend op het feit, dat de wet van 1892 (in haar overgangsbepaling) van het Nederlanderschap heeft uitgesloten de „inlanders en met dezen gelijkgestelden" in Indië, een regeling zou hebben ontworpen voor het Nederlandsch onderdaanschap dezer gekleurde rassen. Van zulk een „onderdaanschap der niet tot de Europeesche bevolking oehoorende ingezetenen der koloniën" (waarbij dan vergeten werd, dat de inboorlingen van Suriname en Curacao wèl Nederlander geworden zijn in 1893) sprak nog in December 1905 een regeeringsstuk -). Onnoodig er op te wijzen, hoe de dikwijls netelige vraag, wie naar de Indische wetgeving inlander of vreemde oosterling, wie daarentegen l.uropeaan is, dan met nieuwe banden aan de nationaliteitskwestie zou zijn vastgemaakt, tot last vooral van onze consuls in het Oosten en zonder eenige noodzaak of eenig Q ut. De voordracht zocht dan ook liever, en volkomen terecht, aansluiting O'j den geldenden toestand, die zeker voor de materie der uitlevering, en naar veler meening voor alle materies, het onderdaanschap der niet-Neder landers slechts afhankelijk maakt van geboorte in een onzer koloniën uit 1) Handelingen 1898—1899, blz. 800, 803, 811, 814. 2) Bijlagen 1905—1906, n». 49, stuk 1, op art. 109 lid 3. 244 aldaar gevestigde ouders; en brengt daarin slechts deze, practisch onbelang rijke, wijziging aan, dat ze het genoemde jus soli terugbrengt van geboorte in een der drie kolonies (ook Suriname en Curacao) tot geboorte in Neder landsch-Indië alleen, gelijk trouwens de Indische regeering in Bijblad 5909 reeds had voorgedaan. Het tweede gevaar was dit, dat men, op het verkeerde voorbeeld van Engeland, dat met British-Indian subjects opereert, naast het „Nederlander schap" der actueele of voormalige ingezetenen van het rijk in Europa een „Nederlandsch-Indisch onderdaanschap" der actueele of voormalige inge zetenen van Indië zou stellen, alsof ons Indië een eigen mogendheid met eigen nationalen zou kunnen zijn. Nog in November 1904 werd in een ander regeeringsstuk J ) zulk een „koloniaal onderdanenverband" in uitzicht gesteld; doch ook hier heeft gelukkig de zuivere opvatting, welke alleen van onder daanschap van een staat wil weten en ook de meening der Indische regeering is (Bijblad 5717), getriomfeerd. Met dit tweede gevaar hangt nauw het derde samen. Wie een „Neder landsch-Indisch onderdaanschap" voorstonden, pleitten somtijds, dat zulks kon worden ingevoerd door den Koninklijken wetgever, die voor de koloniën geen wet behoeft. Men denke, wat een verwarring zulk een Koninklijk besluit gegeven zou hebben naast artikel 12 der wet van 1892, dat alle niet- Nederlanders tot „vreemdelingen" proclameert! De voordracht, zeer terecht alweer, stempelt haar voorziening tot eene, die de nationaliteit op de gansche wereld, dus in het moederland en de West en daarbuiten evengoed betreft als in de Oost; en er is alleen aanleiding te vragen, of het dan niet nuttig ware, te dezer gelegenheid ook aan de wet van 1892 een slotartikel toe te voegen, waarbij die wet zelve verklaren gaat, sinds haar inwerkingtreding verbindend te zijn ook voor de koloniën. De groote moeilijkheid evenwel bij de voorbereiding van deze voordracht, toen men het eenmaal over de juiste grondslagen eens was geworden, moet gescholen hebben in een richtige aanvulling van het vooropgestelde jus soli en een richtige regeling van het verlies dezer nationaliteit. „Bijzondere zorg", zegt de regeering, is daaraan gewijd. En hierop doelden wij, toen wij in den aanhef „zoo min mogelijk wijziging" van de voordracht aanbevalen. Niets is gemakkelijker dan speciale gevalletjes te bedenken, waarbij men de regeling een weinig anders zou kunnen wenschen dan zij is uitgevallen; vooral nu de voordracht, terecht, ook personen kent, die zoowel Nederlander naar de wet van 1892 als Nederlandsch onderdaan krachtens jus soli Indici zijn en die dus den eenen vorm van nationaliteit kunnen verliezen zonder daarom den anderen prijs te geven. Wij hebben een aantal ongewone gevallen aan den tekst getoetst, en den indruk ontvangen, dat die „bijzondere zorg" geen woord, maar werkelijkheid is geweest. Hoe licht nu kan amendeering hier het heele systeem bederven; hoe treffend daarentegen zou men hier eens kunnen bewijzen, dat de grieven, tegen te groote casuïstiek bij het voor dragen van amendementen zoo vaak geuit, ook der Kamer zelf uit het hart zijn gegrepen. Doet het er, trouwens, niet bitter weinig toe, of een wet, 1) Bijlagen 1904-1905, __•. 121, stuk 10, op art. 109 lid 2. 245 die aan veertig millioen lieden juridische uitredding geeft, voor vijftig of honderd hunner misschien eenige bezwaren inhoudt? Wel mag men van de regeering, na dezen haar loffelijken arbeid, nog vierderlei verwachten. Vooreerst, dat van nu aan ook de tractaten, zelfs die voor het moederland of West-Indië alleen, onze nationalen nooit meer „Nederlanders", maar altijd «Nederlandsche onderdanen" zullen gaan noemen. Tot dusver heerschte te dezen opzichte de ergste achteloosheid; dat het protocol met Venezuela van 19 dezer van „Nederlandsche onderdanen" spreekt, terwijl ons tractaat met dat land in Stbl. 1903 n°. 157 den onverstaanbaren term „ burgers der Neder landen" bezigde, geeft hoop. Ten tweede mag men vertrouwen, dat met deze onderdaanschapsregeling rekening zal worden gehouden ook bij de toekomstige politieke contracten in Indië. De onderdanen immers van onze zelfbesturende landschappen zijn indi rect Nederlandsche onderdanen; de voorziening is dus eerst compleet als vaststaat, dat een zelfbestuur nimmer als eigen onderdanen beschouwen zal personen, die naar de nieuwe wet niet, of niet meer, „Nederlandsch onder daan" kunnen zijn. Te eerder kan men hiervoor zorgen, daar tóch vroeger of later die politieke contracten zullen moeten gezuiverd van het misleidend gebruik van het woord „onderdanen" in den zin, niet van nationalen, maar van geadministreerden of justitiabelen. Ten derde mag men verlangen, dat thans ook ook bet ingezetenschap van Indië, waarin men zoo lang en van zoo bevoegde zijden een quasi-onderdaan schap heeft gezien, en dat in artikel 106 Regeeringsreglement zoo erg ge brekkig omschreven is, geordend worde in den geest van het rijks ingezeten schap uit de wet van 1892. Het zou weldaad zijn, als de regeering er alsnog in bewilligde, bij nota van wijziging artikel 106 te vervangen door een artikel, dat de regeling van het Indisch ingezetenschap verwees naar een algemeene herordening. En ten laatste is een algemeen voorschrift noodig, dat alle kwesties van onderdaanschap, en niet slechts die welke bij uitlevering of b.v. bij kiesrecht voor Indische gemeenteraden spelen, ter kennisneming van den rechter stelt en ook de afgifte van nationaliteitsbewijzen (bij ons door den commissaris der Koningin, in Indie door den landvoogd) brengt onder rechterlijk toezicht. Er is, bij al dit goede, maar één kleinigheid, waardoor — in ons oog althans — de theoretisch en practisch even juist gedachte voordracht wordt ontsierd: dat is de malle schoolmeesterij, die den term „Nederlandsch onder daanschap" met een koppelteeken deed schrijven. Zal men dus ook „de Fransche-letterkunde" en „het Indisch-muntwezen" gaan zetten? en waar blijft dit spelmaniertje, als men, naar Cobets advies, in het Fransch vertalen gaat: nationalité nêerlandaise?" Of dan deze voordracht alles geeft wat men wenschen kan? Zelf erkent z ij van neen, door zich te beperken tot wegneming van bezwaren, die de practijk heeft gevoeld of voortaan voelen zou, en door te zeggen, dat bij nieuwe practische bezwaren wijziging van verdere artikelen zal kunnen volgen. Wij zouden gaarne te gelegener tijd verder zien gegaan. Hoe krach tiger de koloniale en de pacifiek internationale beteekenis van Nederland wordt, des te eerder zal men bij een koloniale mogendheid van onzen rang 246 komen navragen naar de oplossing, die wij ook aan meer theoretische pro blemen hebben gegeven. Evengoed als wij dan gereed behooren te staan met een zorgvuldig wettelijk antwoord op de vraag de rechtspersoonlijkheid onzer koloniën en naar de verhouding tusschen koloniën, rijk en staat, even goed behoort dan het Nederlandsch onderdaanschap zóó te zijn geregeld, dat de gan sc h e wetgeving van moederland en koloniën — wij noemen als voor beeld de artikelen 7 en 69 Regeeringsreglement van Suriname en artikel 4 Indische mijnwet — te dien aanzien in volledige harmonie is gebracht. Tegen onvoorziene scheuren en verzakkingen in het regeeringshuis is geen beter waarborg — de practijk heeft het duizendmaal bewezen — dan een theore tisch solide onderbouw. Bijlage XII. (Zie blz. 200). Bijblad N°. 1872 (circulaire aan de hoofden van gewestelijk bestuur in Nederlandsch-Indië, d.d. Batavia, 19 Juni 1866, N°. 1274 a). De Gouverneur-Generaal is onlangs in wetenschap gesteld met de ergerlijke knoeierijen, waaraan zich sommige Chineezen ten aanzien van de inlandsche bevolking schuldig maken bij het opkoopen van door haar voor eigen reke ning geteelde produkten. Hoewel Zijne Excellentie het betreurt, dat de inlander zich zoo dikwijls door den sluwen Chinees tot zeer bezwarende transactiën laat verleiden, acht Zij het niet raadzaam, om, zoolang geene misdadige, in de termen der straf wet vallende handelingen zijn gepleegd, tegen de bedoelde knoeierijen maat regelen te nemen. Men mag toch niet voorbij zien, dat de inlanders door tusschenkomst van de Chineezen een gemakkelijk en zeker débouché vinden voor hunne pro dukten en dat daardoor hunne welvaart wordt vermeerderd. De Gouverneur-Generaal zou het gevaarlijk achten, wanneer in dit opzicht de beschermende hand der regeering zich te krachtig over den inlander uit strekte; zoo licht werd daardoor de nu op vele plaatsen zoo levendige handel in inlandsche produkten aan het kwijnen gebracht, wellicht geheel te niet gedaan. Handel en nijverheid ontwikkelen zich het zekerst en het krachtigst daar, waar de minste belemmeringen bestaan, en ook de inlander zal evenals elk volk eenmaal door schade en schande wijs moeten worden 1), zoodat hij zich niet meer laat overrompelen door de sluwheid van eenen Chinees. Alleen verlangt de Gouverneur-Generaal, dat de Europeesche ambtenaren bij het binnenlandsch bestuur en de inlandsche hoofden worden aangespoord, 1) Deze waarheid wordt door onze Javanen-vrienden tot nadeel van het Javaansche volk te weinig ingezien. 247 om den inlander opmerkzaam te maken op zijne belangen en om te waken, dat de Chinees ongestraft geene handelingen plege, welke als oplichting of onder welke benaming ook bij de wettelijke bepalingen met straf zijn bedreigd. Mij is opgedragen, Uw Ed. G. het vorenstaande mede te deelen en te ver zoeken, gelijk ik de eer heb bij deze te doen, aan het voormelde verlangen van den Gouverneur-Generaal te willen gevolg geven. De Gouvernements-Secretaris, Van Harencarspel. Bijlage XIII. (Zie blz. 205). Het onderwijs aan Chineezen. Wanneer wij het Regeerings-Reglement opslaan, dan zien wij in het achtste hoofdstuk, handelende over het onderwijs, de volgende artikelen opgenomen: Artikel 125. Het openbaar onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg van den Gouverneur-Generaal. De inrigting daarvan wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige be grippen, bij algemeene verordening geregeld. Het verslag, bedoeld bij het eerste lid van art. 60 *) der Grondwet, doet den staat van het openbaar onderwijs, ook dien van de scholen voor de inlandsche bevolking bestemd, jaarlijks kennen. Artikel 126. Het geven van onderwijs aan Europeanen of daarmede gelijkgestelde per sonen is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid der onderwijzers. Artikel 127. Overeenkomstig regels, bij algemeene verordening te stellen, wordt voldoend openbaar onderwijs gegeven, overal waar de behoefte der Europeesche be volking dit vordert en de omstandigheden het toelaten. Artikel 128. De Gouverneur-Generaal zorgt voor het oprigten van scholen ten dienste der inlandsche bevolking. Wanneer wij bovenstaande artikelen nader bezien, dan blijkt 1) Is geworden art. 62 der Grondwet van 1887. Het eerste lid van dit artikel luidt: „De Koning doet jaarlijks aan de Staten-Generaal een omstandig verslag geven van het beheer dier koloniën en bezittingen en van den staat waarin zij zich bevinden." 248 het ons, dat volgens het eerste lid van artikel 125 ook het open baar onderwijs voor de Chineezen aan de aanhoudende zorg van den Gouverneur-Generaal is opgedragen. Het artikel is zoo ruim mogelijk gesteld en zou kunnen omvatten het openbaar lager, middelbaar en hooger onderwijs voor elk der categoriën der ingezetenen van Nederlandsch-Indië, dus ook voor de Chineezen. Volgens art. 126 is het bijzonder onderwijs, met enkele be perkingen, wel vrij voor de Europeanen en daarmede gelijkge stelden, doch voor de inlanders en daarmede gelijkgestelden, dus ook voor de Chineezen, niet vrij. Dit in verband met de be woordingen van den Minister van Koloniën tijdens de openbare beraadslagingen. De Minister betoogde, dat het geven van onder wijs aan Inlanders niet zonder gevaar is en wel juist van de zijde der zendelingen J ). 2 ) Onder „inlandsche bevolking" van artikel 128 zou men volgens art. 109 Regeerings-Reglement ook moeten verstaan de met haar gelijkgestelden, dus ook de Chineezen, doch de Re geering vatte dit vroeger niet zoo ruim op, hoewel zij onder de uitdrukking „Europeesche bevolking" van art. 127 de daar mede gelijkgestelde personen wel begreep 3 ). Aangezien de regeering de zorg voor onderwijs harer Chineesche onderdanen niet tot haar plicht rekende, ontstond er onder de Chineezen zelf, tegelijk met het geestelijk ontwaken van geheel Oost-Azië in de laatste jaren, eene beweging om door eigen krachten tot beter onderwijs te geraken. Daarvoor werd te Batavia in Juni 1900 de vereeniging Tiong Hoa Kwe Koan opgericht 4 ). Voor het verkrijgen van inlichtingen omtrent die vereeniging wendde ik mij tot haren president, den heer Phoa Keng Hek, die mij bij zijne missive, dd. Batavia 31 December 1908 als volgt antwoordde: Ik had de eer te ontvangen Uwen brief, dd. 1 Augustus 1908, waarin eenige inlichtingen gevraagd werden over de vereeniging Tiong Hoa Hwe Koan. Ten einde mijn persoonlijke meening ten deze niet voorop te stellen, en de zaken zoo veelzijdig mogelijk in het licht te stellen, heb ik gemeend Uw 1) Zie Mr. P. H. Kleintjes, dl. 11, pag. 316. 2) id. dl. 11, pag. 319. Zie Mr. Margadant, dl. UI, pag. 419. 3) id. dl. IH, pag. 416. 4) De statuten van die vereeniging zijn opgenomen als bijlage A op blz. 265. 249 schrijven in handen te moeten stellen van een commissie uit de bestuursleden. Deze heeft aan mijn verzoek voldaan bij hare hierbij gaande nota, vergezeld van een Memorie van Toelichting. Di acht het ten eenenmale onnoodig iets daarbij te voegen, en wensch hier slechts de hoop uit te drukken, dat UwEdelG. het Uwe zult willen en kunnen bijdragen om tegemoet te komen aan de grieven mijner landgenooten, grieven "welker gegrondheid nu vrij wel algemeen erkend worden, zelfs door hen, die nog een paar jaren geleden hare rechtmatigheid in twijfel trokken. Ten slotte teeken ik hierbij aan, dat tegen een publiceering dezer nota met toelichting, mijnerzijds geen bezwaar bestaat. Hoogachtend en mij bij voortduring bereid verklarende tot het verstrekken van inlichtingen, heb ik de eer mij te noemen, (to. g.) Phoa Kbnq Hek. Dankbaar gebruik makende van de mij verleende bevoegdheid teeken ik hieronder het volgende extract uit die bovenbedoelde nota en Memorie van Toelichting op. „Aanleiding tot de oprichting van de vereeniging Tiong Hoa Hwe Koan te Batavia en nadien die der andere schoolvereenigingen in Nederlandsch-Indië moet gezocht worden in den voortdurend Wassenden drang en het voelen der behoefte naar meerdere ontwikkeling en beschaving, zoowel door rijke als arme Chineezen in Nederlandsch-Indië. Te meer kunnen Chineezen zich niet bij die ten-achterblijving nederleggen, waar het hun bekend is, dat reeds voor de geboorte van Confucius de Chineezen op betrekkelijk zeer hoogen trap van beschaving stonden. Ter zijner tijd heeft de wijsgeer Confucius in verschillende boeken en geschriften zijne leerstel lingen , die nog heden ten dage ook door Europeanen ten zeerste geroemd worden, den Chineezen nagelaten. De Chineezen voelden, dat slechts eene herstelling der bestaande toestanden mogelijk was door aan de jeugd voldoend onderwijs te verschaffen, ten einde hen in staat te stellen die schoone doctrines van den grooten wijsgeer te kunnen bestudeeren en zoo mogelijk het onderwijs ook te combineeren met Westersche Wetenschap. Ten einde daartoe te geraken werd op 3 Juni 1900 de vereeni ging Tiong Hoa Hwe Koan te Batavia opgericht. Veertien a vijftien jaar geleden gold het bij Chineezen op Java als axioma dat men slechts door middel van Hollandsch onderwijs zijne kinderen tot ontwikkeling moest zien trachten te brengen, daar de voordcelen van de kennis dier taal overwegend 25 1907 kwamen aldaar 800.076 Chineesehe emigranten aan van de drie bovengenoemde havenplaatsen. Hierbij kan men nog voegen i 225.000 Chineezen, zijnde de helft van het aantal emigranten via Hongkong, voor 1902—1907 te schatten op 450.000. Uit China emigreerden dus van 1902 -1907 totaal 4-1.900.000 Chineezen, of gemiddeld per jaar ± 317.000 Chineezen. Zooals boven reeds is opgemerkt, komen de emigranten uitsluitend uit de provincies Foehkiën en Kwangtoeng, met eene gezamenlijke bevolking van + 55 millioen zielen 1 ) in 1894. In 1907 werd die bevolking geschat op 52 millioen (vide „Returns of Trade" enz. Part 1 blz. 40). De emigratie bedroeg dus jaarlijks 4; 6.1 per 1000 inwoners van Foehkiën en Kwangtoeng; dus nog niet de helft van de overzeesche emigratie van Italië in 1905 (zie blz. 7) waarmede de Chineesehe emigratie, wat karakter aangaat, zoo vele overeenkomsten vertoont. Vrouwen-emigratie. 2 ) In de Chineesche statistieken wordt geen onderscheid ge maakt tusschen mannelijke en vrouwelijke emigranten. Uit de cijfers door het protectoraat der Chineezen in Singapore ge publiceerd blijkt, dat er in het jaar 1899 te Singapore immi greerden 107.604 mannen en 5514 vrouwen = s°/ 0 van de mannen. De herkomst der immigranten was als volgt: Uit Hongkong 38.688 mannen en 4.390 vrouwen =11 °/ 0 , Amoy 53.075 „ „ 2.342 , = 4 °/ 0 „ Swatow 31.911 „ „ 966 „ = 3 °/ 0 „ Kiungtschou 11.235 „ „ 19 „ =0,2°/ 0 De meeste vrouwelijke emigranten uit Hongkong zijn bestemd voor de bordcelen in de Straits en elders. In Singapore alleen bevinden zich ongeveer 7—Booo Chineesche prostitué's. 1) Zie E. H. Parker, blz. 192. Volgens S. Wells Williams (blz. 264) was de bevolking dier twee provincies in 1882 + 35 millioen. 2 ) Zie H. Gottwaldt, blz. 44-51. 250 waren. Als ingezetenen toch eener Nederlandsche kolonie moet men zich eiken dag als het ware van de Hollandsche taal bedienen; Gouvernements-besluiten, notarieele overeenkomsten, dagbladen etc. worden in de Hollandsche taal geschreven en uitgegeven, ergo, alhoewel in tegenstelling met de Engelschen de Hollanders er niet van houden in hunne moedertaal te worden aangesproken, is het Hollandsch ook voor de Chineezen toch de taal bij uitnemendheid, en die taal werd vroeger dan ook naar vermogen beoefend. De Chineesehe taal is zeer op den achtergrond geraakt; op Batavia kunnen de pranakans, de hiergeborenen, geteld worden die behoorlijk Chineesch kunnen spreken en schrijven. Algemeen is Maleisch de gangbare taal. Van het Chineesch zijn zijn slechts de zeden en gewoonten overgebleven, die nogal afwijken van de in China gehuldigde. Groote verspreiding der Hollandsche taal bij de Chineezen heeft er echter niet mogen zijn. Slechts aan betrekkelijk weinigen onder de rijken en aan enkelen onder de armen is het gelukt toelating te verkrijgen tot de Gouvernementsscholen om de opvoeding hunner kinderen te voltooien. Tarief en bemoeilijking van de zijde der Hoofden dier scholen hebben alsmede remmend gewerkt. Het is te begrijpen, dat de Chineezen naar andere middelen hebben omgezien om hunnen kinderen de zoo urgent gevoelde be hoefte naar onderwijs te verstrekken, en gedachten, die vroeger niet bij hen opkwamen, drongen zich nu bij hen op. „Waarom moesten zij zich toch bij het Hollandsch bepalen, waarvan de kennis toch niet tot het volle recht komt, en wel niet alleen doordat Hollanders niet graag in hunne taal worden aangespro ken en beantwoord, doch ook door de handhaving van het passenstelsel en het wonen in bepaalde wijken, en als conse quenties daarvan, het recht van den Resident om Chineezen te verbieden op ondernemingen, bij Europeanen-Hollanders, te werken, van welk recht, niettegenstaande oppositie van de zijde der bedoelde Europeanen, maar al te dikwijls gebruik wordt ge maakt, meestal geleid door persoonlijke ras-antipathie. Waarom gingen zij hunne kinderen geen Chineesch leeren, en zoo mogelijk Engelsch om Westersche kennis op te doen? Chineesch is immers hunne moedertaal en Engelsch de wereldtaal!" 251 Zulke gedachten hebben de Chineezen er toe geleid de eerste schoolvereeniging Tiong Hoa Hwe Koan te Batavia op te richten. Na de oprichting der vereeniging echter gingen er weer stemmen op die zeiden, dat eene Hollandsche cursus aan de school verbonden, toch wel gewenscht was. Daar de fondsen van de vereeniging echter de oprichting eener dergelijke Hol landsche cursus, die in tegenstelling met eene Engelsche, na ingewonnen informatie, grootere uitgaven na zich sleept, zonder hulp niet gedoogen, zoo heeft onze vereeniging zich in verbin ding gesteld met het Algemeen Nederlandsch Verbond om daarvan eenige hulp te erlangen, doch helaas, zonder resultaat. Ook heeft de vereeniging zich op 28 Februari 1903 tot de regee ring gewend met verzoek eene groote loterij te mogen houden; de netto opbrengst zou dan voor vermeld doel gebezigd worden, doch tot heden mocht onze vereeniging geene goedgunstige be schikking op dit verzoek bekomen. Als bewijs dat er nog steeds door Chineezen groote waarde Wordt gehecht aan de kennis der Hollandsche taal, mag zeker hier gereleveerd worden, dat de Gouvernements Hollandsch-Chineesche school op Batavia den l ßten Juli van dit jaar geopend werd met volle klassen. De vereeniging Tiong Hoa Hwe Koan te Batavia heeft slechts eene school, doch op verschillende plaatsen in Nederlandsch- Indië op en buiten Java heeft zij takken en zustervereenigingen, die te zamen circa 75 scholen bezitten; aan elke vereeniging, en tak eener vereeniging, is eene school verbonden. Ter toelich ting zij hier medegedeeld, dat die zustervereenigingen andere namen als onze vereeniging voeren, wat echter tot de zaak niets afdoet, daar zij zich hetzelfde doel voor oogen stellen. Voor zoover het ons bestuur bekend is, worden die scholen door ruim 5500 kinderen van beiderlei kunne bezocht en tellen die scholen ruim 150 onderwijzers. In den beginne heeft onze vereeniging, de eerste in Neder landsch-Indië,, de hulp van Dr. Lim Boen Keng te Singapore gehad ter aanstelling van een onderwijzer; daarna kregen de verschillende vereenigingen onderwijzers door tusschenkomst van den bekenden hervormer Kang Yoe Wei, die, zooals het U misschien reeds bekend is, Java een tijd geleden bezocht heeft. Thans kunnen wij door bemiddeling van Hak Boe Tjie (Departement van onderwijs) te Peking gediplomeerde leermeesters bekomen. 252 Op voornoemde scholen wordt den kinderen onderwijs gegeven in lezen en schrijven van de Chineesehe taal, met dien verstande, dat het mandarijn-Chineesch als dialectische uitspraak wordt gebezigd; rekenen, zang, exerceeren, gymnastiek en de meest elementaire kennis der natuurkunde. Op sommige scholen, wier fondsen zulks toelaten, worden ook cursussen geopend in de Engelsche taal en schoone hand werken. Het schoolgeld varieert tusschen de ƒ 1 en daarboven, slechts weinigen echter betalen maandelijks meer dan f 2,50. Het grootste deel der leerlingen krijgt gratis onderwijs. Kinderen die geen schoolgeld betalen, krijgen ook gratis schoolbehoeften. Particu lieren hebben fondsen beschikbaar gesteld, waaruit die kinderen ook soms kosteloos van schoolkleederen worden voorzien. Tot dusver zijn reeds 111 kinderen, die voor het grootste deel de klassen der vereenigingsscholen hebben doorloopen, naar Nanking, (China) gegaan, alwaar zij de Staatsmiddelbare scholen kosteloos bezoeken. Met welk doel de Chineesehe Regeering op die manier die kinderen steunt, valt natuurlijk niets zekers te zeggen, echter ligt de veronderstelling voor de hand, dat de Chineesehe Regee ring die kinderen na eene geacheveerde opvoeding in Staatsdienst wellicht wenscht op te nemen, a) In den beginne dacht onze vereeniging er in de verste verte niet aan om onze leerlingen ter voleindiging hunner studie naar China te zenden. We wisten toen niet dat we op den steun der Chineesehe Regeering konden rekenen. Van de heeren Tjian Soen en Tong HongWie, respectievelijk secretaris en attaché bij het Chineesch gezantschap te Den Haag, die onze scholen in 1906 bezochten, mochten wij echter vernemen, dat Zijne Excellentie de Onderkoning Toan Hong, vernomen hebbende van de beweging en ten zeerste ingenomen met het doel dat we beoogen, d. i. de Chineesehe taal in eere herstellen, genegen was Zijne Excellenties zeer gewaardeerde hulp te ver- Ti) Denkelijk in militairen dienst. De Chineesche regeering heeft voor het nieuw te organiseeren leger officieren noodig; immers de Chineezen in China zien zeer laag neer op den militairen dienst. Daarvoor kunnen de Java- Chineezen dienen. De hoog in aanzien staande burgerlijke Staatsbetrekkingen zullen de Chineezen in China niet aan uitheemsche Chineezen vergeven, v. S. 253 leenen onzen leerlingen de gelegenheid te openen hunne studiën te Nanking te voltooien. Op den 21 Bten Februari 1907 gingen de eerste 21 leerlingen onder begeleiding van meergenoemden heer Tong Hong Wie naar Nanking. Te Nanking werden de leerlingen op bevel van den Onderkoning op eene feestelijke wijze ingehaald en in een speciaal daartoe gebouwd en ingericht huis onder dak gebracht. Niet alleen kregen zij kosteloos onderwijs, doch ook kregen zij van Regeeringswege het noodige zakgeld. De ouders moesten slechts hunnen kinderen van passage biljetten en een weinig geld voor kleeren voorzien. Met veel lof gewagen de kinderen in hunne brieven aan hunne ouders van de behandeling, verpleging, enz. te Nanking onder vonden, en geen enkele onder hen voelde ooit het verlangen in zich opkomen om naar Java terug te keeren eer zijn opvoeding voltooid is. Het is hun verder van Regeeringswege toegezegd, dat na beëindiging hunner studiën zij naar Europa, Japan of Amerika °p 'slands kosten mogen gaan, ten einde hunnen gezichtskring uit te kunnen breiden. Zooals boven gezegd, de zorg, die aan de jongens te Nanking wordt besteed, laat niets te wenschen over. Toen onlangs bleek, dat een van de jongens niet goed tegen het klimaat in China kon, werd deze op kosten der Regeering en begeleid door een ambtenaar op last van Zijne Excellentie Toan Hong naar Java terug gezonden. Hij arriveerde te Batavia op den 13 den Sep tember 1908. Bedoelde ambtenaar had tevens de opdracht gekregen om eventueel nieuwe leerlingen, die naar Nanking wilden gaan, mede te nemen. Onder diens hoede gingen op den sden5 den October 1908 dan ook 38 jongens, afkomstig van de verschillende scholen op Java, naar Nanking. De zieke leerling, die intusschen beter was geworden, ver langde mede te gaan, doch op strict bevel van den aan de school te Nanking verbonden geneesheer mag hij eerst over een jaar naar China terug keeren. De vereeniging Tiong Hoa Hwe Koan te Batavia bezit 15 takken: op Tanah-Abang, Tangerang, Serang, Tjiandjoer, Ban- 254 doeng, Soemedang, Tjilatjap, Banjoemas, Soekaradja, Poerbo linggo, Poerwokerto, Indramajoe, Pangkal-Pinang, Blinjoe (Banka) en Bandjermasin. Deze takken hebben ieder hunne eigene leden. Uit hun midden kiezen zij zelf hun bestuur, de keuze moeten zij echter aan de goedkeuring der hoofdvereeniging onderwerpen. Zij hebben ieder hun eigen beheer over de kas, doch moeten zij zich echter stipt aan de statuten en instructies der hoofd vereeniging houden. De vereeniging Tiong Hoa Hwe Koan te Batavia met hare takken en de andere zustervereenigingen hebben te zamen een bond gevormd onder den naam van Djawa Hak Boe Tjong Hwe. Het hoofddoel van den bond is om eens per jaar op Batavia, Semarang of Soerabaja een congres te houden alwaar de ge meenschappelijke belangen op onderwijsgebied kunnen worden besproken. leder lid heeft het recht om een persoon of gemachtigde naar het congres uit te vaardigen. Het congres wordt ook bijgewoond door een inspecteur van onderwijs, die thans door de Chineesehe Regeering bezoldigd wordt. De bond erkent als hoofd een ver tegenwoordiger. Elk jaar wordt door de leden op het congres een vertegenwoordiger gekozen. Tot vertegenwoordiger mag slechts een van de drie vereenigingen n. m. 1. de Tiong Hoa Hwe Koan te Batavia, de Tiong Hoa Hwe Koan te Samarang en de Tiong Hoa Hwe Koan te Soerabaja gekozen worden. De leden van den bond betalen zooveel malen drie gulden contributie aan den bond, als het aantal der onderwijzers aan hunne scholen verbonden bedraagt. De bond is nu doende om. op Java een kweekschool op te richten teneinde in de toekomst gemakkelijker aan onderwijzers te komen dan thans; het laten uitkomen van onderwijzers uit China gaat steeds met te veel moeite en kosten gepaard. Ook hoopt de bond eerlang een Chineesehe Middelbare school te kunnen oprichten. Voor dat doel heeft de Chineesehe Regee ring een som van 20,000 taels ineens beschikbaar gesteld, ter wijl een jaarlijksche subsidie van 6000 taels door dezelfde Regee ring aan onze vereeniging is toegezegd." Over die Chineesche scholen van de Tiong Hoa Hwe Koan-vereeni ging laat een onzer Ambtenaren voor Chineesche zaken zich als volgt uit: 255 Als men mij vroeg — aldus Henri Borel in de Java-Bode — wat ik het allergewichtigste vind van het particuliere onderwijs voor Chineesche kin deren dat, uit den aard der zaak, nog in een eenigszins primitief begin stadium verkeert, dan zou ik zeggen: niet zoozeer het onderwijs in de z.g. öiaudarijn-taal, niet zoozeer dat in de geschiedenis, de aardrijkskunde, de natuurlijke historie (alles in de eerste beginselen) maar wel de ideeën, die er de Chineesche jeugd worden ingeprent, want uit die ideeën moet de toekomst ontwikkeling van het volgende Chineesche geslacht groeien. De opkomst van Japan heeft de Chineezen wakker geschud, en moderne 'deeën hebben hen tot bewustzijn doen komen. Wat nu der Chineesche jeugd in de particuliere „Tiong Hoa Hwee Kwan-" scholen in een der allereerste plaatsen voorgehouden en geleerd wordt is: de opkomst van Japan, en daardoor de mogelijke opkomst van het Oosten; in a l die jonge hoofdjes von Chineesjes en Chineezinnetjes gaat de idee van 1 opkomend Oosten rond. Kleine dreumesjes sclirijven u zoo ge 't verzoekt, °P de lei opstelletjes over Japans heldendaden en de nederlaag van de „Wes tersche Russische barbaren." En onvermijdelijk zal dat opstel, met oneindige variaties, eindigen met tiraden als: „Wat is China niet véél, véél grooter dan Japan! Wat zouden wij niet kunnen worden, als het groote China zich reorganiseerde! Wij zouden 't machtigste rijk ter wereld zijn, maar daarvoor 18 allereerst onderwijs noodig 1" Enz. enz. De heer B. geeft vervolgens een uitvoerig overzicht van den inhoud der Chineesche schoolboekjes, waarna hij besluit: Uit dit, uit den aard der zaak, met het oog op een dagbladruimte beknopt gehouden artikel, zal de lezer, hoop ik, begrepen hebben, dat de Chineesehe jeugd als hij dat „Nationaal Chineesch Leesboek" in de particuliere Chineesehe s cholen heeft doorgewerkt, geheel doordrongen is van moderne ideeën en van nationaliteitsgevoel. Daarom zeide ik : het gele gevaar — zoo het bestaat — z 't hem niet in geweren en kanonnen voorloopig, maar in de moderne ideeën. Het aantal leerlingen, dat thans van ideeën, als in dit boekje, door trokken wordt in onze koloniën, begint reeds naar de vijfduizend te loopen. Ik ben zelf een bij uitstek liberaal mensch en zie niets liever dan moderne 'deeën. Maar de heeren Chineezen moeten bij dit alles niet vergeten, dat zij hier in Indië Nederlandsche onderdanen in de eerste plaats zijn, en geen Chineesehe en dat zij het hier op het oogenblik, al kunnen zij rechtmatig naar meerdere burgerlijke rechten en vrijheden in de toekomst langs wettigen We g verlangen, duizendmaal beter hebben dan hun stamgenooten in China. ■Het is allemaal heel mooi en goed, het gescherm met een herlevend China, öiaar de hier gevestigde Chineezen zijn en zullen blijven Nederlandsche onderdanen, aan de Nederlandsch-Indisehe wetten onderworpen. Dat zij dit * e veel uit het oog verliezen, is de groote politieke fout der jong-Chineezen ln onze koloniën, hoe sympathiek en bewonderenswaardig overigens hun drang naar onderwijs en verlichting ook is. 256 Regeeringsrerslagen over de Chineesche particuliere scholen. In het algemeen verslag van het inlandsch onderwijs in Neder landsch-Indië, loopende over de jaren 1900 t/m 1904 met aan hangsel betreffende het jaar 1905, verschenen bij de landsdrukkerij te Batavia in 1907, vinden wij op blz. 144 onder de rubriek „Afdeeling F. Bijzonder onderwijs", speciaal ten behoeve van met inlanders gelijkgestelden, het navolgende vermeld: „In de rapporten der Ambtenaren voor Chineesehe zaken wordt het ondervolgende medegedeeld: „ Moest tot dusverre in het algemeen verslag van het Inlandsch onderwijs in Nederlandsch-Indië van het onderwijs aan Chineezen steeds getuigd worden, dat het werd gegeven op denzelfden voet en met gelijke hulpmiddelen als in China, sedert is hierin, althans wat Batavia betreft, eene groote verandering gekomen door de oprichting der vereeniging Tiong Hwa Hwe Kwan. Deze vereeniging stelt zich ten doel het verspreiden onder de Chineesehe gemeente aldaar van meerdere en betere kennis der zuiver Chineesehe zeden en gewoonten, voornamelijk gebaseerd op de door Confucius verkondigde zedeleer en voor zooveel mogelijk ontdaan van Boeddhistische vormen en invloeden. Dat doel meende men te zullen bereiken door de oprichting van eene bibliotheek met werken, die daartoe de noodige voorlichting zouden kunnen verschaffen en door het aanmoedigen van den lust tot het bestudeeren dier werken, terwijl men tot betere voorbereiding van het doel voor de toekomst, den grondslag meende te moeten leggen voor degelijker en, voor den in Indië verblijvenden Chinees, nuttiger onderwijs dan tot dusverre voor hem bereikbaar was. In Juni 1900 tot stand gekomen, zag de vereeniging zich in Februari 1901 in staat eene school te openen, die zoowel voor Chineesche meisjes als jongens toegankelijk was. Met een klein aantal leerlingen begonnen, breidde zich dat geleidelijk uit, zoo dat op het einde van het jaar 1904, na een vierjarig bestaan, de school 318 leerlingen telde, waaronder 238 jongens en 80 meisjes; dat zooveel meisjes de school bezoeken is een heuge lijk verschijnsel, daar tot dusverre de meisjes zoo goed als geheel van onderwijs verstoken waren. Van die leerlingen ontvangen 257 er 90 kosteloos onderwijs en wel 74 jongens en 16 meisjes. De leeftijd der leerlingen wisselt af van 6 tot 16 jaar. Het onderwijs wordt gegeven door 15 Chineesche onderwijzers en 1 Europeesche onderwijzeres (speciaal voor handwerken). Van die onderwijzers zijn er 11 in China en 4 in Indië geboren. De voertaal voor het onderwijs is het zoogenaamd mandarijn Chineesch (tsia-dzi), dat voor China de officieele taal is. De reden hiervan is te zoeken in het bestaan te Batavia van drie groote groepen en wel Canton-, Macao- en Hokkian-Chineezen, die ieder een afzonderlijke, onderling niet verstaanbare spreek taal hebben, en aangezien de school bezocht wordt door ver tegenwoordigers van alle groepen, vond men het beter eene neutrale taal te gebruiken. Over het gedrag en den ijver der leerlingen kan in het algemeen niets dan goeds gezegd worden. Het schoolgeld wisselt naar gelang van de mindere of meerdere gegoedheid der ouders af van ƒ1 tot ƒlO 's maands; behoeftigen echter worden gratis tot de school toegelaten. Het groote verschil in het Chineesch onderwijs van voorheen en thans komt speciaal aan den dag bij eene beschouwing der in gebruik zijnde leerboeken. Waren het vroeger uitsluitend de klassieken, die door de leerlingen machinaal van buiten werden geleerd, zonder dat zij, althans in den beginne, iets van strekking of inhoud begrepen, thans is met dat stelsel geheel gebroken en zijn op de school boeken ingevoerd, die volgens de Westersche wijze ingericht (voor de beginselen ongeveer in den trant van Obdeijns' leerwijze), den leerling met het gemakkelijkste doen beginnen, om geleidelijk door mondeling onderricht en aan schouwelijke voorstelling tot het meer moeilijke door te dringen. Daar de Chineesehe bevolking in de Westerafdeeling van Borneo vrij stabiel is, en door het terugkeeren van personen naar China, het zielental niet belangrijk toeneemt, blijft het aantal scholen en leerlingen nagenoeg gelijk, terwijl de methode van onderwijzen en lesgeven bij conservatieve Chineezen geheel dezelfde gebleven is. De onderwijzers zijn allen in China geboren. In Medan bestaat „The Medan Normal school" en „The Medan Boarding school", met respectievelijk 25 en 26 Chineesche en 17 258 5 en 10 Inlandsche leerlingen, waar in het Engelsch, Chineesch en Maleisch onderwijs wordt gegeven." ') Volgens het betrekkelijke verslag over het jaar 1906, ver schenen bij de landsdrukkerij in 1908, vernemen wij omtrent het onderwijs voor de Chineezen o. a. nog het volgende op blz. 76: De beweging ter verbetering in de onderwijsmethode hield gedurende verslagjaar aan en is gedeeltelijk een gevolg van de 1) Sedert is er te Medan op het gebied van onderwijs aan Chineezen veel geschied. We lezen in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 17 Mei 1909 het navolgende: Een groote Chineesehe school te Medan. De Sumatrapost schrijft: In eenige artikelen over „Volksonderwijs" hebben wij nu ongeveer een jaar geleden, gesproken over de particuliere Engelsch-Chineesche scholen te Medan, waarop van den Overwal uit toezicht wordt geoefend. We wozen op het beschamende van het feit dat in onze kolonie aan onze onderdanen in een vreemde taal wordt onderwijs gegeven, als gevolg van de laakbare onthouding van het gouvernement. Daartegenover konden wij echter de ver blijdende mededeeling stellen dat de regeering dan toch eindelijk tot het inzicht was gekomen van haar verplichtingen tegenover het Mongoolsche deel harer onderdanen, en dat vermoedelijk ook ter Oostkust, evenals in verschillende grootere steden op Java, een Hollandsch-Chineesche school zou worden geopend, een lagere school voor Chineezen, waar onze taal, en later facultatief, de Engelsche zou worden onderwezen. Edoch, er is toch weer niets van gekomen. Achteraf schijnt zulk een school voor Medan niet noodig te zijn geacht. En wat zien we nu? In de nieuwe Chineesehe wijk, aan de Djalan Kos song, is een groot dubbel schoolgebouw verrezen, geheel van steen, met tegeldak en rondloopende galerijen, een royale inrichting, welke daar werd gebouwd op rekening van.... particulieren, den kapitein- en majoor-Chinees. Naast de school staat een tweede gebouw, eveneens royaal van opzet, hetwelk bestemd is als woning voor de onderwijzers en voor de interne leerlingen uit andere plaatsen van het gewest. Deze particuliere school zal zijn de voort zetting van de voornaamste Engelsch-Chineesche schooltjes op grootere schaal. Er is plaats voor 400 leerlingen, die er onderwijs zullen ontvangen van Engelsch sprekende Chineesehe onderwijzers. Wij hebben den kapitein-Chinees gevraagd of de Chineezen niet zouden verlangen hun kinderen Hollandsch onderwijs te doen geven: hij zelf was toch blijkbaar van het nut van Hollandsch onderwijs overtuigd, daar hij voor zijne kinderen toelating tot de Europeesche school wist te verkrijgen. Het antwoord luidde dat er bij de Chineezen nog geen bepaalde neiging in die richting bestond. De ouders van leerlingen der reeds bestaande Engelsch- Chineesche scholen zouden het natuurlijk op prijs, stellen wanneer het onder- 259 in China plaats gehad hebbende hervormingen op onderwijs gebied, en gedeeltelijk veroorzaakt door de bemoeienis der Tiong Hwa Hwe Koan-vereeniging. Wat de hervormingen in China betreft, men zou het moderne onderwijs daar te lande in hoofdtrekken aldus kunnen verdeelen: 1. Bewaarschool; 2. Lagere school en uitgebreide lagere school; 3. Middelbare school; 4. Hoogeschool. De bedoeling is, om de scholen alhier zooveel mogelijk te vormen naar het model van de moderne lagere scholen in China. De school is verdeeld in 6 klassen. De leerling, die deze 6 klassen met vrucht heeft doorloopen en die geen handelsman wil worden, kan in China doorstudeeren en direct overgaan naar de middelbare school (H. B. S.), de z.g. Tiong Hak Tong of Tsoan Bing. Deze zullen in China op alle districts-hoofdplaatsen verrijzen; hoogescholen bestonden, voorzoover bekend, in 1906 alleen in Peking en Nanking. Als aan te leeren taal is het Engelsch gekozen. Het op vele w ijs op de nieuwe school in dezelfde voertaal werd voortgezet. Vandaar, dat deze school ook als Engelsch-Chineesche school begon. Maar de nog geheel ón-onderwezen leerlingen ? vroegen we. — Ja, wanneer ouders van zulke leerlingen het weuschten, zouden er maatregelen worden genomen om in 't Hollandsch les te doen geven. In dat geval zouden Hol land -Bchec he onderwijzers worden aangesteld. Naarmate zich meer Chineezen bier blijvend vestigden, van geslacht op geslacht in de Hollandsche kolonie bleven, zou er wel lust ontstaan om Hollandsch te leeren. Nu werd echter blijkbaar a og aan het Engelsch de voorkeur gegeven. En — voegen wij er aan toe — zal aan het Engelsch de voorkeur gegeven blijven worden, zoolang zoo gemakkelijk gelegenheid wordt geboden om in die taal de voor het praktische leven noodige kundigheden op te doen en die gelegenheid, voor zooveel 't Hollandsch betreft, ni e t bestaat. Het is waarlijk niet te verwachten dat er ter Oostkust, waar onder Chi neezen en Vreemde Oosterlingen het Engelsch zoozeer lakoe is geworden, °peens een spontane drang zich van die zijde zou openbaren om onderwijs i Q 't Hollandsch te mogen erlangen. De gelegenheid moet eerst van regee ringswege worden geboden, hier ter Oostkust te éérder, omdat men zich a l met een vreemde taal is gaan behelpen. Wanneer een vreemdeling ons zal vragen wat dat groote gebouwen-complex in de Chineesehe wijk beduidt, zal het niet zonder aarzeling zijn, dat we antwoorden: „dat is een Engelse h-Chineesche school" — uit vrees dat hij zal vragen: „en waar is de Hol 1 andsch-Chineesche ... ? 26 Bijlage A (zie blz. 18). In den loop van het jaar 1908 heeft de heer van Kol aan den minister van Buitenlandsche zaken in de Tweede Kamer de volgende vraag gedaan: „Kan de minister aan de Staten- Generaal eene vertaling verschaffen van de voornaamste Chineesehe wetten of decreten, die het sluiten van koelie contracten en het geven van voorschotten regelen in die provincies van het Chineesehe rijk, waaruit Nederlandsch-Indië werk krachten trekt?" Naar aanleiding dezer vraag herinnerde de minister er aan, dat reeds in een in April t. v. ter griffie der Kamer gedeponeerde nota werd medegedeeld, dat in China geen enkel koeliecontract gesloten wordt. Overlegging der door den heer Van Kol bedoelde wetten of decreten, gesteld dat deze bestaan, kon derhalve als overbodig worden beschouwd. Op de in Nederlandsch-Indië gesloten koeliecontracten, alsmede op het geven der daarbij bedongen voorschotten, ook al worden die in China verstrekt, zijn toch uit den aard der zaak uit sluitend de Nederlandsch-Indische wettelijke bepalingen van toepassing. Voor zooveel noodig zij hieraan nog toegevoegd, dat de Chineesche regeering elke werving binnen het rijk van Chineesche arbeiders voor het buitenland verbiedt, tenzij tot die werving machtiging is verleend door de besturende ambte naren. De werving in Zuid-China voor Dcli berust op een door do Chineesche overheid verleende toestemming, terwijl een deel der mijnwerkers in Billiton, zonder bepaald in Zuid-China geworven te zijn, geheel uit eigen beweging vandaar is vertrokken en de aanwerving van Chineesche werkkrachten voor andere onder nemingen in Nederlandsch-Indië thans geschiedt in Hongkong en Singapore en dus onttrokken is aan de rechtsmacht van de Chineesche overheid. Met verwijzing naar de bovenstaande vraag van den heer Van Kol en het antwoord van den minister daarop, laat ik hieronder volgen het oude: 260 scholen alhier gebruikte leerboek „Anglo-Chinese Royal Reader" is ook in China op de lagere scholen in gebruik. Voor het overige is het onderwijs specifiek Chineesch. Een uniform leerplan was nog niet vastgesteld. Nadat eenige jaren de vereeniging Tiong Hwa Hwe Koan te Batavia bestond verrezen voor en na over geheel Java afdee lingen daarvan. Opmerking verdient het op blz. 13 van bedoeld verslag mede gedeelde , dat door Chineezen voor hunne kinderen van Inlandsche scholen slechts schaarsch gebruik wordt gemaakt. Hieronder volge eene opgave omtrent het aantal scholen, leerlingen en onderwijzers overgenomen uit het verslagover 1906. 261 1) Waar een ~a staat, ontbreken de opgaven. Scholen voor Chineezen op 31 December 1906. 262 Het Europeesch middelbaar onderwijs wordt slechts door een zeer gering aantal Chineezen genoten, doch betrekkelijk velen loopen de Europeesche lagere scholen af, zooals de staat hier onder aangeeft J ): A. Openbare scholen. B. Bijzondere scholen. 1) Zie blz. 25 en 26 van de Jaarcijfers. 1906. a) Onder Vreemde Oosterlingen zijn hier b\jna uitsluitend begrepen: Chineezen. 263 Oprichting van de Hollandsch-Chineesche scholen. Eindelijk dan, na lang wikken en wegen, werd door de regeering besloten tot de oprichting van de Hollandsch-Chineesche scholen, (Stbl. 1908 N°. 348). Een besluit, waarvoor men de regeering zeer kan prijzen, en, indien aan de bepaling, dat die Chineesehe scholen zullen worden opgericht op plaatsen, waar de behoefte daaraan bestaat, de hand wordt gehouden, dan hebben de Chineezen werkelijk alle reden tot dankbaarheid. Het is te hopen, dat èn financieele overwegingen, èn gebrek aan onderwijskrachten, niet remmend zullen werken voor de uit voering der goede voorschriften. Eene korte uiteenzetting van de gedragslijn der regeering in zake het onderwijs aan Chineezen vinden we in een artikel van de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 26 Januari 1909, dat we hieronder laten volgen. Onderioijs voor Chineezen. Wij lezen in de Javabode: Door de regeering is de wensch uitgesproken, dat de hoofden van gewes telijk en plaatselijk bestuur volledig zouden worden ingelicht met betrekking tot de, door haar in zake het onderwijs voor de Chineezen hier te lande aanvaarde gedragslijn. In voldoening aan dat verlangen van den landvoogd heeft de directeur van onderwijs, eeredienst en nijverheid een rondschrijven aan genoemde autoriteiten medegedeeld, dat ook in ruimer kring verdient bekend te worden. „In de verwachting dat een groot deel der Chineesehe ingezetenen voor de onderwijsbehoefte hunner kinderen voldoende bevrediging zou kunnen vinden op de openbare inlandsche lagere scholen, doch de mogelijkheid in ziende dat, met toepassing van artikel 21 van het Inlandsche Schoolreglement (Stbl. 1893 n°. 128), aan de toelating van die kinderen tot bedoelde scholen belemmeringen in den weg zouden gelegd kunnen worden, heeft de regeering bij het besluit van 18 April 1908 n°. 13 (Stbl. n°. 329) voor gemeld artikel de volgende nieuwe lezing vastgesteld: „De scholen zijn bestemd voor kinderen van inlanders en met dezen gelijk ges telden." De inlandsche scholen zijn nu dus voor alle Chineesehe kinderen toegan kelijk op volkomen dezelfde voorwaarden als voor toelating van inlanders gelden, d. w. z. die der tweede klasse zonder eenige beperking, die der eerste klasse met het ook voor inlanders geldend voorbehoud dat zij meer in het bijzonder bestemd zijn voor kinderen van aanzienlijke of gegoede ouders. Op een veertigtal der eerste-klasse-scholen is het Nederlandsch onder de leervakken opgenomen, terwijl het in de bedoeling ligt, ten aanzien van de overige scholen van deze categorie dien maatregel eveneens te treffen, en wel zoo spoedig als de omstandigheden zulks zullen toelaten. Chineezen, die 264 voor hunne kinderen eenige kennis van onze taal wenschelijk of noodig achten, kunnen hen die op deze soort van scholen doen verwerven. Zijn op de voren aangegeven wijze de belemmeringen voor het bezoeken van openbare inlandsche scholen voor kinderen van Chineezen geheel weg genomen, ook de toegang tot de openbare Europeesche lagere scholen is hun gemakkelijker gemaakt, in zoo verre zij daar thans ingevolge de, bij het gouvernements besluit van 12 Januari 1908 n°. 19 (Stbl. n°. 38) tot stand gekomen wijziging van het Europeesch Schoolreglement (Stbl. 1894 n°. 193), behoudens de uitzondering, voortvloeiende uit artikel 22, alinea 2, juncto artikel 23 van gemeld reglement, zooals dit luidt ingevolge Stbl. 1908n°.312, hetzelfde schoolgeld als voor inlandsche leerlingen is vastgesteld. Voor hunne toelating tot die scholen bestaan voorts geen andere belemme ringen dan die, voortvloeiende uit artikel 14 van evenbedoeld Schoolreglement, zoodat zij ook ten deze volkomen op gelijken voet met de Inlanders worden behandeld. Ten einde tegemoet te komen ook aan de behoefte van Chineezen, die hun kinderen Europeesch onderwijs willen doen genieten en voor wie de Europeesche school daartoe geen gelegenheid biedt, omdat die kinderen niet aan de in evengemeld artikel 14 gestelde eischen voldoen, is bij § 1 van het gouvernementsbesluit van 1 Mei 1908 n°. 23 (Stbl. n°. 348) bepaald: „Op plaatsen, waar de behoefte daaraan is gebleken, worden door den directeur van onderwijs, eeredienst en nijverheid afzonderlijke scholen voor kinderen van Chineezen opgericht." Deze scholen dragen den naam van Hollandsch-Chineesche scholen. Daar de regeering is als criterium voor de behoefte aan dergelijke scholen aangenomen de aanwezigheid van een groot aantal Chineesehe kinderen, die, in verband met den maatschappelijken stand of de ontwikkeling hunner ouders, in aanmerking komen voor het ontvangen van meer en ander onder wijs dan de inlandsche school, ook die der eerste klasse met Nederlandsoh op het leerplan, verschaft, en wier ouders ook in staat en bereid zijn het te vorderen schoolgeld te betalen. Omtrent de inrichting van deze soort van scholen, de voorwaarden voor de toelating der leerlingen en de formatie van het daaraan te verbinden personeel zijn bij het even vermelde gouvernements-besluit de noodige bepa lingen vastgesteld. Een kort overzicht daarvan moge hier volgen. Het onderwijs aan een Hollandsch-Chineesche school wordt geheel in het Nederlandsch en overeenkomstig het leerplan der Europeesche lagere scholen gegeven, evenwel met weglating van het Fransch; de mogelijkheid bestaat intusschen dat later bij sommige Hollandsch-Chineesche scholen, hetzij deze taal, hetzij Engelsch, aan de leervakken zal worden toegevoegd. De heffing van schoolgeld geschiedt naar denzelfden maatstaf en hetzelfde tarief als voor de schoolgeldheffing op de Europeesche scholen zijn aangenomen, met dien verstande dat de Chineesehe leerlingen zijn uitgesloten van gratis-toe lating en dientengevolge ook van betaling van schoolgeld naar de 6 <, ° cate gorie , waarin alleen Europeesche leerlingen worden gerangschikt, die kosteloos zouden kunnen worden toegelaten, doch wier ouders of voogden uitdrukkelijk verlangen tot de kosten van het onderwijs bij te dragen. De formatie van 265 het personeel der Hollandsch-Chineesche scholen is dezelfde als bij de Euro peesche scholen. Waar de behoefte aan oprichting eener Hollandsch-Chineesche school mocht worden uitgesproken of op goede gronden vermoed, beschouwt de r egeering het als de taak der gewestelijke en plaatselijke bestuurshoofden dienaangaande een onderzoek in te stellen, zullende het resultaat daarvan in verband met de hooger aangehaalde bepaling in § 1 van Stbl. 1908 n°. 348 ter kennis van den directeur van onderwijs, eeredienst en nijverheid, zijn te brengen. Bijlage A. (Zie blz. 248). De statuten der vereeniging Tiong Hoa Hwe Koan (opgeno men in de Javasche-Couranten van 10 Mei 1901, N°. 37 en van 22 Maart 1904, N°. 23), luiden na de goedgekeurde wijzigingen, thans als volgt: Artikel 1. De vereeniging draagt den naam van „Tiong Hoa Hwe Koan" en heeft haar hoofdzetel te Batavia. Artikel 2. Het doel der vereeniging is het oprichten en in stand houden van een fonds, bestemd tot bestrijding van de kosten, die noodig zullen zijn voor: o. het bevorderen van Chineesehe gewoonten en zeden, zooveel mogeljjk in opvolging der voorschriften van Nabi Khong Hoe Tjoe, niet in strijd met de goede zeden, en het bevorderen onder het Chineesehe element, van de kennis op geschriften en talen; b. ter uitvoering van het sub a hiervoren bepaalde, het oprichten en onder houden te Batavia en op andere plaatsen binnen Nederlandsch-Indië van gebouwen als anderszins, tot vergaderplaatsen ter bespreking der belangen van de vereeniging en andere zaken ten algemeenen nutte, zoomede het oprichten en in stand houden van onderwijsinrichtingen ter bevordering van voorschreven doel: in geen geval in strijd met de wettelijke bepalingen en verordeningen; c. het verzamelen van een collectie boekwerken voor de bevordering van algemeene kennis en leer. Artikel 3. De vereeniging wordt opgericht voor den tijd van negen en twintig jaar en - elf maanden, gerekend van den dag, waarop door den Gouverneur- Oeneraal goedkeuring zal zijn verleend op deze statuten en mitsdien de ver eeniging als rechtspersoon zal zijn erkend. Abtikel 4. De leden der vereeniging worden onderscheiden in gewone- en bestuursleden. Oewone leden zijn zij, die door betaling als anderszins lid der vereeniging Menschen te worden. 266 Bestuursleden zijn zij, die tot lid van het bestuur worden benoemd. De bestuursleden worden gekozen uit de gewone leden der vereeniging en zijn onderworpen aan periodieke aftreding ingevolge deze statuten. Buiten de gewone- en bestuursleden, erkent de vereeniging ook nog eere leden, die in eene algemeene vergadering van leden op voorstel van het bestuur gekozen worden uit de gewone- en bestuursleden, dan wel uit andere personen, geen leden der vereeniging zijnde, die zich tegenover de vereeni ging bijzonderlijk verdienstelijk hebben gemaakt. Aan een eerelid wordt als onderscheidingsteeken eene insigne uitgereikt, vervaardigd van achttien karaats goud, ter zwaarte van een halve reaal en ter grootte en in den vorm van een guldenstuk, waarop met Chineesche karakters zijn gegraveerd op den eenen of voorkant de woorden „Pa Sia Tiong Hoa Hwe Koan" en „Tjan Seng Oan", met vermelding van den datum van uitreiking en aan den anderen of achterkant de naam van den persoon aan wien de insigne is uit gereikt, en zijn titel in de vereeniging, indien hij lid is van de vereeniging. Aan gewone- of bestuursleden, dan wel aan andere personen, geen leden der vereeniging zijnde, die zich tegenover de vereeniging verdienstelijk hebben gemaakt, doch door het bestuur niet zijn voorgesteld om tot eerelid te worden aangesteld, wordt bij wijze van een geschenk een insigne uitgereikt, vervaardigd van achttien karaats goud, ter zwaarte van een halve reaal en ter grootte en in den vorm van een guldenstuk, waarop met Chineesehe karakters zijn gegraveerd aan den voorkant de woorden „Pa Sia" Tiong Hoa Hwe Koan" en „Kie Joe Seng Kong," met vermelding van den datum van uitreiking, en aan den anderen of achterkant de naam van den persoon, aan wien de insigne wordt uitgereikt, met vermelding van zijn titel in de ver eeniging. leder persoon, aan wien een insigne is uitgereikt, is verplicht bij vergaderingen en andere bijeenkomsten der vereeniging het insigne, ter onderscheiding, aan een oranjestrik, ter hoogte van de linkerborst te dragen. Het dragen van een insigne, bedoeld in dit artikel, in het openbaar is ten strengste verboden. Eereleden mogen niet tot bestuursleden worden gekozen; zullende, wanneer een bestuurslid tot eerelid wordt aangesteld, de tot eerelid verkozene niet meer tot het bestuur behooren en dadelyk worden vervangen, terwijl het bepaalde bij de derde alinea van artikel negen dezer statuten niet meer op hem toepasselijk is. Eereleden nemen bij vergaderingen of andere bijeenkomsten der vereeniging eene plaats in aan de tweede tafel bij den voorzitter. Het beschermheerschap der vereeniging wordt opgedragen aan den Majoor der Chineezen, hoofd zijner natie te Batavia dan wel, bij diens weigering, verhindering als anderszins, aan een ander aanzienlijk, gunstig bij het Euro peesch bestuur bekend staand Chineesch officier. Artikel 5. Zij die lid van de vereeniging wenschen te worden, moeten van hun voor nemen kennis geven aan het bestuur der vereeniging, en, ter verkrijging van een exemplaar van het reglement der vereeniging, betalen zij de druk kosten daarvan. 267 De namen, ouderdom, woonplaats en het beroep van elk der leden worden ingeschreven in een register, hetwelk door het bestuur wordt aangehouden. Artikel 6. Het bestuur der vereeniging bestaat uit twintig leden, waarvan één pre sident, twee vice-presidenten, twaalf commissarissen, één adviseur, twee secretarissen en twee kassiers, en treden bij den aanvang der vereeniging als zoodanig op de ondervolgende personen, oprichters der vereeniging: Phoa Keng Hek, president, Khoe A Ean ) J vice-presidenten, Ang Sioe Tjiang) Kapitein Oeij Giok Koen \ Oeij Koen Ie \ Tan Kong Tiat 1 Lic Hm Liam I Nio Hoeij Oen / ï"hoa Lip Tjaij \ Khonw Kim An / c om m^sarissen. Tan Tian Seng i Klloe Slauw adviseur) Uuw Tiauw Soeij 1 Tan Kim le BecreiariS) Ouw Sian Tjeng I Khoe Hiong pjnj 2e Becretariß> "en A Tjoeng I Khouw Lam Tjiang, 1- kassier. Ue Kün Hok / Tjoa Yoe Tek, 2» kassier, Het aantal der bestuursleden kan, zoo noodig krachtens besluit eener alge meene vergadering van leden, werden vermeerderd of verminderd. De president wordt benoemd voor den tijd van drie jaren en de overige Bestuursleden voor den tijd van één jaar, behoudens hun respectievelijk eerder aftreden, krachtens deze statuten, of uit eigen wil. leder aftredend lid kan door het bestuur als zoodanig worden herkozen. Indien één der bestuursleden tusschentijds zijne betrekking nederlegt of komt te overlijden zal eene algemeene vergadering van leden worden belegd, ol n een nieuw lid uit de gewone leden te benoemen, of wel onder nadere goedkeuring der algemeene vergadering van leden door het bestuur in de vacature worden voorzien, door aanwijzing van een der gewone leden die z ich de keus moet laten welgevallen. Degene, die als bestuurslid wordt benoemd, is gehouden die benoeming te nemen, tenzij hij redenen van overwegend belang ter verschooning kan aanvoeren, ter beoordeeling van de in functie zijnde bestuursleden. De leden van het bestuur der vereeniging genieten, met uitzondering van de twee secretarissen en van de twee kassiers, geen salaris. Het salaris van die secretarissen en kassiers zal door de algemeene vergadering worden vast gesteld. Indien een bestuurslid zich niet behoorlijk gedraagt, of indien zijn gedrag Misnoegen opwekt, geheel en al ter beoordeeling der algemeene vergadering, z oo kan hij in die algemeene vergadering, daartoe opzettelijk bijeen te roepen 268 worden ontslagen, en zal tegelijkertijd een ander persoon uit de gewone leden tot bestuurslid worden benoemd. leder bestuurslid zal zich voor eenigen tijd als zoodanig door een ander persoon, doch op zijne verantwoordelijkheid, kunnen doen vervangen, aan wien hij alsdan zijne schriftelijke volmacht verleent. Wanneer de president verhinderd is zijne functiën als zoodanig uit te oefenen, of van de plaats afwezig is, worden zijne functiën tijdelijk waarge nomen door één der twee vice-presidenten of door één der bestuursleden, met meerderheid van stemmen te benoemen. leder lid der vereeniging, die in eene bijeenkomst van leden zich niet be hoorlijk gedraagt, zoodat diens gedrag misnoegen opwekt, kan op verzoek van twaalf leden — hetzij gewone, hetzij bestuursleden —, en in opvolging der beslissing van het bestuur, verwijderd worden, en wordt hij als een ge volg hiervan uit het naamregister der leden afgevoerd waardoor hij alle rechten in deze vereeniging verliest. leder lid, die uit deze vereeniging wenscht te treden, kan zich daartoe schriftelijk wenden tot den president, opdat zijn naam uit het naamregister der leden worde afgevoerd, waardoor hij alsdan van rechtswege als lid der vereeniging aftreedt. Artikel 7. Het bestuur, vertegenwoordigd door den president en één der secretarissen, vertegenwoordigt de vereeniging zoo in- als buiten rechten en is mitsdien uitsluitend gerechtigd om in haar naam te handelen, de vereeniging aan derden aan haar te verbinden, mitsgaders zoo eischende als verwerende in rechten op te treden. Het bestuur is belast met de inrichting en het onderhoud van een huis voor de vereeniging, welk huis tot dat doel door de vereeniging, zoolang hare middelen zulks niet gedoogen, vooralsnog zal worden ingehuurd, of bijaldien de kas der vereeniging zulks toelaat, aangekocht wordt. De verschillende werkzaamheden der bestuursleden onderling zullen worden geregeld in een daartoe bijzonder aan te houden huishoudelijk reglement, hetwelk, na de goedkeuring op deze statuten door den Gouverneur-Generaal, in eene daartoe door de oprichters dezer vereeniging te houden bijeenkomst zal worden vastgesteld en den Gouverneur-Generaal ter goedkeuring aan geboden. Tot zoolang handelen de leden van het bestuur krachtens besluit der bestuursvergadering, met meerderheid van stemmen te nemen door de ter vergadering aanwezige bestuursleden. Artikel 8. Het bestuur zal al de goederen en de waarde daarvan der vereeniging toe behoorende, in een daartoe bestemd register moeten inschrijven. Het vervreemden of bezwaren van eigendommen der vereeniging, alsmede het aangaan van geldleeningen te haren laste, kan alleen geschieden inge volge besluit eener algemeene vergadering, genomen door minstens drie vierden der in die vergadering aanwezige of vertegenwoordigde leden der vereeniging. 269 Artikel 9. Alle schrijfbehoeften en andere kosten van administratie komen ten laste der vereeniging. Voor het eerst worden in de kas der vereeniging gestort de geldelijke bijdragen Van de personen, die als lid der vereeniging wenschen toegelaten te worden. Een ieder, die als lid der vereeniging wordt opgenomen, betaalt eene Maandelijksche contributie van vijftig cents. Wanneer er in de kas gelden aanwezig zijn, meer dan er benoodigd wordt, geheel ter beoordeeling van het bestuur, moet liet bestuur die overige gelden rentegevend uitzetten, volgens beslissing der algemeene vergadering. Omtrent het houden van verband wordt nimmer vergunning verleend op roerende goederen. Artikel 10. Gelden en geldswaardige papieren der vereeniging worden bewaard in een 'jzeren kist, voorzien van drie verschillende sleutels. Eén der sleutels wordt door den president, één door éen der twee vice- P r esidenten en één door den eersten kassier bewaard. Minstens éénmaal per maand moet het bestuur de kas der vereeniging °pnemen en de inhoud daarvan met de boeken vergelijken. Tot dat einde zullen degenen, die de sleutels der kas onder zich houden, boeten te zamen komen. Artikel 11. Het bestuur zal een persoon uitkiezen als bezoldigd conciërge, die de goederen, in het huis der vereeniging aanwezig, zal moeten bewaren en beheeren, en zulks in opvolging van de voorschriften van het bestuur. De bewaarder is persoonlijk verantwoordelijk. Door den conciërge wordt aan het bestuur ingediend een staat van al de door hem bewaarde goederen. Die staat moet door hem onderteekend worden. Artikel 12. De president bepaalt waar een bestuursvergadering of eene bijeenkomst v an leden zal worden gehouden, zooveel mogelijk conform het bepaalde bij a rtikel twee der statuten. Het bestuur moet minstens éénmaal per maand vergaderen. De besluiten v *n eene bestuursvergadering zijn voor de leden der vereeniging bindend. Elk jaar, in den loop der Chineesehe maand (Tsia Goeë), na afsluiting der "oeken, wordt eene vergadering van leden gehouden, terwijl buitengewone a 'gemeene vergaderingens telkens, wanneer het noodig is, kunnen plaats nebben. Telkenmale, wanneer de president een bestuursvergadering wenscht te 'eggen, moet hij den dag vaststellen. Drie dagen daarop zal de bestuurs vergadering dan moeten gehouden worden. De secretaris zal hiervan schriftelijk kennis geven aan de leden van het bestuur, voor zooveel die leden te Batavia aanwezig en vertegenwoordigd 2l jn en hiervan aan het bestuur is kennis gegeven. *3k lid, dat verhinderd is eene algemeene vergadering bij te wonen, mag 27 Reglement voor de aanwerving van arbeiders in China, om onder contract voor een bepaalden tijd, veld- of fabrieks arbeid te verrichten in Nederlandsche koloniën. Conventie tot regeling der aanwerving van Chineesche emigranten Authentieke vertaling van den Chineeschen tekst. REGLEMENT. Art. 1. Wanneer iemand in een der voor den buitenlandschen handel ge opende havens van China een etablissement tot het werven van arbeiders wenscht op te richten, en hij reeds bij zich zelven heeft uitgemaakt wat voor contracten hij met de arbeiders wenscht te sluiten en op welke wijze hij de Chineesche arbeiders in zijn etablissement wenscht te behandelen, dan moet "_ een concept van dit contract en van de bepalingen voor de behandeling der arbeiders in zijn etablissement, aan den Consul ter onderzoek aanbieden. Daar voorts de voorschriften op het voeren van passagiers, voor de schepen van verschillende rijken niet dezelfde zijn, zal zulk een persoon bewijzen moeten geven dat hij aan de voorschriften te dezen opzichte voldaan heeft, 0 Ü gebreke waarvan de Consul zijne aanvraag niet in behandeling neemt. Art. 2. Wanneer de Consul zulk eene aanvrage heeft ontvangen, zal hij zich overtuigen van de solvabiliteit en vertrouwbaarheid van den aanvrager en vervolgens het concept-contract en de voorgestelde bepalingen voor de be handeling der arbeiders in het etablissement in overweging nemen en zoo noodig veranderen, waarna hij die stukken kan doorzenden aan de Chineesche Plaatselijke authoriteit, die, na zich vergewist te hebben, dat ze naar be booren zijn ingericht, dadelijk eene vergunning tot het oprichten van een e migratie-etablissement zal afgeven. Deze vergunning, alsook het contract en de regulaties, zullen geregistreerd borden in het Consulaat. Art. 3. Wanneer zulk eene vergunning eenmaal is uitgereikt mag ze niet zonder reden worden ingetrokken; wanneer er echter een reden daarvoor be staat, moet de plaatselijke authoriteit met den Consul in overleg treden en wanneer beiden van hetzelfde gevoelen zijn kan het etablissement gesloten 611 de werving gestaakt worden zonder dat de betrokken persoon het recht za l hebben eenige schadevergoeding te eischen. Art. 4. Modellen van het contract en van de bepalingen voor het etablisse ment zullen door den werver voor de deur van het etablissement en in de kamer der arbeiders worden opgehangen, opdat deze gelegenheid zullen hebben den inhoud er van geheel en al te leeren kennen. Wanneer het contract en de bepalingen voor het etablissement door de 270 schriftelijk daartoe volmacht verleenen om namens hem die vergadering van leden bij te wonen en in die vergadering stem uit te brengen. Wanneer het noodzakelijk is dat eene algemeene vergadering van leden op verzoek van één of meer leden der vereeniging moet worden belegd en het bestuur weigert zulks te doen, kan deze vergadering toch voortgang hebben, indien er veertien gewone leden der vereeniging eenstemmig zijn, die hier van de overige leden der vereeniging in wetenschap zullen moeten stellen, met vermelding der redenen, welke tot eene dusdanige vergadering hebben geleid. Alle geschillen zullen zooveel mogelijk in der minne worden geschikt. Artikel 13. Elk lid heeft recht op het uitbrengen van één stem. Alle besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen der ter vergadering aanwezige of vertegenwoordigde leden. Bij staking van stemmen heeft de president der vereeniging, als voorzitter van alle vergaderingen, eene beslissende stem. De president moet zorg dragen voor de juiste uitvoering der door de alge meene- en bestuursvergaderingen genomen beslissingen. Artikel 14. Eén der secretarissen moet de boeken aanhouden, zooals die door den president worden aangewezen en hij is verplicht aanteekeningen te houden in de notulen van al hetgeen ter bestuurs- en algemeene vergadering wordt vastgesteld. De notulen worden door den president en één der secretarissen geteekend. Gelden, die door den kassier worden ontvangen, moeten minstens ééns per maand in de kas worden overgebracht. Wanneer zes der commissarissen of bestuursleden de kas wenschen op te nemen en de geldswaardige papieren en boeken der vereeniging wenschen na te zien, moeten zij van hun voornemen drie dagen te voren kennis geven aan één der secretarissen, die hiervan onmiddelijk den president en één der vice-presidenten, die de sleutels der kas houdt en kassier in kennis stelt. Artikel 15. De boeken der vereeniging worden op ultimo van elk Chineesch jaar afge sloten, en het bestuur maakt hieruit rekening en verantwoording op met overlegging in de algemeene vergadering van de daartoe betrekkelijke bescheiden en papieren van waarde, welke vergadering in de eerste Chi neesehe maand van het nieuwe jaar wordt gehouden. Wanneer de rekening en verantwoording door de algemeene vergadering wordt goedgekeurd, strekt zij het bestuur der vereeniging tot acquit en décharge over het afgeloopen boekjaar. Artikel 16. Voor het bevorderen van de leer der zeden en gewoonten der Chineezen, voorgeschreven door Khong Hoe Tjoe, zoo ook voor het bevorderen der kennis op geschriften en talen, moet het bestuur de zaken regelen, zooals 271 dat bestuur goed denkt, opdat hetgeen ter algemeene vergadering wordt beslist voor de vereeniging gunstig zal werken. Artikel 17. Leden, die boeken ter lezing wenschen te hebben, moeten den conciërge ee n bewijs afgeven, en kunnen zij niet meer dan één deel meenemen en dat deel niet langer bij zich houden dan vijf dagen. Artikel 18. Wanneer drie vierden der leden deze vereeniging wenschen te ontbinden, Wordt deze vereeniging als ontbonden beschouwd, en zullen hare eigen dommen worden geschonken aan één der door de daartoe belegde vergadering aan te wijzen liefdadigheidsinstelling, en zulks met sanctie van den Gouver neur-Generaal van Nederlandsch-Indië. Artikel 19. Van alle gevallen, niet in deze statuten voorzien, is de president der ver eeniging bevoegd daarvan aanteekeningen te houden. Die aanteekeningen worden gedurende veertien dagen aan het gebouw der vereeniging aangeplakt, en worden de leden daarbij uitgenoodigd om in een register te vermelden of zij deze aangelegenheid door het bestuur öf door eene buitengewone algemeene vergadering van leden wenschen te zien behandeld. Artikel 20. Bij verschil van meening omtrent de bedoeling van één of meer der bepa lingen in deze statuten, zal daaromtrent in eene algemeene vergadering van leden worden beslist, met meerderheid van stemmen. Artikel 21. Wanneer, ter bevordering van het in artikel twee dezer statuten om schreven doel, krachtens besluit van de bestuursvergadering wordt over gegaan tot de oprichting en instandhouding van eene vergaderplaats of onderwijsinrichting op eene plaats buiten de afdeeling Stad en Voorsteden van Batavia, zal de vereeniging op zoodanige plaats worden vertegen woordigd door een afzonderlijk aldaar gevestigd bestuur onder den naam Va Q „afdeelingsbestuur", terwijl de afdeeling zelf den naam draagt van «Tiong Hoa Hwe Koan Hoen Kiok", met bijvoeging van den naam der Plaats waar het afdeelingsbestuur is gevestigd. Het afdeelingsbestuur is direct ondergeschikt aan het hoofdbestuur te Batavia en moet minstens uit acht leden bestaan, waarvan éen president, een vice-president, twee commissarissen, éen secretaris, éen kassier, éen ad viseur en éen ceremoniemeester. Desverlangd kan het beschermheerschap der betrokken „Tiong Hoa Hwe Koan Hoen Kiok" door het afdeelings bestuur aan een aanzienlijk, gunstig bij het Europeesch plaatselijk bestuur staand Chiueesch officier of een ander ter goeder naam bekenden persoon borden opgedragen. De leden van het afdeelingsbestuur worden, op voorstel van de alge meene vergadering van leden der betrokken afdeeling, aangesteld door het 272 hoofdbestuur der vereeniging te Batavia, onder nadere goedkeuring der te Batavia te houden algemeene vergadering van leden. Aan het afdeelingsbestuur, dat door het hoofdbestuur van volmacht zal worden voorzien om, betreffende de zaken van die afdeeling, namens de vereeniging te handelen, wordt opgedragen het toezicht en de leiding op de vergaderplaats en in de onderwijsinrichting ter plaats waar dat bestuur is gevestigd. De bevoegdheden, verplichtingen, voor- en nadeelen van het afdeelings bestuur, zoomede alle andere bepalingen, betrekking hebbende op het beheer van de inrichtingen der vereeniging, worden bij instructiën geregeld, welke aan eene algemeene vergadering van leden te Batavia wordt onderworpen en door diezelfde vergadering goedgekeurd. De leden van het afdeelingsbestuur zijn gehouden zich stipt te gedragen naar hunne te geven instructiën en zullen alleen daarvan mogen afwijken, wanneer de omstandigheden zulks noodzakelijk maken, doch in ieder geval eerst na het hoofdbestuur te Batavia der vereeniging daarin te hebben gekend. De leden van het afdeelingsbestuur zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de handelingen en tekortkomingen van ieder hunner, a) Het hoofdbestuur te Batavia is bevoegd de eenmaal aan het afdeelings bestuur verstrekte volmacht te allen tijde in te trekken, doch met de ver plichting om daarvan kennis te geven aan de eerstvolgende te Batavia te houden algemeene vergadering van leden, met vermelding der redenen, die tot de herroeping der volmacht hebben geleid. a) Deze bepaling is wel eigenaardig, evenals de groote macht, volgens de statuten, toegekend aan het hoofdbestuur. v. S. 274 granten waren de Hakka-Chineezen. (Hak-ka = familie van gasten of immigranten). Zeer waarschijnlijk werd die naam oorspron kelijk slechts gebezigd door de volken, op wier gebied zij drongen. Thans passen de Hakka-Chineezen dien naam op zich zelven toe, doch veelal in den vorm -hak-njien" d. i. „gastlieden of immigrant". De Hoklo's en de Foehkiëneezen noemen hen res pectievelijk „kheh-nang" en „kheh-lang", wat volmaakt hetzelfde beteekent als „hak-njien". Het woord „kheh" dat „gast" beteekent komt ook voor in de bekende woorden „sien-kheh" (nieuw gast) en „lao-kheh" (oud gast). Deze twee Chineesche migratiestroomen, de eene uit Noordelijk China, de ander uit de provincie Foehkiën afkomstig, komen in Kwantoeng samen en vloeien verder samen ineen, en richten zich naar de Zuidelijker gelegen overzeesche landen. Deze twee stammen spreken eik een andere taal en van toenadering is weinig te bespeuren. Beide stammen hebben tegen de oorspronkelijke bewoners van Kwantoeng herhaaldelijk moeten vechten en zijn dus in strijdvaardigheid opgevoed; vandaar waarom onze Buitenbezittingen zoo dikwijls het tooneel van ernstige vechtpartijen tusschen beide stammen zijn. ') Sterk in het algemeen steekt bij het energiek, strljdhaftig en voortvarend karakter van den llakka en den Hoklo-Chinees dat der Foehkiën-Chineezen af. Deze immigranten komen uit het Zuidoostelijk deel van Foehkiën, vanwaar ook zoo goed als alle Java-Chineezen komen. Hun bakermat sluit zich dus on middelijk tegen het Noorden en Westen der Hoklo-districten aan. De Foehkiëneezen waren steeds onbetwiste autochtonen in het gezegende land dat zij bewonen, en nimmer hadden zij tegen immigranten te strijden. Gehechtheid aan vrede en rust, voor liefde voor kalmen arbeid, vooral voor landbouw, en zachtheid van karakter voeren den boventoon. Taaie werkzaamheid ont breekt hun wel niet, maar toch missen zij de weergalooze ijzeren constitutie van den Hakka en den Hoklo. De immigranten waren dorpsbewoners. 2 ) Het waren in hoofdzaak gewezen Chineesche dorpsbewoners, die ons Gouvernement, toen het zich op Borneo voor goed kwam 1) De Groot: „Kongsiwezen van Borneo" blz. 80. ") n t) n « )> "7. 275 vestigen, daar aantrof; lieden derhalve, die immer met clan- of stamgenooten tot een lichaam waren aaneengesmeed geweest, en op het voetspoor hunner vaderen om een middelpunt, den patriarch geschaard, steeds een hecht palladium hadden gevormd tegen onderdrukking van mandarijnen en opperbestuur, tegen vijandige naburen op wier gebied zij zich hadden gevestigd. Voor hen was het dorp steeds de groote hoeder geweest, die iedereen steunde in moeilijke tijden, de bron waaruit men kon putten, wanneer toevallige omstandigheden niet veroorloofden zich zelf te onderhouden; het dorp, geene daarbuiten gelegen macht, had steeds veiligheid van persoon, van have en goed gewaarborgd. Is het dan wel wonder, dat zij als landverhuizers in de wildernissen van Borneo beland, terstond streefden naar de herstelling van een régime, waaronder hunne voorvaderen van tallooze geslachten zich wel hadden bevonden? Eene bijzondere omstandigheid nog werkte hunne aaneensluiting sterk in de hand: niet man voor man staken zij naar Borneo over, maar veelal bij groepjes, die het innige dorps- en familie leven in China in aanmerking genomen, wel meestentijds uit familieleden of dorpsgenooten zullen bestaan hebben. Zoo ste vende in 1772 Lo Fong Phak, de latere stichter van de kongsi Lanfong, met niet minder dan een honderdtal familieleden naar Borneo. In Borneo aangekomen vormde Lo Fong Phak een kern, waarom zich dadelijk anderen aansloten; en de in China achter gebleven bloedverwanten en kennissen, wetende dat zij in Borneo de geliefde dorpsgemeenschap zouden vinden, waarin zij gewoon waren te leven, besloten er lichter toe om ook te emigreeren, overtuigd dat zij in het vreemde land alle moge lijke steun en hulp zouden ondervinden *). Van wanneer dagteekent de emigratie der Chineezen naar Borneo? Professor Veth deelt daaromtrent het navolgende mede: De Chineezen zijn de eerste immigranten van buiten den Indischen archipel, die in Borneo komen. 2 ) Van alle vreemde natiën, — n.m.l. natiën buiten den Indischen archipel zelven, — schijnt er geene Borneo vroeger 1) Eene andere voorstelling van het ontstaan van de Lanfong kongsi bij Schaank: „De Kongsi's van Montrado". Zie het daaromtrent medegedeelde °P blz. 282. 2) Zie P. J. Veth: Borneo's Westerafdeeling, dl. I, blz. 286—302. 276 gekend en bezocht te hebben dan de Chineezen. Die bekendheid is waarschijnlijk ongeveer zoo oud als hunne bekendheid met den Indischen archipel in het algemeen, en deze klimt, zooniet hooger, ten minste op tot den tijd der Chineesche pelgrims, die van de 6 de tot de 7 do eeuw onzer jaartelling Indië bezochten met het doel om de leer van Boeddha aan de bron zelve te bestudeeren, en boeken en handschriften, in welke zij in hare oorspronkelijke zuiverheid bevat was, ter vertaling naar hun vaderland over te brengen. Met name weten wij, dat de Chi neesche reiziger Fa-hien, die China in 399 verliet en 30 Indische staten bezocht, die hij in zijne gedenkschriften beschreef, in 414 over zee terugkeerende en door een storm buiten koers geraakt, Java aandeed en daar vijf maanden vertoefde. Men heeft wellicht grond zijn bezoek als de aanleiding tot het vroegste handelsverkeer tusschen China en Java aan te merken, dat volgens oude Chineesche berichten ten tijde van Keizer Wenti van de Soeng-dynastie, en derhalve tusschen de jaren 424 en 453 plaats greep, doch daarna weder werd afgebroken. Betrekkingen met de Noordkust van Borneo (= Pa-la of Po-lo). De vroegste betrekkingen der Chineezen met Borneo waren even als die der Europeanen, met de Noordkust'), ten minste volgens Prof. Veth. De berichten door Klaproth uit de annalen der Ming dynastie medegedeeld, verhalen dat reeds tijdens de eerste Tang dynastie, onder de regeering van Kao-tsoeng, en dus in het midden der 7 de eeuw, een staat van Borneo's Noord-oostelijk deel, Phala geheeten, regelmatig schatting aan China zou hebben betaald. Pha-la is hoogst waarschijnlijk eene transcriptie van Pappal, wat thans de naam is van een district tusschen Maloedoe en Broenei gelegen. Volgens Prof. Veth is het z.g.n. betalen van schatting niets anders dan eene gewone Chineesche pocherij, die in den grond alleen beteekent, dat er handelsbetrekkingen met China waren aangeknoopt; doch deze verklaring is onjuist 2 ). Onder de Ming-dynastie, die na de verdrijving der Mongolen, in 1368 ten troon steeg en dien tot 1644 bekleedde, vinden wij een 1) Zie het hieronder vermelde omtrent Pu-ni = West-Borneo, dat volgens Groeneveldt eerder bezocht werd dan de Noordkust. (blz. 278). 2) Zie het daaromtrent medegedeelde in Hoofdstuk China. 277 druk verkeer met Pha-la en sporen eener Chineesehe kolonisatie aldaar vermeld. Volgens Chineesehe berichten zou een Chinees uit de provincie Foeh-kiën zich zelfs van de regeering van Pha-la hebben meester gemaakt. Men zou zich evenwel bedrogen vinden, indien men meende in de taal en zeden der Maleiers van Broenei eenige sporen van een gedeeltelijke Chineesehe af komst te mogen verwachten. Zulke sporen ontbreken geheel, en in weerwil dat die Maleiers zelve de meening belijden dat er Chineesch bloed in hunne aderen vloeit, zal dit toch wel slechts in geringe mate het geval zijn, daar de afstammelingen der Chineezen bij inlandsche vrouwen zich ook hier wel bij de natie hunner vaders zullen hebben gehouden en, zooveel mogelijk dochters van andere Chineezen huwende, leden der Chineesehe kolonie gebleven zijn. Sinds Veth het bovenstaande schreef, publiceerde Groeneveldt zijn bekende: „Notes on the Malay Archipelago and Malacca, compi led from Chinese sourees". Daaraan ontleenen wij het volgende: >) In de Chineesehe geografische literatuur wordt voor het eerst van Borneo melding gemaakt in de geschiedboeken van de Tang dynastie (618 —906). Aldaar staat vermeld, dat „zei lende van Ch'ih-t'u (een plaats in de golf van Siam) in Zuid- Westelijke richting men komt aan Po-10. In het jaar 669 zond de koning van dit land een gezantschap dat tegelijk met het gezantschap van Huan-wang (Siam) aan het hof kwam." De heer Groeneveldt teekende hierbij aan, dat alle Chineesehe geografen onder Po-lo of Pa-la verstaan het tegenwoordige Broenei. Met Borneo hadden de Chineezen verder weinig of geen aanraking, zoodat de naam Po-lo verdween. De Noordkust van Borneo wordt niet meer genoemd dan later ten tijde van de Ming-dynastie, waar we haar genoemd vinden onder den tegenwoordigen naam van Broenei. Betrekkingen met de Westkust van Borneo, bekend onder den naam van Pu-ni. 2 ) De Westkust van Borneo was bij de Chineezen bekend onder den naam van Pu-ni, 3 ) een naam waarvan de oorsprong niet 1) Zie W. P. Groeneveldt: „Notes enz.", blz. 101. 2) id. id. blz. 108—115. 3) Op de bij de: „Notes enz." gevoegde kaart plaatst Groeneveldt Pu-ni Dij het tegenwoordige Sambas. 278 bekend is. Deze kust schijnt eerder bezocht geweest te zijn dan de Noordkust, J ) en de reis er heen werd gemaakt via Java. In de geschiedboeken der Ming-dynastie (1368 —1643) vinden we dat Pu-ni voor het eerst afgezanten naar China zond gedurende de regeering van Keizer T'ai-tsung van de Sung-dynastie. Deze Keizer regeerde van 967—997. In de 8 8te maand van het jaar 1370 zond de Keizer van China twee ambtenaren naar het buitenland als gezanten. Zij ver lieten Ch'uan-chou met een schip, kwamen een halfjaar later op Java aan, en na nog een maand arriveerden zij in Pu-ni. De koning aldaar, Maha Mosa genaamd, was hooghartig en betoonde niet de minste beleefdheid, doch een der gezanten berispte hem en toen verliet hij zijn zetel, boog diep en nam de keizerlijke bevelen in ontvangst. In dien tijd hadden lieden van Soeloe het land pas geplunderd, zoodat het zwak en armoedig was en de koning verontschuldigde zich om die reden, en vroeg vergunning om de schatting pas over drie jaren te mogen brengen; maar een der gezanten wees hem op den om vang van zfjn plicht en toen gaf de koning toe. Nu had dit land tot aan dat tijdstip aan Java behoord en lieden van dat land trachtten den koning van zijn voornemen af te brengen; de koning aarzelde, maar de gezant protesteerde, zeggende: „Java heeft zich zelf al geruimen tijd als een onder hoorigheid beschouwd en heeft schatting gebracht; waarom vreest gij alleen Java en niet het Hemelsche Hof?" De koning benoemde toen gezanten om een brief en schatting naar het hof te brengen, welke lieden aldaar de 8 8te maand van het daaropvolgende jaar aankwamen. In den winter van het jaar 1405 zond koning Maradja Ka-la gezanten om schatting te brengen en de Keizer zond daarop ambtenaren om hem als koning van het land te bevestigen en gaf hem een zegel en verschillende geschenken. De koning was zeer verheugd en begaf zich met vrouw, kinderen en gevolg naar het hof. Hij kwam in Foehkiën aan en de Gouverneur be richtte zijn aankomst, waarop een euneuch werd afgezonden om den koning te ontvangen. In elke plaats, die hij op zijn reis naar de hoofdstad passeerde, werd hij feestelijk ontvangen en in de 8 8t0 maand van het jaar 1408 kwam hij in de hoofd- 1) Zie het medegedeelde op blz. 276. 279 stad aan en werd tot eene audiëntie bij den Keizer toegelaten. De koning en allen die hem vergezelden werden voortdurend goed onthaald, terwijl voor hen verschillende feestelijkheden werden aangericht. Doch na twee maanden verblijf stierf de koning tot groot ver driet van den Keizer. Deze benoemde Hia-wang, zoon van den koning, tot diens opvolger. Toen Hia-wang naar zijn land terug keerde kregen hij en zijn gevolg vele geschenken mede, terwijl de euneuch Chang Ch'ien en de boodschapper Chau Hang hem als geleide werden medegegeven. In het jaar 1412 kwam Hia-wang nogmaals aan het Keizer lijke Chineesehe hof en bleef er eenige maanden. Tusschen de jaren 1415 en 1425 bracht Pu-ni nog vier malen schatting, maar na dien tijd verminderde die gewoonte. In het jaar 1530 richtte een der ambtenaren in de hoofdstad eene memorie aan den Keizer, waarbij hij constateerde, dat, indien Siam, Champa, Liukiu, Java en Pu-ni schatting brachten, zij kwamen via Tung-kwan, en aangezien dikwijls kooplieden zich clandestien bij hen voegden, wat door de Chineesehe autori teiten verboden was, hield het brengen van schatting voor het grootste deel op. Hierbij kwam nog, dat gedurende de periode 1506—1521 de Franken (= Portugeezen) hun slechten invloed overal hadden verspreid, en toen hield het brengen van schatting geheel op. Berichten van Europeesche zeevaarders omtrent Chineezen in Broenei. De Europeesche zeevaarders, die sedert de 16 de eeuw de havens van Borneo aandeden, hebben op de verschillende punten van dit eiland, maar vooral op de Noordkust, de sporen van Chineesehe nederzettingen en Chineesehe industrie aangetroffen. De bloeiende staat, waarin de Spanjaarden tijdens hun bezoek in 1521 Broenei aantroffen, zal wel grootendeels het gevolg zijn geweest van den handel met China. Van Noort vermeldt in 1600 de aanwezigheid van vele Chineesehe handelaren te Broenei. In 1609 oordeelt Bloemaert de aanknooping van betrekkingen met Bandjermasin nutteloos voor de Compagnie, dewijl daar de handel geheel in handen der Chineezen was. Omtrent de Chineezen te Broenei geeft Forster belangrijke berichten in 1775. Hij zegt, dat er eene talrijke kolonie van 28 plaatselijke authoriteit en den Consul goedgekeurd zijn en de werver daarna er nog iets in wenscht te veranderen, mag hij daartoe het verzoek doen, maar zoolang beide genoemde authoriteiten hunne toestemming niet hebben gegeven, zal het hem niet vrij staan op eigen gezag, zulk eene verandering te maken. Als de werver andere personen wenscht uit te zenden, om voor hen arbeiders te zoeken, kan hij exemplaren van het contract en van de bepalingen van zijn etablissement, door den Consul en de plaatselijke authoriteit laten waar merken, en die vervolgens door zijne zendelingen in de verschillende plaatsen der provincie laten verspreiden. Art. 5. Wanneer een werver met Chineesche arbeiders eene overeenkomst heeft aangegaan, zal hij te zijner tijd elke bepaling daarvan stipt moeten nakomen; indien hij in eenig opzicht de overeenkomst niet nakomt, zal alleen de werver zelf daarvoor kunnen worden aangesproken en zal de zaak berecht worden overeenkomstig de wetten van zijn eigen land. Art. 6. Wanneer de persoon die arbeiders aanwerft Chineezen wenscht uit te zenden, om voor hen arbeiders te zoeken, zullen deze personen vooraf moeten voorzien worden van eene schriftelijke vergunning, door de plaatselijke authoriteit afgegeven; indien dergelijke personen, met of zonder opzet, tegen de bepalingen handelen, zullen alleen zij zelf daarvoor aansprakelijk zijn en voor de plaatselijke authoriteiten terecht staan. Art. 7. Het Chineesche gouvernement zal speciaal ambtenaren aanwijzen om toezicht te houden op de aanwerving van arbeiders, en wanneer er Chineezen zijn, die zich als arbeiders wenschen te verbinden kunnen zij naar het wervingsetablissement gaan, waar de werver, in tegenwoordigheid van zulk een ambtenaar, hunne namen in een register zal opteekenen; hierna kunnen deze lieden, al naar zij zelf goedvinden, naar hun huis terug gaan of in het etablissement wachten tot dat er een schip zal zijn, om hen naar het buitenland te vervoeren. Art. 8. Het contract dat de Chineesche emigrant sluit, hetzij voor zijn eigen persoon, hetzij voor zich en zijn huisgezin, moet de volgende punten inhouden: l e . De plaats van bestemming en den tijd waarvoor hij zich verbindt; 2 e . De som, die na ommekomst van zijn verband, aan hem, en eventueel aan zijne familie, voor de terugreis zal worden gegeven; 3 e . Het getal werkdagen en getal uren per dag; 4°. Het loon, de kleeren en het voedsel die hij ter plaatse zijner bestem ming zal ontvangen, alsook welke andere voordcelen hij genieten zal; 5". Verzekering van vrije geneeskundige behandeling; 6 e . Hoeveel van zijn loon hij jaarlijks of maandelijks wenscht te laten inhouden, om te voorzien in de behoeften zijner familie in China; 7 e . Afschrift der artikelen 8, 9, 10, 14 en 22 van dit reglement. Al wat buiten deze 7 artikelen in het contract wordt opgenomen en tegen de verzekerde belangen van den arbeider strijdt, al is het met zijne toe stemming, zal als van onwaarde beschouwd worden. 280 Chineezen gevestigd was, die zich hoofdzakelijk met de peper cultuur bezig hielden. Tegen het einde der vorige eeuw geraakten de handel en vestiging der Chineezen te Broenei zeer in verval door de dwingelandij en de knevelarij der vorsten. Ontstaan der Chineesche kongsies op de Westkust van Borneo. l ) De Panembahan van Mampawa, die van de geschiktheid der Chineezen voor den mijnarbeid gehoord had, was, naar men zegt, de eerste, die een twintigtal dier fortuinzoekers uit Broenei deed uitkomen. om goud in te zamelen aan de Soengei Doeri, welke rivier thans het gebied van Mampawa van Sambas scheidt. Dit geschiedde omstreeks het midden van de achttiende eeuw. De onderneming slaagde boven verwachting, hetgeen aanleiding gaf, om meerdere Chineezen in zijn gebied toe te laten, terwijl de Sultan van Sambas zijn voorbeeld volgde en omstreeks het jaar 1760 de vestiging eener Chineesehe kolonie voor de goud graverij te Larah toestond. Van Larah breidden deze Chineezen zich ook uit over Montrado, waar veel goud gevonden werd. Mampawa maakte aanspraak op het bezit van het land tusschen de Soengei Doeri en de Soengei Raja, waarin ook Montrado begrepen was. Dit leidde in 1772 tot een oorlog tusschen Mampawa en Sambas, in welke de Chineesehe vestiging te Selakkouw verwoest werd, terwijl de Sultan van Pontianak zich deze ge schillen wist ten nutte te maken om zijnen invloed uit te breiden en eindelijk zijnen zoon met de hulp der Compagnie op den troon van Mampawa te plaatsen. Sambas bleef meester van het be twiste gebied. Inmiddels was het aantal en de macht der Chineezen zeer toegenomen. De mare van de rijkdommen, die op Borneo te ver werven waren, lokte vele Chineezen. Zoodra zij zich machtig genoeg gevoelden, gaven zij maar al te duidelijke bewijzen van hunne geringe geneigdheid om zich aan het gezag der vorsten te onderwerpen of om hun eenig deel van de opbrengst der goudgr averij en af te staan. De Sultan van Sambas had aan de hoofden der Dajaks een soort van toezicht en zelfs van gezag 1) P. J. Veth, dl. I, blz. 297. 281 over hen opgedragen. In 1770 ongeveer richtten de Chineezen van Montrado een vreeselijk bloedbad aan onder de niets kwaads vermoedende Dajaks. Nadien schijnt de schatting, die de Chi neezen aan den Sultan van Sambas moesten opbrengen, slechts met moeite geïnd te zijn geworden. Intusschen werden de Chineezen ook onderling vaak door hevige veeten verscheurd, die omstreeks 1774 in lichte laaie uitsloegen. Als een gevolg der vijandelijkheden nam een groot gedeelte der Chineezen van Montrado en Larah de vlucht naar het gebied van Mampawa en vestigde zich in het goudrijke district van Mandor. Houding der 0. I. Compagnie tegenover de Chineesche kongsies. De Compagnie bepaalde bij de contracten in 1779 en 1787 met Pontianak en Mampawa gesloten, dat het rechtstreeksche gezag over alle Chineezen in de genoemde landschappen aan de Compagnie zou komen, terwijl de toelating van jonken om handel te drijven werd verboden, en de vestiging van nieuw aankomende Chineezen slechts op bijzondere vergunning van den Resident was veroorloofd. De Chineesche kongsies gedurende de afwezigheid van het Nederlandsche gezag. Nadat de Compagnie de Westkust had ontruimd en oneenig heden tusschen de Maleische vorsten waren uitgebroken hadden de Chineezen gelegenheid hunne macht uit te breiden, de betaling der schatting geheel te weigeren of naar willekeur te verminderen. Terwijl de mijnarbeid goede uitkomsten opleverde, werd de toe vloed der aankomelingen, thans niet langer belemmerd, gedurig grooter, waarbij nog kwam, dat de Chineezen zich met de Dajaks verbroederden, en bij Dajaksche bijzitten zonen teelden, die hunne vaders in moed en onverschrokkenheid overtroffen, en in den oorlog als voorvechters goede diensten bewezen. In het 27-jarig tijdvak der afwezigheid van het Nederlandsche gezag ter Borneo's Westkust, waarin de zeerooverij aldaar groote afmetingen aannam, ') Engelsche handelsschepen werden 1) P. J. Veth, dl. I, blz. 343 en vgd. 282 geplunderd, ') zoodat de handel gevoelig achteruitging, vermin derde dus het gezag der Maleische vorsten steeds meer en meer. Sambas, dat een broeinest was van zeeroovers, werd in 1813 door de Engelschen getuchtigd, waarbij de stad geheel in de asch werd gelegd 2 ). De hulpelooze toestand der vorsten van Sambas en Pontianak was oorzaak, dat toen in Juni 1816 het Nederlandsche gezag op Java was hersteld, kort daarna gezantschappen van de beide Sultans te Batavia aankwamen, met verzoek de oude betrek kingen weder aan te knoopen, en Hollandsche ambtenaren ter bezetting naar Borneo te zenden 3 ). Alvorens te behandelen het tijdvak na de komst der Hollandsche ambtenaren ter Borneo's Westkust volge hieronder eene korte uiteenzetting van de verschillende kongsies bij Montrado, die ten slotte tot de „Fo-Sjoen" federatie samensmolten. 4 ) Toen de Chineezen zich meer onaf hankelijk van de Maleische vorsten hadden gemaakt, was het niet te verwonderen dat onder een landbouwend volk als het Chineesehe ook weldra op Borneo een landbouwersstand ontstond. De groote winsten van den mijnbouw waren de oorzaak dat ook de landbouw voordeelig genoeg kon zijn en liefhebbers vond. Zoo bestonden dan ook na 1770 bij Montrado twee groote landbouwverbonden, nl. het Thien-thi-foei en het Lan-fong-foei, naast vele kleine mijnbouw vereenigingen, die eveneens foei genoemd werden of, wanneer zij zeer klein waren, de namen San-Sa of palit (het Maleische parit) droegen. Het hoofd van Thien-thi-foei was Lioe-Sam-Pak en dat van Lan-fong-foei was Lo-Thai-Pak. Uit naijver ontstonden weldra tusschen deze twee verbonden twisten, die zoo hoog liepen, dat eindelijk, na een hevigen strijd, Lan-fong-foei geheel verslagen werd, zoodat Lo-Thai-Pak zich naar Mampawa begaf. Later verzamelde hij weer nieuwe deel genooten en gelukte het hem in Mandor de Lan-fong-kongsi op te richten. 5 ) 1) Zie P. J. Veth, deel I, blz. 369. 2) id. blz. 382. 3) id. blz. 385. 4) Zie S. H. Schaank: „De Kongsi's van Montrado", blz. 517—534. 5) Anders volgens de Groot. Zie blz. 275. 283 Toen Lan-fong-foei verslagen was, nam de macht van het Thien-thi-foei zeer toe en deed het den mijnwerkers allerlei overlast aan. Deze mijnwerkers, vroeger in vele vereenigingen verdeeld, vormden langzamerhand door nauwere aaneensluiting een steeds kleiner wordend aantal verbonden, die den naam kongsie aannamen. In 1775 deden deze kongsies, 14 in getal, Thien-thi-foei den oorlog aan, welke geheel verslagen werd. Lioe- Sam-Pak sneuvelde en het overschot van Thien-thi-foei voegde zich bij verschillende andere kongsies. Uit genoemde tijdelijke aaneensluiting der 14 kongsies ont wikkelde zich weldra eene permanente federatie, de later zoo bekend geworden Fo-Sjoen-kongsie. Na de vestiging van Fo-Sjoen brak een tijd van grooten bloei aan, en werden vele nieuwe rnijngronden geopend; in Larah, waar zich ook Chineezen geves tigd hadden sloot men zich ook aaneen en de daar gevestigde 7 kongsies stelden zich onder protectoraat van de Montradosche kongsies. De groote bloei, waarin de verschillende kongsies van Montrado zich weldra mochten verheugen, gaf aanleiding tot uitputting der goede rnijngronden, wat hevige twisten onderling deed ont staan, terwijl een deel der Chineezen uitweek naar Boedok en daar de kongsies van Boedok stichtte. Tengevolge van die twisten en ook door veranderingen onder de kongsies bleven er op het einde van 1808 slechts de vol gende zeven bij Montrado over: 1. Thai-kong. 5. Sin-woek. 2. Sam-thiao-keoe. 6. Sjip-ng-foen. 3. Man-fo. 7. Thai-fo. 4. Hang-moei. Deze zeven kongsies vormen de bij de Chineezen als de „Zeven kongsies van Fo-Sjoen" bekende vereenigingen, welke bij de komst der Nederlanders in 1818 bij Montrado bestonden. De Chineesche kongsies na het herstel der betrekkingen der Nederlanders met Borneo's Westkust in 1818. ') Het herstel van de betrekkingen der Nederlanders met Borneo's Westkust werd door Commissarissen-Generaal, bij 1) Zie P. J. Veth, dl. 11, blz. 4. 284 besluit van 9 Juni 1818, opgedragen aan den heer J. van Boekholtz, die zich in 1816 van eene zending naar Bandjermasin, tot overneming van dit etablissement uit handen der Britten en regeling van ons gezag aldaar, onder moeilijke omstandigheden voortreffelijk gekweten had. Den 18 den Juli kwam hij te Pon tianak aan met eene troepenmacht van ruim 600 man onder majoor Muntinghe, juist op tijd om eene poging der Engelschen tot aanknooping van verstandhouding met Sultan Kasim en tot afwering van onze vestiging op Borneo's Westkust, te voorkomen of althans te verijdelen. Na de zaken te Pontianak geregeld te hebben, en nadat door de gewapende hulp van het Nederlandsche Gouvernement de Sultan van Pontianak er in geslaagd was Tajan te veroveren en er orde op de zaken te vestigen, vertrok de Commissaris, door den majoor Muntinghe en de expedition naire troepen vergezeld, den 28 Bten Augustus van Pontianak naar Sambas. Ook hier waren de onderhandelingen voorspoedig en den 6 den September werd de Nederlandsche vlag te Sambas ge plant. Aan eene oproeping der Chineezen, door den Commissaris aan het hoofd der Chineezen te Montrado gericht en door een bevel des Sultans gevolgd, werd geen gehoor gegeven, hetzij dat de Chineesche hoofden uitstel zochten, hetzij het hun werkelijk ondoenlijk was zich op dat tijdstip van Montrado te verwijderen. Zij verzochten den Commissaris zelf derwaarts te komen, wat echter of uit ontevredenheid over hun gedrag of wegens den drang der omstandigheden buiten gevolg bleef •). Den 23 st(m October werd de heer Muller door den Commissaris als waarnemend resident van Sambas geïnstalleerd, terwijl in dezelfde maand de Commissaris den heer Prediger als waar nemend resident te Mampawa, alwaar een voorloopige overeen komst met den Panembahan was gesloten, plaatste. 2 ) De heer Muller zag zeer wel in dat de erkenning van het Nederlandsche gezag door de Chineezen van Montrado voor den bloei en de zekerheid van ons etablissement te Sambas een eerste vereischte was, en hij achtte het Gouvernement beleedigd door de weigering der hoofden om op bevel van den Commissaris naar Sambas te komen. Na met den Sultan van Sambas over haast een contract te hebben gesloten, waarbij hij het recht 1) Zie P. J. Veth, dl. TJ, blz. 14. 2) id. id. blz. 20. 285 verkreeg om zich met de aangelegenheden der Chineezen te bemoeien, begaf hij zich den dag na het sluiten van het con tract naar Montrado op reis. Door de verzamelde hoofden aldaar Werd het Nederlandsche gezag gereedelijk erkend en stipte op volging der wetten beloofd. Ondertusschen had de heer Prediger te Mampawa ook betrek kingen met de Chineezen van Montrado aangeknoopt. Dit had plaats vóór de komst van den heer Muller te Montrado, en uit de onderhandelingen van Prediger met de Chineezen van Mon trado, daarvoor te Mampawa aanwezig, bleek duidelijk dat de Chineezen met het pas herstelde Nederlandsche bewind, zelfs met eenige opoffering van hunne zijde, in vrede wenschten te leven, en van zijn vermogen om zich te doen gelden zelfs een te groot denkbeeld hadden l ). De heer Prediger begaf zich dan naar Montrado, dat Muller pas had verlaten, en doende alsof Muller er niet geweest was, sloot hij met de Chineezen aldaar eveneens eene overeenkomst. De Chineezen verzochten hem toestemming tot het zenden van afgevaardigden naar Sambas, teneinde den resident en den Sultan van de gesloten overeenkomst kennis te geven. Na lang aarzelen vond Prediger dat goed, doch toen de Chineesehe afge vaardigden niet spoedig van Sambas terug kwamen, verliet Prediger stilletjes in den nacht Montrado, na aan den ambtenaar van Eisen, dien hij met een korporaal en zes man achterliet, te hebben opgedragen om verder voor de Nederlandsche belangen te zorgen. Den volgenden dag werd hij aangehouden door een groot aantal Chineezen, die van hem de afgifte van het contract eischten. Dit deed hij en toen mocht hij verder reizen. Nauwelijks vernam Muller te Sambas het gebeurde te Montrado of hij begaf zich dadelijk daar weer heen. Hij eischte bij aan komst van van Eisen, dat deze zich aan hem zou overgeven en daarop liet Muller de vlag, door Prediger geheschen, neerhalen en een andere Nederlandsche vlag daarvoor in de plaats ophalen. Geen wonder dat de Chineezen geen hoogen dunk kregen van de Nederlandsche ambtenaren. Muller slaagde er niet in onder die omstandigheden een nieuw contract te sluiten en hij moest zich vergenoegen met eene vermaning tot onderwerping en gehoor zaamheid aan het Gouvernement, door al de hoofden geteekend, 1) Zie P. J. Veth, dl. 11, blz. 23. 286 aan den vlaggestok aan te plakken. Van het plan van Muller om een huis te doen bouwen, ten einde hier een detachement troepen te laten garnizoen houden, wilden de Chineezen vol strekt niet hooren *). Nahuys als commissaris naar Borneo. Wegens ziekte werd de Commissaris van Boekholtz reeds den 10 deu November 1818 teruggeroepen, en in zijn plaats zonden de Commissarissen-Generaal den majoor Nahuys, resident van Djokjakarta. Deze kwam 26 December ter reede van Pontianak aan. Hij liet door een hem vergezellenden Chinees van Java berichten inwinnen omtrent het voorgevallene te Montrado, en Nahuys werd bij zijn onderzoek in zake het geschil tusschen Muller en Prediger in zijne meening versterkt, dat de schuld van het gebeurde meer te wijten was aan de onverstandige handelingen der residenten dan aan de vijandelijke gezindheid der Chineezen. Hij schreef daarom aan den kapitein-Chinees van Montrado, dat deze met de overige leden der kongsies van Montrado, Boedoek en Larah ten spoedigste naar Sambas zou opkomen, waar hij ook zelf zich binnen eenige dagen zou be vinden. Het antwoord was dat dit vooreerst wegens de drukte van een feest ondoenlijk zou zijn, doch dat zij evenwel bereid waren na de feesten dadelijk te komen 2 ). Intusschen sloot Nahuys met den Sultan van Pontianak een nieuw contract, en op denzelfden dag van het sluiten van dit contract, 12 Januari 1819, maakte de Commissaris aan de Chi neesehe bevolking van het geheele Pontianaksche rijk bij publi catie bekend, dat zij ingevolge deze overeenkomst onder het bestuur en gezag van het Ned.-Indische Gouvernement was gesteld. Deze publicatie werd den volgenden dag gevolgd door eene tweede, waarbij aan de Chineezen in het Pontianaksche rijk (Mandor daarin begrepen) de betaling werd opgelegd van een jaarlijksch hoofdgeld ten bedrage van twee ropijen door iederen werkbaren man. Bovendien moest elke Chinees, die van Pontianak, Mampawa of Sambas naar China terugkeerde, een pas vragen van den plaatselijken resident, waarvan de prijs, behalve het zegel, gesteld werd op 30 ropijen voor een huwbaar 1) Zie P. J. Veth, dl. 11, blz. 29. 2) id. id. blz. 36. 287 man, 15 ropijen voor een jongeling en eene huwbare vrouw, en 7 ropijen voor eene jonge dochter *). De Commissaris bezocht nog Mandor, waar hij zeer gastvrij Werd ontvangen. Het getal der Chineezen ter hoofdplaats Man dor werd geschat op een paar duizend; dat van het gansene district op ongeveer 15.000 weerbare mannen. Hun toenmalige kapitein, Panglima Tjap, a) had hen reeds meer dan 30 jaren Wel gestreng, maar rechtvaardig bestuurd en stond bij de be volking hoog in aanzien. Dit hoofd werd bij publicatie van 16 Januari uit naam van het Nederlandsche gezag in zijne Waardigheid bevestigd en aan den eerbied en de gehoorzaamheid der bevolking van Mandor aanbevolen. Hierna vertrok Nahuys naar Sambas. Hij gelastte den resident Muller aldaar om de Chineezen van Montrado en andere oorden in het gebied van Sambas alleen door zachtheid en overreding tot onderwerping aan het Gouvernement en de opbrengst van een billijk hoofdgeld te brengen, en zich, zelfs ingeval zij daar omtrent in gebreke blijven mochten, van alle dwangmiddelen te onthouden. Op het schrijven van Nahuys aan de Chineezen te Montrado om te Sambas te verschijnen werd geen gevolg gegeven en hij bepaalde zich er toe den Chineezen per brief kennis te geven dat zij voortaan als eenige belasting een hoofd geld van twee ropijen 'sjaars van iederen Chinees boven de 16 jaren oud moesten betalen 2 ). De Chineezen te Montrado onttrokken zich aan de betaling van het hoofdgeld, wat wel te begrijpen was en hun voorbeeld 1) Zie P. J. Veth, dl. H, blz. 44. a) Omtrent deze Panglima Tjap schrijft de Groot in zijn werk: „Het Kongsi wezen van Borneo", blz. 26 dat de mededeeling van Nahuys, door Veth over genomen, als zoude Panglima Tjap reeds meer dan dertig jaren zijn volk gestreng doch rechtvaardig hebben bestuurd, blijkens de Chineesehe jaarboeken van de kongsi Lanfong, alwaar hij Soeng Tshap-pak (1811—1823) genoemd w ordt, onjuist is. Het is zeer opmerkelijk, dat de Chineesehe lijst der kongsi hoofden Soeng Tshap-pak tot aan zijn dood in 1823 het bestuur laat voeren. Het vermoeden rijst derhalve dat zijne afzetting na het vertrek onzer troepen (blz. 290) eenvoudig door de kongsi werd geïgnoreerd en het volk hem stil zwijgend in zijne waardigheid bleef erkennen. Wel een bewijs dat de Mandor- Chineezen zich weinig om ons Gouvernement bekreunden, zoolang zij maar geene troepen zagen, alsook dat Soeng Tshap-Pak bij hen zeer hoog aange schreven stond. 2) Zie P. J. Veth, dl. 11, blz. 53 en vgd. 288 werkte aanstekelijk op de Chineezen te Mandor. Boor het on handige optreden van Muller en Prediger was dus het begin gelegd voor de vervreemding van de Chineezen van ons gezag. Nu kwamen het heffen van in- en uitgaande rechten, het ingevoerde mono polie van zout en opium hunne ontevredenheid vermeerderen. Toen bovendien na het vertrek van den Commissaris Nahuys de resident Muller voortging met de Chineezen ruw en wille keurig te behandelen, sloegen de Chineezen te Sambas in Maart 1819 tot feitelijk verzet over '). Dit verzet werd wel dadelijk bedwongen, maar de regeering besloot den resident van Sambas door een man van een bedaarder en buigzamer karakter te vervangen. Ook in Mampawa pleegden de Chineezen feitelijk verzet en vielen onzen post aldaar aan. De zending van E. J. Boesier als Commissaris had weinig nut. 2 ) De regeering zond den heer E. J. Roesier als Commissaris naar Borneo's Westkust, om eene regeling der verwarde zaken te beproeven. In zijne instructie stond o. a. dat hij de betrek kingen met de Chineezen in de binnenlanden op een vasten voet moest brengen, de redenen hunner weigering tot betaling van het hoofdgeld opsporen, en bepalingen maken geschikt om nieuwe rustverstoringen te voorkomen. Al de pogingen van den Commissaris om de betrekkingen met de Chineezen van Mandor te regelen, liepen uit op eene belofte van den Panglima om het bepaalde hoofdgeld in te zamelen en aan den resident te verantwoorden. Intusschen waren de Chineezen van Montrado op uitnoodiging van den resident van Reynst, opvolger van Muller te Sambas, ter hoofdplaats Sambas gekomen, en deden zij de plechtige gelofte van zich aan de bevelen van het Nederlandsche Gouver nement te onderwerpen en het bepaalde hoofdgeld op te brengen. De Commissaris maakte zich van deze beloften geen illusiën. Hij stelde aan de regeering voor om den aanvoer van Chineezen uit China te verbieden. 1) Zie P. J. Veth, dl. H, blz. 64. 2) id. id. blz. 69. 289 Van hoe weinig nut de zending van den Commissaris Roesier was geweest, bleek nog einde 1819, toen naar aanleiding van de arrestatie van een Chinees uit Mandor door den resident te Pontianak, de geheele Chineesehe bevolking in hevige beroering kwam en het plan opvatte om eerst Pontianak en daarna onze overige etablissementen af te loopen, en Borneo's Westkust geheel van de gehate Hollanders te zuiveren *). Pontianak werd aangevallen, doch de Chineezen werden met groot verlies afgeslagen. Krijgsverrichtingen tegen Palembang beletten de regeering dadelijk krachtig op te treden. Toen in 1821 Palembang geheel Was verslagen, won de Gouverneur-Generaal het oordeel in van den kundigen raad van Indië, Mr. H. W. Muntinghe, of het ivel licht niet beter was om de Westkust van Borneo geheel te ver laten, welker bezetting tot dusverre slechts schade en teleur stelling had opgeleverd 2 ). Vrij gunstig oordeel van Mr. H. W. Muntinghe over de Chineezen. De heer Muntinghe stelt op den voorgrond, dat van onze ver bintenissen met de vorsten van Borneo en de erkenning onzer suprematie op zich zelf geen heil voor ons te wachten is. Alleen van de bevolking, van de bevordering harer belangen, van haren handel, van hare industrie, zijn voor het Nederland sche gezag steun en voordeel te verwachten a). 3 ) Muntinghe onderscheidt de Chineezen in handeldrijvenden aan de stranden, wier belangen grootendeels dezelfde zijn als die der overige strandvolken, en in bewoners der mijndistricten. Ofschoon ook de eersten, door hunne betrekking tot de kongsies, in het verzet tegen het Gouvernement waren medegesleept, 1) Zie P. J. Veth, dl. 11, blz. 78. 2) id. id. blz. 88. a) De heer Veth teekent in een noot op blz. 90 hierbij aan: „Intusschen is de politiek, die bij de vaststelling van het nieuwste regee ringsreglement voor 0.-I. weder heeft gezegepraald , om Java door middel der inlandsche aristocratie, en nog wel met erfelijk gezag, te besturen, in den grond even verkeerd en verwerpelijk, een slagboom tegen alle waarachtige ver betering in den toestand des volks, en alleen gemakshalve, aan te bevelen". Had Prof. Veth zijn standaardwerk in dezen tegenwoordigen tijd geschreven, "ij zoude zeker zoon noot niet hebben geplaatst. 3) Zie P. J. Veth, dl. 11, blz. 95. 19 29 Art. 9. De tijd waarvoor een arbeider zich bij contract verbindt mag vijf jaren niet te boven gaan, en als hij, na ommekomst van dien tijd, naar zijn land wil terugkeeren, zal de in het contract voor de terugreis bepaalde som ui haar geheel worden uitbetaald. Als de emigrant, na het verstrijken van zijn verband, niet naar China wenscht terug te keeren, staan hem twee wegen open: hij kan met toestem ming der overheid aldaar blijven wonen, in welk geval de bij contract voor zijne terugreis bepaalde som hem voor zijn eigen gebruik wordt uitbetaald, of hij kan zich wederom door een contract verbinden, wanneer de helft der som, in zijn eerste contract voor de terugreis bepaald , hem voor zijn eigen gebruik wordt gegeven; dit tweede contract mag wederom voor niet meer dan vijf jaar zijn, en na verloop van dien tijd heeft hij recht op dezelfde som v oor zijne terugreis, als bij het eerste contract bepaald was. Wanneer de Chineesche emigrant, na zijne aankomst ter plaatse zijner be stemming , door ziekte ongeschikt wordt tot den arbeid, zal men niet wachten tot dat de bepaalde tijd verstreken is, maar men zal hem, voor dien tijd, het voor de terugreis bedongen bedrag moeten uitbetalen; weigert men hieraan te voldoen, dan kan hij eene vordering daartoe bij de rechtbank instellen. Art. 10. Omtrent den werktijd der emigranten wordt bepaald, dat zij in elke zeven dagen een rustdag hebben, en per dag niet langer dan negen en e en half uur behoeven te arbeiden, tot meer dan dit zal men hen niet mogen dwingen. Wanneer echter een arbeider genegen is om ook buiten dien bepaalden tijd te werken of om werk bij taak aan te nemen, kan hij omtrent de betaling daarvoor met zijn meester overeenkomen. Het oppassen van vee en diensten van dagelijksche noodzakelijkheid zullen °ok, buiten den tijd voor den arbeid bepaald, zouder extra belooning moeten worden verricht. Art. 11. Wanneer een Chinees onder de 20 jaar zich als emigrant wenscht te verbinden, zal hij een bewijs moeten overleggen, dat zijne ouders hem veroorloven te gaan, gewaarmerkt door de plaatselijke authoriteit; bij gebreke Zl jner ouders zal een bewijs der plaatselijke overheid voldoende zijn, maar zonder zulk een bewijs zal men hem niet mogen laten vertrekken. Art. 12. Ten minste vier dagen nadat de namen der Chineesche arbeiders ln het register zijn opgeteekend, wordt, in tegenwoordigheid van den Chineeschen ambtenaar voor het opzicht voor de werving aangewezen, het contract duidelijk aan de arbeiders voorgehouden en hun afgevraagd of ze al °f niet wenschen te gaan; wanneer zij toestemmend antwoorden, laat men ben het contract teekenen. Art. 13. Als het contract eens geteekend is, mag de arbeider niet anders oan met toestemming van den werver het emigratie-etablissement verlaten. Tegen den tijd van inscheping zal de Chineesche ambtenaar voor het toezicht aangewezen, in persoon naar het emigratie-etablissement gaan, opdat «Ike emigrant zijne handteekening op het contract als echt erkenne, waarna * e Consul die contracten op zijn bureau zal rogistreeren. 290 konden zij toch, uit hoofde van hun beroep, voor onze bescher ming niet onverschillig zijn. Het weerspannige gedrag der Chi neesche mijnwerkers had in de oogen van den heer Muntinghe niets bevreemdends, wanneer men op het karakter dezer bevol king, het doel harer nederzetting, de schier geheele onafhanke lijkheid waartoe zij zich voor onze komst op de Westkust ver heven had, de geringe macht waarmede wij ons op Borneo ge vestigd hadden, het onverstandige gedrag en den hoogen toon onzer ambtenaren, en den aard der hun opgelegde belastingen lette. De heer Tobias als Commissaris naar Borneo. Na Muntinghe kwam in October 1821 de Commissaris Tobias op Borneo *). Deze stelde voor om de Chineezen in verschillende districten te verdeelen en over hen geheel van elkander onaf hankelijke hoofden van hunne eigen natie te stellen. Het hoofdgeld zou niet meer hoofdelijk geind moeten worden, maar de aanslag zou districtsgewijze plaats moeten hebben, de onderverdeeling zou door de Chineesehe hoofden behooren te ge schieden. Doch alle pogingen om de Chineezen tot onderge schiktheid te brengen zouden naar zijn oordeel vruchteloos zijn, zoo niet een expeditionnaire troepenmacht hun van de macht van het Gouvernement overtuigde 2 ). In Juni 1822 werd dan ook aan den Commissaris Tobias eene troepenmacht toegevoegd van 300 man. Toen de Commissaris zich met de troepen naar Mandor begaf werd hij uitstekend ontvangen. Be Chineezen van de kongsi Lanfong voldeden dadelijk aan de door den Commissaris voorgestelde voorwaarden waarop onderwerping zou worden aangenomen. Deze voorwaarden waren vier in getal. Ten eerste moest de kongsi Lanfong schuld be kennen, vergiffenis vragen en eene boete betalen van 140 thails goud, waarvan 100 dadelijk te voldoen. De kongsi moest nieuwe bestuurders kiezen, en werd de Panglima Tjap, die als de voor naamste bewerker der onlusten beschouwd werd, van zijne waardigheid vervallen verklaard; ten derde moest de kongsi het Nederlandsche Gouvernement als zijn wettigen en eenigen heer erkennen en beloven diens bevelen te zullen nakomen, terwijl ten vierde de betaling van een hoofdgeld ten bedrage van twee 1) Zie P. J. Veth, dl. H, blz. 98. 2) id. id. blz. 111 291 ropijen voor alle Chineezen boven de 20 jaren, grijsaards en gebrekkigen uitgezonderd, werd vastgesteld '). Hierna begaf Tobias zich naar Sambas alwaar de betrekkingen met de Chineezen geregeld werden. Ook hier maakten de hoof den der kongsies geene bezwaren tegen de in vele artikelen door den Commissaris vastgestelde bepalingen. Toen het evenwel op de uitvoering van die bepalingen aankwam stuitte men op vele bezwaren. De mijnwerkers wilden naar hunne hoofden, die de regelingen aangenomen hadden, niet luisteren. Eene expeditie onder luitenant-kolonel de Steurs naar Loemar en Larah was er het gevolg van. 2 ) De Chineezen werden met groot verlies door onze troepen verslagen, 3 ) waarna Montrado zonder strijd werd binnengerukt. 4 ) Hier werden de voornaamste hoofden, die mede verzet hadden gepleegd, gevangen genomen, de wapens moesten ingeleverd worden, en eene boete werd opgelegd en dadelijk geind. Hierna verlieten de troepen den 28 Bten April 1823 Montrado, na een verblijf van 13 dagen. Vervolgens werd te Sambas door den Commissaris Tobias de aangelegenheden der nu volgzame Chineesche kongsies geregeld. Vijf belhamels werden naar Java verbannen, waaronder ook As-sam, de voor naamste onruststoker. 5 ) Hernieuwde onlusten der Chineezen. Jammer genoeg werd reeds na een jaar verblijf op Java aan bovenbedoelden As-sam vergund naar Borneo terug te keeren, die daarvan alleen gebruik maakte om de Westkust op nieuw in rep en roer te brengen. 6 ) Het voornemen van het Gouver nement om Montrado voorgoed te bezetten, deed de Chineezen krachtig optreden. Onze post te Singkawang werd aangevallen, de bezetting nam de wijk naar Sambas. Daar de Sultan van Sambas ons trouw bleef en ook de kongsi Larah en Loemar onze zijde hield, boden de Chineezen hunne onderwerping aan 1) Zie P. J. Veth, dl. H, blz. 121. 2) id. id. blz. 139. 3) id. id. blz. 143,167 en vgd. 4) id. id. blz. 177. 5) id. id. blz. 182. 6) id. id. blz. 411. 292 onder voorwaarde dat men onzerzijds van de voorgenomen be zetting van Montrado afzag. ') De Gouverneur-Generaal besefte volkomen de noodzakelijkheid om op Borneo met nadruk te handelen; doch daar hij eenige weken geleden te voren eene aanzienlijke macht naar Makasser had moeten zenden, durfde hij Java op dat oogerrblik niet van nog meer troepen te ontblooten. De Chineezen van Montrado vonden in het achterblijven der versterking van onze troepen eene aanmoediging tot nieuwe vijandelijkheden. In Mei 1825 werd het fort te Mampawa aangevallen, doch de Chineezen werden teruggeslagen. De Chineezen van Mandor sloten zich bij die van Montrado aan, toen zij zagen dat er van onzen kant nog niets werd ondernomen. Eene algemeene aanval op Mampawa had gelukkig geene resultaten. 2 ) Weinige dagen later verscheen de lang verwachte bezending van troepen van Makasser op de kust. Doch terwijl men bezig was plannen te beramen voor eene gevoelige kastijding der Chineezen, ontving men tijding van den op Java uitgebarsten oorlog, en van de 600 pas aangekomen manschappen werden er dadelijk 500 naar Java gezonden. De Chineezen, die intusschen aan den padioogst begonnen waren, lieten verder alle oorlogs plannen rusten, ja, de hoofden van Mandor schreven zelfs een brief aan den kapitein der Chineezen te Batavia om zijne voor spraak bij den Gouverneur-Generaal te verzoeken, opdat de heer Tobias op nieuw als Commissaris naar Borneo mocht gezonden worden. Diard als Commissaris naar Borneo. De heer Tobias bedankte en toen viel de keuze van den pas opgetreden Commissaris-Generaal du Bus op den heer Diard, een Fransch natuurkundige sedert 1820 op Java werkzaam, die bij besluit van 21 Juli 1826 tot Commissaris voor Borneo's West kust werd benoemd 3 ). Diard schonk aan de Chineezen van Mandor vergiffenis voor het verledene en kwijtschelding van de belas ting over 1825, onder voorwaarde dat die over 1826 behoorlijk zou voldaan worden. Naar aanleiding van zijn voorstellen werden 1) Zie P. J. Veth, dl. 11, blz. 416. 2) id. id. blz. 423. 3) id. id. blz. 437. 293 de hoofdgelden afgeschaft, nadat de achterstand was aange zuiverd, en tollen ten bedrage van 12 percent boven de gewone rechten op alle van en naar de Chineesche districten vervoerde goederen geheven. Bovendien werden aan de tot dusverre weer spannige kongsies recognitie-gelden opgelegd. De pachten bleven zooveel mogelijk op denzelfden voet, terwijl de prijs der zeepassen voor naar hun vaderland terugkeerende Chineezen op niet minder dan ƒ 64 gesteld werd. Dat door deze bepalingen het vertier bijzonder bevorderd of groote dankbaarheid bij de Chineezen zou gewekt worden was niet te verwachten. Het misnoegen bleef voortsmeulen, de opbrengst der rechten werd voortdurend minder, de smokkelarvj nam in omvang en stoutheid voortdurend toe l ). Het is natuurlijk dat deze smokkelhandel niet slechts den wrevel onzer beambten wekte, maar ook met leede oogen gezien werd door de Maleische vorsten en grooten, die pachters van den opiumverkoop en de voornaamste handelaren op de kust waren. In 1831 besloot de resident van Pontianak door den aandrang der vorsten niet weinig in dat voornemen gesterkt, de smokkelarij krachtdadig tegen te gaan. Zes kruisprauwen blokkeerden de kust bij Singkawang. De Chineezen deden een aanval op onze kruisers bij Soengeiraja, doch werden met groot verlies terug geslagen. De resident vertoonde zich daarop zelf te Soengeiraja met eene macht van 90 prauwen, bemand met 2200 koppen Waartoe Pontianak, Sambas en Mampawa hadden bijgedragen. De resident begon met de Chineezen te onderhandelen en stelde de regeering te Buitenzorg hiermee in kennis. De Chineezen, door de groote macht eerst gedwee geworden, werden wrevelig toen de blokkade streng werd gehandhaafd, zonder dat op hunne tegenvoorstellen werd acht geslagen. De resident wachtte op de beslissing van de regeering, welke maar steeds uitbleef. Francis als Commissaris naar Borneo gezonden, oordeelt gunstig over de Chineezen. 2 ) 20 Juni 1832 benoemde de Gouverneur-Generaal van den Bosch de ambtenaar Francis tot Commissaris van Borneo's West kust om den stand der zaken plaatselijk te onderzoeken, en de vrede met de Chineezen, zoo mogelijk door zachte middelen 1) Zie P. J. Veth, dl. H, blz. 501. 2) id. id. blz. 507. 294 te herstellen, zonder hen aan te bezwarende voorwaarden te onderwerpen '). Reeds den 30 steil Augustus zond hij een voor loopig verslag zijner bevindingen aan de hooge regeering, over het geheel in merkwaardige overeenstemming met de zienswijze en wenschen van den Gouverneur-Generaal. „Naar aanleiding der rapporten van den resident," zoo schreef hij, „ had ik mij voorgesteld dat de Chineesche bevolking had zamengespannen om de inlanders te verdrukken en 's lands rechten te verkorten, zoodat, om hen te straffen en de zaken op den goeden voet te brengen, eene expeditie volstrekt noodig was. Dan geheel anders doet zich thans de zaak aan mij voor, en hoewel ik er nog maar oppervlakkig over kan oordcelen, zou, mijns inziens, eer eene expeditie noodig zijn om de onderdrukte Chineezen te be schermen tegen de inlandsche vorsten, dan omgekeerd, de vorsten tegen de Chineezen. Met uitzondering van die te Montrado, heb ik de Chineezen vreedzame menschen bevonden, die aan hunne verplichtingen voldeden. De oorzaak der geschillen moet meer gezocht worden in misverstand en het eigenbelang der vorsten dan in eene opzettelijke wederspannigheid der kongsies". De Commissaris had weinig moeite om de moeilijkheden met de Chineezen te regelen. Hij liet hen zei ven de voorwaarden stellen onder welke zij in eensgezindheid met het Gouvernement wilden leven, en nam ze aan geheel zooals zij gesteld waren 2 ). Intrede van de politiek van onthouding. De Gouverneur-Generaal ging met de voorstellen van Francis mee. De heffing der tollen werd afgeschaft, een hoofdgeld inge voerd , de havens van Pontianak en Sambas van alle in- en uit gaande rechten vrijgesteld. Er werd bepaald dat geene vaar tuigen, die niet onder de jurisdictie der Nederlandsche autoriteit op Borneo's Westkust behoorden, in eenige andere haven dier kust dan Pontianak en Sambas, onder welk voorwendsel ook, mochten binnenloopen of handeldrijven, tenzij bij bewezene vol strekte noodzakelijkheid, op verbeurte van schip en lading; en dat de zoogenaamde kusthandel, onder dezelfde strafbepaling, door geene andere vaartuigen zou gedreven mogen worden, dan 1) Zie P. J. Veth, dl. 11, blz. 509. 2) id id. blz. 513. Wat een krachtdadige politiek! 295 de zoodanige, die daartoe van de Nederlandsche autoriteiten speciaal vergunning hadden ontvangen. Het burgerlijk bestuur werd op zeer zuinigen voet gebracht. De post van resident ter Westkust verviel, de residentie werd gesplitst in twee geheel van elkander afgescheiden etablissementen, Pontianak en Sambas, ieder met een assistent-resident aan het hoofd. De intrekking der posten van Landak en Tajan werd gelast en er werd be paald, dat geene posten buiten de beide hoofdplaatsen zouden worden aangelegd, dan in geval van gebiedende noodzakelijkheid en zonder geldelijk bezwaar van den lande '). En zoo had dus de politiek van onthouding op Borneo's West kust zijn intrede gedaan, welke politiek eerst in 1850 werd verlaten. In 1838 werd den ambtenaren verboden zich buiten den omtrek van hunne standplaatsen te begeven. Gedurende dit stelsel van onthouding wist de ondernemende Engelschman James Brooke zich in Serawak als Radja te doen uitroepen op den 24 6ten September 1841 2 ). Dit zoude nimmer gebeurd zijn indien het opperbestuur te Batavia den assistent-resident Bloem te Sambas naar behooren had gesteund. De hoofden van Serawak hadden tevoren reeds bij hem een aanbod gedaan om bij het Gouvernement in onderwerping te komen. Reeds bij het eerste bezoek van Brooke te Serawak in 1839 vestigde Bloem de aan dacht van den Gouverneur-Generaal op diens handelingen, doch deze schreef hem den 9 den Maart 1840 om alles te vermijden wat aanleiding tot aanstoot voor andere natiën zou kunnen geven 3 ). Zelfs rechtstreeksche beleedigingen onzer ambtenaren door de in deze periode overmoedig geworden Chineezen bleven ongestraft. Zoo passeerde den 2 den Maart 1843 een vaartuig, bemand met Chineezen van de kongsi Sepang, en, ingevolge de door den heer Donker, bij diens bezoek aan de Westkust van Borneo als Commissaris in 1841 verleende vergunning, voorzien van een Hollandsche vlag met daarin gedrukte Chineesche letters 4 ), den boom te Sambas, zonder op het geroep der tolbedienden aan te gieren. Men besloot nu hen daartoe te dwingen, doch 1) Zie P. J. Veth, dl. 11, blz. 515. 2) id. id. blz. 583. 3) id. id. blz. 577. 4) id. id. blz. 591. 296 dit bracht hen in zoo hevige woede, dat zij zonder zich om de aanwezige politiedienaren te bekreunen, onder een vervaarlijk geschreeuw het kantoor van den assistent-resident Baumgardt binnendrongen, en hem, naar men zegt, de vlag in het aan gezicht wierpen. Dit werd aan de regeering gerapporteerd, maar deze gaf er geen antwoord op. Natuurlijk dat de Chineezen voortgingen de verordeningen omtrent de haven van Sambas met voeten te treden, en niet aangierden dan wanneer hun dit goed dacht. 1 ) Begin van eene andere politiek in 1845. 2 ) In 1845 begon het opperbestuur in Nederland meer aandacht aan Borneo te schenken. Als hoofdpunten der nieuwe staatkunde werd nu voorgeschreven: de vestiging van een gouverneur van Borneo op een nader te bepalen centraal punt, met de taak om de zwervende, onder drukte en zeer onbeschaafde bewoners des lands rondom zich te verzamelen, te beschermen en te beschaven; de handel zooveel mogelijk vrijheid toe te staan, teneinde kolonisten te lokken uit China, Siam en Cochin China. Bepaal delijk moest men naar Borneo trekken „dien ongeregelden hoop Chineezen, die jaarlijks buiten hun land een onafhankelijk zelf bestuur zochten. Heeft eenmaal de vestiging en de agglomeratie plaats gehad, dan ontstaat van zelf de behoefte aan orde en bescherming en wanneer die dan door het gouvernement worden aangeboden zonder krenking des vrijen handels, zullen zij zich gaarne scharen onder Nederlandsche banier." Ten gevolge van dezen last werd door de Indische regeering bij besluit van 28 Februari 1846 ons gebied op Borneo vereenigd tot een gouvernement „ Borneo en onderhoorigheden" en werd Weddik tot gouverneur benoemd. In 1848 vroeg de gouverneur-generaal, naar aanleiding van betere bekendheid van Borneo, verkregen door de reizen van luitenant Van Kessel, den gecommitteerde Van Gaffron, den assistent-resident Van Lijnden, en van Schwaner, om wijziging van de bevelen van 1845; en na 'sKonings toestemming werd 1) Zie P. J. Veth, dl. H, blz. 597. 2) Zie E. de Waal, dl. VHI, blz. 13. 297 Nederlandsch Borneo gesplitst in twee residentiën: de Wester afdeeling van Borneo en de Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo. In het laatst van Februari 1850 had da eerste resident van de Westerafdeeling van Borneo zijn ambt aanvaard. Al dadelijk begonnen de moeilijkheden met de Chineezen. Gedurende het tijdvak van onthouding na 1838 had de verboden handel der kongsies, vooral het overtreden onzer verordeningen op den invoer van opium en zout, voortgeduurd. Plotseling streng optreden tegen smok kt-la rij. In Februari 1850 liep weer een smokkelprauw van Singapore de rivier Sedau met een lading opium, zout en oorlogsbehoeften binnen. De pangeran ratoe van Sambas, als opiumpachter recht streeks getroffen en toevallig in de buurt zijnde, zond iemand af om de opium in beslag te nemen. De zendeling keerde onver richterzake terug, de Chineezen dreigden hem te dooden. De resident, van het voorgevallene verwittigd, gaf last aan de kongsi Taikong, die de goederen ontvangen had, om den gezag voerder en 10 opvarenden der prauw naar Sambas te zenden, waar de landraad zou rechtspreken. Den 30 Bton April vroegen af gevaardigden van de kongsi aan den resident te Pontianak ver giffenis; zij zou niet meer smokkelen, voortaan alle vreemde vaartuigen aanhouden of het bestuur van hun aankomst ver wittigen ; maar zij verzocht dat de prauw-poekat zou mogen vertrekken. Te voren had de kongsi al laten weten de poekat aan haar lot te zullen overlaten als zij maar in zee zou zijn. Als reden hiervoor kan men wel aannemen dat bij verbeurdver klaring tijdens haar aanwezen in de rivier aan de eigenaren te Singapore schade zou moeten worden vergoed. Evenwel de resident volhardde bij zijn last en hield het zelf voor meer dan waarschijnlijk dat de Chineezen het dan tot het uiterste souden laten komen, waarop dan deze vreemden door de Wapenen behoorden te worden bedwongen. Was dit oordeelkundig gezien door den pas opgetreden resi dent, die van zijn gewest nog zoo weinig wist? Moest dieslink sche invoer, sedert jaren zoo gewoon, juist nu zoo hoog worden opgenomen, terwijl men erkende de middelen niet te hebben °m met meer krachtdadigheid te handelen? Het is te vreezen, z egt de Waal, dat de grondige geschiedschrijver het daarna 298 gebeurde zal rangschikken onder de reeks gevolgen eener onge lukkige persoons-keuze bij de benoeming tot resident ! ). Tegen de kongsies wordt gewapender hand opgetreden. De gouverneur-generaal droeg aan den kommandant van het fregat de Rijn, bestemd naar China, op, Pontianak en Sambas aan te doen en in overleg met den resident te handelen. Na lang aarzelen gaf de kommandant, te Pontianak gekomen, toe aan het verlangen van den resident om gewapender hand op te treden, bijgestaan door koelies en hulptroepen die de Sultan van Sambas leverde. Bij de nadering van de versterking der Chinee zen sloegen de hulptroepen op de vlucht, dadelijk nadat er een paar schoten gelost waren. Hierop besloot men den terug tocht te aanvaarden en ging men naar Sambas terug. Het fregat zeilde 12 Juni naar China. Men kon het bij dit smadelijk afdeinzen niet laten. De regee ring zond versterking onder luitenant-kolonel Sorg. Ondertusschen had men in Sambas in grooten angst verkeerd 1) Zie E. de Waal: Onze Indische financiën, dl. VIII , blz. 31; daarentegen acht Kielstra den resident berekend voor zijn taak (zie aldaar 3 de gedeelte, blz. 80) en ligt de fout bij de regeering, die weifelend den resident onvol doende steunde. Kielstra schrijft elders (3 de gedeelte blz. 128) na de vermelding van het feit dat de regeering, het vertrouwen in resident Willer verliezende, haar licht zocht bij den majoor Andresen, die van Pontianak met verlof zijnde, toe vallig te Batavia aanwezig was: „Evenwel zij ons de opmerking veroorloofd, dat wij het in het algemeen niet zonder bedenking achten, dat de regeering meer waarde hecht aan de meening van eenen kommandant der troepen (Andresen) over het staatkundig beleid van den resident, die met dat beleid was belast, dan aan de beschou wingen van dezen, die daarvoor de verantwoordelijkheid draagt, en uit den aard der zaak de toestanden beter van alle zijden beschouwen kan. Indien ieder landsdienaar zich binnen de perken zijner bevoegdheid houdt, dan heeft de militaire kommandant zich niet in te laten met het politiek beleid van den resident, evenmin als deze zich bemoeit met de wijze waarop de mili taire macht wordt geoefend, verzorgd en aangevoerd." Mij dunkt, dat, waar de regeering in den resident eenmaal 't vertrouwen verloren had, het in haar niet te misprijzen viel, elders om inlichtingen te vragen. Of het verkeerd gezien was van de regeering om resident Willer haar vertrouwen te ontzeggen, valt moeilijk uit te maken, daar het niet na te gaan is, hoe de zaken geloopen zouden zijn, indien de resident vrij ge laten was in zijne maatregelen. 299 voor de kongsies. De Sultan wilde vluchten naar de noorder grens. Men joeg troepen gewapende Dajaks onder Maleische hoofden de kongsilanden in. Er volgde een vreeselijk bloedbad onder de Chineezen van Loemar en Boedoh. En hieruit ont stond een voor ons nadeelige verandering in de verhouding der kongsies onderling. Vóór de onlusten waren er in Sambas 4 n.l. Taikong in Montrado met Larah, 2 in Loemar en Boedoh, en 1, Samtiankeo, in Sepang, Sebawi, Seminis en Pamangkat (a). Laatstgenoemde leefde met Taikong sedert jaren in vijand schap; doch deze bleef zonder dadelijkneden; Taikong liet de 2 kleinste, die haar zelfstandigheid lief hadden, ongemoeid, uit vrees van ze in de armen van Samtiankeo te drijven, en ontzag Samtiankeo wijl het zich aansloot bij het aangrenzende Sambas. Thans echter door de Dajaks van Sambas geteisterd, en Samtian keo als medeplichtig aan den maatregel beschouwend, riepen Loemar en Boedoh de hulp van Taikong in. Dit verleende die maar al te gaarne, niet alleen om de zwakke Dajaks geweldig te tuchtigen (hun Maleische aanvoerders lieten hen in den steek), maar vooral ook om, gebruikmakende van het nu vrij geworden tusschenterrein, tegen Samtiankeo op te rukken. De snelle veldtocht gelukte volkomen. In enkele dagen waren het goudrijke Sepang, Sebawi, Seminis en de welgelegen zeeplaats Pamangkat veroverd. De kongsi Samtiankeo stoof uiteen, de meeste leden vloden naar Serawak *). Toen Sorg in Borneo aankwam, wilde hij Pemangkat ver meesteren. De poging gelukte schitterend. De vijand bood een weergaloos verwoeden tegenstand en verloor 300 a 400 gesneu velden en tweemaal zooveel gekwetsten. Van onze zijde werd Sorg gewond benevens 66 anderen en kregen wij 18 dooden. Sorg stierf eenige weken later aan zijn wond. Sorg werd vervangen door den luitenant-kolonel Le Bron de Vexela. Deze hervatte in November den aanval op de Chineezen, doch werd tot den terugtocht gedwongen. Hierna begonnen de Chineezen weer te onderhandelen. De resident begaf zich per soonlijk met de afgevaardigden naar Batavia. Hier werden de 0) De juiste spelling is volgens De Groot: „Kongsiwezen van Borneo", blz. 12: Thai-Kwong of Thai-Kong (= groote rivier) en Sam-thiao-Keeuw of Sam-thiao-Kiao (= drie stuks kanalen). 1) Zie E. de Waal, blz. 34. 3 mogelijk de emigranten te beveiligen tegen afzetterijen en be driegerijen van de zijde van hen, die de landverhuizers trachten te exploiteeren. Bovendien geven zij meestal aan op welke wijze de oude nationaliteit wordt verloren en de nieuwe ver kregen. Al die wetten en regelingen zijn in vele landen ongeveer gelijk; hoofdzakelijk worden bepalingen gegeven voor de wijze van transport der landverhuizers, en voor het geven van inlich tingen aan hen, die wenschen te emigreeren. Toch, als wij de wetten omtrent de immigratie met elkander vergelijken, dan zien wij aanstonds ook een groot verschil. Er zfjn landen, wier wetten er op gericht zijn, zooveel mogelijk werk krachten te verkrijgen voor de ontginning van de uitgestrekte, braakliggende terreinen, en er zijn er andere, die de immigratie zooveel mogelijk belemmeren, aangezien zij beducht zijn voor het binnenstroomen van ongewenschte, goedkoope werkkrachten, die voor de eigen onderdanen gevaarlijke concurrenten zouden zijn, omdat zij met eenen lageren levensstandaard genoegen nemen. Als voorbeelden van beide soorten noemen wij hier Argentinië, dat zooveel mogelijk immigranten binnen zijne grenzen haalt en de Vereenigde Staten van Amerika, die alle minwaardige ele menten er buiten sluiten. Argentinië als type der landen die immigratie aanmoedigen. Argentinië heeft bij de wet van 1876 een departement van immigratie opgericht, dat belast is met het beschermen van de landverhuizers bij hunne aankomst, en zorgt voor de ver eischte aanrakingen met de autoriteiten, en het reizen naar de binnenlanden. Bij dezelfde wet werd bepaald, dat er agenten naar Europa zouden worden gezonden om propaganda te maken voor de immigratie naar Argentinië en alle inlichtingen te geven a an hen die naar dat land wenschen te vertrekken. Bovendien Werden op staatskosten immigratie-comité's opgericht in de voor naamste steden in de provincies en in de havens van debarkement, °m de immigranten te ontvangen, te huisvesten, door te zenden en tevens inlichtingen te geven omtrent de streken waarheen e landverhuizers wenschen te gaan. Ondergeschikt aan het departement van immigratie en de immigratie-comité's werden Plaatsings-bureaux opgericht, belast met het ontvangen van aan vragen om werkkrachten, terwijl zij tevens moesten toezien op de richtige nakoming van de gesloten contracten door de werkgevers. 30 Vierentwintig uur voor het schip vertrekt, zullen de Inspecteur van het Tolkantoor (Tautai) en de Consul hetzij zelf naar boord gaan, hetzij iedereen hunner ambtenaren zenden om de emigranten te monsteren, en wanneer daarbij alles in orde wordt bevonden, wordt de lijst door den genoemden Inspecteur en door den Consul geteekend en in het bureau van elk hunner geregistreerd. Wanneer een emigrant na de monstering berouw krijgt over zijn contract en niet wil vertrekken, moet hij voor eiken dag dien hij in het wervings etablissement heeft doorgebracht, als eene vergoeding voor zijne voeding, een tiende thail betalen; kan hij die niet betalen, dan wordt hij aan de plaatselijke overheid overgegeven en volgens de wet gestraft. Art. 14. Alle geld dat de Chineesehe emigrant voor zijn vertrek van den werver ontvangt, zal beschouwd worden als eene premie voor het aangaan der verbindtenis en mag niet teruggeëischt worden. Alleen wanneer de emigrant wenseht te voorzien in de behoeften van zijne familie, kan de werver hem een voorschot geven, waarvoor later een dollar 's maands op zijn loon kan worden ingehouden; zulk een voorschot mag niet meer bedragen dan zes maauden loon, en de Consul zal middelen in het werk stellen om te zorgen dat dit geld werkelijk voor het onderhoud zijner familie wordt besteed, en niet voor eenig ander doel gebruikt wordt. Andere voorschotten mogen niet gegeven worden en evenzeer is het streng verboden hem aan boord van het schip of na zijne aankomst ter plaatse zijner bestemming, geld, of goederen voor te schieten, onder beding dat hij daarvoor werken zal na expiratie van zijn contract. Wanneer het contract verstreken en de tijd daar is om naar China terug te keeren, zal de schuld eiseher op grond van zulk eene vordering niet kunnen eischen dat de Chineesehe arbeider worde aangehouden. Art. 15. Gedurende den tijd dat de emigrant zich ophoudt in het werviugs etablissement zal hij zich moeten onderwerpen aan de bepalingen voor het inwendig beheer daarvan, zooals die zijn goedgekeurd door den Consul en de Chineesche plaatselijke authoriteit. Art. 16. Wanneer een Chineesche arbeider in het wervingsetablissement ongeregeldheden begaat, of zich op andere wijze misdraagt, dan zal hij dadelijk worden opgesloten, in afwachting dat de Chineesche ambtenaar voor het toezicht op de werving aangewezen, de zaak opneemt en behandelt, maar de werver of zijne handlangers zullen niet zelf eenige straf mogen opleggen. Art. 17. De Chineesche en buitenlandsche authoriteiten belast met het toezicht op de werving zullen, te allen tijde, het recht hebben het wervings etablissement binnen te treden en de emigranten voor eenig doel te onder vragen, verder zullen zij toezicht houden dat de families en de vrouwen afzonderlijk wonen en niet vermengd onder de anderen, en dat de kamers in een zindeüjken toestand, zooals de gezondheid dit eischt, gehouden worden. Bij het teekenen van het contract en het aan boord gaan, zullen genoemde authoriteiten eveneens aanwezig zijn en als het schip hun voorkomt niet in 300 voorloopige voorwaarden van onderwerping geregeld, waarop de resident met de afgevaardigden naar Pontianak terugkeerde om daar de verdere regeling voort te zetten. De drie kongsies Loemar, Boedoh en Taikong werden tot een regentschap ver eenigd onder den naam van Fosjoengtjongthang. De vertegen woordiger van Taikong, Tjan Pin, werd tot regent benoemd. De kongsi Samtiankeo werd nu in een nieuw lichaam zonder staatsgezag omgezet, onder den naam van Samthattjongthang •). Als bijzonder middel van bevrediging wees de resident aan dat lichaam een huis toe, vroeger gezamelijk eigendom der 4 kongsies, doch door de 3 andere verwaarloosd, en gedeeltelijk uit de kas van Samtiankeo, gedeeltelijk met geld van den sultan, onderhouden. Op verzoek van Tjan Pin wijzigde de resident den naam van Sam thattjongthang, hetwelk beteekent „driewerf verstandig algemeen gezag", wat Tjan Pin beleedigend vond tegenover den naam Fosjoengtjongthang (= een ieder gelijk recht waarborgend alge meen gezag), in dien van Fohientjinthong (= eensgezindheid, heil, oprechtheid, gerechtzaal). Het eerst aan Samthattjongthang toegewezen huis werd aan dit lichaam weder ontnomen en tot passantenwoning bestemd. Deze maatregelen van den resident schokten het algemeen vertrouwen in hem. Vele Chineezen van de vroegere kongsi Samtiankeo weken uit naar Serawak. 2 ) Be regeering, die meer licht in de zaken wenschte te krijgen, zond in 1853 den Algemeenen Secretaris Prins als Begeerings- Commissaris. De kongsi Samtiankeo liet niet na, zoo uit Sera wak als uit Sambas, klachten in te brengen over de ondervonden behandeling. Zij vroegen Sepang terug. De Commissaris vond hunne klachten gegrond. De militaire commandant Andresen, begaf zich 29 Maart 1853 naar Sepang om dat te bezetten. De Commissaris, die hem vergezelde, werd te Sepang feestelijk inge haald door afgevaardigden van de 3 kongsies. Doch reeds eenige dagen later werden onze troepen aangevallen door dichte drommen gewapende Taikongers. Onze troepen werden ingesloten en eerst na tien dagen door een kolonne uit Sambas ontzet. Hiermede was de strijd weder ontbrand. Een strenge blokkade van de kust werd toegepast, en toen dit niet hielp, besloot men tot eene expeditie naar Montrado onder bevel van den luitenant- 1) Zie E. de Waal, blz. 45. 2) id. blz. 54. 301 kolonel Andresen. Den 17 den Mei 1854 werd Singkawang zonder slag of stoot ingenomen *). Den 26 st<m Mei werd Koelor veroverd. Den 28 Bten meldde zich reeds een deputatie uit Montrado aan, samengesteld uit de twaalf aanzienlijkste ingezetenen, die om genade smeekten, onder verzekering, dat de kwaadwilligen gevlucht en zij rustige lieden waren. Dit gezantschap werd teruggezonden onder aanzegging, dat hun te Montrado de wet voorgeschreven zoude worden en de geheele bevolking, bij den intocht der troepen, knielend om genade moest smeeken. Den 2 den Juni rukte de geheele macht van den luitenant-kolonel Andresen Montrado binnen , ingehaald door dertig der voornaamste in het wit gekleede inwoners, terwijl de ingezetenen voor hunne woningen geknield lagen en daar anderhalf uur bleven liggen, totdat de laatste man voorbij was. 2 ) Op staanden voet verkondigde nu Andresen den wil van het gouvernement. De kongsi Taikong werd vervallen verklaard; al haar bezittingen, zoo huizen als mijnen, verbeurd verklaard; alle schulden der Dajaks aan Chineezen, als voortgevloeid uit verregaanden woeker en knevelarij, kwijtgescholden. De over wonnenen moesten alle vuur- en andere wapenen afleveren; alle versterkingen binnen een maand slechten; de oorlogskosten en de waarde der geroofde of verbrande goederen van 's gouverne ments dienaren betalen; groote wegen aanleggen tusschen de voornaamste plaatsen. Hierdoor was de onderwerping nog niet volledig geworden. Ge weken hoofden van den opstand en hun benden bestookten in Juli 1854 onze bezetting te Montrado hardnekkig; beproefden zelfs een stelselmatige insluiting. Niettegenstaande de aanvan kelijk ontzetting wekkende voltrekking der doodstraf aan 11 ge vangen belhamels, (zij werden gehangen en daarna onthoofd), bleven geheime bonden in naam der kongsi Taikong grooten invloed uitoefenen. 28 Juni 1855 werd door kapitein Verspijck na veel moeite de schuilplaats van het zeer gevreesde drievingeren verbond (Samtiamfoei) overvallen, waarbij de voornaamste hoofden Werden gedood, terwijl de anderen de wijk namen naar Serawak 8 ). In 1856 vertoonde de geest van verzet zijn laatste noemens- 1) Zie W. A. van Rees „Montrado", blz. 11—13. 2; Zie E. de Waal, blz. 59. 3) Zie W. A. van Rees: „Montrado", blz. 260. 302 waardige flikkering. De overste Kroesen, Andresen's opvolger als resident en militaire kommandant, had gelast het kongsi-huis te Loemar te sloopen. Daarop barstte een vrij uitgebreide samen zwering uil >). Een groot aantal Chineezen overviel den ll— l2 den Juni onze kleine post aldaar, doodde den bevel voerenden luite nant en eenige minderen, verbrandde de kazerne. De beweging werd spoedig onderdrukt; den 21 aton Juni werden 11 opstande lingen opgehangen. Tevens verwijderde men 52 voor de rust gevaarlijke Chineezen naar Java. Intusschen was reeds in 1853 resident Willer, die het ver trouwen der regeering had verloren, vervangen door Andresen, en bevond zich dus het civiel en militair bestuur in handen van één persoon. Ook in de eerste jaren na 1854 werden te Montrado voor het civiel gezag meestal officieren gebezigd. Gevolgde politiek tegenover de Chineezen na de vernietiging der kongsies bij Montrado. Welke politiek werd nu tegenover de Chineezen gevolgd? 2 ) Be Raad van Indie had blijkens advies van 17 Juni 1853 gansch West Borneo door de Chineezen willen doen ontruimen, uitgezonderd de hoofdplaatsen Sambas en Pontianak. „Het Chi neesehe element verdraagt zich niet met het Nederlandsche; gelijk dat ook sedert 1816 het aanwezen dier beide elementen op hetzelfde veld van exploitatie slechts geleid heeft tot een aaneenschakeling van botsingen, immer nadeelig voor de hand having van ons gezag." De Gouverneur-Generaal ging met dit advies niet mee. „Een schraal, door Dajaks zonder eenige energie, bevolkt land" scheen hem al een heel treurig doel. Onze waardigheid vorderde met ernst en kracht er naar te streven om de energieke Chineezen, sedert een zoo geruimen tijd mede-ingezetenen dezer Nederlandsche bezitting, in gehoorzame onderdanen te herscheppen. Hij verbood evenwel nieuwen aanvoer van Chineezen. (Stbl. 1853 N°. 56); doch na 't beëindigen der onlusten werd bij Stbl. 1856 N°. 80 het verbod van aanvoer van Chineezen buiten werking gesteld. 3 ) Onderwijl was door den Commissaris Prins in November 1) Zie W. A. van Rees: „Montrado", blz. 310. 2) Zie E. de Waal, blz. 61. 3) id. blz. 62. 303 1854 een provisioneel reglement voor het bestuur der nieuw onder worpen Chineesche districten afgekondigd. Het bevestigde de dood verklaring der kongsi-besturen, en vereenigde de districten Montrado, Larah, Loemar, Boedoh, Singkawang, Soengeiraja en Soengeidoeri tot een afdeeling Montrado, onder een te Mon trado gestelden, aan den resident ondergeschikten assistent resident, bijgestaan door een vertegenwoordiger van den sultan voor de inlandsche, en een door ons benoemden kaptai als adviseur voor de Chineesche zaken; verder had men een aantal Europeesche controleurs of gezaghebbers, Chineesche kapitans, Chineesche dorpshoofden. Dit reglement onderging eenige wijzigingen bij het door de regeering vastgestelde in Stbl. 1857 N°. 67. De betrekking van kaptai, waarvoor men den gewezen regent Tjang Pin koos, ver viel, als zijnde overbodig. Het gewestelijk bestuur achtte in 1856 de Chineezen onmisbaar voor de ontwikkeling van Borneo's Westkust. Om bekend te stellen hoe het gewestelijk bestuur kort na de opheffing der kongsi-besturen oordeelde over de Chineezen, laten wij hier volgen een gedeelte van de belangrijke memorie, die de luitenant-kolonel Andresen bij zijn verlof naar Nederland op den 21 Bten Februari 1856 achterliet aan zijnen opvolger, den majoor W. E. Kroesen. Andresen schreef als volgt: J ) „Men zal, zoowel in het belang van den staat, als in dat van de inheemsche vorsten en bevolking, vermeerdering van inkomsten moeten vinden in: 1. de invoering of bevordering van cultures; 2. het toenemen en bevorderen van particuliere ondernemingen in land bouw en nijverheid; 3. de toelating van Chineezen. Na over de eerste twee middelen uitgeweid te hebben, vervolgt Andresen -): „In de derde plaats noemde ik, als middel tot vermeerdering van inkom sten, de toelating der Chineezen. Deze betalen de geheele opbrengst der pachten en bovendien de hoofd gelden; het bedrag daarvan is nu reeds belangrijk, of beter gezegd, het is na genoeg de eenigste belangrijkste inkomst die van Borneo's Westkust ge trokken wordt, en zal dat voorloopig nog wel blijven. Die pachten zullen ri jzen, ook al vermeerdert het getal Chineesehe kolonisten vooreerst niet; 1) Zie E. B. Kielstra: „Bijdragen tot de geschiedenis van Borneo's Wester a fdeeling, tweede gedeelte, blz. 171. 2) id. id. blz. 174. 304 maar natuurlijk in mindere mate dan het geval zou zijn, als hun aantal jaar lijks eenigszins toenam. De moeite, die men met de Chineezen op Borneo gehad heeft, moge bij eene oppervlakkige beschouwing, de verdere toelating van dat volk niet raad zaam doen achten uit vrees voor herhaling van opstanden enz.; wanneer men de geheel andere verhouding van ons bestuur in aanmerking wil nemen en daarbij tot de oorzaken afdaalt, door welke het dat volk mogelijk is ge weest tot de onafhankelijkheid te geraken waarin het in 1850 is gevonden, dan zal men de bezorgdheid voor Chineezen op Borneo's Westkust wel ter zijde kunnen stellen. Die er thans zijn, zijn onderworpen en, wat meer zegt, zij zijn onder het geheel nieuwe bestuur tevreden en zullen dat meer en meer worden en blijven naarmate zij er beter mede bekend worden. Men zal, uitgezonderd het eigen aardig bezwaar dat er in gelegen is om een volk te besturen waarvan men de taal weinig of niet kent, met die Chineezen geene beduidende moeilijk heden hebben en de nieuw-aankomenden zullen, evenals vroeger plaats vond, den gang van de nu reeds gevestigden volgen. Men wake slechts tegen de geheime genootschappen, die thans geheel zijn uitgeroeid, en dit kan ge schieden door de hand te houden aan de voorloopige voorschriften voor de nieuw-aankomenden, nl. dat niemand worde toegelaten wanneer niet twee, bij ons bestuur bekende hoofden, borg staan, en dat men den aankomenden den grooten eed in den tempel laat afleggen om zich, gedurende zijn verblijf op Borneo, niet met geheime genootschappen te zullen inlaten. Men heeft wel eens beweerd, dat de Chineezen op Borneo's Westkust schadelijk waren; dat men ze daar weren moest; dat zij de ontwikkeling der Dajaks in den weg stonden; dat, zoolang de Chineezen er werden geduld, men van dit eiland niets konde maken, enz. Met betrekking tot het verleden moge in het beweren veel waarheid ge legen zijn , voor het tegenwoordige en de toekomst is het geheel anders gesteld. Ik geloof mij gerechtigd te mogen achten tot de bewering, dat ik Borneo's Westkust en de bewoners van dat gewest eenigszins ken; ik heb althans de gelegenheid gehad, daarvan meer te zien dan een mijner voorgangers gehad heeft; en met die kennis verklaar ik in gemoede, dat de Chineezen op Bor neo's Westkust, in de verhouding waarin zij thans geplaatst zijn, en waarin zij, ook bij eene aanmerkelijke vermeerdering van het aantal, gehouden kunnen worden, niet alleen nuttig en noodig, maar onmisbaar zijn om de gansche bevolking eene betere toekomst te doen tegemoetgaan; dat zij de ontwikkeling der Dajaks niet in den weg staan maar bevorderen zullen, en dat, zonder het aanwezen van die kolonisten, het, zoo niet volstrekt onmogelijk, dan toch waarschijnlijk boven onze krachten gegaan zou zijn om, althans met redelijk vooruitzicht dat het doel bereikt zoude worden, voor een betere toe komst der oorspronkelijke bevolking den grond te leggen. Door verschillende omstandigheden is den Dajaks en Maleiers onverschil ligheid en luiheid tot gewoonte geworden; die gebreken behooren thans tot hunne karaktertrekken. Het grootendeels wegnemen der oorzaken, welke daartoe leiden, zal hun wel aanleiding tot grootere arbeidzaamheid geven; doch zonder dat zij de voordcelen aanschouwen welke nijverheid en arbeid zaamheid opleveren, zal men hen bezwaarlijk uit hunne onverschilligheid 305 knnnen opwekken. En die voorbeelden van nijverheid en arbeidzaamheid kunnen hun de Chineezen leveren. Wanneer men, om dezen kolonisten een toereikend bestaan te verschaffen, verplicht was hun gronden af te staan Welke voor de bewerking door Dajaks en Maleiers bestemd waren, dan zoude er zeer zeker een overwegend bezwaar tegen hunne toelating kunnen Worden aangewend; maar ongelukkig is het rijke Borneo zoo schaars bevolkt, dat daarvan geene sprake kan zijn. Indien die bevolking dertigmaal grooter Was, dan zou men nog een groot deel van den grond onbebouwd moeten laten! Ik herhaal, Borneo zonder Chineesehe kolonisten zou gedurende eene reeks van jaren, ook met aanwending van groote kosten, niets te beteekenen hebben; dat volk is er nuttig en noodig en men kan zonder gevaar voor de de handhaving der rust, jaarlijks een belangrijk aantal nieuwelingen toe laten. De Kapoeas biedt de gelegenheid, duizenden Chineezen aan de oevers te laten wonen; zij zullen ook daar, onmiddellijk onder ons bereik en recht streeks onder ons gezag, niet schadelijk zijn, maar kunnen dienen om in de daar gelegen rijkjes wat meer leven te brengen, en door vermeerdering der Pachten, de middelen verschaffen om den vorsten een ruimer inkomen toe te leggen. He kan mijn opvolger, in het belang van Borneo, niet genoeg op bet hart drukken, de toelating van meer Chineezen, op een redelijke schaal, bevorderlijk te zijn. Mocht de Regeering daartegen bezwaar maken, dan zal bij wel doen, door eene juiste voorstelling van zaken de dwaling weg te nemen welke omtrent dit onderwerp nog mocht bestaan." Ook Andresen's opvolger, de majoor W. E. Kroesen, beoordeelt de Chineezen zeer gunstig. Hij betoogt in zijne memorie dd. 7 Januari 1858, over den toestand der residentie en het door hem gevoerd bestuur, de wenschelijkheid dat de bevolking meerdere behoeften leert kennen, waardoor zij, eenmaal een beter bestaan voerende, er niet zoo gemakkelijk meer toe zal komen om de wapens tegen ons gezag op te vatten. Hij schrijft verder: •) „De behoeften moeten mitsdien worden vermeerderd. Hoe en door wie? Mijn antwoord is: door de Chineezen. Ik heb mij om die reden dan ook sterk gekant tegen het verbod op den aanvoer van Chineezen. Dit volk is het meest geschikt om tot den overgang 'ttede te werken van onbeschaafdheid tot beschaafdheid, het is het element, dat ons tot intermediair moet strekken om het Dajaksche element te ont wikkelen. De landbouw, die op het oogenblik op zeer lagen trap van ontwikkeling staat, zal, door onze bemiddeling alleen, niet verbeteren; daarvoor is het noodig, dat de in zaken van landbouw zoo bedreven Chinees den inheem sehen bewoner voorgaat. Zijn handelsgeest zal hem voorts de producten doen °pkoopen, die de Dajak thans verwerpt, omdat hetgeen men er hem voor geven wil, niet in verhouding staat tot de moeite, die hij voor de inzameling besteden moet; de invloed van de „dagang sera" en „tampa" werkt nog, 1) Zie E. B. Kielstra: „Bijdragen enz." Tweede gedeelte, blz. 216. 20 306 omdat de concurrenten alleen de vorsten of hunne verwanten zijn !). Elk ander vreemd oosterling zal zich lichter door de vrees voor die concurrentie laten afschrikken; ook heeft hij niet de geschiktheid om zich in de belangen van het volk in te dringen. Noch Boegmees, noch Maleier, noch Arabier zal zich met den „heidenschen hond" in aanraking weten te stellen en zich zoo met hem weten te vereenzelvigen als de Chinees dat weet te doen. Wel zal ook deze, niet minder dan de Boegmees, Maleier of Arabier, trachten gebruik te maken van zijne sluwheid om in handelszaken den Dajak te bedriegen of af te zetten, doch ook daarom is de aanwezigheid van ambte naren een hoofdvereischte voor hunne zoo gewenschte toelating. Daarom ook zeide ik reeds elders: „Voorzeker ben ik bevreesd voor de gevolgen van eene Chineesche dominatie over de oorspronkelijke bevolking en een terugkeer tot den toestand, zooals die was voor 1854; doch die Chineesche dominatie, die terugkeer zijn niet mogelijk, zoolang wordt volgehouden het thans heerschend klem vol bestuur, de strenge politie, de strenge bewaking over de Chineezen, de aanwezigheid door de geheele residentie van Europeesche ambtenaren." De kongsi Lanfong. 2 ) Gedurende den opstand van Montrado had de kongsi Lanfong onder den energieken kapthai Lioe A-sin zich onzijdig gehouden. In 1856 ging deze kapthai met Andresen naar Batavia om 1) Volgens Andresen (vide E. B. Kielstra: „ Bijdragen enz. 2 de ged. blz. 163) werd de dagang sera en tampa door de vorsten en rijksgrooten ingevoerd, omdat zij daarin een goed middel zagen om hunne inkomsten te vermeer deren. Onder dagang sera en tampa verstaat men het recht om van de Dajaksche stammen, en in sommige deelen ook van de mindere Maleische bevolking, eene willekeurige hoeveelheid graan en andere voortbrengselen te vorderen tegen inwisseling van artikelen, die men zich goedkoop had kunnen aanschaffen, onverschillig of die voor de behoefte al dan niet noodig waren. Dat recht werd in sommige rijken onder den vorst en rijksgrooten verdeeld, zoodat ieder het, met uitsluiting van anderen, in een bepaald gedeelte van het rijk in toepassing kon brengen; in andere rijken werd het door den vorst, de rijksgrooten en de leden van hun gezin uitgeoefend zonder bepaling van grens, zoodat daar ieder op zijne beurt de bevolking wat afhaalde. De produkten, welke men noodig had, werden tegen'/4 1 soms tyg der waarde gevor derd ;de artikelen. welke men in ruil en tot betaling gaf, tegen de 4 a 5-dubbele waarde berekend. En daarin lag het hoofdmiddel tot uitputting van dat volk, en het moest noodwendig tot de geheele vernietiging der bevolking leiden, wanneer het ongehinderd aangewend bleef. Ook thans nog wordt hier en daar die dagang sera en tampa clandestien gedreven, en zoolang aan het in de Westerafdeeling van Borneo inheemsche verderfelijke apanage-stelsel geen einde wordt gemaakt, zal dat misbruik voortduren. 2) Zie de Groot: „Kongsiwezen van Borneo" blz. 37. 307 zijne opwachting bij den Gouverneur-Generaal te maken en ter vaststelling van de grenzen der kongsi ')• De regeering besloot de kongsi Lanfong een politiek en zelfbesturend lichaam te laten. Dit geschiedde bij bevelschrift van den resident, goedge keurd door den Gouverneur-Generaal. De kongsi, staande onder het oppergezag van Nederland, kreeg het recht zelf haar hoofd te kiezen, behoudens goedkeuring door den resident en bevestiging van den Gouverneur-Generaal. Dit hoofd, kapthai geheeten mocht de mindere hoofden onder nadere goedkeuring van den resident benoemen. De kapthai oefende rechtspraak uit, had politiemacht, terwijl alle Chineezen hoofdgeld hadden te betalen en het opium monopolie ook in het kongsigebied zou werken. Aan het inlandsch zelfbestuur moesten de Chineezen de hasil tanaman betalen, zijnde 10 gantangs rijst 'sjaars, of de waarde daarvan, per landbouwend gezin. Lioe A-sin werd in 1876 op verzoek als kapthai ontslagen en vervangen door zijn zoon Lioe Liong-kwon; doch toen deze in 1880 stierf, nam met goedvinden van de regeering, de vader weer het bestuur van Lanfong op zich. Lioe A-sin stierf, in September 1884 2 ), ter hoofdplaats Pontianak, alwaar hij zich tijdelijk ophield. Om te voorkomen dat men te Mandor wellicht een nieuw kongsi-hoofd zoude kiezen, deed de resident de weduwe er op voorbereiden dat thans naar het oordeel der Regeering de tijd gekomen was, om het aan de kongsi Lanfong bij uit zondering gelaten zelfbestuur te doen ophouden, en het landschap op dezelfde wijze als de overige Chineesehe districten te besturen. Toen het stoffelijk overschot van den kapthai naar Mandor Werd overgebracht, begaf zich ook de resident met den voor de nieuwe afdeeling bestemden controleur J. C. Rijk en een militair escorte van 30 man derwaarts. De ontvangst was zeer beleefd. Den 3 d,n October had in eene volksvergadering de plechtige overgave en overneming van het bestuur der kongsi plaats, Waarna zonder eenige rustverstoring de kongsivlag door de Nederlandsche werd vervangen. Den volgenden dag werden er 3 kapitans en 14 laothai's benoemd. De drie districten, waaruit de afdeeling Mandor bestaan zou (Mandor, Pinjoe en Prigi), tel den te zamen 1249 belastbare personen. 1) Zie E. de Waal, blz. 65. 2) Zie de Groot, blz. 5. E. B. Kielstra: „Bijdr. enz.", 3-"> ged., blz. 114. 308 Na de eerste gunstige berichten over den goeden gang van zaken in Mandor kwam weldra de tijding dat de controleur Rijk met enkelen zijner oppassers vermoord was. Het verzet breidde zich uit door het werken van het Sam-tiam-verbond. In de districten Pinjoe en Prigi waren eenige nog weifelende Chinee sche hoofden gedwongen den eed aan genoemd geheim genoot schap af te leggen. De opstand werd gedempt met behulp van uit Java gezonden troepen. Bij een der gevechten nabij Mentidoeng sneuvelde de controleur F. Van Braam Morris. ') De Regeering kon zich met de door den resident sedert September gevolgde gedragslijn niet vereenigen, en daarom werd deze ambtenaar, de ter Westkust van Borneo welbekende heer C. Kater, 27 Februari 1885 wegens volbrachten diensttijd eervol uit 's lands dienst ontslagen, en werd het civiel- en militair-be stuur voorloopig in eene hand vereenigd. De kolonel A. Haga, chef van den generalen staf, werd alzoo tijdelijk belast met de functie van civiel- en militair-bevelhebber ter Westerafdeeling van Borneo, doch reeds in September 1885 werd de normale bestuursvorm weder ingevoerd. Kolonel Haga werd eervol ont heven van de hem tijdelijk opgedragen betrekking; de assistent resident van Sintang, A. H. Gijsberts, werd tot resident benoemd, en de luitenant-kolonel Vetter hersteld in zijne functie van hoogste militaire autoriteit in de Westerafdeeling van Borneo. Bij Gouvernementsbesluit van 25 Maart 1886 n°. 20 werd de in October 1884 door den resident Kater ingevoerde organisatie voorloopig bestendigd, terwijl, met intrekking van het bevel schrift van 1857, alsnog werd verklaard dat de Regeering de kongsi Lanfong niet meer als wettig bestaande erkende. Met ingang van 1 Januari 1887 werden de Mandor-Chineezen onder worpen aan dezelfde regelingen als in de rijken Pontianak, Mampawa en Landak, waarin hunne vestigingen gelegen zijn, voor de Chineezen in het algemeen gelden. De afzonderlijke controle-afdeeling Mandor kon met ingang van 1 Januari 1888 worden opgeheven. De bezetting van Mandor werd tot een klein detachement ingekrompen en tegen het einde van 1888 geheel ingetrokken. 1) Zie E. B. Kielstra: „Bijdragen" enz., 3<k= gedeelte, blz. 128. 309 Proclamatie aan de Chineezen der opgeheven Lanfong kongsi. Ten slotte laten we hier volgen een afschrift van de procla matie van den resident der Westerafdeeling van Borneo, gericht aan de Chineezen behoord hebbende tot de opgeheven Lanfong kongsi, dd. 28 Januari 1887 ï 1 ) „Na het opheffen der Lanfong-kongsi heeft het Nederlandsch-Lidisch Gou vernement tijdelijk te Mandor een controleur geplaatst; daar echter thans de redenen, welke tot het nemen van dien maatregel leidden zijn vervallen en bovendien de grenzen van de landschappen Pontianak, Mampawa en Landak, waartoe het land van Mandor behoort, geheel zijn vastgesteld, zoo is door het Gouvernement besloten, dat met het einde van het jaar 1887 de controleur daar niet langer verblijf zal houden. Dientengevolge zullen diegenen uwer, welke wonen binnen het gebied van Pontianak, komen te staan onder het rechtstreeksch bestuur van den assistent-resident alhier, terwijl diegenen, die in Mampawa en Landak wonen, komen onder de controleurs der afdeelingen. Gij moet u van deze zaak geene verkeerde voorstelling maken en denken dat gij onderdanen van de betrokken Inlandsche Zelfbesturen wordt, want dit is volstrekt de bedoeling niet, daar gij, evenals alle andere Chineezen in dit gewest, zijt en blijft rechtstreeksche onderdanen van het Gouvernement, staande onder door hetzelve aangestelde hoofden uwer natie. Een ander punt, dat ik hier ter sprake moet brengen, is het recht van de verschillende radja's tot het heffen van belastingen van de Chineezen. Ook tijdens de kongsi nog bestond, werd nu en dan de belasting van de bosch produkten reeds geëischt, en werd door de landbouwers onder u geregeld opgebracht de hacil tanaman; het is waar dat de betaling niet geschiedde aan de radja's maar aan het kongsi-bestuur, maar dit betaalde toch jaarlijks aan de radja's een vaste som als equivalent voor die belasting; de kongsi erkende dus, dat deze recht hebben op de belasting van ulieden. Na de opheffing van dat lichaam heeft het Gouvernement u van de beta ling der hacil taneman ontheven en het equivalent zelf aan de radja's betaald, doch reeds vroeger is u medegedeeld, dat deze maatregel niet zonde worden bestendigd. De redenen daarvoor kan ik hier niet allen opsommen. Zij zijn in het kort deze, dat bij de contracten het Gouvernement aan de radja's het recht tot belastingheffing gewaarborgd heeft, dat er geene aanleiding meer bestaat om u ter zake te bevoordeelen boven uwe landgenooten, die niet tot de kongsi behoord hebben en die ook belasting aan de radja's betalen, en dat, ook al wilde het Gouvernement dit toch doen, het op den duur onmogelijk zoude zijn, omdat daaruit verwarringen en kwesties zouden ontstaan. 1) Overgenomen uit een afschrift in het controleursarchief te Mampawa berustende. 31 goeden staat te zijn of ongeschikt voor het opnemen der emigranten, zullen 21 J de inscheping tijdelijk kunnen doen uitstellen en eerst door een genees heer, of door experts onderzoek laten doen. Wanneer er aan boord emigranten zijn die aan eene besmettelijke ziekte bjdeu, zullen zij die dadelijk naar den wal doen zenden. Art. 18. Voor iederen emigrant die ingescheept en door de Chineesche authoriteit gemonsterd is, zal de werver de som van drie dollars betalen in de bank van het tolkantoor, om te voorzien in de onkosten van het toezicht. Art. 19. Indien voortvluchtige Chineesche misdadigers zich als arbeiders hebben verbonden, zal de Chineesche plaatselijke authoriteit hunne uitlevering aan den Consul verzoeken, die dadelijk bevelen zal geven voor de overgave v an zulke personen aan genoemde authoriteit. Voor eiken dag dien zulk een misdadiger in het wervings etablissement heeft doorgebracht, zal eene schadevergoeding van een tiende thail worden betaald, terwijl het geld, de kleederen enz. die hij volgens de boeken van "et etablissement heeft genoten, eveneens zullen worden vergoed. Art. 20. Voor de schepen die passagiers vervoeren bestaan bij elke natie y aste voorschriften omtrent de inrichting van de verblijven der passagiers, ue laadruimte, de provieciën en de maatregelen voor de zindelijkheid. Wan mier nu een persoon die Chineesche arbeiders heeft aangeworven, deze naar het buitenland wenscht te vervoeren, zal hij eerst den Consul moeten ver zoeken zich te overtuigen, dat er aan deze voorschriften voldaan is, waarna ül j de toestemming voor den overvoer krijgen kan. ludien, nadat de Consul zijne toestemming gegeven heeft, de beambte, aangewezen voor het toezicht op de werving van meening mocht zijn, dat er n °g iets aan de inrichting van het bedoelde schip ontbreekt, dan doet hij "tervan mededeeling aan de plaatselijke authoriteit, opdat hot schip de haven hiet verlate en het tolkantoor kan tijdelijk het uitklaringsbewijs aanhouden, totdat hieromtrent een nader onderzoek zal zijn ingesteld, of totdat de zaak voor den vertegenwoordiger van het betrokken rijk gebracht en door hem, ln overleg met de Chineesche regeering, beslist is. Art. 21. De monsterrol der aan boord gebrachte Chineesche arbeiders wordt m duplo opgemaakt, een exemplaar blijft ter plaatse der inscheping, en het andere wordt door den gezaghebber van het schip medegenomen. Zoodra het schip op de plaats van bestemming aankomt, neemt de gezag hebber die monsterrol, waarop hij vooraf de sterfgevallen, geboorten en ziekten, gedurende de reis in margine heeft aangeteekend en laat die door en Consul zijner natie, alsook door de plaatselijke overheid aldaar viseeren; ervolgens zendt hij dit stuk naar China terug en zoodra het daar is aan gekomen, dient de werver het in aan zijnen Consul, die het dadelijk aan do Chineesche plaatselijke authoriteit ter kennisname doorzendt. Art. 22. Wanneer Chineesche arbeiders op de plaats hunner bestemming aankomen, zal men echtgenooten niet op verschillende plaatsen mogen te werk stellen en kinderen onder de vijftien jaar niet van hunne ouders mogen 310 Daarom is besloten, dat vanaf dit jaar door ulieden aan de radja's zal moeten worden opgebracht: Door hen, die in Landak wonen: de belasting op de boschprodukten, terwijl van den landbouw nog niets zal worden gevorderd, omdat dit nog niet geregeld is; door hen, die in Pontianak en Mampawa wonen: de belasting op de bosch produkten, de grondhuur van huizen op de passers, de grondhuur van alle in cultuur gebrachte gronden. De wijze waarop deze belastingen zijn geregeld, vindt gij in de bij deze proclamatie behoorende bijlage. Daaruit zult gij zien, dat de voornaamste dier belastingen, in Mampawa de grondhuur van alle in cultuur gebrachte gronden, en in Pontianak die van de sawahs, niet in eens tot het volle verschuldigde bedrag geëischt wordt, maar dat in uw belang een tijdperk van overgang is aangenomen. TJit de bijlage zult gij tevens bemerken, dat de grondhuur (hacil taneman) die gij later zult moeten opbrengen, meer bedraagt, dan tijdens het bestaan der kongsi van u geëischt werd, doch daartegenover staat, dat er toen ook heffingen bestonden, die thans geheel zijn vervallen. Nu moet gij niet denken, dat de radja's die belastingen zoo maar uit eigen beweging komen vorderen, want dat is het geval niet. Ik heb over de invoering van de belastingen onder u, grondig met hen, de betrokken controleurs en enkelen uwer hoofden beraadslaagd, en de in te voeren regeling is het gevolg van die beraadslaging, die bovendien is goedgekeurd door Z. Ex. den Gouverneur-Generaal. Het Gouvernement zelve wil dus dat gij die belasting opbrengt en kan u daar niet van vrijstellen; bovendien betalen de andere, niet tot de kongsi be hoord hebbende Chineezen, reeds thans die belastingen aan de radja's. De bovenstaande regelingen zijn gemaakt na rijp beraad, en allen die over de zaak oordcelen kunnen, achten ze billijk. Ik hoop , dat gij dit begrijpende als met de inning een aanvang wordt gemaakt, van uwe zijde daarbij geene tegenwerking zal worden ondervonden. De resident der Westerafdeeling van Borneo, (W. g.) GIJSBBRTS. Pontianak, den 28 sten Januari 1887. Belastingen der Chineezen aan de inlandsche zelfbesturen van Pontianak, Mampawa en Landak op te brengen. Opgave van de belastingen, welke door de Chineezen, behoord hebbende tot de opgeheven Lanfong-kongsi, voortaan zullen moeten worden opgebracht, en de wijze van invoering, behoorende bij de publicatie van den resident der Westerafdeeling van Borneo, dd. 28 Januari 1887. De Chineezen, welke behoord hebben tot de opgeheven Lanfong-kongsi, 311 zullen voortaan aan de Inlandsche Zelfbesturen van Pontianak, Mampawa en Landak moeten opbrengen de volgende belastingen: 1. Zij, die binnen het gebied van Landak wonen: a. de belasting op de boschprodukten. 2. Zij, die binnen het gebied van Pontianak of Mampawa wonen: a. de belasting op de boschproducten; b. de grondhuur van huizen op de passers; c. de grondhuur van alle in cultuur gebrachte gronden. De belasting op de boschproducten is in alle drie genoemde landschappen op dezelfde wijze geregeld, en is wat de plaats van betaling aangaat, vast gesteld, dat dit bij afvoer zal zijn van de eerste groote pangkalan of kam pong, die men tegenkomt. De hoeveelheid, die van elk uitgevoerd artikel moet worden opgebracht, is hieronder vermeld: van ongespleten rottan, was, getah en vogelnestjes '/io „ wildhout, bekapte stijlen en sirappen Vio „ planken */ioo „ gezaagde stijlen 5 /„ 0 „ groote doodkisten f I.— „ kleine doodkisten „ 0.50 „ een paar wateremmers „ 0.10 „ een kleine waterton „ 0.10 „ een groote idem „ 0.20 „ ruwe, onbereide tengkawangvruchten Vio „ bereide tengkawangvruchten, geschikt voor den uitvoer . 6 / 10 0 „ tengkawangvet 3 / 100 De grondhuur van huizen op de passers bedraagt, zoowel in het gebied van Pontianak, als in dat van Mampawa f I.— per jaar voor reeds bestaande en f 2.— per jaar voor later op te richten huizen. Daarentegen is de grondhuur van in cultuur gebrachte gronden in Mampawa anders geregeld dan in Pontianak. In Mampawa bedraagt ze f I.— per kojang van 40 X4O vierk. vademen per jaar, onverschillig welke cultuur op den grond gedreven wordt. De gewezen kongsi-Chineezen betalen echter gedurende de jaren 1887 en 1888 slechts f 1.50 of ƒ 3.-. Landbouwers, die tijdens het bestaan der kongsi 20 of 28 gantang rijst opbrachten, betalen f 3.— ; zij, die toen 10 of 14 gantangs rijst opbrachten f 1.50 en wel omdat de waarde van 10 gantangs rijst is berekend te zijn op f 1.50. De overschietende 8 en 4 gantangs worden niet in rekening gebracht, om dat die niet in de kongsi vloeiden, maar aan de hoofden kwamen. Vanaf het jaar 1889 echter wordt deze belasting verhoogd en wel met ƒ2. — per jaar voor hen die in 1887 en 1888 f 3.— en met f I.— voor hen die f 1.50 moeten opbrengen en deze verhooging duurt voort totdat elk land bouwer zooveel gulden betaalt, als bij kojangs grond in cultuur gebracht heeft, dus zoolang totdat hij evenveel opbrengt als elk ander landbouwer, die in het Mampawasche woont, doch niet tot de kongsi behoord heeft. 312 De grondhuur in Pontianak is verschillend, en richt zich naar de cultures, die er op gedreven worden. De vlakte-eenheid is 50 X 50 vierk. vademen, van welke jaarlijks moet worden betaald: voor sawahs 10 gantangs rijst, „ groenten-, sirih- en suikerriettuinen f 2.—, indien ze ver van Pontianak liggen, anders f 6.—, „ boomgaarden, met uitzondering van klappers en doerians f 2.—, „ aan te leggen koffie- of andere aanplantingen op groote schaal hoog stens f 2.—. Voor vruchtdragende klapperboomen wordt geheven H/j cent per boom en van de doerianoogst Vio- Deze belastingen kan de sultan van Pontianak van nu af in zijn geheel vorderen, met uitzondering van die van de sawahvelden. Daarvoor zal ge durende de jaren 1887 en 1888 evenals onder de kongsi slechts worden ge heven 10 of 20 gantangs rijst, en wel 10 gantangs van hen , die destijds 10 of 14 gantangs en 20 van hen, die 20 of 28 gantangs opbrachten. Vanaf het jaar 1889 echter -wordt deze belasting verhoogd en wel met 10 gantangs per jaar voor hen, die in 1887 en 1888 10 gantangs opbrengen en met 20 gan tangs voor de anderen, en deze verhooging duurt voort totdat elk landbouwer zooveel maal 10 gantangs betaalt als zijne sawahs 2500 vierkante vademen groot zijn, dus zoolang totdat hij evenveel betaalt als elk ander opbrengt, die sawahs bebouwt in het Pontianaksche en niet tot de kongsi behoord heeft. Zij, die nieuwe huizen op de passers willen bouwen, moeten daartoe ver gunning vragen van den betrokken radja of zijn gemachtigde. Hetzelfde is noodzakelijk voor hen, die nieuwe gronden in cultuur moeten brengen, en voor dezen bestaat geen tijdperk van overgang, maar zij betalen de betalingen in hun geheel, evenals andere landbouwers buiten het ressort der gewezen Lanfong-kongsi. De resident der Westerafdeeling van Borneo, (w. g.) Gusbehts. Pontianak, den 28 Bten Januari 1887. Gedurende de laatste twintig jaren hebben de Chineezen ge toond zich volkomen aan het Nederlandsche gezag te hebben onderworpen, en hebben zij ook geleerd dat gezag te waardeeren, daar het hun in staat stelde de vruchten van eigen arbeid en vlijt te genieten. Op politiek gebied valt alleen nog te vermelden het mede gedeelde in het Koloniaal Verslag van 1890, aldus luidende: „Dj 1889 viel onder de Chineesehe bevolking in dit gewest eene groote werkzaamheid der geheime eedgenootschappen, meerendeels vertakkingen van het in Singapore bestaande Ngi-Hin verbond, waar te nemen. Eensdeels vond die beweging hare aanleiding in de krachtige wijze waarop door het ge westelijk bestuur was opgetreden tegen eene goed georganiseerde, tot die 313 genootschappen behoorende bende opiumsmokkelaars, anderdeels was zij het gevolg van de aansporingen van eenige naar Serawak uitgeweken Chineezen, die rechtstreeks of zijdelings in den Mandhor-opstand van 1884/1885 betrokken waren geweest. Dank zij de waakzaamheid van het bestuur kwamen die ge nootschappen nergens met ons gezag in botsing, en de gerechtelijke vervol gingen, waaraan de hoofden der Chineesehe geheime genootschappen zich tegenwoordig ook in Serawak zien blootgesteld, heeft, sedert aldaar op een elftal belhamels de doodstraf was toegepast, tengevolge gehad, dat binnen de Westerafdeeling van Borneo van misdadige uitingen dier broederschappen niets meer werd bespeurd." In het Koloniaal "Verslag van 1907 wordt weer melding ge maakt van die geheime genootschappen. We lezen aldaar: „In de afdeelingen Soengai Kakap en Mampawa werd eene krachtige werkzaamheid van geheime Chineesehe genootschappen geconstateerd, die, hoewel niet tegen het bestuur gericht, toch nadeelig werkte op de uit oefening van politie en justitie." Hoe de geheime genootschappen een kanker zijn voor Borneo, zal hieronder (blz. 314) en in het hoofdstuk: „De Chineesehe geheime genootschappen" nader worden uiteengezet. Oordeel over den hedendaagschen Borneo-Chinees. Hoe is ons oordeel over den Borneo-Chinees? Zeer gunstig >). Een ieder, die zooals ik het voorrecht had in de Chinee sehe districten als bestuursambtenaar werkzaam te zijn ge weest, zal van die streken niet zijn weggegaan, zonder de innige overtuiging te hebben verkregen, dat daar de Chineezen de ruggegraat der bevolking vormen. Van hen hangt voorname lijk de welvaart der geheele streek af. Met noeste vlijt, geduld, volharding hebben zij, geboren landbouwers als zij zijn, de wildernissen herschapen in lachende rijstvelden en wuivende klapperbosschen. Dikwerf na veel moeite, want de streek die zij bewonen, is lang niet het vruchtbaarste gedeelte van Borneo's bodem. Verspreid onder de inlandsche bevolking, zijn ze die ten zegen geweest. Als pionieren der beschaving gaven zij den Dajaks een voorbeeld hoe de rijstbouw te drijven; zij legden sawahs aan 1) Zelfs op vluchtige bezoekers maakt de Borneo-Chinees een gnnstigen indruk. Zie o. a. „Twee maanden op Borneo's Westkust. Herinneringen van M. Buys." Leiden, S. C. van Doesburgh, 1892 (blz. 59—62, 82—83, 153—154, 172-174, 206). 314 en gebruikten ploegvee. Door opkoop der boschprodukten en verkoop van allerlei artikelen voor dagelijksch gebruik (veelal nog in den vorm van ruilkoop), hebben zij de Dajaks bevrijd van de ergerlijkste knevelarijen van hunne Maleische vorsten en hunnen aanhang. Waar het verderfelijke apanagestelsel helaas nog niet is afgeschaft, vormen de Chineezen tenminste een tegen wicht tegen de afpersingen der vorstentelgen. De Dajak, in dagelijksche aanraking met den vrijmoedigen Chinees, diens taal leerende en enkele zijner gewoonten overnemende, durft zich thans meer dan vroeger doen gelden tegenover den aanmatigenden apanagehouder en laat zich niet meer straffeloos uitzuigen. Hoe diep soms de Chineesehe invloed werkt op den Dajak, bleek mij o. a. toen een Dajak een verzoekschrift indiende aan den resident om benoemd te worden tot kaptjong (Chineesch kamponghoofd). De man was geheel verchineesd. Voor het bestuur sympathieke onderdanen, als belastingbe talers waardevolle ingezetenen, voor den Dajak leermeesters voor geestelijke ontwikkeling, zijn ze voor de overigecategoriën der bevolking onmisbare tweedehands-handelaren. Doch aan al dat moois is helaas een donkere vlek ver bonden, die veel van onze schilderij met hare heldere, vroolijke kleuren versombert. Ik bedoel de geheime genootschappen. Oor spronkelijk hare onzichtbare draden voortspinnend tusschen Chineezen alleen, hebben de geheime genootschappen als gevolg van de innigere verhoudingen tusschen de Chineesehe en inland sche maatschappij, ook vele Maleiers, Dajaks en Boegmeezen als leden opgenomen; en niet alleen lieden uit de lagere volks klassen, doch ook leden van het inlandsche zelfbestuur traden tot die verbonden toe, terwijl de naaste omgeving der Euro peesche bestuursambtenaren, namelijk schrijvers en oppassers, werd getrokken binnen de sfeer, waaruit leden werden gerecru teerd. Hierdoor gevrijwaard tegen ontdekking, daar de minste handelingen der bestuursambtenaren onmiddelijk werden ge rapporteerd aan het hoofdkwartier, traden die geheime genoot schappen driester pp, smokkelden op groote schaal en verlamden alle goede rechtspraak. Het is dan ook zeer te betreuren, dat de regeering niet krachtiger tegen die verderfelijke eedverbonden is opgetreden en gemeend heeft te kunnen volstaan met de reeds bestaande gewestelijke keur op de geheime Chineesehe genootschappen in den zelfden vorm in Stbl. 1907 N°. 271 315 af te kondigen, waarbij als maximum-straf is bedreigd geldboete van ten hoogste f 100 of ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste drie maanden, met of zonder verbeurdverklaring der voorwerpen van over treding J ). Wanneer men weet dat eene ontdekking van de geheime genootschappen, door de vrees die ze inboezemen, en de nauwe band tusschen de leden, tot de zeldzaamheden behoort, en dat, als toch eene ontdekking geschied en een lid gestraft is, dat lid gesteund wordt uit de gezamelijke geldmiddelen, terwijl zijne sawahs gedurende den duur van zijne vrijheidsstraf worden be werkt, dan kan men zich best vereenigen met de opmerking mij toegevoegd door een der kapitans in Mampawa, die zelf lid was van een geheim genootschap en deswege dan ook uit 's lands dienst werd ontslagen, welke opmerking luidde: „Mijnheer, de veroordeelden lachen om die straf". Had men de straf voor de leden der vereenigingen willen behouden, de hoofden ervan be hooren m. i. uit het gewest te worden verwijderd. Bestaat er eene Chineesche kwestie op Borneo ? Wat het Chineezen-vraagstuk betreft, in de gedaante, waarin het zich op Java vertoont, kennen wij het op Borneo niet. Op Borneo geen eisch naar vrijheid van beweging, die de Chineezen al hebben bij verkeer over land en langs de rivieren; geen eisch van afschaffing van het verplichte wonen in wijken, daar in de meeste streken aan zulk eene verplichting in het geheel niet de hand wordt gehouden, en ook niet kan worden gehouden bij eene landbouw drijvende kolonie, zoodat zelfs de namen der officieel vastgestelde wijken bij hoofden en bevolking slecht bekend zijn; op Borneo geen groote kapitalisten, die voor eene goede belegging hunner kapitalen andere banen moeten zoeken en daarbij in botsing komen met de belangen der Europeanen; geene eisch om gelijkstelling met Europeanen, daar de Borneo- Chinees zich gelijkwaardig voelt en weet met den inboorling. De Borneo-Chinees, zijn afkomst niet verloochenende, in ver keer blijvende met zijn ras- en familiegenooten van over zee, 1) Sedert is de werking van Stbl. 1907 No. 271 uitgebreid over geheel Nederlandsch-Indië. Zie hoofdstuk: „De Chineesche geheime genootschappen". 316 van Kwantoeng, werpt geen verlangende blikken naar het offi cieele China, naar de gehate regeering der Mandehoe-dynastie, waartegen zijn voorouders zoo lang en bloedig hebben gevochten. Op Borneo eindelijk beperkt zich de Chineesehe kwestie tot voorkoming van het optreden der geheime genootschappen, terwijl zoo mogelijk gestreefd moet worden naar vermeerdering der Chineesehe immigranten. Over den eigenaardigen vorm van het bestuur over de Chineezen in de Westerafdeeling van Borneo zal gehandeld worden in het hoofdstuk: „ Be Rechtstoestand der Chineezen in Nederlandsch-Indië". 318 „Europeanen en daarmede gelijkgestelde personen, de personen in dienst van het Nederl.-Indische Gouvernement, onverschillig van welken landaard die mogen zijn, gevestigd binnen het rijk Siak Sri Indrapoera en Onder hoorigheden, en verder alle personen zonder onderscheid van herkomst, ge vestigd binnen de etablissementen van het Nederl.-Indische Gouvernement, staan onder het onmiddellijk gezag van den Resident van Riouw of zijn vervanger. Het Gouvernement van Nederlandsch-Indië zal overigens bevoegd zijn om, zoodra het verlangt daartoe over te gaan, de Vreemde Oosterlingen binnen het rijk gevestigd, dan wel eenige bijzondere landaarden daaronder, te ver klaren tot zijn onderdanen, staande onder het onmiddellijk gezag van den Resident van Riouw, of zijn vervanger." Van laatstbedoelde bevoegdheid maakte het Nederl.-Indische Gouvernement gebruik in 1863 (Stbl. N°. 11) door de Chineezen in Siak en Onderhoorigheden tot rechtstreeksche onderdanen te verklaren. De Sultan van Dcli bleef Siak's supprematie afwijzen, endaar het Nederl.-Indische Gouvernement gebonden was aan het Siak tractaat en Siak zijn aanspraken op Dcli bleef handhaven, kon het met het bestuur van laatstgenoemd landschap geen afzonder lijke overeenkomst sluiten. Het Gouvernement stelde zich voor loopig tevreden met eene verklaring van den Sultan, waarbij hij zich aan onze souvereiniteit onderwierp. Dientengevolge konden zich de eerste Deliplanters beschouwen onderdanen van den Sultan te zijn, en het Europeesche bestuur moest zich daarbij nederleggen. Met toestemming van den Sultan van Dcli, althans met zijn medeweten, oefenden de planters op de door hen bezeten of beheerde ondernemingen, politie en rechtsmacht uit. Zij maakten een arbeid- en loonregeling naar eigen inzicht, straften zelven hunne werklieden, die zich niet aan hunne regelingen hielden, dan wel zich schuldig maakten aan overtredingen of geringe misdrijven, deden uitspraak in geschillen tusschen hunne werk lieden onderling, en tusschen dezen en de over hen gestelden; doch zware misdrijven brachten zij bij den Sultan voor. Ge schillen tusschen planters onderling werden nu eens door het Inlandsche, dan weder door het Europeesche bestuur uitgewezen. De Delische planters hadden dus oorspronkelijk een soort zelf bestuur, en de latere Langkatsche en Serdangsche volgden hen na, ofschoon voor die twee landschappen, wier bestuurders de supprematie van Siak wel hadden erkend, de bepalingen omtrent het onderdaanschap van het Siaktractaat (Stbl. 1863 N°. 11) van kracht waren. 319 De planters konden dus ongeveer doen en laten wat zij wilden. Dat er onder hen enkelen waren, die die macht misbruikten, is begrijpelijk, doch er waren velen, die haar verstandig uitoefenden en aan die bezadigde planters dankt Dcli zijn bloei en het N.-I. Gouvernement een belangrijk batig-slot-gevend gewest. In 1872 verklaarde de Sultan van Dcli, „dat alle Europeanen en daarmede gelijkgestelden, alsmede alle Chineezen, benevens de Klingaleezen en andere vreemdelingen (uitsluitend Oostersche) voor zoover zij op de landbouwondernemingen in dienst waren, be hoorden tot de rechtstreeksche onderdanen van het Gouvernement van Ned.-Indië." Het volgende jaar werd het rijk Siak en Onderhoorigheden van de Residentie Riouw afgescheiden (Stbl. N°. 81) en tot een afzonderlijke Residentie verheven met Bengkalis als hoofdplaats. De betrekking van ass.-resident van Siak werd ingetrokken, en een ass.-resident van Dcli in dienst gesteld, met Laboean Dcli als standplaats, aan wien een controleur werd toegevoegd. Het politie-personeel bestond uit 13 gewapende oppassers. In 1874 (Stbl. N°. 67) volgde een voorloopige regeling van de rechtspraak over Europeanen en daarmede gelijkgestelden, en over Vreemde Oosterlingen. In 1875 (Stbl. N°. 103) werd de ass.-residentie Dcli in twee onderafdeelingen gesplitst, Dcli met Serdang onder den ass. resident, bijgestaan door een asp. controleur, en Langkat met Tamiang onder een controleur, en de politie met een Europeeschen schout, drie mantries en 15 gewone politiedienaren versterkt. In 1878 (Stbl. N°. 2) werd voor Tamiang een afzonderlijke controleur aangesteld. Daar het getal ondernemingen was uit gebreid, en de bestuursbemoeienissen waren toegenomen, bleef op de ondernemingen de toestand feitelijk dezelfde, als die in 1873 en vroeger; met dit verschil alleen, dat de onderdanen van het Gouvernement, werkzaam op de ondernemingen, gelegen nabij de standplaatsen der beide ambtenaren, wegens misdrijven en overtredingen naar die ambtenaren werden opgezonden, het meest om volgens het zeer rekbare art. 2 N°. 27 van het algemeen politiestrafreglement (Stbl. 1872 N°. 111) wegens desertie zonder aannemelijke redenen, te worden gestraft. Bij Stbl. 1879 N°. 203 werd het beruchte art. 2 N°. 27 Alg. Pol. Str. Regl. ingetrokken onder nadrukkelijk voorbehoud, dat de Regeering verplicht was de rechtsverhouding tusschen werk- 32 Indien een Chineesche arbeider zich eenmaal verbonden heeft voor iemand fabriek of veld-arbeid te verrichten, en later het land of de fabriek van eigenaar verandert, zal de emigrant ook voor den nieuwen eigenaar moeten arbeiden, maar wanneer dit land of de fabriek in dezelfde handen blijft, zal de emigrant niet bij een anderen meester behoeven te gaan, tenzij met zijne eigene toestemming. Nadat de bovenstaande artikelen in gemeenschappelijk overleg zijn vast gesteld, wordt nog opgemerkt dat, terwijl aan de gewone emigratie van Chineesche onderdanen naar het buitenland, zonder dat zij worden aan geworven, door de Chineesche regeering volstrekt geene bezwaren in den weg zullen worden gelegd, het, wanneer men werkelijk arbeiders wenscht aan te werven, ten strengste verboden is, zich niet aan deze bepalingen te houden en op andere wijze Chineesche onderdanen te werven voor arbeid op contract in het buitenland; zullende elke poging hiertoe ten strengste worden gestraft. Verder komt het voor, dat er Chineesche onderdanen zijn, die hun land niet wenschen te verlaten, maar dat er personen zijn, die hun, door geweld of bedrog, er toe brengen; op dit misdrijf (kid napping) is op voordracht van het Departement van Justitie, bij eene nieuwe ordonnantie, de doodstraf gesteld. Eindelijk moet men in het oog houden dat, hoewel nu voor de aangelegen heid der emigratie duidelijke bepalingen zijn vastgesteld en het geoorloofd is in elke voor den buitenlandschen handel geopende haven wervings-etablisse menten op te richten, de plaatselijke authoriteiten toch nog steeds met den Consul in overleg moeten treden omtrent het toezicht er op en de leiding er van, en dat eerst dan de emigratie volgens deze bepalingen kan plaats hebben; maar dat in die havens, waar geene gelegenheid voor zulk een ge zamelijk overleg bestaat, het niet vergund is eene emigratie-etablissement op te richten. Deze drie punten zijn eveneens vastgesteld en de ambtenaren en onder danen van China en het buitenland moeten deze even goed opvolgen als de twee-en-twintig voorafgaande artikelen. De bovenstaande bepalingen voor het werven in China van arbeiders voor het buitenland, door het Tsung-li-Yamen en de Vertegenwoordigers van Engeland en Frankrijk ontworpen, werden den sden5 den Maart 1866 door de Chineesche regeering vast gesteld, en daarop de goedkeuring van den Keizer van China gevraagd en verkregen; waardoor deze bepalingen in China kracht van wet hebben en door de onderdanen van alle Tractaat- Mogendheden, die in China Chineesche onderdanen als arbeiders voor het buitenland wenschen te werven, moeten worden opge volgd. Hiervan werd mededeeling gedaan door het Chineesche Departement van Buitenlandsche Zaken (Tsung-li-Yamen) in 320 gevers en van elders aangevoerde werklieden bij afzonderlijke ordonnantie te regelen. Ongeveer een jaar daarna werd de eerste koelieordonnantie ') (Stbl. 1880 N°. 133) afgekondigd. Deze ordonnantie eischte van het bestuur een voortdurende zorg ter handhaving der rechten en belangen van werkgever en werknemer beiden. Het bestuur, toen ter tijd bestaande uit een ass.-resident, een controleur en een asp.-controleur, bijgestaan door de hierboven vermelde geringe politiemacht, was daartoe niet in staat. In 1880 was daardoor de toestand op de ondernemingen ongeveer dezelfde als die van 1873. In dat jaar werkten er op de 60 ondernemingen 15764 vaste en 2342 losse werklieden. In 1881 (Stbl.. N°. 31) werd de tabakstreek in vijf onderaf deelingen verdeeld: Medan, Laboean Dcli, Serdang, Boven- en Beneden-Langkat, ieder onder een controleur; de betrekkingen van schout en mantri werden opgeheven, doch het korps gewa pende politiedienaren tot 148 man uitgebreid. Hierdoor kon reeds beter gezorgd worden voor de belangen van werkgevers en werknemers. In 1884 deed de Sultan van Siak afstand van zijne rechten op de Onderhoorigheden, waardoor deze in een zuiverder poli tieke verhouding tot het Nederl-Indische Gouvernement kwamen te staan, en de reden verviel, waarom het hoofd van het ge west het ver van Dcli verwijderde eiland Bengkalis als hoofd plaats was aangewezen. In 1887 (Stbl. N°. 21) werd de zetel van het bestuur naar Medan overgebracht en kwam eene nieuwe organisatie van het bestuur tot stand, welke later verscheidene malen werd gewij zigd 2 ). Doch die veranderingen hielden geen tred met het steeds uitbreiden van de ondernemingen, en zoodoende bleef het toe zicht steeds onvoldoende 3 ). Geen wonder dat de toestanden op die ondernemingen met hare duizenden van elders ingevoerde koelies van verschillenden 1) Zie voor meerdere bijzonderheden omtrent de koelie-ordonnantie: Hoofd stuk: „De Rechtstoestand der Chineezen in Nederlandsch-Lidië." 2) Stbl. 1900 N°. 64; 1902 N°. 66, 163, 291; 1903 N°. 118; 1904 N«. 134, 309, 359; 1905 N°. 192; 1906 N°. 244, 531; 1907 N°. 345. 3) Zie voor het aantal werklieden gebezigd voor landbouwondernemingen, waarover toezicht moest worden uitgeoefend: Bijlage I (blz. 335). 321 landaard dikwerf veel te wenschen overliet. De geruchtmakende brochure van Mr. J. van den Brand, getiteld: _De millioenen uit Dcli" had tot resultaat, dat de regeering een onderzoek liet instellen naar die misstanden. Omtrent dat onderzoek lezen wij in het Koloniaal Verslag van 1904: „ Omtrent het door den officier van Justitie te Batavia Mr. J. L. T. Rhemrev ingestelde onderzoek naar de in de brochure van Mr. J. van den Brand, ge titeld: „De millioenen uit Dcli", beweerde mishandelingen en onwettige ge vangennemingen van de op de ondernemingen ter Oostkust van Sumatra te werk gestelde koelies en anderen, zoomede naar de beweerde onregelmatig heden bij de rechtspraak der magistraten, is door dien rechterlijken ambtenaar aan de Indische Regeering rapport uitgebracht. Blijkens dat rapport heeft hetgeen aan Mr. Rhemrev gebleken is, zoowel uit het justitieel onderzoek, als uit de verklaringen van ambtenaren, geneesheeren, planters, particulieren en contract-arbeiders, hem tot de conclusie geleid dat: l e . de toestand op verscheidene ondernemingen ter Sumatra's Oostkust, wat betreft de verhouding tusschen werkgever en contract-arbeider, nog zeer veel te wenschen overlaat. Slaan met de hand of met den stok werd tijdens het onderzoek op verreweg de meeste ondernemingen nog gedaan; 2 C . ernstige mishandelingen tot korten tijd voor het onderzoek op onder scheidene ondernemingen voorkwamen; 3 e . onwettige vrijheidsberooving, al of niet vergezeld van lichamelijke pijniging, tot kort voor zijne komst ter Sumatra's Oostkust vaak plaats had; 4 e . doodslag door Europeanen gepleegd wel is voorgekomen, doch tot de zeldzaamheden behoort; tot dusver heeft zich op de ondernemingen geen enkel geval van moord, door een Europeaan gepleegd, voorgedaan; het getal der doodslagen en moorden door inlanders en Vreemde Oosterlingen op personen van gelijken landaard gepleegd, is zeer groot; 6 e . de verhouding van den werkgever tot den contract-arbeider deze is, dat de werkgever zich steeds heer en meester over den werkman heeft ge voeld, en dat deze altijd de overtuiging met zich gedragen heeft, dat hij van den werkgever geheel afhankelijk is. De maatregelen door Mr. Rhemrev aanbevolen tot wegneming van de ge constateerde misstanden zijn drie in getal, te weten: instelling van eene arbeidsinspectie ter Oostkust van Sumatra, verbetering van de politie in dat gewest en oprichting van een raad van Justitie te Medan." Het Koloniaal Verslag van 1905 vermeldt: „De op advies van Mr. J. L. T. Rhemrev ingestelde arbeidsinspectie heeft in November 1904 hare werkzaamheden aangevangen. Ter uitvoering van den verder door dien ambtenaar aanbevolen maatregel tot versterking van de politie in dat gewest, zijn bij de wet van 6 Juni 1905, tot verhooging der begrooting van uitgaven van Nederlandsch-Indië voor bet dienstjaar 1905 (Ind. Stbl. N°. 433) gelden toegestaan." Omtrent het nut van de arbeidsinspectie, oordeelt het Kolo niaal Verslag van 1906 aldus: 21 322 „De ter Oostkust van Sumatra ingestelde arbeidsinspectie heeft een gun stigen invloed uitgeoefend op de verhouding tusschen werkgevers en werk nemers, zoodat aan de nog op sommige ondernemingen heerschende misstanden en misbruiken voor een goed deel een einde gemaakt is." Van daar dat bij Stbl. 1907 N°. 400 de tijdelijke regeling vervangen is door eene definitieve, volgens welke de ambte naren der arbeidsinspectie, evenals tot nu toe, hunne functiën onafhankelijk van het hoofd van gewestelijk bestuur uitoefenen, doch die ambtenaren niet meer onder den directeur van binnen landsch bestuur staan, maar de inspecteur rechtstreeks onder geschikt is aan den directeur van justitie 1 ). De werkkring van den inspecteur strekt zich uit over alle gewesten, waarin met van elders afkomstig werkvolk gearbeid wordt. Hetzelfde is het geval met de adjunct-inspecteurs, met dien verstande, dat zij ter beschikking staan van den inspecteur, die hen, al naar gelang de dienst zulks vereischt, op inspectie kan zenden. Bij Stbl. 1907 N°.' 482 werden personeel en fondsen toege staan voor den Raad van Justitie te Medan. In bijlage II (blz. 336) vindt men nog opgenomen verschil lende mededeelingen omtrent de Chineezen in de residentie Oost kust van Sumatra, door de regeering in de Koloniale Verslagen gepubliceerd. B. HET AANDEEL VAN DEN EUROPEESCHEN ONDER NEMER IN DE ONTWIKKELING TAN DE OOSTKUST VAN SUMATRA 2 ). Na de daden der regeering, thans een enkel woord over het aandeel der particulieren in de ontwikkeling van Deli. Hierbij valt dadelijk in het oog wat de Chinees voor Dcli is geweest en nog is. De spil waar alles om draaide toen de Europeaan begon met de ontginning der gronden, die later zulke reusach tige winsten zouden afwerpen, was: het vinden van voldoende 1) Zie ook Koninklijk besluit van 4 Nov. 1907, N°. 44 (Ind. Stbl. N°. 399). 2) De eerstvolgende bladzijden zijn ontleend aan het werk van Mr. H. J- Bool: „De Chineesche emigratie naar Dcli". Ik maak van deze gelegenheid gebruik om aan Mr. H. J. 800 l mijn erkentelijkeu dank te betuigen voor de bereidwilligheid, waarmede hij aan mijne verzoeken om inlichtingen heeft voldaan. 323 werkkrachten, en dat heeft den Deliplanters moeite en opoffe ringen gekost. Nadat de heer Nienhuis tevergeefs had beproefd de cultuur met Maleiers te drijven, verzekerde hij zich van Chineezen, in de Straits geworven, die, hoewel ruwe klanten, bleken voor dit werk geschikt te zijn. Zijn voorbeeld werd door de laterkomenden gevolgd en tot nu zijn de Chineezen het hoofd bestanddeel geweest der werklieden op de tabaksondernemingen. Zij worden altijd gebruikt voor de cultuur zelf, terwijl de andere landaarden, zooals Javanen, Klings, Battakers, Bandjareezen, enz., voor werkzaamheden in verband met de cultuur worden gebezigd. Aanvankelijk werden alle Chineesehe koelies, in Beli benoo digd, in de Straits Settlements, speciaal Penang en Singapore, geworven en wel door tusschenkomst van Chineesehe makelaars (brokers). Deze makelaars waren ruwe lieden en waren niet kieskeurig in hunne middelen om koelies naar Dcli te krijgen. Chineesehe emigranten werden uitgenoodigd tot een bezoek aan den wajang, daar gevangen genomen en naar Dcli verscheept. Anderen, die niet naar Dcli wilden, werden voor de leus naar Djohor of elders gestuurd, doch bemerkten later dat zij toch naar Dcli waren gezonden. Eene in 1876 door de regeering in de Straits ingestelde com missie bracht al die misbruiken aan het licht en stelde voor om ambtenaren te benoemen, nl. „Protectors of Chinese", Europeanen met de Chineesehe taal vertrouwd, en bijgestaan door Chineesehe tolken, die toezicht zouden uitoefenen op de werving, en de koelies zouden beschermen. In verband daarmede zouden dan depots opgericht worden en ieder daarin opgenomen. De aanstaande emigrant naar Dcli zou voor den Protector moeten verschijnen om door hem te worden ondervraagd en een contract te teekenen. De makelaars zouden vergunning van het Gouvernement moeten hebben om zich met de werving te bemoeien, zoodat geweten looze individuen zouden kunnen worden geweerd. De regeering benoemde derhalve in 1876 één Protector te Singapore en één te Penang. Deze ambtenaren werden ook belast met de inspecties der ondernemingen en de behandeling der koelies aldaar. Van 1876 af werden dus de Chineesehe immigranten voor Dcli 324 geëngageerd op contracten voor den „Protector of Chinese" op gemaakt. In 1877 en 1878 was er in Dcli een krachtige samenwerking tusschen de planters ontstaan en in 1880 sloten de planters eene overeenkomst met de Chineesehe hoofden waarbij de kapitein chinees te Laboean op zich nam de contracten van immi granten bij aankomst der booten uit de Straits na te zien, terwijl de planters onderling overeen kwamen alleen koelies aan te nemen op contracten, opgemaakt voor den Protector en voor aceoord afgeteekend door den kapitein-chinees of zijn gemachtigde. Aangezien de planters de koelies die te zwak voor het werk bleken, terugzonden, al waren zij ook met een contract aange komen, en de Protector daar tegen was, werd op de planters vergadering van 2 December 1881 besloten voortaan alleen koelies aan te nemen op contracten opgemaakt voor den Protector en voorzien van een dokterscertificaat. Ten behoeve van familieleden en vrienden, die mee wilden komen werd bepaald, dat men ook lieden met een Protectoraats contract doch die niet gekeurd waren, zou mogen en gageeren, indien twee andere, wèl geneeskundig goedgekeurde werklieden, zich voor hen borg stelden; doch hun aantal zou niet meer mogen bedragen dan 15°/ 0 van het aantal koelies, waaruit de aangeworven club bestond. Uit vrees dat de gemachtigde, die in de Straits het contract voor den Protector namens den planter sloot, later door dezen zou worden gedesavoueerd, werd in 1882 geëischt, dat voortaan elke werver van koelies voor Dcli voorzien moest zijn van een volmacht, geviseerd door het hoofd van plaatselijk bestuur in Dcli, en einde 1887 eischte het Protectoraat, dat in het vervolg een geschreven garantie zou worden geproduceerd door de plan ters of hunne agenten, dat de koelies in ieder geval aangenomen, en de contractbepalingen nageleefd, zouden worden. In 1900 bepaalde de Britsche koloniale regeering, dat de Pro tector voortaan alleen volmachten van te goeder naam en faam bekend staande firma's erkennen zou, die zouden worden gere gistreerd en aansprakelijk gesteld voor de in hunnen naam ver richte handelingen; terwijl in de volmachten steeds zou worden bekend gesteld, welken arbeid de koelies te verrichten zouden hebben. Om de hooge wervingskosten te verminderen werd in de plan- 325 tersvergadering van 28 Maart 1885 aangenomen, dat men 6 maanden (1 Mei — 1 November) een bedrag van 50 dollars zou betalen per koelie op de onderneming aangekomen. De dollar was toen ongeveer f 2.50 waard. Door stokerij van de brokers in de Straits kon men voor dat bedrag geen koelies bekomen, en op de vergadering van 14 Januari 1887 werden de maximum bedragen opgeheven en de planters van hun afspraak ontslagen. De brokers eisch ten toen nog veel hoogere bedragen en haalden koelies over om vóór het einde van het contract te vertrekken naar de Straits en daar zich opnieuw te laten aanwerven. Op verzoek der planters oefende de controleur van Laboean-Deli toezicht uit op de aankomende en vertrekkende Chineezen. Deze ambtenaar zou er een bepaald persoon mee belasten, die gesa larieerd zou worden door de planters. Tot op heden is zulk een persoon te Belawan werkzaam. In 1890 werd een dergelijke werkkring te Tandjong Poera geschapen en eerst door Europeanen, echter sinds Juli 1901 door den Luitenant-Chinees aldaar, vervuld. Om uit de handen van de brokers te geraken trachtte men de rechtstreeksche emigratie uit China te bevorderen. Reeds jaren tevoren had men hiervoor moeite gedaan doch steeds met povere resultaten. Met goedvinden van de Nederl.-Indische Re geering verzekerde het planters-comité zich in 1886 van den steun van Dr. J. J. M. de Groot, tolk voor de Chineesehe taal tevens belast met het maken van ethnografische studiën in Foehkiën en Kwantoeng. Deze stelde zich eerst in Dcli, op Banka en in de Straits, op de hoogte van de koelie-emigratie-kwestie. Voorzien van uitgebreide volmachten van de Del i-Maatschappij, de Deli-Batavia-Maatschappij, de Tabaksmaatschappij Arendsburg, de Amsterdam-Deli-Compagnie en de heeren Naeher en Grob kwam de heer de Groot in Amoy aan. Het denkbeeld om contract-koelies te doen emigreeren moest spoedig worden opgegeven, omdat de Chineesehe regeering er bezwaren tegen had. Ook tegen de vrije emigratie maakten de Chineesehe autoriteiten vele bezwaren. Alleen door de vele moeiten, die de heeren Dr. J. J. M. de Groot, de Keizerlijke Duitsche Consul te Canton, M. Budler, en de Vice-Consul te Swatow, Freiherr von Seckendorff zich getroostten, werd in April 1888 door de Onderkoningen van Kwantoeng en van Foehkiën de toestemming tot de vrije emigratie naar Dcli gegeven. 326 Op het laatst van Mei 1888 kwam de „China" direct van China, met de eerste emigranten aan boord, de Belawan-rivier op. Deze boot werd door meerdere gevolgd. Daar de immigratie zeer kostbaar was gebleken, stelden de bovengenoemde vier maatschappijen en de heeren Naeher en Grob voor om van de directe emigratie eene algemeene zaak van de Plantersvereeniging te maken. Op de vergadering van 2 Juli 1888 werd het voorstel aangenomen. Tevens werd be sloten een Immigranten-Bureau op te richten. Het Immigranten-Bureau werd belast met de administratie, die de emigratie met zich mee bracht; het bevorderen der directe emigratie, het tegengaan van den invloed der brokers, het aan vullen van een eventueel tekort aan koelies door werving in de Straits en wel door de bemiddeling eener firma te Penang en te Singapore. De vergoeding per koelie aan het Immigranten-Bureau te be talen werd op 60 dollars gebracht, met welke som dan bestreden werden de onkosten in China, garantie aan de booten, onder houd der koelie-loodsen te Medan en salarissen van het perso neel. De kosten der op te richten koelie-loodsen zouden in een hoofdelijken omslag gevonden worden. In China werd in het begin van 1889 door den heer Van den Honert met machtiging van het planters-comité een contract gesloten met de firma Lauts en Haesloop, waarop deze firma werd aangesteld tot agent van de plantersvereeniging voor de emigratiezaken in de havens van Zuid-China, namelijk Amoy, Swatow, Hoihau, Pakhoi en Hongkong. Dit contract is met enkele wijzigingen sinds altijd vernieuwd. Intusschen bleek er eene groote behoefte aan politieke consuls van Nederlandsch-Indië in de Zuid-Chineesche havens. De pro vinciale autoriteiten waren ten aanzien van de emigratie-aange legenheden door niets gebonden; zij handelden met volstrekte willekeur en zij lieten hunne macht het sterkst voelen aan die natie, die het niet de moeite waard vond consuls aan te stellen ter behartiging van haar belangen. In het begin van 1880 werd door de regeering een bezoldigd consul-generaal benoemd voor Zuid-China met standplaats Amoy. Reeds in 1888 kreeg de heer De Groot aanschrijving van de regeering om zich niet meer met de emigratie actief te bemoeien; als gemachtigde van de planters was de heer J. M. Rapperd 327 naar China vertrokken, die er eenige maanden bleef. Hierna ging de heer Hoetink, Chineesehe tolk te Medan, met goedvinden der regeering als gemachtigde der planters naar China. De heer Hoetink ging einde Mei 1890 naar Europa en kort daarna kwam de heer P. C. van Hamel, consul-generaal voor Zuid-China, in zijn standplaats Amoy aan. Er ontstonden weldra moeilijkheden, in verband met de klachten van een Chineesch ambtenaar Li-Tien-tsjing tegen de emigratie naar Dcli, o. a. zou aan de arbeiders geen loon zijn uitbetaald en zouden de emigranten als het ware aan de agenten verkocht en door de stoombooten zijn weggevoerd. Den 4 den October 1891 werd den consul-generaal van Hamel officieel medegedeeld, dat de Chineesehe regeering een reglement had afgekondigd, waaraan zij voortaan de emigratie naar Dcli wenschte te onderwerpen. Artikel 1 van het reglement schreef voor de aanstelling van Chineesehe consuls in Deli. Er werden verder hoogere loonen geëischt voor de koelies, en er mochten in Dcli geen speelplaatsen of opiumkitten zijn. Verder werd voorgeschreven, dat de koelies niet meer dan 5 dollars per maand in handen zouden mogen ontvangen en zij het overschietende aan de familie in China moesten doen overmaken. Het planters-comité begreep zeer goed dat, indien dit reglement werd ingevoerd, het met de directe emigratie zou gedaan zijn. Evenwel, door correspondentie werd de zaak op de lange baan geschoven, en in 1898 nogmaals in China reizende, kon de heer Hoetink rapporteeren, dat er geen grieven tegen de emigratie naar Dcli bestonden. Niettegenstaande alle moeilijkheden, die de directe emigratie naar Dcli had te overwinnen, is het aantal immigranten vrij bevredigend geworden, hoewel niet altijd aan alle aanvragen om werkkrachten kon worden voldaan. De cijfers der emigratie naar Dcli wijzen aan, dat er direct naar Dcli vertrokken: In 1888 1152 emigranten. , 1889 5176 „ , 1890 6666 , 1891 5351 „ „ 1892 2160 328 In 1893 5152 emigranten. „ 1894 5607 „ „ 1895 8163 „ 1896 6661 „ „ 1897 4435 „ „ 1898 5105 „ „ 1899 ....... 7561 „ „ 1900 6922 „ 1901 5556 „ „ 1902 7181 „ Het lage cijfer in 1892 is een gevolg van de moeielijke tijden, die de tabakscultuur toen doormaakte, in verband waarmede verscheidene ondernemingen werden gesloten en de overige zich niet van nieuwe werkkrachten voorzagen. In 1896 en 1897 lag de oorzaak der vermindering in China. De groote rijstoogsten vormden de hoofdreden der geringe koelieaanvoeren en boven dien waren vele familieveeten uitgebroken, terwijl ook de in China heerschende pest een reden was voor het minder emi greeren, daar de Chinees bevreesd is om ver van familie en vrienden te sterven. Ook de Regeering trok zich het pestgevaar aan en in een Gouvernements-besluit van 6 Mei 1897 n°. 1, werden krachtens de ordonnantie van 29 April 1897, Stbl. N°. 124, maatregelen voorgeschreven ter voorkoming van het overbrengen van de in de omstreken van Swatow, Macao, Bombay of Kurachee heer schende pest. In 1899, toen de pest weer was uitgebroken in de buurt van Swatow, wilde het Gewestelijk Bestuur de toelating van emigranten uit Swatow verbieden, en alleen doordat de Planters vereeniging in korten tijd een quarantaine-station op het eiland Poeloe Berhala oprichtte, werd het plan der schorsing opgegeven. Dit quarantaine-station is later door de plantersvereeniging kosteloos aan de regeering afgestaan. Intusschen diende het station nooit tot afweering van het pestgevaar, wel was het in 1902 van dienst bij een cholera-epidemie. Hoe worden de Chineesehe koelies van China naar Dcli vervoerd ? In de jaren 1888 en 1889 werden door de agenten in Swatow stoombooten gecharterd. Dit bleek veel te kostbaar en in 1890 sloot het planters-comité dan ook een contract met de firma 329 Meyer & C°. te Hongkong, agent der Asiatische Küstenfahrt Gesellschaft in Hamburg. Deze firma bracht twee booten in de vaart. Toen die booten te klein werden voor het vermeerderde aantal der koelies werd in 1904 een contract gesloten met de firma Jebsen & C°. te Hongkong. De twee booten door deze firma in de vaart gebracht voor het vervoer der emigranten, zijn van circa 2000 ton; voor electrisch licht, uitstekende ventilatie, zonnetenten, een lazareth en isoleer gelegenheid is gezorgd. Een geneesheer is aan boord voor het behandelen der zieken en voor het constateeren der eventueele besmettelijke ziekten. Sinds de oprichting van het Immigranten-Bureau heeft de immi gratie der koelies zich geheel vervormd. In den aanvang wierf het bureau door hare agenten te Swatow en stuurde uitsluitend contract-koelies toe. Door het terugzenden der z. g. „laukhehs", Heden, die te voren reeds als koelie op de onderneming hebben gediend en naar China teruggezonden worden om voor de onder neming meerdere landgenooten te werven, ontstond de vrije immigratie, die weldra aanleiding gaf dat er „khe-thaus" ont stonden, Chineesehe makelaars, die buiten het Immigranten-Bureau koelies werven en leveren, en alleen in relatie met dat bureau staan, doordat zij op den introductiebrief, dien zij als quasi-laukheh meekrijgen, het bedrag van 10 dollars per aangebrachten sinkheh uitgekeerd krijgen, terwijl zij op andere wijze in staat gesteld worden over contanten, meer dan geoorloofd is, te beschikken. Zonder die khe-thau's zou de immigratie voor het grootste deel stilstaan en op enkele contract-koelies na is het Immigranten- Bureau nu een instelling voor het directe vervoer van en naar China J ). 1) Het algemeen en het huishoudelijk reglement van het Immigranten-Bureau zijn afgedrukt als bijlage 111 op blz. 339 en vgd. 33 hunne missive dato 26 Juli 1873 aan den Vertegenwoordiger van Nederland, in antwoord op zijn voorstel, om eene Conventie te sluiten voor de aanwerving van Chineesehe arbeiders voor Suriname. Krachtens deze mededeeling der Chineesehe regeering vormen de bovenstaande bepalingen van 5 Maart 1866, het Reglement waarnaar de aanwerving van Chineesehe arbeiders om onder contract voor een bepaalden tijd veld- of fabrieksarbeid in de Nederlandsche Koloniën te gaan verrichten, in China plaats moet hebben. Peking, 26 Juli 1873. De Diplomatiek-Agent der Nederlanden, J. H. Ferguson. Nota betreffende de werving te Macao. De Chineesche regeering heeft herhaaldelijk, bij schrijven van K. H. Prins Kung, aan de Vertegenwoordigers der Tractaat Mogendheden verzocht, om geene Chineesche arbeiders te Macao te laten aanwerven of toe te staan, dat door schepen van hun land, van Macao Chineesche arbeiders worden vervoerd. Bylage B. (Zie blz. 21). Conventie tusschen het Vereenigd Koninkrijk en China in zake het gebruiken van Chineesehe werkkrachten in de Britsche Koloniën en Protectoraten. Geteekend te Londen, 13 Mei 1904. Aangezien op den 2_" cn October 1860 tusschen Hare Majesteit Koningin ictoria en Zijne Majesteit den Keizer van China te Peking eene conventie gesloten, waarbij in artikel 5 Zijne Keizerlijke Majesteit de Keizer van ma toestemde Chineesche onderdanen, die dienst wenschen te nemen in 1 Britsche Koloniën of andere overzeesche streken, toe te staan, met ntsche onderdanen contracten aan te gaan, en zich met hunne families de opengestelde havens van China op Britsche schepen in te schepen, et inachtneming der regelingen door de beide Regeeringen ter bescherming an dergelijke emigranten gezamenlijk te maken. *m aangezien bovenbedoelde regelingen tot nog toe niet zijn vastgesteld, 3 Vergelijkend overzicht van den staat van import van vrije sinkehs en contract-sinkehs, export en wisselzaken over de jaren 1903 tot en met 1907 1 ). 330 Het verschil tusschen kolom 2 (b.v. 10821 1 / o) en kolom 7 (b.v. 8894) duidt het getal laukhehs aan, en verder handelaren, groenteboeren enz. die met de directe booten der Dcli PI. vereeniging zijn aangekomen en niet naar de ondernemingen gaan. De halve passagiers ontstaan doordat gerekend wordt het aantal uitgegeven passagebiljetten; kinderen, waarvan er op elke boot verscheidene zijn, reizen voor half geld, tellen dus in den staat voor half. Kolom 4 en 5 (Penang en Singapore) ziet op vrije lieden van de Straits, die voor ondernemingen der Dcli PI. ver. contract teekenen. 1) Deze staat is mij welwillend verstrekt door Mr. H. J. 800 l te Medan. Wanneer men de cijfers hier opgegeven en die vermeld op blz. 327—328, vergelijkt met de cijfers voorkomende in de Koloniale Verslagen, ziet men verschillen, die ik momenteel niet ka.ii verklaren. De door mij uit 4e K.ol. Vers), gedutte cijters volgen hierachter, (blz. 33V). Aantal Chineesehe immigranten, rechtstreeks van Swatow naar Belawan-Deh' aangebracht met de door het Planters-comité gecharterde stoomschepen en aantal der met de directe booten teruggebrachte werklieden met opgave van het bedrag der door hen naar China medegenomen of opgezonden opgespaarde gelden. [Bronken: De Koloniale Verslagen]. 331 (*) Ontbreekt eene opgave. 332 Bij de vorenstaande cijfers houde men wel in het oog dat (vide Koloniaal Verslag 1901) alleen de leden der Planters vereeniging die rechtstreeks van China aangebrachte lieden in dienst kunnen nemen. Eene poging van Chineesehe koeliemake laars, om ter Sumatra's Oostkust voor eigen rekening werklieden uit China in te voeren, mislukte. In Juli 1900 brachten zij per stoomschip Decima 670 Chineesehe immigranten aan, maar deze beweerden zich niet voor ondernemingen ter Sumatra's Oost kust verbonden te hebben, en eischten, overeenkomstig de hun door de wervers gedane beloften, naar Singapore te worden overgebracht. Behoudens enkelen, die bereid waren om zich door tusschenkomst van het immigranten-bureau te engageeren en aan wie vergunning werd verleend om te ontschepen, ver trokken de anderen met de Decima naar Singapore. Aangezien die lieden zich op de reis naar Belawan oproerig hadden ge dragen, en de gezagvoerder slechts met moeite in staat was geweest om de orde te handhaven, werd het gouvernements stoomschip Flamingo, met een detachement militairen aan boord, aangewezen, om ingeval van nood, hulp te verleenen, hetgeen echter niet noodig bleek. Uit het hier vermelde blijkt dus, dat zelfs in latere jaren de koelies naar andere plaatsen worden verscheept, dan waarvoor zij zijn aangenomen. Vroeger, toen de koeliehandel volkomen op slavenhandel geleek, kwamen muiterijen aan boord der schepen veelvuldig voor. Zoo werd in 1871 het Fransche schip „Nouvelle Pénélope" weer door de koelies naar Macao teruggebracht, nadat de gezagvoerder en een deel der bemanning was vermoord. ') In hetzelfde jaar ver brandden de koelies het Peruaansche schip „Don Juan" in volle zee, waarbij 600 hunner zelfs het leven lieten. In 1872 werd het Peruaan sche koelie-schip Maria Luz door de koelies naar Yokohama gevoerd, waar zij aan land gingen en door de Japansche autoriteiten in be scherming werden genomen. De hierdoor tusschen Peru en Japan ontstane oneenigheid werd in 1875 bij scheidsrechterlijke uitspraak van den Keizer van Rusland ten voordeele van Japan beslist. Ook op Fransche koelie-schepen kwam muiterij veel voor. Van 1865 —1871 hadden er niet minder dan 14 bloedige oproeren plaats op schepen onder Fransche vlag varende. 1) Zie Dr. Friedrich Ratzel: Die Chinesische Auswanderung, blz. 67. 333 C. HET AANDEEL VAN DEN CHINEES IN DE ONTWIK KELING VAN DE OOSTKUST VAN SUMATRA. Wie, die eenigszins bekend is met het bloeiendste gewest onzer Buitenbezittingen, met het Amerika van onzen Archipel, ziet niet dan met bewondering op tegen de pionieren van Holland schen stam, die daar op de met wildernissen overdekte vlakten millioenen-opbrengende cultuur-ondernemingen hebben te voor schijn geroepen in zoon korten tijd. Maar daarbij voegt zich dadelijk een gevoel van waardeering voor, en van erkentelijkheid aan den vaak zoo verguisden, verachten Chineeschen koelie, uitschot der reeds als min waardig beschouwde Chineesche maatschappij. We zagen boven reeds (blz. 323) dat toen de eerste Deli-tabaks planter, de heer Nienhuis, beproefde de cultuur met Maleiers te drijven, hij in zijn pogen faalde. Dcli zou het tegenwoordige Dcli niet geworden zijn, als niet de Maleier vervangen was door den Chinees, die zijn werkkracht, zijn ijver, zijne gezondheid gaf aan die door de natuur zoo bevoorrechte streek. In de eerste jaren van uit Penang en Singapore aangevoerd, vaak niet de schandelijkste misbruiken door de Chineesche makelaars, de z. g.n. brokers, aldaar gepleegd, later, door de instelling van de Protectors of Chinese beter tegen die wervers in naam, slaven handelaars inderdaad, beschermd, hebben de Chineesche koelies de sombere wouden herschapen in lachende, zonnige velden. Hoe die planters in Dcli verder na zeer veel moeite er in ge slaagd zijn een rechtstreekscho emigratie uit China naar Dcli in het leven te roepen, is in de vorige bladzijden reeds vrij uit voerig uiteengezet. Doch bovendien komen er ook vele Chineesche koelies uit de Straits. De import van Chineesche koelies in Dcli is, zooals we ook zagen, zeer belangrijk en steeds stijgende. In 1907 kwamen 10.821 koelies direct uit China en 9605 uit de Straits, tezamen 20,426 Heden; wel een bijzonder hoog cijfer trouwens. In 1906 waren aangekomen 8539 uit China en 5629 uit de Straits, totaal 14,163. Hoe lang nu die Chineesche koelies in Dcli gewoonlijk blijven alvorens te repatrieeren, is moeilijk na te gaan. Sommigen gaan dadelijk terug na 2, 3 jaren, anderen eerst na 20 jaren, alle schakeeringen liggen daar tusschen. Velen blijven ook na afloop van hun contract met de onderneming in Dcli in vrijen arbeid 334 hun kost verdienen. Van de ongeveer 100,000 Chineezen op de Oostkust zijn er 40,000 die niet als contract-koelies werken, doch als kleine landbouwers en neringdoenden en als planken zagers, dijkwerkers, wegwerkers, enz., zoogenoemde noempan gers, werken waar wat te doen valt. Dit is ook vrijwel eene vlottende bevolking, evenals de duizenden die bij de vischvangst en de panglongs werkzaam zijn. Kunnen de ondernemingen in Dcli in plaats van Chineesche koelies geen Javanen gebruiken? En zoo ja, zal Java kunnen of beter gezegd, willen voorzien in de vraag naar arbeidskrachten ? Zeker, voor alle werkzaamheden in verband met de tabaks-cultuur worden thans reeds vele Javaansche contractkoelies gebezigd, en worden ook hier en daar proeven genomen met Javanen te laten werken als de Chineesche veldkoehes, ja zelfs een tabaks onderneming werkt, bij wijze van proef, uitsluitend met Javanen, doch daargelaten de vraag, of die proeven succes zullen hebben, kan aan een vervangen der Chineesche koelies door Javaansche alleen worden gedacht, indien de aanvoer uit Java aanmerkelijk toeneemt. Door het openen van talrijke rubberondernemingen zijn duizenden Javanen meer gevraagd en ook geimporteerd (in 1907 totaal import 16000 Javanen), maar voldoende is de invoer nog niet. Ook tabaksondernemingen moeten nog dikwijls wachten tot aan de bestellingen van Javanen wordt voldaan door de emigratie-kantoren op Java. Langen tijd zal Dcli dus nog hoofdzakelijk afhangen van het voortbestaan der Chineesche immigratie. Op die immigratie werken factoren zoowel in Dcli als in China. In Dcli zijn van invloed goede betaling der koelies en eene menschwaardige behandeling dier lieden; in China daartegenover: misoogsten, besmettelijke ziekten, vechtpartijen tusschen de verschillende stammen enz. Van invloed kan ook zijn: de houding der Chineesche regeering tegenover de emigratie. Moge onze regeering erin slagen de Chineesche kwestie op Java en Madoera op te lossen op eene wijze, die zal blijken niet van ongunstigen invloed te zijn op de houding der Chineesche regeering in zake de emigratie naar onze Buitenbezittingen. Een verblij dende omstandigheid is het echter, dat als de Chineesche koelie het op Dcli werkelijk goed heeft, zelfs tegenwerking der Chineesche regeering hem niet zal beletten te vertrekken naar het land waar geld te verdienen is. Bijlage I. (Zie blz. 320). Aantal werklieden gebezigd voor landbouwondernemingen in de inlandsche staten ter Oostkust van Sumatra. [Bronnen: De Koloniale Verslagen]. 335 336 K.V. 1874. „ 1875. „ 1877. „ 1878. , 1881. „ 1882 Bijlage 11. (Zie blz. 322). Belangrijkste mededeelingen, voorkomende in de Koloniale Verslagen, omtrent de Chineezen in de residentie Oostkust van Sumatra. [1874—1906]. Bengkalis wordt door den Sultan van Siak in 1873 afgestaan aan het Nederlandsch-Indische Gouvernement tegen eene schadeloosstelling van /"8000 'sjaars. In vroegeren tijd heerschte er op dat eiland vertier tengevolge van de nederzettingen der Chineezen, doch deze zijn verdreven door de wille keurige handelingen van het inlandsche zelfbestuur, zoodat het eiland in 1873 schaars bevolkt is. De vestigingen van de Chineezen te Bengkalis, te Laboean Bilik (aan de Paneirivier) Assahan en Dcli breiden zich steeds uit. Die lieden staan meest allen in verbinding met handelaren te Singapore en Penang, met wier kapi talen zij werken. Chineezen met eigen kapitaal worden hier nog weinig aan getroffen. De veiligheid liet zeer veel te wenschen over. Voornamelijk op de talrijke Europeesche landbouwondernemingen in Dcli en Langkat werden herhaaldelijk door gewapende benden rooftochten ondernomen; enkele Europeanen werden daarbij vermoord. Was in de eerste plaats roofzucht de oorzaak dezer onge regeldheden , het kan niet ontkend worden dat eene minder goede behandeling van het werkvolk door vele Europeesche planters daartoe mede aanleiding heeft gegeven. Aan sommige dier aanvallen toch werd door op de onderne mingen werkzame koelies, Chineesche zoowel als inlandsche, deelgenomen, en men vernam al spoedig dat deze lieden daartoe waren overgegaan uit wraakzucht wegens ondervonden mishandelingen. Een rechter-commissari uit den Raad van Justitie te üatavia, vergezeld van een ambtenaar van het Openbaar Ministerie en een tolk voor de Chineesche taal, werden naar Dcli gezonden om een onderzoek in te stellen naar de tegen sommige planters ingebrachte klachten wegens mishandeling van het werkvolk. Eenige dier klachten werden gegrond bevonden, weshalve de Europeesche administrateur eener onderneming voorloopig in hechtenis werd gesteld en tegen drie andere Europeesche administrateurs of opzieners door den Raad van Justitie te Batavia rechtsingang verleend werd met bevel tot dagvaarding in persoon- Eerstbedoelde heeft zich aan verdere vervolging onttrokken door van het stoomschip, dat hem naar Batavia vervoerde, in zee te springen, waar hij den dood vond. De veiligheid is veel verbeterd. Op de eilanden tegenover de monding der Siakrivier gelegen, gaven de Chineezen weder gedurig aanleiding tot klachten wegens mishandelingen en andere vergrijpen. In dit koloniaal verslag worden vrij uitvoerig medegedeeld de moeilijkheden, die de Tongkoe Besar van het landschap Poeloe Lawan had met zijnen Chi neeschen opiumpachter Tjan Po, die ontslagen zijnde, weigerde de pacht af te staan. Ten einde raad riep de Tongkoe Besar de hulp in van het Nederlandsch- Indische Gouvernement, en stond bij schriftelijke verklaring zoowel de me 337 K.V. 1883. „ 1884. „ 1885. „ 1886. „ 1887. n uitvoerrechten als de opiumpacht en daarbij behoorende kleine middelen aan het Gouvernement tegen een gezamenlijke schadeloosstelling van f 16000 's jaars af. Het Gouvernement zond eenige militairen om den Chineeschen pachter met geweld te verwijderen, doch Tjan Po bleek reeds naar Singapore te zijn vertrokken. De veiligheid laat hier en daar nog te wenschen over. Zoo hoorde men in het begin van 1882 in Dcli van rooverijen door benden Chineezen gepleegd. De politieke rust bleef ongestoord. Over de veiligheid valt minder te roemen, en vooral in Dcli zwerft veel slecht volk rond, dikwerf bestaande lit weggeloopen Chineesehe koelies, die zich in benden vereenigen en dan voor de landbouwondernemingen gevaarlijk worden. Om deze vagebonden in ontzag te houden verleende in Augustus 1883 de militaire macht hare mede- Werking aan de politie door het uitzenden van patrouilles. Op vele verdachten Werd de hand gelegd. Ook zee- en strandroof kwamen nu en dan voor, vooral in het laatst van het jaar, toen o. a. het gouvernementstolkantoor aan de Panei-rivier werd geplunderd. Tusschen de tot verschillende geheime genoot schappen behoorende Chineezen ontstonden herhaaldelijk botsingen, tegenover welke de politie moeilijk met vrucht kon optreden, omdat de leden der ge nootschappen , door hun eed van geheimhouding gebonden, nooit medewerken tot het ontdekken van de schuldigen. Dat men in het afgeloopen jaar meer dan anders van moorden en verwon dingen hoorde, moet echter ook voor een goed deel worden toegeschreven aan de onderlinge veeten van de twee Chineesche geheime genootschappen, de Gi-Hhi- en de Ho-Sing-kongsi, die onder de koelies vele deelgenooten telden. De ongeregeldheden waren soms zoo ernstig, dat politie en militaire macht zich genoodzaakt zagen van vuurwapenen gebruik te maken om de orde te herstellen. De resident verbood bij politiemaatregel dd. 29 October 1884, alle geheime genootschappen van Chineezen in de afdeeling Dcli, als in de termen vallende van Ind. Stbl. 1851 N». 65 en hij schreef de besturende ambtenaren aldaar aan om elke uiting van die genootschappen te onder drukken , en allen, die zich op de eene of andere wijze doen kennen als leden of aanvoerders van zoodanig genootschap, voorloopig in arrest te stellen in afwachting van de door de regeering te hunnen aanzien te nemen be slissing. Aanvankelijk hebben deze maatregelen (o. a. ook het verwijderen uit Ned.-Indië krachtens art. 45 van het regeeringsreglement) eenig resultaat opgeleverd, maar het blijft voortdurend veel inspanning kosten om de woelige Chineesche bevolking in bedwang te houden. In 1885 hoorde men minder van de geheime genootschappen. In dat jaar had men evenwel last van Chineesche zeeroovers. In Mei werden onder den wal van Serdang eenige handelsprauwen, het tolkantoor, zoomede het pachters e tablissement te Pantei-Tjermin geplunderd en enkele inlanders gedood of gewond. In Januari 1886 zag ons bestuur zich genoopt om eenige aan den mond der Rokkanrivier, te Bagan Api Api, gevestigde Chineezen, die aldaar de visch- en de garnalenvangst uitoefenen, tot gehoorzaamheid te brengen, daar zij geweigerd hadden den pachter, wien de sultan van Siak het opium e n zoutmiddel aldaar had afgestaan, te erkennen en tevens een onbetamelijke houding hadden aangenomen tegen den controleur van Tanah Poetih, die 22 338 K.V. 1889. „ 1895. „ 1898 „ 1902 „ 1903. „ 1905. „ 1906 naar Bagan Api Api was gekomen om er de bedrijfsbelasting te innen. Toen de visschersbevolking niet goedschiks te bewegen was om den pachter het geleden verlies te vergoeden en de verschuldigde bedrijfsbelasting te betalen, werd als dwangmaatregel haar de uitoefening van haar bedrijf belet waar toe het gouvernements-stoomschip Djambi met een paar stoomsloepen naar Bagan Api Api werd afgezonden. Nadat de maatregel gedurende 5 etmalen met klem gehandhaafd was, legden de Chineezen het hoofd in den schoot. Zij betaalden de verschuldigde belasting en de opgelegde vergoeding, waarna de vischvangst weder werd vrijgelaten, en de pachter in de ongestoorde uit oefening zijner rechten trad. De Chineesche nederzetting Bagan Api Api nam snel in ontwikkeling toe. Het aantal Chineezen is reeds op 4000 te stellen; zij drijven voornamelijk vischvangst. Sedert ingevolge Stbl. 1894 N°. 93 ook in de landschappen Banka en Koeboe de heffing van in- en uitvoerrechten in onze handen gekomen is, en bij die gelegenheid de standplaats van den controleur verlegd is van Tanah Poetih naar Bagan Api Api, hebben de zaken aldaar en in de overige Chineesche nederzettingen langs de kust een veel geregelder verloop. Door de Chineesche officieren te Medan werd aan den sultan van Dcli eene schoone mesdjid ten geschenke gegeven. De cholera maakte veel slachtoffers in 1901, evenals zij zulks reeds in 1900 had gedaan. In de koffiestreek van Serdang leden de koelies op de landbouw ondernemingen veel aan wormziekte, die bij minder krachtige individuen minder gevaarlijk schijnt, maar bij gemis aan versterkende voeding, voor de patiënten dikwijls doodelijke gevolgen heeft. Sommige werkgevers achten zich blijkbaar niet verplicht aan hunne zieke werklieden versterkende middelen te geven, zelfs dan wanneer dit door den geneesheer noodzakelijk wordt ge acht. Bij een door den eerstaanwezend officier van gezondheid ingesteld onderzoek naar de geneeskundige behandeling en verpleging der contract koelies, werden op enkele ondernemingen in Serdang in dit opzicht ergerlijke feiten geconstateerd. Ook de toestand in de centrale hospitalen te Ramboetan (Padang en Bedagei) en Pertoemboehan (Serdang) liet veel te wenschen over, in tegenstelling met de ziekeninrichtingen in Dcli en Langkat, waar op uit stekende wijze voor de patiënten wordt zorg gedragen. Aan de controleurs is opgedragen te zorgen, dat de voorschriften der koelie-ordonnantie behoorlijk worden nagevolgd. Onder de met stoomschepen van Java en Swatow aangebrachte Chineesche immigranten, kwamen verscheidene choleragevallen voor. In die gedeelten van het gewest, waar landbouwondernemingen met veel vreemd werkvolk gevonden worden, liet de veiligheid van personen en goederen, zooals gewoonlijk te wenschen over. Onder de Chineesche bevol king blijft de lepra slachtoffers maken en onder de werklieden der onder nemingen werden vele gevallen van wormziekte waargenomen. Zoowel door de groote maatschappijen als de kleinere ondernemingen werd zorg gedragen voor eene goede verpleging van haar werkvolk. De veiligheidstoestand was veel beter dan het voorafgegane jaar. 339 Bijlage 111 (vide blz. 329). Algemeen Reglement betreffende het Immigranten-Bureau. Abtikkl 1. Het Immigranten-Bureau is een bureau voor koelieverschaffing door de Deli-Planters-Vereeniging opgericht. Het oppertoezicht daarover wordt opgedragen aan het Planters-Comité, het dagelijksch toezicht aan een Commissie van vier leden, door de Planters- Vereeniging te kiezen, waarvan twee uit Dcli, een uit Langkat en een uit Serdang. Het beheer wordt in handen gesteld van den Secretaris der Deli-Planters- Vereeniging, aan wien, zoo noodig, Europeesch personeel wordt toegevoegd, te benoemen en te ontslaan door het Planters-Comité en de Commissie van Toezicht gezamenlijk. Artikel 2. leder lid der Deli-Planters-Vereeniging, dat Chineesche koelies wenscht te importeeren, die als contract-koelies op de onderneming zullen werken, is verplicht dit door het Immigranten-Bureau te doen. Artikel 3. De Commissie van Toezicht beslist wanneer en hoe lang de werving in de Straits zal worden opengesteld. De vergoeding te betalen voor geleverde contract-koelies en de commissie te voldoen voor vrije lieden worden door de Commissie van Toezicht in over leg met den Secretaris der Vereeniging vastgesteld en gewijzigd. Artikel 4. De kosten voortvloeiende uit in China te betalen commissie en onkosten aldaar, de subsidie aan direkte stoombooten van Swatow naar Dcli, de kosten van onderhoud der loodsen te Medan, gebouwd ter opname der immigranten, de kosten van het vervoer der immigranten, de salarissen van Europeanen en Inlandsch personeel ten behoeve van het Immigranten-Bureau werkzaam, voeding, bewaking en oppassing te Medan, onkosten te Penang en Singapore, commissie enz. komen ten laste van het Immigranten-Bureau en zijn dus in bovenstaande vergoeding begrepen. Artikel 5. Als werkkapitaal zal, indien dit noodig blijkt, bij een bankinstelling onder waarborg der Deli-Planters-Vereeniging een crediet worden geopend tot een maximum van f 50000. De Commissie van Toezicht heeft de bevoegdheid om finantié'ele operaties beneden een door haar te bepalen bedrag aan den Secretaris der Vereeniging over te laten. 34 zijn door Zijne Majesteit den Koning van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en lerland en de Britsche overzeesche bezittingen, Keizer van Britsch-Indië, en door Zijne Majesteit den Keizer van China de volgende plenipotentiarissen benoemd, te weten: Door Zijne Majesteit den Koning van het Vereenigd Koninkrijk van Groot- Britannië en lerland en de Britsche overzeesche bezittingen, Keizer van Britsch-Indië, Henry Charles Keith Petty-Fitzmaurice, Markies van Lansdowne, Zijner Majesteit's Eerste Minister van Buitenlandsche Zaken; en Door Zijne Majesteit den Keizer van China, Chang Têh-Yih, Luitenant- Generaal-titulair van het Chineesche Keizerlijke leger, Zijner Majesteit's Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister aan het hof van Zijne Majesteit den Koning van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en lerland en de Britsche overzeesche bezittingen, Keizer van Britsch-Indië; En de bovengenoemde plenipotentiarissen hebben in hunne samenkomst elkander hunne volmachten vertoond, welke in den vereischten vorm werden bevonden, en hebben met wederzijdsch goedvinden de volgende artikelen vastgesteld. Art. 1. Aangezien de regelingen welke onder de bepalingen van het boven bedoeld tractaat van een algemeenen aard zouden zijn, wordt hierbij over eengekomen, dat bij elke gelegenheid, dat emigranten onder contract ge vraagd worden voor een bepaalde overzeesche Britsche Kolonie of Protec toraat, Zijner Britsche Majesteit's Gezant hiervan kennis zal geven aan de Chineesche regeering, met opgave van den naam van de bepaalde Kolonie of het Protectoraat, waarvoor de emigranten gevraagd worden, den naam van de tractaathaven, waar zij geëmbarkeerd zullen worden, en den tijd waarvoor en de voorwaarden waarop zij geworven zullen worden; de Chineesche regeering zal daarop zonder meerdere formaliteiten te eischen, de lokale autoriteiten in de opgegeven tractaathaven dadelijk aanschrijven al het noodige te verrichten om de emigratie te vergemakkelijken. De hier boven bedoelde kennisgave zal voor elke Kolonie of Protectoraat slechts één keer vereischt worden, uitgezonderd het geval, dat de emigratie onder contract naar die Kolonie of dat Protectoraat van uit de opgegeven tractaathaven in de laatste drie vooraf gegane jaren niet heeft plaats gehad. Art. 2. Na ontvangst van de bovenbedoelde aanschrijving zal de Taotai in de havenplaats onmiddellijk een ambtenaar aanstellen met den titel van Chineesche Inspecteur, die gezamenlijk met den Britschen consulairen amb tenaar aldaar of diens gedelegeerde, bij proclamatie en door middel van de inlandsche pers, de tekst van het contract bekend zal maken, dat de emigrant zal hebben te teekenen, en alle bijzonderheden van het land waarheen de emigrant zal vertrekken en van de daar geldende wetten, waarvan de kennis voor den emigrant noodig wordt geoordeeld door den Chineeschen ambtenaar. Art. 3. De Britsche consulaire ambtenaar in de haven of diens gedele geerde, zal in overleg treden met den Chineeschen Inspecteur omtrent de plaats en de inrichting van de kantoren en andere noodige gebouwen van het door en op kosten van de Britsche fegeering op te richten emigratie-agentschap, 340 Artikel 6. De werkkring van hen, die belast zijn met het beheer en de administratie van het Immigranten-Bureau, wordt in een afzonderlijke instructie vastgesteld. Artikel 7. De Commissie van Toezicht vergadert minstens twee maal in het jaar en verder zoo dikwijls als zij dit noodig oordeelt. Bij staking van stemmen be slist het Planters-Comité. Huishoudelijk Reglement van het Immigranten-Bureau. Artikel 1. Orders geven. a. Telken jare in de maand Maart tot uiterlijk 1 April wordt de gelegen heid tot het geven van orders op koelies opengesteld. Na afloop van dien termijn wordt deze gelegenheid voor een jaar gesloten. b. De orders moeten schriftelijk worden ingediend aan het Immigranten- Bureau. c. Zij worden niet voor bepaalde stammen gegeven doch voor sinkehs eerste of tweede klasse (volgens de verdeeling in artikel 11) of voor beide gecombineerd. d. De orders moeten ondernemingsgewijze gegeven worden; het gevraagde aantal moet overeenkomen met de behoefte aan sinkehs op de onderneming. Het maximum-cijfer van koelies, dat met de orders mag worden besteld, wordt telken jare tijdig door de Commissie van Toezicht op het Immigranten- Bureau vastgesteld en bekend gemaakt. e. Nadat de inschrijving gesloten is wordt door loting de volgorde bepaald waarin de orders zullen worden uitgevoerd. f. De nog niet uitgevoerde orders van het vorig jaar zijn van de loting uitgesloten en blijven desgewenscht het eerst aan de beurt volgens het rooster van het afgeloopen jaar. Het overgebleven saldo, vermeerderd met de nieuwe order, mag het vastgestelde maximumcijfer niet overschrijden. g. Zoodra de loting heeft plaats gehad, ontvangt elke onderneming kennis van het nummer, dat zij op de beurtenlijst inneemt. h. Aan elke order wordt volgens de beurtenlijst eerst met een dertigtal koelies (hetzij vrije, hetzij contractsinkehs, hetzij de eerste aangevuld met de laatste) voldaan; daarna met een tweede en een derde dertigtal totdat aan iedere order geheel is voldaan. i. Af bestellen van orders is geoorloofd, doch indien de uitvoering plaats heeft binnen twee maanden nadat de af bestelling (die schriftelijk moet ge schieden) is binnengekomen, kan de onderneming, die af bestelde, verplicht worden de voor haar bestemde sinkehs toch te nemen. j. Worden contractsinkehs, aangekomen ter uitvoering van een order, niet genomen, dan wordt hun aantal op de order doorgehaald; de daardoor ter beschikking gekomen koelies dienen dan tot uitvoering van de volgens rooster volgende order. 341 Artikel 2. Uitvoering. a. Is een order aan de beurt, dan ontvangt de Onderneming oproeping den Hoofdtandil op een bepaalden dag en op een bepaald uur naar het Immi granten-Burean te zenden om het opgegeven aantal koelies te engageeren. b. Het opgegeven aantal wordt echter verminderd met het aantal vrije koelies, (zoowel sinkehs als laukehs), dat de onderneming eventueel uit dezelfde zending (boot), waaruit de contract-koelies zouden geëngageerd worden, of intusschen via de Straits, mocht ontvangen hebben. c. Aan die oproeping worde, in het belang der goede orde, zoo stipt mo gelijk voldaan. d. De koelies zijn vooraf door den geneesheer gekeurd. e. Geneeskundig goedgekeurde koelies moeten nimmer geweigerd en ook niet teruggezonden worden aan het Immigranten-Bureau; de keuring van den door het Planters-Comité aangewezen geneesheer is beslissend. f. Voor de Ondernemingen, die dit speciaal wenschen, kunnen de koelies na het contracteeren op kosten der Onderneming worden gephotografeerd en worden de portretten aan de Ondernemingen toegezonden. g. Alles wat, na de aflevering op het Immigranten-Bureau, voor mocht komen met de koelies, als wegloopen, ziek worden, overlijden enz. is voor rekening en risico der Ondernemingen. Artikel 3. Laukehs. a. Laukehs, voorzien van zoogenaamde introductie-brieven, als zoodanig terugkomende met of zonder medegebrachte vrije Sinkehs, gaan naar de Onder nemingen , vanwaar zij af komstig waren en waarvoor zij zijn ingeschreven, zonder geleider; zij zijn voorzien van een schrijven en signalementstaat van het Immigranten-Bureau. Zij worden niet geneeskundig gekeurd. b. Laukehs, die men niet terugwenscht, introduceere men niet. c. Laukehs, geïntroduceerd te Hongkong, zullen van de agenten aldaar hun passage kunnen krijgen tot Swatow (extra berekend als voorschot) 't zij met een onzer gesubsidieerde booten, 't zij met een der vele locaalbooten, en van Swatow worden zij met hunne sinkehs, evenals de andere passagiers van die plaats, ingeschreven en van passagebiljetten voorzien voor Deli. d. Laukehs, die bij terugkomst in Dcli niet op de bootlijsten van Swatow als zoodanig voorkomen, worden als sinkehs beschouwd. e. Koelies, Tandils enz. zoogenaamde Laukehs, die door de onderneming naar China of elders worden gezonden ter engageering van koelies, moeten beschouwd worden als te zijn ontheven van hunne eventueele contractueele verbintenis. f. Bij uittreding van een maatschappij of onderneming als lid van de Planters- Vereeniging, wordt aan de Agenten te Swatow en Hongkong daarvan kennis gegeven. Na ontvangst van dit schrijven door bedoelde Agenten, heeft de uitgetreden maatschappij of onderneming geen recht meer op hulp voor hare laukehs, die zich eventueel nog in China bevinden. 342 Artikel 4. Sinkehs medegebracht door Laukehs. o. Sinkehs door Laukehs medegebracht gaan onder geleide hunner Laukehs naar de Onderneming, waarvoor ze zijn ingeschreven, voorzien van een schrijven en signalement-staat van het Immigranten-Bureau. b. Zij worden verder hier niet meer geneeskundig gekeurd en kunnen op specialen wensch der Onderneming, die ze krijgt, op kosten dier Onder neming gephotografeerd worden. c. Voor de physieke geschiktheid dezer vrije Sinkehs blijft de Laukeh, die ze heeft medegebracht geheel verantwoordelijk, evenals voor de omstandig heid, dat zij als Sinkehs lieden medebrengen, die reeds vroeger hier zijn ge weest, of lieden die hier geen contract wenschen te sluiten. d. Het volle bedrag door het Dnmigranten-Bureau berekend voor deze lieden, moet steeds worden voldaan, onverschillig of men ze accepteert of niet. e. De Laukehs moeten deze Sinkehs zooveel mogelijk engageeren in de kampongs en omstreken waar de Laukehs thuis hooren en niet te Swatow zelve. f. Aan Laukehs, die zich daaraan niet houden, kan de passage met hunne Sinkehs, op deze ongeoorloofde wijze verkregen, door de agenten worden geweigerd, zelfs al willen zij die vooruit betalen. g. Voor vrije Sinkehs, direct van China, mag de Onderneming, niet meer betalen dan respectievelijk $ 66.— (f 93. —) voor de 1° klasse en $ 49.— (ƒ69. —) voor de 2 e klasse, buiten de f 20.— commissie aan het Immigranten- Bureau. h. Van deze $ 66.— (f 93.—) of $ 49.— (f 69.—) worden betaald aan het Immigranten-Bureau: de passage ad $ 15.— (f 21.—) en het voorschot, dat de Laukeh in China genoten heeft op zijne commissie; de rest wordt op de Onderneming direct met de Laukehs en Sinkehs zei ven verrekend', doch daar toe wachte men liever eerst de definitieve rekening van het Immigranten- Bureau af omdat te Swatow bij het tellen wel eens vergissingen voorkomen en daardoor een Laukeh wel eens meer of ook minder voorschot krijgt, dan hem pro rato van het aantal aangebrachte Sinkehs zoude toekomen. Alleen wanneer de voorschotlijsten te Swatow opgemaakt, na het vertrek der boot, hier zijn ontvangen en de rekeningen daarnaar zijn opgemaakt, kan met juist heid het ontvangen voorschot worden bepaald en tot afrekening met den Laukeh worden overgegaan. i. De verdeeling der bovengenoemde $ 66.— (f 93.—) en $ 49.— (f 69.—) is als volgt: voor Sinkehs l e klasse: 2 e klasse: $ 25.— (ƒ 35.—) contractvoorschot aan den Sinkeh ... $ 16.50 (f 23.—) „ 23.— („ 32.50) commissie aan den Laukeh en vergoeding kleine onkosten „ 14.50 („ 20.50) „ 15.— („ 21.—) passage aan het Immigranten-Bureau . . „ 15.— („ 21.—) „ 3.— („ 4.50) aan den Sinkeh op de onderneming . . „ 3.— („ 4.50) $ 66.- (/• 93.-) $ 49.- (f 69.-) 343 j. Laukehs kunnen nimmer eenig recht doen gelden op cont roci-Sinkehs, met wie zij aan boord afspraak maken, om naar hunne Onderneming te gaan; die contract-Sinkehs moeten blijven ter dispositie van de orders, aan de beurt van uitvoering. Artikel 5. Introductiebrieven. a. Laukehs, die naar China worden gezonden met het doel om aldaar Sinkehs te engageeren, worden voorzien van een introductiebrief. b. Formulieren daarvoor zijn steeds bij het Immigranten-Bureau op aanvrage verkrijgbaar. c. De introductiebrieven zijn geheel persoonlijk en mogen niet aan anderen worden overgedragen; zij dragen voor elke onderneming een doorloopend nummer ten einde de controle op de Laukehs te vergemakkelijken. De intro ductiebrieven blijven slechts gedurende 3 jaren na afgifte geldig. d. Passage en voorschot kunnen worden geweigerd aan den Laukeh en zijne Sinkehs, wanneer het blijkt, dat de Laukeh zijn introductiebrief van een ander heeft overgenomen. e. Op het bedoelde formulier zal bovenaan worden vermeld de naam van de Maatschappij of Eigenaar, waartoe de Onderneming behoort. f. Verder wordt achter het woord „rule" een der teekens „X, S, Q, V, V, Z of N" ingevnld. X beteekent $ 5 voorschot per hoofd (f 7.—) S „ „10 „ „ „ („ 14.-) Q „ ,20 „ „ „ („ 28.-) V „ ,30 „ „ „ („ 42.-) * )> n ii n ii (n °° - / Z „ „45 „ „ „ („ 63.—) N „ „ geen voorschot. g. Bij de onderteekening worde op de opengelaten plaats in „the manager of Estate", duidelijk de naam der onderneming, die den Laukeh introdu ceert, ingevuld. h. Eindelijk wordt het signalement aan den voet zeer nauwkeurig in de Engelsche taal ingevuld. i. De onder X, S, Q, V, V en Z bedoelde voorschotten worden uitbetaald, door middel van discontabele kasbrief jes, aan de gemachtigden van de reeds vertrokken Laukehs, bij wie zij die kasbrief jes hebben gedisconteerd en wel pro rato van de werkelijk verscheepte Sinkehs: ten minste pro rato van het aantal, dat te Swatow als werkelijk verscheept is geteld en aangenomen. j. Laukehs die terugkeeren naar de onderneming, door wie zij werden ge ïntroduceerd, kunnen op dezelfde wijze met hun introductiebrief in Swatow beschikken over een bedrag van $ 35. — (f 49.—) (waarvan hoogstens t 25.— (f 35.—) op rekening van den Laukeh gebracht kan worden.) k. Volgens de voorschot-lijsten te Swatow opgemaakt, na het vertrek der boot, moeten deze voorschotten aan het Immigranten-Bureau worden geres titueerd. 344 /. De introductiebrieven mogen, behalve de overeengekomen letterteekens, geen woord over voorschot bevatten, in cijfers of voluit geschreven getallen en moeten in gesloten couvert, voorzien van het adres der firma Lauts & Haesloop te Swatow (onverschillig of de Laukeh te Hongkong debarkeert dan wel te Swatow), aan de koelies worden ter hand gesteld. m. De beheerders, die Laukehs met introductiebrieven naar China zenden, zijn verplicht bij de aanvrage van het passage-biljet naar China een opgave aan het Immigranten-Bureau te doen van den naam van den teruggezonden Laukeh met het nummer van den door hem meegenomen introductiebrief en van het daarop ingevulde letterteeken en met de mededeeling of de Laukeh naar Hongkong of Swatow gaat. Deze opgave moet ook ingezonden worden indien de Laukehs met introductiebrieven over Singapore naar China worden gezonden. Artikel 6. Instructiebrieven en gewijzigde introductiebrieven. a. Wenscht men aan zijne geïntroduceerde Laukehs voorschotten te doen betalen vóór het vertrek der boot en pro rato van het aangemelde (niet wer kelijk verscheepte) aantal Sinkehs, dan schrijve men daartoe een specialen introductiebrief, in den vorm overeenkomende met het gedrukte formulier, doch men schrijve er dan in: „please deal with him in accordance with our letter of instructions dated "; overigens is alles hetzelfde. 6. In dit geval echter richte men aan de agenten van China een schrijven per post, vermeldende de namen van de op die wijze geïntroduceerde Laukehs, met verzoek hun voorschot te verleenen vóór het vertrek der boot, pro rato van het aantal door hen aangegeven Sinkehs en bepale men in dit schrijven het bedrag van het voorschot per hoofd, hetwelk echter $ 45.— (f 63. —) nimmer mag te boven gaan. e. Dit schrijven (instructiebrief) mag in geen geval aan den Laukeh zelve ter bezorging worden medegegeven. d. In den introductiebrief vuile men dan den datum van dezen instructie brief nauwkeurig in. e. Bij dit systeem is alle risico van verliezen, als: minder Sinkehs mede brengen dan pro rato voorschot verleend is, in het geheel geen Sinkehs medebrengen en zelfs het niet terugkeeren van den Laukeh zelve, geheel voor de Onderneming, die op zoodanige wijze Laukehs introduceerde; de ver leende voorschotten moeten onder al deze omstandigheden worden gerestitueerd. f. Nauwkeurige invulling der introductiebrieven (en eventueele instructie brieven) wordt dringend aanbevolen. Artikel 7. Instructiën aan de Laukehs die naar China gaan om vrije Sinkehs te engageeren. a. Tot het naar China zenden van Laukehs, die Sinkehs gaan werven, kieze men de meest betrouwbare Laukehs uit, daar alles wat in de uitvoering hunner opdracht slecht mocht uitvallen, als minder goede Sinkehs, Laukehs als Sinkehs brengen, Sinkehs meebrengen die hier geen contract wenschen te 345 sluiten en het risico voor verloren voorschotten, als bedoeld in het voorgaand artikel, geheel blijft voor rekening der onderneming die den Laukeh heeft geïntroduceerd. 6. Men instrueere de Laukehs, alvorens zij naar China gaan, goed en dui delijk, omtrent de volgende punten: l e . Dat zij zich onmiddellijk bij aankomst in Swatow bij onze agenten hebben aan te melden en hunne introductiebrieven zullen toonen ter afstempeling, waarna deze brieven eerst geldig zijn. Laukehs die in Hongkong debarkeeren toonen hunnen introductiebrief niet aan de agenten aldaar, doch gaan dadelijk naar het binnenland door. Zij toonen hun introductiebrief eerst te Swatow, wanneer zij aldaar komen om naar Dcli te vertrekken. 2 e . Dat zij met hunne Sinkehs, uit hun district terugkomende, zich weder met die Sinkehs op het kantoor onzer agenten te Swatow moeten aanmelden en hunne aanwijzingen omtrent verblijf te Swatow en dag en uur van em barkement hebben op te volgen. 3 e . Hoeveel voorschot zij te Swatow per verscheepten (of aangebrachten) Sinkeh in China zullen ontvangen. 4 e . Dat zij slechts goede, sterke Sinkehs niet beneden de 18 jaren mogen engageeren, zooveel mogelijk van de stammen uit hun district. s e . Dat zij hun introductiebrieven niet kunnen overdragen. 6 C . Dat zij, indien zij in Swatow $ 35. — (f 49. —) voor zich opnemen, ook verplicht zijn na terugkomst op de onderneming weer contract te teekenen. 7 e . Dat zij aan de Sinkehs mededeelen, dat deze nog 13.— (ƒ4.50) na aankomst op de onderneming ten geschenke ontvangen. Artikel 8. Laukehs en vrije Sinkehs via de Straits. a. Wanneer een Laukeh met zijne Sinkehs te Swatow te laat voor een directe boot komt, en hij kan uit eigen middelen, zonder het voorschot onzer agenten of zonder crediet-passage de reis naar Dcli maken, dan is hem dit geoorloofd. 6. Ontbreken nu den Laukeh die middelen en is hij verplicht in een Straits depöt te gaan, dan kan hij, door middel van een protectoraats-contract, naar de Onderneming komen. c. Zoodra de Onderneming van het feit kennis heeft gekregen, dat haar Laukeh met een partij Sinkehs in een Straitsdepót gekomen is, geeft de be heerder daarvan kennis aan het Immigranten-Bureau te Medan, hetwelk dan, door bemiddeling zijner agenten, die lieden voor de bedoelde Onder neming laat contracteeren en hier komen. d. In dat geval betaalt de Onderneming den gewonen prijs voor Sinkehs aan het Immigranten-Bureau, omdat de agenten van dit Bureau de kosten, commissie, voorschotten enz. met het depot hebben geregeld en het depot met den aanbrengenden Laukeh. e. Verder kunnen geëngageerd worden: vrije Sinkehs uit de Straits, waar toe men lieden daarheen heeft uitgezonden — of die door pettybrokers worden aangebracht, — doch lieden op eenig soort contract (kedeh- of nootmus caattuin- of houthakkers contract) kunnen niet worden beschouwd als vrije 346 lieden, al heeft de Onderneming daarop ook geen voorschot gegeven als zij hier aankomen. f. Het staat der Onderneming vrij zulke partijen geheel of gedeeltelijk te weigeren; bij weigering moeten ze met hunne documenten aan het Immi granten-Bureau worden teruggezonden. g. Voor vrije lieden uit de Straits mag de Onderneming niet meer betalen dan $ 61.— (f 85.70) voor de l c klasse en $ 4A.— (f 61.70) voor de 2<= klasse, plus f 20.— commissie aan het Immigranten-Bureau. De $ 5. — (f 7.30) minder dan voor vrije lieden direct van Swatow, worden gevonden in eene reductie van $ 2.— (f 2.80) der commissie van den Laukeh en in het niet verstrekken der $ 3. — (f 4.50) aan den Sinkeh op de Onderneming. h. Die $ 61.— (f 85.70) of $ 44.— (f 61.70) worden op de Onderneming met de aanbrengers verrekend, onder afhouding van eventueele spoorgelden of voedingskosten als op den geleidebrief vermeld, welke voorschotten weder aan het Immigranten-Bureau worden gerestitueerd. i. Wanneer vrije lieden, uit de Straits te Belawan aankomende, hunne be stemming niet opgeven en later op de Onderneming aankomen om zich te engageeren, dan hebben zij geene legitimatie-bewijzen van het Immigranten- Bureau te Medan, doch toonen briefjes van Belawan of wel nieuw uitgegeven Soerats-Idzin, tegen de Belawan-brief jes verkregen. j. Als men tot het engagement dier lieden overgaat, zendt de Onderneming die lieden eerst naar het Immigranten-Bureau te Medan, ten einde een ge waarmerkte signalementstaat en geleide-schrijven te ontvangen, op welke documenten zij dan geëngageerd kunnen worden. Artikel 9. Contract-koelies van de Straits. o. Is de immigratie van de Straits voor contract-koelies ten behoeve van de leden der Planters-Vereeniging tijdelijk opengesteld, dan staat het den leden vrij — met inachtneming hunner beurt volgens rooster en in verband met het verzoek der vóór hen op rooster staande Ondernemingen, om ook Straits-koelies te ontvangen — hunne contract-koelies uit de Straits (Penang of Singapore, of één van beiden wanneer van een der havens geen koelies betrokken worden) te ontvangen, zoolang die tijdelijke openstelling duurt. b. De door de Straits-agenten op bestelling van het Immigranten-Bureau gezonden partijen gaan direct van Belawan naar de Onderneming waarvoor zij bestemd zijn. c. Worden daarbij koelies gezonden, niet geneeskundig goedgekeurd en op risico der brokers medegenomen, dan mag men die aannemen tot vollen prijs of trachten ze over te nemen tot geredueeerden prijs — zelf te bepalen — en moet men daarvan, onder opgave van den bepaalden prijs, bij hetrecumede deeling doen aan het Immigranten-Bureau, of men mag ze weigeren, wat mede aan het Immigranten-Bureau bij het recu medegedeeld wordt. d. De geneeskundig goedgekeurde koelies mag men niet weigeren. e. Laukehs, die naar China geweest zijn en in de Straits zijn teruggekeerd, zijn aan te nemen als Sinkehs. f. Bij het ontvangen der partij onderzoeke men of de aangebrachte koelies 347 van den stam zijn, als op het contract is vermeld en worden er mindere stammen onder aangetroffen, dan vermelde men dit op het recu. g, Na zich van alles goed overtuigd te hebben, geve men den begeleiders het recu, aangevende het aantal ontvangen koelies en geadresseerd aan het Immigranten-Bureau en niet aan de Straits-agenten. h. Voor mindere stammen kan het Immigranten-Bureau vergoeding vragen, doch de beslissing omtrent de stambepaling hangt van het protectoraat af. i. Verder kan men op het recu bemerking maken omtrent geneeskundig goedgekeurde koelies, die volgens den ontvanger echter voor veldwerk onge schikt zijn, of omtrent koelies, die vroeger hier geweest zijn en niet als echte Sinkehs beschouwd worden, onder vermelding van hun contract-nummers en namen. j. Het Immigranten-Bureau kan dan trachten voor die koelies eenige ver goeding te verkrijgen, doch het toekennen dier vergoeding is niet verplichtend. k. Op eenmaal afgegeven recus kan niet meer worden teruggekomen bij latere ontdekking van afwijkingen; van de vóór het afgeven van het recu geconstateerde afwijkingen, doe men door de begeleiders, wanneer zij het daaromtrent met den ontvanger eens zijn, eene in Chineesehe karakters ge stelde verklaring opmaken, vermeldende namen en nummers der afwijkende koelies en redenen van afwijking. I. Die verklaring, door de begeleiders onderteekend, zende men in aan het Immigranten-Bureau bij het recu. m. Alle rekeningen over Straits-koelies moeten, niettegenstaande bemer kingen op het recu, ten volle worden betaald. n. Eventueel toegekende vergoedingen worden later aan de onderneming geremitteerd. o. Het geven van eigen of directe orders naar de Straits is niet geoorloofd. Artikel 10. Voorschotten aan Contractkoelies. a. De koelies 1* klasse uit de directe immigratie hebben $ 25.— (f 35.—) contractueel voorschot. b. Die der 2" klasse $ 16.50 (f 23. —) contractueel voorschot. c. De contractkoelies der 1° klasse uit de Straits hebben $ 20.— (/"28. —) contractueel voorschot; die der 2 e klasse in verband met den prijs een kleiner voorschot doch minstens $ 16.50 (f 23.—), door de agenten in de Straits met de brokers voor elk geval afzonderlijk te regelen. Artikel 11. Klassen van koelies. a. Tot de l e klasse uit de directe immigratie behooren de stammen: Teotj oe, Loetj oes, Hijhong, Hainans, Lokhong, Kweishin (Quisins), Djau-ann' (Hokian), en tot de 2» klasse alle andere Kehs (Hakkas). 6. Voor de Straits geldt dezelfde klasseverdeeling, terwijl eventueel daar- 348 onder voorkomende Macaos, Punties en andere Hokians dan Djau-ann's b. v. Amoy-Hokians alsmede Pak-Hois en Kóhtjoes tot de 2 e klasse gerekend worden. Artikel 12. Afschrijvingen op orders. Zoolang een onderneming orders heeft, worden daarop afgeschreven alle contract-koelies aan die onderneming geleverd, zoowel uit de directe emi gratie als uit de Straits en alle vrije koelies, zoowel laukehs die contract teekenen, als sinkehs, hetzij direct uit China dan wel via of van de Straits aangebracht en aangenomen. b. Bezit eene Maatschappij verschillende ondernemingen, waarvan enkele orders hebben loopen en andere niet, dan kan zij, indien contract-koelies zijn aangekomen ter voldoening aan de orders der eerstbedoelde ondernemingen, deze koelies zenden naar ondernemingen, die geene orders hebben loopen, doch dan worden deze koelies afgeschreven op de orders der ondernemingen, die wel orders hadden loopen, en wel op de wijze, door die Maatschappij aan te geven. c. Komen er voor een met andere tot ééne Maatschappij behoorende onder neming, die geene order heeft loopen, vrije koelies aan of contract-koelies, dien op hun verzoek wordt toegestaan voor die onderneming te contracteeren, dan wordt dit aantal koelies niet afgeschreven op de loopende orders der andere tot die Maatschappij behoorende ondernemingen. Artikel 13. Kosten. a. De kosten door het Immigranten-Bureau berekend en die betaald moeten worden zonder korting, zijn: I. Voor eiken op het Immigranten-Bureau ontvangen l e klasse contract-sinkeh f 112.— H. Voor idem idem 2 e klasse „ 77. — 111. Voor eiken op de Onderneming ontvangen Straits-koelie (con tract) 1« klasse , 112.— IV. Voor eiken dito 2 e klasse „ 77.— V. Voor eiken verscheepten vrijen Sinkeh van Swatow aan com missie „ 20. — aan onkosten en passage . . ■ „ 21.— VI. Voor eiken geëngageerden vrijen koelie uit de Straits of via de Straits aan commissie „ 20. — VII. Voor eiken verscheepten Laukeh van Swatow aan passage en onkosten „ 21.— VUL Voorts het voorschot dat te Swatow aan dien Laukeh of zijn gemachtigde voor aldaar als verscheept getelde of aan gebrachte vrije Sinkehs betaald is. IX. Voor photografiën, indien deze worden gewenscht, per sinkeh „ 1.20 b. Verder moeten worden voldaan de voorschotten aan Laukehs voor te Swatow aangebrachte vrije Sinkehs, ook wanneer die Laukehs zelve te Swatow 349 achterblijven, voorts eventueele spoorgelden van Medan (of van Belawan voor vrije Straits-koelies), voedingsgelden te Swatow (zoogenaamd Chow money) of Dcli, door het Immigranten-Bureau of de Agenten in China in het belang der ondernemingen voorgeschoten en eindelijk passages Hongkong— Swatow voor Hongkong—Laukehs met hunne Sinkehs. Artikel 14. Betaling. a. De rekeningen van het Immigranten-Bureau moeten contant en zonder korting worden betaald, in elk geval binnen vijf dagen na dato; hierbij zal rekening gehouden worden met de postverbindingen met veraf gelegen onder nemingen. b. Bij latere betaling wordt voor elke maand I%> rente bijberekend. Artikel 16. Teruggevraagde koelies. a. Worden door de agenten in China op verzoek der autoriteiten of der familieleden of door de agenten in de Straits op verzoek der protectoraten, bepaalde koelies teruggevraagd, dan geeft het Immigranten-Bureau daarvan dadelijk kennis aan de betreffende Onderneming. b. Aan zulk een aanvrage moet zoodra mogelijk worden voldaan. c. Door de agenten in China teruggevraagde koelies worden op een te hepalen dag onder geleide naar het Immigranten-Bureau gezonden. d. Straits-koelies worden door lieden, daartoe door de agenten naar hier gezonden, op de Onderneming afgehaald. e. Kunnen teruggevraagde koelies niet worden uitgeleverd omdat zij ont slagen , gedrost of wel overleden zijn, dan wordt in die gevallen door de zorg van den beheerder der Onderneming eene officieele verklaring op zegel in de Hollandsche en Chineesehe taal opgemaakt, geteekend door den beheerder en den hoofdtandil en, ingeval van overlijden, ook door den geneesheer, die den overledene heeft behandeld en die tevens de oorzaak van het overlijden (aard d-er ziekte) vermelden zal. f. De handteekenigen op het document moeten worden gelegaliseerd door de plaatselijke en gewestelijke autoriteiten (voor de Chineesehe handteeke üingen door het hoofd der Chineezen, diens handteekening en de handteeke ningen van Europeanen door den Controleur, wiens handteekening weder door den Resident gelegaliseerd wordt) en het document moet daarna aan het Immigranten-Bureau worden ingezonden. g. De schuld van uitgeleverde teruggevraagde koelies aan de onderneming Wordt door het Immigranten-Bureau vergoed; de engagementskosten worden terugbetaald volgens onderstaand tarief. Diensttijd op het tijdstip der terugvraging. Vergoeding. van 0 tot 3 maanden engagementskosten „ 3 „ 6 „ »/ 4 der „ n6„9„ /o „ „ n 9 „12 „ I lt „ „ boven de 12 „ geen vergoeding. 35 dat belast zal zijn met het inhnren en verschepen van de emigranten en waarin aan den Chineeschen Inspecteur en diens beambten eene geschikte gelegenheid zal worden gegeven om hunne plichten te vervullen. Art. 4. 1. Overal zullen in het emigratie-agentschap, en vooral in dat ge deelte, dat den naam draagt van depot, bestemd voor de ontvangst van aan staande emigranten, op zichtbare plaatsen afschriften van het door den emigrant te sluiten contract worden aangeplakt, in de Chineesche en Engelsche talen, tegelijk met afschriften van de speciale verordening, zoo die bestaat, omtrent de immigratie in de bepaalde Kolonie of het Protectoraat, waarvoor de emi granten gevraagd worden. 2. Er zal een register worden aangehouden in het Engelsch en het Chineesch, waarin de namen van de aanstaande contract-emigranten zullen worden ingeschreven, in welk register niet zal mogen worden ingeschreven den naam van iemand beneden de 20 jaren, tenzij hij het bewijs heeft ge 'everd toestemming tot emigreeren te hebben verkregen van zijn ouders of wettige voogden, of bij gebreke van hen, van den magistraat van het district waartoe hij behoort. Nadat hij het contract op de Chineesche wijze heeft ge weekend, zal de emigrant het depot vóór zijn vertrek niet meer mogen ver 'aten, zonder voorzien te zijn van een pas, geteekend door den Chineeschen Inspec teur, en mede onderteekend door den Britschen consulairen ambtenaar of diens gedelegeerde, tenzij hij door tusschenkomst van den Chineeschen Inspecteur Zl Jn toestemming tot het sluiten van het contract heeft ingetrokken en zijn Haam uit het register van emigranten is geschrapt. "• Voor het vertrek van het schip zal elke emigrant zorgvuldig worden onderzocht door een daartoe bevoegden geneesheer, aangewezen door den -"ritschen consulairen ambtenaar of diens gedelegeerde. De emigranten zullen oor den Britschen consulairen ambtenaar of diens gedelegeerde en den hineeschen Inspecteur of diens gedelegeerden worden gebracht, en door dezen worden afgevraagd met het doel zich te vergewissen van hunne vol komen bekendheid met het contract. Art. 5. AUe schepen gebezigd voor het overvoeren van contract-emigranten rt China onder de bepalingen van deze conventie mogen hen alleen in een actaathaven opnemen, terwijl die schepen zullen hebben te voldoen aan de epalingen vervat in de hier achter gevoegde bijlage, welke deel uitmaakt Va n de conventie. Art. 6. Ter betere bescherming van den emigrant en van eiken anderen hineeschen onderdaan, die wellicht verblijf houdt in de Kolonie of het rotectoraat, waarheen de emigratie zal plaats hebben, zal de Keizer van nina bevoegd zijn om een consul of vice-consul te benoemen om over hunne angen en welzijn te waken, en zulk een consul of vice-consul zal alle 'echten en privilegies hebben, die aan de consuls van andere natiën zijn toe gestaan. Art. 7. Elk contract, dat onder de bepalingen van deze artikelen wordt angegaan, moet eene duidelijke gespecificeerde opgave bevatten van den naam van het land waarvoor de arbeider verlangd wordt, den duur van zijn 350 Voor contract-koelies der 1« klasse is bij dit tarief de basis der te vergoeden engagements-kosten f77= (f 112—f 35) Voor idem der 2e klasse „ 54 = („ 77-,, 23) Voor vrije koelies direct van China, der l ü klasse . „ 78 = („ 113—,, 35) Voor idem der 2» klasse „ 66 =(„ 89—,, 23) h. De onkosten vergoed voor teruggevraagde vrije koelies worden in het belang der zoogenaamde Laukeh-immigratie, door het Immigranten-Bureau gedragen; die welke vergoed worden voor teruggevraagde contract-koelies, worden door de agenten in China en de Straits gedeeltelijk dan wel geheel aan het Immigranten-Bureau gerestitueerd. Artikel 16. Terugzenden van koelies naar China. a. Wanneer men koelies naar China wenscht terug te zenden vrage men bij het Immigranten-Bureau aan wanneer de eerste boot gaat. 6. Speciaal voor Laukehs ingerichte, directe terugreizen worden vooraf per circulaire aangekondigd. c. In verband met den datum van het vertrek der boot worden zoo vroeg mogelijk vooraf de passagebiljetten en cheques bij het Immigranten-Bureau aangevraagd; geen passagebiljetten en cheques worden meer afgegeven na het verstrijken van het tijdstip, waarop volgens de aankondiging de verkrijg baarstelling gesloten is. d. De eerst uitgegeven passagebiljetten hebben de voorkeur wanneer meer plaatsen genomen worden dan beschikbaar zijn; in dat geval worden de passagiers, die bij eene bepaalde reis niet medegenomen kunnen worden, verwezen naar eene volgende reis. e. De aanvraag om passage moet inhouden: 1. Naam van den passagier. 2. Zijn nauwkeurig signalement: stam, ouderdom, lengte en kenbare teekenen. 3. Plaats van bestemming (Hongkong of Swatow). 4. Het bedrag der eventueel voor hem op China aangevraagde cheques. f. Deze aanvraag moet steeds vergezeld gaan van eene remise voor het be drag der aangevraagde cheques en passagebiljetten a f 9.— per biljet. Op den aangevraagden cheque of money order wordt op het Immigranten- Bureau het bedrag in Hongkong dollars ingevuld, dat verkregen wordt door het guldenbedrag, waarvoor een money order wordt aangevraagd, tegen den gemiddelden dagkoers der banken te Hongkong in Hongkong-dollars om te zetten. Acht dagen voor de aankomst van een Chinaboot wordt aan de be heerders door het Immigranten-Bureau medegedeeld tegen welken koers de guldens in Hongkong-dollars worden omgezet. De cheques of money orders bestemd om in Hongkong te worden uitbetaald, worden door het Dnmigranten- Bureau geadresseerd aan de firma Lauts & Haesloop te Swatow: uitbetaling daarvan heeft echter te Hongkong plaats bij de firma Jebsen & Co. Onze Agenten dragen er zorg voor, dat Laukehs, die in Hongkong van boord gaan en hunne money orders aldaar willen realiseeren, naar die firma worden verwezen. Bij uitbetaling in papiergeld te Swatow zal het meerdere, dat devreemde- 351 lingenkoers bij omwisseling van liet papier in contanten bedraagt, als toeslag worden uitbetaald. g. Rekeningen voor cheques en passage-biljetten worden niet geopend. h. Nadat de passagiers op de Onderneming voorzien zijn van passage-biljetten en cheques, worden zij, op den door het Immigranten-Bureau aangegeven dag en uur, onder geleide naar Belawan en aan boord gebracht direct van de Onderneming. i. Begeleiders moeten bij de koelies blijven totdat het schip vertrekt om verloop en weder aan wal gaan te voorkomen. j. Ontslagbrieven behoeven niet te worden gegeven aan per directe boot naar China vertrekkende passagiers, het passage-biljet geldt als zoodanig. k. De gezagvoerders der stoomschepen hebben het recht om passagiers met afzichtelijke of besmettelijke ziekten behebt of passagiers, die naar hun oordeel de vermoeienis der reis niet kunnen doorstaan, te weigeren; men zende dus zulke lieden niet. I. De waarde der biljetten en cheques van passagiers, die om eene of andere reden zijn achtergebleven, kan tegen inzending dier stukken aan het Immigranten-Bureau worden gerestitueerd, of voor niet geweigerde passagiers, die met eene volgende gelegenheid wenschen te gaan, voor eene volgende reis worden omgewisseld. Artikel 17. Correspondentie. Voor de goede orde is het wenschelijk, dat alle correspondentie, schriftelijke zoowel als telegrafische, over koeliezaken tusschen de leden der Planters- Vereeniging en de agenten in China of in de Straits, niet direct geschiede, doch door intermediair van het Immigranten-Bureau behandeld worde. Mei 1908. 353 bouwers overigens, zij hebben geen hart voor den grond, die hun niet toebehoort en die ze zoodra mogelijk weer verlaten. Als rupsen vreten zij den boom kaal, zich er niet over bekomme rende wat er verder van wordt. Het aantal Chineezen op de eilanden aanwezig hangt voor namelijk af van de marktprijzen van peper en gambir, en van het aantal arbeiders op de plantages benoodigd. Chineesche vrouwen vindt men op de plantages maar hoogst zelden; ook in de Chineesche dorpen, de kangka's, zijn er maar enkele; soms is het soengei-hoofd, de Aboi of Thaulo, gehuwd, of zijn er een of twee prostituée's. De ordonnantie op het recht van verblijf voor oostersche vreemdelingen geldt in de residentie alleen voor het gebied dat gelegen is op den vasten wal van Sumatra, dus voor de afdee ling Indragiri, en dit sedert 1892 *); te voren stond de geheele residentie, zooals nu nog de archipel, voor de vreemdelingen open zonder eenige restrictie of eenig toezicht. "Wijken voor Chineezen bestaan sedert 1892 te Rengat, sedert 1895 te Kota Baroe (Reteh), Simpang (Gaoeng), Paloh (Igal),' Kria (Mendah), Soengei Goentoeng (Kateman) en sinds 1899 ook te Prigi Radja en Koeala Tjinako (Indragiri). De Chineezen zijn voor het grootste gedeelte gevestigd in de bangsals, dat zijn de groote loodsen, met eenige afgeschoten hokjes als woonhuis, die op elk der plantages worden aange troffen en waarin de gambir wordt bereid. Die bangsals, met zeer hoog, sterk hellend dak, staan gewoonlijk op een hoog punt te midden der aanplantingen in de nabijheid van water. Gedurende den pluktijd van de peper, het eerste kwartaal van het jaar, is de bevolking van de bangsals het grootst. De over tollige koelies worden daarna ontslagen en zoeken op andere wijze, als houthakkers, houtskool- en kalkbranders, balken- en plankenzagers, visschers enz. den kost te verdienen. De meesten keeren dan naar Singapore terug. Het centrum der Chineesche vestigingen van de verschillende tot één ressort behoorende bangsals is de kangka, vanwaar ook de produkten worden verscheept, tenzij, wegens het moerassige van den bodem ter plaatse tot waar de rivier, waaraan de kangka ligt, bevaarbaar is, deze meer landwaarts in is gebouwd, 1) Zie ook blz. 135. 23 354 in welk geval meer stroomafwaarts een kangka laoet of tjoen ting is gebouwd, gewoonlijk een loods over het riviertje, waarin de produkten worden opgetast om in de tongkang te worden geladen. Vele kleine stoomschepen onderhouden de verbinding der eilanden met Singapore. Die stoomvaart is geheel in handen van Chineezen. Bovendien bevaren een aantal tongkangs en prauwen aan Chineezen behoorende dezen archipel om de produkten van de verschillende eilanden en den vasten wal naar Tandjoeng Pinang of Singapore te vervoeren. De inlandsche scheepvaart, door de Singapoersche Chineezen nagenoeg geheel verdrongen, is van uiterst geringe beteekenis. Van controle op de geheel bandelooze kleine vaart is geen sprake. Behoorlijke controle zoude mogelijk en de inlandsche scheepvaart zeer gebaat worden, wanneer de voornaamste havens voor den algemeenen handel werden opengesteld en art. 130 van het Regeerings-reglement van toepassing werd verklaard op de havens, reeden en ankerplaatsen van dit gewest. Sedert 1828 is Tandjoeng Pinang een vrijhaven, doch het daarmede beoogde doel, handel en scheepvaart derwaarts te lokken en Singapore naar de kroon te steken, werd in het geheel niet bereikt. 1 ) Wat vele jaren geleden van de Chineezen op de eilanden van den Lingga-Riouw archipel werd gezegd, dat zij daar geheel hun eigen heer en meester waren, geldt in menig opzicht ook nog thans. Wel zijn enkele Chineesche hoofden door het Gou vernement over hen aangesteld, maar behalve op de hoofdplaatsen bepaalt zich hunne bemoeienis tot de zorg voor de inning der belastingen en de pachten, waarbij zij gewoonlijk zelf zijn geïn teresseerd. Al de Chineesche officieren ontvangen een bezoldiging, de kapiteins van f 100, de luitenants van ƒ5O 'smaands, een bedrag van geen de minste beteekenis, vergeleken bij wat ze als handelaren, pachters, plantagehouders en vaak door kneve larij weten te verdienen. Voor 1869 waren ook de districts- ofsoengeihoofdenbezoldigd; nu vervullen zij hun ambt om niet en is reeds daarom weinig toewijding van hen te verwachten. Want ook zij behooren tot de ruwe heffe des volks en hebben hun land tijdelijk verlaten 1) Zie Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, dl. 111, pag. 448. 355 om geld te maken. Plichtsbetrachting stelt hen bloot aan allerlei moeielijkneden en gevaren van de zijde der in geheime genoot schappen (zooals Loh Pah Tong, Sam Tiam Foei, Gie Hm, Gie Hok enz ) nauw verbonden landgenooten, genootschappen, waar toe zij, trouwens evenals de Chineesche officieren zelf behooren en die wel is waar niet het minste gevaar voor ons gezag op leveren, maar niet te min een zeer verderfelijken invloed uit oefenen, omdat de leden elkander a tort et a travers steunen en zelfs memeeden voor de rechtbanken doen, wanneer het belang van den terechtstaanden broeder zulks mede brengt. De soengeihoofden zijn de voornaamste helpers bij het innen der bedrijfsbelasting, maar van het collecteloon krijgen zij geen cent. De benaming „districtshoofd" doet denken aan een wel begrensde afdeeling, waarover het gezag van een hoofd zich uit strekt. Van geen enkel district echter is bij het bestuur de begrenzing bekend, ja, tot voor weinig jaren was menige soengei nog nooit door een Europeesch ambtenaar gezien, en heden zijn er nog die in dat geval verkeeren. De soengeihoofden, hoezeer ze thans op voordracht van den afdeelingchef door den resident worden benoemd — de Chineesche officieren worden op voordracht van den resident door den Gouverneur-generaal aangesteld — zijn geen schepping van het Europeesche bestuur, maar van de Chi neezen zelf; hun positie houdt verband met het hoofd bedrij f der Chineezen in den Riouw-Lingga archipel, de gambircultuur. De ondernemingen moeten, vooral in het belang van den afvoer van het produkt en den aanvoer van al wat noodig is, langs de oevers van een riviertje (soengei) worden gevestigd. Dat vestigen wordt „boeka soengei", een rivier openen genoemd en heeft plaats door den een of anderen ondernemenden Chinees, hetzij uit eigen initiatief of krachtens opdracht van een ter hoofdplaats of te Singapore wonend handelaar. Met eenige koelies, waaronder ook ook een z. g. n. deskundige, de doekoen, zooals de Maleiers dien noemen, wordt een terrein gezocht waarvan de ligging nabij een geschikte afscheepplaats, en de verschillende teekenen, zooals kleur en smaak van den grond enz. doen verwachten, dat de onderneming er zal kunnen slagen. Dan wordt nagegaan hoeveel tuinen er te openen zijn, d. i. hoeveel stukken grond er zijn, die e lk genoeg gambir voor een fabriek, een kawah (groote ijzeren pan) kunnen opbrengen. Nu worden de gronden aangevraagd aan den sultan, (dit voorbeeld geldt Lingga; voor de noordelijke eilanden had 356 1873 1876. men zich tot den jang di pertoewan te wenden), die een „soerat besar" afgeeft tegen betaling van 100 dollar voor elke kawah uitgestrektheid. Bezit de aanvrager zelf geene middelen om een fabriek te openen, dan zoekt hij de verkregen concessie, meest stuksgewijze, over te doen aan groothandelaren, die als „tauke negri" optreden en door een planter, „tauke kebon", de bangsal doen bouwen, de plantage doen aanleggen, ontginnen enbeheeren. De concessionnaris zelf wordt soengeihoofd, thaulo of aboi over al de ondernemingen; hij vestigt zich in de kangka, het dorp dat aan of nabij de afscheepplaats wordt gebouwd en waar hij de kedei's, de winkelhuisjes, verhuurt. Als soengeihoofd heeft hij recht op de pacht van het opiumdebiet, van dobbelspelen en varkensslacht. Zelfs als hij naar China terugkeert blijft hij, volgens de door de Chineezen aangenomen adat, de thaulo, in dien zin dat hij aanspraak blijft houden op de evengenoemde voordcelen. Deze thaulo's nu zijn het of hunne opvolgers, die in den regel door het bestuur tot districtshoofd worden benoemd en van den resident eene acte van aanstelling ontvangen. De bandelooze scheepvaart, het gemis van doeltreffende bepa lingen, chaotische toestanden, onvoldoende kennis van land en volk bij de rechterlijke macht en dientengevolge uitspraken, niet gegrond op adat en rechtsbegrippen der bevolking stonden vroeger eene opheffing en verbetering van de gambir- en pepercultuur in den Riouw- en Lingga-archipel zeer in den weg. Sedert is blijkbaar eene verandering ten goede gekomen. Immers het Koloniaal Verslag van 1904 vermeldt: „Ter uitbreiding van de gambir- en pepertuinen is door de gambirhandelaren te Tandjoeng Pinang het plan opgevat om, met het oog op de schaarschte aan werkvolk, 500 a 600 Chinee zen direkt uit China te laten komen." De onveiligheid, die gedurende lange jaren in den Riouw- Lingga-archipel geheerscht heeft, blijkt uit hetgeen de koloniale verslagen daaromtrent vermelden. We lezen dan, in het kolo niaal verslag van: „Door rondzwervende Maleiers werden, voornamelijk in Batam, vele rooverijen en moorden op Chineezen gepleegd. Het voortdurend doen kruisen van prauwen met gewapende politie-oppassers tusschen de eilanden had eene goede uitwerking." „In de afdeeling Karimon werd de rust verstoord door eene bende Chi neezen uit Singapore, er hadden ernstige botsingen plaats, een Chinees op het eiland Koendoer werd vermoord, peper- en gambirtuinen werden uitge 357 1877. 1880. 1881 1884. 1892. 1893. plunderd en weerlooze menschen weggevoerd. De rust werd evenwel spoedig hersteld." „Door welwillende medewerking van de autoriteiten te Singapore gelukte het de hoofdaanleggers van de op het eiland Koendoer (afdeeling Karimon) gepleegde ongeregeldheden in handen te krijgen. Zij werden voor den residentie raad te Riouw terechtgesteld met dit gevolg, dat een hunner tot dwang arbeid buiten den ketting en negen ter dood werd veroordeeld." „Op het eiland Sengarong tegenover de hoofdplaats Tandjong Pinang, waar reeds in het begin van het afgeloopen jaar de uitschrijving van de bedrijfsbelasting onder de Chineezen kleine ongeregeldheden had uitgelokt, brak den 13 don Juli, juist toen de aanslag in de nieuwe belasting te Tand jong Pinang was afgeloopen, plotseling onder de Chineesche koelies een hevig oproer uit, dat waarschijnlijk was aangestookt door hoofden van ge heime genootschappen te Singapore. Diegenen onder de koelies, welke in de belasting berust hadden, omdat hunne hoofden zich voor de betaling aan sprakelijk hadden gesteld, werden aangevallen door hen, die van de belasting niets wilden weten. Slechts met behulp der van de hoofdplaats ontboden militaire macht, die zich genoodzaakt zag van de wapenen gebruik te maken, mocht het gelukken het oproer te dempen, doch niet nadat 16 oproerlingen gewond en 90 gearresteerd waren. Enkele benden verspreidden zich in de naburige vaarwateren, welke gedurende eenige dagen door twee gewapende sloepen (van de Timor en de Telegraaf) werden bekruist, met het gevolg, dat zwervende kwaadwilligen de wijk namen naar Singapore. Intusschen werd (in de laatste week van Juli) met den aanslag der bedrijfsbelasting op Seng arang een aanvang gemaakt, en toen daarbij geen botsingen meer voorvielen keerde het detachement den 29 s,l ' n der genoemde maand naar Tandjong Pinang terug. Het spoedige en klemvolle optreden van het bestuur had nog deze gunstige uitwerking, dat de Chineesche officieren en groothandelaren, die met de plannen tot oproer bekend moeten zijn geweest, maar uit vrees voor wraakneming zich niet had durven blootgeven, na de demping der onlusten de handen ineensloegen om den invloed der onruststokers van Singapore tegen te gaan." „ Behoudens eenige roof partijen op afgelegen vestigingen door of tegen Chi neezen gepleegd, werd in den Riouw-Lingga archipel de rust in het afgeloopen jaar niet verstoord." „Een paar malen — in Juni en Augustus 1883 — waagde een bende Chi neezen met een of meer visschersprauwen vermoedelijk van Singapore geko men, een aanslag op Chineesche pachthuizen in de afdeelingen Zuid-Bintang en Lingga, waar zij geld en goederen stalen. Eenigen hunner werden door tusschenkomst van onzen consul-generaal te Singapore gevat." , Meer dan in de drie voorgaande jaren hoorde men in 1891 van roof- en moordpartijen op afgelegen Chineesche nederzettingen, vooral in de afdeeling Lingga. De bedrijvers waren meest Chineezen." „Het inlandsch zelfbestuur van Lingga-Riouw verleende weinig samen werking, vooral ter handhaving van de veiligheid op de vele eilanden van de Riouw-Lingga archipel. Een groote georganiseerde bende roovers (100 man) die onder leiding van een paar in China gevonnisde, maar van daar ontvluchtte sujetten, maakte haar werk van brutale roof partijen, o. a. plun 358 1895. derde zij het huis van den opiumpachter en maakte voor een waarde van 10.000 dollar buit. Door het bestuur werden een 30 tal Chineezen, die voor leden der bende werden gehouden, gearresteerd. Emigratie en immigratie van Chineezen had voortdurend plaats." „Een geval van gewapend verzet tegen onze politie deed zich September 1894 voor in de afdeeling Lingga, toen met de gouvernements zeilboot onderzoek werd gedaan naar het aanhoudend voorhanden zijn van smokkelopium in eene door 26 Chineesche houtkappers bewoonde panglong op het eiland Tjampa. De politiedienaren, bedreigd door eene op hen afkomende, met drietanden, pieken en stokken gewapende bende, zagen zich genoopt om in de sloep, waaruit zij gedebarkeerd waren, te vluchten, en terwijl hun eenige schoten werden nagezonden, maakten de Chineezen aanstalten om hen in sampans na te zetten. Eenige schoten van de zeilboot deden de bende evenwel aftrekken en zeven der Chineezen werden den volgenden dag door den wnd. assistent resident met eene versterkte politiemacht gearresteerd. Vier hunner moesten wegens gebrek aan bewijs op vrije voeten worden gesteld, twee stierven ge durende het voorloopig onderzoek, terwijl de zevende door den landraad veroordeeld, maar in hooger instantie vrijgesproken werd" a). Zie voor het aantal Chineesche koelies werkende bij de Singkep- Tin-Maatschappij blz. 369. B. BE CHINEEZEN OP BANKA. ] ) Banka dankt zijne belangrijkheid aan de aanwezigheid van tinertsen. De O. I. Compagnie trachtte door verschillende verdragen met den Sultan van Palembang, onder wiens gezag het eiland stond, het tinmonopolie in handen te krijgen. In 1812 kwam het eiland aan de Engelschen; het werd ons wel in 1816 teruggegeven, doch eerst na den gelukkigen afloop der tweede Palembangsche expeditie (1822) keerden er orde en rust terug. In 1839 en 1842 hebben er nogmaals oproerige bewegingen onder de Chineesche mijnwerkers, in 1851 onder de inlandsche bevolking plaats ger had 2 ), die telkens slechts gewapenderhand onderdrukt konden worden. Sedert is er de rust niet ernstig meer verstoord geworden. a) Wat een eerbied zullen de Chineezen hierdoor voor onze rechtspraak hebben gekregen. 1) Zie: Encyclopaedie van N. 1., dl. I, blz. 116 en vgd. 2) Zie: De muiterij van Amir of Banka in 1850, door F. van Olden, voor malig resident van Banka. 's-Gravenhage, Gebr. Belinfante. 1860. Zie: De opstand van Amir benevens een statistisch overzicht van het tegen woordige Banka. Semarang, G. C. T. van Dorp. 1865. 359 ') De tinontginning op Banka geschiedt uitsluitend van gouverne mentswege. Het gouvernement werkt echter niet zelf, doch geeft de verschillende terreinen in bewerking aan Chineesche maatschappijen of kongsies. De voorwaarden waaronder de Chineesche kongsies thans werken zijn omschreven in het bij Stbl. 1891 N°. 134 vastge stelde Algemeene reglement. Het vrij ingewikkelde betalings reglement is opgenomen in Stbl. N°. 135 van hetzelfde jaar. Het werkvolk bestaat nagenoeg uitsluitend uit Chineezen. De in zeer gering aantal aanwezige vaste Inlandsche werklieden worden voor nevenwerkzaamheden gebezigd, grootendeels als machinedrijvers. Als losse werklieden worden nog al eens Inlan ders gebruikt voor tin- en rijstvervoer en als handwerkslieden bij het aannemen van bouwwerken. Doch voor de eigenlijke tinwinning zijn de Chineezen onmisbaar. De werving der Singkehs geschiedt niet rechtstreeks door of van wege het gouvernement,, maar door Chineesehe wervers, die in verbinding staan met Chineesehe handelaren te Muntok. Deze handelaren ontvangen van het gouvernement, en geven aan hunne wervers, geldelijke voorschotten ter bestrijding van de kosten van aanwerving der Singkehs en van hunnen overtocht naar Banka. Later wordt voor eiken goedgekeurden en voor het mijn werk aangenomen Singkeh door het gouvernement aan de genoemde handelaren een aanbrengpremie betaald, waarvan de genoten voorschotten worden afgehouden. Het is natuurlijk van het grootste belang om steeds over vol doende werkkrachten te kunnen beschikken. De vraag overtreft echter vaak het aanbod, en toen dit onrustbarend begon te worden zond de N.-I. regeering in 1905 den Hoofdinspecteur der Opiumregie A. A. de Jongh naar Banka. Deze diende bij zijne missive van den Bsten8 sten Januari 1906 een rapport aan den Gouverneur-Generaal in, waarin verschillende maatregelen aan bevolen werden; het kwam dien hoofdambtenaar wenschelijk voor „dat er eindelijk iets gedaan worde om het lot der mijn werkers te verbeteren, en hen zoodoende tot langer verblijf op Banka te bewegen" 2 ). 1) Zie: Tijdschrift van Nijverheid en Landbouw in N. 1., dl. LXIV, Batavia 1902, blz. 350 en vgd. 2) Zie: Verslag omtrent eenige aangelegenheden betreffende de tinwinning op Banka, blz. 7. 36 contract en, zoo dit hernieuwbaar is, de voorwaarden waarop dit kan ge schieden, het aantal werkuren per arbeidsdag, den aard van het werk, het bedrag der loonen en de wijze van betaling, de rantsoens, de kleeren, het toestaan van vrijen overtocht, en indien daarin wordt voorzien, ook een vrijen overtocht terug naar de haven van inscheping in China voor zich zelf en zijn familie, het recht op vrije geneeskundige behandeling en medicijnen, zoowel in de Kolonie of het Protectoraat, als op reis van en naar de haven van in scheping in China, en alle andere voordcelen waarop de emigrant recht zal hebben. Het contract kan ook bepalen, dat de emigrant, zoo dit noodig wordt geoordeeld door de geneeskundige autoriteiten, bij aankomst in het depot zal worden gevaccineerd, en voor het geval zulk eene vaccinatie zonder resultaat is geweest, gerevaccineerd aan boord van het schip. Art. 8. Het contract zal geteekend, of bij onmogelijkheid hiervan, gewaar merkt worden, op de Chineesche manier, in tegenwoordigheid van den Chineeschen Inspecteur of diens gedelegeerde, en den Britschen consulairen ambtenaar of diens gedelegeerde, die aan hunne respectievelijke regeeringen er voor verantwoordelijk zullen zijn, dat, alvorens het contract door den emigrant geteekend wordt, de bepalingen ervan duidelijk aan dezen zijn uit gelegd. Aan eiken emigrant zal een afschrift van het contract worden afge geven, geschreven in de Chineesche en Engelsche taal. Zulk een contract zal niet als definitief of onherroepelijk worden beschouwd, dan na de inscheping van den emigrant. Art. 9. In elke Britsche Kolonie of Protectoraat, waarheen Chineesche contract-emigranten vertrekken, zullen een of meer ambtenaren worden be noemd, wier taak het zal zijn, er voor te zorgen, dat de emigrant zich vrije lijk tot den rechter kan wenden ter verkrijging van herstel voor gepleegd onrecht op zijn persoon of zijn goed, zooals dat door de plaatselijke wetten aan een ieder, onafhankelijk van zijn ras, wordt verzekerd. Art. 10. Zoo lang de emigrant in de Kolonie of het Protectoraat, waar hij te werk gesteld is, verblijf houdt, zal hem alle mogelijke faciliteiten worden gegeven in zake het briefverkeer met zijn geboorteland, en in zake het over maken van gelden aan zijne familie. Art. 11. Indien de emigrant en zijne familie repatrieert, hetzij wegens expiratie van het contract, of een andere wettige reden, hetzij wegens invali diteit door ziekte of onbekwaamheid, zal zulks nooit anders geschieden dan per gewone scheepsgelegenheid tot aan de inscheephaven in China, terwijl betaling in geld aan den emigrant instede van het verleenen van passage niet toegestaan is. Art. 12. In geen enkel contract, onder de bepalingen van deze artikelen tot stand gekomen, zal aan den werkgever het recht worden toegekend, den emigrant zonder diens toestemming en de goedkeuring van zijn consul of vice-consul aan eenen anderen werknemer over te doen; en indien zulk eene overdracht of overwijzing plaats heeft, zal zulks in geen enkel opzicht te niet doen de rechten of privilegiën van den emigrant bij bet vorige contract verkregen. 360 Naar aanleiding van het rapport werden dan ook verschillende verbeteringen ingevoerd. In de eerste plaats werd de werfpremie voor het jaar 1906/7 tot 90 dollar verhoogd »). De uitsluiting van Cantormeezen (vroeger geschied wegens beduchtheid voor slechte elementen onder hen) werd opgeheven, zoodat de luitenant der Chineezen te Muntok, Lim A Pat, verklaarde in staat te zijn binnen 6 maanden 2000 koelies aan te brengen, waaronder ten hoogste 1000 Cantormeezen, en hij heeft aan die toezegging ook voldaan, dank zij zijn ge sloten contracten met 2 koelie-makelaars te Singapore 2 ). Het taakwerk werd binnen redelijke grenzen gehouden 3 ). De positie der mijnwerkers werd verbeterd door o. a. kwijtschelding der gedeeltelijke wervingskosten, want de autoriteiten in Zuid-China vinden in het belasten van den arbeider met een gedeelte der wervingskosten een voorname aanleiding om de werving tegen te gaan en zelfs te beletten *). Het loon der nieuwelingen werd verhoogd tot ƒlO 'smaands na 180 dagen, terwijl na langdurig verblijf loonsverhooging werd toegestaan; verlofpassen kunnen nu gegeven worden aan hen die slechts tijdelijk (niet langer dan 9 maanden) naar China wenschen terug te keeren; de gewezen mijnwerkers van Banka worden voor gouvernements-rekening naar China teruggezonden, wat voorkomt dat de koelie te Singa pore reeds zijn opgespaarde penningen verbruikt, en tevens de emigratie uit China, waar men nu ziet dat de mijnwerker van Banka met geld terugkeert, aanmoedigt. Door bovengenoemde en andere maatregelen is de toevoer van Chineesehe koelies weer gestegen. 1) Zie Verslag omtrent eenige aangelegenheden betreffende de tinwinning op Banka, blz. 91. 2) idem, blz. 20. 3) idem, blz. 95. De Dir. v. O. E. N. zegt in zijne missive aan den G.-G. dd. 16 April 1906 N°. 6357: „Wat evenwel in het rapport —de Jongh — wordt medegedeeld wijst er m. i. toch wel op dat relatief de arbeid op Banka zwaar genoemd mag worden, al neemt men in aanmerking dat over het algemeen een Chineesehe arbeider zonder bezwaar tweemaal meer kan presteeren dan een Javaansche koelie". 4) Zie: Verslag enz. blz. 96. 361 Hoe in de laatste jaren de vraag het aanbod overtrof, blijkt uit het hieronder volgend staatje: Resultaten der werving '). (*) Van 1 Mei t/m. 31 December 1905. En toch, het al of niet verkrijgen van Chineesehe koelies is eene levenskwestie voor de ontginning der tinmijnen, daar van het gebruik maken van inlandsche werkkrachten nog weinig heil te verwachten is 2 ). Hoezeer de productie aan tin afhankelijk is van het aantal werklieden blijkt uit de volgende staat: 1) Zie: Verslag enz., blz. 25. 2) id. blz. 21. (A) Overzicht betreffende de ontginningen, de werkkrachten en de tinproductie op Banka, gedurende de jaren 1900/1907. 362 (A) Zie: Jaarboek van het mijnwezen in Nederlandsch-Oost-Indië 1907, blz. 77/79. a) Deze ontginningen zijn van die der l e klasse hierin onderscheiden, dat zij niet zooals deze in hoofdzaak werken volgens door of namens den Resident gegeven aanwijzingen. b) Onder dit hoofd zijn geen eigenlijke ontginningen te verstaan. Het geldt bij de 3 C klasse-ontginningen alleen het nawasschen en uitsmelten van ertshoudenden grond en tinslakken, die de eigenlijke ontginningen aan de zich daarmede bezighoudende personen ter verdere bewerking afstaan, na daartoe verkregen schriftelijke vergunning van den technischen, met de leiding van en de controle op de tinwinning belasten, ambtenaar. 1) Waarvan 1 de Billiton slakken-smelter. 363 KV. 1877. „ 1882 „ 1899 Behalve de Chineezen, die als mijnwerkers leven, zijn er op Banka velen, die indirekt als kolenbranders, leveranciers, geld schieters enz. bij de tinmijnen betrokken zijn. Dan zijn er nog vele Chineezen, die op de districtshoofdplaatsen leven als han delaars, ambachtslieden, of wel zij vinden hun bestaan door het kweeken van groenten, het fokken van varkens, door jacht en visscherij. De handel is van weinig beteekenis; Europeesche handel bestaat er niet, en de groothandel is zoo goed als geheel in handen van enkele Chineezen. Pogingen om bij de Chineezen den R. K. Godsdienst ingang te doen vinden, waarbij zich vooral pastoor Langenhoff verdienstelijk heeft gemaakt, zijn met weinig succes bekroond geworden. Chineezen en inlanders wonen niet door elkander. In de mijn districten wonen bijna uitsluitend Chineezen; de dorpen der in boorlingen daarentegen moeten langs den z. g. n. „grooten weg" zijn gelegen. Men vindt ze aldaar op vrij regelmatige afstanden van elkander, en alle sterk op elkander gelijkende. Belangrijkste mededeelingen, voorkomende in de Koloniale Ver slagen, omtrent de Chineezen in de residentie Banka (1877 —1906). Boschdiefstal komt nog voor. Eene ontmoeting met Chineezen, die van Singapore waren overgestoken om op Banka heimelijk kromhouten te kappen, kostte aan een paar inlandsche politiehoofden het leven. De langdurige droogte in 1881 werkte nadeelig op den arbeid in de tin mijnen en dientengevolge op de welvaart der Chineesche mijnwerkers. Hier door wordt volgens den resident het anders zeldzame, maar in de laatste maanden herhaaldelijk voorgekomen, feit verklaard, dat Chineesche vrouwen met inlanders huwden. Wegens slechte behandeling der werklieden door sommige mijnhoofden en ondernemers, o. a. door het buiten medeweten van het mijnpersoneel opleggen van extra-werk bij eene niet geheele afwerking van een dagtaak, ontstonden er in het district Koba ongeregeldheden, die, hoewel spoedig bedwongen, zich ook tot de districten Toboali en Pangkal Pinang dreigden uit te strekken; doch door tijdige ontdekking van de samenspanning, kwam het aldaar niet tot eene uitbarsting. Aan de Chineezen werd bij een aanval een verlies toe gebracht van 1 gesneuvelde en 9 gewonden. Men moet ook in aanmerking nemen, dat er onder de nieuwelingen vele slechte elementen voorkwamen. Bij de behandeling van eenige strafzaken voor den landraad in zake te Toboali gepleegde moorden, bleek reeds, dat onder de in 1898 voor het mijnwerk op Banka aangekomen zoogenaamde wangkang-Chineezen, zich veel slecht volk moet hebben bevonden, lieden, die volgens eigen bekentenis in hun eigen land deel hadden uitgemaakt van rooverbenden en naar Banka waren ver 364 K.V. 1900 „ 1901 „ 1904. „ 1905. „ 1906. trokken om aan de politie te ontkomen. Na het beëindigen der onlusten be trachtte men nog de meeste waakzaamheid, daar het niet twijfelachtig was, dat ook leden van een geheim Chineesch genootschap de hand in de bewe ging hadden. De onruststokers (vide vorig verslag) waren nog niet allen opgevat, en de hoofdaanlegger van de samenspanning in Pangkal Pinang, Lioe Ngie ge naamd, bezorgde het bestuur nog veel last. Blijkbaar werd de bende op hare verschillende schuilplaatsen heimelijk door leden van het „ Sam-Tiam-Foei" verbond gesteund en aan voeding geholpen. Enkele malen werd aanraking met de bende verkregen, die voortging met rooven en moorden. Uit Java kwam een troepenversterking van 50 bajonetten onder 2 onderofficieren. Ten gevolge van het drukke patrouilleeren werden eindelijk Lioe Ngie en zijn broeder Tjhang Sip Ng door Chineezen in Merawang aan het bestuur uitge leverd, nadat reeds 128 medeplichtigen aan de rooftocht in Pangkal Pinang te Muntok in arrest waren gesteld. De veiligheid was veel verbeterd. De beri-beri woedde tot Maart in ongekende mate onder de Chineesche mijnwerkers om daarna allengs in hevigheid af te nemen, zoodat zich in November en December nog slechts enkele gevallen voordeden. In het geheel zijn 1461 mijnwerkers aangetast. In het geheel werden 512 mijnwerkers door beri-beri aangetast. Gedurende 1905 gaven de geheime Chineesche genootschappen blijken van grootere werkzaamheid dan gewoonlijk a). In dit opzicht onderscheidde zich voornamelijk de „ Sam-Tiam-Foei", welk verbond zich schuldig maakte aan geldafpersingen en het organiseeren van rooftochten. Dank zij een scherp politietoezicht en de herhaalde bezoeken van militaire patrouilles aan de tin mijnen, liet de veiligheid van personen en goederen weinig te wenschen over. a) Dit was ook een der redenen van de zending van den heer A. A. de Jongh (zie blz. 359 hierboven; en zie ook het meeraangehaald „Verslag enz." blz. 1 en 3). Over die geheime genootschappen vindt men in het „Verslag" op blz. 12 o. a: „Enkele mijnhoofden en verscheidene welgestelde pangkal Chineezen werden door bedreiging tot de betaling van vrij aanzienlijke bedragen ge dwongen, en ook de mijnwerkers, die genoodzaakt werden als foei-lid toe te treden, moesten als zoodanig f 6 contribueeren. Aanvankelijk konden slechts spaarzaam berichten omtrent de werking van de foei worden verkregen, omdat ieder die daarover iets aan het licht bracht, met den dood bedreigd werd; en niet zelden schijnt aan die bedreiging uitvoering te zijn gegeven. Door de opvatting en veroordeeling van enkele hoofden, die zich aan af zetterij, en van eenige foeileden, die zich aan moord hadden schuldig gemaakt, raakten de tongen los, en kwam het Bestuur langzamerhand te weten, wie als leiders en landlangers vielen aan te merken." 365 Aantal gewezen mijnwerkers op Banka, die na ontslag geen voldoende middelen van bestaan bezittende of door arbeid kun nende verkrijgen, worden weggezonden (art. 20 van het Regle ment op de tinwinning op Banka, Stbl. 1891 N°. 134, gewijzigd bij Stbl. 1905 N°. 455). Bron: K. V. C. DE CHINEEZEN OP BILITON. De Chineezen zijn op Biliton gekomen tengevolge van de ont ginning der tinmijnen aldaar. Reeds langen tijd was het bekend dat er tin gevonden werd op Biliton, doch verschillende om standigheden hebben er toe medegewerkt, dat men de exploitatie der tinmijnen niet ter hand nam •). Een adres van den 12 don Februari 1850 van Z. K. H. Prins Hendrik der Nederlanden en Baron Vincent van Tuyll van Serooskerken, gericht aan den Koning, en inhoudende het ver zoek om op de in het rekest omschreven voorwaarden, hun te verleenen het uitsluitend recht tot het exploiteeren van Biliton, gaf den stoot tot de ontginning der tinmijnen. De gevraagde vergunning tot ontginning werd verleend, de heer John Francis Loudon vertrok als gemachtigde van Prins Hendrik met Baron 1) Zie voor die verschillende omstandigheden P. H. van der Kemp, blz. 3 en vgd. 366 van Tuyll naar Indië, na van de heeren van Hoboken en Zonen te Rotterdam de beschikking te hebben gekregen over een half millioen gulden. De hoogere autoriteiten in Indië verleenden alle medewerking •), en zoo konden van Tuyll en Loudon weldra naar Biliton ver trekken. De reis werd gedaan via Banka, om aldaar denoodige inlichtingen te verkrijgen. De resident was niet erg mede gaande 2 ), en zonder veel inlichtingen verkregen te hebben werd de reis voortgezet en op den 27 Bten Juni 1851 kwam men te Biliton aan. Na veel moeite werd eindelijk de tinrijkdom van Biliton ge constateerd, doch voor de ontginning had men dadelijk groote behoefte aan geschikte werkkrachten. In 1851 waren er slechts 28 Chineezen op het eiland aanwezig 3 ). De eerste bezending van Chineezen (50 man), in Singapore door van Tuyll geworven, bleek te bestaan uit slecht volk. Beter voldeed de tweede be zending (150 Sinkehs), in 1852 door den geëmploieerde van Haeften eveneens te Singapore geworven. Met dat transport kwamen tevens 20 Chineesche werklieden, die op eigen reke ning meegingen, als timmerlieden, enz. 4 ) 5 ) Intusschen, de nieuwheid der zaak, de zucht om anders te werken dan op Banka, gepaard aan veel te klein werkkapitaal, waren oorzaak, dat de concessionnarissen 6 ) hunne illusiën niet aanstonds verwezenlijkt zagen. De enorme geldsommen, in de eerste jaren aan de onderneming ten koste gelegd, maakten de overgave van de concessie aan eene over ruimere geldmiddelen beschikkende maatschappij onvermijdelijk. Daartoe werd opgericht eene naamlooze vennootschap, geheeten de Biliton-Maatschappij, goedgekeurd bij Kon. beschikking dd. 28 October 1861 Staatscourant 9 November d. a. v. Besluit G.-Gr. dd. 23 Januari 1861 Stbl. N°. 31. 1) Zie over de bevoorrechting verleend aan de eerste concessionnarissen: P. H. van der Kemp, blz. 23—24. 2) Zie John F. Loudon, blz. 12. 3) id. blz. 18. 4) id. blz. 58. 5) Zie P. H. van der Kemp, blz. 15—16. 6) In 1857 was daartoe tevens aangenomen John Erancis Loudon, doch slechts voor i/s- 367 Aan deze maatschappij werd in Nederland de concessie voor ƒ4 millioen verkocht, dd. 29 September 1860. Hoe sedert de maatschappij erin geslaagd is aan hare aan deelhouders enorme winsten te bezorgen, hoe de Staat zich een behoorlijk aandeel in die winsten heeft weten te verzekeren, is algemeen bekend. Maar als belangrijke factor heeft daarbij ook gegolden, dat men in staat is geweest om voldoende Chineesehe werkkrachten te verkrijgen. Volgens van Gaffron, die van 31 Becember 1860 tot 15 April 1868 de betrekking van Assistent-Resident op Biliton be kleedde '), was mede een der oorzaken van den kwijnenden toe stand der onderneming gedurende de eerste zeven jaren, dat de werving op een te beperkte schaal plaats vond 2 ). In 1865 werd de werving krachtiger aangevat. Op verzoek van den Vertegenwoordiger der Maatschappij reikte de Assistent- Resident licentiën aan de hoofden der Singkehs uit, om volk te mogen werven. In dat jaar kwamen aldus 2100 Chineezen op Biliton aan, waarvan 1800 werk kregen. De overigen werden op verzoek van den resident van Banka naar Toboali gediri geerd , waar mede gebrek aan werkkrachten bestond, zoodat het bestuur er zeer mede gediend was. In 1866 kwamen weder 1400 Singkehs op Biliton, waarvan 650 op het eiland bleven; 350 werden naar Toboali gezonden en de overigen naar Semarang, om bij de spoorwegwerken gebe zigd te worden. Bit is de oorzaak geweest van de snelle ontwikkeling van Biliton. In 1864 waren slechts 11690 pikols tin verkregen en de produktie steeg in 1865 terstond tot 17873. Zoo is de produktie voortge gaan, ja bereikte in 1878 het bedrag van 93495 pikols 3 ). Ziehier een staatje aantoonende het verband tusschen de tin productie en de sterkte der mijnwerkers van 1852 —1883: j Tinproductie Aantal in pikols. mijnwerkers. 1852 — 388 1853 652 700 1854 926 626 1855 1366 464 1) Zie P. H. van der Kemp, blz. 47. 2) „ blz. 53. : 3) ~ blz. 55. 368 t Tinproductie Aantal in pikols. mijnwerkers. 1856 3357 433 1857 1873 593 1858 4507 573 1859 2310 466 1860 4000 686 1861 6509 898 1862 5091 826 1863 10317 927 1864 11690 1410 1865 17873 2078 1866 25076 2218 1867 32971 2229 1868 30316 2410 1869 36167 2864 1870 47320 3084 1871 49850 3531 1872 54371 4049 1873 50979 4301 1874 62898 4122 1875 62063 3777 1876 59533 3730 1877 61794 4079 1878 93495 4234 1879 84634 4126 1880 78928 4396 1881 66331 5182 1882 70087 4943 1883 70975 4773 Zooals van zelf spreekt, zijn behalve de sterkte der mijnwer kers ook andere factoren van invloed op de totale produktie van het tin, b.v. de meer of mindere droogte, waardoor over geen voldoende water voor de ontginning beschikt kan worden, het hoogere of lagere tingehalte van het erts enz. doch de hoofd factor is: het aantal werkkrachten. Hierin wordt door de vrije immigratie van Chineezen naar Biliton geheel voorzien. Biliton heeft by de Chineezen een goeden naam. De Chineezen komen er gaarne, want zij kunnen er goed geld verdienen, en worden er goed behandeld. De Biliton-Maatschappij begrijpt ten volle dat haar eigen welzijn afhangt van het welzijn van haren Chi neeschen mijnwerker. Immers, geen Chinees = geen tin. Intusschen, de voortdurende verarming der terreinen, is in de laatste jaren oorzaak dat niettegenstaande de opvoering van het aantal mijnwerkers, de produktie van tin dalende is, zooals blijkt uit het: 369 l ) Overzicht van de ontginningen, de werkkrachten en de tinproductie gedurende de jaren 1900/1907. Volgens het Jaarboek van het Mijnwezen 1907 2 ) moet de achteruitgang van de tinproductie (op Biliton) gedurende het werkjaar 1906/1907 worden toegeschreven aan de voortgaande verarming der terreinen en aan de aanhoudende droogte gedu rende de laatste maanden van het werkjaar. Bedoeld Jaarboek vermeldt verder: „De toeloop van immigranten voor de mijnen was minder dan verleden jaar, maar voldoende. In den loop van het boek jaar 1906/1907 zijn namelijk bijgekomen 1191 Sinkehs en 591 vrijwilligers tegen 1093 en 914 in het vorige jaar. De Sinkehs verbinden zich tot twee werkjaren op een vast loon van f 7 en den vrijen kost voor het eerste jaar, en van f 9 met den vrijen kost voor het tweede jaar. De vrijwilligers verbinden zich slechts voor een werkjaar op een vast maandloon van f 7 met den vrijen kost. Na afloop hunner contracten gaan allen vrijwillige overeenkomsten aan met de werkploegen hunner keuze. De winst op het bedrijf der Biliton-Maatschappij was in het jaar 19U5/1906 f 6.619.758, waarvan de staat ƒ4.137.349 genoot. 1) Zie de Jaarcijfers 1906, blz. 54. 2) Zie Jaarboek van het Mijnwezen 1907, blz. 43—46. 24 37 Art. 13. Voor eiken contract-emigrant, verscheept onder de bepalingen van deze conventie, zal aan de Chineesche regeering eene tegemoetkoming worden betaald voor de onkosten der inspectie, maar geene betaling hoe genaamd zal geschieden aan den Chineeschen Inspecteur of eenig anderen ambtenaar in dienst van de Chineesche regeering in de haven van inscheping. ■L>e bovenbedoelde tegemoetkoming zal aan het kantoor der in- en uitgaande rechten en accijnzen worden voldaan vóór de uitklaring van het schip, en zal berekend worden naar den volgenden maatstaf: 3 Mexicaansche dollars Per hoofd, indien het aantal emigranten het getal 10.000 niet overschrijdt, en twee dollars per hoofd bij een aantal van meer dan 10.000 indien in het 'aatste geval zij allen in dezelfde tractaathaven zijn ingescheept, en er niet meer dan twaalf maanden zijn verloopen sinds den datum der laatste inscheping. Indien eene andere inscheephaven gebezigd is of eene tijdsruimte van meer dan twaalf maanden verloopen is sinds den datum der laatste inscheping, za l het bedrag der tegemoetkoming voor de inspectie 3 Mexicaansche dollars Per hoofd zijn. Art. 14. De Engelsche en Chineesehe tekst van deze conventie zijn zeer met elkander vergeleken, doch indien er eenig verschil bestaat, de beteekenis der Engelsche tekst als de geldende worden beschouwd. Art. 15. Deze conventie zal in werking treden op den dag harer onder tekening en gerekend van af dien datum vier jaren in kracht blijven; na dl en termijn van vier jaren is elk der Hooge Contracteerende Partijen be oegd haar te doen eindigen na één jaar te voren opzegging. Ten bewijze waarvan de plenipotentiarissen deze conventie hebben onder tee kend en voorzien van hunne zegels. Gedaan te Londen in viervoud, twee in de Engelsche en twee m de Chineesehe taal, op heden den dertienden Mei 1904. (L. S.) (Was geteekend) Lansdowne. (L.S.) ( „ ; T. Y. Chang. B IJ L A G E. Regelingen. Schepen, gebezigd voor het vervoer van contract-emigranten Ul t China onder de bepalingen van deze conventie, moeten zee- w aardig en zindelijk zijn, voorzien van eene goede ventilatie en ten opzichte van het ondervolgende zooveel mogelijk voldoen dezelfde voorwaarden als die, welke in Britsch-Indië van kracht zijn met betrekking tot de emigratie van inboorlingen v an Britsch-Indië: 370 De Singkep-Tin-Maatschappij maakte in het boekjaar 1905/1906 een winst van ƒ276.166.11 5 tegen ƒ44.163.24 5 in het vooraf gaande jaar." D. DE CHINEEZEN IN DE ANDERE GEWESTEN DER BUITENBEZITTINGEN. In verband met den grooten omvang, die dit boek dreigt aan te nemen, wijden we hier slechts een enkel woord aan de Chi neezen in de overige Buitenbezittingen. Ook deze Chineezen hebben zich in het algemeen leeren kennen als nuttige leden van de Nederlandsch-Indische maatschappij. We vinden hen overal verspreid als handelaren, kleine landbouwers, mijnwerkers, leve ranciers voor onze troepen. Op Atjeh ') hebben zij onder oorlogs gevaar gewichtige diensten bewezen bij den aanleg van den Atjehstoomtram, en van gewone verkeerswegen. Tot zelfs in verafgelegen bivaks verschijnt de „Tjek", zooals Jan Fuselier den Chinees noemt, en verschaft den soldaat tegen gereede betaling verschillende artikelen, die het rimboeleven veraangenamen. Tijdens mijn vijfjarig verblijf op Atjeh (1899—1904) als ambte naar B. B. kon ik persoonlijk constateeren, hoe de Chineesehe koelie in vele streken onmisbaar was voor wegenaanleg, vooral op de schaarsbevolkte Westkust. 1) We vinden o. a. reeds in het Koloniaal Verslag van 1876 (§ 1. Betrek kingen met het buitenland) het volgende: „De aanrakingen met het Britsche bestuur te Hongkong hadden ten doel om de goede uitkomsten te bevorderen van eene aan den tolk voor de Chi neesehe taal W. P. Groeneveldt opgedragen zending in het belang van de vermeerdering van werkkrachten in Atjeh. De werving der koelies in Hong kong was echter eenige jaren geleden door het Britsche Opperbest uur aan beperkende bepalingen onderworpen, welke de plaatselijke autoriteiten hui verig maakten om aan den heer Groeneveldt eenige medewerking te verleenen. Zoodra hiervan bij het Departement van Koloniën bericht was ontvangen, heeft de regeering zich ter zake in betrekking gesteld met het Britsche Gou vernement, hetwelk aanstonds bereid is bevonden om aan de autoriteiten te Hongkong per telegram te vergunnen den heer Groeneveldt de meest mogelijke faciliteiten toe te staan. Maar thans werd, naar het schijnt door eenige ver mogende Chineezen bij den uitvoer van koelies uit China naar Singapore en Malacca betrokken, onder de Chineesehe maatschappij eene beweging tegen de pogingen van den Nederlandschen ambtenaar georganiseerd, welke, zooals op de welwillendste wijze aan de Ned. Reg. te kennen werd gegeven, de Britsche autoriteiten wederom noopte om eene zeer gereserveerde houding in 371 Toen na de Pidië-expeditie men overging tot den bouw van den Atjehstoomtram van Sigli naar Lho Seumawé, werd zulks eerst getracht te doen middels Atjehsche werkkrachten. De poging mislukte. Chineesche koelies werden in de Straits aangeworven, en dank zij hun hulp, schoot het werk op. Later werden weer Atjehers in dienst genomen. Hoe de pepercultuur op Atjeh tot bloei is gekomen, doordat Chineesche handelaren op Penang groote voorschotten aan Atjehers hebben gegeven, is algemeen bekend. E. DE CHINEESCHE KWESTIE OP DE BIJITEN BEZITTINGEN. Wanneer men spreekt over „de Chineesehe kwestie" dan denkt men bijna altijd alleen aan Java en Madoera. De Chinee sehe kwestie op de Buitenbezittingen is dan ook eene geheel andere. In het kort hebben we dat voor de Westerafdeeling van Borneo reeds medegedeeld l ). Onze Chineezenpolitiek op de Buiten bezittingen beweegt zich hoofdzakelijk slechts om twee punten: l e . welke gedragslijn moeten wij volgen tegenover de immigratie van Chineezen; 2 e . welke maatregelen moeten er genomen worden voor den tegengang der werking van de Chineesehe geheime genootschappen. Over het '_! e zal uitvoeriger worden gehandeld in hoofdstuk VIII. Over de immigratie het volgende: Voor de, in het algemeen genomen, schaarsbevolkte Buiten bezittingen 2 ), is het verkrijgen van voldoende arbeidskrachten acht te nemen, daar Engeland zich tot regel heeft gesteld, om nimmer eene emigratie van eenig gedeelte der Chineesehe bevolking aan te moedigen, wanneer daartegen door de Chineesehe autoriteiten of ingezetenen bezwaar wordt gemaakt. De werving van koelies voor Atjeh heeft dan ook slechts zeer onbeduidende resultaten opgeleverd". Elders zegt het K.V. „Slechts 190 werklieden werden van Hongkong naar Atjeh overgevoerd. Het gelukte evenwel spoedig om op andere wijze te verkrijgen wat men zocht. Een Chineesehe handelaar van Penang en een ander van Muntok namen aan om tegen zekere belooning per hoofd, de benoodigde werklieden van hun landaard te bezorgen, en het vertrouwen op den staat van zaken in Atjeh was, vooral na de vestiging van een Chineesch bestuur aldaar, zoozeer toege nomen, dat het hun geen moeite kostte om al spoedig een aanzienlijk getal koelies, te Penang, op Banka, in Palembang en elders aan te werven". 1) Zie blz. 315. 2) Zie blz. 234. 372 eene levensvoorwaarde voor economische ontwikkeling, temeer, daar de reeds aanwezige bewoners in verschillende streken door verscheidene oorzaken voorshands de evolutie niet kunnen helpen tot stand brengen. Mr. Fock verklaart in zijne „ Beschouwingen en voorstellen ter verbetering van den economischen toestand der inlandsche bevolking van Java en Madoera" (blz. 59), dat de ontwikkeling der Buitenbezittingen op geene andere wijze te bereiken is dan door de emigratie van Javanen naar die streken. Wanneer dit oordeel juist is, dan is die ontwikkeling in de eerste tijden niet te verwachten, gegeven de onbelangrijke resultaten van veel moeite en veel geld om die emigratie te doen slagen. Doch waar de Javaan nog niet geneigd is zijn geboortegrond te ver laten voor wildernissen in de Buitenbezittingen, gewilliger be geeft hij zich naar die gedeelten, waar reeds door anderen de zwaarste pioniersarbeid is verricht '). Voor dien pioniersarbeid is niemand geschikter dan de Chinees. Hij kan zijn de voorlooper van de Europeesche land- en mijnbouwindustrie; deze laatste bereidt den weg voor den Javaan 2 ). We hebben thans reeds een stroom van Chineesehe arbeids krachten naar Sumatra's Oostkust, Banka, Biliton, Riouw en eene gevestigde Chineesehe bevolking in de Westerafdeeling van Borneo. De inheemsche bevolking in die streken is reeds gewend 1) Zie blz. 334. De Javaan begeeft zich ook naar streken buiten N. I. zooals blijkt uit het: Overzicht van de, met dispensatie van het daartegen bij Ind. Stbl. 1887, N°. 8 uitgevaardigd verbod, verleende vergunningen tot het werven in Neder landsch-Indië van inlanders voor het verrichten van diensten buiten Neder landsch-Indië, uitgenomen de Nederlandsche kolonie Suriname. Vide tabel 111 lett. F Kol. Versl. 1907. Aantal inlanders tot het werven waarvan de vergunning is verleend voor ondernemingen gelegen: Gedurende op het Ma- in Britsch het leische Noord- Elders. Totaal. Aanmerkingen. tijdvak. Schiereiland. Borneo. 15 Mei 1906 tot 15 Mei 1907 6260 2300 905 9465 2) Zie ook bijlage I op blz. 374. 373 aan den Chinees, weot met hem om te gaan, weet zich tegen over hem te handhaven, is in den economischen strijd in vele opzichten hem gelijkwaardig. Die residentiën kunnen nog duizen den en duizenden nijvere Chineezen gebruiken voor ontginning der nog braakliggende gronden, voor aanvullende arbeidskrachten der Europeesche groot-land- en mijnbouwbedrijven. Voor deze gewesten is elke vermeerdering van het Chineesche element een stap tot meerderen bloei. In tegenstelling met Java behoort hier dus de Chineesche immigratie op alle manieren te worden aan gemoedigd. Dat men zal slagen een grooten stroom van Chinee sche immigranten te verwekken, is evenwel nog zeer kwestieus, waar de Straitskolonie, de staten op het Maleische schiereiland, Serawak, Indo-China, allen roepen om den Chineeschen koelie, van hem verwachten de ontwikkeling van het land, die de in heemsche bevolking zelve niet of niet genoegzaam bij machte is in afzienbaren tijd te geven. Voor de overige Buitenbezittingen kunnen we in zake de Chineesche immigratie een afwachtende politiek volgen, om eerst onzen vollen aandacht te wijden aan die residenties, waarheen reeds een trek van Chineezen bestaat. Trouwens, Sumatra's Westkust, Palembang, Atjeh, om enkele gewesten te noemen, bevatten eene bevolking energiek genoeg om van hen hulp in de economische ontwikkeling te verwachten, desnoods gesterkt door do Javaansche emigranten, voor zoover die te krijgen zijn. Het onvoldoende aantal der Chineesche immigranten belet ons hen te willen brengen naar den zoogenaamden „Grooten Oost". De bevolking daar, men denke slechts aan llalmaheira, aan Nieuw-Guinea, staat bovendien nog op zoon lagen trap van ontwikkeling, dat zij nog niet rijp is om met den Chineeschen koelie met succes in het strijdperk te treden, zoodat bescher mende maatregelen noodig zouden zijn, welke maatregelen op hun beurt eene bloeiende Chineesche immigratie zouden be lemmeren. 374 a) Hieronder zijn enkele andere Vreemde Oosterlingen begrepen. Bijlage I. Zie blz. 372. In tabel IV, bijlage F van het Kol. Versl. over 1907, vinden wij dat het aantal geregistreerde contract-koelies in de gewesten der Buitenbezittingen waar koelie-ordonnantiën van kracht zijn, bedroeg in de: 376 die van de andere vereeniging, groene doeken. In de verschillende streken van de residentie was hier de groene, daar de roode, overwegend. Hoe verderfelijk het werken dier geheime genootschappen ivas, moge blijken uit de hieronder volgende bepalingen, ontleend aan den eed, dien elk lid bij toetreding moest zweren, en op de overtreding waarvan zeer zware straffen, ook de doodstraf, stonden. Die bepalingen zijn dan: a. Wanneer uw eedsbroeder voor den rechter verschijnt in civiele- en strafzaken moet gij ten zijnen gunste getuigen en daar voor desnoods eenen valschen eed afleggen. b. Indien uw broeder een misdaad heeft begaan, al is die nog zoo zwaar, dan moet gij hem helpen te ontvluchten. c. Is uw broeder gevat en veroordeeld, dan moet gij bijdragen in het onderhoud van zijne familie en moet gij helpen zijne sawahs te bewerken. d. Geen enkele zaak tusschen eedsbroeders onderling mag voor den rechter worden gebracht, alvorens partijen zich gewend hebben tot het bestuur van het geheime genootschap, dat be slist of de zaak voor den rechter mag worden gebracht of niet. De roode en groene vereeniging hadden dikwerf oneenigheden, en kleine twisten ontaardden dan spoedig in groote vechtpartijen, die toch niet voor den rechter werden gebracht uit vrees dat er iets van het geheime verbond zou uitlekken. Alleen die feiten, die toch niet verborgen gehouden konden worden, als moord en groote diefstallen, werden voor den rechter getrokken, doch dan was het bewijs zeer lastig te vinden. Zelfs menige overlast en bal dadigheid, gepleegd op niet-leden, werden door deze laatsten niet gerapporteerd, uit vrees voor weerwraak. Ik zal hier niet uitweiden over al de moeite en het geduld, waarover beschikt moest worden, alvorens voldoende gegevens verzameld waren, om de hoofden der geheime genootschappen voor verbanning uit de residentie voor to dragen. Het lid van den Raad van Nederlandsch-Indië Liefrinck werd met eene zending naar de Westerafdeeling van Borneo gezonden om verslag uit te brengen, en als eindresultaat kan worden gemeld, dat het advies van het gewestelijk bestuur in deze niet werd gevolgd, en de, reeds in arrest gestelde hoofden dier geheime vereenigingen, weder op vrije voeten werden gesteld. 377 Oordeel van Prol', de Groot over de geheime genootschappen. Nu leeraart Prof. de Groot, dat de geheime eedvorbonden in de koloniën kleine republieken zijn, kongsies, door de met zoo onuitroeibaren associatiegeest behepte Chineezen heimelijk ge vormd daar waar het hun niet geoorloofd is het geliefde zelfbe stuur, waaronder zij in China leefden, openlijk uit te oefenen, en die, als gevolg van eene gelijksoortige positie tegen een vijandig opperbestuur, tot zekere hoogte eene inwendige organi satie hebben aangenomen, welke op die van de in China bestaande geheime politieke genootschappen geschoeid schijnt te zijn *). Zoolang op Borneo hot zelfstandig kongsiewezen bloeide en het volk dus naar hartelust aan zijne republikeinsche neigingen kon botvieren, bestonden daar geene geheime genootschappen. Nauwelijks was aan de kongsies van Montrado, Loemar en Boedok met geweld een einde gemaakt, of zulk een verbond sprong op als uit den grond. Ronduit gaf het zich bij de bevol king voor den plaatsvervanger van de oude Thaikong-kongsi uit. Aangenomen dus, dat de geheime genootschappen slechts andere vormen van kongsies en dorpsrepublieken zijn, vervalt van zelf de stelling, die tot dusver als een soort van evangelie door iedereen werd aangekleefd, dat zij vertakkingen of loges van geheime genootschappen in China zouden wezen 2 ). Die geheime genootschappen waren nooit anders dan geheime clans tot wederzijdsche verdedigingen steun, uitbarstingen onder den druk van plaatselijke omstandigheden, van die onuitroeibare liefde tot vereeniging en die zucht tot bereddering van eigen onmiddelijke aangelegenheden, die in het Chineesch karakter de plaats inneemt van tweede natuur. Kortom, hoe men de Chi neesehe eed verbonden in de koloniën ook wondt en keert, nergens laat zich het geringste draadje van samenhang met de geheime genootschappen in China bespeuren 3 ). Nooit is dan ook een enkele maal in onze koloniën overtui gend gebleken, dat er geheime genootschappen worden gesticht door agenten of zendelingen van elders, overgekomen tot dat 1) Dr. J. J. M. de Groot: „Het Kongsiwezen van Borneo", blz. 175. 2) id. id. blz. 181. 3) id. id. blz. 187. 378 dool. Wel daarentegen, met name in Borneo, herhaalde malen, dat eerst een eedgenootschap in het leven was geroepen en daarna personen naar Singapore waren gezonden, teneinde in de daar aanwezige eedverbonden de symbolen en de inrichting te bestudeeren en vervolgens de vruchten van hun onderzoek in de nieuwe vereeniging over te planten *). Indirecte samenhang der geheime genootschappen. Het is zeker wel mogelijk dat Prof. de Groot gelijk heeft, in zooverre, dat de geheime genootschappen in onze koloniën als zoodanig in geen betrekking staan tot de geheime genootschap pen in China, doch men mag daartegen aannemen, en zulks is mij door geloofwaardige getuigen bevestigd, dat vele leden van geheime genootschappen in Borneo tevens lid zijn van geheime genootschappen in China. Er is geen Chinees op Borneo, den leeftijd van dertig jaren bereikt hebbende, die niet lid is, of geweest is, van een der plaatselijke geheime genootschappen, hetzij als werkend lid, hetzij als zuiver-contri bueerend lid, d. w. z. een lid, dat zich door het storten van een zekere som vrijwaart voor overlast van geheime genootschappen. Nu hoeft het door mij gehouden onderzoek wel aangetoond, dat de leden der plaatselijke vereenigingen te Mampawa door het betalen van één dollar per persoon aan het hoofd hunner ver eeniging, als leden van de vereeniging te Pontianak werden aangenomen, terwijl het wederom één dollar kostte om als leden van de vereeniging te Singapore te worden erkend. Bij het drukke verkeer van de Chineezen van Borneo met hun vaderland China is het toch wel aan te nemen, dat die leden dan ook tevens lid zijn van vereenigingen in China. Mij is door een ingewijde medegedeeld, dat hij, op reis naar China zijnde, eerst te Singapore lid werd van een der geheime veree nigingen aldaar, alleen om bij aankomst in China spoedig als geestverwant te worden herkend, wat zeer noodzakelijk was, wilde hij niet dadelijk van have en goed beroofd worden. Het in den laatsten tijd zich herhalende feit, dat een boycot van handelsgoederen (b. v. van Japan en Amerika) van uit China overslaat naar de buiten China gevestigde Chineezen, wijst ook wel eenigszins op samenhang van de geheime genootschappen. 1) Dr. J. J. M. de Groot: -Het Kongsiwezen van Borneo", blz. 183. 379 Dat de Chineezen buiten China zich overigens zeer interesseeren voor de veranderingen op staatkundig gebied, die thans in China plaats grijpen, is bekend. Inhoud van een revolutionair hoekje, in Mampawa circuleerend. In de afdeeling Mampawa circuleerden tijdens mijn bestuur aldaar eenige exemplaren van een boek van een zeer revolutio nairen aard. Het boekje had tot titel: Tong Tshsen Phian d. i. „ boekje waarin de plannen uiteengezet worden van hetgeen overblijft" wat men dus vrij zou kunnen vertalen met „wat blijft ons over om te doen?" Het boekje, waarvan ik nu een exemplaar voor mij heb, is in 1904 te Amoy uitgegeven, en is een uitvloeisel der beweging, uitgaande van de Jong-Chineezen, ten einde aan te toonen het slechte en onhoudbare van de tegenwoordige regeering der Mandchoe's en de noodzakelijkheid om het geheele rijk te her vormen en te brengen in het voetspoor der Westersche mogend heden , met behoud evenwel van algeheele zelfstandigheid, zonder inmenging van andere machten of volken, wie het ook moge zijn. De tegenwoordige toestand wordt vergeleken met die in Britsch- Indië, Polen en Egypte, alwaar de oorspronkelijke bewoners van het land zich thans moeten schikken naar de willekeurige handelingen en inzichten van een overheerschend ras, dat met dat oorspronkelijke niets gemeen heeft. De opwekking om tot betere toestanden te geraken geschiedt onder de leus „ kikbing", welke uitdrukking niets anders te kennen geeft als „het leven veranderen of vernieuwen" doch welke omschreven wordt als eene zedelijke verplichting om uit te spreken wat recht is en wat onrecht, zonder vrees voor eene regeering of voor wie ook, al zoude het leven er mede ge moeid zijn. Die leus wordt in het boekje uitvoerig besproken en uiteenge zet in verschillende hoofdstukken, waarin het werkje verdeeld is. Die hoofdstukken luiden: 1. inleiding. 2. De oorsprong en bestaansreden van „kikbing". 3. De opvoedende kracht van „kikbing". 4. Door „ kikbing " moeten de aanhangers van de Tshin-dynastie vernietigd worden. 38 Accommodatie aan boord vereischt (vide paragraaf 57 van de „Indische emigratie-verordening van 1883"). Slaapgelegenheid, bestaande uit houten britsen op het dek of verhoogde slaapsteden (vide de bepaling „ijzeren dekken" zoo als die den 16 den Augustus 1902 in Bijlage „ A ", behoorende bij de bepalingen van de „Indische emigratie-verordening van 1883", is verbeterd). Bepalingen omtrent de ruimte aan boord (vide paragraaf 58 van de „ Indische emigratie-verordening van 1883"). Het aan boord zijn van een bevoegd geneesheer met de noodige genees- en verbandmiddelen. Voorraad van drinkwater (vide artikel 113, zooals dit gewij zigd is den 24 at6n Februari 1903 van de „ Indische emigratie verordening van 1883"). Aanwezigheid van goede distilleer-toestellen (vide Bijlage „C" van de bepalingen der „ Indische emigratie-verordening van 1883 "). Het dagelijksch rantsoen van eiken contract-emigrant gedu rende zijn verblijf aan boord zal zijn als volgt: Rijst, niet minder dan l>/ 3 pond. of meel of brood, niet minder dan . . . l/2 „ Visch (gedroogd of gezouten) of vleesch (versch) O 1 / 2 „ of geschikte versche groenten IV 3 „ Zout 1 ons. Suiker Vj 2 „ Chineesehe thee o/3 „ Chineesehe kruiderijen in voldoende hoeveelheid. Water, om te drinken en te kooken 1 gallon (= 8 kan) of zulke andere voedingsartikelen in plaats van elk der in do bovenstaande opgave gespecifieerde artikelen, die door den aan boord bescheiden dokter als daarmede gelijkwaardig worden geacht. Wisseling van nota's tusschen den Markies van Lansdowne en Chang Ta-)ên, 13 Mei 1904. Ministerie van Buitenlandsche Zaken, 13 Mei 1904. Mijnheer. Bij artikel 6 van de conventie, te sluiten tusschen Groot- Britannië en China omtrent Chineesehe onderdanen, die de 380 5. Vooraf moet door „ kikbing" de slavernij, waarin wij ver keeren, met wortel en tak worden uitgeroeid. 6. „Kikbing" is het eenige middel om rechtvaardigheid tot stand te brengen. 7. Slotbeschouwingen. Om zich een goed denkbeeld te vormen van hetgeen de schrijver met zijn boekje voor heeft, behoeft men slechts de in het zesde hoofdstuk voorkomende: „Regelen waarnaar de 400 millioen Chineezen zich te gedragen hebben" na te gaan. Deze regelen zijn: 1. China voor de Chineezen. Alle medestanders moeten er persoonlijk van overtuigd zijn, dat China alleen voor de Chi neezen is. 2. Het mag niet worden toegestaan, dat vreemdelingen ook maar de minste macht of voordeel zich van China toeëigenen. 3. Alles wat navolging is van de zoogenaamde Mandchoe gerechtigheid moet geheel en al uitgeroeid worden. 4. In de eerste plaats moet de woeste en barbaarsche regee ring der Mandchoe's omvergeworpen worden. 5. Verdrijft de Mandchoe's uit China, dan wel doodt hen, om u op uwe vijanden te wreken. 6. Brengt den Keizer, die door de Mandschoe's op den troon verheven is, ter dood. Geeft daarmede een waarschuwend voor beeld aan de geheele wereld, dat geen alleenheerscher geduld wordt. 7. Stelt eene controle-regeering in met algemeen wijs beleid ten opzichte van de zaken die betrekking hebben op het ge heele rijk. 8. Verdeelt de provincies in onderdeden. In iedere provincie moet stemming gehouden worden over, en aanbeveling gedaan worden van een algemeen consulteerend ambtenaar. Uit die ambtenaren moet tijdelijk één als beheerder gekozen worden als vertegenwoordiger van het geheele rijk. Ook moet voor elk hunner een substituut aanbevolen worden, terwijl ieder onder district, district en departement aanbeveling van consulteerende ambtenaren moet doen. 9. Alle ingezetenen, onverschillig van welk geslacht, behooren tot de onderdanen van het rijk. 10. Op de mannelijke bevolking van het geheele rijk rust de algemeene verplichting om de wapenen te dragen. 381 11. Op alle menschen rust de algemeene verplichting tot het opbrengen van belastingen. 12. ledereen moet getrouw de verplichtingen ten opzichte van het nieuw gevestigde rijk nakomen. 13. Alle ingezetenen van het rijk, zoowel mannen als vrou wen, zijn geheel gelijk; er bestaat geen onderscheid tusschen hoogeren en lageren, tusschen aristocratie en volk. 14. Niemand mag zich met geweld meester maken van macht of voordeel; dit zijn slechts geschenken des hemels. 15. Het leven bestaat uit zich zelf; alles, wat betrekking heeft op winst of voordeel, behoort tot de door den hemel ge schonken machten of voordcelen. 16. Op het bestaan van den mensch mag geen inbreuk ge maakt worden, alles wat besproken of overdacht wordt, moet geregistreerd worden. 17. Alle machthebbers moeten wettelijk beschermd worden; wat aan het volk openbaar wordt toegestaan dient geregeld te worden en op die wijze zal de regeering worden bevestigd. Al wie zich macht aanmatigt, valt onder de regelen omtrent de be scherming van machthebbenden. 18. Onverschillig welke regeoring het roer in handen heeft, indien de wetten ten opzichte van de volksmacht geschonden worden, dan mag het volk „kikbing" en de regeering van den vorigen dag omverwerpen met het doel alle beletselen weg te nemen, die aan de algemeene tevredenheid in den weg staan; eerst na de bevrediging wordt openbare beraadslaging gehouden om de macht te herstellen en wederom een nieuwe regeering te vestigen; dit alles omdat het volk de macht in handen behoort te hebben. Aan het slot van het bedoelde zesde hoofdstuk komen nog dè volgende stellingen voor: 1. Als benaming wordt vastgesteld: „De vereenigde staten van China". 2. De vereenigde staten van China zijn een rijk uit zich zelf voortgesproten en op zich zelf staande. 2. Tot de macht van dat zelfstandige rijk behoort alles wat betrekking heeft op het verklaren van oorlog, het sluiten van vrede; in een woord alle zaken, die het rijk raken. 4. De wetten moeten geheel in navolging van de Amerikaansche 382 wetten gemaakt worden, met inachtneming evenwel van het Chineesehe karakter en de Chineesehe gewoonten. 5. De rechtspleging moet geheel in navolging van de Ameri kaansche zijn. 6. De innerlijke organisatie, de internationale verhoudingen en de regeling van de positie der ambtenaren moeten gelijk gemaakt worden aan de wijze, waarop dit alles in Amerika geregeld is. Keizer-hemel, moeder-aarde verhoor gezamenlijk deze bede. Uit bovenstaande „ regelen" en „ stellingen" zal men geree delijk ontwaren dat het boekje een zeer opruiend karakter draagt ten opzichte van de tegenwoordige Mandehoe-dynastie, die, niet van Chineeschen oorsprong zijnde, gebrandmerkt wordt als eene regeering van usurpators, welke door hare conservatieve neigingen alle verbeteringen in de bestaande achterlijke toestanden tegen houdt en hoe eerder hoe beter door eene regeering van zuiver Chineeschen oorsprong dient vervangen te worden. In hoever de sedert in het uitzicht gestelde grondwet en samenroeping van een parlement aan de ontevredenheid een einde maken zal, is niet te zeggen. Het boekje is voorloopig niet gevaarlijk te achten voor de openbare rust en orde in onze Nederlandsch-Indische gewesten, daar de aldaar gevestigde Chineesehe kooplieden en landbouwers veel te materialistisch zijn aangelegd om daadwerkelijken steun te verleenen aan de ontevredenen in China, doch wel is het geschikt om hunne oogen te openen voor werkelijk bestaande grieven, die de Chineezen in Nederlandsch-Indië alsnog hebben en om bjj hen het denkbeeld te doen post vatten dat de ver schillende bestanddeelen der bevolking van Nederlandsch-Indië, dus ook zijzelven, eenige medezegging in de regeering behooren te hebben. B. ALGEMEENE MEDEDEELINGEN OMTRENT DE CHI NEESCHE GEHEIME GENOOTSCHAPPEN. Alvorens over te gaan tot bespreking van de maatregelen door de Nederlandsch-Indische regeering genomen tot tegengang der geheime genootschappen, acht ik het wenschelijk een en ander over die vereenigingen mede te deelen. Een der ingewijden van de in Borneo welbekende Sam-tiani- 383 foei of het drie-vingeren-verbond, heeft mij van het ontstaan van dat verbond eene beschrijving gegeven, welke, hoewel veel be knopter dan het door Prof. Schlegel medegedeelde omtrent de politieke geschiedenis van het Hung-verbond, zooveel punten van overeenkomst daarmede vertoont, dat men kan aannemen hier te doen te hebben met dezelfde geschiedenis op verschillende wijzen verhaald. Geven wij thans het woord aan Prof. Schlegel. De volgende bladzijden bevatten eene woordelijke vertaling van het in het Engelsch geschreven standaardwerk van den begaafden sinoloog, met enkele opmerkingen mijnerzijds over de geheime verbonden in de Westerafdeeling van Borneo. Geschiedenis van het Hungverbond !). De Chineesehe annalen werpen geen licht op den oorsprong van het Hungverbond; evenmin schijnt het veel de aandacht ge trokken te hebben van de leden van dat verbond, want in de boeken er van vinden wij niets daarover vermeld, enkele vage toespelingen daargelaten. Wederzijdsche verbintenissen, op dezelfde wijze bezworen als tegenwoordig geschiedt bij het Hungverbond, namelijk door bloedstorting, bestonden reeds in den tijd van de Chau-dynastie (1122 v. Chr.). Partijen die zulk een eed hadden gezworen be schouwden elkander als broeders en hadden tegenover elkander plichten te vervullen alsof zij werkelijke broeders waren. De Chineesehe annalen bevatten menige beschrijving van zulke broederverbonden. Een van de meest bekende, waarnaar het Hungverbond elk oogenblik verwijst, is het verbond, gezworen tusschen Liu-pi, Chang-fl en Kwan-yü. Dit verbond werd bezworen gedurende de burgeroorlogen, die het Chineesehe rijk verwoestten, tusschen de omverwerping van de Hau-dynastie en de vestiging van de Oostelijke Tsin-dynastie. Deze oorlogen duurden van de jaren 168 tot 265 van onze jaar telling. Het was in hot jaar 184 dat de Chineezen van het Westen tegen den Keizer in opstand kwamen. Zij droegen gele tul banden en werden daarom genoemd: „De gele-mutsen-rebellen". Zooals gewoonlijk in China, was de Keizer te zwak om die 1) Zie G. Schlegel: The Hung-league, blz. I—6. 384 rebellen te onderwerpen. Bij proclamatie riep hij al de dapperen in het rijk op om tegen de opstandelingen te vechten. Twee mannen, Liu-pi en Chang-fi, die de proclamatie gelezen hadden, gingen naar een herberg om er over te spreken. Liu-pi was een afstammeling van de regeerende Han-dynastie. Terwijl zij daar zaten, voegde zich een zekere Kwan-yü bij hen. Aangevuurd door een gemeenschappelijk verlangen, zochten deze drie mannen naar middelen, om de vrede in het land te her stellen. Op het voorstel van Chang-fi kwamen zij den volgenden dag in den perzikkentuin achter zijn huis bijeen; en toen zij daar bij elkander zaten, offerden zij een zwarten os en een wit paard, en na wierook gebrand te hebben, zwoeren zij den eed van broederschap. Liu-pi werd genoemd „eerste broeder" van het verbond. Nadat zij vrijwilligers hadden aangeworven, slaagden zij er in, na een langen oorlog, de „gele mutsen" te onderwerpen en de vrede in hun land te herstellen. Het is onmogelijk met eenige zekerheid te vertellen waaruit het Hungverbond ontsprong. Het kan zijn dat het ontsproten is uit het systeem van clans, dat aan het volk den geest tot aan eensluiting ingaf. In de oudheid telden de Chineezen slechts een honderdtal families, en tot op den tegenwoordigen tijd bezitten zij niet veel meer namen. Toen deze verzameling van families uit elkander ging, sloot elke familie zich op zich zelf nauw aan een. De leden van een familie, die denzelfden naam droegen, beschouwden zich als broeders. Mocht het Hungverbond uit deze clans voortgekomen zijn, zeker is het dan daarbij, dat het Boeddhisme er een grooten invloed op uitoefende, wat uit vele ceremoniën is na te gaan. Het is in dat geval waarschijnlijk, dat de Boeddhisten de eersten waren die van de broederverbonden een politiek verbond maakten. In het eerst met open armen ontvangen door het Chi neesehe gouvernement, werden zij in lateren tijd door sommige keizers op een gruwelijke manier vervolgd. Onder deze keizers was Wutsung een der meest wreede. In het jaar 845 van onze jaartelling vaardigde hij een besluit uit tegen den Boeddhistischen godsdienst, waarbij alle kleine tempels langs de wegen moesten worden vernield. Hij verwoestte ongeveer 40,000 tempels en dwong meer dan 200,000 priesters en nonnen tot den leekenstaat terug te keeren. Het Hungverbond trad feitelijk eerst onder de heerschappij 385 der Tartaren op als een politiek lichaam. De Tartaren, die in vergelijking met de Chineezen barbaren waren, noodzaakten de geheele natie hunne wijze te volgen van zich te kleeden, terwijl de Chineezen verplicht werden hunne haren te laten groeien en in een staart te vlechten. Dit nam velen tegen hen in. Een andere reden voor de oppositie tegen de Tartaarsche overheersching was de vreeselijke onzedelijkheid, die zij in China bracht, van de soort, waarvoor eens twee steden volgens de bijbelsche geschiedenis werden verbrand. Deze ondeugd verspreidde zich langzamerhand over geheel China. Zij heerscht thans het minst in de Zuidelijke provincies, maar het meest in de Noor delijke, waar zij dichter bij het land van oorsprong is. Het Hungverbond ijvert er zeer tegen en stelt er de doodstraf op. (Zie de artikels 21 en 70 van haar wetboek van 72 artikels). De twee bakennatten van het Hungverbond, de provincies van Canton en Foehkiën, waren ook die welke het langst weerstand hebben geboden aan de Tartaarsche overheersching en nu nog het meest er tegen gekant zijn. De inboorlingen van de laatst genoemde provincie dragen steeds een doek gebonden om hun hoofd om het teeken van onderwerping, de staart, te verbergen. Daar de inwoners van de beide provincies meester waren van de kust, rustten zij groote vloten uit, waarmede zij de kust plaatsen afliepen. De twee meest bekende leiders van die expe ditiën waren Chingt-chi-lung (1640) en diens zoon Kow-shing, beter bekend onder den naam van Koxinga. Koxinga, die een steunpunt wenschte voor zijn vloot, viel het eiland Formosa aan, dreef de Hollanders uit hunne vesti gingen en stichtte er een geregeld koninkrijk. Sinds dien tijd raakte het Hungverbond beter bekend. Het edict van Keizer Yung-ching spreekt er van onder de namen van „wierookbranders," of ook wel „de secte der witte lotus", namen die vermoedelijk het volk aan het verbond heeft gege ven , daar de leden zelf het noemen „ Hungverbond " of „ Hemel en Aardeverbond ". Soms noemt het verbond zich ook wel „ drie heid-verbond", daar het verbond gebaseerd is op de vereeniging van „Hemel, Aarde en Mensch". De eerste drie namen zijn die, welke feitelijk op het verbond van toepassing zijn. Alle andere namen, die men weleensophet verbond toepast, zijn wachtwoorden, die men aannam om het eigenlijke verbond voor de regeering verborgen te houden en 25 386 het te doen doorgaan als eene der vele bestaande vereenigingen voor onderling hulpbetoon. Het verbond ontaardde in eene vereeniging van roovers en plunderaars. In 1849 echter kwam hierin tijdelijk verandering door het optreden van een zekeren Hung-sin-tsuien, die, zooals zijn naam reeds aanduidt, een lid was van het Hungverbond. Deze man had eenige kennis verkregen van de Christelijke gods dienst uit enkele korte verhandelingen, hem gegeven door den Chineeschen christen Liang-afah, terwijl hij zijn kennis aanvulde door in 1846 bij den Amerikaanschen missionaris I. J. Roberts te Canton te studeeren. Het resultaat van zijne studiën was dat hij den naam van het Hungverbond veranderde in dien van „ Shangti-hwui", „ Het verbond van God "of„ De vereeniging van den Oppersten Heerscher". Hij zelf nam den naam aan van „Thai-ping-thian-kwoh-wan" of „Koning van het hemelsche konink rijk der algemeene vrede." Het gouvernement viel de vereeniging dadelijk aan daar het Shangti rechtstreeks aanbad, wat alleen de Keizer van China doen mag. De verdrijving van de Mandsjoe-dynastie als doel zich voor oogen stellende, viel Hnng-sin-tsuien Nanking aan, veroverde deze stad, en wist zich daar elf jaren lang staande te houden. Alleen na de tusschenkomst der Europeesche mogend heden , die eerst onder den Amerikaan Ward, daarna onder den Engelschman Gordon, een legermacht samen trokken, ge lukte het aan de Chineesehe regeering Nanking te heroveren. Hung-sin-tsuien pleegde zelfmoord. Een kenmerk van het Hungverbond is zijn onverwoestbaar heid. Meermalen streng vervolgd, kwam het weer tot nieuw leven, zoodra de omstandigheden gunstiger werden. Wanneer de tijd daar zal zijn, dat alle politieke en dikwerf crimineele doel einden uit het verbond geweerd zullen zijn, hetzij omdat men er in berust heeft te leven onder de vreemde overheersching van de Mandsjoe-dynastie, hetzij men er in geslaagd is haar te verdrijven, dan zal het verbond weer worden wat het ongetwijfeld in vroegere tijden is geweest, n.m.l. een verbond van broeders, die het voorschrift zullen opvolgen, door Christus en Confucius gegeven: „ Behandel de menschen zooals gij zoudt willen dat zij U behandelden". 387 Politieke geschiedenis van het Hungverbond •). In het jaar Kah-wu (1714 na Chr.) van de regeering van Keizer Khang-hi (deze Keizer regeerde van 1661 —1722) leefde er in den staat Eleuth, ook genoemd Si-lu, een groot generaal met name Phang-lung-thian. De prins der Eleuthen beval hem om het bevel op zich te nemen van een leger 200,000 man en honderd officieren sterk, en daarmee China binnen te trekken. De gouverneur van de grens stad was een verwijfd man, die in het geheel niet bekend was met oorlogvoeren. Zoodra hij zag, dat de Eleuthsche troepen den aanval begonnen, verliet hij de grensstad en trok tegen hen op; maar nauwelijks was de strijd begonnen, of hij werd door een officier van Phang-lung-thian met een lans doorboord. Zijne troepen, van hunnen leider beroofd, sloegen op de vlucht en de grensplaats Si-liang was verloren. De Eleuthsche troepen trokken denzelfden nacht nog de ves ting binnen. De volgende grensplaatsen vielen hun in handen met zoon gemak, alsof die plaatsen slechts bamboe-velden waren. Zij trokken voort tot bij Tung-kwan, waar zij halt hielden en hun kamp opsloegen. De bevolking vluchtte uit alle plaatsen, want de soldaten van Phang-lung-thian waren sterk en zijn officieren dapper, zoodat niemand hen in het gevecht kon weerstaan. Tung-kwan was nu in een hachelijke positie. De militaire commandanten van die stad, Liu-king en Hwang-sze-tsiuen, overtuigd dat zij het tegen den vijand in een open gevecht zouden verliezen, barricadeerden de poorten van de vesting, en beklommen de wallen, om de stad te verdedigen. De twee commandanten hielden den geheelen nacht krijgsraad en schreven dringende brieven naar het hof. Toen Keizer Khang-hi deze brieven gelezen had, ontstelde hij hevig en werd zeer bleek; hij vroeg aan al zijn ambtenaren en officieren wie de roovers bevechten wilde. Niemand dorst even wel te gaan en door de noodzakelijkheid gedwongen, kwam'men overeen om aan Zijne Majesteit voor te stellen dat deze een bevel zou uitvaardigen, waarbij een leger samengebracht en een beroep gedaan werd op alle dapperen in het rijk. 1) Zie G. Schlegel: The Hung-league, blz. 7—19. 388 Dit bevel werd na de uitvaardiging gezonden naar alle pro vincies, en afschriften ervan werden allerwege aangeplakt. Op zekeren dag bereikte zulk een bevel ook de provincies Canton en Fuhkiën en afschriften van het bevel werden in alle plaatsen aangeplakt. Een monnik van het klooster Shao-lin, ge legen op een van de bergen van de Kiu-lian keten in het pre fectuur Fuh-chau, die de keizerlijke proclamatie nauwkeurig en aandachtig gelezen had, vertelde den inhoud ervan aan den abt Tah-tsung, toen hij in het klooster was teruggekeerd. „Zijn er in geheel China niet eens een of twee bekwame officieren, die een leger kunnen aanvoeren om hen te bevechten?" riep de abt uit. „Zulks wordt gezegd in de proclamatie die in alle provincies van het geheele rijk is rondgezonden", antwoordde de monnik, „ daarom veronderstel ik, dat op dat oogenblik nog geen expeditie was gezonden om hen te kastijden". „Ons klooster telt 128 broeders" zeide de abt, „en elk van ons is bedreven genoeg in de militaire kunst om de Eleuthsche soldaten te verslaan. Morgen zal ik alle broeders uitnoodigen om met mij naar de hoofdstad te gaan, de proclamatie mede te nemen en op te trekken om deze Westersche barbaren terug te drijven. Zoo zullen de helden van ons klooster beroemd worden. Boven dien, door de Eleuthen te verdrijven, zullen wij een ramp van het volk hebben afgewend, en duizenden levens gespaard, en in de tweede plaats zal het rijk van onzen Keizer gered zijn. De roem van ons klooster zal zich verspreiden over de zeeën en zich gedurende duizenden eeuwen handhaven. Onze verdiensten zullen zeer groot zijn, en onze roem voor altijd gevestigd. Staat u dat aan?" Al de monniken gaven hetzelfde antwoord: „Wij zullen uwe bevelen gehoorzamen ". Den volgenden dag wapenden zich alle broeders van het klooster en marcheerden naar de hoofdstad; 's nachts rustende en overdag marcheerende, bereikten zij de stad in een paar dagen. Zij trokken de op de muren geplakte proclamatie daarvan af, gingen naar het ministerie en boden den Keizer eene memorie aan. Toen Zijne Majesteit de memorie gelezen had, was hij zeer verheugd; hij gaf onmiddellijk bevel aan de ambtenaren van het ministerie van oorlog om provisiën, wapens, kleederen, kurassen en paarden te verstrekken; hij gaf ook bevel dat alle monniken 389 voor hem zouden worden gebracht opdat hij zelf hunne militaire bekwaamheden zou kunnen onderzoeken. De abt zeide: „Uw dienaar heeft al de monniken van zijn klooster met zich mede gebracht om de Eleuthen terug te drijven". De Keizer gaf toen aan den abt den rang van Luitenant generaal en aan al de andere monniken den rang van majoor. Zij knielden allen neder en dankten voor de hun verleende gunst. „Uwe onderdanige dienaren zullen ten strijde trekken," merkte de abt op, „ zonder gebruikmaking van een enkelen soldaat van Uwe Majesteit, daar de lieden van mijn klooster, 128 man sterk, voldoende zijn om de Eleuthsche soldaten te verslaan en te ver delgen. Wij bidden Uwe Majesteit er niet angstig of bekommerd om te zijn, want het is onze innigste wensch om het rijk to redden. Om tot dat doel te geraken, zullen wij de overwinning door krijgslist behalen." „Sinds gij een middel hebt gevonden om de vrede met de Eleuthen te herstellen ", sprak de Keizer vroolijk, „is mijn angst verdwenen, en ik twijfel er in het geheel niet aan, dat uw roem op bamboe en zijde zal worden onsterfelijk gemaakt." Na deze woorden gesproken te hebben, vergezelde hij hen zelf tot aan de deur. Nadat de monniken van den Keizer afscheid genomen hadden, marcheerden zij naar het exercitie-terrein, waar zij zich gereed maakten en hun reis aanvaardden. Zij reden zonder ophouden door, hun macht en militaire praal wijd en zijd vertoonende, en bereikten in een paar dagen Tung-kwan. Toen zij de plaats naderden, hadden de twee commandanten, Liu-king en Hwang-sze-tsiuen, juist de wallen beklommen om te verkennen. Plotseling zagen zij een wappering van vlaggen en wimpels; een groote stofwolk steeg op, en zij zagen in de verte een groote divisie troepen naderen. De twee commandanten, denkende dat het het leger was, dat voor ontzet oprukte, gaven dadelijk bevel aan de poortwachters om de poorten te openen, en zij geleidden de monniken de vesting binnen. De twee commandanten waren zeer verbaasd toen zij zagen dat het slechts een bende eenvoudige monniken was, maar zij dorsten daarover niet te spreken. Na de gewone plichtplegingen en nadat de thee gebruikt was, 39 tractaathavens van China verlaten onder contract voor een dienst in de Britsche Koloniën of Protectoraten is bepaald dat: n Ter betere bescherming van den emigrant en van eiken anderen Chineeschen onderdaan, die wellicht verblijf houdt in de Kolonie of het Protectoraat, waarheen de emigratie zal plaats hebben zal de Keizer van China bevoegd zijn om een consul of vice-consul te benoemen om over hunne belangen en Welzijn te waken, en zulk een consul of vice-consul zal alle rechten en privilegies hebben, die aan de consuls van andere natiën zijn toegestaan." Zijner Majesteit's regeering acht het van bijzonder gewicht, dat de, voor het genoemde doel tot de betrekking van consul of vice-consul te benoemen personen, bekwame ambtenaren van Chineesche nationaliteit zullen zijn, en uitsluitend in dienst van den Keizer van China, en dat voor elk geval de naam van den uitgezochten persoon zal worden medegedeeld aan Zijner Majesteit's r egeering, die hare goedkeuring zal hebben te verleenen aan de benoeming. Ik heb de eer te informeeren of de Chineesehe regeering ge negen is aan de wenschen van Zijner Majesteit's regeering in deze zaak tegemoet te komen. Zoo ja, en voor het geval gij mij het bevestigende antwoord doet toekomen, dan zouden deze nota en uw antwoord aan de conventie gehecht kunnen worden °m de gesloten overeenkomst officieel te bevestigen. Ik heb, enz. (was geteekend) Lansdowne. Chang Ta-jên, enz., enz., enz. Chineesehe legatie, 13 Mei 1904. Mylord de Markies. In antwoord op de nota van Uwe Lordschap gedagteekend heden, heb ik de eer te constateeren, dat de Chineesehe regeering geheel in overeenstemming is met Zijner Britsche Majesteit's re geering omtrent het groote gewicht, dat zij eraan hecht, dat de consuls en vice-consuls die volgens artikel 6 van de tusschen de twee regeeringen te sluiten conventie benoemd moeten worden, 390 zeiden de twee commandanten: „Wij hebben ons schuldig ge maakt aan een groot verzuim door uwe Excellentie niet te zijn tegemoetgegaan toen u naderde; wij vragen u daar wel ver giffenis voor." „Spreek er niet van," zeide de abt. „Uwe Excellentie," zeide Liu-king, „is hier gekomen om de Eleuthen te kastijden; maar wat is de reden dat geen ambtenaren en officieren ten strijde zijn getogen?" „Toen uwe depêches aankwamen," antwoordde de abt, „had Zijne Keizerlijke Majesteit de goedheid om aan de ambtenaren en officieren te vragen, wie van hen de Eleuthen kon terug drijven. Niemand dorst zulks te wagen; doch na lange beraadslaging deden zij aan Zijne Majesteit het voorstel om een ukase uit te vaardigen ter te wapen-roeping van het volk; een ieder van welken rang of stand ook, hetzij officier of burger, priester of toovenaar, indien hij slechts de vereischte bekwaamheden had, kon het bevel krijgen over een leger om de Eleuthen te bevechten. Toen ik dit hoorde, nam ik de proclamatie mede en ging naar de hoofdstad om Zijne Majesteit te ontmoeten ;• en zoo ben ik hier gekomen." Na deze uitlegging spraken zij over dagelijksche dingen; onderwijl was het souper bereid en men zette zich aan een overvloedigen maaltijd. Toen het maal geëindigd was, vroeg de abt eenige inlichtingen omtrent de Eleuthen; hoe het met hen in den laatsten tijd ging, en waar zij hun kamp hadden opgeslagen. De twee commandanten gaven hem de gevraagde inlichtingen. Hij vroeg vervolgens: „Toen gij hen bestreedt, hebt gij toen verloren of gewonnen?" Liu-king antwoordde: „De Eleuthsche soldaten zijn wild en woest; ik verliet ééns de grensstad om hen te bevechten, maar durfde geen algemeen gevecht beginnen, en trok mijne troepen terug. Gisteren hebben zij den geheelen dag geschreeuwd en gejuicht; wij waren nog meer op onze hoede en hielden streng de wacht. Gelukkig zijn de wallen en grachten van de vesting sterk, zoodat wij deze hebben kunnen behouden. Maar vandaag is Uwe Excellentie gekomen om ons te redden en te behoeden door de een of andere uitmuntende krijgslist; u zijt in de militaire kunsten bekwamer dan alle andere gene raals, en u zult zeker overwinnen. Maar het zou goed zijn als 391 we nu ons plan van aanval vaststelden en de een of andere goede krijgslist bedachten, opdat wij eene volkomene overwinning behalen. Indien wij dat niet doen, zal Phang-lung-thian niet ge makkelijk te overwinnen zijn." „Gij hebt hier lang gewoond," antwoordde de abt, „en gij zijt zeker geheel bekend met de topografie en de gesteldheid van de plaats, zooals gij waarschijnlijk ook bekend zult zijn met de bewegingen van den vijand. Wees zoo vriendelijk mij dit alles duidelijk uit te leggen." Liu-king antwoordde: „ Eenigen tijd geleden gaf ik order aan Hwang-sze tsiuen om een kaart te maken van den 4 don tot den 8 8ten graad; de voorname passen, waar een doortocht gevonden kan worden, zijn er duidelijk op aangegeven en geteekend, en ik zal die kaart nu aan Uwe Excellentie geven, opdat gij uwe plannen kunt maken en ze bestudeeren." Nadat de abt zorgvuldig de kaart had bekeken, en deze in zijn geheugen had opgenomen, zeide hij: „Morgenochtend, wan neer zij den aanval beginnen, zullen wij hunne bewegingen gadeslaan, en stellig de overwinning behalen." Den volgenden ochtend koos de abt zijn mannen een voor een en deelde hun zijn krijgslist mede. Hij plaatste den een hier, en den ander daar, op alle mogelijke manieren, in een hinder laag. Hij trok toen zijn zwaard, maakte eenige magische gebaren en mompelde een bezweringsformule. Hij sprak tot den Hemel en de geesten Luh-ting en Luh-kah, om hem te hulp te komen en het gevecht te beslissen. Toen het gevecht op zijn hevigst was stortten die geesten inderdaad een regen van zand en steenen neer: een hevige storm stak op, stof en zand verduisterden den hemel, zoodat de Eleuthsche troepen op elkander insloegen en daarna, geheel in verwarring, op de vlucht gingen. Toen die troepen het ravijn Hu-hu-chub bereikten, barstten van alle kanten bommen en mijnen, en van alle kanten kwamen vuurpijlen aansnorren. De geheele pas was verduisterd door den rook, en de soldaten en officieren van Phang-lung-thian kwamen allen om. De abt verzamelde vervolgens zijne troepen en een ieder erkende zijne bekwaamheden. Hij bleef nog twee dagen op de plaats en nam afscheid van de twee commandanten, hun op het hart drukkende de vesting trouw en krachtdadig te verdedigen. Na het bericht van zijn overwinning naar het hof gezonden te hebben, begaf hij zich op weg naar Peking, en toen zij de 392 residentie hadden bereikt, wierpen zij zich aan de voeten van den Keizer, en verhaalden de bijzonderheden van de verdelging der Eleuthen. Zijne Majesteit, die zeer verheugd was. wenschte van hen officieren te maken en hen in den adelstand te verheffen; inge volge zijne bevelen paradeerden zij drie achtereenvolgende dagen door de stad, en een gastmaal werd hun aangeboden in het kei zerlijk paleis. Zijne Majesteit wenschte den abt aan het hof te behouden als raadsman, en de andere monniken tot hooge ambten te benoemen. De abt en zijne monniken knielden neer en weigerden de gunst, zeggende: „ Uwe dienaren leiden een zuiver leven, en zijn priesters, die de leer van den Goddelijken Boeddha volgen. Wij zouden het niet gewaagd hebben zijne zuivere voorschriften te overschrijden, ware het niet, dat het land werd vernield door de soldaten van Eleuth. Om die reden hebben wij hen vernietigd en uitgeroeid; maar nu behooren wij die zuivere voorschriften weer te gehoorzamen, welke ons verbieden naar wereldlijk geluk te streven en onbedachtzaam hooge ambten te aanvaarden. Wij wenschen allen naar ons klooster Shao-lin terug te keeren, Boeddha daar weer te vereeren, onze gebeden op te zeggen, ons leven rein te houden, onze gedachten te verbeteren, opdat wij de volmaaktheid bereiken en „Nigban" binnengaan. Wij nemen alleen de geschenken aan die Uwe Majesteit ons geeft, om Uwe Goddelijke gunst te vergelden." „Dat gij den adelstand niet aanneemt," sprak de Keizer, „is reeds voldoende bewijs, dat gij deugdzame lieden zijt; ik heb hier evenwel een ouden ring, uit drie schakels bestaande, en een keizerlijk zegel van een pond en vijf oneen gewicht; deze wensch ik aan Uwe Excellenties aan te bieden als een belooning voor uwe verdiensten; bovendien wil ik de geschiedenis door alle provincies bekend laten maken, om luister te geven aan uwe zeer hooge verdiensten en deugden, en uwe namen bekend te maken." Alle monniken knielden toen verheugd neer en lispelden hun dank voor het keizerlijke gunstbetoon; daarop verlieten zij het hof en keerden naar hun klooster terug. In het 61 ste jaar van zijn regeering stierf keizer Khang-hi en Yung-ching volgde hem op in het bestuur van het rijk. 393 De jaargetijden waren altijd gunstig geweest, de staat was bloeiend, en het volk gelukkig. Maar in het ll de jaar van Yung ching's regeering werd een zekere Tang-shing benoemd tot provinciaal rechter in de hoofdstad Fuh-chau. Deze Tang-shing had een valsch karakter en was een doortrapte schurk. Hij had een wreede en ruwe inborst, en was vrekkig, gierig en harteloos. Na de aanvaarding van zijne betrekking kwam hij dikwijls in het Shao-lin klooster om wierook te branden en Boeddha te aan bidden. Toen hij daar de keizerlijke giften zag, den drieschakeligen ring en het kostbare zegel, werd zijn begeerigheid opgewekt, en hij zocht naar een middel om ze in handen te krijgen. Hij smeekte den abt voortdurend hem den drieschakeligen ring en het keizerlijke zegel te geven; maar de monniken kenden hem te goed en zeiden: „Dat zijn kostbare giften ons door den vorigen keizer geschonken; bovendien, het keizerlijke zegel heeft machten; het heeft de macht om slechte menschen stokslagen te geven en verraders te onthoofden. Hoe zouden wij het dan wagen ze ondoordacht weg te geven?" Tengevolge van deze weigering koesterde Tang-shing haat en wraak in zijn hart en was afgunstig op het Shao-lin klooster. Hij dacht er over na hoe hij door verraad meester kon worden van de kostbare geschenken, en daarom zond hij den keizer eene memorie, waarin hij zeide, dat de monniken van het Shao-lin klooster dagelijks de harten van het volk verleidden door tooverij en slechte gedragingen; dat zij bovendien in het bezit waren van een oud zegel hun door den vorigen keizer geschonken, waar mede zij over alle dingen macht konden uitoefenen; dat hij werkelijk vreesde, dat hunne handelingen ongeoorloofd waren en dat zij verraderlijke plannen koesterden. Hij merkte op dat indien zij in opstand kwamen, de ramp zeer groot zou zijn. Zoo was de inhoud van zijne memorie aan den keizer. Hoewel Yung-ching zijn verraderlijk plan niet kende, twijfelde hij echter of alles wel waar was. Daarom vroeg hij nogmaals aan Tang-shing of alles werkelijk zoo was. Tang-shing antwoordde: „dat de zaak inderdaad zoo was en niet valschelijk door zijn onderdanigen dienaar was voorgesteld." Keizer Yung-ching, zeer vertoornd, vroeg wat hij doen moest. Tang-shing antwoordde hem: „Naar mijn idee moesten wij, onder het voorwendsel van wierook branden, een duizend man heimelijk nabij het klooster verbergen 394 met salpeter, zwavel en kruit, droog hout, takkebossen, gras en dergelijke brandbare artikelen, en dit in brand steken, voor gevende dat het vlam heeft gevat door het branden van de wierook. Soldaten moeten er in een cirkel om heen staan, zoodat zelfs geen muis kan ontsnappen. Op deze wijze zullen al die verraderlijke monniken verbrand worden en verdere onheilen worden voorkomen. Ik weet evenwel niet of dit veroorloofd is." Keizer Yung-ching gaf zijne toestemming voor dit plan, en beval Tang-shing gebruik te maken van eenige troepen en het plan ten uitvoer te leggen. De brand brak inderdaad uit toen men bezig was met het branden van de wierook. De monniken waren op dat tijdstip allen in diepen slaap. Plotseling werden zij uit hunne droomen opgeschrikt, en van hun bed opspringende, zagen zij vlammen opstijgen door het geheele klooster, en een wolk van rook naai den hemel opgaan. Zij konden noch het vuur blusschen, noch ontsnappen. Zij wisten toen niet dat het het werk was van een verrader lijken ambtenaar. Meer dan honderd monniken kwamen in de vlammen om, en slechts een paar van hen brachten er het leven af, doch ver scheidenen met verzengde haren en verschroeide hoofden, en ernstig verbrand. Het was een groote schande dat zoo vele monniken van het Shao-lin klooster, die den staat met de meeste trouw hadden beschermd, en die oprecht en belangeloos waren, nu hun leven hadden verloren door de begeerige gedachten van Tang-shing; want daar al die verbrande monniken mannen waren, die een deugdzaam leven hadden geleid, waren hunne beleedigde geesten onbevredigd, en het onrecht hun aangedaan kwam ter kennisse van den Hemel; do Heilige Dharma-Boeddha was er door bewogen en deze riep uit: „ Dat het Shao-lin klooster door het vuur vernield is, was door het lot voorbeschikt; maar van die mannen zijn er nog eenigen, die nog niet zijn omge komen. Zij zullen naderhand zeker iets beginnen en daarom moest ik hen maar redden en hun den weg toonen hoe hun leven te behouden." Hij veranderde toen een gele en een zwarte wolk in een langen zandweg en redde het leven van de over blijvende monniken door hen langs dien zandweg te geleiden naar een baai nabij Shih-san-li te Ufan, waar de witte wolken den Hemel aanraken. 395 Daar kwamen zij bij elkander, doch slechts vijf van hen waren overgebleven, de rest was onderweg omgekomen. Op deze plaats werden zij verborgen door twee bootslieden, Sieh en Wu ge naamd. Tang-shing, die bij het aanbreken van den dag gehoord had dat sommige monniken waren ontsnapt, beval zijn soldaten hen te achtervolgen en te grijpen om verdere onheilen te voor komen. Toen deze soldaten de zee naderden zagen zij plotseling eenige menschen voor zich, die zij vlug achter nazaten. Nadat de vijf monniken een tiental mijlen waren gevlucht, keken zij om zich heen en zagen plotseling hunne vervolgers. Voor hen lag de zee, die hun het verder voortgaan belette; zij zagen geen enkele mogelijkheid om te ontsnappen. Wat moesten zij doen? De vijf mannen beraadslaagden gezamelijk en vielen op hun knieën om een gebed naar den Hemel te zenden. Luid riepen zij uit: „Groote God! Groote God! Boeddha! Boeddha! Wij monniken van het Shao-lin klooster hebben ons verdienstelijk gemaakt voor de Goden van het land! Wij hebben den vorigen vorst met de meeste trouw gediend! Nu heeft een verrader ons beleedigd! Meer dan 120 menschen zijn verbrand en omge komen, en er zijn slechts vijf overgebleven, die nog niet zijn gestorven. Nu wij naar deze plek gevlucht zijn is er voor ons geen uitweg en achter ons naderen de vervolgende soldaten. Wij bidden u, heb medelijden met ons en red ons!" Nadat zij gebeden hadden zagen zij plotseling twee engelen, Chu-kang en Chu-kai, op het uiteinde van een wolk zitten. Deze engelen wezen met den vinger en riepen: „ Haast u!" Toen zagen zij een gele en een zwarte wolk drijven, die in een langen zandweg veranderde, en ook een brug van twee planken. De vijf mannen vielen dadelijk op hun knieën en opwaarts kijkende zeiden zij een dankgebed op. Hierna vluchtten zij over den zandweg en gingen over de brug. Toen de achtervolgende soldaten naderden zagen zij niemand. Zij keken rond, maar er was absoluut niets van de monniken te zien, zoodat zij terugkeerden en rapport uitbrachten over hunne ontmoeting. De monniken waren dus aan den mond van den tijger ont snapt door den weg, dien de twee engelen hun hadden gewezen. Gelukkig had Thsai-teh-chung het kostbare zegel bij zich gedu rende den nacht, dat het klooster afbrandde. Zoo bereikten zij de stad Kao-khi nabij Yun-siao, waar zij halt hielden. Zij zagen 396 daar een tempel, en naderbij komende zagen zij, dat het de voor ouderlijke tempel van Ling-wang was. Daar zij water wilden hebben om hun dorst te lesschen, gingen zy naar de beek om het te halen, en toen zagen zij op de opper vlakte van het water iets drijven. Alle vijf mannen zagen het; zij waadden door het water en haalden het er uit. Toen zagen zij dat het een wit porceleinen wierookvat was. Het nauwkeurig bekijkende, zagen zij op het wierookvat vier karakters (letters) geschreven: „Fan-tsing, fuh-ming, verdrijf de Tsing en herstel de Ming-dynastie." De vijf monniken zeiden toen tot elkander: „ Dat is de wil van God." Zij verborgen het wit porceleinen wierookvat tusschen hunne bagage. Toen zij weer door een troep ruiters vervolgd werden, vluchtten zij naar een heuveltje, waar zij de familie van een zekeren Ching-kiun-tah vonden, die van verraad beschuldigd, onthoofd was en wiens lijk in de rivier was geworpen. Zijne familie had zijn lichaam op het water drijvende gevonden, en had dit op den heuvel begraven. De vijf mannen zagen daar plotseling een zwaard van perzik kenhout uit den grond opschieten. Op hot zwaard was in karakters geschreven: „ Twee draken twisten om een parel", terwijl op de punt van het zwaard weer waren geschreven de woorden: „Ver drijf Tsing, herstel Ming." Twee vrouwen namen het zwaard op en sloegen daarmede de vervolgende soldaten neer. Dien nacht bleven de vijf mannen bij de familie van Ching kiung-tah, en den volgenden dag keerden zij naar den Ling-wang tempel terug. Daar troffen zij vijf paardenhandelaars aan, genaamd: Wu thian-ching, Li-sih-chi, Hung-thai-sui, Yao-pieh-tah en Lin-yung chao, die hoorende van het onrecht, dat den vijf monniken was aangedaan, zich bij dezen aansloten. Eenigen tijd daarna kwam daar ook een zekere Chin-kin-nan, een officier van het ministerie van oorlog en lid van het Hanlin college, die door de intriges van zijne vijanden zijne betrekking had verloren. Hij had sedert over de wereld rondgezworven, voorgevende filosofische leerstellingen te onderwijzen, maar in zijn hart verlangende moedige mannen te verzamelen. Hoorende van het onrecht den monniken van het Shao-lin-klooster aange daan , kwam hij zich bij hen voegen. 397 Zij gingen gezamenlijk naar den tempel van een Boddhisatwa, waar zij eenige dagen bleven, en waar zij Wan-hiung en I-hiung ontmoetten, aan wien zij hunne geschiedenis verhaalden, en zij brachten allen den nacht door in den voorouderlijken tempel Kao-khi. Gedurende dienzelfden nacht zagen zij een roode vlam schitteren uit het porceleinen wierookvat, gelijk het flikkeren van een bliksemstraal. Allen zeiden: „Hoe vreemd." Toen kwamen zij overeen om zich op deze plek ten overstaan van Hemel en Aarde met elkander te verbinden, zooals Liu-pi, Kwan-yü en Chang-fi, die in den perzikkentuin gezamenlijk een eed hadden gezworen, om voor leven en dood vrienden te blijven; om eensgezind en met vereende krachten den moord te wreken gepleegd op de 120 broeders en om Han-phang en Li-chang-kwoh tot voorbeeld nemen. Daar zij geen offerstokjes hadden, trokken zij wat gras uit, en staken twee droge stukken hout in brand, in plaats van kaarsen. Daar zij geen offerblokken hadden namen zij twee ge bloemde koppen en spraken het volgende gebed uit: „Indien het waar is, dat eens de dag zal komen, dat wij het leed, dat aan het Shao-lin klooster is aangedaan, kunnen wreken, dat wij de Tsing-dynastie zullen verdrijven en de Ming-dynastie her stellen, dan moeten deze koppen, indien zij vallen, niet breken." Zij wierpen de twee koppen in de lucht, die, toen zij neerge vallen waren, werkelijk niet waren gebroken. Allen prikten zich in de vingers en nadat zij hun bloed met wijn hadden vermengd, dronken zij dat, en zwoeren een eed, dat zij voor elkander broe ders zouden zijn en de geheele wereld zouden rondtrekken om troepen te verzamelen, paarden te koopen en alle dapperen van het rijk op te roepen. Dit gebeurde op den 21 Bten dag van de derde maand van het jaar Kah-yin (1734) op het uur Sze. Plotseling kwam er een jongen van nauwelijks dertien jaren oud; zijn gelaat was verheven en zijn lippen waren gelijkroode parels. Zijn voorkomen en zijne houding waren zeer ongewoon, en zijn gelaat had fijne trekken en was schoon. Hij was boven dien lang van gestalte en inderdaad zeer edel gevormd, geheel verschillend van andere menschen. Hij wenschte toe te treden tot het leger der monniken. Allen zeiden evenwel: „Gij zijt nog zeer jong, wat zijn uwe kundig heden dat gij het waagt te willen toetreden?" 398 De jongen antwoordde: „Ik ben niemand anders dan de achter kleinzoon van den keizer Tsung-ching-wang van de groote Ming dynastie; de kleinzoon van den keizerlijken prins, geboren uit de concubine Li-shin uit de harem van Tsung-ching-wang. Mijn naam is Chu, mijn bijnaam, Hung-chuh. Ik herinner mij dat mijn voorvader, de groote keizer Hung-wu heer was van het groote rijk China en de prachtige bezittingen daarvan. Nu is het land overweldigd door die honden van bar baren; en ik ben de eenig overgeblevene. Indien ik mijn rijk niet terug krijg, hoe kan ik dan mijn gelaat aan mijne voor ouders in de andere wereld vertoonen?" Nadat hij dit gezegd had, weende hij. En weer sprak hij: „Ik hoorde dat gijlieden waart opgestaan om u zelven te wreken en daarom kwam ik om mij bij u te voegen. Ik hoop vurig, broeders, dat gij de kracht van mijn enkelen arm zult willen steunen. Als ik mijn rijk zal hebben terug gekregen, en het huis Ming heb hersteld, zal ik ter eere van den tempel mijner voorouders de monniken van het Shao-lin klooster beloonen. Ik zal het klooster weder opbouwen, en het Boeddhabeeld herstellen als een dankoffer voor de Goddelijke hulp. Ik zal dan met al de vaderlandslievende broeders eer en roem genieten, en wij zullen volmaakt zijn. Onze namen zullen bekend worden over de geheele wereld en voor altijd beroemd. Zou dat niet heerlijk zijn?" Nadat hij dit gezegd had schokte zijn lichaam door zijn geween en hij huilde op zoon hevige manier dat allen door zijn smart waren geroerd. Zij vroegen hem toen een bewijs te geven van zijn afkomst. De prins haalde een kostbare beurs te voorschijn en een odeur doosje van keizerlijk maaksel om zijn beweringen waar te maken. Allen waren tot tranen toe geroerd toen zij dit zagen, zij tilden hem op eene hooge zitplaats en knielden voor hem op den grond neer; maar de prins deed hen van den grond opstaan en zeide: „Gij moet mij niet zoon eer bewijzen. Hoe zou ik het durven aannemen?" Zij riepen allen uit: „De Hemel heeft den keizerlijken prins gezonden, dat zijn naam beroemd moge worden! Dit is volgens den wil van God! Laat ons den Hemel gehoorzamen, recht vaardig handelen en naar alle wereldstreken gaan." Zij maakten hem onmiddellijk tot hunnen leider, en na eenige 399 manschappen gehuurd en paarden en levensmiddelen gekocht te hebben, keken zij uit naar eene goede gelegenheid om de groote zaak te beginnen. Op zekeren dag kwamen zij aan de stad Shih-ching in het prefectuur Hwui-Hwui-chao, in de provincie Canton, waar zij een nieuwgebouwd klooster zagen in het woud der witte reigers in het kamp „ der algemeene vrede." In dat klooster leefde een abt, Wan-yun-lung geheeten, die zijn leven doorbracht met het aanbidden van Boeddha. Toen hij het geraas der mannen en der paarden hoorde, kwam hij naar buiten en wenkte hen. Dadelijk naderden hem al die menschen. Wan-yun-lung sprak tot hen: „Mijne heeren! waarheen gaat gij met al die troepen? Wees zoo goed mijn klooster binnen te gaan en een wijle te rusten." Al de broeders gingen toen het klooster binnen, en terwijl zij wat thee nuttigden, vroeg Wan-yun-lung hun de bijzonderheden van de vernieling van het Shao-lin klooster. Nadat zij hem alle bijzonderheden hadden verteld, riep hij met luider stemme uit: „O eindig, eindig!" Toen de broeders Wan-yun-lung deze woorden hartstochtelijk hoorden uitroepen, en zagen, dat hij twaalf voet lang was en acht voet omvang had, met een hoofd zoo groot als een schepel, dat hij roode haren had, en armen als boomtakken, en even sterk was als ontelbare mannen te zamen, erkenden zij hem dadelijk als hun oudere broeder. (President, nationale grootmeester). Dit gebeurde op den 25 Bten dag van de 7 de maand van het jaar Kah-yin, (23 Augustus 1734) van de regeering van Yung-ching, gedurende het uur Chao (van 1 tot 3 uur n. m.) Nadat zij hun bloed met wijn hadden vermengd, zwoeren zij een eed om de Ming-dynastie te herstellen, na de Tsing-dynastie te hebben vernietigd; en ook dat zij naar Chang-ngan (Peking) zouden gaan om den vorst te overvallen en te dooden. Wan-yun-lung werd tot president en Chin-kin-nan tot meester van het verbond aangesteld, terwijl de dapperste van allen,een zekere Hwang-ching-yin, die zijn naam veranderde in Thian-yu hung, tot leider van de voorhoede werd benoemd. Zij allen namen den naam van Hung aan en als wachtwoord werd genomen het woord „vaderlandsliefde." Op den 20 Bten dag van de 8" te maand (17 September) bracht 4 De Vereenigde Staten van Amerika als type der landen die minwaardige immigranten uitsluiten. De Vereenigde Staten van Amerika hebben bij de wet van 3 Maart 1903 de immigratie verboden aan: I°. hen, die idioot of krankzinnig zijn, aan vallende ziekte lijden, of een aanval van waanzin hebben gehad in den loop der laatste vijf jaren; 2°. hen, die behoeftig zijn, en hen, die wegens gezondheids redenen weldra ten laste van de openbare liefdadigheid zullen vallen; 3°. hen, die lijden aan afzichtelijke of besmettelijke ziekten; 4°. hen, die eene veroordeeling hebben ondergaan wegens be drog of andere delicten, welke eene eerlooze daad in zich bevatten; s°. hen, die anarchisten van de daad zijn of theorieën van vernieling prediken, willende door geweld de bestaande regee ringen omverwerpen, hetzij in de Vereenigde Staten, hetzij daarbuiten; 6°. vrouwen, die zich overgeven aan prostitutie en hunne geleiders; 7°. hen, die in een tijdsverloop van een jaar voorafgaande aan den datum van ontscheping, wegens overtreding van de Amerikaansche wet zijn uitgezet geworden; B°. hen, wier reiskosten betaald zijn geworden door anderen, door een bloedverwant of een vriend, wonende in Amerika. Het is verboden aan elk persoon, elke vereeniging of corporatie op welke wijze ook, de reiskosten naar de Vereenigde Staten voor te schieten, of op welke manier ook het binnenkomen van eenen vreemdeling in het gebied der Vereenigde Staten te vergemakke lijken, indien zulks geschiedt met een aanbod of eene overeen komst, hetzij schriftelijk, hetzij mondeling, uitdrukkelijk of stil zwijgend, om werk te verrichten. Zij, die dit verbod overtreden, worden gestraft met eene geldboete van duizend dollars voor elk persoon, in strijd met de wet aangebracht; en deze laatste wordt teruggezonden zonder schadeloosstelling te onvangen van hen, die hem hebben be drogen, tenzij die personen hebben verzuimd hem te waar schuwen voor het gevaar om te worden teruggezonden. 40 mannen zullen zijn van groote ondervinding, en zij zal het als een plicht, den emigrant verschuldigd, beschouwen, de keuze van die ambtenaren te beperken tot hen, die in alle opzichten voldoen aan de wenschen, genoemd in de hierboven bedoelde nota, welke nota tegelijk met dit antwoord, met wederzijdsch goedvinden, ten bewijze van het overeengekomene, aan de ge noemde conventie zal worden gehecht. Ik heb, enz., (was geteekend) T. Y. Chang. Aan den Markies van Lansdowne, K. G., enz., enz. 400 Wan-yun-lung zijn troepen in het veld tegen een Tartaarsch leger, en de strijd duurde tot de 9 de maand (5 October); plot seling zonk de hand van Wan-yun-lung; hij hield op met vechten en viel dood neer op een scherpen straatsteen. Een bijzondere zendeling bracht het nieuws aan de vijf broeders, die het gevecht vanaf de wallen gadesloegen; zij marcheerden onmiddellijk ter redding op en versloegen de troepen van het gouvernement. Deze lieten ontelbare dooden op het slagveld achter, dat bedekt was met lijken, terwijl het bloed vloeide bij stroomen. De overwinnende broeders namen het hoofd en het lichaam van Wan-yun-lung met zich mede en gingen Noordoost waarts. Juist op dat oogenblik verscheen een in vijf kleuren drijvende wolk in het N. O. De vijf monniken zagen daardoor dat, hoewel Wan-yun-lung was gesneuveld, de Hemel gekleurde wolken vertoonde om hem als grootmeester te erkennen. Zij begroeven hem links achter den „Vijf phoenix heuvel" nabij het meer Chu te Pah-koh-tun; het graf is 30 voet hoog en 218 voet 3 inches lang en wordt genoemd het „ Achtzijdige kamp". Het ligt Zuidoost-Noordwest met de frontzijde Noordwest, en de geometrische ligging wordt genoemd „Yin-shin-fan-kin." Er is een obelisk op het graf van een driezijdigen vorm, negen voet hoog en drie voet zes inches breed. Het wordt genoemd: „ De keizerlijke grafsteen". Op de frontzijde zijn zestien karakters geschreven, terwijl aan elk karakterteeken drie waterdruppels zijn gevoegd dus totaal 48 waterdruppels, en voor het graf staat eene pagode waarop negen geschiedenissen zijn geschreven. De geconfedereerden verspreidden zich nu over al de provincies van China om troepen en geld te verzamelen. De vijf monniken van het Shao-lin klooster werden tot hoofden van de vijf voornaamste loges aangesteld, en de vijf paarden handelaren van de vijf mindere loges. Thsai-teh-chung ging naar de provincie Fuh-kien waar hy de eerste loge oprichtte, aan welke hij den naam gaf van: „ De blauwe lotus vergaderzaal". De paardenhandelaar Lin-yung-chao ging naar de provincie Kan-su en stichtte de loge: „Phoenix-district." Fang-ta-hung ging naar de provincie Canton waar hij de tweede loge oprichtte, die hij noemde: „De zaal der gehoorzaamheid aan Hung". De paardenhandelaar Li-sih-chi ging naar de provincie Kwang-si en stichtte de loge: „Het district van de gouden orchidee". 401 Ma-chao-hing ging naar de provincie Yunnan waar hij de derde loge oprichtte welke genoemd werd: „De zaal van onze koningin." De paardenhandelaar Wu-thian-ching ging naar de provincie Sze chuen waar hij stichtte de loge: „Het district van de beves tigde wet." Hu-teh-ti ging naar de provincie Hu-nan waar hij de vierde loge oprichtte welke hij noemde: „De met den hemel veree nigde zaal." De paardenhandelaar Yao-pieh-tah ging naar de pro vincie Hu-peh waar hij stichtte de loge: „ Het district van de gelukkige grenzen." Li-sih-khai ging naar de provincie Cheh-kiang waar hij de vijfde loge oprichtte welke hij noemde: „De zaal der uitgebreide bekeering." De paardenhandelaar Hung-thai-sui ging naar de pro vincie Kiang-si in de „ grot der witte honden" waar hij stichtte de loge: „Het district der Westelijke dijken." Inwendige organisatie der geheime genootschappen. Het Hung-verbond wordt bestuurd door de Groot-meesters van de vijf voornaamste loges in Foehkiën, Kwantoeng, Yunnan, Hunan, en Chehkiang. Deze grootmeesters worden genoemd Sze, Chü-sze (leiders) of Hiang-chü (offermeesters). Het bestuur van elke loge, door het geheele rijk en de kolo nieën, bestaat uit: Een president = Thai-ko. Twee vice-presidenten «*» Ni-ko. Een ceremoniemeester = Sien-sang. Twee inleiders = Sien-fung. Een fiscaal = Hung-kwan. Dertien raadsleden = I-sze. (Onder de dertien raadsleden is er een schatmeester, een sleutel bewaarder van de kas, en een ontvanger). Agenten = Thsao-hiai. Eenige mindere functionnarissen, die bloemen in het haar dragen. Sommigen van de broeders worden aangesteld tot Tai-mai = paar denleiders. Zij zoeken nieuwe leden bijeen en leiden hen naarde loge. Er zijn vier broeders, die gebruikt worden voor de oproepingen. Zij worden genoemd de „vier grooten" l ). 1) Zie G. Schlegel: „The Hung-league " blz. 47. 26 402 Nu zijn de besturen van de geheime verbonden in de Westeraf deeling van Borneo niet zoo uitgebreid. Meestal bestaat het uit een thai-ko, een ni-ko, een sien-sang, twee eedgenooten die gebruikt worden voor het aanwerven van nieuwe leden, bene vens een lid, bij de Maleiers bekend staande onder den naam van „toekang poekoel", die de functie van voorvechter uitoefent en tevens belast is met het voltrekken van de straffen, die door het bestuur opgelegd worden aan de eedgenooten, die zich hebben schul dig gemaakt aan overtreding van de voorgeschreven bepalingen. Zoowel in Borneo als elders heeft het aanwerven van nieuwe leden plaats door overreding, door aantooning van het wensche lijke van nauwere aaneensluiting, om elkander te kunnen bijstaan in moeilijke dagen, bij ziektegevallen, bij vechtpartijen, bij civiele gedingen, bij voorgenomen smokkelhandel, bij ontvluch ting na gepleegde misdrijven; ook houdt men den aspirantleden voor oogen, dat na toetreding men voor zich zei ven en voor zijne bloedverwanten verzekerd is van eene passende begrafenis. Faalt de overreding, dan gaat men over tot bedreiging, tot plagerijen, handtastelijkheden, kleine berooving, diefstallen van vee, veld vruchten enz. Er zijn dan ook zeer weinigen, die ten langen leste niet toe treden of ten minste de verschuldigde contributie betalen. Zijn er voldoende aspirantled en, dan roept men hen op, om tegen een bepaalden avond op een afgesproken gedeelte van een bosch of andere eenzame plaats bijeen te komen. De aspirant-leden worden ontvangen door eenige leden van het bestuur en gebracht naar de plek, waar de eedsaflegging zal geschieden. Men tracht de van oudsher geldende wijze van eedsaflegging zooveel mogelijk te volgen, en maakt voor die gelegenheid een soort van tempel van bamboelatten en papier, met de noodige poorten en muren, terwijl uitgezette wachten voor overrompeling behoeden. Het is mij eens gelukt alle dergelijke overtuigingsstukken van eene plaats gehad hebbende eedsaflegging in een bosch nabij Mampawa te achterhalen, doch eene overvalling tijdens de plech tigheid zelve, is nagenoeg ondoenlijk. ! ) Be formaliteiten, die in acht genomen worden alvorens iemand als lid van het geheim verbond wordt toegelaten, zijn de volgende : Ij Zie G. Schlegel: „The Hung-league" blz. 58. 403 Indien alle aspirantleden na oproeping bijeen zijn, gaan ze door de eerste poort van het afgezette terrein en dan bevinden zij zich voor den zoogenaamden „voorman", die hun hunne namen en voornamen, ouderdom en datum van geboorte, afvraagt, en de antwoorden in een daarvoor bestemd boek zorgvuldig noteert. De „voorman" geeft dan het bevel om te formeeren „de brug der zwaarden". De broeders gaan hiervoor in twee rijen staan en trekken hunne zwaarden, die een lemmet hebben met twee verschillende helften, een stalen rechterhelft en een koperen linkerhelft. Die zwaarden worden in de lucht gekruist, aldus een brug of boog vormende. De aspirantleden worden dan door een der broe ders onder dezen boog gevoerd. Deze ceremonie heet „het pas seeren van de brug." Na het passeeren van de brug moeten zij een som van 21 penningen als eerste entree betalen, welk geld ontvangen wordt door den ouden „ Sieh-pang-hang." De aspirantleden bevinden zich vervolgens voor de Hungpoort, welke bewaakt wordt door de twee generaals Wan-tao-lung en Wan-tao-fang. Deze generaals vragen aan den „ voorman" de namen van de „ nieuwe paarden." Nadat de „ voorman" aan hun verzoek heeft voldaan, gaan de generaals naar binnen om aan den ceremonie meester vergunning te vragen tot het binnenbrengen van de aspirantleden. Nadat de ceremoniemeester zijne toestemming ge geven heeft, mogen de aspirantleden binnengaan en zij worden gebracht in „de zaal der getrouwheid en loyaliteit", waar wederom twee generaals de wacht houden, genaamd Ching-ki-thian en Chin-yun-ching, die de namen der aspirantleden nogmaals afvragen. Daar worden de aspirantleden eindelijk ingewijd in de strek king van het verbond; zij worden vermaand om het verbond, waarin zij aanstonds zullen worden opgenomen, getrouw te zijn. De grieven tegen de Tartaarsche overheersching worden opge noemd , beloften worden gedaan aan hen, die hunne verplichtingen getrouw zullen nakomen, terwijl vreeselijke bedreigingen worden geuit tegenover hen, die het zouden wagen om te weigeren tot het verbond toe te treden. De aspirantleden bereiken nu den „hemel en aarde-cirkel", de laatste afsluiting vóór den zetel van het verbond, en bewaakt door de twee generaals Wu-kan-rl en Wu-kin-lai. 404 Na ook dezen cirkel en een omringende gracht te hebben ge passeerd, bereiken zij de Oostelijke poort van „de stad der wilgenboomen", bewaakt door Han-phang. Deze leidt hen naar de raadkamer, genoemd „de loge der algemeene vrede", waar de geheele raad is vergaderd. Twee generaals houden de wacht aan de deur van dit vertrek. De „ voorman " zegt dan: „ Thian-yu-hung heeft een verzoek te doen en zou gaarne de vijf stichters ontmoeten." De gene raals antwoorden dan: „Wacht een oogenblik tot wij uw verzoek hebben overgebracht aan de vijf stichters." De generaals gaan de raadkamer binnen en zeggen: „ Eer waarde vijf stichters! Thian-yu-hung heeft een verzoek te doen en zou u gaarne willen ontmoeten." De ceremoniemeester antwoordt: „ Roep Thian-yu-hung hier heen om voor mij te verschijnen." De generaals keeren naar de deur terug en zeggen: „Uw ver zoek is toegestaan, de ceremoniemeester beveelt u voor hem te verschijnen." De „voorman" wordt dan de raadkamer binnengeleid en spreekt: „Moge mijn Heer nog milliarden jaren leven." Nu stelt de ceremoniemeester aan den „ voorman" een groot aantal vragen, in het geheel 333, allen betrekking hebbende op het ontstaan en het doel van het Hungverbond, en nadat die door den „voorman" zijn beantwoord, waardoor Thian-yu hung zijn identiteit bewezen heeft, zegt de ceremoniemeester: „Ik heb u omtrent alles onderzocht en er is geen twijfel aan, dat gij Thiang-yu-hung zijt. Sta op en buig driemalen eerbiedig voor uwen waren Heer. Ik heb een kostbaar zwaard en een boodschap voor u. Al de aspirantleden, die in waarheid trouw en rechtschapen zijn, moogt gij hier brengen, opdat zij den eed kunnen afleggen; doch zij, die ontrouw en niet rechtschapen zijn, moet gij buiten de poorten brengen, onthoofden en hunne lichamen moet gij tentoonstellen." De aspirantleden, die nu weigeren tot het verbond toe te treden, worden door een strafvoltrekker buiten de Westelijke poort geleid, waar zij onthoofd worden. Zij, die uit vrees voor den dood of uit overtuiging lid worden, worden ter beschikking van den „voorman" gesteld *). 1) Zie G. Schlegel: „The Hung-league", blz. 112. 405 De „ voorman " beveelt nu aan de nieuwe leden om het „roode bloem-paviljoen" binnen te gaan, teneinde met een bloedigen eed te bezweeren, dat zij allen den naam van Hung wenschen aan te nemen. De „ voorman " gaat het eerst dit paviljoen binnen, gevolgd door alle nieuwe leden. Naast elk nieuw lid gaat een Hungbroeder staan, en thans begint de ceremonie van het „afsnijden van den staart", het teeken van onderwerping aan de Tartaarsche heerschappij. Zij, die verplicht zijn te blijven leven tusschen Chineezen, die de heerschende dynastie getrouw zijn, worden van deze ceremonie vrijgesteld om niet dadelijk als lid van het Hungverbond te worden herkend. De nieuwe leden worden nu gebracht voor een waschkom, gevuld met water. Een der broeders bedekt de kom met een handdoek, welke handeling genoemd wordt: „de ceremonie van het bedekken van de waschkom met een handdoek." Vervolgens komt de ceremonie van het „ wasschen van het gelaat met water", waarbij de gezichten van de nieuwe leden met water worden gewasschen. Hierna worden de nieuwe leden ontdaan van hunne boven kleederen , de zoogenaamde „ ceremonie van het ontkleeden" en gekleed in witte kleederen, welke handeling bekend is onder den naam van de „ ceremonie van het aantrekken van witte kleeren." Ten slotte worden de hoofden der nieuwe leden gewikkeld in roode doeken, zooals gebruikelijk was ten tijde van de regeering van de Ming-dynastie. De nieuwe leden moeten daarna hunne schoenen uitdoen en stroo-schoenen aantrekken, zooals men die gewoonlijk draagt in den rouwtijd. Na al die voorbereidende plechtigheden worden de nieuwe leden voor het altaar gevoerd en vervolgens worden gebeden opgezonden aan de verschillende goden. Onderwijl heeft een stuk papier, waarop de straks af te leggen eed geschreven staat, steeds gelegen op een kopje, bestemd voor het branden van wierook op het altaar. Dit papier wordt nu door een der broeders opgenomen en de daarop geschreven eed aan de neergeknielde nieuwe leden voorgelezen 1 ). De eed bestaat altijd uit 36 artikelen, doch de inhoud dier artikelen schijnt plaatselijk te verschillen. Zoo verschillen b. v. 1) Zie G. Schlegel: „The Hung-league", blz. 135. 406 de in het werk „Het Kongsiwezen van Borneo" blz. 190, door dr. de Groot gedeeltelijk opgenomen eedsbepalingen van een geheim genootschap te Singapore, van die, voorkomende in „The Hung-league" op blz. 135 en vgd. Ook in Borneo telde de eed 36 artikelen, en had men onder die artikelen bepalingen, die met plaatselijke toestanden rekening hielden. Men bezwoer in Mampawa b.v. om elkaar bij te staan bij voorkomenden smokkel handel en het overtreden van de slachtpacht. Ook had men een tarief aangenomen van uitkeeringen ten behoeve van een door den controleur veroordeelden broeder; elk lid moest voor zulk eenen broeder 0,20 dollar storten. Over het algemeen genomen echter bevatten de eeden der ge heime verbonden voorschriften betrekking hebbende op weder zijdsch hulpbetoon, en vertoonen veel gelijkheid. Hieronder volgt een verkorte inhoud van de 36 artikelen van den eed van het Hungverbond J ). Art. 1. Eert uwen vader en uwe moeder. „ 2. Verraad niet de geheimen van het Hungverbond. „ 3. Maak onder de broeders geen onderscheid in rang en stand. „ 4. Beleedig geen Boeddha of Tao-priesters, immers de vijf stichters van het verbond waren priesters. „ 5. Verleid niet de vrouw of concubine van eenen broeder o). „ 6. Spreek geen lastertaal. „ 7. Beschouw de zaken van uwen broeder als uwe eigene; verraad hen niet als zij smokkelen, rechten ontduiken of handeldrijven in gesmokkelde goederen. „ 8. Verleen huisvesting aan rondreizende broeders. „ 9. Leef in vrede en eendracht met uwe broeders. „ 10. Staat elkander bij tot in den dood. „ 11. Steun uwe arme broeders geldelijk. „ 12. Doe geen valsche opgaven aan het Hungverbond. „ 13. Help uwe broeders bij vechtpartijen. „ 14. Indien er brandstichting, roof of plundering heeft plaats gehad, en uw ambt brengt mede dat gij er tegen moet optreden, zie dan eerst naar de gegeven kenteekenen uit, opdat bekend zij of er onder de daders zich wellicht broeders bevinden. 1) Zie G. Schlegel: „The Hung-league", blz. 135. a) Een der ingewijden van het geheime verbond in Mampawa deelde mij mede, met bamboeslagen door het bestuur er van te zijn gestraft, wegens overspel, hoewel hij zich verantwoord had met te zeggen, dat hij geen vrouw van eenen broeder, maar eene vrouw van een Chinees, die geen lid van het genootschap was, verleid had en dit volgens de eedsbepalingen niet ver boden was. 407 Art. 15. Help eenen broeder te ontsnappen, als hij voor het gerecht getrokken wordt of als er een prijs op zijn hoofd gesteld is. „ 16. Beschouw eene overtreding van art. 15 als het zwaarste misdrijf tegen onze wetten. De overtreder zal daarom na gedood te zijn nog onthoofd worden. „ 17. Betrek uwe mede-broeders niet in het ongeluk, indien gij zelf door eigen schuld er in zijt geraakt. „ 18. Werp u niet op tot bestuurslid zonder daartoe door de algemeene vergadering van leden gekozen te zijn. „ 19. Handel als bestuurslid rechtvaardig. „ 20. Zorg goed voor de u toevertrouwde brieven, gelden en goederen van de buitenslands vertoevende broederen. „ 21. Geef geen inzage aan vreemden van de statuten en bewijzen van lidmaatschap van het verbond. „ 22. Breng uwe geschillen met andere broeders niet voor de plaatse lijke autoriteiten, doch voor een raad van broeders. „ 23. Vergeet oude twisten na uwe toetreding tot het verbond. „ 24. Roep de broeders bijeen ter hulpe, indien een uwer familieleden met een vreemde twist. „ 25. Getuig nooit ten gunste van eenen vreemdeling indien deze een uwer broeders voor den rechter daagt. „ 26. Span niet met vreemden samen om een uwer broeders te berooven. „ 27. Laat geen politiedienaren heimelijk tot de vergadering toe. „ 28. Steun uwen broeder bij het zoeken van zijne goederen als hij be stolen is. „ 29. Aanvaard de beslissing die het bestuur van het verbond aan uwe geschillen geeft. „ 30. TJit geen oneerbare taal jegens de vrouw of concubine van uwen broeder. „ 31. Wees niet oneerbiedig jegens de ouders van uwen broeder. „ 32. Zorg voor de vrouw en de kinderen van uwen broeder, die on verwachts in moeilijkheden met de plaatselijke autoriteiten is gekomen. „ 33. Ontvang gastvrij de agenten der broederschap, die op reis zijn voor het inwinnen van berichten. „ 34. Draag bij voor de viering van den geboortedag van den heiligen Kwanti, voor den dag van het reinigen der graven, en den dag van allerzielen. „ 35. Wees ten allen tijde eensgezind. „ 36. Beschouw elkander als kinderen van ééne familie en volg de voor schriften van deze 36 artikelen op. Na voorlezing van den eed en al de straffen verbonden aan de overtreding van de verschillende artikelen (stokslagen, af snijden der ooren, en zelfs de doodstraf op enkele overtredingen) staan de broeders op ten einde den eed door het storten van bloed te bekrachtigen. Men zet eerst thee, waarmede de nieuwe leden 408 hunne monden omspoelen en reinigen; vervolgens wordt er een groote bokaal met wijn gevuld. De broeders nemen nu een zilveren naald en prikken zich zelf in den middelvinger en laten eenige druppels bloed in de bokaal met wijn vallen. Hierna drinkt elk een teug uit die bokaal, de zoogenaamde „ceremonie van het drinken van den wijn met bloed." De nieuwe leden slaan nu elk een witten haan den kop af, terwijl hierbij, evenals bij alle vorige ceremoniën, toepasselijke versregels worden gereciteerd. De nieuwe leden worden buiten de Westelijke poort gebracht, waar een vuur brandt. Het papier, waarop de eed geschreven staat, wordt op het vuur geworpen en verbrand. Men denkt dat op deze wijze de eed de goden bereikt, die hen, die mein eedig worden, wel zullen weten te straffen. Aan de nieuwe leden worden nu ten slotte de bewijzen van lidmaatschap gegeven, tegelijk met een boek, bevattende de be palingen van den eed, de wetten en statuten, en de geheime ken teeken en van het verbond. Feestelijkheden besluiten de geheele plechtigheid. In de Westerafdeeling van Borneo worden na afloop der plech tigheid de Maleiers, die tot leden van het verbond zijn toege treden, alsnog bijeengeroepen om den zooeven afgelegden eed te bekrachtigen. Dit geschiedt ten overstaan van een der Maleische leden, die het meest met alle voorschriften bekend is. Het heilige boek, de Qoran, wordt in een kom met water gedaan en alle nieuwe leden drinken van dit water. De Bajaksche leden moeten ook hunnen afgelegden eed be vestigen, doch dit geschiedt op de gewone Dajaksche manier van eedsaflegging. Wetten en statuten van de broederschap ')■ Volledige lijst van de 72 artikelen der wet van het Hungverbond. Abtikkl 1. De broeders van het Hungverbond moeten hunne ouders eerbiedigen en gehoorzamen, en in vrede en eendracht leven met hunne broeders. Hij die zijn vader en moeder smaadt, of de ouders van een broeder belee digt, zal met 108 harde slagen worden gestraft. 1) Zie G. Schlegel: „The Hung-league", blz. 152 en vgd. 409 Artikel 2. De broeders van het Hungverbond moeten goedaardig, rechtvaardig, be langloos en zedig zijn. Hij, die de vrouw of dochter van een broeder verleidt, zal bij ontdekking gestraft worden met den dood. Artikel 3. De broeders van het Hungverbond moeten volgens de wet handelen. Indien een beginsellooze broeder stoeit met de vrouw of dochter van een broeder, zal hem bij ontdekking door een anderen broeder, een zijner ooren worden afgesneden. Artikel 4. Indien er verraders onder de broeders van het Hungverbond zijn, zullen van hen, die den prijs, op een broeder gesteld, aannemen en daardoor dezen Btraf berokkenen, beide ooren worden afgesneden. Artikel 5. Indien een broeder van het Hungverbond weet, dat een andere broeder gedurende diens leven een moord heeft begaan, dan wel schepen of gebouwen in brand heeft gestoken, en hij neemt verraderlijk, tot schade van het leven van dien broeder, de uitgeloofde belooning aan, dan zal hij gedood worden. Artikel 6. Indien een broeder van het Hungverbond zoo slecht is om geld, kleeren of eigendommen van een anderen broeder te stelen, zal hij gestraft worden met het verlies van een oor, indien het feit ontdekt en bewezen wordt. Artikel 7. Indien een broeder van het Hungverbond buitenslands gaat en zijn vrouw en kinderen aan een anderen broeder heeft toevertrouwd, en deze broeder, na die personen eerst goed behandeld te hebben, later niet meer voor hen zorgt, en hen uit zijn huis zet en daardoor de vrouw en kinderen van een broeder de ellende van hongerlijden en koude laat ondergaan, dan is dit gelijk het beginnen van iets zonder het te voleindigen, en een broeder die zoo handelt zal gestraft worden met het verlies van een oor. Artikel 8. (Dit artikel is in de origineele tekst weggelaten). Artikel 9. (Ook dit artikel is weggelaten, alleen de straf van 108 slagen wordt vermeld). Artikel 10. Indien een broeder van het Hungverbond, die een misdaad heeft begaan, het huis van een broeder binnen treedt en dezen verzoekt hem te helpen over de grenzen te ontsnappen, en indien deze broeder hem dan niet helpt over de grenzen te ontsnappen, doch integendeel hem znlks belet, zal hij gestraft worden met het verlies van een oor. 410 Artikel 11. Indien een broeder een vreemde voor een broeder doet doorgaan ten tijde dat er vergadering wordt gehouden en hem zoo doende de vergaderzaal binnen leidt opdat hij de formaliteiten en ceremoniën kan zien, en het geheim op deze manier uitlekt, dan zal die broeder gestraft worden met den dood. Artikel 12. Indien een broeder van het Hungverbond zonder daarvoor volmacht of bevelen gekregen te hebben of zonder voorkennis der broeders in het geheim vergadering houdt en zich de functies van Hoofd van het verbond aanma tigt, zal hij gestraft worden met den dood. Artikel 13. Indien een broeder van het Hungverbond op den dag, dat eene vergadering is uitgeschreven, den magistraten den weg wijst om den President en den Ceremoniemeester van het verbond te vatten en leed veroorzaakt aan alle broeders, zal hij gestraft worden met 360 harde slagen en daarna gedood worden. Artikel 14. Indien een broeder van het Hungverbond depêches of brieven heeft ont vangen van de loges van de twee hoofdsteden of de dertien provincies, ten doel hebbende de leden op te roepen en hij overhandigt die brieven niet aan den President, doch behoudt en opent ze zelf, dan zal hij gestraft worden met den dood. Artikel 15. Indien een broeder van het Hungverbond, wetende dat een andere broeder door vreemden is gedood, heimelijk diens geld en goederen steelt, in plaats van de broederschap daarmede in kennis te stellen, opdat zij hem kan wreken, zal hem een zijner ooren worden afgesneden. Artikel 16. Indien een broeder buitenslands is gegaan en zijn vrouw of dochter pleegt overspel met een ander, en indien een andere broeder zich door hen laatom koopen en de broeders er niet mede in kennis stelt, opdat dezen hen kunnen vatten, zal hem een zijner ooren worden afgesneden. Artikel 17. Indien de eene broeder aan den anderen brieven toevertrouwt om die naar zijn familie over zee te brengen, en indien deze broeder het geld of de brieven steelt of de goederen verwisselt, zal hij een oor verliezen. Artikel 18. Indien een broeder van het Hungverbond clandestien het diploma, het handboek en de grondbeginselen aan andere menschen leent om daarvan voordeel te genieten, of wel ze voor geld verkoopt, en de geheimen verraadt, zal hij gestraft worden met den dood. Artikel 19. Indien een broeder van het Hungverbond, de wetten en statuten over- 411 tredende, heimelijk de herkenningsteekens en gebruiken van het Hungverbond aan vreemden openbaart, zal hij gestraft worden met 108 harde slagen. Artikel 20. Indien een broeder van het Hungverbond ziet dat een andere broeder twist of vecht met een lid van zijn eigen familie, moet hij tusschonbeiden komen en hen aanmanen op te houden. Hij die zijn eigen bloedverwanten helpt en roekeloos zijn broeder slaat, zal gestraft worden met 108 harde slagen. Artikel 21. Indien een broeder van het Hungverbond met een anderen broeder twist over een jongen en welgemaakten jongen, of met een jongeren broeder tegen natuurlijke ontucht bedrijft, zal hij, indien zulks ontdekt wordt, gestraft worden met den dood. Artikel 22. Indien broeders van het Hungverbond gezamenlijk naar een bordeel gaan en twisten over eene prostituee of een schandknaapje, zoodat zij eikaars vijanden worden en door de anderen worden beschimpt, zullen zij elk met 36 slagen worden gestraft. Hij, die den eenen broeder geholpen heeft om den anderen broeder te slaan, zal gestraft worden met 72 slagen. Artikel 23. Indien een broeder van het Hungverbond valschelijk en kwaadaardig andere broeders door leugens en bedriegelijke taal overhaalt naar het Hof te gaan en hen daardoor tot onverzoenlijke vijanden maakt, zal hij gestraft worden met 108 harde slagen. Artikel 24. Indien een broeder van het Hungverbond geld verzamelt onder een val schen naam, of onder valsche voorwendsels contributies int van de broeders, en dit geld steelt ten einde het zelf te gebruiken, zal bij gestraft worden met 108 harde slagen. Artikel 25. Indien een broeder van het Hungverbond het lijk van een anderen broeder langs den weg ziet liggen en dit lijk niet begraaft, maar het voor dat doel van de broeders ingezamelde geld verspilt, zal hij wegens oplichting beide ooren verliezen. Artikel 26. Indien de broeders van het Hungverbond zien dat een broeder wegens een gepleegde misdaad door de soldaten van het gouvernement wordt gegrepen en weggevoerd, en dit niet beletten of dien broeder met geweld bevrijden, zullen zij gestraft worden met 108 harde slagen. Artikel 27. Indien broeders van het Hungverbond gezamenlijk reizen of slapen en er dan slechte menschen komen die hun leed willen doen, moeten zij elkander bijstaan. 412 Indien de een zich om den ander niet bekommert, en het gevaar, toevallig tevoren bemerkende, zelf ontvlucht, maar zijn broeder laat mishandelen, zal hij gestraft worden met 108 harde slagen. Artikel 28. Indien een broeder van het Hungverbond, hunkerende naar buitengewone voordcelen, een anderen broeder door mooie praatjes diens geld, kleederenof goed afhandig maakt en daarmede het land uitvlucht, zal hij, indien hij ont dekt en gevat wordt, gestraft worden met het verlies van een oor. Artikel 29. Indien een broeder van het Hungverbond de mannelijke en vrouwelijke slaven, of de kinderen en dochters van een anderen broeder rooft, of diens ossen en paarden wegneemt en die in een ander district of eene andere plaats verkoopt, zal hij gedood worden. Artikel 30. Indien een broeder van het Hungverbond geld, kleederen of goederen van een anderen broeder heeft geleend, moet hij die terug geven. Indien hij , op zijn macht vertrouwende, ze niet teruggeeft en zijn broeder beleedigt of slaat, zal hij gestraft worden met 72 harde slagen. Artikel 31. Indien een broeder, ten tijde dat er eene vergadering wordt gehouden, een nieuw lid wenscht te introduceeren om aangenomen te worden , moet hij eerst goede inlichtingen inwinnen. Indien dit nieuwe lid vroeger de oorzaak is geweest dat een broeder van het verbond zijn leven heeft verloren, zullen, dit nieuwe lid en hij die hem geïntroduceerd heeft, beiden worden gedood. Artikel 32. Indien een broeder van het Hungverbond met een opziener der landerijen het beheer heeft over de opbrengst der landen en over de landbouwwerktuigen, en indien zij met andere menschen samenspannen om de landbouwwerktuigen te stelen en zoodoende een broeder nadeel berokkenen, zal die broeder ge straft worden met 108 harde slagen. Artikel 33. Indien een broeder van het Hungverbond heimelijk met andere lieden samenspant om een anderen broeder te bedriegen , of wel hij berooft gezamenlijk met anderen een der broeders, zoo zal hy gestraft worden met 108 harde slagen. Artikel 34. Indien een broeder van het Hungverbond ziet dat een andere broeder twist of vecht met een vreemde, en hij komt niet tusschenbeiden en helpt hem met al zijn macht, doch staat integendeel den vreemdeling bij, dan zal hij gestraft worden met 108 harde slagen. Artikel 35. Indien een broeder van het Hungverbond ter zake van dringende en ge wichtige zaken door den President en den Ceremoniemeester is opgeroepen en 413 nog niet verschijnt na drie malen te zyn aangemaand, zal hij gestraft worden met 360 harde slagen. Voor het geval hij, steunende op zijn macht, de vier „ Grooten" 1) heeft ge slagen, zal hij bovendien nog met 108 harde slagen worden gestraft. Artikel 36. Indien een broeder van het Hungverbond schriftelijk of mondeling den Pre sident of den Ceremoniemeester heeft beleedigd, of valschelijk heeft beschul digd hetzij de vier „Grooten" hetzij hen die „bloemen op hun hoofd hebben", 2) zal hij gestraft worden met 108 harde slagen. Artikel 37. Indien een broeder van het Hungverbond goederen heeft geconsigneerd aan een anderen broeder of hem geld heeft overhandigd ten einde in andere landen er mede handel te drijven, en indien deze tweede broeder trouweloos en oneerlijk is, en na veel voordcelen er mede behaald te hebben, valschelijk beweert dat hij er mede verloren heeft, en zoo doende een broeder oplicht, zal die tweede broeder gestraft worden met 108 harde slagen. Artikel 38. Indien een broeder van het Hungverbond tijdelijk zijne handelsboeken heeft toevertrouwd aan een anderen broeder, en indien deze laatste broeder valsch en oneerlijk is en door valsche boekingen zijnen broeder oplicht, zal die laatste broeder gestraft worden met 72 harde slagen. Artikel 39. Indien een broeder van het Hungverbond een winkel geopend heeft en daarmede voordeel heeft behaald, en er komt dan een ellendeling die steu nende op zijn macht, van den winkelier geld leent en dezen daarvoor oplicht, zoodat de man in wanhoop zijn winkel sluit, zal die ellendeling gestraft worden met 72 harde slagen. Artikel 40. Indien broeders van het Hungverbond geen handel of ambachten uitoefenen, doch zich in benden van drie of vijf man vereenigen en door hun ongeregeld gedrag rampen veroorzaken en hunne broeders daarin betrekken, zullen zij gestraft worden met 36 harde slagen. Artikel 41. Indien een broeder van het Hungverbond met een anderen broeder twist over geld of rekeningen of over de grenzen van hunne landerijen, velden, huizen of gebouwen, en indien hij niet naar de rechtszaal gaat om de zaak te brengen voor den President en den Ceremoniemeester, doch heimelijk de politie roept en zijn broeder laat gevangen nemen, zal hij gestraft worden met 36 harde slagen. Artikel 42. Indien een broeder van het Hungverbond, wetende dat een andere broeder op het punt is van te trouwen of met zijn handel voordeel te behalen, diens 1) Zie blz. 401 laatste regel. 2) Zie blz. 401 regel 5 v. o. 414 zaak ruïneert of verijdelt, wegens een vroegere vijandschap, zal hij gestraft worden met 108 harde slagen. Artikel 43. Indien broeders van het Hungverbond handeldrijven moeten zij inschikke lijk zijn; hij, die het eerst komt, gaat voor; hij, die later komt, volgt. Indien echter een kwaadgezinde wegens stijfhoofdigheid hooger prijzen biedt, zal hij gestraft worden met 21 slagen. Artikel 44. Indien een broeder van het Hungverbond, wetende dat de vader of moeder van een broeder gestorven is, op den begrafenisdag rustig thuis blijft en opzettelijk de begrafenis niet bijwoont, zal hij gestraft worden met 108 harde slagen. Artikel 46. Indien een broeder van het Hungverbond, wetende dat een andere broeder of diens vader of moeder is gestorven, terwijl het hem bekend is dat de familie arm is en geen geld heeft om de onkosten der begrafenis te betalen, doch, hoewel zelf rijk zijnde, te gierig is om geldelijke ondersteuning te geven, zal hij gestraft worden met 108 harde slagen. Voor het geval echter, dat hij, bevolen zijnde om te contribueeren, opzette lijk weigert geld voor de begrafeniskosten te geven, zal hij gestraft worden met 72 slagen. Artikel 46. Indien een broeder van het Hungverbond ziet, dat een andere broeder die bij hem thuis is, ellendig en ziek is, en hij dezen toch wreedelijk en harteloos slaat en, hem bespugende, de deur uitzet, zal hij gestraft worden met 72 slagen. Artikel 47. Indien een broeder van het Hungverbond ziet, dat de velden, landerijen, huizen, gebouwen, goederen en werktuigen van een overleden broeder door vrekkige edelen ontstolen worden aan zijn zoon of door machtige families worden geconfisceerd, terwijl de zoon slecht behandeld en beleedigd wordt, en indien dan die broeder niet de eerste is om dien zoon krachtdadig te wreken, zal hij gestraft worden met 108 harde slagen. Artikel 48. Indien een broeder van het Hungverbond ten tijde dat er publieke zaken te behandelen zijn, beloofd heeft met de geheele broederschap op een be paalden dag en plaats samen te komen om zich met elkaar te vereenigen en aan het werk te gaan, dan toch thuis blijft, hetzij omdat hij op zijn eigen gemak gesteld is, hetzij hij bang is voor den dood, en niet zijn huis durft te verlaten om er heen te gaan, zoo zal hij gestraft worden met 108 harde slagen. Artikel 49. Indien een broeder van het Hungverbond weet dat de broeders op een zeetocht zullen gaan, en hij verklapt verraderlijk het geheim zoodat de broe- 415 ders door anderen worden gevangen genomen, zal hij gestraft worden met den dood. Artikel 50. Indien een broeder van het Hungverbond te weten is gekomen dat een andere broeder met veel goud, zilver of goederen langs een bepaalde plaats zal gaan en hij spant dan heimelijk samen met andere lieden of met de politie om hem te berooven, zal hij gedood worden. Artikel 51. Indien een broeder van het Hungverbond met een anderen broeder deelge noot is in een zaak, en zij hebben veel geld verdiend, doch hij verheimelijkt valschelijk die winsten en vertrekt naar een andere plaats om die winsten voor zich alleen te genieten, zal hij gestraft worden met 108 harde slagen en het verlies van een oor. Artikel 52. Indien een broeder van het Hungverbond met een anderen broeder de zee oversteekt en hij, ziende dat zijn broeder veel geld heeft, daar begeerige blikken op werpt, en zijn broeder door een verraderlijk plan doodt, en diens goud en zilver zich toeeigent, zal hij gestraft worden met den dood. Artikel 53. Indien een broeder van het Hungverbond ziende, dat de vrouw of de bijzit van een anderen broeder jong is en er goed uitziet, op zijn macht steunende, zoodat de andere broeder hem niet durft te weerstreven, haar zich toeöigent en tot zijne vrouw maakt, dan zal hij gestraft worden met den dood. Artikel 54. Indien een broeder van het Hungverbond, door onwettige middelen en verleidelijke taal de vrouw en kinderen van een broeder, die buitenslands ge gaan of gestorven is, overhaalt met hem ergens anders heen te gaan en hij verkoopt hen daar dan als slaven, dan zal hij zoo lang worden geslagen tot de dood er op volgt. Artikel 55. Indien een broeder van het Hungverbond, wetende , dat een andere broeder tijdens diens leven veel goud en zilver en waardevolle voorwerpen heeft ver zameld, en dezen broeder ten tijde dat deze bij hem zijn intrek heeft genomen, vergiftigt, zoo zullen hem de vier ledematen worden afgesneden. Artikel 66. Indien een broeder van het Hungverbond een twist, woordenstrijd of ge vecht met een anderen broeder heeft gehad , en hij vernielt dan uit weerwraak diens schepen, huis of winkel, dan zal hij gestraft worden met 108 slagen en het verlies van beide ooren. Artikel 57. Indien een broeder van het Hungverbond met een ouderen broeder twist heeft gehad, en uit wraak geld geeft aan roovers en dieven, hun opdragende 416 dien broeder leed te doen, en nu op deze wijze voldoening geeft aan den ge heimen wrok van zijn hart, dan zal hij gestraft worden met het verlies van een oor. Maar indien hij den last gegeven heeft zijnen broeder van het leven te berooven, zal hij zelf gedood worden. Artikel 58. Indien een broeder van het Hungverbond een misdaad heeft begaan en gevat is door de autoriteiten zoodat hij de kwellingen der gevangenisstraf ondergaat, en daarna de andere broeders geld hebben bijeengebracht en dit geld aan een broeder hebben toevertrouwd opdat deze het gebruike ter ver krijging van verandering of vermindering van straf, en als dan die laatst bedoelde broeder het hem toevertrouwde geld in zijn eigen zak steekt, zal hij ter dood worden gebracht. Artikel 59. Indien een broeder van het Hungverbond iemand in het algemeen belang heeft gedood, en daarna tracht te ontsnappen naar een ander district of land, en indien dan een verrader uit wraak heimehjk andere personen hiermede in kennis stelt zoodat die broeder gevat wordt, zal die verrader gedood worden. Artikel 60. Indien een broeder van het Hungverbond de publieke gelden of goederen steelt, of wel het geld, dat hij ten algemeenen nutte heeftverzameld,heime lijk gebruikt, zal hij gestraft worden met het verlies van een oor. Artikel 61. Indien een broeder van het Hungverbond trouweloos en oneerlijk is en valschelijk en verraderlijk het zegel, do wetten en statuten heimehjk verkoopt om geld te verkrijgen, zal hij gestraft worden met het verlies van zijn leven. Artikel 62. Indien een broeder van het Hungverbond trouweloos en slecht is, en be lust op groote winsten, inlichtingen geeft ten voordeele van een vreemdeling, maar ten nadeele van een broeder, zal hij gestraft worden met het verlies van een oor. Artikel 63. Indien een broeder van het Hungverbond met een anderen broeder heeft getwist of gevochten omtrent geld, rekeningen of goederen en zij zich be geven hebben naar de gerechtszaal om den President en den Ceremonie meester te verzoeken hunne zaak te onderzoeken en er een beslissing over te geven, als dan iemand hebzuchtig geld heeft aangenomen van dengene, die ongelijk heeft, om toch ten diens voordeele te getuigen, zal hij gestraft worden met 108 slagen. Artikel 64. Indien een broeder van het Hungverbond kalm thuis blijft bij het feest van een der goden, of ten tijde dat er eene vergadering wordt gehouden, terwijl hij een bestuurslid is, aan wien het recht is verleend een gouden bloem op het hoofd te dragen, na drie malen te zijn opgeroepen, nog niet komt, dan zal hij gestraft worden met 18 slagen en zijn bloem zal hem ont nomen worden. 417 Artikel 65. Indien er onder de broeders van het Hungverbond trouwelooze en slechte menschen zijn, die, op hun overmacht steunende, het wagen den President of den Ceremoniemeester te beleedigen, bedriegen, stompen of slaan, of zulks doen aan de andere hoofden en de vier Grooten, zullen zij 36 slagen ontvangen en ook nog volgens de wet gestraft worden met 72 slagen. Artikel 66. Indien een broeder van het Hungverbond een oneerlijke en onwettige daad heeft begaan en opgeroepen is om daaromtrent te worden onderzocht, en hij weigert trotsch en hooghartig om te komen en de wet te gehoorzamen, zal hij voor die weigering gestraft worden met 36 slagen. Artikel 67. Indien een broeder van het Hungverbond, ziende, dat de vrouw of kinderen van een overleden broeder beleedigd of mishandeld worden door anderen en, hoewel er vlak naast wonende, onverschillig er naar blijft kijken en opzettelijk de broeders geen kennis er van geeft, opdat zij hen kunnen wreken, zal hij gestraft worden met 21 slagen. Artikel 68. Indien een broeder van het Hungverbond na zijn toetreding dubbelhartig naar macht en gezag hunkert, en daarom naar een ander genootschap overgaat en het boek aan anderen geeft om het te doen verbranden of ver nietigen, zal hij ter dood worden gebracht. Artikel 69. Indien een broeder van het Hungverbond slechte menschen het verbond binnenleidt op een dag dat er een vergadering gehouden wordt, zonder te voren zorgvuldig en naar waarde onderzoek naar hen gehouden te hebben, doch integendeel clandestien geld aanneemt met het doel hen als leden te doen aannemen, zal hij gestraft worden met het verlies van een oor. Artikel 70. Indien een broeder van het Hungverbond een „kleinen vriend" (schand knaapje) het verbond heeft binnengeleid, en zij verbeteren zich daarna niet, doch handelen als te voren, waardoor zij het Hungverbond eene slechte repu tatie bezorgen, dan zullen beiden ter dood worden gebracht. Artikel 71. Indien aan een broeder van het Hungverbond zijn toevertrouwd de vrouw en kinderen van een anderen broeder, en hij neemt in onzalig begeeren geld aan van een kennis of vriend, terwijl hij, zijn oogen afwendende, toestaat dat deze met haar overspel pleegt, dan zal hij ter dood worden gebracht. Artikel 72. Indien aan een broeder van het Hungverbond zijn toevertrouwd de vrouw, kinderen en de eigendommen van een overleden broeder, en hij koestert later 27 418 slechte gedachten en noodzaakt haar om te hertrouwen x ), opdat hij hare eigendommen kan verkrijgen, zal hij gestraft worden met het verlies van een oor. C. DE MAATREGELEN IN NEDERLANDSCH-INDIË GENOMEN TOT WERING VAN CHINEESCHE GEHEIME GENOOTSCHAPPEN. De Nederlandsch-Indische regeering trad voor het eerst tegen de Chineesche geheime genootschappen op in het jaar 1851. De aanleidende oorzaak vermeldden wij reeds op blz. 182. In Stbl. 1851, N°. 65 vinden wij de volgende PUBLICATIE. Van wege en in naam des Konings. De Gouverneur-Generaal van Neder landsch-Indië , Den Kaad van Nederlandsch-Indië gehoord: Aan allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Dat hij, in ervaring gekomen zijnde van het bestaan van geheime genoot schappen of broederschappen onder de in Nederlandsch-Indië gevestigde Chineesehe bevolking, bij deze allen, wien zulks mocht aangaan, bekend maakt, dat zoodanige genootschappen of broederschappen, wier doel wel dadig of onschadelijk is, van regeeringswege kunnen worden geduld; doch dat al dezulken, welker strekking maar eenigermate zou kunnen leiden tot aanranding of ondermijning van het wettig gezag, hetzij door aanwending van middelen, strijdig met de voorwaarden, waaronder de Chineezen in deze gewesten zijn toegelaten, hetzij door in de waagschaal te stellen de rust der onder 's Gouvernement's bescherming staande bevolking, met klem zullen worden tegengegaan en derzelver deelnemers onvoorwaardelijk uit Nederlandsch- Indië zullen worden verwijderd; wordende mitsdien een iegelijk bij deze ge waarschuwd, zich van alle deelname daaraan te onthouden. En opdat niemand hiervan onwetendheid voorwende, zal deze alom, zoowel in de Nederlandsche als in de Chineesehe talen worden afgekondigd en aan geplakt, enz. Gelast en beveelt voorts, dat alle hooge en lage collegieën en ambtenaren, justicieren en officieren enz. enz. Gegeven te Buitenzorg, 8 November 1851. Düïmakr van Twist. Ter ordonnancie van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië. De Algemeene Secretaris, A. Prins. 1) Volgens de Chineesche wet is eene weduwe, die hertrouwt, verplicht aan hare kinderen af te geven de eigendommen vanharen eersten echtgenoot, die gedurende haar weduwschap door haar zijn beheerd. 419 De onvoorwaardelijke verwijdering van alle deelnemers uit Nederlandsch-Indië is sedert de inwerkingtreding van het Regee ringsreglement van 1854 niet meer mogelijk. Raadpleegt men de artikelen 45, 46, 47 en 48 van bedoeld Regeeringsreglement, dan ziet men dat de Regeering eene mildere politiek heeft te volgen tegenover de deelnemers aan de Chineesehe geheime ge nootschappen, voortvloeiende in de eerste plaats uit de om standigheid , dat er onderscheid wordt gemaakt tusschen Chineezen uit China afkomstig en Chineezen in Nederlandsch-Indië geboren, welke laatste niet uit de kolonie kunnen worden verwijderd, maar aan wie het verblijf in zeker deel daarvan kan worden ontzegd; en in de tweede plaats uit het bij art. 48 toegekende recht van verdediging, waardoor het onvoorwaardelijke der ver wijdering wordt geneutraliseerd. Voorts zijn op hen, die deelnemen aan geheime genootschappen of broederschappen, die de strekking hebben van samenspan ningen enz. tot aanranding van het gezag, bedoeld in het Wet boek van Strafrecht voor Inlanders en daarmede gelijkgestelden, de straffen, gesteld op misdrijven tegen de inwendige veiligheid van Nederlandsch-Indië, ook zeker van toepassing. Werden de aangegeven beginselen als algemeen voor Neder landsch-Indië geldende beschouwd, in 1885 schijnt men voor eene enkele Residentie, met name de Oostkust van Sumatra, eene wijziging noodig geacht te hebben. Voor enkele afdeelingen in die Residentie toch werd een keur in het leven geroepen, waarbij politioneele straf werd gesteld op het deelnemen aan eenig geheim genootschap. (Zie de keur in noot 1 hieronder). Hoewel de keur, naar de letter beschouwd, het bestaan van 1) De Resident der Oostkust van Sumatra: Overwegende, dat het hem noodzakelijk is voorgekomen maatregelen te nemen tot wering van het gevaar, dat voor de openbare rust en orde in de afdeeling Dcli zoude kunnen voort spruiten uit het bestaan van geheime genootschappen onder de Chineesehe bevolking; Gelet op art. 72 van het Reglement op het beleid der Regeering van Ned.- Indië, zoomede op het bepaalde bij Stbl. 1851 n°. 65; Maakt aan de ingezetenen van dat gewest bekend: Dat door hem is vastgesteld de navolgende verordening: Bepalingen tot wering van geheime genootschappen onder de Chineezen is de afdeeling Deli. 42 de Spaansch-Amerikaansche koloniën het voorbeeld der Engel sche. Een andere vorm van slavenhandel trad op, waaraan eerst een einde werd gemaakt toen, nadat een Chineesche commissie in 1874 de schandelijke misbruiken in Cuba en Peru had aan het licht gebracht, de Chineesche regeering de emigratie daarheen geheel verbood. Intusschen waren er in de voorafgaande 20 jaren ongeveer een millioen Chineezen daarheen getranspor teerd, van wie er slechts weinigen naar hun vaderland zijn teruggekeerd. De Engelsche regeering had de immigratie in Britsch-Guyana en Trinidad aan zeer strenge maatregelen onderworpen, waar door de invoer van Chineesche koelies zeer duur werd en weinig plaats vond. Er bevinden zich thans in Britsch-Guyana 4400 en in Trinidad 2200 Chineezen, in Cuba 90.000 en in Peru 37.000. Emigratie van Chineezen zonder contract had na de ontdekking der Californische goudvelden in grooten getale daarheen plaats. De immigranten bleven er slechts korten tijd; na eenige jaren harden arbeid keerden zij met hunne spaarpenningen terug. In 1852 bedroeg hun aantal 25000 en hoewel er jaarlijks 9 a 10.000 nieuwelingen kwamen, vertrokken er ook zoo velen, dat in 1880 hun aantal slechts 105.465 bedroeg. De Californische arbeider begon toen in den Chinees een geduchten concurrent te zien, en toen daarop de wetgever tegen de Chineesche immigratie optrad, leidde dit, zooals bekend is, tot eene algeheele uitsluiting der lagere klassen der Chineesche immigranten. Het aantal Chineezen in de Vereenigde Staten bedroeg in 1900 89.863; hiervan woonden er 60.000 in Californië, de rest was overal verspreid, hoofdzakelijk in de grootere steden. In Hawaï waren er in hetzelfde jaar 25.757 Chineezen en in Alaska 3116. In Canada heeft men getracht de immigratie der Chineezen door een hooge belasting bfj aankomst tegen te gaan. Toch is hun aantal van 4383 in 1880 gestegen tot 11000 in 1900. De belasting is derhalve in de laatste jaren van $ 100 per hoofd gebracht op $ 500. Naar Midden-Amerika en West-Zuid-Amerika is de Chineesehe emigratie altijd zeer gering geweest. Men vindt aldaar dan ook niet meer dan 10,000 Chineezen. In de laatste jaren heeft men evenwel voor de werken aan het Panamakanaal Chineesehe koelies ingevoerd, met de bedoe- 420 geheime genootschappen overeenkomstig het eerste gedeelte der publicatie van 1851 uitsluit, en alle geheime genootschappen als gevaarlijk voor de rust en orde schijnt te signaleeren, wijst toch het verloop van haar ontstaan uit, dat alléén bedoeld is haar te doen aanmerken als eene aanvulling van het tweede ge deelte van vorenbedoelde publicatie van 1851. Genootschappen met een gebleken onschadelijke strekking, waaronder verstaan schijnen te worden al de onder Chineezen bekende vereenigingen tot armverzorging, bevordering van zede lijke en geestelijke ontwikkeling of wel de begrafenisfondsen, Eenig artikel. Met ten arbeidstelling aan de publieke werken, voor den kost zonder loon van ten hoogste drie maanden wordt gestraft ieder Chinees: I°. die in het bezit wordt gevonden van eenig document, geschrift, em bleem of stempel, afgegeven door of vanwege eenig Chineesch geheim ge nootschap hetzij voor hem zelven, hetzij ten behoeve van anderen; 2°. die gebruik maakt van eenig onderscheidings- of herkenningsteeken met het kennelijk doel om zich als lid van eenig Chineesch geheim genoot bekend te maken; 3°. die bijeenkomsten van leden van een Chineesch geheim genootschap aanvoert of leidt, zoomede die zoodanige bijeenkomsten in zijne woning of op zijn erf toelaat, of op eenige wijze begunstigt, en die van het houden of bijeenroepen van zoodanige bijeenkomsten kennis dragende, verzuimt het bestuur daarvan kennis te geven, alles onverminderd het bepaalde bij de nummers 1 en 2 van art. 3 van het algemeen politie-strafreglement voor In landers (Staatsblad 1872 n°. 111); 4°. die op eenigerlei wijze iemand tracht over te halen tot het toetreden tot een Chineesch geheim genootschap; s°. die aan Chineesehe geheime genootschappen geldelijken steun verleent of te hunnen behoeve tracht te verkrijgen; 6°. die, onder welken vorm ook handelingen verricht, welke de strekking hebben om het bestaan of de uitbreiding van Chineesehe genootschappen in de hand te werken. En opdat niemand, enz. enz. Gedaan te Laboean Dcli den 31 en October 1884. De Resident ter Oostkust van Sumatra, Kboksbn. De Secretaris, P. J. Kooreman. Deze keur werd afgekondigd in de Javasche Courant van 6 Juni 1885 n". 46 en vervolgens toepasselijk verklaard voor de afdeelingen Asahan en Laboean- Batoe, hetgeen werd bekend gemaakt in de Javasche Courant van 15 Sept. 1885 n°. 74. 421 alle lichamen aan welke op daartoe strekkend verzoek zelfs van regeeringswege rechtspersoonlijkheid wordt toegekend, schij nen te worden geduld; trouwens, die genootschappen zijn zelden geheim. Alleen genootschappen, welke aanleiding kunnen geven tot verstoring van rust en orde, schijnen verboden te zijn. In de publicatie van 1851 nu wordt aangegeven, dat deelne mers aan de laatstbedoelde genootschappen onvoorwaardelijk uit de kolonie moeten worden verwijderd. Dit scheen — ook na in verband gebracht te zijn met de voren aangegeven artikelen van het Regeerings-Reglement — ter Oost kust van Sumatra niet altijd uitvoerbaar te zijn geweest. Door het groote aantal van deelnemers toch zou de consequente uit voering van het decreet gelijk staan met eene ontvolking der landstreek, en ten andere moet gemeend zijn, dat de verwijde ring uit de kolonie een te zware straf was in verhouding tot het delict. Daarom werd vastgesteld, dat eerst een politioneele straf kon worden opgelegd, om later, wanneer deze bleek geen uitwerking ten goede te hebben, toch nog de verwijdering te kunnen provoceeren. Deze uitbreiding van het aanvankelijk aangenomen principe, heeft zich in 1888 uitgestrekt tot de Residentiën Banka, Riouw, de Westerafdeeling van Borneo en de Assistent-Residentie Biliton, waar de hoofden van gewestelijk bestuur nagenoeg ge lijkluidende keuren hebben afgekondigd. Intusschen, de regeering scheen in 1907 tot de conclusie te zijn gekomen, dat de betrokken Hoofden van Gewestelijk Be stuur bij de uitvaardiging der bovenbedoelde keuren hunne wet telijke bevoegdheid hadden overschreden. Van daar de afkondiging in Stbl. 1907 N°. 271 geldend voor de gewesten Oostkust van Sumatra, Riouw en onderhoorigheden, Banka en onderhoorig heden, Biliton en de Westerafdeeling van Borneo, van nagenoeg dezelfde bepalingen, die te voren in de keuren in de bovenge noemde gewesten reeds vermeld waren. Dit Stbl. werd bij Stbl. 1908 N°. 9 ook toepasselijk verklaard voor de Chineesche geheime genootschappen in het gewest Celebes en Onderhoorigheden. Evenwel, het bestaan dier geheime genootschappen is in den laatsten tijd ook weer geconstateerd op Java en elders. Er valt over het algemeen bij de Chineezen in Nederlandsch-Indië meer en meer te bespeuren een geest van aaneensluiting, zoo ten goede 422 als ten kwade, en de verbeterde verkeersmiddelen bevorderen die aaneensluiting zeer. De regeering zag wel in dat er maatre gelen genomen moesten worden tegen het in slechten zin solidair verklaren der Chineezen. Van daar dat in 1909 bij Stbl. N°. 250, met intrekking van Stbl. 1907 N°. 271 eene ordonnantie werd vastgesteld, houdende bepalingen tot wering van Chineesche geheime genootschappen in geheel Ned.-Indië, luidende: Art. 1. Met geldboete van ten hoogste f 100 of tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste drie maanden, met of zonder verbeurdverklaring der voorwerpen der overtreding, wordt gestraft de Chinees die: l e . Da het bezit wordt gevonden van eenig document, geschrift, embleem of stempel, afgegeven door of vanwege eenig Chineesch geheim genootschap, hetzij voor hem zelven, hetzij ten behoeve van anderen; 2". gebruik maakt van eenig onderscheidings- of herkenningsteeken met het kennelijk doel om zich als lid van eenig Chineesch geheim genootschap bekend te maken; 3 e . bijeenkomsten van leden van eenig Chineesch geheim genootschap aan voert of leidt, dan wel zoodanige bijeenkomsten in zijn woning of op zijn erf toelaat of op eenige wijze begunstigt, dan wel, van het houden of bijeen roepen van zoodanige bijeenkomsten kennis dragende, verzuimt daarvan het bestuur kennis te geven; 4 e . op eenigerlei wijze iemand tracht over te halen om tot een Chineesch geheim genootschap toe te treden; 6 e . aan Chineesehe geheime genootschappen geldelijken steun verleent of te hunnen behoeve tracht te verkrijgen; dan wel: 6°. onder welken vorm ook, handelingen verricht, welke de strekking hebben om het bestaan of de uitbreiding van Chineesehe geheime genoot schappen in de hand te werken. Art. 2. De rechter kan de vernietiging of onbruikbaarmaking gelasten van voorwerpen als bedoeld in art. 1 sub I°. Art. 3. Deze ordonnantie treedt in werking op 1 Juni 1909 o). Zal men nu door de bovenstaande ordonnantie het beoogde doel: het doen verdwijnen van de Chineesehe geheime genoot schappen, bereiken? Dit mag zeker ten sterkste betwijfeld worden. Immers, na de straf ondergaan te hebben, keert de gestrafte in zijn kring terug en kan hij op nieuw in zijn genootschap werkzaam zijn. En wee degenen die tegen hem getuigd hebben! Zij zijn hun o) Deze ordonnantie is dus eene uitbreiding van Stbl. 1907 N°. 271 over geheel Ned.-Ind. 423 leven niet zeker a). Zal er dan nog iemand te vinden zijn om ge tuigenis te geven tegen de hoofden dier genootschappen ? En wat beteekont zoon straf voor een hoofd van het genootschap ? Moet hij boete betalen, de kas der vereeniging is er goed voor, krijgt hij eene korte vrijheidstraf, eene geldelijke schadeloosstelling neemt al het leed weg. Het eenige middel dat ontzag inboezemt is: verwijdering van de hoofden en voornaamste leden der geheime genootschappen. Na de verwijdering zullen degenen, die onder den druk van het genoot schap geleden hebben, vrijmoediger getuigenis durven afleggen van al de misdadige handelingen van dat genootschap J ). „Wordt, spoedig na de vorming van een genootschap", schrijft J. W. Young, 2 ) „daartegen opgetreden, dan kan het aantal der genen, op wie de maatregel der verwijdering zoude moeten worden toegepast, ook zoo groot niet zijn, en zal men wel degelijk in de gelegenheid zijn om de hervatting of voortzetting der aan gevangen geheime werkzaamheden volkomen te verhinderen. Wat nu de gestrengheid van het beginsel der verwijdering betreft, de Chineezen, die aan de krachtdadige wetgeving ter zake van geheime genootschappen in China gewoon zijn, zullen geen grond kunnen aanvoeren om haar onbillijk te achten of in strijd te noemen, met bij hen te lande erkende en gehuldigde beginselen; wel zullen zij, waar zij ten aanzien der geheime genoot- a) Zie o.a. blz. 364 (noot). Zie ook art. 15 en 16 van den eed van het Hung verbond te vinden op blz. 407. 1) Dr. J. J. M. de Groot schrijft in zijn werk : „Het kongsiwezen van Borneo" pag. 192: „ Het Gouvernement heeft het zelf in de hand om de geheime genootschappen te doen tenietgaan, eenvoudig door den Chineeschen groepen in de koloniën eene voldoende mate van zelfbestuur te schenken; daarentegen, zoolang men voor dezen maatregel meent te moeten terugdeinzen, zal alle hoop, om waar het in China geboren element in aanmerkelijke getale bijeen leeft, hun ont staan te beletten, een hersenschim blijven." Naar mijn bescheiden meening is dit oordeel van Dr. de Groot niet geheel juist. Al kregen de Chineesehe groepen in onze koloniën zelfbestuur in vrij ruime mate, dan zullen er toch steeds ontevreden elementen zijn, die zich aaneensluiten tot een geheim genootschap om tegen het over hen gestelde zelfbestuur te ageeren. Dx ben het overigens eens met Dr. de Groot dat het een herschenschim zal blijven, het ontstaan der geheime genootschappen te beletten, doch de te treffen maatregelen beoogen ook feitelijk alleen tegengang van de werking dier ver eenigingen, het zich naar buiten uiten van reeds bestaande vereenigingen. 2) Zie Tijdschrift voor N.-I. 1890 dl. I, pag. 255—256. 424 schappen den wetgever wankelend of zachtmoedig gestemd zien, daarmede den spot drijven en van den toestand misbruik maken. Bovendien zal het beginsel der verwijdering, vergeleken bij dat, hetwelk o. a. in Serawak wordt gehuldigd, en dat wij uit eengezet vinden in het „Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië" van October 1889 blz. 300, nog door hen zacht genoemd en te verkiezen geacht worden. Het daar geldende systeem van kort recht, fusileeren, rottingslagen en bannissement zal hun voor zeker veel afschuwelijker voorkomen, dan dat van eenvoudige verwijdering uit de kolonie of een gedeelte daarvan." Wanneer we nagaan hoe in de Westerafdeeling van Borneo door de innigere aanraking der Chineezen met de inlandsche bevolking, vele inlanders lid zijn geworden van de Chineesche geheime genootschappen, dan kunnen we erop voorbereid zijn, dat met de te verwachten toekenning van meerdere bewegings vrijheid aan de Chineezen in Nederlandsch-Indië, door de dan ontstane meerdere aanraking met de inlanders, ook elders ver scheidenen der inheemsche bevolking als lid zullen geworven worden voor die Chineesche geheime genootschappen. Het verdient derhalve aanbeveling om ook voor de inlanders het deelnemen aan die geheime vereenigingen der Chineezen strafbaar te stellen. D. DE MAATREGELEN BUITEN NEDERLANDSCH-INDIË GENOMEN TOT WERING TAN CHINEESCHE GEHEIME GENOOTSCHAPPEN. Ten slotte laten we hier volgen eenige aanteekeningen, waaruit de lezer zal kunnen ontwaren, hoe veel strengere strafbepalin gen buiten onze Nederlandsch-Indische koloniën gelden voor de Chineesehe geheime genootschappen. In de Indische Gids van 1890 blz. 2074 vinden we een artikel, getiteld: „ Een wet tegen Chineesehe geheime genootschappen te Singapore". We ontleenen daaraan het volgende: „An ordinance to amend the law relating to Societies" l ), in 1889 te Sin gapore ingevoerd, strekt o. m. tot de geheele suppressie der Chineesehe ge- 1) De volledige tekst der ordonnantie is o. a. te vinden in het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. Nieuwe serie. Eerste deel. 1890, blz. 283—291. Artikel 7 bedreigt een hoofd van een verboden vereeniging met gevangenis straf van ten hoogste driejaren; volgens art. 8 kunnen de leden dier verboden vereenigingen gestraft worden met eene boete van $ 500 met of zonder ge vangenisstraf van hoogstens 6 maanden. 425 heime genootschappen in de kolonie, en wordt — we citeeren nu de woorden van den Nederlandschen Consul-Generaal — „ terecht beschouwd als de ge wichtigste , die ooit door den Wetgevenden Raad te Singapore in behandeling is genomen. De Straits-regeering heeft besloten deze machtige confederatiën te supprimeeren en daarmede treedt de geschiedenis dezer kolonie een nieuw tijdperk in. De tegenwoordige Gouverneur der Straits Settlements, die een groot deel van zijnen diensttijd in Hongkong heeft doorgebracht, wordt be schouwd als aangewezen om deze gewichtige en moeilijke quaestie tot een goed einde te brengen. In China is het lidmaatschap op straffe des doods verboden. In Hongkong, de Beschermde Maleische Staten, Serawak en Britsch-Noord-Borneo zijn geheime genootschappen bij de wet streng verboden, en slechts in deze kolonie werden zij tot nu door de wet erkend en in zekere mate onder toezicht gesteld. Thans echter is het Britsch, zoowel als het koloniaal bestuur, tot de over tuiging gekomen, dat deze genootschappen niet zonder ernstig gevaar voor de openbare rust der kolonie langer geduld kunnen worden. Na enkele wijzigingen is het wetsontwerp in 1889 door den Wetgevenden Raad aangenomen, later door de Britsche regeering goedgekeurd en op 1 Januari 1890 ingevoerd. In verband met die onderdrukking der geheime ge nootschappen was in December 1889 een reglement uitgevaardigd, dienende tot leiddraad voor een in te stellen „ Chinese Advisory Board", een lichaam bestaande uit 17 Chineezen onder het voorzitterschap van den „Protector of Chinese", tot hoofddoel hebbende het beraadslagen over alle aangelegenheden, die speciaal de algemeene belangen der Chineesche bevolking betreffen." Maatregelen tegen Chineesche geheime genootschappen te Serawak, is de titel van een artikel in de Indische Gids van 1890, blz. 2076. Dit artikel luidt: „Dl Juli 1889 begaf zich de resident van Serawak met twee Europeesche officieren en een sterke macht „Serawak rangers" naar een der onderaf dee lingen, ten einde de leden van een Chineesch geheim genootschap (een tak der bekende Ghee Hm Hoeij) hetwelk, naar beweerd werd, aldaar zijn hoofd zetel had, gevangen te nemen. Hij slaagde er in, een aantal dier lieden to vatten en beslag te leggen op vele documenten, die als overtuigingsstukken van groote waarde waren. Zonder tijdverlies werden de gevangenen voorden rechter gebracht met het gevolg dat 7 hunner, hoofdlieden van het genoot schap, tot den dood met den kogel veroordeeld werden, en 11 der werkzame leden tot 72 rottingslagen, waarna hun het hoofd werd geschoren, zij met de letters „S. S." op de hand gebrandmerkt werden en gevangen gehouden zouden worden tot het den Radjah van Serawak zou behagen, hen vrij te laten. Ten slotte zouden zij, na ontslagen te zijn, uit Serawak worden ver bannen. De overblijvenden, die slechts gewone leden waren, werden vrij ge laten op voorwaarde dat zij in hunnen tempel zouden zweren, geen verderen omgang met het genootschap te zullen hebben, en alle documenten zouden overgeven, betrekking hebbende op het genootschap. Deden zij zulks niet goedschiks, dan zouden zij dezelfde straf ondergaan als de werkzame leden. De vonnissen werden alle binnen een week uitgevoerd. Tot de gevangenen, 426 die bij deze gelegenheid gevat werden, behoorde ook de voortvluchtige Chi nees Tjang Tjan Foek, die indertijd een werkzaam aandeel nam in de onlusten in Mandor (Westerafdeeling van Borneo) in 1884 —1886, en die deswege door het bestuur van Serawak aan het Nederlandsch-Indische is uitgeleverd." In de Serawak Gazette van 2 Juli 1906 vinden we weer mel ding gemaakt van eene opbloeiing van geheime genootschappen, doch door de activiteit van het bestuur werden de leiders spoedig gevangen genomen. Het fusileeren van 11 leiders maakte diepen indruk op de bevolking in de Westerafdeeling van Borneo, waar toen het onderzoek naar de geheime genootschappen nog in vollen gang was. Hoe veel genadiger kwamen de leiders in Borneo er van af. Zie blz. 376. ' Uit een artikel in de Indische gids van 1907, blz. 1700, ge titeld: „De geheime genootschappen der Chineezen", nemen wij den volgenden verkorten inhoud over: „In een opstel over het vereenigingsleven der Chineezen van P. d'Enjoy in het „Bulletin de la Société d'Anthropologie de Paris" (1905 N°. 4) overge nomen in de aflevering van 15 April jl. van de Revue-Indo- Chinoise, komt het volgende voor: De macht der Chineesche vereenigingen, die zich over de gekoloniseerde landen uitstrekken, is van dien aard, dat de Fransche regeering bijv. in Indo-China sommige daarvan officieel erkend heeft en omtrent hunne leden rechtstreeks in onderhandeling treedt met de hoofden daarvan, met voorbijgang van de staatkundige autoriteiten van China. Tot deze vereenigingen, aldaar officieel als „ congrégations" aangeduid behooren de Chineezen naar hun herkomst. In Saigon heeft men bijv. de officieel erkende en onder controle van het Gou vernement werkende genootschappen van Kwantoeng (Canton) Foehkiën en het eiland Hainan, waaronder alle emigranten uit die gewesten afkomstig respectievelijk ressorteeren. De administratie vindt hierin een groote vereen voudiging in hare aanraking met de vreemde onderhoorigen en, in de ver antwoordelijkheid, welke de hoofden van zulke genootschappen op zich nemen, een waarborg voor de publieke orde. Deze hoofden zijn gekozen uit de meest in aanzien staande emigranten en staan voor de daden en verplichtingen hunner metgezellen in, niet alleen onder verband van de bezittingen van het genoot schap, doch ook van hun eigen bezit en zelfs van hun persoon, indien de maatschappelijke of politieke noodzakelijkheid zulks medebrengt. Het genootschap berust op onderlinge hulp. Gevormd door Chineezen die uit dezelfde provincie afkomstig zijn, heeft het ten doel om in het vreemde land tegemoet te komen aan het gemis van instellingen van liefdadigheid en onderlingen steun, waarvan de emigrant in China gewoon is hulp te ver krijgen. Het is bovendien om zoo te zeggen een plaatsingsbureau. De hoofden zijn verplicht om het lid, dat om steun vraagt, tegemoet te komen en hem 427 voedsel en ligging te verschaffen tot op het tijdstip, dat zij hem werk kunnen bezorgen. Men heeft hier te doen met een soort van gezellenwezen. Werk wordt voor het lid dat er om vraagt des te gemakkelijker gevonden, omdat de hoofden der vereeniging borg staan tegenover den patroon. Deze patroon zal bij voorkeur een Chinees zijn, die lid is en in dat geval treedt zijn werkman of klerk bij hem in dienst tegen kost en inwoning doch met bepaling van aandeel in de winst tegen een bepaald percentage. Op die wijze wordt de werkman of geëmployeerde als het ware de compagnon van zijn patroon, althans belanghebbend medearbeider. Onder die voorwaarden schijnt het onmogelijk voor een Europeesch hande laar of industrieel, die zijn personeel hoog moet bezoldigen, om te concur reeren met den Chinees, die over zulke goedkoope krachten vol toewijding beschikt, want diens geëmployeerde zal om den bloei der zaak, waarbij hij geïnteresseerd is, te bevorderen, zich gaarne spenen van alle genoegens, slechts leven van een weinig rijst, daarbij water of slappe thee drinken en zich geen andere weelde veroorloven dan een weinig tabak voor zijn pijp, terwijl hij zich, als afleiding, tevreden stelt met onder elkander wat muziek te maken. Bewonderenswaardig beschermd door zijn openbare genootschappen, wordt de Chinees het niet minder door de geheime, waartoe hij behoort. Er is in die ge nootschappen eene stelmatige decentralisatie. Hunne verspreiding, hunne be trekkelijke zelfstandigheid maakt ze nog meer te duchten, daar de onderlinge banden onvindbaar zijn. De Chinees is volstrekt gehoorzaam aan de bevelen van zijn genootschapsbroeders. De reglementen der geheime genootschappen bedreigen vreeselijke straffen tegen de oproerigen en weerbarstigen. Hunne organisatie omvat wetten, krachtens welke door geheime rechtbanken de geschillen worden uitgemaakt, welke tusschen de aanhangers rijzen, ten einde zich, hetzij op Chineesch grondgebied aan de rechtspraak der mandarijnen te onttrekken, hetzij aan de wetten van het vreemde land, waar de Chinees zich vestigt en die door hem in hooge mate worden geminacht. Hier heeft men met recht een staat in den staat. Het hof te Peking, zelfs het paleis van den Keizer zijn niet onttrokken aan de duistere macht der geheime genootschappen. Alle opstanden waren te voren door geheime genootschappen voorbereid, en het zijn deze die elke regeeringsdaad verlammen uit vrees een deel der natie te ontstemmen en eene omwenteling in het leven te roepen, die den troon omverwerpen zal. De Keizer van China, die evenals zijn voorgangers bekend is met den onverzoenlijken haat der geheime genootschappen, die op de hand der Mings zijn, aarzelt steeds om op te treden als de politie een tipje van den sluier oplicht, en een samenzweerder, die dicht bij de kroon of de regeering staat wordt ontdekt. Hij leeft in een voortdurenden angst om vermoord te worden. Kon en durfde hij slechts de wetten van zijn rijk toepassen, dan zou hij vol doende gewapend zijn. Het Cliineesche wetboek bevat de volgende bepalingen tegen de geheime genoot schappen : ledereen, die beweert tot de booze geesten in betrekking te staan, die toovermiddelen of bezweringen gebruikt, zooals onder het uitspreken van formulieren water in het rond te spatten, den denkbeeldigen vogel, Loan 428 genaamd, aan te roepen of de zoogenaamde heilige personen, die zich toove naars of zieners wanen, of lid zijn van snoode secten , zooals die der Di-Lak- Phat, dat willen zeggen: de vereeniging van den Witten Wolk of van den Witten Lotus, in een woord allen die zich laten inwijden in leugenachtige leerstellingen of schadelijke praktijken , die zich in het geheim vereenigen om wierook te branden, beelden te aanbidden, zonderlinge plechtigheden uit te oefenen, die zich 's nachts verbergen om hunne bijeenkomsten te houden en uiteengaan, zoodra de dag aanbreekt en dan veinzen elkaar niet te ken nen , al die lieden die gevaarlijk zijn, omdat zij, het licht schuwend, zich slechts verbergen en van listen gebruik maken om booze plannen uit te voeren, die zich onder elkander broeders noemen, en het vertrouwen des volks winnen door boete, menschenmin en deugd te veinzen met de bedoeling aanhangers te winnen en het geluk van het volk te verstoren, voeden de ongeregeldheid , beoefenen de verleiding, en zullen met de volgende straffen worden gestraft: De hoofdschuldige met al of niet onverwijlde worging, de gewone leden met honderd stokslagen en verbanning op 3000 li i). Menschen van den militairen stand of uit het volk, die zich met bijzondere kleeren toetakelen en op de gong of tamtam slaan met het onderstelde doel een beweerden geest, die op een bepaalde plaats zou huizen, zooals op een rots of in een boom, op te vangen en te belichamen in een of ander beeld en hem dan in statie terug te brengen te midden van een aantal ingewijden, die hem toejuichen en aanroepen, worden met honderd stokslagen gestraft. De gemeentelijke autoriteiten, die deze dingen weten en ze niet dadelijk aan het gouvernement openbaren, worden voor hunne nalatigheid, onvermin derd de straffen beloopen voor medeplichtigheid, bij voorkomende gevallen gestraft met veertig zweepslagen. De burgerlijke of geestelijke personen, die aan zulke individuen een schuil plaats verstrekken , zullen naar de grenzen gezonden worden om militaire diensten te bewijzen. De buren, die hun schuilhoeken en vereenigingsplaatsen kennen en deze niet aan de overheid hebben medegedeeld, zullen gestraft worden als schuldig aan overtreding van souvereine bevelen. De verkoop van boeken en vlugschriften, handelende over bijgeloovige of verkeerde praktijken, is onder dezelfde strafbepalingen verboden. De ambtenaren van het land, waar die praktijken ontdekt worden en van wie het bewezen zal zijn dat zij de schuldigen hebben begunstigd, ze hebben beschermd of zelfs alleen maar nagelaten hebben op hen te passen, onder zoekingen in te stellen en zich niet krachtig gekant hebben tegen het onder wijzen van verkeerde leeringen of tegen de verwarring, die zulks bij het volk te weeg brengt, zullen evenals degenen, die ze toegelaten hebben in de keizerlijke stad om daar intriges aan te knoopen en te trachten staats ambten te verwerven, ter beschikking van den minister worden gesteld, onder wien zij behooren om van hun ambt ontzet en, zoo er aanleiding voor is, gestraft te worden. De aanbrengers zullen 20 onsen zilver krijgen als belooning voor den dienst welke door hun aanklacht aan het land wordt bewezen. Zij, die zelf de schul- 1) Chineesche mijlen van 0,575 K.M. 429 digen gevangen nemen , zullen 10 onsen zilver krijgen, welke de ambtenaren, die zelf de arrestatie hadden moeten doen, uit eigen middelen zullen moeten betalen. De gebruikelijke feesten, waarop het volk zich in het voor- en najaar vereenigt om de gunst des hemels af te smeeken met het oog op den komen den oogst of hem te dankeu voor de goede opbrengst zijn natuurlijk geen onderwerp van deze verbods- en strafbepalingen. De teksten, welke hierboven kort zijn weergegeven, gaan vergezeld van de volgende algemeene beschouwingen: Het ergste gevaar van deze praktijken der meer of minder geheime genoot schappen is, dat zij verwarring en opwinding veroorzaken bij het volk, waar van zij het vertrouwen trachten te 'winnen om het in de ergste avonturen mede te slepen. Zij maken gebruik van zijn argeloosheid om de eerzucht te dienen der hoofden en invloedrijke leden van deze secten. Daarom is de wet onverbiddelijk voor de hoofdschuldigen en streng voor de ingewijden. Het is noodig den voortgang van het kwaad te keeren. De straf van worging is niet buitensporig voor de boosdoeners, die deze genoot schappen aanvoeren noch de verbanning voor hunne medestanders. Er is aan leiding om hierbij te voegen dat die lieden die zich zelf vreemde titels geven, in gemeenschap met geesten beweren te staan, en zich er op beroemen de tooverkunst machtig te zijn, in werkelijkheid eenvoudig openbare bedrie gers zijn. Deze straffen en hare toepassing, hoe nauwgezet die ook was in de eerste tijden der oprichting van het genootschap der Lelie, konden de ontwikkeling der geheime genootschappen niet tegenhouden, wegens de onwederstaanbare aantrekkingskracht welke zij op den Chineeschen geest uitoefenen. De ingewijden, die zich onderling als broeders bejegenen, zijn aan elkander geketend door de vreeselijkste eeden, en een Chinees-eedgenoot zal zich op de afschuwelijkste wijze laten martelen, zonder het geheim, dat aan hem is toevertrouwd, te verraden. Teekens, die in sommige opzichten aan de vrij metselarij herinneren, een overeengekomen bargoensche taal, de wijze waarop men een voorworp aanvat of den arm opheft om te eten of te drinken of de eetstokjes bijeen houdt bij het begin van den maaltijd, de manier van groeten, van een waaier bewegen, duizenden bijzonderheden uit het dagelijkscheleven zijn evenveel middelen, die de leden der genootschap gebruiken om elkander te herkennen, zonder dat een oningewijde er iets van bemerkt." 43 ling die koelies na afloop van het werk naar China terug te zenden. Voorloopig wil men hoogstens 2500 Chineesehe koelies invoeren '). Voor de goudmijnen in Zuid-Afrika zijn na 1904 ook duizenden Chineesehe koelies aangevoerd, zeer tegen den zin van den blanken arbeider aldaar. De Chineezen zijn daar hun langsten tijd geweest en worden successievelijk terug gezonden. In Januari 1906 werkten er in de mijnen 57,000 Chineesehe koelies 2 ). Naar Australië zijn hoogstwaarschijnlijk reeds in de oude tijden Chineesehe handelaren van uit den Oost-Indischen Archipel overgestoken, doch tot eene geregelde emigratie heeft zulks nooit geleid. Eerst na de ontdekking van de goudvelden in Zuid-Australië stroomden de Chineesehe koelies in massa's toe. In 1868 werkten in de mijnen van Victoria alleen 15,814 Chi neezen, hun aantal in geheel Australië werd geschat op meer dan 50,000. Toen na 1870 de Chineezen in grooten getale voor de suikerriet- en boomwolplantages in Queensland werden inge voerd , nam de wetgevende macht er maatregelen tegen. Het aantal Chineezen verminderde daardoor zeer en bedraagt vol gens Gottwaldt tegenwoordig in Australië, Nieuw-Zeeland en de Zuidzee-eilanden niet meer dan 30,000. De „ Colonial Office List" v an 1908 geeft de volgende cijfers: In Queensland 9,313, Zuid- Australië 2,562, West-Australië 1,521, Victoria 7,500 Chineezen; totaal 20,896 Chineezen. Voor Nieuw-Zuid-Wales, Nieuw-Zeeland e n de Zuidzee-eilanden zijn geen cijfers opgegeven. Waar in bovenstaande regelen kortelijk is vermeld de emi gratie der Chineezen naar streken, vroeger voor hen opengesteld, doch sedert voor hen gesloten of weldra te sluiten, zal in de v °lgende bladzijden in ruimere mate de aandacht worden gewijd aan de Chineezen in die landen, waar zij op economisch gebied n °g een belangrijke rol vervullen. !) Zie v. Lignitz, blz. 142. 2 ) ld. blz. 141. 431 Naar die wetten, instellingen en gebruiken wordt, onder gelijkvoorbehoud, ook door den Europeeschen regter gevonnisd in zaken der aan zijne regtspraak onderworpen inlandsche hoofden en bij de kennisneming in hooger beroep van door den inlandschen regter, in burgerlijke en handelszaken, gedane uitspraken. Op die wetten, instellingen en gebruiken wordt door den Europeeschen regter, bij zijne regtspraak naar de voor Europeanen vastgestelde wetgeving, zooveel mogelijk acht gegeven, wanneer inlanders, buiten het geval waarin de bij het 2 ie lid bedoelde verklaring heeft plaats gehad, of het geval van vrijwillige onderwerping aan gezegde wetgeving in de bij de wettelijke be palingen aangewezen gevallen, als verweerders in burgerlijke of handelszaken voor hem te regt staan. Bij de regtspraak over inlanders, in het 3 de en 4 de lid van dit artikel bedoeld, neemt de regter de algemeene beginselen van het burgerlijk en en handelsregt voor Europeanen tot rigtsnoer, wanneer het de beslissing geldt van zaken, die bij de hiervoren bedoelde godsdienstige wetten instel lingen en gebruiken niet geregeld zijn. Naar aanleiding van art. 75 al. 2 Regeerings-Reglement werd bij Stbl. 1855 N°. 79 l ) het voor de Europeanen geldende burgerlijk en handelsrecht op alle Vreemde Oosterlingen op Java en Madoera toepasselijk verklaard, met uitzondering evenwel van die bepalingen, welker toepassing strijdig zou zijn met hun familieleven en de eigenaardigheden hunner beschaving, in het bijzonder met uitzondering der bepalingen betreffende den bur gerlijken stand, het huwelijk en wat daarmede direct samen hangt , het vaderschap en de afstamming, de bloedverwantschap en zwagerschap, de vaderlijke macht, de minderjarigheid, de voogdij, de erfopvolging bij versterf e. d. Later is de toepasselijk-verklaring uitgebreid tot het Gouver nement van Sumatra's Westkust (Stbl. 1874 N°. 94c) a) de residentie Benkoelen (Stbl. 1880 N°. 34) a) het Gouvernement Celebes en Onderhoorigheden, de residentiën Menado, Amboina, Ternate en Onderhoorigheden, allen bij Stbl. 1882 N°. 82 a). In die deelen van Ned.-Indië waar Stbl. 1855 N°. 79 niet werkt of van toepassing is verklaard, is Stbl. 1832 N°. 41 op de daar gevestigde Chineezen van toepassing 2 ) doch waar Stbl. 1855 N u . 79 geldt, is Stbl. 1832 N°. 41 hierdoor vervallen 3 ). 1) Zie Bijlage I (blz. 468). o) Gewijzigd bij Stbl. 1906, N°. 452. 2) Recht in N.1., dl. 72, pag. 5. 3) id. dl. 76, pag. 486. 432 Stbl. 1892 N°. 238 bevat eene ordonnantie welke ten doel had aan de toepasselijk-verklaring der Europeesche wetgeving op de Chineezen van Java en Madoera eene wijdere strekking te geven dan tevoren het geval was. Door deze ordonnantie zou Stbl. 1855 N°. 79, hetwelk aan alle daaraan onderworpen Vreemde Oosterlingen hetzelfde recht schonk, voor één hunner groepen, de Chineezen namelijk, komen te vervallen. De ordon nantie zou in werking treden op 1 Januari 1894 tegelijk met een Koninklijk Besluit van 1876, dat pas zestien jaren latei werd afgekondigd en waarbij de Rechterlijke Organisatie werd aangevuld in verband met de beoogde verandering; na de af kondiging, waardoor die ordonnantie der Indische Regeering eerst bekend werd, gingen er van vele zijden zoovele stemmen op over de onmogelijkheid der invoering, dat deze bij Stbl. 1893 N". 286 voor onbepaalden tijd werd uitgesteld. Daarna werd een van verlof teruggekeerd rechterlijk ambtenaar Mr. P. H. Fromberg, aan den Directeur van Justitie toegevoegd, speciaal met het doel eene betere en uitvoerbare regeling te ontwerpen. Bij missive van den 26 aten September 1896, bood de Directeur van Justitie aan den Gouverneur-Generaal een door Mr. Fromberg ontworpen concept-ordonnantie aan, in hoofdzaak regelende het burgerlijk en handelsrecht voor Chineezen. Mr. Fromberg moest, volgens zijn opdracht voldoen aan deze twee voorwaarden: I°. dat van den Staat geen financiëele offers mochten geëischt worden welke aan de uitvoerbaarheid eener nieuwe regeling zouden in den weg staan; 2 e . dat de nieuwe regeling moest geschieden in den geest der Chineesche zeden en gewoonten. De door Mr. Fromberg ontworpen nieuwe regeling werd ge publiceerd , en in verband met door deskundigen gemaakte op merkingen, is hem om nader advies gevraagd. In 1903 verscheen van zijn hand een „rapport over de Chineezen wetgeving" waarin hij de geuite bezwaren bestrijdt, en zeer kleine wijzigingen daargelaten, zijn ontwerpregeling handhaaft. Mr. Fromberg had zich voor de regeling van 't familierecht gehouden aan het zuiver Chineesche recht '). In zijn ontwerp 1) Zeer lezenswaardig zijn de bijlagen, bevattende inleidingen van de door Mr. Fromberg behandelde onderwerpen. Naast vele bijzonderheden omtrent het in China geldende familierecht worden talrijke mededeelingen gedaan omtrent de na het in werking treden van Stbl. 1855 N°. 79 gevallen rechterlijke beslis singen in zaken betreffende het familierecht der Chineezen op Java en Madoera. 433 paste hij op de Chineezen toe grootere of kleinere stukken van de voor Europeanen geldende wetgeving door aanduiding van titels of artikelen en geeft, als de artikelen wijziging ondergaan moeten bij de toepassing op de Chineezen, ook de gewijzigde artikelen. Stbl. 1855, N°. 79 daarentegen, paste de Europeesche wetgeving toe met uitzondering van de daarbij speciaal ge noemde onderwerpen; terwijl bij Stbl. 1892 N°. 238 juist de omgekeerde manier werd gevolgd; in dat Stbl. werd alles ge noemd wat wel toepasselijk was. Mr. I. A. Nederburgh critiseert het ontwerp-Fromberg aldus: l ) „Ik kan met de invoering van het ontwerp, hoe ook verbeterd, geen vrede hebben. Met dezen afkeer staat in verband: het forum der Chineezen. De berechting der Chineezen door den Europeeschen rechter is een onver mijdelijk gevolg van de toepasselijkverklaring van het Europeesche recht op deze onderklasse van ingezetenen. De kwestie is maar of men in deze wat meer of minder radicaal zal te werk gaan, en van zijn standpunt konsequent stelt de ontwerper der ordonnantie in het bijbehoorend ontwerp tot wijziging van het Regl. Rechtl. Org. voor, de Chineezen in het civiele geheel onder den Europeeschen rechter te brengen. In menig opzicht zou dit een groote verbetering zijn, aan vele moeilijkheden zou een einde worden gemaakt. Maar.... voor één klasse van inwoners zou het slechts nadeel opleveren, en die klasse is de grootste. Haar bescheidenheid en andere oorzaken maken echter, dat aan haar belang wel eens te weinig wordt gedacht. Wordt het bedoelde voorstel aangenomen, dan zal de inlander den Chinees steeds moeten dagen voor den Europeeschen rechter, en men heeft geen lang durige ondervinding noodig om te beseffen , welke onoverkomelijke bezwaren dit voor den inlander in heeft. Ik zal over dit bekende feit maar niet uitweiden. Men zal mij wellicht tegemoetvoeren, dat dit ingevolge Stbl. 1855 N°. 79 (art. 8) reeds in zekere mate het geval was, hetgeen ik dadelijk toegeef; maar dit is geen reden om den toestand nog te verergeren. Bovendien levert art. 8 van dat Stbl., bij al zijn gebreken, toch een voordeel op: het stelt den inlander veelal in staat voor den Landraad zijn rechten tegenover den Chinees te doen gelden; want al is de Chinees in het algemeen onderworpen aan de bepalin gen van het Europeesche recht, zeker onderwerp betreffende, wanneer des inlanders vordering berust op zijn, inlandsch recht of op bepalingen, die niet bepaaldelijk op de Chineezen zijn toepasselijk verklaard, dan is art. 8 niet toepasselijk en wordt de Chinees voor den inlandschen rechter gedaagd. Wanneer dus een Chinees zich heeft meester gemaakt van een stuk land, dat den inlander in erfelijk individueel bezit toekomt, zal deze zijn recht kunnen doen gelden bij zijn gewonen rechter; terwijl hij — gaan de aanhangige plannen door — zal moeten procedeeren voor den Raad van Justitie. Dit zal waarlijk geen reden voor hem zijn om de vlag uit te steken, als de ontwerpen in het Stbl. verschijnen." 1) Zie: Mr. I. A. Nederburgh: „Het Indisch Chineezenrecht der toekomst." Overdruk uit „Wet en Adat" l e en 2 e jaargang blz. 115. 28 434 Mr. I. A. Nederburgh vindt overigens dat de Chineezen nog best wat kunnen wachten. In bedoelden overdruk (blz. 43) zegt hij: „Er zijn zooveel aangelegenheden, die dringend (soms dringender dan het Chineezenrecht) voorziening vereischen: de militaire rechtspraak, het straf recht, de Priesterraden (een vrij wat minder omvangrijk onderwerp), de rechtspleging over inlanders, de rechtstoestand der inlandsche Christenen Ik begrijp werkelijk niet welke reden, als men de graad van gelatenheid der patiënten buiten rekening laat, er toe leiden moet om juist de vreemden het eerst te helpen. Bevalt het hun hier niet dan kunnen zij wegblijven of weggaan, maar daar voor behoeft men waarlijk niet bevreesd te zijn. Indië is voor hen een para dijs. Vrijgevige wetten laten hun wat ze verlangen te behouden, en ontslaan hen van wat hen geneerde in het Hemelsche Rijk. Botsing met de wetten, voor zoover deze hen in den weg mochten staan, weten ze met goede woorden en nog wat te vermijden, hetgeen niet kan verwonderen, wanneer men in aanmerking neemt dat de lagere politie grootendeels is toevertrouwd aan personen die niet tegen hen zijn opgewassen; en wanneer er al eens een botsing plaats heeft, die noch door kongsi's noch door andere bondgenooten kan worden voorkomen, dan weten ze den dans nog meestal te ontgaan door „ iemand te huren om voor hen te blaffen", die hen dikwijls vrij blaft. Hun privaatrechtelijke toestand moge vatbaar zijn voor verbetering, zeker kan men toch zeggen, dat die van vele anderen veel onzekerder, dat de hunne betrekkelijk nauwkeurig geregeld is, en dat de onzekerheid, die ten opzichte van hun recht bestaat door enkele wijzigingen (verduidelijkingen) van Stbl. 1855, N°. 79, voorloopig voldoende kon worden opgeheven, zonder een nieuwe, ingrijpende en afzonderlijke regeling buiten verband met de alge meene richting onzer wetgeving. Evengoed als de inlandsche Christenen, ja beter, kunnen zij wachten tot het algemeene plan van Indisch recht gereed is, en zich intusschen behelpen met evenbedoeld Staatsblad, waarmee ze het al 40 jaren ') deden." In een noot teekent hij hierbij aan: „Hoewel men de bezwaren, die de toevloed van Chineezen oplevert niet ontkent, ziet men op tegen krasse middelen om daaraan paal en perk te stellen, omdat die middelen niet met den geest des tijds heeten overeen te komen. Maar dan geve men niet een middel uit handen, dat niet in strijd is met den geest des tijds: de onderwerping van alle personen aan hetzelfde recht o). De exterritoriale rechtstoestand der Chineezen in Indië is een der dingen, die het hun hier aangenaam maken. De afschaffing daarvan zou wel licht velen weerhouden van herwaarts te komen." Voor de Vreemde Oosterlingen in geheel Ned.-Indië gelden de bepalingen omtrent de bewijskracht van onderhandsche geschriften opgenomen in Stbl. 1867 N°. 29, die over hoc geheel op een toepasselijkverklaring der art 1875 — 1883 B. W. neerkomen. 1) Thans reeds meer dan 50 jaren. a) Zie hierbij ook blz. 203. 435 Stbl. 1879 N°. 256 past de art. 1601, 1602 en 1603 B. W. handelende over huur van dienstboden en werklieden ook toe op de Vreemde Oosterlingen in geheel Ned.-Indië. Verder worden de verhuur van gronden door inlanders aan niet-inlanders en de erfpacht van Gouvernementsgronden door het Europeesch burgerlijk recht beheerscht. (Zie art. 2 Stbl. 1900 N°. 240 en art. 1 Stbl. 1872 N°. 237 a). Ook werden bepalingen omtrent aanmonstering en daaruit voortvloeiende plichten voor schippers, scheepsoffieieren en scheepsgezellen (zie het slotartikel van Stbl. 1873 N°. 119) en omtrent den lijfsdwang (Stbl. 1874 N°. 94) toepasselijk verklaard, en ook wat betreft de rechtspleging van scheidslieden (art. 416 Inlandsch Reglement j. art. 615 vg. Rv.). Bovendien zijn ook de artikelen 1788 tot en met 1791 B. W. op de inlanders en met dezen gelijkgestelde bevolking van toe passing verklaard. (Stbl. 1907 N°. 306). Art. 75 Regeerings-Reglement lid 3 geeft den Vreemden Oosterling de mogelijkheid zich vrijwillig te onderwerpen aan het voor de Europeanen vastgestelde burgerlijk- en handelsrecht. De vraag of hiermede bedoeld wordt eene algeheele onder werping aan het voor de Europeanen vastgestelde privaatrecht, wordt zoowel in bevestigenden als in ontkennenden zin beant woord. Mr. Margadant is van meening dat de onderwerping alleen kan geschieden voor een bepaald geval, daar anders de beginselen in art. 109 Regeerings-Reglement neergelegd illusoir kunnen worden gemaakt door eene daad van het individu alleen x ). Om dezelfde reden is dit ook de meening van Mr. Kleintjes 2 ). De jurisprudentie van het Hof heeft ook altijd in dien zin beslist, waarop één arrest, in 1887 gewezen, eene uitzondering maakt. De onderwerping geschiedt, volgens art. 13 A. 8., bïj dezelfde acte, die van de gedane handeling of aangegane verbintenis wordt opgemaakt, of wel, bij eene afzonderlijke acte hetzij een authentieke of een onderhandsche, terwijl in het laatste geval nog eene notariëele verklaring geëischt wordt. Stbl. 1898 N°. 158 geeft eene regeling van de huwelijken tusschen personen die aan een verschillend recht onderworpen 1) Zie: Margadant, dl. Hl, pag. 107. 2) Zie: Kleintjes, dl. 11, pag. 53. Zie: De Louter, blz. 481, die van dezelfde meening is. 436 zijn (de z.g.n. „gemengde huwelijken"). Hierdoor volgt thans de vrouw, staande huwelijk, privaat- en ook publiekrechtelijk den staat van haren man. Door deze regeling verviel art. 15 der Overgangsbepalingen (Stbl. 1848 N°. 10) waarbij de inlandsche partij zich vóór het huwelijk had te onderwerpen aan het voor de Europeanen vastgestelde privaatrecht. Waar geen toepasselijkverklaring of vrijwillige onderwerping aan het voor Europeanen vastgestelde burgerlijk- en handelsrecht heeft plaats gehad, gelden voor den Vreemden Oosterling zijne godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken, voor zoover zij niet in strijd zijn met algemeen erkende beginselen van billijkheid en rechtvaardigheid. Naar aanleiding dezer bepaling bestaat er veel verschil van meening omtrent het voor de Chineezen in Nederlandsch-Indië geldend recht. Geldt voor hen het in China heerschende recht, zonder de afwijkingen die zich in Ned.-Indië voordoen? Mr. Margadant 1 ) beantwoordt deze vraag bevestigend. Ook het Hooggerechtshof van Ned.-Indië was vroeger van dezelfde meening. Thans acht het Hooggerechtshof op de Chineezen in Indië het Indo-Chineesehe recht van toepassing 2 ). Mr. Kleintjes 3 ) is van gevoelen, dat het niet in de bedoeling ligt van den wetgever om een buitenlandsch recht toe te passen, maar dat verlangd wordt eene toepassing van die rechtsregelen, gelijk deze zich in de kolonie zelve hebben ontwikkeld en gevormd, zoodat, waar verschillende groepen van in Ned.-Indië wonende Chineezen verschillende rechtsbegrippen er op na houden, de rechter ook met deze afwijkingen en diversiteit zal hebben rekening te houden. Zoo zou dus, en n. m. b. meening terecht, volgens dezen schrijver voor de Borneo-Chineezen een ander recht kunnen gelden dan voor de Java-Chineezen. Prof. de Louter is van het gevoelen van Mr. Kleintjes 4 ). De heer G. von Faber 5 ) meent, dat de wetgever alleen het 1) Zie: Margadant, dl. IH, blz. 110. 2) Zie: arrest van 19 December 1901 opgenomen in „het Recht in Neder landsch-Indië, dl. 77, pag. 463. 3) Zie: Kleintjes, dl. 11 , pag. 44. 4) Zie: de Louter, blz. 477. 5) Academisch proefschrift van G. von Faber: „Het familie- en erfrecht der Chineezen in Nederlandsch-Indië", blz. 28. 437 recht in China op 't oog had. Eigenaardig is zijn conclusie, dat uit niets blijkt dat in Ned.-Indië onder de Chineezen zich een eigen recht zou hebben ontwikkeld. Deze conclusie is onjuist, waar o. a. in Ned.-Indië Chineezen herhaaldelijk testamenten maken, terwijl in China de nalatenschap aan de zoons komt; in China zijn de zoons per sé aansprakelijk voor de schulden van den vader, in Ned.-Indië niet; enz. Het Regeerings-Reglement eischt evenwel, dat die godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken niet in strijd zijn met algemeen erkende beginselen van billijkheid en rechtvaardigheid. In de memorie van beantwoording betreffende het tweede ontwerp regeeringsreglement (Keuchenius, IH, blz. 525) wordt van Regeeringswege gezegd: „ Men erkent dat het van de sub jectieve opvatting des regters in elk geval zal afhangen, of hij al dan niet strijd aanwezig ziet met algemeen erkende beginselen van billijkheid en rechtvaardigheid in de wetten, instellingen en gebruiken, die hij geroepen is toe te passen." Volgens deze meening wordt elke maatstaf om te beoordeelen, of godsdienstige wetten enz. met billijkheid en rechtvaardigheid strijden, gemist. In de praktijk deed zich veel verschil van gevoelen voor bij de kwestie van het erfrecht der dochters. De jurisprudentie neemt vrij eenstemmig aan dat dit recht niet bestaat. Bij arrest van 16 Augustus 1866 (Tijdschrift het Recht in Nederlandsch- Indië deel 29 blz. 171) besliste het Hof, dat de uitsluiting der dochters van de erfopvolging, niet in strijd is met algemeen erkende beginselen van billijkheid en rechtvaardigheid, „op grond dat de wetten op het versterfrecht niet zijn het uitvloeisel van het natuurrecht, maar van de maatschappelijke en poli tieke inrichting van een staat, met dat gevolg, dat zij zelfs bij de meest beschaafde volken in hoofdbeginselen uiteenloopen." De boedelkamers waren evenwel sedert onheugelijke tijden gewoon om indien een Chinees, zonder testament na te laten, kwam te overlijden, ook zijne dochters als erfgenamen toe te laten, even alsof het Europeesche versterfrecht op haar van toepassing was. Vermoedelijk als een gevolg van het optreden van de Euro peesche tolken voor de Chineesche taal als buitengewone leden der boedelkamers (Stbl. 1866 N°. 103), waardoor ten aanzien van de hoofdbeginselen van het Chineesche recht meerdere kennis 438 verkregen werd, kwam in de praktijk der boedelkamers ver andering. Thans wordt te Batavia in de uitsluiting der dochters berust, al wordt door moreele middelen zooveel mogelijk ge tracht te waken, dat de erfgenamen het belang der dochters niet uit het oog verliezen. De boedelkamer te Semarang neemt een ander standpunt in, hetgeen te wijten is aan de volgende oorzaak. In 1871 ging zij, op advies van haar buitengewoon lid, den heer De Grijs, er toe over, om de dochters van de nalatenschap van hare ouders uit te sluiten. Mr. der Kinderen, toenmalig Directeur van Justitie, schreef daarop het volgende: „Gedurende een reeks van jaren heeft uw college standvastig de leer gehuldigd, dat aan de dochters, ook bij het bestaan van mannelijke afstammelingen, een aandeel in de nalatenschap harer ouders toekomt. Ik acht het bedenkelijk en betreurenswaardig, dat door het optreden van een nieuw buitengewoon lid, de dochters thans worden uitgesloten. De uitsluiting der dochters uit de nalatenschap harer ouders is gegrond op de stelling dat do vrouw niet is een per soon , maar een zaak, een stelling, die in strijd is met beginselen van rechtvaardigheid en dus met art. 75Regeerings-Reglement", waarna de schrijver in een bestrijding treedt van het reeds vermelde arrest van het Hof van 16 Augustus 1866. Sedert heeft de boedelkamer te Semarang zich naar dit schrijven van den Directeur van Justitie gedragen en kwam zij voor het erf recht der dochters op l ). Artikel 75 (nieuw) van het Regeerings-Reglement luidt: Alinea 1. Het burgerlijk recht, het handelsrecht en het straf recht, alsmede de burgerlijke rechtsvordering en de strafvordering worden geregeld bij alge meene verordeningen. Alinea 2. Dj die algemeene verordeningen worden o. wat de Europeanen betreft de in Nederland geldende wetten gevolgd slechts met die wijzigingen welke wegens de bijzondere toestanden in Neder landsch-Indië noodig zijn; 6. wat de inlanders, de vreemde oosterlingen en de onderdeelen, waaruit deze hoofdgroepen der bevolking bestaan, betreft, de voor Europeanen gel dende bepalingen toepasselijk verklaard voor zooverre de bij hen gebleken maatschappelijke behoeften dit eischen, terwijl overigens de onder hen gel dende, met hnnne godsdiensten en gewoonten samenhangende, rechtsregelen worden gevolgd. 1) Zie: Mr. P. H. Fromberg, blz. 173. 439 Alinea 3. De bevoegdheid van inlanders en vreemde oosterlingen om zich in het algemeen of voor eene bepaalde rechtshandeling vrijwillig te onderwerpen aan niet op hen toepasselijke voorschriften van het burgerlijk recht en handels recht der Europeanen en de gevolgen dier onderwerping worden bij alge meene verordening geregeld. Alinea 4. De op dit artikel berustende algemeene verordeningen zijn in die gedeelten van Nederlandsch-Indië, waar de inlandsche bevolking gelaten is in het genot van haar eigene rechtspleging, slechts in zoover toepasselijk als hiermede bestaanbaar is. Mr. I. A. Nederburgh beoordeelt het nieuwe art. 75 R. R. als volgt: >) Het nieuwe artikel kent alleen: Europeanenrecht en adat. Waar de laatste nog niet door het eerste is vervangen, zal zij thans zonder eenige door de wet erkende uitzondering gelden. Voor den inlander en den vreemden oosterling geldt, voor zoover niet in een of meer opzichten het Europeanenrecht op hen toe passelijk is verklaard, hun adat (= volksrecht, gewoonterecht, of zooals bovenstaand artikel zegt: rechtsregelen, die samen hangen met hunne godsdiensten en gewoonten). We zijn dus weer teruggekeerd tot het stelsel van het oude artikel 75 met zijn Europeanenrecht eenerzijds, adat der inlan ders anderzijds, en bevoegdheid om het eerste toepasselijk te verklaren op de laatste, met dit verschil echter, dat het oude artikel in een paar opzichten beter is dan het nieuwe artikel, zooals uit het volgende blijken moge. Mag van de adat worden afgeweken, wanneer zij in strijd is met algemeene beginselen van rechtvaardigheid en billijkheid? Neen. De in het oude artikel 75 daartoe open gehouden moge lijkheid is weggelaten. Mag de lagere wetgever, die het privaatrecht der inwoners bij algemeene verordening heeft vast te stellen, de voor de Euro peanen vastgestelde bepalingen, desnoods ook gewijzigd, op de inlanders toepasselijk verklaren, zooals het oude artikel uitdruk kelijk toeliet? Neen. Hij kan alleen toepasselijk verklaren of niet. lets daar tusschen kent de nieuwe wet niet 2 ). Men zou alleen een deel der 1) Zie: Mr. I. A. Nederburgh: „De nieuwe artikelen 75 en 109 van het N.-I. Reg.-Regl- en wat er uit groeien zal?" opgenomen Indische Gids 1907, blz. 1658 en vgd. 2) Hetzelfde betoogde m. i. terecht Prof. Mr. J. H. Carpentier Alting in een voordracht gehouden in de vereeniging „ Moederland en Koloniën ", dd. 17 Maart 44 2. De Chineezen in Azië onder Engelsch gezag. A. De Chineezen in de Straitskolonie en de Maleische staten op het Maleische schiereiland. a. Algemeene mededeelingen. Oude betrekkingen tusschen China en het Maleische schiereiland. ') Het Maleische schiereiland was reeds in oude tijden aan de Chineezen bekend. In de geschiedboeken van de Liang-dynastie (502—556) werd Tun Dun op het Maleische schiereiland reeds als een belangrijke handelsplaats genoemd. 2 ) In het jaar 1409 bracht de keizerlijke gezant Cheng Ho een bevelschrift van den keizer van China en gaf aan den vorst van het „land der vijf eilanden" twee zilveren zegels, een muts, een gordel en een lang kleed. Hij richtte een gedenksteen op, en verhief de plaats tot een stad, waarna het land genoemd werd het koninkrijk Malacca. Van af dat tijdstip dorsten de Siameezen aan Malacca geen geweld meer aan te doen, en het hoofd van de landstreek ging met zijn vrouw naar China om zijn dank te betuigen, en schatting te brengen van de voort brengselen van zijn land. De keizer zond hem in een Chineesch schip weer naar zijn land terug om dat te besturen. De op volgende koningen van Malacca bezochten verscheidene malen het hof van China. Malacca werd herhaaldelijk door Chineesehe koopvaardijschepen bezocht; deze schepen moesten bij aankomst tol betalen. 3 ) Toen de Portugeezen in 1508 voor Malacca verschenen vonden zij daar de Chineezen in groote menigte vertegenwoordigd. Onder de Portugeezen en weldra onder de Hollanders beleefde Malacca onrustige tijden. De Chineezen breidden zich van uit Malacca over het geheele schiereiland uit. 1) Zie W. P. Groeneveldt, blz. 119. 2) „ „ „ 123 en vgd. 3) Zie H. Gottwaldt, blz. 78 en vgd. 440 bepalingen van het Wetboek voor Europeanen op inlanders kunnen toepasselijk verklaren, maar dan geldt overigens per sé de adat. Mag de lagere wetgever (de Rijkswetgever kan n. 1. het door hem vastgesteld art. 75 naar welgevallen wijzigen) eenig onder werp van privaat- of strafrecht afzonderlijk voor de niet-Euro peanen regelen? Neen. Het recht voor de niet-Europeanen kan onmogelijk iets anders zijn dan of toepasselijk verklaard Europeanen-recht, of ongewijzigde adat. Mr. Nederburgh staat in zijn ongunstig oordeel over het nieuwe artikel 75 R. R. niet alleen. Verscheidene gezaghebbende schrij vers zijn er tegen te velde getrokken. Gunstig laat zich daarentegen Prof. J. de Louter er over uit, waar hij in een Gidsaflevering van 1907 eerste deel blz. 331, de wijziging van het Regeeringsreglement van Neder landsch-Indië bespreekt en schrijft, dat „de Nederlandsche wet gever den juisten weg inslaat, wanneer hij zich beweegt in de richting van eene gestadige uitbreiding van het Nederlandsche recht en niet omgekeerd in die eener restauratie van een slui merend en minder volkomen gewoonterecht. Dit voorbij te zien schijnt mij niet alleen een teeken van niet gerechtvaardigd con servatisme, maar ook eene miskenning van Nederlands paedago gische taak als koloniale mogendheid. Op elk gebied van huiselijk en maatschappelijk leven, van stoffelijke en geestelijke behoeften, verzuime de Nederlandsche heerscher niet zijne heerschappij te rechtvaardigen door eene beleidvolle maar volhardende opvoeding tot een hooger peil van stoffelijk en geestelijk welzijn" x ). De Chineezen behooren tot de met Inlanders gelijkgestelden. De indeeling der ingezetenen van Nederlandsch-Indië is door de wet geschied in art. 109 Regeerings-Reglement. 1909, getiteld: De uitvoering van het nieuwe art. 76 R. R. voor N. I. ten aanzien van het Privaatrecht der inlandsche bevolking. Uitgegeven door M. van der Beek's Hofboekhandel, 's-Gravenhage. 1) De geleerde schrijver vergeet, dat er ook een ander hoog peil van stoffelijk en geestelijk welzijn mogelijk is, dan juist het zuiver Nederlandsche. 441 De tekst van art. 109 Regeerings-Reglement, gelijk die in 1854 werd vastgesteld, luidt: „De bepalingen van dit reglement en van alle andere algemeene verorde ningen a), waarin sprake is van Europeanen en inlanders, zijn waar het tegendeel niet bepaald is, toepasselijk op de met hen gelijkgestelde personen. Met Europeanen worden gelijkgesteld alle Christenen en alle personen, niet vallende in de termen der volgende zinsnede. Met inlanders worden gelijkgesteld Arabieren, Mooren, Chineezen en allen die Mohammedanen of heidenen zijn. De inlandsche Christenen blijven onderworpen aan het gezag der inlandsche hoofden, en met opzigt tot regten, lasten en verpligtingen, aan dezelfde algemeene gewestelijke en gemeentelijke verordeningen en instellingen, als de inlanders die het Christendom niet belijden. De Gouverneur-Generaal, kan in overeenstemming met den Raad van Nederlandsch-Indië, uitzonderingen maken op de toepassing der in dit artikel gestelde regels." Volgens dit artikel worden de bewoners van Nederlandsch- Indië verdeeld in: Europeanen, inlanders, met Europeanen gelijkgestelden, met inlanders gelijkgestelden. De wetgever geeft geen definitie van Europeanen, noch van inlanders. Verscheidene schrijvers geven naar aanleiding van dit artikel van elkaar afwijkende definities. Volgens professor de Louter *) zijn Europeanen: de inheemsche bewoners van Europa en hunne afstammelingen; terwijl inlanders zijn: de inheemsche bewoners van Nederlandsch-Indië en hunne afstammelingen. Mr. Kleintjes 2 ) is van dezelfde meening. Mr. Abendanon 3 ) verstaat onder Europeanen enkel de per sonen in Europa geboren, en onder inlanders de inheemsche bevolking, die in Nederlandsch-Indië ter wereld komt. Mr. Margadant 4 ) zegt, dat krachtens de koloniale staatsin stellingen zijn Europeanen: de uit Europeesche ouders, waar ook geboren personen; Inlanders: de uit de inheemsche bevol king in Nederlandsch-Indië geboren personen. 0) Dus gouvernementsbesluiten en gewestelijke keuren vallen hier buiten. 1) Zie: Mr. J. de Louter, pag. 128. 2) Zie: Mr. P. H. Kleintjes, dl. I, pag. 106. 3) Zie: Mr. J. H. Abendanon: „Publiek en privaatrechtelijke verhoudingen tusschen Nederland en Nederlandsche koloniën," pag. 73. 4) Zie: Mr. C. W. Margadant, dl. IH, pag. 278. 442 Zij, die niet vielen onder een der hoofdcategoriën Europeanen en inlanders behoorden of tot de met Europeanen, of tot de met inlanders gelijkgestelden. Waar behoorden de Chineezen toe? Alinea 3 zeide het zeer duidelijk dat zij behoorden tot de met inlanders gelijkgestelden. Zij bleven dit ook, toen bij de wet van 19 Mei 1899 (Ned. Stbl. N°. 121, Ned. Ind. Stbl. N°. 202) het tweede en derde lid van artikel 109 Regeerings-Reglement gewijzigd werden met het doel om de Japanners met Europeanen gelijk te stellen. De gewijzigde alinea's luiden: Alinea 2. Met Europeanen worden gelijkgesteld alle Christenen, alle Ja panners en alle personen, niet vallende in de termen der volgende zinsnede. Alinea 3. Met inlanders worden gelijkgesteld Arabieren, Mooren, Chineezen en allen, niet genoemd in de vorige zinsnede, die Mohammedanen of heide nen zijn. Gaan wij thans na tot welke groep de Christen-Chineezen behoorden. Volgens Prof. de Louter 1 ) en Mr. Kleintjes 2 ) behoorden zij tot de met Europeanen gelijkgestelden. Immers, zeggen zij, in de Memorie van Toelichting, behoorende bij het tweede Ontwerp staat: „Voor zooveel de gemengde klassen betreft, dat is, dezulken, die noch Europeanen noch inlanders zijn, moet men tot gelijkstellingen toevlucht nemen, en dan wordt het criterium van den godsdienst het eenige hetwelk alles omvattend is". Mr. Margadant 3 ) daarentegen zegt: De Christen-inlander, de Christen-Arabier, de Christen-Moor, de Christen-Chinees is dus niet met den Europeaan gelijkgesteld". Hij leidt dit af uit art. 109 al. 2 in verband met al. 3. De jurisprudentie is op dit stuk niet constant. Bij arrest van het Hooggerechtshof van 13 Mei 1869 werden de Christen- Vreemde Oosterlingen met Europeanen gelijkgesteld, terwijl de Raad van Justitie had aangenomen, dat zij waren onderworpen aan de inlandsche rechtspraak. In 1885 besliste het Hoogge rechtshof, dat Christen-Chineezen in denzelfden rechtstoestand verkeerden als de inlandsche bevolking. De Regeering besliste in Bijbl. 1703 en 3470 dat Christen- 1) Zie: de Louter, pag. 129. 2) Zie: Kleintjes, pag. 108. 3) Zie: Margadant, dl. 111, pag. 283. 443 Chineezen behooren tot de met Europeanen gelijkgestelden, doch in Bijbl. 4257 besliste zij juist andersom. Krachtens alinea 5 van art. 109 R. R. (oud) kan de Gouverneur- Generaal in overeenstemming met den Raad van Nederlandsch- Indië uitzondering maken op de toepassing der in dat artikel gestelde regels. Zoo kan dan ook de Chinees die geen Christen is '), niet Europeanen worden gelijkgesteld. Eene gelijkstelling van een Europeaan met een inlander laat art. 109 niet toe; en de met de Europeanen gelijkgestelden kunnen ook niet gemaakt worden tot Europeaan, evenmin de met de inlanders gelijkgestelden tot inlander. Vandaar dat volkomen terecht door de Indische Regeering afwijzend beschikt is op verzoeken van Chineezen om wat lasten, rechten en verplichtingen betreft als inlander te worden aangemerkt 2 ). De vereischten, waaraan de Chinees voldoen moet alvorens hij gelijkgesteld kan worden met den Europeaan, zijn te vinden in Stbl. 1883 N°. 192. De bepalingen daaromtrent luiden: Art. 1. Niemand kan, wat rechten, lasten en verplichtingen betreft, ge heel en al met Europeanen worden gelijkgesteld, indien hij niet is in het wettig bezit van eenen geslachtsnaam. Art. 2. Hij, die, wat rechten, lasten en verplichtingen betreft geheel en al met Europeanen wenscht te worden gelijkgesteld en niet in het wettig be zit van eenen geslachtsnaam is, kan eenen zoodanigen naam aannemen, na de toestemming van den Gouverneur-Generaal daartoe te hebben verkregen. Art. 3. Ten aanzien der in het vorig artikel bedoelde naamsaanneming zijn toepasselijk de voorschriften van het burgerlijk wetboek voor Nederlandsch- Djdië, vervat in de art. 7, 8 en 10, de beide eerste artikelen, zooals die zijn gewijzigd bij het Koninklijk besluit van 15 Maart 1883, N». 9, Stbl. N°. 190. Art. 4. De aankondiging in het officieel nieuwsblad geschiedt kosteloos, terwijl de in te dienen verzoekschriften en de daarop genomen beschikkingen vrij van zegel zijn. Omtrent die naamsaanneming van art. 2 — 4 Stbl. 1883 N°. 192 bepaalt Bijblad N°. 4258 dat: 1. De verzoeken daartoe moeten worden gedaan door den belanghebbende zelf, of door een bij authentieke akte gevolmachtigde. 2. Naamsaanneming wordt niet toegestaan, zoolang de aanvrager niet voor gelijkstelling in aanmerking komt. 3. Dit laatste is het geval, zoolang zijne opleiding in Europeesche be grippen en zeden (bijblad 4029) niet voltooid is. 1) Zie: Margadant, dl. Hl, pag. 291. 2) id. pag. 293. 444 De nadere vereischten, die de regeering stelde voor het ver krijgen van eene algeheele gelijkstelling met Europeanen, werden bekend gesteld in eene circulaire gericht aan de Hoofden van Gewestelijk Bestuur in Nederlandsch-Indië dd. 22 Februari 1884 N°. 1583, opgenomen in Bijblad 4029. Die vereischten zijn gewijzigd bij circulaire aan de Hoofden van Gewestelijk Bestuur in Nederlandsch-Indië dd. 25 Augustus 1894 N°. 5935, opgenomen in Bij blad N°. 4998. Volgens die laatste circulaire moet in den vervolge door het betrokken Hoofd van Gewestelijk Bestuur categorisch worden ver klaard, of de aanvrager geschiktheid voor de Europeesche maat schappij bezit. Ter beoordeeling hiervan moet alles, wat daartoe dienen kan, worden bijgebracht, zooals: het belijden van den Christelijken godsdienst, het spreken en schrijven van de Hol landsche of eenige andere Europeesche taal, het met goed gevolg afgelegd hebben van eenig examen, de maatschappelijke positie die de persoon bekleedt, Europeesche opvoeding enz., zonder dat elk dier kenmerken van geschiktheid op zich zelf als een ver eischte mag worden beschouwd. Deze eischen zijn dus niet meer zoo streng als die vroeger gegeven in Bijblad N°. 4029. Toen was vereischt: de belijdenis van den Christelijken godsdienst, het goed spreken en schrijven van de Hollandsche taal, het opgeleid zijn in Europeesche be grippen en zeden, en het bezit van volkomen geschiktheid voor de Europeesche maatschappij. Hetgeen in Bijblad N°. 4029 medegedeeld is omtrent het wettig bezit van een geslachtsnaam, is door Bij blad N u . 4998 niet ver anderd geworden. Eerstgenoemd Bij blad bepaalt daaromtrent als volgt: In de tweede plaats moet worden onderzocht, of degene, die zijne gelijkstelling met Europeanen verlangt, overeenkomstig het voorschrift van art. 1 der Ordonnantie van 30 Juli 1883 (Stbl. n°. 192) in het wettig bezit van eenen geslachtsnaam is. In vele gevallen zullen zij, die om gelijkstelling met Euro peanen vragen, in het wettig bezit van eenen zoodanigen naam zijn. Zoo de inlandsche christenen, die een doopakte of een uit treksel uit de in Stbl. 1864 n°. 142 bedoelde geboorte-registers kunnen overleggen, waaruit blijkt, dat zij zijn geboren uit ouders, die een wettig huwelijk hebben aangegaan, die lieden zijn in 445 het wettig bezit van den geslachtsnaam huns vaders. Eene doop akte daarentegen, waarin alleen de namen der ouders worden genoemd, en de vermelding, dat dezen echtelieden zijn, wordt gemist, kan natuurlijk nimmer strekken tot bewijs van het wettig bezit van den geslachtsnaam des vaders. Wijders zijn in het wettig bezit van eenen geslachtsnaam vele inlanders, die tot aanzienlijke geslachten behooren, en Chineezen. Maar evenzeer kan het geval zich voordoen, dat de verzoeker geene aanspraak op het wettig bezit van een geslachtsnaam kan doen gelden, en in dat geval zal zijn verzoek om gelijkstelling niet kunnen worden ingewilligd voor en aleer hij er eenen heeft aangenomen op de wijze, bedoeld in de artikelen 2 toten met 4 der aangehaalde Ordonnantie van 30 Juli 1883. Het nieuwe artikel 109 van het Regeerings-Regl. luidt: Alinea 1. Wanneer bepalingen van dit Reglement, van algemeene en andere verordeningen, reglementen, keuren van politie en administratieve voorschriften onderscheiden tusschen Europeanen, inlanders en Vreemde Oosterlingen, gelden voor hare toepassing de volgende regelen. Alinea 2. Aan de bepalingen voor Europeanen zijn onderworpen: 1. alle Nederlanders; 2. alle personen, niet begrepen onder n°. 1, die uit Europa afkomstig zijn; 3. alle Japanners en voorts alle van elders afkomstige personen, niet be grepen onder n os . len 2, die in hun land onderworpen zouden zijn aan een familierecht, in hoofdzaak berustende op dezelfde beginselen als het Nederlandsche; 4. de in Nederlandsch-Indië geboren wettige of wettelijk erkende kinderen en verdere afstammelingen van de personen, bedoeld onder n os . 2en 3 Alinea 3. Aan de bepalingen voor inlanders zijn, behoudens den bij alge meene verordening te regelen rechtstoestand der inlandsche Christenen, onderworpen allen, die behooren tot de inheemsche bevolking van Neder landsch-Indië, en niet tot een andere bevolkingsgroep dan die der inlanders zijn overgegaan, gelijk mede zij, die behoord hebbende tot eene andere be volkingsgroep dan die der inlanders, zich in de inheemsche bevolking hebben opgelost. Alinea 4. Aan de bepalingen voor vreemde oosterlingen zijn, behoudens den bij algemeene verordening te regelen rechtstoestand dergenen onder hen die het Christendom belijden, onderworpen allen, die niet vallen in de termen van het tweede of van het derde lid van dit artikel. Alinea 5. leder kan volgens bij algemeene verordening te stellen regelen door den rechter doen beslissen tot welke categorie van personen hij behoort. l ) Bovenstaande nieuwe regelen omtrent de verdeeling der 1) Zie: Mr. I. A. Nederburgh: „De nieuwe artikelen 75 en 109 van het N.-I. Reg.-Regl. en wat er uit groeien zal?" Opgenomen in de Ind. Gids 1907, 446 bevolking verdienen zeker in menig opzicht de voorkeur boven den onduidelijken inhoud van het oude artikel. De klasse der „met Europeanen gelijkgestelden" verdween, door deze personen in de klasse zelf der Europeanen op te nemen. De tot nu toe „met Inlanders gelijkgestelden" vormen als „ Vreemde Oosterlingen" een zelfstandige klasse. Zoo is het systeem der „gelijkstelling" komen te vervallen en blijven drie zelfstandige klassen over. De definitie der „inlanders" (al. 3) was uit den aard der zaak de minst moeilijke en geeft dan ook de bedoeling des wetgevers vrij volkomen weer. Voor de beoordeeling of iemand Europeaan is hebben wij to maken met vierderlei criterium: 1. het staatsverband (Nederlanders en Japanners); 2. het „afkomstig" zijn uit Europa; 3. het familierecht in „ hun " land; 4. de erfelijkheid (al. 2 n°. 4). Alle personen die geen Europeanen of geen inlanders zijn behooren tot de Vreemde Oosterlingen. Be Chineezen blijven dus ook volgens het nieuwe artikel 109 Regeerings-Reglement Vreemde Oosterlingen. De rechtstoestand der Christen-Vreemde Oosterlingen zal bij algemeene verordening nader geregeld worden. Door deze bepaling wordt verhinderd dat een Vreemde Oosterling door omhelzing van het Christendom den staat van Europeaan zou kunnen verwerven. De Chineezen in Nederlandsch-Indië zijn geen Nederlanders. Artikel 107 van het Regeerings-Reglement luidt: „Onder Nederlanders worden in dit reglement verstaan, die het zijn volgens de wetten van het Koningrijk." Thans komt daarvoor in aanmerking de wet van 12 December 1892 (Ned. Stbl. N°. 268). Tot nu toe is deze wet in Ned.-Indië blz. 1493—1607 en 1658—1677, waarin do schrijver tracht aan te toonen: l e . dat, hoe zorgvuldig men ook do bepaling tracht te redigeeren, van een antiquiteit als de gehandhaafde onderscheiding is, geen regeling meer is uit te denken, die geheel voldoet, en 2 e dat men zich allerminst van deze her ziening een voorstelling moet maken als van een iets beteekenendo hervor ming, die in den pas loopt met de gebeurtenissen in het Oosten. 447 niet afgekondigd. Mr. Margadant zegt *) dat vermits art. 31 alinea 2 Regeerings-Reglement uitdrukkelijk de verbindbaarheid van eene wet, van een Koninklijk Besluit of van eene koloniale ordonnantie, afhankelijk stelt van de plaatsing in het Stbl. van Ned. Indië, elke algemeene verordening bindende kracht in Ned.-Indië mist, zoolang die plaatsing niet is geschied. De Indische Regeering beschouwt de wet op het Neder landerschap wèl als bindend, getuige de door haar door tusschen komst van den Directeur van Justitie gegeven administratieve voorschriften ter uitvoering van de wet. Mr. Kleintjes 2 ) merkt ook op dat, nu art. 107 van het Regeerings-Reglement naar een wet in het moederland verwijst en deze toepasselijk verklaart, men, bij de beantwoording dei vraag of iemand als „ Nederlander" ten aanzien van het Regeerings-Reglement moet worden beschouwd, dient te onder zoeken, of de bewuste persoon voldoet aan de bepalingen der genoemde wet op het Nederlanderschap, hoewel deze niet in het Ned. Ind. Stbl. is verschenen. Mr. Kleintjes zegt verder: „Hoe nu te oordcelen ten aanzien der overige Ned-Indische wetgeving? Ook hier ga ik met hen mee, die de Nederlandsche wet van 1892, hoewel niet afgekondigd in het Ned.-Ind. Stbl. toch toepasselijk achten. De vraag immers of iemand tot het verband van een bepaalden staat behoort, wordt ook buiten de grenspalen beoordeeld naar de wetten van dien staat, al mogen deze ter plaatse van den rechter, die oordeelt geen bindende kracht hebben. Of iemand een Belg of een Deen is, moet beoordeeld worden naai de Belgische resp. Deensche wet en zoo zal in Ned.-Indië iemands Nederlan derschap aan de regelen der wet van 1892 moeten worden getoetst. Beheerscht een vreemde wet een rechtsbetrekking, dan heeft de rechter die wet toe te passen zonder dat deze in zijn land is afgekondigd. Het is waar, art. 122 Gw. verklaart, dat de wetten slechts dan voor de koloniën verbindend zullen zijn, wanneer zulks uitdrukkelijk is uitgesproken, doch hierbij kan enkel sprake zijn van wetten, waarvan de werking aan een bepaald territoir gebonden is. Een wet op de nationaliteit heeft geen territoriale werking. Beschouwen wij thans de verhouding der inlanders en met hen gelijkge stelden tot den staat. Vroeger waren volgens art. 75 van het Nederlandsch Burgerlijk Wetboek onder meer Nederlanders „allen die binnen het konink rijk of deszelfs koloniën zijn geboren uit ouders, aldaar gevestigd". Onder deze bepaling vielen nagenoeg alle inlanders en zeer velen der in Ned.-Indië 1) Zie Mr. C. W. Margadant, dl. 111, blz. 253. 2) Zie Mr. P. H. Kleintjes, dl. I, blz. 98 en vgd. 448 gevestigde Vreemde Oosterlingen. Echter ten aanzien van burgerschaprechten waren zij geene Nederlanders (wet van 28 Juli 1850 Ned. Stbl. N°. 44). In het Ontwerp der wet van 1892, hetwelk met afschaffing van de toen bestaande bepalingen een nieuwe algemeene regeling van het Nederlander schap wilde geven, luidde de overgangsbepaling: „ zij die op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt den staat van Nederlander bezitten, be houden dien tot dat zij dien volgens deze wet verliezen". Allen derhalve, die krachtens de afteschaffen bepalingen Nederlanders waren, werd deze hoeda nigheid gelaten, dus ook den inlanders en met hen gelijkgestelden. Tn dit systeem bracht het aannemen van een door den afgevaardigde Mr. Levyssohn Norman voorgesteld amendement een geheele wijziging. In de overgangsbepaling werd een uitzondering gemaakt voor de inland sche en daarmee gelijkgestelde bevolking van Ned.-Indië met het gevolg, dat voortaan de Europeesche en met haar gelijkgestelde bevolking in die gewesten en de geheele bevolking in de West-Indische koloniën Nederlander werden, terwijl meer dan dertig millioen personen, op het territoir van Ned.-Indië wonende, en die toch (b. v. met het oog op de bescherming hun in den vreemde te verleenen) als Nederlandsche onderdanen moeten worden aange merkt , tot niet-Nederlanders werden verklaard. Ondubbelzinnig luidt het in art. 12 der wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap: „Allen die volgens deze wet den staat van Nederlander niet bezitten zijn vreemdelingen." Zoo ligt de conclusie voor de hand, dat de inlanders en Vreemde Oosterlingen in Ned.-Lidië vreemdelingen zijn. Nu doet zich deze merkwaardige inconsequentie voor, dat de boschnegers van Suriname wel Nederlanders zijn en den zooveel hooger ontwikkelden Javanen het Nederlanderschap niet werd gegund. Waarom deze uitsluiting in de overgangsbepaling? Uit vrees den inlanders en met hen gelijkgestelden in de Ned.-Indische bezittingen politieke rechten te verleenen, een vrees, die waarlijk wel over dreven mag genoemd worden, daar toch, wanneer men geene politieke rechten had willen toekennen, elders plaats ware geweest de niet waardig gekeurden daarvan uit te sluiten. Inboorlingen onzer Oost-Indische koloniën en de daar van geslacht tot ge slacht inheemsche z. g. Vreemde Oosterlingen zullen toch zeker wel, als thuis behoorende binnen de grenspalen van den Nederlandschen Staat, tot het Nederlandsche staatsverband behooren. Daarom onderschrijf ik het gevoelen van hen die deze uitsluiting afkeuren J ). Geen Nederlandsch gezant of consul zal dezen personen bescherming mogen weigeren. Ook acht ik het niet twijfelachtig, dat wanneer de Staat der Nederlanden door de een of andere buitenlandsche mogendheid verantwoorde lijk gesteld kan worden voor zekere gedragingen zijner onderdanen, dit ook kan geschieden, wanneer de bewuste feiten zijn gepleegd door personen, behoorende tot bedoelde categoriën. Bestaat er voor hen geen Nederlanderschap, wel kan men te hunnen op zichte van een „ Nederlandsch onderdaanschap " spreken. Voor een klein deel werd de fout, in 1892 bij de openbare beraaadslaging 1) Zie: de Louter, blz. 125. 449 begaan, hersteld. Nadat n.l. de Commissie van Rapporteurs gewezen had op de anomalie, die ontstaan zou, indien het amendement Levyssohn Norman werd aangenomen en welke hierin bestond, dat inlanders in Nederland wel, in Nederl.-Indië niet uitleverbaar zouden zijn, onderging de slotbepaling een wijziging om aan dit bezwaar tegemoet te komen. Gelijk de slotbepaling thans luidt, wordt art. 22 der wet van 6 April 1875 (Nederl. Stbl. N°. 66) zoodanig veranderd, dat ook zij, die in Nederlandsche Koloniën uit aldaar gevestigde ouders zijn geboren, niet uitleverbaar zijn. Uit deze niet-uitleverbaarstelling mag men concludeeren, dat de wetgever van 1892 den nauwen band, die deze personen aan den Nederlandschen Staat bindt, erkende ')• Dat een inlander of met hem gelijkgestelde, die gelijk wij boven zagen, volgens de wet van 1892 niet Nederlander is, door naturalisatie Nederlander kan worden, wanneer hij aan de vereischten van die wet daarvoor gesteld, voldoet, acht ik niet twijfelachtig, nu deze categoriën volgens art. 12 als vreemdelingen worden aangemerkt en van naturalisatie niet zijn uitgesloten. Mr. Margadant is van een ander gevoelen 2 ). Volgens hem is „naturalisatie als Nederlander van een inboorling van Ned.- Indië niet mogelijk, daar hij is een onderdaan van den Souverein der Nederlanden en dus niet in een ander staatsverband wordt opgenomen door zijne naturalisatie, die ten doel heeft den onderdaan van den vreemden Souverein te maken tot onderdaan van den anderen en tengevolge der verandering van nationaliteit hem in een ander staatsverband te brengen en onder eene andere wetgeving." Onder inboorlingen van Ned.-Indië verstaat hij allen, die in Ned. Indië geboren zijn, onverschillig tot welk ras, welken landaard of welke nationaliteit zij behooren *). Intusschen, naturalisatie van Chineezen heeft reeds enkele malen plaats gehad. De niet lang geleden tot stand gekomen wetten, betrekking hebbende op de naturalisatie van twee 1) Bij Kon. Besluit van 8 Mei 1883 N°. 26 (Stbl. 1883 N°. 188) werd eene regeling gegeven met betrekking tot Nederlandsch-Indië in acht te nemen bij uitlevering van vreemdelingen. De artikelen 22—26 van die regeling zijn bij Stbl. 1895 N°. 62 vervangen door het volgende: Als Nederlanders beschouwt deze verordening hen, die het zijn volgens de Nederlandsche wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, alsmede hen, die in de Nederlandsche koloniën of bezittingen in andere werelddeelen uit aldaar gevestigde ouders zijn geboren. Allen die niet begrepen zijn in het eerste lid van dit artikel beschouwt deze verordening als vreemdelingen. 2) Zie: Margadant, dl. IH, pag. 251. 3) id. dl. Hl, pag. 250. 45 Nadat Penang in 1786 door de Engelschen werd bezet, lokten de Engelsche autoriteiten de Chineezen er zooveel mogelijk heen. Reeds in 1794 telde men in Penang 3000 Chineezen. Penang werd later overvleugeld door Singapore. Singapore had in 1827 op eene bevolking van 14.000 zielen 6000 Chineezen. „ „ „ 1871 op eene bevolking van 97.111 „ 54.572 Chineezen. „ b» 1901 op eene bevolking van 228.555 „ 164.000 Chineezen. Voor het geheele schiereiland bedroeg de bevolking in 1902 2.050.000 w. o. 985.000 Chineezen. Overwegende invloed der Chineezen. Het Maleische schiereiland kan in economischen zin als eene Chineesche kolonie worden beschouwd. Het belangrijkste deel van de bebouwde gronden zy'n met de meest waardevolle mijnen ln handen der Chineezen. Verreweg het grootste deel van het handelsverkeer wordt door hen beheerscht. Het hoofdbestanddeel van de Chineesche bevolking zijn de z - g- n. Malacca-Chineezen, d. z. nakomelingen van de eertijds aldaar geïmmigreerde, en naderhand naar Penang en Singapore vertrokken Chineezen. De meesten van hen zijn Britsche onder danen, welgesteld, en wonen van ouder tot ouder op dezelfde Plaats. Velen van hen hebben China nooit gezien, en in vele opzichten verschillen zij, vooral wat betreft vlyt en arbeidzaam heid, van hunne voorvaderen. In de laatste jaren is de immigratie uit China vrij stationnair gebleven. Voor Singapore, Penang en Malacca bedroeg de immi gratie in 1881: 93.524, in 1890: 155.530 en in 1899: 183.334 Chineezen. Aan de vraag naar Chineesche arbeidskrachten kan dan ook op lange na niet worden voldaan. Snelle ontwikkeling onder Britsen Bestuur. Hoe snel de ontwikkeling van het Maleische schiereiland onder het Britsche bestuur is geweest, kan blijken uit een boek, dat de gewezen Gouverneur van de Straitskolonie en Hooge Com nnssaris voor de gefedereerde Maleische Staten, Sir Frank Swet tenham, heeft geschreven, hetwelk getiteld is: „ British Malaya, 450 Chineezen te Batavia, genoten bij hare behandeling in de Tweede Kamer eene bijzondere belangstelling bij verschillende leden. In verband met de belangrijke opmerkingen over de naturalisatie van Chineezen in het algemeen geuit, moge eene korte mededeeling van het verhandelde volgen. ») Bij Kon. boodschap van 11 Dec. 1907 (Bijl. Hand. 1907—1908 N*. 214) werd aan de Tweede Kamer een wetsvoorstel aange boden, behelzende onder meer de naturalisatie van twee Chineezen te Batavia, Khouw oen Giok en Oey Tiang Hoei. In de Memorie van Toelichting zeide de Minister van Justitie, dat in China het staatsburgerschap niet, gelijk in staten van Westersche beschaving, een juridisch begrip is, hetwelk door wettelijke kenmerken wordt beheerscht, maar eene kwestie van ras. Wie als Chinees geboren is, blijft zijn leven lang een Chinees. Vandaar dan ook dat een Chinees, na het bekomen van eene vreemde nationaliteit, zijne Chineesche nationaliteit behoudt. Intusschen wordt in dit geval, na overleg met den Minister van Koloniën, geen bezwaar gezien en acht de Minister het ongewenscht aan naturalisatie van goede elementen onder de Chineezen in Indië belemmeringen in den weg te leggen. In het Voorloopig Verslag daarover van 24 December vonden sommige leden dit een ongewenschten toestand; men wees op het ontraden der naturalisatie van deze Chineezen door den Directeur van Justitie te Batavia en op de moeielijkheden die zouden kunnen ontstaan als zulke personen, hunne echtgenooten of nakomelingen naar China terugkeerden, de bescherming der Nederlandsche regeering inriepen, terwijl de Chineesche regeering zich zou beroepen op de niet verloren Chineesche nationaliteit. In de bij brief van 28 Januari 1908 ingezonden Memorie van Antwoord wordt er op gewezen, dat de Chineesche nationaliteit een ethnologisch begrip is, dat met het rechtsbegrip van het Nederlanderschap bezwaarlijk in conflict zal kunnen komen. Merkwaardig is vooral de volgende uitspraak: „De Indo-Chinees, die zich tot Nederlander heeft laten naturaliseeren, heeft daarmede afstand gedaan van de essentialia van zijn nationaliteit. Door onderwerping aan de bepalingen voor Europeanen zijn adoptie en het bezit van bijvrouwen voor hem uitgesloten en worden dientengevolge de dienst bij het huisaltaar en het lot van zijn ziel en die zijner ascendenten inhetachim- 1) Indische Gids, aflevering Maart 1908, blz. 400. 451 menrijk, waarvoor alleen agnatische afstammelingen kunnen waken, door hem prijs gegeven. Door onderwerping aan de bepalingen voor Europeanen moet de genaturali seerde zijn nationaal costuum afleggen op poene van te vallen onder art. 2 sub. 6 van het Algemeen Politie strafreglement voor de inlanders en kan hij niet meer deelnemen aan de talrijke ceremoniën, die afscheidelijk zyn van zijne nationale begrippen. Een Chinees, die zich bereid verklaard heeft om van dit alles en nog zooveel andere gebruiken, die met zijn zedelijk en godsdienstig bewustzijn innig samenhangen, afstand te doen, is in werkelijkheid geen Chinees meer. Hij zal zich wel wachten om naar China terug te keeren, waar hem wegens zijn gebrek aan eerbied (Hao) voor alles, waaraan een Chinees eerbied verschuldigd is, een minder gunstig onthaal verzekerd zou zijn." l ) In de vergadering der Tweede Kamer van 17 Juni 1908, kwamen de beide wetsontwerpen in openbare behandeling. Het kamerlid De Beaufort is tegen de naturalisatie. Hij motiveert zijne zienswijze aldus: „Tot dusver is als vaste regel erkend, dat men niet overgaat tot eene naturalisatie, tenzij men de zekerheid heeft, dat de nationaliteit waartoe de genaturaliseerde heeft behoord, is opgeheven; dat er geenrechtsverbandmeer bestaat tusschen den te naturaliseeren persoon, en het land, waartoe hij heeft behoord. Indien wij echter deze personen gaan naturaliseeren, dan komen wij met dezen regel in strijd. In China bestaat geen geschreven wet omtrent de nationaliteit, doch heerscht het gewoonterecht, dat ieder, die op Chineeschen grond verblijft, indien hij niet kan bewijzen tot een Europeesche natie te be hooren, wordt geacht een Chinees te zijn. De Chineesehe regeering houdt er aan vast, dat ieder die in China vertoeft en van Chineeschen oorsprong is, ook Chinees is. Hoeveel jaren hij of zijn voorouders ook in het buitenland doorgebracht hebben, hij blijft Chinees." De heer van Deventer verdedigt de naturalisatie als volgt: „Ik meen dat naar Chineesehe opvatting het denkbeeld „Staatsverband" niet bestaat. Ds geloof dat de Minister van Justitie zich volkomen juist uit drukte, toen hij zeide, dat hier, waar sprake is van het Staatsburgerschap, de Chineesehe nationaliteit niet moet worden beschouwd als een juridisch, maar als een ethnologisch begrip. Indien een andere opvatting moest worden gevolgd, zou bij vorige gelegenheden, toen Chineezen tot het Nederlander schap werden toegelaten, een verkeerde beslissing genomen zijn, en zouden die personen ten onrechte tot het Nederlanderschap zijn toegelaten. Ik geloof, dat wij, ook om niet onbillijk te worden tegenover anderen, goed zullen doen, om te volharden bij hetgeen bij vorige gelegenheden gedaan is, en personen die in Nederl.-Indië geboren, doch van Chineesehe afkomst zijn, onder zekere voorwaarden toe te laten tot de Nederl. Staatsgemeenschap. De bezwaren door den heer De Beaufort ontwikkeld, zijn ook in Indië ter sprake gebracht en van alle kanten bekeken. De Raad van Indië heeft ten 1) Zie: Handelingen 2*» Kamer 1908, blz. 2126 en vgd. 452 slotte gemeend den Gouverneur-Generaal te moeten adviseeren beiden voor het Nederlanderschap voor te dragen, en wel op grond, ten deele reeds door den Minister van Justitie vermeld, dat een goede staatkunde medebrengt enkele gefortuneerde en invloedrijke Chineezen, die in ons Staatsverband wenschen te worden opgenomen, de toetreding daartoe gemakkelijk te maken, in stede van hen af te stooten, of uit te sluiten." De Minister van Koloniën zeide dat het ontwerp geheel strookt met de jongste wijziging van art. 109 R. R. en het ook is inge diend om politieke redenen. Er wordt hier geen principieele be slissing gevraagd. Nadat deze Minister en ook de Minister van Justitie in herinnering gebracht hebben, dat vroeger ook reeds een in Indië geboren Chinees, de heer Oei Jan Lee, is genaturali seerd, en de motie van den heer Van Kol, om de stemming uit te stellen tot nadere inlichtingen verkregen zijn, was afge stemd , werden de beide wetsontwerpen aangenomen. In den loop der beraadslagingen betitelde de heer Roodhuyzen de beide Chi neezen als smeerpoetsen, welke uitdrukking hij later terugnam, terwijl de afgevaardigde Boogaardt hen vergeleek met fox-terriers daar de twee Chineezen geen staart droegen, welke uitlatingen zeker er niet toe zullen bijdragen den Chineezen opJavahoogen eerbied te doen koesteren voor de leden eener instelling, die geroepen is over gewichtige koloniale belangen te beslissen. Waar gedurende de beraadslagingen over de ontwerpen hier boven bedoeld, zoowel voorstanders als tegenstanders hebben aangedrongen op eene regeling bij de wet van de rechtspositie der Indische Chineezen, is het te hopen, dat die regeling binnen niet al te langen tijd zal plaats hebben. Door aanneming van de betrekkelijke wetsontwerpen omtrent het onderdaanschap ') zal eene goede oplossing gegeven zijn. In tusschen, van belang is het bericht voorkomende in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 6 April 1909, over de naturalisatie der Chineezen: „Te Peking is een nieuwe wet afgekondigd, waarbij het aan Chineezen wordt verboden , zich tot burgers van een anderen staat te laten naturaliseeren. Deze zonderlinge wet heeft terugwerkende kracht." Hoogstwaarschijnlijk is de aanleiding tot die wet de omstan digheid, dat vele Chineezen zich in Japan tot Japanners laten naturaliseeren en daarna in de binnenlanden van China als nieuw bakken Japanners terugkeeren. 1) Zie blz. 235 en vgd. 453 Alvorens van dit onderwerp af te stappen willen we nog even melding maken van het feit, dat •), naar aanleiding van de moeilijkheden, welke tusschen het Nederlandsch consulaat te Bangkok en de Siameesche regeering gerezen waren over de positie van in Siam verblijfhoudende uit Nederlandsch-Indië af komstige Vreemde Oosterlingen, met betrekking tot de vraag in hoe ver zij beschouwd kunnen worden als „ Netherlands subjects " in den zin van het met dat rijk gesloten tractaat, Stbl. 1863 N°. 20, bij art. 2 van het besluit van 19 Mei 1877 N°. 26 Bijblad 3190, de consul der Nederlanden te Bangkok o. m. is uitgenoo digd om in het vervolg als Nederlandsche onderdanen te beschouwen alleen die Vreemde Oosterlingen, die blijkens de daarvan op den hun ingevolge Stbl. 1866 N°. 28 uitgereikten reispas gehouden aan teekening geboren zijn in Nederlandsch-Indië en aldaar gedurende de zes aan de aanvrage van den pas laatst voorafgaande jaren gevestigd zijn geweest. De wettigheid en de geldigheid van het in art. 2 van het besluit in Bijblad N 9. 3190 voor het onderdaanschap gegeven criterium, dat in de praktijk nj£t alleen door onzen consul te Bangkok maar ook door onze consulaire ambtenaren te Hongkong en elders werd gevolgd, zijn meermalen in twijfel getrokken en, naar het oordeel van den Gouverneur-Generaal, terecht. Daarom is bij besluit van 10 October 1903 N°. 5 8p1ad5909 bovenstaande regeling buiten werking gesteld, en is tevens bepaald: Zoolang dit onderwerp niet door eene speciale wettelijke veror dening is geregeld, behooren als Nederlandsche onderdanen te worden aangemerkt, en zulks onverschillig, waar zij zich ook bevinden : 1. Zij, die Nederlanders zijn, ingevolge de wet op het Neder landerschap en het Rijksingezetenschap (Nederlandsch Staatsblad 1892 No. 268). 2. Zij, die hier te lande (dus Nederlandsch-Indië) zijn geboren uit mede hier te lande gevestigde ouders, met uitzondering van hen, die als onderdanen van een anderen staat moeten worden erkend 2 ). Door de Siameesche regeering worden behalve de evengenoemde categoriën van personen nog anderen als Nederlandsche onder- 1) Zie: Boudewijnse en van Soest. De Indo-Nederlandsche Wetgeving,deel XIV, blz. 913. 2) Zie blz. 196. 454 danen beschouwd, b. v. de in Nederlandsch-Indië uit onbekende ouders geborenen, enz. In verband met het vorenstaande werd eene nieuwe inrichting der reispassen gegeven, te onderscheiden in do modellen A, B en C; A bestemd voor dengene, die behoort tot de Europeesche en daarmee gelijkgestelde bevolking, B voor de Inlandsche en daarmee gelijkgestelde bevolking, indien de aanvragers van A en B onderdanen zijn; C bestemd voor de niet-onderdanen. Het bestuur over de Chineezen. Zooals we reeds zagen (blz. 145), schrijft artikel 73 van het Regeerings-Reglement voor, dat de Vreemde Oosterlingen, in Nederlandsch-Indië gevestigd, zooveel doenlijk in afzonderlijke wijken vereenigd worden, onder leiding van hunne eigene hoofden, terwijl de Gouverneur-Generaal zorgen moet dat die hoofden van de vereischte voorschriften worden voorzien. Vergelijken we dit voorschrift van het Regeerings-Reglement, met het correspondeerend artikel Regeerings-Reglement, waar het hoofdbeginsel voor het bestuur over de inlandsche bevolking is gegeven, dan blijkt dat in artikel 73 Regeerings-Reglement worden gemist de bepalingen: dat die leiding moet zijn eene „onmiddellijke", en dat die hoofden moeten zijn „ van regeerings wege aangesteld of erkend". Waar artikel 73 Regeerings-Reglement dus de mogelijkheid opent voor een gedeeltelijke autonomie der in wijken vereenigde Chineezen, en een zelf kiezen hunner eigene hoofden niet uit gesloten is, heeft de regeering zulks nooit gewild. Integendeel, waar nog autonomie der Chineezen bestond, zooals vroeger bij de in de Westerafdeeling van Borneo bestaande kongsies, is daaraan door de regeering met geweld een einde gemaakt. Het voorschrift van artikel 67 Regeerings-Reglement is nog zeer te prijzen, daar het de mogelijkheid schept voor een, in zielental klein en ver verwijderd moederland, om heerschappij te voeren over het uitgestrekt eilandenrijk van Nederl.-Indië >), maar voor het bestaan van artikel 73 Regeerings-Reglement gelden die redenen niet. 1) Wat er evenwel in de praktijk van het voorschrift van art. 67 Reg.- Regl. is terechtgekomen, wordt door Dr. Snouck Hurgronje duidelijk in het licht gesteld in zijn artikel: „De inlandsche bestuursambtenaren, vooral op Java". (De Gids 1908). 455 Men heeft terecht de Chineezen op Java en Madoera steeds beschouwd als rustige, gehoorzame onderdanen; maar dit toe te schrijven aan de omstandigheid, dat de Chineezen waren gelaten onder de leiding hunner eigen hoofden, is eene verkeerde conclusie. De Chinees is al van huis uit vreedzaam, gehoorzaam aan de boven hem gestelde machten, indien deze hem niet beletten zelf de vruchten te plukken van zijn arbeid en spaar zaamheid. Eerbied voor het gezag! Zie daar een eigenschap der Chineezen, welke hen tot ideale staatsburgers maakt. De mate van invloed, door de van regeeringswege benoemde Chineesche hoofden uitgeoefend op hunne rasgenooten, hangt af van de meer of mindere welwillende houding door het Euro peesche bestuur tegenover die hoofden aangenomen. Ziet de Chi neesche bevolking, dat de Europeesche ambtenaar het Chineesche hoofd met consideratie behandelt, zijn raad inwint en met dien raad rekening houdt, dan stijgt het prestige van het Chineesche hoofd, om dadelijk tot nul te reduceeren, als een volgende Euro peesche ambtenaar hem als een quantité négligeable beschouwt. Van een „zelfstandige" invloed van het Chineesche hoofd qua hoofd is weinig sprake. Waar die zelfstandige invloed aanwezig is, dankt het Chineesche hoofd zulks aan de bijkomende om standigheden, dat hij meestal is een vermogend persoon; en geld is macht, vooral bij de Chineezen. Vroeger was de macht der Chineesche hoofden veel grooter, daar zij tevens waren de pachters van verschillende gouvernementsmiddelen. In Borneo was ik in de gelegenheid op te merken hoe afhan kelijk het gezag der Chineesche hoofden was van de meer of mindere appreciatie van het Europeesche bestuur. Enkele pas benoemde Chineesche hoofden, gekozen uit de bekwaamsten en intelligensten der bevolking, hadden kort na de aanvaarding hunner bediening nagenoeg niets te zeggen. Voor de eenvoudigste opdracht hun gegeven, vroegen zij mij de assistentie van één politieoppasser. Deze vergezelde hen als symbool dat zij kwamen als lasthebbers van het Europeesche bestuur, en zoo konden de Chineesche hoofden hunne bevelen doen opvolgen. Vandaar ook de voortdurende vraag der Chineesche hoofden op Borneo naar door den bestuursambtenaar gegeven en onderteekende „plakkaten" om de wenschen en bevelen van het bestuur aan de Chineesche bevolking kenbaar te maken. 456 Op Borneo zijn de Chineesehe hoofden dus geheel geworden ambtenaren, die onmisbaar zijn, daar de Chineesehe bevolking Chineesch spreekt, Chineesch denkt, een Chineesehe kolonie is. Maar nu op Java. De meeste Chineesehe officieren behooren tot de in Nederl.- Indië geborenen. Als schakel tusschen het Europeesche bestuur en de Maleisch sprekende Chineesehe bevolking zijn ze niet onmisbaar, zooals op Borneo. Hoe vele bevelen worden niet rechtstreeks gegeven, of door tusschenkomst der wijkmeesters, of der inlandsche hoofden! Voor de zuiver Chineesehe immigranten zijn ze van weinig nut, daar zij de Chineesehe taal niet kennen. Geen wonder dat het bestuur van de Tiong-Hoa-Hwe-Koan-vereeniging mij schreef: „Op de leest zooals dat corps nu geschoeid is, is het eer ten nadeel dan ten voordeel ten opzichte der oogmerken der Regeering met het instellen daarvan beoogd." Het is geruimen tijd een punt van overweging geweest wie de vereischte voorschriften voor de hoofden der Vreemde Oosterlingen zou geven, de Gouverneur-Generaal zelf of anderen. Daar bleek dat plaatselijke omstandigheden het maken van een uniforme regeling niet mogelijk maakten, werd in 1882 bepaald, dat de hoofden van gewestelijk bestuur die vereischte voor schriften zouden hebben te geven. Op de drie hoofdplaatsen van Java vormen de Chineesehe hoofden den z.g.n. Kong Koan, Chineeschen raad. Deze Chineesehe raad beheert de fondsen voor de bijzondere Chi neesehe scholen (niet van de Tiong-Hoa-Hwe-Koan-vereeniging). Chineezen, die een wettig huwelijk willen aangaan, geven daarvan kennis aan den raad, waarna hun, tenzij er bezwaren tegen het voorgenomen huwelijk bestaan, een consent wordt uitgereikt. Van die huwelijken wordt aanteekening gehouden in een register. De raad kan geroepen worden om advies te geven aan het Europeesche bestuur of aan andere autoriteiten, indien zulks gevraagd wordt. De raad verleent zijne medewerking bij het opvatten van door de politie gezochte personen van Chineeschen landaard; feitelijk is evenwel de wijkmeester de man die hulp verleent. De secretaris van den raad houdt een wakend oog over de door den wijkmeester geïnde belastinggelden. 457 De raad is dus nog wel van nut voor de Chineesehe bevolking en voor het Europeesche bestuur. Is zij onmisbaar? Ik meen van niet. Het werk, nu door haar uitgeoefend, kan verricht worden door den ambtenaar voor Chineesehe zaken en een aan hem toegevoegd bureau. Die ambtenaar kan dan ook zijn de gewone ambtenaar voor den burgerlijken stand der Chineezen. De invoering van dien burgerlijken stand, reeds opgenomen in Stbl. 1892 N°. 238, doch wegens de daaraan verbonden kosten niet in werking gekomen, zal strekken tot meerdere rechts zekerheid der ingezetenen. Hebben de Chineesehe hoofden rechtsmacht? Laten wij voor de beantwoording dier vraag artikel 78 van het Reg. Regl. eens raadplegen. Dit artikel luidt aldus: „Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende rechten, over schuldvorderingen of andere burgerlijke rechten, behooren bij uitsluiting tot de kennis van de rechterlijke macht. Evenwel blijven de tusschen inlanders of tusschen met dezen gelijkgestelde personen van denzelfden landaard gerezen burgerlijke geschillen, welke vol gens hunne godsdienstige wetten of oude herkomsten ter beslissing staan van hunne priesters of hoofden, daaraan onderworpen." Voor de inlanders is tengevolge van dit artikel de bevoegd heid der zoogenaamde priesterraden geregeld. Bij het Kon. Besl. van 19 Januari 1882 N°. 24, opgenomen in Stbl. 1882 N°. 152, werden regelen gegeven omtrent de samenstelling van die rechts colleges, de wijze van in geschrifte brengen hunner beslissingen, de uitgifte daarvan aan belanghebbenden en werden tevens de gevallen genoemd, waarin die beslissingen niet kunnen worden executoir verklaard. Eene omschrijving van de competentie van de priesterraden hield dit Kon. Besluit niet in. Voor de met inlanders gelijkgestelde personen van denzelfden landaard, waarvan het 2 de lid van art. 78 spreekt, is niets naders geregeld. Waar het Mohamedanen betreft, acht de priesterraad zich ook voor de Vreemde Oosterlingen bevoegd, b. v. bij kwesties tusschen Arabieren onderling of tusschen Arabieren en inlanders. Deze praktijk is in strijd met de bewoordingen van het 2 de lid art. 78 R. R. x ). Dit artikel is overgenomen van art. 3R. O. van 1848. Uit het advies over de R. O. door den algemeenen secretaris Canter Visscher uitgebracht, blijkt dat deze er tegen was om aan de Chineesehe hoofden eigen rechtsmacht toe te 1) Zie Mr. Ph. Kleintjes, dl. H, blz. 135, 141. 458 kennen, die ze, naar zijne meening, tot dusver niet bezaten; in de nota van den directeur Van der Vinne wijst deze er daaren tegen nadrukkelijk op, dat er geen bezwaar kan bestaan, om de hoofden der Chineezen de bevoegdheid te laten „ behouden" om kleine zaken betrekkelijk huwelijk en echtscheiding te beslissen, zooals volgens hem steeds geschiedde. Het gevoelen van den laatste praevaleerde, daar Van der Vinne, naar Nederland vertrokken, daar als buitengewoon lid van den Raad van State medewerkte aan het tot standkomen van het reglement R. O. waarin de be paling dan ook in den geest van Van der Vinne werd opge nomen en later in 1854 in het R. R. ook aan die hoofden rechtsmacht van bijzonderen aard bleef toegekend. In de praktijk wordt er zoo goed als nooit gebruik van gemaakt. Het is nooit voorgekomen dat van een beslissing der Chineesche hoofden executoir verklaring is gevraagd bij den landraad ')• Wanneer partijen zich gehouden hebben aan de beslissing der hoofden hoort men er verder niets van. De uitvoering dier beslissing geschiedt dan vrijwillig, en voor het geval de in het gelijkgestelde partij weigert de beslissing op te volgen, wordt de kwestie van voren af aan voor den landraad gebracht, vermoedelijk omdat de Chi neesche hoofden onbekend zijn met de hun toegekende rechts macht, of liever van de verdere moeite aan die geschillen ver bonden afzien. Erkend wordt, ook door de regeering, dat het gehalte der Chineesehe officieren dikwijls veel te wenschen overlaat. Aan den heer Fokkens werd daarom opgedragen een rapport uit te brengen: l e . over de wenschelijkheid om aan het bestuur over de Chi neezen eene andere inrichting te geven, 2 e . over de maatregelen, die genomen konden worden om, met behoud van de tegenwoordige inrichting, een ruimere keuze van geschikte personen te verzekeren. Naar aanleiding van dit rapport besloot de regeering de thans bestaande inrichting van het bestuur over de Chineezen te hand haven , en is zij bedacht om door gepaste maatregelen het ambt van Chineesch hoofd aantrekkelijk te maken. Reeds vroeger waren enkele maatregelen genomen om het aanzien der Chineesehe hoofden eenigszins te verhoogen. 1) Zie Mr. C. W. Margadant, dl. IH, blz. 143. 459 Zoo werd bij Gouvernementsbesluit gedagteekend Batavia 2 September 1869 N°. 21, opgenomen in bijblad N°. 2338, te kennen gegeven: „dat de titulaire rang van Chineesch officier behoort voorbehouden te worden voor aftredende Chineesehe officieren, die den lande geruimen tijd goed hebben gediend, en bij wijze van uitzondering, voor Chineezen, die zich bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt en zich door handel en wandel zoo danige onderscheiding waardig hebben getoond." Daarna bepaalde nog het Gouvernementsbesluit, dd. 3 Febr. 1872 N°. 26, opgenomen in bijblad N°. 2557, dat Chineesehe officieren, die in staat van faillissement zijn vervallen, niet in hunne bediening konden worden gehandhaafd, zoolang zij niet gerehabiliteerd waren. In den allerlaatsten tijd is de regeering iets verder gegaan. Zij heeft de Chineesehe officieren onttrokken aan het gehate passenstelsel (zie blz. 150) terwijl bij Stbl. 1908 N°. 347 is toe gekend een forum privilegiatum zoowel in civilibus, als in criminalibus aan de daarin genoemde Chineesehe Hoofden van Vreemde Oosterlingen. Dit Stbl. bepaalt: Art. 1. Alle burgerlijke rechtsvorderingen en strafvervolgingen tegen de door de Regeering aangestelde Hoofden van Vreemde Oosterlingen, zoowel zij, die in werkelijken dienst zijn, als zij, die met een titulairen rang bekleed zijn, alsmede tegen hen, die als Chineesch lid aan de Weeskamer te Batavia dan wel aan een der Wees- en Boedelkamers in Nederlandsch-Indië verbonden zijn, worden, voorzoover zulks niet reeds het geval is, in eersten aanleg aangebracht bij de rechtbanken en rechters voor Europeanen en met hen gelijkgestelden. Art. 2. De berechting der zaken van de in artikel 1 genoemde personen heeft plaats op de gewone bij algemeene verordening voorgeschreven wijze. Art. 3. Artikel 8 van het Wetboek van Strafrecht voor inlanders is van toepassing met opzicht tot de in artikel 1 genoemde personen 1). Zijn die maatregelen voldoende? Neen, noodig zijn ruime be zoldiging om onafhankelijke personen te kunnen krijgen, en het geven van eenig gezag, opdat zij werkelijk als bestuurders diensten kunnen presteeren 2 ). Ten minste, zoolang de regeering wil blijven volharden bij hare politiek om hare Chineesehe onderdanen als eene aparte klasse der bevolking te beschouwen en te behan- 1) Zij zijn dus in deze gelijkgesteld met de z. g. n. aanzienlijke inlanders. 2) Eigenaardig dat Bijblad N°. 3831 nog niet is ingetrokken, waarin bepaald is, dat de politiemacht van de hoofden der Vreemde Oosterlingen niet moet worden uitgebreid. 46 an account of the origin and progress of British influence in Malaya" en in Londen in 1907 is uitgekomen. Enkele cijfers en data mogen hier gegeven worden. In Januari 1819 bedroeg het aantal inwoners op het eiland Singapore 150, en toen Raffles in 1824, Singapore verliet werd het aantal geschat op ongeveer 10.000. In 1825 werden de drie settlements Malacca, Penang en Singapore een Presidency van Britsch-Indië. In 1829 werd de Straits geplaatst onder het Gouvernement van Bengalen. In 1851 kwam zij onder de directe controle van de Indische Regeering van Britsch-Indië en in 1867 werd de Straits eene afzonderlijke Kroon-kolonie (blz. 103). De cijfers voor 1839 zijn: (blz. 82). Malacca 37.706 inwoners Penang en Province Wellesley 86.009 „ Singapore 29.984 „ De cijfers van de inkomsten en uitgaven zijn voor de drie settlements gezamenlijk: In 1845 inkomsten £ 68.590 uitgaven £ 62.289 1855 „ 98.541 „ 75.240 1865 „ 193.937 „ 115.529 Met het binnenland van het Maleische schiereiland bemoeide men zich in den eersten tijd zeer weinig. Er heerschte daar veel wanbestuur, zoodat in 1874 Britsche vertegenwoordigers werden geplaatst in Perak, Selangor en Soengei-Oedjoeng. Het volgende jaar reeds werd de Resident van Perak ver moord. Dit leidde tot eene straf-expeditie en daarna werd de Britsche bemoeienis intensiever. In 1879 bedroeg de bevolking van Perak ongeveer 81.000, van Selangor 40.000, van Negri Sembilan 30.000. 1 Juli 1896 kwam de federatie tot stand van de Maleische rijkjes: Perak, Selangor, Negri Sembilan en Pahang. De Gouver neur van de Straits-Settlements kreeg tevens den titel van „High Commissioner for the Federated Malay States". Onder zijn be velen werd een Resident-General benoemd, die belast was met het toezicht over de vier Residenten (één in elk der zooeven genoemde staatjes). Perak, dat in 1879 een bevolking had van 81.000, telde 10 jaren 460 delen. De tijd zal de regeering wel overtuigen van de onhoud baarheid van die politiek. Gerechtelijke eeden van Chineezen. ') Men heeft er veel over getwist welke eedvorm door onze rechtbanken voor Chineezen behoort te worden aangenomen. Een der hoofdzaken hiervan was de afwezigheid van eedvormen in de gerechtshoven van het Chineesche rijk, en bijgevolg het ontbreken van voorbeelden, waarnaar men zich kon richten. Inderdaad is het reeds lang een uitgemaakte zaak, dat slechts de bamboelat in China als middel in laatste instantie tot ont dekking van de waarheid, ook bij getuigenverhooren, geldt, en geen Mandarijn er zich om gerechtelijke eeden hoegenaamd bekommert. 2 ) Nu is het volgens Prof. de Groot een bekend feit, dat de Chineezen geen denkbeeld hebben omtrent het Opper wezen boven de Natuur, hetwelk wij bestempelen met den naam van God. Dit neemt echter niet weg, dat zij in het bezit zijn van een talrijk heir van godheden, waarvan het aardsche wordt geacht afhankelijk te wezen en voor wier aangezicht dus gevoegelijk eeden kunnen worden afgelegd. Aan het hoofd van die allen staan Hemel en Aarde, de Vader en de Moeder des Heelals 3 ). De Chineezen moeten bijgevolg grooten eerbied koesteren voor een eed, voor het aangezicht dier goden afgelegd. Het zal echter voldoende wezen hen voor den Hemel alleen te laten zweren, daar overal waar een eed voor deze godheid afgelegd wordt, toch de Aarde vanzelf er bij optreedt als getuige. Deze wijze van beëediging is voor onze koloniën volstrekt geen nieuwigheid. In de Westerafdeeling van Borneo bestaat zij reeds sedert jaren. Aldaar worden de getuigen, nadat zij hunne verklaringen voor den rechter hebben afgelegd, in de open lucht gebracht en uitgenoodigd aldaar plechtiglijk voor Hemel en Aarde te betuigen, dat zij de volle waarheid, en niets dan de waarheid hebben gezegd. 1) Zie: J. J. M. de Groot: Eenige aanteekeningen omtrent Chineesehe ge rechtelijke eeden in de Nederlandsche Koloniën, blz. 1. 2) Zie: J. J. M. de Groot, blz. 3. 3) id. blz. 8. 461 Steeds houdt de eedaflegger daarbij een of drie staafjes brandenden wierook in de handen, want een Chinees verschijnt ongaarne voor zijne goden zonder zulk een zichtbaar en wel riekend voorwerp van huldebetoon tusschen zijne vingeren. Twee staafjes worden liefst niet gebezigd, daar dit geval bij uitsluiting een rol speelt bij den eeredienst der dooden. Een der Chineesche leden van de rechtbank, zoo mogelijk uit dezelfde heimath als de getuige afkomstig, vergezelt dezen en zegt hem, zonder zich aan een vast formulier te houden, vóór, het geen hij voor den Hemel te verklaren heeft, terwijl hij er hem buitendien geheel uit eigen beweging een soort van zelfver vloeking laat bijvoegen in b.v. deze bewoordingen: moge ik met geheel mijn nageslacht te gronde gaan, zoo ik onwaarheid heb gesproken! Een buiging ala Chinoise besluit de plechtigheid. J ) Op Java en Madoera is nog altijd het afkeurenswaardig stelsel van kipslachting in vollen zwang. In 1863 trok G. Schlegel, toenmaals tolk voor de Chineesehe taal te Batavia, er reeds tegen te velde en trachtte aan te toonen, dat het onthalzen van een hoen bij wijze van eed onder de Chineezen slechts plaats heeft bij het sluiten van een verbond of overeenkomst, doch als gerechtelijke eed volstrekt geen waarde heeft. Dit is ook de meening van de Groot, die zegt, dat onthalzing van een hoen, zelfs al gaat zij met zelfvervloeking gepaard, eigenlijk geen eed is, daar zij den zweerder in geenerlei aanraking met een hooger wezen brengt, dat als getuige optreedt. Zij is slechts een alle gorische handeling, en nooit meer dan een zinnebeeldige voor stelling van het lot, dat in geval van meineed den zweerder moge treffen door de hand van eigenlijk niemand of niets. Het is dus volgens hem, een hersenschim er nut van te verwachten in den geest, door de wet bedoeld. 2 ) Hoe komt het dat een onnutte eedvorm zich, in spijt van het goede voorbeeld van Borneo, zoo lang op Java heeft kunnen staande houden? Ongetwijfeld is dit in de eerste plaats hieraan te wijten, dat de Chineezen er steeds stelselmatig van zoogoed als alle aandeel in de rechtsbedeeling zijn uitgesloten geweest. Zelfs waar het de zwaarste misdaden van eigen landgenooten geldt, gunt men er hun hoogstens een adviseerende stem: geen 1) Zie: J. J. M. de Groot, blz. 10. 2) id. blz. 16. 462 wonder waarlijk dat de Chineesehe officieren er zich nooit noemenswaardig om een goede rechtspraak bekommerd hebben, noch zich ooit geroepen hebben gevoeld om de rechtbanken in te lichten omtrent een behoorlijk beëedigingssysteem voor hunne landslieden. ') Professor de Groot acht het voor onze rechtspraak nuttig en noodzakelijk, dat de eed met aanroeping van Hemelen Aarde, zooals die in Borneo's Westerafdeeling pleegt te worden afge nomen, verplichtend worde gemaakt bij alle getuigenverhooren van Chineezen in onzen geheelen Archipel, en er aan alle kip slachting voor goed een einde kome. Ter toelichting diene nog: l e . dat die eed behoort afgelegd te worden met afhangenden staart en bij voorkeur (doch niet noodzakelijk) met gedekten hoofde, daar dit de houding is, waarin de Chinees gewoonlijk voor zijne goden verschijnt; 2 e . dat hij, tot verhooging van den indruk, gevoegelijk zal kunnen gevolgd worden door een driemaal herhaalde khao-thao, d. w. z. de zweerder op een daartoe bestemde mat nederknielen en, in deze houding, driemaal het voorhoofd tegen den grond brengen moet, en 3°. dat een Chineesehe wierookpot aanwezig zijn moet om de wierookstaafjes te ontvangen, die de zweerder gedurende den eed tusschen de vingeren gehad heeft. In de Indische Gids van 1890 (blz. 1502 en vgd.) komt een artikel voor van Dr. D. W. Horst, Assistent-Resident van Sambas, getiteld: „De eed der Chineezen". Daaraan ontleenen wij het volgende: „Wat aangaat schrijvers (d. i. Prof. de Groot) bewering, dat het onthalzen van kippen soms door ontwikkelde Chineezen wordt afgekeurd, ook daarvan is ons een voorbeeld bekend. Het Chineesehe hoofd, waarop wij hier doelen, behoorde echter tot de Amoy- Chineezen, en de heer de Groot schijnt vooral studie gemaakt te hebben van den godsdienst en de zeden van dien Chineeschen stam. Nu schijnt ons niets gevaarlijker dan generaliseeren, vooral ten opzichte van een volk, als dat van het groote Rijk van het Midden, dat zoowel in zeden als in godsdienst de meest mogelijke verscheidenheid oplevert. Velen achten dan ook in deze aangelegenheid het laatste woord nog niet gesproken. Zoo deelt de heer J. J. Francken in zijn opstel, getiteld: „Godsdienst en 1) Zie: J. J. M. de Groot, blz. 17 en 18. 463 bijgeloof der Chineezen" (Tijdschr. voor Ind. Taal, Land en Volkenkunde dl. 14 pag. 33) het volgende mede: „In China wordt de eed afgelegd in een tempel, ten overstaan van den afgod, waarvoor kaarsen zijn aangestoken; onder het slaan op de klok en de trom verklaart men plechtig, dat men de waarheid gezegd heeft, of zeggen zal; vervolgens hakt men een witten haan den kop af, hiermede te kennen gevende dat, zoo men een valschen eed doet, het met den meineedige even eens gaan moge als met den haan. Deze wijze van den eed af te leggen wordt slechts in hoogst gewichtige omstandigheden gebruikt, b. v. bij het zweren van onderlinge broederschap of bij het intreden tot een geheim genoot schap. Een andere manier is, om zijne verklaring of gelofte op rood papier te schrijven en dit papier in den tempel aan eene, voor den afgod brandende kaars te verbranden; bij zaken van minder belang legt men slechts eene mondelinge verklaring voor den afgod af, zonder een haan te onthoofden of het eedpapier te verbranden; alleen bidt men de zwaarste straffen over zich als men meineedig mocht zijn ; in zaken van nog minder belang werpt men een kopje op den grond stuk; hiervoor behoeft men niet naar den tempel te gaan." Eene dergelijke allegorische voorstelling van de verwensching, die men over zich zelven uitspreekt is niets vreemds; zij komt integendeel bij Indische volken veelvuldig voor." Dr. Horst, die er, met het oog op het groot aantal Chineezen, gevestigd in de Straits-Settlements, belang in stelde, te weten hoe dit onderwerp bij de Engelsehen aldaar was geregeld, vroeg daaromtrent, door tusschenkomst van onzen Consul-Generaal te Singapore, inlichtingen van den heer Piekering, Protector of Chinese. Deze heer antwoordde: „In reply to your letter I beg to state that as far as I am aware, the only mode of swearing Chinese in the Court of the Colony is by making the witness hold up his hand and say that he swears before Heaven to speak the whole truth. From my experience the most binding oath amongst the Chinese is to cut off a cocks head before an idol in a temple, but this is not often used in our courts." De heeren Francken en Piekering zijn het er dus blijkbaar over eens, dat in sommige streken van het groote Chineesehe rijk, bij het zweren, het af slaan van den kop van een haan gebruikelijk is. Zonder twijfel maakt echter de eisch dat deze formaliteit, om waarde te hebben, moet plaats vinden in een tempel, voor een afgodsbeeld, haar onbruik baar voor de praktijk als gerechtelijke eed. Het gaat toch niet aan, waar veel zaken van Chineezen voorkomen telkens een getuige, vergezeld van eene commissie, naar den tempel te zenden om te zweren. Dit zal dan ook wel de reden zijn waarom de Engelsche rechters in de Straits zich tevreden stellen met de aanroeping van den Hemel. De waarheid ligt hier blijkbaar in het midden. Naarmate de Chinees meer of minder beschaafd is en zijne godsdienstige voorstellingen, in rechtstreeksch verband daarmede, meer of minder verheven zijn, zal de eene of andere vorm van eedafleggen 't meest geschikt voor hem 464 zijn. Zonder twijfel zijn er echter in onzen archipel nog duizenden, voor wie de symbolische handeling van het afslaan van een hoenderkop begrijpelijker is, dan de door den heer De Groot gewenschte godsdienstige ceremonie. Want waarlijk „het pantser van realisme", dat den geest van tal van Chineesehe immigranten in onze kolonie omkluistert, is vaak zeer dik. De rechter kieze daarom, in verband met het peil van beschaving, waarop de Chineezen in zijn omgeving staan, als regel die methode van eedsaflegging, welke hem het rationeelst voorkomt. Dwang zij echter uitgesloten, en wie gemoedsbezwaren heeft, om een kip te onthalzen, die zwere bij Hemel en Aarde. De vrijheid is geheel in overeenstemming met de op dit stuk bestaande voorschriften. Immers art. 14 van de „Algemeene bepalingen van wetgeving voor Neder derlandsch-Indië" luidt: „De eedsaflegging, waar die, hetzij in, hetzij buiten rechten gevorderd wordt, geschiedt overeenkomstig de godsdienstige wetten en gebruiken van elks bijzonderen landaard of gezindte. Wanneer die wetten of gebruiken meer dan eene wijze eedsaflegging als verbindend erkennen, staat het, voor zooveel den gerechtelijken eed betreft, ter beslissing van den rechter, op welke dier wijzen dezelve zal worden afgenomen." Met verwijzing naar dat artikel wordt in artikel 415 van het Reglement op de Strafvordering voor de Raden van Justitie op Java en het Hooggerechtshof van Nederlandsch-Indië enz. gezegd: „Wanneer de rechter, gebruik makende van de bij het tweede lid van art. 14 der Algemeene bepalingen van wetgeving voor Nederlandsch-Indië, toe gekende bevoegdheid, beveelt dat in de strafzaken als getuigen te hooren Chineezen, den eed in den tempel zullen afleggen, zal hij de verdere behan deling der zaak tot eenen door hem te bepalen naderen rechtsdag uitstellen. Dl dat geval benoemt de president een der leden van het rechterlijk college, om als commissaris met den griffier, bij de eedsaflegging tegenwoordig te zijn en daarvan schriftelijk verslag te doen." Eene analoge bepaling wordt aangetroffen in art. 420 van het Inlandsch Reglement." Zie ook artikel 210 van de Burgerlijke Rechtsvordering. De Koelie-Ordonnantiën. Een groot deel van de Chineezen op de Buitenbezittingen leeft onder de bepalingen van koelieordonnantiën ! ), vandaar dat wij er hier een enkel woord aan wijden. Aanvankelijk achtte men voor de werkovereenkomsten met Vreemde Oosterlingen de gewone bepalingen van het burgerlijk recht, in verband met die van het recht van verblijf, voldoende. In 1868 werd eene ordonnantie uitgevaardigd, die voor de 1) Zie blz. 374. 465 toelating van Vreemde Oosterlingen als huurlingen op eene industrieele onderneming binnen Nederlandsch-Indië, een schrif telijk huurcontract eischte. Dat contract moest aan bepaalde vereischten voldoen. Het hoofd van plaatselijk bestuur moest o. a. onderzoeken of de overeenkomst werkelijk vrijwillig was aangegaan. De ordonnantie bleek niet voldoende te zijn voor de landbouw ondernemingen op de Oostkust van Sumatra, omdat men daar bijna uitsluitend met van buiten aangevoerde koelies werkte. Na de intrekking bovendien van art. 2 N°. 27 van het Inl. Pol. Regl., waarbij straf was bedreigd tegen willekeurige con tractbreuk van de zijde van den arbeider, was eene nadere voorziening urgent. In 1880 werden derhalve de reeds in 1875 gegeven regelingen belangrijk verbeterd, welke regelingen in 1889 vervangen zijn door de thans geldende koelie-ordonnantiën, die later nogmaals aangevuld en achtereenvolgens op Ben koelen, de Lampongs, Riouw en Onderhoorigheden, Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo en geheel Celebes van toepassing verklaard zijn. Afzonderlijke, doch gelijksoortige ordonnantiën bestaan voor Sumatra's Westkust, Palembang, Biliton, Atjeh en Onderhoorigheden, de Westerafdeeling van Borneo en de Molukken. Slechts voor Banka, Timor en Bali is de behoefte aan dergelijke voorzieningen tot dusver niet gebleken. De regelingen, aanvankelijk voor ondernemingen van land- en mijnbouw bestemd, zijn later hier en daar ook toegepast op den aanleg van spoor- en stoomtramwegen, op mijnbouwkundige onderzoekingen en opsporingen, op ondernemingen tot bosch exploitatie of houtaankap en scheepsbouw, op den arbeid aan havenwerken en kolenstations, kortom op alle ondernemingen, waarbij Vreemde Oosterlingen als koelies gebezigd worden en toezicht op de aanwerving, de behandeling en de terugzending der werklieden noodig bleek. Zoowel uit een theoretisch als practisch oogpunt verdienen deze verordeningen de bijzondere aandacht als de vrucht van een ernstig streven en herhaalde proefnemingen. Ondanks kleine verschillen komen zij in hoofd zaak op hetzelfde neder. Alle overeenkomsten met werklieden, afkomstig van buiten het gewest of den vasten wal van het gewest waar zij zullen arbeiden, moeten schriftelijk worden aangegaan. Het contract vermeldt nauwkeurig de contractanten, den aard en duur van den 30 466 arbeid, die voor land- en mijnbouw niet meer dan 10, bij spoorweg-exploitatie niet meer dan 12 uren mag bedragen, voorts den termijn der overeenkomst, die nimmer 3 jaren te boven gaat, de wijze van berekening en betaling der loonen en genoten voorschotten, de vrije dagen waarop niet wordt ge werkt, de verplichting des werkgevers om op zijne kosten te voorzien in de huisvesting en geneeskundige behandeling van den werkman, somtijds ook in levensmiddelen en kleeding, veelal de verplichting om den arbeider niet tegen zijn wil van zijn gezin te scheiden, eindelijk het tijdstip waarop de arbeider zich op de onderneming moet bevinden. Een aldus ingericht werk-contract is eerst van kracht na registratie door het hoofd van plaatselijk bestuur, die zich ingeval het contract niet ge sloten is op eene plaats, waar volgens de uitdrukkelijke en openlijke verklaring der Regeering eene voldoende controle op de landverhuizing wordt uitgeoefend, vooraf persoonlijk verge wist, dat de overeenkomst vrijwillig is aangegaan; zoo niet, dan weigert hij de registratie en wordt de werkman op kosten van den werkgever teruggezonden, doch bestaat er gelegenheid tot hooger beroep op het gewestelijk bestuur. Bij de registratie is de werkgever ƒ 1. — verschuldigd voor eiken ingeschreven werkman. De werkgever is tot eene goede behandeling zijner werklieden, de arbeider tot geregelden arbeid en gehoorzaamheid aan de gegeven bevelen verplicht. leder arbeider ontvangt bij den aanvang eene kaart, die zijne identiteit en de aangegane verbintenis bewijst, bij het einde een ontslagbriefje; een en ander volgens model van het hoofd van gewestelijk bestuur. Na ontslag of ontbinding wegens geconstateerde voortdurende on geschiktheid voor den arbeid moet de werkgever de terugzending bekostigen. Willekeurige inbreuken op het contract, waaronder niet-verschijning bij den bepaalden aanvang, desertie of voort gezette weigering om te werken van de zijde des arbeiders, zijn van weerskanten strafbaar en kunnen bij herhaling leiden tot ontbinding door het gewestelijk bestuur. Door den werkman gopleegd wordt hij echter alleen vervolgd op aanklacht van den werkgever. Aanmoediging en begunstiging van het niet-naleven van werkcontracten zijn eveneens met politiestraffen bedreigd l ). Over de koelie-ordonnantiën is in de laatste jaren eene uit- 1) Het bovenstaande is ontleend aan de Louter, blz. 652—654. 467 voerige gedachtenwisseling in het leven geroepen door de brochures van Mr. van den Brand J ). En toch, hoe men er ook over moge denken, het beginsel van de koelie-ordonnantiën is m. i. in elk geval juist, waar men te doen heeft met eene nauw keurige regeling van wederzijdsche rechten en verplichtingen in het arbeidscontract. De uitwerking van dat beginsel in de verschillende ordon nantiën is bovendien ook niet zoo slecht, als velen denken. 2 ) De wetgever heeft zich in de eerste plaats rekening gegeven van den geheel ongelijken trap van ontwikkeling, waarop de partijen staan, en tracht er voor te waken, dat de werkgever ten koste van den arbeider van zijne grootere kennis misbruik maakt. De bepalingen der koelie-ordonnanties, dat het contract door een openbaar ambtenaar moet worden geregistreerd en aan contractanten in eene voor hen verstaanbare taal moet worden voorgehouden, wijzen daarop. Evenzeer die, waarbij, om alle onzekerheid omtrent den inhoud van het contract weg te nemen, enkele verplichtingen van beide partijen in de wet zijn vastge legd, terwijl opneming van sommige zaken in het contract door de ordonnanties gebiedend wordt voorgeschreven, bijvoorbeeld de omschrijving van aard en duur van het te verrichten werk, het loon en eenige dergelijke meer. Ook het groote verschil in economischen toestand nam de de wetgever in aanmerking. De bepalingen omtrent de huisvesting der koelies, het verstrekken van drink- en badwater, van ge neeskundige hulp en medicijnen ten koste van den werkgever, dit alles zijn verplichtingen, die niet per sé uit een arbeids contract behoeven voort te vloeien, doch door wier opneming in de onderhavige regelingen men zoowel het openbaar belang als dat van de koelies zeer gediend heeft. Al dergelijke voor schriften moeten gegeven worden; de koelie zou ze uit eigen beweging, gegeven het milieu, waaruit hij voortkomt, niet ver langen, en toch kan de zorg voor deze onderwerpen niet worden ontbeerd. En wat is nu ten opzichte van deze voorschriften de positie der strafbepalingen? Mijns inziens geen andere dan deze, dat de wetgever erkende, dat bij de bestaande toestanden de waarborgen 1) Zie blz. 321. 2) Zie: De koelie-ordonnanties. Indische correspondentie. N. R. Courant, 24 November 1908. 468 van het civiele recht voor beide partijen vrij wel waardeloos waren. De werkgever had geen verhaal op de koelies; deze omgekeerd zijn veel te onwetend om hunnerzijds den weg van rechten in te slaan tegenover den werkgever. Zelfstandig ingrijpen van de overheid was noodig; dit geschiedde wel het best door afwijking van de voorgeschreven verplichting en contractbreuk te stempelen tot overtreding. Doctrinairisme kan daartegen be zwaren hebben, met het rechtsbewustzijn van den koelie is de strafbedreiging geheel in overeenstemming. De slechte toestanden op vele ondernemingen waren niet te wijten aan een minder goede wetgeving, doch wel aanhetaller gebrekkigste toezicht op de naleving der bepalingen, en waar schijnlijk ook aan de te geringe bemoeienis met de werving der koelies, waardoor menigeen hunner schijnt te zijn aangeworven zonder kennis van hetgeen waartoe hij zich verbond, verlokt door de in uitzicht gestelde voorschotten. In deze richting zijn ook de maatregelen ter verbetering genomen. Eene arbeidsinspectie is eerst tijdelijk, thans definitief in het leven geroepen '); deskundigen zullen dus voortaan de naleving der voorschriften controleeren. Waar vanhen verlangdmag worden, dat zij de economische toestanden in het bedrijf en in de kringen der koelies met zorg bestudeeren, is dit toezicht veel meer waard dan het vroeger uitgeoefende, dat als nevenbetrekking aan de bestuursambtenaren was opgedragen. Bijlage I. (Zie blz. 431). BEPALINGEN HOUDENDE TOEPASSELIJK-VERKLARING VAN DE EUROPEESCHE WETGEVING OP DE MET DE INLANDSCHE GELIJKGESTELDE BEVOLKING (VREEMDE OOSTERLINGEN). (T. XXVH-65). (Stb. 55—79). IN NAAM DES KONINGS! DE GOUVERNEUR-GENERAAL VAN NEDERLANDSCII-INDIË, Den Raad van Nederlandsch-Indië gehoord; Allen die deze zullen zien of Imoren lezen , Salut! doet te weten: Dat Hij, In aanmerking nemende, dat overtuigend is gebleken de dringende nood zakelijkheid, voornamelijk ook in het belang van don handel, om de Euro- 1) Zie blz. 321—322. 469 peesche wetgeving, voor zoover die thans daarvoor vatbaar is, van toepassing te verklaren op de met de inlandsche gelijkgestelde bevolking (vreemde oosterlingen; Krachtens de bevoegdheid, hem verleend in art. 7 van het Koninklijk be sluit van 16 Maart 1846 N°. 1 (Indisch Stbl. 1847 N». 23), en herhaald in het tweede lid van art. 75 van het reglement op het beleid der regeering van Nederlandsch-Indië; Lettende op de artikelen 9, 398 en 866 van het wetboek van koophandel, op art. 32 van het reglement op de uitoefening der politie, de burgerlijke rechtsple ging en de strafvordering onder de inlanders en daarmede gelijkgestelde personen op Java en Madura; Lettende op de artikelen 29, 31 en 33 van het reglement op het beleid der regeer ing van Nederlandsch-Indië; Heeft goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Vast te stellen de ondervolgende: Bepalingen, houdende toepasselijk-verklaring van de Europeesche wetgeving op de met de inlandsche gelijkgestelde bevolking (vreemde oosterlingen). HOOEDSTUK I. Omschrijving der toepasselijk verklaarde wettelijke bepalingen. Art. I. Op de volgens de algemeene bepalingen van wetgeving voor Neder landsch-Indië met inlanders gelijkgestelde personen (vreemde oosterlingen) , zijn toepasselijk: (R. R. 109). I. het burgerlijk wetboek voor Nederlandsch-Indië, met uitzondering van al hetgeen betrekking heeft tot: a. de akten van den burgerlijken stand, boek I titel H; b. het huwelijk, boek I titel IV; c. de regten en verpligtingen der echtgenooten, boek I titel V; d. de wettelijke gemeenschap van goederen en derzelver beheer, boek I titel VI; e. huwelijksche voorwaarden, boek I titel VU; f. gemeenschap of huwelijksche voorwaarden bij tweede of verder huwe lijk, boek I titel VHI; g. de scheiding van goederen, boek I titel IX; h. de ontbinding des huwelijks, boek I titel X; i. de scheiding van tafel en bed, boek I titel XI ; k. het vaderschap en de afstamming der kinderen, boek I titel XH; l. bloedverwantschap en zwagerschap, boek I titel XIH; m. de vaderlijke magt, boek I titel XIV; n. de minderjarigheid en voogdij, omschreven in den XV d6n titel van het l Bte boek met dien verstande: I°. dat de vreemde oosterlingen minderjarig zijn, zoolang zij den vollen ouder dom van een en twintig ') jaren niet hebben bereikt en niet vroeger in den echt zijn getreden; 1) Krachtens Stbl. 1901—409. Oorspronkelijk „drie en twintig". 47 later 194.800 inwoners. De vier gefedereerde staten hadden in 1891 te zamen 424.218 inwoners, in 1901 678.596 en in 1905 860.000 (blz. 299). Al de Maleische staten waren voor hunne inkomsten aan gewezen op de tin-industrie, en het was de eerste zorg van het Engelsche bestuur om voor goede verkeerswegen te zorgen. Rivieren werden bevaarbaar gemaakt door verwijdering van de, in den stroom gevallen, boomstammen en het opruimen van steenen. Wegen werden aangelegd en daarna spoorwegen ge bouwd. Ter voorkoming van waterkwesties werd bepaald, dat elke rivier en waterloop onder de absolute controle van het gouvernement zou blijven. Daar er geen voldoende kapitaal aan wezig was, gaf het gouvernement aan ondernemende Chineesehe mijnwerkers en aan landbouwers-immigranten voorschotten. Ter eere der Chineezen dient gezegd te worden, dat alle voorschotten terug betaald zijn. De Chineezen droegen zeer veel bij tot de ontwikkeling. Sir Frank Swettenham prijst de Chineezen zeer. Hij zegt: (blz. 231). »Reeds in 1882 begon eene Fransche maatschappij tin te ont ginnen in het Kinta district van Perak, en deze maatschappij heeft sedert haar werkzaamheden uitgebreid over de andere Staten. Na dien tijd zijn er andere Europeesche maatschap pijen voor hetzelfde doel gevormd. Maar het waren de Chineezen, die de ontginning begonnen, en die steeds hebben doorgezet. Aan de Chineezen is het te danken, dat thans de productie meer bedraagt dan de helft der wereld-productie. Hun energie en ondernemingsgeest hebben de Maleische staten gemaakt tot wat die heden zijn, en het zou onmogelijk zijn de verplichting te overschatten, die het Maleische gouvernement en de bevolking hebben aan deze hardwerkende, bekwame, en aan de wetten ge trouwe, onderdanen. Zij waren reeds de mijnwerkers en de handelaren en gedeeltelijk ook de landbouwers en visschers vóór de blanke man zijn weg gevonden had naar het Maleische schier eiland. In vroegere tijden verschaften Chineesehe energie en vli Jt het kapitaal om het aanleggen van wegen en andere publieke Werken te beginnen en in alle andere kosten van bestuur te voorzien. Dan waren zij, en zij zijn het nog, de pionieren van 470 2°. dat op hen toepasselijk is de 13 de afdeeling van den XV d<,Tl titel van het l ate boek, van de weeskamers, welker werkzaamheden onder Bataviaver rigt worden door het kollegie van boedelmeesteren en elders door de gewestelijke wees- en boedelkamers; (Stb. 75—221). o. de erfopvolging bij versterf, boek II titel XH, met dien verstande, dat al hetgeen in de derde afdeeling van boek H titel XIII, handelende over de legitieme portie en de inkorting der giften, welke die portie zouden verminderen, is bepaald, toepasselijk is, behoudens dat in de artikelen 913, 915 en 916 onder „de wet" moeten worden verstaan de voor den erflater geldende godsdienstige wetten, instellingen en ge bruiken , en onder het in artikel 914 bedoelde erven bij versterf het erven bij versterf volgens evengemelde wetten, instellingen en gebruiken '). H. het wetboek van koophandel voor Nederlandsch-Indië, met uitzondering van: (Stbl. 75-221). Bij Stbl. 65—60 zijn de uitzonderingen sub a en b vervallen '). c. de woorden en verdere schepelingen eene maand gagie, voorkomende ten slotte van den eersten volzin van art. 398. in. de bepalingen, betrekkelijk de misdrijven ter gelegenheid van faillissement en bij kennelijk onvermogen; mitsgaders bij surséance van betaling in Neder landsch-Indië. (Str. 317 v.; Lil. Str. 318 v.; Stb. 72—21 en 22.) IV. de bepalingen, omtrent de invoering van en den overgang tot de nieuwe wetgeving, voor zooveel betreft de toepasselijk verklaarde Europeesche wetgeving. V. {Gewijzigd bij Stbl. 1906—348): De verordening op het faillissement en de surséance van betaling voor de Europeanen in Nederlandsch-Indië , vastgesteld bij het Koninklijk Besluit van 19 November 1904 (Stbl. 1905 N«. 217) met dien verstande, dat ten aanzien van de rechten der vrouw bij faillissement van haren man, artikel 2 van de bij deze ordonnantie vastgestelde bepalingen in de plaats treedt van de regeling in artikel 60, eerste tot en met vierde lid, der faillissementsverordening, met inachtneming evenwel van de bepalingen, vervat in de volgende artikelen. HOOFDSTUK 11. Regeling van eenige met de in hoofdstuk I omschreven toepasselijk verklaring in verband staande onderwerpen. Art. 2. Door de voltrekking des huwelijks, bestaat van regtswege geene gemeenschap van goederen tusschen den in art. I bedoelden persoon (den vreemden oosterling) en zijne echtgenooten. De vrouw behoudt al de haar toebehoorende roerende en onroerende zaken. 1) De slotzinsnede, aanvangende met de woorden: „met dien verstande dat enz." is toegevoegd bij Stbl. 1906—517. 2) Deze uitzonderingen waren: a. artikel 7, omtrent de verpligting om de ontvangene brieven te bewaren, en van de afgezondene kopij aan te houden; 6. artikel 8, omtrent de verpligting tot het jaarlijks opmaken, registreren en opmaken van eenen staat en balans. 471 De aanbrengst van roerende zaken ten huwelijk door de vrouw, kan niet anders worden bewezen, dan door eene authentieke akte, vóór of bij deszelfs voltrekking verleden, waarbij deze zaken bepaaldelijk zijn omschreven; van de zaken, staande het huwelijk, bij erfenis, legaat of schenking aan de vrouw aangekomen, moet blijken uit eene notariële beschrijving, behelzende de vermelding van de herkomst eneene stuksgewijze waardeering van dezelve, onverminderd de overschrijving van onroerende zaken, vóór of staande het huwelijk verkregen, ten name van de vrouw. De winsten aan de vrouw, staande het huwelijk, aangekomen uit hare eigene zaken of eigenen handel, kunnen niet anders bewezen worden dan door deugdelijke schriftelijke bewijzen. Al wat niet op de bij dit artikel omschrevene wijze bewezen wordt aan de vrouw toe te behooren wordt geacht toe te behooren aan den man. Alle schenkingen, zoowel van roerende als onroerende zaken, door den man aan de vrouw, staande het huwelijk, of zelfs na de ontbinding van hetzelve door echtscheiding, gedaan, zijn nietig en van onwaarde ten aanzien van derden. Deze bepaling is echter niet toepasselijk op geschenken of handgiften van roerende zaken, waarvan de waarde onbeduidend is in verhouding tot het vermogen des schenkers. Art. 3. Bij Stb. 67—29 is dit artikel ingetrokken en vervangen door andere bepalingen >). (Stb. 77—65). Art. 4. De in artikel 1 bedoelde personen (vreemde oosterlingen) kunnen, behalve in de buitengewone gevallen, -) omschreven in de artikelen 946, 947 en 948 van het burgerlijk wetboek voor Nederlandsch-Indië, niet anders bij uitersten wil beschikken, dan bij openbare akte, verleden volgens de voor schriften, vervat in de artikelen 938 en 939 van hetzelfde wetboek. De herroeping kan alleen geschieden bij eene in denzelfden vorm verledene openbare akte. Art. 5. Wanneer het dagboek van den koopman, onder de personen, in artikel 1 bedoeld (vreemde oosterlingen), of ook zoodanige andere boeken, als bij hunnen landaard in den koophandel gebruikelijk zijn, niet geheel regel matig mogten zijn gehouden, kunnen dezelve echter, des noods met eede ge- 1) Deze bepalingen zijn hierachter te vinden op de blz. 474—475. Art. 3 luidde oorspronkelijk: Een onderhandsch geschrift, afgegeven en erkend door eenen der in art. 1 bedoelde personen (vreemde oosterlingen), tegen wien men zich daarop beroept, of hetwelk op eene wettige wijze voor erkend wordt gehouden, levert ten aanzien van de onderteekenaars en derzelver erfgenamen en regtverkrijgenden slechts volledig bewijs op, wanneer hetzelve voorzien is geworden van de verklaring van eenen notaris of anderen door den Gouverneur-Generaal daartoe gemagtigden Europeeschen ambtenaar, waaruit blijkt, dat die notaris of ambte naar den onderteekenaar kent, dat de akte aan laatstgemelden duidelijk is voorgehouden, en dat daarna de onderteekening in tegenwoordigheid van dien notaris of ambtenaar heeft plaats gehad. 2) Krachtens Stb. 99—313 zijn hier weggelaten de woorden: van oorlog, eene zeereis en besmettelijke ziekte. 472 sterkt, of door den dood bekrachtigd, voor het bewijs in zoodanige aanmer king genomen worden als de regter in gemoede vermeenen zal te behooren. Hierbij moet voornamelijk gelet worden op den aard, het gewigt en de uitgebreidheid van den handel, in deze boeken omschreven; en of de bevon dene verzuimen of onregelmatigheid de blijken dragen van eenvoudige on kunde en alle vermoeden van kwade trouw uitsluiten. Art. 6. Behalve de vennootschappen van koophandel, omschreven in den in den titel van het l stc boek van het wetboek van koophandel voor Nederlandsch- Indië, erkent de wet nog, voor zooveel de Chinezen betreft, de bij dezen ook tot het uitoefenen van daden van koophandel in zwang zijnde vereenigingen, onder de benaming van kongsie. De regten en verplichtingen van de vennooten van deze kongsies, zoowel onderling als ten aanzien van derden, regelen zich naar de voorwaarden en bedingen, welke in de openbare akte van vennootschap zijn vervat, mits deze ingeschreven zijn op de wijze bepaald bij artikel 23 van het wetboek van koophandel voor Nederlandsch-Indië. Bij nalating van die inschrijving, zijn de vennooten, ook wanneer anders mogt zijn overeengekomen, wegens alle verbindtenissen, hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk. Bij Stb. 1906—348 is hier toegevoegd: Art. 6a. De Weeskamer kan, ambtshalve of op vordering van den rechter commissaris de ingevolge artikel 89 der Faillissementsverordening in ontvangst genomen boeken van den gefailleerde doen onderzoeken met last om dienaan gaande zoo spoedig mogelijk schriftelijk verslag uit te brengen, hetzij door haar tot de natie van den gefailleerde behoorend lid, hetzij door den ambte naar voor Chineesehe zaken, indien het onderzoek Chineesehe handelsboeken betreft, hetzij door andere daartoe bekwame personen. De verplichting tot verschijning en tot het geven van inlichtingen bij artikel 101 der Faillissements verordening opgelegd met het in artikel 86 dier verordening aan niet nako ming dier verplichting verbonden gevolg bestaat evenzeer tegenover dengene die met het in het vorige lid bedoeld onderzoek is belast. Deze laatste is tot rechtstreeksche oproeping van den gefailleerde bevoegd. Indien het onderzoek der boeken van omvangrijken aard is geweest, kan aan dengene die daarmede belast was, door den Raad van Justitie een beloo ning worden toegekend uit den boedel te voldoen en met de draagkracht daarvan verband houdende. Het in het eerste lid bedoelde verslag wordt met de boedelbeschrijving en den staat bedoeld in artikel 94 der Faillissements verordening door de Weeskamer ter kostelooze inzage van een ieder ten haren kantore nedergelegd. Art. 7. (Gewijzigd bij Stb. 1906—348). Bij het in ontvangst nemen der boeken van Vreemde Oosterlingen, ingevolge artikel 89 der Faillissements verordening zal het lid-commissaris der Weeskamer dat deze Kamer daarbij vertegenwoordigt, de eerste en de laatste bladzijden van elk boek, dat hij ontvangt, dagteekenen en waarmerken met zijne handteekening. 473 HOOFDSTUK 111. Over den vorm der regtspleging. Art. 8. De personen bedoeld in art. 1 (vreemde oosterlingen) zijn in burger lijke en handelszaken onderworpen aan de regtsmagt van de Europesche regtbanken, voor zooveel de regtsvorderingen gegrond zijn op de op hen toepasselijk verklaarde Europesche wetgeving l ) (Stbl. 82—82). Krachtens Stbl. 72—22 is de tweede alinea van dit artikel vervallen 2 ) (Stbl. 72-21). HOOFDSTUK IV. Algemeene bepalingen. Art. 9. Onder vreemde oosterlingen worden, ter plaatse van hun oponthoud, gerangschikt, alle Inlanders, landzaten of inboorlingen van den Nederlandsch- Indischen Archipel, die zich buiten het gewest, van waar zij oorspronkelijk afkomstig zijn, ophouden, buiten de leiding van de plaatselijke hoofden der inheemsche bevolking en zonder zich met haar te hebben vermengd. (Bb. 1682). Art. 10. Met opzigt tot de onderwerpen van burgerlijk en handelsregt, met betrekking tot welke de vreemde oosterlingen niet aan de Europesche wetgeving zijn onderworpen, worden bij voortduring op hen toegepast de voor hen thans bestaande verordeningen, godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken, voor zoover die niet in strijd zijn met algemeen erkende be ginselen van billijkheid en rechtvaardigheid. (R. R. 75). Artikel 2. De bovenstaande bepalingen zijn, totdat dienaangaande anders wordt be schikt, alleen toepasselijk voor de eilanden Java en Madura. Artikel 3. Deze ordonnantie treedt in werking op den eersten Maart 1856. En opdat niemand hiervan onwetendheid voorwende, enz. 1) Ingevolge Stbl. 77—140 is dit voorschrift niet toepasselijk op vorderingen tot betaling van belasting. 2) Deze alinea luidde: Ter zake van misdrijven, begaan ter gelegenheid van faillissement en bij kennelijk onvermogen, mitsgaders bij surséance van betaling in Nederlandsch- Indië, staan zij, even als voor andere misdrijven, te regt voor den bevoegden Inlandschen regter. 474 BEPALINGEN nopens de bewijskracht van onderhandsche geschriften van inlanders of met hen gelijkgestelde personen. IN NAAM DES KONINGS! DE GOUVERNEUR-GENERAAL VAN NEDERLANDSCH-INDIË. Den raad van Nederlandsch-Indië gehoord; Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, Salut! doet te weten: Dat Hij, overwegende de wenschelijkheid, om de wettelijke bepalingen nopens de bewijskracht van onderhandsche geschriften van inlanders of met hen gelijkgestelde personen te herzien en de belemmeringen uit die bepalingen voortvloeiende, op te heffen; Lettende op de artikelen 20, 29, 31 en 33, en het 2° lid van art. 75 van het reglement op het beleid der Regering van Nederlayidsch-Indië; Heeft goedgevonden en verstaan: Met intrekking van alle daarmede strijdige bepalingen, en inzonderheid van: o. het plakkaat van de hooge Regeering van den 29 Mei 1690; b. de voorschriften, betreffende schriftelijk bewijs, gegeven in de artikelen 171 en 172 van het reglement op de uitoefening der policie, de burger lijke regtspleging en de strafvordering onder de inlanders en met hen gelijkgestelde personen op Java en Madura; c. artikel 229 van het wetboek van koophandel; d. artikel 3 der bepalingen, houdende toepasselijk-verklaring van de Euro peesche wetgeving op de met de inlandsche gelijkgestelde bevolking (vreemde oosterlingen), afgekondigd bij artikel 1 der ordonnancie van den B» ten December 1855, (Staatsblad n°. 79), met opzigt tot de inlandsche en met haar gelijkgestelde bevolking in Nederlandsch-Indië vast te stellen, de navolgende bepalingen: (B.w. 1875 v.) Art. I. Onderhandsche geschriften, afkomstig van inlanders of met hen gelijkgestelde personen, welke erkend zijn door hen, tegen wie men zich daarop beroept, of welke op eene wettige wijze voor erkend worden gehouden, leveren ten aanzien van de onderteekenaars en hunne erfgenamen en regt verkrijgenden, hetzelfde volledig bewijs op als eene authentieke akte. (B.w. 1875.) Art. 2. Hij, tegen wien men zich op een onderhandsch geschrift beroept, is verpligt zijn schrift of zijne handteekening stellig te erkennen of te ont kennen, doch zijne erfgenamen of regtverkrijgenden kunnen volstaan met te verklaren, dat zij die niet erkennen als het schrift of de handteekening van dengene, wien zij vertegenwoordigen. (Bw. 1876.) Art. 3. Ingeval iemand zijn schrift of zijne handteekening ontkent, of in dien zijne erfgenamen of regtverkrijgenden verklaren deze niet te erkennen, moet de regter bevelen, dat de echtheid daarvan geregtelijk onderzocht worde. (B.w. 1877.) Art. 4. Onderhandsche eenzijdige schuldverbindtenissen tot voldoening van gereed geld, of van eene zaak, welke op eene bepaalde waarde kan worden gesteld, moeten geheel geschreven worden met de hand van dengene, die ze 475 onderteekend heeft, of ten minste moet daaronder, behalve de handteekening, met de hand des onderteekenaars geschreven worden eene goedkeuring, hou dende in voluit geschrevene letters de som of de hoegrootheid of de hoeveel heid der verschuldigde zaak. By gebreke hiervan, kan de geteekende akte, indien de verbindtenis wordt ontkend, slechts als een begin van schriftelijk bewijs worden aangenomen. De bepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk op zaken van koop handel. (B.w. 1878.) Art. 5. Indien de som, welke bij de acte zelve vermeld is, verschilt van die, welke bij de goedkeuring uitgedrukt staat, wordt de verbindtenis ge rekend voor de minste som te zijn aangegaan, zelfs dan ook, wanneer de akte, mitsgaders de goedkeuring, geheel en al door de hand van dengene, die zich verbonden heeft, geschreven zijn, ten ware men kunne bewijzen in welk van beide gedeelten van het stuk de misslag heeft plaats gehad. (B.w. 1879.) Art. 6. Onderhandsche akten hebben ten aanzien harer dagteekening tegen derden geene kracht, dan van den dag dat zij, op de wijze door den Gouver neur-Generaal te bepalen, door eenen openbaren ambtenaar zijn geviseerd en geboekt, of van den dag waarop degenen, of een van degenen, die ze onder teekend hebben, overleden zijn, of van dien waarop haar bestaan bewezen wordt bij akten, door openbare ambtenaren opgemaakt, of wel van den dag waarop de derde, tegen wien men zich van de akte bedient, haar bestaan schriftelijk heeft erkend. (B.w. 1880.) Artikel 99 der bepalingen omtrent de invoering van en den overgang tot de nieuwe wetgeving is ten deze van toepassing. Art. 7. Wisselbrieven, orderbriefjes, assignatiën, kassierspapier en ander papier aan toonder, mitsgaders de daarop gestelde acceptatiën en endosse menten *) worden, indien de onderteekenaar een inlander of met dezen gelijk gesteld persoon is, en indien belanghebbenden zulks verlangen, voorzien van de verklaring van eenen notaris of anderen door don Gouverneur-Generaal daartoe gemagtigden Europeesche beambte, waaruit blijkt, dat die ambtenaar den onderteekenaar kent, dat de inhoud der akte aan laatstgemelden duide is voorgehouden en dat daarna de onderteekening in tegenwoordigheid van dien ambtenaar heeft plaats gehad. En opdat niemand hiervan onwetendheid voorwende, enz. 1) Bij Stbl. 77—65 zijn hier uitgevallen de woorden: tusschen Europeanen of met dezen gelijkgestelde personen en inlanders of met dezen gelijkgestelde per sonen verleden. (Stbl. 77—149 en 150.) 477 Vele jaren gingen voorbij voor het Portugeesche Gouvernement eene wisseling van de ratificaties van dit tractaat voorstelde. Onder tusschen was te Macao een schandelijke koeliehandel ont staan. Vele Chineesche werklieden werden in het achterland gevangengenomen, in Macao opgesloten en daarna bij scheeps ladingen tegelijk opgezonden om tewerkgesteld te worden in de mijnen te Peru en op de suikerplantages op Cuba. De Por tugeesche regeering trok uit dezen vorm van slavernij groote inkomsten en de Chineesche autoriteiten protesteerden er tevergeefs tegen. In dien tijd nu zocht Portugal de uitwisseling van de ratificaties van het tractaat te verkrijgen. Onderwijl was de aan dacht van de autoriteiten te Peking gevestigd op een ernstig en klaarblijkelijk opzettelijk gepleegd verschil tusschen de Chineesche en de vreemde texten. In de vreemde texten stond China alle souvereiniteit over het schiereiland af, terwijl het van Portugal de vergunning verkreeg om een consulair ambtenaar te benoemen, die daar mocht verblijven. In de Chineesche text werd de sou vereiniteit van China over Macao volkomen erkend, en de Chineesche regeering werd verzocht om geschikte ambtenaren te benoemen om de bevolking aldaar te besturen en de orde te handhaven. Gedurende vele jaren weigerde China de uitwisseling van de ratificaties, totdat na vele vruchtelooze pogingen om in der minne de gemaakte fout te herstellen en het bleek dat dit laatste alleen door een oorlog mogelijk zou zijn, China toegaf en Macao aan Portugal afstond. Beteekenis van het opbrengen van schatting door vreemde landen aan China '). 2 ) Een enkel woord over de schatting, die door de vreemde landen aan China zou zijn gebracht. De Chineesehe geschiedboeken maken van af de vroegste tijden tot op den huidigen dag melding van een groot aantal vreemde vorsten, die op die wijze hulde bewezen aan den keizer van China. Sommigen hebben getracht deze kwestie te verklaren door te wijzen op de welbekende pocherij der Chineezen, en betichten hen in deze van het geven van verkeerde voorstellingen tengevolge van hunne verwaandheid, zij zouden zulks zelfs op- 1) Naar aanleiding van de verwijzing op blz. 276. 2) Zie W. P. Groeneveldt: „Notes" enz., blz. 4 en 5. 478 zettelijk doen. Zulk eene verklaring kan evenwel alleen het gevolg zijn van eene totale onwetendheid van de feiten. Men kan de zaak logischer oplossen. In de eerste plaats weten we reeds uit eigen ondervinding dat de vorsten van de kleinere rijken in Azië dikwijls voor zich zelven handel dreven, en toen zij dien handel uitbreidden tot China, sprak het van zelf, dat zij den heerscher van dat land gunstig trachtten te stemmen door het geven van eenige ge schenken , die, zooals zij spoedig zagen, zeer gaarne werden aan genomen. Dit voorbeeld werd gevolgd door particulieren, die, ten einde faciliteiten voor hunnen handel te verkrijgen, dan wel zich in de mogelijkheid gesteld wenschten te zien in de hoofdstad hunne koopwaren ten verkoop aan te bieden, waar een grooten omzet te verwachten was, zich voordeden als afgezanten van een verwijderd land. Zij zonderden een deel van hunne koopwaar af om als schatting te dienen, wel wetende, dat deze goederen niet als verloren waren te beschouwen, doch integendeel waar schijnlijk boven de waarde zouden worden vergoed. En ten slotte kan niet ontkend worden, dat China eertijds een hooge plaats bekleedde in de achting der meeste volken van Azië tengevolge van de hoogere beschaving, zijn luisterrijk hof en de rijkdom en groote uitgestrektheid van het land. In vergelijking met China waren alle andere rijken klein en onbeteekenend, en het scheen wel dat de verschillende vorsten er een eer in zagen in betrekking te staan tot China, zooals eens in oude tijden men het zich tot een eer rekende te behooren tot do bondgenooten van Rome. Op verschillende tijdstippen, speciaal bij eene plaats gehad hebbende troonsbestijging, zonden de vorsten dan ook gezanten met geschenken als een hulde aan den keizer van China, en behalve kostbare giften ontvingen zij als tegengeschenken brieven, zegels, koninklijke insignes of andere teekenen van investituur. Men stelde die cadeaux op zeer hoogen prijs. Het brengen van schatting was in geenen deele een last; immers de geschenken werden op de meest royale wijze beant woord, de gezanten leefden ten koste van China, en bovenal het offreerde eene gelegenheid om handel te drijven op plaatsen, die anders ontoegankelijk waren. De intrede van den Islam en de komst der Europeanen maakten aan die betrekkingen voor het grootste deel een einde. 479 Aan den anderen kant behoeven wij ons er niet over te verbazen dat de Chineezen zooveel gewicht hechtten aan die gezantschappen, en genegen waren al de onkosten te vergoeden die er het gevolg van waren. De suprematie van China over alle andere landen is van oudsher een nationaal dogma geweest, dieper ingeworteld in den Chineeschen geest dan eenig andere overtuiging. Hun keizer is benoemd tot heerscher over de ge heele aarde, maar alleen de Chineezen, als het uitverkoren volk, worden door hem direct bestuurd, en hij controleert de verwijderde barbaren alleen in zoo verre als noodzakelijk is in het belang van de begunstigde natie, die het meest aan des keizers zorgen blijft toevertrouwd. Allen zijn hem evenwel trouw verschuldigd, en indien zij zich aanmelden en schatting brengen als een teeken van die trouw, dan moeten zij, al is die schatting ook nog zoo gering, met voorkomendheid worden ontvangen en naar behoeften worden bijgestaan. Het beschaafde bestuur van China is voor die onwetende barbaren niet geschikt; daarom is het hun toegestaan hun be stuur in te richten op de wijze, die hun het best toelijkt. Zelfs indien zij de overheersching van China niet erkennen en geen hulde bewijzen aan den keizer, is het niet noodig hen er toe te dwingen; China heeft nieta te winnen van de betrekkingen met hen, terwijl het voor die volken wel eene gelegenheid is om niet alleen te profiteeren van de geschenken, die de edelmoedige keizer hun geeft, doch ook om te komen in de sfeer van den verlich tenden en ver heerlij kenden invloed van de Chineesche beschaving. Vele Chineesehe keizers waren evenwel niet zoo geheel onverschillig voor die teekenen van eerbied van ver verwijderde landen, die hun trots streelden. Zij besteedden vele kosten om het zenden van gezanten aan te moedigen. Langzamerhand werd het eene gewoonte van de Chineesehe keizers om als eene nieuwe dy nastie den troon besteeg, gezanten to zenden naarde verschillende landen, die gewoon waren schatting op te brengen, om van de plaats gehad hebbende verandering kennis te geven en om die rijken uit te noodigen hunne aanhankelijkheid te bestendigen. Indien we ons voor oogen houden dat die ideeën op den Chineeschen geest steeds zeer diep hebben ingewerkt, is het niet noodzakelijk de Chineezen te beschuldigen van het opzette lijk geven van valsche voorstellingen, zelfs al hebben zij de meest gewone poging om handel te drijven beschouwd als eene 48 de mijnindustrie. Zij hebben hun weg gebaand in verwijderde wildernissen, wouden omgekapt, alles op het spel gezet en dikwijls groote winsten behaald. Zij hebben ook den tol betaald aan een dikwijls doodelijk klimaat. Zij waren de kolenbranders in de dagen toen zij zelf het tinerts moesten smelten; zij waren houthakkers, timmerlieden en metselaars. Als contractanten bouwden zij nagenoeg alle gouvernementsgebouwen en legden zij de meeste wegen, bruggen, spoorwegen en waterwerken aan. Zij brachten het eerste kapitaal in het land, toen de Europeanen de risico niet aandorsten. Zij waren de handelaars en de winke liers, en het waren hunne stoombooten, die de eerste communi catie onderhielden tusschen de havens van de Straits en de Maleische staten. Zij brachten tienduizenden hunner landslieden in het land, toen het van het verkrijgen van werkkrachten afhing, om de verborgen rijkdommen van een nagenoeg onbekend en met wildernissen overdekt land te ontginnen. Het is de be lasting van hun werk, hunne voedings- en genotmiddelen en hunne spelen, die ongeveer van de inkomsten hebben opge bracht." Het aandeel, dat de Maleiers hebben gehad in de evolutie der gefedereerde Maleische staten, is nihil (blz. 233). Is het nog te verwonderen, dat de schrijver als een der voor waarden voor de toekomstige welvaart der Maleische staten opnoemt: het aanmoedigen der immigratie? (blz. 342). De verwonderlijke bloei en opkomst dier staatjes blijkt uit de volgende cijfers: (blz. 300). 480 erkenning van hunne suprematie. De meer verlichte Chineesche geschiedschrijvers ontkennen niet dat de verplichting om schat ting op te brengen, welke verplichting volgens hen ontwijfelbaar vast stond, dikwijls slecht begrepen werd, en dat met vele andere motieven, het doel, dat er mede beoogd werd, was, om de daaraan verbonden materiëele voordcelen te verkrijgen. !) Naar aanleiding van het vermelde op blz. 113 omtrent de geringe resultaten van het gezantschap van Goyer en Keyzer naar China, deelen we hier mede dat later, in 1795, wederom een bijzonder gezantschap naar Peking door het Hollandsche gouvernement gezonden werd, om den Keizer Chien-Lung bij het bereiken van zijn zestigste regeeringsjaar geluk te wen schen, en natuurlijk om tevens te trachten betere handelsvoor deelen te verkrijgen. De leden van dit gezantschap maakten de reis naar Peking midden in den winter en zy werden onderweg overal als misdadigers behandeld. Te Peking aange komen, waren zij de narren van het Chineesehe hof, dat zich zeer vermaakte ten hunnen koste door allerlei dwaze dingen van hen te eischen. Als een bijzonder teeken van gunst kregen zij de restanten van de Keizerlijke tafel toegezonden, die nog sporen droegen van 's Keizers tanden. Dit maal werd hun toege zonden op een vuilen schotel, en alles leek meer op voedsel, be stemd voor een hond dan voor een mensch, zooals een der Hol landers het later beschreef. Aan de gezantschapsleden werd niet toegestaan een enkel woord omtrent handelszaken te spreken. Dit gezantschap bereikte dus al even weinig resultaten als dat van Goyer en Keyzer in 1655. Eene beschrijving van het vernederende „kotowen" blz. 112 vinden we in het werk: „ Voyage de Tambassade de la compagnie des indes orientales hollandaises vers I'empereur de laChine, dansles années 1794/1795. Publié en Francais par M. L. M. Mareau de Saint Méry, tome premier, a Philadelphie, blz. 16. Men leest aldaar aldus: „ L'on mit par terre deux coussins pour nous, et Ion nous dit de faire Ie salut d'honneur a I'Empereur. Nous remplimes cette cérémonie suivant la coutume Chinoise. Elle consiste a se proster- 1) Zie: Chester Holcombe: „The real Chinese Question", blz. 222. 481 ner a genoux trois fois; a saluer a chaque prosternation en baissant la tête trois fois vers la terre, et ase relever tout debout, après chaque troisième inclination de tête, pour s'agenouiller de nouveau. Tous ces mouvements sont dirigés par la voix dun Mandarm qui les règle avec des intervalles mesurés, comme Ie fait quelqu' vn qui commande I'exercice militaire." Aantal inwoners van de tractaathavens en van de provincies, waarin zij zijn gelegen (volgens de schatting van 1907) *). s ) Zie blz. 25. 31 482 484 2 6 . tot wijziging van wetten in verband met het Neder landsch-onderdaanschap van hen, die herkomstig zijn uit Nederlandsch-Indië; behooren zoo spoedig mogelijk te worden afgedaan met zoo min mogelijke wijziging. (Zie blz. 196—197, 235—246). d. Zoo spoedig mogelijk dienen bepalingen vastgesteld te worden, die na korten tijd leiden tot eene algeheele af schaffing van het passenstelsel en het verplichte wonen in wijken. (Zie blz. 184—186, 197—200). e. Het verzoek om, wat rechten, lasten en verplichtingen betreft, geheel en al met Europeanen te worden gelijk gesteld , gedaan door een Chinees, die voldaan heeft aan een bepaald voorgeschreven examen in de Hollandsche taal, dient steeds te worden toegestaan. Vervallen moet de thans geëischte verklaring van het betrokken Hoofd van Gewestelijk Bestuur, of de aanvrager bezit: geschikt heid voor de Europeesche maatschappij. (Zie blz. 190—194, 200—203). Op de Chineezen, die niet voldaan hebben aan dat examen, moeten zooveel mogelijk dezelfde publiekrechte lijke bepalingen worden toegepast als die, welke gelden voor de Inlanders. In dat geval zullen de z.g.n. Chineesehe Officieren op Java en Madoera overbodig zijn. (Zie blz. 203—204, 454—460). /. Het onderwijs voor de Chineezen is thans door de regeering voor de eerste tijden afdoende geregeld. (Zie blz. 204—206). g. De werking van de Chineesehe geheime genootschappen in Nederlandsch-Indië behoort te worden tegengegaan door verwijdering van de hoofden dier vereenigingen, en door toepasselijkverklaring ook op Inlanders van Stbl. 1909 N°. 250 na de voorgestelde wijziging der strafbepaling. (Zie o. a. blz. 422—424). 486 Chineesehe kwestie op Java en Ma doera, 187—206. Id. in de Westerafd. v. Borneo, 315. Id. op de Buitenbezittingen, 371—373. Chineesehe raad, 456. Christen-Chineezen behooren tot de met inlanders gelijkgestelden, 442, 443. Cochin-China, 94—99. Conclusies, 483—484. Consul. Chineesehe Consuls in de Straits- Settlements, 35 (art. 6), 38. Id. in de Philippijnen, 90. In verband met de Chineesehe kwestie, 197. Deli. Zie Oostkust van Sumatra. Duitschland. De Chineezen in Azië onder Duitsch gezag (Kiautschou, Samoa- eilanden), 100—101. Eed bij naturalisatie in de Straits, 67. Gerechtelijke eed in N.-L, 460—464. Emigratie, I—4o. Zie verder in de Inhoudsopgave, blz. XIII. Immigr. in de Straits-Settlements, 51—64. Id. in Serawak, 77, 78, 81. Id. in de Philippijnen, 89. Id. in Indo-China, 97—98. Id. in Ned.-Indië, 127—156. Zie verder in de Inhoudsopgave, blz. XV, Hoofdstuk 111. Statistiek omtrent toelating van Chineezen in N.-L, 151, 153. Immigratie op Java dient te wor den beperkt, 195. Immigratie op de Buitenbezittingen dient te worden aangemoedigd, 303—306, 313—316, 333—334, 356, 359, 366-368, 371—373. Immigratie in de Oostkust van Sumatra, 322—334. Engeland. De Chineezen in Azië onder Engelsch gezag, 44—84. Zie verder in de Inhoudsopgave, blz. XIII—XIV. Conventie met China, 21, 33—40. Erfrecht der dochters van Chinee zen, 437. Erfrecht in verband met landbe zit, 226—229. Europa. Emigratie uit verschillende landen van Europa, 5—9. Exclusion-acts voor Chineezen, 10—11. Bepalingen van de „Chinese-Exclu sion-act" van 1902 voor de Philippijnen, 89—90. Foehkiën. De emigratie van Chineezen via —, 20, 22—25. Formosa. De Chineezen op Formosa, 111-125. Zie verder in de Inhoudsopgave, blz. XV. Frankrijk. De Chineezen in Azië onder Fransch gezag, 94—100. Zie verder in de Inhoudsopgave, blz. XIV. Fromberg (Mr. P. H.) Ontwerp rege ling privaatrechtelijke toestand der Chineezen, 228-229, 432-434. Geheime genootschappen, 375—429. Zie verder in de Inhoudsopgave, blz. XVIII. Zie ook blz. 52,79,314—315,337,357. Gelijkstelling met Europeanen. Vermoedelijke gevolgen der gelijk stelling van de Chineezen met Europeanen, 190—194. Wenschelijkheid om bekwame Chi neezen gelijk te stellen met Europeanen, 200—203. Vereischten waaraan de Chinees voldoen moet voor eene gelijk stelling met Europeanen, 443— 445. Handel. Overwegende invloed der Chineezen op den handel in de Straitskolonie en het Maleische Schiereiland (blz. 45, 50—51). Broe nei (blz. 75). Laboean (blz. 75). Serawak (blz. 81). Formosa (118). Java en Madoera (blz. 190—192, 487 218—226). Westerafd. van Borneo (blz. 314). Banka (363). Buitenbe zittingen (blz. 370—371). Hongkong. Emigratie van Chineezen, 22—25. De Chineezen in Hongkong, 82—83. Hungverbond (= Hemel en Aarde verbond), 383. Zie onder Geheime genootscliappen. Huwelijken (gemengde), 435—436. Bemoeienis van den Chineeschen raad, 456. Geen gemeenschap van goederen bij huwelijk, 470. Immigranten-Bureau in Dcli, 326—331. Algemeen en Huishoudelijk regle ment van het —, 339—351. Immigratie. Zie onder Emigratie. Indo-China, 94—100. Geheime genootschappen in Indo- China, 427-429. Japan. De Chineezen onder Japansch gezag, 108—126. Zie verder in de Inhoudsopgave, blz. XV. Java en Madoera. Zie Hoofdstuk 111, IV, VIII C, IX; in de Inhoudsopgave, blz. XV, XVI, XVII, XVIII. Jong Chineezen. Zie bij Chineesehe kwestie. Kanaken als arbeidskrachten, 15—16. Kiungtschou. Emigratie van Chineezen, 22—25. Koelie-ordonnantie, 464—468. Aantal geregistreerde koelies, 374. Zie ook bij Arbeidsinspectie onder Arbeid. Kongsie. In de Westerafdeeling van Borneo. Zie onder Hoofdstuk Vin de Inhouds opgave, blz. XVII. Handelskongsie, 472. Korea, 108—110. Kotow. Beschrijving van de cérémonie, 480. Koxinga op Formosa, 113. Kwantoeng. Emigratie van Chineezen, 17—22. Laboean, 75. Landbouw. Speciale bepalingen voor Chineezen werkende op landbouwonder nemingen in de Straits, 68—70. Het Chineesehe landbezit op Java en Madoera, 174-176,192-193, 226—233. Zie verder onder Statistieken. Landverhuizing. Zie onder emigratie. Legislative Council, 71. Macao, 102—104. De Macao-kwestie, 103—104, 476. Naamsaanneming, 443. Naturalisatie van Chineezen in de Straits-Settlements, 65—67. In Ned.-Indië, 449—453. Nederlanderschap, 446—149. Nederlandsch-onderdaanschap, 196— 197, 235-246, 453-454. Nijverheid, 193. Zie verder onder Statistieken. Onderdaanschap. Zie onder Neder landsch onderdaanschap. Onderwerping aan Europeesch recht, 435. Onderwijs, 204—206, 247—272. Zie verder onder bijlage XIII in de Inhoudsopgave, blz. XVII. Oostkust van Sumatra, 317—351. Zie verder in de Inhoudsopgave, blz. XVII—XVIII. Toelating van Chineezen, 135,142. Passenstelsel, 148—156. Wenschelijkheid van opheffing, 197—200. Philippijnen, 85—93. Zie verder in de Inhoudsopgave, blz. XIV. Portugal. Zie onder Macao. Privaatrecht der Chineezen in N.-L, 430—440. 488 Stbl. 1855, N°. 79, 468-473. Als onderdeel van de Chineesehe kwestie, 203. Zie verder onder erfrecht. Protector of Chinese, 53, 54—64, 68—70, 204, 490. Rechtstoestand der Chineezen, 430— 475. Zie verder in de Inhoudsopgave, blz. XVIII-XIX. Reizen van Chineezen, 148—150. Riouw, 352—358. Toelating van Chineezen, 135. Rusland. De Chineezen onder Rus sisch gezag, 104—108. Samoa, 101. Serawak, 75—82. Geheime genootschappen in —, 425—426. Si ngkep-Tinmaatschappij, 369—370. Statistieken. Emigratie uit Europa naar Amerika, 5-9. Uitvoer van negerslaven, 12. Aanvoer van koelies naar W.-L, 13. Emigratie van Chineezen uit China, 22—25. Emigratie van Chineezen naar Ame rika, Afrika, Australië, 41—43. Opkomst Maleische Schiereiland, 49—50. Id. Britsch-Noord-Borneo, 74. Id. Serawak, 81. Id. Hongkong, 83. Cijfers betreffende de Philippijnen, 92-93. Id. Indo-China, 99—100. Id. Formosa, 118—119. Id. betreffende toelating en vesti ging van Chineezen in Ned.lndië, 151—154. Cijfers betreffende uitzetting uit Nederlandsch-Indië, 155. Aantal Chineezen op Java en Ma doera in vergelijking met andere bevolkingsgroepen, 184—186. Aantal Chineezen op de Buitenbe zittingen, 186-187, 217—219. Gegevens omtrent diverse beroepen op Java en Madoera, 192—194, 216—218. Bevolkingsstatistiek Java en Ma doera, 207. Idem Buitenbezittingen, 208. Aantal Chineezen gevestigd op de gewestelijke en afdeelingshoofd plaatsen en daarbuiten, 209—212. Aantal beklaagden in misdrijf zaken, 213. Bedrijfsbelasting der Chineezen, 214—216. Uitgestrektheid der gronden op Java, door inlanders verhuurd aan land bouw-industrieelen, 231. Uitgestrektheid der gronden op Java door het Gouvernement in huur of erfpacht afgestaan, 232. Particuliere landerijen, 233. Dichtheid der inlandsche bevolking, 234. , Onderwijs aan Chineezen, 261—262. Emigratie van Chineezen naar Dcli, 327-328, 330-331. Aantal werklieden op de landbouw ondernemingen in de Oostkust van Sumatra, 335. Resultaten der werving voor Banka, 361. Overzicht betreffende de ontgin ningen, de werkkrachten en de tinproductie op Banka, gedurende 1900—1907, 362. Aantal gewezen mijnwerkers ran Banka verwijderd, 365. Aantal mijnwerkers en tinproductie op Biliton en op Singkep, 368— 369. Aantal geregistreerde contract-koe lies in de Buitenbezittingen, 374. Bevolkingsstatistiek van China, 481. Stbl. 1855 N°. 79, 431, 468-475. Straits-Settlements, 44—72. Zie verder in de InJwudsopgave, bh. XIII—XIV. 489 Wering van geheime genoot schappen, 52, 424—425. Sumatra. Zie Oostkust van Sumatra. Toegepaste Europeesche wetgeving, 183, 434—435, 468-475. Toelating van Chineezen in N.-L, 127—143, 151—155. Zie verder in de Inhoudsopgave, blz. XV. Oordeel van de Mindere Welvaart commissie over toelating in de dessa, 219—224. Tiong-Hoa-Hwe-Koanvereeniging, 248-260. Statuten der vereeniging, 265—272. Tonkin, 94—100. Uitlevering, 449. Uitzetting, 155. Uitzetting in verband met lid zijn van geheime genootschappen, 182—183, 418-424. Vestiging van Chineezen in Ned.-Indië, 143-147, 151-155. Vrouwenemigratie der Chineezen, 25. Wei-Hai-Wei, 84. Westerafdeeling van Borneo, 273—316. Zie verder in de Inhoudsopgave, blz. XVII. Geheime genootschappen in de — 376 en vgd. Wijken. Geen wijken in de Straits, 71. Stichting van Chineesehe wijken in de Philippijnen, 86. Idem op Java, 170—171. Als middel tot beteugeling der Chineezen, 182—183. Wijken-ordonnantie, 146. Aantal Chineezen in wijken opge sloten, 209. Wenschelijkheid van afschaffing, 197—200. z. o. z. 49 Bovengenoemde getallen stellen dollars voor welke in 1875 ongeveer 4 s. waard waren en langzamerhand terugliepen tot 2 s. Thans is de Straits-dollar vastgesteld op 2 s. 4 d. 4 5 Hieronder volgen eenige cijfers betrekkelijk de emigratie en immigratie van verschillende streken om eenig denkbeeld te geven van de belangrijkheid daarvan. Cyfers, aantoonende de belangrijkheid der emigratie uit Europa. x ) Volgens Mulhall's Dictionnary of Statistics bedroeg het aantal emigranten uit Europa in 62 jaren tijds n.m. van 1820 tot 1882: 17,133,000, waarvan 8,570,000 Britsche onderdanen, 4,614,000 Duitschers, 708,000 Italianen, 663,000 Scandinaviërs, 441,000 Spanjaarden en Portugeezen, 384,000 Franschen, 172,000 Zwitsers en 1,581,000 van verschillende nationaliteit. De emi gratie uit Europa zou dus gedurende deze 62 jaren gemiddeld Per jaar hebben bedragen 275,000 zielen. Van die 17,133,000 emigranten zouden er 11,738,000 naar de Vereenigde Staten van Amerika zijn vertrokken. Bovengenoemde cijfers zijn uit den aard der zaak slechts bij benadering juist. Volgens M. Mulhall zouden in de Vereenigde Staten van 1820 tot 1880 zijn geïmmigreerd 10,281,000 personen waaronder 4,838,000 Engelschen, 3,212,000 Duitschers, 826,000Canadeezen, 427,000 Scandinaviërs, 345,000 Franschen, 231,000 Chineezen en 402,000 personen van verschillende nationaliteit. 2 ) Volgens eene Italiaansche Statistiek bedroeg het aantal emigranten uit Europa over de jaren 1899—1905: 1) Zie P. Leroy-Beaulieu: „De la colonisation chez les peuples modemes" dl. 11, blz. 459. 2) id. id. blz. 467. — Overgenomen uit de Statistica della Emigrazione ita liana per I'estero negli anni 1904 e 1905, e Notizie suil' Emigrazione da alcuni altri Stati. 50 Een bewijs, dat het ingrijpen van het Engelsche bestuur heil zaam is geweest voor de gefedereerde Maleische staten, zien wij in de achter gebleven ontwikkeling van die landen, waar de inmenging veel geringer is geweest, zooals in Kedah, Pahang, Tringganau, Kelantan en Djohor. Wat de eigenlijke Kroon-Kolonie zelve aangaat, n.l. Singa pore, Malacca, Penang, Province Wellesley en de Dindings, deze hebben mede geprofiteerd van de ontwikkeling van het z. g. „hinterland". De betrekkelijke cijfers zijn voor de Kroon-Kolonie: (blz. 331) De Chineezen leveren het grootste deel van het inkomen der Maleische staten. Ook de bekende schrijver Ireland erkent het gewichtige aan deel, dat de Chineezen gehad hebben in de ontwikkeling van de gefedereerde Maleische staten. Hij zegt 1 ) dat de positie dier staten eene bijzondere is door twee omstandigheden; de eene is, dat deze staten het grootste deel der wereldproduktie van tin opleveren, de andere, dat de inheemsche Maleische bevol king absoluut weigert handenarbeid te verrichten, onder welke voorwaarden ook. In 1901 bedroeg de waarde van den totalen uitvoer $ 71,350,000, 1) Zie Ireland: „The far Eastern Tropics", blz. 115-117. 51 Geen toe zicht op de immigratie tot 1873. waarvan aan tin alleen voor een waarde van $ 61,689,000, of meer dan 86 °/ 0 van het geheel. Het totaal inkomen van de staten bedroeg dat jaar $20,550,000. Wanneer we van deze som aftrekken de opbrengsten van spoor wegen , post en telegrafie, verschillende retributiën, landverkoop, enz. dan zien we, dat aan eigenlijke belastingen werd opgebracht e en bedrag van $ 16,500,000, terwijl de Chineezen hierin bij droegen voor $ 12,000,000, n.m. $ 8,439,000 aan uitvoerrecht Va n tin en $ 3,726,000 aan licenties voor opium, dranken en dobbelarijen. Wat den Maleier van het Maleische schiereiland aangaat, nergens ter wereld is er zoon aartsluiaard. Hij wil noch voor Zl ch zelf, noch voor het Gouvernement, noch voor particulieren Werken. Hij bouwt voor zich zelven een huisje van bamboe en a tap, plant rijst juist voldoende om het menu aan te vullen, dat de rivieren en de wouden hem verschaffen, en gedurende negentiende der uren, dat hij niet slaapt, zit hij jaar in, jaar Ul t op een houten bank in de schaduw, en ziet toe, hoe de Chinees en de Tamil wegen en spoorwegen aanlegt, mijnen ex ploiteert, den grond bebouwt, vee fokt, en belasting betaalt. De Resident-Generaal schrijft in zijn jaarrapport over 1901 °- a --' „Het is zelfs moeielijk om den Maleier er toe te brengen a l s politiedienaar te fungeeren. Met het voordeel van een prachtig klimaat hadden de Maleiers rijst kunnen planten voor een wil hge markt die de Chineesche mijnwerkers vormen; maar ook dn: hebben zij niet gedaan, en een groot deel van de visscherij 18 in handen der Chineezen. Huisbedienden, waschbazen, bood s °haploopers, tuinlieden en koetsiers, allen zijn vreemdelingen." b. Immigratie van Chineezen. ) De immigratie van Chineezen naar de Straits is geruimen HJd geschied buiten bemoeienis van de Straits-autoriteiten. Toch had Raffles reeds bij ordonnantie van 1 Mei 1823 o.a. het vol §nde e bepaald: » Het komt herhaaldelijk voor dat vrije werklieden en anderen van China en elders worden aangebracht, hoewel die lieden de '■> Zie: „ Report of the commissioners appointed to enquire into the state laD °ur iv the Straits-Settlements and protected uative states." Singapore 18 »1 blz 4-8. 52 Petitie van 1871. Ordonnantie van 1873. Petitie van 1874. Commissie van 1876. middelen niet hebben om hunne passage te betalen. Zij hopen dat personen in Singapore verblijvende, de kosten er van zullen voorschieten, op voorwaarde voor een bepaalden tijd van de dien sten der immigranten te mogen profiteeren. Zulke overeenkomsten zijn niet verwerpelijk te achten, indien de betrokkenen als vrije personen aan wal gezet worden; doch in elk geval zal de voor te schieten som niet hooger mogen bedragen dan twintig dollars, waarvoor de betrokkene nooit langer dan twee jaren zal mogen dienen, terwijl elke overeenkomst, door beide partijen ten over staan van den magistraat vrijwillig aan te gaan, wettelijk moet worden geregistreerd." Deze ordonnantie kwam later in het vergeetboek en werd niet toegepast. De aandacht op die Chineesche immigratie werd weder gevestigd door een verzoekschrift, in 1871 ingediend door verschillende Chineesche kooplieden en ingezetenen, gericht aan den Gouver neur, waarin verzocht werd om een betrouwbaar ambtenaar te belasten met het toezicht op de nieuw-aangekomenen, die anders door gewetenlooze lieden werden geëxploiteerd. Door de Chineesche onlusten van 1872 werd de behoefte aan regeling der immigratie dringender. Eene commissie werd inge steld om maatregelen te ontwerpen. Ook de pers vestigde de aandacht op misbruiken, welke voorkwamen bij de immigratie van koelies. In 1873 kwam er dan ook eene ordonnantie op de immigratie tot stand, doch, doordat deze ordonnantie van vele kanten werd bestreden, kwam zij nooit in werking. In 1874 richtten de ingezetenen van Singapore weer eene petitie aan den Gouverneur (toenmaals Sir Andrew Clarke) waarin betoogd werd, dat elke wettelijke regeling van de immigratie belemmerend zou werken op de geregelde toestrooming van immigranten, eene levenskwestie voor de kolonie. Alle mis bruiken waren te wijten aan de geheime genootschappen; deze moesten geheel onderdrukt worden, want alle ongeregeldheden te voren in de Straits voorgevallen, waren steeds het gevolg van het werken dier geheime genootschappen. Indien de haven autoriteiten en de politie beter toezicht hielden op de immi granten, zouden de misbruiken van zelf verdwijnen. De opvolger van Clarke, Sir W. Jervois, benoemde in 1876 eene commissie om den toestand te onderzoeken, waarin de Chi- 53 Ordonnantie van 1877. Ordonnantie van 1880. Tegenwoor dige ordon nantie. Crimping ordinance N°. 111 of 1877. neesche werklieden in de kolonie verkeerden. De commissie stelde voor, eene wettelijke regeling van de immigratie in het leven te roepen, benevens instelling van „Protectors of Chinese" te Singapore en Penang, vermoedelijk naderhand ook te Malacca, waartoe benoemd zouden worden Europeanen, bekend met de verschillende Chineesche dialecten, en bijgestaan door respectabele Chineezen, behoorende tot de stammen, die gewoonlijk immi greerden. In 1877 beschreef de Chineesche tolk Mr. Piekering de schan delijke misbruiken bij den koeliehandel gepleegd. De voor Sumatra bestemde koelies werden door gewapende lieden aan boord der schepen gedreven. Op den 23 Bton Maart 1877 kwam eene tweede ordonnantie op de Chineesche immigratie tot stand. Een Protector en een Assistent •Protector der Chineezen werden benoemd, depots voor de ont- Var Jgst der Singkehs zouden mogen worden opgericht. Deze ordonnantie vertoonde in de praktijk gebreken en werd vervangen door eene geheel nieuwe ordonnantie van 1880, ge wijzigd in 189!, welke op haar beurt vervangen werd door de tegenwoordig geldende ordonnantie van 1902, gewijzigd in 1903. e ze ordonnantie vindt men hierachter als bijlage lop blz. 54 vertaald afgedrukt. Nauw verbonden met de kwestie van de immigratie der Chineezen is de ordonnantie van 1877 op het ronselen van koelies, "eigens deze ordonnantie is strafbaar hij, die door bedrog of a ndere onwettige overredingsmiddelen iemand verleidt, de kolonie te verlaten, om elders dienst te nemen. Alleen wervers, van eene vergunning voorzien, mogen zulke personen aanwerven, terwijl een schriftelijk contract, te teekenen ten overstaan van den Protector, verplichtend is voor die emigranten, wier over tochtskosten geheel of gedeeltelijk worden voorgeschoten. Voor hen, die zulke contracten hebben geteekend of voorschotten hebben ontvangen en weigeren die overeenkomsten uit te voeren, Zl Jn strafbepalingen vastgesteld. Ook is verboden het overhalen van werklieden om hunnen tegenwoordigen dienst te verlaten, of een deserteur in te schepen of in dienst te nemen. 54 Verkorte naam. Intrekking der Ordon nantie IV van 1880 en der Ordonnantie I van 1881. Interpretatie. Bijlage I. STRAITS SETTLEMENTS. De Chineesehe Immigranten-Ordonnantie van 1902. Ordonnantie, N°. XIX, van 1902 »). Ordonnantie tot wijziging van de wet betrekkelijk de bescher ming der Chineesehe Immigranten. (25 Juli 1902). (L. S.) F. A. SWETTENHAM , Gouverneur en Opperbevelhebber. De Gouverneur van de Straits Settlements, in overeenstemming met den Wetgevenden Raad, heeft vastgesteld als volgt: 1. Deze Ordonnantie kan aangehaald worden onder den naam van „De Chineesche Immigranten-Ordonnantie van 1902". 2. Door de inwerkingtreding dezer Ordonnantie worden afgeschaft „De Chineesche Immigranten-Ordonnantie van 1880" en „De Ordonnantie van 1891 tot wijziging der Chineesche Immigranten-Ordonnantie". 3. Elk der in deze Ordonnantie voorkomende uitdrukkingen heeft de hier onder vermelde beteekenis. Onder de uitdrukking „China" zijn begrepen Hongkong, Macao en al het territoir, dat een deel uitmaakte van het Chineesche Rijk op den l" 6 " Ja nuari 1841. „Immigrant" of „Chineesche Immigrant" beteekent een inboorling van China (geen eerste of tweede klas kajuit-passagier of een bediende van zulk een passagier of een persoon behoorende tot de bemanning van het schip zijnde), reizende over zee van eene haven in China naar de haven zijner be stemming in de kolonie. „ Chineesche Immigrantenschip" beteekent een schip, dat Chineesche Immigranten overvoert. „Protector" beteekent Protector der Chineesche Immigranten en omvat ook de Assistent Protectors der Chineesche Immigranten. „ Overtochtsgelden". Hier onder is ook begrepen het geldswaardig bedrag van eenen vrijen overtocht. 1) Zooals deze gewijzigd is door de Chineesche Immigranten-Ordonnantie N°. VHI van 1903. 55 Protectors en Assistent- Protectors. Depots voor onderzoek. Depots voor interneering. Regels voor depots. Straf bepaling. De Gouver neur kan re gelingen vaststellen. „Voorschotten". Hieronder zijn tevens begrepen onderhoud in China, kleeren verstrekt in China, contant geld in China of aan boord afgegeven, onderhoud a an boord, benevens eene som, vijf dollars niet te bovengaande, strekkende °m de kosten te bestrijden gemaakt door den persoon, die belast is met het overbrengen van den Immigrant van uit China, en voor passage-kosten. n Schuldeischer" is de persoon aan wien, in de gevallen hier onder vermeld, de Immigrant bevonden wordt eene schuld te hebben wegens genoten passage gelden of voorschotten en daaronder zal ook worden verstaan des schuldeischer's a gent in de kolonie. «De bevoegde practiseerend geneesheer" is de houder van een diploma, graad of licentie, welke hem vergunt om geneeskunde of chirurgie uit te oefenen in eenig deel van Zijner Majesteit's Bezittingen, of de houder van eenig Europeesch, Amerikaansch of Japansch diploma, graad of licentie, w elke is goedgekeurd door den Gouverneur in Rade. 4. De Protector der Chineezen zal ex-officio zijn de Protector der Chineesche Immigranten bedoeld in deze Immigranten Ordonnantie, en de Assistent Protectors der Chineezen en dergelijke andere personen als de Gouverneur z al benoemen, zullen ex-officio zijn Assistent Protectors der Chineesche Immi granten. 5. De Gouverneur zal bevoegd zijn: (1) om depots op te richten in elk der Settlements voor het onderzoek der Immigranten en een tarief vast te stellen van de kosten, die wettelijk ge vraagd kunnen worden van een Immigrant voor diens overbrenging van e en Chineesche Immigrantenschip naar zulk een depot; (2) om depots op te richten en daarvoor licenties af te geven in elk der Settlements bestemd voor het opnemen der Chineesche Immigranten, en een tarief vast te stellen van de onkosten en de prijzen welke betaald moeten w orden voor het gebruik maken van zulke depots, en voor het onderhond der Immigranten, die daarin zijn geinterneerd. (3) om regels vast te stellen voor het beheer van zulke depots. Bij over treding van een der, in gevolge dit artikel, vastgestelde bepalingen en rege lingen, zal de schuldige gestraft kunnen worden met eene boete, de som van -o dollars niet te bovengaande. 6a. De Gouverneur in Rade zal bevoegd zijn regelingen vast te stellen voor: (1) het aanwijzen van de plaats, waar Chineesche Immigrantenschepen moeten ankeren. (2) het vaststellen van den tijd waarop, den weg waarlangs, en de wijze w aarop Immigranten moeten worden geland en gebracht naar een depot van onderzoek. "• Al de onder o bedoelde regelingen zullen geheel of gedeeltelijk bij dezelfde, of bij eene afzonderlijke verordening van den Gouverneur in Rade oepasselijk kunnen worden verklaard voor bepaalde klassen van schepen en met toepasselijk voor andere klassen van schepen, omschreven in zulk eene verordening van den Gouverneur in Rade. 56 Vertrek uit China en aan komst in de kolonie van een Immi grantenschip. Regels in acht te ne- men bij aan- komst. Strafbepa ling. Aankomst aan boord van eenen ambtenaar van het Pro tectoraatder Chineezen. Verplichting van den ge zagvoerder tot het geven van inlich tingen. Strafbepaling. c. Al de ingevolge artikel 6a en 66 uitgevaardigde regelingen zullen zoo spoedig mogelijk na de uitvaardiging ter goedkeuring worden aangeboden aan den Wetgevenden Raad en zullen bij besluit van dezen Raad kunnen worden ingetrokken. d. Bij overtreding van een der ingevolge dit artikel vastgestelde bepalingen en regelingen zal de schuldige gestraft kunnen worden met eene boete, de som van 500 dollars niet te boven gaande. la. Bij het vertrek van een Chineesehe Immigrantenschip uit China naar eene haven in de kolonie, zal de agent of geconsigneerde van zulk een schip in die haven van de kolonie, waarheen het schip geconsigneerd is, tevoren den Protector in die haven kennis geven van den vermoedelijken datum van aankomst van zulk een schip en van het aantal Immigranten, dat in die haven aan wal gezet zal worden. 6. De gezagvoerder van elk Chineesehe Immigrantenschip zal, bij aan komst in eene haven der kolonie, reeds op eenen afstand, waarbij signaleeren mogelijk is, een signaal hijschen aangevende, dat er passagiers aan boord zijn, tegelijk met eene vlag, aangevende het aantal der Immigranten aan boord, en hij zal die vlag laten waaien totdat al de Immigranten gedebarkeerd zijn. Indien zulk een Chineesehe Immigrantenschip een zeilschip is, zal de gezagvoerder bij aankomst daarvan, dadelijk bericht geven aan den Protector en hij zal in elk geval den Immigranten beletten te debarkeeren tot dat een ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen aan boord zal zijn gekomen, zooals nader geregeld is in het volgende artikel. c. Een ieder, die zonder wettige redenen verzuimt de bepalingen van dit artikel op te volgen, zal gestraft worden met eene geldboete, de som van 250 dollars niet te boven gaande. 8. Bij aankomst van een Chineesehe Immigrantenschip op de voorgeschreven ankerplaats, zal een ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen aan boord komen, aan wien de gezagvoerder verplicht is een lijst af te geven, bevat tende al de namen der Chineesehe Immigranten aan boord; de gezagvoerder zal tevens verplicht' zijn alle inlichtingen te verstrekken omtrent de Immi granten, wat betreft de betaling hunner passage-gelden, de plaats van embarkement, den gezondheidstoestand gedurende den overtocht, den dood of afwezigheid van ieder Immigrant, die aan boord geweest is tijdens of na het vertrek van het schip uit de eerste vertrekhaven in China, benevens alle andere inlichtingen, die redelijkerwijs van hem gevraagd kunnen worden naar aanleiding dezer Ordonnantie of de „ Ordonnantie omtrent het bescher men van vrouwen en meisjes" van 1896. De gezagvoerder van een Chineesehe Immigrantenschip, die opzettelijk ver zuimt de hierboven bedoelde lijsten of inlichtingen te geven, dan wel lijsten of inlichtingen als juist verstrekt van welke hij weet, of redenen heeft te gelooven, dat zij valsch zijn, dan wel weigert te antwoorden op de vragen, die de betrokken ambtenaar redelijkerwijze kan stellen naar aanleiding dezer Ordonnantie, zal, als schuldig aan overtreding van de artikelen 176, 177 of 179 van het Strafwetboek, met de daarbij bedreigde straffen gestraft worden. 57 De communi catie met het schip is ver boden tot dat de Immigran ten gedebar keerd zijn. Uitzondering. Strafbepa ling. Communi catie. Overbrenging naar een de pot voor onderzoek. 9«. Niemand, uitgezonderd de hierna genoemde personen, mag aan boord komen van, of in communicatie komen met een Chineesche Immi grantenschip, dat in eene haven is gearriveerd, zoolang geen ambtenaar van fi et Protectoraat der Chineezen aan boord is gekomen en al de Immigranten neeft laten debarkeeren; en geen Immigrant zal van een Chineesche Immi grantenschip debarkeeren of trachten te landen, anders dan op de wijze zooals door deze Ordonnantie is voorgeschreven. b. De volgende personen zullen uitgezonderd zijn van de bepalingen van •üt artikel: De Officier van Gezondheid, de Havenmeester, de Protector der Chineezen, het Hoofd der Politie of een der aan hen ondergeschikte ambte naren; de eigenaar, de agent of geconsigneerde van het schip; de Consul generaal, Vice-Consul of Consulaire Agent van de natie, onder wier vlag het betrokken schip vaart, en al diegenen, aan wien door den ambtenaar van het "rotectoraat der Chineezen zal worden vergund aan boord te komen voor net doen debarkeeren der Immigranten. c - leder, die zich aan boord begeeft van, of in communicatie komt of tracht te komen met een Chineesche Immigrantenschip, in strijd met de bepalingen van dit artikel, en elk Immigrant, die van een Chineesche Immigrantenschip debarkeert of zulks tracht te doen in strijd met de bepalingen van deze ordonnantie of van de uit haar gevloeide regelingen, en ieder, die een Immi grant daarbij helpt of daartoe aanspoort, zal gestraft worden met eene geld boete , de som van 500 dollars niet te boven gaande en, bij in gebreke blijven van betaling, met gevangenisstraf den tijd van zes maanden niet te boven gaande. °. Met betrekking tot dit artikel zal een ieder geacht worden in com municatie te zijn met een Chineesche Immigrantenschip, die in een sampan, ichter of eenige andere boot, van welke soort ook, hangt aan, of zijn boot evestigt aan of brengt binnen eene kabellengte afstand van het Chineesche immigrantenschip; uitgezonderd in de gevallen waarin zulks geschiedt om de "evoegde personen aan boord te brengen, dan wel om krachtens vergun- van den ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen de Immi granten te doen debarkeeren. 10. Wanneer na aankomst van een Chineesche Immigrantenschip een ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen aan boord is gekomen, kan eze ambtenaar al de Immigranten, die aan boord zijn, of een deel van hen, °en overbrengen naar een depot voor onderzoek der Immigranten, opdat daar O-oor den Protector, of door eenen door den Protector gemachtigden ambtenaar an het Protectoraat der Chineezen, de Immigrant gehoord kan worden mtrent de betaling zijner passage, de voorschotten, die hij mocht ontvangen eoben, dan wel omtrent eenige verbintenis om de passage-gelden of voor °aotten terug te betalen, of omtrent eenig door hem reeds aangegaan of nog an te gaan werkcontract, omtrent zijn leeftijd en geschiktheid om te werken n omtrent alle andere zaken, die noodig mochten blijken, naar aanleiding van eze Ordonnantie, of de „ Ordonnantie betreffende het beschermen van vrouwen e & meisjes" van 1896. 58 Machtiging tot onderzoek, Strafbepaling wegens weige ring naar een depot van onderzoek te gaan ofwel het heimelijk ver laten er van. Vrijlating van den Immi grantdie niets verschuldigd is. Het naar de kolonie over- brengen van eenen Immi- grant middels bedrog. De Immigrant, die eene schuld heeft, wordt in het depot aange houden. De tot werken ongeschikte Immigrant. 11. Indien na aankomst van een Chineesehe Immigrantenschip de Protector redenen heeft om te gelooven, dat een Immigrant, die met zulk een schip in de kolonie is gekomen, in schuld is bij eenig crediteur voor passagegelden of voorschotten, en zonder vergunning van eenen ambtenaar van het Protec toraat der Chineezen is binnen gegaan in een andere plaats dan in een volgens deze Ordonnantie daarvoor bestemd depot, zal de Protector of een door dezen schriftelijk gemachtigde ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen bevoegd zijn om elk huis, schip of plaats, waar zulk een Immigrant vermoed wordt te zijn, te doorzoeken en, bij aantreffen, hem tegelijk met alle documenten be trekkelijk zijne schulden, te brengen naar een depot van onderzoek, om daar gehoord te worden, zooals in het vorige artikel is aangegeven. 12. leder Immigrant, die weigert of verzuimt naar een depot voor onder zoek te gaan om daar gehoord te worden, wanneer zulks door eenen ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen wordt geëischt, en ieder Immigrant, die heimelijk zulk een depot verlaat of tracht te verlaten, vóór zijn onderzoek is afgeloopen, zal gestraft worden met eene geldboete, de som van 25 dollars niet te bovengaande, of gevangenisstraf van ten hoogste een maand. 13. leder Immigrant, die na het hier bovenbedoelde onderzoek bevonden wordt niets schuldig te zijn voor passagegelden of voorschotten, zal op staanden voet het depot voor onderzoek mogen verlaten. 14. "Wanneer na het boven bedoelde onderzoek blijkt, dat de Immigrant naar de kolonie is gebracht met gebruikmaking van bedrog of verkeerde voorstellingen betreffende zijn loon, zijn werk of andere zaken, zal de Protector er onderzoek naar doen en indien blijkt, dat de Immigrant billijke redenen tot beklag heeft, zal de Protector hem óf vrij laten öf met hem handelen als met een Immigrant, die onder de bepalingen van deze Ordonnantie ver klaard is bij voortduring ongeschikt te zijn voor arbeid in de kolonie. 15. Elke Immigrant, van wien na het bovenbedoelde onderzoek blijkt, dat hij eene schuld heeft wegens genoten passage-gelden of voorschotten, kan, tenzij hij blijkt ongeschikt te zijn voor werk, onder toezicht van den Protector aangehouden worden in een der volgens deze Ordonnantie gelicen tieerde depots, totdat hij, naar het genoegen van den Protector, schikkingen gemaakt heeft voor de betaling zijner schuld. Geen Immigrant kan, na zulk eene schuld te hebben betaald, worden aan gehouden, of hij moet daartoe zijne toestemming betuigen ten overstaan van den Protector, en dan voor geen langeren termijn dan tien dagen, uitgezonderd in de gevallen voorzien in de artikelen 21, 22, 23 en 24 van deze Ordonnantie. 16. (1) Wanneer een Immigrant na het bovenbedoelde onderzoek, of voor dat hij ten genoegen van den Protector schikkingen heeft gemaakt voor de be taling zijner schuld, blijkt ongeschikt te zijn voor werk tengevolge van ziekte, physieke of psychische zwakte, of indien hij gebrekkig is, of aan de een of andere kwaal lijdt, dan kan hij naar een hospitaal worden opgezonden om ge- 59 Strafbepa ling. Arrestatie van eenen vluchtenden Immigrant. Aanzetting tot het zich wederrechte lijk verwijde ren van eenen Immigrant. Maxim. bedr. voor passage gelden en voorschotten. neeskundig te worden onderzocht en behandeld; en hij zal daar op kosten van zijnen crediteur blijven aangehouden, totdat door den Chef van het hospitaal zal worden verklaard: (a) dat hij ongeschikt is voor werk of voor bepaalde soorten van werk of voor werk op bepaalde plaatsen, in welk geval hij zal worden over gegeven aan den Protector of diens gemachtigde; de Immigrant zal vervolgens onder toezicht van den Protector in een depot worden ge detineerd zooals voorzien is bij artikel 15; of (b) dat hij ongeneeselijk is of bij voortduring ongeschikt voor werk in de kolonie, in welk geval hiervan bericht zal worden gegeven aan den Protector, die een zoodanigen Immigrant bij de eerste gelegenheid op kosten van zijnen crediteur kan doen terugzenden naar de plaats in China van waar hij werd aangebracht. (2) Wanneer bij het bovenbedoelde onderzoek of gedurende den bovenbe doelden tijd blijkt, dat een Immigrant beneden de 16 of boven de 45 jaren °ud is, kan hij op kosten van zijnen crediteur teruggezonden worden naar de plaats in China van waar hij werd aangebracht. 17. Elk Immigrant, die bij het bovenbedoelde onderzoek bevonden wordt eene schuld te hebben wegens genoten passage gelden of voorschotten en weigert of verzuimt, hetzij naar een hospitaal, hetzij naar een volgens de bepalingen van deze Ordonnantie gelicentieerd depot te gaan, nadat hem zulks gelast is door eenen ambtenaar van het Protectoraat, en ieder Immigrant, die zulk een depot verlaat of tracht te verlaten zonder toestemming van eenen ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen, dan wel een hospitaal zonder toestemming van den betrokken chef verlaat of tracht te verlaten, zal worden gestraft met eene geldboete, de som van 25 dollars niet te boven gaande, of met gevangenisstraf van niet langer dan eene maand. 18. leder Immigrant, die in strijd met de bepalingen van deze Ordonnantie, vlucht uit, of weigert te gaan naar, een depot opgericht volgens deze Ordonnantie, dan wel vlucht uit of weigert te gaan naar een hospitaal, kan door eenen politiedienaar of eenen ambtenaar van het Protectoraat der Chineezen worden gearresteerd en gebracht naar een bureau voor onderzoek, of naar het Protectoraat der Chineezen, of naar een politie-station, waar hij kan worden aangehouden tot hij gebracht kan worden voor den Protector. 19. Een ieder, die een Immigrant, welke nog in schuld is voor de boven genoemde redenen, overhaalt of tracht over te halen, naar eene andere plaats te gaan dan naar een depot opgericht volgens deze Ordonnantie of een depot °f hospitaal, waarheen hij is gezonden door eenen ambtenaar van het Pro tectoraat, zal gestraft worden met eene boete, de som van 50 dollars niet te boven gaande voor eiken Immigrant, of met gevangenisstraf van hoogstens twaalf maanden. 20- De Protector der Chineezen kan van tijd tot tijd het maximum bedrag vaststellen, dat een Immigrant verschuldigd mag zijn wegens betaalde passage-gelden van eene haven in China naar eene haven in de kolonie, en wegens voorschotten. 6 Frankrijk is in de tabel (zie pag. 5 en 6) niet begrepen. Gedu rende de jaren 1891 tot 1893 had het officieel eene emigratie van 5,500 a 6,200 zielen per jaar. Daarna heeft men geene cijfers meer gepubliceerd. Opmerkelijk is het, dat de emigratie uit Duitschland, welke in de jaren 1880 tot 1892 ver boven 100,000 personen bedroeg, ja zelfs in 1881 220,902 en in 1882 203,585 zielen telde, sedert zoo sterk is achteruitgegaan. Daarentegen is de emigratie van de Latijnsche rassen met reuzenschreden vooruitgegaan. Italië staat in deze vooraan. Onder de boven opgegeven cijfers van de emigratie uit Rusland zijn niet begrepen de emigranten naar Siberië en Centraal-Azië. Een groot deel der Russische emigranten van de laatste jaren wordt gevormd door de uit Rusland verdreven joden. ! ) Vergeleken met de bevolkingsdichtheid bedroeg de emigratie naar landen buiten Europa: 1) Zie P. Leroy-Beaulieu, dl. 11, blz. 472. 60 Aanhouding van eenen Im migrant die zijne verkla ring totterug betaling van de passage gelden niet kan gestand doen. Weigering van eenen Immi grant om de verklaring tot het aangaan van een werk contract ge stand te doen. Strafbepa ling. Aanwending der boete. De Immi grant wordt ongeschikt bevonden voor het aan gaan van het beloofde werkcontract. 21. Een Immigrant, aangehouden volgens artikel 15, van wien bij het bovenbedoelde onderzoek blijkt, dat hij passage-gelden en voorschotten heeft ontvangen door het afleggen van eene verklaring, dat hij bij aankomst in de kolonie een persoon zal aantreffen, die genegen is de passage-gelden en voorschotten terug te betalen; en die alleen door het aangaan van een werkcontract de ver klaring kan gestand doen en niet genegen is zulk een contract aan te gaan, kan naar goeddunken van den Protector, óf op vrije voeten worden gesteld, óf naar China terug gezonden op kosten en met toestemming van zijnen schuld eischer. In het laatste geval kan hij, in afwachting van zijn vertrek, op kosten van zijnen crediteur worden gedetineerd in een volgens deze Ordon nantie gelicentieerd depot. 22a. Een Immigrant, aangehouden volgens artikel 15, van wien na onderzoek blijkt, dat hij passage-gelden en voorschotten heeft verkregen door het afleggen van de verklaring om bij aankomst in de kolonie een werkcontract aan te gaan, en die zonder behoorlijke redenen weigert binnen tien dagen na zijn aan komst zulk een werkcontract aan te gaan, dan wel de verschuldigde passage gelden en voorschotten terug te betalen, zal gestraft worden met eene geldboete, de som van 25 dollars niet te bovengaande of met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand. Indien na afloop van de gevangenisstraf, opgelegd wegens bovenbedoelde weigering of het niet voldoen van de boete, de immigrant volhardt in zijne weigering, zal hij wederom gestraft kunnen worden met eene geldboete, de som van 25 dollars niet te bovengaande of gevangenisstraf van hoogstens twee maanden, en na afloop van de straf kan hij met goedvinden van den Protector, op kosten en met toestemming van zijnen crediteur, naar China worden teruggezonden en in afwachting van zijn vertrek op kosten van zijnen crediteur worden aangehouden, in een depot gelicentieerd volgens deze Ordonnantie. 6. Indien na schuldig bevinden de Immigrant eene boete betaalt gelijk aan of hooger dan het bedrag door hem verschuldigd wegens passage-gelden en voorschotten, zal hij dadelijk ophouden onder de bepalingen van dit artikel te vallen. c. Elke boete, betaald naar aanleiding van dit artikel, zal in de eerste plaats aangewend worden om den crediteur de som terug te betalen, die de Immi grant dezen schuldig is voor passage-gelden en voorschotten. Hetgeen over blijft na de af betaling zal gestort worden in 's lands kas. 23. Een Immigrant, aangehouden volgens artikel 15, van wien na onderzoek blijkt, dat hij passage-gelden en voorschotten heeft ontvangen door het afleggen van eene verklaring om bij aankomst in de kolonie een werkcontract aan te gaan voor een bepaald soort van werk, en die na geneeskundig onderzoek verklaard wordt ongeschikt te zijn voor dat werk, kan naar goedvinden van den Protector: (a) op kosten van den crediteur teruggezonden worden naar China, en, in afwachting van zijn vertrek, op kosten van den crediteur aangehouden worden in een depot, volgens deze Ordonnantie gelicentieerd; (b) een werkcontract aangaan voor zoodanig werk als waarvoor hij ge schikt verklaard wordt, en voor dit doel gezonden worden naar eene andere haven van de kolonie; (c) op vrije voeten gesteld worden. 61 Onmogelijk heid tot het vinden van eenen werk gever. Aan boord verscholen Immigranten. Terugzen ding van Im migranten naar China. Aangaan van een werkcon tract door den Immigr. met den nieuwen crediteur. De depot houder kan commissie loon in reke ning brengen. Het contract moet schrifte lijk zijn. 24(a). Een Immigrant, aangehouden volgens artikel 15, van wien na onder zoek blijkt, dat hij passagegelden en voorschotten heeft ontvangen door het afleggen van eene verklaring om bij aankomst in de kolonie een contract aan te gaan voor eenig speciaal werk, en voor wien binnen tien dagen na zijn aankomst in de kolonie, de persoon, die hem heeft aangebracht, niet in staat is zulk werk te vinden, kan, naar goedvinden van den Protector, op vrije voeten worden gesteld, of naar China teruggezonden op kosten van zijnen crediteur, en in dit geval, in afwachting van zijn vertrek, op kosten van zijnen crediteur worden aange houden in een, volgens deze Ordonnantie gelicentieerd depot, dan wel kan hij °P kosten van zijnen crediteur naar eene andere haven in de kolonie worden gezonden om zulk werk te vinden. (b) Tenzij zij vallen onder de bepalingen van artikel 16 zullen zij, die zich aan boord verscholen houden om vrijen overtocht te genieten, behandeld borden als Immigranten, die passagegelden en voorschotten hebben ontvangen door het afleggen eener verklaring om bij aankomst in de kolonie een werk contract voor de een of andere soort van werk aan te gaan. 25. Wanneer een Immigrant naar China teruggezonden moet worden op kosten van zijnen crediteur volgens de bepalingen van deze Ordonnantie, of naar het hospitaal gezonden volgens de bepalingen van artikel 16, of naar eene andere haven in de kolonie volgens de bepalingen van artikel 24, zal de Protector alle daarvoor noodige maatregelen nemen. Al de noodige uit gaven en daarbij komende kosten om zulk eenen Immigrant naar China, of naar het hospitaal, of naar eene andere haven in de kolonie te zenden, zullen van den crediteur van zulk eenen Immigrant kunnen worden terug gevorderd in een „Court of Requests" op verzoek van den Protector, wiens opgave van het bedrag dier kosten als juist zal worden aangenomen. 26. De Protector kan van een ieder, die aanbiedt ten behoeve van eenen Immigrant aan diens crediteur de passage-gelden en voorschotten door den Immigrant verschuldigd terug te betalen, vorderen, om met zulk eenen Immigrant een contract aan te gaan. 27. Het zal den houder van een volgens deze Ordonnantie gelicentieerd depot toegestaan zijn om van dengene, die aanbiedt met eenen Immigrant e en contract aan te gaan als bedoeld in het vorige artikel, nog een door den Protector goedgekeurd bedrag te eischen boven de passage-gelden en voor schotten door zulk eenen Immigrant verschuldigd, voor het geval, dat de Immigrant bij het werkcontract niet verantwoordelijk wordt gesteld voor eenige som boven zijn passage-gelden en voorschotten. 28(a). Elk contract, dat door eenen onder de bepalingen van deze Ordon nantie gelanden Immigrant zal worden aangegaan, moet schriftelijk zijn, en aan den Immigrant worden uitgelegd door den Protector of eenen daartoe bevoegden ambtenaar van zijn departement, en wanneer het den Protector of dien ambtenaar blijkt, dat de Immigrant de strekking en de bewoordingen 'an het contract begrijpt, zal dit contract geteekend worden door den Immi 62 Onderteeke ning. Ordonnantie van 1882. Verschuldigd zegelrecht. Van werkge vers voor werk buiten de kolonie kan de Pro tectorzeker- heidstelling eischen. De Protector kan photo grafiën eischen. Geneeskundig onderzoek. Vernietiging van het con tract door den rechter. grant en zijnen werkgever of diens wettig geautoriseerden agent in tegen woordigheid van den Protector of bovenbedoelden ambtenaar. (b). Een werkgever, met Europeesche karakters teekenende, wiens hand teekening aan den Protector bekend is, behoeft niet te teekenen in tegen woordigheid van den Protector of bovenbedoelden ambtenaar. (c). Elk zoodanig geschreven contract, op de boven bedoelde wijze ge teekend, zal beschouwd worden als een bindend contract volgens de „Werk contracten-Ordonnantie van 1882", doch indien de werkgever het contract geteekend heeft met Europeesche karakters, zal de ambtenaar, ten overstaan van wien het contract geteekend is, niet behoeven te certificeeren, dat het contract uitgelegd is aan den werkgever. (d). Elk volgens deze Ordonnantie aangegaan contract zal onderworpen zijn aan een zegelrecht van een dollar per Immigrant door den werkgever te betalen, middels plakzegels door den Protector of bovenbedoelden ambtenaar te hechten onder de handteekeningen van beide partijen op het contract ge steld. Het contract moet door den Protector of bovenbedoelden ambtenaar worden gewaarmerkt. (e). Geen werkcontract zal voor den Immigrant verbindend worden ge houden , indien het niet wettelijk geteekend en gezegeld is volgens voorschrift dezer Ordonnantie. 29. De Protector kan van eenen werkgever, die met eenen Immigrant volgens deze Ordonnantie een contract aangaat voor werk buiten de kolonie, eischen naar genoegen van den Protector zekerheid te stellen voor de richtige nakoming van het contract. 30. De Protector kan eischen: (a) dat een Immigrant, die een contract aangaat voor werk buiten de kolonie of voor eene plaats gelegen binnen het territoir van de Dindings- of het Christmas-eiland of voor eene plaats gelegen in het Settlement Malacca, gephotografeerd wordt op kosten van den werkgever en dat eene photografie gedeponeerd wordt in het Protectoraat der Chineezen. (b) dat een Immigrant, die een werkcontract wenscht aan te gaan, hetzij voor in, hetzij voor buiten de kolonie, door eenen Gouvernements-geneesheer of eenen bevoegden practiseerenden geneesheer onderzocht wordt wat aangaat zijne geschiktheid voor zulk werk; de werkgever zal voor dat onderzoek eene betaling hebben te voldoen de som van één dollar niet te bovengaande. 31 (a). Indien een werkgever, of een persoon die door den werkgever gesteld is over oenen Immigrant, die volgens de bepalingen van deze Ordonnantie een contract heeft geteekend, voor een rechtbank is schuldig bevonden aan eene overtreding jegens den persoon of den eigendom van zulk eenen Immigrant; of indien een magistraat na lezing van het rapport van den Protector en na een volledig onder eede gehouden onderzoek overtuigd is, dat een Immigrant ge dwongen is te werken, terwijl hij er ongeschikt voor was, of een slechte behandeling heeft ondervonden van den werkgever of van den over hem, 63 De Immi grant kan een schriftelijk contract tus schentijds doen eindigen door terugbe taling van ge noten voor schotten en het tevens voldoen van smartegeld. Voorwaarden waarop Chineesehe Immigranten ingevoerd kunnen worden. Immigrant, gestelden persoon, kan de rechter of magistraat met toestemming van den Immigrant diens contract verbreken en hem eene redelijke schade loosstelling toestaan. De rechter of magistraat zal van het verbreken van het contract kennis geven aan den Protector. (b) Geen contract, onder de bepalingen van deze Ordonnantie aangegaan, zal met onderling goedvinden kunnen worden verbroken, dan in tegen woordigheid van den Protector of eenen magistraat, die daarvan eene aan teekening zal stellen op het contract. 32 (a). Een Immigrant, die een contract heeft aangegaan voor eenen be paalden tijd, zal gerechtigd zijn dat contract ten allen tijde te doen afloopen na een maand tevoren opzegging en na terugbetaling aan den werkgever van alle eventueel aan hem zelven of ten zijnen behoeve verstrekte voor schotten, die de Immigrant bij het contract op zich genomen heeft te zullen terug betalen, benevens de betaling van eene som van 25 dollars bij wijze van smartegeld. (b) ledere werkgever zal binnen redelijken tijd na het desbetreffende verzoek van eenen Immigrant verplicht zijn hem eene opgave te verstrekken van de bedragen, die deze den werkgever eventueel verschuldigd is voor genoten voorschotten. (c) ledere werkgever, die zonder door hem aan te toonen aannemelijke redenen, weigert of verzuimt zulk eene opgave te verstrekken, nadat hem zulks als hierboven bedoeld verzocht is, dan wel opzettelijk eene onjuiste opgave verstrekt; en iedere werkgever, die, zonder door hem aan te toonen aannemelijke redenen weigert eenen Immigrant, die zijn contract heeft op gezegd, toe te staan zijn dienst te verlaten, zal voor elke overtreding ge straft kunnen worden met eene boete, de som van 100 dollars niet te boven gaande. 33. Geen Chineesehe Immigrant zal in de kolonie mogen worden aan gebracht dan op de volgende voorwaarden: (1) Indien het schip, waarmede hij is aangebracht meer dan 20 Immi granten vervoert, zal gedurende de geheele reis een tot practiseeren bevoegd geneesheer aan boord moeten zijn, belast met de zorg voor de gezondheid van de passagiers en de hygiëne op het schip. (2) De kapitein zal, bij aankomst van het schip in eene haven in de kolonie, aan den aan boord komenden ambtenaar afgeven een certificaat van de haven van vertrek, geteekend, indien die haven Hongkong is, door den ambtenaar belast met het toezicht op de gezondheidstoestand in de haven, en indien die haven eene Chineesehe haven is, geteekend door een daartoe bevoegd door den Britschen Consul aangewezen persoon; in het certificaat moet vermeld zijn: (a) de reis die het schip zoude maken; (b) dat tijdens het vertrek van het schip het vereischte aantal officieren en bemanning voltallig was en het schip voldoende geëquipeerd voor de reis; (c) het aantal Immigranten aan boord; en dat dit getal niet grooter is dan het getal, dat aan boord van het betrokken schip mag vervoerd worden; 64 Strafbepa ling voor we derrechte- lijken invoer. Wijze van afdoening der overtre dingen. De Gouver neur kan de hem bij deze Ordonnantie toegekende bevoegdh. delegeeren. Tijdstip van in werking treding. (d) dat tijdens het vertrek van het schip een goede en voldoende voorraad aan boord aanwezig was van voedsel, zuiver water en geneesmiddelen voor het gebruik van de Immigranten gedurende de voorgenomen reis; (e) dat de maatregelen, voor het gemak en de hygiëne der Immigranten gedurende de reis aan boord van het schip genomen, voldoende waren. 34. (1) Een ieder, die importeert of tracht te importeeren eenen Chineeschen Immigrant in strijd met de bepalingen van artikel 33, en ieder, die behulpzaam is in, aanspoort tot, zijne bemiddeling verleent voor, geïnteresseerd is bij, betrokken is in, of opzettelijk eenig voordeel geniet van het dusdanig importeeren of trachten te importeeren van eenen Chineeschen Immigrant, zal gestraft worden met eene geldboete, de som van 1000 dollars niet te bovengaande, of met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf maanden, of met geldboete en gevangenisstraf tezamen. (2). Elk schip, dat gebruikt is voor den invoer, of poging tot invoer, van eenen Chineeschen Immigrant in strijd met de bepalingen van artikel 33, kan verbeurd verklaard, vastgelegd en aangehouden worden door het Hoofd der politie totdat de uitspraak bij rechterlijk vonnis gevallen is. (3) De maatregelen ter uitvoering van de in beslagname, bedoeld bij dit artikel, kunnen genomen worden in naam van den Procureur-Generaal vol gens „Het Reglement op de Strafvordering" van 1876. (4) Na de aanhouding van een schip volgens het bepaalde sub. 2 zal de Gouverneur gerechtigd zijn om zulk een schip vrij te laten, hetzij onder eene door hem als voldoende geachte borgstelling, hetzij zonder borgstelling. 35. Alle overtredingen van de bepalingen van deze Ordonnantie zullen summierlijk afgedaan kunnen worden door eene Politie- of eene gewone rechtbank. 36. De Gouverneur zal bevoegd zijn om gedurende zijne afwezigheid van een der verschillende settlements Singapore, Penang of Malacca de ver schillende, hem bij deze Ordonnantie toegekende bevoegdheden te delegeeren, respectievelijk aan den Kolonialen Secretaris te Singapore en de Resident Councillers te Penang en Malacca. 37. Deze Ordonnantie zal in werking treden op den eersten Januari 1903. Gearresteerd op heden den 25 ston Juli 1902. A. W. S. o'Sullivan, Secretaris. 65 Afschaffing. Wie verzoek schriften kan indienen. Inhoud van het verzoek schrift. Verdere informaties, c. Naturalisatie van Chineezen. Aangezien vele Chineezen in de Straits-Settlements zich als Britsche onderdanen laten naturaliseeren, vooral indien zij tijdelijk naar China wenschen terug te keeren, om aldaar onder bescherming te staan van den Britschen consul, is het wellicht v an nut de bepalingen omtrent die naturalisatie te weten. Derhalve volgt hieronder de: WET N°. VIII van 1867. Wet van den ló" 1 "" Mei 1867 tot wijziging van de wet betreffende de naturalisatie van onderdanen. Harey St. George Ord, Gouverneur en Opperbevelhebber. Overwegende, dat het wenschelijk is de wet op de naturali satie van onderdanen in deze kolonie te wijzigen, heeft goedgevonden en verstaan, dat door Zijne Excellentie, den Gouverneur van de Straits-Settlements, in overeenstemming uiet den Wetgevenden Raad, worden vastgesteld de navolgende bepalingen: 1- Deze nieuwe wet schaft voor de Straits-Settlements kolonie af de wet Va n den Wetgevenden Raad van Indië op de naturalisatie van onderdanen, v *n 1852, No. 30. *• Een ieder, die in de kolonie werkelijk verblijf houdt, kan aan den Gouverneur in Rade een verzoekschrift indienen, inhoudende het verzoek er verkrijging van de voorrechten, verbonden aan eene naturalisatie. 3- In het verzoekschrift moet rekwestrant naar beste weten opgeven zijnen onderdom, zijne geboorte- en woonplaats, zijn beroep, bedrijf of ambacht, °- e n tijd, dien hij in de kolonie heeft gewoond, hetzij voorgoed, hetzij tijdelijk, 'net het voornemen er zich voorgoed te vestigen; het verzoekschrift moet a °or den rekwestrant eigenhandig worden geschreven en onderteekend en 'ergezeld zijn van eene beëedigde verklaring, dat hij de gedane opgaven n aar waarheid heeft gedaan. 4. D e Gouverneur in Rade kan na ontvangst van het verzoekschrift alle «lichtingen inwinnen, hetzij middels beëedigde verklaringen, hetzij op elke ndere door hem wenschelijk geachte wijze, ter aanvulling van de opgaven °or rekwestrant in zijne beëedigde verklaring gedaan. 5 66 Inwilliging v. h. verzoek. Eed van trouw. Bewijs van naturalisatie. Onderteeke ning. Deponeering van het af schrift. Na verkrij ging van het bewijs van naturalisatie en aflegging van den eed, verkrijgt re kwestrant voorrechten. Inwilliging nietig ver klaard , in dien de eed niet binnen 14 dagen wordt afge legd. Herroeping van het afge geven bewijs. Publicatie in het officieele nieuwsblad. 5. Indien zulks na een dergelijk onderzoek wenschelijk wordt geacht, kan de Gouverneur in Rade het gedane verzoek inwilligen, waarna rekwestrant binnen den termijn van 14 dagen zal worden opgeroepen ter aflegging van den door deze wet voorgeschreven eed van trouw. 6. Nadat de eed op de voorgeschreven wijze zal zijn afgelegd, zal de ambtenaar, met de afneming van den eed belast, een bewijs van naturalisatie afgeven, waarin opgenomen zijn de in het verzoekschrift vermelde daad zaken, de verklaring dat de eed van trouw is afgelegd, en aldus alle rechten, privileges en bevoegdheden van een genaturaliseerd Britsch onderdaan volgens de bepalingen van deze wet aan den rekwestrant zijn toegekend, met uit zondering van die rechten, privileges en bevoegdheden, die uitdrukkelijk zijn vermeld, indien er ten minste dergelijke uitzondering gemaakt wordt. 7. Het bewijs van naturalisatie zal, na teekening door den Gouverneur, afgegeven worden aan den rekwestrant, maar een afschrift daarvan zal gezamenlijk met het verzoekschrift en alle daarop betrekking hebbende documenten, als verklaringen enz., gedeponeerd worden in het bureau van den Kolonialen Secretaris. 8. Na ontvangst van het bewijs van naturalisatie, en aflegging en onder teekening van den voorgeschreven eed, zal rekwestrant binnen genoemde kolonie geacht worden te zijn een in bedoelde kolonie geboren onderdaan van Hare Majesteit, en hij zal alle rechten, privileges en bevoegdheden ge nieten, die een in bedoelde kolonie geboren onderdaan van Hare Majesteit geniet, met die uitzonderingen, die wellicht in het bewijs van naturalisatie speciaal zijn vermeld. 9. Indien rekwestrant niet binnen 14 dagen na gedane oproeping verschijnt en den eed van trouw aflegt, zal het bewijs van naturalisatie van rechtswege van nul en geener waarde zijn. 10 (a). Indien eenige daadzaak, door rekwestrant in zijn verzoekschrift vermeld, blijkt niet overeenkomstig de waarheid te zijn, kan de Gouverneur in Rade, schriftelijk verklaren, dat het bewijs van naturalisatie, ingevolge het verzoekschrift afgegeven van nul en geener waarde (nietig) is, en na zulk eene schriftelijke verklaring zullen alle rechten, privileges en bevoegd heden , aan het bewijs van naturalisatie verbonden, van rechtswege vervallen. 11. Elk volgens de bepalingen van deze wet verleend bewijs van naturalisatie en zijne eventueele nietig-verklaring, zullen in het officieel nieuwsblad van de kolonie worden gepubliceerd. (a) Dit artikel is in de plaats van het oorspronkelijke gevoegd bij verordening VII van 1870 en trad in werking 22 Augustus 1870. 67 Belastingen. Korte titel 12 (a). De Gouverneur in Rade kan ten allen tijde de belasting bepalen welke verschuldigd is voor het verkrijgen van het bewijs van naturalisatie; de terzake betaalde belasting komt ten bate van de algemeene inkomsten van de kolonie. 13. Deze wet kan aangehaald worden onder den titel van de Wet op de naturalisatie van 1867. Bijlage. EED. Ik, N. N. (volgt eene nadere aanduiding van den persoon) zweer (of, mu ien een persoon is, die volgens de wet in civiele zaken in stede van net zweren van den eed volstaan kan met eene verklaring, verklaar) dat ik zijn een getrouwe en oprechte onderdaan van Hare Majesteit Koningin Victoria. (te. g.) N. N. d. Werkcontracten voor werklieden van alle nationaliteiten. Nog dient melding gemaakt te worden van de verordening betreffende de werkcontracten van 1882 ') welke geldt voor kerklieden van alle nationaliteiten. Door deze ordonnantie ver viel de Indian Act XIII van 1859, welke alleen betrekking had °P contracten aangegaan onder genot van voorschot, terwijl ze °Phield met op de contracten betrekking te hebben, zoodra het voorschot terugbetaald was. Hiervan waren moeilijkheden het I gevolg. De voornaamste bepalingen van de verordening van 1882, ge wijzigd bij ordonnantie 111 van 17 April 1883, en bij ordonnantie van 1889 toepasselijk verklaard op huisbedienden, zijn als volgt: Mondelinge contracten kunnen aangegaan worden voor niet langer dan een maand, en een mondeling contract kan ten allen tijde door elk der partijen worden beëindigd na een maand te voren opzegging, dan wel met vergoeding van een maand loon. ( a ) Zie voor de belasting de Government Gazette of October4,1895 p. 1187. *) De titel der verordening is: „Ordinance N°. 1 of 1882. An Ordinance 0 Mnend the law relating to Employers and Labourers under Contracts of Service." [28th. February 1882]. 68 (Voor huisbedienden is de termijn van opzegging of loonver goeding 14 dagen en wel volgens ordonnantie XXI van 1889). Schriftelijke contracten, hetzij met of zonder voorschot, kunnen zoowel in als buiten de kolonie worden aangegaan voor werk zaamheden in de kolonie te verrichten, maar moeten binnen een bepaalden tijd ten overstaan van een magistraat worden ge teekend als ze zijn aangegaan buiten de kolonie, doch als ze zijn aangegaan binnen de kolonie, dan kunnen ze ook ten over staan van den vrederechter worden geteekend. Zulke contracten kunnen tusschentijds alleen beëindigd worden met onderling goedvinden of tengevolge van onvermogen van een der partijen. Het solidariteitsstelsel, waarbij een aantal personen zich aan sprakelijk stellen voor het in gebreke blijven van een hunner, is verboden. Wettelijk is voorzien in het beslissen van geschillen; contractbreuk wordt gestraft, evenals afwezigheid en andere overtredingen. Voor het betalen van loon, het opvatten van deserteurs enz. zijn de in dergelijke contracten gewone voorzie ningen getroffen. Speciale bepalingen voor Chineezen, werkende op landbonwondernemingen. Voor de Chineezen, werkende op landbouwondernemingen, gelden nog speciaal de bepalingen vervat in „ The Chinese Agri cultural Labourers' Protection Ordinance 1891", in werking ge treden 1 Januari 1893. De voornaamste bepalingen van deze ordonnantie zijn: Art. 3. Waar niet uitdrukkelijk in deze ordonnantie is voorzien, gelden voor de contracten de bepalingen van „ The Labour Contracts Ordinance 1882." Art. 4. Voor die contracten, die schriftelijk aangegaan worden, is een model op straffe van nietigheid voorgeschreven. Geen contract kan worden aangegaan langer dan voor 12 maanden of voor een daarmede overeenkomend taakwerk. Art. 5. De werkgever is verplicht den arbeider, die tegen hem een klacht wil indienen, toe te staan zich naar den magistraat te begeven, op straffe van eene boete van hoogstens 100 dollars met 25 dollars extra voor eiken dag langere verhindering. Is de klacht ongerechtvaardigd, dan kan de arbeider tot eene schadevergoeding worden veroordeeld van ten hoogste 10 dollars. Art. 6. Indien de werkgever den arbeider aanklaagt voor den magistraat, en de klacht blijkt ongegrond, dan kan de werkgever tot eene schadever goeding veroordeeld worden van ten hoogste 10 dollars. 69 Art. 7. Een voortvluchtige arbeider kan na zijne arrestatie, behalve tot de daarop staande straf, ook nog tot eene schadevergoeding aan den werkgever worden veroordeeld van ten hoogste 15 dollars voor gemaakte opsporingskosten. Art. 8. Onder de werking van één contract kan den Chineesche arbeider hoogstens 24 maanden gevangenisstraf worden opgelegd. Art. 9. De werkgever moet, als hij meer dan 20 arbeiders in dienst heeft, daarvan opgave doen aan den Protector of Chinese op straffe van 100 dollars boete. Art. 10. De werkgever, die meer dan 20 arbeiders in dienst heeft, houdt van hen een register aan, waarin vermeld worden alle sterfgevallen, deserties, ontslag of beëindiging van het contract, op straffe van hoogstens 100 dollars boete voor elke opzettelijk verkeerde opgave. Art. 11. De Protector of zijn gemachtigde heeft het recht om ten allen "jde op de onderneming de arbeiders, hunne woningen en werkplaatsen te inspecteeren. Art. 12. Indien de Protector of diens gemachtigde zulks 48 uren te voren aa nvraagt, is de werkgever verplicht hem al zijne boeken, registers, con tracten enz. betreffende de arbeiders te vertoonen op straffe van eene boete v an hoogstens 200 dollars voor elke overtreding van dit artikel, hetzij door weigering, hetzij door elke andere ongemotiveerde handeling, tenzij hij aan toont redelijke gronden daarvoor te hebben. Art. 13. Zoolang de arbeider met een schriftelijk contract zijne voorschotten niet heeft aangezuiverd, blijft het contract in kracht, al wordt de termijn v an een jaar daardoor overschreden. Hiervan moet de werkgever den Protector Sc hriftelijk kennis geven. Art. 14. Per dag mag niet langer dan 9 uren gewerkt worden, en elke maand geniet de arbeider twee vakantie-dagen boven de gewone Chineesche feestdagen, met behoud van vol loon. Art. 15. Voor elke onderneming kan de Protector vaststellen hoeveel Maakwerk gelijk staat met een dagtaak van 9 uren. Het vastgestelde wordt, "* de Engelsche en Chineesche taal geschreven, overal op de onderneming aa Dgeplakt, opdat alle arbeiders er mede bekend zijn. De werkgever mag kiezen of hij den arbeider taak- of dagwerk zal op e ggen, doch in geen geval zal ook bij taakwerk de arbeider langer dan nren per dag mogen werken. Art. 16. Een arbeider kan, na een maand tevoren opzegging, en na aan nivering van alle voorschotten benevens 25 dollars smartegeld, zijn vooreen epaalden tijd aangegaan contract ten allen tijde doen eindigen. "ft. 17. Ten genoege van den Protector moet de werkgever zorgen voor uuisvesting der arbeiders, voor watervoorziening, medicijnen enz. Indien de °teetor zulks eischt moet de werkgever zorgen, dat er een hospitaal en een geneeskundige op de onderneming aanwezig is, op straffe van hoogstens dollars boete en 25 dollars voor eiken dag uitstel na ingebrekestelling. Aft. 18. Wordt een arbeider in een Gouvernementshospitaal verpleegd, dan omen de kosten ten laste van den werkgever. Aft. 19. Blijkt een arbeider aan besmettelijke ziekte te lijden, dan zal hij va detijk in het daarvoor bestemde hospitaal worden opgenomen. 7 Bij al de bovengenoemde getallen der emigranten is geen rekening gehouden met hen, die weder naar hun vaderland zijn teruggekeerd. Daaromtrent is geen statistiek aangehouden, doch men kan het aantal der teruggekeerde emigranten schatten op ongeveer een vijfde van het aantal der vertrokkenen. Dit aantal van één vijfde, door Leroy-Beaulieu aangenomen, is wat de laatste jaren aangaat, niet juist. Er is in den aard van het landverhuizersverkeer eene verandering gekomen. Dit blijkt ook uit een artikel in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 28 Juli 1908, dat we hieronder laten volgen: Landverhuizing naar Amerika. Zooals men weet is het landverhuizersverkeer naar Amerika, sedert het uitbreken van de crisis, aanmerkelijk afgenomen. Van welken omvang de vermindering was, is gebleken uit de onlangs door de regeering der Unie openbaar gemaakte gegevens betreffende het landverhuizersvervoer in het op 30 Juni j.I. geëindigde dienstjaar, welke aantoonden dat het aantal personen, die zich in de Vereenigde Staten zijn komen vestigen slechts 687,000 heeft bedragen, tegen 1,300,000 in het voorafgaande jaar, een vermindering dus tot 70 Art. 20. Een arbeider, die volgens verklaring van den geneeskundige on bekwaam is tot werken, hetzij door ziekte of door andere oorzaken, kan op kosten van den werkgever in het hospitaal worden opgenomen, doch geniet zoolang geen loon. Art. 21. Blijft de arbeider wegens ziekte langer dan 30 dagen onbekwaam tot werken, dan zal de Protector, op verzoek van den werkgever, hiervan op het contract aanteekening houden, en in geval de ziekte volgens verklaring van den geneeskundige aan eigen schuld van den arbeider te wijten is, wordt ook van eiken dag van niet werken binnen den termijn van 30 dagen aan teekening gehouden. De dagen, waarvan aanteekening gehouden is, tellen niet mede voor de berekening van den bij het contract bepaalden termijn van dienstneming. Art. 24. Wordt een arbeider wegens een of andere overtreding door den rechter veroordeeld, dan wordt hiervan op het contract aanteekening gehouden. Art. 25. Na afloop van de straf wordt de arbeider weder aan den werk gever overgegeven. Art. 26. Alle overtredingen van de bepalingen van deze ordonnantie worden snmmierlijk afgedaan door een magistraat of een rechtbank van twee magistraten. Art. 27. Een ieder, die beschuldigd is van overtreding dezer ordonnantie, kan het voorstel doen hem in zijn belang te hooren, en aan zijn dan afgelegde verklaringen wordt dezelfde rechtskracht verleend als aan die van eiken anderen getuige. Art. 28. (1) De Gouverneur in Rade is bevoegd regelen te geven omtrent de ondervolgende zaken: a. de registers door den werkgever te houden; b. de modellen voor de aan te gane contracten; c. de dagen die beschouwd moeten worden als te zijn Chineesehe feest dagen ; d. de periodieke inspectie van de ondernemingen en de arbeiderswoningen; e. alle andere zaken, die voor de uitvoering dezer ordonnantienoodigzijn. (2) Op overtreding van de door den Gouverneur in Rade gegeven regelen, kan hij eene boete stellen van hoogstens 100 dollars en na ingebrekestelling van den overtreder bovendien met 10 dollars boete voor eiken dag dat de overtreding voortduurt. (3) De door den Gouverneur in Rade gegeven regelen hebben na publicatie in het Officieele nieuwsblad dezelfde kracht als deze ordonnantie, tenzij een besluit van den Wetgevenden Raad de regelen vernietigt. Art. 29. Het bedrag der gelden, die een arbeider met een schriftelijk con tract volgens de artikelen 5 of 7 aan zijnen werkgever moet betalen, zal door den rechter op zijn contract worden aangeteekend en die gelden zullen worden beschouwd als te zijn voorschotten, door den werkgever aan den arbeider gegeven, terwijl artikel 13 daarop van toepassing zal zijn. e. Chineezen als inwoners der gemeenten. In de gemeenteverordeningen der Straits-kolonie, die aan de gemeenten vele bevoegdheden schenken, wat aangaat het maken 71 van regelingen betreffende hare inwendige huishouding, vindt men nergens bepalingen omtrent het verplichte wonen der Chineezen in wijken, dan wel iets, dat op ons passenstelsel gelijkt. Voor de wet zijn allen gelijk, alleen bepaalt art. 8 van „The Municipal Ordinance 1896" dat men, om tot raadslid gekozen te kunnen worden, o. a. moet voldoen aan den eisch van te zijn Britsch onderdaan, terwijl men ook de Engelsche taal moet kunnen spreken en lezen. Evenwel is de eisch van Britsch onderdaanschap niet voorge schreven voor die raadsleden, die door den Gouverneur worden benoemd (art. 9, sub. 2). Volgens art. 9 sub. 1 wordt de helft van het aantal raadsleden, of, indien het getal raadsleden on even is, de helft van het eerstvolgende even getal, gekozen door kiezers, en de rest benoemd door den Gouverneur. Van de door den Gouverneur benoemde leden moet er min stens een zijn, die niet in Gouvernementsdienst is, of betaling van het Gouvernement geniet. Kiezer is hij, die op de kiezerslijst geplaatst wordt. Voor het zijn van kiezer gelden voor de Chineezen dezelfde bepalingen als voor ieder ander, doch daar art. 11 het zijn van kiezer verbindt aan de betaling van eene belasting van minstens 6 dollars voor een eigendomsperceel, of het bewonen van een huis met eene jaarlijksche huurwaarde van minstens 150 dollars, dan wel het bewonen van een gedeelte van een huis, waarvoor hij 20 dol lars aan maandelijksche huur betaalt, vallen duizenden koelies buiten het kiesrecht. De groote gemeenten zijn verdeeld in wijken, en daar elke "wijk zijne vertegenwoordigers kiest, vermoed ik wel, dat de Chineezen voor hunne wijken hunne speciale vertegenwoordigers hebben, immers al zijn zij niet verplicht tot het samenwonen in een bepaalde wijk, hun volkskarakter brengt hen er toe zoo veel mogelijk bij elkander te wonen. f. Een Chinees in de „Legislative Council." De wetgevende raad der Straits-settlements bestaat uit den Gouverneur als Voorzitter en 15 leden, n.ml. 8 leden van de »Executive Council" en 7 door den Gouverneur benoemde leden, niet ambtenaren. Van deze 7 leden worden er 2 voorgedragen 72 door de Kamers van Koophandel te Penang en Singapore. Van de overige 5 door den Gouverneur benoemde leden, niet amb tenaren, is er gewoonlijk één Chinees. B. De Chineezen in Britsch Noord-Borneo l ). In 1865 verkreeg de Amerikaansche consul voor Broenei van den Sultan aldaar een groot stuk land. Voor de exploitatie daarvan vormde hij de „ Amerikaansche Handel-Maatschappij van Borneo". Deze Maatschappij slaagde er niet in het land te exploiteeren en verkocht daarom in 1877 al hare territoriale rechten aan twee kooplieden in Hongkong, de heeren Alfred Dent en Baron van Overbeck. Zij stichtten de „ British North Borneo Company", welke maatschappij 1 November 1881 een Koninklijk Charter verkreeg. In 1881 werd door Engeland een protectoraat over dat gebied afgekondigd. De voornaamste bepalingen ten opzichte der maatschappij luidden: I°. De maatschappij moet Britsch blijven in karakter en domicilie; alle directeuren, zoowel als de hoofdvertegen woordiger der maatschappij in Borneo, moeten Britsch onderdaan zijn. 2°. De maatschappij is niet bevoegd eenige harer rechten over te doen aan anderen zonder uitdrukkelijke toestem ming van het Britsche Gouvernement. 3°. Buitenlandsche betrekkingen moeten geleid worden door het Britsche Gouvernement of volgens Hare aanwijzingen. 4°. Aan alle personen, in het grondgebied der maatschappij wonende, zal volkomen vrijheid van godsdienst worden gewaarborgd. s°. Indien de Britsche Minister van Buitenlandsche Zaken met de maatschappij van gevoelen verschilt over zaken met betrekking tot de inheemsche bevolking van Borneo en bezwaren maakt, is de maatschappij verplicht zijn aanwijzingen ten deze op te volgen. 6°. Er zullen geene handelsmonopolies worden ingesteld. 7°. De benoeming van den Gouverneur van Britsch Noord- Borneo is onderworpen aan de goedkeuring van het Britsche Gouvernement. 1) Zie Alleyne Ireland: -The far Eastern Tropics", blz. 37—60. 73 Binnen de hierboven genoemde grenzen bleef de maatschappij volkomen souverein. De toekomst van het land hangt af van de Chineezen. Heeft de „ British North Borneo Company" de toegestane vrijheid van handelen goed gebruikt? Neen, zegt Ireland (blz. 58), en, als een bewijs van het met weinig doorzicht handelen der Directeuren, haalt hij aan (blz. 51) het uitgevaardigde invoer recht van rijst, waardoor de Chineezen zich gekrenkt gevoelen en afgeschrikt worden te komen immigreeren, terwijl toch de toekomst van het land er geheel van afhangt, of het Gouverne ment er in slaagt eene groote Chineesche bevolking in het leven te roepen. In de tachtiger jaren heeft men getracht eene Chineesche immigratie van uit Hongkong en de kusthavens van China in het leven te roepen en er zijn ook wel een paar duizend koelies het land binnen gekomen, maar door de slechte be handeling keerden velen terug. Daarbij kwam nog dat velen geen werk konden vinden, en de maatschappij verzuimde de overtollige koelies aan openbare werken te werk te stellen, zoodat de koelies teleurgesteld naar China terugkeerden. Britsch Noord Borneo kreeg een slechten naam bij de Chineesche immi granten en dit had voor het land ongelukkige gevolgen, want toen de maatschappij daarna groote wegen en andere openbare w erken wilde aanleggen, ging dit met groote moeiten gepaard, daar er geen koelies te krijgen waren. Te onbegrijpelijker is de houding der maatschappij ten opzichte der immigratie, aange zien het toch wel bekend is, dat een toevoer van Chineezen zeer gunstig werkt op de opbrengst van de opium- en de speel- Pacht, en in Britsch Noord Borneo deze twee middelen het één derde van de totale inkomsten uitmaken. Het gebrek aan werk krachten is ook oorzaak, dat vele ondernemende particulieren het land den rug toekeeren. Beperkende bepalingen voor de Chineezen. Sir Spencer St. John deelt omtrent de Chineezen in het ge bied van de „British North Borneo Company", het volgende mede: 1 ) »Ook in Britsch-Borneo bestaan er voor het verkeer der 1) Zie Sir Spencer St. John, blz. 247. 74 Chineezen in de binnenlanden beperkende bepalingen. Het heet dan dat de Chineesche handelaren de bevolking zullen afzetten, maar feitelijk zijn die belemmeringen, evenals in Serawak, het gevolg van de adviezen der inlandsche hoofden, die er op uit zijn zelf den handel te monopoliseeren, en daarom den Engel schen ambtenaren aanraden den Chineezen niet toe te staan de binnenlanden in te gaan." De schrijver zou ieder geheel vrij laten in zijne bewegingen, en dit zou niet alleen het aantal handelaren doen toenemen, maar ook de uitvoer zou belangrijk vermeerderen. De Compagnie zal voor vermeerdering van bevolking in haar gebied afhangen van de Chineezen, en wellicht ook van de Japanners. Deze lieden zijn bekend als harde werkers en de vele millioenen in China en Japan kunnen overvloed van koelies leveren. Het zou echter gevaarlijk zijn alleen te willen steunen op deze hardwerkende, maar woelzieke lieden, en daarom zou invoer van Javaansche en Britsch-Indische koelies naar het oor deel van den schrijver, zeer gewenscht zijn J ). Statistische gegevens. Ten slotte eenige statistische gegevens, ontleend aan de Colo nial Office List for 1908 (blz. 400): De oppervlakte van het gebied der British North Borneo Company bedraagt 31,000 vierkante Engelsche mijlen (ongeveer zoo groot als Schotland) met eene bevolking van 120,000 zielen, waaronder 200 Europeanen en 16,000 Chineezen. De inkomsten waren: De uitgaven waren: in 1896 $ 407,207 j met inbegrip van j in 1896 $ 313,807 in 1905 $ 959,540 I Laboean jin 1905 $ 535,965 in 1906 $ 896,186 zonder Laboean in 1906 $ 497,745 C. De Chineezen in Broenei. 2 ) Broenei ligt tusschen Britsch Noord-Borneo en Serawak. Vroeger een machtige staat, gezagvoerende over een groot deel van Noord-Borneo en van de Philippijnen, is dit rijk thans ingekrompen tot een staatje van 4000 vierkante Engelsche mijlen 1) Zie Sir Spencer St. John, blz. 257. 2) Zie The Colonial Office List 1908, blz. 349. 75 De ontdek king vangoud lokt vele Chi neezen. met eene bevolking van 30,000 zielen. In 1888 sloot Engeland met den Sultan eene overeenkomst, waarbij bepaald werd dat de buitenlandsche betrekkingen door Engeland zouden worden gevoerd. In 1905 werd nader overeengekomen, dat een Britsch resident den Sultan zou adviseeren en bijstaan in zake het be stuur van zijn land. Zooals vermeld wordt in hoofdstuk V „De Chineezen in de Westerafdeeling van Borneo" dankte Broenei veel van zijn vroegeren bloei aan den handel met China. Ook thans is de handel in hoofdzaak in handen van de Chineezen. De handel wordt gedreven via Laboean. D. De Chineezen in Laboean. *) Het eiland Laboean, nabij Broenei gelegen, werd in 1846 door den Sultan van Broenei aan Engeland afgestaan en is sedert een kolenstation geworden. Verschillende maatschappijen volgden elkander op in de ontginning der kolenmijnen. Sinds 1902 geschiedt de exploitatie door de „Labuan Coalfields Com pany Limited". Van 1889 tot 1905 was de Gouverneur van Britsch Noord Borneo tevens Gouverneur van Laboean. In 1906 werd de Gou verneur van de Straits-Settlements tegelijk belast met de func tién van Gouverneur van Laboean. Sedert 1 Januari 1907 be hoort Laboean administratief ook tot de Straits-Settlements. Volgens de telling van 1901 bedroeg de bevolking 8,411 zielen Waarvan 51 Europeanen en 1,615 Chineezen. Be Chineezen hebben den geheelen tweedehandshandel in handen. E. De Chineezen in Serawak. In 1832 waren er in het tegenwoordige Serawak (toenmaals een onderdeel van het Sultanaat Broenei) nog slechts een 30-tal Chineezen gevestigd 2 ). Toen kort daarop goud en antimonium ontdekt werd, stroomde er een massa Chineezen heen van de kongsi Santikioe uit Sambas, volgens Brooke 3000, maar dat cijfer lijkt zeer overdreven. De Broeneische regeering, begeerig uit beide vondsten munt te slaan, zond een harer leden, pangeran 1) Zie The Colonial Office List 1908, blz. 348. 2) Zie E. de Waal, dl. IX-X, blz. 22. 76 Brooke ver wacht veel van de Chi neezen. Indra Makota, met een talrijke bende Broeneiers naar Serawak, om het recht van den souverein op alle delfstoffen des rijks en op den arbeid zijner onderhoorigen te doen gelden l ). De er reeds gevestigde Maleische hoofden weken uit naar Siniawan, aan den rechterarm der Serawakrivier, versterkten zich daar, en sleepten de Dajaks van den omtrek mede. Hun volk ver moordde eenige Chineezen, wat eene zoo gewenschte immigratie dier lieden dreigde te zullen afschrikken. Makota riep de hulp in van zijn vriend sjarief Sahib, wonende aan de Sadong rivier, en van de kongsi der Chineezen. De Chineezen verloren in de volgende gevechten 300 a 500 dooden en vloden naar Sambas terug. Een onderwerping der Maleische hoofden werd niet bereikt 2 ). Op den ll d<m Augustus 1839 verscheen James Brooke voorde eerste maal in Serawak, waar hij eenige maanden bleef en vele connecties aanknoopte 8 ). Op den 29 Bten Augustus 1840 verscheen hij voor de tweede maal in Serawak 4 ). Pangeran Hassim, oom van den Sultan van Broenei, die er het gezag voerde, ontving hem met open armen. Het verzet der Maleische datoes te Siniawan duurde nog steeds voort. Met behulp van Brooke werden de vijanden ver slagen en op de vlucht gedreven. Daar de Chineezen goede hulp hadden verleend, kregen zij van Hassim vergunning tegen betaling van één reaal per man 'sjaars, goud en antimonium te graven aan den rechterarm der Serawakrivier, doch met verplichte levering aan hem wat het antimonium betrof 5 ). James Brooke vatte het plan op voor goed te Serawak te blijven. Financieel verwachtte hij daarbij veel van de Chi neezen , die hem dringend verzocht hadden zich als hun heer te Serawak te vestigen 6 ). Door zijn grooten persoonlijken invloed, geholpen door bijzondere omstandigheden, o. a. een bezoek van een Engelsch oorlogschip te Serawak, slaagde hij er in, om 1) Zie E. de Waal, dl. IX-X, blz. 39-40. 2) id. , blz. 42. 3) id. , blz. 52. 4) id. , blz. 57. 5) id. , blz. 64. 6) id. , blz. 66. 77 Hassim te bewegen den 24 Bten September 1841 een akte te doen teekenen, waarbij hij het gansche gezag in het district Serawak aan Brooke opdroeg, als leenman van den Sultan van Broenei x ). Brooke volhardde bij zijn grootsche verwachtingen omtrent de immigratie van Chineezen, zoodra er een behoorlijk bestuur zijn zou. 2 ). Zij zouden dan in zoon groot aantal komen, dat zelfs een betaling van slechts ƒ 2 per hoofd 'sjaarsde bestuurskosten en moeite ruim zou vergoeden. Gaarne dan ook bewilligde hij in het verzoek der kongsi Sinboh uit Sambas, vroeger onder Taikong, om zich met 3000 man te Serawak te vestigen. Aan de Sinbohkers werd de linkerarm der rivier tot werkveld aan gewezen: getal onbekend. Santikioe protesteerde zeer luidruchtig tegen die toelating van mededingers, maar onderwierp zich, toen Brooke, met eene gewapende macht, den oproerigen aan zeide, dat zij eene nieuwe akte moesten teekenen of het land verlaten. De Kongsi-Sinboh leidde een kwijnend bestaan en verdween. 3 ) Immigratie van Chineezen bevorderd. Brooke als bestuurder. Zeer veel last had Brooke van Soeloesche zeeroovers. De Engelsche marine hielp hem krachtdadig om hen te bestrijden. Voor marine station werd het eiland Laboean uitgekozen, dat vervolgens bij tractaat van 27 Mei 1847 door Broenei aan Engeland werd afgestaan. Brooke had hiertoe veel bijgedragen. Hij was in Maart 1847 aangesteld als H. M. Commissioner and Consul General in Borneo met eene jaarwedde van £ 500. 4 ) In November 1848 werd hij benoemd tot Governor and Com mander in chief of Laboean and its dependencies, op eene jaar wedde van £ 2000 met den titel van Excellency. Voor Laboean Werd een Lieutenant-G o vernor bestemd. Kort daarop werd hem zijn neef (zusterskind) John Brooke Johnson, sedert hernaamd Brooke Brooke toegevoegd; deze nam weldra zijn ontslag als kapitein bij het Britsche leger en vestigde zich als aangewezen troonsopvolger te Sera wak, waar hij in de wandeling genoemd Werd de Captain. 5 ) In 1852 kwam te Sera wak de jongere broeder van John Brooke 1) Zie E. de Waal, dl. IX-X, blz. 71. 2) id. , blz. 85. 3) id. , blz. 227. 4 ) id. , blz. 154. 5 ) id. , blz. 159. 78 Johnson, Charles, die later radja zou worden. In 1863 veranderde hij zijn geslachtsnaam in Brooke. l ) Onderwijl was het aantal Chineezen, dat in 1848 op omstreeks 600 zielen werd geschat, in 1850 door instrooming van vele uitgewekenen van Sambas, gestegen tot 4 a 5000 zielen. Brooke's ambtenaren (hij zelf was afwezig) ontvingen hen als welkome belastbare gasten; meer dan 1000 tegelijk werden op staatskosten onderhouden. Maar de Dajaks, reeds door de aanwezige Chineezen gehinderd in de beschikking over land en water, klaagden. In October 1850 teruggekeerd, zon de radja op regelingen om de tegenstrijdige belangen te verzoenen. Het best scheen, de Chineezen zooveel mogelijk te doen wonen aan zee, en hen overigens in groepen te verspreiden over weinig bevolkte streken, waar zij konden toenemen zonder aan het vereischte bestuur te ontwassen. Tot hoever dit denkbeeld ver wezenlijkt werd, blijkt niet. 2 ) Groote toe strooming van Chinee zen in 1850. Te Bau, 3 uren van Siniawan, toen de voornaamste Chineesche vestiging, sloot hij persoonlijk met de kongsi eene overeenkomst, ongeveer van dezen inhoud. Hij zou een Euro peeschen en zij een Chineeschen kapitan benoemen om samen het oppertoezicht op de zaken en de handelingen der kongsi in de binnenlanden te voeren. De kongsi erkende onvoorwaardelijk de overheid van Siniawan; zou dus geen belasting heffen, ende tot nu toe van Chineezen gehevene aan den radja overdragen, alleen over twisten onder, en geringe overtredingen van hun eigen volk rechtspreken, alle opgevorderde misdadigers aan het bestuur uitleveren; geen gronden van Dajaks in bezit nemen, noch eenige mijn openen zonder vergunning. Daarbij verwittigde hij haar, dat hij in geen geval aan Chineezen wilde toestaan om in het binnenland gronden te pachten. Den 20 eteil November was de benoeming der kapitans geschied, en werd het contract geteekend. Contract met de Chi neezen. In December 1850, naar aanleiding van bewegingen der Chi neesche genootschappen te Singapore en elders, verbood Brooke het oprichten van of deelnemen aan zulke genootschappen in Serawak. In de volgende maand werden eenige lieden uit Singa pore, die er leden voor kwamen werven, met vrij hooge boeten, 1) Zie E. de Waal, dl. IX—X, blz. 191. 2) id. , blz. 229. 79 een paar met een dozijn rottingslagen en gevangenis, gestraft; allen onder bedreiging met den dood bij herhaling. In 1851 en 1852, toen de radja naar Engeland was, nam de weerspannigheid der kongsi jegens de Serawaksche ambtenaren toe, terwijl zij al meer oorlogsbehoeften kocht; naar het heette tot zelfverdediging tegen vijandige Dajaks. In November 1852 werd een opgevorderd misdadiger eerst uitgeleverd nadat Brookes vertegenwoordiger met een indruk wekkende Maleische macht en eenige Europeanen naar het binnen land was gerukt. Thans werd aan de Chineezen tot straf het bouwen eener sterkte te Berlida opgelegd, die tegen hen zou kunnen dienen. Daarna benadeelde de kongsi de staatskas aan merkelijk door een voorspoedigen sluikhandel in opium uit Singapore over de Nederlandsche Natoena-eilanden. In 1856 eindelijk betrapt, kwam zij er af met eene boete van £ 150. De Chineezen worden over moedig. Inmiddels waren de geheime genootschappen weder bijzonder Werkzaam. Boden uit hun hoofdkwartieren te Singapore en Malacca kwamen de Chineezen in Serawak tegen de Europeanen ophitsen, o. a. vertellende van nederlagen der Engelschen in China, hooge prijzen aldaar op eiken geleverden Engelschman gesteld, en Brookes volstrekte ongenade bij de Britsche regeering. Brooke werd gewaarschuwd door zijne ambtenaren, dat de houding der mijnwerkers onrustbarend was en die lieden een aanval op de hoofdplaats Koetjing beraamden, doch Brooke hechtte aan die waarschuwingen geen waarde. Den 18 den Februari 1857 voeren 600 gewapende Chineezen uit Bau de rivier af. Tegen middernacht bevonden de muitelingen zich te Koetjing, waar alles in diepe rust was. De opstandelingen vermoordden twee Europeesche ambtenaren en twee kinderen; de overige Europeesche ambtenaren en hun vrouwen ontkwamen, ee n paar zwaar gewond. Aan de niet besturende Europeanen: een geestelijke, een koopman en een agent der Borneo Company werd beduid, dat zij niets te vreezen hadden. Voorts verbrandden zij de woningen van radja Brooke, die gewond nog had weten te ontkomen, en die van zijn twee eerste Europeesche onder geschikten, plunderden deze en andere huizen, de kerk en het tuighuis, waar zij goed geschut en 200 uitmuntende geweren vonden. Den I9 den ontboden de aanvoerders de 3 Europeanen die geen Chineesche opstand van 1857. 8 nagenoeg op de helft. De regeering der Vereenigde Staten maakt evenwel geen statistische gegevens openbaar nopens het aantal der uit de Unie naar hun vaderland terngkeerende landverhuizers. Niettemin meent de regeerings commissaris voor het landverhuizersverkeer te mogen aannemen, dat er zich tijdens het afgeloopen dienstjaar per saldo niet meer dan 100,000 personen nit den vreemde in de Vereenigde Staten zijn komen vestigen. Uit de mededee lingen , door de Transatlantische Stoomvaart-conferentie verstrekt, is intusschen gebleken, dat alleen in de eerste helft van het loopende jaar niet minder dan 390,476 personen in tnsschendeksvervoer naar Europa zijn vertrokken. De agenten der stoomvaartmaatschappijen te New-York, hebben zelfs becijferd, dat in het geheele dienstjaar 1907/'OB het aantal personen die nit de Ver eenigde Staten naar hun vaderland zijn teruggekeerd, het getal dergenen, die zich in Amerika zijn komen vestigen, nog heeft overtroffen. Daarbij wordt er op gewezen, dat dadelijk na het uitbreken van de crisis in October 1907, een reusachtige uittocht van landverhuizers naar Europa plaats greep en dat in November en December nagenoeg alle uit New-York vertrekkende stoom schepen met tusschendekspassagiers overvuld waren. In die beide laatste maanden van het kalenderjaar daalde het aantal in Amerika aankomende landverhuizers tot 175,492, terwijl van 1 November 1907 tot 1 Juli 1908 in het geheel slechts 369,331 tusschendekspassagiers in de Amerikaansche havens zijn aangekomen. Het aantal naar hun vaderland terugkeerende personen was in November en December j.l. 296,222. Voegt men daarbij het aantal dergenen, die in het eerste halfjaar van 1908 naar hun land teruggingen, dan krijgt men een cijfer van 686,698. Sedert het uitbreken van de crisis is dus het aantal personen, die uit de Unie naar hun land terugkeerden, nage noeg tweemaal zoo groot geweest als het getal dergenen, die zich in de Unie kwamen vestigen. Wat dat beteekent. blijkt b.v. uit een vergelijking met het kalenderjaar 1906, toen 1,231,146 landverhuizers in de Vereenigde Staten aankwamen en daartegenover slechts 341,368 personen naar hun vaderland terugkeerden. Uit den geweldigen terugtocht van landverhuizers, welke in den laatsten tijd heeft plaats gegrepen, blijkt wel, dat er in den aard van het landver huizersverkeer een verandering is gekomen. Het overgroote gedeelte der landverhuizers naar Amerika bestaat niet meer uit personen, die zich in de Nieuwe Wereld gaan vestigen om daar in het Verre Westen in het landbouw bedrijf een toekomst te vinden, maar het zijn thans meer de werklieden in verschillende takken van nijverheid, die, aangelokt in tijden van bloeiende industrie, wanneer er arbeid tegen goed loon te vinden is, naar de Vereenigde Staten trekken om evenwel, zoodra hun diensten niet meer van noode zijn, naar hun land terug te keeren. De N.-V. Handels-Ztg., die deze opmerking maakt, is van oordeel, dat de Amerikanen die een beperking van deze soort van landverhuizing verlangen, zich daarmede zelf in de vingers zouden snijden, wijl toch de vreemde arbeider alleen maar komt, wanneer men hem in de Vereenigde Staten gebruiken kan, terwijl hij dadelijk weer zijn biezen pakt, wanneer zijn diensten overbodig zijn geworden. Een druk op de arbeidsmarkt oefent hij derhalve niet uit, meent het blad, wel echter biedt hij groote hulp in tijden van gebrek aan arbeidskrachten. En een land, dat een dergelijke goede bron van arbeidskrachten ging dichtstoppen zou dan ook dwaas handelen. 80 Serawak als onafhankelij ke staat erkend. ambtenaren waren en een der datoes in het gouvernementshuis, dwongen hen om op Chineesche wijze trouw aan de kongsi te zweren, en stelden hen aan als haar beambten over de vreemde lingen en inlanders te Koetjing: de binnenlanden zou de kongsi rechtstreeks besturen. Daarna trokken zij derwaarts. Later echter, vernemende dat de Maleiers te Koetjing tegen weer be raamden , keerden zij in grooter getal terug en verbrandden de Maleische wijk. Middelerwijl had Brooke eenige mannen om zich verzameld. Maar onder de inlanders ter hoofdplaats heerschte een zoo alge meene paniek, dat hij de herwinning van het gezag voorshands niet mogelijk achtte. Hij nam dus nadere voorzorgen. Den 23 Bton verscheen onverwachts goede hulp, een stoomer van de Borneo Company kwam aan. Met dezen als basis regelde de radja terstond zijne krijgsverrichtingen. Door een aantal Maleiers niet alleen, maar ook door honderden Dajaks besprongen en nagezet, vluchtten weldra de opstandelingen en andere Chineezen, ten getale van ruim 3500, al strijdende naar de grens van Sambas; maar slechts 2000, waaronder 1000 vrouwen en kinderen, bereikten die; 1500 mannen verloren het leven. ] ) Hoe onontbeerlijk de Chineezen waren bleek wel hieruit, dat van de in 1857 gevluchtte Chineezen allengs velen met verlof terugkeerden, terwijl te midden der krijgsbedrijven eenige hon derden andere Chineezen uit het Nederlandsch gebied aankwamen. Toch werd de Chineesche bevolking van Serawak in 1862 op niet boven de 3000 zielen geschat en was er nog gebrek aan werkvolk. 2 ) In 1863 erkende de Britsche regeering Serawak als onafhanke lijken staat. 3 ) James Brooke verliet in September 1863 voor goed Serawak, en stierf in 1868 in Engeland. Hij werd opgevolgd door zijn neef Charles, die in werkelijkheid al het land te voren als radja had bestuurd. Captain Brooke, die te voren tegen zijn oom was opgestaan, was reeds in 1863 als radja moeda afgezet en van alle rechten beroofd. Zijn gevolgde verzoening met James Brooke veranderde aan die zaak niets. 4 ) 1) Zie E. de Waal, blz. 229—233 2) id. , blz. 290. 3) id. , blz. 264. 4) id. , blz. 266. 81 J ) In 1888 werd door de Engelsche regeering met den radja van Serawak eene overeenkomst gesloten, waarbij Engeland een protectoraat over Serawak vestigde. De Engelsche regeering verbond zich zich niet te bemoeien met de binnenlandsche aan gelegenheden , doch kreeg eene beslissende stem in kwesties, die mochten ontstaan over de erfopvolging. Engeland controleert thans volgens die overeenkomst de buitenlandsche betrekkingen, en heeft het recht om overal in het rijk consulaire ambtenaren te plaatsen. Britsche onderdanen moeten als onderdanen van de meest begun stigde natie worden behandeld en geen gebied van het rijk mag worden vervreemd zonder toestemming van de Engelsche regeering. Overeenkomst met Engeland. Serawak is 40,000 vierkante Engelsche mijlen groot, met eene bevolking van 4; 150,000 zielen. Er bevinden zich thans eenige duizenden Chineezen, waarvan een groot deel in de goud mijnen werkt. De handel wordt hoofdzakelijk met Singapore gedreven en is voor het belangrijkste deel in handen van Chineezen. De inkomsten en uitgaven waren in 1896 respectievelijk 493,760 en 444,2u0 dollars en bedroegen in 1905 respectievelijk 1,353,477 en 1,240,523 dollars. De Chineezen dragen het meeste tot de inkomsten bij. Aan opium-, speel-, arak- en pandhuispacht brachten zij in 1905 op 404,200 dollars, terwijl in dat jaar de Maleiers en Dajaks aan hoofdgeld opbrachten 72,808 dollars. De Chineezen onmisbaar voor de schatkist. Een belangrijk deel der inkomsten wordt ook verkregen uit de in- en uitvoerrechten, in 1905 tot een totaal bedrag van 462,429 dollars. Ook hiervan leveren de Chineezen het grootste deel. Men kan dus gerust beweren, dat de Chineezen onmisbaar zijn voor de schatkist. Geen wonder, dat de immigratie dier lieden zooveel mogelijk Wordt aangemoedigd. In de Serawak Gazette van 1 April 1901 (blz. 73) vinden we de mededeeling, dat de schoonvader van Br. Lim Boan Keng te Singapore eene overeenkomst had aan gegaan met het bestuur van Serawak om binnen 2 jaren tijds 2000 Chineesche landbouwers te importeeren. Deze lieden zouden zich occupeeren met den rijstbouw, doch zoo noodig kon het Couvernement van hunne diensten gebruik maken. Toentertijd Waren er al 600 man uit Foochow aangekomen. Immigratie aangemoe digd. 1) The Colonial Office List, 1908. 6 82 Beperkende bepalingen in zake vesti ging indebin nenlanden. Sir Spencer St. John, die als secretaris onder James Brooke gediend heeft, verklaart in zijn werk „Rajah Brooke" omtrent de Chineezen het volgende: *) „ De Chineezen zullen ongetwijfeld langzamerhand de verschil lende districten van Serawak vullen, maar er zal veel tijd mede gemoeid zijn. Zij schijnen over het algemeen niet veel van Borneo te houden, waarschijnlijk omdat de loonen laag zijn. In vele dorpen echter, waar het aan hen vergund is te verblijven, worden Chineesche handelaren gevonden, die den naam hebben van een minder eerlijken handel te drijven, omdat zij dikwijls valsche gewichten gebruiken, ten einde meer dan de gewone marktprijs te kunnen betalen, en daardoor concurrentie tegen hen onmogelijk te maken. Ik heb nooit kunnen begrijpen, waarom dikwijls beperkende bepalingen worden gemaakt omtrent hunne vestiging tusschen de verschillende volksstammen in de binnenlanden, behalve waar de Dajaks zelf niet op hunne tegenwoordigheid gesteld zijn. Het is waar, dat ze niet zeer eerlijk zijn, maar in mijn tijd waren de inboorlingen aan hen gewaagd; deze toch waren gewoon steenen te doen in de groote stukken gutta-percha. Zooals verwacht mag worden van de lage klasse der Chinee zen , die in Serawak immigreeren, vormen die lieden de grootere helft der gevangenisbevolking." F. De Chineezen in Hongkong. 2 ) Het eiland Hongkong, 11 Engelsche mijlen lang en 2 a 3 mijlen breed, met heuvels bedekt, die tot eene hoogte van bijna 2000 voet reiken, werd in 1841 door China aan Engeland af gestaan. Deze afstand werd bij het tractaat van Nanking in 1842 bekrachtigd. In 1861 werd het tegenoverliggende schier eiland Kow-loon aan Groot-Britannië afgestaan bij tractaat door Lord Elgin met China gesloten. Dit gebied werd bij Hongkong gevoegd. In 1898 kreeg het gebied van Hongkong eene belang rijke uitbreiding, doordat China een groot stuk land om Kow-loon gelegen (370 D E. M.) voor den tijd van 99 jaren aan Engeland verpachtte. Het daarbij gemaakte voorbehoud, dat in de stad 1) Zie Sir Spencer St. John, blz. 215. 2) Zie The Colonial Office List for 1908, blz. 219. 83 Kow-loon zelf de jurisdictie aan China bleef, verviel in het jaar 1899. Hongkong was van weinig beteekenis tot de ontdekking van goud in Australië in 1851 en de daarop plaatsgrijpende Chineesche emigratie. De opening van het Suez-kanaal en het geleidelijk openstellen van China voor den Europeeschen handel, brachten eene groote ontwikkeling voor Hongkong mede. Hongkong is eene vrijhaven met een reusachtig scheepvaart verkeer. Naast de verschillende dokken van Europeesche maat schappijen, bestaan er vele scheepstimmerwerven in handen van Chineezen. Voor het handhaven van rust en orde zorgt een corps ge wapende politiedienaren, in 1906 bestaande uit 133 Europeanen, 410 Britsch-Indiërs en 504 Chineezen. Het grootste deel der inkomsten leveren de Chineezen. Een derde van de totale inkomsten wordt verkregen uit het opium-monopolie. De inkomsten en uitgaven waren in 1898 respectievelijk 2,686,914 en 2,641,409 dollars en stegen voortdurend. In 1906 bedroegen ze respectievelijk 7,035,011 en 6,832,610 dollars. De bevolking bestond in 1906 uit 12,174 Europeanen, 306,130 Chi neezen en 8,657 personen behoorende tot leger en marine. Het bestuur wordt uitgeoefend door een Gouverneur, bijgestaan door een „ uitvoerende raad " van 6 ambtelijke en 2 niet-ambtelijke leden. Deze raad wordt evenals de „wetgevende raad" voor gezeten door den Gouverneur. De wetgevende raad bestaat uit 7 ambtelijke en 6 niet-ambtelijke leden. Van de niet-ambtelijke leden worden er 3 benoemd door de Kroon op voordracht van den Gouverneur; van die 3 zijn er gewoonlijk 2 Chineezen. Van de overige niet-ambtelijke leden wordt er een door de vrede rechters benoemd uit hun midden, en een door de Kamer van Koophandel. De niet-ambtelijke leden worden voor den tijd van 6 jaren benoemd. De stad is een depot van de voortdurend komende en gaande Chineesche immigranten en emigranten. In 1906 was hun totaal aantal 211,637 personen, hoofdzakelijk van en naar de Straits. Zie verder omtrent die emigratie en immigratie het daarover medegedeelde in Hoofdstuk I, blz. 22 en vgd. 84 G. De Chineezen in Wei-Hai-Wei. ! ) Wei-Hai-Wei werd in 1898 door Engeland van China ge pacht. Directe aanleiding hiertoe was de afstand in pacht van Port-Arthur aan Rusland na den Japansch-Chineeschen oorlog. In het verdrag met Engeland stond dat Engeland Wei-Hai-Wei zou bezetten, zoolang Port-Arthur in Russische handen bleef. Doch nu Port-Arthur in Japansche handen gekomen is, wordt van een teruggeven aan China van Wei-Hai-Wei nog weinig gemerkt. Het gebied bevat 310 dorpen met eene Chineesehe bevolking van 150,000 zielen. Het bestuur berust bij een Commissioner. Be Chineesehe dorpen zijn zooveel mogelijk gelaten in het genot van zelfbestuur. Wei-Hai-Wei is finantiëel nog een lastpost. In 1906 bedroegen de inkomsten 76,777 en de uitgaven 160,973 dollars. H. De Chineezen in Birma. 2 ) Met Birma heeft China dikwijls op gespannen voet gestaan, en herhaaldelijk oorlog gevoerd. Toch was het handelsverkeer vrij belangrijk. De Chineezen werden ook hooger geacht dan de overige vreemdelingen; zij mochten b. v. onbelemmerd het ge heele land doorreizen, hetgeen den anderen vreemdelingen ver boden was. Nadat Birma onder Engelsch bestuur kwam, ontwikkelden zich de handelsbetrekkingen van dit land met China zeer. De immigratie van Chineezen nam daardoor ook toe. Men schat het aantal der in Birma wonende Chineezen thans op 40,000, waar van 21,000 in Rangoen, 10,000 in Mandalay en de rest over het geheele land verspreid. Op commercieel gebied nemen zij thans de eerste plaats in; toch kan de bewering van Sir Lepel Griffin aan de Engelsche regeering gedaan, als zoude de toekomst van Birma aan de Chineezen toebehooren, wel wat overdreven ge acht worden. 1) Zie The Colonial Office List 1908, blz. 386. 2) Zie H. Gottwaldt, blz. 76. 85 3. De Chineezen in Azië onder Amerikaansch gezag. De Chineezen in de Philippijnen. Oude betrekkingen met China. ! ) Het is wel opmerkelijk, dat de Chineesche geschiedboeken pas op een betrekkelijk laat tijdstip voor het eerst melding maken van de Philippijnsche eilanden; immers van de aan grenzende, iets Zuidelijker gelegen landen, wordt al vrij vroeg gewag gemaakt. De Molukken b.v. worden al genoemd in de annalen van de Tang-dynastie (618 —906) en Borneo in de ge schiedboeken van de Sung-dynastie (960 —1279); we moeten toch wel aannemen dat de zeevaarders op hunne tochten daarheen Palawan of een der eilanden van de Soeloe-archipel zullen hebben gepasseerd. Hoe dit ook zij, eerst in de geschiedboeken van de Ming-dynastie wordt van de Philippijnen melding gemaakt. In het vijfde jaar van de regeering van Hungwu (1373) kwam het eerste gezantschap van de Philippijnsche eilanden met schatting in China aan. Uit het feit van dit zenden van een gezantschap valt intusschen wel af te leiden, dat er te voren reeds een vrij beduidende handel tusschen beide landen moet hebben bestaan. 2 ) In hoe ver de politieke invloed der Chineezen zich heeft uitgestrekt over de Philippijnen, daarover zijn slechts weinig gegevens voorhanden. De annalen der Ming-dynastie vermelden, dat in 1405 de Keizer Yung-lo een voornaam ambtenaar zond naar Luzon om dat land te besturen. Hoe lang die ambtenaar °P Luzon bleef en welke functies hij er uitoefende, daarvan wordt niets verteld. Wel is het resultaat van zijn zending, dat m het jaar 1406 de Inlandsche vorst zijn opwachting maakte bij den Chineeschen keizer. De Chineezen onder Spaansch bestuur. Men kan uit het boven vermelde gerust aannemen, dat reeds voor de komst van de Spanjaarden de Chineezen een druk ken handel op de Philippijnen dreven 3 ). Legazi, de eerste Spaansche gouverneur, bevorderde zooveel mogelijk dien handel, 1) Zie Lanfer, blz. 251. 2 ) id. blz. 257. 3 ) Zie Gottwaldt, blz. 69. 86 en stichtte eene zoogenaamde Chineesche wijk. De toevloed der Chineezen werd daarna zoo groot, dat men tegenmaatregelen nam. De Spanjaarden traden daarbij tegen de Chineezen zeer ruw en onoordeelkundig op. Om de gevolgen, die er aan verbonden waren, vermeld ik hier de handelingen van den Gouverneur Don Perez Gomez das Marinaz ')• Hij had een groot leger klaar staan om de Molukken te veroveren, maar had geene roeiers genoeg voor zijne galeien. Hij nam derhalve een 250-tal Chi neezen uit het Chineesche kamp gevangen, en ketende hen vast aan de roeibanken. De meeste gevangenen waren vreedzame handelaren en handwerkslieden. Bovendien dwong hij een aantal Chineezen, die pas met jonken uit China waren aangekomen, als soldaten tot zijn leger toe te treden. Onderweg werden verscheidenen met de zweep doodgeranseld en ten slotte werd de Gouverneur door de in wanhoop gebrachte gevangenen in den nacht van 25—26 October 1593 gedood. Bovenstaande gebeurtenis maakte diepen indruk op de Chi neezen en nam hen zeer tegen de vreemde Westerlingen in. De voortdurende harde behandeling der Chineezen door de Span jaarden (zie hieronder) was voor de Chineesche regeering een voorbeeld, hoe men vreemdelingen behandelen moet. Dit wordt uitdrukkelijk geconstateerd door een Engelschen schrijver, die vijf en zeventig jaar geleden schreef (Chinese Repository, 1834, vol. 11 , p. 350): „ Dat de Chineesche autoriteiten niet geheel onbekend zfjn met den toestand hunner landslieden te Manilla leiden we af uit het wel geconstateerde feit, dat de behandeling welke zij steeds getracht hebben toe te passen op de vreemde lingen hier (in China) afgezien is van het Spaansche Gouverne ment. Een voorname Chinees met name Phan-keh-koa 2 ), zag hoe de Spanjaarden de Chineezen zeer hard behandelden om hen in onderwerping te houden, en na zijn terugkeer te Canton, ge bruikte hij zijn grooten invloed om op de vreemdelingen in China dezelfde behandeling te doen toepassen, welke de Spanjaarden toepasten op de Chineezen." 2 ) In 1603 werden brj eenen volksoploop meer dan 25000 Chineezen doodgeslagen. In 1605 werd bij de wet vastgesteld, dat het hoogste aantal der Chineezen in de kolonie 6000 zou 1) Zie Laufer, blz. 265. 2) Zie Gottwaldt, blz. 69. 87 zijn; hieraan werd niet de hand gehouden en in 1639 werden er bij eene nieuwe uitbarsting der volkswoede weder eene kleine 30000 Chineezen omgebracht. Dergelijke moorden op groote schaal herhaalden zich in 1662, 1709 en 1820. *) In 1747 kwam er een koninklijk bevel uit Madrid om alle Chineezen uit Luzon te verbannen, doch dit bevel werd niet uitgevoerd. Toen in 1762 de Engelschen Manilla veroverden en de overgave van de Philippijnen eischten, sloten de Chineezen zich dadelijk bij hen aan. De Gouverneur, Senor Anda, gaf toen bevel om alle Chineezen op het eiland op te hangen. Dit bevel werd nauwkeurig uitgevoerd. Toen de Engelschen brj de vrede Manilla weer aan de Spanjaarden teruggaven, verlieten vele Chineezen, die intusschen in Manilla waren gekomen, de stad. Niettegenstaande de bevelen uit Madrid om geen Chineezen meer te Manilla toe te laten, waren er binnen een paar jaren weer velen daar gevestigd. De geheele Spaansche kolonie op de Philippijnen leefde tot aan de 19 de eeuw van den Chineeschen handel. Veracht, gehaat en gevreesd, waren de Chineezen toch onontbeerlijk voor de eilanden, en zij waren er uit een economisch oogpunt de meesters. 2 ) In 1886, toen eene handelscrisis de kolonie teisterde, werd er weder ernstig aan gedacht de Chineezen de kolonie uit te zetten, maar de regeering trad voor hen op, daar bij de luiheid der ingeborenen en de geringe ondernemingsgeest der Europeanen, zij als kooplieden onontbeerlijk waren. Meermalen hebben de Chineezen van hun kant getracht de Spanjaarden te verdrijven, maar steeds te vergeefs. 3 ) Volgens de volkstelling van 1876 waren er 31000 Chineezen op de Philippijnen; in 1888 waren er 51000 en in 1897 55000. Deze ambtelijke telling moet ver beneden de werkelijkheid zijn. J- Foreman (in zijn werk: The Philippine Islands, blz. 118) schatte het aantal op 100.000. Talrijk zijn de wetten geweest die de Chineezen-immigratie °P de Philippijnen hebben geregeld. De voornaamste zijn die van 1679, 1776, 1804 en 1851. De eene regeling verwierp de andere; bij afwisseling werd de immigratie begunstigd en tegengegaan. Tot 1804 mochten de Chineezen zich niet buiten Manilla vestigen. 1) Zie Laufer, blz. 273. 2) Zie A. Zimmennann, blz. 484. 3) Zie Gottwaldt, blz. 70. 88 Hoofdzakelijk waren de Chineezen dan ook handelaars en hand werkslieden. Later trachtte men van hen landbouwers en mijn werkers te maken; in 1851 stelde men de landbouwers en mijn werkers met de inheemsche bevolking gelijk, en behoefden zij ook niet meer dan deze belasting te betalen. Dit alles had geen resultaat daar de Chineezen de vijandige gezindheid der be volking vreesden en liever dicht aaneengesloten in de steden woonden, waar zij zich beter tegen onverwachte aanvallen konden verdedigen. Sedert 1828 bestaat er eene bijzondere belasting voor de Chineesche kooplieden, welke in 1852 verder is uitgebreid. Sedert 1867 moeten de handelsboeken door hen in de Spaansche taal worden gehouden ')• Door omkooperijen der ambtenaren wordt deze bepaling evenals verscheidene andere ontgaan. De Chineezen vormen eigen gilden, hebben eigen rechtbanken voor kleine zaken, en er is zelfs reeds onder het Spaansche bestuur sprake van geweest voor hen uit China eigen consuls te ont bieden. Thans is er een te Manilla. De Chineezen worden in de Philippijnen zwaar belast. Sedert 1885 hebben zij bij aankomst een hoofdgeld te betalen van 10 dollars, later verhoogd tot 20 dollars; hun „Cedula Personal" kost 9.40 dollars per jaar, afkoop van heerendiensten aan de wegen kost hun 3 dollars per jaar en het toltarief is zóó in gericht, dat de'goederen, die alleen bij Chineezen aftrek vinden, zwaar belast zijn. In 1897 werd door de Chineezen aan directe en indirecte belastingen meer dan IV2 millioen dollars opgebracht. De Chineezen onder Amerikaansch bestuur. Toen Amerika in het bezit van de Philippijnen kwam, werd de immigratie der Chineezen eerst binnen bepaalde grenzen ge bracht en daarna geheel verboden. Het aantal Chineezen zal dus gaandeweg wel verminderen. Amerika wil trachten de Philippijnen tot ontwikkeling te brengen door de inheemsche bevolking tot meerdere activiteit aan te sporen. Wanneer het Amerikaansche kapitaal zich meer voor de Philippijnen gaat interesseeren en de vraag naar arbeiders grooter wordt, staat het te bezien of de eischen der practijk niet zullen noodzaken de immigratie van Chineezen weer toe te staan. 1) Zie John Foreman: „The Philippine Islands", blz. 117. 89 ') Ook moet men bedenken, dat de Amerikaansche occupatie van de Philippijnen een snelle prijsstijging van alle artikelen met zich medebracht, niet uit noodzaak of tengevolge van de wet van vraag en aanbod, doch alleen omdat de Amerikanen er behagen in schepten de vastgestelde prijzen te verhoogen. De arbeidsloonen, de prijzen der levensmiddelen en de huren der huizen stegen enorm. Het leven in de kolonie kost thans driemaal duurder dan in den Spaanschen tijd. Generaal Leonard Wood rap porteerde, dat de groote stijging hoofdzakelijk het gevolg was van de onzinnig hooge loonen door de leger-autoriteiten betaald. Daarbij kwam nog dat in Februari 1902 de Philippino's een n Labour Union " stichtten om de loonen op hoogen peil te houden, doch aangezien de leiders van deze vereeniging zich aan onwet tige handelingen schuldig maakten, werden zij gearresteerd en de „ Labour Union" ging te niet. Er waren ongeveer 100,000 leden, die, als zij hunnen gang hadden kunnen gaan, weldra een macht in den staat zouden hebben gevormd. Het arbeidersvraagstuk is nog een moeilijk probleem, want het is de gewoonte van den Philippino om met werken uit te scheiden als hij geld op zak heeft. De meerderheid der particu liere ondernemers zou ongetwijfeld gaarne de Chineesche koelies weder het land zien binnenkomen, wat door het Gouvernement verboden is, zeer tot genoegen van den Philippino, die wel weet, dat de vlijtige Chinees de loonen zal omlaag doen gaan en den Philippino tot werkzaamheid zal dwingen, wil hij blijven bestaan. De consul-generaal Wildman te Hongkong rapporteerde in 1900 aan het „State Departement" te Washington, dat in het afgeloopen jaar kapitaal uit Hongkong te Manilla was belegd, maar dat het de algemeene opinie was, dat voor mijnindustrie en voor landbouw geene groote kapitalen zich zouden beschikbaar stellen, zoolang de invoer van Chineesche arbeidskrachten niet alleen werd toegelaten, doch ook aangemoedigd. Bepalingen van de „Chinese Exclusion Act" van 1902. Art. 4 van de „Chinese Exclusion Act" van 1902 bepaalt, dat elke Chineesche arbeider, die tijdens de tot standkoming van 1) Zie John Foreman: „The Philippine Islands", blz. 631—635. 9 Een door de Atlantische scheepvaartconferentie gepubliceerde statistiek geeft e en belangwekkend overzicht van het landverhuizersverkeer naar en uit Amerika sedert 1895, het jaar, toen de gevolgen van de paniek van 1893 n °g duidelijk merkbaar waren: Naar Amerika vertrokken: Aantal reizen. l e klas. 2 e klas. Tusschendeks. 1895 65,101 49,760 329,246 1896 61,020 56,490 314,426 1897 54,050 53,615 240,285 1898 46,705 53,675 274,308 1899 1,206 63,906 64,298 388,911 1900 1,200 77,050 86,321 507,755 1901 1,277 73,882 82,430 549,526 1902 1,338 77,018 97,215 763,730 1903 1,480 80,415 130,906 894,926 1904 1,406 80,450 126,763 767,880 1905 1,417 90,619 149,866 1,010,345 1906 1,653 98,518 191,178 1,231,146 1907 1,759 110,118 220,311 1,387,307 Uit Amerika vertrokken: 1895 62,688 39,533 154,071 1896 61,145 56,092 127,760 1897 54,057 42,982 129,482 1898 46,037 38,992 124,516 1899 1,111 66,164 48,607 118,212 1900 1,087 74,328 64,056 156,320 1901 1,206 70,338 54,155 142,677 1902 1,207 74,371 58,836 178,662 1903 1,378 76,623 66,395 154,220 1904 1,369 80,021 70,891 374,263 1905 1,410 88,367 76,996 246,480 1906 1,460 93,083 90,074 341,368 1907 1,575 101,709 109,951 580,914 De beambten van den landvorhuizersdienst verwachten in het loopende Jaar geen noemenswaardige vermeerdering van het aantal aankomende land verhuizers. Zij zijn er intusschen op uit om in dezen stillen tijd de faciliteiten v an het Ellis-eiland te verhoogen, ten einde, zoodra de nijverheid in de Ver enigde Staten weder meerdere levendigheid toont en een nieuwe stroom van landverhuizers naar de Unie trekt, beter toegerust te zijn dan voorheen. Waar de gewone immigratie-wetten niet voldoende waren om °ngewenschte elementen uit te sluiten, heeft men voor hen speciale wetten gemaakt. Voorop staat het beginsel, dat elk land gerechtigd is om de immigratie te regelen zooals het zelf 90 die Act op wettige wijze zijn verblijf had gevestigd op een der eilanden, behoorende tot het territoir van de Vereenigde Staten (llawai uitgezonderd), binnen een jaar tijds een vergunning tot verblijf zou verkrijgen en in geval hij dan niet in het bezit zou zijn van zoon vergunningsbewijs, zou worden uitgezet. Aan de Philippijnsche Commissie werd opgedragen de noodige regelingen te maken om die bepaling voor de Philippijnen toe te passen. Als uitvloeisel van bovengenoemde Act vaardigde het bestuur der Philippijnen de verordening van 27 Maart 1903 uit. De voor naamste bepalingen hiervan zijn: De Chineezen mogen de eilanden verlaten en daar terugkeeren, zoo zulks geschiedt binnen den termijn van een jaar. Zij moeten bij vertrek voorzien zijn van een pas, en gefotografeerd worden. Bij terugkeer op de Philippijnen moeten zij voorzien zijn van een pas van vertrek uit de inscheephaven (gewoonlijk China) met bestemming naar de Philippijnen. Gedurende het jaar ein digende 30 Juni 1902 kwamen 10,158 Chineezen te Manilla aan en vertrokken er 11,432 met terugkeerpassen. De Chineezen, die op de eilanden verblijf houden, moeten geregistreerd worden. Gedurende langen tijd heeft men op groote schaal smokkel handel gedreven in Chineezen, waarin te Manilla ambtenaren der in- en uitvoerrechten en in China hoogelandsdienaren aldaar betrokken waren. Ten slotte werd de smokkelhandel ontdekt en er een einde aan gemaakt. De bepalingen van de Exclusion Act worden zoo streng ge handhaafd, dat het den testament-executeur van een rijken Chineeschen koopman, die op de Philippijnen stierf, niet werd toegestaan slechts tijdelijk aldaar te verblijven om de zaken van den overledene af te wikkelen. Groote invloed van den Chineeschen consul op zijne landslieden. De sociale positie der Chineezen, die op de Philippijnen mogen verblijven, is na de inbezitneming door de Amerikanen geheel anders geworden dan voorheen. Toen was er nog geen Chineesche consul zooals er thans een te Manilla gevestigd is. Diens verhouding tot de Chineezen is eene geheel andere dan die der Europeesche consuls tot hunne landslieden. Zijne wenken en raadgevingen 91 worden stipt opgevolgd, de verhouding is ongeveer als die van een' vader tot zijne kinderen. Hij heeft zijne landslieden duidelijk gemaakt, dat de Chineezen thans eene hoogere positie in het maatschappelijke leven innemen dan vroeger onder het Spaansche regime was toegestaan. Zij bewegen zich nu vrijelijk onder de blanke bevolking en zitten in de schouwburgen tusschen haar in, wat zij onder de Spaansche regeering niet zouden hebben gedurfd. Nadeelige gevolgen van de uitsluiting der Chineezen. Ook andere schrijvers betreuren de strenge uitsluiting der Chineezen. De geheele toekomst der eilanden, zegt Ireland *), ligt in de oplossing van het arbeidersvraagstuk; en het vooruitzicht is niet bemoedigend. Er is heel wat geschreven over den Philippino als arbeider, en de meest van elkaar afwijkende meeningen be staan er omtrent hem; volgens sommigen is hij een vrij goed werkman, volgens anderen kan hij in het geheel niet in aan merking komen als een factor, waarvan men medewerking ver- Wachten mag aan de ontwikkeling der Philippijnen. Wanneer men die afwijkende meeningen nader beschouwt, dan blijkt het, dat alle gunstige beoordeelingen, op eene enkele uitzondering na, komen uit de steden, en de ongunstige van het platte land. In de steden worden Philippijnsche arbeids krachten hoofdzakelijk gebruikt en goed betaald door het Gouvernement, het leger, en door personen belast met het vervoerwezen. In de binnenlanden, waar geplant moet worden voor de buitenlandsche markt, kan aan den Philippijnschen arbeider niet veel meer betaald worden, dan het gewone loon, dat de arbeiders en koelies op Java en Sumatra genieten; anders kan de Philippijnsche planter niet met succes concurreeren met zijn collega's elders, daar de produktiekosten te hoog zouden worden. Doordat in de steden dus hooger loon betaald wordt dan op het platte land, trekken alle goede arbeidskrachten naar die steden, waardoor slechts de onbruikbare elementen in de binnen landen beschikbaar zijn, en dan nog in hoogst onvoldoend aantal. De veronderstelling, dat Chineesche koelies ingevoerd zouden mogen worden, ontmoette in de Vereenigde Staten eene hevige 1) Zie Ireland: „The far Eastern Tropics", blz. 228-234. 92 tegenkanting. Hoewel de Commissie, belast met het bestuur over de Philippijnen, officieel zich verklaard heeft tegen den invoer van Chineesehe koelies, waren twee Inlandsche en een Ameri kaansch lid overtuigd, dat alleen door Chineesehe immigratie men eenige hoop voor de ontwikkeling der eilanden kan koesteren. Doch de volstrekte onmogelijkheid om officieel die meening te doen uitspreken, was oorzaak, dat die leden niet bij hun gevoelen stand hielden. Wat het resultaat is der strenge uitsluiting van Chineezen, moge blijken uit het volgende voorval, door een der leden van de Com missie voor de Philippijnen aan den schrijver Ireland medegedeeld. Eenigen tijd geleden kwam een kapitalist te Manilla en vroeg aan de Commissie vergunning aldaar een groote scheeps timmerwerf te mogen oprichten. Hij zou een groot droogdok bouwen, dat in staat zou zijn, de grootste schepen op te nemen. Tevens zou hij werkplaatsen oprichten voor scheepsmachineriën. Daar er in de Philippijnen slechts zeer weinig arbeiders te krijgen zouden zijn, die voor bovengenoemde doeleinden te ge bruiken waren, vroeg de kapitalist vergunning om eenige dui zenden Chineezen in te voeren, onder voorwaarde, hen na zekeren tijd weer het land uit te brengen. Hij beloofde naast eiken Chinees ook een Philippino in dienst te nemen, en den Chinees uit het land te voeren, zoodra de Philippino in staat zou zijn het werk van den Chinees te doen. Na eenige jaren zou dus een groote industrie zijn gevestigd en eenige duizenden Philip pino's tot bekwame fabriekswerklieden zijn opgeleid. Toen den kapitalist werd duidelijk gemaakt, dat de wet den invoer van Chineezen niet toestond, zag hij van zijn plan af. Door zulk handelen komt vreemd kapitaal het land niet in, en het bovengemeld voorbeeld zou met nog vele andere te ver meerderen zijn. Statistische gegevens omtrent de Philippijnen >). A. Bevolking: Sterkte der bevolking, staande op zekeren trap van' beschaving 6,987,786 zielen Sterkte der bevolking, behoorende tot wilde volksstammen 647,740 _ Totale sterkte der bevolking. . . 7,635,426 zielen 1) Zie A. Ireland: „The far Eastern tropics", blz. 259, 317—324. 93 B. Indeeling der bevolking, staande op zekeren trap van be schaving, naar het geboorteland: Aantal zielen geboren in de Philippijnen . . . 6,931,548 „ „ „ „ „ Ver. St. v. Amerika 8,135 „ „ „ „ overig Amerika... 83 n » „ n Spanje 3,883 „ „ „ „ overig Europa . . . 1,648 „ „ „ „ China 41,035 » n il ■ Ja P an 921 „ „ „ elders 433 Totaal . . . 6,987,686 C. Statistiek der verschillende beroepen: Mannen. Vrouwen. a. Landbouwers 1,163,777 90,286 b. Onderwijzers, geneesheeren, rechts geleerden, enz 23,358 2,279 c. Huisbedienden en personen in dienst van anderen 431,388 140,567 d. Handelaren en personen bij het ver keerswezen betrokken .... 150,989 75,566 e. Werkzaam bij de fabrieksnijverheid en technische bedrijven. . . . 243,081 716,589 f. Zonder beroep of wier beroep on bekend is 1,484,059 2,465,747 Totaal . . 3,496,752 3,491,034 D. Indeeling der bevolking, staande op zekeren trap van be schaving, naar de huidskleur: a. Bruin 6,914,880 zielen b. Gemengde kleur 15,419 „ c. Geel 41,071 mannen en 1,026 vrouwen 42,097 „ d. Blank 11,450 „ „ 2,821 „ 14,271 „ e. Zwart 1,019 „ Totaal . . . 6,987,686 zielen Uit het medegedeelde onder B. en D. volgt, dat er van het gele ras op de Philippijnen zelf geboren zijn 42,097 — (41,035 + 921) = 141 zielen, terwijl het aantal aldaar geboren blanken bedraagt 14,271 — 13,749 = 522 zielen. 94 4. De Chineezen in Azië onder Fransch gezag. De Chineezen in Indo-China. Geschiedenis. x ) Tonkin, Annam, en Cochin-China hebben dezelfde soort van bevolking. Eene lichamelijke bijzonderheid, de uitwijking van den grooten toon, is het kenmerk er van. Dit volk heeft gedurende ongeveer duizend jaren onder de heerschappij van China gestaan. De Chineesehe zeden, philosofie en literatuur hebben op dit volk een overwegenden invloed uitgeoefend, welke nog na de afscheiding van China heeft nagewerkt. De definitieve afscheiding van China had plaats in 941 na Chr. Te voren had men korte perioden van zelfstandigheid gehad van 39 tot 42, 186 tot 226 en van 540 tot 603 na Chr. Het Annammitische rijk breidde zich geleidelijk uit. In het einde der 18 de eeuw barstte er een opstand uit tegen het regeerende huis van de Nguyen's. De koning vluchtte naar China en de opstandelingen maakten zich meester van het ge heele rijk. Een der afstammelingen van het huis der Nguyen's had de wijk genomen in Siam. Door tusschenkomst van een Fransch priester sloot die afstammeling met Frankrijk een tractaat te Versailles op den 28 Bton November 1787. Het Fransche Gou vernement zou den pretendent Nguyen-An helpen diens rijk te heroveren tegen afstand van de baai van Tourane en het eiland Poelau-Condore. Dit tractaat werd door geen der beide partijen opgevolgd. Doch door bemoeiingen van bovenbedoelden Franschen priester, die van uit Pondicherrie twee schepen en enkele officieren medebracht, slaagde Nguyen-An er in zijn rijk te heroveren. Hij maakte zich vervolgens meester van Cochin-China (1792) en van Tonkin, en liet zich in 1802 tot koning kronen onder den naam van Gia-Long. Deze koning deed veel goeds voor Annam en trachtte zooveel mogelijk Europeesche inmenging te beletten. Hij stierf in 1820. Zijn politiek werd nagevolgd door zijne opvolgers Minh-Mang (1820—1841), Thieu-tri (1841—1847) en Tu-Duc (1847—1883). De Fransche zendelingen werden herhaaldelijk vermoord, en het 1) Zie A. Giranlt: „Principes de colonisation et de législation coloniale", dl. I, blz. 246-254, 303—320, 359-363, 441-473. 95 zoo nu en dan verschijnen van een Fransch oorlogschip had niet het minste resultaat. Onder de regeering van Tu-Duc werd in 1856 de Fransche gezant onheusch ontvangen; Frankrijk besloot in vereeniging met Spanje tot krachtig optreden. Ondertusschen kreeg Frankrijk ook oorlog met China, en dit was oorzaak, dat de strijd tegen Annam niet krachtig werd doorgezet. Eerst in 1862 werd de vrede met Annam gesloten, waarbij een groot deel van Cochin- China aan Frankrijk werd afgestaan. Door het stoken der Annamsche autoriteiten werd weder een oorlog noodzakelijk, en in 1867 veroverde de gouverneur van Fransch Cochin-China in vijf dagen tijds de overblijvende drie andere, aan Annam toe behoorende, provincies van Cochin-China. Ten Noorden van Cochin-China lag het rijk Cambodja, sedert lange jaren bij afwisseling afhankelijk van Siam en Annam, totdat bij de in 1841 te Oudong gesloten akte Cambodja aan Siam en Annam gelijke rechten gaf en die twee landen zou erkennen als te zijn „zijn vader en zijne moeder." Reeds in 1853 trachtte Cambodja zich onder bescherming van Frankrijk te stellen. Eerst in 1863 vestigde Frankrijk een pro tectoraat over Cambodja, doch de koning van dit laatstgenoemd rij kje erkende eenige maanden later tevens de suzereiniteit van Siam, waardoor een diplomatieke strijd ontstond met Siam, totdat bij het Fransch-Siameesch tractaat van 1867 Siam het Fransche protectoraat over Cambodja erkende, terwijl de pro vincies Battambang en Angkor, welke Cambodja tot haar gebied rekende, aan Siam bleven. In 1872 kreeg een te Tonkin gevestigde Fransche handelaar aldaar moeilijkheden. Er werden twee kanonneerbooten heen gezonden, en de bevelvoerder maakte zich door een coup-de-main meester van Hanoi. Een strijd met Annam volgde, die door Frankrijk niet krachtig werd gevoerd en door het verdrag van 1874 werd beëindigd. Dat verdrag was bijna geheel in het voor deel van Annam. Dit rijk zocht nu toenadering tot China, waaraan het in 1876 en 1880 schatting bracht. In 1883 ontstond er weder strijd tusschen Frankrijk en Annam, naar aanleiding van ongeregeldheden door de beruchte zeeroovers, bekend onder den naam van Zwartvlaggen, gepleegd, in welken 96 strijd China gemengd werd. In 1885 werd de vrede met China gesloten, terwijl Annam in hetzelfde jaar geheel onder daad werkelijke controle van Frankrijk kwam. Sedert 1887 kwamen Tonkin, Annam, Cochin-China en Cam bodja onder één Gouverneur-Generaal van Indo-China , en wordt het Fransche bestuur steeds intensiever. Onder den Gouverneur-Generaal van Indo-China ressorteeren Laos en bovendien het in 1898 voor den tijd van 99 jaren door China aan Frankrijk in erfpacht afgestane Kwang-tschou-wang. Beoordeelingen van Indo-China. Girault laat zich over Indo-China als volgt uit: „Indo-China is het mooiste deel van ons koloniaal rijk. Onze vestiging aldaar is noodzakelijk voor ons prestige en onzen in vloed in het verre Oosten. Dank zij Indo-China kunnen wij hopen, dat onze handelsrelatiën met Zuid-China steeds zullen vermeerderen. Indo-China is voor ons vooral van groote waarde door den rijkdom en den graad van beschaving der bevolking aldaar. In dit opzicht is Indo-China ongetwijfeld nummer één van al de Fransche bezittingen, Algiers en Tunis niet uitge zonderd" >). Leroy-Beaulieu beoordeelt de kolonie anders. Volgens hem kost de kolonie aan het moederland veel te veel, minstens 26 a 27 millioen francs per jaar en dit zal niet veranderen, indien geen ingrijpende maatregelen plaats hebben. Bovendien is het bezit precair. Wel heeft het tractaat, in 1907 tusschen Japan en Frankrijk gesloten, eene agressieve politiek van Japan voor loopig belet, maar de bevolking zal toch zonder de hulp van eene Japansche of Chineesche vloot wel in staat zijn den Franschen het behouden van Indo-China op buitensporig zware offers te staan doen komen, daar gewapende Chineesche benden de bevolking heimelijk zullen steunen. Het is daarom nood zakelijk, de douanerechten belangrijk te verlagen, om niet het misnoegen op te wekken der bevolking zelve en van de twee Aziatische Groote Mogendheden, Japan en China. Indien volhard 1) Zie Girault: „Principes de colonisation et de législation coloniale", dl. I blz. 359 en vgd.). 97 wordt met de politiek om Indo-China alleen als debouché voor de moederlandsche industrie te gebruiken, zal die kolonie on vermijdelijk voor de Franschen verloren gaan, evenals de Span jaarden Cuba verloren hebben. Het bezit van Tonkin werd in de eerste tijden na de ver overing zeer gewaardeerd, omdat men meende van daar uit het Chineesche rijk te kunnen binnendringen. Doch de tijden zijn nu voorbij, dat de Europeesche mogendheden door bedreiging of geweld hun wil aan China kunnen opleggen. Wil men China diep binnendringen, dan moet men de genegenheid zien te winnen van eene bevolking die, over het geheel genomen, vrede lievend en arbeidzaam is. J ) Immigratie van Chineezen. 2 ) In vroegere tijden moet de landverhuizing van Chineezen naar Indo-China al zeer groote afmetingen hebben aangenomen. Reeds in 214 v. Chr. moeten er ongeveer 500,000 Chineezen Tonkin en Cochin-China zijn binnengekomen, en millioenen zullen daarna nog gevolgd zijn. Al kan thans nog niet met zekerheid worden bewezen, dat de Annammieten een volk zijn, ontstaan door de vermenging van Chineezen met de oorspronkelijke be woners van het land, toch is het niet te ontkennen, dat veel Chineesch bloed door hunne aderen vloeit. We hebben hier te doen met het in de geschiedenis van de Chineesehe landver huizing alleenstaande feit, dat de geïmmigreerde Chineezen geheel in de oorspronkelijke bevolking zijn opgegaan, doch niet zonder tevens die bevolking in hooge mate te ver-chineezen. Het Chineesehe schrift, de Chineesehe zeden, godsdienst enz. zijn door de bevolking overgenomen. De inboorlingen van Indo-China zijn goede landbouwers, doch even zorgeloos en lui als de Philippino's. Zij hebben niet de vlijt en arbeidzaamheid der Chineezen overgenomen. Veel vrucht bare grond ligt nog braak. In 1896 is te Saigon gesticht het » Syndicat des Planteurs Européens de Cochin-Chine." Dit syn dicaat wenschte Chineezen als arbeiders in te voeren, doch 1) Zie Leroy—Beaulieu: „De la colonisation chez les penples modemes", "U- n, blz. 202—204. 2) Zie H. Gottwaldt, blz. 73. 7 98 stuitte op de tegenwerking der koloniale regeering, die op merkte, dat de inboorlingen in voldoende mate aan de vraag naar arbeidskrachten konden voldoen. Eene sterke vermeerdering van Chineesehe arbeiders in Indo- China was vroeger uitgesloten, zoolang de regeering hare houding niet had veranderd. Er zijn op het oogenblik ongeveer 150,000 volbloed Chineezen in Indo-China aanwezig. Zij monopoliseeren bijna het geheele handelsverkeer en vormen het welvarendste deel der bevolking. Reglementen op de immigratie. i ) De Chineesehe immigranten in Indo-China zijn reeds langen tijd verplicht geweest bij aankomst in de kolonie eene vergun ning tot verblijf aan te vragen, welke vergunning aan iedere autoriteit op verzoek moest worden vertoond; bovendien moesten zij een hoofdgeld betalen. Hiertegen hadden zij geen bedenkingen, doch toen de koloniale regeering, een beter toezicht op de immi granten willende uitoefenen, hen bij aankomst onderwierp aan het door Dr. Bertillon uitgevonden identificatiesysteem, welk systeem in Frankrijk alleen toegepast wordt op lieden, die in handen van de justitie vallen, protesteerden de immigranten. De Chineesehe regeering trad voor hen op en beklaagde zich bij de Fransche, met het resultaat, dat door M. Beau, Gouverneur- Generaal van Indo-China, op 10 Maart 1906 een besluit werd uitgevaardigd, waarbij van af 10 Mei d. a. v. de identificatie vol gens het Bertillonsche systeem werd afgeschaft. Tevens werd er een commissie ingesteld om ontwerpen in te dienen voor een meer vrijzinnige wetgeving voor de Chineezen in Indo-China verblijvende. De immigratie zelf is voor elk onderdeel van het Gouverne ment van Indo-China afzonderlijk geregeld. 2 ) Zeer eigenaardig is het nieuwe reglement op de Chineesehe immigratie in Cambodja, hetwelk ten doel heeft om èn de be volking, èn de oppervlakte van ontgonnen grond te vermeerderen. 1) Zie La quinzaine Coloniale, 10 April 1906, blz. 208. Eene beschrijving hoe onoordeelkundig die identificatie van Chineezen in de praktijk werd toe gepast, vindt men in hetzelfde tijdschrift van 25 April 1906, blz. 234—236. 2) id. 10 November 1906, blz. 647. 99 De immigranten moeten allen ongetrouwd zijn; zij zijn ver plicht te huwen met inlandsche vrouwen; hunne kinderen moeten op de in Cambodja gebruikelijke wijze worden opgevoed en kunnen op hun beurt alleen weer met Cambodjaneezen huwen. Een eerste bezending van 25 Chineezen heeft men reeds gezonden naar de provincie Soairieng om een dorp te stichten. ! ) Voor Cochin-China is de immigratie geregeld in een „Arrêté du 16 Octobre 1906 règlementant Ie service de I'immigration asiatique en Cochin-Chine." Hoofddoel is om de immigratie van Chineezen zooveel mogelijk te bevorderen, van daar dat men de leeftijdsgrens van belasting plichtigheid van 15 jaren heeft gebracht op 18 jaren, en het passenstelsel, vroeger bij het zich verplaatsen voorgeschreven, heeft afgeschaft. 2 ) Voor Tonkin wil men hetzelfde toepassen als in Cochin-China reeds ingevoerd is. Statistische gegevens omtrent Indo-China 3 ). 1) La quinzaine Coloniale, 10 December 1906, blz. 715. 2 ) id. id. blz. 719. 3) Ontleend aan de Geographisch-Statistische Tabellen aller Lünder der Erde herausgegeben von Prof. Fr. von Juraschek 1908, blz. 19. LITERATUUR-OPGAVE. IX Handelingen der Regering en der Staten-Generaal betreffende het Reglement op het Beleid der Regering van Nederlandsch-Indië, dl. 111. Uitge geven door L. W. C. Keuchenius. Utrecht. Kennink en zoon 1857. W. R. van Hoëvell: „ Batavia in 1740. Episode uit de geschiedenis van Neêr land's Indië". Uitgegeven te Batavia 1840. Holcombe: Zie Chester Holcombe. Indische gids. Ireland: Zie Alleyne Ireland. Jaarboek van het Mijnwezen. 1907. Jaarcijfers voor het Koninkrijk der Nederlanden. Koloniën 1906. Bewerkt door het Centraal Bureau voor de Statistiek. 's-Gravenhage. Gebr. Belinfante. 1908. James W. Davidson, Consul of the United States for Formosa. „The island of Formosa. Past and Present. History, people, resources, and commer cial prospects." Macmillan & Co. London and New Vork. Kelly Walsh, Ld. Yokohama, Shanghai, Hongkong, and Singapore. 1903. John Foreman: „The Philippine Islands. A political, geographical, ethno graphical, social and commercial history of the Philippine archipelago embracing the whole period of Spanish rule with an account of the succeeding American insular government". Third edition London. T. Tisher Unwin. MCMVI. P. H. van der Kemp: „Billitonopstellen." Batavia. Ogilie & C<>. 1886. L W. C. Keuchenius: Zie Handelingen. E. B. Kielstra: „ Bijdragen tot de geschiedenis van Borneo's Westerafdeeling". Overgedrukt uit de Indische Gids dl. I Maart-Augustus 1889 dl. II October 1889—November 1890 dl. 111 Juli 1892—December 1893. Mr. Ph. Kleintjes: „Het Staatsrecht van Nederlandsch-Indië. Beginselen en beschouwingen." Amsterdam. J. H. de Bussy — 1903. Koloniale Verslagen. 1873—1908. P. J. Kooreman: „De werking van de Ordonnantie tot regeling van de rechts verhouding tusschen werkgevers en werklieden in de Residentie Oost kust van Sumatra." Lezing gehouden in de Openbare Algemeene Ver gadering dd. 22 December 1902 der Vereeniging „ Moederland en Koloniën" te 's Gravenhage. P. J. Kooreman: „Nog eens: De Koelie-ordonnantie tot regeling van de rechts verhouding tusschen werkgevers en werklieden in de Residentie Oost kust van Sumatra." Amsterdam J. H. de Bussy — 1903. Land und Leute des Kiautschougebietes. Auf Anregung der Deutschen Kolo nialgesellschaft bearbeitet 1901. Uufer: Zie Berthold Laufer. Leroy— Beaulieu: Zie Paul Leroy-Beaulieu. Von Lignitz: „ Deutschlands Interessen in Ostasien und die Gelbe Gefahr". Berlin 1907. Verlag der Vossischen Buchhandelung. LITERATUUR-OPGAVE. VIII Davidson : Zie James W. Davidson. Elenco di leggi, decreti e regolamenti circa I'emigrazione dagli Stati dEuropa e I'immigrazione e colonizzazione in America, Africa, Asia cd Oceania (fino al marzo 1907) Ministero degli affari esteri. Commissariato dell'emi grazione. Roma 1907. Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië. 'sGravenhage — Leiden. Martinus Nijhoff - E. J. Brill. G. von Faber: „Het familie- en erfrecht der Chineezen in Nederlandsch-Indië". Academisch proefschrift. Leiden 1895. Eduard IJdo. Mr. D. Fock: „ Beschouwingen en voorstellen ter verbetering van den econo mischen toestand der inlandsche bevolking van Java en Madoera". 's Gravenhage. Martinus Nijhoff. 1904. F. Fokkens: „De particuliere Landerijen bewesten de Tjimanoek. Bijdrage tot de kennis onzer Koloniale politiek der laatste twintig jaren". M. M. Couvée. 's Gravenhage. 1908. Foreman : Zie John Foreman. Dr. Friedrich Ratzel: „Die Chinesische Auswanderung. Ein KeitragzurCultur und Handelsgeographie". Breslau 1876. J.U. Kern's Verlag. (Max Muller). Mr. P. H. Fromberg: „ Nieuwe regeling van den privaat-rech tel ijken toestand der Chineezen ontworpen op last der Regeering van Nederlandsch- Indië." Batavia. — Landsdrukkerij — 1897. Mr. P. H. Fromberg: „ Rapport over de Chineezen-wetgeving". Batavia. — Landsdrukkerij — 1903. Girault: Zie Arthur Girault. H. Golttwaldt: „ Die überseeische Auswanderung der Chinesen und ihre Ein wirkung auf die weisse und gelbe Rasse". Bremen. Verlag von Max Nössler. 1903. W. P. Groeneveldt: „Notes on the Malay Archipelago and Malacca, compiled from Chinese sourees ", opgenomen in de verhandelingen van het Bata viaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen dl. XXXIX 1880. Dr. J. J. M. de Groot: „ Eenige aanteekeningen omtrent Chineesehe gerechtelijke eeden in de Nederlandsche Koloniën. Een poging tot oplossing van de vraag, welke eed aldaar den Chineezen voor de rechtbanken behoort te worden afgenomen". Batavia W. Bruining en C°. 1883. Dr. J. J. M. de Groot: „Het Kongsiwezen van Borneo. Eene verhandeling over den grondslag en den aard der Chineesehe politieke vereenigingen in de Koloniën, met eene Chineesehe geschiedenis van de Kongsi Lan fong." Uitgegeven door het Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië. 's-Gravenhage 1885. Dr. J. J. M. de Groot: „Over het belang der kennis van China voor onze Koloniën uit een politiek- en wetenschappelijk oogpunt". Rede bij de aanvaarding van het hoogleeraarschapambt aan de rijks-universiteit te Leiden den 9 dcn December 1891 uitgesproken. Leiden E. J. Brill 1891. X LITERATUUR-OPGAVE. John F. Loudon: „De eerste jaren der Billitononderneming." Overgedrukt uit De Indische Gids November 1883. Amsterdam, J. H. de Bussy 1883. Mr. J. de Louter: „Handleiding tot de kennis van het Staats-en Administratief recht van Nederlandsch-Indië". Vijfde uitgave. 's-Gravenhage, Mart. Nijhoff 1904. , Mr. J. de Louter: „De wijziging van het Regeerings-Reglement van Neder landsch-Indië." De Gids. 1907 dl. I. blz. 231-349. M. Luigi Bodo: „Note sur la législation et la statistique comparées del'émi gration et de I'immigration", opgenomen in de Compte Rendu de la session de I'institut colonial international tenue a Rome 1905. Biblio thèque coloniale internationale Bruxelles. Mr C. W. Margadant: „Het Regeerings-Reglement van Nederlandsch-Indië toegelicht", derde deel. Batavia, G. Kolff en Co. 's-Gravenhage Mart. Nijhoff. 1897. Mr. I. A. Nederburgh: „Het Indisch Chineezenrecht der toekomst". Overdruk uit „Wet en Adat" l c en 2 de jaargang. Ordinance N°. lof 1882. Au Ordinance to amend the Law relatinp; \ to Employers and Labourers under Contracts of Service. Jf (28th February 1882). i | Ordinance N°. VIII of 1891. An Ordinance te regulate Chinese Labour on Agricultural Estates. (lst January 1893). J » Ordinance N°. XV of 1896. An Ordinance to amend and consolidate I ~ the Law with regard to Municipalities. (lst January 1897). I B Ordinance N°. VIII of 1902 as amended by the Chinese Immigrants I 3- OrdinanceN". XIXof 1903. Published by authority. Singapore. j E. H. Parker: „China, her history, diplomacy and commerce from theearliest times to the present day." London, John Murray, 1901. Paul Leroy-Bcaulieu: „De la colonisation chez les peuples modemes." Sixième édition, tome deuxième. Paris, Felix Alcan, éditeur, 1908. Mr. N. G. Pierson: „Leerboek der Staathuishoudkunde". Tweede deel. Tweede herziene druk. Haarlem. De erven F. Bohn, 1902. La Quinzaine Coloniale, paraissant Ie 10 et Ie 25 de chaque mois. M. Augustin Challamel. Editeur, 17, rue Jacob, Paris. Ratzel. Zie Dr. Friedrich Ratzel. W. A. van Rees: „Montrado. Geschied-en Krijgskundige bijdrage betreffende de onderwerping der Chineezen opßorneo."'s-Hertogenbosch, gebr. Muller, 1858. Reglement voor de aanwerving van arbeiders in China, om onder contract voor een bepaalden tijd, veld- of fabriekarbeid te verrichten in Ne derlandsche koloniën. Peking. 1873. Reglement Immigranten-Bureau Deli. Zie Algemeen- en Huishoudelijk Re glement enz. Report of the commissioners appointed to enquire into the state of labour in the Straits-Settlements and protected native states. Singapore 1891. Returns of trade and trade reports 1907. China. Imperial maritime customs. Shanghai 1908. LITERATUUR-OPGAVE. XI S. H. Schaank: „De Kongsi's van Montrado. Bijdrage tot de geschiedenis en de kennis van het wezen der Chineesehe vereenigingen op de West kust van Borneo", opgenomen in het tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, uitgegeven door het Balaviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, dl. XXXV 1893, blz. 498—612. G. Schlegel: „Thian Ti Hwui. The Hung-league or Heaven-Earth-league. A secret society with the Chinese in China and India". Verschenen in de Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, dl. XXXII. Batavia, Lange en Co. 1866. Serawak Gazette. Sir Spencer St. John: „Rajah Brooke, The Englishman as ruler of an easteren state". London, T. Fisher Unwinn, 1899. S. R. Steinmetz: „De rassenkwestie." De Gids 1907, eerste deel blz. 104—139. Sir F. Swettenham: „British Malaya, an account of the origin and progress of British intiueuce in Malaya". London 1907. Tijdschrift voor Nijverheid en Landbouw in Nederlandsch-Indië, uitgegeven door de Nederlandsch-Indische Maatschappij van Nijverheid en Land bouw, dl. LXIV. Batavia, H. M. van Dorp en Co, 1902, blz. 331—383. — Benige mededeelingen omtrent de tinwinning en de behandeling der mijnwerkers op Banka. Mr. W. de Veer: „ Chineezen onder Hollandsche vlag ". Scheltema & Holkema's boekhandel, Amsterdam 1908. Verslag omtrent eenige aangelegenheden betreffende de tinwinning op Banka. Batavia, Landsdrukkerij 1906. 't Verwaerloosde Formosa, of waerachtigh verhael, hoedanig door verwaerloo singe der Nederlanders in Oost-Indien, het Eylant Formosa, van den Chinesen Mandorijn, ende Zeeioover Coxinja, overrompelt, vermeestert, ende ontweldight is geworden enz. t' Amsterdam, By Jan Claesz. ten Hoorn, over 't Oude Heere Logement, en Michiel Pieters, in de Lom baert-steegh, Boekverkoopers. 1675. P. J. Veth: „Borneo's Westerafdeeling, geografisch, statistisch, historisch, vooraf gegaan door eene algemeene schets des gansenen eilands". Zalt bommel. Joh. Noman en Zoon 1856. dl. I en 11. P. J. Veth: „ Java, geographisch , ethnologisch , historisch". Tweede druk bewerkt door Joh. F. Snelleman en J. F. Niermeyer dl. 1 1896. dl. H 1898. Voyage de I'ambassadede la compagnie des indes orientales hollandaises vers I'Empereur de la Chine, dans les années 1794/1795. Publié en Francais par M. L. M. Mareau de Saint Méry, tome premier, a Philadelphie. E. de Waal: „Onze Indische financiën. Nieuwe reeks aanteekeningen. I. Inlei ding: Staatkundige gegevens." 's Gravenhage, Martinus Nijhoff. 1876. E. de Waal: „Onze Indische Financiën. Nieuwe reeks aanteekeningen. dl. VIII. West-Borneo zonder de betrekkingen met de buren ten Noorden." Naar 't handschrift uitgegeven door E. A. G. J. van Delden. Kontroleur B. B. Java en Madoera. 's Gravenhage Martinus Nijhoff. 1907. XII LITERATATUUR-OPGAVE. E. de Waal: „Onze Indische Financiën. Nieuwe reeks van aanteekeningen. dl. IX — X. Onze betrekkingen met, en andere aangelegenheden omtrent Noord-Borneo". Naar het handschrift uitgegeven door E. A. G. J. van Delden. Kontroleur Binn. Bestuur Java en Madoera. Met voorwoord van G. P. Rouffaer. 's Gravenhage. Martinus Nijhoff. 1907. S. Wells Williams: LI.D. „The Middle Kingdom A survey of the geography, government, literature , social life, arts, and history of the Chinese empire and its inhabitants". Revised edition , with illustrations and a new map of the empire. Volume 11. New-York. Charles Scribner's Sons. 1899. Weltgeschichte. Zweiter Band. Ostasien und Ozeanien. Der Indische Ozean. Herausgegeben von Hans F. Helmolt. Leipzig und Wien. Bibliographi sches Institut 1902. Wörterbuch der Volkswirtschaft, herausgegeben von Prof. Dr. Ludwig Eister. Jena. Verlag von Gustav Fischer 1906. I. W. Young: „De wetgeving ten aanzien van geheime genootschappen of broederschappen onder de Chineezen in de Straits-Settlements en in Nederl.-Indië." Verschenen in het „Tijdschrift voor Nederl.-Indië" van Dr. W. R. Baron van Hoëvell voortgezet onder redactie van eene ver eeniging van Staatslieden en geletterden. Nieuwe serie, negentiende Jaargang. Eerste deel. Zalt-Bommel bij Joh. Noman & Zoon. 1890. Zie de blz. 179—208; 241—292. Zimmermann: Zie Dr. Alfred Zimmermann. Bovendien vindt men in den tekst en in de noten van dit boek nog verschillende bronnen aangehaald, o. a. een groot aantal Staats- en Bijbladen, verscheidene tijdschriften en dagbladen. Zij, die meerdere bronnen wenschen te raadplegen, kunnen die vinden in het bekende: Repertorium op de Koloniale Literatuur, of systematische inhoudsopgaaf van hetgeen voorkomt over de Koloniën (beoosten de Kaap) in mengel werken en tijdschriften, van 1595 tot 1865 uitgegeven in Nederland en zijne overzeesche bezittingen, door J. C. Hooykaas, in leven Commies bij het Dep. van Koloniën. Ter perse bezorgd door Dr. W. N. dn Rieu. Amsterdam, P. N. van Kampen & Zoon. 1877. Eerste deel, blz. 302 onder F. Landverhuizing en Kolonisatie. Zie de afdee ling: Chinesche Nederzettingen. In deze afdeeling vindt men een uit gebreide literatuur-opgave. Zie verder de voortzetting van het repertorium door A. Hartmann. 's-Gra venhage. Martinus Nijhoff. 1895. Over de literatuur van 1866—1893, te vinden blz. 100-102, 139, 194, 203, 204. Dezelfde; literatuur over 1894—1900, blz. 49, 64, 95, 96, verschenen 1901. Dezelfde; literatuur over 1901—1905, blz. 42, 43, verschenen 1906. XIV INHOUD. b. Immigratie van Chineezen, (blz. 51—64). Geschiedenis (blz. 51—53). De Chineesehe immigranten-ordonnantie voor de Straits-Settlements van 1902 (blz. 54—64). c. Naturalisatie van Chineezen (blz. 65—67). Wet N«. VIII van 1867. (blz 65). d. Werkcontracten voor werklieden van alle nationaliteiten (blz. 67). Speciale bepalingen voor Chineezen, werkende op landbouwonder nemingen (blz. 68—70). e. Chineezen als inwoners der gemeenten (blz. 70—71). f. Een Chinees in de „ Legislative Council " (blz. 71). B. De Chineezen in Britsch Noord-Borneo (blz. 72—74). De toekomst van het land hangt af van de Chineezen (blz. 73). Be perkende bepalingen voor de Chineezen (blz. 73). Statistische gegevens (blz. 74). C. De Chineezen in Broenei (blz. 74—75). De handel is in hoofdzaak in handen van de Chineezen (blz. 75). D. De Chineezen in Laboean (blz. 75). De Chineezen hebben den geheelen tweedehandshandel in handen (blz. 75). E. De Chineezen in Serawak (blz. 75—82). De ontdekking van goud lokt vele Chineezen (blz. 75). Brooke ver wacht veel van de Chineezen (blz. 76). Immigratie van Chineezen be vorderd (blz. 77). Brooke als bestuurder (blz. 77). Groote toestrooming van Chineezen in 1850 (blz. 78). Contract met de Chineezen (blz. 78). De Chineezen worden overmoedig (blz. 79). Chineesche opstand van 1857 (blz. 79). Serawak als onafhankelijken staat erkend (blz. 80). Over eenkomst met Engeland (blz. 81). De Chineezen onmisbaar voor de schatkist (blz. 81). Immigratie aangemoedigd (blz. 81). Beperkende be palingen in zake vestiging in de binnenlanden (blz. 82). F. De Chineezen in Hongkong (blz. 82—83). Het grootste deel der inkomsten leveren de Chineezen (blz. 83). G. De Chineezen in Wei-Hai -W e i (blz. 84). De Chineesche dorpen zijn zooveel mogelijk gelaten in het genot van zelfbestuur (blz. 84). 11. De Chineezen in Birma (blz. 84). De toekomst van Birma behoort aan de Chineezen (blz. 84). 3. De Chineezen in Azië onder Amerikaansch gezag (blz. 85—93). De Chineezen in de Philipp ij nen. Oude betrekkingen met China (blz. 85). De Chineezen onder Spaansch bestuur (blz. 85). De Chi neezen onder Amerikaansch bestuur (blz. 88). Bepalingen van de „ Chinese Exclusion Act" van 1902 (blz. 89). Groote invloed van den Chineeschen Consul op zijne landslieden (blz. 90). Nadeelige gevolgen van de uit sluiting der Chineezen (blz. 91). Statistische gegevens (blz. 92). 4. De Chineezen in Azië onder Fransch gezag (blz. 94—100). De Chineezen in Indo-China. Geschiedenis (blz. 94). Be oordeelingen van Indo-China (blz. 96). Immigratie van Chineezen (blz. 97). Reglementen op de immigratie (blz. 98). Statistische gegevens (blz. 99). 5. De Chineezen in Azië onder Duitsch gezag (blz. 100—101). De Chineezen behooren tot de met Inlanders gelijkgestelden (blz. 440—446). De vereischten, waaraan de Chinees voldoen moet alvorens hij gelijk gesteld kan worden met den Europeaan (blz. 443—445). De Chineezen in Nederlandsch-Indië zijn geen Nederlanders (blz. 446—449). Uitlevering (blz. 449). Naturalisatie van Chineezen (blz. 449—453). Nederlandsch onderdaanschap (blz. 453—454). Het bestuur over de Chineezen (blz. 454—460). Gerechtelijke eeden van Chineezen (blz. 460—464). De koelie-ordonnantiën (blz. 464—468). Bijlage I. Bepalingen houdende toepasselijk-verklaring van de Europeesche wetgeving op de met de inlandsche gelijkgestelde bevolking (vreemde oosterlingen) (blz. 468—473). Bepalingen nopens de bewijskracht van onderhandsche geschrif ten van inlanders of met hen gelijkgestelde personen (blz. 474—475). HOOFDSTUK X. CHINA (blz. 476-482). De Macao-quaestie (blz. 476). Beteekenis van het opbrengen van schatting door vreemde landen aan China (blz. 477). Een Hollandseh gezantschap naar Peking in het jaar 1795 (blz. 480). Beschrijving van de cérémonie het z. g. n. „kotow" (blz. 480). Bevolkingsstatistiek van China (blz. 481). CONCLUCIES (blz. 483—484). ALFABETISCH REGISTER (blz. 485). XIX INHOUD. XV INHOUD. A. De Chineezen in Kiautschou (blz. 100). B. De Chineezen op de Samoa-eilanden (blz. 101). 6. De Chineezen in Azië onder Portugeesch gezag (blz. 102—104). De Chineezen in Macao (blz. 102—104). 7. De Chineezen onder Russisch gezag (blz. 104—108). 8. De Chineezen onder Japansch gezag (blz. 108—126). A. Eigenlijk Japan en Korea (blz. 108—110). B. De Chineezen op Formosa (blz. 111—125). De eerste Chineezen op Formosa (blz. 111). De Hollanders op Formosa (blz. 111). Koxinga verovert Formosa (blz. 113). Formosa onder het bestuur van China (blz. 115). Formosa onder Japansch bestuur (blz. 117). Beroepsstatistiek (blz. 119). Een stuk overgenomen uit: „'t Verwaerloosde Formosa " (blz. 120). HOOFDSTUK 111. TOELATING, VESTIGING EN REIZEN VAN CHINEEZEN IN NEDERLANSCH-INDIË (blz. 127—156). A. Toelating van Chineezen (blz. 127—143). Verschillende meeningen omtrent de immigratie van Chineezen (blz. 127). Mr. Margadant is tegen de immigratie van Chineezen (blz. 128). Mr. D. Fock is den Chinees weinig goed gezind (blz. 129). De thans geldende bepalingen en voorschriften omtrent de toelating van Chineezen in Ned.-Indië (blz. 131). Stbl. 1872 N». 40 geldt niet voor Sumatra's Oost kust en de eilanden der residentie Riouw en Onderhoorigheden (blz. 135). Wenken voor de toepassing der ordonnantie van Stbl. 1872 N°. 40 (blz. 135). Instructie voor de hoofden van gewestelijk bestuur (blz. 138). Mo dellen (blz. 140). B. Vestiging van Chineezen (blz. 143—147). Voor het ingezetenschap van Nederlandsch-Indië is vestiging daar te lande een vereischte (blz. 143). Bepalingen voor het in N.-I. vestigen van Chineezen (blz. 144). De wijkenordonnantie (blz. 146). C. Reizen van Chineezen (blz. 148—156). Passenstelsel (blz. 148 j. Reispassen voor Soerakarta en Djokjakarta (blz. 150). Bnitenbezittingen (blz. 150). Statistiek omtrent de toelating en het vestigen van Chineezen (blz. 151). Brochure van een oud-ambtenaar B. B. over de toelating van Chineezen (blz. 156). HOOFDSTUK IV. DE CHINEEZEN OP JAVA EN MACOERA (blz. 157-272). A. Geschiedenis (blz. 157—184). Oudste betrekkingen tusschen China en Java (blz. 157). De Chineesehe expeditie van 1292 (blz. 158). Na de expeditie zijn de betrekkingen tusschen China en Java geruimen tijd gestaakt (bias. 168). Hoe de Chineezen vroeger handel dreven (blz. 163). Portugeesche en Spaansche berichten over de Chineezen (blz. 164). Houding der eerste Hollanders tegenover de Chineezen (blz. 164). De Chineesehe opstand van 1740 (blz. 166). De Chineezen gedurende de laatste jaren der Oost-Indische Compagnie (blz. 173). De Chineezen onder het bestuur van Daendels (blz. 174). De Chineezen onder het bestuur van Raffles (blz. 176). De Chineezen na het herstel van het Hollandsche gezag (blz. 177). XVI INHOUD. B. De tegenwoordige toestand der Chineezen op Java en Madoera (blz. 184—273). a. De beteekenis der Chineezen opJavaenMadoera in vergel ij king met die der andere bevolkings groepen in Nederlandsch-Indië (blz. 184—187). b. Het ontstaan der Chineesehe kwestie op Java en M a d o e r a (blz. 187—194). c. Hoe de Chineesehe kwestie behoort te worden op gelost (blz. 194-206). Bijlage I. Oppervlakte en bevolking van de verschillende gewesten op Java en Madoera (blz. 207). Bijlage la. Idem op de Buitenbezittingen (blz. 208). Bijlage Ib. Aantooning van het aantal Chineezen op de gewestelijke en afdeelingshoofdplaatsen van Java en Madoera, in vergelijking met het aantal Chineezen in de verschillende gewesten ge vestigd buiten die hoofdplaatsen (blz. 209). Bijlage 11. Totaal aantal beklaagden in misdrijfzaken bij de verschillende rechtscolleges in N. I. verdeeld naar geslacht en landaard (blz. 213). Bijlage HL Bedrijfsbelasting der Chineezen (blz. 213). Bijlage lila. Aantal Chineezen in de bedrijfsbelasting aangeslagen naar klassen van aanslag (blz. 215). Bijlage IV. Beroepen en bedrijven der Europeesche en daarmede gelijk gestelde bevolking (blz. 216). Bijlage IVa. Beroepen en bedrijven der Vreemde Oosterlingen (blz. 218). Bijlage V. Oordeel van de Mindere Welvaartcommissie over de toelating en het verblijf van Oostersche Vreemdelingen in de binnen landen (blz. 219). Bijlage VI. Handel der Javanen in vergelijking met die der Vreemde Oosterlingen (blz. 224) Bijlage VIL Het Chineesche landbezit op Java en Madoera (blz. 226). Bijlage VIII. Uitgestrektheid der gronden op Java door inlanders verhuurd aan landbouw-industrieelen, met opgave van de cultuur die daarop gedreven wordt (blz. 231). Totale uitgestrektheid der gronden op Java door het gouvernement in huur of in erf pacht afgestaan naar de soort der ondernemers (blz. 232). Bijlage IX. Uitgestrektheid en verpondingswaarde der landen op Java aan particulieren in eigendom afgestaan, verdeeld naar gewesten en nationaliteit der eigenaars (blz. 233). Bijlage X. Dichtheid der inlandsche bevolking in 1905 (blz. 234). Bijlage XI. Regeling van het Nederlandsch-onderdaanschap van hen, die herkomstig zijn uit Nederlandsch-Indië (blz. 235). Bijlage XII. Bijblad N°. 1872. Knoeierijen van Chineezen ten aanzien van de inlandsche bevolking (blz. 246). INHOUD. XVII Bijlage XIII. Het onderwijs aan Chineezen (blz. 247). Vereeniging Tiong Hoa Hwe Koan (blz. 248). Oordeel van Henri Borel daarover (blz. 254). Regeeringsverslagen over de Chineesehe particu liere scholen (blz. 256). Oprichting van de Hollandsch-Chi neesche scholen (blz. 263). De statuten der vereeniging Tiong Hoa Hwe Koan (blz. 265). HOOFDSTUK V. DE CHINEEZEN IN DE WESTERAFDEELING VAN BORNEO (blz. 273—316). Oorspronkelijk vaderland der Borneo-Chineezen (blz. 273). De immi granten waren dorpsbewoners (blz. 274). De Chineezen zijn de eerste immigranten van buiten den Indischen Archipel, die in Borneo komen (blz. 275). Betrekkingen met de Noordkust van Borneo (= Pala of Polo) (blz. 276). Betrekkingen met de Westkust van Borneo, bekend onder den naam van Puni (blz. 277). Berichten van Europeesche zeevaarders omtrent Chineezen in Broenei (blz. 279). Ontstaan der Chineesehe kongsies op de Westkust van Borneo (blz. 280). Houding der 0.-I. Compagnie tegenover de Chineesehe kongsies (blz. 281). De Chineesehe kongsies gedurende de afwezigheid van het Nederlandsche gezag (.blz. 281). De Chineesehe kongsies na liet herstel der betrekkingen der Neder landers met Borneo's Westkust in 1818 (blz. 283). Nahuys als commis saris naar Borneo (blz. 286). De zending van E. J. Roesier als commissaris had weinig nut (blz. 288), Vrij gunstig oordeel van Mr. H. W. Muntinghe over de Chineezen (blz. 289). De heer Tobias als commissaris naar Borneo (blz. 290). Hernieuwde onlusten der Chineezen (blz. 291). Diard als commissaris naar Borneo (blz. 292). Francis als commissaris naar Borneo gezonden, oordeelt gunstig over de Chineezen (blz. 293). Intrede van de politiek van onthouding (blz 294). Begin van eene andere politiek in 1845 (blz. 296). Plotseling streng optreden tegen smokkelarij (blz. 297). Tegen de kongsies wordt gewapenderhand opgetreden (blz. 298). Gevolgde politiek tegenover de Chineezen na de vernietiging der kongsies bij Montrado (blz. 302). Het gewestelijk bestuur achtte in 1856 de Chineezen onmisbaar voor de ontwikkeling van Borneo's Westkust (blz. 303). De kongsi Lanfong (blz. 306). Pro clamatie aan de Chineezen der opgeheven Lanfong-kongsi (blz. 309). Belastingen der Chineezen aan de inlandsche zelfbesturen van Pontianak Mampawa en Landak op te brengen (blz. 310). Oordeel over den hedendaagschen Borneo-Chinees (blz. 313). Bestaat er eene Chineesehe kwestie op Borneo V (blz. 315). HOOFDSTUK VI. DE CHINEEZEN IN DE RESIDENTIE OOSTKUST VAN SUMATRA (blz. 317—351). A. Het aandeel der regeering in de ontwikkeling van de Oostkust van Sumatra (blz. 317—322). B. Het aandeel van den Europeeschen ondernemer in de ontwikkeling van de Oostkust van Sumatra (822-332). 0. Het aandeel van den Chinees in de ontwikkeling van de Oostkust van Sumatra (blz. 333-334). XVIII INHOUD. Bijlage I. Aantal werklieden gebezigd voor landbouw-ondernemingen in de inlandsche staten ter Oostkust van Sumatra (blz. 335). Bijlage 11. Belangrijkste mededeelingen, voorkomende in de Koloniale Verslagen, omtrent de Chineezen in de residentie Oostkust van Sumatra (blz. 336—338). Bijlage IH. Algemeen Reglement betreffende het Immigranten-Bureau (blz. 339-340). Huishoudelijk Reglement van het Immigranten- Bureau (blz. 340—351). HOOFDSTUK VII. DE CHINEEZEN IN DE OVERIGE BUITENBEZITTINGEN (blz. 352—374). A. De Chineezen in Riouw en onderhoorigheden (blz. 352—358). B. De Chineezen op Banka (blz. 358—365). C. De Chineezen op Biliton (blz. 365—370). D. De Chineezen in de andere gewesten der Buitenbezittingen (blz. 370—371). E. De Chineesehe kwestie op de Buitenbezittingen (blz. 371—373). Bijlage I. Aantal geregistreerde contract-koelies in de gewesten der Buiten bezittingen waar koelie-ordonnantiën van kracht zijn (blz. 374). HOOFDSTUK VIII. DE CHINEESCHE GEHEIME GENOOTSCHAPPEN (blz. 375-429). A. Geheime genootschappen in de Westcrafdeeling van Borneo (blz. 375—382). Oordeel van Prof. de Groot over de geheime genootschappen (blz. 377). Indirecte samenhang der geheime genootschappen (blz. 378). Inhoud van een revolutionair boekje, in Mampawa circuleerend (blz. 379). B. Algemeene mededeelingen omtrent de Chineesche geheime genootschappen (blz. 382-418). Geschiedenis van het Hungverbond (blz. 353—386). Politieke geschiedenis van het Hungverbond (blz. 387—401). Inwendige organisatie der geheime genootschappen (bestuur, aanwerving van nieuwe leden, formaliteiten in acht te nemen bij toetreding, inhoud van de 36 artikelen van den eed) (blz. 401—408). Wetten en statuten van de broederschap (blz. 408—418). O De maatregelen in Ned.-Indië genomen tot wering van Chineesche geheime genootschappen (blz. 418—424). D. De maatregelen buiten Ned.-lndië genomen tot wering van Chineesehe ge heime genootschappen (424 —429). De maatregelen in de Straits (blz. 424—425). id. Serawak (blz. 425—426). id. Indo-China (blz. 426-427). id. China (blz. 427-429) HOOFDSTUK IX. DE RECHTSTOESTAND DER CHINEEZEN IN NEDERLANDSCH INDIË (blz. 430—475). Het voor de Chineezen in Nederlandsch-Indië geldende privaatrecht (blz. 430—440). HOOFDSTUK 111. Toelating, vestiging en reizen van Chineezen in Nederlandsch-Indië. A. Toelating van Chineezen. Verschillende meeningen omtrent de immigratie van Chineezen. Wanneer wij de geschiedenis van de immigratie der Chineezen sedert den komst der Hollanders in den Indischen Archipel nagaan, dan treft het ons, hoe de regeering er een steeds veranderende hou ding tegen heeft aangenomen. In de hoofdstukken „De Chineezen op Java en Madoera" en „De Chineezen in de Westerafdeeling van Borneo " vindt men talrijke voorbeelden van het beurtelings met lof en smaad overladen dezer vreemde Oosterlingen. Hunne immigratie wordt dan eens zeer wenschelijk geacht, dan weer met leede oogen aangezien. Ook in de latere jaren blijven de meeningen omtrent de immigratie der Chineezen verdeeld. M Zoo wijdde Baron Nahuys van Burgst in zijne in 1848 bij de Gebrs. Belinfante te 's-Gravenhage uitgegeven „ Beschouwingen over Nederlandsch-Indië" ettelijke bladzijden (57 e. v.) aan de uiteenzetting waarom hij voor het Europeesche en tegen het Chineesche landbezit was. Hij zag in den Chineeschen land huurder een deloyaal concurrent, die zich van alle geoorloofde en niet geoorloofde middelen bedient om voordcelen uit zijn be zit te trekken, die de daarbij gewonnen schatten naar China brengt, terwijl „het landbezit der Nederlanders die brengt in den schoot van het vaderland". Hij vreesde ook bij een inval van een buitenlandschen vijand, dat de Chineezen zich zouden laten omkoopen om dezen te helpen en hij eindigt met een delendam esse over het Chineesche landbezit uit te roepen 1) Zie Indische Gids 1907, blz. 1407. HOOFDSTUK IV. De Chineezen op Java en Madoera. A. GESCHIEDENIS. Oudste betrekkingen tusschen China en Java. 1 ) De betrekkingen tusschen China en Java zijn al zeer oud. Wij weten uit Chineesehe annalen dat de Chineesehe pelgrim Fa-Hien, na de heilige plaatsen in Indië en op Ceilon bezocht te hebben, den terugweg nam over zee, en op Java, door hem Ya-va-di genoemd, schipbreuk leed in 414 n. Chr. Fa-Hien trof op Java nog geen Chineezen aan 2 ). Hij geeft de eerste berichten over de aanwezigheid van Hindoes op Java. Van dat tijdstip af schijnt Java bij de Chineesehe regeering bekend te zijn ge worden en er werden diplomatieke en commercieele betrekkingen met sommige landstreken op Java onderhouden. In een bericht van het jaar 435 heet die streek Dja-va-da; omstreeks 515 heet deze Langga-soe, of Langga. In de annalen der Tang-dynastie (618 —906) heet het rijk, welks bewoners handel dreven op China, of wier regeering gezanten zond, Kaling, met de beteekenisvolle mededeeling op een andere plaats, dat Kaling ook genoemd wordt Djava. Waarschijnlijk noemden de Chineezen het rijk Kaling, op het feit lettende, dat bewoners van Kalinga (Noord-oostkust van Voor-Indië) er het gezag in handen hadden. Tijdens de Soeng-dynastie, die in 960 in China den troon beklom, moet de handel van China op Java zeer belangrijk zijn geweest. De Chineesehe kooplieden, die op Java kwamen, werden 1) Zie Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, dl. 11, blz. 121 —123. 2) Zie Groeneveldt: „Notes on the Malay Arch., blz. 8. B. Emigratie uit China. ') De immigranten uit China komen uitsluitend uit de provincies Foehkiën en Kwangtoeng. Deze provincies stonden tot aan den v al van de Ming dynastie in een soort van vazalverhouding tot het groote Chineesche rijk. De regeerende onderkoningen genoten groote winsten door het handelsverkeer met de Zuidelijker ge legen landen en legden daarom aan de daarmee verbonden emigratie niets in den weg. Houding der Chineesche regeering in zake emigratie. Toen de Mantsjoe dynastie aan het bestuur kwam weken vele inwoners van Foehkiën en Kwangtoeng uit naar Formosa, en °nder aanvoering van Koxinga deden zij vele plundertochten in het Chineesehe gebied. Als tegenmaatregel verbood Keizer Shunchi (1644 —1662) ge heel de emigratie naar Formosa; iedere Chinees, die daarvan terugkwam, moest gevangen genomen en daarna onthoofd worden. De emigranten lieten, bevreesd om in hun vaderland terug te komen, hunne gezinnen naar Formosa overkomen, waar zij zich blijvend vestigden. Aan de emigratie naar de Zuidelijk gelegen landen werd niets m den weg gelegd tot in 1718 deze werd verboden door Keizer K'anghi, die tevens gelastte, dat alle in het buitenland ver toevende emigranten onverwijld naar China moesten terugkeeren. In 1728 liet Keizer Yungching bekend maken, dat een groot aantal trouwe onderdanen teruggekomen was; allen, die in bet buitenland waren, bleven van nu af aan voor altijd uit China verbannen en zouden bij eventueelen terugkeer in China 'Uet den dood gestraft worden. Blijkens eene bekendmaking van ven gouverneur van de provincie Foehkiën van het jaar 1754 Werd weder aan alle overzeesche kooplieden in herinnering *) Zie H. Gottwaldt, blz. 1-13. 2 HOOFDSTUK I. Emigratie. A. EMIGRATIE IN HET ALGEMEEN. Oorzaken der emigratie. De liefde voor zijn land is een ieder aangeboren. Er moeten dus bijzondere omstandigheden aanwezig zijn voor iemand ertoe komt om de plaats zijner geboorte te verlaten, eer hij destreken, Waar hij in zijn jeugd heeft gespeeld en gewerkt, de omgeving, waarin hij verkeerde, de personen, die hij heeft lief gehad en die hem hebben bemind, den rug toe keert om elders, vaak in verre oorden, datgene te verkrijgen, wat hem in zijne oude Woonplaats ontbrak. We zien in hem denzelfden drang tot ver plaatsing, dien wij bij alles wat leeft kunnen opmerken. De strijd om het bestaan dwingt alles, wat ademt, naar nieuwe, zoo het kan ook betere levensvoorwaarden te zoeken. Vogels, visschen en de dieren, die op het land leven, zij allen maken dikwerf groote reizen om voor zich zelven of voor hunne jongen geschikter voeding te vinden; ja, zelfs planten, struiken en boomen verspreiden zich over die gedeelten der aarde, waar bet leven voor hen mogelijk is. Alles wat leeft heeft de strek king om zich te vermeerderen, en elke soort van levend wezen zou weldra de geheele aarde voor zich alleen opeischen, indien hare toeneming niet werd geremd door machten sterker dan die soort. Zoo heeft ook de bevolking neiging steeds te vermeerderen. Wanneer de voor die bevolking beschikbare voedingsmiddelen met hare toeneming geen gelijken tred houden, geraakt zij in een toestand van verarming en zij, die aan die verarming wenschen te ontgaan, verlaten hun oude woonplaatsen. 1 HOOFDSTUK V. De Chineezen in de Westerafdeeling van Borneo Oorspronkelijk vaderland der Borneo-Chineezen. *) Wanneer men het oog over de kaart van het onmetelijke China laat weiden, aldus schrijft Dr. de Groot, dan ontwaart men oostelijk van de wereldstad Canton een uitgestrekt berg land, door tal van rivieren doorsneden en aan de zeezijde door een uiterst geaccidenteerden kustzoom begrensd. Het is daar dat het vaderland der Chineezen, die Borneo koloniseerden, gelegen is. Eens was er een tijd, doch niemand weet hoe ver die van ons ügt, dat dit gedeelte van Kwantoeng, evenals deze gansche provincie, door nog luttel beschaafde autochtonen bewoond was. Uit het Noorden kwam een Chineesche stam, dien men gewoon lijk Poenti's of „inboorlingen" noemt, Kwantoeng binnendringen. De Poenti's eindigden met de oorspronkelijke bevolking in zich op te nemen, te verdringen, wellicht te verdelgen. Een klein gedeelte leeft nog altijd, onder den naam van Miao-tsze, in eenige ontoegankelijke bergstreken der provinciën Kwantoeng en Kwangsi voort. Hetzelfde lot, dat den Miao-tsze door die Poenti's werd be schoren, viel echter omstreeks het tijdperk onzer Middeleeuwen ook den Poenti's zelf ten deel. Een nieuwe migratiestroom, ditmaal afkomstig uit het Zuidelijk deel van de provincie Foehkiën, bij de bevolking Hokkiën geheeten, welke onmiddellijk tegen het Noordoosten van Kwantoeng grenst, drong deze laatste Provincie binnen. Deze nieuwe immigranten, de Hoklo-Chineezen, hebben thans in menig district van Kwantoeng de overhand. Tegelijkertijd kwam, vermoedelijk uit het Noorden van China, een tweede immigratiestroom Kwantoeng binnen. Deze immi- 1) Zie Dr. J. J. M. de Groot: „Het Kongsi wezen van Borneo" blz. 64. 18 HOOFDSTUK VI. De Chineezen in de residentie Oostkust van Sumatra. A. HET AANDEEL DER REGEERING IN DE ONTWIKKELING TAN DE OOSTKUST VAN SUMATRA. Om eenigszins een begrip te krijgen van de ontwikkeling, die het gebied der tegenwoordige residentie Oostkust van Sumatra in de laatste halve eeuw heeft ondergaan, geven we hieronder allereerst, aan de hand van den gewezen resident P. J. Kooreman, eene korte uiteenzetting van de door de regeering genomen maatregelen, om aan die ontwikkeling de behulpzame hand te hieden. ') Na het sluiten van het bekende Siaktractaat van 1858 werd het rijk Siak en Onderhoorigheden een afdeeling van de residentie Riouw, en gesteld onder een te Siak wonenden ass. resident, aan wien een controleur was toegevoegd. In 1864 (Stbl. N°. 48), dus een jaar nadat in Dcli door een Europeaan voor het eerst tabak was geplant, werd daar de eerste controleur geplaatst, namelijk te Laboean Dcli, wiens geheele personeel bestond uit twee oppassers. Volgens dat Siaktractaat was Dcli een onderhoorigheid van Siak, doch de Sultan van Dcli ontkende dat beslist, ofschoon hij zich bereid verklaarde om onafhankelijk van Siak de souve reiniteit van het Nederlandsch-Indische Gouvernement te erkennen, zooals ook langs een omweg geschiedde. Hierdoor ontstond twijfel, of de bepalingen van dat tractaat, speciaal art. 21, al of niet voor Dcli golden. Dit art. luidde: 1) Zie P. J. Kooreman: „De werking van de ordonnantie tot regeling van e rechtsverhouding tusschen werkgevers en werklieden in de residentie Ooskust van Sumatra", 1902. HOOFDSTUK VII. De Chineezen in de overige Buitenbezittingen. A. BE CHINEEZEN IN RIOUW EN ONBER HOÜRIGHEBEN »)• 2 ) Bij het meer en meer toegankelijk worden van Chineesehe bronnen bestaat er kans, dat daarin stellige gegevens worden gevonden omtrent de eerste vestigingen van Chineezen op de Riouw-Linggasche eilanden. Thans is daarvan met zekerheid niets bekend. In het laatste kwart der 18 de eeuw was ter hoofd plaats Riouw reeds een aanzienlijk getal Chineezen gevestigd, maar dat de Chineezen toen reeds de binnenlanden zouden heb ben bevolkt, blijkt niet, en is ook niet waarschijnlijk. Veeleer mag worden aangenomen dat de groote toeneming van Chineezen op de eilanden heeft plaats gehad na de stichting van het tegen woordige Singapore, waar het Chineesehe element hand over hand toenam en alzoo een invloedrijke positie zou gaan innemen. Het aantal Chineezen in den Riouw-Lingga-archipel is weinig constant en ook kan men — een paar honderd handelaren en ambtenaren uitgezonderd — van de Chineesehe bevolking veilig als van eene vlottende spreken; want het is niet met het doel zich er blijvend te vestigen dat de Chineezen van het Zuid oostelijk en Zuidwestelijk gedeelte der provincie Foehkiën en het oostelijk deel der provincie Kwantoeng via Singapore der waarts komen. Zij komen behalve levensonderhoud, overwinst zoeken, om daarmede, zoodra zij voldoende middelen hebben om er welgesteld te leven, naar hun vaderland terug te keeren. Dit is een der oorzaken, waarom de landbouw zoo roekeloos en uitputtend voor den bodem wordt gedreven. Hoe goede land- 1) Zie omtrent de getalsterkte der Chineezen blz. 187. 2) Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, dl. 111 blz. 442 en vgd. HOOFDSTUK VIII. De Chineesche geheime genootschappen. A. GEHEIME GENOOTSCHAPPEN IN DE WESTER AFDEELING TAN BORNEO. Niet lang nadat ik in 1905 als controleur het bestuur over de afdeeling Mampawa in de residentie Westerafdeeling van Borneo had aanvaard, bleek mij aldaar het bestaan van geheime genootschappen, die, hoewel niet rechtstreeks tegen het Neder landsche gezag gericht, toch voor een goeden gang van zaken verderfelijk waren. Een voortgezet onderzoek bracht aan het licht, dat niet alleen Chineezen, doch ook inlanders, Maleiers en Dajaks, ja ook leden van het inlandsche zelfbestuur leden waren dier geheime genootschappen, terwijl onder het schrijvers en oppasserspersoneel van den controleur eveneens leden daar van voorkwamen. Alle handelingen van den controleur werden bespied en over gebracht aan het bestuur van de geheime genootschappen, die zoodoende met succes konden smokkelen, groote hanengevechten en dobbelpartijen organiseeren zonder dat er kans bestond op ontdekking door den magistraat. De leden veroorloofden zich veel vrijheden tegen de niet bij hen aangeslotenen en terroriseerden de handelaren en de ge goeden, die zij dwongen tot toetreding tot hun verbond. Men had, zooals overal elders, ook in Mampawa niet te doen met één goed aaneengesloten vereeniging, doch met twee ver eenigingen , die vijandig tegenover elkander stonden, en die beide vertakkingen hadden over de geheele residentie. Die twee vereenigingen droegen de namen van Sam-tiam-merah en Sam-tiam-idjoe, welke namen door de inlanders gegeven waren aangezien de leden van eerstgenoemde vereeniging als kenteekenen droegen roode, om hun hoofd gebonden doeken, en HOOFDSTUK 11. De Chineezen buiten China, met uitzondering van Nederlandsch-Indië. 1. De Chineezen in Amerika, Afrika en Australië. Wanneer men de kaart van Zuid-Oost-Azië voor zich neemt, dan ziet men Formosa, de Philippijnen, Borneo, Java, Sumatra, het Maleische schiereiland, Birma, Siam en Indo-China in een wijden boog geschaard, zich in het Noorden aansluiten bij de twee Chineesehe provincies Kwantoeng en Foehkiën. Binnen den kring omzoomd door bovengenoemde landen, be weegt zich de hedendaagsche emigratie der Chineezen nagenoeg geheel. Eertijds was dit anders. Gedreven door den machtigen drang, dien de godsdienst op sommigen harer belijders bijwijlen weet uit te oefenen, staken reeds in de sde5 de eeuw na Chr. Chineesehe boeddhistische priesters de zee over naar Amerika , waarschijnlijk den weg nemend langs de kust tot aan de Behringstraat, en deze overvarend, in Zuidelijke richting zich tot in Mexico be gevend. Doch deze eerst-komende Chineezen werden niet door velen gevolgd en weldra werd Amerika wederom gedurende eeuwen een in China geheel onbekend land. J ) Toen evenwel het blanke ras na afschaffing der slavernij zich genoodzaakt zag om op andere wijze te voorzien in goedkoope Werkkrachten voor den veldarbeid in tropische landen, ver schenen wederom Chineezen op den bodem van het Ameri kaansche werelddeel 2 ). In 1844 kwam in Britsch-Guyana het ee rste transport van Chineesehe koelies aan, en weldra volgden *) Zie omtrent deze Chineesche priesters in Amerika een artikel in „Le Monde Moderne 1908." 2 ) Zie Gottwaldt, blz. 85-88. HOOFDSTUK IX. De Rechtstoestand der Chineezen in Nederlandsch-Indië. Dit hoofdstuk maakt geene aanspraak op volledigheid. Eene algeheele volledigheid zoude met zich mede moeten brengen, eene behandeling van zoo vele verordeningen, die rechtstreeks of zijdelings den rechtstoestand der Chineezen in Nederlandsch- Indië raken, dat zulks den omvang van dit boek zoude doen overschrijden. Zulk eene volledigheid is ook onnoodig, daar dit boek hoofdzakelijk dient om den belangstellenden lezer in korten tijd in kennis te brengen met het voornaamste wat betrekking heeft op den Chinees als factor voor de ontwikkeling van Zuid- Oost-Azië, meer in het bijzonder van Nederlandsch-Indië. Hot voor de Chineezen in Nederlandsch-Indië geldende privaatrecht. De bron voor het privaatrecht voor de Chineezen is art. 75 al. 2 van het Regeerings-Reglement, immers volgens art. 109 van het Regeerings-Reglement zijn zij gelijkgesteld met de inlanders. Artikel 75 van het Regeerings-Reglement luidt aldus: Voor zooveel de Europeanen betreft, berust de regtspraak in burgerlijke en handelszaken, alsmede in strafzaken, op algemeene verordeningen, zooveel mogelijk overeenkomende met de in Nederland bestaande wetten. De Gouverneur-Generaal is bevoegd om, in overeenstemming met den Raad van Nederlandsch-Indië, de daarvoor vatbare bepalingen dier verordeningen, des noodig gewijzigd, toepasselijk te verklaren op de Inlandsche bevolking of een gedeelte daarvan. Behoudens de gevallen waarin zoodanige verklaring heeft plaats gehad, of waarin zich inlanders vrijwillig hebben onderworpen aan het voor de Euro peanen vastgestelde burgerlijke en handelsregt, worden door den inlandschen regter toegepast de godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken der inlanders, voor zoover die niet in strijd zijn met algemeen erkende beginselen van billijkheid en regtvaardigheid. HOOFDSTUK X. China. Eene lezing van de rede, uitgesproken door Dr. J. J. M. de Groot bij de aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de rijks-universiteit te Leiden, den 9 den December 1891, welke rede getiteld was: „Over het belang der kennis van China voor onze Koloniën uit een politiek en wetenschappelijk oogpunt", bracht mij er toe om omtrent China verschillende gegevens te ver zamelen. Nu dit boek reeds een grooteren omvang heeft genomen, dan ik voorzien had, zie ik van mijn voornemen af om de door mij gemaakte aanteekeningen te publiceeren, en geef ik hier achter slechts enkele bladzijden, in verband met reeds te voren gedane verwijzingen. De Macao-quaestie. Op blz. 103 van dit werk werd reeds hieromtrent 't een en ander medegedeeld. Chester Holcombe geeft van die Macao quaestie de ondervolgende voorstelling l ). Toen de Portugeezen zich op het schiereiland van Macao hadden neergezet, bouwden zij aldaar eene versterking. De Chineezen, die wederrechtelijk van dit stuk grondgebied beroofd waren, voerden strijd, en na vele gevechten werd een tractaat gesloten, waarbij het aan de Portugeezen vergund werd aldaar te blijven onder voorwaarde, dat zij eene jaarlijksche grondbelasting zouden be talen aan het Chineesehe Gouvernement, dat de souvereiniteit over het grondgebied zou blijven behouden. Het tractaat werd geschreven in het Fransch, Portugeesch en Chineesch. De Fransche text zou bij verschil de beslissende zijn. Een Roomsen-Katholiek missionaris was tolk en deze werd belast met het samenstellen van de verschillende texten, die gelijkluidend moesten zijn. 1) Zie Chester Holcombe: „The real Chinese Question" blz. 199. CONCLUSIES. De lezer, die zoo geduldig is geweest, om de voorafgaande bladzijden te lezen, is, naar ik hoop, met mij o. a. tot de vol gende conclusies gekomen: I°. Voor tropische koloniën zijn kleurlingen als arbeidskrachten onmisbaar. (Zie o. a. blz. 11 — 14). 2 e . Een groot deel van Zuidoost-Azië heeft gebrek aan voor den arbeid geschikte kleurlingen. (Zie o. a. blz. 47 —48, 50-51, 73, 81, 89, 97—99, 101). 3°. Hierin kan alleen voorzien worden door invoer van Chi neezen. (Zie o. a. blz. 14—16). 4 e . Het aantal Chineezen voor invoer beschikbaar is vooralsnog beperkt en onvoldoende. (Zie o. a. blz. 25, 334, 361). se.5 e . Speciaal voor Nederlandsch-Indië: a. De immigratie van Chineezen behoort zooveel mogelijk te worden aangemoedigd op de Bezittingen buiten Java en. Madoera, speciaal in de gewesten Oostkust van Sumatra, Riouw en Onderhoorigheden, Banka, Biliton en de Wes terafdeeling van Borneo. (Zie o. a. blz. 303—306, 313—316, 333—334, 356, 359, 366-368, 371—373). b. Daarentegen behoort de immigratie van Chineezen op Java en Madoera zooveel mogelijk te worden belemmerd. (Zie o. a. blz. 195). c. De bij Koninklijke Boodschap van den 16 den April 1909 ingediende ontwerpen van wet: I°. tot regeling van het Nederlandsch-onderdaanschap van hen, die herkomstig zijn uit Nederlandsch-Indië; ALFABETISCH REGISTER. Afrika. Uitvoer van negerslaven en koe lies, 12-16. Chineezen in Zuid-Afrika, 43. Amerika. Emigratie naar Amerika. 3—13,18. De Chineezen in Amerika, 41—42. De Chineezen in de Philippijnen, 85—93. Amoy. Emigratie van Chineezen, 18 —19, 22—24. Annam, 94-100. Arbeid. In tropische landen zijn kleurlingen als arbeiders noodzakelijk, 11. Slaven- en koelie-arbeid, 12—13. Negers, Kanaken en Chineezen als arbeiders, 15 —16. Arbeiders uit China voor N.-L, 26. Reglement aanwerving arbeiders in China voor Nederl. koloniën (wordt niet gevolgd), 27—32. Bepalingen omtrent Chineesehe arbeiders voor Britsche koloniën, 33—40. Arbeidsinspectie, 321—322, 468. Zie verder onder: Statistieken. Argentinië. Aanmoediging van immi gratie, 3. Australië. Beperking van kleurlingen-immi granten, 10. Kanaken, 15—16. Chineezen in Australië, 43. Atjeh, 370-371. Banka, 358—365. Bestuur over de Chineezen in N.-L, 203—204, 454—460, 490. Bewijskracht van onderhandsche ge schriften van Chineezen, 474. Biliton, 365-370. Birma, 84. Borneo. De Chineezen in de Wester afdeeling van Borneo, 273—316. Zie verder in de Inhoudsopgave, blz. XVII. Geheime genootschappen in de Westerafdeeling van Borneo, 314—315, 375-382. Zie verder in de Inhoudsopgave, blz. XVIII. Britsch-Noord-Borneo, 72—74. Broenei, 74—75. Buitenbezittingen, 352—374. Zie verder in de Inhoudsopgave, blz. XVII—XVIII. Californië (zie ook Amerika), 42. Cambodja, 95, 99. Canada. Tegengang van immigratie van Chineezen. (Zie ook Amerika), 11, 42. China. Emigratie uit China, 17—40. Zie verder onder Emigratie. Bestrijding van geheime genoot schappen in China, 427—429. Aanteekeningen over China, 476— 482. Zie verder in de Inhoudsopgave , blz. XIX. CHINEEZEN BUITEN CHINA. HUNNE BETEEKENIS VOOR DE ONTWIKKELING VAN ZUID-OOST-AZIË, SPECIAAL VAN NEDERLANDSCH-INDIË DOOR L. H. W. VAN SANDICK, Controleur bij het Binnenlandsch Bestuur op de Bezitthitjen buiten Java en Madoera. 'S-GRAVENHAGE M. VAN DER BEEK's Hofboekhandel 1909  TYP. Züm-HOtLANIISCHK flO_K- EK HANDELSDRUKKERIJ, CHINEEZEN BUITEN CHINA. LITERATUUROPGAVE. Act N°. VIII of 1867. An Act to amend the Law for the Naturalization of Aliens. (15 th May 1867) (Straits-Settlements). Dr. Alfred Zimmermann : „Die Kolonialpolitik Portugals und Spauiens in ihrer Entwickelung von den Anfangen bis zur Gegenwart dargestelt". Berlin 1896. Dr. Alfred Zimmermann: „Kolonialpolitik". Leipzig. Verlag von C. L. liirsch feld. 1905. Algemeen en huishoudelijk reglement van het Immigranten-Bureau. Mei 1908. Allcyne Ireland : „The far Eastern Tropics. Studies in the administration of tropical dependencies". Westminster. xYrchibald Constable and Co. Ltd. 1905. Artliur Girault: „Principes de colonisation et de législation coloniale". Troi sième édition, tome I. Paris 1907. Basil Hall Chamberlain : „Things Japanese, being notes on various subjects connected with Japan for the use of travellers and others". Fith Edition Revised. London, John Murray, Albemarie Street 1905. Berthold Laufer: „The relations of the Chinese to the Philippine Islands". Verschenen in bet tijdschrift: Smithsonian Miscellaneous Collections. Vol. IV. Part. 2. City of Washington, published by the Smithsonian Institution. 1907. Mr. H. J. Bool: „De Chineesche immigratie naar Deli." Boudewijnse en van Soest: „De Indo-Nederlandsche wetgeving". Brochure: „Twee brieven over de Chinezen en hun landbezit op Java". Tiel. Wed. D. R. van Wermerskerken. 1861. Chamberlain: Zie Basil Hall Chamberlain. Chester Holcombe : „ The real Chinese Question". Methuen & Co. London — 1901. The Colonial Office List for 1908 comprising Historical and Statistical Infor mation respecting the Colonial Dependencies of Great-Britain, etc, London Waterlow Sons Limited, Great Winchester St., E. C. Convention between China and the United Kingdorn respecting the employ ment of Chinese labour in British colonies and Protectorates. Signed at London. May 13, 1904.  VOORREDE. Bij besluit van den Gouverneur-Generaal van Nederlandseh- Indië dd. 25 Mei 1908, N°. 14 werd ik aangewezen voor de studie aan de Nederlandsen-Indische Bestuursacademie. Op de voor die studie aangewezenen rust o. a. de verplichting eene voordracht te houden over een onderwerp, verband houdende met den werkkring van ambtenaar bij het Binnenlandsch Be stuur. Aangezien ik gedurende mijn verblijf als Controleur 8.8. in de Westerafdeeling van Borneo heb kunnen nagaan van hoeveel belang de aanwezigheid der Chineesche bevolking in die residentie is geweest voor de ontwikkeling van het gewest, koos ik als onderwerp van de voor mij verplichte voordracht: „ Het Chineezenvraagstuk in Nederlandsch-Indië ". Bij het samenstellen van mijne voordracht raadpleegde ik in verschillende bibliotheken de zeer uitgebreide literatuur over de Chineezen in het algemeen. Een deel van de door mij bij die raadpleging gemaakte aanteekeningen, benevens de afschriften, vertalingen en extracten van verschillende boekwerken worden hierbij, tot een geheel vereenigd, en hier en daar van opmer kingen mijnerzijds voorzien, den lezer aangeboden. Hij kan daar door in korten tijd kennis nemen van wat n. m. b. meening het belangrijkste is, dat over den Chinees als factor voor de ont wikkeling van Zuid-Oost-Azië, en speciaal van Nederlandsch-Indië, geschreven is. Gedeelten van de door mij op den 7 don Mei 1909 gehoudene voordracht zijn te vinden op de blz. 184—206, 313—316, 333—334, 370—373, 422—424. L. H. W. van Sandick. INHOUD. HOOFDSTUK I. EMIGRATIE (blz. 1-40). A. Emigratie in het algemeen (blz. 1—16). Oorzaken der emigratie (blz. 1). Verschillende wijzen van emigratie (blz. 2). Wetten en regelingen be treffende de emigratie (blz. 2). Argentinië als type der landen die immigratie aanmoedigen (blz. 3). De Vereenigde Staten van Amerika als type der landen die minwaardige immigranten uitsluiten (blz. 4). Cijfers, aantoonende de belangrijkheid der emigratie uit Europa (blz. 5). Landverhuizing naar Amerika (blz. 7). Speciale wetten tegen immigratie van Chineezen (blz. 10). Tropische landen hebben gekleurde arbeids krachten noodig (blz. 11). Slavenarbeid (blz. 12). Na afschaffing der slavernij, koelie-arbeid gebezigd (blz. 13). Aanwerving van koelies in de Engelsche, Fransche en Nederlandsche koloniën, met bestemming elders, verboden (blz. 14). Verbod van uitvoer van negers (blz. 15). Liberia uitgezonderd (blz. 15). Kanaken (blz. 15). China, hoofdmarkt van arbeiders voor tropische landen (blz. 16). B. Emigratie uit China (blz. 17—40). Houding der Chineesehe regeering in zake emigratie (blz. 17). Emigratie uit Foehkiën (blz. 20). Emigratie uit Kwantoeng (blz. 21). Conventie tusschen Engeland en China (blz. 21 en 33). Cijfers omtrent de emigratie van Chineezen (blz. 22). Vrouwen-emigratie (blz. 25). Reglement voor de aanwerving van arbeiders in China om onder contract voor een bepaalden tijd, veld- of fabrieksarbeid te ver richten in Nederlandsche koloniën (blz. 27). Nota betreffende de wer ving te Macao (blz. 33). HOOFDSTUK 11. DE CHINEEZEN BUITEN CHINA, MET UITZONDERING VAN NEDERLANDSCH-INDIË (blz. 40-126). 1. De Chineezen in Amerika, Afrika en Australië (blz. 40—43). 2. De Chineezen in Azië onder Engelsen gezag (blz. 44—84). A. De Chineezen in de Straitskolonie en de Maleische staten op het Maleische schiereiland (blz. 44 —72). a. Algemeene mededeelingen (blz. 44—51). Oude betrekkingen tusschen China en het Maleische schiereiland (blz. 44). Portugeezen en Hollanders (blz. 44). Engelsehen (blz. 45). Overwegende invloed der Chineezen (blz. 45). Snelle ontwikkeling onder Britsch bestuur (blz. 45). De Chineezen droegen zeer veel bij tot de ontwikkeling (blz. 47). De Chineezen leveren het grootste deel van het inkomen der Maleische staten (blz. 50).          VERBET E RBLAD. Op blz. 15 en 16 staat: kanakans lees: kanaken. „ „ 142 regel 7v. o. staat: Stbl. 1839 N°. 138 lees: Stbl. 1889 N». 138. „ „ 161 „ 13 v. b. „ Ka-Hsing „ Kau-Hsing. „ „ 209 „ 3 v.b. „ afdeelingsplaatsen „ afdeelingshoofdplaatsen, „ „ 248 „ 14 v. o. „ Tiong-Hoa-Kwe-Koan „ Tiong-Hoa-Hwe-Koan, „ „ 303 „ 2v. o. „ gedeelte, „ gedeelte,". „ „ 305 „ 1 v.b. „ knnnen „ kunnen. „ „ 306 „ 23 v. o. „ „ Bijdragen „ „ Bijdragen". Op blz. 204 regel 4 v. b. bij den zin: „zijn de z.g.n. Chineesche officieren overbodig geworden," als noot te plaatsen: „Henri Borel in zijn boek: „De Chineezen in Nederlandsch-Indië". Uitgave L. J. Veen. — Amsterdam 1900. schreef reeds (blz. 33): „Er is geen enkele reden waarom men het ambt van Chineesch officier niet zou afschaffen." Verder schrijft hij (blz. 40): „Geen Chineesche officieren zijn er (n.m.l. in de Straits), enkel een z.g. Chinese Protectorate, eene voortreffelijke instelling, die men in Indië goed zou doen te imiteeren, na de Chineesche hoofden met hun ridicule militaire titels aan den dijk te hebben gezet.""